virtueel archief

Airbags

In de morgen, het financieele dagblad on februari 8, 2010 at 11:43 am

Op haar eenentwintigste vond Venetia Thompson een baan als junior-broker bij een grote internationale beursmakelaar. Veertien maanden lang was ze ‘one of the lads’. In haar boek Beursbabe vertelt ze vrijuit over het leven van een doorsnee broker in de Londense City. Een leven van geld, seks, drugs en sloten alcohol. Ondanks de kredietcrisis.

 

9 februari 2008. In het Britse tijdschrift Spectator verschijnt van de hand van junior-broker Venetia Thompson een uitgebreid verslag over haar dagelijkse leven op de beursvloer in de Londense City. “In het begin werd ik dagelijks uitgescholden en met cricketballen bekogeld door mijn collega’s”, schrijft ze. “Een zwarte broker werd door iedereen ‘Ferg’ genoemd. Eerst dacht ik dat het een onschuldige bijnaam was. Tot bleek dat het om de verkorte versie ging van Feargal Sharkey – Cockney voor ‘Darkie’ of zwartje.”

In hetzelfde artikel schetst Thompson geen al te fraai beeld van haar rechtstreekse baas, een Amerikaan die ze omschrijft als hebzuchtig en agressief. “Onlangs gooide hij zijn keyboard naar de man die rechtover hem zat, de toetsen vlogen in het rond.” Ze vertelt ook over drankovergoten zakendiners waar ze vier avonden per week moet aan deelnemen, en die steevast eindigen rond het ochtendgloren. “Om zeven uur ’s ochtends zit ik stomdronken van de voorbije nacht terug achter mijn bureau.” Thompsons artikel veroorzaakt heel wat deining in de City. Sommige traders en brokers noemen haar een nestbevuiler, anderen komen anoniem aanzetten met gelijkaardige verhalen. Dezelfde week nog wordt Venetia door haar werkgever BGC Partners ontslagen. Zo komt er een abrupt einde aan haar makelaarscarrière die welgeteld 14 maanden heeft geduurd. Vlak na haar ontslag krijgt ze telefoontjes van andere brokerfirma’s. Thompson: “Ze boden me een job aan. Ik zei telkens weer: ‘Je beseft toch wat ik net gedaan heb?’ Hun antwoord was: ‘Ja, maar we haten BGC en willen dat je nu voor ons komt werken.’ Maar ik wou voor de rest van mijn leven helemaal geen broker zijn. Ik wou schrijver worden.”

Eind januari 2010. De inmiddels vijfentwintigjarige Venetia Thompson heeft net de laatste hand gelegd aan haar boek Beursbabe, waarin ze in ruim driehonderd bladzijden een hallucinant vervolg breit aan het artikel uit Spectator. “Nu vertel ik het hele verhaal. En ik neem geen blad voor de mond.” In Beursbabe schetst Thompson een ontluisterend beeld van de City. Ze schrijft over brokers die in poepchique restaurants samen met hun klanten urenlang zitten te schransen, er flessen Château Rothschild van 600 pond de fles bestellen en er lijnen coke doorjagen. Om vervolgens in de vroege uurtjes van het ene bordeel naar het andere te laveren. Vier nachten op vijf. Venetia deed daar dapper aan mee. “Ik fuifde tot ‘s morgensvroeg. Maar elke ochtend om kwart voor zes liep mijn wekker af, ongeacht hoe laat of vroeg ik in bed lag. Soms werd ik halfnaakt naast mijn bed wakker en kon ik me amper nog iets herinneren van de nacht voordien. Ik was altijd blij als ik het kantoor op Canary Wharf bereikte zonder dat ik in de metro had overgegeven of was omgevallen.”

Airbags

Twee jaar na haar vertrek bij BGC Partners heeft Venetia nog steeds heimwee naar haar collega’s en hun lompe en seksistische opmerkingen. Zelfs al bedachten ze haar omwille van haar stevige boezem met de bijnaam ‘Airbags’. “Ik mis die kerels en hun kameraadschap echt”, zegt ze. “De brokers, de beursmakelaars, vormen de laatst overgebleven meritocratie van de City. Hun sociale status wordt nog steeds bepaald door hun prestaties en capaciteiten. Ze starten zonder enige opleiding op hun zestiende op de beursvloer omdat hun oom een broker was. De beursmakelarij in Londen heeft een traditie in het aantrekken van jonge mannen met een speciaal talent. Een goeie broker moet snel zijn met cijfers, maar hoeft geen rekenwonder te zijn. Ik heb zelf allesbehalve een mathematische geest en heb nooit een economische opleiding gehad. Als je onder grote druk kalm kunt blijven, heel agressief uit de hoek kunt komen, en verschillende mensen tegelijkertijd te woord kunt staan, is beursmakelaar een job die je op het lijf geschreven is. Ik vond het heel verfrissend om op een plaats terecht te komen waar op de allereerste dag niemand vroeg naar welke school ik geweest was. Want Groot-Brittannië is nog steeds een land waar klasse heel belangrijk is. Bij de brokers ligt daar niemand wakker van. Op de beursvloer behandelen al je collega’s je als gelijken.”

En tezelfdertijd ook als vuil.

“Iedereen wordt er als vuil behandeld, maar er zijn geen verborgen agenda’s. Als collega-brokers je een klootzak vinden, zeggen ze dat vlak in je gezicht en niet achter je rug. Ik hou van die directe aanpak. Ik ben op de beursvloer terechtgekomen via een vriendin die in de brokersindustrie actief is. Zij gaf mijn cv door aan haar favoriete broker. Ik spreek Russisch en dat vond het bedrijf blijkbaar interessant.”

U werd aangenomen door een Amerikaanse broker, een man met de reputatie van een bully.

“In het begin schoten we vrij aardig met elkaar op. Ik vond hem fascinerend, want ik had zoveel slechts over hem gehoord. Brokers kun je in twee categorieën onderverdelen: de kleine groep die ooit traders, handelaars, geweest zijn en ontzettend slim zijn, en de anderen die op hun zestiende direct op de beursvloer gestapt zijn en die ‘street wise’ zijn. De Amerikaan had een beetje van beide. Ik dacht dat ik veel van hem kon leren. Maar hij bleek inderdaad de klootzak te zijn waar iedereen hem voor versleet. Hij schold me geregeld de huid vol en liet me op het einde vallen als een baksteen. Ik heb na mijn ontslag niets meer van hem gehoord. Hij zit er nog steeds en heeft een ander meisje in mijn plaats aangenomen, met minder grote borsten.”

“Mijn eerste dag op de beursvloer begon nochtans opwindend, ik had nog nooit zoiets meegemaakt. De testosteron hing zwaar als sigarettenrook in de lucht. Het lawaai kwam in golven van verschillende kanten. Er werd me verteld dat het meisje dat voor me aan mijn desk gezeten had, het amper vier weken had uitgezongen. Er werden bijna weddenschappen afgesloten hoelang ik het zou volhouden.”

Uw voorgangsters werden net als u op een seksistische manier behandeld?

“Het hangt ervan af hoe je seksistisch definieert. Je moet echt wel uit speciaal hout gesneden zijn om te overleven in een brokersbedrijf. Je moet een dikke huid hebben en je mag nooit uit het oog verliezen dat het schelden slechts een deel van het spel is.”

De bijnamen ‘Airbags’ of ‘Ferg’ zijn dus totaal onschuldig?

“In Engeland woedt nu een grote discussie over het verschil tussen echte seksistische klap en uitspraken die seksistisch lijken, maar die eigenlijk gewoon agressieve grapjes onder vrienden zijn. Op de beursvloer krijg je, naast etensresten, lege waterflessen en cricketballen, verschrikkelijke dingen naar je hoofd geslingerd. Ze klinken ongemeen racistisch en verschrikkelijk seksistisch, maar zijn eigenlijk niet zo bedoeld. Als je tegen iemand iets lelijks zegt, betaalt hij je met gelijke munt terug. Elkaar afzeiken is een erecode. Op de beursvloer kun je gerust tegen al je cliënten liegen, zolang je maar niet je collega’s besodemietert.”

“Een broker of makelaar brengt op de beurs verschillende traders of handelaars met elkaar in contact. Ik kreeg een bod van een grote bank, riep dat rond naar de rest van de desk en een collega reageerde dan met een tegenbod dat hij van zijn klant kreeg. Soms rinkelden alle telefoons op hetzelfde moment. Dan had ik tien verschillende telefoons in de wacht staan, wachtend op verschillende prijzen. Ik werkte met achtsten en kwartjes – ik moest heel snel manoeuvreren tussen getallen na de komma. Soms vergiste ik me, en dan was ik de sigaar. Traders zijn van nature paranoïde en denken snel ze dat je ze een oor wil aannaaien. Als een broker hen in de steek laat, kan hen dat veel geld kosten.”

Roze champagne & coke

U moest ook bijna elke avond uw klanten ‘entertainen’?

“Ik ging zo goed als dagelijks uit eten en drinken met mijn cliënteel. Veel mensen denken dat het om omkoping gaat, maar dat is niet zo. Die etentjes dienden vooral om de relaties met de klanten in stand te houden. Hoe meer tijd je met iemand doorbrengt, des te groter is de kans dat hij je gaat vertrouwen. Jij geeft hem informatie waardoor hij interessantere prijzen zal doorgeven. Hoe beter je met traders en bankiers samenwerkt, hoe meer geld je aan hen kunt verdienen. Als je alleen maar een stem aan de telefoon bent, zullen ze je nooit ten volle vertrouwen. Het is dus heel belangrijk dat je een persoonlijke relatie met hen uitbouwt. ‘Venetia is een goeie drinker, dus zal ik haar eens verwennen met een fraai bod’, of ‘Venetia is echt grappig, zij heeft recht op die prijs.’ En zelfs: ‘Ze is een beetje zielig en bakt er niet veel van als broker. Ik zal haar een handje helpen.’”

“‘Gewone’ businesslui uit andere bedrijfstakken hebben af en toe ook wel eens een zakenlunch met een klant. Meestal staat er dan een bord pasta met een glas spuitwater op het menu en gaan ze na een uurtje smalltalk weer aan het werk. Wij bestelden achtgangenmenu’s en dronken flessen roze champagne. We dronken glazen wijn van 100 pond het stuk of flessen Brunello van 600 pond. Tijdens die ‘zakenlunches’ joegen we er fortuinen door. Na het eten zakten we dan af naar luxebars en bleven we doorzuipen. Soms moest ik tussen twee gangen door in het toilet even discreet mijn maag gaan leeg kotsen. Bij de grote banken bestaan er strikte regels over ‘uit eten gaan met klanten’. Maar brokerhuizen zijn aan geen enkele regelgeving onderworpen. Wat ik meemaakte, was geen uitzondering. De hele brokerindustrie zwelgt in die excessieve levensstijl. De brokers zijn belangrijk voor de City, want zij vormen het levensbloed van de markt en verdienen het meeste geld. De beursmakelarij is een vitale sector voor de hele financiële industrie. Grote bankiers weten vaak niet hoe het er bij brokers aan toegaat. Het wilde leven speelt zich echt af tussen traders en brokers. Bankiers werken met analisten en doen er maanden over voor z’n deal sluiten. Traders en brokers beslissen over ‘deals’ in fracties van seconden. Ze volgen eigenlijk vooral hun intuïtie. En teren een beetje op informatie en ervaring.”

Het ‘entertainen’ van klanten bleef niet bij eten en drinken. Er werd ook coke gesnoven, en u bezocht met uw cliënteel stripbars en bordelen.

“Er wordt veel coke gebruikt onder brokers. In Beursbabe voer ik mijn cokeverslaafde vriend Mo op. Hij is geen uitzondering; hij is de standaardbroker. Hij heeft een zwaar cokeprobleem, zuipt, neukt erop los en is een vaste bezoeker van de stripclubs in Soho. Maar onder die laag is hij warm en sympathiek. Veel mensen hebben hun moreel oordeel klaar over het leven in de City: ‘Al dat gezuip en gesnuif en al die losse scharrels.’ Als je in de City werkt, speelt ethiek geen rol meer. Je kent nooit de andere kant van het verhaal. Oké, Mo drinkt en snuift. Maar hij is wel een goeie ziel. Sommigen noemen de City het Empire of Evil. Bullshit. Zolang je van jezelf vindt dat je nog goed kunt functioneren, is er volgens mij niets aan de hand. Toen ik van de universiteit kwam, had ik ook dat stupide idee van goed en fout. ‘O nee, hij gebruikt drugs, dat is verkeerd.’ Door in de City te werken, heb ik ontdekt dat er veel meer grijs is dan zwart of wit.”

“De vrouwen van mijn collega’s waren er aan gewend dat hun kerels midden in de nacht straalbezopen thuiskwamen. Het geld, de luxe, het mooie huis, de Ferrari of de Bentley maakten veel goed. Natuurlijk reden hun mannen af en toe een scheve schaats, maar toch bleven ze samen. Voor vrouwelijke brokers daarentegen, is dating een echte nachtmerrie. Een trader zei me vlakaf: ‘Ik wil nooit met een vrouwelijke broker een affaire beginnen, want er hangen altijd andere mannen rond haar. Dat zal er na verloop van tijd voor zorgen dat ze transformeert in een verschrikkelijke hulk.’ Mannen uit de brokerindustrie kennen het wereldje en gaan er sowieso vanuit dat vrouwelijke brokers met hun klanten slapen, zich als dellen gedragen en een drankprobleem hebben. In werkelijkheid zijn ze niet allemaal zo. Al riskeer je wel door overmatige alcoholconsumptie de controle over jezelf te verliezen.”

“Mijn alcoholverbruik is nu flink gedaald. Mijn lever speelt ook minder vaak op dan vroeger. Ik was me tijdens mijn brokercarrière richting graf aan het zuipen. Pas na mijn ontslag besefte ik hoe slecht ik eraan toe was. Ik stond op het randje van een zenuwinzinking. Veel jonge mannelijke brokers hebben een paar gekke jaren, en nemen gas terug als ze halverwege de dertig zijn. Vrouwen stoppen na verloop van tijd gewoon met uitgaan en verdienen dan ook geen geld meer. De rest ziet hen als a joke, goed genoeg om de hoop te vullen. Sommige mannen blijven doorgaan. Ik ken veertigers die nog steeds vier avonden per week uitgaan, zich volvreten en aan de drank en de coke zitten. Er worden weddenschappen afgesloten wie eerst het loodje zal leggen. Een kennis van me, een broker van 35, viel net voor kerst dood neer. Een hartaanval.”

U hebt als broker eind 2007 het allereerste begin van de kredietcrisis meegemaakt. Was er toen paniek?

“Ik herinner me dat collega’s krantenartikels over rommelhypotheken begonnen rond te sturen. Die berichten werden vooral op ongeloof onthaald. Een broker krijgt voortdurend informatie over zaken die verkeerd dreigen te lopen: ‘Ik hoor dat er een fonds in de shit zit en dat die bank ‘fucked’ is.’ Het beste is om dat soort van informatie gewoon te negeren. In het begin van de kredietcrisis heerste op de vloer de overtuiging dat het nooit zo erg zou worden als beweerd werd. Toen de markt dan toch begon in te storten, was dat geen ramp. De brokers trokken er zich niets van aan. Ze verdienden nog steeds geld, want sommige traders verkochten goedkoop en er waren genoeg idioten die bleven kopen. Zolang de handel bleef doorgaan, kon de crisis de brokers geen sikkepit schelen. Achteraf gezien is die kredietcrisis voor de brokers in de City ‘much ado about nothing’. 2009 was niet voor niets een heel goed jaar. Het is bijna hilarisch. Er zijn nu mensen die pleiten voor regels om ‘het beest’ onder controle te krijgen, om zo een nieuwe financiële crisis onmogelijk te maken. Dat is bullshit, want de markt is net als een renpaard: als je het intoomt, verlies je de race. Als we de markt reguleren, is het niet langer een vrije markt en verliezen we het potentieel om veel geld te verdienen. We leven allemaal al zolang in een wereldwijde cultuur van hebzucht. Die mentaliteit verander je nooit meer. Want iedereen wil een groter huis en een dikkere auto. Hebzucht is de motor van alles.”

Venetia Thompson, Beursbabe, Arena, 320 blz., 18,95 euro

©Jan Stevens

Dieren eten

In knack on januari 25, 2010 at 10:14 am

De Amerikaanse schrijver Jonathan Safran Foer bestormde de bestsellerlijsten met zijn romans Alles is verlicht en Extreem luid & ongelooflijk dichtbij. Met zijn nieuwste boek Dieren eten schreef hij zijn eerste non-fictiewerk. Hij deed diepgravend onderzoek naar hoe en waarom mensen dieren eten, zweerde prompt zelf alle vlees af en haalde zich de woede op de hals van de bio-industrie én van doorwinterde vegetariërs. 

Middernacht. De gevierde schrijver Jonathan Safran Foer (°1977) zit samen met een dierenrechtenactiviste in de auto te wachten in de buurt van een industriële kalkoenkwekerij in de Amerikaanse staat Californië. Foer heeft zich helemaal in het zwart gehuld, draagt operatiesloffen over zijn schoenen en rubberen handschoenen over zijn nerveus trillende handen. Binnen een paar minuten zullen hij en zijn metgezellin over de prikkeldraad klauteren en de kwekerij binnendringen. De schrijver is er niet gerust in. In zijn verbeelding ziet hij “een zwaarbewapende boer die net uit zijn REM-slaap is gewekt en mijn wijsgerige persoontje ziet, iemand die de leefomstandigheden van zijn kalkoenen aan de kaak wil stellen. Hij spant zijn dubbelloops, ik ontspan mijn sluitspier, en dan… wat?”

De nachtelijke inspectietocht past in een project dat Jonathan Safran Foer startte toen zijn vrouw, schrijfster Nicole Krauss, zwanger was van hun eerste kind. “Ik besefte toen dat ik keuzes moest maken over wat mijn zoon later zou eten”, zegt hij. “Ik denk dat elke kersverse ouder zich dat afvraagt. Ik nam dat heel ernstig en ik wou er voor eens en voorgoed komaf mee maken. Als kind al stelde ik me vragen over het eten van dieren. Dat had niets te maken met de vraag of het goed of fout was, maar met het feit dat het niet overeenstemde met wat mijn ouders me over dieren leerden: ‘Geef de hond geen schop, want anders krijg je met ons te doen.’ Ik vond het als negenjarig jongetje heel raar dat we lief moesten zijn tegen honden, maar wel tegelijkertijd kippen à volonté aten. Uiteindelijk leerde ik ermee leven, ook al bleef het knagen. Met de zwangerschap van mijn vrouw werd vlees eten een acuut probleem. Mijn hele leven lang ben ik meer dan eens vegetariër geworden. Zoals zoveel mensen zat ik gevangen in een bizarre slingerbeweging tussen wel en niet vlees eten. Het was zoiets als stoppen met roken. Maar die slinger is niet iets wat mensen nastreven; eigenlijk willen ze rechtlijnigheid. Dus ben ik de wijde wereld ingetrokken, op zoek naar alles wat er te weten valt over de vleesindustrie. Ik heb ook proberen te achterhalen wat mijn eigen instincten zijn, wat ik goed vind en wat niet. Bij het begin van mijn ‘odyssee’ had ik geen flauw benul hoe lang die reis zou duren. Uiteindelijk heb ik er vier jaar over gedaan. In het begin wist ik zelfs niet dat het resultaat dit boek zou zijn. Het uitgangspunt om mijn zoektocht door de vleesproducerende industrie te starten was de gezondheid van mijn zoon. Dat was toen het allerbelangrijkste. Als ik had ontdekt dat de industrie op een fatsoenlijke manier met dieren omgaat en dat vlees eten gezond is, was ik er waarschijnlijk snel mee gestopt.”

Bio-industrie

Jonathan Safran Foer nam twee researchers in dienst en zocht contact met dierenrechtenactivisten die hem toegang konden helpen verschaffen tot de fabrieken en terreinen van grote vleesproducenten. Foer: “Het schrijven van Dieren eten was een waanzinnig avontuur. Ik heb krankzinnige dingen gedaan. Ik heb nooit de wet overtreden, maar ik ben inderdaad wel midden in de nacht boerderijen binnengedrongen met ervaren activisten. De veeteelt in Amerika hult zich in geheimzinnigheid. Je kunt als leek geen enkele boerderij bezoeken die op een industriële wijze vlees produceert. Ze hebben teveel te verbergen. Ze vertrouwen geen nieuwsgierige consumenten. Ik heb stapels brieven geschreven naar vleesfabrikanten met de vraag of ik hun boerderijen mocht bezoeken en met hun vertegenwoordigers kon spreken. De aanhef van die brieven was altijd dezelfde: ‘Ik ben sinds kort vader geworden en wil graag zoveel mogelijk te weten komen over de vleesindustrie, zodat ik goed geïnformeerd kan beslissen wat ik mijn zoon te eten wil geven.’ Ik kreeg geen antwoord. Dus nam ik op een bepaald moment het heft zelf in handen.”

En zo drong u op een nacht binnen in die kalkoenkwekerij in Californië.

FOER: Wat ik daar gezien heb, was afschuwelijk. Het was een bedrijf bestaande uit zeven loodsen van 130 meter breed en 150 meter lang, met in elke loods 25.000 vogels. We stapten binnen in zo’n loods en het eerste wat me opviel was dat ze middenin de nacht baadde in het licht. Tienduizenden kuikens zaten er opeen geperst onder een paar verwarmingslampen. Die dienden als surrogaat voor hun moeders. Tussen de levende dieren lagen her en der dode exemplaren. Ze zaten onder het bloed en onder de zweren. Neem 100 willekeurige Amerikanen en breng hen naar een van de boerderijen waar op een industriële wijze vlees geproduceerd wordt; ik ben er zeker van dat 95 mensen zullen zeggen: ‘Ik wil dit vlees niet meer. Hier wil ik niet langer mijn geld aan spenderen.’ Er bestaat een heel brede consensus dat het verkeerd is om wreed te zijn tegenover dieren. Alleen schijnt bijna niemand te weten hoe het er in de bio-industrie werkelijk aan toegaat. Door Dieren eten te schrijven, heb ik geprobeerd om die werkelijkheid zichtbaar te maken, in de hoop dat het boek een aantal mensen zal overtuigen hun voedingsgewoonten drastisch aan te passen.

Het was voor uzelf ook een schok om te ontdekken hoe het er in de bio-industrie aan toegaat?

FOER: Het was niet echt een schok om te ontdekken dat wreedheid jegens dieren in de bio-industrie voorkomt, het was schokkend om erachter te komen dat het overal is. Ik wist wel dat een aantal bedrijven niet deugt, maar ik wist niet dat letterlijk meer dan 99% van de Amerikaanse vleesbedrijven ware folterkamers zijn. Al het vlees dat je bij ons in de supermarkt kunt kopen en dat je in restaurants op je bord krijgt, komt van industriële boerderijen waar dieren op een wrede wijze behandeld worden. De bio-industrie streeft niet naar maximaal welzijn voor de dieren, maar naar maximaal rendement. Met als gevolg dat dieren in te kleine of overvolle hokken gehouden worden, dat ze herleid worden tot broedmachines en dat ze volgepompt worden met geneesmiddelen om te voorkomen dat ze te vroeg het loodje leggen.

Westerlingen eten massaal veel vlees, zeker de Amerikanen. Die gewoonte is relatief nieuw. Elke Amerikaan eet nu honderd keer meer vlees dan een eeuw geleden. Als het vijf of tien keer meer zou zijn, zou dat al een hele ‘prestatie’ zijn. Maar honderd keer? Die ongebreidelde consumptie is de motor achter de boomende bio-industrie. We weten niet meer waar ons voedsel vandaan komt, maar we staan er wel op dat het goedkoop geproduceerd wordt. Met alle gevolgen van dien. In de voorbije vijftig jaar steeg de prijs van een huis met bijna 1500 % en werd een nieuwe auto ruim 1400 % duurder. De prijs van het kippenvlees is in die tijd niet eens verdubbeld. Dat hebben we te ‘danken’ aan de bio-industrie. Zij heeft varkens, kippen en koeien gereduceerd tot producten die zo goedkoop en massaal mogelijk ‘geproduceerd’ worden. Onze oplossingen om het voedsel veiliger te maken, bestaan voornamelijk uit het gebruik van chemicaliën om alle virussen en bacteriën te doden. De USDA, het Amerikaanse ministerie van Landbouw, is niet alleen verantwoordelijk voor het opstellen van voedingsrichtlijnen, maar ook voor het promoten van de Amerikaanse landbouwindustrie. Zelfs zij stelt dat we 40% teveel vlees eten. We zijn er verslaafd aan geraakt. Dat is geen toeval. Fastfood wordt opzettelijk geproduceerd met zoveel mogelijk vetten en koolhydraten. Veel gewone Amerikanen hebben geen toegang tot kwaliteitsvol voedsel. De industriële productie zorgt voor ongezond vlees. Af en toe zijn er mensen die serieuze gezondheidsproblemen krijgen door het eten van vlees en daardoor voor de rest van hun leven in een rolstoel belanden. Maar veel beangstigender is dat ontelbaar veel mensen er voedselvergiftiging door krijgen. Elk jaar lopen 76 miljoen Amerikanen een vergiftiging op door het eten van vlees. En dan is er de overduidelijke link tussen de bio-industrie en pandemieën. De belangrijkste voorganger van de varkensgriep ontstond in North Carolina, de staat met de meeste varkensmesterijen van de VS, en verspreidde zich toen razendsnel over Noord en Zuid-Amerika en zo verder over de rest van de wereld. In theorie wordt de Amerikaanse vleesverwerkende industrie gescreend. Maar in de praktijk wordt er zoveel vlees geproduceerd dat niemand er nog enige controle over heeft.

Vegetariër

Dus is het volgens u verstandiger om vegetariër te worden. Is het dan niet zo dat vegetariërs op lange termijn ook gezondheidsproblemen kunnen krijgen door een vitaminetekort?

FOER: In het begin van mijn zoektocht voerde ik vooral gesprekken met voedingsdeskundigen. Ik heb toen niemand gevonden die stelde dat vlees eten een noodzakelijk onderdeel van een gezond dieet is. Als je dieren eet die op een fatsoenlijke manier behandeld zijn, goed voedsel gekregen hebben en niet vol hormonen of antibiotica gepompt zijn, kan vlees natuurlijk wel gezond zijn. Maar je hebt het niet echt nodig. Er is een tijd geweest dat deskundigen beweerden dat vegetariërs op lange termijn gezondheidsproblemen ontwikkelen, maar nu zijn ze het erover eens dat dat niet zo hoeft te zijn. De American Dietetic Association is voor de VS dé standaard als het op gezonde voeding aankomt. De instelling heeft geen politieke agenda en stelt onomwonden dat een vegetarisch dieet minstens even gezond is als een dieet waar vlees een vast onderdeel van vormt. Volgens hen zijn vegetariërs met een uitgebalanceerd dieet zelfs gezonder. Niet alle studies komen tot eensluidende conclusies, maar niemand heeft ooit kunnen ontkennen dat vegetariërs langer leven. Dat geldt niet alleen voor Amerikanen, maar voor vegetariërs uit alle culturen en sociale klassen, waar ook ter wereld. Ik vind dat een overtuigend argument dat vegetarisme gezonder is. Daar komt bij dat al dan niet vlees eten ook vanuit ecologisch standpunt een belangrijke ethische kwestie is. Je hoort daar bijzonder weinig over, maar de veeteelt is de hoofdoorzaak van de klimaatverandering. Ze is verantwoordelijk voor 18% van de totale CO2-uitstoot. Diereneters stoten dan weer zeven keer zoveel broeikasgassen uit als vegetariërs. Volgens de Verenigde Naties is de veeteelt niet alleen hoofdverantwoordelijke voor de klimaatverandering, maar ook voor verschraling, luchtvervuiling, waterschaarste, watervervuiling en afnemende biodiversiteit. Steeds meer mensen raken ervan overtuigd dat we ingrijpende maatregelen moeten nemen om de klimaatverandering tegen te gaan, maar hun voedsel laten ze daarbij buiten beschouwing. Oké, ik begrijp waarom. Ze willen wel over het milieu nadenken, maar ze zijn nog niet bereid om daar hun eetgewoonten in te betrekken. Dat is niet gemakkelijk. Misschien is het verstandiger om milieubehoud voor te stellen als een set van keuzes: laat ik de lichten aan als ik de kamer uitstap, of doe ik ze uit? Koop ik een efficiënte auto of een benzinezuiper? Neem ik het vliegtuig, ook al weet ik dat vliegen catastrofaal is voor het milieu? Niemand is een perfecte ecologist. Maar dat wil niet zeggen dat we niet moeten proberen om betere keuzes te maken. De discussie over voedsel en over het eten van vlees voeren we best op juist dezelfde manier. We moeten afstappen van de absolutistische taal. Het gaat niet over alles of niets. De meeste mensen zitten ergens in het midden, en ze willen echt wel meer doen, maar ze slagen er niet altijd in.

Dat is meteen ook het grootste verwijt dat u van diehard vegetariërs krijgt: u bent een bourgeoisvegetariër die ermee kan leven dat mensen dieren eten die op een ‘fatsoenlijke’ manier gekweekt en geslacht zijn.

FOER: ‘Vegetarisme voor iedereen’ werkt niet. Ik wil niemand dwingen om vegetariër te worden, en ik raad mensen inderdaad aan om vlees te eten dat afkomstig is van bonafide boerderijen. Daarover verschil ik van mening met diehard vegetariërs. Maar dat is slechts een zeer klein onderdeel, want over 95% van de zaak zijn we het eens. Als we een mentaliteitswijziging willen bewerkstelligen, lijkt het me veel verstandiger om ons te concentreren op die 95%. Door te blijven verkondigen dat vlees eten helemaal uit den boze is, schrikken we mensen af en blijft vegetarisme een elitaire bezigheid voor een kleine groep mensen. Zo werkt het toch? Als je voortdurend met een belerend vingertje staat te zwaaien, krijg je het tegengestelde effect. Misschien zit er hypocrisie in wat ik schrijf. Al vind ik zelf van niet. Ik maak me zorgen over het welzijn van dieren, het welzijn van mensen en over de staat van ons leefmilieu. Als je daar verbetering in wil, moet je een beetje flexibel zijn. Ik krijg soms snoeiharde kritiek op dit boek. Ik was me ervan bewust dat het heel controversieel zou zijn, en dat mensen me zouden verfoeien terwijl ze het aan het lezen zijn. Sommigen vinden mijn stijl vervelend, anderen vinden me sowieso een zeurpiet, maar niemand vindt dat het er niet toe doet. Niemand zegt: ‘Waar heeft die Jonathan Safran Foer nu zijn tijd in gestoken?’ Wat ik aankaart, gaat over universele waarden. Dat wordt door iedereen erkend. Schrijvers hebben trouwens altijd al ferme standpunten ingenomen. Vooral over politieke issues, zeker in Europa. In Amerika is die traditie een beetje verdwenen. Een van de taken van een schrijver is om empathie bij de lezer uit te lokken: hem vragen dat hij zorg draagt voor dingen die niet direct van hemzelf zijn.

Bent u het eens met de titel van een oud liedje van The Smiths: ‘Meat is murder’?

FOER: Het hangt ervan af hoe je moord definieert. Om aan vlees te geraken, moet je natuurlijk een dier doden. Maar dieren zijn geen mensen. We zien onze honden en katten als onze beste vrienden, en dat is natuurlijk een vergissing. Je moet niet van boerderijdieren houden; je mag ze best anders behandelen dan gedomesticeerde dieren. Je mag ze alleen niet haten. Je hoeft ze zeker niet te behandelen als mensen, zelfs niet als huisdieren, maar gewoon als levende wezens.

Als we echt iets willen doen aan de CO2-uitstoot zouden we volgens sommigen ook beter onze eigen honden en katten opeten.

FOER: De hond opeten, gaat te ver voor mij. Al som ik in mijn boek wel alle argumenten op waarom we wel of niet onze hond zouden moeten opeten. (lacht) Je kunt je afvragen of honden echt wel zo intelligent zijn – misschien zijn varkens veel slimmer. Die beesten kunnen niet op de achterbank van de auto springen, maar ze kunnen wel rondrennen, spelen, apporteren en ze reageren ook als je ze aait. Dus waarom moeten zij onder het mes en de hond niet? Waarom mag hij wel op het tapijt voor de haard komen liggen? Ik heb zelf een hond en ik zou hem voor geen goud willen missen. (cynisch) Er zijn trouwens nog manieren om iets aan de klimaatverandering en de milieuverontreiniging te doen. Bijvoorbeeld: jaag de helft van de wereldbevolking over de kling.

Zou u zelf een dier kunnen doden?

FOER: Ik heb nog nooit een dier gedood, maar als het moet zou ik dat wel kunnen. Je weet nooit in wat voor een situatie je ooit terecht komt. Een dier kunnen doden, bewijst niets. Sommige vegetariërs stellen: ‘Als je een dier wil eten, moet je ook bereid zijn om het zelf te doden.’ Ik vind dat een rare redenering. Ik eet nu helemaal geen vlees meer. Ook geen dieren die op een verantwoorde manier gekweekt zijn en een fatsoenlijk leven gehad hebben. Ik heb echt problemen met de hele vleesindustrie in mijn land. Ik wil daar op geen enkele manier deel van uitmaken. Ik geloof ook niet dat de bio-industrie op een of andere manier gered kan worden. Er moet een totaal nieuw systeem op poten gezet worden. We moeten weg van die grote industriële boerderijen naar kleine, diervriendelijke boerderijen. Naar het soort van boerderijen dat we vijftig jaar geleden in Amerika hadden. Als alle boerderijen zo zouden zijn, had ik mijn boek nooit geschreven. Is dat nostalgie? Nu kan zoiets nooit werken, dat is juist. Je kunt negen miljard mensen die als Amerikanen eten, nooit van vlees voorzien dat op kleine schaal gekweekt is. Want dat is wat nu aan het gebeuren is: de wereldbevolking is aan een inhaalbeweging bezig. Elke Amerikaan eet jaarlijks gemiddeld bijna dertig exemplaren gevogelte. Als de wereldbevolking ons voorbeeld volgt, eten we straks met z’n allen 165 miljard kippen per jaar. In China en India groeit de pluimvee-industrie sinds de jaren tachtig jaarlijks tussen de 5 en 13%. Dat is een heilloze weg. Er is maar een mogelijke oplossing: we moeten onze eetgewoonten drastisch veranderen. De enige manier om onze planeet te redden, is een globale beweging in de richting van het vegetarisme. We moeten dus dringend nadenken over hoe we niet alleen anders moeten gaan leven, maar ook anders moeten gaan eten. Er is geen reden om aan te nemen dat we dat niet zouden kunnen. Kijk maar naar het roken: tot voor een paar jaar was dat hip, nu is het not done en zweren steeds meer mensen de sigaret af. Of denk aan alcohol en autorijden. Vroeger maakte niemand er een punt van dat je met een paar glazen op achter het stuur kroop. Nu is dat een taboe. Op dezelfde manier moet er gesensibiliseerd worden rond vlees: we zullen er veel en veel minder moeten van gaan consumeren. Ondertussen kunnen we onze hoop vestigen op kleine boerderijen. Ze zijn veel beter voor het milieu en voor dieren. Maar ik ben niet naïef: de wereld zal zich morgen niet massaal tot het vegetarisme ‘bekeren’.

Uw twee kinderen eten nu geen vlees. Wat als ze later zouden beslissen om toch af en een toe een sappige biefstuk op hun bord te leggen?

FOER: Dat zal dan hun beslissing zijn. Waarschijnlijk zullen ze later nog veel andere beslissingen nemen waar ik het absoluut niet eens mee kan zijn. Maar het is niet mijn bedoeling om kleine replica’s van mezelf te creëren. Mijn doel is om mijn kinderen op te voeden tot volwassenen die in staat zijn om de juiste keuzes te maken. Misschien zullen die anders zijn dan die van mij, ik hoop alleen dat ze altijd zullen beseffen dat sommige keuzes die ze maken, serieuze gevolgen kunnen hebben.

Jonathan Safran Foer, Dieren eten, Ambo/Manteau, Amsterdam, Antwerpen, 336 blz., 19,95 euro.

 

©Jan Stevens

Man van Honderd Mandaten

In vacature on januari 21, 2010 at 9:14 am

Om de touwtjes aaneen te kunnen knopen, werkte Christian Dumolin op zijn zestiende als pompbediende. Vandaag staat hij aan het hoofd van de Kortrijkse Koramic Investment Group en is hij de vierde rijkste man van West-Vlaanderen. “Je leert veel als je van nul begint. Als pompbediende heb ik respect gekregen voor geld. Een euro is een euro.”

Jarenlang stond Christian Dumolin (64) aan het hoofd van bouwmaterialengigant Koramic. “Mijn grootvader begon in 1883 met een dakpannenbedrijf in Kortrijk en heeft de zaak groot gemaakt”, vertelt hij. “Toen mijn familie me vroeg of ik de zaak wou runnen, ging het heel slecht met het bedrijf. Ik had er eerst niet veel zin in, want een van mijn stelregels is: doe nooit zaken met familie en vrienden.”

Toch kocht Christian Dumolin in 1980 het familiebedrijf voor een habbekrats. “Ik ben een volbloed ondernemer. Een entrepreneur. Ik hou niet van routine. Net als mijn grootvader wil ik dingen opbouwen. Hij is meer dan 90 geworden. Daarna ging de zaak over naar zijn broer. Die stond aan de leiding tot zijn 86e. Zoals zoveel bedrijven in die tijd stagneerde Koramic. Er woedde een revolutie in de bouw, maar mijn grootvader en mijn grootoom volgden niet. Begin jaren tachtig kwam er dan een zware crisis. De openbare werken lagen plat en er werd veel geïmporteerd uit het buitenland. Ik kon niet anders dan de helft van het personeel op pensioen sturen of ontslaan. Toen heb ik geleerd wat crisismanagement inhoudt. Ik heb van de crisis geprofiteerd om een paar nieuwe uitdagingen aan te gaan. We zijn overgeschakeld van dakpannen naar bakstenen, hebben een alliantie gesloten met een andere groep en hebben ook een flinke dosis geluk gehad.”

Al die jaren was Christian Dumolin ook actief als investeerder in andere bedrijven en sectoren. “Een paar jaar geleden besloot ik om die nevenactiviteit uit te bouwen tot onze hoofdactiviteit.” Vandaag is Dumolin ceo en voorzitter van de Koramic Investment Group. Van op de derde verdieping van zijn recent gebouwde glazen Koramicbuilding houdt hij de teugels van zijn imperium stevig in handen. Met een vermogen van ruim 340 miljoen euro prijkt Christian Dumolin op de vierde plaats op de ‘rich list’ van West-Vlaanderen. Dumolin: “In het begin van een carrière is geld een doel. Als je van nul start, wil je een huis hebben, een auto en wat comfort. Maar als je wilt ondernemen, is het belangrijk dat geld snel een middel wordt in plaats van een doel. Elke ondernemer kent tegenslagen, of schat sommige deals verkeerd in. Zo hebben wij veel geld verloren aan technologie. Niet alleen aan Lernout & Hauspie, ook aan veel andere technologiebedrijfjes. Ik vind het voor onze regio nog altijd jammer dat Lernout & Hauspie op een debacle geëindigd is. Hun product was goed – de geschiedenis bewijst dat. Maar ze wilden te snel gaan. The sky was the limit, ze hebben een paar fouten gemaakt en hebben zich laten meesleuren door de hele hype. Ik wil Jo Lernout en Pol Hauspie niet vrijpleiten, maar de Amerikaanse beurs is een gevaarlijke plaats. Dat hebben zij aan den lijve ondervonden. We hebben ook nog andere internationale technologieprojecten gesteund, waar we uiteindelijk ook veel geld aan verloren hebben. Ik vind dat niet erg. Een deel van het geld dat ik verdien, moet ik terug geven aan de maatschappij. Dat geld dient om te ondernemen. Soms kan er dan iets mis gaan.”

Angelsaksische wind

Hoe belangrijk is ethiek voor ondernemer Christian Dumolin? “Heel belangrijk. Als ik in Palermo was geboren, hanteerde ik nu misschien een andere manier van zakendoen. (lacht) Ik heb altijd zeer ethisch geleefd en ik wens dat mijn medewerkers dat ook doen. Je geraakt nergens als je niet op een ethisch verantwoorde manier handelt. Mensen zijn geen kleenexjes. We moeten ze als zakdoeken behandelen en er zorg voor dragen. Toch is de ondernemerswereld ingrijpend veranderd. Veertig jaar geleden deden we nooit beroep op advocaten en hadden we geen juristen in dienst. Een woord was een woord. Als het mis ging, werd er soms hard op tafel geklopt. We werkten toen lokaal en konden onze partners in de ogen zien. Nu waait er een Angelsaksische wind en worden er ingewikkelde, tijdrovende en dure contracten gemaakt, want iedereen wil voor alle risico’s ingedekt zijn. Het Angelsaksische model in de ondernemerswereld ligt met zijn ethos van hebzucht mede aan de basis van de kredietcrisis. Ik ben een industrieel. Ik bouw iets op lange termijn. Stap na stap. Maar het moet nu snel gaan en mensen willen zeer vlug geld verdienen. Dat is gevaarlijk. We zitten in een totaal andere wereld dan vroeger. Het grote verschil is de overvloed aan informatie. Vroeger was het moeilijk om iets te weten te komen: je moest echt gaan zoeken in encyclopedieën. Informatie kostte ook geld. Als ik nu iets over iemand te weten wil komen, vind ik dat in een paar muisklikken op het internet. Die informatie is niet allemaal even betrouwbaar, maar ze is wel gratis. Alles gaat bijzonder snel, en dat heeft ook de crisis geïntensifieerd. Goed nieuws zien mensen als te goed, slecht als te slecht. Ze willen snel veel hebben, en zijn niet meer geduldig.”

Heeft Dumolin sinds het uitbreken van de kredietcrisis ooit gepanikeerd? “Zeker. Ik bekleed een aantal functies waardoor ik enig zicht op het bankwezen heb. Toen er zware problemen bij Fortis dreigden, stond ik in contact met mensen die de hele zaak van zeer nabij volgden. Op dat moment besefte ik dat het een wereldcrisis kon worden. Ik was regent bij de Nationale Bank toen de euro ingevoerd werd. Dat was een belangrijke stap, maar ik had nooit durven denken dat de euro zo’n impact zou hebben op het bezweren van de crisis. Zonder euro was de frank misschien wel veertig procent gedevalueerd. De euro heeft ons gered. Ik ben toch stevig geschrokken, want dit is de grootste crisis sinds de jaren twintig. Niemand weet hoe het nu verder zal evolueren. Het wordt niet erger, maar het zal wel nog een tijd duren voor de economie echt zal aanzwengelen. Misschien is het ook maar best dat we niet opnieuw in een oververhitte economie terechtkomen. Langzame groei is beter. Dan blijft de vraag naar grondstoffen onder controle.”

 

Man van Honderd Mandaten

Naast ondernemer is Christian Dumolin een kei in netwerken. Hij bekleedt ontelbaar veel bestuursmandaten – bezoldigde en onbezoldigde – wat hem de ‘eretitel’ Man van Honderd Mandaten opleverde. Hij was regent bij de Nationale Bank en lid van de Raad van Toezicht van de Bankcommissie (CBFA). Hij zetelt onder andere in het bestuur van Spector. “Het is belangrijk voor een ondernemer dat hij een goed netwerk heeft”, stelt hij. “Een netwerk is niet hetzelfde als de Ku-Klux-Klan. Een ondernemer móet netwerken en moet contacten hebben. Ik heb netwerken nooit aangevoeld als een louche activiteit van ondernemers en politici die afspraken maken in een duistere businessclub. Door mensen te leren kennen, krijg je zaken gerealiseerd. Tien jaar geleden heb ik het Netwerk Innovatie Kortrijk opgericht. Elke maand komen 250 mensen uit verschillende geledingen uit de regio samen: de burgemeester, verantwoordelijken van de vakbonden, werkgevers, mensen uit de culturele sector en uit de gezondheidszorg… We overleggen dan over allerlei mogelijke projecten voor de streek.”

Op dat moment in het interview opent Dumolins assistente heel voorzichtig de deur. “Tim kan uw Ferrari niet binnenzetten, mijnheer Dumolin”, zegt ze, “want uw Bentley staat in de weg.”

“Da’s geen probleem”, repliceert haar baas. “Het zijn toch oude auto’s.” Hij lacht lang en luid. “Ik ben een gepassioneerd verzamelaar van oldtimers”, zegt hij dan. “Ik heb er teveel. Telkens als ik een nieuwe koop, zweer ik: nu is het de laatste. Ik ben geen passieve kerel, ik zal niet in een zetel gaan zitten of petanque spelen. Ik hou van actie, stress en adrenaline. Vandaar dat ik ook race met die oude wagens. Mijn oudste auto dateert van 1928. Ik rij ook graag met de moto. Een Harley Davidson. Ik hou van dat typische geluid. Een Harley is een manier van leven. Hij ademt non-conformisme. Wie met een Harley of een oldtimer rondrijdt, wordt door iedereen geaccepteerd.”

Revolutionair

De Koramicbuilding lijkt wel een galerie vol moderne kunst. In de inkomhal staat een kunstwerk in spaanderplaat van Jan De Cock, middenin de kamer van Christian Dumolin schittert een gotische betonmixer van Wim Delvoye en aan de muur prijkt een monumentale Panamarenko. “Het is opnieuw dat non-conformistische van die moderne kunstenaars dat me heel sterk aanspreekt”, zegt hij. “Ik ken Wim Delvoye vrij goed. Hij is geëngageerd met zijn werk bezig. Het werk van Jan De Cock is een beetje extremer. Ik krijg er veel reacties van bezoekers op: ‘Wanneer is je keuken af?’ (lacht). Toen we dit kantoor aan het bouwen waren, zei ik tegen Jan: ‘Ik zou graag hebben dat je op een plaats ‘iets doet’.’ Op een dag stormde hij mijn bureau binnen. ‘Ik weet wat ik ga doen, Christian. Ik wil de inkomhal hebben.’ Later is Jan zo vrij geweest om er ook nog de kleine vergaderzaal bij te nemen. Ik vind dat fantastisch. Ik praat graag met artiesten omdat ze met een andere dimensie bezig zijn.”

Stamt Christian Dumolin uit een kunstminnend milieu? “Nee. Mijn passie voor moderne kunst dateert van in mijn studententijd. Mijn ouders zijn in lastige omstandigheden uit elkaar gegaan. Vanaf mijn zestiende heb ik voor mezelf moeten zorgen. ’s Avonds en in de weekends werkte ik als pompbediende. Ik moest keihard zwoegen om rond te komen. Op vrijdag- en zaterdagavond zag ik al die jonge gasten met mooie madammen in hun blitse auto’s. Het was de tijd van de minirok. Ik heb toen snel voor mezelf uitgemaakt dat ik niet mijn hele leven als pompbediende zou slijten. Ik ben vlug zelf auto’s beginnen verkopen en heb samen met een vriend een handel in tweedehandsauto’s uit de grond gestampt. Ik zat nog in de humaniora. Je leert veel als je van nul begint. Als pompbediende heb ik respect gekregen voor geld. Een euro is een euro.”

“De mensen van mijn generatie waren in hun jeugd veel meer revolutionair dan de huidige jongeren. Wij wilden verandering. We engageerden ons in de politiek. Ik heb op de barricaden gestaan, ja. Ik droomde zelfs van een politieke carrière.”

Bij welke partij? “Bij de liberalen. Ik ben voor de grote partijen. Momenteel heb ik evenveel vrienden bij CD&V, VLD en SP-A. Het onderscheid is minder groot dan vroeger. In alle drie die grote partijen zitten zeer verstandige mensen.”

Denkt Christian Dumolin op zijn 64e al aan zijn pensioen? “Wat is dat? Niet meer gaan werken? Dan ben ik altijd op pensioen geweest, want ik heb nooit het gevoel gehad dat ik aan het werk was. Tot voor kort was ik zeven dagen op zeven bezig, dat is normaal als je werk je passie is. Het gevaar is groot dat je er teveel in opgaat. Kunst helpt me mijn geest vrij te maken. Maar ik zal nooit stoppen om vervolgens in de zetel de krant te gaan zitten lezen. Het is voor een ondernemer belangrijk dat hij kan terugvallen op een stabiel gezin. Ik heb mijn kinderen zeer laat gekregen. Mijn dochter is 14. Ze is geboren op mijn 50e. Mijn zoon is een speciaal geval. Ik heb hem op mijn 45e gekregen en hij was toen al 8. Ik ben getrouwd met een weduwe. Op mijn huwelijksdag had ik meteen een vrouw en een zoon. Dat was niet vanzelfsprekend, want ik heb vroeger nogal goed van het leven geprofiteerd. Ik had geen kinderen, ik was vrij. Ik had geen belemmeringen en geen verantwoordelijkheidsgevoel. Dat was natuurlijk goed voor de business. Ik nam meer risico, want er was toch niemand waar ik voor moest zorgen. Maar op een bepaald moment heeft een mens toch houvast nodig. Na mijn huwelijk werd ik me snel bewust van mijn grotere verantwoordelijkheid. Ik probeer nu meer tijd vrij te maken voor mijn gezin. Al blijft dat eerlijk gezegd nogal beperkt. Maar kwaliteit is belangrijker dan kwantiteit.”

©Jan Stevens