virtueel archief

Stijlvol afkicken

In vacature on november 4, 2009 at 11:07 am

Na een kwarteeuw keihard werken, nam de Nederlandse textielondernemer Jeroen Fisser een sabbatjaar. Toen pas ontdekte hij dat zijn vrouw een zwaar drankprobleem had. Hij gaf zijn leven radicaal een andere wending en stampte U-Center,de allereerste luxe-afkickkliniek van de Lage Landen uit de grond. Voor een slordige 20.000 euro helpt hij kapitaalkrachtige medemensen van hun cocaïne- of drankverslaving af.

 

Vlakbij het drielandenpunt in Epen bij Maastricht lijkt Nederland verdacht veel op het groene, heuvelachtige Toscane. Van op het stijlvolle terras van zijn luxe-afkickkliniek U-Center – de Betty Fordkliniek van de Lage Landen – kijkt ondernemer Jeroen Fisser (59) uit over een schitterende Limburgse vallei. “De meeste moerasbewoners in Nederland weten niet eens dat deze streek tot hun eigen land behoort”, zegt hij. Naast hem zitten vermoeid ogende zakenlui en managers in sportoutfit. Ze roeren in hun espresso of nippen van een sapje, terwijl een paar honderd meter verder vrolijk kwebbelende toeristen en dagjesmensen van een frisse pint genieten op het terras van het naburige café. De meeste kapitaalkrachtige gasten van Fisser hebben zich in het U-Center voor een kuur van zes weken laten opnemen om komaf te maken met een hardnekkige drank- of drugsverslaving. “Al is dat niet het enige wat we hier doen”, zegt Fisser. “We behandelen ook depressie, burnout en trauma’s zoals seksueel misbruik uit de kindertijd. Veel mensen hebben een ‘dubbele diagnose’: ze komen met een depressie hiernaartoe, terwijl ze eigenlijk een verslavingsprobleem hebben. In een regulier afkickcentrum is er alleen aandacht voor de verslaving, niet voor wat er achter schuilgaat.”

U-Center opende zijn deuren in april 2007 en is volgens Fisser uniek in de Lage Landen. “In geen enkele andere afkickkliniek in België of Nederland wordt zo hard aan de patiënt gewerkt als hier. Onze benadering staat haaks op wat gewone afkickcentra aanbieden. Onze cliënten krijgen 44 uur per week therapie. Geen arbeidstherapie, in de tuin werken of poetsen, maar keihard werken aan zichzelf. Daarnaast logeren ze in een viersterrenhotel. Met zwembad, fitness, Turks bad, sauna… Alles is voorhanden om onze gasten naast hun zware therapie ook uitgebreid te vertroetelen.”

 

Alcoholprobleem

Tot zes jaar geleden wees niets erop dat Jeroen Fisser ooit een luxekliniek voor verslaafden zou stichten en leiden. “Ik stam uit een familie van textielondernemers”, vertelt hij. “Ik ben in deze streek opgegroeid en heb hier tot mijn 18e gewoond. Toen zei mijn vader: ‘Eruit, ik wil je een tijdje niet meer zien.’ Ik werkte bij hem in de zaak en hij wou dat ik praktijkervaring ging opdoen in Duitsland. Ik ben er als 18-jarige textiel gaan verkopen. Toen dat goed ging, mocht ik terugkeren.”

Vader Fisser was een fabrikant van dameskleding. “We verkochten aan grote winkelketens. In de loop der jaren evolueerde het bedrijf naar een eigen label voor de betere speciaalzaak. Op een bepaald moment hadden we kantoren in Brussel, Londen, Manchester, Düsseldorf, Amsterdam en Dublin. Dat was mijn verdienste. Tien jaar geleden ben ik uit de zaak gestapt. Ik verschilde van mening met mijn broers over hoe het bedrijf zich verder moest ontwikkelen.”

Jeroen Fisser vestigde zich als consultant. “Ik was vijftig geworden en kreeg steeds meer behoefte aan wat tijd voor mezelf. Op mijn 52e stapte ik uit de ratrace en nam ik een sabbatjaar. Pas dan merkte ik dat ik thuis een heel groot probleem had. Voor het eerst in mijn leven zag ik dat mijn vrouw zwaar aan de drank zat. In de twintig jaar ervoor had ik daar helemaal niets van gemerkt. We hadden twee huizen, zij werkte bij KLM en ik runde zes kantoren in het buitenland. Af en toe raadpleegden we onze agenda’s en spraken we af: ‘Wanneer zien we elkaar in welk huis?’ Dat was heel decadent en spannend, maar heeft ook zijn tol geëist. Toen ik erachter kwam dat mijn vrouw een alcoholiste was, dacht ik als volbloed ondernemer: ‘Dit los ik zelf wel op.’ Maar dat viel lelijk tegen.”

 

Fisser maakte afspraken met zijn vrouw. “In het begin geloofde ik ook dat ze die nakwam. Dat was natuurlijk niet zo. Daar kwam list en bedrog bij kijken. Ik begon alles over alcoholisme te lezen wat ik maar kon vinden. Ik ging naar praatgroepen, zocht hulp bij mijn huisarts en bij nog andere dokters. Maar huisartsen weten helemaal niets van die ziekte; vaak drinken ze zelf. Als reactie op mijn zoektocht naar hulp, begon mijn vrouw nog meer te drinken. Onze problemen werden alleen maar groter. Tot ik de handdoek in de ring wou gooien en tegen haar zei: ‘Het is over. Ons huwelijk is kapot.’”

Maar Jeroen Fisser bleef. “Als iemand kanker heeft, laat je die ook niet in de steek. Waarom zou je dat dan wel doen bij iemand die een vreselijke ziekte als alcoholisme heeft? Alcoholisme heeft niets met een ‘zwak’ of ’sterk’ karakter te maken. Het is een emotieziekte, die vaak in de genen zit. Vijf jaar geleden ging het zo slecht met mijn vrouw, dat ik op een ochtend de sleutels op tafel gooide en riep: ‘Eruit!’ Ze is toen naar een vriendin gegaan, kwam ’s avonds terug en vroeg een allerlaatste kans. Ze stelde voor om te gaan afkicken in een privékliniek in het buitenland.”

Mevrouw Fisser liet zich opnemen in de dure, exclusieve Oberbergkliniek in Duitsland. “Zes weken lang werkte ze keihard aan zichzelf. Met succes. Toen ze terugkwam uit Duitsland, vroeg mijn vriend en zakenpartner Antoon Van Balkom: ‘Hoe is het nu bij jullie thuis?’ Ik vertelde hem dat het goed met haar ging, beschreef hem onze lijdensweg en zei: ‘Klinieken zoals Oberberg zijn er jammer genoeg niet in Nederland.’ Antoon sprak de gevleugelde woorden: ‘Wat er niet is, gaan we toch halen?’”

Fisser en Van Balkom zochten contact met het management van Oberberg. “Ze reageerden enthousiast en wilden samen met ons in zee om een privékliniek in Nederland te openen. Ze lieten ons bij hen in de keuken kijken. Een privékliniek moet geld verdienen, anders gaat ze overkop. Overberg heeft niet alleen een goed concept, maar heeft ook een uitmuntend businessplan. Een architect van Oberberg is mee op zoek gegaan naar een locatie. Ik woon in Amsterdam, maar wou de kliniek toch liefst in Limburg vestigen. De regels zijn hier net hetzelfde als in de rest van Nederland, alleen worden ze wat soepeler toegepast – een beetje op zijn Belgisch – menselijker dus.”

In Epen vond Fisser een luxehotel dat te koop stond. “Het was ideaal en lag prachtig. Na heel wat onderhandelen hebben we het in 2007 kunnen kopen.”

 

Bananenrepublik

In diezelfde periode kwam Jeroen Fisser in contact met een luxe-afkickkliniek in Engeland. “Ze werkten er helemaal anders dan de Duitsers. Als je in Oberberg binnenstapt, kom je echt binnen in een kliniek. Het is er ijskoud. In zo’n Engelse privékliniek kom je binnen in een huiskamer. Op het moment dat we dit hotel kochten, haakten de Duitsers af. Zij wilden dat we eerst van de Nederlandse staat een vergunning voor het uitbaten van de kliniek kregen. Wij zeiden steeds: ‘We kopen eerst het gebouw, die vergunning komt wel.’ De Duitsers konden met die aanpak niet overweg – zij werken met lijstjes, het ene moet voor het andere, anders raken ze helemaal in de war. We schakelden het allerbeste advocatenkantoor in om hen uit te leggen dat alles in orde zou komen – er was net een nieuwe wet gestemd waardoor het privé-initiatief in de zorg meer kansen kreeg. Maar het antwoord van de Duitsers was: ‘Ir lebt in einer Bananenrepublik!’ (lacht). Het huilen stond ons toen nader dan het lachen, maar achteraf zijn we blij dat de samenwerking met Oberberg niet doorgegaan is.”

 

Op 12 april 2007 opende U-Center haar deuren. “We zijn gestart met zes patiënten. Het werden er twaalf, veertien, achttien… In maart van dit jaar draaiden we breakeven. We hebben 50 mensen in dienst, en hebben plaats voor 50 patiënten. Een verblijf kost gemiddeld tussen de 450 en 500 euro per dag.”

Wat voor mensen laten zich opnemen in U-Center? Jeroen Fisser: “Ken je de Bijenkorf en de Aldi? Wij zijn de Bijenkorf. Je kan de Bijenkorf vergelijken met de Belgische Inno. In de Inno of de Bijenkorf loopt een directeur te winkelen, maar ook de eigenaar van een tuinaanlegbedrijfje. Ons cliënteel hoeft niet direct van zeer rijke komaf zijn, maar het moet wel een beetje beschaafd zijn. Een verslaafde is iemand met een laag zelfbeeld. We werken daar van in het begin van de behandeling heel sterk aan. Daarom ook komen ze hier in zo’n mooie omgeving terecht. Waarom zouden ze deze luxe niet waard zijn? Het zijn goeie mensen, ook al zijn ze ziek. Daar kunnen ze niets aan doen. Maar ze moeten er wel hard aan werken.”

“De gemiddelde leeftijd van onze cliënten is een jaar of 40. Er zitten ondernemers tussen, managers, advocaten, rechters, maar we hebben ook een piloot met een drankverslaving. En een schoolhoofd. Seksverslaafden zijn hier ook welkom. Net als mensen met een koopverslaving. In feite komen al die verslavingen op hetzelfde neer, alleen het middel is telkens anders. Vroeger was heroïne dé drug, nu is het vooral cocaïne. Ik ben in Amsterdam op feestjes geweest waar vaders voor hun dochters cocaïne kochten onder het mom van: ‘Dan weet ik dat ze goed spul krijgt.’ Daar kan ik ontzettend kwaad van worden. Nederlands oudjaar wordt altijd gevierd met oliebollen. Zo vet mogelijk, met veel poedersuiker op. Ik ben op feestjes geweest waar de poedersuiker vervangen was door cocaïne. Op zo’n avond werd er voor 60.000 euro aan cocaïne opgesnoven. Gewoon voor de fun. Cocaïne is overal. Ik woon in een nette buurt in Amsterdam met drie scholen. In alle portieken van de huizen vind je ’s morgens weedzakjes. Als ik de politie erop aanspreek, zeggen ze: ‘Fijn dat u ons dat meldt, maar we kunnen er niets aan doen.’ Weed wordt zwaar onderschat. Als je langdurig weed gebruikt, loert schizofrenie om de hoek. Dat wordt een zeer ernstig probleem.”

Al blijft de allergrootste drug alcohol. “In Nederland heeft 1,2 miljoen mensen een alcoholprobleem. Sommigen beweren dat het mogelijk is om als verslaafde gecontroleerd te drinken. Dat is natuurlijk niet waar, want als je gecontroleerd kunt drinken, ben je niet verslaafd. In onze maatschappij floreert alcoholisme. Het is bonton om op een receptie een glaasje champagne te nemen, anders ben je een saai mens. Het functionele alcoholisme is de basis voor het echte alcoholisme. Van een burnout of een trauma genees je, van een verslaving niet. Die blijf je je hele leven houden.”

 

Een biertje van 40.000 euro

Hoeveel kans op slagen hebben de patiënten van het U-Center? “Tussen de 60 en 70% staat na één jaar nog droog. Dat is heel hoog. Een goede nabehandeling is van levensbelang. Mensen komen na hun behandeling van 6 weken om de zoveel tijd een dagje terug. We zorgen er ook voor dat ze in hun eigen geboortestad opgevangen worden door een therapeut, ook in België. De nazorg begint thuis, bij de familie. Dat is de basis waar je je veilig kunt voelen en een nieuw leven kunt starten. Daarom organiseren we tijdens de behandeling ‘Family Weekends’, waarop de familieleden uitgenodigd worden.”

Hoe gaat het nu met Jeroen Fissers vrouw? “Prima. Ze heeft niet het gevoel dat ze iets mist. Integendeel, we vinden allebei dat ons leven ongelooflijk verdiept is. Toen mijn vrouw uit de kliniek kwam, gaven veel vrienden ons nog nauwelijks een hand. Ze waren bang om in de spiegel te kijken, hadden schrik voor de confrontatie. Ik drink zelf soms wel eens een glaasje wijn. We zijn nu zover dat de wijn gewoon in de ijskast staat. Als mijn vrouw een vriendin op bezoek krijgt, schenkt ze een glas in en drinkt ze zelf niet. Knap hoor, ik heb erg veel respect voor haar. Want er wordt altijd om ons heen gedronken.”

Zoals op het terras van het café, vlak naast het U-Center. “Ach, dat vinden we helemaal niet erg”, lacht Fisser. “Mijn vrouw zegt altijd: ‘Terugval is een armlengte verwijderd.’ Ik heb in Dover mensen op de ferry zien stappen die net een kuur van 40.000 euro in een dure afkickkliniek achter de rug hadden. Het eerste waar ze op de boot naartoe liepen, was de bar om een pilsje te bestellen. Een biertje van 40.000 euro.”

 

 

Toppers van Jeroen Fisser

 

-          Jan Timmer, ceo van Philips van 1990 tot 1996. “Jan Timmer zei altijd waar het op stond. Hij sprak nooit in een wolk. Hij was recht door zee. Veel mensen vonden dat natuurlijk helemaal verkeerd. Een harde boodschap mag je blijkbaar nooit vertellen. Dat deed hij wel. Hij is een goeie vent.”

-          Quick-Step. “Ik neem mijn petje af voor de West-Vlaamse families die Quick-Step uit de grond gestampt hebben. Dat is zo een groot bedrijf geworden. Hun poulain Tom Boonen zou eigenlijk hier moeten zitten. Dat meen ik echt. Natuurlijk heeft hij een probleem met coke. In zes weken brengen wij hem weer op het juiste spoor.”

 

©jan@janstevens.be

Yab Yum

In de morgen on november 2, 2009 at 9:47 am

Een kwart eeuw was het Amsterdamse luxebordeel Yab Yum de place to be voor ondernemers, politici, magistraten, artiesten en maffiosi. Onder andere ‘onze’ procureur Dirk Merckx beleefde er wilde nachten. Tot de club in 2007 de deuren moest sluiten. Maar er is hoop: stichter en bezieler Theo Heuft heeft vergevorderde plannen om Yab Yum binnen drie maanden te laten herrijzen uit haar as. En ook voor de Belgische fine fleur is er goed nieuws: binnen een half jaar wil hij een Yab Yum openen in Brussel.

 

Onlangs kwam de Brusselse procureur Dirk Merckx in opspraak met zijn uitstapjes naar Yab Yum, een luxebordeel in een fraai grachtenhuis aan de Amsterdamse Singel. Tussen 1996 en 1998 genoot hij er van champagne en vrouwelijk schoon op kosten van de niet onbesproken zakenman Koen Blijweert. Eén keer voor bijna 4.000 euro, andere keren voor 2.300 euro en een enkele keer voor het schamele bedrag van 575 euro. Het Brusselse parket-generaal opende eind september een onderzoek om na te gaan of parketmagistraat Merckx een wederdienst leverde voor Blijweert. Tot 1 november 2006 was Merckx chef van de financiële sectie van het Brusselse parket en onder meer verantwoordelijk voor het Beaulieudossier. Daarna werd hij door ons land gedetacheerd naar Wenen om er te gaan werken als terrorisme-expert voor de VN. Dit weekend mag hij er zijn koffers pakken. Minister van Justitie De Clerck weigerde zijn mandaat te verlengen.

In de jaren dat Merckx Yab Yum frequenteerde, was de ‘men’s club’ ook het favoriete speelterrein van Nederlandse poldermaffiosi. De in 2000 vermoorde drugsbaron Sam Klepper, zijn in 2005 eveneens vermoorde maatje John Mieremet en topcrimineel en Heineken-ontvoerder Willem Holleeder maakten er gretig gebruik van de jacuzzi’s en de meisjes. Een decennium eerder had de in 1991 vermoorde ‘godfather’ Klaas Bruinsma van Yab Yum al zijn clubhuis gemaakt. Zeer tegen de zin van Yab Yumstichter en eigenaar Theo Heuft (74), die na 23 jaar flink poen scheppen in 1999 moegetergd zijn zaak verkocht. “Ik werd afgeperst door die zware jongens”, zegt Heuft. “Ik heb de dreiging lang het hoofd kunnen bieden, tot die kerels mijn familie in het vizier namen. ‘Betaal twee miljoen of we schieten je zoon en je kleinkind dood.’ Ik was 65 en maakte de balans op: moet ik doorgaan of stop ik? Ik heb Yab Yum toen verkocht aan Henny Vitalli, een ‘vakgenoot’ uit Amsterdam. Later bleek dat hij nauwe relaties had met een Hell’s Angel die na de verkoop portier werd. De burgemeester van Amsterdam greep die link met de Angels aan om Yab Yum tot een criminele handel uit te roepen. In 2007 liet hij de deuren sluiten. Als de overheid je tegenwoordig nog maar van een criminele activiteit verdenkt, kan ze al maatregelen nemen. Vitalli heeft een schoon strafregister. Toch moest de tent dicht. Ik vind dat onredelijk.”

 

Anno 2009 is Theo Heuft een gedistingeerde heer met een voorliefde voor abstracte kunst, lekker eten en dure sigaren. Hij is de agent voor Nederland van de Vlaamse action painter Denis de Gloire en baat samen met zijn Zwitserse vrouw een ‘chambres d’hôtes de charme’ uit in Bourgogne. Yab Yum (Sanskriet voor ‘neuken’) heeft hem duidelijk geen windeieren gelegd. “Ik heb vanaf de start van de club in 1976 veel geld verdiend, toch was dat niet mijn voornaamste drijfveer. Ik heb er van genoten; ik was verslaafd aan die job. Het was een ramp toen ik mijn zaak moest verkopen. Als klap op de vuurpijl kwam de fiscus nog eens langs: ‘U hebt uw zaak te goedkoop verkocht’. Ik kreeg een aanslag van 16 miljoen. Gelukkig heb ik hem ervan kunnen overtuigen dat ik geen andere keus had. Ik heb het de eerste jaren na de verkoop emotioneel heel lastig gehad. Maar nu gaat alles weer goed.”

Heuft schreef een openhartig boek over zijn leven en koestert opnieuw grootse plannen. “Ik ga er voor zorgen dat Yab Yum binnen drie maanden in Amsterdam weer opengaat. Het bestemmingsplan voor het pand aan de Singel is nog steeds een seksbedrijf. Samen met een nieuwe, onbesproken partner zal ik Yab Yum uit zijn as laten herrijzen. Ik ben ook met een serieuze Belgische ondernemer met veel geld bezig om binnen een half jaar een Yab Yum in Brussel te openen. Wie hij is, kan ik helaas niet zeggen. Een Yab Yum in Brussel is als een vlag op een schip. Zo’n zaak hoort gewoon thuis in de Europese hoofdstad. In Brussel bestaat zoiets niet. De hele scene speelt er zich af in ranzige achterafkamertjes. Ik sta er garant voor dat Yab Yum kwaliteit levert. Het wordt een zaak waar elke Brusselaar trots op kan zijn. Het gaat mij nu niet in de eerste plaats meer om het geld, maar om het laten voortleven van mijn levenswerk.”

 

500 euro per uur

Hebt u goeie herinneringen aan uw klant procureur Dirk Merckx?

Theo Heuft: “Ik ken die mijnheer niet. Zelfs als ik hem wel zou kennen, zou ik u daar niets over vertellen. Er zijn in al die jaren zoveel mensen langs geweest. U zou er versteld van staan hoeveel deals er in de Yab Yum zijn gesloten. Als je als Nederlandse ondernemer zaken wil doen met iemand uit het buitenland, is het belangrijk dat je hem op een goeie manier ontvangt. Je gaat dan altijd op zoek naar een uitstekend restaurant. Na het etentje kun je hem naar zijn hotel brengen. Maar dat getuigt niet echt van goed gastheerschap. Dus neem je hem mee uit. Je kunt natuurlijk moeilijk tegen zo’n man zeggen: ‘Zullen we naar de meisjes gaan?’ Yab Yum was een uitstekend alternatief. Het was een club waar je met je relaties nog gezellig een glaasje champagne kon gaan drinken. Samen met een paar leuke meisjes. Degenen die uiteindelijk met zo’n meisje naar boven gingen, waren daar eigenlijk niet voor gekomen. Het overkwam hen. Yab Yum was heel luxueus. Als je er met een zakenrelatie binnenstapte, dacht hij meteen: ‘O wat een mooie zaak. Als mijn gastheer dit kan betalen, moet hij wel een geslaagd ondernemer zijn.’”

“Ik ben heel discreet over mijn klandizie. Ik kan het niet maken om het vertrouwen van al die ondernemers, politici en bekende Nederlanders te beschamen. Iedereen met naam en faam kwam naar Yab Yum. Rocksterren, artiesten… De Rabobank heeft ooit geweigerd om een bankrekening voor Yab Yum te openen – geld lenen was voor een club zoals de mijne sowieso onmogelijk. Dat was niet goed voor hun imago. Maar later stuurden ze wel buitenlandse zakenrelaties naar Yab Yum. Al het geld dat ik in de zaak investeerde, moest ik eerst zelf verdienen. Dat ging heel snel. Ik hield er zelf zo’n 2 à 3 miljoen euro per jaar aan over.”

 

Hoeveel liet een bezoeker gemiddeld achter?

“Op het laatste hadden we een omzet van een miljoen euro per maand. Met elf luxueuze kamers en een bar. Elke avond waren er 25 meisjes aanwezig. We waren zeven dagen op zeven open van zeven uur ’s avonds tot zeven uur ’s morgens. Er waren twee portiers, twee chefs, drie barmannen en twee kamermeisjes. Yab Yum was een grote familie. De meisjes die bij ons werkten, waren compleet anders dan de prostituees op de Wallen. Secretaresses, studentes, hostesses… Een Yab Yummeisje moest veel aandacht besteden aan ‘haar’ mijnheer. Een drankje met hem drinken, geïnteresseerd zijn in zijn verhaal. Als de relatie zich ‘verdiepte’, kon ze een dansje met hem maken om uiteindelijk misschien met die man naar boven te gaan. Maar dat gebeurde niet altijd. De ‘daad’ gebeurde natuurlijk wel, maar heus niet zo vaak. Daar kwamen de mensen niet voor. Dat was ook veel te duur. Voor vijftig euro kon je in een klein clubje voor een half uurtje van bil gaan, bij ons kostte het vijfhonderd euro voor een uur. Tien keer zo duur.”

 

Maar misschien wel tien keer beter?

“Misschien ook niet. In zo’n gesloten huis zijn de dames alleen maar op de daad gericht. Bij ons was alles gefocust op gezelligheid in een luxueuze sfeer met een uitmuntende bediening. Yab Yum was uniek in Amsterdam. Ik heb in die 23 jaar nooit concurrentie gehad. Terwijl ik niet een klein beetje, maar ontzettend veel geld verdiend heb. Waarschijnlijk omdat zo’n ‘men’s club’ toch tegen het criminele aanleunt. Maar ook omdat het keihard werken was. Ik heb altijd geïnvesteerd in kwaliteit en naamsbekendheid. Yab Yum is daardoor een wereldwijd bekend instituut geworden.”

 

Randfiguur

U stamt zelf uit een ondernemersgezin?

“Mijn vader had een limonadefabriekje en een groothandel in bieren in Amsterdam en mijn moeder runde een slijterij. Vader stierf vroeg. Ik was achttien, mijn broer negentien en van de ene dag op de andere moesten wij de zaak overnemen. Dat is niet gelukt. We waren er veel te jong voor. Ik ben toen in het gokcircuit beland. Ik was altijd een beetje een randfiguur, maar wel met een innerlijke beschaving. Dat heeft me groot gemaakt in de Yab Yum. Mensen vertrouwden me. Ze gaven me gewoon hun creditcard, dat ging toen nog met zo’n ‘ritsratsmachine’. Ze tekenden en zeiden: ‘Theo, ik hoor het wel van je.’ Dat kun je in geen enkel bordeel riskeren, want dan ben je blut. Bij mij wel. Dat was het verschil.”

 

Toen u met Yab Yum van start ging, was prostitutie in Nederland nog illegaal.

“Ik heb met Yab Yum een belangrijke rol gespeeld in het legaliseren van prostitutie. Yab Yum is begonnen in de tijd toen het nog volstrekt normaal was dat de meisjes zonder condoom vreeën. Ik nam het ze bijna kwalijk als ze het niet zonder wilden doen. Toen aids uitbrak, heb ik dat beleid meteen veranderd en werd het verboden om het zonder te doen. Ik heb de dames belasting leren betalen. Vóór Yab Yum runde ik drie jaar lang een andere, gelijksoortige club: de Bayadera. Ik heb toen nooit een cent belasting betaald. De belastingdiensten wisten niet wat ze ermee moesten aanvangen. De Bayadera oefende een illegale activiteit uit. Ik riskeerde een half jaar gevangenschap.”

 

Want u was een pooier?

“Ik vind het vreselijk als mensen me een pooier noemen. Dat wil ik toch wel even duidelijk stellen: ik heb de meisjes nooit geëxploiteerd. Ik gaf ze gelegenheid om hun werk te doen. Op het einde van hun shift kregen ze het geld van de nacht voordien. Ze moesten daar zelf niet een hele nacht mee blijven rondzeulen. Eén meisje vroeg haar verdiensten altijd bij het binnenkomen en gaf het meteen aan een man die buiten stond te wachten. Ik heb haar toen gezegd: ‘Dat vind ik niet prettig. Je verdient elke dag minstens duizend euro. Die jongen geeft het sneller weer uit dan jij het kunt opbrengen.’ Vervolgens heb ik haar ontslagen. Ik heb geprobeerd om die meisjes op te voeden.”

“Op een bepaald moment kreeg ik een belastingambtenaar op bezoek. Die man zei: ‘De meisjes moeten toch wel eens belastingen betalen.’ Ik gaf hem gelijk. Waarna hij zei: ‘Begin dan maar meteen.’ Toen gaf ik hem geen gelijk. We hebben een keurige regeling getroffen. Ik kreeg ruim drie jaar de tijd om de meisjes van het nut van het betalen van belastingen te overtuigen. Dat was niet zo eenvoudig. ‘We gaan toch niet op onze rug liggen voor de fiscus?’ Ik antwoordde: ‘Zwart geld is toch niets waard? Je kunt geen huis huren, hebt geen creditcard en officieel heb je geen inkomen.’ Ik heb ze uiteindelijk kunnen overtuigen. Ik ben niet de braafste van de klas, maar dat vond ik toch belangrijk.”

“Ik heb Yab Yum gebouwd zoals ik het zelf zou willen beleven. Ik ben niet zo iemand die langs de ramen loopt voor een snelle wip. Ik bekritiseer de heren niet die dat wel doen, maar bij mij moet er iets rond hangen. Ik wil in een situatie terechtkomen waarbij de dames me laten geloven dat ik de leukste man ben die ze ooit ontmoet hebben.”

 

Champagne was heel belangrijk voor Yab Yum.

“Aan de meisjes verdiende ik niet zoveel. Ik kreeg toen het idee om een eigen merk champagne op de markt te brengen. Dat had twee doelen: met champagne konden we in de media gaan adverteren. Yab Yum werd ineens bespreekbaar. Het was geen vies woord meer: ‘Yab Yum champagne – Singel 295′. Dat was een echte voltreffer. Tijdens de feestdagen zonden we een spot uit op de televisie. We hadden drie soorten bubbels: zilver, goud en diamant. Voor 350, 450 en 550 euro. We verkochten zo 10.000 flessen per jaar. De helft van onze omzet was champagne. We kochten de flessen in aan 15 euro het stuk. Heren vroegen soms aan mij: ‘Wat is het verschil tussen die drie soorten?’ Ik wou altijd eerlijk blijven en antwoordde: ‘De prijs. De kwaliteit is hetzelfde. U moet het zien als een honorering voor het meisje. Geef haar goud als u haar leuk vindt. Als u haar geweldig vindt, geeft u haar diamant. Zilver lusten die meiden toch niet, want dan verdienen ze te weinig commissie.’ Niemand werd daar kwaad over. De ambiance was geweldig, de bediening uitmuntend, dus hop, geef ons nog een fles. Het was voor die heren een erezaak om aan hun relaties te laten zien dat ze het konden betalen.”

 

Eigenlijk schonk u geen champagne, maar gewoon schuimwijn?

“Ik wou het nog geheim houden, maar dat is juist, ja. (lacht)”

 

Poldermaffia

In de loop der jaren groeide u uit tot een bekende Nederlander?

“In het begin beschouwde de goegemeente me als een pooier. Ik ben keurig rooms opgevoed. Mijn moeder was niet zo blij met wat ik deed. Ik heb lang niet met haar gesproken. Na een paar jaar werd ik redelijk bekend en zelfs een voorbeeld in de branche. Ik raakte steeds meer geaccepteerd. Natuurlijk blijft prostitutie een schemerig gebied. Het trekt criminaliteit aan; het stamt er ook uit. Daar ben ik uiteindelijk het slachtoffer van geworden. Ik heb Yab Yum moeten verkopen omdat die zware jongens een deel van de zaak wilden en me chanteerden.”

 

Het waren niet de minste criminelen die bij u over de vloer kwamen: Heineken-ontvoerder Willem Holleeder, drugsbaron Klaas Bruinsma, met na zijn gewelddadige dood zijn adjudanten Sam Klepper en John Mieremet. Wat voor een kerels waren dat? 

“De zware jongens die bij mij over de vloer kwamen, waren aan de ene kant heel charmant en aan de andere kant bikkelharde killers. Ik weet niet meer wanneer ze voor het eerst Yab Yum binnenwandelden. Ik had het niet in de gaten; ze wandelden er net zo geruisloos naar binnen als jij en ik. Het waren eerst gewone klanten voor mij. Na verloop van tijd brachten ze vriendjes mee naar binnen en zag ik hun bodyguards. In de loop der jaren ging dat hele gedoe een eigen leven leiden. Tot ik zelf bijna niets meer te vertellen had in mijn eigen zaak. Zij bepaalden de sluitingstijden en zij dwongen meisjes tegen hun wil mee naar boven. Ze dachten dat die Theo Heuft een van hen was. Ik was een bekende Nederlander en zij stikten in de poen, maar ze konden er niets mee aanvangen. Ze waren gewoon afval.”

“Klaas Bruinsma wilde op een bepaald moment mijn compagnon worden. Ik vroeg bedenktijd. ‘Nee’ zeggen, was geen optie. Dan had ik een probleem. Maar als ik ‘ja’ antwoordde, had ik nog een groter probleem. Want dan kon ik blijven dokken. Ik heb hem een tijdje aan het lijntje gehouden en hem uiteindelijk een voorstel gedaan: ‘Je bent een intelligente jongen. We kunnen wel partners worden.’ Ik draaide zijn ‘voorstel’ helemaal om. ‘Jij wordt mijn compagnon en we openen nog een paar nieuwe zaken. Alleen mag je dan niets meer met de criminaliteit te maken hebben. Dan worden we rijke jongens op een officiële manier.’ Toen voelde Bruinsma zich in de maling genomen. Daarna is het hele zaakje geëscaleerd. In 1991 werd Bruinsma vermoord. Zijn twee opvolgers schakelden vervolgens nog een paar versnellingen hoger in het afpersen.”

 

Ze vertimmerden uw zaak.

“Ja. Ze stuurden ook iemand naar me toe die een pistool tegen mijn kop zette. Ik heb verschrikkelijke dingen meegemaakt. Ik vreesde toen voor mijn leven en voor dat van de mensen die voor me werkten. De politie wist dat die gangsters bij me over de vloer kwamen. Ze had best kunnen ingrijpen. Maar de Amsterdamse politie was zelf corrupt. Als ik zou gaan klagen zijn over de mensen die zich bij mij misdroegen, hadden de criminelen het eerder geweten dan de officier van justitie. Sommige agenten lekten naar de poldermaffia. Ze werden ervoor betaald om razzia’s te tippen.”

 

Bleven uw klanten weg in de periode dat de maffia Yab Yum als zijn clubhuis beschouwde?

“Bizar genoeg niet. De grootste ondernemers vonden het reuze interessant om met die Klaas Bruinsma een gesprek te voeren. Hij was de grote maffiabaas en zij vonden het geweldig. De bodyguards zaten op de trappen en al die zakenlui vonden dat fantastisch.”

 

Theo Heuft. Yab Yum. Het beroemdste bordeel van de wereld. Carrera, Amsterdam, 272 blz. 16,90 euro

©jan@janstevens.be

Puin

In vacature on september 22, 2009 at 11:01 am

puinVerouderde fabrieken hebben het in tijden van crisis lastig om te overleven. Steeds vaker sluit er een voorgoed de deuren, rijp voor de sloop. Voor de afbraakindustrie lijken er gouden tijden aan te breken.

 

Op tweede kerstdag 2007 krijgen de 95 werknemers van de suikerfabriek Iscal Sugar in Moerbeke een wrang kerstcadeau. De directie maakt bekend dat de fabriek dicht gaat na een roemrijke geschiedenis van bijna anderhalve eeuw suikerproductie. Andere jaren vierden de Moerbekenaars rond kerst met liters bier en een uitgelaten fanfare de ‘afzwaai’, het einde van de suikerbietencampagne. Nu blijft het akelig stil in het dorp.

Anderhalf jaar later. De kranen van Democom knippen stukken ijzer uit de gigantische opslagketels van de Moerbeekse suikerfabriek. Moerbeke is de vijfde suikerfabriek op rij die het Genkse sloopbedrijf afbreekt. De sluiting van de Wase site van Iscal garandeert Democom werk in overvloed tot minstens de zomer van 2010.

De sloop van de Moerbeekse suikerfabriek is geen unicum. De huidige economische crisis is hét moment van de waarheid voor veel verouderde industrieën. Zo ging een paar maanden geleden Filteint failliet, een van de laatste ‘grote’ textielfabrieken uit Sint-Niklaas. De uitgeleefde fabrieksgebouwen liggen er nu stil en verlaten bij, wachtend op de genadeslag van de sloophamer. Dankzij de recessie lijken er gouden tijden aan te breken voor de afbraakindustrie.

“Niet overdrijven”, relativeert ingenieur Johan D’Hooghe, voorzitter van CASO, de Confederatie van Aannemers van Sloop- en Ontmantelingswerken. “Een gebouw wordt pas gesloopt als iemand wil investeren in de afbraak. De prijzen van het vastgoed zijn niet ingestort. De drempel voor investeerders om een gebouw te kopen, af te breken en iets nieuws in de plaats te zetten, ligt daardoor hoog. De afbraakindustrie is dus meer gebaat met een goed draaiende economie. De aannemers van afbraakwerken hebben zeker nog werk. Maar de bomen groeien niet tot in de hemel.”

Volgens Jean-Marie de Buck, gedelegeerd bestuurder van Aclagro uit Wondelgem, één van de grotere sloopaannemers, is het nog iets te vroeg voor ‘gouden tijden’. “Zeker in de private sector worden projecten veeleer uitgesteld. Al zit onze afbraakafdeling niet om werk verlegen. Maar de motor van de sloop is toch altijd het nieuwe project dat erna zal volgen.”

“Daar komt bij dat in tijden van crisis heel wat kleine zelfstandige aannemers zich op de afbraakmarkt storten”, vult Jan Verstrynge, directeur grond- en afbraakwerken van Aclagro, aan. “De typische ‘vader-zoonbedrijven’ komen als transporteur of onderaannemer niet meer aan de bak. Dus zoeken ze heil in de sloop: vader met de kraan, de zoon met de vrachtwagen. Zij pikken een deel van het werk in en geven de sector een slechte naam. Want ze zijn zich niet bewust van problemen als asbest of het selectief behandelen van afvalstromen en gooien alles op een hoop.”

 

Vlarea

“De drempel om met afbraak te starten ligt veel te laag”, zegt Jean-Marie de Buck. “Ik verwacht dat in de nabije toekomst het kaf automatisch van het koren gescheiden zal worden. De wetgeving rond afvalverwerking wordt steeds ingewikkelder. Kleine bedrijfjes met een kraan en een vrachtwagen zullen nooit aan alle verplichtingen kunnen voldoen. Wij hebben voltijds twee preventieadviseurs in dienst, een milieucoördinator, ingenieurs… We merken dat bouwheren liefst met serieuze mensen in zee gaan. Al zijn er natuurlijk altijd die alleen naar de prijs kijken, wat hen later vaak zuur opbreekt. Aclagro is in 1970 gestart als een aannemer van afbraak- en grondwerken. Later kwamen daar infrastructuurwerken bij, zoals het aanleggen van wegen en riolering. Wij hebben er vrij vroeg voor gekozen om een onderneming uit te bouwen die de afvalstromen zoveel mogelijk zelf kan recycleren. Zowel bij afbraak- als bij infrastructuurwerken wordt er veel puin gecreëerd. In onze recyclingafdeling wordt het puin gebroken, en omgezet in granulaten die verwerkt worden in producten voor de ondergrond van nieuwe wegen. We hebben een tijdelijke opslagplaats voor gronden, waar we vervuilde grond zeven en saneren. Onlangs hebben we de zeer strenge overheidsprocedure doorlopen om een erkenning te krijgen als asbestverwijderaar. Dat soort van noodzakelijke selecties zorgt ervoor dat op termijn alleen de ernstige spelers met een professioneel uitgebouwde organisatie overblijven.”

 

Tot halverwege de jaren negentig golden er in de afbraakindustrie amper regels en wetten. “Het slopen moest snel gaan”, zegt CASO-voorzitter Johan D’Hooghe. “De rest was bijzaak: alle afval belandde op het stort. Maar vanaf 1995 werd de sector stelselmatig geconfronteerd met een steeds ingrijpender wetgeving. In het begin trokken de meeste aannemers zich daar niet te veel van aan, behalve dan de grote bedrijven die op de kar van de sanering sprongen. Af en toe werd er gecontroleerd. Wie als kleine aannemer prijs had, moest voor de kosten opdraaien. In 1998 trad Vlarea, het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, in werking. De hele afbraaksector viel uit de lucht. Want alle puin en sloopmateriaal werd van de ene op de andere dag een afvalstof en de verwerking en het hergebruik ervan was plots onderworpen aan zware reglementeringen.”

Johan D’Hooghe was een van de weinige ingenieurs die zich toen verdiepte in de finesses van de nieuwe afvalreglementering. “De afbraakaannemers hadden heel wat vragen bij die ingewikkelde wetgeving. Sommigen vroegen mij om advies. Ik ben toen in het gat in de markt gesprongen en heb mijn eigen studie- en adviesbureau voor sloop- en recyclagebedrijven opgestart. Sinds 1998 is afval geld waard. Niet de aannemers van afbraakwerken, maar de overheid heeft die nieuwe markt gecreëerd. Ook voor mij.”

 

Zwart geld & corruptie

Guido werkt bijna tien jaar als arbeider in de afbraakindustrie. Toen hij op zijn dertigste als bediende ontslagen werd, raakte hij met zijn humanioradiploma nergens meer aan de bak. “Ik zat in een scheiding en had dringend geld nodig. Via een vriend kon ik toen bij een kleine afbraakfirma als sloper aan de slag.”

Vandaag werkt Guido voor een grote afbraakaannemer, officieel in een achturendag. “Ik vertrek ’s morgens om 5 uur en ben elke avond rond 7 uur thuis. Alle uren die ik extra presteer, worden in het zwart uitbetaald. Ik werk dus elke dag 8 uur wit en bijna evenveel zwart. Elke twee weken ontvang ik mijn zwarte loon in een omslag met briefjes van 100 euro.”

Hoe raakt de aannemer aan dat zwart geld? “Heel simpel: het bruikbare afval maakt hij te gelde door het te verkopen aan recyclers of sloophandelaars. Een flink deel in het zwart. Grote recyclers halen extra geld binnen door waardevol afbraakmateriaal zoals staal als ‘onbruikbare afval’ te catalogeren. Ze betalen de afbraakaannemer minder dan waar hij recht op heeft, verkopen het ‘onbruikbare afval’ door als staal aan hoogovens in Azië en strijken het verschil op.”

CASO-voorzitter Johan D’Hooghe reageert voorzichtig op de uitlatingen van Guido. “Als hij zegt dat hij in het zwart betaald wordt, zal dat wel zo zijn. Dat zal door CASO nooit gepromoot worden. Het is trouwens veel te gevaarlijk om iemand twaalf uur aan een stuk sloopwerk te laten doen.”

 

Volgens Guido speelt corruptie een belangrijke rol bij het binnenslepen van contracten in de afbraaksector. “Mijn vorige baas versierde voor jaren aan sloopopdrachten op het terrein van een bekend groot bedrijf in de haven. Zijn strategie was simpel: hij kocht de verantwoordelijke voor het toewijzen van de opdrachten om. Die man werd goed gesoigneerd en ontving omslagen vol geld. Zijn zoon was een verwoed veldcrosser: mijn baas heeft hem royaal gesponsord. Ik schat dat die man voor minstens 50.000 euro aan omkoopgeld ontvangen heeft. Dat soort van praktijken is in heel de sector schering en inslag.”

“Corruptie vind je niet alleen in de afbraak, maar overal”, zegt Johan D’Hooghe. “Het is zeker niet de correcte manier van werken.”

Jean-Marie de Buck van Aclagro legt de lat in zijn bedrijf bewust heel hoog. “Wij hebben niets te verbergen. Wij proberen de hele sector mee op een hoger niveau te tillen. Er zullen natuurlijk altijd cowboys blijven bestaan; waar vind je er geen? Wie zo groot en kwaliteitsvol wil worden als wij, is gewoon verplicht om de spelregels te volgen.”

 

 

 

 

De afbraaksector doorgelicht

 

-          CASO, de belangenvereniging van sloopaannemers bestaat pas sinds eind 2008. Johan D’Hooghe: “Lang was er alleen een Antwerpse vereniging van slopers actief. De druk vanuit de overheid werd groter, de wetgeving ingewikkelder. Er was nood aan een stevige overkoepelende organisatie die heel de sector vertegenwoordigt. Met de hulp en onder de vleugels van de Vlaamse Confederatie Bouw hebben we CASO opgestart. De meeste grote afbraakbedrijven zijn ondertussen lid. We vertegenwoordigen nu vijftig bedrijven, verspreid over heel Vlaanderen.”

-          Over de sloopsector bestaan geen exacte cijfers. D’Hooghe: “We schatten dat in Vlaanderen een 500-tal bedrijven met gemiddeld tien werknemers afbraak als hoofd- of nevenactiviteit hebben. Vermoedelijk werken 1500 mensen voltijds in de sloop.”

-          Slopers dringend gezocht. Jan Verstrynge (Aclagro): “Veel mensen zien de afbraak als minderwaardig. In ingenieursopleidingen wordt er geen aandacht aan besteed. Het is moeilijk om goeie mensen te vinden die zich op afbraak willen toeleggen, terwijl er juist ontzettend veel uitdagingen in weggelegd zijn. Er komt veel meer bij kijken dan de boel ineenstampen en het afval wegvoeren. Arbeiders die niet bang zijn om ploegbaas te worden en verantwoordelijkheid willen opnemen, zijn dun gezaaid.”

-          Bij Aclagro in Wondelgem werken 320 mensen. Het bedrijf draait 60 miljoen euro omzet.

 

©jan@janstevens.be