Ali Soufan

Jarenlang speelde Ali Soufan als FBI-agent een belangrijke rol in de strijd tegen Al-Qaeda. Als ondervrager haalde hij cruciale informatie uit gearresteerde terroristen. Tot de CIA zich met de ondervragingen ging bemoeien en waterboarding en andere martelpraktijken introduceerde. “Die harde ondervragingstechnieken hebben niets opgeleverd.”

Van 1997 tot 2005 werkte Ali Soufan (37) als specialist in antiterreur voor het FBI. Als zoon van een Libanese journalist groeide Soufan op in Beiroet. Later verhuisde hij samen met zijn ouders naar de VS. Hij startte zijn carrière als jonge politieagent in de straten van New York. Het FBI rekruteerde hem als antiterreuragent, onder andere omwille van zijn perfecte kennis van het Arabisch. Soufan verdiende zijn sporen als onderzoeker naar, en ondervrager van de verantwoordelijken achter de zelfmoordaanslag op de Amerikaanse torpedojager USS Cole in oktober 2000. Na 9/11 ondervroeg hij verschillende verdachten in Guantánamo. Soufan: “Guantánamo was opgericht als basis voor het verzamelen van inlichtingen. Opgepakte strijders van op het slagveld in Afghanistan werden er ondervraagd. In die tijd wisten we nog niet wie ‘goed’ of ‘slecht’ was. Dus werden ze ‘verzameld’ op een plaats, waar de goeden van de slechten gescheiden zouden worden. Jammer genoeg werd er na het ondervragen geen werk gemaakt van de noodzakelijke tweede stap: vervolgen of vrijlaten.”

Ali Soufan bood de verdachten die hij ondervroeg thee aan, discussieerde met hen in vloeiend Arabisch over religie en politiek en slaagde er na urenlange sessies in om hen waardevolle informatie te ontfutselen. In de zomer van 2005 verliet Soufan het FBI. Hij richtte een beveiligingsfirma op en hulde zich in stilzwijgen, zoals het een ex-FBI-agent betaamt.

Tot de Amerikaanse minister van Justitie Eric Holden in april van dit jaar voor opschudding zorgde door de zogenaamde Torture Memos of folternota’s vrij te geven. In die vier nota’s beschrijven Holdens voorgangers tot in detail de ‘harde methoden’ die de CIA mocht gebruiken om terrorismeverdachten te ondervragen. De memo’s gaven CIA-agenten en contractors van de CIA toestemming om gevangenen tot 180 uur na elkaar van hun slaap te beroven, of urenlang naakt tegen een muur te laten staan. Er werden technieken in beschreven zoals waterboarding en walling.

Bij waterboarding wordt de gevangene aan handen en voeten op een aflopende plank vastgebonden, met zijn hoofd onderaan. Er wordt een dweil over zijn hoofd gelegd, waarover water wordt gegoten. Als de dweil vol water zit, krijgt de gevangene 40 seconden lang geen lucht. De gevangene denkt dat hij aan het verdrinken is en raakt in paniek.

Bij walling wordt de gevangene tegen een flexibele, valse muur geplaatst, waarna hij “snel en stevig” tegen de muur wordt geslagen. De muur is zo geconstrueerd dat ze het geluid van elke slag versterkt. De gevangene krijgt daardoor het gevoel dat hij harder geslagen wordt dan in de realiteit, en raakt – opnieuw – in paniek.

Toen Ali Soufan de folternota’s onder ogen kreeg, vond hij de tijd rijp om zijn stilzwijgen te doorbreken. Hij reageerde op 23 april 2009 met een vlammende open brief in de New York Times. “Zeven jaar lang heb ik gezwegen”, schreef hij. “Maar door de publicatie van de foltermemo’s is de tijd rijp om de puntjes op de i te zetten. De vier memo’s claimen dat harde technieken zoals waterboarding effectief waren en heel wat informatie opgeleverd hebben. Daar is niets van waar. Ze hebben er alleen voor gezorgd dat de CIA en het FBI lange tijd niet on speaking terms waren en ze hebben het imago van de VS in de wereld zware schade toegebracht.”

Een maand later, op 13 mei, legde Soufan een getuigenis af voor de Commissie Justitie van de Amerikaanse Senaat, waarin hij opnieuw uitdrukkelijk stelde dat de harde ondervragingstechnieken van de CIA niets dan schade en schande opgeleverd hebben. “Alleen de eerste fatsoenlijke ondervragingen door het FBI hebben resultaat gehad.”

Abu Zubaydah

In maart 2002 werd de Saoedische Al-Qaeda-terrorist Zayn al-Abidin Muhammad Husayn, alias Abu Zubaydah, door FBI en CIA-agenten gearresteerd in Pakistan. Zubaydah stond geboekstaafd als een naaste vertrouweling van Osama bin Laden en als Chief Operating Officer van Al-Qaeda. Tijdens zijn arrestatie raakte Zubaydah zwaar gewond. De FBI-agenten Ali Soufan en Steve Gaudin waren de eersten die hem op een geheime locatie ondervroegen. Ali Soufan: “We hadden veel ervaring in het ondervragen van Al-Qaedaterroristen. We werkten samen met de plaatselijke CIA-agenten en hielden ons volledig aan het boekje – de Informed Interrogation Approach uit het Army Field Manual. Die benadering wortelt vooral in de ervaringen die het Amerikaanse leger opgedaan heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog en tijdens de oorlog in Vietnam. Het komt erop neer dat je je als ondervrager moet inwerken in de details van een zaak, de cultuur van de ondervraagde moet kennen en zijn ideologie en denkwijze moet doorgronden. Al die dingen speel je tijdens de ondervraging voortdurend tegen elkaar uit. Als ondervrager ben je de enige waarmee de gevangene kan communiceren. Door hem op een familiaire, vriendelijke, respectvolle manier te benaderen, breng je hem in verwarring. Want dat is niet direct wat hij van een ‘vijandige’ ondervrager verwacht.”

Het eerste wat Soufan aan Zubaydah vroeg was zijn echte naam. Soufan: “Zubaydah antwoordde met zijn alias. ‘Vind je het erg als ik je Hani noem?’ vroeg ik hem. Dat was de troetelnaam die zijn moeder hem als kind gaf. Hij keek me geschrokken aan en zei: ‘Oké.’ Binnen het uur haalden we belangrijke informatie uit hem. De toenmalige CIA-directeur George Tennet was zo zwaar van onze resultaten onder de indruk dat hij instructies gaf om ons te feliciteren. Maar van zodra hij hoorde dat we FBI-agenten waren, trok hij die felicitaties in en stuurde hij vanuit Washington CIA-agenten en contractors van CTC (een privébeveiligingsfirma van voormalige CIA-agenten – JS) overzee om de ondervragingen van ons over te nemen.”

In tegenstelling tot het FBI mag de CIA geen ondervragers in dienst hebben. Dus maakte ze voor ondervragingen van verdachten gebruik van de diensten van contractors zoals CTC. De voornaamste taak van de geheime dienst CIA is inlichtingen verzamelen. Het FBI heeft politionele bevoegdheid: ze onderzoekt misdrijven, spoort actief vermeende misdadigers op en mag daarvoor mensen ondervragen. Het FBI is binnen en buiten de VS actief; de CIA mag alleen buiten de VS opereren. Daarom richtte de CIA geheime gevangenissen in het buitenland op, waar ze ver van nieuwsgierige blikken terreurverdachten door contractors kon laten ondervragen.

De dagen na zijn arrestatie verslechterde de toestand van de zwaar gewonde Abu Zubaydah zienderogen. Ali Soufan en Steve Gaudin besloten om hem over te brengen naar een ziekenhuis. “Daar bleven we hem ondervragen. We hielden rekening met zijn slechte medische conditie, maar probeerden tezelfdertijd zoveel mogelijk informatie uit hem te halen over acute terroristische dreigingen. Met succes. Zubaydah sprak toen ook voor het eerst over Khalil Sheikh Mohammed als het brein achter de aanslagen van 9/11 en over zijn eigen functie binnen Al-Qaeda.”

Toen de CIA-agenten en de CTC-contractors uit Washington arriveerden, werden Soufan en Gaudin buitenspel gezet. “Bij hun ondervragingen introduceerden de contractors meteen andere, harde verhoortechnieken. Zubaydah werd naakt ondervraagd en werd 48 uur lang wakker gehouden. Op dat moment waren de zogenaamde foltermemo’s zelfs nog niet geschreven. Het resultaat was niet dat Zubaydah begon te praten, maar wel dat hij helemaal dichtklapte.”

Na een week zonder bruikbare informatie van Zubaydah besloot het CIA-hoofdkwartier in Washington om Soufan en Gaudin terug de leiding te geven over de ondervragingen. “Zubaydah vertelde ons toen over de plannen van ‘dirty bomber’ Jose Padilla. Maar een paar dagen later namen de CTC-contractors de ondervraging opnieuw fors in handen. Nu namen ze hun toevlucht tot luide muziek en experimenteerden ze met het extreem manipuleren van de temperatuur in Zubaydahs cel.”

‘Verbeterde verhoortechnieken’

Op 1 augustus 2002 schreef de hooggeplaatste jurist van het Ministerie van Justitie Jay Bybee de eerste foltermemo. In 2005 zouden er nog drie updates volgen. De nota van 2002 was een antwoord op een specifieke vraag van het toenmalige machtige hoofd van de juridische dienst van de CIA, John Rizzo. Rizzo vroeg zich af hoe ver CIA-agenten en CTC-contractors mochten gaan in het ondervragen van Al-Qaeda-terrorist Abu Zubaydah. De memo leest als een gedetailleerde cataloog van inventieve foltertechnieken. In naam van de toenmalige minister van Justitie John Ashcroft en van president Bush, somt Bybee tien ‘Enhanced Interrogation Techniques’ – verbeterde verhoortechnieken – op. Naast waterboarding en walling bestaan de ‘verbeterde technieken’ onder andere uit: gevangenen urenlang van hun slaap beroven, hen 18 uur lang opsluiten in een kleine donkere kist, hen geboeid in lastige houdingen laten staan, hen urenlang naakt opsluiten in een ijskoude cel, hen meermaals in het gezicht slaan (“De ondervrager slaat de verdachte in het gezicht met de vingers licht gespreid. De hand maakt contact met het gebied tussen de top van de kin van de verdachte en de onderkant van de daarmee corresponderende oorlel. Het doel is om de verdachte te shockeren, verrassen en/of vernederen.”). De CIA-ondervragers krijgen ook toestemming om de insectenfobie van Abu Zubaydah maximaal uit te buiten. Ze mogen de geblinddoekte terreurverdachte samen met een (“onschadelijk”) insect in een afgesloten kist plaatsen en hem wijsmaken dat hij op elk moment dodelijk gestoken kan worden.

De CTC-contractors brachten de foltermemo meteen in de praktijk. Abu Zubaydah zou in totaal minstens 83 keer aan de techniek van het waterboarden onderworpen worden. Ali Soufan ontdekte de kist waarin Zubaydah samen met het insect opgesloten zou worden – “het ding zag eruit als een doodskist.” Soufan belde razend naar zijn oversten bij het FBI. “Ik liet hen weten dat ik met dat hele gedoe niets te maken wou hebben. Robert Mueller, de directeur van het FBI, gaf me gelijk. ‘We don’t do that’, reageerde hij. En ik werd helemaal van die zaak af gehaald.”

“De memo’s van Justitie uit 2005 beweren dat de Enhanced Interrogation Techniques succesvol waren en dat Abu Zubaydah pas begon te praten na 1 augustus 2002. Dat is niet waar. Alle zogenaamde successen zijn in de memo’s opzettelijk verkeerd gedateerd. Zo stelt een memo dat Zubaydah Jose Padilla aan de galg praatte na een waterboardingsessie. Waterboarding werd officieel goedgekeurd met de memo van 1 augustus 2002 en officieus geïntroduceerd midden juli van datzelfde jaar. Terwijl Padilla al gearresteerd werd in mei 2002 als gevolg van de informatie die Zubaydah aan óns gegeven had.”

 

Competitie

Nadat de directie van het FBI zich gedistantieerd had van de door de regering uitgevaardigde eerste foltermemo, kreeg de CIA vrij spel in het hard ondervragen van terreurverdachten. Volgens Ali Soufan waren de meeste CIA-agenten op het terrein het niet mee eens met de koers die hun leiding volgde. “Op ‘de werkvloer’ waren er geen verschillende visies tussen agenten van het FBI en van de CIA. Er is natuurlijk altijd competitie geweest tussen FBI en CIA. Net zoals je dat in Engeland ziet tussen Scotland Yard, MI5 en MI6. Tot op zekere hoogte is dat zelfs gezond. Maar na 9/11 werd alles plots veel gecompliceerder.”

Soufan wijst met een beschuldigende vinger naar de regering Bush die de politieke lijn in de strijd tegen terreur uitzette en de CIA in het folterkeurslijf dwong. Hij vraagt zich ook af of de contractors in hun harde ondervragingen niet nog verder gegaan zijn dan wat door de foltermemo’s was toegestaan.

Leon Panetta, de door president Obama benoemde directeur van de CIA, heeft ondertussen alle contracten met contractors voor ondervragingen stopgezet, de geheime gevangenissen in het buitenland gesloten en een memo uitgevaardigd dat ondervragingen van terreurverdachten moeten gebeuren volgens de regels van het Army Field Manual.

Grote voorstanders van de ‘Enhanced Interrogation Techniques’, zoals de voormalige vice-president Cheney, beweren dat de harde technieken informatie van onschatbare waarde opgeleverd hebben en dat ze Amerika gevrijwaard hebben van nieuwe aanslagen. Michael Hayden, die van mei 2006 tot februari 2009 de CIA leidde, stelt onomwonden dat de harde ondervragingen zijn agenten van de ene grote vis naar de andere leidden. Ali Soufan betwist dat. “Het is hoogst onzeker dat de brute technieken, noem het foltering als je wil, ooit een mensenleven gered hebben of bruikbare informatie opgeleverd hebben. Alle ‘succesvolle’ voorbeelden die door de vorige Amerikaanse regering gegeven zijn, blijken niet te kloppen. Zo beweert ze dat Abu Zubaydah na een sessie waterboarding Khalil Sheikh Mohammed aanduidde als het brein achter de aanslagen van 9/11. Maar Zubaydah heeft ons die naam gegeven in april 2002, drie maanden vóór waterboarding geïntroduceerd werd.”

“We weten dat alle harde technieken – zelfs de meest extreme uit de memo’s van het ministerie van Justitie – niets voorstellen in vergelijking met wat leden van Al-Qaida bereid zijn om te doorstaan. We zijn de verkeerde kant opgegaan in het bestrijden van Al Qaida door onze ondervragingstechnieken te verruwen. Al-Qaida-leden willen gefolterd worden, ze smeken er bijna om. Onze door Justitie goedgekeurde ‘harde technieken’ waren gewoon niet hard genoeg om hen te laten breken. Een ondervrager die succes wil hebben, mag niet meegaan in wat een Al-Qaeda-lid verlangt en verwacht. Hij moet hem slim ondervragen – want daar zijn terroristen niet op voorbereid. Al de successen die wij haalden, waren het gevolg van slimme verhoortechnieken. Alle valse ‘resultaten’ die daarna kwamen, zijn volledig toe te schrijven aan de ‘verbeterde’, harde ondervragingstechnieken.”

©Jan Stevens

Churchill, Roosevelt & Stalin

In 1945 proostten Churchill, Roosevelt en Stalin in Jalta op hun nakende gezamenlijke overwinning op de nazi’s. Hoe broederlijk was die toost? Wie manipuleerde wie? Historicus Laurence Rees reconstrueerde de onderlinge verhoudingen tussen ‘de Grote Drie’. “Churchill en Roosevelt waren heimelijk jaloers op Stalins absolute macht.”

De val van de Berlijnse Muur in 1989 was voor de Britse historicus, journalist en documentairemaker Laurence Rees het begin van een jarenlange odyssee doorheen Rusland en Oost-Europa. Hij interviewde er tientallen Rode Legerveteranen en voormalige geheim agenten die actief waren tijdens de Tweede Wereldoorlog. “Zolang de communisten de macht in handen hadden, kon niemand een zinnig woord schrijven over de politiek en de rol van de voormalige Sovjet-Unie tijdens WO II”, zegt Rees. “Alle archieven waren gesloten en het was onmogelijk om met getuigen te praten. De val van de Muur zorgde voor een radicale verandering.”

Laurence Rees verzamelde een schat aan nieuwe informatie waardoor hij de ‘intieme’ verhoudingen gedetailleerd in kaart kon brengen tussen ‘de Grote Drie’: Sovjetdictator Jozef Stalin, de Britse premier Winston Churchill en de Amerikaanse president Franklin Roosevelt. Hij schreef er het fantastische World War II: Behind Closed Doors over en bewerkte het boek tot een zesdelige BBC-documentairereeks.

Katyn

Laurence Rees start zijn boek met de boude stelling dat voor miljoenen mensen achter het IJzeren Gordijn de Tweede Wereldoorlog niet in 1945 eindigde, maar in 1989 met het einde van het communisme. Rees: “Als je ervan overtuigd bent dat het einde van de oorlog eindelijk ‘vrijheid’ bracht voor de landen die onder de nazibezetting gebukt gingen, volgde de bevrijding voor de landen van het voormalige Oostblok pas 45 jaar later. In 1945 ruilden ze de ene tiran in voor de andere.

Ik ben opgegroeid in de zeventiger jaren. Op school leerde ik in de lessen geschiedenis dat de Tweede Wereldoorlog een morele oorlog was, die draaide om het verslaan van het grootste kwaad dat de wereld ooit gezien had. Onze leerkrachten focusten op de slag om Duinkerken, D-Day en op de dappere Britten die steeds verder oprukten en dat arme België en Frankrijk bevrijdden. Dag na dag werd ons ingelepeld: ‘My goodness, wat zijn wij toch een fantastisch volk!’ Ook al waren we het Empire kwijt, op moreel vlak bleven we onovertroffen. Natuurlijk schonken onze leerkrachten af en toe aandacht aan bondgenoot Stalin, maar die geschiedenis deed niet echt ter zake. Ik beweer niet dat onze lessen geschiedenis helemaal bij het haar getrokken waren – niemand ontkent dat er dappere soldaten vochten in Duinkerken of op de stranden van Normandië – maar de nobele Britse strijd is maar een klein deeltje van de hele waarheid. Pas toen ik films over WO II begon te maken en in contact kwam met mensen uit het oosten, besefte ik hoe gekleurd onze visie al die jaren geweest is. De Polen kijken totaal anders tegen de oorlog aan. Ze hebben enorm geleden onder het communistische juk. Voor hen kwam de bevrijding in 1989. De Baltische staten kregen hun vrijheid in de vroege jaren negentig. Ze zijn nog steeds bang van de Russen. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat al die ex-oostbloklanden dolgraag bij de NAVO willen.”

De Duitsers vielen op 1 september 1939 West-Polen binnen. De Russen vielen twee weken later Oost-Polen binnen. De inval van de Russen lijkt uit ons collectieve geheugen gewist?

REES: Ja, en dat is heel bizar. Wij verklaarden de oorlog aan de Duitsers omdat ze op 1 september 1939 het westen van Polen waren binnengevallen. Als gevolg van een niet-aanvalspact dat Stalin een maand eerder met Hitler sloot, viel hij op 17 september 1939 het oosten van Polen binnen. De Duitsers namen de ene helft, de Russen de andere. Op 3 september verklaarden De Britten en de Fransen de oorlog aan Duitsland. Toen Stalin ‘zijn’ deel van Polen annexeerde, reageerde niemand. Tot op de dag van vandaag hebben de Polen dat bezette land nooit terug gekregen. Die 17e september schoof de grens tussen Polen en de Sovjet-Unie bijna 200 kilometer op. De Sovjets gedroegen zich afschuwelijk in Oost-Polen. Er werd verkracht, gemarteld, eigendommen werden ingepikt, mensen werden opgesloten en vermoord, met als trieste ‘hoogtepunt’ de slachtpartij van de officieren in Katyn. Op het einde van de oorlog mocht Stalin van Churchill en Roosevelt ‘zijn’ stuk van Polen houden.

U hebt voormalige officieren en soldaten uit het Rode Leger geïnterviewd over hun strooptochten door Polen. Was het moeilijk om hen aan de praat te krijgen?

LAURENCE REES: Soldaten en officieren van het Rode Leger en ex-agenten van de geheime dienst NKVD lieten verbazingwekkend snel het achterste van hun tong zien. Het was veel gemakkelijker om hen te interviewen dan voormalige nazi’s. Mijn gesprekspartners praatten vrijuit over hoe ze mensen gemarteld hebben en gaven me inzage in de meest afschuwelijke vormen van repressie. Het was een fluitje van een cent om iemand te laten vertellen: “We sloten hen op en sloegen hen tot bloedens toe.” Slechts één onderwerp bleef taboe: verkrachting. Terwijl ik er zeker van ben dat onwaarschijnlijk veel soldaten van het Rode Leger zich bezondigd hebben aan verkrachtingen. Ik heb twaalf jaar lang intensief met soldaten en NKVD-agenten gesproken. Als het onderwerp verkrachting ter sprake kwam, kropen ze in hun schulp. Na veel aandringen gaven ze toe dat een paar van hun vrienden zich daar schuldig aan gemaakt hadden. Maar zij? Nooit.

Net zoals ik op school leerde dat de Britten een nobele, morele kruisvaart voerden, leerden de Russen over de immense opofferingen van hun jongens. Alle Russen hebben geleerd dat die offers nooit eerder in de geschiedenis van de mensheid vertoond zijn. Net als in alle grote nationale mythes zit er waarheid in dat ‘geloof’. Er bestaat geen twijfel over dat de Sovjets het meeste aantal mensen opgeofferd hebben. Maar dat geeft hen niet automatisch het recht op het statuut van ‘heilig boontje’.

De massamoord in Katyn loopt als een bloederige rode draad doorheen uw boek.

REES: Katyn is de kanker die doorheen de relaties loopt tussen Roosevelt, Churchill en Stalin. Het is exemplarisch voor de problemen die je op je nek haalt als je afspraakjes met een monster maakt om een ander monster te verslaan.

Op 5 maart 1940 tekende Stalin hoogstpersoonlijk het doodvonnis van meer dan twintigduizend prominente burgers uit Oost-Polen, de meerderheid officieren uit het Poolse leger. In ’43 kwamen de moorden aan het licht toen de Duitsers een massagraf ontdekten in het woud van Katyn. De nazi’s schakelden die ontdekking in hun propagandaoorlog in. De Britten en Amerikanen minimaliseerden de slachtpartij in Katyn om Stalin toch maar niet voor het hoofd te stoten.

Ik heb lang gedacht dat de misdaden van de Sovjets in Polen een gevolg waren van wat de nazi’s hen hadden aangedaan – een illustratie van de Bijbelse wijsheid: ‘Wie wind zaait, zal storm oogsten.’ Maar die uitleg houdt natuurlijk geen steek voor wat ze in Polen in 1939 en ’40 aangericht hebben. Want toen gold het niet-aanvalspact met de nazi’s. En toch gedroegen de Sovjets zich als echte beesten. Of dat een gevolg was van het stalinisme? De 19e-eeuwse tsaar Nicolaas I hield ook al van een flinke portie wreedheid. Wij Britten waren ook niet zo lief tegen de Noord-Ieren, en de Belgen hebben in Congo menige arm afgehakt. Natuurlijk was het geen lachertje om in de Sovjet-Unie onder het juk van Stalin te moeten leven. Er was geen enkele vorm van vrije meningsuiting; het regime was uitgesproken antireligieus, tegen elke vorm van individuele expressie, tegen alles wat het leven de moeite maakt om geleefd te worden.

Met Stalin als oppermachtige psychopaat?

REES: Dat beeld van Stalin als psychopaat leeft bij veel mensen, maar is een grote misvatting. Churchill en Roosevelt stonden oorspronkelijk erg sceptisch tegenover Stalin. Hun scepticisme verdween nadat ze hem ontmoet hadden. In de omgang bleek hij niet het monster te zijn dat ze in gedachten hadden. De toenmalige Britse minister van Buitenlandse Zaken Anthony Eden ontmoette Stalin in december 1941. Naderhand schreef hij: “Ik probeerde me tijdens onze ontmoeting Stalin voor te stellen, druipend van het bloed van zijn vijanden, maar dat lukte gewoon niet.”

Churchill schudde de Sovjetdictator voor het eerst de hand in augustus ’42. Achteraf jubelde hij: “Stalin is een grote mijnheer!” Stalin verschilde totaal van Hitler of Mussolini. Britse politici hadden die laatste twee voor de oorlog ontmoet en catalogeerden hen onder het hoofdstuk ‘monster’. Op een meeting met Hitler kon niemand een woord inbrengen. Zijn architect Albert Speer vertelde daarover: “Je liet een trefwoord vallen, en de Führer was voor uren vertrokken. Je kon er geen speld meer tussen krijgen.” Als je zei: “Wel, de joden…”, reageerde de Führer met: “Joden!” En weg was hij voor een tirade van een half uur tegen de joden. Stalin gedroeg zich totaal anders. Hij zei niet veel – hij luisterde.

Stalin was een intense, intelligente luisteraar, met een cynisch gevoel voor humor. Churchill en Roosevelt voelden zich heimelijk tot hem aangetrokken. Ik wil niet suggereren dat Churchill en Roosevelt in het diepste van hun gedachten de democratie wilden elimineren, maar ze vonden het opwindend om te kunnen wheelen and dealen met een man die niet verkozen moest worden, en die gewoon kon zeggen: “Weet je wat? Maak ze allemaal af.” De immense persoonlijke macht van Stalin wond Churchill en Roosevelt op. Er is die veelzeggende dialoog tussen Churchill en Stalin op de conferentie van Potsdam in 1945. Omwille van de verkiezingen moet Churchill terug naar Groot-Brittannië. Hij is bang dat hij niet opnieuw verkozen zal geraken. Stalin zegt tegen hem: “Je zou die verkiezingen beter afschaffen.” Stalin had dat aura van stille, immense macht rond zich hangen. En hij was duidelijk niet gek.

Maar hij joeg wel miljoenen mensen over de kling.

REES: Hij moordde omdat hij in dingen geloofde. Veel misdaden in de geschiedenis zijn een gevolg van het geloof en het idealisme van mensen. Net als Hitler geloofde Stalin in idealen. Stalin is geen dictator zoals Saddam Hoessein, die mensen uit hebzucht liet opruimen. Stalin stuurde meubels uit zijn appartement in het Kremlin terug omdat ze te nieuw waren. Hij zag er uit als een schooier en bezat amper drie kostuums. Hij was niet geïnteresseerd in het materiële. Hij deed zijn job uit overtuiging; hij was een ‘gelovige’. En hij telde veel volgelingen, ook hier in Groot-Brittannië.

Duivelspact

Voor communisten in het westen moet het een zware schok geweest zijn toen Stalin zijn pact met de nazi’s sloot.

REES: De vergaderingen van de Britse communistische partij verliepen toen erg moeilijk. Maar als communist geloofde je in idealen, en geloofde je in vadertje Stalin. “Kameraad Stalin heeft toegang tot informatie die wij niet kennen. Er moet dus wel een goede reden zijn voor dat pact met Hitler. Laten we hem steunen.” Het geloof in Stalin was een vorm van religie. Vervang ‘kameraad Stalin’ door God: ‘Ik weet niet waarom God zo’n pact sluit. Maar ik geloof, dus zal er wel een reden zijn waarom Hij dat doet.”

Sommige historici zijn ervan overtuigd dat loyaliteit belangrijk was voor Stalin. Ik geloof daar geen snars van. Hij is de meest eenzame mens die ooit geleefd heeft. Na de zelfmoord van zijn vrouw heeft hij nooit nog een betekenisvolle intieme relatie met iemand gehad. Zijn minister van Buitenlandse Zaken Vyacheslav Molotov heeft Stalin altijd loyaal en trouw gediend. Op het einde van de oorlog behandelde Stalin hem als een stuk vuil. Molotov was getrouwd met Polina Semyonovna en stapelzot verliefd op haar. Stalin vertrouwde haar niet, liet haar oppakken en verbannen. Vervolgens gooide hij Molotov uit het Politburo.

Stalins pact met Hitler uit 1939 ging wel erg ver: u beschrijft hoe hij materiële hulp offreerde aan de Duitsers.

REES: Veel mensen weten dat niet. Dit is nieuw materiaal. Stalin hielp Hitler economisch en militair. Zo kregen de Duitsers een bevoorradingsbasis in Moermansk. Een recent ontdekt officieel document citeert de woorden van Stalin aan de nazi-onderhandelaar Joachim von Ribbentrop in september ’39: “We zullen het Duitse leger komen helpen als het in de problemen zit.”

Toen Stalin zijn ‘duivelspact’ met Hitler sloot, gokte hij erop dat de Führer hem met rust zou laten. Dat was een serieuze misrekening?

REES: Vanuit Stalins oogpunt was de deal met de nazi’s pragmatisch en voor de hand liggend. Ze verdeelden Polen onder elkaar, in ruil lieten ze elkaar met rust. Niemand geloofde dat de nazi’s in staat waren om de Fransen, de Belgen en de Nederlanders in de pan te hakken. Het Duitse leger was helemaal niet geniaal, superbewapend en technologisch hoogstaand. In die tijd hadden de Britten en de Fransen meer tanks dan de Duitsers. De nazi’s hebben toen ontzettend veel geluk gehad. Tezelfdertijd waren ze zeer gedisciplineerd en geloofden ze in hun idealen.

Stalin had niet verwacht dat de Duitsers zo snel succes zouden boeken en kon eerst niet geloven dat de Fransen zich overgaven. Iedereen was stomverbaasd dat Hitler de klus in zes weken klaarde. Op 22 juni 1941 viel de Führer de Sovjet-Unie binnen. Zijn generaals dachten: “Dit wordt even gemakkelijk.” Ze hebben er zich flink aan mispakt.

Groot klein kind

Uit uw boek komt Winston Churchill naar voor als een vat vol emoties.

REES: Als ik naar oud filmmateriaal van Churchill kijk, krijg ik altijd het gevoel dat ik naar een acteur zit te kijken die een slechte vertolking van Churchill geeft. Winston Churchill was zo over the top. Je zou hem willen laten stoppen, en vragen om het nog eens opnieuw te doen, met minder overdrijvingen.

Winston Churchill was immens charismatisch, met grote ups en diepe downs. Hij gedroeg zich vaak kinderachtig verveeld. Hij was open, bombastisch… Hij droomde er echt van om een grote historische figuur te worden.

De eerste ontmoeting tussen Churchill en Stalin in Moskou in augustus ’42 was een heel bijzondere gebeurtenis.

REES: Churchill gedroeg zich toen echt als een groot klein kind. Hij raakte helemaal over zijn toeren toen Stalin de Britten ervan beschuldigde dat ze de Russen in de steek lieten in de strijd tegen de nazi’s. “Beseft die boer niet dat hij te maken heeft met de eerste minister van het Britse Rijk?” brieste hij. Churchill was in zijn trots gekrenkt en wilde niet naar een galadiner dat de Sovjets ter zijner ere hadden georganiseerd. Na veel aandringen van zijn diplomaten ging hij uiteindelijk toch. Uit protest kleedde hij zich in plaats van in smoking in een idiote overall. Hij wou het liefst terug naar Groot-Brittannië stormen, omdat hij vond dat Stalin hem niet met het juiste respect behandelde. Op de laatste avond trakteerde Stalin uitgebreid met wodka. Churchills stemming draaide helemaal om. Na die zuippartij was Stalin plots weer de bovenste beste. Churchill zocht gevoelens in Stalin die de man gewoon niet bezat. Voor Churchill waren vriendschap, liefde en gevoel alles. Hij zat voortdurend te janken. Hij voelde alles. Stalin voelde helemaal niets. Maar Winston Churchill wou zo graag zijn vriendje zijn.

Wat voor een politicus was Franklin Roosevelt?

REES: Roosevelt vertelde nooit iets aan iemand. Hij bracht zijn eigen minister van Buitenlandse Zaken amper op de hoogte van wat er allemaal gebeurde – hij communiceerde zelfs niet met zijn vrouw over politiek. Tegen zijn minister van Financiën zei hij: “Ik laat mijn linkerhand nooit weten wat mijn rechterhand doet.” De Britten vonden het afschuwelijk om zaken met hem te doen. “Dankzij Roosevelt is het chaos in het Witte Huis”, zegden ze.

Roosevelt hield geen dagboek bij, geen notities, niets. Hij vertelde nooit iemand de volledige waarheid. Daardoor is het voor een historicus extra lastig om te achterhalen wat er in de man omging en wat zijn achterliggende motieven waren. Ik vermoed dat Roosevelt bij al zijn beslissingen opportunistisch rekening hield met het effect dat ze in Amerika konden hebben. Op het einde van de oorlog beloog en bedroog hij de Polen. Hij probeerde hen te doen geloven dat hij er niet mee instemde dat Stalin Oost-Polen mocht houden. Hij nam Stalin in vertrouwen en vertelde hem waarom hij de Polen beloog: “Er zijn miljoenen Poolse inwijkelingen in Amerika die in de verkiezingen van ’44 tegen mij kunnen stemmen.” Roosevelt was een opportunist, maar tezelfdertijd merkwaardig genoeg ook een visionair, want per slot van rekening is hij degene die de Verenigde Naties gecreëerd heeft.

Laurence Rees, geboren in 1957 

-          Rees is historicus, journalist en creatief directeur van de geschiedenisprogramma’s van de BBC

-          Hij maakte talloze bekroonde documentaires over de Tweede Wereldoorlog en schreef er zeven boeken over.

Laurence Rees. World War Two. Behind Closed Doors. Stalin, the Nazis and the West. BBC-Books. 442 blz. 21,15 euro.

 

©Jan Stevens

Gen voor geluk

Stel dat geluk een kwestie is van genetica. Stel dat er iemand op aarde rondloopt wiens gen voor geluk optimaal ontwikkeld is. Stel dat een wetenschapper erin slaagt om aan de hand van zijn of haar DNA de ultieme gelukspil te ontwikkelen. Zou u die pil dan slikken? Auteur Richard Powers denkt van niet: “We zijn niet in de eerste plaats op zoek naar geluk, wel naar zingeving.”

In zijn briljante roman Een gen voor geluk duikt de Amerikaanse auteur Richard Powers (52) diep in onze genenpoel. Hij vraagt zich af wat er zal gebeuren als er ooit een wetenschapper opstaat die beweert dat hij de genetische basis voor geluk ontsluierd heeft. In schitterend proza stelt Powers pertinente vragen over onze verwachtingen en over de rol van wetenschappers in onze queeste naar geluk. In Een gen voor geluk gaat Powers ook op zoek naar de zin of onzin van het schrijverschap. En passant geeft hij bikkelharde kritiek op de ranzige manier waarop al dan niet anonieme bloggers de persoonlijke levenssfeer van individuen op het net te grabbel gooien. “We zijn op een punt aanbeland waarop het persoonlijke en het publieke totaal in de war geraakt zijn. Het lijkt steeds meer alsof privacy een anachronisme geworden is.”

Miss Generosity

In Een gen voor geluk vertelt Richard Powers het verhaal van de tweeëndertigjarige mislukte schrijver Russell Stone. Stone werkt als eindredacteur voor een ‘zelfhulptijdschrift’ waarvan alle teksten geleverd worden door de abonnees. Toen hij pas als master in de kunst afgestudeerd was, leek het even alsof hij een succesvol schrijver zou worden. In een paar weken tijd slaagde hij erin om drie essays over bestaande mensen aan evenveel gerenommeerde tijdschriften te verkopen. Maar nadat zijn hoofdpersonages zich tegen hem keerden en een van hen zelfs een mislukte zelfmoordpoging ondernam, kreeg hij geen beklijvende zin meer op papier.

Op een dag krijgt Russell Stone het aanbod om tijdelijk aan de universiteit van Chicago een avondcursus ‘creatieve non-fictie’ te doceren. In die cursus maakt hij kennis met de jonge Algerijnse vluchtelinge Thassa Amzwar. Ondanks alle gruwelen die ze in haar geboorteland meegemaakt heeft, straalt Thassa van levensvreugde. Haar medestudenten raken in de ban van haar gelukzaligheid en noemen haar Miss Generosity – Miss Mildheid. Russell maakt zich zorgen over Thassa’s permanente opgewektheid. Hij vraagt zich af of ze aan een vorm van posttraumatische stress lijdt en gaat te rade bij de universiteitspsychologe Candace Weld. Ook zij laat zich overrompelen door Thassa’s levensvreugde.

De befaamde geneticus en gehaaide zakenman Thomas Kurton is al geruime tijd op zoek naar het gen voor geluk. Als hij hoort over het immer gelukkige Algerijnse meisje, wil hij haar genetisch materiaal onderzoeken. Zij gaat ermee akkoord, waarna Kurton fier aan de wereld laat weten dat hij het geluksgen op het spoor is. Russell en Candace moeten daarna lijdzaam toezien hoe Thassa vermalen lijkt te worden in een steeds hysterischer wordende mediahype.

Depressiegen

Richard Powers heeft een ijzersterke reputatie als het op het verweven van wetenschap in literatuur aankomt. In 1991 schreef hij The Gold Bug Variations, een eerste roman waarin genetica centraal stond. “Ik wou dolgraag dat onderwerp nu opnieuw behandelen”, zegt hij. “Want achttien jaar is een eeuwigheid in de genetica. Begin jaren negentig dachten we dat de mens over ontelbaar veel genen beschikt en dat elk gen één proteïne synthetiseert. We wilden de genendoos openen in de hoop een deterministisch model te ontdekken. Nu die doos voor ons open ligt, is genetica geëvolueerd naar genomica, de studie van genomen. We zijn geëvolueerd van een geloof dat we erfelijkheid kunnen begrijpen aan de hand van individueel gecodeerde genen, naar het besef dat we te maken hebben met een complex genenkluwen. De wetenschappers zijn erachter gekomen dat genetica allesbehalve eenvoudig en voorspelbaar is. Ze weten nu dat er veel turbulentie is die veroorzaakt wordt door massale prikkels van buitenaf.”

Een paar jaar geleden hebt u uw eigen genoom in kaart laten brengen.

“Ik ben de negende persoon op aarde die zijn genoom heeft laten sequencen. Eén van de conclusies was dat ik drager ben van het in 2003 door wetenschappers ontdekte depressiegen. Uit hun onderzoek bleek dat de werking van een bepaald gen het risico op depressie serieus vergroot. Nadat ik dat te horen kreeg, begon ik mezelf voortdurend te observeren en in vraag te stellen. Ik raakte er zelfs van overtuigd dat ik al heel mijn leven min of meer depressief was, maar dat ik het nooit zo had durven benoemen. Ik begon ook te geloven dat mijn schrijverschap een poging was om die donkere wolk te verdrijven. Tijdens het schrijven van mijn vorige roman, De echomaker, werd ik me bij mezelf bewust van een verlangen naar duisternis. Een gen voor geluk ben ik als een vorm van therapie beginnen schrijven. Toen dit boek in Amerika in de zomer van 2009 gedrukt werd, verscheen een nieuwe gezaghebbende studie die alle voorgaande studies over het depressiegen naar de prullenbak verwees. Ze stelde dat het veel te vroeg was om het betreffende gen aan depressie te koppelen. Van de ene op de andere dag voelde ik me stukken beter. (lacht) Op het einde van Een gen voor geluk komt Russell Stone tot een gelijkaardige conclusie: ‘Had Thassa Amzwar eigenlijk wel iets uitzonderlijks in haar genen waardoor ze steeds zo vrolijk door het leven huppelde? Of was haar eigen wil er misschien verantwoordelijk voor dat ze de stress uit haar omgeving het hoofd kon bieden?’ Het is nog veel te vroeg om te geloven dat gemoed en temperament gevat kunnen worden in een of andere genetische formule. De relatie tussen nature (aanleg) en nurture (opvoeding) is en blijft ongelooflijk gecompliceerd.

“De wetenschap levert fantastisch werk: we hebben ongelooflijke dingen bereikt in het ontrafelen en begrijpen van het menselijke genoom. Maar het probleem is dat onze vrije markteconomie ervoor gezorgd heeft dat wetenschap gezien wordt als de zoveelste competitieve business. Om subsidies en fondsen los te weken, moeten wetenschappers telkens weer de nadruk leggen op de potentiële commerciële toepassingen van hun nieuwe ontdekkingen. Wetenschappelijk onderzoek moet passen in ons geloof dat we ons probleem wel zullen kunnen oplossen als we maar de juiste pil nemen of op het juiste knopje drukken. Toeval moet uitgeschakeld worden en ‘kans’ moet vervangen worden door ‘keuze’.

“Ik zeg niet dat de wetenschap niet langer mag zoeken naar middelen om het geluksgevoel van mensen op te vijzelen. Wie met een depressie kampt, vindt vaak heil bij een pil. Maar ik vind wel dat we de leugen moeten doorprikken dat de wetenschap ons tegen betaling voortdurend middelen kan bieden om onze levensvreugde op te krikken. Door het model van ‘geluk-op-basis-van-producten’ te omarmen, vergeten we dat we in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor ons welbevinden. Teveel mensen leven nu in de veronderstelling dat wetenschap de zinsgevingsvragen voor hen zal oplossen. Prozac kan je depressie helpen verdrijven, maar daarnaast weet je ook dat je om een zinvol leven te leiden, genereus moet blijven tegenover andere mensen. Je moet zelf betekenis proberen geven aan elke dag op aarde. Een pil zal dat niet voor jou doen.”

Creatieve non-fictie

Een gen voor geluk begint in een heel bijzondere stijl. U zoomt in en uit op de hoofdpersoon Russell Stone tijdens zijn rit in de metro op weg naar zijn allereerste college creatieve non-fictie. Het moet geen sinecure geweest zijn om op die manier te schrijven?

“Dat is ook niet van de eerste keer gelukt. Ik ben dit verhaal beginnen schrijven op een veel realistischer manier. Rechttoe, rechtaan, in opeenvolgende conventionele scènes. Hoe dieper ik in het boek geraakte, hoe duizeliger ik werd van de gedachte van op welk soort wereld we aan het afstevenen zijn. Ik ervoer steeds meer de nood aan een nieuwe vorm van vertellen die de dingen telkens weer vanuit een ander perspectief bekijkt. Ik besloot de aanpak van mijn roman helemaal te herzien en creëerde een focustechniek om de vorm van het boek meer te laten aansluiten bij de inhoud.”

Voor zijn schrijfcursus gebruikt Russell Stone als leidraad het door u verzonnen boek Make your writing come alive van ene Frederick P. Harmon.

“Ik heb veel plezier beleefd aan het verzinnen van een boek dat de draak steekt met de schrijfindustrie. Creatief schrijven en je eigen boeken uitgeven, is in de VS een hype. Het lijkt op zelfhulp: ‘Hoe kun je een betere schrijver worden?’ Stone had voor zijn cursus creatieve non-fictie een cursusboek nodig, dus heb ik er zelf een verzonnen. Aan de ene kant is het werk van Harmon een parodie op het genre, aan de andere kant zitten er natuurlijk ook bruikbare tips in. In het geval van Russell Stone krijgt die schrijvershandleiding een bijzonder ironische bijklank. Hij heeft zijn schrijverschap aan de wilgen gehangen omdat zijn schrijven echt tot leven kwam, op zo een manier dat hij er bang van werd. Ooit was hij een begenadigd schrijver, maar nu werkt hij als eindredacteur bij een tijdschrift, waar hij ghostwriter is voor amateurs die amper een woord op papier kunnen zetten. Dat is zijn boetedoening voor zijn eigen mislukte schrijverscarrière. Hij wordt verliefd op de psychologe Candace Weld. Zij laat hem inzien wat er van hem geworden is. Dankzij haar neemt hij het drastische besluit om zijn leven een andere wending te geven.”

Waar staat de term creatieve non-fictie voor?

“Het is een vrij nieuwe ‘industrie’. Het staat voor essayistisch schrijven met een sterke verteller. Het creëert non-fictie die aanvoelt als een verhaal. Ken je dat oude boek Zen en de kunst van het motoronderhoud? Het is op het eerste gezicht een verhaal van een vader en zijn zoon, verteld in de derde persoon, terwijl het eigenlijk een meditatie over filosofie is. Het idee is dat je zelf als schrijver kan deelnemen aan een onderwerp waarbij in ‘normale omstandigheden’ de schrijver verborgen blijft. Creatieve non-fictie leest als een verhaal, terwijl het over feiten gaat. Die hele verhouding tussen feit en fictie is hot in de VS, met auteurs als James Frey en JT LeRoy en drukbezochte cursussen creatieve non-fictie aan de universiteiten.”

De zogezegd feitelijke verhalen waarmee Frey en LeRoy furore maakten, bleken tot op zekere hoogte verzonnen te zijn.

“Ja, hun verhalen leggen meteen ook de donkere kant van creatieve non-fictie bloot, want het genre wordt totaal onbetrouwbaar als het creatieve de werkelijkheid overwoekert. Je merkt hetzelfde in de media: er komt steeds meer persoonlijke bemoeienis van de journalist in de stukken die hij schrijft of in de reportages die hij voor tv draait. In het begin van Een gen voor geluk tobt Russell erover of het genre van memoir, het persoonlijke verhaal, op hol geslagen is. Hij heeft daar, net als ik, zeer tegenstrijdige gevoelens over. Het persoonlijke en het publieke worden vermengd. Kijk naar wat er gebeurt met Thassa: eerst is ze een anonieme deelneemster aan een wetenschappelijke studie, waarna ze plots het onderwerp wordt van bloggers. Zij raken door haar geobsedeerd en geloven dat haar private verhaal tot het publieke domein behoort. Wat Thassa overkomt, zie je nu voortdurend op het internet gebeuren, over de hele wereld. Vaak zijn die bloggers anoniem, of doen ze zich in commentaren voor als iemand anders. Ze verstoppen zich achter andere karakters, waardoor ze niet getraceerd kunnen worden. Er zijn in de VS heel wat bekende blogs waarin de blogger zich verschuilt achter een fictief personage en zo zijn vitriool rondstuurt. Iedereen verwijst naar dat fictieve personage en citeert hem, zonder dat de man of vrouw in kwestie rekenschap moet afleggen over wat hij of zij schrijft. Ik houd dat soort van bloggers verantwoordelijk voor de grote toename van wrok en haat in onze samenleving. Via hun anonieme karakters verkondigen ze hatelijke boodschappen die ze nooit openlijk in iemands gezicht zouden durven slingeren. De agressieve ondertoon van die berichten sijpelt door naar andere media en naar alledaagse conversaties tussen mensen. Je mag er vergif op innemen dat mensen daardoor binnenkort posters van Obama met Hitlersnor zullen meebrengen naar doordeweekse vergaderingen in achterafzaaltjes.”

Thassa Amzwar heeft afschuwelijke jeugdjaren meegemaakt in Algerije. Waarom Algerije?

“Veel mensen in Noord-Amerika en Europa kennen amper de recente gewelddadige geschiedenis van Algerije. Omwille van die relatieve onbekendheid heb ik Thassa daar ‘geplaatst’. Ik had ook een andere, bekendere brandhaard in de wereld kunnen kiezen, maar dan was het risico te groot dat lezers haar een politieke of religieuze stempel op het hoofd zouden drukken. Mijn vrouw heeft twintig jaar lang in Noord-Afrika geleefd. Haar ervaringen en contacten hebben me geholpen om meer te weten te komen over Algerije en de rest van Noord-Afrika. Ik heb Algerije zelf niet bezocht. Het land is niet echt veilig. Het lijkt alsof het er rustiger geworden is, maar in de periode dat ik het boek aan het schrijven was, hoorde ik van nieuwe incidenten. Het is altijd lastig om te beoordelen of de toestand in zo’n land verbeterd is, of dat de pers gewoon haar belangstelling verloren heeft.”

Ondanks haar afschuwelijke verleden straalt Thassa geluk uit. Mensen uit haar omgeving vinden dat vreemd. Ik vond dat eerlijk gezegd ook.

“Russells eerste indruk is dat ze last heeft van een soort van manische posttraumatische stress en dat ze elk moment kan instorten. Miljoenen zelfhulpboeken proberen ons te leren hoe we in een altijddurende, gelukzalige euforie kunnen geraken. Als we in werkelijkheid zo iemand ontmoeten, denken we meteen: daar moet iets mis mee zijn. Toch noemt driekwart van de mensheid zichzelf gelukkiger dan gemiddeld, wat statistisch gezien natuurlijk onmogelijk is. De meeste mensen denken dat ze gelukkig zijn, maar toch zijn ze niet tevreden. We willen gewoon nog een klein beetje gelukkiger worden dan we al zijn. Dat zal altijd zo blijven, het maakt niet uit of onze geluksbaseline op 5, 7 of op 9 op 10 ligt. Degene met baseline 9 streeft sowieso naar 9,1.

“Herinner je je de scène in de keuken, waar Candace voor Russell twee grafieken op het bedompte keukenraam tekent? Het zijn grafieken die het leven weergeven van de geboorte tot de dood. De ene grafiek start met 10% welbevinden en eindigt met 80%: de levensloop van een ongelukkig kind dat langzaam uitgroeit tot een relatief tevreden oudje. De tweede grafiek start op 90% en eindigt op 90%: ze geeft het leven weer van een uiterst gelukkige pasgeborene die uiterst gelukkig blijft tot in het graf. Onderzoek heeft vastgesteld dat de meeste mensen resoluut kiezen voor de levenslijn die de eerste grafiek weergeeft. Waaruit blijkt dat we niet in de eerste plaats geluk nastreven, maar wel op zoek zijn naar een zinvol bestaan. De eerste grafiek vertelt een zinvol verhaal. De tweede grafiek is de weergave van een vlak mensenleven zonder zin.”

Bent u een gelukkig man?

“Ik ben zonder enige twijfel gelukkiger dan het gemiddelde. (lacht)”

Een gen voor geluk. Vertaald door Jan Pieter van der Sterre. Contact. 397 p., 34,95 euro

 

 ©Jan Stevens

De onderwereld van het internet

U vindt dat het internet vaak op een open riool lijkt? Wacht tot u kennis maakt met Freenet, een onverwoestbare virtuele onderwereld waar volkomen anoniem aanslagen kunnen worden bekokstoofd, kinderporno kan worden gedownload en vriendschap kan worden gesloten met terroristen, negationisten en neonazi’s. Welkom in de beerput van het internet.

Eind 2008 lanceert gebruiker ‘aitf’ een oproep op het Freenet Message System, het forum van Freenet. “Ik ben op zoek naar gelijkgestemden. Sinds hun geboorte hebben mijn vrouw en ik seks met onze drie kinderen (twee jongens en een meisje). We hebben hen nooit ergens toe gedwongen. Meestal nemen zij het initiatief om te beginnen ‘spelen’.”

‘Aitf’ beklemtoont dat hij niet op zoek is naar foto’s of filmpjes, maar dat hij alleen ervaringen wil uitwisselen. Dezelfde dag nog heeft hij prijs: ene ‘pornhunter’ vraagt geïnteresseerd of ‘aitf’ alleen orale seks met zijn kinderen heeft, of hen ook penetreert. “Oraal is goed voor de kleintjes”, antwoordt ‘aitf’. “Van zodra ze oud genoeg zijn, penetreren we hen. Kinderen zijn trouwens dol op anaal, zeker als je hen helpt en niet dwingt. Tot hun achtste gebruikten we alleen dildo’s of onze vingers. Ik heb me laten steriliseren. Het probleem is dat de jongens ook met hun zus van bil gaan. Van zodra ze 11 is, geven we haar de pil. Vrijdag- of zaterdagavond is bij ons altijd ‘Family Time’.”

Op hetzelfde forum biedt ene ‘Naphtala’ zijn collectie kinderporno aan zijn vrienden ‘DawgDayz’ en ‘majs’ aan. “Ik raak nooit uitgekeken op deze jonge, mooie lijven die elkaar ontdekken”, schrijft hij er verlekkerd bij. Een paar muisklikken verder etaleert een zekere Adolf Hitler zijn complete ‘Preteen Collection’: duizend foto’s van volledig herkenbare prille jongens en meisjes die gemolesteerd worden door vaak onherkenbare volwassenen. Met ondertitels die niets aan de verbeelding overlaten: ’7 yrs sex with dad’, ‘Fucking my 5 yo daughter’, ‘ped 13 yr old teen fucking men (HOT PICTURE)’, ‘dad rapes 11 yo daughter’s cunt.’

Darkweb

Het eenvoudig te installeren, volstrekt anonieme en onuitroeibare Freenet is het geesteskind van Ian Clarke (29), een Ierse informaticus die vandaag vanuit Austin in Texas een softwarebedrijf runt. Midden jaren negentig koesterde hij als piepjonge student een wilde droom: hij wou een nieuwe variant van het internet ontwerpen waar iedereen ongestoord en anoniem zijn gang kon gaan. “Er heerste toen nog veel enthousiasme over het ‘revolutionaire’ medium internet”, zegt hij. “Veel naïevelingen geloofden domweg dat het internet een anarchie was die door niemand gecontroleerd kon worden. Het wereldwijde web stamt uit de jaren zeventig en is gefundeerd op een open systeem, ontworpen door en voor academici. Zij lagen niet wakker van hackers of buitenstaanders die wel eens geïnteresseerd zouden kunnen zijn in andermans e-mail. Daardoor is het doodsimpel om te bespieden wat mensen virtueel uitspoken. Er is de voorbije jaren een beetje aan het wereldwijde web gesleuteld, maar toch is het nog altijd zo lek als een vergiet. Wie surft, laat overal sporen na. Alles wordt geregistreerd. Je anonimiteit en privacy liggen voor iedereen te grabbel, tenzij je heel voorzichtig bent en gebruik maakt van cryptografie. Zeker na 9/11 houdt Big Brother elke internetgebruiker nauwlettend in de gaten. Ik ben voorstander van het absolute recht op vrije meningsuiting. Maar dan is het noodzakelijk dat mensen zonder enige controle van buitenaf en volledig anoniem hun ei kwijt kunnen.”

Tijdens zijn studies artificiële intelligentie aan de Universiteit van Edinburgh, begon Ian Clarke te werken aan de software voor Freenet. “Ik presenteerde het in 1999 als eindwerk. Mijn proffen reageerden nogal lauw.” In 2000 zette Clarke het eerste downloadprogramma voor Freenet gratis op het internet. Bijna tien jaar later is het programma miljoenen keren gedownload. “Door de anonimiteit is het lastig om het aantal hardcoregebruikers te bepalen. Ruw geschat zullen het er wereldwijd een paar tienduizenden zijn, waaronder ongetwijfeld ook heel wat Belgen.”

Anno 2009 is Freenet het favoriete speelterrein van pedofielen, neonazi’s, negationisten, criminelen en terroristen. Sommige gebruikers spreken niet voor niets op hun sites liefkozend over het ‘darkweb’. Maar ook pedojagers kunnen er zich ongestoord uitleven. Op de site ‘Busted Pedos’ kunnen ze namen, adressen en foto’s van vermeende pedofielen posten. Freenet garandeert elke gebruiker volstrekte ‘veiligheid’ en anonimiteit. De installatie is kinderspel: het startprogramma van op het internet downloaden duurt een paar minuten en draait op elke doorsnee thuiscomputer. Ian Clarke: “Freenet werkt niet met centrale servers en is totaal anders geconstrueerd dan het reguliere internet. Heb je ooit een mierenplaag in huis gehad? Dan weet je dat het verdomd lastig is om er verlost van te geraken. Je kunt de hele godganse dag die mieren proberen vertrappelen; ‘s anderendaags zijn ze er weer. Met meer dan ooit tevoren. Freenet is net als een kolonie mieren. Op het gewone internet kun je van elke website bepalen waar de server zich bevindt en kan probleemloos alle data getraceerd worden. Op Freenet hebben de data geen fysieke locatie: ze zijn voortdurend in beweging tussen de computers van alle gebruikers. De informatie ligt versplinterd over het hele net. Het is onmogelijk om een gebruiker en verspreider van informatie op te sporen, tenzij iemand in zijn huis inbreekt en verklikkerapparatuur in zijn computer installeert. Of tenzij je zo dom bent om zelf je naam op het net bekend te maken. Het enige minpunt is dat Freenet soms traag werkt. Dat is het gevolg van alle voorzorgen die genomen zijn om de identiteit van de gebruikers te coderen en verdoezelen. Maar naarmate je Freenet meer gebruikt, wordt het sneller. Regelmatige Freenetsurfers ondervinden bijna geen hinder meer van die traagheid. Ze kunnen zonder enige restrictie en totaal anoniem filmpjes posten op Freetube, hun eigen flog (Freenetblog – JS) uitbouwen, ontraceerbaar mailen via Freemail, anoniem bestanden up- en downloaden en contacten onderhouden via de fora Frost en Freenet Message System. Gegarandeerd zonder kans op betrapping.”

36.000 dollar steun van Google

Ian Clarke stelt Freenet graag voor als het favoriete, veilige communicatiemiddel voor opposanten in dictaturen als China of Iran. “De Chinese regering heeft onze downloadpagina op internet geblokkeerd. De opposanten sturen nu links door naar hun vrienden waardoor ze toch op Freenet geraken. We hebben tot hiertoe nog geen problemen gehad met Westerse regeringen. Integendeel, we zijn zelfs in onderhandeling met de Amerikaanse regering om een financiële bijdrage voor Freenet los te weken. De overheid zal dan een project steunen waar ze totaal geen vat op heeft. (lacht) Google heeft ons onlangs 36.000 dollar geschonken. Niet spontaan, ik heb het hen zelf gevraagd.”

Met die schenking helpt Google niet alleen de Chinese opposanten aan een veilig communicatiemiddel, maar financiert het bedrijf meteen ook mee de verspreiding van kinderporno. En dat niet alleen: als vrijplaats voor neonazi’s, telt Freenet heel wat flogs die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Zoals het rijkelijk geïllustreerde‘Flog von AdolfHitlerFan. Politische unkorrekte, aber belanglose Gedanken’. Daarnaast herbergt Freenet ook een flink uitgebouwde negationistische bibliotheek, met als ‘kroonjuweel’ het verzameld werk van de notoire Amerikaanse professor en Holocaustontkenner Arthur R. Butz. Als de Amerikaanse regering besluit om Freenet daadwerkelijk te subsidiëren, zal ze een veilig en anoniem platform helpen bieden aan maffiosi van allerlei pluimage. Zo wordt Freenet intensief gebruikt als ‘download area’ door ‘The Russian Business Network’; een Russisch misdaadsyndicaat gespecialiseerd in online diefstal op het reguliere net. Maar Freenet is ook het anonieme communicatie-, documentatie- en informatiecentrum voor extreem rechtse would-be terroristen en voor islamisten en jihadisten. Ze vinden er up-to-date handleidingen zoals The Terrorist’s Handbook, The Mujahideen Poisons Handbook of The Unabomber Manifesto.

Ian Clarke wast zijn handen in onschuld. “Ik ontken niet dat er onfrisse figuren op Freenet actief zijn. Dat is onvermijdelijk. Elk systeem dat vrijheid promoot, trekt individuen aan die daar misbruik van maken. Moeten we daarom Freenet opdoeken? Als iemand jou neersteekt met een mes, heeft het toch geen zin om de messenfabrikant te vervolgen? Dat zou belachelijk zijn. De vrijheid om ongestoord te communiceren, is fundamenteel voor de democratie. Het is mogelijk dat terroristen informatie via Freenet verspreiden, of elkaar via Freenet ontmoeten. Maar wat is een terrorist? De mensen die ooit de VS gesticht hebben, waren terroristen in de ogen van de Britse monarchie. Nu noemen we hen vrijheidstrijders. Ik heb zelf geen enkele interesse in memorabilia van de Tweede Wereldoorlog en ik vind racisme walgelijk. De beste manier om neonazi’s en negationisten te bestrijden, is hen bestoken met tegenargumenten in plaats van hen te censureren.”

Verdient Clarke geld aan zijn Freenet? “Geen cent. Het is pure liefdadigheid. Met de donaties van individuen en organisaties betalen we het loon van een fullttime informaticus. We controleren niet waar het geld vandaan komt. In dat opzicht zijn we zoals Amerikaanse politici: elke cent nemen we aan. No questions asked.”

In Frankrijk wordt volop aan een wet gewerkt die het illegaal downloaden van auteursrechtelijk beschermd materiaal streng zal bestraffen. Elke Fransman die voor de derde keer betrapt wordt op illegaal downloaden, zal in de toekomst definitief van het internet worden afgesloten. Het gevolg is dat Freenet er de laatste maanden veel jonge Franstalige gebruikers bij gekregen heeft. Wat als ze in contact komen met kinderporno en pedofielen? Ian Clarke: “Pedofielen maken ook gebruik van de gewone post. Als Freenet ooit verdwijnt, zal de handel in kinderporno blijven bestaan. Of moeten we dan ook de post sluiten? Of alle brieven openen en controleren? Ik heb vage geruchten gehoord over rechercheurs die deel zouden nemen aan fora op Freenet, in de hoop om zo een paar pedofielen te strikken. Ze proberen de pedo’s ertoe te verleiden om hun identiteit vrij te geven. Ik denk niet dat het tot hiertoe gelukt is. Door de totale anonimiteit leent Freenet zich uitstekend voor het illegaal downloaden van films of muziek, al maken we daar geen reclame voor. Freenet is niet kwetsbaar zoals peer to peernetwerken à la BitTorrent. De muziekindustrie zal nooit gebruikers van Freenet kunnen vervolgen. In Amerika en Groot-Brittannië hebben auteursrechtmaatschappijen kinderen zwaar laten boeten voor een paar liedjes die ze illegaal gedownload hadden. Afschuwelijk. Dat zal je niet overkomen als je Freenet volgens de regels van het spel gebruikt. Of er ooit pogingen ondernomen zijn om mij te vervolgen? Nee. Ik denk niet dat iemand mij iets kan aanwrijven. Ik roep niemand op om illegaal te downloaden, of om Freenet voor criminele doeleinden te gebruiken. Zelfs als ik ooit vervolgd word, zal dat nog geen zoden aan de dijk brengen. Ik controleer Freenet niet. Als ik morgen omvergereden word, blijft het gewoon verder bestaan. Freenet is als een zwerm vogels. Niemand controleert het; niemand kan het sluiten. Tenzij het hele internet wordt platgelegd.”

E-cops

Op de Computer Crime Unit van de federale politie is Freenet een nobele onbekende. “We hebben geen dossier tegen het netwerk lopen”, zegt hoofdcommissaris en diensthoofd Luc Beirens. “Dat kunnen we pas opstarten als iemand klacht indient via onze website ecops. Al zitten we niet op werk te wachten – we hebben onze handen meer dan vol. Als we er in slagen om de aanbieders of gebruikers van kinderporno of andere criminelen op te sporen, hangt het van het parket af of er vervolgd wordt.”

Volgens ontwerper Ian Clarke zijn de Freenetgebruikers totaal anoniem en kan het netwerk niet opgedoekt worden.

“Encryptie, het coderen van digitale gegevens, is in België vrij. Als Freenet er zogezegd in naam van de Freedom of Speech daadwerkelijk in slaagt om alle gegevens van de gebruikers te coderen en te versluieren, wordt het moeilijk. De enige optie is dan dat er eerst aan de wetgeving rond encryptie gesleuteld wordt, maar dat is een taak voor het parlement.”

Gezellig chatten onder pedofielen

Een rustige zondagnacht. Freenetgebruiker en kindervriend Falafel chat met de geïnteresseerde Naphtala over zijn ‘coming out’.

Falafel: Ik wist als tiener al wat ik graag had, en ik denk niet dat er een moment was waarop ik een ‘ingewijde’ werd. (…) Vandaag zeg ik: ik hou van kinderen! Letterlijk.

Naphtala: De meeste mensen houden van kinderen, zeker als het die van henzelf zijn. Met ‘letterlijk’ bedoel je ‘seksueel’?

Falafel: Met letterlijk bedoel ik dat ik om hen geef en dat ik ze zeker geen pijn wil doen, echte liefde is niet egoïstisch.

Naphtala: Oké, maar als ik tegen mijn lief zeg dat ik haar graag zie, wil dat ook zeggen dat ik om haar geef en dat ik haar geen pijn wil doen. Maar er is altijd die seksuele aantrekking die bij mij meer primitief en egoïstisch is. De liefde voor mijn moeder is helemaal anders. Liefde dekt verschillende ladingen. Misschien moeten we het omschrijven als een ‘fetish’? Sommige mensen worden geil door rubberen kledij of hoge hakken, jij door kinderen? Je wil hen niet als persoon neuken maar als object?

Falafel: Misschien, maar ik ken niets van fetisjen en misschien weet ik zelfs niet wat me in hen aantrekt. Maar ik word graag op hen verliefd, en natuurlijk zijn die eerste ogenblikken fantastisch, maar ik speel en praat ook graag met hen.

(…) De eerste keer dat ik het aan iemand vertelde, was aan een meisje dat ik amper kende.

Naphtala: Hoe deed je dat dan? En wat was haar antwoord?

Falafel: Ik zei haar: ‘Ik val op kinderen’, nadat ik haar gezegd dat ik een geheim had dat ik met niemand kon delen, waarop zij allerlei mogelijkheden begon op te sommen, inclusief pedofilie. (…) Ze was opgelucht toen ze het hoorde (…) Ik heb toen een paar experimenten met haar geprobeerd, zoals haar kleine nichtje verleiden, en ze reageerde daar nogal flauw op. Ik dacht eerst dat ze jaloers was, maar blijkbaar had ik voor haar een grens overschreden.

(…) Ik neuk geen kinderen jonger dan vijf, dat zal ik nooit doen. Maar de vraag is natuurlijk, wat is een seksuele relatie? Er lopen zoveel gestoorde mensen rond. Je begrijpt soms niet hoe het mogelijk is dat de wereld blijft draaien met al die geschifte mensen. (…) Als de meisjes erg jong zijn, kun je ze niet penetreren, maar dat wil niet zeggen dat meisjes van vijf nare herinneringen aan een masturbatiesessie moeten overhouden.

(…) Ik neuk nooit kinderen onder 11 of 12. (…) En ja, in de toekomst wil ik zelf ook kinderen.

Naphtala: Ga je dan ook seksueel contact met hen hebben? Of is incest een taboe voor jou?

Falafel: Je moet beseffen dat ik ook maar een mens ben, en niet anders dan jou. (…)

Naphtala: Laat me raden: kom je uit Nederland?

©Jan Stevens

De Toren

In zijn vuistdikke roman De Toren dissecteert de Oost-Duitse auteur Uwe Tellkamp de laatste zeven jaar van de Duitse Democratische Republiek. “Er gaapt nu een diepe kloof in de samenleving tussen de oude Stasi’s die de DDR een paradijs vonden en de mensen die het communisme als de hel ervaren hebben.”

 

Uwe Tellkamp (1968) staat me op te wachten voor het Parkhotel aan de Bautzner Landstraße in zijn geboortestad Dresden. Van hieruit neemt hij me mee voor een wandeling door de oude villawijk Weißer Hirsch. “In dit stuk van Dresden heb ik mijn jeugd doorgebracht”, zegt hij. “Hier speelt zich ook het grootste deel van De Toren af.”

Met zijn pas vertaalde, bijna duizend pagina’s dikke roman De Toren won Tellkamp vorig jaar de Deutscher Buchchpreis, de belangrijkste Duitse literaire prijs. Tellkamp schildert een episch en aangrijpend beeld van het leven in de DDR van 1982 tot aan de Val van de Muur in 1989. Centraal staat de familie Hoffmann: ze behoort tot de burgerlijke intellectuelen, een groep waarvoor geen plaats was in de socialistische boeren- en arbeidersstaat. Zoon Christian Hoffmann wil medicijnen studeren maar moet eerst tegen zijn zin drie jaar lang dienen in het leger. Zijn vader Richard, een vooraanstaand chirurg, wordt met zijn buitenechtelijke relatie gechanteerd door de Stasi. Richards zwager Meno Rohde werkt als redacteur voor een uitgeverij en voert noodgedwongen voortdurend onderhandelingen met de censor.

De parallellen tussen romanfiguur Christian Hoffmann en auteur Uwe Tellkamp zijn frappant. Hoffmann en Tellkamp droomden er allebei van om dokter te worden en ze kwamen allebei tijdens hun legercarrière wegens insubordinatie in de cel terecht. “Christian is een afsplitsing van mezelf”, zegt Tellkamp. “Alleen is hij drie jaar ouder.”

Uwe Tellkamp wijst naar een vervallen immens gebouw. “Het Lahmann sanatorium. Het stamt uit de 19e eeuw en zorgde toen voor welvaart in Weißer Hirsch. Nu staat het hele complex te verkommeren, niemand weet wat ermee zal gebeuren. In de DDR-tijd was het opgevorderd door het Rode Leger. In mijn jeugd huisvestte het Sovjetsoldaten en –officieren. Deze straat, de Collenbuschstraße, werd de Kleine Sovjetunie genoemd. De officieren en soldaten leefden hier met hun families. De Russische kinderen waren verzot op onze goedkope polshorloges. Die kostten 15 DDR-mark het stuk. We spaarden het geld bijeen van ons zakgeld. In ruil voor een horloge speelden ze met ons en leerden ze ons Russisch. Op school kregen we gedurende een uur per week een formele variant van het Russisch onderwezen. De soldatenkinderen leerden ons vloeiend Russisch. Waarom ik dat zo verdomd graag wou leren? Er is een gezegde in Oost-Duitsland: leer de taal van je vijand.”

Vitamin B

Volgens de Britse historicus Laurence Rees duurde de Tweede Wereldoorlog voor de landen van het vroegere Warschaupact van 1940 tot 1989.

Uwe Tellkamp: “Dat is helemaal juist. Het waren grijze jaren voor Oost-Duitsland. Figuurlijk, maar ook letterlijk. Alle huizen in deze wijk zijn vernieuwd en zien er nu vrij fleurig uit. Dat is niet hun oorspronkelijke kleur. In de DDR-tijd waren ze asgrijs. Nu zien de villa’s er mooi uit, maar zijn ze meteen ook hun magie kwijt. Hier leefden mensen uit Leningrad, Moskou, Perm. De soldatenkinderen vertelden ons over de Siberische winters en soms hadden we die ook hier met alle ellende vandien: langdurige stroompannes, een gebrek aan bruinkool, kapotte verwarmingsinstallaties en de harde dagelijkse strijd om aan basismiddelen te geraken.”

Uw roman ademt de sfeer van een bezet land in oorlogstijd.

“Dat was ook zo. Nu leven hier mensen die uit verschillende uithoeken afkomstig zijn. De oude bewoners zijn verhuisd en vervangen door nieuwkomers. De meeste huidige inwoners komen uit het westen. Ze hadden geld om de flats in de oude villa’s te kopen. Ze laten elkaar links liggen en wisselen op straat amper een woord uit. De oude inwoners zijn verhuisd naar de arme voorsteden. Sommigen zijn zelfs uitgeweken naar het buitenland. Een neef van mij woont in Singapore, een andere in Mexico. Heel wat jonge Oost-Duitsers leven verspreid over de wereld. Dresden is niet langer de gesloten gemeenschap die het voor de Val van de Muur wel was. De DDR was een ‘postoorlog maatschappij’. Typisch voor dat soort van samenlevingen is de zeer nabije communicatie. De vader van een vriend was scheepsarts. Veel scheepsartsen kwamen in die tijd uit Dresden, want deze stad heeft een groot verlangen naar de zee. Het was heel gewoon dat de scheepsartsen regelmatig samenkwamen om stukken van Shakespeare te spelen. Ze maakten hun eigen kostuums uit oude kleren. We hadden geen geld en we hadden geen welvaart, maar we hadden de rijkdom van onze fantasie.”

Het lijkt alsof u aan Ostalgie lijdt en terugverlangt naar het leven ten tijde van de DDR?

“Dit is geen Ostalgie, maar nostalgie. Nostalgie is niet bezoedeld door ideologie. Noem het nostalgie naar een rijke kindertijd. Dit huis aan de Plattleite is het Italiaanse Huis uit het boek. Hier leefden verwanten van mij. In de eerste hoofdstukken kun je Christian Hoffmann en Meno Rohde volgen op hun wandeling door de wijk, recht naar deze villa. Het huis ziet er nu crèmekleurig uit, maar in de jaren zeventig en tachtig was het asgrijs en het balkon was compleet rot. Van op dat balkon hadden we een machtig en magisch zicht over de wijk. De magie zat niet in de socialistische ‘gewone’ dingen zoals de dagelijkse strijd om te overleven. De magie zat in dit soort van huizen en wijken, maar ook in de zogenaamde Plattenbauten, de nieuw gebouwde spuuglelijke flatgebouwen. We leefden geperst tussen die ‘nieuwe’ DDR-maatschappij’ en de oude, vooroorlogse maatschappij. Die oude maatschappij overleefde nog. De communisten wilden haar helemaal uitwissen, maar dat lukte niet. Alle relicten van de middenklasse en de upperclass – de bourgeoisie – moesten verdwijnen. Maar de autoriteiten hadden de flats nodig van diezelfde bourgeoisie. Ze hadden de ruimtes nodig om mensen te huisvesten, en de villa’s in dit ‘bourgeoiskwartier’ waren binnenin relatief goed onderhouden.”

“Je kon als burger aan een ambtenaar laten weten dat je ‘wenste’ om in zo een flat te leven. De ambtenaar kon ook op eigen houtje bepalen waar je moest gaan wonen. Tussen die twee uitersten moest je dan op zoek naar een compromis. Wie geluk had, kreeg een flat in deze buurt. Je kon natuurlijk ook gebruik maken van de zogenaamde ‘Vitamin B’ – Vitamine Beziehung (relatie). De uit aluminium vervaardigde DDR-marken waren waardeloos. Veel belangrijker waren de relaties waarover je beschikte. Je ‘wens’ werd verhoord als je de mogelijkheid had om een auto te organiseren of als je iets kon ritselen waar normaal gezien maanden of jaren op gewacht moest worden. De socialistische samenleving werkte helemaal volgens het principe van wheeling and dealing. Het was een middeleeuwse economie gebaseerd op ‘ruilhandel’. Voor een kapitalistische samenleving is geld als bloed voor het lichaam. Het voedt alle organen en onderdelen. In de DDR was het waardeloze geld vervangen door Vitamin B. Ik hoor nu vaak het cliché vertellen dat er toen een grote warmte was. ‘We hadden dan wel geen geld, maar we waren toch zo gelukkig.’ Dat is niet waar. Het was een samenleving die strikt gefocust was op de functie die je bekleedde. ‘Jij bent dokter? Geef me het juiste medicijn voor mijn ziekte en ik geef je iets in ruil.’ Wie de pech had een ‘waardeloos’ persoon te zijn die niets te verhandelen had, was totaal onbelangrijk.”

Het was ook een samenleving vol achterdocht. Mensen werden door de Stasi gechanteerd om anderen in de gaten te houden en te verklikken, zoals Richard Hoffmann in uw roman.

“In de eerste decennia van de DDR was chantage een geliefkoosd instrument voor ‘de Firma’ – de Stasi – om mensen te ronselen. In de late jaren tachtig nam ze haar toevlucht tot een soort van omkoperij. Stel: je bent een goeie chirurg en je zou graag directeur van het ziekenhuis worden. Maar dat lukt niet omdat een van je familieleden ooit naar het westen gevlucht is, of omdat je geen lid wil worden van de Partij. De Stasi zal daar dan handig misbruik van maken. ‘Je wil directeur worden? Oké. Wij zorgen daarvoor. Doe ons in ruil een klein plezier. Schrijf op wat die en die zeggen. Je hoeft ze niet te verraden, maar maak gewoon regelmatig een verslagje van wat je hen hoort vertellen.’”

Succesvolle mensen in de maatschappij waren niet te vertrouwen?

“Sommigen hadden hun succes daaraan te danken, ja. Er waren er ook die vol overtuiging hun collega’s en vrienden verlinkten omdat ze in het systeem geloofden. Het overgrote deel van de informanten, de IM’s, waren ideologisch overtuigden. Meestal bekleedden ze posities ‘tussenin’: tussen het voetvolk en de chefs. De ideologisch gestuurde IM’s en de ex-Stasi-agenten zijn nog steeds actief. Ze zijn machtig. Ze hebben hun meetings en hun clubs waar ze verkondigen: ‘De DDR was een paradijs.’ Ik hoor vaak dat er een kloof is tussen het westen en het oosten van Duitsland. Dat is niet zo. Er is wel een gigantische kloof in het oosten van Duitsland tussen degenen die de DDR zien als een paradijs en degenen die het de hel vonden. We zitten in dezelfde situatie als na Wereldoorlog Twee. Toen hoorde je oude nazi’s zeggen: ‘Wat willen jullie eigenlijk? We hadden toch een mooie tijd? Alles was fijn, we hadden werk, niemand leed honger. Wat liep er eigenlijk verkeerd? Niets toch?’”

Moet er dan zoiets komen als de Zuid-Afrikaanse Waarheidscommissie?

“We hebben een instelling die een beetje hetzelfde nastreeft, de zogenaamde Gauck-Behörde. Zij is belast met het beheer, onderzoek en openbaar maken van de Stasi-archieven. Het grote probleem is dat de Stasi tijdens de Wende heel wat dossiers vernietigd heeft. Veel basismateriaal is verloren gegaan waardoor het moeilijk geworden is om een juiste kijk op de dingen te krijgen. Er wordt gezegd dat de meeste begrafenisondernemers, de mensen die beveiligingsfirma’s runnen, veel leraars en veel ambtenaren van de werkagentschappen ex-leden van de Stasi zijn. Net als na het Derde Rijk hoor je nu dezelfde clichés: ‘Alles was oké. We hadden werk, we hadden zekerheid.’ Dat hoor je ook van 14-jarigen die dat verhaal opgelepeld krijgen door hun leerkrachten. In het Derde Rijk had je de Holocaust, in de DDR had je de Stasi die mensen omwille van hun mening opsloot. Wat is het belangrijkste? De zogenaamde zekerheid? Of de onvrijheid en de staatsterreur?”

 

Censuur

Meno Rohde werkt als redacteur bij een uitgeverij. De manier waarop hij met de censors omgaat, lijkt vaak op een spelletje schaak.

“Een uitgever had speelruimte. Sommigen hadden de guts om tegen de censor te zeggen: ‘Dit is een goed boek. Ik wil het uitgeven en ik wil dat jij het laat passeren.’ Soms werkte dat. Af en toe was de censor zelf geïnteresseerd om het boek erdoor te krijgen. De meesten waren letterkundigen. Ik heb zo een censor gekend die zei: ‘Het is een uitstekend boek. Ik weet zeker dat het problemen zal opleveren met de ambtenaren die boven mij staan, maar ik ben een man van de literatuur. Ik wil dat dit boek gedrukt wordt.’ Mijn eerste uitgever stond in de DDR-tijd aan het hoofd van Aufbau-Verlag, de belangrijkste uitgeverij. Hij vertelde me dat hij soms boeken uitgaf die erg gevaarlijk waren voor hemzelf. Vaak lag hij badend in angstzweet ‘s avonds in zijn bed te denken: ‘Nu komen ze me halen.’ Hij heeft ooit een boek van Christoph Hein uitgegeven zonder het voor te leggen aan de censor. Er is toen niets gebeurd.”

Had u er eind jaren zeventig en begin jaren tachtig enig idee van hoe het er in het westen aan toeging?

“Het was onmogelijk om naar de West-Duitse tv te kijken. Er stonden sterke zenders die de golven uit het westen tegenhielden. We hadden alleen een clichébeeld van het westelijke deel van Duitsland. Met kerst kregen we een geel pakket. Dat rook naar kauwgom, koffie, chocola… de geur van het westen. We luisterden naar de radiozender Deutschlandfunk en hoorden het exotische, paradijselijke westen. We lazen natuurlijk ook verboden boeken. Die werden gekopieerd op schrijfmachines. Met carbonpapier tussen de bladzijden werden tot zeven kopieën ineens getikt van de Goelag Archipel van Solzjenitsyn. Vijfhonderd bladzijden. Sommige mensen schreven de verboden boeken over met de hand, net zoals de monniken in de middeleeuwen. Maar dat was heel riskant, want de Stasi probeerde hen aan de hand van hun geschrift op te sporen.”

“De DDR-samenleving was gebaseerd op verraad en leugens. Je had de officiële leugen dat ons leven erg goed was en je had de officieuze visie dat ons bestaan sjofel was. Op school of op grootse meetings zoals 1 mei hoorden we verkondigen hoe goed we het wel hadden, hoe fantastisch we als samenleving presteerden, hoe dapper we waren. Als je dan naar huis ging, zag je overal de rotte huizen en hoorde je mensen sakkeren dat het systeem niet deugde. Als jongeman had ik het moeilijk met die tegenstelling.”

U was een lastige puber?

“Ik was vijftien, las de verkeerde boeken en luisterde naar foute muziek. Het was begin jaren tachtig en de tijd van de rauwe en ruwe Oost-Duitse punk. Bands zoals Feeling B maakten rare maar ook karakteristieke muziek die compleet verschilde van de westerse. Ik was een moeilijke puber en een lastige student. Mijn vader heeft keihard moeten lobbyen om deze stoute jongen uit de klauwen van de autoriteiten te houden. Ik was niet opzettelijk ‘subversief’. Ik wou alleen de waarheid kennen. Toen ik dertig werd, kreeg ik van mijn vader een heel dikke map waarin alle brieven zaten die hij had moeten schrijven om me uit heropvoedingskampen en gevangenissen te houden.”

“Na de Val van de Muur claimden veel mensen dat ze echte helden geweest waren. ‘Ik heb altijd gezegd wat ik dacht.’ De meesten logen. Slechts enkelingen hebben het aangedurfd om vrij en vrank tegen de DDR-staat te ageren. Zij waren écht helden. Ik hoorde daar als vijftienjarige niet bij. Maar in 1989 was het anders. Ik deed als onderofficier mijn legerdienst in de Nationale Volksarmee (NVA) en heb toen geweigerd om deel te nemen aan het neerslaan van de volksopstand.”

U riskeerde geëxecuteerd te worden?

“Ja. Op dat moment dacht ik daar niet aan. Maar executie had de ultieme consequentie kunnen zijn. Volgens de wet hadden ze me tegen de muur kunnen zetten wegens insubordinatie. Uit brieven wist ik dat mijn broer actief was in het verzet aan de Dresden Hauptbahnhof en dat er iets aan de gang was met duizenden DDR-burgers die zich verschanst hadden in de West-Duitse ambassade in Praag. Ik wist niet precies wat er aan de hand was. Er gingen heel wat geruchten rond. We hadden geen kranten in onze barakken, we konden niet telefoneren. Er was één verzegelde telefoon. Vlak ernaast stond 24 uur op 24 een man met een geweer. Niemand kon het zegel verbreken. We moesten onze radio’s afgeven. We hadden alleen de mogelijkheid om af en toe een brief naar buiten te smokkelen, en als je geluk had, kreeg je er een terug. Ik weigerde om tegen het volk te vechten en werd opgesloten. Ik heb veertien dagen in de cel gezeten.”

Christian wordt ook gevangen gezet. Wat u in die hoofdstukken beschrijft, hebt u zelf meegemaakt?

“Ja. Ik zat in een kleine cel zonder ramen, met glasdallen die melkachtig licht doorlieten. Als gevangene was het verboden om de klinken aan de deuren aan te raken. Deed je dat toch, sloeg een bewaker met een matrak op je vingers. Als kersverse gevangene sta je daar niet bij stil. Je grijpt gewoontegetrouw naar de deurklink en pats! Als kersverse gevangene moet je ook leren dat je niets meer dan een nummer bent. Ik zat in een cel met vier anderen. Ik kon niemand vertrouwen. Een van hen was misschien een spion. Ik moest heel voorzichtig zijn met wat ik zei. Er stond in het midden een wc waar iedereen zijn behoefte op deed. Daar raak je aan gewend. Na een tijd denk je er niet meer bij na en doe je het gewoon.”

De revolutie voltrok zich heel snel.

“Ik heb in De Toren weinig aandacht aan de val van de dictatuur besteed, want eigenlijk is het verhaal van de Wende een boek op zich. De Oost-Duitsers hebben compleet nieuwe levens gekregen. De socialistische samenleving kon geen enkel antwoord geven op simpele basiskwesties. Nu hebben we andere problemen, maar we hebben wel vrijheid. Dat is heel belangrijk voor mij. Ik heb soms het gevoel dat het woord ‘vrijheid’ niet voor iedereen even waardevol is. Zelfs voor mensen die ervaren hebben wat het is om onvrij te zijn. Ze zeggen: ‘In wat voor een samenleving zitten we nu? Met al die criminaliteit.’ Ze zijn vergeten dat ten tijde van de DDR de staat de crimineel was.”

“Een dictatuur schijnt voor sommigen aantrekkelijker te zijn dan een democratie. Veel mensen houden van het idee van een verlicht despoot. Als schrijver is het mijn taak om daartegenin te gaan. Ik vecht al schrijvend voor democratie. Het is geen strijd waar ik veel eer mee behaal, maar het is absoluut noodzakelijk. Want er bestaat geen beter systeem. Geen enkele vorm van dictatuur deugt. Ik heb er zelf een van zeer dichtbij gekend. (geëmotioneerd) Geloof me, democratie is het beste wat er is.”

Uwe Tellkamp. De Toren. Verhaal uit een verzonken land. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, Antwerpen. 852 blz. 34,95 euro.

 

Tekst: ©Jan Stevens

Foto’s: ©Veerle Van Hoey

Dmitri Nabokov

Als het van Vladimir Nabokov had afgehangen, was zijn laatste onafgewerkte roman ‘Het origineel van Laura’ nooit verschenen. “Verbrand het”, smeekte hij zijn vrouw Véra vlak voor zijn dood in 1977. Ruim 32 jaar later gaat zijn zoon Dmitri Nabokov alsnog over tot publicatie. “Ik kan niet anders. ‘Laura’ biedt een fascinerende inkijk in het laboratorium van Vladimir Nabokov.”

2 juli 1977. Vladimir Nabokov ligt op sterven in het universitair ziekenhuis van het Zwitserse Lausanne. Een maand eerder is hij opgenomen met een zware bronchitis. Zijn vrouw Véra en zijn enige zoon Dmitri staan hem aan zijn sterfbed bij. Om tien voor zeven ‘s avonds blaast de grote Russisch-Amerikaanse schrijver zijn laatste adem uit. “Hij kreunde drie keer heel diep”, getuigt Dmitri Nabokov. “Het leek alsof hij een toneelrol speelde en snel weer zou beginnen spreken. Maar zijn hart viel voorgoed stil. “

Een paar dagen voor zijn dood had Vladimir Nabokov zijn vrouw gevraagd om de 138 steekkaarten te verbranden waarop hij de contouren had uitgetekend van zijn laatste onafgewerkte roman ‘Het origineel van Laura’. Véra Nabokov was niet in staat om de laatste wens van haar man uit te voeren, borg het manuscript op in een kluis en liet de lastige beslissing over aan Dmitri.

Tweeëndertig jaar na de dood van zijn vader en achttien jaar na de dood van zijn moeder besloot Dmitri Nabokov om ‘Het origineel van Laura’ alsnog te publiceren. “Al die tijd ben ik blijven twijfelen”, zegt hij. “Ik heb de beslissing om ‘Laura’ uit te geven uiteindelijk helemaal alleen genomen – om eerlijk te zijn al heel lang voor de eerste heisa rond het ongepubliceerde manuscript een paar jaar geleden losbarstte in de media. Lang ook voor erudiete Nabokovkenners me begonnen te bestoken met pleidooien pro en contra. Vader had een gouden regel: publiceer nooit een onafgewerkt manuscript. Zoals de meeste van zijn boeken zat ‘Het origineel van Laura’ al afgewerkt in zijn hoofd voor hij een letter op papier zette. De eerste ruwe aanzet van zijn romans schreef hij altijd neer op steekkaarten. Jammer genoeg heeft hij de race tegen de tijd niet gehaald en bleef zijn 18e roman onafgewerkt. Ik weet dat er mensen zijn die me met de vinger wijzen omdat ik mijn vaders laatste wil negeer. Die kritiek zal waarschijnlijk nog toenemen. Maar ‘Het origineel van Laura’ is echt een geval apart. De critici houden er geen rekening mee dat vader zijn verzoek deed op een heel moeilijk moment.”

Literaire sensatie

De postume publicatie van Vladimir Nabokovs ‘Het origineel van Laura’ is wereldwijd dé literaire sensatie van dit najaar. De aanvragen voor interviews stromen binnen bij de 75-jarige Dmitri Nabokov. “Het stopt niet”, zegt hij. “Ik was uitgenodigd voor lezingen in Rusland en de VS, maar mijn wankele gezondheid heeft daar een stokje voor gestoken. Ik probeer nu selectief interviews te geven in mijn huis in Montreux.”

In 2001 werd Dmitri Nabokov getroffen door de chronische zenuwaandoening polyneuropathie. In augustus van dit jaar belandde hij voor de zoveelste keer in het ziekenhuis. “Elke dag gaat het een beetje beter. Voor het eerst in maanden kan ik terug een klein eindje wandelen.”

De immobiliteit is hard om dragen voor de avontuurlijk aangelegde Dmitri. Tot zijn ziekte uitbrak, was hij een professionele operazanger, een verwoed bergbeklimmer, een liefhebber van snelle wagens en speedboten én een vertaler van zijn vaders werk in verschillende talen. Zijn voorliefde voor snelheid koste hem op 26 september 1980 bijna het leven. Die ochtend vloog zijn Ferrari 308 GTB op de weg van Montreux naar Lausanne uit de bocht. De auto ging over kop en vloog in brand. Dmitri brak zijn nek en had derdegraads brandwonden over de helft van zijn lichaam. Dmitri Nabokov: “Twaalf dagen na dat ongeval had ik in het brandwondencentrum van Lausanne een bijna doodervaring. Ik zag het klassieke licht aan het einde van de tunnel, maar net voor ik het tijdelijke met het eeuwige zou wisselen, dacht ik aan al degenen die mij liefhebben en aan alles wat ik nog moest doen. Ik keerde terug onder de levenden. Ik heb altijd graag het lot getart. Maar noodgedwongen moet ik mijn ambities nu bijstellen. Ik heb me voorgenomen om van zodra de eerste sneeuw valt, mijn ski’s aan te trekken en voorzichtig een beetje te gaan langlaufen op het vlakke gedeelte naast het huis.”

Boekverbrander

Volgens Alberto Manguel en Fernando Báez was Vladimir Nabokov met zijn smeekbede om zijn laatste manuscript te verbranden niet aan zijn proefstuk toe. Manguel en Báez hebben Vladimir Nabokov zelfs uitgeroepen tot een ‘een van de grootste vijanden van het boek’. Zo beweren ze dat Nabokov in 1951 voor een overvolle aula in Harvard een exemplaar van ‘Don Quichote’ in stukken scheurde. Báez en Manguel zijn niet de eersten de besten: Fernando Báez is directeur van de nationale bibliotheek van Venezuela en schrijver van een standaardwerk over de geschiedenis van het boekverbranden, de Argentijnse essayist en bibliofiel Alberto Manguel vergaarde wereldfaam met zijn eigenzinnige literatuuroverzicht ‘Een geschiedenis van het lezen’. “Manguel en Báez zijn linkse rakkers”, reageert zoon Dmitri Nabokov vol afgrijzen. “Ze houden niet van mijn vader. Links zijn is typisch Zuid-Amerikaans. Alberto Manguel wordt in Europa door veel literair geïnteresseerden op handen gedragen, en dat maakt het allemaal nog veel erger. Mijn vader was in ’51 door Harvard uitgenodigd om voor zeshonderd studenten een lezing te geven over ‘Don Quichote’. Hij noemde het boek toen ‘hard en wreed’, maar wees ook op een aantal verdiensten van Cervantes. In een interview met een Frans tijdschrift in 1967, jaren later dus, vertelde vader dat hij van plan was om een essay te schrijven over Cervantes en dat hij daarvoor beroep zou doen op onder andere die oude Harvardlezing. Hij zei toen dat hij met genoegen terug dacht aan het ‘in stukken scheuren’ van ‘Don Quichote’ voor een overvolle aula. Hij bedoelde dat natuurlijk figuurlijk, maar een stelletje halfgeletterde journalisten heeft dat hele verhaal uit zijn context gerukt door de karikatuur te lanceren dat Vladimir Nabokov een brandend exemplaar van ‘Don Quichote’ aan zijn klas presenteerde. Politiek tendentieuze figuren zoals Alberto Manguel grijpen die misinterpretatie aan om doelbewust desinformatie over mijn vader te verspreiden. Ze doen dat in de bedrieglijke vorm van artikels en cartoons. Vladimir Nabokov was helemaal geen vijand van boeken, integendeel. In mijn hele leven heb ik nooit iemand sneller en grondiger boeken weten lezen dan hij. En ondertussen bleef hij vlijtig doorwerken aan zijn eigen oeuvre. Het enige boek dat hij ooit echt heeft willen verbranden, was een vroege versie van ‘Lolita’. Tot twee keer toe zelfs, nadat uitgevers halverwege de jaren vijftig het manuscript hadden afgewezen omdat ze bang waren dat ze samen met Vladimir Nabokov zouden eindigen in de cel. Mijn moeder heeft hem telkens weer kunnen overtuigen om het niet te doen. Lolita heette in die eerste versies niet Dolores Haze maar Juanita Dark. Had vader zijn zin doorgezet, was ze op de brandstapel geëindigd als een moderne Jeanne d’Arc. (lacht)”

Toen ‘Lolita’ in 1958 uiteindelijk verscheen, veroorzaakte de roman over de verschroeiende liefde van een veertigjarige man voor een vroegrijp meisje van twaalf een groot schandaal. Uw vader werd uitgemaakt voor pervert en pornograaf.

NABOKOV: Ik heb nooit iemand met hogere morele standaarden gekend dan mijn vader. Er lopen nog steeds idioten rond die zich niet kunnen voorstellen dat een creatieve kunstenaar zoiets als ‘zijn fantasie’ gebruikt. Als enige erfgenaam van Vladimir Nabokovs literaire nalatenschap krijg ik ook nu met de publicatie van ‘Laura’ de nodige bakken kritiek over me heen. Maar ik doe gewoon wat ik denk te moeten doen. De meninkjes van criticasters brengen me niet uit balans, net zomin als mijn vader verstoord werd door de negatieve recensies die hij indertijd heel af en toe las. Vladimir Nabokov een ‘pervert’? Laat me niet lachen. Ik herinner me hem vooral als een oneindig liefhebbende man die mij, zijn enige kind, met veel geduld eergevoel, moraliteit, kennis en humor bijgebracht heeft. Soms verzoop hij in het werk, maar als ik hem nodig had, maakte hij altijd tijd voor me vrij. Mijn moeder Véra werd verliefd op Vladimir toen ze hem in 1923 hoorde voorlezen op een poëziemeeting in Berlijn. Zij voelde meteen aan dat de jonge Vladimir Nabokov een unieke figuur was, met uitzonderlijke literaire kwaliteiten. Een schrijver met een grootse toekomst. Hij was 24, zij 21. Mijn moeder was zelf bijzonder getalenteerd – op haar tachtigste heeft ze nog zijn roman ‘Bleek vuur’ in het Russisch vertaald. Ze koos er van in het begin voor om haar leven volledig ten dienste van Nabokov te stellen. Die eerste jaren schreef hij en bracht zij geld in het laatje met secretariaats- en vertaalwerk. Zij was zijn muze, hulp en toeverlaat. Ze was ook zijn eerste lezer.

Een paar jaar geleden schreef Stacy Schiff een biografie over uw moeder. Ze won met ‘Véra’ in 2000 de Pulitzer Prize, maar u was niet echt gelukkig met het boek?

NABOKOV: Stacy Schiff was een vriendin van me. Ik had met haar afgesproken dat ik de tekst voor publicatie zou nalezen, maar haar uitgever was erg gehaast. Ze heeft zich dus niet aan onze afspraak kunnen houden waardoor er een aantal vervelende onnauwkeurigheden in geslopen zijn. Haar evaluatie van de relatie tussen mijn vader en moeder is vaak vlak, banaal en soms ook totaal verkeerd. Zo beweerde ze dat mijn vader nogal wat romances met studentes had als hij lezingen ging geven aan universiteiten. Ik heb daar naderhand tegen Stacy een harde opmerking over gemaakt waardoor onze vriendschap zwaar bekoeld is. Nu heb ik daar een beetje spijt van. Een van mijn ‘laatste wensen’ is dat ik met Schiff ooit terug on speaking terms kom.

De Duitse historicus Michael Maar ontdekte een paar jaar geleden het in 1916 gepubliceerde kortverhaal ‘Lolita’ van de Duitse auteur Heinz von Lichberg, over een oudere man die verliefd wordt op een meisje van twaalf. Uw vader leefde, net als Von Lichberg, in de jaren twintig en dertig in Berlijn. In 1955 schreef hij zijn roman ‘Lolita’. Heeft Vladimir Nabokov plagiaat gepleegd?

NABOKOV: Nonsens. Het is zo goed als onmogelijk dat mijn vader het zeer middelmatige verhaal van Von Lichberg onder ogen gekregen heeft, laat staan dat hij die Von Lichberg zelf ooit ontmoet zou hebben. Vladimir Nabokov leefde in een totaal andere wijk van de stad en bewoog zich in compleet andere kringen. Dit is puur toeval. De ‘Lolita’ van Nabokov heeft geen uitstaans met de ‘Lolita’ van die Von Lichberg. Net zomin als de gelijknamige film ‘Lolita’ van Stanley Kubrick iets te maken heeft met de roman van mijn vader. Het bekijken van die film gaf hem het gevoel dat hij als patiënt in een ziekenwagen lag zonder dat hij controle had over de voorbijrazende wereld. Hij was niet echt gelukkig met die verfilming, ondanks het feit dat hij zelf het oorspronkelijk scenario geschreven had. Dat scenario werd trouwens genomineerd voor een Oscar, maar in de uiteindelijke verfilming is er bitter weinig van overgebleven.

Russische Amerikaan

Uw vader is geboren in Rusland, maar kreeg later het Amerikaanse staatsburgerschap. Voelde hij zich een Russische of een Amerikaanse schrijver?

NABOKOV: Kent u de Russische schrijver Andrei Bitov? Hij is een leeftijdsgenoot van mij en wordt beschouwd als een van de ‘grote Russen’ van de tweede helft van de 20e eeuw. In 1997 hebben we allebei meegewerkt aan een televisiedocumentaire over mijn vader. Bitov zei toen over Vladimir Nabokov: “Nabokov was een Russische schrijver die de vlucht vooruit koos en de kosmos veroverde.” Mijn grootvader, die trouwens ook Vladimir heette, was minister van Justitie tijdens de bolsjewistische revolutie in 1917. Een paar jaar later moest hij met zijn gezin naar Engeland vluchten. In 1922 werd hij in Berlijn door een Russische monarchist vermoord. Grootvader Vladimir was een anglofiel. Hij bezat een gigantische bibliotheek vol Engelse literatuur. Mijn vader kreeg het Engels met de paplepel ingegoten. Zijn vroege werk schreef vader in het Russisch. Later schakelde hij over op Engels. Die overgang van rijk, overvloedig Russisch naar wat hij zelf ‘tweedehands Engels’ noemde, heeft hem die eerste jaren veel kopbrekens bezorgd.

Wat ikzelf het mooiste werk van Vladimir Nabokov vind? Het allerbeste wat hij ooit geschreven heeft, is het gedicht van de romanfiguur John Shade in ‘Bleek vuur’.

Klopt het dat uzelf ook een roman in de lade liggen hebt?

NABOKOV: Ja. Ik heb het boek een paar jaar geleden geschreven. Het is tot hiertoe niet gepubliceerd, omdat ik er niet helemaal tevreden over ben. U mag niet denken dat ik de confrontatie van mijn werk met dat van mijn vader niet aandurf. Misschien publiceer ik die roman ooit nog in een herziene vorm, al durf ik niet te voorspellen of het er ooit echt van zal komen. De tijd gaat te snel. Voorlopig heb ik mijn handen meer dan vol met het vertalen van een collectie van mijn vaders gedichten, het bundelen van de brieven van Vladimir aan Véra en het schrijven van mijn eigen autobiografie.

U publiceert ‘Het origineel van Laura’ tegen de wil van uw vader in. Zorgt dat toch niet voor een bezwaard gemoed?

NABOKOV: Helemaal niet. De heisa die er nu is rond de publicatie, is helemaal terecht. Hoe je het ook draait of keert, de uitgave van de allerlaatste, onafgewerkte roman van Vladimir Nabokov is wereldnieuws. Sommigen zullen ‘Het origineel van Laura’ prijzen en mij dankbaar zijn dat ik zo’n meesterwerk van de vernietiging gered heb. Anderen zullen ‘Laura’ vergelijken met al het andere werk van Vladimir Nabokov en het vanuit dat perspectief bekritiseren. Wat totaal verkeerd is. ‘Het origineel van Laura’ wordt heel bewust gepresenteerd als ‘een roman in fragmenten’. Natuurlijk zijn sommige thema’s niet uitgewerkt. Maar het manuscript geeft een ‘gedistilleerd’ zicht op het creatieve meesterschap van mijn vader en een fascinerende inkijk in het laboratorium van de grote Vladimir Nabokov.

Vladimir Nabokov

Vladimir Nabokov werd in 1899 geboren in Sint-Petersburg. De Nabokovs zaten er warmpjes in: ze bezaten twee huizen en reden door de straten van Sint-Petersburg in een Rolls Royce. Vladimir werd drietalig opgevoed: naast Russisch sprak hij vloeiend Engels en Duits. In 1916 debuteerde hij met een poëziebundel. Nabokovs vader werd minister van Justitie in de Russische overgangsregering na de val van de tsaar. In 1919 moest het gezin Nabokov noodgedwongen vluchten naar Engeland. Vladimir studeerde er Slavische Letterkunde in Cambridge. In 1922 werd zijn vader in Berlijn vermoord door een Russische monarchist. Een jaar later verhuisde Vladimir zelf naar Berlijn en trouwde er in 1925 met Véra Slomin, ook een Russische vluchtelinge. In 1934 werd hun enige zoon Dmitri geboren. Toen Hitler in 1937 de moordenaar van Vladimirs vader vrijliet, vertrokken de Nabokovs naar Parijs. Drie jaar later verhuisden ze naar de Verenigde Staten waar Vladimir vergelijkende literatuurwetenschap en Russische en Europese letterkunde doceerde. Daarnaast werkte hij als notoir vlinderkundige aan het Museum of Comparative Zoology in Harvard. In 1945 werd hij Amerikaans staatsburger. In 1958 publiceerde hij Lolita, zijn bekendste en meest controversiële werk over de alles verschroeiende liefde en begeerte van een oudere intellectueel voor een vroegrijp meisje van twaalf. Zijn laatste levensjaren bracht Vladimir Nabokov samen met zijn vrouw door in een hotel in Montreux.

Het origineel van Laura

In het postuum uitgegeven ‘Het origineel van Laura’ vertelt Vladimir Nabokov op 138 handgeschreven steekkaarten het verhaal van het huwelijk van de corpulente wetenschapper Philip Wild met de slanke, wispelturige en promiscue Flora. Flora is de dochter van een kunstenaarskoppel – haar vader was een fotograaf die zelfmoord pleegt; haar moeder is een danseres die ooit door een vorige minnaar opgevoerd werd in een schandaalroman met als titel: ‘Laura’. Als jong meisje gedraagt Flora zich als een kloon van Lolita, om later te trouwen met de oudere neuroloog Philip Ward.

‘Het origineel van Laura’ geeft een inkijk in de psyche van schrijver Vladimir Nabokov die zijn levenseinde ziet naderen. Centraal staan sterfelijkheid, zelfmoord, impotentie, walg voor het aftakelende oude mannenlichaam en begeerte naar het frisse, jonge meisjeslijf.  

 

Vladmir Nabokov. Het origineel van Laura. De Bezige Bij, Amsterdam, 168 blz. 18,90 euro.

©jan@janstevens.be

Modrikamen over Modrikamen

De jonge Mischaël Modrikamen groeide op in een bloedrood nest in Charleroi. Niets wees erop dat hij ooit zou uitgroeien tot de held van de kleine Belgische belegger. Laat staan dat hij ooit de bezieler zou worden van de nieuwe rechtse volkspartij PP. “Zelfs mijn moeder is een PP-fan. Al denk ik niet dat het uit overtuiging is, maar omdat ik haar zoon ben.”

 

Mischaël Modrikamen (43) woont en werkt in een statig kasteeltje in Watermaal-Bosvoorde. Zijn domein wordt bewaakt door een grote, vriendelijke hond die elke bezoeker vrolijk kwispelend begroet. Voor de deur staan een paar stevige limousines. Het gaat de held van de kleine beleggers duidelijk voor de wind. Meester Modrikamen steekt niet onder stoelen of banken dat zijn advocatenkantoor floreert. “Op mijn 27e ben ik met dit kantoor van start gegaan. Ik heb keihard gewerkt omdat ik van niemand meer afhankelijk wou zijn. In de loop der jaren is mijn cliënteel flink aangegroeid. Als je als advocaat totale onafhankelijkheid nastreeft, is het belangrijk dat je voor veel mensen kunt werken. Toen ik in oktober bekendmaakte dat ik in de politiek zou stappen, hebben een paar cliënten daar opmerkingen over gemaakt. ‘De deur staat open’, heb ik hen geantwoord. Zo simpel is het. Die vrijheid wil ik blijven behouden.”

 

Immigrant van de derde generatie

Mischaël Modrikamen is het kleinkind van een Poolse immigrant. “Grootvader Jankel Modrikamen stierf toen ik twaalf was; ik heb hem dus goed gekend. Ik was zijn enige kleinzoon en hij hield veel van me. Hij kwam uit het Poolse stadje Lomza, vlakbij de Wit-Russische grens. Hij sprak verschillende talen. Hij was een dandy en een échte man van de wereld. Hij stamt uit een relatief welvarende Joodse familie. Zijn broers trokken allemaal naar het westen. In de jaren twintig bleef grootvader hier in Charleroi hangen. Hij werd verliefd op een Belgisch meisje. Ze raakte snel zwanger. Hij nam zijn verantwoordelijkheid, trouwde met haar en vond een job in de staalindustrie. De manier waarop mijn grootvader zich toen in de Belgische samenleving geïntegreerd heeft, is een schoolvoorbeeld van hoe nieuwkomers zich zouden moeten integreren. Hij kwam vanuit een compleet andere Pools-joodse wereld naar de Belgisch-christelijke samenleving. Toch paste hij zich helemaal aan. Jankel was er zeer fier op dat hij zich halverwege de jaren dertig had laten naturaliseren tot Belg.”

“Mijn grootvader langs moederszijde kwam uit Frankrijk. Ik ben dus eigenlijk een nakomeling van twee migranten. Ik ben van de ‘derde generatie’ en heb me altijd geïntegreerd gevoeld. Als immigrant moet je je aanpassen aan de regels van het land waar je terecht komt. Wie in België wil komen leven, moet Belg worden. Dat wil niet zeggen dat mensen in hun eigen huis hun religie niet mogen praktiseren of dat ze geen jood, moslim of wat dan ook zouden mogen zijn. Maar wel dat ze zich moeten aanpassen aan de heersende waarden en normen van hun nieuwe thuisland.”

 

Marcel Modrikamen, de vader van Mischaël, was een volbloed socialist. Hij werd PS-schepen en later burgemeester van Couillet, een randgemeente van Charleroi. Hij schopte het tot topman van de socialistische mutualiteit en werd voorzitter van het ziekenhuis Institut Gailly. “In de jaren zeventig was mijn geboortestad Charleroi nog een rijke stad”, zegt Mischaël Modrikamen. “Ook al was de crisis in de staalindustrie en in de koolmijnen toen al begonnen. Ik bewonderde mijn vader. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij actief in het verzet. Hij werd opgepakt door de Gestapo en zat maanden in de gevangenis. Hij heeft daar later nooit over gesproken. Hij heeft er ook nooit een medaille voor geclaimd. Hij was slim en werkte zichzelf op. Hij was een goeie manager die vond dat elke cent overheidsgeld goed gespendeerd moest worden. Hij zocht nooit de confrontatie, maar probeerde altijd te bemiddelen. Ik heb meer het temperament van mijn moeder: ik ben een vechter.”

Begin 1991 overleefde Marcel Modrikamen nipt een moordaanslag. “Het was verschrikkelijk”, zegt zoon Mischaël. “Hij had een fraudezaak ontdekt in de socialistische mutualiteit. Hij moest een aantal mensen aan de deur zetten en de boel opkuisen. Op 18 februari 1991 werd hij vanuit een voorbijrijdende wagen beschoten met een riotgun.” Marcel Modrikamen raakte zwaar gewond; de daders werden nooit gevonden. “We hadden aanwijzingen over wie de opdrachtgever was, maar het is nooit tot een confrontatie gekomen, laat staan dat er vervolgingen geweest zijn of veroordelingen. De laatste jaren van vaders leven vertroebelde zijn relatie met de socialisten. In zijn laatste levensjaar stemde hij op Ecolo. In 1995 is hij gestorven. Ik was erbij. Dat was ontzettend moeilijk, want we waren heel erg close.”

 

Advocatuur

Tot zijn veertiende droomde de jonge Mischaël Modrikamen van een avontuurlijk leven als piloot. “Tot het op een gegeven moment bijna vanzelfsprekend werd dat ik advocaat zou worden. Eigenlijk weet ik zelf niet goed waarom. Er zaten geen advocaten in de familie of in onze vriendenkring. Ik weet wel nog heel precies wanneer ik mijn socialistische denkbeelden definitief ingeruild heb voor liberale. Dat was na lectuur van het boek Le Spectateur Engagé van de Franse socioloog Raymond Aron. Aron was een verdediger van de vrijheid en kwam op tegen linkse totalitaire regimes. Hij ging lijnrecht in tegen figuren als Sartre die supporterden voor Stalin en de Rode Khmer. Vandaag zie ik dezelfde blindheid bij sommige progressieve mensen die sympathie opbrengen voor de fundamentalistische islam. Terwijl juist zij riskeren om als eersten tegen de muur gezet te worden als hun ‘vrienden’ aan de macht komen.”

 

In 1989, middenin het laatste jaar van zijn rechtenstudie, kreeg Mischaël Modrikamen het aanbod om als advocaat-stagiair voor het Amerikaanse advocatenkantoor Akin Gump Strauss Hauer & Feld te komen werken. “Het was een goed kantoor – een van de grootste in Amerika, met een filiaal in Brussel. De meeste Belgische advocatenkantoren waren in die tijd zeer ouderwets. In ’89 hadden ze bij Akin Gump al intranet, iets waar andere kantoren nog van droomden. Er werkten advocaten uit Washington en Texas. Ze stuurden een man uit Texas, een echte volbloed Texaan, om het Brusselse filiaal te leiden. Een grandioze vergissing. De mensen uit Washington hadden meer voeling met de Europese culturele gevoeligheden dan de manager uit Texas. Dat zorgde voor heel wat spanningen. Ik kon er veel interessante zaken behartigen, maar toch voelde ik me er niet erg gelukkig.”

Na een jaar stapte Modrikamen als stagiair over naar Simont & Simont, toen een van de meest befaamde Brusselse kantoren. “Ik kwam er terecht in de middeleeuwen. We waren gehuisvest in een onoverzichtelijk herenhuis. Er waren twee liften: één voor het voetvolk en één met een sleutel, voorbehouden aan de vennoten. Ik deelde mijn kantoorbenodigdheden met drie andere collega’s, en kreeg een met plakband gerepareerde dictafoon van een van mijn voorgangers. Er waren twee telefoons voor vier mensen en we zaten op smurfblauwe Ikeastoeltjes. Maar we behandelden topzaken en ik werkte er samen met absolute topadvocaten.”

“Begin jaren negentig werkten bijna alle Belgische advocatenpraktijken nog middeleeuws, al spande Simont & Simont toch wel de kroon. Ondertussen zijn ze allemaal gemoderniseerd, want veel kantoren zijn gefusioneerd of overgenomen door grote buitenlandse spelers. Toen ik er werkte, fusioneerde Simont & Simont met het Nederlandse Stibbe. In 1993 ben ik er met slaande deuren vertrokken. Na mijn stage van drie jaar, volgde er een evaluatievergadering met twee vennoten. Met de ene vennoot had ik een uitstekende relatie, met de andere iets minder. Zij was een goeie advocate, maar ze beschikte over geen greintje emotionele intelligentie. Ongelooflijk. Ze zei dat ik mijn werk vrij goed deed, maar ze vond dat ik als stagiair teveel mijn mond roerde in de firma. Ik hoorde haar met stijgende verbazing aan. Na twee minuten stond ik op. Ik zei: ‘Als dat je appreciatie is, blijf ik geen dag langer in dit kantoor.’ En ik ben er weggegaan.”

“Ik kreeg bijna meteen een aanbod van Baker & McKenzie, één van de grootste advocatenkantoren ter wereld. Ze beloofden me dat ik snel zou kunnen doorgroeien tot vennoot. Een week voor ik er van start zou gaan, hoorde ik dat het feest niet doorging. ‘Sorry, maar iemand van Stibbe & Simont heeft ons voor jou gewaarschuwd.’ In het advocatenwereldje gaat het er soms keihard aan toe, inclusief messteken in de rug. Ik besloot toen om vrij en onafhankelijk te worden en nooit nog voor een baas te werken. Op mijn 27e ben ik met mijn eigen kantoor begonnen. Ik had geluk dat een kleine zakenbank mij volgde. Ze betaalde goed en bezorgde me massa’s werk. Ik kreeg heel wat interessante zaken te behandelen en leerde veel over moeilijke juridische financiële kwesties.”

 

In 1995 kreeg meester Modrikamen zijn eerste echt grote zaak te behandelen. “Ze leek sterk op wat er later bij Fortis gebeurd is. De toenmalige ASLK had voor bijna een miljard frank euro-obligaties van de Canadese verzekeringsgroep Confederation Life uitgeschreven. Het ASLK-cliënteel schreef er voor vijfhonderd miljoen frank op in. Anderhalf jaar later ging Confederation Life failliet en verloren honderden kleine beleggers hun spaarcenten. Ik heb toen als advocaat van de kleine beleggers de ASLK voor de rechter gesleept. De ASLK wist dat het om een zeer risicovolle belegging ging, maar heeft dat nooit gecommuniceerd. Ik won en de bank heeft de gedupeerden vergoed. Ik ben als advocaat op mijn best als ik de strijd kan aangaan met het establishment. Dat heb ik meteen aangevoeld in die eerste grote zaak. Daarna kwamen tientallen gelijkaardige zaken, met Fortis als voorlopig eindpunt.”

 

Politiek

Onlangs maakte Mischaël Modrikamen bekend dat hij bezig is met de oprichting van zijn eigen politieke partij, de Parti Populaire. “Het probleem van Wallonië is dat de regio in de shit zit en dat iedereen dat maar normaal lijkt te vinden. Veel regio’s die met dezelfde problemen te kampen hadden, beleven ondertussen een renaissance. Maar in Wallonië blijft alles bij het oude. In 1944 al schreef de Oostenrijkse filosoof en econoom Friedrich Hayek zijn boek The Road to Serfdom waarin hij beschreef waar socialisme toe leidt. Wallonië is daar een typevoorbeeld van. Hoge werkloosheidscijfers, immobilisme en afhankelijkheid van de staat zijn er algemeen aanvaard en worden als doodnormaal beschouwd. De socialistische partij moet aan de macht blijven om alle voordelen en instellingen in stand te kunnen houden. Mijn eigen moeder is jarenlang in het socialistische verhaal meegegaan. Nu ik mijn eigen partij heb opgericht, komt daar verandering in. Ze probeert nu al haar vrienden ervan te overtuigen om op de PP te stemmen. ‘Eindelijk komt er verandering.’ Ik denk dat haar enthousiasme vooral te maken heeft met het feit dat ze mijn moeder is, en minder met haar overtuiging (lacht).”

Wordt Mischaël Modrikamen de Jean-Marie Dedecker van Wallonië? “Nee. Na mijn toespraak op de tweede aandeelhoudersvergadering van Fortis in Flanders Expo kreeg ik al het verwijt dat ik een populist ben. De slogan van de PP zal zijn: ‘De mensen eerst’. Het wordt een partij van het volk en geen partij voor het establishment. Als populisme wil zeggen: ‘De mensen eerst’, ben ik een populist. Als populisme wil zeggen: ‘impele oplossingen voor moeilijke problemen’, pas ik. Want na twintig jaar in de advocatuur weet ik donders goed hoe complex het leven ineenzit.”

 

 

Toppers van Modrikamen

 

-Winston Churchill: “Er hangt een gigantisch portret van Churchill in de inkomsthal van mijn huis. Hij was een vechter, altijd klaar om op te komen voor zijn idealen. Hij was ook een man met gevoel voor humor, en net als ik hield hij van lekker eten en drinken.”

 

-Ronald Reagan: “Veel Europeanen zien hem als een cowboy. Ten onrechte. Vandaag is hij een van de meest bewonderde presidenten in de VS. Hij zorgde ervoor dat na de desastreuze jaren onder Jimmy Carter de Amerikanen terug vertrouwen en geloof in de toekomst kregen.”

 

In zijn boek ‘Modrikamen, recht door zee’ gaat Vacature-journalist Filip Michiels op zoek naar de mens achter advocaat Mischaël Modrikamen. Uitgegeven bij Nomonkeybooks. 112 blz, 18,95 euro

 

©jan@janstevens.be

Siberische opvoeding

Nicolai Lilin groeide op in de Urka, een gemeenschap van Siberische maffiosi. Op zijn dertiende werd hij veroordeeld voor doodslag; op zijn 18e vocht hij in Tsjetsjenië. Negen jaar geleden vluchtte hij naar Italië. “Ik nam afscheid van 46 Urka-vrienden. Vandaag zitten er drie in de cel en zijn er twee aan de drank. De rest stierf een gewelddadige dood.”

 nicolai lilin 2

Zelfs in de straten van het vredelievende Turijn loopt de van top tot teen getatoeëerde Nicolai Lilin (29) met een schietklaar pistool in een holster aan zijn heup rond. “Radicale moslims hebben gezworen dat ze me zullen weten te vinden”, zegt hij. “Begin volgend jaar verschijnt mijn boek over mijn belevenissen als saboteur voor het Russische leger in de oorlog in Tsjetsjenië. De islamisten willen nog een eitje met me pellen.”

In april van dit jaar kwam Lilins eerste autobiografische boek in Italië uit. In Siberische opvoeding beschrijft hij zijn eerste 18 levensjaren in de Urka, een hechte gemeenschap van gedeporteerde Siberische criminelen in Transnistrië, een republiekje geprangd tussen Moldavië en Oekraïne. De ondergedoken Gomorra-auteur Roberto Saviano maakte voor de Italiaanse krant Repubblica een grote reportage over Nicolai Lilin en katapulteerde zo diens boek naar de top van de bestsellerlijsten. “En dat terwijl ik niet eens een schrijver ben”, grinnikt Nicolai Lilin terwijl hij geconcentreerd in zijn espresso roert in het kantoor van Turijnse vrienden. “Sinds Tsjetsjenië heb ik last van slapeloosheid en krijg ik soms rare kronkels in mijn hoofd. Ik ben mijn eigen verhaal beginnen opschrijven. Mijn vrienden vonden het fantastisch en brachten me in contact met een uitgever. Nu ben ik een ‘literaire ster’.”

Van bij zijn geboorte in 1980 kreeg Nicolai Lilin criminaliteit en geweld met de paplepel ingegoten. “Onze Urka-gemeenschap was toen op sterven na dood. Mijn vader overtrad voortdurend de regels van de Urka. Mijn grootvader zag dat met lede ogen aan. Ik was een van de weinige kinderen die de ouderen en hun traditie respecteerde. Echte Urka’s verkrachten niet en persen niet af. Als ze iemand doden, hebben ze een geldige reden. En ze stelen alleen van de staat.”

Maar het zijn stuk voor stuk criminelen.

“Natuurlijk. Ze hebben geen andere keuze. De leden van de Urka haten de staat en de politiek. Ze haten alles waar ze zelf geen controle over kunnen uitoefenen. De wijk in de stad waar ik opgroeide, ‘Benedenrivier’ in Bender, was van hen en werd door hen gecontroleerd. De Urka’s in Transnistrië stammen uit criminele samenlevingen die in de Siberische wouden leefden. Ze beschikken dus over een simpel boerenverstand. Mijn overgrootmoeder is in 1930 uit Siberië weggevlucht. Haar man is gedood door officieren van het Rode Leger. Ze zeiden tegen haar dat ze moest opkrassen. Ze heeft toen de trein genomen naar een door Stalin gedeporteerde gemeenschap van Siberische Urka’s in Transnistrië. Als kind hoorde ik verhalen over de ‘speciale treinen’ waarmee mijn gemeenschap gedeporteerd is. De deportatie gebeurde gefragmenteerd: ze begon in 1925 en duurde tot 1940. Stalin heeft de Urka’s met een duidelijke bedoeling naar Transnistrië gedeporteerd: hij wou er een criminele gemeenschap binnenbrengen die de belangen van de Sovjet-Unie zou helpen beschermen. Hij heeft zich daarin danig vergist. Er was in Transnistrië een grote Joodse criminele gemeenschap actief die nauw samenwerkte met de Joodse maffia in Amsterdam. Ze hielden zich vooral bezig met de smokkel van diamant en goud. Toen de generatie van mijn grootouders daar kwam wonen, hebben ze snel de controle over de Joodse maffia overgenomen. De generatie van mijn grootouders was bijzonder gewelddadig. Ze kwam dan ook uit de taiga. (lacht)”

 Nicolai Lilin met kalashnikov en oma

Wapens en geweld vormden een belangrijk deel van uw opvoeding?

“Dat was volstrekt normaal. Ik zal je een foto laten zien waarop ik samen met mijn grootmoeder als jongetje van zes met een kalasjnikov in mijn hand poseer. Wapens waren een deel van ons dagelijks leven. Je vond ze overal in huis. Mijn grootvader had een kamer vol ‘fatsoenlijke wapens’. ‘Fatsoenlijke wapens’ dienden voor de jacht, en werden in een aparte kamer bewaard. Maar je had ook nog de ‘zondige wapens’: die werden gebruikt voor criminele doeleinden en lagen verborgen in de kelder of op geheime schuilplaatsen in of rond het huis. Als zo’n zondig wapen in contact kwam met een fatsoenlijk wapen, moest het fatsoenlijke ‘gezuiverd’ worden met een met vruchtwater doordrenkte doek. We hadden in ons huis een plank in een hoek waar onder iconen en kruisbeelden de wapens voor dagelijks gebruik lagen. Als mijn vader thuiskwam, legde hij eerst zijn wapen op die plank, sloeg een kruis en legde een crucifix op het pistool.”

“Als er geen andere uitweg is, moét je als Urka iemand anders doden. Die wet is altijd de basis geweest: als het moet, schiet je mensen dood zonder twijfel, zonder angst. Dood is deel van het leven. Dus waar zou je je zorgen over maken? Een echte Urka doodt nooit omwille van het plezier. Want een mens doden, is en blijft een zonde tegen god. Daarom ook hebben de ouderen in de Urka-gemeenschap een innige relatie met de Russisch-orthodoxe religie. Gerechtigheid op aarde bestaat niet. Alleen god zorgt voor gerechtigheid en niemand anders. Dus heb je als Urka lak aan de politie en snap je niet waarom je voor een misdaad opgesloten wordt. Voor een echte Urka is een flik minder dan het vuil van de straat. Mijn opa hield zich aan die traditie, mijn vader niet. Pa werkte zelfs samen met een aantal agenten en ritselde criminele zaakjes voor hen. Zoiets kun je als Urka echt niet maken. De smeris is vijand nummer één. Hij is niet meer dan een hond. Mijn grootvader sprak hen consequent aan met ‘klootzak’ of ‘misbaksel’. Hij was verschrikkelijk kwaad toen hij ontdekte dat mijn vader samenwerkte met de politie. Als pa bij hem op bezoek kwam, zei opa altijd: ‘Laat je portefeuille met het flikkengeld maar buiten liggen. Ik wil die stront niet in mijn huis.’ Toen de Sovjet-Unie uiteenviel, liet mijn vader ons in de steek en verhuisde hij naar Duitsland. In 1990 vertrok hij, een jaar later werd hij door een Duitse rechtbank veroordeeld tot zes jaar gevangenschap. Hij had samen met iemand anders een bank overvallen. Toen ze wegvluchtten schoot een van hen een agent dood. Na twee jaar lieten ze hem vrij en keerde hij terug naar huis. Misschien is het wel opa’s eigen fout dat mijn vader zo laag gevallen is. Individuele vrijheid is belangrijk in de Urka-gemeenschap. ‘Wij hebben niet de macht om iemands inborst te veranderen. Als je iets beslist, doe het dan. Moge god je bijstaan.’ De generatie van mijn vader was de eerste Urka-generatie die niet goed met die vrijheid overweg kon en die niet langer respect had voor de ouderen. Als dat respect verdwijnt, is een traditionele criminele gemeenschap gedoemd om ten onder te gaan. De ouderen hebben autoriteit. Snotapen die criminele zaakjes met anderen proberen te regelen, worden niet au sérieux genomen. ‘Hij is een nobody, een jong ventje, waarom zou ik hem geloven?’”

“Op school zat ik tussen kinderen die niet tot de Urka behoorden, tussen jongens uit normale gezinnen, die nog nooit een wapen gezien hadden. We praatten met niemand over onze thuissituatie. Soms begon er wel eens iemand over mijn vader: ‘Waar verbergt hij zijn wapens?’ Dan ontkende ik altijd glashard dat we die hadden. We waren opgevoed om niets te vertellen over onze criminele activiteiten.”

Er heerste omerta?

“Het was veel sterker dan dat. Bij de Italiaanse maffia zwijg je omwille van de trouw die je gezworen hebt aan je maffiaclan. Bij ons zweeg je omdat je anders je hele familie verlinkte. Zwijgen was onze normale staat van zijn. De Urka was een criminele maatschappij in moeilijke omstandigheden. Ten tijde van de Sovjet-Unie moest je niet veel misdoen om een outlaw te zijn. Wie zich zoals wij bezighield met tatoeages was al een crimineel. Criminele tatoeages vertellen alles over het leven van het Urkalid. Mijn tatoeages zeggen alles over mij. Ze zijn mijn paspoort.”

Wat vertellen ze over u?

“Over tatoeages wordt niet gesproken, want dat lijkt op snoeven. Jij kan ze niet lezen, want je begrijpt de tekens niet. Alleen de mensen uit mijn eigen gemeenschap weten waar ze voor staan. Voor dit soort tatoeages vlogen mensen tijdens de Sovjet-Unie voor zeven jaar in de gevangenis. Je moest zelfs geen bankovervaller of moordenaar zijn.”

“Hier in Italië bestaan er verschillende maffiaclans met een echte oude criminele traditie. Ze hebben zich ondertussen ontpopt tot ‘ondernemers’. Ze ‘investeren’, bouwen huizen, controleren samen met de Colombianen de drugstrafiek in de wereld. De Italiaanse maffia is uitgegroeid tot een multinational. In de VS hebben ze de controle over grote delen van de bouw en over alle casino’s en gokpaleizen. De olie- en gasindustrie zit dan weer onder controle van de Russische maffia. Criminelen zitten overal. Als je zaken wil doen, kruisen ze je pad. Mijn mensen waren oorspronkelijk niet dat soort van criminelen. Ze wilden met rust gelaten worden. Hun filosofie was heel simpel: ‘Laat me mijn leven leiden, in ruil laat ik jou ook links liggen. Als je bij mij te gast bent, zal ik ervoor zorgen dat je niets tekort komt. Maar als je naar mij toe stapt met een geweer en mijn moeder en mijn baby afknalt en mij jouw rode ideologie opdringt, kom ik in opstand en knal ik jouw kop eraf.’ Tijdens de Sovjet-Unie was het voor ons volkomen legitiem om geld van de staat te pikken. Er was geen privébezit, het was oké om staatsbanken te overvallen. Toen de Sovjet-Unie verdween, werden de banken geprivatiseerd. Die verandering zorgde voor een serieuze scheuring binnen de Urka. De ouderen vonden dat het niet kon om private banken leeg te roven. De kerels van mijn generatie zagen daar geen graten in. De criminele business moest gewoon doorgaan. De ouderen wilden zich aan de oerregels houden en alleen de communistische staat beroven.”

“Toen het communisme viel, was iedereen blij. Het was alsof de gebraden kippen ons voortaan in de mond zouden vliegen. Maar de generatie van mijn grootvader had er een slecht gevoel over. Ik vroeg opa: ‘Wat is er aan de hand? Je haat het communisme en de Sovjet-Unie. Je hebt je hele leven je uiterste best gedaan om ze te beroven. Je hebt in de gevangenis gezeten, een van je zonen is door de flikken doodgeschoten. Je grote vijand delft eindelijk het onderspit, en je vindt het verschrikkelijk.’ Hij antwoordde: ‘Ik vind het spijtig dat de Sovjet-Unie om zeep is, want ik ben bang dat het nu chaos wordt.’ Hij had gelijk.”

“Van de val van de Muur in 1989 tot 2000 werd er in de straten van Rusland een bloederige criminele oorlog uitgevochten. Mijn generatiegenoten uit onze Urka stortten zich volop op de drugstrafiek. Met de meesten is het slecht afgelopen. We waren met 46 jongens van dezelfde leeftijd. Vorig jaar ben ik na acht jaar voor het eerst teruggekeerd naar Bender. Van de 46 waren er nog vijf in leven. Drie gasten zaten in de gevangenis; de twee overblijvers vulden hun dagen met het drinken van alcohol. De 41 anderen stierven een gewelddadige dood. Vandaag is de Urka-gemeenschap totaal gedegenereerd omdat ze is beginnen samenwerken met criminele buitenstaanders. Een groot deel van de controle over de drugstrafiek in Rusland is in handen van Tadzjieken. Niemand spreekt over hen, maar ze hebben ongelooflijk veel macht. Tegenwoordig gaan de jonge kerels uit de Urka-gemeenschap met hen in zee. De Tadzjieken geven de Urka’s de controle over de drugshandel in een regio en beloven hen dat ze hen daarvoor rijkelijk zullen vergoeden. Het eerste jaar gebeurt dat ook en dokken ze 10.000 dollar per maand. Met dat bedrag leef je in Rusland als een koning. De jonge Urka’s zijn stom en denken dat er nooit een einde aan hun luxeleventje zal komen. Maar na een jaar worden ze met een paar welgemikte schoten uit de weg geruimd. De Tadzjieken houden niet van vaste Siberische hulpjes. Ze gebruiken hen zoals een condoom.”

U bent niet met de Tadzjieken gaan samenwerken?

“Ik heb me nooit door hen laten meesleuren, want ik heb altijd goed geluisterd naar wat de ouderen vertelden. Mijn grootvader zei me dat niets voor eeuwig is. Als de tijden veranderen, moet een gemeenschap zich proberen aan te passen of ze is ten dode opgeschreven. Na de val van het communisme gedroeg de ene Urka zich al wat intelligenter dan de andere. De dommeriken overleefden het niet. (lacht)”

Toch kwam u als dertienjarige in de gevangenis terecht?

“Tijdens een gevecht op straat heb ik een rivaal proberen doden met een mes. Ik werd veroordeeld tot anderhalf jaar voor doodslag. Maar omdat ik nog zo jong was en mijn vader de politie geld toestopte, kreeg ik in realiteit maar acht maanden. Transnistrië was na de val van de Sovjet-Unie een onafhankelijke republiek. In 1992 vielen de Moldaviërs er binnen. In Bender werden ze op bloedige wijze afgedroogd door de Urka. De Russen kwamen ons ‘ter hulp’ en Transnistrië kwam in een rare vorm van isolatie terecht. Niets werkte nog fatsoenlijk – de structuur van het land was om zeep. De corruptie tierde welig. De top van de samenleving leefde als een tsaar, de rest was doodarm. Het leven in de gevangenis was keihard. Er was niets te eten. Alle gevangenen waren agressief. Ik heb geluk gehad dat mijn vader en mijn gemeenschap bescherming afgekocht hebben bij de bewakers. Ze bleven van me af en lieten me met rust.”

Op uw 18e ging u twee jaar vechten in Tsjetsjenië?

“Na mijn gevangenschap had ik geen andere keuze. Ik werd opgeroepen voor de militaire dienst en moest naar Tsjetsjenië. In 1998 kwam ik in Tsjetsjenië terecht – één jaar voor de tweede oorlog er officieel uitbrak. Toen waren we al bezig met ‘speciale operaties’ in de bergen, met de voorbereiding voor die oorlog. Ik zat in een sabotagegroep. Natuurlijk waren onze acties grote provocaties voor de Tsjetsjeense leiders.”

Toen u terugkeerde uit de oorlog, kreeg u opnieuw last met justitie?

“Kijk, ik ben altijd een gewone jongen geweest. Geen superman. In mijn gemeenschap was ik middelmaat. Ik heb in mijn leven vier grote aanvaringen met justitie gehad. Mijn allereerste veroordeling kreeg ik toen ik twaalf was: zes maanden huisarrest voor wat onnozele criminele bagatellen. De tweede keer was op mijn dertiende. De derde keer ben ik nooit veroordeeld. Die feiten dateren van na mijn militaire dienst in Tsjetsjenië. Ik heb er een maand voor in voorarrest gezeten, maar niemand vond enig bewijs.”

Voor wat?

“Dat zeg ik liever niet. De derde keer zat ik twee maanden. Na mijn legerdienst in Tsjetsjenië probeerde ik te overleven in Sint-Petersburg. Ik werkte samen met een zeer belangrijke man. Er is toen ‘iets’ gebeurd waardoor ik op de vlucht moest. (lacht) Ik riskeerde om heel slecht te eindigen. Een vriend van mij, een bloedbroeder uit de oorlog die nu als FSB-agent werkt, speelde mijn ‘reisagent’. ‘Nico, Je hebt 48 uur om weg te geraken, ik prepareer je papieren.’ Ik kon naar Belfast afreizen, later kwam ik in Dublin terecht. Ik had met niemand contact meer, behalve met mijn FSB-vriend. Hij heeft me ontzettend hard geholpen. Op een dag belde hij me en zei dat mijn moeder naar me op zoek was. Zij leefde toen al jaren in Italië. Ze wou dat ik naar haar toe kwam. Ik had vergevorderde plannen om met een Ierse schoonheid te trouwen, maar als een Russische moeder aan haar zoon vraagt om bij haar te komen wonen, doet hij dat gewoon. Mijn vriend bij de FSB is er later in geslaagd om mijn dossier bij justitie te laten ‘verdwijnen’. Daardoor kan ik nu terug helemaal vrij naar Rusland reizen.”

 

Nicolai Lilin, Siberische opvoeding, Lebowski, 345 p., 19,90 euro

Tekst: ©Jan Stevens

Foto’s: ©Veerle Van Hoey

Stijlvol afkicken

Na een kwarteeuw keihard werken, nam de Nederlandse textielondernemer Jeroen Fisser een sabbatjaar. Toen pas ontdekte hij dat zijn vrouw een zwaar drankprobleem had. Hij gaf zijn leven radicaal een andere wending en stampte U-Center,de allereerste luxe-afkickkliniek van de Lage Landen uit de grond. Voor een slordige 20.000 euro helpt hij kapitaalkrachtige medemensen van hun cocaïne- of drankverslaving af.

 

Vlakbij het drielandenpunt in Epen bij Maastricht lijkt Nederland verdacht veel op het groene, heuvelachtige Toscane. Van op het stijlvolle terras van zijn luxe-afkickkliniek U-Center – de Betty Fordkliniek van de Lage Landen – kijkt ondernemer Jeroen Fisser (59) uit over een schitterende Limburgse vallei. “De meeste moerasbewoners in Nederland weten niet eens dat deze streek tot hun eigen land behoort”, zegt hij. Naast hem zitten vermoeid ogende zakenlui en managers in sportoutfit. Ze roeren in hun espresso of nippen van een sapje, terwijl een paar honderd meter verder vrolijk kwebbelende toeristen en dagjesmensen van een frisse pint genieten op het terras van het naburige café. De meeste kapitaalkrachtige gasten van Fisser hebben zich in het U-Center voor een kuur van zes weken laten opnemen om komaf te maken met een hardnekkige drank- of drugsverslaving. “Al is dat niet het enige wat we hier doen”, zegt Fisser. “We behandelen ook depressie, burnout en trauma’s zoals seksueel misbruik uit de kindertijd. Veel mensen hebben een ‘dubbele diagnose’: ze komen met een depressie hiernaartoe, terwijl ze eigenlijk een verslavingsprobleem hebben. In een regulier afkickcentrum is er alleen aandacht voor de verslaving, niet voor wat er achter schuilgaat.”

U-Center opende zijn deuren in april 2007 en is volgens Fisser uniek in de Lage Landen. “In geen enkele andere afkickkliniek in België of Nederland wordt zo hard aan de patiënt gewerkt als hier. Onze benadering staat haaks op wat gewone afkickcentra aanbieden. Onze cliënten krijgen 44 uur per week therapie. Geen arbeidstherapie, in de tuin werken of poetsen, maar keihard werken aan zichzelf. Daarnaast logeren ze in een viersterrenhotel. Met zwembad, fitness, Turks bad, sauna… Alles is voorhanden om onze gasten naast hun zware therapie ook uitgebreid te vertroetelen.”

 

Alcoholprobleem

Tot zes jaar geleden wees niets erop dat Jeroen Fisser ooit een luxekliniek voor verslaafden zou stichten en leiden. “Ik stam uit een familie van textielondernemers”, vertelt hij. “Ik ben in deze streek opgegroeid en heb hier tot mijn 18e gewoond. Toen zei mijn vader: ‘Eruit, ik wil je een tijdje niet meer zien.’ Ik werkte bij hem in de zaak en hij wou dat ik praktijkervaring ging opdoen in Duitsland. Ik ben er als 18-jarige textiel gaan verkopen. Toen dat goed ging, mocht ik terugkeren.”

Vader Fisser was een fabrikant van dameskleding. “We verkochten aan grote winkelketens. In de loop der jaren evolueerde het bedrijf naar een eigen label voor de betere speciaalzaak. Op een bepaald moment hadden we kantoren in Brussel, Londen, Manchester, Düsseldorf, Amsterdam en Dublin. Dat was mijn verdienste. Tien jaar geleden ben ik uit de zaak gestapt. Ik verschilde van mening met mijn broers over hoe het bedrijf zich verder moest ontwikkelen.”

Jeroen Fisser vestigde zich als consultant. “Ik was vijftig geworden en kreeg steeds meer behoefte aan wat tijd voor mezelf. Op mijn 52e stapte ik uit de ratrace en nam ik een sabbatjaar. Pas dan merkte ik dat ik thuis een heel groot probleem had. Voor het eerst in mijn leven zag ik dat mijn vrouw zwaar aan de drank zat. In de twintig jaar ervoor had ik daar helemaal niets van gemerkt. We hadden twee huizen, zij werkte bij KLM en ik runde zes kantoren in het buitenland. Af en toe raadpleegden we onze agenda’s en spraken we af: ‘Wanneer zien we elkaar in welk huis?’ Dat was heel decadent en spannend, maar heeft ook zijn tol geëist. Toen ik erachter kwam dat mijn vrouw een alcoholiste was, dacht ik als volbloed ondernemer: ‘Dit los ik zelf wel op.’ Maar dat viel lelijk tegen.”

 

Fisser maakte afspraken met zijn vrouw. “In het begin geloofde ik ook dat ze die nakwam. Dat was natuurlijk niet zo. Daar kwam list en bedrog bij kijken. Ik begon alles over alcoholisme te lezen wat ik maar kon vinden. Ik ging naar praatgroepen, zocht hulp bij mijn huisarts en bij nog andere dokters. Maar huisartsen weten helemaal niets van die ziekte; vaak drinken ze zelf. Als reactie op mijn zoektocht naar hulp, begon mijn vrouw nog meer te drinken. Onze problemen werden alleen maar groter. Tot ik de handdoek in de ring wou gooien en tegen haar zei: ‘Het is over. Ons huwelijk is kapot.’”

Maar Jeroen Fisser bleef. “Als iemand kanker heeft, laat je die ook niet in de steek. Waarom zou je dat dan wel doen bij iemand die een vreselijke ziekte als alcoholisme heeft? Alcoholisme heeft niets met een ‘zwak’ of ‘sterk’ karakter te maken. Het is een emotieziekte, die vaak in de genen zit. Vijf jaar geleden ging het zo slecht met mijn vrouw, dat ik op een ochtend de sleutels op tafel gooide en riep: ‘Eruit!’ Ze is toen naar een vriendin gegaan, kwam ‘s avonds terug en vroeg een allerlaatste kans. Ze stelde voor om te gaan afkicken in een privékliniek in het buitenland.”

Mevrouw Fisser liet zich opnemen in de dure, exclusieve Oberbergkliniek in Duitsland. “Zes weken lang werkte ze keihard aan zichzelf. Met succes. Toen ze terugkwam uit Duitsland, vroeg mijn vriend en zakenpartner Antoon Van Balkom: ‘Hoe is het nu bij jullie thuis?’ Ik vertelde hem dat het goed met haar ging, beschreef hem onze lijdensweg en zei: ‘Klinieken zoals Oberberg zijn er jammer genoeg niet in Nederland.’ Antoon sprak de gevleugelde woorden: ‘Wat er niet is, gaan we toch halen?’”

Fisser en Van Balkom zochten contact met het management van Oberberg. “Ze reageerden enthousiast en wilden samen met ons in zee om een privékliniek in Nederland te openen. Ze lieten ons bij hen in de keuken kijken. Een privékliniek moet geld verdienen, anders gaat ze overkop. Overberg heeft niet alleen een goed concept, maar heeft ook een uitmuntend businessplan. Een architect van Oberberg is mee op zoek gegaan naar een locatie. Ik woon in Amsterdam, maar wou de kliniek toch liefst in Limburg vestigen. De regels zijn hier net hetzelfde als in de rest van Nederland, alleen worden ze wat soepeler toegepast – een beetje op zijn Belgisch – menselijker dus.”

In Epen vond Fisser een luxehotel dat te koop stond. “Het was ideaal en lag prachtig. Na heel wat onderhandelen hebben we het in 2007 kunnen kopen.”

 

Bananenrepublik

In diezelfde periode kwam Jeroen Fisser in contact met een luxe-afkickkliniek in Engeland. “Ze werkten er helemaal anders dan de Duitsers. Als je in Oberberg binnenstapt, kom je echt binnen in een kliniek. Het is er ijskoud. In zo’n Engelse privékliniek kom je binnen in een huiskamer. Op het moment dat we dit hotel kochten, haakten de Duitsers af. Zij wilden dat we eerst van de Nederlandse staat een vergunning voor het uitbaten van de kliniek kregen. Wij zeiden steeds: ‘We kopen eerst het gebouw, die vergunning komt wel.’ De Duitsers konden met die aanpak niet overweg – zij werken met lijstjes, het ene moet voor het andere, anders raken ze helemaal in de war. We schakelden het allerbeste advocatenkantoor in om hen uit te leggen dat alles in orde zou komen – er was net een nieuwe wet gestemd waardoor het privé-initiatief in de zorg meer kansen kreeg. Maar het antwoord van de Duitsers was: ‘Ir lebt in einer Bananenrepublik!’ (lacht). Het huilen stond ons toen nader dan het lachen, maar achteraf zijn we blij dat de samenwerking met Oberberg niet doorgegaan is.”

 

Op 12 april 2007 opende U-Center haar deuren. “We zijn gestart met zes patiënten. Het werden er twaalf, veertien, achttien… In maart van dit jaar draaiden we breakeven. We hebben 50 mensen in dienst, en hebben plaats voor 50 patiënten. Een verblijf kost gemiddeld tussen de 450 en 500 euro per dag.”

Wat voor mensen laten zich opnemen in U-Center? Jeroen Fisser: “Ken je de Bijenkorf en de Aldi? Wij zijn de Bijenkorf. Je kan de Bijenkorf vergelijken met de Belgische Inno. In de Inno of de Bijenkorf loopt een directeur te winkelen, maar ook de eigenaar van een tuinaanlegbedrijfje. Ons cliënteel hoeft niet direct van zeer rijke komaf zijn, maar het moet wel een beetje beschaafd zijn. Een verslaafde is iemand met een laag zelfbeeld. We werken daar van in het begin van de behandeling heel sterk aan. Daarom ook komen ze hier in zo’n mooie omgeving terecht. Waarom zouden ze deze luxe niet waard zijn? Het zijn goeie mensen, ook al zijn ze ziek. Daar kunnen ze niets aan doen. Maar ze moeten er wel hard aan werken.”

“De gemiddelde leeftijd van onze cliënten is een jaar of 40. Er zitten ondernemers tussen, managers, advocaten, rechters, maar we hebben ook een piloot met een drankverslaving. En een schoolhoofd. Seksverslaafden zijn hier ook welkom. Net als mensen met een koopverslaving. In feite komen al die verslavingen op hetzelfde neer, alleen het middel is telkens anders. Vroeger was heroïne dé drug, nu is het vooral cocaïne. Ik ben in Amsterdam op feestjes geweest waar vaders voor hun dochters cocaïne kochten onder het mom van: ‘Dan weet ik dat ze goed spul krijgt.’ Daar kan ik ontzettend kwaad van worden. Nederlands oudjaar wordt altijd gevierd met oliebollen. Zo vet mogelijk, met veel poedersuiker op. Ik ben op feestjes geweest waar de poedersuiker vervangen was door cocaïne. Op zo’n avond werd er voor 60.000 euro aan cocaïne opgesnoven. Gewoon voor de fun. Cocaïne is overal. Ik woon in een nette buurt in Amsterdam met drie scholen. In alle portieken van de huizen vind je ‘s morgens weedzakjes. Als ik de politie erop aanspreek, zeggen ze: ‘Fijn dat u ons dat meldt, maar we kunnen er niets aan doen.’ Weed wordt zwaar onderschat. Als je langdurig weed gebruikt, loert schizofrenie om de hoek. Dat wordt een zeer ernstig probleem.”

Al blijft de allergrootste drug alcohol. “In Nederland heeft 1,2 miljoen mensen een alcoholprobleem. Sommigen beweren dat het mogelijk is om als verslaafde gecontroleerd te drinken. Dat is natuurlijk niet waar, want als je gecontroleerd kunt drinken, ben je niet verslaafd. In onze maatschappij floreert alcoholisme. Het is bonton om op een receptie een glaasje champagne te nemen, anders ben je een saai mens. Het functionele alcoholisme is de basis voor het echte alcoholisme. Van een burnout of een trauma genees je, van een verslaving niet. Die blijf je je hele leven houden.”

 

Een biertje van 40.000 euro

Hoeveel kans op slagen hebben de patiënten van het U-Center? “Tussen de 60 en 70% staat na één jaar nog droog. Dat is heel hoog. Een goede nabehandeling is van levensbelang. Mensen komen na hun behandeling van 6 weken om de zoveel tijd een dagje terug. We zorgen er ook voor dat ze in hun eigen geboortestad opgevangen worden door een therapeut, ook in België. De nazorg begint thuis, bij de familie. Dat is de basis waar je je veilig kunt voelen en een nieuw leven kunt starten. Daarom organiseren we tijdens de behandeling ‘Family Weekends’, waarop de familieleden uitgenodigd worden.”

Hoe gaat het nu met Jeroen Fissers vrouw? “Prima. Ze heeft niet het gevoel dat ze iets mist. Integendeel, we vinden allebei dat ons leven ongelooflijk verdiept is. Toen mijn vrouw uit de kliniek kwam, gaven veel vrienden ons nog nauwelijks een hand. Ze waren bang om in de spiegel te kijken, hadden schrik voor de confrontatie. Ik drink zelf soms wel eens een glaasje wijn. We zijn nu zover dat de wijn gewoon in de ijskast staat. Als mijn vrouw een vriendin op bezoek krijgt, schenkt ze een glas in en drinkt ze zelf niet. Knap hoor, ik heb erg veel respect voor haar. Want er wordt altijd om ons heen gedronken.”

Zoals op het terras van het café, vlak naast het U-Center. “Ach, dat vinden we helemaal niet erg”, lacht Fisser. “Mijn vrouw zegt altijd: ‘Terugval is een armlengte verwijderd.’ Ik heb in Dover mensen op de ferry zien stappen die net een kuur van 40.000 euro in een dure afkickkliniek achter de rug hadden. Het eerste waar ze op de boot naartoe liepen, was de bar om een pilsje te bestellen. Een biertje van 40.000 euro.”

 

 

Toppers van Jeroen Fisser

 

-          Jan Timmer, ceo van Philips van 1990 tot 1996. “Jan Timmer zei altijd waar het op stond. Hij sprak nooit in een wolk. Hij was recht door zee. Veel mensen vonden dat natuurlijk helemaal verkeerd. Een harde boodschap mag je blijkbaar nooit vertellen. Dat deed hij wel. Hij is een goeie vent.”

-          Quick-Step. “Ik neem mijn petje af voor de West-Vlaamse families die Quick-Step uit de grond gestampt hebben. Dat is zo een groot bedrijf geworden. Hun poulain Tom Boonen zou eigenlijk hier moeten zitten. Dat meen ik echt. Natuurlijk heeft hij een probleem met coke. In zes weken brengen wij hem weer op het juiste spoor.”

 

©jan@janstevens.be

Yab Yum

Een kwart eeuw was het Amsterdamse luxebordeel Yab Yum de place to be voor ondernemers, politici, magistraten, artiesten en maffiosi. Onder andere ‘onze’ procureur Dirk Merckx beleefde er wilde nachten. Tot de club in 2007 de deuren moest sluiten. Maar er is hoop: stichter en bezieler Theo Heuft heeft vergevorderde plannen om Yab Yum binnen drie maanden te laten herrijzen uit haar as. En ook voor de Belgische fine fleur is er goed nieuws: binnen een half jaar wil hij een Yab Yum openen in Brussel.

 

Onlangs kwam de Brusselse procureur Dirk Merckx in opspraak met zijn uitstapjes naar Yab Yum, een luxebordeel in een fraai grachtenhuis aan de Amsterdamse Singel. Tussen 1996 en 1998 genoot hij er van champagne en vrouwelijk schoon op kosten van de niet onbesproken zakenman Koen Blijweert. Eén keer voor bijna 4.000 euro, andere keren voor 2.300 euro en een enkele keer voor het schamele bedrag van 575 euro. Het Brusselse parket-generaal opende eind september een onderzoek om na te gaan of parketmagistraat Merckx een wederdienst leverde voor Blijweert. Tot 1 november 2006 was Merckx chef van de financiële sectie van het Brusselse parket en onder meer verantwoordelijk voor het Beaulieudossier. Daarna werd hij door ons land gedetacheerd naar Wenen om er te gaan werken als terrorisme-expert voor de VN. Dit weekend mag hij er zijn koffers pakken. Minister van Justitie De Clerck weigerde zijn mandaat te verlengen.

In de jaren dat Merckx Yab Yum frequenteerde, was de ‘men’s club’ ook het favoriete speelterrein van Nederlandse poldermaffiosi. De in 2000 vermoorde drugsbaron Sam Klepper, zijn in 2005 eveneens vermoorde maatje John Mieremet en topcrimineel en Heineken-ontvoerder Willem Holleeder maakten er gretig gebruik van de jacuzzi’s en de meisjes. Een decennium eerder had de in 1991 vermoorde ‘godfather’ Klaas Bruinsma van Yab Yum al zijn clubhuis gemaakt. Zeer tegen de zin van Yab Yumstichter en eigenaar Theo Heuft (74), die na 23 jaar flink poen scheppen in 1999 moegetergd zijn zaak verkocht. “Ik werd afgeperst door die zware jongens”, zegt Heuft. “Ik heb de dreiging lang het hoofd kunnen bieden, tot die kerels mijn familie in het vizier namen. ‘Betaal twee miljoen of we schieten je zoon en je kleinkind dood.’ Ik was 65 en maakte de balans op: moet ik doorgaan of stop ik? Ik heb Yab Yum toen verkocht aan Henny Vitalli, een ‘vakgenoot’ uit Amsterdam. Later bleek dat hij nauwe relaties had met een Hell’s Angel die na de verkoop portier werd. De burgemeester van Amsterdam greep die link met de Angels aan om Yab Yum tot een criminele handel uit te roepen. In 2007 liet hij de deuren sluiten. Als de overheid je tegenwoordig nog maar van een criminele activiteit verdenkt, kan ze al maatregelen nemen. Vitalli heeft een schoon strafregister. Toch moest de tent dicht. Ik vind dat onredelijk.”

 

Anno 2009 is Theo Heuft een gedistingeerde heer met een voorliefde voor abstracte kunst, lekker eten en dure sigaren. Hij is de agent voor Nederland van de Vlaamse action painter Denis de Gloire en baat samen met zijn Zwitserse vrouw een ‘chambres d’hôtes de charme’ uit in Bourgogne. Yab Yum (Sanskriet voor ‘neuken’) heeft hem duidelijk geen windeieren gelegd. “Ik heb vanaf de start van de club in 1976 veel geld verdiend, toch was dat niet mijn voornaamste drijfveer. Ik heb er van genoten; ik was verslaafd aan die job. Het was een ramp toen ik mijn zaak moest verkopen. Als klap op de vuurpijl kwam de fiscus nog eens langs: ‘U hebt uw zaak te goedkoop verkocht’. Ik kreeg een aanslag van 16 miljoen. Gelukkig heb ik hem ervan kunnen overtuigen dat ik geen andere keus had. Ik heb het de eerste jaren na de verkoop emotioneel heel lastig gehad. Maar nu gaat alles weer goed.”

Heuft schreef een openhartig boek over zijn leven en koestert opnieuw grootse plannen. “Ik ga er voor zorgen dat Yab Yum binnen drie maanden in Amsterdam weer opengaat. Het bestemmingsplan voor het pand aan de Singel is nog steeds een seksbedrijf. Samen met een nieuwe, onbesproken partner zal ik Yab Yum uit zijn as laten herrijzen. Ik ben ook met een serieuze Belgische ondernemer met veel geld bezig om binnen een half jaar een Yab Yum in Brussel te openen. Wie hij is, kan ik helaas niet zeggen. Een Yab Yum in Brussel is als een vlag op een schip. Zo’n zaak hoort gewoon thuis in de Europese hoofdstad. In Brussel bestaat zoiets niet. De hele scene speelt er zich af in ranzige achterafkamertjes. Ik sta er garant voor dat Yab Yum kwaliteit levert. Het wordt een zaak waar elke Brusselaar trots op kan zijn. Het gaat mij nu niet in de eerste plaats meer om het geld, maar om het laten voortleven van mijn levenswerk.”

 

500 euro per uur

Hebt u goeie herinneringen aan uw klant procureur Dirk Merckx?

Theo Heuft: “Ik ken die mijnheer niet. Zelfs als ik hem wel zou kennen, zou ik u daar niets over vertellen. Er zijn in al die jaren zoveel mensen langs geweest. U zou er versteld van staan hoeveel deals er in de Yab Yum zijn gesloten. Als je als Nederlandse ondernemer zaken wil doen met iemand uit het buitenland, is het belangrijk dat je hem op een goeie manier ontvangt. Je gaat dan altijd op zoek naar een uitstekend restaurant. Na het etentje kun je hem naar zijn hotel brengen. Maar dat getuigt niet echt van goed gastheerschap. Dus neem je hem mee uit. Je kunt natuurlijk moeilijk tegen zo’n man zeggen: ‘Zullen we naar de meisjes gaan?’ Yab Yum was een uitstekend alternatief. Het was een club waar je met je relaties nog gezellig een glaasje champagne kon gaan drinken. Samen met een paar leuke meisjes. Degenen die uiteindelijk met zo’n meisje naar boven gingen, waren daar eigenlijk niet voor gekomen. Het overkwam hen. Yab Yum was heel luxueus. Als je er met een zakenrelatie binnenstapte, dacht hij meteen: ‘O wat een mooie zaak. Als mijn gastheer dit kan betalen, moet hij wel een geslaagd ondernemer zijn.’”

“Ik ben heel discreet over mijn klandizie. Ik kan het niet maken om het vertrouwen van al die ondernemers, politici en bekende Nederlanders te beschamen. Iedereen met naam en faam kwam naar Yab Yum. Rocksterren, artiesten… De Rabobank heeft ooit geweigerd om een bankrekening voor Yab Yum te openen – geld lenen was voor een club zoals de mijne sowieso onmogelijk. Dat was niet goed voor hun imago. Maar later stuurden ze wel buitenlandse zakenrelaties naar Yab Yum. Al het geld dat ik in de zaak investeerde, moest ik eerst zelf verdienen. Dat ging heel snel. Ik hield er zelf zo’n 2 à 3 miljoen euro per jaar aan over.”

 

Hoeveel liet een bezoeker gemiddeld achter?

“Op het laatste hadden we een omzet van een miljoen euro per maand. Met elf luxueuze kamers en een bar. Elke avond waren er 25 meisjes aanwezig. We waren zeven dagen op zeven open van zeven uur ‘s avonds tot zeven uur ‘s morgens. Er waren twee portiers, twee chefs, drie barmannen en twee kamermeisjes. Yab Yum was een grote familie. De meisjes die bij ons werkten, waren compleet anders dan de prostituees op de Wallen. Secretaresses, studentes, hostesses… Een Yab Yummeisje moest veel aandacht besteden aan ‘haar’ mijnheer. Een drankje met hem drinken, geïnteresseerd zijn in zijn verhaal. Als de relatie zich ‘verdiepte’, kon ze een dansje met hem maken om uiteindelijk misschien met die man naar boven te gaan. Maar dat gebeurde niet altijd. De ‘daad’ gebeurde natuurlijk wel, maar heus niet zo vaak. Daar kwamen de mensen niet voor. Dat was ook veel te duur. Voor vijftig euro kon je in een klein clubje voor een half uurtje van bil gaan, bij ons kostte het vijfhonderd euro voor een uur. Tien keer zo duur.”

 

Maar misschien wel tien keer beter?

“Misschien ook niet. In zo’n gesloten huis zijn de dames alleen maar op de daad gericht. Bij ons was alles gefocust op gezelligheid in een luxueuze sfeer met een uitmuntende bediening. Yab Yum was uniek in Amsterdam. Ik heb in die 23 jaar nooit concurrentie gehad. Terwijl ik niet een klein beetje, maar ontzettend veel geld verdiend heb. Waarschijnlijk omdat zo’n ‘men’s club’ toch tegen het criminele aanleunt. Maar ook omdat het keihard werken was. Ik heb altijd geïnvesteerd in kwaliteit en naamsbekendheid. Yab Yum is daardoor een wereldwijd bekend instituut geworden.”

 

Randfiguur

U stamt zelf uit een ondernemersgezin?

“Mijn vader had een limonadefabriekje en een groothandel in bieren in Amsterdam en mijn moeder runde een slijterij. Vader stierf vroeg. Ik was achttien, mijn broer negentien en van de ene dag op de andere moesten wij de zaak overnemen. Dat is niet gelukt. We waren er veel te jong voor. Ik ben toen in het gokcircuit beland. Ik was altijd een beetje een randfiguur, maar wel met een innerlijke beschaving. Dat heeft me groot gemaakt in de Yab Yum. Mensen vertrouwden me. Ze gaven me gewoon hun creditcard, dat ging toen nog met zo’n ‘ritsratsmachine’. Ze tekenden en zeiden: ‘Theo, ik hoor het wel van je.’ Dat kun je in geen enkel bordeel riskeren, want dan ben je blut. Bij mij wel. Dat was het verschil.”

 

Toen u met Yab Yum van start ging, was prostitutie in Nederland nog illegaal.

“Ik heb met Yab Yum een belangrijke rol gespeeld in het legaliseren van prostitutie. Yab Yum is begonnen in de tijd toen het nog volstrekt normaal was dat de meisjes zonder condoom vreeën. Ik nam het ze bijna kwalijk als ze het niet zonder wilden doen. Toen aids uitbrak, heb ik dat beleid meteen veranderd en werd het verboden om het zonder te doen. Ik heb de dames belasting leren betalen. Vóór Yab Yum runde ik drie jaar lang een andere, gelijksoortige club: de Bayadera. Ik heb toen nooit een cent belasting betaald. De belastingdiensten wisten niet wat ze ermee moesten aanvangen. De Bayadera oefende een illegale activiteit uit. Ik riskeerde een half jaar gevangenschap.”

 

Want u was een pooier?

“Ik vind het vreselijk als mensen me een pooier noemen. Dat wil ik toch wel even duidelijk stellen: ik heb de meisjes nooit geëxploiteerd. Ik gaf ze gelegenheid om hun werk te doen. Op het einde van hun shift kregen ze het geld van de nacht voordien. Ze moesten daar zelf niet een hele nacht mee blijven rondzeulen. Eén meisje vroeg haar verdiensten altijd bij het binnenkomen en gaf het meteen aan een man die buiten stond te wachten. Ik heb haar toen gezegd: ‘Dat vind ik niet prettig. Je verdient elke dag minstens duizend euro. Die jongen geeft het sneller weer uit dan jij het kunt opbrengen.’ Vervolgens heb ik haar ontslagen. Ik heb geprobeerd om die meisjes op te voeden.”

“Op een bepaald moment kreeg ik een belastingambtenaar op bezoek. Die man zei: ‘De meisjes moeten toch wel eens belastingen betalen.’ Ik gaf hem gelijk. Waarna hij zei: ‘Begin dan maar meteen.’ Toen gaf ik hem geen gelijk. We hebben een keurige regeling getroffen. Ik kreeg ruim drie jaar de tijd om de meisjes van het nut van het betalen van belastingen te overtuigen. Dat was niet zo eenvoudig. ‘We gaan toch niet op onze rug liggen voor de fiscus?’ Ik antwoordde: ‘Zwart geld is toch niets waard? Je kunt geen huis huren, hebt geen creditcard en officieel heb je geen inkomen.’ Ik heb ze uiteindelijk kunnen overtuigen. Ik ben niet de braafste van de klas, maar dat vond ik toch belangrijk.”

“Ik heb Yab Yum gebouwd zoals ik het zelf zou willen beleven. Ik ben niet zo iemand die langs de ramen loopt voor een snelle wip. Ik bekritiseer de heren niet die dat wel doen, maar bij mij moet er iets rond hangen. Ik wil in een situatie terechtkomen waarbij de dames me laten geloven dat ik de leukste man ben die ze ooit ontmoet hebben.”

 

Champagne was heel belangrijk voor Yab Yum.

“Aan de meisjes verdiende ik niet zoveel. Ik kreeg toen het idee om een eigen merk champagne op de markt te brengen. Dat had twee doelen: met champagne konden we in de media gaan adverteren. Yab Yum werd ineens bespreekbaar. Het was geen vies woord meer: ‘Yab Yum champagne – Singel 295′. Dat was een echte voltreffer. Tijdens de feestdagen zonden we een spot uit op de televisie. We hadden drie soorten bubbels: zilver, goud en diamant. Voor 350, 450 en 550 euro. We verkochten zo 10.000 flessen per jaar. De helft van onze omzet was champagne. We kochten de flessen in aan 15 euro het stuk. Heren vroegen soms aan mij: ‘Wat is het verschil tussen die drie soorten?’ Ik wou altijd eerlijk blijven en antwoordde: ‘De prijs. De kwaliteit is hetzelfde. U moet het zien als een honorering voor het meisje. Geef haar goud als u haar leuk vindt. Als u haar geweldig vindt, geeft u haar diamant. Zilver lusten die meiden toch niet, want dan verdienen ze te weinig commissie.’ Niemand werd daar kwaad over. De ambiance was geweldig, de bediening uitmuntend, dus hop, geef ons nog een fles. Het was voor die heren een erezaak om aan hun relaties te laten zien dat ze het konden betalen.”

 

Eigenlijk schonk u geen champagne, maar gewoon schuimwijn?

“Ik wou het nog geheim houden, maar dat is juist, ja. (lacht)”

 

Poldermaffia

In de loop der jaren groeide u uit tot een bekende Nederlander?

“In het begin beschouwde de goegemeente me als een pooier. Ik ben keurig rooms opgevoed. Mijn moeder was niet zo blij met wat ik deed. Ik heb lang niet met haar gesproken. Na een paar jaar werd ik redelijk bekend en zelfs een voorbeeld in de branche. Ik raakte steeds meer geaccepteerd. Natuurlijk blijft prostitutie een schemerig gebied. Het trekt criminaliteit aan; het stamt er ook uit. Daar ben ik uiteindelijk het slachtoffer van geworden. Ik heb Yab Yum moeten verkopen omdat die zware jongens een deel van de zaak wilden en me chanteerden.”

 

Het waren niet de minste criminelen die bij u over de vloer kwamen: Heineken-ontvoerder Willem Holleeder, drugsbaron Klaas Bruinsma, met na zijn gewelddadige dood zijn adjudanten Sam Klepper en John Mieremet. Wat voor een kerels waren dat? 

“De zware jongens die bij mij over de vloer kwamen, waren aan de ene kant heel charmant en aan de andere kant bikkelharde killers. Ik weet niet meer wanneer ze voor het eerst Yab Yum binnenwandelden. Ik had het niet in de gaten; ze wandelden er net zo geruisloos naar binnen als jij en ik. Het waren eerst gewone klanten voor mij. Na verloop van tijd brachten ze vriendjes mee naar binnen en zag ik hun bodyguards. In de loop der jaren ging dat hele gedoe een eigen leven leiden. Tot ik zelf bijna niets meer te vertellen had in mijn eigen zaak. Zij bepaalden de sluitingstijden en zij dwongen meisjes tegen hun wil mee naar boven. Ze dachten dat die Theo Heuft een van hen was. Ik was een bekende Nederlander en zij stikten in de poen, maar ze konden er niets mee aanvangen. Ze waren gewoon afval.”

“Klaas Bruinsma wilde op een bepaald moment mijn compagnon worden. Ik vroeg bedenktijd. ‘Nee’ zeggen, was geen optie. Dan had ik een probleem. Maar als ik ‘ja’ antwoordde, had ik nog een groter probleem. Want dan kon ik blijven dokken. Ik heb hem een tijdje aan het lijntje gehouden en hem uiteindelijk een voorstel gedaan: ‘Je bent een intelligente jongen. We kunnen wel partners worden.’ Ik draaide zijn ‘voorstel’ helemaal om. ‘Jij wordt mijn compagnon en we openen nog een paar nieuwe zaken. Alleen mag je dan niets meer met de criminaliteit te maken hebben. Dan worden we rijke jongens op een officiële manier.’ Toen voelde Bruinsma zich in de maling genomen. Daarna is het hele zaakje geëscaleerd. In 1991 werd Bruinsma vermoord. Zijn twee opvolgers schakelden vervolgens nog een paar versnellingen hoger in het afpersen.”

 

Ze vertimmerden uw zaak.

“Ja. Ze stuurden ook iemand naar me toe die een pistool tegen mijn kop zette. Ik heb verschrikkelijke dingen meegemaakt. Ik vreesde toen voor mijn leven en voor dat van de mensen die voor me werkten. De politie wist dat die gangsters bij me over de vloer kwamen. Ze had best kunnen ingrijpen. Maar de Amsterdamse politie was zelf corrupt. Als ik zou gaan klagen zijn over de mensen die zich bij mij misdroegen, hadden de criminelen het eerder geweten dan de officier van justitie. Sommige agenten lekten naar de poldermaffia. Ze werden ervoor betaald om razzia’s te tippen.”

 

Bleven uw klanten weg in de periode dat de maffia Yab Yum als zijn clubhuis beschouwde?

“Bizar genoeg niet. De grootste ondernemers vonden het reuze interessant om met die Klaas Bruinsma een gesprek te voeren. Hij was de grote maffiabaas en zij vonden het geweldig. De bodyguards zaten op de trappen en al die zakenlui vonden dat fantastisch.”

 

Theo Heuft. Yab Yum. Het beroemdste bordeel van de wereld. Carrera, Amsterdam, 272 blz. 16,90 euro

©jan@janstevens.be

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 365 andere volgers