“Rijke mensen zijn als een benzinetank die nooit gevuld raakt”

In zijn roman Kapitaal beschrijft John Lanchester op magistrale wijze het leven in Londen zoals het is tijdens De Grote Schuldencrisis. “Ik wou Londen tonen zoals ik het door mijn raam zie.”

December 2007. In de huizen van Pepys Road, een doodgewone straat in de wijk Clapham in Zuid-Londen, leven de bewoners hun dagelijkse leventje. In huisnummer 51 denkt bankier Roger Yount tijdens het dichtknopen van zijn op maat gemaakte kostuum uit Savile Row lekkerbekkend aan zijn kerstbonus van 1 miljoen pond; zijn vrouw Arabella houdt zich onledig met het zoeken naar een nieuwe nanny en met het uitdelen van bevelen aan de Poolse klusjesman Zbigniew. In nummer 42 speurt de hoogbejaarde Petunia Howe van achter haar kanten gordijn naar de komst van de thuisbesteldienst van de supermarkt en een paar huizen verder vult middenstander Ahmed in zijn buurtwinkel de rekken met de ochtendkranten. Terwijl in nummer 27 de zeventienjarige Senegalese voetbalbelofte Freddy Kamo in afwachting van zijn eerste wedstrijd bij zijn nieuwe club uit de Premier League videospelletjes speelt, slingert voor zijn voordeur de Zimbabwaanse parkeerwachter Quentina een foutgeparkeerde James Bondachtige Aston Martin op de bon. Het huiselijke geluk in Pepys Road lijkt niet stuk te kunnen, tot er op elke deurmat recente foto’s van elk huis vallen met daarop de dreigende tekst: ‘Wat Van Jou Is, Wordt Van Ons.’

Pepys Road is de setting voor Kapitaal van de Britse auteur John Lanchester (1962). In zijn schitterende roman schetst Lanchester op meeslepende wijze de impact van de financiële crisis op het leven van een dwarsdoorsnede van de hedendaagse Londense bevolking. Hij zoomt niet alleen in op de rijkere, gesettelde inwoners, maar ook op nieuwkomers zoals Zbigniew en Matya, de kersverse Hongaarse nanny van de Younts.

De straat in Clapham waar John Lanchester woont, lijkt een kopie van het door hem verzonnen Pepys Road. Ook hier stammen de lieflijke huizen uit het einde van de negentiende eeuw en werden ze in oorsprong gebouwd voor gezinnen uit de lagere middenklasse. In de jaren vijftig van de twintigste eeuw namen de eerste zwarte gezinnen er hun intrek. Toen de huizenprijzen aan het einde van het Thatcherbewind langzaam begonnen te stijgen, verkochten zij hun woning aan meer begoede middenklassers die, toen de prijzen nog meer de pan uit swingden, op hun beurt hun huizen verkochten aan nog rijkere middenklassers. “Wij hebben ons huis twintig jaar geleden gekocht”, zegt Lanchester. “Nu zouden we het ons niet meer kunnen permitteren. Want vandaag is Clapham zeer geliefd bij bankiers die probleemloos 2,5 miljoen pond voor een rijtjeshuis zoals het onze neertellen. In twintig minuten brengt de metro hen van hier naar hun kantoren in Canary Wharf.”

De enige oorspronkelijke bewoner in Pepys Road is de stokoude Petunia Howe. Zijn in de meeste gelijkaardige Londense buurten de ‘originele bewoners’ verdwenen?

John Lanchester: “Ik sprak onlangs met een kunsthistoricus die een paar straten verder woont. Hij heeft drie decennia in Amerika geleefd en gewerkt. Dertig jaar geleden werd Clapham bevolkt door voornamelijk zwarte gezinnen waarvan de kostwinners vooral bij het Londense openbaar vervoer werkten. Mijn buurman vertelde me dat hij de eerste blanke inwijkeling in zijn straat was. De etnische samenstelling is ondertussen opnieuw totaal veranderd. De originele bewoners van vijftig jaar geleden zoals Petunia zijn bijna allemaal weg. Ik durf er veel op te verwedden dat je in mijn straat niemand van ouder dan 25 vindt die hier geboren is. Tijdens de Koude Oorlog maakten sommige Londense wetenschappers zich zorgen over wat de gevolgen voor de stad zouden zijn van een goed gemikte Russische atoombom. Ze gingen ervan uit dat het centrum weggevaagd zou worden en tekenden rond de plaats van de inslag cirkels: in de zone rond de bomkrater zouden er geen overlevenden zijn, in de zone daar rond zouden de overgebleven zwaargewonden een afschuwelijke dood sterven, in de zone daar rond zou het handvol overlevenden creperen aan een nucleaire winter. De bom is nooit gevallen, maar nu heeft geld wel iets gelijkaardigs veroorzaakt: de oorspronkelijke middenklassebewoners zijn onder druk van het grote geld steeds verder weg van het centrum van de stad naar de buitenwijken verdreven. Een goeie vriend van mij is opgegroeid in Chelsea; zijn vader was een ambtenaar en zijn moeder een leerkracht. Vandaag is Chelsea bevolkt met superrijke Russische oligarchen en Europese zakenbankiers. Zij hebben de ambtenaren, bedienden en leraars verder weg geduwd.”

De topverdieners hebben ondertussen ook Clapham veroverd?

“De echte superrijken zitten hier nog niet; die wonen in Mayfair en Knightsbridge. Bankier Roger Yount en zijn vrouw Arabella gedragen zich wel alsof ze tot die klasse behoren, maar ze hebben nog een lange weg te gaan. Mensen met honderden miljoenen ponden lachen met Roger, ook al verdient hij aardig zijn boterham. Hij moet nog nadenken over zijn hypotheek en zijn belastingaangiften; de superrijken houden zich daar niet meer mee bezig. Iemand vroeg me onlangs: ‘Waarom heb je de Younts afgeschilderd als door geld geobsedeerd? Zijn arme mensen soms fijner dan rijke?’ (lacht) Ik vind dat niet, maar ik denk wel dat armere mensen een realistischer verhouding met geld hebben. Het is een dagelijkse bekommernis voor hen, waardoor ze er bewuster mee om gaan. Mensen die meer dan genoeg geld hebben, worden onverzadigbaar en lijken op een benzinetank die nooit gevuld raakt. De laatste twintig jaar is er een ingrijpende verandering gekomen in onze houding tegenover consumptie: we zien het als iets dat eindeloos kan blijven uitbreiden en gedragen ons daar ook naar. We leven volgens het principe dat the sky the limit is en dat het ook prima is om steeds meer te willen. Ik vrees dat de Britten daar meer last van hebben dan anderen. In Frankrijk is dat toch anders: de Fransen hebben een hekel aan Sarkozy gekregen omwille van zijn consumptie en gruwen van zijn opzichtige horloge van 50.000 euro. Sarkozy heeft krampachtige pogingen ondernomen om die perceptie te veranderen, maar de Fransen blijven hem zien als een vulgaire kerel. In Groot-Brittannië en zeker in Londen is het begrip vulgariteit uit het woordenboek gewist. Ooit was het een belangrijke negatieve eigenschap: mensen namen aanstoot aan medemensen die met hun rijkdom te koop liepen. De gedachte dat ongebreidelde consumptie vulgair en slecht is, is weg. Voor Londenaars is het zelfs iets nastrevenswaardig geworden.”

Komt dat omdat Londen met de City het financiële hart van Europa huisvest?

“Zeker. De leden van de middenklasse vinden ongelijkheid best oké als ze zelf tot de welstellenden behoren, maar ze haten het als er mensen zijn die veel rijker zijn dan zij. In Londen wonen succesvolle medische specialisten en advocaten die woedend zijn omdat ze in verhouding tot de superrijken ‘arm’ zijn. De kerstbonus van 1 miljoen pond waar bankier Roger Yount op rekent, is echt geen overdrijving.

De bonussen in de City hebben meteen effect op de huizenprijzen in Londen. Ze hebben de demografische compositie van de stad fundamenteel veranderd. Dat vind je niet terug in Brussel of Parijs, maar is typisch voor steden met een grote financiële sector zoals Londen of New York. In Manhattan leeft er niemand meer zoals wij. Op dat eiland wonen geen journalisten, leraars of verplegers. De financiële sector heeft ervoor gezorgd dat het centrum van Londen en New York bevolkt wordt door mensen met een astronomisch inkomen die zich geen zorgen hoeven te maken over wat iets kost.”

Zet de kredietcrisis hen dan niet terug met hun voeten op de grond?

“De mensen die onder de kredietcrisis lijden, zijn niet degenen die er verantwoordelijk voor waren. De verantwoordelijken voor de excessen stellen het uitstekend en hebben daar amper een prijs voor betaald. Ik vind dat bijzonder gevaarlijk. De financiële sector heeft nog evenveel macht als vroeger, is niet aan banden gelegd en geniet van net dezelfde privileges als vóór de schuldencrisis. De kwalijke gevolgen van wat de financiële whizzkids hebben aangericht, worden niet door henzelf, maar door alle gewone burgers betaald. De keiharde realiteit is dat we pas aan het begin staan: vermoedelijk zal het ons een decennium kosten om de put te vullen die de financiële sector voor ons gegraven heeft. Kijk wat er met jullie bank Dexia gebeurd is: de verantwoordelijken voor het debacle zijn er niet armer op geworden, maar wie draait op voor de opkuis? De vijf hoogste toplui van Lehman Brothers hebben tussen 2000 en 2007 een miljard dollar aan salaris onder elkaar verdeeld en toen ging de bank failliet. Er zitten structurele fouten in het systeem. Dat is niet alleen verwerpelijk maar ook gevaarlijk, want de architectuur van dat systeem is nog steeds intact en de risico’s zijn nog even torenhoog. Onze regeringen hebben wel de macht om ons ten oorlog te sturen naar Irak of Afghanistan, maar beweren tezelfdertijd dat ze totaal onmachtig staan tegenover de financiële wereld. ‘Daar kunnen we helemaal niets aan doen want de markt regeert.’ Dat begrijp ik echt niet.”

Zbigniew, Matya en Quentina dromen zoals zoveel andere migranten en vluchtelingen van een nieuw leven in Londen. Waar komt de aantrekkingskracht van de stad vandaan?

“Heel Groot-Brittannië is aantrekkelijk voor migranten omdat we rijk zijn én omdat we nog steeds een rechtstaat zijn. Niemand zal je tegen de muur zetten en je zal hier niet van honger sterven. Er is ook het vooruitzicht dat je hier een nieuw leven voor jezelf kan uitbouwen. Ik raakte niet zo lang geleden in de pub aan de praat met een Poolse mevrouw. Haar motief om naar Londen te komen was vooral de aantrekkingskracht van onze rijkdom en het succes van onze superrijke toplaag. Haar ‘London Dream’ is een variant van The American Dream. Al die migranten maken van Londen een open, energieke stad. Hier kunnen mensen met om het even welke huidskleur doorstoten naar de top. In de straten van de City lopen keurige blanke heren en dames in pak en das naast keurige zwarte heren en dames in pak en das. Ik denk niet dat je als migrant in Brussel dezelfde kansen hebt.”

In Kapitaal beschrijft u de bijna paranoïde angst die in Londen leefde in de jaren na de aanslagen van 2005 en wat dat betekende voor mensen die onschuldig opgepakt werden.

“We stellen de verkeerde vragen over onze veiligheid en over onze beveiliging. In 2007 en 2008 was de angst voor terreur veel groter dan nu – de aanslagen lagen nog vers in het geheugen. Nu is dat even weggeëbd, maar ik vermoed dat door de Olympische Spelen de paranoia weer hoge toppen zal scheren. Die overdreven angst slepen we al een tijd met ons mee: zo was in de zeventiger en tachtiger jaren de terreurdreiging van het IRA in Engeland alomtegenwoordig. Mijn moeder was Iers en katholiek en als kind zag ik hoe ze op Britse luchthavens bijna als een verdachte behandeld werd. Als overheden zich echt zorgen maken, zeggen ze tegen hun burgers dat ze zich minder zorgen moeten maken. Maar na 9/11 gebeurde net het tegengestelde en hoorden we onze leiders voortdurend verkondigen dat we een club als Al Qaeda als een zeer ernstige, existentiële bedreiging moesten beschouwen, wat ze in werkelijkheid niet is en nooit geweest is. Geen enkele democratische staat is ooit ondermijnd door terroristische activiteiten. Natuurlijk vallen er slachtoffers in aanslagen, en dat is heel tragisch, maar ze tasten de funderingen van de staat niet aan, terwijl de financiële sector dat wél doet. Zij vormt een existentiële bedreiging voor de stabiliteit van westerse democratieën. Als de geldmachine ophoudt met draaien, staat heel ons economisch weefsel en ons dagelijks bestaan op het spel.

In sneltreinvaart rijden we naar een samenleving vol 19e-eeuwse ongelijkheid. Dat wordt een van de grote problemen voor onze politici. Er leeft maar weinig animo bij hen om daar iets aan te doen, want het is gemakkelijker om de dingen op hun beloop te laten. Jarenlang is ons wijsgemaakt dat deregulering in de financiële sector een goeie zaak is, want door de rijken snel veel rijker te laten worden, zouden de middenklassers en arme dompelaars ook langzaam een beetje rijker worden. De schuldencrisis heeft pijnlijk duidelijk gemaakt dat dat een misvatting is. De bewijzen liggen op straat: de rijken worden nog rijker, terwijl alle andere mensen verarmen en de middenklasse wegsmelt als sneeuw voor de zon. Sinds 1980 is in Amerika meer dan de helft van de toename van het inkomen naar 1 procent van de bevolking gegaan. Zoiets kun je onmogelijk blijven verdedigen. Nu zitten we in de fase dat mensen zich daar vragen over stellen; het zal niet zo lang meer duren vooraleer ze ook verandering zullen eisen.”

De link tussen de titel van uw roman en Het Kapitaal van Marx is niet toevallig?

“Ik heb na het schrijven van dit boek meer Marx gelezen dan ervoor. Maar ik wou dat mijn roman doordrongen was van het begrip ‘kapitaal’ in zowel de politieke en economische, als in alle andere betekenissen. Vandaag geloven we nog steeds dat onze centen ons belangrijkste kapitaal zijn. Dat is een bijzonder spijtige vergissing.”

John Lanchester, Kapitaal, vertaald door Roland Fagel en Eline Haks, Prometheus, 512 p., 19,95 euro

© Jan Stevens

“De deur van de godfather stond dag en nacht open”

Als boefje van twaalf kraakte Louis Ferrante de parkeermeters van New York; op zijn 21e schopte hij het tot ‘kaderlid’ bij de maffia. Tot hij gearresteerd werd en jarenlang achter de tralies verdween. Vandaag coacht hij reguliere managers bij bonafide bedrijven. “Zowel in de boven- als in de onderwereld telt maar één principe: zoveel mogelijk winst maken.”

 

Louis Ferrante (43) was pas 17 toen hij in zijn buurt in Queens, New York, eigenhandig zijn eerste bestelwagen stal. “Ik had geluk”, zegt hij. “De laadbak lag vol gereedschap, waardoor de diefstal me veel meer opbracht dan enkel de verkoop van de onderdelen van de truck.” Een paar jaar later werd hij gerekruteerd door de Gambinofamilie, een van de vijf maffiafamilies die de georganiseerde misdaad in New York in handen hebben. Ferrante schopte het razendsnel tot capo, ‘teamleader’. In 1994 werd hij gearresteerd en afgevoerd naar de superbeveiligde gevangenis van Lewisburg in Pennsylvania. “Die plek was de hel”, herinnert hij zich. “De eerste maanden dacht ik alleen maar aan ontsnappen. Tot ik na een incident met een cipier tot het inzicht kwam dat ik het roer drastisch moest omgooien. Nadat ik de man tijdens een woedeaanval bijna met zijn das gewurgd had, schold hij me uit voor beest. ‘Ik een beest?’ dacht ik. Maar hij had gelijk. Ik had tijdens mijn maffiacarrière mensen geslagen met honkbalknuppels en pistoollopen in hun mond geduwd. Ik had me als een beest gedragen: in Lewisburg zat ik op mijn plaats.”

In 2003 kwam Louis Ferrante vrij: vandaag verdient hij zijn eerlijke kost met het schrijven van boeken en het coachen van managers, waarbij hij overvloedig put uit zijn rijke ervaring als notoir maffiakaderlid. Zo pas verscheen Straatwijs, een handleiding voor managers die hun organisatie willen enten op die van een maffiafamilie. “Denk het geweld weg, en de maffia is niet meer dan een gewone onderneming, bevolkt met doordeweekse zakenlui waar alleen de winst primeert.”

 

Van bajesklant tot liefhebber van Proust

Toen Louis Ferrante gearresteerd werd, hing er 150 jaar cel boven zijn hoofd. “Ik was dan ook geen doetje”, geeft hij toe. “Ik leidde bij Gambino het team van truckkapers en racketeers, de lui die geld afpersten in ruil voor bescherming. Mijn actieterrein lag in de Italiaanse buurt in Queens. Tot op de dag van vandaag is de maffia daar alomtegenwoordig. De Gambinofamilie had snel in de gaten dat de kleine Ferrante een bijzonder talentvol gangstertje was. Natuurlijk wou ik dolgraag bij hun club horen, want als maffialid steeg mijn straatwaarde en kon ik nog meer verdienen.”

 

De universiteit of de hogeschool interesseerden u niet?

Louis Ferrante: Nee, totaal niet. (lacht) Ik vond het leuk om crimineel te zijn. Al mijn vrienden waren gangsters en ik amuseerde me kostelijk. De mensen in mijn buurt keken niet op me neer omdat ik bij de ‘borgata’, de familie, zat. Ik werd daar juist voor gerespecteerd. De ‘bad guys’ waren de criminelen die oude dametjes overvielen of huizen van gewone burgers leegroofden. Maffiosi beschermden de buurt, hielden rivaliserende bendes weg en droegen zorg voor hun eigen familie en bekenden.

 

U was een persoonlijke vriend van John Gotti, de beruchte godfather van de Gambinofamilie.

Ik spreek daar niet graag over. Laten we het er op houden dat het FBI beweerde dat ik heel goed bevriend was met alle Gotti’s. Of ik bang ben dat ze me te grazen zullen nemen als ik uit de biecht klap? Ik ben geen verklikker; ik noem alleen namen van maffialeden die ofwel dood zijn, ofwel in de gevangenis zitten. John Gotti is dood, dus vind ik het geen probleem om zijn naam uit te spreken of neer te schrijven, maar daarmee houdt het ook op. Na mijn arrestatie wilden de politiediensten dat ik met hen ging samenwerken tegen de Gambinofamilie, ze viseerden daarbij vooral de Gotti’s en oefenden druk op me uit door met levenslang te dreigen. Ik had toen geluk dat de stool pigeon, de voornaamste politie-informant tegen mij en mijn bende, de voorwaarden van zijn getuigenbeschermingsprogramma schond. Het FBI gooide hem eruit en bood mij een overeenkomst aan: als ik schuldig pleitte, kreeg ik strafvermindering in ruil. De oorspronkelijke eis tot 150 jaar werd omgezet in 13 jaar cel.

 

In de gevangenis hebt u de literatuur ontdekt?

Als maffioso was ik er rotsvast van overtuigd dat ik volgens een verheven code leefde. In de gevangenis kam ik erachter dat die zogenaamde morele code meer met hebzucht dan met eer te maken had. Ik ontmoette er maffiosi die levenslang zaten voor moord. Tijdens mijn Gambinojaren hadden oudere maffiabazen me verteld dat eremoorden zinvol waren. In de cel vertrouwden de killers me toe dat hun moordopdrachten alleen maar te maken hadden met geld, met miljoenen dollars. Toen ik zelf maffialid was, kon ik ermee leven dat andere leden vermoord werden omdat ze iets ondernomen hadden wat tegen de belangen van de familie inging. Maar nu hoorde ik van de daders zelf hoe ze omwille van puur hebzuchtige motieven kennissen van mij uit de weg hadden moeten ruimen.

In de cel begon ik diep na te denken over wat ik zelf allemaal uitgespookt had en kreeg ik zin om te lezen. Boeken hadden daarvoor nooit deel van mijn leven uitgemaakt. De enige figuur die ik met ‘literatuur’ associeerde, was mijn vroegere makker George DiBello: ‘Fat George’ stond vol getatoeëerd met verzen uit de bijbel. Toen hij me in de gevangenis bezocht, vroeg ik of hij me een paar boeken wou opsturen. Een tijd later zaten er drie boeken bij de post: ‘Over de Gallische oorlog’ van Julius Caesar, een biografie van Napoleon en Mein Kampf van Hitler. Later wou ik van George weten waarom hij die boeken had gekozen; hij antwoordde: “Ik zei aan de boekhandelaarster dat ik leesvoer zocht voor een klein, bazig ventje dat in de gevangenis zit.” Anderhalf jaar lang heb ik gelezen alsof mijn leven ervan afhing: ik las 20 uur per dag en werd een fan van 19e-eeuwse en vroeg-20e-eeuwse auteurs. Marcel Proust groeide uit tot mijn grote voorbeeld: tijdens mijn gevangenschap werd hij via zijn romans een persoonlijke vriend. Ik droomde ervan net zo goed te kunnen schrijven als hij. Ik bestudeerde de manier waarop hij verhalen construeerde en probeerde dat na te bootsen. In het begin waren mijn teksten schabouwelijk; met veel vallen en opstaan ben ik de schrijver geworden die ik nu ben.

 

Uw gevangenisjaren waren uw studentenjaren?

Zo kun je het stellen. Mijn celmaat was erg bedreven in het interpreteren van juridische teksten. Met zijn hulp ben ik mijn eigen zaak beginnen bestuderen. Ik doorploegde wetboeken en schoolde mezelf om tot mijn eigen advocaat. Op basis van een procedurefout slaagde ik erin om mijn 13 jaar cel te laten verminderen tot 8,5.

Ik heb me vaak afgevraagd hoe mijn leven er zou uitgezien hebben als ik wel had kunnen studeren; misschien was ik dan beursmakelaar of investeringsbankier in Wall Street geworden. In mijn kleine buurt in Queens was ik me niet bewust van die mogelijkheden. Ik zag alleen de kansen die de maffia me op de hoek van de straat bood. Dat gold ook voor mijn leeftijdsgenoten. Veel jeugdvrienden zitten nu in de gevangenis, terwijl ze de capaciteiten hebben om aan het hoofd van een grote onderneming te staan. Het is jammer dat niemand hen vroeger naar een fatsoenlijke school gestuurd heeft. Er zitten veel intelligente mensen bij de maffia. Ik heb maffiosi gekend die op een uitmuntende wijze grote ondernemingen runden: vuilnisophaalfirma ’s, afvalbedrijven die 300 miljoen dollar waard waren, bouwondernemingen die wolkenkrabbers bouwden in Manhattan… Doordat hun vaders, grootvaders, overgrootvaders in de maffiabusiness zaten, eindigden ze zelf ook als maffiaondernemer.

 

Managementlessen van de maffia

Wat kan een nette manager van de maffia leren?

Een van de belangrijkste positieve eigenschappen van de maffia is haar extreme betrouwbaarheid. Maffiosi houden zich altijd aan hun woord en vinden daardoor vrij probleemloos nieuwe mensen die zaken met hen willen doen. In ideale omstandigheden is maffiageweld niet gratuit, maar volgt het alleen als beloftes niet worden nagekomen, waarmee ik niet wil zeggen dat reguliere bedrijven bij een laattijdige betaling hun toevlucht moeten nemen tot het doorslaggevende argument van de honkbalknuppel.

De ceo van een gerespecteerd bedrijf of de godfather van een maffiafamilie denken op net dezelfde manier: ze willen het onderste uit de kan voor hun eigen bedrijf. Bij politici zie je hetzelfde: ook zij zijn machiavellistisch, ook voor hen heiligt het doel vaak alle middelen. Een politicus gaat zelfs nog verder dan een maffioso: hij zal niet aarzelen om de familie van een concurrerende politicus verdacht te maken, terwijl een maffiabaas zoiets nooit zal doen. Voor de maffia is de familie heilig: geen enkel maffialid haalt het in zijn hoofd om een concurrent via kinderen, ouders, ooms of tantes te raken.

Een maffioso zal tijdens de onderhandelingen over een deal niet noodzakelijk iemand bedreigen of intimideren. Natuurlijk gebeurt dat af en toe, maar de meest succesvolle maffiosi zijn de rasverkopers: zij die hun cliënteel op een charismatische manier weten te overtuigen. “Hey man, komaan, je weet dat dit de beste deal ooit is. Don’t bullshit me, dit gaat ons miljoenen dollars opleveren. Kom, laten we het doen!” Voor je er erg in hebt, stap je mee in het verhaal, ontkurk je een paar biertjes en is de deal geregeld. Die manier van zakendoen is bij de maffia meer ingeburgerd dan het omwringen van armen of het breken van knieschijven.

 

Wat kunnen HR-managers leren van de maffia?

Wij rekruteerden alleen ‘verdieners’. Een ‘verdiener’ weet van aanpakken en is altijd onderweg, hij is ook voortdurend bezig met het opzetten van plannetjes en schema’s om geld te verdienen. Als je als personeelsdirecteur wil dat je bedrijf groeit, moet je bij sollicitaties de ‘verdieners’, de doordouwers, eruit halen. Als je nietsnutten en klaplopers aanneemt, zullen je klanten je onderneming catalogeren bij de losers. Dus: neem hustlers aan die erop uit trekken en iets bouwen uit niets. Bij de maffia word je pas gerekruteerd als je bewezen hebt dat je een straatverdiener bent. In de legitieme wereld geldt net hetzelfde: neem iemand aan die bewezen heeft dat hij iets opbrengt, en niet zomaar iemand die elke maand zijn salaris incasseert en ondertussen op zijn luie reet blijft zitten.

 

Volgens u is het een goed idee om de organisatie van een groot regulier bedrijf op de leest te schoeien van een maffiafamilie?

Door je onderneming te organiseren op de manier waarop een maffiafamilie functioneert, creëer je nieuwe kansen en mogelijkheden. In de borgata wordt de hiërarchie altijd gerespecteerd: als een meerdere je een bevel geeft, reageer je daar niet op met een idiote opmerking maar voer je de opdracht gewoon uit. Ik vind dat in onze huidige maatschappij mensen steeds respectlozer worden. Vaak vertikken ze het om de job uit te voeren waarvoor ze aangenomen zijn of trekken ze constant hun taken in twijfel: “Waarom geef je die kloteklusjes altijd aan mij?” Een maffialid zet geen grote bek op en voert het bevel precies uit zoals het hem opgedragen is. Punt. Wat niet wil zeggen dat er bij de maffia niet naar opbouwende kritiek geluisterd wordt. Integendeel. Ik kom bij veel bedrijven over de vloer waar zoiets eenvoudig als een ideeënbus in geen velden of wegen te bespeuren is. Luisteren ze dan niet naar de ideeën van hun eigen personeel?

 

Bij de Gambinofamilie hing er wel een ideeënbus?

Er hing geen bus aan de muur, maar als je een goede inval had, stapte je gewoon bij de godfather binnen. De deur van zijn kantoor stond dag en nacht voor elk familielid open.

 

Tekst: © Jan Stevens

Foto: © Jerry Bauer

Het geluid van de nacht

Het geluid van de nacht, María Dueñas, Wereldbibliotheek (originele titel: El tiempo entre costuras), 592 blz., 19,90 euro.

 

“Een schrijfmachine brak mijn levenslot open.”

 

 

Aan de vooravond van de Spaanse Burgeroorlog staat het jonge Madrileense naaistertje Sira Quiroga op het punt te trouwen met de oersaaie ambtenaar Ignacio. Het gaat haar niet voor de wind en haar verloofde wil dat ze voor zekerheid kiest en ook ambtenaar wordt. Daarvoor moet ze eerst een schrijfmachine kopen en leren typen. In de winkel wordt ze geholpen door de knappe eigenaar en onverbeterlijke charmeur Ramiro. Sira wordt halsoverkop verliefd en geeft haar brave verloofde de bons. Een paar maanden later volgt de verschrikkelijke ontnuchtering.

Professor Engels María Dueñas debuteerde in 2009 op haar 45e in Spanje met Het geluid van de nacht. Grote verwachtingen koesterde haar uitgever niet, maar haar lezers waren er dol op: door mond-tot-mondreclame groeide haar historische roman met anderhalf miljoen verkochte exemplaren uit tot een gigantische bestseller. Het geluid van de nacht is meer dan een vlot verteld verhaal van een jonge vrouw die tijdens de oorlog evolueert van een naïef naaistertje tot een, jawel, gewiekste spionne voor de Britse geheime dienst. Dueñas schuwt de clichés niet, toch slaagt ze er ook in een boeiend beeld te schetsen van het door oorlog verscheurde Madrid.

 

© Jan Stevens

Zo ook op aarde

Zo ook op aarde, Davide Enia, De Bezige Bij (originele titel: Così in terra), 304 blz., 18,90 euro.

 

“Ze staan met z’n tweeën in de ring.”

 

 

De negenjarige Davidù groeit op in de straten van maffiabolwerk Palermo. Onder leiding van de zwaar gestoorde Pullara amuseert hij zich kostelijk met het treiteren van de dikke, hulpeloze buurjongen Gerruso. De pesterijen gaan crescendo en op een dag dreigt Pullara ermee om Gerruso’s nichtje Nina een flink pak rammel te geven als de jongen zijn eigen vingerkootje niet amputeert. Gerruso gaat overstag. Op het moment dat hij zijn vingertop eraf snijdt, breekt vlakbij de dagelijkse hel los en beschieten rivaliserende maffiosi elkaar vanuit voorbijrijdende auto’s. Het geweld werkt bij Pullara als een rode lap op een stier. Als hij met een mes in de aanslag op Nina afstormt, grijpt Davidù kordaat en koelbloedig in: met een goedgemikte linkse slaat hij Pullara’s voortanden uit. Davidù’s oom Umberto is toevallig getuige van het tafereel en hij beseft dat zijn neefje net als hijzelf voorbestemd is een groot bokser te worden.

Davide Enia bouwde in Italië een ijzersterke reputatie als theatermaker op. In zijn uitstekende romandebuut Zo ook op aarde laveert hij moeiteloos van grappig naar dramatisch en van hard naar teder. Samen met het verhaal van straatvechtertje Davidù brengt Enia de recente geschiedenis van zijn door de maffia geteisterde geboortestad Palermo kleurrijk tot leven.

 

© Jan Stevens

Holding Dexia: werken op een zinkend schip

Een jaar geleden vormde de Dexiatoren ’s nachts een fraai verlicht landmark op het Rogierplein in Brussel. Nu flikkert er nauwelijks nog een lamp. Steeds meer werknemers van Dexia NV vinden elders onderdak en de kantoren lopen leeg. De achterblijvers vragen zich af wie als allerlaatste het licht zal doven.

 

2006 was een heuglijk jaar in de geschiedenis van Dexia. Want toen nam de florerende financiële groep het gloednieuwe 136 meter hoge hoofdkwartier aan het Brusselse Rogierplein feestelijk in gebruik. Achter de 4200 ramen van de 34 verdiepingen tellende Dexiatoren flikkerden duizenden kleurrijke Ledlampjes. The sky leek voor Dexia voorgoed the limit. Tot een jaar later door de financiële crisis Dexia’s Amerikaanse dochter FSA met haar rommelkredieten zwaar in de problemen kwam. Vandaag is het alsof er van de ooit zo fiere Dexiagroep niets meer dan een smeulende puinhoop overblijft. De belangrijkste onderdelen, de Belgische, Franse en Luxemburgse banken, werden eind vorig jaar genationaliseerd of verkocht. Het restant, de holding Dexia NV, bestaat uit 75 miljard euro aan rommelkredieten, een fikse schuldenberg en een aantal gezonde onderdelen dat op verdere afhandeling of verkoop wacht. Het voortbestaan van de holding wordt voorlopig gegarandeerd door de Belgische en Franse overheden, waarbij België garant staat voor 60,5%. Als Dexia vooralsnog failliet gaat, zal dat elke Belg een schamele 5000 euro kosten.

Sinds de nationalisatie in oktober vorig jaar van de voormalige Dexia Bank Belgium en haar recente naamsverandering in Belfius, gloort er voor de 6000 medewerkers van die bank een straaltje licht aan het eind van de tunnel. Voor de 350 overblijvers in de restbank Dexia NV bleef er alleen onzekerheid en vertwijfeling. In theorie kunnen 323 van hen de overstap maken naar Belfius. Of ze werkelijk een schitterende toekomst tegemoet gaan, zal de geschiedenis leren.

 

Job voor het leven

Woensdagochtend. Er hangt verslagenheid in de kantoren van Dexia NV in de recent tot Rogiertoren herdoopte Dexiatoren. Het nieuws dat een collega gisterenavond uit het leven gestapt is, is ingeslagen als een bom. “Die collega had serieuze privéproblemen”, zegt Frank. “Misschien was de onzekere, stresserende toestand op het werk de druppel die de emmer heeft doen overlopen.”

Diezelfde ochtend staat Dexia in de kranten weer op de voorpagina met het bericht dat ex-voorzitter Pierre Richard voor zichzelf een extra pensioen van jaarlijks 583.000 euro voor 20 jaar lang onderhandeld had. “Ik verslikte me niet in mijn ochtendkoffie toen ik dat las”, zegt Franks collega Johan. “Bijna iedereen op de werkvloer wist dat Richard voor een appeltje voor de dorst gezorgd had. Ik ben niet de enige hier die het er moeilijk mee heeft dat degenen die de boel om zeep geholpen hebben, geen rekenschap moeten afleggen en met veel geld zijn vertrokken. In het verleden hebben ook ‘gewone’ personeelsleden zware fouten gemaakt. Zij werden, terecht, op staande voet ontslagen met een slechte C4 en zonder een cent ontslagvergoeding.”

Frank startte zijn carrière begin jaren tachtig als bediende bij het Gemeentekrediet; Johan volgde een decennium later. De ene wacht op wat komen zal; de andere heeft een job gevonden bij een andere bank en vertrekt binnenkort. “Toen ik pas van school kwam waren de examens van het Gemeentekrediet legendarisch”, herinnert Frank zich. “Mensen deden er massaal aan mee omdat ze droomden van een stabiele job voor het leven. Na de versmelting in 1996 van Het Gemeentekrediet en Crédit Local de France tot Dexia bleef die droom intact. Tot vorig jaar geloofde ik zelfs nog dat Dexia de orkaan wel zou doorstaan. Nu kun je bij de collega’s de believers op de vingers van een hand tellen. Het geloof in dit bedrijf is weg. Bij Belfius komt dat geloof na verloop van tijd wel weer terug, maar bij de restbank is het voltooid verleden tijd.”

 

Werknemers met een ‘vervaldatum’

Volgens vakbondsverantwoordelijke Elke Maes van LBC-VBK zit Dexia NV vandaag middenin een ‘grote transformatie’. “Veel personeelsleden zijn bezig met het maken van de overstap naar Belfius, anderen hebben dan weer elders een nieuwe job gevonden. Voor de achterblijvers is dat moeilijk. Maar ook niet iedereen die naar Belfius vertrekt, is even blij. Sommigen zijn ooit bij het Gemeentekrediet begonnen en hebben indertijd bewust hun overplaatsing naar de holding gevraagd. Ze staan niet te springen om terug te keren naar een bank waar ze ooit van ‘weggevlucht’ zijn.”

Johan bevestigt dat niet alle ‘overlopers’ naar Belfius even enthousiast zijn. “Zeker collega’s die vroeger van de bank naar de holding overgestapt zijn omdat ze ruzie hadden met hun leidinggevenden, hebben schrik om terug te keren naar hun oude bank met de nieuwe naam. Anderen vinden het dan weer niet leuk om over te schakelen van een relatief kleine entiteit naar een mastodont met duizenden personeelsleden.”

Nadat beslist was dat Dexia NV alleen nog de ‘lopende zaken’ zou afhandelen, kregen alle werknemers een ‘vervaldatum’ opgekleefd. Johan: “Voor elke functie ligt vast hoelang ze nog moet blijven bestaan om de afbouw van Dexia te kunnen realiseren. Sommige mensen zijn nu al vertrokken, aan anderen is gevraagd om te blijven tot juni, september of tot eind dit jaar. Voor wie naar Belfius kan, heeft de holding een overeenkomst gemaakt met de bank over de timing van die overstap. Een aantal diensten van Dexia zijn integraal overgenomen door Belfius, maar voor een groot deel van de openstaande jobs moeten mijn collega’s gaan solliciteren.”

 

Apathie in plaats van paniek

Hoeveel mensen zijn er nu al bij de holding vertrokken? Frank: “Ruim 100. Er wordt gezegd dat ongeveer 60 mensen bij Dexia NV zullen blijven werken. Maar daar bestaat geen zekerheid over, want niemand weet hoe de restbank gestructureerd zal zijn. We weten alleen dat de laatste overblijvers zich zullen bezighouden met de afbouw van de portefeuille. Dat is een ingewikkelde materie die gerust nog 15 jaar kan duren. Het is een misvatting dat alles wat in de portefeuille zit rommel is. Natuurlijk bevat hij kredieten en aandelen die flink onder druk staan, maar er zitten ook prima onderdelen in. Het grote probleem is dat zij op lange termijn lopen en dat ze alleen iets opbrengen als we tot de einddatum kunnen wachten om ze te verzilveren. Als we ze nu moeten verkopen, is het verlies gigantisch.”

Bestaat de kans dat de rommel Dexia voortijdig de das zal omdoen, voor de waardevolle onderdelen geïncasseerd kunnen worden? Johan: “Volgens onze collega’s van Risk and Finance blijft de integrale portefeuille beheerbaar en lossen de problemen op termijn zichzelf op. Wat nu als een zwaard van Damocles boven ons hoofd hangt, is de beslissing van de Europese Commissie over de staatswaarborg. Voorlopig worden we ingedekt door die overheidsgarantie, maar als de Commissie daar een stokje voor steekt, zit Dexia NV echt diep in de shit, want dan dreigt het faillissement.”

Zorgt die onzekerheid voor paniek op de werkvloer? Frank: “De paniek is aan het wegebben; bij veel mensen is er apathie in de plaats gekomen. Ze hebben voor zichzelf uitgemaakt dat ze zullen vertrekken. Slechts een heel kleine groep ziet het hier nog zitten. Dat zijn dan vooral mensen van Risk and Finance die kicken op het beheer van ingewikkelde financiële producten.”

Johan: “Het is niet bevorderlijk voor de groepsgeest als je voortdurend afscheid moet nemen van collega’s die naar elders verkassen. Sommige verdiepingen staan voor de helft leeg. Af en toe vertrekken mensen die beter even gebleven waren om ingewikkelde dossiers af te handelen. Je kan het hen natuurlijk niet kwalijk nemen dat ze in deze moeilijke omstandigheden eieren voor hun geld kiezen. Het is niet ondenkbaar dat er teveel specialisten vertrekken waardoor Dexia nieuwe mensen zal moeten zoeken. Nu is dat nog niet zo en wordt er ook niemand extra aangeworven. Ik zou gechoqueerd zijn als dat toch zou gebeuren. Maar ik kan me wel voorstellen dat binnenkort uitzendkrachten aangeworven worden. Door de leegloop raken sommige secretariaten onbemand, waardoor het gewone dagelijkse werk in het gedrang komt.”

Frank: “De voorbije maanden gingen de gesprekken in de koffiekamer uitsluitend over de hopeloze toestand; nu wordt er terug over koetjes en kalfjes gesproken. De situatie is zoals hij is: we moeten hier weg en we hebben ons daarbij neergelegd.”

 

Dexiawerknemers Johan en Frank hebben op eigen verzoek schuilnamen.

 

© Jan Stevens

Handboek van de duisternis

Handboek van de duisternis, Enrique de Hériz, De Geus (originele titel: Manual de la oscuridad), 462 blz., 22,90 euro.

 

“Het is nog maar enkele treden tot aan de groene deur, elf of twaalf.”

 

 

Vlak nadat Víctor Losa door zijn collega’s op een internationaal congres tot beste goochelaar ter wereld uitgeroepen is, slaat het noodlot keihard toe. Op een door zijn oude leermeester Mario Galván georganiseerde huldiging door de beroepsgoochelaars van zijn thuisstad Barcelona, krijgt Víctor problemen met zijn zicht. Tijdens de uitvoering van zijn belangrijkste goochelact, lijkt het alsof er heel even een alles verblindende witte sluier voor zijn ogen geschoven wordt. Als dat fenomeen zich later nog een paar keer herhaalt, raakt Víctor totaal gedestabiliseerd. Het verdict van de neuroloog bij wie hij te rade gaat, is onverbiddelijk: binnen afzienbare tijd zal Víctor stekeblind worden.

In Handboek van de duisternis slaagt de Spaanse auteur Enrique de Hériz erin op heel ingenieuze wijze het fictieve angstaanjagende verhaal van Víctors naderende blindheid te vermengen met de 19e-eeuwse geschiedenis van de heroïsche ‘strijd’ tussen bonafide goochelaars en de toen razend populaire spiritisten. In deze fraai geschreven roman is het trouwens niet allemaal kommer en kwel: zo zorgen de officiële onderzoeksrapporten naar spiritisme waar de Hériz overvloedig uit citeert, voor een bijzonder vrolijk intermezzo.

 

© Jan Stevens

The Whistleblower

Na de oorlog in ex-Joegoslavië vertrok mensenrechtenrapporteur Kathryn Bolkovac in opdracht van de VN naar de Bosnische hoofdstad Sarajevo. Snel ontdekte ze dat sommige internationale VN-militairen en -diplomaten nauwe banden met de lokale maffia onderhielden. “Ze waren blij met de hoertjes die speciaal voor hen geleverd werden.”

Op de avond van 9 oktober 2000 stuurde Kathryn Bolkovac van op haar kantoor in de Bosnische hoofdstad Sarajevo een mail naar haar bazen en collega’s. Anderhalf jaar eerder was ze in dienst getreden bij de Amerikaans/Britse beveiligingsfirma DynCorp als mensenrechtenrapporteur voor de Verenigde Naties. In haar mail, die ook gericht was aan Jacques Paul Klein, haar opperbaas en de speciale VN-gezant van de toenmalige secretaris-generaal Kofi Annan, legde ze uit wat ze in haar nog prille carrière in Bosnië ontdekt had. Kathryn Bolkovac: “Ik begon met beschrijven hoe jonge vrouwen uit Oost-Europese landen reageerden op een onschuldig ogende advertentie waarin hun een betrekking aangeboden werd als serveerster of kinderoppas. Hoe ze vervolgens geboeid en geblinddoekt naar Bosnië gesmokkeld werden, hoe hun paspoorten afgenomen werden en ze te horen kregen dat ze die konden terugkrijgen als ze de duizenden dollars aan reis- en verblijfkosten terugbetaalden die voor hen gemaakt waren. Dat geld konden ze alleen terugverdienen door zich in de talloze bars te prostitueren aan de rijke buitenlanders die voor de VN en andere internationale organisaties werkten. Vrouwen die weigerden, werden geslagen of uitgehongerd. Vrouwen die naar de politie stapten, werden gearresteerd voor prostitutie en illegale migratie.”

Met haar mail wou Bolkovac haar bazen en collega’s er bewust van maken dat ze medeschuldig waren door van de seksuele diensten van slachtoffers van mensenhandel gebruik te maken. “Toen ik op ‘verzenden’ klikte, voelde ik me opgelucht. Ik geloofde echt dat mijn van overvloedig feitenmateriaal voorziene mail eindelijk hun ogen zou openen.”

Het draaide enigszins anders uit: Kathryn Bolkovac werd door de VN en DynCorp onmiddellijk op non-actief geplaatst en twee maanden later op staande voet ontslagen. “Mijn bazen bedreigden me en ik zocht hulp bij de Amerikaanse ambassade, maar ambassadeur Tom Miller gaf niet thuis. Pas onlangs heeft hij zich daar uitvoerig voor verontschuldigd.”

Een paar loyale collega’s hielpen haar wegvluchten uit Bosnië. Over haar ervaringen als klokkenluider over vrouwenhandel en machtsmisbruik bij de Bosnische VN-missie schreef ze The Whistleblower dat ondertussen verfilmd werd met Rachel Weisz in de rol van Kathryn Bolkovac.

Pedofiel in Bosnië

Kathryn Bolkovac werkte tien jaar lang als agent bij de politie van Lincoln, de hoofdstad van de Amerikaanse staat Nebraska. “In april 1999 las ik een vacature van DynCorp, een private military contractor die vooral voor de regering van de Verenigde Staten werkt. Ze zochten politieagenten die in het kader van de Daytonakkoorden de plaatselijke politie in het naoorlogse Bosnië zouden helpen opleiden. Mijn grootouders langs vaderszijde hadden Kroatische roots. In 1942 zijn ze met de boot naar de Verenigde Staten geëmigreerd. Mijn opa was zestien, liet zijn verleden achter zich en bouwde een echte Amerikaanse familie uit. Hij vertelde niet graag over Kroatië, wat hij ‘het oude land’ noemde. Hij was een fervente anticommunist en wou niets met het regime van Tito te maken hebben, ook al was zijn hele familie er achtergebleven. Toen de oorlog in ex-Joegoslavië begin jaren negentig losbarste, wist ik dat ik er ooit terecht zou komen. Op een of andere manier wilde ik terug naar het geboorteland van mijn grootouders.”

De vacature van DynCorp klonk als muziek in Bolkovac’ oren. “Daarenboven zou ik een jaarloon krijgen van 85.000 dollar, belastingvrij. DynCorp betaalde een deel, de VN het andere. Dat geld kon ik als alleenstaande moeder met drie opgroeiende kinderen goed gebruiken. Ik was ook erg geïnteresseerd in internationaal politiewerk en ik zag het als een unieke kans om ingewijd te worden in de op het eerste gezicht boeiende wereld van vredeshandhaving onder VN-vleugels. Maar tijdens het solliciteren kreeg ik al het gevoel dat de mensen van DynCorp de lat voor hun nieuwe medewerkers bijzonder laag legden. Ik vertrok vanuit de veronderstelling dat ik als politieagent in Bosnië het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken zou vertegenwoordigen. In tegenstelling tot de meeste andere landen, heeft Amerika geen nationale politiemacht; voor buitenlandse opdrachten doen ze altijd beroep op private bedrijven. Ik had verwacht dat de rekrutering streng zou zijn met moeilijke vragenlijsten en diepgravende gesprekken, maar dat viel lelijk tegen: ik moest een paar documenten invullen en wat referenties van mijn politiebazen erbij stoppen en werd aangeworven. Vóór ik naar Bosnië vertrok, stuurden ze me een week op cursus naar Fort Worth in Dallas. Ik zag meteen dat het merendeel van mijn nieuwe collega’s helemaal niet aan de hoge standaarden beantwoordde die voor dat soort van missie noodzakelijk zijn. Ik had gehoopt dat we op zijn minst een gedegen opleiding zouden krijgen in internationale wetgeving en in de vredesakkoorden van Dayton, maar DynCorp vond dat blijkbaar tijdverlies. Onze instructieweek bestond uit een paar idiote behendigheidstests. Op de laatste avond maakte ik kennis met Jim, een oudere man met een bierbuik. Hij was al verschillende keren met DynCorp op missie in Bosnië geweest. We zaten rond het zwembad, hij nam een biertje en zei op een bepaald moment: ‘Ik weet waar je in Bosnië lekkere twaalf- tot vijftienjarigen kunt krijgen.’ Op dat moment had ik geen flauw idee waar hij het over had. Pas veel later, toen ik al een tijd in Sarajevo aan de slag was, drong het tot me door dat Jim een pedofiel was die met de zegen van DynCorp en de VN in Bosnië de tijd van zijn leven beleefde.”

Hoerenbuurt Bosnië

In juni 1999 kwam Kathryn Bolkovac in de kapotgeschoten Bosnische hoofdstad Sarajevo aan. “Ik was zwaar onder de indruk. Ik zag gebombardeerde gebouwen, bedelende kinderen en mannen en vrouwen die op krukken door de straten dwaalden. Alle nieuwe DynCorprekruten werden samengebracht in een troosteloos VN-gebouw, de Titobarakken. De verschillende VN-bonzen kwamen daar hun nieuwe personeel ophalen. Ze selecteerden ons niet op wat we wisten of wat onze achtergrond was, maar op hoe we eruit zagen. Het leek als de eerste week op de universiteit, waar de jongens de meisjes besnuffelen en proberen er achter te komen met wie ze willen daten. Niet je kennis of ervaring telde, maar je looks. Ik werd geselecteerd door Harry, de bureaucommandant van het voorstadje Ilidza. De enige reden waarom hij mij bij zijn team wou, was dat ik net als hij van Nebraska kwam. Hij vertrouwde me toe dat zijn bureau de beste feestjes van de hele missie organiseerde. Ik ging aan de slag als burgerpolitiewaarnemer en mensenrechtenrapporteur, maar van in het begin werd me duidelijk gemaakt dat ik niet verondersteld werd ook maar een poot uit te steken. ‘Strijk je geld op, verken van hieruit Europa en geniet van je vrijheid. Dan zal je gelukkig zijn.’

“Bosnië leek op één immense hoerenbuurt, met seksclubs, bordelen en striptenten. Overal stonden grote neonreclames te flikkeren, zowel in de bergen, als op het platteland. De maffia had er werkelijk alles in handen: je vond er winkels vol namaakcd’s en illegale sigaretten met daarnaast clubs vol meisjes in alle vormen en maten. Vrouwen die uit Oost-Europese landen door vrouwensmokkelaars naar Bosnië gebracht waren om zich voor de diplomaten, peacekeepers, de VN-medewerkers en NGO’ers te prostitueren. Ik ontdekte snel dat dit alles met medeweten van sommige bonzen van de VN en DynCorp, en vaak ook met hun hulp gebeurde. De Oekraïense maffia had zijn tentakels tot diep binnen de VN: de Oekraïense VN-generaal zat tot over zijn oren in de georganiseerde misdaad. Bijna alle buitenlanders maakten gebruik van de diensten van de meisjes. Ze waren blij met de hoertjes die speciaal voor hen geleverd werden. Sommigen hielpen met paspoorten te vervalsen of met het smokkelen van vrouwen, nog anderen kochten een vrouw in een bar en namen haar mee naar huis. Veel mensen waren hier in betrokken en niemand reageerde. De meeste internationale medewerkers waren alleen geïnteresseerd in het innen van hun salaris.”

Bolkovac ging wel actief op zoek naar de verwevenheid tussen de plaatselijke maffia en VN-medewerkers. “Als mensenrechtenonderzoeker had ik de autoriteit om samen met de lokale politie rapportages van mensenrechtenschendingen tot op het bot uit te zoeken. Het was niet zo moeilijk om diep te spitten, want de akkoorden van Dayton gaven ons een flinke stok achter de deur. Hoe harder ik aan de boom schudde, hoe meer tegenstand ik ondervond. Mijn eerste grote zaak ging over een smokkelaar van sigaretten die goeie zaakjes deed met het hoofd van de politie van Hadzici. Jaren later zou blijken dat mijn onderzoek toen slechts het topje van de ijsberg was, want samen met de politiechef bleken nog 26 andere politiemensen erbij betrokken. Ik werd snel door mijn bureaucommandant Harry van die zaak gehaald; hij was bang van de maffia en vond dat ik dat potje beter gedekt liet. Later kreeg ik wel steun van Madeleine Rees, de baas van het VN-mensenrechtencommissariaat in Bosnië. In het begin had ik een vrij goede relatie met mijn DynCorpcollega’s, tot ik de vinger wees naar een paar rotte appels onder hen en hen met naam en toenaam in mijn verslagen noemde. Daarna werd ik voortdurend geïntimideerd. Mijn vrienden waarschuwden me dat ik voorzichtig moest zijn. Anderen zeiden met veel aplomb: ‘Pas maar op. Hier gebeuren voortdurend ongelukken.’ In het begin schoot ik in de lach, maar na verloop van tijd begonnen die dreigementen te wegen. Ik wist niet wie ik wel of niet kon vertrouwen. Ik klopte aan bij interne zaken en bij VN-opperbaas Jacques Paul Klein; ik kreeg nergens gehoor. Alleen Madeleine Rees luisterde, maar ook zij kreeg overal nul op het rekest. Dus schreef ik in oktober 2000 die beruchte mail.

“Ik was de klokkenluider en werd daarom ook ontslagen door DynCorp, nadat zij overlegd hadden met de VN en met het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Ze dachten dat daarmee ‘het probleem’ opgelost was en speculeerden erop dat ik niet de moed zou hebben om met de pers te praten. Jacques Paul Klein vond het maar niks dat een vrouw, ‘een meisje’, zich moeide. Klein is nooit door Kofi Annan, noch door de latere secretaris-generaal Ban Ki-moon op het matje geroepen. Daarom kan ik tot op de dag van vandaag geen greintje respect opbrengen voor de VN.”

© Jan Stevens

Kathryn Bolkovac, Klokkenluider in Bosnië, Uitgeverij Kok, Utrecht.

Herinneringen aan Rio

Herinneringen aan Rio, Chico Buarque de Holanda, Meulenhoff (originele titel: Leite derramado), 224 blz., 18,95 euro.

“Als ik hieruit kom, gaan we trouwen op het landgoed uit mijn gelukkige jeugd aan de voet van de bergen.”

 

 

 

Na een ongelukkige val wordt de honderdjarige Eulálio opgenomen in een ziekenhuis waar hij aan de laatste reis van zijn leven begint. Half verdoofd door de morfine vertelt hij zijn levensverhaal tegen verplegers en ingebeelde bezoekers. Hij stamt uit een vooraanstaande Braziliaanse familie: zijn vader was een senator die vermoord werd toen Eulálio nog een kleine jongen was. Matilda, de vrouw op wie hij waanzinnig verliefd werd, verliet hem na de geboorte van hun dochter.

Met Herinneringen aan Rio schreef Chico Buarque de Holanda een schitterende roman over familievetes, bedrog, spijt en verval. Het beeld dat hij van de Braziliaanse samenleving schetst, is niet fraai: misdaad, corruptie, seksisme en racisme voeren er de boventoon. Buarque de Holanda is beroemd in Brazilië als schrijver en vertolker van bossanovamuziek. Onder de naam Chico Buarque scoort hij er hit na hit en in de loop der jaren bouwde hij een gedegen reputatie op als maatschappijkritisch dichter en romanschrijver. Zijn in eigen land meermaals bekroonde laatste roman Herinneringen aan Rio swingt alvast als uitstekende bossanova.

© Jan Stevens

Hoppen van bankroet naar bankroet

Ze richten de ene firma op nadat de andere tot de laatste druppel is leeggezogen. Hun slachtoffers zijn niet alleen de RSZ of leveranciers, maar ook hun eigen personeel. Soms laten ze een spoor van meer dan twintig ter ziele gegane bedrijven na. Maak kennis met de seriële ondernemer in failliete bedrijven.

Op 28 oktober 2011 belde de zieke vrachtwagenchauffeur Oumar Chagaev na lang aarzelen naar zijn baas bij de transportfirma JPF-Trans. “Ik voelde me al een hele maand zo ziek als een hond en slikte zware medicijnen, maar ik durfde niet thuis blijven”, vertelt Oumar. “Mijn baas is geen fan van zieke werknemers. Een paar jaar eerder had de dokter me twee weken ziekenverlof geschreven. Vlak nadat ik me bij de secretaresse op kantoor ziek gemeld had, hing de baas aan de telefoon. ‘Als je morgen niet in je vrachtwagen zit, bezorg ik je je C4.’”

Maar nu lukte het Oumar echt niet om te gaan werken. “Ik was aan het einde van mijn Latijn en moest van de dokter minstens een maand thuis blijven.” Dus tikte hij het nummer van JPF-Trans met knikkende knieën. “In november zit ik ziek thuis. Sorry.”

Op 8 november belde de postbode bij de Chagaevs aan. “Samen met met het loonbriefje van oktober, overhandigde hij me mijn aangetekende ontslagbrief. Ik was niet echt verrast, maar het kwam toch hard aan.” Toen Oumar later die week zijn rekening checkte, merkte hij dat het loon voor oktober en zijn opzeggingsvergoeding niet gestort waren. “Ik belde met een ex-collega. Hij vertelde me dat hij een nieuw contract had moeten tekenen bij een andere firma en als vanouds met de vrachtwagen reed. ‘Een formaliteit’, had de baas gezegd. Zijn loon van oktober was wel gestort.”

Oumar stapte naar zijn vakbond en hoorde tot zijn grote ontzetting dat JPF-Trans op 8 november de boeken had neergelegd. “Naar mijn loon en opzegvergoeding kon ik fluiten. Zolang ik in mijn opzegperiode zat, kreeg ik van de mutualiteit geen uitkering. Mijn vrouw werkt deeltijds, we hebben drie grote kinderen waarvan er twee nog studeren en we hebben een lening lopen voor de afbetaling van ons huis. Ik heb meer dan 5000 euro te goed van het failliete JPF-Trans.”

 

Van zonnebankcenter tot transportfirma

Als Oumar Chagaev die 28e oktober niet ziek geworden was, reed hij nu misschien nog met zijn oude vertrouwde vrachtwagen voor zijn oude vertrouwde baas voor een voorlopig nog springlevend bedrijf. “Ik weet niet hoeveel collega’s er samen met mij op straat gezet zijn”, zegt Oumar. “Als chauffeurs hadden we sowieso weinig contact met elkaar. Ik heb acht jaar voor dezelfde baas gewerkt. De eerste jaren heette de firma Dys-Trans.” Tot Oumar In de vroege ochtend van 16 november 2010 gewekt werd door een rinkelende telefoon. “De baas. Of ik zo snel mogelijk langs het kantoor in de Heidestraat 90 in Sint-Katharina-Lombeek, een deelgemeente van Ternat, kon passeren om een vers contract te tekenen, want de firma had een nieuwe naam gekregen: JPF-Trans.”

Brein achter Dys-Trans en JPF-Trans is Francis Van Lil uit Affligem. In de loop der jaren heeft Van Lil zich bekwaamd in het bankroet laten gaan van een met schuld overladen transportbedrijf, om onmiddellijk daarna een nieuw bedrijf als een feniks uit de as te laten herrijzen. Tot 2005 leek Van Lils transportbedrijf Dys-Trans behoorlijk te functioneren. Met bijna 40 personeelsleden in dienst maakte het een bescheiden winst. In 2006 ging het plots, ondanks een gelijk gebleven omzet en evenveel personeelsleden, spectaculair slecht en stapelden de verliezen zich in sneltreinvaart op. Dys-Trans betaalde zijn leveranciers niet en op 16 november 2010 werd het bedrijf na dagvaarding gedwongen de boeken neer te leggen. Blijkbaar had Van Lil de bui een jaar eerder al zien hangen, want in mei 2009 timmerde hij de vennootschap achter zonnebankcenter Cibo uit Asse om tot transportbedrijf JPF-Trans. Op de dag dat JPF-Trans de boeken neerlegde, 8 november 2011, verklaarde de Brusselse rechtbank van koophandel het faillissement van Dys-Trans voor eens en voorgoed gesloten.

Spil in het bedrijvenkluwen van Van Lil is zijn managementvennootschap Ceisser Management & Investment die als zaakvoerder de andere bedrijven leidde. Hoe roder de eindcijfers bij Dys-Trans en JPF-Trans werden, hoe beter Ceisser Management & Investment floreerde. Werden Dys-Trans en JPF-Trans uitgemolken door Ceisser Management? “Ceisser Management had met die andere bedrijven niets te maken”, reageert Van Lil. “Het is geen transportfirma, maar een managementvennootschap. Waar Ceisser haar inkomsten vandaan haalt? Ik heb geen transportfirma meer en ik heb ook geen personeel meer in dienst. Ik ben u helemaal geen uitleg verschuldigd.”

 

‘Een kei kun je niet stropen’

De curator van dienst bij de faillissementen waar Francis Van Lil verantwoordelijkheid voor draagt, is Ronald Parys, advocaat en burgemeester van Ternat. Over de zaak Van Lil wil hij het liever niet hebben; over faillissementsfraude in het algemeen wel. “Het komt vaak voor en neemt de laatste jaren alleen maar toe”, zegt hij. “Maar er is een onderscheid tussen degenen die er hun handelsmerk van maken en degenen die er tegen beter weten in rollen. De echte oplichters stichten vennootschappen met de bedoeling snel rijk te worden. Ze volstorten slechts een deel van het kapitaal, leveren een aantal prestaties, innen de inkomsten maar betalen hun schulden niet. Wanneer de schuldeisers zich ervan bewust worden dat er een probleem is, zijn ze allang met de noorderzon vertrokken. Vaak maken ze gebruik van stromannen en geven ze een terminaal zieke, werkloze of asielzoeker het statuut van zaakvoerder. Er zijn ook mensen die het wel goed menen bij de oprichting van hun vennootschap. Alleen proberen ze hun zaak zo goedkoop mogelijk op te richten, met een minimum aan kapitaal, waardoor ze na de kleinste commerciële of financiële tegenslag kopje onder gaan. De banken zijn niet meer zo gul met kredieten, dus eigenen die zaakvoerders zich een krediet toe waar ze eigenlijk geen recht op hebben: ze betalen hun schuldeisers niet meer, of ‘vergeten’ de RSZ of de bedrijfsvoorheffing van hun werknemers te storten. Als ze vervolgd worden, blijken ze vaak onvermogend te zijn; een kei kun je nu eenmaal niet stropen. Wie zaakvoerder of bestuurder is geweest in zo’n vennootschap en verschoonbaar is verklaard, kan op geen enkele manier wettelijk gestopt worden om een nieuwe activiteit te starten. De correctionele rechtbank kan voor sommigen wel een verbod uitspreken, maar dat gebeurt zelden of nooit. Mensen hebben trouwens ook recht op een nieuwe kans.”

Volgens Stefaan Van Hecke van handelsinformatiebureau Credit-Consult duiken vaak dezelfde namen van zaakvoerders of bestuurders bij verschillende faillissementen op. “We houden er geen statistieken van bij, maar toch valt dat heel sterk op. Het is niet uitzonderlijk dat ze een paar weken voor hun ene bedrijf failliet gaat, het andere al hebben opgestart of een vennootschap hebben omgetimmerd. Ik ga regelmatig bij klanten langs om de mogelijkheden van onze databank te tonen. Vaak wordt dan de vraag gesteld: ‘Zoek dat bedrijf eens op, want ze betalen niet meer.’ Soms gaat er bij mij dan een belletje rinkelen, en ja hoor: de zaakvoerder van dat bedrijf blijkt dan al verschillende faillissementen achter zijn naam te hebben staan.”

Wat onderneemt curator Ronald Parys als hij vermoedt dat er faillissementsfraude in het spel is? “Dan signaleer ik dat aan het parket. Al gebeurt daar niet veel mee. Ik vind wel dat de Brusselse rechtbank van koophandel haar best doet om tegen frauduleuze faillissementen op te treden.”

Stefaan Van Hecke is het daar niet mee eens. “Er zijn meer dan vijftig faillissementen per dag in België”, zegt hij. “De rechters van de handelsrechtbanken laten faillissementsfraude gewoon passeren. Vonnissen vellen over faillissementen is vooral in Brussel en Antwerpen lopende bandwerk. De rechters schenken geen aandacht aan de fraudegevallen omdat er te weinig druk is vanuit de politieke wereld en omdat de wetgeving het toelaat dat mensen met te weinig startkapitaal vennootschappen opstarten. Met 6000 euro kun je een bedrijf starten, zelfs al heb je tien faillissementen op je palmares staan.”

 

Betaald per kilometer

Faillissementsfraude wordt vaak geassocieerd met de transportsector. Volgens Jan Sannen, secretaris van de transportvakbond ACV-Transcom, is dat een mythe. “Het komt in alle sectoren voor. Als je ziet hoeveel bedrijven er in de transportsector aan de slag zijn, valt de faillissementsfraude er relatief goed mee.”

Vrachtwagenchauffeur Oumar Chagaev heeft nog 5000 euro te goed van het failliete JPF-Trans. Volgens een paar ex-collega’s van Oumar zet de vroegere baas zijn activiteiten verder met een andere firma, al ontkent die dat. Raakt Oumar ooit nog aan zijn geld? Jan Sannen: “Bij faillissementen met een onvermogende werkgever kunnen werknemers voor hun achterstallige loon terecht bij het Fonds voor Sluitingen van Ondernemingen. Bij faillissementen zijn de tussenkomsten van het Fonds geplafonneerd tot ongeveer 6000 euro. Arbeiders met 20 jaar dienst en het maximum aan opzegvergoeding krijgen alles terug van het Fonds, maar een bediende die recht heeft op twee jaar vooropzeg, zal slechts een klein deel kunnen recupereren. Veel malafide ondernemers proberen mensen te rekruteren die van geen hout pijlen meer kunnen maken en die bereid zijn om deels in het zwart te werken. Een tijd geleden kregen we de dossiers van koeriers te behandelen die gewerkt hadden voor een carrousel van minstens 23 bedrijven. De chauffeurs moesten ritten verzorgen tussen Herentals en Zaventem en werden niet per uur, maar per kilometer vergoed. De ‘zaakvoerders’ betaalden geen RSZ en factureerden hun klanten via een firma met een fictief adres. Ik heb die zaak toen aangekaart bij de arbeidsauditeur. Binnen de week heeft hij samen met zijn inspectiedienst dat hele zootje opgerold.”

Moet een curator dan niet sneller de arbeidsauditeur inlichten als hij vermoedt dat er faillissementsfraude in het spel is? “Misschien wel. Al is een curator in eerste instantie door de rechter aangeduid om de boel op te kuisen en niet om detective te spelen.”



Verloopt een kwart van alle faillissementen frauduleus?

 

Het eerste grote onderzoek naar faillissementsfraude moet in België nog plaatsvinden. In Nederland wordt er af en toe wel naar de omvang van faillissementsfraude gepeild. Volgens het meest recente onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) uit oktober 2011, verloopt een kwart van alle faillissementen frauduleus. In totaal gingen in 2010 in Nederland 9.566 bedrijven failliet, de ene helft vennootschappen, de andere eenmanszaken. Samen lieten ze voor 4,3 miljard euro aan schuld achter, waarvan 3,9 miljard onbetaald bleef. “Het CBS maakt een heel voorzichtige schatting van het aantal fraudegevallen”, zegt Aart Bloemheuvel, managing partner van het internationale fraude-onderzoeksbureau IRS. “Andere onderzoekers mikken op 30 procent of meer; volgens sommigen is zelfs de helft van alle faillissementen uit alle sectoren frauduleus. Hoeveel werknemers slachtoffer van zo’n frauduleus bankroet worden, is onmogelijk vast te stellen. Feit is dat de frauduleuze schuldenberg groeit: in 2000 liet de gemiddelde faillissementsfraudeur nog een schuld van 300.000 euro na, nu schommelt die rond het miljoen. Volgens het CBS bedraagt de totale frauduleuze schuld 1 miljard. De pakkans is amper 1 à 2 procent.”

In 2011 gingen in België 10.244 bedrijven overkop. Meer dan 23.000 jobs gingen daarbij verloren. “Ik vermoed dat het aantal Belgische fraudegevallen gelijk spoort met de Nederlandse”, zegt Bloemheuvel. “Want bij jullie is er bij curatoren en handelsrechtbanken even weinig aandacht voor het fenomeen als bij ons.”

 

© Jan Stevens

“Ze wilden me breken omdat ik atheïst ben”

In Brieven aan mijn folteraar beschrijft de Iraanse journalist Houshang Asadi hoe hij na de machtsovername door de ayatollahs maandenlang in de gevangenis gefolterd werd. “Bijna al mijn vrienden zijn dood.”

Zondag 6 februari 1983. Rond elf uur ’s morgens wordt de op dat moment 32-jarige journalist Houshang Asadi binnengebracht in de Moshtarekgevangenis in Teheran. Bij zijn arrestatie een uur eerder dacht hij nog dat er een vergissing in het spel was; hij is immers een vooraanstaand lid van de communistische Tudehpartij die het regime van ayatollah Khomeini steunt. “De mannen van de Revolutionaire Garde zullen me snel laten gaan”, had hij tegen zijn verontruste schoonmoeder gezegd. “Tenzij er een staatsgreep gepleegd is, dan moet je aan mijn vrouw zeggen dat ik gestorven ben terwijl ik ‘Dood aan Amerika!’ schreeuwde.” In de gevangenis wordt Asadi geblinddoekt en moet hij in de gang op een deken tegen de muur gaan liggen. Twaalf uur later ligt hij er nog. Als een bewaker hem rond middernacht komt halen, leeft hij even in de illusie dat hij vrijgelaten zal worden. Maar de man brengt hem naar een verhoorkamer. Daar maakt hij kennis met zijn folteraar broeder Hamid. Houshang Asadi: “Broeder Hamid vroeg me mijn naam. Hij zei: ‘Wij weten alles over je. Je bent een communist en een spion en je bereidt een staatsgreep voor.’ Ik geloofde mijn eigen oren niet. ‘Ja, ik ben lid van de communistische partij’, reageerde ik. ‘Maar ik ben geen spion. We steunen de islamitische regering.’ Broeder Hamid zei dat ik mijn mond moest houden en legde een stapel papier op tafel. ‘Schrijf op waarom je een spion geworden bent en wanneer je de staatsgreep wil plegen.’ Ik zei dat ik die vragen niet kon beantwoorden. Hij lachte en sloeg me voor het eerst in het gezicht. Ik zag sterretjes. ‘Dat was het eerste artikel van de grondwet’, zei hij. ‘Til je blinddoek een beetje op.’ Ik gehoorzaamde. Hij opende zijn militaire overjas en ik zag een pistool. ‘Dit is het laatste artikel, hiermee zal ik je executeren, maar eer we daaraan toekomen, zullen er nog tal van andere artikelen de revue passeren.’ Die nacht is hij me beginnen martelen. Maandenlang.”

Asadi werd beschuldigd van spionage voor de Britten en de Russen. In eerste aanleg kreeg hij de strop, in beroep werd het vonnis herroepen tot 15 jaar cel. In 1989 werd hij vrijgelaten; veertien jaar later vluchtte hij samen met zijn vrouw naar Parijs, waar hij nu de nieuwssite Roozonline.com runt. In Parijs begon hij ook te schrijven aan zijn aangrijpende gevangenismemoires Brieven aan mijn folteraar waar hij onlangs de International Human Rights Book Award voor kreeg. “Ik wou dit boek twintig jaar geleden al schrijven”, zegt hij. “Maar in Iran was dat onmogelijk. Toen ze in 2003 door hadden dat ik naar Parijs gevlucht was, hebben ze mijn appartement in Teheran helemaal leeg geroofd.”

Anno 2012 is de inmiddels 62-jarige Houshang Asadi nog steeds bang voor de lange arm van de ayatollahs. We hebben afgesproken op de Parijse Place de la Bastille. De korte weg naar het café stapt Asadi moeizaam, een souvenir van alle uren die broeder Hamid hem aan zijn voeten omhoog getakeld in de folterkamer liet hangen.

Van folteraar tot ambassadeur

“Het schrijven van dit boek leek soms lastiger dan mijn verblijf in de gevangenis”, zegt Asadi. “Ik leefde als een vrije man in Parijs en stuurde mezelf terug naar de gevangenis door al die moeilijke momenten mentaal opnieuw te beleven. Elke morgen schreef ik in de vroege uurtjes en weende ik bittere tranen. Op één van die ochtenden voelde ik me niet lekker. In het hospitaal vertelden ze me dat ik een hartaanval had gehad. Ik moest er twee maanden blijven. Toen ik terug naar huis mocht, zei de dokter: ‘Vermijd elke opwinding.’ Dat lukte me niet, want het bleef maar knagen. Dus begon ik opnieuw te schrijven. Mijn vrouw is toen erg boos geworden: ‘Je helpt jezelf om zeep.’ We zijn samen naar een psycholoog gegaan. Hij zei haar: ‘Misschien gaat Houshang wel dood als hij niet schrijft.’”

In de gevangenis schreef u al brieven aan uw folteraar?

Houshang Asadi: “Als ik iets nodig had, moest ik hem dat in een beleefde brief vragen: ‘Bismillahir rahmanir rahim, in de naam van Allah, de meest weldadige en de meest barmhartige. Broeder Hamid, zoals u gevraagd heb, schrijf ik u deze brief…’ Het leek me een goede formule om mijn gevangenismemoires ook in de vorm van brieven aan mijn folteraar te schrijven. Vier dagen nadat ik aan het boek begonnen was, kreeg ik een mail van een vriend die in Duitsland asiel heeft gekregen. Hij had gehoord dat een folteraar door de Iraanse regering tot ambassadeur in Tadzjikistan benoemd was. Op de website van de BBC had hij een foto gevonden van die nieuwe ambassadeur, mijnheer Naser Sarmadi-Parsa. Mijn vriend mailde me de foto. ‘Misschien ken je die man.’ Toen ik de afbeelding op mijn scherm zag verschijnen, begon ik te trillen. Ik had broeder Hamid tijdens mijn gevangenschap een paar keer gezien – hij wist dat niet, want ik moest in zijn nabijheid altijd een blinddoek dragen. ‘Ken je hem?’ vroeg mijn vriend. Na een paar minuten kreeg ik mezelf weer onder controle en antwoordde ik: ‘Ja, hij is mijn folteraar.’”

In de jaren zeventig werd u als jonge journalist lid van de Iraanse communistische partij?

“Het was de tijd van de koude oorlog. Jonge mensen die tegen het regime van sjah Mohammed Reza Pahlavi waren, zochten hun toevlucht bij de communisten. Slechts een minderheid sloot zich bij de radicale islam aan. Iran was de buur van de Sovjet-Unie en de sovjetcommunisten hadden heel wat invloed. Ik ben een atheïst, dus kwam ik bijna automatisch bij de communisten terecht. Maar ik was nog heel jong en ik had een zwaar vertekend beeld van wat het sovjetcommunisme echt inhield. Ik had nog nooit een marxistisch boek gelezen en geloofde dat communisten opkwamen voor gelijkheid, vrijheid en gerechtigheid. Als jongentje droomde ik er van om dokter of schrijver te worden. De medische faculteit was te duur, dus schreef ik me in aan de richting journalistiek. Nadat ik afgestudeerd was, kon ik aan de slag bij Kayhan, de populairste Iraanse krant, en klom ik op tot adjunct-hoofdredacteur. Heel de tijd was ik in het geheim politiek actief.”

“Tijdens het sjahregime werd ik al verschillende keren gearresteerd. De gevangenissen van de sjah waren afschuwelijk, maar in vergelijking met die van de ayatollahs waren het hotels. Onder de sjah werd er ook gefolterd maar niet om ideologische redenen. Ze waren op zoek naar oppositiegroepen en vroegen: ‘Welke activiteiten onderneem je tegen de sjah?’ De ayatollahs laten je folteren omdat je een ongelovige bent. Ze willen je lichaam en je geest breken en ze willen je horen zeggen: ‘Mijn ideologie is fout, alleen de islam is juist.’”

Tijdens de revolutie waren de communistische partij en de islamisten bondgenoten. Heeft u toen niet zien aankomen dat ze na de machtsovername met jullie zouden afrekenen?

“Vóór de revolutie hadden we een gezamenlijk doel: we waren allemaal tegen de sjah. Tijdens de revolutie schaarden de liberalen en de communisten, tegenstanders van de sjah, zich automatisch achter ayatollah Khomeini. De Iraanse communisten steunden Khomeini omdat hij voor de Sovjet-Unie was. Khomeini was tegen Amerika en de sovjetcommunisten vonden dat fantastisch: de vijanden van hun vijanden beschouwden ze als hun vrienden. Mijn partij maakte een fundamentele vergissing.”

U was nochtans gewaarschuwd door uw eigen vrouw, Nooshabeh Amiri, die Khomeini in 1979 in Parijs interviewde vlak voor hij uit ballingschap terugkeerde naar Teheran.

“Zij is de eerste en laatste Iraanse journaliste die Khomeini ooit geïnterviewd heeft. Na het interview belde ze me. Ze weende hard en smeekte me: ‘Alsjeblief, Houshang, steun die man niet.’ Khomeini had haar dreigend toegesproken: ‘Waag het niet om een woord te veranderen, anders zal ik je weten te vinden’. Nooshabeh draagt geen hoofddoek en in het begin van het gesprek had ze gezegd: ‘Bedankt dat u me zonder hoofddoek aanvaardt en wilt ontvangen.’ Waarop hij haar toe beet: ‘Ik aanvaard je niet.’ Mijn vrouw was er het hart van in en kon niet stoppen met wenen. De revolutie was volop bezig en ik was verblind door de sfeer van verandering en vrijheid. ‘Je weet niet waarover je het hebt’, zei ik haar. Later kreeg ze gelijk.”

Saïd Qutb

Tijdens het regime van de sjah deelde u een tijd de cel met ayatollah Khamenei, de huidige geestelijke leider van Iran.

“Ik zat toen ook in de Moshtarekgevangenis en werd van de ene naar de andere cel verplaatst. De eerste gedachte die door mijn hoofd schoot toen ik Khamenei zag, was: ‘Hij is een geestelijke.’ Ik zei: ‘Hallo, ik ben Houshang en ik ben links.’ Hij stond op, lachte vriendelijk en schudde mijn hand. We werden snel vrienden. Hij hield ook van literatuur en in die kleine cel hebben we uren gepraat. Hij beloofde toen dat geen enkele onschuldige een traan zou moeten laten als de islamisten ooit aan de macht zouden komen.”

“In de cel vertelde Khamenei bevlogen over de Egyptische theoreticus en leider van de Moslimbroeders Saïd Qutb. Qutb is de theoreticus van de islamfundamentalisten: zijn werk is voor hen even belangrijk als ‘Das Kapital’ of ‘Het communistisch manifest’ voor marxisten. Na mijn vrijlating zag ik in een boekhandel dat Khamenei verschillende werken van Qutb vanuit het Arabisch naar het Perzisch had vertaald. Ik kocht die boeken en schrok van de virulente haat tegen het westen die van elke bladzijde spatte. Qutbs geschriften bleven in mijn achterhoofd sluimeren, maar ik hechte er niet veel belang aan en bleef bevriend met Khamenei. Na mijn arrestatie, foltering, gevangenisstraf en vrijlating onder de islamitische republiek ben ik die boeken opnieuw beginnen lezen. Toen besefte ik pas wat voor een fundamentalist Khamenei al van bij onze eerste ontmoeting was. De macht heeft hem voorgoed veranderd: van een jonge, vriendelijke man werd hij een keiharde dictator.”

“Vlak na de islamitische revolutie beleefde Iran een korte periode van vrijheid. We waren zo naïef om te geloven dat we vrij zouden blijven. Het duurde anderhalf jaar eer de islamisten mensen begonnen te arresteren. Wij, communisten, geloofden nooit dat ze ons zouden oppakken; we waren immers bondgenoten. Het jaar 1981 was er een van terreur en ophangingen, het eerste jaar van een decennium van intense verschrikkingen. De ayatollahs pakten de onderdrukking van hun andersdenkende bondgenoten heel strategisch aan: ze sloten ze niet allemaal tezelfdertijd op, maar één voor één: eerst de liberale fracties, dan de linkse partijen.”

U was verrast toen ze u die zondagochtend in februari 1983 arresteerden?

“Ja. Ik had veel artikels geschreven die de lof zongen van de regering en van Khomeini. Ik ging ook regelmatig samen met mijn partijvoorzitter bij Khamenei op de koffie. We praatten toen heel open over allerlei problemen. Ik was ervan overtuigd dat ze me snel weer zouden laten gaan, al hield ik er ook rekening mee dat er een staatsgreep gepleegd was en dat ik in de boeien geslagen was door putschisten. Toen ik in de Moshtarekgevangenis aankwam, merkte ik dat er medestanders en collega-journalisten gearresteerd waren. Langzaam drong het tot me door dat ik door de Revolutionaire Garde was opgepakt.”

“Rond middernacht hoorde ik mijn naam roepen. Iemand zei ‘Houshang Asadi? Sta op.’ Hij trok me mee aan mijn trui, niet aan mijn hand. Hij wou zich niet bezoedelen aan mijn onreine lijf. Hij bracht me naar een kamer. Daar hoorde ik na een paar minuten de stem van mijn toekomstige folteraar broeder Hamid.”

“Hamid beheerste het systeem van folteren tot in de puntjes. Eerst sloeg hij me, takelde hij me aan mijn handen of voeten op. Daarna verzorgde hij mijn wonden. ‘Als jij ons helpt, zullen we je vrijlaten. Dan mag je terug naar je vrouw. Ik ben je vriend.’ Om vervolgens weer mijn beul te worden. Na een tijd bekende ik gewoon alles wat hij wou horen. Hij had zijn hele scenario van wat ik allemaal mispeuterd had in zijn hoofd, en ik moest dat allemaal in mijn eigen woorden bevestigen. Als ik verkeerde dingen bekende, had ik een probleem, want dan folterde hij me opnieuw.”

Veel vrienden van u hebben de terreur niet overleefd.

“Ze hebben me niet geëxecuteerd omdat ik in de rechtbank de juiste antwoorden gaf. De rechter stelde drie vragen: ‘Ben je moslim? Geloof je in de Islamitische Republiek? Wat vind je van je verleden?’ Het enige juiste antwoord was: ‘Ik ben moslim en ik bid. Ik geloof in Khomeini en ik haat mijn verleden.’ Wie een afwijkend antwoord gaf, tekende zijn doodvonnis. Veel kameraden wisten niet dat het zo verliep. Zij zijn allemaal dood.”

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto: (c) Veerle Van Hoey

 

Brieven aan mijn folteraar, Houshang Asadi, Omniboek, 336 blz., 22,95 euro

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.