Juli Zeh
Met elk boek dat ze schrijft, wint de jonge Duitse schrijfster Juli Zeh aan intellectueel belang in eigen land, en ver daarbuiten. In haar nieuwe roman Vrije val onderzoekt ze de grenzen van tijd en ruimte, en gaat ze op zoek naar de betekenis van goed en kwaad. “We hebben geen religies of ideologieën nodig om te beseffen dat we elkaar het hoofd niet mogen inslaan. Want het alternatief is een onleefbare jungle.”
“Ik snak naar een sigaret”, zegt Juli Zeh (°1974) nadat ik haar in het Berlijnse café BilderBuch de hand gedrukt heb. “Ik wil er buiten eentje gaan paffen. Je vindt dat toch niet erg? Of ben je lid van de gezondheidsmaffia?” Ik pleit onschuldig, en we zoeken een plaatsje op het drukke, zonovergoten terras. “Ik erger me dood aan de regel- en controledrift van steeds meer moraalridders”, verontschuldigt de schrijfster zich, terwijl ze een shagje rolt. “Het is toch godgeklaagd dat je nergens meer ongestraft een sigaret mag opsteken? De mensheid rookt al meer dan duizend jaar, en nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, is die uiting van cultuur plots een halsmisdaad geworden. Als ze me voor een talkshow op tv vragen, eis ik dat ik tijdens het gesprek ostentatief sigaretten mag zitten roken. Dat is mijn kleine protest tegen die vergaande vorm van politieke correctheid.”
Juli Zeh is, ondanks haar afkeer voor betuttelende verboden, zelf juriste, met een specialisatie in volkenrecht. Sinds haar debuut Adler und Engel in 2001 gaat haar literaire succes in Duitsland steil bergop. Haar fel bejubelde tweede roman Spieltrieb uit 2004 (de Nederlandse vertaling Speeldrift dateert van 2006) betekende meteen ook haar internationale doorbraak. Op de pas door het gezaghebbende tijdschrift Cicero gepubliceerde ranking van invloedrijkste Duitse vrouwelijke denkers van 2008, springt Zeh gezwind van de 59e naar de 29e plaats.
Kant
In haar ambitieuze nieuwe filosofische misdaadroman Vrije val onderzoekt Juli Zeh het wezen van ‘zijn & tijd’. Het boek speelt zich af in Freiburg, gezapig universiteitsstadje aan de voet van het Zwarte Woud. De jeugdvrienden Oskar en Sebastian hebben het tot briljante en beroemde fysici geschopt. Oskar is vrijgezel gebleven, en zoekt al heel zijn leven naar de Theory of Everything: hij wil de kwantummechanica met de algemene relativiteitstheorie verbinden, en zo twee visies op het universum herleiden tot één allesomvattende formule. Sebastian is getrouwd met Maike; samen hebben ze een zoontje, Liam. Oskar gruwt van Sebastians opvattingen over het bestaan van ontelbaar veel, gelijktijdige werelden. Sebastian is een aanhanger van de multiversumtheorie van Everett. Hij gelooft dat de tijd geen doorlopende lijn is, maar een gigantische stapel parallelle universums, met als consequentie dat we in de ene wereld een crimineel kunnen zijn, en in de andere Moeder Theresa.
Op een zondag wordt Liam ontvoerd. De kidnappers eisen van Sebastian een moord: “Dobbelting moet weg.” Dobbelting is anesthesist in het universiteitsziekenhuis, en een vriend van Sebastians vrouw Maike, met wie zij wel zeer vaak gaat fietsen. Sebastian doet wat hem gevraagd wordt en ruimt Dobbelting uit de weg, maar Liam wordt niet vrijgelaten. Ten einde raad gaat Sebastian naar de politie. Hij geeft de ontvoering aan, maar verzwijgt de moord. Riet, een onorthodox werkende politiecommissaris met een zwak voor de filosoof Kant, wordt belast met de moord en de ontvoering. Riet heeft een hersentumor; hij heeft nog maar een paar weken te leven. Alvorens het licht definitief uitgaat, is hij vastbesloten om de twee zaken tot een goed einde te brengen.
“Mensen zijn zo geprogrammeerd dat ze altijd hun zaken willen afhandelen”, zegt Juli Zeh. “Waarschijnlijk is dat onze enige manier om te kunnen overleven in een wereld die totaal onverschillig tegenover ons staat. De ene dag dwaal je door de straten van Berlijn, de volgende dag ben je verdwenen… wie maalt er om? Voor wie niet in god gelooft, is het leven zinloos. Als verzet tegen die zinloosheid proberen we de dingen compleet te maken. Als schrijver doe ik dat de hele tijd. Ik vertel verhalen die ik op de een of andere manier moet afmaken. Tijdens het schrijven van een roman worden de karakters die ik verzonnen heb voor mij levensecht. Op het einde van een boek moet ik hen noodgedwongen telkens weer vermoorden. Als ik terminaal ziek zou zijn, zou mijn enige doel nog zijn om een laatste boek af te werken voor ik voorgoed mijn ogen sluit.”
Waarom hebt u Vrije val in Freiburg gesitueerd? Omdat het de stad is waar Martin Heidegger leefde en werkte?
Juli Zeh: “Toch niet. Voor het verhaal had ik nood aan een stad vlakbij gebergte, en aan de traditie om te gaan fietsen. Iedereen in Freiburg brengt zijn vrije tijd op een blitse fiets door. En ik had een universiteit nodig met een instituut gespecialiseerd in fysica. Maar de belangrijkste reden om Freiburg te kiezen, is dat ik de draak wou steken met het politiek correcte karakter van de stad. Freiburg staat symbool voor ‘een wereld zonder problemen’, een idyllisch oord waar de inwoners zogezegd een zorgeloos bestaan leiden. Het is een stad die ecologie hoog in het vaandel voert, en die graag uitpakt met de fabel dat er alleen ‘goede mensen’ leven. Maar de inwoners van Freiburg zijn hypocrieten. Ze beschouwen zichzelf als gelukkig en goed, en wie dat spel weigert mee te spelen, wordt verstoten. Ik vond die mentaliteit de perfecte achtergrond voor mijn kleine familie. In het begin zijn ze allemaal slank, lang, blond en intelligent en op het einde zijn ze wrakken.”
U hebt de stad dus niet gekozen om filosofische redenen?
“Nee. Dan had ik Königsberg, de stad van Immanuël Kant, genomen. Commissaris Riet deelt de ideeën van Kant. Hij ziet de realiteit niet als een objectieve waarheid, maar hij gelooft dat de redeneringen die achter de waarneming zitten, een subjectieve realiteit creëren. Dat was een van de uitgangspunten van Kant. Alle hedendaagse kwantumfysici werken op een of andere manier rond die stelling. Ik ben geen expert in de kwantumfysica, en ik heb hard moeten zwoegen om er de basis van te snappen, maar ik vond het heel frappant om te ontdekken dat moderne wetenschappers tot vaststellingen komen waar een filosoof driehonderd jaar geleden al een theorie over ontwikkeld heeft. Toen ik Kant voor het eerst las, had ik het gevoel dat die kerel woorden gevonden had om dingen te beschrijven die ik altijd al gedacht of gevoeld had, maar die ik zelf niet kon beschrijven. De geschriften van Kant waren een echte aha-erlebnis.”
Oskar vs. Sebastian
Uw hoofdpersonages Sebastian en Oskar gedragen zich in hun studententijd als dandy’s en superieure snobs. Ze lopen op de faculteit natuurkunde rond in jacquet, gestreepte pantalon en zilveren stropdas. U bent een liefhebber van de geschriften van Oscar Wilde?
“Net als Wilde hou ik van karakters die neigen naar het extreme, die kicken op het overschrijden van grenzen. Voor mij is schrijven altijd een exploratie van het extreme. Als auteur kan ik heel ver gaan in het fantaseren over buitensporig gedrag, zonder dat ik me in de werkelijkheid daar zelf aan hoef te bezondigen. Mijn personages zijn broertjes en zusjes van mezelf, maar dan in overdrive. Ik vind het fantastisch om hen als goden of duivels te laten handelen. Ik hou van Oscar Wilde. Mijn hoofdfiguur Oskar heet niet voor niets Oskar. En er hangt niet voor niets homo-erotische spanning tussen Oskar en Sebastian.”
Als natuurkundigen hebben Oskar en Sebastian tegengestelde visies op hoe de wereld ineen zit. Sebastian is een aanhanger van de multiversumtheorie, Oskar is op zoek naar de ultieme formule die de kwantummechanica verbindt met de relativiteitstheorie. Voor wie gaat uw sympathie uit?
“Voor geen van beiden. Ik voel me het meest verbonden met commissaris Riet. Sebastian en Oskar verdedigen extreme theorieën waar ik me helemaal niet in kan vinden. Ik vind de multiversumtheorie interessant, maar niet relevant. En de ideeën van Oskar gaan mijn petje te boven. Ik heb echt geprobeerd om ze te begrijpen, maar eerlijk gezegd krijg ik kop noch staart aan wat de natuurkundigen voor wie Oskar model staat, proberen te bewijzen. Ik kan onmogelijk sympathie voelen voor theorieën waar ik niets van snap. Ik heb het geprobeerd, maar ik vrees dat je er eerst een jaar of twintig voor moet studeren.”
“Experimenten van kwantumfysici leveren resultaten op die niet stroken met onze gangbare natuurkundige opvattingen. Dus vormt de kwantummechanica een dankbare voedingsbodem voor maffe theorieën van new agers. Het bizarre is dat ook sommige natuurkundigen – wetenschappers! - esoterische theorieën ontwikkelen om experimenten uit de kwantumfysica te verklaren. De in de jaren vijftig van de twintigste eeuw door fysicus Hugh Everett ontwikkelde multiversumtheorie is daar een mooi voorbeeld van. Anno 2008 heeft Everett nog heel wat fans. Ik ben meermaals van mijn stoel gevallen tijdens het lezen van interviews met natuurkundigen die na decennia van zware academische studies knotsgekke theorieën zoals die van de vele werelden blijven verdedigen. Ik durf niet zomaar te stellen dat het allemaal flauwekul is, want op dit moment staan de natuurwetenschappen echt wel op een keerpunt. Je kunt deze tijd gerust vergelijken met de periode waarin Copernicus kwam aandraven met zijn stelling dat de aarde rond is. De aanhangers van zijn theorie werden met de vinger gewezen en vervolgd. Misschien zal ooit blijken dat de multiversumtheorie niet zo geschift is, al heb ik mijn twijfels.”
Sebastian is licht, blond, heeft blauwe ogen. Oskar is een donkere figuur– ergens in het boek wordt hij Mefisto genoemd. Ze vertegenwoordigen de strijd tussen goed en kwaad?
“Ja. Doordat we allen sterfelijk zijn, is moraliteit erg belangrijk. Als we het eeuwigdurend leven zouden hebben, speelden vragen over goed of kwaad geen enkele rol. Moraal is alleen overbodig voor wie altijd opnieuw van nul kan herbeginnen. Sebastian probeert met behulp van zijn multiversumtheorie te ontsnappen aan zijn morele plicht. Want als het klopt dat er vele parallelle werelden zijn, beschik je als mens over oneindige mogelijkheden en zit je niet langer gevangen in de grenzen van het reële leven. Ons leven wordt langs alle kanten ingeperkt door grenzen, en Sebastian probeert ze te overschrijden. Op het einde vecht hij niet alleen meer tegen het idee dat er maar één wereld is, maar levert hij strijd tegen zijn eigen sterfelijkheid. Hij wil niet dood. Hij wil zichzelf oneindig herhalen.”
Hij wil Dorian Gray worden.
“Precies. Op het einde van mijn boek moeten alle personages onder ogen zien dat ze over het oneindige leven kunnen dromen en fantaseren, maar dat al die theorieën hen in het echte leven geen centimeter vooruit helpen. Elke mens moet leren omgaan met zijn fysieke begrenzingen. Voorlopig is nog niemand erin geslaagd om die te doorbreken.”
Moorden uit liefde
Na de kidnapping van zijn zoon voert Sebastian zonder blikken of blozen het bevel uit om Dobbelting uit de weg te ruimen. Stapt een verstandig mens niet gewoon naar de politie?
“Zou jij dat doen als je kind in handen van ontvoerders is? Ik ben er niet zo zeker van of ik naar de politie zou stappen.”
U had hetzelfde gedaan als Sebastian?
“Zonder twijfel. Iedereen zou dat doen. Waar komen de oorlogen in onze wereld anders vandaan? Mensen zijn bereid om te doden voor de dingen waar ze van houden. Ik heb in Bosnië rondgereisd en heb er met mensen gesproken die rechtstreeks betrokken waren in de oorlog. Als ik hen vroeg: ‘Waarom?’, antwoordden ze: ‘We verdedigden onze families.’”
Oorlogen en moorden zijn een gevolg van liefde?
“Misschien wel, al gaat het vaak om een vorm van misleide liefde. Wij zijn ervan overtuigd dat liefde voor een kind altijd goed is. In vroeger tijden dachten mensen dat liefde voor het vaderland oké was. ‘Je moet van je land houden zoals je van je kind houdt.’ Als je daarmee opgevoed bent, trek je al zingend naar het slagveld om je land te gaan verdedigen.”
“Ik heb een tijdje als jonge advocate in een gevangenis vol moordenaars gewerkt. In het Duitse systeem worden alle gearresteerde moordenaars door psychologen en psychiaters behandeld. Onze samenleving stelt: ‘Wie doodt, is ziek.’ Tijdens gesprekken met moordenaars had ik vaak het gevoel dat ik tegen hun psychiaters zat te kletsen. Als ik ze naar hun misdaden vroeg, antwoordden ze met zinnen en fraseringen die hun zielenknijpers hen voorgekauwd hadden. Ik heb toen vooral geleerd dat een mens doden een fluitje van een cent is. En je hebt heel wat psychologische onzin nodig om dat keiharde, naakte feit te verbloemen en verdoezelen. De psychologie gaf hen alibi’s, terwijl ze in feite moordden omdat het zo makkelijk was. Ze zaten in een lastig parket, en een moord leek de simpelste oplossing.”
“Over de manier waarop Sebastian zijn moord pleegt, heb ik lang en diep nagedacht. Ik stelde mezelf de vraag: ‘Hoe zou ik het doen?’ Als je geen professionele moordenaar bent, is het belangrijk dat je geen lichamelijk contact hebt met je slachtoffer. Tijdens de moord ziet Sebastian Dobbelting niet, hij hoort hem alleen. Vlak na de moord durft hij niet naar het lijk te gaan kijken. Dat is zijn grootste vergissing: als je als moordenaar jezelf niet met je daad confronteert, moet je de rest van je leven vechten met de vraag: ‘Was het echt of niet? Is mijn slachtoffer dood of levend?’ En dan riskeer je om krankzinnig te worden.”
“Ik praat nu wel heel losjes over moorden, maar begrijp me niet verkeerd: het is goed dat we ons best doen om onze medemensen niet om zeep te helpen. Daarom ook hebben we moraliteit nodig. We hebben geen religie of gecompliceerde theorieën nodig om te verklaren waar moraliteit vandaan komt. Moraliteit is een vorm van pragmatisme. Zonder moraliteit leven we in een jungle. Om het samenleven zo aangenaam mogelijk te maken, hebben we afgesproken dat we geen klappen uitdelen aan elkaar. Dat pragmatisme dateert al van heel lang geleden – van toen we uit onze bomen kropen en rechtop begonnen lopen. Religies en ideologieën misbruikten moraliteit om macht uit te oefenen. Nu de grote theorieën in het Westen op apegapen liggen, is moraliteit herleid tot zijn ware proporties. Het is juist dat we met die ‘naakte’ moraliteit nog niet voldoende ervaring opgedaan hebben, en dat we niet goed weten hoe ze precies werkt. Maar ik put hoop uit het feit dat we hier in Berlijn na de val van de Muur ons niet plots als wolven voor elkaar zijn beginnen gedragen.”
© jan@janstevens.be
De man die de wereld wou redden
Harvard-professor Samantha Power schreef de biografie van de Braziliaanse VN-gezant Sergio Vieira de Mello, die in 2003 in Bagdad omkwam bij een bomaanslag. “Zonder die aanslag was Sergio nu misschien secretaris-generaal.” Power zelf wordt getipt als de volgende minister van Buitenlandse Zaken onder Barack Obama. Zelf houdt ze de boot af: “Een onervaren meid zoals ik zou slecht zijn voor de wereldvrede.”
Dinsdag, 19 augustus 2003, vijf uur in de namiddag. De Braziliaan Sergio Vieira de Mello, de speciale gezant voor Irak van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, ontvangt in het VN-hoofdkwartier in Bagdad twee Amerikanen die onderzoek doen naar de humanitaire kosten van de oorlog. Samen met twee leden van Vieira de Mello’s eigen team - zijn stafchef en zijn medewerkster politieke zaken – installeren ze zich voor de laatste vergadering van de dag. Vlak nadat iedereen is gaan zitten, weerklinkt er een oorverdovende explosie. Een ooggetuige verklaarde later dat het leek “alsof een miljoen camera’s tegelijkertijd flitsten”. De ruiten vliegen aan gruzelementen en glasscherven vliegen door de kamer. Het plafond, de muren en de vloer storten in. Die 19e augustus komt VN-gezant Sergio Vieira de Mello samen met 22 medewerkers om bij de eerste grote zelfmoordaanslag in Bagdad na de Amerikaanse invasie.
Een zomerse avond in 1994 in Zagreb, de hoofdstad van Kroatië. De jonge Amerikaanse verslaggeefster Samantha Power (°1970) ontmoet voor het eerst de VN-functionaris Sergio Vieira de Mello. “Ik was nog maar pas gearriveerd in het voormalige Joegoslavië, en vrienden hadden me aangeraden om contact te zoeken met Vieira de Mello: hij stond bekend als de meest dynamische en politiek gewiekste VN’er in de regio.” Tijdens hun etentje in een visrestaurant aan de rand van de stad, raakt Power danig onder de indruk van het politieke inzicht van de Braziliaan. “Ik vroeg hem hoe hij ooit bij de VN verzeild geraakt was. Hij vertelde dat hij een kind van 1968 was, en dat hij tijdens zijn studies filosofie aan de Parijse Sorbonne samen met zijn medestudenten in opstand gekomen was. In zijn beginjaren was hij in de ban van het marxisme. Zijn linkse idealen zijn in de loop der tijden afgezwakt, maar zijn maatschappelijke bewogenheid is hij nooit verloren. Pas na zijn dood besefte ik hoe hard we hem nodig hadden. Toen wist ik: ‘Sergio was de go-to guy.’ En nu kunnen we niet meer naar hem toe. Ik wou de lessen van zijn leven niet bij hem onder het puin laten, en besloot daarom om zijn verhaal te schrijven.”
Power bevroor al haar lopende schrijfprojecten, en begon aan De man die de wereld wilde redden, de vuistdikke biografie van Vieira de Mello. Samantha Power zelf is niet de eerste de beste. Ze werkte als oorlogscorrespondente in onder andere Rwanda, Cambodja en Kosovo, leidt het Carr Center for Human Rights Policy aan de universiteit van Harvard, en won met haar vorige boek Een probleem uit de hel in 2003 de prestigieuze Pulitzer Prize. Tot begin maart van dit jaar was ze de belangrijkste adviseur buitenlandse politiek van Barack Obama. Die zesde maart zei ze off the record aan een journalist van The Scotsman: “Hillary Clinton is een monster. Om te winnen is ze tot alles in staat.” De krant publiceerde haar uitspraak, Power kwam in het oog van een mediastorm terecht en nam onmiddellijk ontslag.
Nu, na de nominatie van Obama lijkt het ergste leed geleden. Samantha Power: “Eindelijk kunnen we ons volop focussen op de presidentsverkiezingen in november. Obama zal winnen. Het wordt lastig, want hij moet de hearts and minds van de Clintonsupporters terugwinnen, maar zijn organisatie is buitengewoon, en er zijn veel staten waar hij meer dan ooit kans maakt omdat de Afro-Amerikanen en de jonge mensen voor hem zullen stemmen. Hij heeft zelfs aanhang in meer vooruitstrevende republikeinse kringen die de blunders van de huidige regering zat zijn.”
Uw naam wordt genoemd als de volgende minister van Buitenlandse Zaken onder president Obama.
SAMANTHA POWER: Toch liever niet. Een onervaren meid zoals ik zou slecht zijn voor de wereldvrede. Want de Bush-jaren hebben ons alleszins een ding geleerd: dat een gebrek aan ervaring tot grote rampen leidt.
De voormalige minister van Defensie Donald Rumsfeld was een man met veel ervaring, net als de huidige vice-president Cheney.
POWER: Oké, ervaring is één ding, je moet natuurlijk ook nog over de juiste capaciteiten beschikken. Barack Obama heeft dan misschien geen ervaring opgedaan in Washington, hij heeft wel jarenlang als advocaat gewerkt, heeft ontzettend veel levenswijsheid en ijvert er oprecht voor om de dingen ten goede te veranderen.
Volgens u huist in Obama dezelfde ‘geest’ als in Sergio Vieira de Mello?
POWER: Van alle politici die ik ken, lijkt Obama qua gedrevenheid en compassie het sterkst op Sergio. Wat Sergio zo speciaal maakte, was dat hij zijn hele leven gezocht heeft naar ‘de waarheid’, naar een doctrine, naar leidraden. Als jonge man koos hij ervoor om filosofie te gaan studeren omdat die queeste naar waarheid gewoon bij hem ingebakken zat. Ik vind het zo jammer dat hij na alle gruwel die hij gezien heeft, na alle gebroken plaatsen waar hij geweest is, nooit de kans gekregen heeft om zijn visie, zijn filosofie uiteen te zetten over hoe we de wereldproblemen moeten aanpakken. Hij heeft dat met stukjes en beetjes gedaan, maar er is geen doorwrochte ‘leer’ overgebleven. Met mijn boek probeer ik dat hiaat een beetje op te vullen.
De man die de wereld wilde redden is naast het levensverhaal van Sergio Vieira de Mello ook het verhaal van de veranderende rol van de Verenigde Naties in de laatste decennia.
POWER: Het is het verhaal van de VN-blauwhelmen die als buffer tussen twee partijen gezet werden, tot de VN-blauwhelmen die vermengd raken met de bevolking, ja. Maar meer nog dan een geschiedenis van de VN, vertelt dit boek de geschiedenis van de meest gevaarlijke plaatsen van de laatste 35 jaar. Ik probeer te beschrijven hoe regeringen, de VN, NGO’s en wij daarop geantwoord hebben. De Verenigde Naties zijn belangrijk, maar ze zijn en blijven één actor tussen vele andere.
Als Vieira de Mello als speciale gezant van UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN, naar Cambodja reist, gaat hij met de killers van de Rode Khmer praten. Als hij naar Joegoslavië gaat, koopt hij cadeautjes voor Milosevic of praat hij met figuren als Mladic en Karadzic – die gesprekken leverden hem de bijnaam ‘Serbio’ op. In Rwanda praat hij met de génocidaires. Telkens weer ‘konkelfoest’ hij met oorlogsmisdadigers. Waarom?
POWER: Hij werkte in gebieden waar hij niet moest rekenen op de steun van machtige regeringen. Hij stond er bijna altijd alleen voor. In veel gevallen probeerde hij het lijden in de vluchtelingenkampen te milderen. Op een bepaald moment besloot Sergio dat het roekeloos zou zijn om niet met de Rode Khmer te praten als er maar een schijn van kans was om iets uit de onderhandelingen te sleuren dat de vluchtelingen kon helpen. Het isolement waarin de Rode Khmer zich bevonden, maakte het bijzonder lastig om afspraken te maken over het repatriëren van vluchtelingen. Sergio speculeerde erop dat praten een mogelijkheid op samenwerking kon opleveren. Hij kreeg daarvoor ontzettend veel kritiek van zijn oversten en collega’s. En hij ging soms ook best ver: in juli 1992 schreef hij een interne memo waarin hij het UNHCR-personeel opdroeg af te zien van kritiek in de pers op de Rode Khmer. Zijn redenering was: “Wat bereiken we door de Rode Khmer publiekelijk te bekritiseren? Voor hen worden we dan gewoon een van de talloze vijanden.”
Ging hij door met hen te praten niet lijnrecht in tegen de VN-doctrine?
POWER: Vieira de Mello was slim genoeg om de regels niet te overtreden. Want als hij tegen de VN-doctrine in zou handelen, riskeerde hij vrijwel zeker teruggeroepen te worden. Hij brak geen regels, maar ‘gebruikte’ ze, en zocht voortdurend naar achterpoortjes. Hij vond het zijn taak om vluchtelingen terug naar huis te brengen, ook al lag ‘thuis’ in Khmergebied. Een aantal van de vluchtelingen leefde in kampen gecontroleerd door de Rode Khmer, als hij die mensen naar huis wou brengen, moest hij wel praten met degenen die dat konden laten gebeuren. Hij praatte met koelbloedige moordenaars zoals Ieng Sary, tweede in rang na Pol Pot. Sergio was onder de indruk van die ontmoeting. Hij kon in de verfijnde figuur waarmee hij had zitten lunchen, maar moeilijk een koelbloedige massamoordenaar zien. Elke keer wanneer Sergio Rode Khmerfunctionarissen sprak, vermeed hij te praten over hun misdaden. Hij gedroeg zich tijdens die missies als een volbloed Machiavelli, hij vond dat het doel de middelen heiligde, en hij had daar succes mee. Hij slaagde er uiteindelijk in om meer dan 6000 vluchtelingen terug naar huis te brengen.
In Cambodja was hij echt geïntrigeerd door de misdadigers van de Rode Khmer: hij wou ze recht in hun ogen kijken, maar later slaat die fascinatie om in walg. Tot aan zijn missies in Srebrenica en Rwanda heeft hij teveel vertrouwen in moordende machthebbers, en is hij te onderdanig, zelfs tegen het kruiperige af. De massamoord in Srebrenica en de genocide in Rwanda shockeren hem zo erg, dat hij zijn onderhandelingstactiek aanpast. “Als ik een kamer binnenstap om met misdadigers te onderhandelen, laat ik mijn principes niet langer in de gang achter”, besluit hij. “Voortaan neem ik ze mee naar binnen, en pak die schoften harder aan.”
Gebruik van geweld was voor hem geen taboe?
POWER: Hij was zeker geen pacifist, al stond hij in het begin van zijn carrière wel erg sceptisch tegenover het gebruik van geweld. Maar door zijn ervaringen in Libanon en Bosnië raakte hij er meer en meer van overtuigd dat geweld soms gerechtvaardigd was om de levens van mensen te beschermen. Je kunt mensen niet in bescherming nemen door alleen maar het charter van de VN aan agressors te tonen. De laffe houding van de Belgische blauwhelmen in Rwanda deed Sergio beseffen dat de VN soms meer kwaad dan goed doet. Als een VN-interventieleger het niet aankan om een land te stabiliseren, heeft de VN er als peacekeeper niets te zoeken. Als generaal Delaire in Rwanda van in het begin op zijn strepen gestaan had, had hij misschien 5000 manschappen gekregen in plaats van de armzalige 2500. Als je met te weinig manschappen, een slap mandaat en een gammele bewapening naar zo’n gebied moet trekken, bewijs je niemand een dienst: je eigen mensen niet wiens leven je in gevaar brengt, en dat van de bevolking niet, want je hebt de middelen niet om hen te beschermen. Als je die inspanningen er niet voor over hebt, kun je maar beter eerlijk zijn en de burgers zeggen dat de wereld geen zier om hen geeft.
Er zijn maar weinig peacekeeping operaties van de VN die echt geslaagd te noemen zijn.
POWER: Dat is waar. Maar het is sowieso erg moeilijk om succes te meten in dit soort van plaatsen die zo fucked up zijn. Het is ongelooflijk naïef om ervan uit te gaan dat een groep vreemden zo’n land kan binnenwandelen en de ellende in een jaar of twee kan oplossen. We kennen allemaal de mislukkingen, maar niemand weet hoe die plaatsen er zouden uitzien als er geen vredesmacht geweest zou zijn. Hoeveel erger de toestand er zou zijn – of misschien juist beter. We kunnen het gewoon niet weten. We weten niet hoe Zuid-Libanon er nu zou uitzien als Unifil er nooit was geweest.
Vlak voor Vieila de Mello door de VN naar Irak gestuurd werd, ontmoette hij George Bush.
POWER: Ja, en hij charmeerde hem.
Wie charmeerde wie?
POWER: (lacht) Da’s een goeie vraag. Eerlijk gezegd denk ik dat Sergio president Bush charmeerde. Al was hij zeker verrast door de warmte die Bush uitstraalde. Na de invasie in Irak wou Sergio als VN-gezant naar Bagdad. Bush moest daarvoor zijn toestemming geven. De president hield niet van de softe VN-aanpak, maar Sergio gedroeg zich heel macho; hij praatte over wapens en over het doden van mensen… Bush reageerde met: “Wow, een VN-gezant met een shoot-to-kill attitude!” Dat klonk als muziek in zijn oren. Hij dacht: “Met deze kerel kan ik zaken doen.” Door die ontmoeting met Bush verzekerde Sergio zich van zijn aanstelling in Irak. En ze deden zaken in die zin dat Sergio dagelijks met Paul Bremer in Irak praatte, en hem probeerde af te brengen van zijn plannen om de staat te de-baathificeren en het Iraakse leger te demobiliseren. Hij probeerde de Amerikanen er ook van te overtuigen om snel de macht aan de Irakezen over te dragen. Maar zijn mening interesseerde Bremer en zijn vrienden niet. Tijdens de invasie had de VS geen enkel plan voor wat er na de afzetting van Saddam moest gebeuren. En de bezetters hadden ook geen enkel plan om mensen te redden die onder het puin van een opgeblazen gebouw terechtkwamen. Het is ongelooflijk, weet je. Ze hadden echt geen enkel plan om te reageren op een terroristische aanval – hun zogezegde reden waarom ze die oorlog in eerste instantie begonnen waren.
Had Vieira de Mello van onder het puin van het VN-gebouw gered kunnen worden als er wel een fatsoenlijk reddingsteam geweest was?
POWER: Daar ben ik zeker van. Natuurlijk zou hij er zwaar gewond uitgeraakt zijn, maar na de explosie heeft hij nog urenlang geleefd. Zijn vriendin heeft zijn doodstrijd van zeer nabij moeten meemaken, ze heeft hem met haar blote handen uit het puin proberen graven. Ik heb lang met haar gepraat – ze lijdt nog steeds heel erg. Zij overleefde de bom, en na de aanslag liet de VN haar links liggen en deed alsof ze niet bestond. Akkoord, technisch gesproken was ze niet met Sergio getrouwd. Maar zijn echtscheiding zou twee weken later uitgesproken worden. Waanzin.
Was het Vieira de Mello’s ultieme droom en doel om secretaris-generaal van de VN te worden?
POWER: Ik denk het wel. Toen hij stierf was hij nog slecht één promotie verwijderd van het ambt van secretaris-generaal. Zijn dood is een groot verlies. Elke keer als er ergens een crisis uitbreekt, denk ik: “Wat zou Sergio gedaan hebben?”
Laffe Belgen
In haar boek beschrijft Samantha Power een bezoek van Sergio Vieila de Mello aan de Don Boscoschool in Kigali waar Belgische blauwhelmen in 1994 tweeduizend Tutsi’s overlieten aan de génocidaires. “Sergio had zich tot dan suf gepiekerd over het verraad van de Nederlandse VN-blauwhelmen in Srebrenica, maar vanaf dat bezoek aan de Don Boscoschool verwees hij naar de Rwandese slachtpartij als de grootste daad van verraad die de VN op zijn geweten had.”
Samantha Power: “In 1996 bezocht Sergio samen met zijn vriend en VN-functionaris in Rwanda Omar Bakhet de Ecole Technique Officielle Don Bosco in Kigali. In 1994 hadden de Belgische blauwhelmen daar een basis. Er hadden zo’n tweeduizend wanhopige Rwandese Tutsi’s gezeten, tot de Belgische VN-bevelhebber op 11 april 1994 opdracht kreeg zijn troepen terug te trekken. De school was omsingeld door génocidaires. Ze dronken bananenbier, zwaaiden met hun machetes en scandeerden: ‘Hutu’s aan de macht!’ De Tutsi’s smeekten de Belgische soldaten om de school niet te verlaten. Maar de Belgen joegen de hulpeloze Rwandezen weg en vuurden zelfs boven hun hoofden, zodat ze hun voertuigen niet zouden tegenhouden. Van zodra de Belgische blauwhelmen hun hielen hadden gelicht, gingen de gewapende milities, de interhahamwe, naar binnen en slachtten alle Rwandezen af die zo vermetel geweest waren om bescherming te zoeken onder de vlag van de VN. De laffe houding van de Belgen maakte Sergio erg woest. ‘Shit’, moet hij geroepen hebben, ’soms doet de VN meer kwaad dan goed.’”
© jan@janstevens.be
Lorenzo
Anno 2008 is Lorenzo de’ Medici alive and kicking, en wel in Barcelona. Hij is een van de laatste nazaten van de beroemde en beruchte Italiaanse renaissancefamilie, en hij stelde zijn familiegeschiedenis te boek. “Als eerbetoon, maar ook als afrekening met die ellendige naam die mijn jeugd meermaals verziekt heeft.”
“Ik heb mijn naam en afkomst vaak vervloekt”, zegt Lorenzo de’ Medici, prinsenkind, rentenier, gegeerde single in adellijke kringen, inwoner van Barcelona en schrijver van historische thrillers. “Op school voerden mijn klasgenootjes de spot met me. Ze noemden me ‘Lorenzo il Magnifico’, naar mijn beroemde voorouder. Als ik me als jongeman moest voorstellen, werd ik bijna altijd de pieren uit mijn neus gevraagd over mijn relatie met de oude Lorenzo de’ Medici. Sommigen benaderden me dan weer vol schroom, alsof ik een lid van de koninklijke familie was. Ik vond het allesbehalve leuk om voortdurend in de aandacht te staan. Ik schaamde me zelfs over mijn naam. Op een dag was ik het zo moe, dat ik besloot om mijn moeders achternaam, Carrega di Lucedio, te gebruiken.”
Ondanks de vervelende bijwerkingen van zijn wereldberoemde naam, schreef Lorenzo toch een boek over de geschiedenis van de De’ Medici’s. “Ik heb de boot lang afgehouden. Een echte De’ Medici voert discretie hoog in het vaandel en vermijdt publieke belangstelling. Onder druk van vrienden en van mijn uitgever is dit boek er uiteindelijk toch gekomen. Ze zeiden: ‘Lorenzo, er circuleert heel wat verkeerde informatie over je familie. Historici beweren zelfs dat de De’ Medici’s uitgestorven zijn. Het wordt hoog tijd dat je de fabels de wereld uit helpt.’ Ze hebben gelijk. De meeste geschiedschrijvers situeren het einde van de familie De’ Medici in 1743, met de dood van Anna Maria Luisa de’ Medici. Ze vergissen zich. Anna Maria Luisa’s overlijden markeerde het einde van onze politieke macht, maar de familie is tot op de dag van vandaag blijven voortbestaan. Om alle misverstanden eens en voorgoed de wereld uit te helpen, heb ik na veel wikken en wegen besloten om die kroniek toch maar te schrijven.”
Renaissancestichters
De familie De’ Medici stond in Italië in het begin van de 15e eeuw aan de wieg van de renaissance, de periode waarin de kunsten en letteren na de donkere middeleeuwen floreerden. “De ‘donkere middeleeuwen’ is een understatement van formaat”, zegt Lorenzo de’ Medici. “Eeuwenlang zat Europa in de diepste duisternis. De Grieks-Romeinse beschaving was in de 4e en 5e eeuw volledig verwoest en herleidt tot een verzameling ruïnes. De pestepidemieën hadden de bevolking gedecimeerd, en de economie was een puinhoop. In de 14e eeuw was Italië verdeeld in kleine leenheergebieden, vorstendommen en koninkrijkjes, die voortdurend in oorlog waren met elkaar. Er kwam pas licht aan het eind van de tunnel toen mijn voorouders zich in Florence als mecenas begonnen op te werpen en grote figuren als Botticelli, Brunelleschi, Verocchio, Boccaccio, Michelangelo, Da Vinci, Dante en Petrarca steunden. Het klinkt zeer onbescheiden, maar de mensheid heeft bijna alle Toscaanse kunstschatten uit de renaissance aan de familie De’ Medici te danken. We steunden niet alleen schilders, architecten, dichters of schrijvers, maar ook wetenschappers zoals Galileo Galilei kregen financiële hulp. Toen Galilei de vier manen van de planeet Jupiter ontdekte, noemde hij ze vanuit erkentelijkheid de ‘De’ Medici-sterren’.”
Wie was de grondlegger van de De’ Medici dynastie?
Lorenzo de’ Medici: “Giambuono de’ Medici. Het enige wat we van hem weten, is dat hij in 1150 in San Pietro a Sieve, een dorp in de buurt van Florence, geboren is. Zijn nazaten waren wolhandelaars, en maakten fortuin door geld te lenen aan de lokale machthebbers. De achterkleinkinderen van Giambuono zijn de uitvinders van de allereerste Europese bank. De pausen en heersers van die tijd hadden voortdurend nood aan geld om hun oorlogen te financieren. De familie De’ Medici vergaarde zo vanuit haar uitvalsbasis Florence een gigantisch vermogen – veel groter dan dat van elk Italiaans staatshoofd. Eind 14e, begin 15e eeuw werd de Florentijnse gulden zelfs de leidende Europese munt. In 1410 werd Giovanni de’ Medici benoemd als beheerder van het vermogen van het Vaticaan. Hij droomde ervan om zijn familie waanzinnig rijk te maken, en hij is er ook in geslaagd. Politieke macht interesseerde hem niet. Zijn zoon Cosimo was daar wel in geïnteresseerd. Terwijl de vorige generaties De’ Medici discreet en achter de schermen actief waren, schopte Cosimo het tot stadsregent van Florence. Hij was een fan van de klassieke Oudheid. Tijdens zijn bewind (van 1434 tot 1464) gaf hij opdrachten aan kunstenaars zoals Brunelleschi, Fra Angelico en Donatello. Hun werken verfraaiden de stad. Cosimo heeft de hele renaissancebeweging een extra boost gegeven.”
Waarom is juist de familie De’ Medici er in korte tijd in geslaagd om zoveel macht en aanzien te verzamelen? Was dat toeval of zat het in hun genen?
Lorenzo de’ Medici: “Beide. We waren op de juiste tijd op de juiste plaats. En daar komt dan ongetwijfeld dat speciale gen bij waardoor alle leden van mijn familie altijd sterk geïnteresseerd geweest zijn in kunst. Daardoor onderscheiden we ons meteen ook van andere machtige families uit de Italiaanse geschiedenis. Terwijl de Savoye-dynastie uit Turijn, de familie Este uit Ferrara, de Gonzaga’s uit Mantua en de Sforza’s uit Milaan citadellen en burchten bouwden, liet de familie De’ Medici villa’s ontwerpen. Onze drijfveer is nooit pure hebzucht of redeloze machtswellust geweest; onze ware drijfveer was altijd liefde voor de kunst. We hebben onze overvloed aan geld geïnvesteerd in schoonheid. En vandaag geniet de hele wereld van die gigantische kunsterfenis.”
Waren de De’ Medici’s dan koorknapen? De beroemdste telg Lorenzo de’ Medici (1449-1492) ging soms toch letterlijk over lijken? Toen zijn broer Guiliano bij een aanval gedood werd, liet hij talloze verdachten – waaronder de aartsbisschop van Pisa - opknopen, en roeide hij de oude Florentijnse familie Pazzi volledig uit.
Lorenzo de’ Medici: “Het waren gewelddadige tijden. Wie tijdens de middeleeuwen en de renaissance wou overleven, moest van zich afbijten. Kijk, je kunt geen omelet maken zonder eieren te breken. En er zijn in onze familiegeschiedenis heel wat eieren gebroken, dat zal ik niet ontkennen.”
“Ik schaam me niet over wat sommige van mijn voorouders uitgespookt hebben. In die tijd primeerde het recht van de sterkste: ‘Als ik jou niet dood, vermoord jij mij.’ Ik raakte tijdens de research voor het boek niet in shock; ik kende dat verhaal over Lorenzo il Magnifico’s meedogenloze bloedvergieten al. Hij had geen andere keuze. Il Magnifico kickte niet op geweld: in werkelijkheid was hij vredelievend. Op de dag van Lorenzo’s overlijden sprak paus Innocentius VIII de gevleugelde woorden: ‘Vandaag kwam er een einde aan de vrede.’ Tijdens zijn leven probeerde Lorenzo vrede te stichten onder de verschillende Italiaanse prinsen. Hij heeft zwaar in de clinch gelegen met paus Sixtus IV, en werd zelfs een tijdlang geëxcommuniceerd, maar na de dood van Sixtus werden de banden met het Vaticaan opnieuw hersteld. Sixtus’ opvolger Innocentius heeft Lorenzo’s veertienjarige zoon Giovanni benoemd tot kardinaal. Dat was geen uitzonderlijke geste - de relatie van de De’ Medici’s met de kerk was over het algemeen uitstekend: we hebben niet voor niets drie pausen en 42 kardinalen voortgebracht.”
De aambeien van de paus
Lorenzo de’ Medici’s zoon Giovanni werd de eerste De’ Medici-paus. Klopt het dat hij zijn pausverkiezing te danken had aan zijn zwerende aambeien?
Lorenzo de’ Medici: “Ja. Kardinaal Giovanni was een chronisch aambeienlijder. Paardrijden was een ware marteling, en daarom liet hij zich altijd door een legertje lakeien dragen in een pompeuze stoel. Na de dood van paus Julius II kwam Giovanni door zijn pijnlijke aambeien te laat op het conclaaf aan. Hij moet er niet al te gezond uitgezien hebben. Zijn medekardinalen speculeerden erop dat Giovanni het niet lang zou uitzingen en vonden hem daarom een geschikte pauskandidaat. In 1513 werd hij op z’n 36e tot paus Leo X gewijd. Het pontificaat kreeg in die tijd een totaal andere invulling dan nu. In de 16e eeuw stond de paus aan het hoofd van de Kerkelijke Staat. Hij bezat de helft van Italië, en hij had macht over alle andere machthebbers, want zij wilden dolgraag door hem tot vorst gekroond worden. Daar komt bij dat elke paus uit die periode flink wat kinderen had rondlopen. Dat was niet alleen zo in onze familie, maar ook bij de Spaanse Borgia’s, met hun paus Alexander VI en zijn kroost.”
“Vooral in de beginjaren van zijn pontificaat ontwikkelde Leo X zich tot een echte renaissancepaus. Net als zijn vader Lorenzo il Magnifico was hij zeer geïnteresseerd in kunst. Als je in een culturele omgeving geboren en getogen bent, ontwikkel je een goede smaak en is je esthetische gevoel iets heel natuurlijks. Het kunstzinnige zat in paus Leo’s bloed. Het is juist dat hij er massa’s geld doorgejaagd heeft aan feesten, maar daartegenover staat dat hij ook veel geld geïnvesteerd heeft in het culturele patrimonium van het Vaticaan. Zo heeft hij heel wat waardevolle boeken voor de bibliotheek gekocht, en gaf hij opdrachten aan Rafaël en Michelangelo voor de bouw van de vernieuwde Sint-Pietersbasiliek.”
Hij is ook verantwoordelijk voor het grootste schisma uit de kerkelijke geschiedenis.
Lorenzo de’ Medici: “De bouw van de nieuwe Sint-Pieters financierde hij met aflaten. Door de aflatenkwestie kreeg hij het aan de stok met de augustijner monnik Maarten Luther. Die aflaten waren geen uitvinding van Leo X – de praktijk om de gelovigen flink te laten betalen voor de kwijtschelding van hun zonden ging al eeuwen mee. In het laatste jaar van Leo’s pontificaat zorgde die kwestie inderdaad voor de Reformatie. Maar ik vind dat hij het niet verdient om daarvoor aan de schandpaal genageld te worden. Want hij was eerder al met voorzichtige hervormingen van start gegaan. Zo had hij een decreet uitgevaardigd dat bepaalde dat kandidaat-priesters eerst 5 jaar theologie moesten studeren.”
Voor welke De’ Medici hebt u het meeste ontzag?
Lorenzo de’ Medici: “Ongetwijfeld voor Anna Maria Luisa de’ Medici, de keurvorstin van Palts-Neuberg (1667-1743). Zij was de laatste van de familie die de politieke macht in Toscane in handen had. Ze was immens rijk en was door erfenissen in het bezit gekomen van alle kunst en alle schilderijen van de hele familie. Ze wou niet dat die erfenis na haar dood versplinterd zou raken. Ze heeft alles aan de staat Toscane geschonken, waardoor onze schatten voor iedereen toegankelijk geworden zijn. Dat was een merkwaardige visie voor een vrouw uit de 18e eeuw. Niemand had haar dat ooit voorgedaan. Na haar overlijden heeft de familie haar politieke macht verloren. Oostenrijk, Spanje en Frankrijk waren erg geïnteresseerd in Toscane, en hebben toen samengespannen om een vazal tot leider te benoemen en De’ Medici’s voorgoed op een zijspoor te zetten.”
‘De Italiaanse’ en de domme gans
De familie De’ Medici heeft niet alleen drie pausen, maar ook twee koninginnen van Frankrijk voortgebracht. In 1547 werd Catharina de’ Medici (1519-1589) de Franse koningin. Lorenzo de’ Medici: “Catharina was op haar veertiende getrouwd met Henry, de tweede in lijn voor de Franse troon. Toen de dauphin stierf, werd Henry plots kroonprins. De Fransen namen dat Catharina zeer kwalijk. Ze noemden haar minachtend ‘de Italiaanse’ en beschuldigden haar ervan een hand te hebben in de dood van de dauphin. Ten onrechte.”
De Fransen zijn nooit enthousiast geweest over het koningschap van Catharina, maar u wel?
Lorenzo de’ Medici: “Ze was een van de grootste koninginnen die Frankrijk ooit gehad heeft.”
Waarom?
Lorenzo de’ Medici: “Omdat ze een De’ Medici was, natuurlijk. Ze was uiterst intelligent en interesseerde zich voor alles. Ze introduceerde veel nieuwe producten zoals chocolade, parfum, aardappelen… Ze leerde de Fransen met mes en vork eten, en stond daardoor aan de wieg van de etiquette. Zij heeft haar uiterste best gedaan om haar door godsdienstoorlogen verscheurde koninkrijk samen te houden. Ze heeft enorm veel kritiek moeten slikken, maar op het einde van haar leven is ze er in geslaagd om Frankrijk samen te brengen in wat nu nog steeds de grenzen van het land zijn. Zij was echt uitzonderlijk.”
Over Maria de’ Medici (1575-1642), de tweede voorouderlijke koningin van Frankrijk, hebt u dan weer geen goed woord over.
Lorenzo de’ Medici: “Ze was een domme gans. Ze vond zichzelf zo speciaal dat ze niet aarzelde om de wapens tegen haar eigen zoon op te nemen. Stel je voor: ze probeerde haar eigen vlees en bloed uit de weg te ruimen. Zij is een van de grootste schandalen uit ons verleden. Aan haar maak ik liefst niet teveel woorden vuil.”
De familie De’ Medici anno 2008: not on speaking terms
Lorenzo de’ Medici werd in 1951 geboren als tweede zoon van prins Lorenzo de’ Medici en prinses Irina Carrega di Lucedio. “Het grootste deel van mijn jeugd heb ik in Zwitserland doorgebracht”, zegt hij. “In 1936 kreeg mijn vader op ons paleis in Florence een bizar telefoontje van de toenmalige burgemeester. Papa heeft me nooit verteld wat er precies gezegd is, maar het moet schokkend geweest zijn, want diezelfde nacht nog besloot hij om vrijwillig in ballingschap te gaan. Mijn ouders zijn naar Argentinië geëmigreerd, om later naar Zwitserland te verhuizen. Ik heb niet zo’n aangename jeugd gehad. Mijn ouders stopten mij en mijn broer Carlo weg in strenge, oerkatholieke internaten. In de vakanties moesten we ons aan de harde familieregels houden. Zo werden we als jonge kerels verplicht om ‘Il Principe’ van Machiavelli uit ons hoofd te leren. Machiavelli had dat eeuwen geleden opgedragen aan Lorenzo il Magnifico – een opdracht die de De’ Medici’s tot op de dag van vandaag van vader op zoon overdragen.
In een familie zoals de onze is het heel gewoon dat je van jongs af aan al de verhalen over illustere voorgangers te horen krijgt. Je ouders, ooms en tantes leren je wie je bent en waar je voor staat. Ze leren je vooral dat je fier moet zijn op je afkomst, maar ook dat je altijd bescheiden moet blijven. Een nazaat van de De’ Medici’s loopt niet met zijn naam te pronken.”
Hoe rijk is de familie De’ Medici anno 2008?
Lorenzo: “We hebben geen reden tot klagen; we kunnen nog wel een paar generaties op onze rijkdom teren. De’ Medici was ooit de rijkste familie ter wereld – in die tijd was de wereld natuurlijk niet groter dan Europa. Hun rijkdom was vergelijkbaar met die van Warren Buffett nu. Ik heb economie gestudeerd en heb jarenlang als zakenman geprobeerd om het familiefortuin nog wat te doen aangroeien. We leven er al eeuwenlang van, en ik zou er graag nog een paar jaar willen bijdoen. De voorbije acht jaar heb ik van mijn geld genoten, en ben ik voltijds schrijver van historische romans.”
U woont en werkt in Barcelona. Waarom niet in Florence of Toscane?
Lorenzo: “Ik woon hier in Barcelona omdat ik van de zee hou. Ik wil niet in Italië leven, omdat de Italianen erg snel klaar staan met hun kritiek. Een De’ Medici wordt voortdurend bekritiseerd door zijn landgenoten: ‘Kijk hoe hij zich kleedt’, ‘Zie hoe hij zich gedraagt’, ‘Wat voor onzin vertelt hij nu weer?’… Als je van die kleinzieligheid verlost wil geraken, moet je gewoon in een ander land gaan wonen. Er lopen miljoenen toeristen rond in Florence, maar de mentaliteit is er zo provincialistisch… Ik wil een rustig leven, ver van al het gekissebis.”
U en uw broer hebben geen kinderen. Worden jullie het definitieve einde van de De’ Medici-dynastie?
Lorenzo: “Toch niet. Naast onze tak zijn er nog drie andere takken. In totaal zijn we met 25. We houden nooit familiefeestjes. We liggen allemaal in ruzie met elkaar – de ene familietak tegen de andere. Zoals bij ongeveer elke rijke familie draait het geruzie ook bij ons om erfenissen en geld. Eindigt het niet altijd zo?”
De’ Medici in een notendop
In 1410 werd Giovanni de’ Medici benoemd tot beheerder van het vermogen van het Vaticaan. Zijn zoon Cosimo bouwde de bank internationaal uit, waardoor het fortuin spectaculair aangroeide. Er kwamen filialen in Venetië, Pisa, Milaan, Avignon, Brugge, Genève en Londen.
Het vele geld werd verzilverd in politieke macht. De familie stond onder het bewind van Lorenzo ‘il Magnifico’ de’ Medici in Florence en ver daarbuiten op het toppunt van haar roem.
De De’ Medici’s zorgden voor een nooit geziene boom in de letteren en de kunsten. Hun belang kan moeilijk onderschat worden. Zonder hen was er geen Divina Commedia van Dante geweest, geen Leonardo Da Vinci, geen leerstoel voor Galileo Galilei, geen schilderijen van Botticelli, geen Decamerone van Boccaccio, geen David van Michelangelo en geen Uffizi in Florence.
De familie bracht drie pausen, 42 kardinalen en twee koninginnen van Frankrijk voort. Aan het begin van de 18e eeuw verloren ze hun politieke macht. Anno 2008 maken de laatste 25 De’ Medici’s vooral ruzie over erfenissen en geld.
© jan@janstevens.be
Uitzendkantoor voor huurlingen
Vanuit een chique kantoor in de Londense City runt de Britse ex-marinier Mike Rider zijn beveiligingsfirma Assured Risks. Sinds 2005 is hij actief als Private Military Contractor in Irak. Vroeger vochten zijn werknemers als huurlingen in het vreemdelingenlegioen, vandaag vechten ze als dikbetaalde ‘freelancers’ voor de cliënten van Assured Risks.
Mike Rider arriveert anderhalf uur te laat op de plaats van afspraak, de bar van het Charing Cross Hotel in het hart van Londen. “Sorry, maar ik moest dringend een paar probleempjes met de Tsjechische overheid oplossen”, verontschuldigt hij zich. “Assured Risks heeft een paar maanden geleden een belangrijk contract met de regering van Nepal binnengehaald. Ze hebben ons gevraagd om de Nepalese VN-troepen in Soedan te bevoorraden en te trainen. Deze maand zouden ze een sector in Darfur moeten gaan ‘beschermen’. De Tsjechische regering doet daar nu moeilijk over. Je zou denken dat er geen problemen zijn als je samenwerkt met een vredesoperatie van de VN, maar vergeet het. Westerse regeringen kunnen het niet laten om te vitten over vergunningen. Een deel van ons materiaal staat nu al twee maand op de tarmac te beschimmelen omdat de Tsjechen dwars liggen.”
De 36-jarige Mike Rider is ceo van Assured Risks, een Britse Private Military Contractor (PMC) die vooral actief is in Irak, Nepal en Nigeria. Een interview over zijn bedrijf zag hij wel zitten, zolang er geen foto’s genomen werden en zolang het gesprek niet plaatsvond in zijn kantoor in het Bucklersbury House in de Londense City. “Mijn cliënten zouden het niet appreciëren als ze daar plots oog in oog staan met een journalist. Discretie is ‘my middle name’.” Dus ontmoeten we elkaar in de bar van het Charing Cross - de favoriete pleisterplaats van spionnen, informanten, private military contractors en journalisten - waar het hoogpolig kamerbreed tapijt de gefluisterde geheimen absorbeert, en waar de obers even discreet zijn als de butlers in Her Majesty’s Service.
De laatste 15 jaar zijn Private Military Contractors, of private militaire firma’s, bezig aan een pijlsnelle opmars. Na de Koude Oorlog kwamen veel militairen op straat te staan. Tezelfdertijd vermenigvuldigde het aantal regionale conflicten, net als het geloof in privatisering van de beveiliging. Een nieuwe industrie zag het licht. Momenteel wordt het aantal PMC’s geschat op enkele honderden, hun totale jaarlijkse omzet op een slordige honderd miljard dollar.
Mike Rider begon zijn loopbaan op zijn zeventiende bij de Britse mariniers. “Ik heb negen jaar bij de Royal Marines gediend”, zegt hij. “Ik kom uit een familie waarin ‘het land dienen’ als vanzelfsprekend beschouwd werd. Mijn grootvader vocht in de Tweede Wereldoorlog, mijn oom in de Falklands. Van kleinsaf wou ik bij de mariniers. Ik was een tijd gestationeerd in Noord-Ierland, daarna in Sierra Leone en ik heb gevochten in Irak. Na mijn tijd in het leger heb ik voor verschillende beveiligingsfirma’s in Irak gewerkt. Daar groeide het idee om met Assured Risks van start te gaan. Engeland heeft tegenwoordig veel van zijn identiteit verloren. Vroeger was dit een natie waar patriottisme geen vies woord was. De Britse soldaten zijn oké, alleen werken ze niet met het goede materiaal. De regering laat hen in de steek en beknibbelt op militaire investeringen. Het bizarre is dat er zwaar gesabeld is in het defensiebudget, maar dat er wel steeds meer buitenlandse missies bijkomen. Beveiligingsfirma’s zoals Assured Risks zijn in dat gat in de markt gesprongen.”
A living hell
Bagdad, juni 2003. Een maand eerder heeft president Bush triomfantelijk de oorlog in Irak voor beëindigd verklaard. Mike Rider beleeft als gewapend ‘freelancer’ in opdracht van een Britse PMC ‘de tijd van zijn leven’ in de Iraakse hoofdstad. “Ik leidde een team van Britse ex-militairen en lokale huurlingen. We leefden in een villa in Mansur, in die tijd de leukste wijk van Bagdad. De toestand was er toen nog niet zo dramatisch – de invasie was pas voorbij. Bagdad moet voor de oorlog een prachtige stad geweest zijn; dat kon je toen nog erg goed zien. Sommige bedrijven gebruiken niet graag Irakezen omdat ze hen niet vertrouwen. Terecht, maar ik had de ‘locals’ waarmee ik samenwerkte goed onder controle. Als ik met een paar maten eropuit trok, vertelden we hen nooit waar we naartoe gingen. Ik briefte hen altijd pas vlak voordat een actie ging plaatsvinden. Ze hadden geen mobiele telefoons en konden niet communiceren. We reden rond in ‘low profile’-voertuigen, aftandse auto’s met Iraakse nummerplaten. Ik kon terugvallen op mijn ervaring bij het Britse leger. De Britten hebben veel geleerd van de vuile oorlog in Noord-Ierland; mijn marinierstraining was in Bagdad goud waard. Bij de beveiligingsfirma werd ik veel beter betaald dan bij het leger. Ik genoot ervan, en het geld stroomde binnen. Ik verdiende probleemloos 20.000 dollar per maand. Afgezwaaide militairen met oorlogservaring waren interessante partijen voor PMC’s, en Irak was voor ons de plaats waar het geld zat. Tot 2004 was het min of meer leefbaar, maar toen schakelden de opstandelingen en Al-Qaida een paar versnellingen hoger, en sindsdien is het er ‘a living hell’.”
In 2005 hield Mike Rider zijn eigen PMC Assured Risks boven de doopvont. “Het Amerikaanse RCS Consulting bood mij en een paar collega’s een contract aan. Door de dramatisch verslechterende toestand was er plots zoveel werk. Assured Risks viel ons gewoon in onze schoot. RCS Consulting werkt in opdracht van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. We moesten een project rond ‘mensenrechten’ in Bagdad op poten zetten en er de supervisie over houden. We organiseerden en bewaakten safe houses voor Iraakse regeringsleden waar ze konden vergaderen over zaken zoals vrouwenrechten. Dat eerste contract loopt nog steeds.”
“Je kan niemand vertrouwen in Irak. Alles is nu zogezegd ‘gereguleerd’, maar twee jaar geleden was Bagdad écht het wilde westen. Iedereen droeg wapens. Je kon met een raketlanceerder op straat lopen als je daar zin in had. Dat is eerlijk gezegd ook geen overbodige luxe. De Irakezen die we nu in dienst hebben, zijn wel te vertrouwen. Ze behoren tot een en dezelfde soennitische clan. Ze zijn goud waard. We werken ook nog steeds ‘low profile’: met lokale auto’s, en nooit met protserige SUV’s. Als ze me morgen een job aanbieden die met een SUV uitgevoerd moet worden, bedank ik feestelijk. Ik krijg regelmatig zo’n aanbiedingen van Amerikaanse cliënten. Zij kijken echt teveel naar films. Ze kicken op dikke Hollywoodiaanse SUV’s. In Bagdad zie je vaak van die gigantische gepantserde 4X4’s waar geweren uit alle ramen hangen – vooral Amerikaanse PMC’s zijn daar een meester in. De Irakezen haten dat machtsvertoon. Het gevolg is dat al die beveiligingsfirma’s met hun dikke SUV’s vaker de lucht ingeblazen worden dan wij met onze onopvallende burgerauto’s. (lacht)”
“Ik heb vaak onder vuur gelegen. Ik ben een paar keer zelfs bijna opgeblazen. We kwamen uit een checkpoint van een Amerikaanse basis en er stond een zelfmoordterrorist aan de andere kant van de weg. Toen wij passeerden, duwde hij op de knop. Ik zat in een gepantserde SUV, en ik moet eerlijk toegeven dat dat ding toen mijn leven gered heeft. De man blies zichzelf op en doodde 16 mensen. Ik voelde de kracht van de explosie tot in de toppen van mijn tenen. Ik ben ervan af gekomen met een paar vleeswonden.”
“Veel vrienden zijn gedood in Irak. Mijn vroegere instructeur, mijn beste kameraad, begeleidde een konvooi in het zuiden. Ze reden voorbij een uitgebrand voertuig dat daar langs de kant van de weg lag. En plots, ‘Bang!’, vloog het de lucht in. Hij verloor zijn beide armen en benen. Hij leeft nog – dat is het probleem. Als ik zo erg gewond zou geraken, was ik veel liever dood.”
Terminator
Het drukke Nisourplein in Bagdad, 16 september 2007. Een legertje zwaarbewapende mannen van de Amerikaanse PMC Blackwater schiet 17 ongewapende Irakezen dood, waaronder vrouwen en kinderen. Ooggetuigen verklaren dat er niet op het SUV-konvooi van Blackwater geschoten was, maar dat er op grote afstand een bom explodeerde, die niet voor het konvooi bestemd kon zijn. “De kerels van Blackwater gebruiken hun automatische geweren als claxons”, zal een Iraakse journalist later schrijven. De Iraakse regering reageert woedend, en wil de licentie van Blackwater intrekken. Maar het bedrijf blijkt die niet te hebben. Vijf dagen later scheuren de Blackwater-konvooien weer ongehinderd door Bagdad, een spoor van vernieling achter zich latend.
“Met firma’s zoals Blackwater willen wij niet geassocieerd worden”, reageert Mike Rider fel. “Zij geven onze business een slechte naam. Blackwater werd groot door de vette Amerikaanse contracten die ze in de wacht sleepten. Tot vorig jaar waren er geen regels in Irak. Je kon een heel dorp uitmoorden, en niemand trok er zich iets van aan. De meeste beveiligingsfirma’s, zeker de Britse, probeerden volgens het boekje te werken. Die gasten van Blackwater denken dat ze terminators zijn en hangen afgeladen vol met wapens. Na het incident op het Nisourplein heeft de Amerikaanse regering hen uit de shit geholpen. Laat er geen misverstand over bestaan: Blackwater is een integraal onderdeel van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Ze kunnen zich evenveel permitteren als de militairen en worden de hand boven het hoofd gehouden door de overheid. Als er bij ons iets misgaat, zal niemand ons uit de wind zetten.”
“Er sneuvelen voortdurend mensen van beveiligingsfirma’s. Niet alleen door vijandelijk vuur, maar ook door ‘friendly fire’ van de Amerikaanse soldaten. Daar hoor je natuurlijk nooit iets over in de media. Er wordt dan ook ontzettend veel onder het tapijt geveegd in deze oorlog. Ze knallen je mensen af en trekken zich er niets van aan. En daar kunnen wij niets tegen ondernemen.”
“Als ooit de geschiedenis van deze oorlog geschreven zal worden, zullen er veel gruwelijke verhalen naar boven komen over de manier waarop sommigen zich misdragen hebben. Wij willen geen avonturiers tewerk stellen, maar alleen ex-militairen met een uitstekende staat van dienst in oorlogszones zoals Sierra Leone, Afghanistan of Irak.”
Na het Blackwaterincident barstte de kritiek in de media los op de PMC’s. Ze zouden het equivalent zijn van de vroegere huurlingenlegers en onderdeel van de geprivatiseerde oorlogsvoering. Mike Rider: “Ach, de media hebben dat hele gedoe over ‘geprivatiseerde oorlog’ zwaar opgeklopt. Wij werken nu ook samen met de Japanse overheid om hun ambassade in Bagdad te beveiligen, en ik kan je verzekeren dat zij zeker geen zaken wil doen met wat jij ‘moderne huurlingen’ noemt. Tijdens de onderhandelingen voor het contract ging ik praten met de Japanse minister van Buitenlandse Zaken. Hij vroeg: ‘Zijn jullie zoals Blackwater?’ Ik antwoordde: ‘Natuurlijk niet, wij zijn een deftige firma.’ Kom, laat ons nu eens die grote mediaterm ‘PMC’ tot zijn ware proporties herleiden. Beveiligingsfirma’s werden gehuurd om voor Amerikaanse en Britse cliënten te zorgen. Sof ar, so good. Omdat er zoveel geweld was in Irak en Afghanistan mochten we er wapens dragen. Niemand van ons organiseerde zich in die tijd – en nu ook nog niet – als een leger. We werken louter defensief. Ik ken de meeste beveiligingsfirma’s en geen enkele gedraagt zich als een huurlingenleger, ondanks alles wat de media daarover aan schandaalverhalen menen te moeten vertellen. Terugschieten omdat er op je geschoten wordt, is dat de definitie van geprivatiseerde oorlog? Wat zou jij doen in onze plaats? In principe mogen we schieten als er naar ons geschoten wordt, en als we kunnen lokaliseren waar het vijandelijke geweervuur vandaan komt. In de praktijk loopt het natuurlijk anders en kunnen we vaak niet bepalen waar de andere schutters zitten, dus vuren we er ‘wild’ op los, en proberen we ons een uitweg te schieten. Eerlijk gezegd, als je in Bagdad door een hele troep opstandelingen wordt aangevallen, maak je als contractors weinig kans. We zijn flink bewapend, maar niet zoals de militairen. Op de Amerikaanse soldaten kunnen we niet rekenen. Als een team van Assured Risks hun hulp inroept, sturen ze gewoon hun kat. Tenzij dat team toevallig voor hen aan het werk is.”
De man:
- Mike Rider, 36, getrouwd, twee kinderen. “Mijn kinderen van 2 en 3 zorgen ervoor dat ik minder vaak de frontlinies opzoek.”
- Heeft hij in zijn carrière ooit een mens gedood? “No comment.”
Het bedrijf:
- Assured Risks, opgericht in 2005.
- Aantal werknemers: “In Irak hebben we tien ex-militairen en een countrymanager in dienst. Routineklussen besteden we uit aan locals. In Nepal baten we een militair trainingskamp in opdracht van de regering uit. In Soedan zitten nu een paar mensen die de boel in de gaten houden. Van zodra de Nepalese VN-soldaten zich op volle sterkte ontplooien, zullen ook wij er met veel meer aanwezig zijn. In Nigeria praten een paar consultants met de regering over mogelijke opdrachten. In totaal werken er 25 Britten in gevaarlijk gebied. Hier op kantoor zijn we met 8.”
- Omzet: “Daar communiceer ik liever niet over, want dan krijg je een vertekend beeld. Het is veel, maar we hebben ook gigantische kosten. Onze winst investeren we bijna integraal terug in het bedrijf.”
Hoeveel verdient de moderne huurling?
“Onze mensen in Irak werken twee maanden, en hebben een maand vrij. We vliegen hen in business naar Bagdad, en na twee maanden vliegen we ze voor een maandje vakantie terug naar huis. Wie in Irak werkt, verdient tussen 15 en 20.000 dollar per maand. De verzekering kost ons 60 dollar per dag, per persoon. Als iemand sneuvelt, krijgen zijn nabestaanden 500.000 dollar. Als hij gewond geraakt, is het bedrag afhankelijk van welk ledemaat hij verliest.”
Hoe worden de medewerkers van Assured Risk gerecruteerd?
“Ik krijg veel cv’s van ex-militairen uit Rusland en de Balkan. Mensen die gevochten hebben in Afghanistan of in Joegoslavië. Voor een job waarvoor we 30 mensen nodig hebben, krijgen we 1000 sollicitaties. Wij geven de voorkeur aan mensen met wie we vroeger al eens gewerkt hebben.”
Waar koopt Assured Risks zijn wapentuig?
“In Irak kochten we vroeger probleemloos onze AK-47’s op de zwarte markt. Nu gaan we naar een firma zoals Heckler & Koch en zeggen we: ‘We willen zoveel wapens, van dat type.’ We zijn daar een graag geziene klant.”
Aantal PMC-werknemers in Irak
- 48.000, waarvan 21.000 Britten.
© jan@janstevens.be
Agfa-Gevaert: van hero naar zero?
In de vorige eeuw was Agfa-Gevaert een van de vlaggenschepen van de Belgische industrie. Vlak voor de beursgang in 1999 telde de hoofdzetel in Mortsel 9000 werknemers. Negen jaar en vijf ceo’s later zijn het er minder dan de helft en staan er opnieuw 167 banen op de tocht. Agfa-Gevaert: een bedrijf in vrije val?
Woensdagmorgen, 27 februari 2008. De aandeelhouders van Agfa-Gevaert zitten met klamme handjes te wachten op de bekendmaking van de jaarresultaten en de cijfers van het laatste kwartaal van 2007. De meesten hebben zich mentaal voorbereid op slecht nieuws. Maar toch verslikken ze zich nog massaal in hun ochtendkoffie als ze om acht uur het verdict te horen krijgen: ondanks zware herstructureringen in 2006 waarbij wereldwijd 1100 jobs geschrapt werden, sluit de onderneming het rampzalige vierde kwartaal af met een verlies van 27 miljoen euro. Analisten hadden op een winst van 17 miljoen gerekend. De vakbonden krijgen te horen dat er op korte termijn 203 bediendenjobs op de wip staan, waarvan 167 in Mortsel. Ook al heeft de hele groep voor 2007 een winst van 42 miljoen euro geboekt, toch kondigt de Raad van Bestuur aan dat er geen dividend uitgekeerd zal worden, waardoor het bedrijf meteen enkele tientallen miljoenen euro kan uitsparen. Diezelfde dag keldert de koers van Agfa met ruim 21%.
Agfa, een bedrijf in slechte papieren, met toch nog 42 miljoen winst? “Staar je daar niet blind op”, zegt Stefaan Genoe, financieel analist bij Petercam. “Die winst is onvoldoende voor een onderneming met wereldwijd 13400 werknemers in dienst. Je moet winst maken die in verhouding staat tot de omvang van je bedrijf. Als je met 100 euro een bedrijfje opricht waarmee je op het einde van de rit drie euro winst maakt, had je die 100 euro beter in een staatsobligatie omgezet. Want die levert je sowieso 4,30 euro op.” Zo maken ook de Agfa-beleggers hun rekening. Na het onheilsbericht van de 27e haken ze massaal af, op zoek naar beter renderende beursgenoteerde ondernemingen.
Van analoog naar digitaal
“Ik vrees dat de bekendmaking van de slechte resultaten van 2007 slechts het topje van de ijsberg is”, zegt Stan, 45 en sinds zijn 22e in dienst bij Agfa in Mortsel. “De managers houden ons al jaren voor dat er geen reden tot paniek is en dat de onheilsberichten in de media nergens op gebouwd zijn. Ik heb lang mijn best gedaan om hen te geloven, maar na de gebeurtenissen van de laatste maanden verdenk ik hen ervan dat ze als struisvogels hun koppen in het zand steken. Ik heb een leidinggevende functie in de productie en merk dagelijks dat we in een neerwaartse spiraal zitten. Regelmatig worden er producten geschrapt.”
Vanaf de fusie tussen Agfa en Gevaert in 1964 was Agfa-Gevaert jarenlang het kroonjuweel van de Belgische technologie. De ellende begon toen Agfa zich halverwege 1999 losmaakte van moederbedrijf Bayer en als zelfstandige onderneming naar de beurs trok. Om aan de eisen van de kersverse aandeelhouders te kunnen voldoen - een stijgende beurswaarde en jaarlijks een mooi dividend - ontwikkelde de toenmalige ceo Klaus Seeger een strategie van overnames van kleinere, concurrerende bedrijven. Om die nieuwe aanwinsten in de grote groep te integreren moest er gesaneerd en geherstructureerd worden. Net op dat moment werd Agfa geconfronteerd met de grootste uitdaging uit haar geschiedenis: de overgang van analoge naar digitale fotografie. Agfa was één van de marktleiders in de productie van klassieke filmrolletjes en röntgenfoto’s. Maar veel sneller dan de leiding had ingeschat, behoorde de analoge fotografie tot het verleden. Agfa moest zich in no time van een chemisch bedrijf omvormen tot een producent van digitaal fotomateriaal en raakte daardoor danig in de war. Een hele processie van herstructureringen passeerde de revue, maar niets kon het tij keren. In 2004 verkocht Agfa-Gevaert haar filmrolletjesafdeling AgfaPhoto aan een Duitse investeerder. Bij de verkoop werden 2.000 personeelsleden van de loonlijst geschrapt. Eind 2005 ging AgfaPhoto failliet, met een tot vandaag durend juridisch steekspel als gevolg.
Op 22 juni 2006 maakte de Agfa-directie bekend dat tegen 2008 de kosten jaarlijks met 250 miljoen moesten verlagen. Om die besparingen te realiseren werd het bedrijf opgesplitst in drie onafhankelijke businessgroepen: Graphics voor de grafische sector, HealthCare voor de medische markt en Materials voor de productie van analoge filmpellicule. Het was de bedoeling om op termijn de drie groepen als zelfstandige units naar de beurs te laten gaan, maar die beslissing werd telkens weer uitgesteld. “Nu is het daarvoor te laat”, zegt Stefaan Genoe. “De marktkapitalisatie van Agfa is veel te klein geworden, waardoor de drie divisies te weinig voorstellen om ze apart op de beurs te noteren. Agfa heeft dan ook nog eens de pech dat ze in volle reconversie getroffen wordt door uit de pan swingende prijzen voor zilver en aluminium. Die grondstoffen zijn van levensbelang voor het bedrijf: ze zijn nodig voor de productie van films voor radiografie en platen voor drukkerijen. De zilverprijs is de voorbije jaren sterk gestegen, en is de voorbije maanden nog een paar versnellingen hoger gegaan. Op het einde van 2007 schommelde de zilverprijs rond 14,5 dollar voor een ons, vandaag staat hij op 17 dollar. Eén dollar extra voor een ons zilver betekent voor Agfa 25 miljoen dollar meer aan kosten. Sinds het einde van vorig jaar heeft het bedrijf voor de aankoop van zilver dus meer dan 62 miljoen dollar extra moeten ophoesten. Veel zal afhangen van hoe die grondstoffenprijzen zullen evolueren.”
Mismanagement
De neergang van Agfa is niet louter een gevolg van het digitale tijdperk, of van stijgende grondstoffenprijzen. “De grootste verantwoordelijken voor dit debacle zijn de managers die de voorbije jaren aan het roer gestaan hebben”, zegt Jef (41) beslist. Hij werkte elf jaar als informaticus bij Agfa en werd in de zomer van vorig jaar van de ene op de andere dag bedankt voor bewezen diensten. “Nu ben ik blij dat ik er weg ben, maar toen kwam mijn ontslag als een donderslag bij heldere hemel. In januari kondigde de directie het zoveelste herstructureringplan aan. Ze zeiden: ‘Voor 21 maart weet iedereen waar hij aan toe is.’ In onze groep hoorden we die 21e niets. Een collega is toen meer uitleg gaan vragen. ‘Nee, bij ons moeten er geen jobs weg’, zei onze chef. Oef. Tot ik een paar maanden later, op 28 juni, bij personeelszaken geroepen werd. De HR-man deelde me koudweg mee dat mijn functie vanaf de eerste juli, de start van de vakantie, overbodig zou worden. Ik had het kunnen zien aankomen, want ik werkte in een afdeling die helemaal verkeerd ingeschat was door de marketing. Het was al duidelijk van in februari, van bij de opstart van de aanmaak van ons product, dat het nooit verkocht zou raken. We werden dus betaald om iets te helpen produceren dat uiteindelijk gratis werd weggegeven omdat niemand er op zat te wachten.”
Gebeurt dat wel meer bij Agfa? Jef: “Je zou er versteld van staan. Waarom denk je anders dat het bedrijf zo in de shit zit? Puur mismanagement. Wie sturen ze weg, of wie gaat er zelf weg? Mensen uit de productie. De managers blijven zitten. Wat voor zin heeft het om de mensen die aan de band staan eruit te gooien en zo de productie te ondermijnen, en om al degenen die zogezegd het denkwerk doen, op hun stoel te laten zitten? De managers besturen allemaal hun eigen koninkrijkje en doen volstrekt hun eigen zin. Niemand grijpt in. De toplui hebben lang niet willen toegeven dat het mis ging. Nu zit iedereen met zijn vingers te draaien, bang wachtend op de genadeslag. Dit kan niet anders dan eindigen in een bloedbad.”
Een stoet aan ceo’s
Er blijven bij Agfa misschien veel managers op hun troon zitten, maar de zetel van de absolute top is de voorbije tien jaar nooit lang door dezelfde ceo warm gehouden. Klaus Seeger, de man van de beursgang, werd in 2001 opgevolgd door Ludo Verhoeven. Die voerde een rist herstructureringen door, waaronder het plan Horizon (met wereldwijd 4000 ontslagen). Verhoeven verkocht de divisie filmrolletjes aan AgfaPhoto en werd in 2005 als ceo opgevolgd door Marc Olivié; Verhoeven werd voorzitter van de Raad van Bestuur. Olivié kreeg opdracht om het bedrijf op te splitsen in de drie autonome divisies en ze beursrijp te maken. Maar dat proces raakte op de lange baan en Olivié werd gedwongen om ontslag te nemen. Ludo Verhoeven volgde Olivié in juli 2007 terug op, en combineerde tijdelijk de functie van voorzitter met die van ceo. Onder druk van de aandeelhouders ruimde hij snel opnieuw de baan. In december 2007 kwam Jo Cornu aan de macht. Hij stelde Albert Follens aan als zijn rechterhand. Een lange zoektocht naar een nieuwe externe voorzitter voor de Raad van Bestuur draaide eerst op niets uit. Blijkbaar wou niemand geassocieerd worden met een vierkant draaiend bedrijf. Uiteindelijk werd raadslid Julien De Wilde bereid gevonden om de voorzitterssjerp om te gorden.
Dé vraag die iedereen bij Agfa (en ver daarbuiten) zich nu stelt, is: zal Jo Cornu de meubels kunnen redden? Financieel analist Genoe heeft er zijn twijfels over. “Jo Cornu is geen wissel op de toekomst. Hij is toch ook al 63. Daar komt bij dat hij vroeger als lid van de Raad van Bestuur alle beslissingen uit het verleden mee goedgekeurd heeft.”
ACV-vakbondsman Yves Van Antwerpen heeft voorlopig wel vertrouwen in Cornu. “Ik verwacht veel van de tandem Cornu-Follens. Er waren vroeger grote spanningen in het management. Onder Jo Cornu zijn die afgenomen. Maar voorlopig blijven we zitten met een aantal mensen in leidinggevende functies die vooral gelinkt kunnen worden aan de periode Olivié–Verhoeven. De relatie tussen die heren van het ‘oude management’ en de vakbond is nooit goed geweest. Zij hebben nooit geluisterd naar de opmerkingen van de werknemers. En weet je wat zo pijnlijk is? Dat sommige managers het geld van de onderneming op onverantwoorde wijze hebben laten rollen. Voormalig HealthCare-topman Philippe Houssiau was een meester in het organiseren van dure ‘teambuildingscursussen’ voor het management. Hij huurde zeiljachten af om met een man of twintig een aantal dagen in luxe te gaan ronddobberen, en hij organiseerde luxueuze, decadente feestjes op kosten van het bedrijf. Houssiau is in augustus vorig jaar ontslagen, maar toen was het kwaad al geschied. Hij heeft er in naam van zijn ‘teambuilding’ massa’s geld doorgejaagd.”
Agfa-woordvoerder Johan Jacobs ontkent niet dat er een ‘kostenprobleem’ is bij HealthCare. “Er is in het verleden inderdaad veel geld gegaan naar teambuilding en er is niet altijd even doordacht geïnvesteerd. De medische markt is sowieso moeilijk. De vroegere leiding heeft zich vergaloppeerd, maar er is ingegrepen en nu gaat het veel beter.”
Ex-werknemer Jef beschuldigt de leiding van Agfa ten onrechte van ‘mismanagement’? Johan Jacobs: “Ik heb het lastig met dat woord. Het is natuurlijk gemakkelijk om anoniem gratuite verklaringen af te leggen. Onze problemen zijn vooral een gevolg van externe factoren, zoals de sterke euro en de dure grondstoffenprijzen.”
Zijn er dan intern geen oorzaken voor de problemen aan te wijzen? Jacobs: “Toch wel, er is iets mis gegaan met het implementeren van nieuwe technologie. Zo is er in de sector van de veelbelovende industrial inkjet een en ander fout gelopen. De inkjet heeft ons in 2007 50 miljoen euro gekost, en we zullen er dit jaar ook nog eens 20 miljoen in moeten investeren, maar we zijn dat onderdeel nu volop op punt aan het stellen en hopen dat het tegen 2009 breakeven zal draaien. Zo pakken we elk probleem stap voor stap aan.”
Eén voor twaalf
Hoe ziet de toekomst eruit voor Agfa? Werknemer Stan betwijfelt of hij er ooit zijn pensioen zal halen. “Eigenlijk weet niemand welke richting we uit moeten. Al mijn collega’s zijn bang dat het bedrijf binnen een paar jaar helemaal ten onder zal gaan. We spreken daar dagelijks over: wat zal het worden en hoelang zullen we hier nog werken? Wie kan, zoekt een andere job. Ik heb geen diploma, maar door hard te werken en mijn best te doen, heb ik in de loop der jaren meer verantwoordelijkheden gekregen. Ik hoop dat alles goed komt, want als ze me morgen op straat zetten, ben ik een vogel voor de kat. Zoek als 45-jarige zonder diploma maar eens een andere job. Nee, de toekomst ziet er niet goed uit. Ik heb een fantastische baan, ik verdien goed mijn boterham, ik werk dichtbij huis, maar dat staat nu allemaal op de helling.”
Hoe ziet financieel analist Stefaan Genoe de toestand evolueren? “Het water staat erg hoog. Het is geen vijf voor twaalf, maar één minuut voor twaalf. Ik begrijp heel goed dat de personeelsleden van Agfa bang zijn voor de toekomst; ze zien ook hoe de beurskoers blijft dalen. Ik vrees dat er een gigantische kloof gaapt tussen het topmanagement en de mensen op de vloer. De leiding moet dringend ingrijpen. Het is een publiek geheim dat de werknemers in Mortsel heel goed verdienen. Ze zullen moeten inleveren. Er is geen andere optie dan besparen van de opperste top tot helemaal beneden.”
En hoe ziet de leiding van Agfa de toekomst? Johan Jacobs: “We zijn ervan overtuigd dat we met de juiste mensen werken en dat we de juiste strategie volgen om dit bedrijf er helemaal bovenop te krijgen. We blijven onze koers vastberaden aanhouden.”
© jan@janstevens.be
Van ‘den Bell’ tot Alcatel-Lucent Bell: de teloorgang van een monument?
Werken bij ‘den Bell’ was ooit als ‘werken voor de staat’: alleen wie zijn schoonmoeder vermoordde, riskeerde zijn job te verliezen. Veertig jaar, een overname, een fusie en ontelbaar veel saneringen later is het huidige Alcatel-Lucent Bell in woelig vaarwater belandt.
Wie veertig jaar geleden bij ‘den Bell’ werkte, zat gebeiteld. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig stelde de telefoononderneming bijna 15.000 mensen tewerk. Vandaag telt erfgenaam Alcatel-Lucent Bell nog amper 1800 personeelsleden en gonst het van geruchten dat er na de meest recente ontslagen in juni vorig jaar alweer een nieuwe herstructurering op komst is. Die dreiging zorgt voor onderhuidse spanning in het bedrijf. “De schrik zit er diep in”, zegt Kristien Merckx, secretaris van BBTK Antwerpen. “Sinds de herstructurering van vorige zomer is het duidelijk dat bij Alcatel geen enkele job meer veilig is. Toen moesten er bovenop de vrijwillige vertrekkers en bruggepensioneerden zestig personeelsleden weg. Ze kozen de mensen die volgens de directie de nodige vaardigheden mankeerden of te kritisch uit de hoek kwamen – zoals twee van mijn vakbondsafgevaardigden. Iedereen houdt nu zijn mond. De mensen denken: ‘Als ik zwijg, ben ik er bij de volgende saneringsronde misschien niet bij.’”
Van telefonie naar internet
Hoe is het zover kunnen komen? Toen Alcatel-Lucent Bell begin jaren zeventig nog gewoon ‘den Bell’ heette, had het bedrijf de reputatie en de allures van andere grote, ‘levenslange’ werkverschaffers zoals wijlen ‘den RTT’ of ‘den NMBS’. De telefoongigant was in 1882 klein begonnen als de NV Bell Telephone Manufacturing Company, en had toen 35 personeelsleden in dienst. Aan het einde van de 19e eeuw telde België amper 2000 telefoonabonnees. Maar in die toestand kwam snel verandering: Bell patenteerde een aantal revolutionaire telefoonuitvindingen en samen met de steeds groter wordende afzetmarkt voor telefoons en centrales groeide het bedrijf als kool. Na de Tweede Wereldoorlog begon Bell met de productie van gloeilampen, radio’s, en elektrische huishoudapparaten. Zowat 90 procent van de naoorlogse moderne Belgische huishoudens draaide op toestellen van ‘den Bell’. Tussen ‘63 en ‘72 groeide het personeelsbestand tot 15.000. Maar de overname in 1986 door de Franse telecomgigant Alcatel luidde het begin van een lange rij saneringen in. Het ‘nieuwe’ Alcatel Bell moest zich voortaan gaan specialiseren in internet en breedband, de technologieën van de toekomst. Steeds meer arbeiders werden aan de deur gezet, en gedeeltelijk vervangen door hoogopgeleide ingenieurs.
Wie betaalt het gelag?
Eind 2006 fusioneerde het Franse Alcatel met het Amerikaanse telecombedrijf Lucent. Een internationaal teruglopende vraag, dalende marges en een genadeloze concurrentieslag hadden de twee in elkaars armen gedreven. Wereldwijd werkten er bij beide ondernemingen 80.000 mensen. Alcatel Bell vervelde tot Alcatel-Lucent Bell en werd gepromoveerd tot het hoofdkwartier voor ‘Europa en Noord’. Dat gebied strekte zich uit van Ierland tot en met Rusland en omvatte 40 landen.
Bij de fusie was het al duidelijk dat er 9000 jobs moesten verdwijnen. Later werd dat cijfer opgetrokken tot 12.500. Uiteindelijk zullen het er 16.500 worden. In België sneuvelden 110 jobs, de productie-eenheid in Geel werd verkocht. Als klap op de vuurpijl raakte eind vorig jaar bekend dat de vestiging in Antwerpen zijn status als regionaal hoofdkwartier moest afstaan aan Parijs. Als troostprijs kreeg Alcatel-Lucent Bell een subregio toegewezen: Noord- en West-Europa met de Benelux, Groot-Brittannië, Duitsland, Scandinavië en de Baltische Staten.
In 2007 incasseerde de hele groep een verlies van liefst 3,52 miljard euro. De geruchtenmolen dat er naast de geplande ontslagen nog jobs zullen sneuvelen – ook in België – draait ondertussen op volle toeren. Kristien Merckx: “Tot vorig jaar waren de herstructureringen meestal een gevolg van slechte financiële resultaten en van een belabberde economische situatie. De herstructurering van vorig jaar was een gevolg van de fusie. De dreigende reorganisatie zou dan weer vooral een gevolg zijn van de slechte resultaten van Lucent in Amerika.”
De fusie met Lucent was een slechte zaak? Kristien Merckx: “Dat hangt ervan af hoe je het bekijkt. Voor de aandeelhouders is die fusie op lange termijn een goede zaak. Alcatel heeft nu ook een poot op de Amerikaanse markt. Op korte termijn levert de fusie niets op, integendeel. Door mismanagement doet Lucent het slecht in Amerika, en Europa betaalt het gelag.”
Oudere werknemers van Alcatel-Lucent Bell vrezen de toekomst
“De fusie met Lucent levert niets positief op”
Computerexpert Wim en financiële man Frank hebben heel wat jaren dienst bij Alcatel-Lucent Bell. Na enig aandringen zijn ze bereid om over de toestand in hun bedrijf te praten. “Maar alleen anoniem. We zijn bang dat we anders onze job verliezen.”
Wim: “De voorbije jaren hebben we herstructurering na herstructurering meegemaakt. Ik kan het eerlijk gezegd niet meer volgen. Bizar genoeg worden er toch nog nieuwe mensen aangeworven. Bij de reorganisaties worden vooral de oudere werknemers geviseerd. Er werken hier steeds minder mensen met jarenlange dienst, de statistieken bewijzen dat. Maar ook kritische werknemers moeten op hun tellen passen. Na de fusie met Lucent heeft in het management de ‘Amerikaanse stijl’ zijn intrede gedaan: kritiek wordt sindsdien steeds minder getolereerd.”
Frank: “Toen ik bij Bell begon, was de sfeer veel beter. Nu is het enkel nog werken en stress. In ruil krijgen we amper waardering.”
Wim: “Onze jonge collega’s weten dat het slecht gaat, maar ze zien hun huidige baan meer als een manier om ervaring op te doen. Ze redeneren: ‘Als we aan de deur gezet worden, vinden we wel iets anders.’ Potentiële nieuwelingen horen ook dat er problemen zijn, maar schijnbaar vormt dat geen beletsel om toch te solliciteren.”
Frank: “Het Antwerpse management wordt volledig door Parijs gedirigeerd. Niets mag of kan zonder de goedkeuring van de Europese hoofdzetel. De fusie met Lucent heeft nog niets positief opgeleverd. Als werknemer op de financiële afdeling zie ik dat de resultaten er niet beter op worden. Ik mag daar geen details over geven; ik kan alleen maar zeggen dat Alcatel-Lucent Bell veel kosten moet dragen voor engineering en voor het IPTV-center (centrum voor ontwikkeling van internettelevisie –nvdr).”
Wim: “Er wordt ontzettend veel hoogtechnologisch werk gedelokaliseerd naar China of India. Ik maak me daar zorgen over. Het is zeker goedkoper om werk naar daar te versassen, maar eerlijk gezegd is de kwaliteit heel wat minder. Het kost ons soms veel tijd en energie om alle miskleunen te herstellen. Ik vraag me af of onze klanten daar tevreden mee zijn.”
Frank: “Wat de toekomst voor ons bedrijf brengt? God mag het weten, maar ik hoop dat het tij snel keert.”
“De toekomst oogt niet zo zwart”
Overleeft Alcatel-Lucent haar eigen fusie? Onafhankelijk financieel analist Gert De Mesure gelooft van wel. “Ik twijfel er niet aan dat de leiding de touwtjes nog in handen heeft”, zegt hij. “Ze komen deze crisis echt wel te boven – ook hier in Antwerpen. Met hun producten is trouwens niets mis. Het lijken sombere tijden voor Alcatel-Lucent, maar dat geldt eigenlijk voor de hele technologie- en telecomsector. Alcatel -Lucent heeft dubbele pech omdat de onderneming de laatste tijd vooral met afdankingen in het nieuws gekomen is.”
Is de malaise in de groep dan vooral een kwestie van perceptie? “Niet helemaal, maar de toekomst oogt niet zo zwart als je op het eerste gezicht zou denken. Alcatel was de eerste in de sector die is beginnen saneren. De rest is gevolgd, of zal nog volgen.”
Ceo Paul Depuydt: “Er dreigt geen nieuwe herstructurering”
“Over de resultaten van 2007 van Alcatel-Lucent Bell kan ik geen uitspraken doen”, zegt ceo Paul Depuydt. “Alleen dat de cijfers van het vierde kwartaal er veelbelovend uitzien.” Wordt 2008 dan niet het jaar van erop of eronder? “Het is belangrijk dat we kwartaal na kwartaal tonen dat er vooruitgang is.”
Na de monsterfusie van Alcatel en Lucent in 2006, eindigde 2007 als een annus horribilis met 3,52 miljard euro groepsverlies. “Het resultaat in Amerika was minder dan verwacht”, geeft ceo Paul Depuydt van de Antwerpse vestiging Alacatel-Lucent Bell met gevoel voor understatement toe. “Hoopgevend is dat voor de hele groep het vierde kwartaal beduidend beter was dan het jaar voordien.”
De omzet steeg dat laatste kwartaal met 18%, toch werd er een verlies geboekt van 2,58 miljard euro, vier keer meer dan in 2006. Dat verlies was vooral te wijten aan 2,5 miljard euro aan afschrijvingen. Maar ook zonder die eenmalige afschrijvingen zou