virtueel archief

De Toren

In de morgen on november 30, 2009 at 10:21 am

In zijn vuistdikke roman De Toren dissecteert de Oost-Duitse auteur Uwe Tellkamp de laatste zeven jaar van de Duitse Democratische Republiek. “Er gaapt nu een diepe kloof in de samenleving tussen de oude Stasi’s die de DDR een paradijs vonden en de mensen die het communisme als de hel ervaren hebben.”

 

Uwe Tellkamp (1968) staat me op te wachten voor het Parkhotel aan de Bautzner Landstraße in zijn geboortestad Dresden. Van hieruit neemt hij me mee voor een wandeling door de oude villawijk Weißer Hirsch. “In dit stuk van Dresden heb ik mijn jeugd doorgebracht”, zegt hij “Hier speelt zich ook het grootste deel van De Toren af.”

Met zijn pas vertaalde, bijna duizend pagina’s dikke roman De Toren won Tellkamp vorig jaar de Deutscher Buchchpreis, de belangrijkste Duitse literaire prijs. Tellkamp schildert een episch en aangrijpend beeld van het leven in de DDR van 1982 tot aan de Val van de Muur in 1989. Centraal staat de familie Hoffmann: ze behoort tot de burgerlijke intellectuelen, een groep waarvoor geen plaats was in de socialistische boeren- en arbeidersstaat. Zoon Christian Hoffmann wil medicijnen studeren maar moet eerst tegen zijn zin drie jaar lang dienen in het leger. Zijn vader Richard, een vooraanstaand chirurg, wordt met zijn buitenechtelijke relatie gechanteerd door de Stasi. Richards zwager Meno Rohde werkt als redacteur voor een uitgeverij en voert noodgedwongen voortdurend onderhandelingen met de censor.

De parallellen tussen romanfiguur Christian Hoffmann en auteur Uwe Tellkamp zijn frappant. Hoffmann en Tellkamp droomden er allebei van om dokter te worden en ze kwamen allebei tijdens hun legercarrière wegens insubordinatie in de cel terecht. “Christian is een afsplitsing van mezelf”, zegt Tellkamp. “Alleen is hij drie jaar ouder.”

Uwe Tellkamp wijst naar een vervallen immens gebouw. “Het Lahmann sanatorium. Het stamt uit de 19e eeuw en zorgde toen voor welvaart in Weißer Hirsch. Nu staat het hele complex te verkommeren, niemand weet wat ermee zal gebeuren. In de DDR-tijd was het opgevorderd door het Rode Leger. In mijn jeugd huisvestte het Sovjetsoldaten en –officieren. Deze straat, de Collenbuschstraße, werd de Kleine Sovjetunie genoemd. De officieren en soldaten leefden hier met hun families. De Russische kinderen waren verzot op onze goedkope polshorloges. Die kostten 15 DDR-mark het stuk. We spaarden het geld bijeen van ons zakgeld. In ruil voor een horloge speelden ze met ons en leerden ze ons Russisch. Op school kregen we gedurende een uur per week een formele variant van het Russisch onderwezen. De soldatenkinderen leerden ons vloeiend Russisch. Waarom ik dat zo verdomd graag wou leren? Er is een gezegde in Oost-Duitsland: leer de taal van je vijand.”

 

Vitamin B

Volgens de Britse historicus Laurence Rees duurde de Tweede Wereldoorlog voor de landen van het vroegere Warschaupact van 1940 tot 1989.

Uwe Tellkamp: “Dat is helemaal juist. Het waren grijze jaren voor Oost-Duitsland. Figuurlijk, maar ook letterlijk. Alle huizen in deze wijk zijn vernieuwd en zien er nu vrij fleurig uit. Dat is niet hun oorspronkelijke kleur. In de DDR-tijd waren ze asgrijs. Nu zien de villa’s er mooi uit, maar zijn ze meteen ook hun magie kwijt. Hier leefden mensen uit Leningrad, Moskou, Perm. De soldatenkinderen vertelden ons over de Siberische winters en soms hadden we die ook hier met alle ellende vandien: langdurige stroompannes, een gebrek aan bruinkool, kapotte verwarmingsinstallaties en de harde dagelijkse strijd om aan basismiddelen te geraken.”

 

Uw roman ademt de sfeer van een bezet land in oorlogstijd.

“Dat was ook zo. Nu leven hier mensen die uit verschillende uithoeken afkomstig zijn. De oude bewoners zijn verhuisd en vervangen door nieuwkomers. De meeste huidige inwoners komen uit het westen. Ze hadden geld om de flats in de oude villa’s te kopen. Ze laten elkaar links liggen en wisselen op straat amper een woord uit. De oude inwoners zijn verhuisd naar de arme voorsteden. Sommigen zijn zelfs uitgeweken naar het buitenland. Een neef van mij woont in Singapore, een andere in Mexico. Heel wat jonge Oost-Duitsers leven verspreid over de wereld. Dresden is niet langer de gesloten gemeenschap die het voor de Val van de Muur wel was. De DDR was een ‘postoorlog maatschappij’. Typisch voor dat soort van samenlevingen is de zeer nabije communicatie. De vader van een vriend was scheepsarts. Veel scheepsartsen kwamen in die tijd uit Dresden, want deze stad heeft een groot verlangen naar de zee. Het was heel gewoon dat de scheepsartsen regelmatig samenkwamen om stukken van Shakespeare te spelen. Ze maakten hun eigen kostuums uit oude kleren. We hadden geen geld en we hadden geen welvaart, maar we hadden de rijkdom van onze fantasie.”

 

Het lijkt alsof u aan Ostalgie lijdt en terugverlangt naar het leven ten tijde van de DDR?

“Dit is geen Ostalgie, maar nostalgie. Nostalgie is niet bezoedeld door ideologie. Noem het nostalgie naar een rijke kindertijd. Dit huis aan de Plattleite is het Italiaanse Huis uit het boek. Hier leefden verwanten van mij. In de eerste hoofdstukken kun je Christian Hoffmann en Meno Rohde volgen op hun wandeling door de wijk, recht naar deze villa. Het huis ziet er nu crèmekleurig uit, maar in de jaren zeventig en tachtig was het asgrijs en het balkon was compleet rot. Van op dat balkon hadden we een machtig en magisch zicht over de wijk. De magie zat niet in de socialistische ‘gewone’ dingen zoals de dagelijkse strijd om te overleven. De magie zat in dit soort van huizen en wijken, maar ook in de zogenaamde Plattenbauten, de nieuw gebouwde spuuglelijke flatgebouwen. We leefden geperst tussen die ‘nieuwe’ DDR-maatschappij’ en de oude, vooroorlogse maatschappij. Die oude maatschappij overleefde nog. De communisten wilden haar helemaal uitwissen, maar dat lukte niet. Alle relicten van de middenklasse en de upperclass – de bourgeoisie – moesten verdwijnen. Maar de autoriteiten hadden de flats nodig van diezelfde bourgeoisie. Ze hadden de ruimtes nodig om mensen te huisvesten, en de villa’s in dit ‘bourgeoiskwartier’ waren binnenin relatief goed onderhouden.”

“Je kon als burger aan een ambtenaar laten weten dat je ‘wenste’ om in zo een flat te leven. De ambtenaar kon ook op eigen houtje bepalen waar je moest gaan wonen. Tussen die twee uitersten moest je dan op zoek naar een compromis. Wie geluk had, kreeg een flat in deze buurt. Je kon natuurlijk ook gebruik maken van de zogenaamde ‘Vitamin B’ – Vitamine Beziehung (relatie). De uit aluminium vervaardigde DDR-marken waren waardeloos. Veel belangrijker waren de relaties waarover je beschikte. Je ‘wens’ werd verhoord als je de mogelijkheid had om een auto te organiseren of als je iets kon ritselen waar normaal gezien maanden of jaren op gewacht moest worden. De socialistische samenleving werkte helemaal volgens het principe van wheeling and dealing. Het was een middeleeuwse economie gebaseerd op ‘ruilhandel’. Voor een kapitalistische samenleving is geld als bloed voor het lichaam. Het voedt alle organen en onderdelen. In de DDR was het waardeloze geld vervangen door Vitamin B. Ik hoor nu vaak het cliché vertellen dat er toen een grote warmte was. ‘We hadden dan wel geen geld, maar we waren toch zo gelukkig.’ Dat is niet waar. Het was een samenleving die strikt gefocust was op de functie die je bekleedde. ‘Jij bent dokter? Geef me het juiste medicijn voor mijn ziekte en ik geef je iets in ruil.’ Wie de pech had een ‘waardeloos’ persoon te zijn die niets te verhandelen had, was totaal onbelangrijk.”

 

Het was ook een samenleving vol achterdocht. Mensen werden door de Stasi gechanteerd om anderen in de gaten te houden en te verklikken, zoals Richard Hoffmann in uw roman.

“In de eerste decennia van de DDR was chantage een geliefkoosd instrument voor ‘de Firma’ – de Stasi – om mensen te ronselen. In de late jaren tachtig nam ze haar toevlucht tot een soort van omkoperij. Stel: je bent een goeie chirurg en je zou graag directeur van het ziekenhuis worden. Maar dat lukt niet omdat een van je familieleden ooit naar het westen gevlucht is, of omdat je geen lid wil worden van de Partij. De Stasi zal daar dan handig misbruik van maken. ‘Je wil directeur worden? Oké. Wij zorgen daarvoor. Doe ons in ruil een klein plezier. Schrijf op wat die en die zeggen. Je hoeft ze niet te verraden, maar maak gewoon regelmatig een verslagje van wat je hen hoort vertellen.’”

 

Succesvolle mensen in de maatschappij waren niet te vertrouwen?

“Sommigen hadden hun succes daaraan te danken, ja. Er waren er ook die vol overtuiging hun collega’s en vrienden verlinkten omdat ze in het systeem geloofden. Het overgrote deel van de informanten, de IM’s, waren ideologisch overtuigden. Meestal bekleedden ze posities ‘tussenin’: tussen het voetvolk en de chefs. De ideologisch gestuurde IM’s en de ex-Stasi-agenten zijn nog steeds actief. Ze zijn machtig. Ze hebben hun meetings en hun clubs waar ze verkondigen: ‘De DDR was een paradijs.’ Ik hoor vaak dat er een kloof is tussen het westen en het oosten van Duitsland. Dat is niet zo. Er is wel een gigantische kloof in het oosten van Duitsland tussen degenen die de DDR zien als een paradijs en degenen die het de hel vonden. We zitten in dezelfde situatie als na Wereldoorlog Twee. Toen hoorde je oude nazi’s zeggen: ‘Wat willen jullie eigenlijk? We hadden toch een mooie tijd? Alles was fijn, we hadden werk, niemand leed honger. Wat liep er eigenlijk verkeerd? Niets toch?’”

 

Moet er dan zoiets komen als de Zuid-Afrikaanse Waarheidscommissie?

“We hebben een instelling die een beetje hetzelfde nastreeft, de zogenaamde Gauck-Behörde. Zij is belast met het beheer, onderzoek en openbaar maken van de Stasi-archieven. Het grote probleem is dat de Stasi tijdens de Wende heel wat dossiers vernietigd heeft. Veel basismateriaal is verloren gegaan waardoor het moeilijk geworden is om een juiste kijk op de dingen te krijgen. Er wordt gezegd dat de meeste begrafenisondernemers, de mensen die beveiligingsfirma’s runnen, veel leraars en veel ambtenaren van de werkagentschappen ex-leden van de Stasi zijn. Net als na het Derde Rijk hoor je nu dezelfde clichés: ‘Alles was oké. We hadden werk, we hadden zekerheid.’ Dat hoor je ook van 14-jarigen die dat verhaal opgelepeld krijgen door hun leerkrachten. In het Derde Rijk had je de Holocaust, in de DDR had je de Stasi die mensen omwille van hun mening opsloot. Wat is het belangrijkste? De zogenaamde zekerheid? Of de onvrijheid en de staatsterreur?”

 

Censuur

Meno Rohde werkt als redacteur bij een uitgeverij. De manier waarop hij met de censors omgaat, lijkt vaak op een spelletje schaak.

“Een uitgever had speelruimte. Sommigen hadden de guts om tegen de censor te zeggen: ‘Dit is een goed boek. Ik wil het uitgeven en ik wil dat jij het laat passeren.’ Soms werkte dat. Af en toe was de censor zelf geïnteresseerd om het boek erdoor te krijgen. De meesten waren letterkundigen. Ik heb zo een censor gekend die zei: ‘Het is een uitstekend boek. Ik weet zeker dat het problemen zal opleveren met de ambtenaren die boven mij staan, maar ik ben een man van de literatuur. Ik wil dat dit boek gedrukt wordt.’ Mijn eerste uitgever stond in de DDR-tijd aan het hoofd van Aufbau-Verlag, de belangrijkste uitgeverij. Hij vertelde me dat hij soms boeken uitgaf die erg gevaarlijk waren voor hemzelf. Vaak lag hij badend in angstzweet ’s avonds in zijn bed te denken: ‘Nu komen ze me halen.’ Hij heeft ooit een boek van Christoph Hein uitgegeven zonder het voor te leggen aan de censor. Er is toen niets gebeurd.”

 

Had u er eind jaren zeventig en begin jaren tachtig enig idee van hoe het er in het westen aan toeging?

“Het was onmogelijk om naar de West-Duitse tv te kijken. Er stonden sterke zenders die de golven uit het westen tegenhielden. We hadden alleen een clichébeeld van het westelijke deel van Duitsland. Met kerst kregen we een geel pakket. Dat rook naar kauwgom, koffie, chocola… de geur van het westen. We luisterden naar de radiozender Deutschlandfunk en hoorden het exotische, paradijselijke westen. We lazen natuurlijk ook verboden boeken. Die werden gekopieerd op schrijfmachines. Met carbonpapier tussen de bladzijden werden tot zeven kopieën ineens getikt van de Goelag Archipel van Solzjenitsyn. Vijfhonderd bladzijden. Sommige mensen schreven de verboden boeken over met de hand, net zoals de monniken in de middeleeuwen. Maar dat was heel riskant, want de Stasi probeerde hen aan de hand van hun geschrift op te sporen.”

“De DDR-samenleving was gebaseerd op verraad en leugens. Je had de officiële leugen dat ons leven erg goed was en je had de officieuze visie dat ons bestaan sjofel was. Op school of op grootse meetings zoals 1 mei hoorden we verkondigen hoe goed we het wel hadden, hoe fantastisch we als samenleving presteerden, hoe dapper we waren. Als je dan naar huis ging, zag je overal de rotte huizen en hoorde je mensen sakkeren dat het systeem niet deugde. Als jongeman had ik het moeilijk met die tegenstelling.”

 

U was een lastige puber?

“Ik was vijftien, las de verkeerde boeken en luisterde naar foute muziek. Het was begin jaren tachtig en de tijd van de rauwe en ruwe Oost-Duitse punk. Bands zoals Feeling B maakten rare maar ook karakteristieke muziek die compleet verschilde van de westerse. Ik was een moeilijke puber en een lastige student. Mijn vader heeft keihard moeten lobbyen om deze stoute jongen uit de klauwen van de autoriteiten te houden. Ik was niet opzettelijk ’subversief’. Ik wou alleen de waarheid kennen. Toen ik dertig werd, kreeg ik van mijn vader een heel dikke map waarin alle brieven zaten die hij had moeten schrijven om me uit heropvoedingskampen en gevangenissen te houden.”

“Na de Val van de Muur claimden veel mensen dat ze echte helden geweest waren. ‘Ik heb altijd gezegd wat ik dacht.’ De meesten logen. Slechts enkelingen hebben het aangedurfd om vrij en vrank tegen de DDR-staat te ageren. Zij waren écht helden. Ik hoorde daar als vijftienjarige niet bij. Maar in 1989 was het anders. Ik deed als onderofficier mijn legerdienst in de Nationale Volksarmee (NVA) en heb toen geweigerd om deel te nemen aan het neerslaan van de volksopstand.”

 

U riskeerde geëxecuteerd te worden?

“Ja. Op dat moment dacht ik daar niet aan. Maar executie had de ultieme consequentie kunnen zijn. Volgens de wet hadden ze me tegen de muur kunnen zetten wegens insubordinatie. Uit brieven wist ik dat mijn broer actief was in het verzet aan de Dresden Hauptbahnhof en dat er iets aan de gang was met duizenden DDR-burgers die zich verschanst hadden in de West-Duitse ambassade in Praag. Ik wist niet precies wat er aan de hand was. Er gingen heel wat geruchten rond. We hadden geen kranten in onze barakken, we konden niet telefoneren. Er was één verzegelde telefoon. Vlak ernaast stond 24 uur op 24 een man met een geweer. Niemand kon het zegel verbreken. We moesten onze radio’s afgeven. We hadden alleen de mogelijkheid om af en toe een brief naar buiten te smokkelen, en als je geluk had, kreeg je er een terug. Ik weigerde om tegen het volk te vechten en werd opgesloten. Ik heb veertien dagen in de cel gezeten.”

 

Christian wordt ook gevangen gezet. Wat u in die hoofdstukken beschrijft, hebt u zelf meegemaakt?

“Ja. Ik zat in een kleine cel zonder ramen, met glasdallen die melkachtig licht doorlieten. Als gevangene was het verboden om de klinken aan de deuren aan te raken. Deed je dat toch, sloeg een bewaker met een matrak op je vingers. Als kersverse gevangene sta je daar niet bij stil. Je grijpt gewoontegetrouw naar de deurklink en pats! Als kersverse gevangene moet je ook leren dat je niets meer dan een nummer bent. Ik zat in een cel met vier anderen. Ik kon niemand vertrouwen. Een van hen was misschien een spion. Ik moest heel voorzichtig zijn met wat ik zei. Er stond in het midden een wc waar iedereen zijn behoefte op deed. Daar raak je aan gewend. Na een tijd denk je er niet meer bij na en doe je het gewoon.”

 

De revolutie voltrok zich heel snel.

“Ik heb in De Toren weinig aandacht aan de val van de dictatuur besteed, want eigenlijk is het verhaal van de Wende een boek op zich. De Oost-Duitsers hebben compleet nieuwe levens gekregen. De socialistische samenleving kon geen enkel antwoord geven op simpele basiskwesties. Nu hebben we andere problemen, maar we hebben wel vrijheid. Dat is heel belangrijk voor mij. Ik heb soms het gevoel dat het woord ‘vrijheid’ niet voor iedereen even waardevol is. Zelfs voor mensen die ervaren hebben wat het is om onvrij te zijn. Ze zeggen: ‘In wat voor een samenleving zitten we nu? Met al die criminaliteit.’ Ze zijn vergeten dat ten tijde van de DDR de staat de crimineel was.”

“Een dictatuur schijnt voor sommigen aantrekkelijker te zijn dan een democratie. Veel mensen houden van het idee van een verlicht despoot. Als schrijver is het mijn taak om daartegenin te gaan. Ik vecht al schrijvend voor democratie. Het is geen strijd waar ik veel eer mee behaal, maar het is absoluut noodzakelijk. Want er bestaat geen beter systeem. Geen enkele vorm van dictatuur deugt. Ik heb er zelf een van zeer dichtbij gekend. (geëmotioneerd) Geloof me, democratie is het beste wat er is.”

 

Uwe Tellkamp. De Toren. Verhaal uit een verzonken land. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, Antwerpen. 852 blz. 34,95 euro.

 

Tekst: ©Jan Stevens

Foto’s: ©Veerle Van Hoey

Dmitri Nabokov

In groene amsterdammer, knack on november 20, 2009 at 10:23 am

Als het van Vladimir Nabokov had afgehangen, was zijn laatste onafgewerkte roman ‘Het origineel van Laura’ nooit verschenen. “Verbrand het”, smeekte hij zijn vrouw Véra vlak voor zijn dood in 1977. Ruim 32 jaar later gaat zijn zoon Dmitri Nabokov alsnog over tot publicatie. “Ik kan niet anders. ‘Laura’ biedt een fascinerende inkijk in het laboratorium van Vladimir Nabokov.”

2 juli 1977. Vladimir Nabokov ligt op sterven in het universitair ziekenhuis van het Zwitserse Lausanne. Een maand eerder is hij opgenomen met een zware bronchitis. Zijn vrouw Véra en zijn enige zoon Dmitri staan hem aan zijn sterfbed bij. Om tien voor zeven ’s avonds blaast de grote Russisch-Amerikaanse schrijver zijn laatste adem uit. “Hij kreunde drie keer heel diep”, getuigt Dmitri Nabokov. “Het leek alsof hij een toneelrol speelde en snel weer zou beginnen spreken. Maar zijn hart viel voorgoed stil. “

Een paar dagen voor zijn dood had Vladimir Nabokov zijn vrouw gevraagd om de 138 steekkaarten te verbranden waarop hij de contouren had uitgetekend van zijn laatste onafgewerkte roman ‘Het origineel van Laura’. Véra Nabokov was niet in staat om de laatste wens van haar man uit te voeren, borg het manuscript op in een kluis en liet de lastige beslissing over aan Dmitri.

Tweeëndertig jaar na de dood van zijn vader en achttien jaar na de dood van zijn moeder besloot Dmitri Nabokov om ‘Het origineel van Laura’ alsnog te publiceren. “Al die tijd ben ik blijven twijfelen”, zegt hij. “Ik heb de beslissing om ‘Laura’ uit te geven uiteindelijk helemaal alleen genomen – om eerlijk te zijn al heel lang voor de eerste heisa rond het ongepubliceerde manuscript een paar jaar geleden losbarstte in de media. Lang ook voor erudiete Nabokovkenners me begonnen te bestoken met pleidooien pro en contra. Vader had een gouden regel: publiceer nooit een onafgewerkt manuscript. Zoals de meeste van zijn boeken zat ‘Het origineel van Laura’ al afgewerkt in zijn hoofd voor hij een letter op papier zette. De eerste ruwe aanzet van zijn romans schreef hij altijd neer op steekkaarten. Jammer genoeg heeft hij de race tegen de tijd niet gehaald en bleef zijn 18e roman onafgewerkt. Ik weet dat er mensen zijn die me met de vinger wijzen omdat ik mijn vaders laatste wil negeer. Die kritiek zal waarschijnlijk nog toenemen. Maar ‘Het origineel van Laura’ is echt een geval apart. De critici houden er geen rekening mee dat vader zijn verzoek deed op een heel moeilijk moment.”

Literaire sensatie

De postume publicatie van Vladimir Nabokovs ‘Het origineel van Laura’ is wereldwijd dé literaire sensatie van dit najaar. De aanvragen voor interviews stromen binnen bij de 75-jarige Dmitri Nabokov. “Het stopt niet”, zegt hij. “Ik was uitgenodigd voor lezingen in Rusland en de VS, maar mijn wankele gezondheid heeft daar een stokje voor gestoken. Ik probeer nu selectief interviews te geven in mijn huis in Montreux.”

In 2001 werd Dmitri Nabokov getroffen door de chronische zenuwaandoening polyneuropathie. In augustus van dit jaar belandde hij voor de zoveelste keer in het ziekenhuis. “Elke dag gaat het een beetje beter. Voor het eerst in maanden kan ik terug een klein eindje wandelen.”

De immobiliteit is hard om dragen voor de avontuurlijk aangelegde Dmitri. Tot zijn ziekte uitbrak, was hij een professionele operazanger, een verwoed bergbeklimmer, een liefhebber van snelle wagens en speedboten én een vertaler van zijn vaders werk in verschillende talen. Zijn voorliefde voor snelheid koste hem op 26 september 1980 bijna het leven. Die ochtend vloog zijn Ferrari 308 GTB op de weg van Montreux naar Lausanne uit de bocht. De auto ging over kop en vloog in brand. Dmitri brak zijn nek en had derdegraads brandwonden over de helft van zijn lichaam. Dmitri Nabokov: “Twaalf dagen na dat ongeval had ik in het brandwondencentrum van Lausanne een bijna doodervaring. Ik zag het klassieke licht aan het einde van de tunnel, maar net voor ik het tijdelijke met het eeuwige zou wisselen, dacht ik aan al degenen die mij liefhebben en aan alles wat ik nog moest doen. Ik keerde terug onder de levenden. Ik heb altijd graag het lot getart. Maar noodgedwongen moet ik mijn ambities nu bijstellen. Ik heb me voorgenomen om van zodra de eerste sneeuw valt, mijn ski’s aan te trekken en voorzichtig een beetje te gaan langlaufen op het vlakke gedeelte naast het huis.”

Boekverbrander

Volgens Alberto Manguel en Fernando Báez was Vladimir Nabokov met zijn smeekbede om zijn laatste manuscript te verbranden niet aan zijn proefstuk toe. Manguel en Báez hebben Vladimir Nabokov zelfs uitgeroepen tot een ‘een van de grootste vijanden van het boek’. Zo beweren ze dat Nabokov in 1951 voor een overvolle aula in Harvard een exemplaar van ‘Don Quichote’ in stukken scheurde. Báez en Manguel zijn niet de eersten de besten: Fernando Báez is directeur van de nationale bibliotheek van Venezuela en schrijver van een standaardwerk over de geschiedenis van het boekverbranden, de Argentijnse essayist en bibliofiel Alberto Manguel vergaarde wereldfaam met zijn eigenzinnige literatuuroverzicht ‘Een geschiedenis van het lezen’. “Manguel en Báez zijn linkse rakkers”, reageert zoon Dmitri Nabokov vol afgrijzen. “Ze houden niet van mijn vader. Links zijn is typisch Zuid-Amerikaans. Alberto Manguel wordt in Europa door veel literair geïnteresseerden op handen gedragen, en dat maakt het allemaal nog veel erger. Mijn vader was in ‘51 door Harvard uitgenodigd om voor zeshonderd studenten een lezing te geven over ‘Don Quichote’. Hij noemde het boek toen ‘hard en wreed’, maar wees ook op een aantal verdiensten van Cervantes. In een interview met een Frans tijdschrift in 1967, jaren later dus, vertelde vader dat hij van plan was om een essay te schrijven over Cervantes en dat hij daarvoor beroep zou doen op onder andere die oude Harvardlezing. Hij zei toen dat hij met genoegen terug dacht aan het ‘in stukken scheuren’ van ‘Don Quichote’ voor een overvolle aula. Hij bedoelde dat natuurlijk figuurlijk, maar een stelletje halfgeletterde journalisten heeft dat hele verhaal uit zijn context gerukt door de karikatuur te lanceren dat Vladimir Nabokov een brandend exemplaar van ‘Don Quichote’ aan zijn klas presenteerde. Politiek tendentieuze figuren zoals Alberto Manguel grijpen die misinterpretatie aan om doelbewust desinformatie over mijn vader te verspreiden. Ze doen dat in de bedrieglijke vorm van artikels en cartoons. Vladimir Nabokov was helemaal geen vijand van boeken, integendeel. In mijn hele leven heb ik nooit iemand sneller en grondiger boeken weten lezen dan hij. En ondertussen bleef hij vlijtig doorwerken aan zijn eigen oeuvre. Het enige boek dat hij ooit echt heeft willen verbranden, was een vroege versie van ‘Lolita’. Tot twee keer toe zelfs, nadat uitgevers halverwege de jaren vijftig het manuscript hadden afgewezen omdat ze bang waren dat ze samen met Vladimir Nabokov zouden eindigen in de cel. Mijn moeder heeft hem telkens weer kunnen overtuigen om het niet te doen. Lolita heette in die eerste versies niet Dolores Haze maar Juanita Dark. Had vader zijn zin doorgezet, was ze op de brandstapel geëindigd als een moderne Jeanne d’Arc. (lacht)”

Toen ‘Lolita’ in 1958 uiteindelijk verscheen, veroorzaakte de roman over de verschroeiende liefde van een veertigjarige man voor een vroegrijp meisje van twaalf een groot schandaal. Uw vader werd uitgemaakt voor pervert en pornograaf.

NABOKOV: Ik heb nooit iemand met hogere morele standaarden gekend dan mijn vader. Er lopen nog steeds idioten rond die zich niet kunnen voorstellen dat een creatieve kunstenaar zoiets als ‘zijn fantasie’ gebruikt. Als enige erfgenaam van Vladimir Nabokovs literaire nalatenschap krijg ik ook nu met de publicatie van ‘Laura’ de nodige bakken kritiek over me heen. Maar ik doe gewoon wat ik denk te moeten doen. De meninkjes van criticasters brengen me niet uit balans, net zomin als mijn vader verstoord werd door de negatieve recensies die hij indertijd heel af en toe las. Vladimir Nabokov een ‘pervert’? Laat me niet lachen. Ik herinner me hem vooral als een oneindig liefhebbende man die mij, zijn enige kind, met veel geduld eergevoel, moraliteit, kennis en humor bijgebracht heeft. Soms verzoop hij in het werk, maar als ik hem nodig had, maakte hij altijd tijd voor me vrij. Mijn moeder Véra werd verliefd op Vladimir toen ze hem in 1923 hoorde voorlezen op een poëziemeeting in Berlijn. Zij voelde meteen aan dat de jonge Vladimir Nabokov een unieke figuur was, met uitzonderlijke literaire kwaliteiten. Een schrijver met een grootse toekomst. Hij was 24, zij 21. Mijn moeder was zelf bijzonder getalenteerd – op haar tachtigste heeft ze nog zijn roman ‘Bleek vuur’ in het Russisch vertaald. Ze koos er van in het begin voor om haar leven volledig ten dienste van Nabokov te stellen. Die eerste jaren schreef hij en bracht zij geld in het laatje met secretariaats- en vertaalwerk. Zij was zijn muze, hulp en toeverlaat. Ze was ook zijn eerste lezer.

Een paar jaar geleden schreef Stacy Schiff een biografie over uw moeder. Ze won met ‘Véra’ in 2000 de Pulitzer Prize, maar u was niet echt gelukkig met het boek?

NABOKOV: Stacy Schiff was een vriendin van me. Ik had met haar afgesproken dat ik de tekst voor publicatie zou nalezen, maar haar uitgever was erg gehaast. Ze heeft zich dus niet aan onze afspraak kunnen houden waardoor er een aantal vervelende onnauwkeurigheden in geslopen zijn. Haar evaluatie van de relatie tussen mijn vader en moeder is vaak vlak, banaal en soms ook totaal verkeerd. Zo beweerde ze dat mijn vader nogal wat romances met studentes had als hij lezingen ging geven aan universiteiten. Ik heb daar naderhand tegen Stacy een harde opmerking over gemaakt waardoor onze vriendschap zwaar bekoeld is. Nu heb ik daar een beetje spijt van. Een van mijn ‘laatste wensen’ is dat ik met Schiff ooit terug on speaking terms kom.

De Duitse historicus Michael Maar ontdekte een paar jaar geleden het in 1916 gepubliceerde kortverhaal ‘Lolita’ van de Duitse auteur Heinz von Lichberg, over een oudere man die verliefd wordt op een meisje van twaalf. Uw vader leefde, net als Von Lichberg, in de jaren twintig en dertig in Berlijn. In 1955 schreef hij zijn roman ‘Lolita’. Heeft Vladimir Nabokov plagiaat gepleegd?

NABOKOV: Nonsens. Het is zo goed als onmogelijk dat mijn vader het zeer middelmatige verhaal van Von Lichberg onder ogen gekregen heeft, laat staan dat hij die Von Lichberg zelf ooit ontmoet zou hebben. Vladimir Nabokov leefde in een totaal andere wijk van de stad en bewoog zich in compleet andere kringen. Dit is puur toeval. De ‘Lolita’ van Nabokov heeft geen uitstaans met de ‘Lolita’ van die Von Lichberg. Net zomin als de gelijknamige film ‘Lolita’ van Stanley Kubrick iets te maken heeft met de roman van mijn vader. Het bekijken van die film gaf hem het gevoel dat hij als patiënt in een ziekenwagen lag zonder dat hij controle had over de voorbijrazende wereld. Hij was niet echt gelukkig met die verfilming, ondanks het feit dat hij zelf het oorspronkelijk scenario geschreven had. Dat scenario werd trouwens genomineerd voor een Oscar, maar in de uiteindelijke verfilming is er bitter weinig van overgebleven.

Russische Amerikaan

Uw vader is geboren in Rusland, maar kreeg later het Amerikaanse staatsburgerschap. Voelde hij zich een Russische of een Amerikaanse schrijver?

NABOKOV: Kent u de Russische schrijver Andrei Bitov? Hij is een leeftijdsgenoot van mij en wordt beschouwd als een van de ‘grote Russen’ van de tweede helft van de 20e eeuw. In 1997 hebben we allebei meegewerkt aan een televisiedocumentaire over mijn vader. Bitov zei toen over Vladimir Nabokov: “Nabokov was een Russische schrijver die de vlucht vooruit koos en de kosmos veroverde.” Mijn grootvader, die trouwens ook Vladimir heette, was minister van Justitie tijdens de bolsjewistische revolutie in 1917. Een paar jaar later moest hij met zijn gezin naar Engeland vluchten. In 1922 werd hij in Berlijn door een Russische monarchist vermoord. Grootvader Vladimir was een anglofiel. Hij bezat een gigantische bibliotheek vol Engelse literatuur. Mijn vader kreeg het Engels met de paplepel ingegoten. Zijn vroege werk schreef vader in het Russisch. Later schakelde hij over op Engels. Die overgang van rijk, overvloedig Russisch naar wat hij zelf ‘tweedehands Engels’ noemde, heeft hem die eerste jaren veel kopbrekens bezorgd.

Wat ikzelf het mooiste werk van Vladimir Nabokov vind? Het allerbeste wat hij ooit geschreven heeft, is het gedicht van de romanfiguur John Shade in ‘Bleek vuur’.

Klopt het dat uzelf ook een roman in de lade liggen hebt?

NABOKOV: Ja. Ik heb het boek een paar jaar geleden geschreven. Het is tot hiertoe niet gepubliceerd, omdat ik er niet helemaal tevreden over ben. U mag niet denken dat ik de confrontatie van mijn werk met dat van mijn vader niet aandurf. Misschien publiceer ik die roman ooit nog in een herziene vorm, al durf ik niet te voorspellen of het er ooit echt van zal komen. De tijd gaat te snel. Voorlopig heb ik mijn handen meer dan vol met het vertalen van een collectie van mijn vaders gedichten, het bundelen van de brieven van Vladimir aan Véra en het schrijven van mijn eigen autobiografie.

U publiceert ‘Het origineel van Laura’ tegen de wil van uw vader in. Zorgt dat toch niet voor een bezwaard gemoed?

NABOKOV: Helemaal niet. De heisa die er nu is rond de publicatie, is helemaal terecht. Hoe je het ook draait of keert, de uitgave van de allerlaatste, onafgewerkte roman van Vladimir Nabokov is wereldnieuws. Sommigen zullen ‘Het origineel van Laura’ prijzen en mij dankbaar zijn dat ik zo’n meesterwerk van de vernietiging gered heb. Anderen zullen ‘Laura’ vergelijken met al het andere werk van Vladimir Nabokov en het vanuit dat perspectief bekritiseren. Wat totaal verkeerd is. ‘Het origineel van Laura’ wordt heel bewust gepresenteerd als ‘een roman in fragmenten’. Natuurlijk zijn sommige thema’s niet uitgewerkt. Maar het manuscript geeft een ‘gedistilleerd’ zicht op het creatieve meesterschap van mijn vader en een fascinerende inkijk in het laboratorium van de grote Vladimir Nabokov.

Vladimir Nabokov

Vladimir Nabokov werd in 1899 geboren in Sint-Petersburg. De Nabokovs zaten er warmpjes in: ze bezaten twee huizen en reden door de straten van Sint-Petersburg in een Rolls Royce. Vladimir werd drietalig opgevoed: naast Russisch sprak hij vloeiend Engels en Duits. In 1916 debuteerde hij met een poëziebundel. Nabokovs vader werd minister van Justitie in de Russische overgangsregering na de val van de tsaar. In 1919 moest het gezin Nabokov noodgedwongen vluchten naar Engeland. Vladimir studeerde er Slavische Letterkunde in Cambridge. In 1922 werd zijn vader in Berlijn vermoord door een Russische monarchist. Een jaar later verhuisde Vladimir zelf naar Berlijn en trouwde er in 1925 met Véra Slomin, ook een Russische vluchtelinge. In 1934 werd hun enige zoon Dmitri geboren. Toen Hitler in 1937 de moordenaar van Vladimirs vader vrijliet, vertrokken de Nabokovs naar Parijs. Drie jaar later verhuisden ze naar de Verenigde Staten waar Vladimir vergelijkende literatuurwetenschap en Russische en Europese letterkunde doceerde. Daarnaast werkte hij als notoir vlinderkundige aan het Museum of Comparative Zoology in Harvard. In 1945 werd hij Amerikaans staatsburger. In 1958 publiceerde hij Lolita, zijn bekendste en meest controversiële werk over de alles verschroeiende liefde en begeerte van een oudere intellectueel voor een vroegrijp meisje van twaalf. Zijn laatste levensjaren bracht Vladimir Nabokov samen met zijn vrouw door in een hotel in Montreux.

Het origineel van Laura

In het postuum uitgegeven ‘Het origineel van Laura’ vertelt Vladimir Nabokov op 138 handgeschreven steekkaarten het verhaal van het huwelijk van de corpulente wetenschapper Philip Wild met de slanke, wispelturige en promiscue Flora. Flora is de dochter van een kunstenaarskoppel – haar vader was een fotograaf die zelfmoord pleegt; haar moeder is een danseres die ooit door een vorige minnaar opgevoerd werd in een schandaalroman met als titel: ‘Laura’. Als jong meisje gedraagt Flora zich als een kloon van Lolita, om later te trouwen met de oudere neuroloog Philip Ward.

‘Het origineel van Laura’ geeft een inkijk in de psyche van schrijver Vladimir Nabokov die zijn levenseinde ziet naderen. Centraal staan sterfelijkheid, zelfmoord, impotentie, walg voor het aftakelende oude mannenlichaam en begeerte naar het frisse, jonge meisjeslijf.  

 

Vladmir Nabokov. Het origineel van Laura. De Bezige Bij, Amsterdam, 168 blz. 18,90 euro.

©jan@janstevens.be

Modrikamen over Modrikamen

In vacature on november 20, 2009 at 10:18 am

De jonge Mischaël Modrikamen groeide op in een bloedrood nest in Charleroi. Niets wees erop dat hij ooit zou uitgroeien tot de held van de kleine Belgische belegger. Laat staan dat hij ooit de bezieler zou worden van de nieuwe rechtse volkspartij PP. “Zelfs mijn moeder is een PP-fan. Al denk ik niet dat het uit overtuiging is, maar omdat ik haar zoon ben.”

 

Mischaël Modrikamen (43) woont en werkt in een statig kasteeltje in Watermaal-Bosvoorde. Zijn domein wordt bewaakt door een grote, vriendelijke hond die elke bezoeker vrolijk kwispelend begroet. Voor de deur staan een paar stevige limousines. Het gaat de held van de kleine beleggers duidelijk voor de wind. Meester Modrikamen steekt niet onder stoelen of banken dat zijn advocatenkantoor floreert. “Op mijn 27e ben ik met dit kantoor van start gegaan. Ik heb keihard gewerkt omdat ik van niemand meer afhankelijk wou zijn. In de loop der jaren is mijn cliënteel flink aangegroeid. Als je als advocaat totale onafhankelijkheid nastreeft, is het belangrijk dat je voor veel mensen kunt werken. Toen ik in oktober bekendmaakte dat ik in de politiek zou stappen, hebben een paar cliënten daar opmerkingen over gemaakt. ‘De deur staat open’, heb ik hen geantwoord. Zo simpel is het. Die vrijheid wil ik blijven behouden.”

 

Immigrant van de derde generatie

Mischaël Modrikamen is het kleinkind van een Poolse immigrant. “Grootvader Jankel Modrikamen stierf toen ik twaalf was; ik heb hem dus goed gekend. Ik was zijn enige kleinzoon en hij hield veel van me. Hij kwam uit het Poolse stadje Lomza, vlakbij de Wit-Russische grens. Hij sprak verschillende talen. Hij was een dandy en een échte man van de wereld. Hij stamt uit een relatief welvarende Joodse familie. Zijn broers trokken allemaal naar het westen. In de jaren twintig bleef grootvader hier in Charleroi hangen. Hij werd verliefd op een Belgisch meisje. Ze raakte snel zwanger. Hij nam zijn verantwoordelijkheid, trouwde met haar en vond een job in de staalindustrie. De manier waarop mijn grootvader zich toen in de Belgische samenleving geïntegreerd heeft, is een schoolvoorbeeld van hoe nieuwkomers zich zouden moeten integreren. Hij kwam vanuit een compleet andere Pools-joodse wereld naar de Belgisch-christelijke samenleving. Toch paste hij zich helemaal aan. Jankel was er zeer fier op dat hij zich halverwege de jaren dertig had laten naturaliseren tot Belg.”

“Mijn grootvader langs moederszijde kwam uit Frankrijk. Ik ben dus eigenlijk een nakomeling van twee migranten. Ik ben van de ‘derde generatie’ en heb me altijd geïntegreerd gevoeld. Als immigrant moet je je aanpassen aan de regels van het land waar je terecht komt. Wie in België wil komen leven, moet Belg worden. Dat wil niet zeggen dat mensen in hun eigen huis hun religie niet mogen praktiseren of dat ze geen jood, moslim of wat dan ook zouden mogen zijn. Maar wel dat ze zich moeten aanpassen aan de heersende waarden en normen van hun nieuwe thuisland.”

 

Marcel Modrikamen, de vader van Mischaël, was een volbloed socialist. Hij werd PS-schepen en later burgemeester van Couillet, een randgemeente van Charleroi. Hij schopte het tot topman van de socialistische mutualiteit en werd voorzitter van het ziekenhuis Institut Gailly. “In de jaren zeventig was mijn geboortestad Charleroi nog een rijke stad”, zegt Mischaël Modrikamen. “Ook al was de crisis in de staalindustrie en in de koolmijnen toen al begonnen. Ik bewonderde mijn vader. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij actief in het verzet. Hij werd opgepakt door de Gestapo en zat maanden in de gevangenis. Hij heeft daar later nooit over gesproken. Hij heeft er ook nooit een medaille voor geclaimd. Hij was slim en werkte zichzelf op. Hij was een goeie manager die vond dat elke cent overheidsgeld goed gespendeerd moest worden. Hij zocht nooit de confrontatie, maar probeerde altijd te bemiddelen. Ik heb meer het temperament van mijn moeder: ik ben een vechter.”

Begin 1991 overleefde Marcel Modrikamen nipt een moordaanslag. “Het was verschrikkelijk”, zegt zoon Mischaël. “Hij had een fraudezaak ontdekt in de socialistische mutualiteit. Hij moest een aantal mensen aan de deur zetten en de boel opkuisen. Op 18 februari 1991 werd hij vanuit een voorbijrijdende wagen beschoten met een riotgun.” Marcel Modrikamen raakte zwaar gewond; de daders werden nooit gevonden. “We hadden aanwijzingen over wie de opdrachtgever was, maar het is nooit tot een confrontatie gekomen, laat staan dat er vervolgingen geweest zijn of veroordelingen. De laatste jaren van vaders leven vertroebelde zijn relatie met de socialisten. In zijn laatste levensjaar stemde hij op Ecolo. In 1995 is hij gestorven. Ik was erbij. Dat was ontzettend moeilijk, want we waren heel erg close.”

 

Advocatuur

Tot zijn veertiende droomde de jonge Mischaël Modrikamen van een avontuurlijk leven als piloot. “Tot het op een gegeven moment bijna vanzelfsprekend werd dat ik advocaat zou worden. Eigenlijk weet ik zelf niet goed waarom. Er zaten geen advocaten in de familie of in onze vriendenkring. Ik weet wel nog heel precies wanneer ik mijn socialistische denkbeelden definitief ingeruild heb voor liberale. Dat was na lectuur van het boek Le Spectateur Engagé van de Franse socioloog Raymond Aron. Aron was een verdediger van de vrijheid en kwam op tegen linkse totalitaire regimes. Hij ging lijnrecht in tegen figuren als Sartre die supporterden voor Stalin en de Rode Khmer. Vandaag zie ik dezelfde blindheid bij sommige progressieve mensen die sympathie opbrengen voor de fundamentalistische islam. Terwijl juist zij riskeren om als eersten tegen de muur gezet te worden als hun ‘vrienden’ aan de macht komen.”

 

In 1989, middenin het laatste jaar van zijn rechtenstudie, kreeg Mischaël Modrikamen het aanbod om als advocaat-stagiair voor het Amerikaanse advocatenkantoor Akin Gump Strauss Hauer & Feld te komen werken. “Het was een goed kantoor – een van de grootste in Amerika, met een filiaal in Brussel. De meeste Belgische advocatenkantoren waren in die tijd zeer ouderwets. In ‘89 hadden ze bij Akin Gump al intranet, iets waar andere kantoren nog van droomden. Er werkten advocaten uit Washington en Texas. Ze stuurden een man uit Texas, een echte volbloed Texaan, om het Brusselse filiaal te leiden. Een grandioze vergissing. De mensen uit Washington hadden meer voeling met de Europese culturele gevoeligheden dan de manager uit Texas. Dat zorgde voor heel wat spanningen. Ik kon er veel interessante zaken behartigen, maar toch voelde ik me er niet erg gelukkig.”

Na een jaar stapte Modrikamen als stagiair over naar Simont & Simont, toen een van de meest befaamde Brusselse kantoren. “Ik kwam er terecht in de middeleeuwen. We waren gehuisvest in een onoverzichtelijk herenhuis. Er waren twee liften: één voor het voetvolk en één met een sleutel, voorbehouden aan de vennoten. Ik deelde mijn kantoorbenodigdheden met drie andere collega’s, en kreeg een met plakband gerepareerde dictafoon van een van mijn voorgangers. Er waren twee telefoons voor vier mensen en we zaten op smurfblauwe Ikeastoeltjes. Maar we behandelden topzaken en ik werkte er samen met absolute topadvocaten.”

“Begin jaren negentig werkten bijna alle Belgische advocatenpraktijken nog middeleeuws, al spande Simont & Simont toch wel de kroon. Ondertussen zijn ze allemaal gemoderniseerd, want veel kantoren zijn gefusioneerd of overgenomen door grote buitenlandse spelers. Toen ik er werkte, fusioneerde Simont & Simont met het Nederlandse Stibbe. In 1993 ben ik er met slaande deuren vertrokken. Na mijn stage van drie jaar, volgde er een evaluatievergadering met twee vennoten. Met de ene vennoot had ik een uitstekende relatie, met de andere iets minder. Zij was een goeie advocate, maar ze beschikte over geen greintje emotionele intelligentie. Ongelooflijk. Ze zei dat ik mijn werk vrij goed deed, maar ze vond dat ik als stagiair teveel mijn mond roerde in de firma. Ik hoorde haar met stijgende verbazing aan. Na twee minuten stond ik op. Ik zei: ‘Als dat je appreciatie is, blijf ik geen dag langer in dit kantoor.’ En ik ben er weggegaan.”

“Ik kreeg bijna meteen een aanbod van Baker & McKenzie, één van de grootste advocatenkantoren ter wereld. Ze beloofden me dat ik snel zou kunnen doorgroeien tot vennoot. Een week voor ik er van start zou gaan, hoorde ik dat het feest niet doorging. ‘Sorry, maar iemand van Stibbe & Simont heeft ons voor jou gewaarschuwd.’ In het advocatenwereldje gaat het er soms keihard aan toe, inclusief messteken in de rug. Ik besloot toen om vrij en onafhankelijk te worden en nooit nog voor een baas te werken. Op mijn 27e ben ik met mijn eigen kantoor begonnen. Ik had geluk dat een kleine zakenbank mij volgde. Ze betaalde goed en bezorgde me massa’s werk. Ik kreeg heel wat interessante zaken te behandelen en leerde veel over moeilijke juridische financiële kwesties.”

 

In 1995 kreeg meester Modrikamen zijn eerste echt grote zaak te behandelen. “Ze leek sterk op wat er later bij Fortis gebeurd is. De toenmalige ASLK had voor bijna een miljard frank euro-obligaties van de Canadese verzekeringsgroep Confederation Life uitgeschreven. Het ASLK-cliënteel schreef er voor vijfhonderd miljoen frank op in. Anderhalf jaar later ging Confederation Life failliet en verloren honderden kleine beleggers hun spaarcenten. Ik heb toen als advocaat van de kleine beleggers de ASLK voor de rechter gesleept. De ASLK wist dat het om een zeer risicovolle belegging ging, maar heeft dat nooit gecommuniceerd. Ik won en de bank heeft de gedupeerden vergoed. Ik ben als advocaat op mijn best als ik de strijd kan aangaan met het establishment. Dat heb ik meteen aangevoeld in die eerste grote zaak. Daarna kwamen tientallen gelijkaardige zaken, met Fortis als voorlopig eindpunt.”

 

Politiek

Onlangs maakte Mischaël Modrikamen bekend dat hij bezig is met de oprichting van zijn eigen politieke partij, de Parti Populaire. “Het probleem van Wallonië is dat de regio in de shit zit en dat iedereen dat maar normaal lijkt te vinden. Veel regio’s die met dezelfde problemen te kampen hadden, beleven ondertussen een renaissance. Maar in Wallonië blijft alles bij het oude. In 1944 al schreef de Oostenrijkse filosoof en econoom Friedrich Hayek zijn boek The Road to Serfdom waarin hij beschreef waar socialisme toe leidt. Wallonië is daar een typevoorbeeld van. Hoge werkloosheidscijfers, immobilisme en afhankelijkheid van de staat zijn er algemeen aanvaard en worden als doodnormaal beschouwd. De socialistische partij moet aan de macht blijven om alle voordelen en instellingen in stand te kunnen houden. Mijn eigen moeder is jarenlang in het socialistische verhaal meegegaan. Nu ik mijn eigen partij heb opgericht, komt daar verandering in. Ze probeert nu al haar vrienden ervan te overtuigen om op de PP te stemmen. ‘Eindelijk komt er verandering.’ Ik denk dat haar enthousiasme vooral te maken heeft met het feit dat ze mijn moeder is, en minder met haar overtuiging (lacht).”

Wordt Mischaël Modrikamen de Jean-Marie Dedecker van Wallonië? “Nee. Na mijn toespraak op de tweede aandeelhoudersvergadering van Fortis in Flanders Expo kreeg ik al het verwijt dat ik een populist ben. De slogan van de PP zal zijn: ‘De mensen eerst’. Het wordt een partij van het volk en geen partij voor het establishment. Als populisme wil zeggen: ‘De mensen eerst’, ben ik een populist. Als populisme wil zeggen: ‘impele oplossingen voor moeilijke problemen’, pas ik. Want na twintig jaar in de advocatuur weet ik donders goed hoe complex het leven ineenzit.”

 

 

Toppers van Modrikamen

 

-Winston Churchill: “Er hangt een gigantisch portret van Churchill in de inkomsthal van mijn huis. Hij was een vechter, altijd klaar om op te komen voor zijn idealen. Hij was ook een man met gevoel voor humor, en net als ik hield hij van lekker eten en drinken.”

 

-Ronald Reagan: “Veel Europeanen zien hem als een cowboy. Ten onrechte. Vandaag is hij een van de meest bewonderde presidenten in de VS. Hij zorgde ervoor dat na de desastreuze jaren onder Jimmy Carter de Amerikanen terug vertrouwen en geloof in de toekomst kregen.”

 

In zijn boek ‘Modrikamen, recht door zee’ gaat Vacature-journalist Filip Michiels op zoek naar de mens achter advocaat Mischaël Modrikamen. Uitgegeven bij Nomonkeybooks. 112 blz, 18,95 euro

 

©jan@janstevens.be