‘Eichmann verdient elke dag te worden geëxecuteerd’

Van 1950 tot 1960 leefde Holocaust-architect Adolf Eichmann ondergedoken in Buenos Aires, de geboortestad van de Argentijnse schrijver Ariel Magnus. In zijn roman De onfortuinlijke kruipt de Joodse Magnus diep in het hoofd van SS’er Eichmann. ‘Eichmanns gedachten en overtuigingen resoneren ook vandaag.’

In september 2020 verliet de Argentijnse schrijver Ariel Magnus zijn geliefde stad Buenos Aires om zich tijdelijk in het Duitse Mülheim te vestigen. Op uitnodiging van de Brost-Stiftung is hij er een jaar lang ‘Metropolenschreiber RUHR’. “Het is de bedoeling dat ik op het einde van dit jaar een manuscript met de rivier Ruhr als hoofdrolspeler inlever”, zegt hij. Samen met zijn vrouw en eveneens schrijfster Mariana Dimopulos verblijft hij in een huis van de in 2010 overleden uitgeefster, mediamagnaat en miljardair Anneliese Brost. Met haar Brost-Stiftung wou ze ook na haar dood kunst, cultuur en literatuur in het Ruhr-gebied bevorderen. Magnus is de vierde Metropolenschreiber. “De stichting nodigt telkens een buitenlandse auteur met voeling met Duitsland uit om het Ruhr-gebied een jaar lang literair te onderzoeken. Dit huis is een prachtige plek om writer-in-residence te zijn. De voorbije maanden was de rust deugddoend, al begin ik zoetjesaan naar de drukte van Buenos Aires te verlangen.”

Buenos Aires is ook de stad waar Adolf Eichmann, SS’er en logistiek planner van de Holocaust, naartoe vluchtte. U bent zelf Joods. Waarom koos u Eichmann als hoofdpersonage voor uw roman De onfortuinlijke?

“Toen ik voor het eerst het idee voor De onfortuinlijke opperde, kreeg ik als reactie: ‘Waarom? Je kunt toch een bibliotheek vullen met Adolf Eichmann-boeken?’ Dat klopt, alleen is dat stuk voor stuk non-fictie, geschreven door historici, filosofen of journalisten. Hannah Arendt en Harry Mulisch volgden zijn proces en bestempelden hem als een mysterie. Hij was ook een mysterie voor de drie geheim agenten van de Mossad die hem oppakten. Ze schreven elk een boek over die actie waarin ze alle drie een totaal verschillend portret van Eichmann schetsen. Velen hebben geprobeerd hem te begrijpen, maar niemand slaagde er in alle historische werken en biografieën echt in. Alleen via fictie kunnen we doordringen tot de ziel van Eichmann en achterhalen wie hij was in het diepst van zijn gedachten.”

In uw roman lukt dat?

“Dat hoop ik toch. De onfortuinlijke is een échte roman die diep graaft in de psyche en de emoties van het hoofdpersonage. Fictie geeft mij als schrijver die vrijheid om in het hoofd van Adolf Eichmann te kruipen. Iets wat een historicus of journalist niet kan.

“Tijdens het schrijven, vroeg ik me voortdurend af: zit er iets goeds in deze man? Want ik wou geen monster creëren. Hij was niet zoals ‘engel des doods’ dokter Josef Mengele, die vreselijke experimenten op levende tweelingen uitprobeerde. Eichmann praatte veel, schreef veel en vond zichzelf een denker. In het begin van zijn carrière bij de SS onderzocht hij ‘de Joodse kwestie’ alsof het een wetenschap betrof. Hij studeerde Hebreeuws en verdiepte zich in het zionisme. Na de machtsovername van de nationaalsocialisten in Duitsland kreeg hij in 1934 in Berlijn ‘Joodse zaken’ onder zijn bevoegdheid. De nazileiding beschouwde hem als een expert die precies wist wat hoe Joden redeneerden. Ik denk eerlijk gezegd dat hij zich tijdens zijn studies niet al te veel uitsloofde. Hij was een vrouwenzot en dronk graag en veel. In zijn jonge jaren gedroeg hij zich dus als een doorsnee soldaat. (lacht)”

Eichmann beschouwde zichzelf als ‘intellectueel’?

“Ja, en zijn mede-SS’ers vonden dat ook. Alleen werd al wie in nazi-Duitsland een paar woorden in een vreemde taal begreep al meteen bestempeld als intellectueel.

“In 1935 trouwde Eichmann met Vera Liebl met wie hij in Duitsland drie zonen kreeg. Nadat hij onderdook, zag hij zijn gezin zeven jaar lang niet. Eerst hield hij zich op de Lüneberger Heide schuil en in 1950 vluchtte hij met een vals Rode Kruis-paspoort onder de naam Ricardo Klement naar Argentinië. Daar zette hij alles in het werk om vrouw en kinderen zo snel mogelijk te laten overkomen, ook al had hij die eerste jaren in Argentinië tal van minnaressen. Toch leek het alsof hij een goede vader wou zijn. Dat aspect van ‘Eichmann de familieman’ fascineerde me.

“Zijn vrouw en kinderen arriveerden in Buenos Aires op 26 juli 1952, de dag dat de razend populaire Argentijnse first lady Evita Peron aan kanker overleed. Die dag waren er, net zoals ik in mijn roman beschrijf, geen bloemen in de stad meer te vinden. De burgers hadden alles opgekocht om hun geliefde Evita de laatste eer te bewijzen.”

U beschrijft hoe Eichmann aan de receptie van een hotel de ‘bloemen voor Eva’ pikt om ze later aan zijn pas gearriveerde vrouw Vera te geven. Is die veelzeggende scène authentiek?

“Misschien. (schaterlacht) Het had alleszins zo kunnen plaatsvinden. Hier doet de literatuur haar intrede. Wat niet wil zeggen dat ik met de historische feiten begon te freewheelen. Integendeel, ik hield me strikt aan de chronologie. Alle datums kloppen, want ik wou in Eichmanns Argentijnse realiteit blijven. Ik geloofde dat ik beter in zijn hoofd kon kruipen door me helemaal in zijn bestaan onder te dompelen. Alvorens ik een letter op papier zette, las ik maandenlang alles wat ik over hem kon vinden. In de eerste plaats was er Ich, Adolf Eichman, de neerslag van de interviews die de Nederlandse journalist Willem Sassen in Buenos Aires van hem afnam. Op 11 mei 1960 werd Eichmann door de Israëlische geheime dienst Mossad ontvoerd. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij zijn autobiografie Götzen. Daarnaast las ik onder andere Eichmann in Jeruzalem van Hannah Arendt en De zaak 40/61 van Harry Mulisch. Maar het boek waar ik het meest aan had, was Eichmann vóór Jerusalem van de Duitse filosofe Bettina Stangneth. Zij is gespecialiseerd in antisemitisme en nationaalsocialisme. Ze hielp me ook bij het doorploegen en doorgronden van het denkkader van de nazi Eichmann.”

Het eindresultaat De onfortuinlijke is en blijft fictie?

“Toch niet. Want ik beweeg me als romanschrijver in exact dezelfde realiteit van de historische werken. Vanuit Eichmanns interacties met anderen leid ik af hoe hij had kunnen denken en wat hij had kunnen voelen. Verschillende passages zijn trouwens gebaseerd op citaten uit zijn interviews met Willem Sassen. Op een bepaald moment schrijf ik dat Eichmann het beter zou vinden als vrouwen de teugels van de planeet in handen zouden nemen. ‘Want als hoeders en beschermers van het leven zijn zij betrouwbaarder dan mannen.’ Dat is vintage Eichmann. Natuurlijk is hij op dat moment gewoon aan het liegen. Hij liegt immers continu.”

Eichmann-interviewer Willem Sassen speelt een belangrijke rol in uw boek. Wat voor een man was hij?

“Over het leven van Sassen kan ook een geweldige roman geschreven worden. Hij was als overtuigde Nederlandse nazi lid van de SS. Buitenlandse ‘bekeerlingen’ zijn altijd de ergste. Tijdens de oorlog bracht hij als SS-journalist verslag uit van op het oostfront. Eind 1944 was hij zelfs even hoofdredacteur van De Telegraaf. In 1948 vluchtte hij naar Argentinië. Hij werd bij verstek veroordeeld, maar nooit legde iemand hem een strobreed in de weg. In 1952 kwam de Nederlandse prins Bernhard op bezoek bij Juan Peron. Willem Sassen was de tolk. Hij werd zelfs Zuid-Amerikacorrespondent voor het Duitse magazine Stern. Sassen was een graag geziene gast bij de gevluchte nazi’s in Argentinië. Tussen 1956 en 1960 interviewde hij Adolf Eichmann zeer uitgebreid bij hem thuis. Al die gesprekken nam hij op band op. Eichmann praat erin vrijuit over zijn motieven en overtuigingen. Hij neemt geen blad voor de mond en vertelt zonder blikken of blozen de vreselijke waarheid. Die interviews zijn nu een geweldige schat aan informatie en waren op zijn proces in Jeruzalem belangrijk bewijsmateriaal. Ze geven een unieke inkijk in het brein van de planner van de Holocaust.

“Willem Sassen stierf in 2002 in Chili waar hij bij één van zijn dochters woonde. Hij is ook de vader van de beroemde sociologe Saskia Sassen. Zij weigert de nazicarrière van haar papa in het juiste perspectief zien. In de jaren tachtig kwam haar bejaarde vader haar opzoeken. Ze organiseerde een etentje waar ook een hartsvriendin met een Joodse echtgenoot op aanwezig was. Zij wisten niet dat de oude Willem Sassen een notoire nazi was. De avond verliep heel gezellig en Willem leek een hoogst aimabele gesprekspartner. Jaren later kwam die vriendin erachter wie Willem Sassen écht was. Ze sprak er Saskia over aan: ‘Waarom heb je me dat toen niet verteld?’ Saskia antwoordde: ‘O, maar papa haatte Hitler.’ Werkelijk?”

Ging u door het schrijven van De onfortuinlijke op een andere manier naar Adolf Eichmann kijken?

“Het veranderde de manier waarop ik naar heel nazi-Duitsland keek. Mijn grootmoeder langs moederszijde overleefde Auschwitz. Door wat zij meegemaakt heeft, is de Holocaust een thema dat in mijn familie leeft. Ik schreef eerder een boek over haar en verdiepte me heel erg in de gruwel van de vernietigingskampen. Tijdens de research merkte ik toen dat ik veel dingen niet wist, ook al was oma’s verhaal voor mij springlevend. Ik denk dat ik nu inzicht gekregen heb in hoe een nazi denkt. Maar ook in hoe dat hele perverse systeem mensen overtuigde en meezoog.

“Vandaag wint extreemrechts opnieuw aan kracht, waarbij ‘de Joden’ soms vervangen zijn door ‘de moslims’. De methoden van toen, zijn identiek aan die van nu. Eichmanns gedachten en overtuigingen resoneren ook vandaag. Zijn uitgangspunt was: ‘Joden en Duitsers kunnen niet samenleven. Hoe lossen we dat probleem op?’ Zelfs heel wat Joden waren het daar in de begindagen van het naziregime mee eens. ‘Ja, dat samenleven lukt niet echt. Daar moeten we inderdaad een oplossing voor vinden.’ Het axioma van ‘niet kunnen samenleven’ werd nooit in vraag gesteld, maar zonder discussie voor waar aangenomen. Vanop dat door vrijwel iedereen klakkeloos aanvaardde fundament, bouwden de nazi’s heel logisch stap voor stap hun vernietigingsmachine. In Eichmanns geest was het helder: ‘We hadden eerst dat probleem, waarna we stap één namen, dan stap twee en vervolgens stap drie… en op het einde was er Auschwitz.’”

Eichmann creëerde een monsterlijk systeem met de praktische ingesteldheid van een boekhouder?

“Precies. Hij en zijn kompanen stelden zich nooit vragen over hun basisstelling. Ze namen gewoon als dogma aan dat Joden en Duitsers niet konden samenleven. Alles wat ze vandaaruit verder beredeneerden, eindigde in dat totale vernietigingssysteem. Doordat het zo logisch ineenzat, was er geen enkel moment waarop er twijfel binnensloop en was er achteraf ook geen plaats voor schuldinzicht of berouw. Al die jaren in Argentinië bleef Eichmann er heilig van overtuigd dat hij niets fout had gedaan. Dat gold ook voor al die andere gevluchte nazi’s. Ze waren zich van geen kwaad bewust, niet omdat zijzelf monsters waren, maar omdat ze deel uitmaakten van dat rationeel geconstrueerde monsterlijke systeem. De Holocaust was in hun ogen geen massamoord, maar de ‘Endlösung’.”

Uw grootvader langs vaderszijde arriveerde in 1937 in Buenos Aires, dertien jaar voor Adolf Eichmann er voet aan wal zette.

“Mijn opa vluchtte net als veel andere Duitse Joden voor de oorlog naar Argentinië. Na de oorlog vestigde er zich dan plots een stevige nazi-delegatie. Hun favoriete magazine was Der Weg. Daarin leek het in 1960 alsof het nog steeds 1933 was en de Führer pas de macht veroverd had. Ik werk nu aan een non-fictieboek over hoe die twee gemeenschappen in de jaren vijftig en zestig naast elkaar leefden.

“Ik heb grootvader nooit gekend; hij stierf heel jong. Maar mijn vader vertelde me dat opa in Buenos Aires in een flat onder een vrouwelijke nazi woonde. Ze was niet van het kaliber van Eichmann of Mengele, maar haar ‘geloof’ had ook zij niet afgeschud. Vanuit haar raam gooide ze afval naar mijn opa en riep: ‘Du Scheißjude!’

“Mijn vader is al zijn hele leven razend kwaad op Adolf Eichmann. Hij was tien jaar oud toen Eichmann op 11 mei 1960 door de Mossad in Argeninië ontvoerd werd. Hij zat toen bij wijze van spreken op de eerste rij. Ik vond papa’s woede altijd bizar. Ik zei hem: ‘Ik begrijp dat je Adolf Hitler haat. Maar het lijkt alsof je nóg bozer bent op die Eichmann. Waarom toch?’ Nu snap ik hem veel beter.”

U schrijft dat uw vader ook boos op u werd omdat u deze roman over het monster Eichmann wou schrijven.

“Dat is een dichterlijke vrijheid. (lacht) Papa werd helemaal niet boos op mij, maar zo werp ik de vraag op: waarom wil ik een roman schrijven over een monster? Alleen: Eichmann was dus geen monster. Het is iets te gemakkelijk om over figuren als Adolf Eichmann te zeggen: ‘Het zijn monsters.’ Als we écht willen begrijpen wat er toen misging en herhaling willen voorkomen, moeten we precies weten hoe zij geworden zijn wie ze zijn.”

Waarom rolde Argentinië in de jaren na WO II de rode loper uit voor al die gevluchte nazi’s?

“De toenmalige president Juan Peron was net als de Amerikanen, de Fransen en de Russen geïnteresseerd in de masterminds van het nazisme. Omdat de dure topingenieurs van het kaliber Wernher von Braun al door de VS ingepikt waren, moest Peron zich tevreden stellen met naziwetenschappers en -ingenieurs die een trapje lager stonden. De Duitse gemeenschap in Argentinië liet zich gewillig inschakelen voor het binnensmokkelen van oorlogsmisdadigers zoals Eichmann en Mengele. Hoeveel er zo het land ingekomen zijn, weten we niet precies. Volgens de laagste schatting gaat het om 800 nazi’s; volgens sommigen zijn het er minstens 10.000.

“Het was in die tijd niet zo moeilijk om Argentinië binnen te geraken. Het is niet voor niets dat mijn grootvader in de jaren dertig samen met 40.000 andere Joden naar Buenos Aires vluchtte. Opa was als Jood niet welkom, want officieel mochten Joden het land niet binnen. Toch gaf Peron al die Joden, net als de nazi’s, de Argentijnse nationaliteit.”

Had Juan Peron sympathie voor het nazisme?

“In die tijd woedde in Argentinië de discussie volop of Peron zelf een nazi was. Daar worden zelfs vandaag nog verhitte debatten over gevoerd. De populistische peronistische partij zit in de huidige regering en ligt onder vuur over de drijfveren van haar stichter. Tegenstanders wijzen erop dat Peron Josef Mengele persoonlijk kende en in bescherming nam en daarom niet anders dan zelf ook een nazi kon zijn. Als je aan Adolf Eichmann zou vragen of Juan Peron een nazi was, ben ik er vrij zeker van dat hij zou antwoorden: ‘Natuurlijk niet. Peron heeft ons uitstekend geholpen, dat is waar. Maar hij hielp ook die Joden. Hij is geen antisemiet, maar gewoon een politicus.’ Voor een nazi is ‘politicus’ een scheldwoord, want die sluit deals met om het even wie. Al had Juan Peron zeker fascistische sympathieën. In de jaren dertig werd hij militair gevormd en getraind in het Italië van Mussolini.

“Adolf Eichmann beschouwde zichzelf als een ‘zuivere idealist’ met lak aan compromissen. Hij begreep niet waarom een Argentijnse dokter waarmee hij bevriend raakte graag een opvangtehuis voor geesteszieken wou oprichten. ‘Je doodt ze toch gewoon?’ Hij keek naar de realiteit vanuit zijn onversneden nazi-ideologie en vond zo glasheldere antwoorden voor wat hij ernstige problemen vond.”

Adolf Eichmann leefde tien jaar lang als Ricardo Klement vrij onopgemerkt in Argentinië.

“Toch ging dat niet van een leien dakje. Want hij had het lastig om in zijn levensonderhoud te voorzien. Zijn leven in Argentinië stond in schril contrast met wie hij was tijdens het naziregime. Eichmann had toen ontzettend veel macht. Op de beruchte Wannseeconferentie van 20 januari 1942 werd door een selecte groep nazibonzen een definitief plan opgesteld voor de oplossing van het ‘Jodenvraagstuk’. Eichmann was er aanwezig als secretaris en kreeg er ook de opdracht om de ‘Endlösung’ voor te bereiden en uit te voeren. Hij is dus dé man die het logistiek mogelijk maakte dat 6 miljoen Joden vermoord werden. Hij had de absolute macht om mensen uit te roeien en droomde er als rechtgeaarde nazi van om de wereld te regeren. Als dat niet lukte, wou hij op zijn minst over Europa de scepter zwaaien. Maar dat plan mislukte en hij moest vluchten naar Argentinië, of all places. Hij begreep niet waar hij dat aan verdiend had. Want de nazi’s hadden toch niets verkeerd gedaan? Hun enige vergissing was volgens hem de invasie in Rusland. ‘Dat was een idioot idee van de Führer’, vond hij. ‘Als we binnenkort aan het Vierde Rijk beginnen, mogen we die fout geen tweede keer maken.’ (lacht) De naar Argentinië gevluchte nazi’s droomden echt van dat Vierde Rijk. Dat zou dan beginnen in Buenos Aires, met een nazi-regering in ballingschap, om van daaruit een nieuw imperium te bouwen.”

Waar kwam zijn schuilnaam Ricardo Klement vandaan?

“Zijn voornaam Ricardo was een eerbetoon aan de Italiaanse priester die voor hem een Argentijns visum had geregeld. Voortaan heette hij niet langer Adolf Eichmann maar Ricardo Klement en was hij geboren in 1913 in plaats van 1906. In Argentinië kregen Eichmann en zijn vrouw Vera een vierde zoon, Ricardo. Hij is de enige van de vier zonen die nog in leven is. Ricardo Eichmann woont in Berlijn en verafschuwt zijn vaders ideologie. De andere drie waren levenslang overtuigde nazi’s. Zij waren dan ook opgevoed door Eichmann. Ricardo was vijf jaar toen zijn vader naar Israël ontvoerd werd. Hij werd niet gehersenspoeld.”

U beschrijft de kidnapping door de Mossad alsof dat voor Eichmann een opluchting was.

“Adolf Eichmann was geen dommerik. Na de oorlog werd hij eerst door de Amerikanen gevangengenomen. Op slinkse wijze wist hij te ontsnappen. Vervolgens dook hij als houthakker onder op de Lüneberger Heide en wist hij het gerucht te verspreidden dat hij in het Midden-Oosten zat. Hij leidde het Internationale Rode Kruis om de tuin, maakte de oversteek naar Argentinië en slaagde er een paar jaar later in om ook zijn gezin over te smokkelen. Op 11 mei 1960 werd hij door agenten van de Mossad een auto ingesleurd. Ik geloof nooit dat een man met zijn intelligentie zich zo makkelijk zou laten traceren. Ik laat hem vlak na die ontvoering in mijn roman zeggen: ‘Ik heb mijn lot al aanvaard.’ Volgens mij was hij het vluchten moe en wou hij inderdaad opgepakt worden. Niet omdat hij berouw had, maar omdat hij opnieuw het wereldpodium wou bestijgen. Hij wou terug íemand zijn, een belangrijk persoon.”

In het begin van uw roman schrijft u ook dat hij wist dat hij ooit zou worden opgehangen.

“Dat heb ik niet verzonnen, maar is gebaseerd op authentiek bronnenmateriaal. Er waren verschillende momenten in Argentinië waarop hij naar veiliger oorden had kunnen vluchten. In Buenos Aires ontmoette hij af en toe Josef Mengele alias doctor Helmut Gregor. Die zag de bui op tijd hangen, waarschuwde Eichmann voor nazijagers en vertrok zelf naar Paraguay. Andere nazi’s ruilden Argentinië in voor Chili. Hij bleef. Hij was ervan overtuigd dat hij recht in zijn schoenen stond en niets verkeerd gedaan had. Hij had enkel bevelen opgevolgd en die netjes en nauwkeurig uitgevoerd, zoals het hoort voor een SS-officier. Kadaverdiscipline was heilig. Toen zijn Führer opdracht voor de Endlösung gaf, gehoorzaamde hij als een trouw soldaat met gestrekte arm en klakkende hielen.”

Verdiende Eichmann de doodstraf?

“Hij verdient elke dag terechtgesteld te worden. Principieel ben ik een tegenstander van de doodstraf, maar voor Adolf Eichmann maak ik een uitzondering. Want of hij nu een monster was of niet: hij plande de moord op miljoenen.”

Bio

  • Geboren op 16 oktober 1975 in Buenos Aires
  • Studeerde filosofie en Spaanse literatuur in Duitsland
  • Vertaler van het werk van Franz Kafka, Peter Handke en Herman Hesse
  • Debuteerde in 2005 als romanschrijver met Sandra
  • De onfortuinlijke is zijn zevende roman en de eerste vertaling in het Nederlands

Ariel Magnus, De onfortuinlijke, Meulenhoff, 240 blzn, 20,99 euro

(c) Jan Stevens

‘Anders Tegnell kan op de Noordpool beter vlooien gaan tellen’

Volgens de Amerikaans-Britse historicus Peter Baldwin beleven we met de coronacrisis allesbehalve uitzonderlijke tijden. De Zweedse aanpak vindt hij een onvergeeflijke vergissing. “Staatsviroloog Anders Tegnell is een politicus vermomd als expert.”

De in Engeland levende Amerikaanse historicus en UCLA-professor Peter Baldwin is in de ban van de geschiedenis van de aanpak van epidemieën. In zijn in 1999 verschenen boek Contagion and the state in Europe vergeleek hij hoe Duitsland, Groot-Brittannië, Zweden en Frankrijk tussen 1830 en 1930 besmettelijke ziekten zoals cholera, de pokken en syfilis aanpakten. Hij ging ook op zoek naar verklaringen waarom de ene staat drastisch ingreep, terwijl de andere liet betijen. Zijn conclusie luidde dat eerder financiële dan ideologische motieven aan de basis van maatregelen lagen. Zo waren landen met een lege schatkist sneller geneigd om hun burgers in tijden van cholera in strikte quarantaine te dwingen, dan landen met voldoende geld om de sanitaire omstandigheden in steden aan te pakken.

Het voorbije jaar herhaalde Baldwin dezelfde oefening voor de wereldwijde aanpak van de coronapandemie. Op de eerste dag van de lente van dit jaar verscheen zijn boek Fighting the first wave, waarin hij met veel zin voor detail op zoek gaat naar de motieven van politici en wetenschappers in hun strijd tegen covid.

Wij geloven dat we nu in unieke omstandigheden leven, maar dat is helemaal niet zo?

“Nee, ik beleef continu déjà vu’s. (lacht) Zolang er geen medische oplossing voor een pandemie is, zoals een vaccin of een geneesmiddel, kunnen we enkel terugvallen op technieken die ze al in de Oudheid kenden. Je zet mensen in isolatie, verbiedt reizen en probeert alle mogelijkheden tot overdracht uit te schakelen. Die manieren om besmetting te stoppen, bestaan al duizenden jaren. Al die eeuwen waren het ook zowat onze enige middelen. De balans ten voordele van de geneeskunde begon pas over te slaan in de jaren 1950.”

Hoe dodelijk is dit virus in vergelijking met de vorige?

“Corona is minder dodelijk dan ebola, maar dodelijker dan de griep. Echt dodelijke virussen zoals ebola branden op termijn zichzelf op. Een virus dat zijn slachtoffers te snel doodt, tekent zijn doodvonnis. Want het krijgt het dan steeds moeilijker om zichzelf te blijven voortplanten.

“Een van de grote verschillen tussen corona en de vele voorgangers, is dat dit virus een incubatietijd tot twee weken heeft. Dat wil zeggen dat er veel mensen rondlopen die een hele tijd niet in de gaten hebben dat ze besmettelijk zijn. Dan is er ook nog die 40 procent die geen enkel symptoom heeft, maar de ziekte toch verspreidt, de zogenaamde asymptomatische dragers. Wie in de 19e eeuw met cholera besmet raakte, werd snel ziek en in isolatie gezet. Wie vóór covid griepsymptomen kreeg, bleef vaak automatisch thuis en zette zichzelf zo onbewust in isolatie. Nu lopen er nogal wat superverspreiders rond die zich van geen kwaad bewust zijn.”

Gaf de globalisering dit virus in vergelijking met de voorgangers extra kracht?

“De manier waarop we de voorbije decennia van de ene uithoek van de planeet naar de andere reisden, vergemakkelijkte zeker de verspreiding van corona. De Sloveense filosoof en socioloog Slavoj Zizek schreef daar het boekje Pandemic! over. Hij vraagt zich af wat er zou gebeurd zijn als de eerste besmetting in Wuhan zich had voorgedaan vóór de hervormingen in China. Stel dat Patiënt Zero besmet raakte in datzelfde Wuhan in 1967. China was toen nog een van de buitenwereld afgesloten communistische volksrepubliek. De kans is zeer groot dat wij dan nooit van covid-19 gehoord hadden.

“Toch verspreidden ook lang voor de globalisering besmettelijke ziektes zich over continenten. In de 19e eeuw trok cholera over heel Europa een spoor van vernieling. Rond 1830 kwam de ziekte Europa binnen via Rusland. Twee jaar later woedde cholera over Engeland, vandaar ging het naar Zweden. Van maand tot maand kon je het spoor van de epidemie volgen. De schaal was kleiner dan nu én de snelheid lag veel lager. Maar op de keper beschouwd verspreidde cholera zich precies zoals SARS-CoV-2 of corona.”

Wil dat zeggen dat het afsluiten van grenzen geen zin heeft? Want het virus verspreidt zich toch?

“Een snelle, harde lockdown met gesloten grenzen heeft wel degelijk zin. Dat bewijzen Nieuw-Zeeland, Taiwan, Australië en nog veel andere eilanden die kozen voor die drastische ingreep. Het Verenigd Koninkrijk is ook een eiland en ging met zijn strategie voor groepsimmuniteit in die eerste golf volledig de mist in. Natuurlijk is het voor een eiland makkelijker om de boel af te sluiten dan voor een land als België.

“Zweden vormt vandaag met zijn laissez-faire-aanpak een grote uitzondering in Europa. Tijdens de cholera-epidemie was de aanpak compleet tegengesteld. In de jaren 1830 gold Zweden als een van de strengste strijders tegen de besmettelijke ziekte. De economie werd volledig platgelegd en de grenzen gingen potdicht. Reizigers die het land probeerden binnen te komen, werden door speciale grenspatrouilles gearresteerd.”

Een groot verschil met de cholera-epidemie is wellicht de niet te stoppen vulkaanuitbarsting aan artikels, nieuwsberichten en reportages over corona?

“Toch niet. Van zodra cholera in Europa voet aan wal zette, verschenen er duizenden boeken en artikels over het onderwerp. Een criticus noemde die ‘overkill’ aan informatie in die tijd ‘bibliocholera’, wat hij nog besmettelijker vond dan de ziekte zelf. (lacht)”

Vandaag leven wij in het Westen in liberale democratieën. Dat zorgt wellicht voor een groot verschil met hoe de epidemie door autoritaire regimes werd en wordt aangepakt?

“Het verschil is inderdaad gigantisch. Maar het is niet omdat we in een democratie leven, dat we niet in staat zouden zijn om de epidemie onder controle te krijgen. Kijk maar naar Australië, Nieuw-Zeeland, Taiwan of Zuid-Korea. Wat opvalt: de democratieën die het goed deden, namen hun burgers ernstig en slaagden erin ze zo te overtuigen om mee te werken. Jacinda Ardern, de premier van Nieuw-Zeeland, had het over haar ‘team van vijf miljoen’. Niet veel leiders kunnen hun burgers zo aanspreken. Samen sloegen ze het coronavirus plat.”

Onze premier Alexander De Croo sprak eind november 2020 de Belgen aan als zijn ‘ploeg van elf miljoen’. Zo’n slogan alleen volstaat blijkbaar niet, want hier waart het virus nog steeds rond.

“Deed hij dat ook? Dat wist ik niet. In Nieuw-Zeeland was Arderns oproep wel succesvol, wat voor mij bewijst dat in een democratie ingrijpende maatregelen met het akkoord van de burgers genomen kunnen worden. Democratieën die te lang met het nemen van maatregelen talmden, schoten zichzelf in de voet. Waarom moest het in sommige landen zolang duren om een opsporingsapp in te voeren? Als alle burgers op hun mobiele telefoon zo’n app installeren, wordt het veel makkelijker om besmettingen op te sporen en te isoleren. Waarom moest er zowel bij jullie als bij ons eerst een ellenlange discussie over privacy gevoerd worden? Zo werden die apps bij voorbaat ondermijnd.”

U vindt de angst ongegrond dat zo’n app de deur kan openen naar een vorm van permanente observatie door de overheid?

“Ik vind die angst terecht, hoor. We moeten er alles aan doen om ervoor te zorgen dat het niet zover komt. Maar die discussie moet je niet voeren in het heetst van de strijd tegen een pandemie. Hetzelfde geldt voor het verplicht dragen van mondmaskers. We hadden geen andere keuze dan ze te dragen om elkaar te beschermen. Voor sommigen is het mondmasker een regelrechte aanval op hun rechten als burger. Écht? Dergelijke reacties vind ik verbijsterend. Zijn veiligheidsgordels in de auto dan ook een schending van onze mensenrechten?”

Ik las in uw boek dat tijdens de cholera-epidemie in de 19e eeuw overtreders van de quarantainemaatregelen geëxecuteerd werden.

“Er golden zeer strenge lijfstraffen voor wie zich niet aan de isolatiemaatregelen hield. Op momenten dat cholera zeer veel slachtoffers maakte, riskeerden overtreders inderdaad ook geëxecuteerd te worden. Een van de voordelen van onze democratie is dat zo’n waanzinnige maatregel geen kans meer maakt. Wat niet wil zeggen dat er vandaag geen geweld gebruikt wordt tegen overtreders van coronamaatregelen. In Zuid-Afrika trapt de politie deuren van huizen in om ongehoorzame burgers een pak slaag te geven. De politie van New York bouwde de voorbije maanden ook een bedenkelijke reputatie op met het gewelddadig uiteenslaan van illegale bijeenkomsten van vooral minderheden.”

Hoe werd de cholera-epidemie uiteindelijk tot stilstand gebracht?

“Door de Britse wetenschapper John Snow. In 1853 ontdekte hij in Londen dat besmet water de epidemie een stevige boost gaf. Hij liet een waterleidingpomp afsluiten en cholera stopte. Snow geldt vandaag als de grondlegger van de epidemiologie.”

Zeker in het begin van de coronapandemie probeerden nogal wat landen hun eigen systemen uit om de besmetting te stoppen. Speelden hun eigen traditie en geschiedenis daarin een belangrijke rol?

“Als historicus vind ik dat een geweldig interessante vraag, maar het antwoord valt een beetje tegen. Over één zaak is iedereen het eens: onze enige echte exit zijn de vaccins. Tot dan zijn al onze middelen degene die inmiddels 8.000 jaar oud zijn. (lacht) Dat klinkt misschien nogal mager, terwijl dat eigenlijk best een stevige traditie is. Toch besloten een paar landen om die wijsheid van eeuwen bij het oud papier te zetten. Wellicht is Zweden daarvan het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld. Er werden geen isolerende maatregelen afgekondigd, maar er werd beroep gedaan op het ‘gezonde verstand’ van de burgers. Die aanpak verschilde totaal van hoe de Zweden vroeger besmettelijke ziektes aanpakten. In 1806 was de schrik groot voor de gele koorts. Alle aanmerende schepen moesten meteen aan de ketting en in quarantaine. Kapiteins die het toch waagden om zonder toestemming te vertrekken, riskeerden ter plekke neergeschoten te worden. Ook in de strijd tegen venerische ziektes speelden de Zweden het keihard. Wie een geslachtsziekte opliep, moest zich verplicht laten behandelen en kreeg een verbod op seks. Al zijn of haar contacten werden opgespoord. Wie weigerde mee te werken, ging de gevangenis in.”

Velen vinden het Zweedse corona-experiment fascinerend. Ook in België zagen en zien sommigen meer heil in het Zweedse model dan in een strikte lockdown.

“Het Zweedse model is een complete mislukking. Akkoord, de Zweedse coronastatistieken zijn niet zo slecht als de Belgische, maar toch is het opvallend dat ze zoveel slechter zijn dan de Noorse of de Finse. De enige verklaring waarom ze zoveel slechter scoren dan hun buren, is de beslissing om niet in lockdown te gaan.”

Waarom maakten ze die keuze om radicaal van het bekende eeuwenoude pad af te wijken?

“De Zweden koesteren hun traditie waarbij de regering geacht wordt zich niet te moeien met de verschillende ambtelijke autoriteiten. De publieke dienst bevoegd voor de volksgezondheid had zoals gewoonlijk de handen vrij bij de aanpak van deze crisis. Aan de leiding stond deze keer een kleine groep wetenschappers die elkaar gevormd hadden. Allemaal vrienden en collega’s die samen in de tunnel van de groepsimmuniteit kropen. Ze waren ervan overtuigd geraakt dat zonder groepsimmuniteit een land gedoemd was tot een eeuwige lockdown. Omdat de strategie door die kleine groep bepaald werd, was er niemand om hen tegen te spreken. De politici lieten staatsviroloog Anders Tegnell en zijn voorganger en consultant Johan Giesecke betijen; dat hoorde volgens de Zweedse traditie zo. In Denemarken speelde zich heel even een gelijkaardig scenario af. Ook daar was er die strikte scheiding tussen regering en gezondheidsautoriteit. De Deense staatsviroloog Søren Brostrøm zat in dezelfde tunnel als de kliek rond Tegnell. Ook hij adviseerde politici om voor groepsimmuniteit te kiezen, mensen niet op te hokken, scholen niet te sluiten en bedrijven open te houden. De lockdownbehandeling was volgens hem erger dan de ziekte. Maar de Deense premier Mette Frederiksen vertrouwde dat advies niet. Zij was bang dat een beleid van ‘laat maar waaien’ tot een vreselijke humanitaire ramp kon leiden. Alleen bepaalde de Deense wetgeving op besmettelijke ziekten heel expliciet dat zij zich moest neerleggen bij alle adviezen van de gezondheidsautoriteit. Frederiksen nam een fors besluit: op 14 maart 2020 liet ze een noodwet stemmen waardoor ze de gezondheidsautoriteit buiten spel zette. Meteen daarna ging er in Denemarken een drastische lockdown in.”

In België waren we na de zomer van vorig jaar getuige van het omgekeerde fenomeen. Terwijl de virologen op strenge maatregelen aandrongen, stuurden de regeringen aan op versoepelingen.

“In zowel Denemarken als Zweden stonden niet alle virologen op de lijn van de staatsvirologen. In Zweden werd alleen heel lang niet naar die andere stemmen geluisterd.”

Die twee strekkingen bij virologen doet vermoeden dat er meerdere wetenschappelijk verantwoorde aanpakken van een pandemie mogelijk zijn? Of heeft virologie soms ook met ideologie te maken?

“In Zweden zijn alle mannen en vrouwen aan het werk. Als de scholen sluiten, is dat meteen een groot probleem voor de opvang van de kinderen. Ze bleven open zodat de fabrieken konden blijven draaien. Inmiddels weten we dat kinderen soms asymptomatische dragers zijn die hun ouders en grootouders kunnen besmetten. Die hele strategie om scholen open te houden, is niet houdbaar. Maar dat paste niet in het straatje van Tegnell. Dus wat zei hij? ‘Ach, asymptomatische dragers stellen niet veel voor.’ Hij minimaliseerde het probleem om toch zijn eigen gelijk te halen. Zijn doel bleef groepsimmuniteit. Alle wetenschappelijke bevindingen die dat streven onderuithaalden, werden door hem genegeerd. Anders Tegnell is al lang geen expert meer, maar een politicus vermomd als expert.”

Wat is er mis met Tegnells streven naar groepsimmuniteit?

“Hij is de lessen van de geschiedenis vergeten. Voor een viroloog is dat onvergeeflijk. Een vaccin vormt de basis voor groepsimmuniteit. De eerste epidemie die met een vaccin aan banden werd gelegd, waren de pokken. De Britse arts en wetenschapper Edward Jenner creëerde eind 18e eeuw het allereerste vaccin op basis van koepokken. Het zou nog tot ver in de 20e eeuw duren voor de pokken dankzij een gecoördineerde vaccinatiecampagne de wereld uitgeholpen werden. Het verzet tegen het pokkenvaccin was van in het begin groot. Religie speelde daarin een voorname rol. Het vaccin op basis van koepokken gold als een duivelse vermenging van het menselijke met het dierlijke. In de Engelse stad Leicester maakten antivax-betogers de straten onveilig. Ze probeerden de vaccineerders met geweld te verjagen. Uiteindelijk legde het pokkenvaccin de veilige basis voor groepsimmuniteit. Het roekeloze avontuur van Tegnell zal de Zweden geen groepsimmuniteit tegen corona bezorgen.”

U kent Zweden goed: u bent getrouwd met de Zweedse historica Lisbet Rausing.

“Ik kom er zeer regelmatig, ja. De meeste Zweden stonden lang achter Anders Tegnell. Dat is ook niet verwonderlijk: hoe zou je zelf zijn als bij de start van een gelijkaardige crisis de leiding van je land beslist: ‘Het is niet nodig om de boel te sluiten. Zolang we ons aan een paar basisregels houden, komt het allemaal voor elkaar. Ga gerust op restaurant en op café, maar hou afstand en was je handen. Onze vrijheid geven we niet op.’ In het begin leek dat ook te werken. Briljant! Tot het dodental dramatisch begon te stijgen. Vandaag is in Zweden de twijfel over de Tegnell-strategie zeer groot. Er stierven veel meer mensen dan in de buurlanden. Toch zit de hele Tegnell-kliek nog steeds aan de knoppen. Niemand is ontslagen. Dat is toch onvoorstelbaar? Ze hadden hem naar de Noordpool moeten sturen om vlooien te tellen.”

De laatste grote pandemie was de Spaanse griep in 1918. Dat is nog niet extreem lang geleden, maar bij de start van de coronacrisis leek die griepepidemie uit ons collectieve geheugen gewist.

“De meeste mensen wisten daar inderdaad niets van. Terwijl door de Spaanse griep meer doden vielen dan door de Eerste Wereldoorlog. Er wordt nu soms gedaan alsof er geen blauwdruk bestaat voor de economische gevolgen van de coronacrisis. Die is er wel en dateert van de Spaanse griep. Economen leerden toen dat snelle kordate lockdowns voor minder economische schade op lange termijn zorgen. De huidige versoepelingsbrigade stelt dat lockdowns de economie schade berokkenen. Alleen vergeten ze dat de angst voor het virus er sowieso voor zorgt dat mensen amper nog hun deur uitkomen. Bij een langgerekt halfslachtig beleid gaat de economie óók om zeep. Als er geen lockdown is, legt de pandemie de economische activiteit stil. Een snelle, harde lockdown zorgt ervoor dat we grip krijgen op de pandemie. De economie kan daarna sneller herstellen. Kijk maar naar Nieuw-Zeeland. Die les leerden we dus al in de jaren na WO I, tijdens de Spaanse griep. Alleen zijn we ze compleet vergeten.”

Bio

  • Geboren in Ann Arbor, Michigan in 1956
  • Studeerde geschiedenis aan Harvard en Yale
  • Is professor geschiedenis aan de Universiteit van Californië, Los Angeles
  • Runt samen met zijn vrouw Lisbet Rausing Arcadia Fund, één van de grootste liefdadigheidsorganisaties van het Verenigd Koninkrijk
  • Schreef diverse boeken over Europa en epidemieën
  • Woont in het Britse graafschap Surrey

Peter Baldwin, Fighting the first wave, Cambridge University Press, 386 blzn.

(c) Jan Stevens

‘Corona is de nachtmerrie van Greta Thunberg die Donald Trump ontmoet’

Open moet het zijn volgens de Zweedse filosoof en ultraliberaal Johan Norberg. In zijn boek Open bezingt hij de zegeningen van open grenzen, vrijhandel en globalisering. “De lockdown is een afschrikwekkende preview van hoe de gedeglobaliseerde wereld eruitziet.”

Zonder open samenlevingen en economieën is volgens Johan Norberg vooruitgang onmogelijk. “Openheid is de sleutel tot succes.” De in Stockholm wonende filosoof, politicoloog en radicale vooruitgangsdenker geldt sinds zijn bestseller Vooruitgang uit 2016 als dé heraut van het optimisme, maar in de afloop van de coronacrisis heeft hij geen goed oog. Niet dat hij vreest dat de epidemie niet bedwongen zal worden: “De vaccins zullen ons redden.” Wel dat corona de doodsteek wordt voor de door hem bejubelde globalisering: “Velen wijzen die globalisering nu aan als een van de voornaamste redenen waarom de pandemie zo snel de wereld rond raasde.”

Dat is toch zo?

“Het klopt dat door het internationale vliegverkeer het virus aan een hoog tempo over de planeet verspreid raakte. Maar moesten er geen passagiersvliegtuigen zijn, was die globale verspreiding er ook geweest, alleen trager. Zonder globalisering waren er vandaag wellicht nog geen vaccins, want die hebben we te danken aan internationale samenwerking. Dus ja, globalisering hielp het coronavirus verspreiden, maar hielp het ook snel te bestrijden. De pest verspreidde zich indertijd zeer traag, maar roeide wel de helft van de Europese bevolking uit.”

Vindt u dat Zweden met staatsviroloog Anders Tegnell de coronacrisis goed aanpakt?

“Er is op dit moment bij ons nogal wat controverse over Tegnells koers. Want ons land heeft vrij slechte coronacijfers, al zijn ze toch minder slecht dan in veel andere Europese landen. Ondanks ons zogenaamde laksere beleid blijkt uit mobiliteitsdata dat de verplaatsingen in Zweden even sterk gereduceerd zijn als bij onze Scandinavische buurlanden. De Zweden blijken vrijwillig afstand van elkaar te houden. Het blijft vooral misgaan in woonzorgcentra met vele hoogbejaarden en in goedkope appartementsblokken waar verarmde migranten in krappe flats samenhokken.

“Door corona leefde ik het voorbije jaar continu in Zweden. Dat is iets wat me in mijn volwassen leven nog nooit is overkomen. (lacht) Dat gedwongen langdurige verblijf in eigen land vind ik een heel rare ervaring. Ik mis de open wereld enorm.”

Uw boek Open is zowel een hartstochtelijk pleidooi voor die open wereld als een waarschuwing voor de gevolgen van gesloten grenzen?

“Ja, want de open wereld staat zwaar onder druk. Dat was al zo vóór de pandemie; ik schreef dit boek toen er van corona nog geen sprake was. Vooral diepe crisissen vormen een bedreiging voor open samenlevingen. Zo hebben we er de laatste jaren wel wat gehad, met de financiële crisis, ernstige geopolitieke spanningen en deze huidige gezondheidscrisis. Grote crisissen vernauwen onze geesten. We worden dan bang van de wereld en willen ons er liefst voor verbergen. Maar de geschiedenis leert ons dat grote tijdperken eindigden op die momenten waarop we collectief ons cultureel zelfbewustzijn verloren. We moeten daarom vechten voor openheid, omdat die essentieel is voor onze toekomst.”

Ook het liberalisme waar u een hartstochtelijk aanhanger van bent, heeft het met de opkomst van illiberale leiders als Viktor Orban hard te verduren?

“Ik maak me grote zorgen over opkomende autoritaire leiders als Orban. Zij keren de vrijheid de rug toe en spiegelen voor ingewikkelde problemen simpele, inhoudsloze oplossingen op korte termijn voor. Ze winnen er makkelijk verkiezingen mee, maar helpen er hun burgers geen millimeter mee vooruit.

“Het liberalisme wordt wereldwijd bedreigd door autoritaire populisten van zowel links als rechts, terwijl het een voortreffelijk parcours aflegde. Want het zijn liberalen die de democratie versterkten, de samenlevingen opengooiden en voor economische vrijheid zorgden. Het liberalisme zorgde ervoor dat individuen zichzelf konden zijn en hun eigen levensstijl ontwikkelen. De diversiteit die daaruit groeide, is prachtig. Ze zorgde voor een mengelmoes aan meningen en overtuigingen. Liberalen vinden dat oké: we kunnen alleen maar van elkaar leren. Maar voor populistisch rechts en links zijn al die botsende meningen een gruwel, want zij willen dat iedereen het altijd over alles eens is. Daarom vinden zij dat wij nu in een nare tijd leven. Zij streven een strak keurslijf na. Voor rechts is dat dan nationalisme of etnische en culturele homogeniteit. Voor links is dat de cancel culture. Al wie het niet met hen eens is, wordt het zwijgen opgelegd.”

U vindt dat alles gezegd moet kunnen worden?

“Ik ben een radicaal voorvechter van vrije meningsuiting. Zelfs mensen met ‘foute gedachten’ hebben misschien wel ergens een punt. We hebben allemaal de neiging om vooral aandacht te schenken aan informatie die onze eigen overtuigingen bevestigt. Iedereen heeft last van die zogenaamde ‘confirmation bias’. Ik was me daar tijdens het schrijven van dit boek erg van bewust. Naast gedegen wetenschappelijke studies over bijvoorbeeld migratie, las ik ook wat extreemrechtse nationalisten daarover te vertellen hebben. Zij haten openheid, maar misschien leggen zij wel vingers op wonden die ik niet zie omdat ze niet in mijn wereldbeeld passen. Ik probeerde mijn geest zelfs open te houden voor de weirdo’s onder ons. (lacht)”

Twitter had nooit de account van Donald Trump mogen afsluiten?

“Net zoals uw krant het recht heeft om opiniestukken te weigeren, heeft ook Twitter het recht om opinies te weigeren. Ook dat is onderdeel van vrije meningsuiting. Alleen helpt het ons niet veel verder wanneer we meningen die ons niet zinnen de wacht aanzeggen. Haattoespraken en oproepen tot geweld krijgen van mij geen vrijgeleide. De manier waarop Trump begin januari de Amerikaanse democratie uitdaagde, vond ik niet gepast, net als zijn oproepen aan de Amerikanen om de verkiezingsuitslag te negeren. Maar voor de rest heeft ook hij het recht om zijn standpunten luidop te verkondigen. Handel is voor hem een zero-sum-spel: het verlies van de ene, is de winst van de ander. Ik vind dat vreselijk, want handel moet in de eerste plaats winst opleveren voor beide partijen. Ik vind ook zijn America First-retoriek afschuwelijk, maar ik zal hem nooit de mond snoeren.”

De huidige gesloten samenleving waarin corona ons nu dwingt, geeft ons een vooruitblik op wat er ons te wachten staat als we de open wereld afzweren?

“Jazeker. De pandemie zorgt voor een ongewild globaal experiment in wat het betekent om grenzen te sluiten en ons terug te plooien op onszelf. We ondervinden nu aan den lijve waar ik in mijn boek voor waarschuw. Dankzij onze open wereld genieten we van onze huidige levensstandaard. Ik had nooit gedacht dat de bedreiging van onze open samenleving zich zo snel en op deze radicale manier in dit experiment zou voltrekken. Álles is dicht. Zo goed als niemand reist nog, de grenzen zijn quasi op slot, de handel ligt op apegapen, veel ondernemingen moeten hun deuren sluiten. We beleven de nachtmerrie van Greta Thunberg die Donald Trump ontmoet. (lacht) Elk vliegtuig staat aan de grond, migratie is gestopt en de internationale handel ligt stil. De mondiale lockdown is een afschrikwekkende preview van hoe de gedeglobaliseerde wereld er uitziet. Honderd miljoen mensen worden in extreme armoede gekatapulteerd.”

In het begin van de lockdown slaakten veel burgers een zucht van opluchting. Eindelijk stopte de ratrace en kwam er een rem op die doldraaiende globalisering.

“Daar ben ik het totaal mee oneens, al besef ik heel goed dat mijn standpunt door niet veel mensen meer gedeeld wordt. Ik hoorde onlangs iemand op de Zweedse radio zeggen: ‘Vandaag gelooft niemand nog in globalisering, behalve Johan Norberg.’ (lacht) Dat is wellicht ietwat overdreven, maar zegt wel iets over de huidige tijdsgeest. De migratiecrisis, covid-19, de teloorgang van de industrie, geopolitieke spanning of milieuproblemen: het is altijd de fout van die verdomde globalisering. Altijd ligt het aan een vreemdeling ergens ver weg. Altijd zoeken we onze zondebok elders en vergeten we onze eigen verantwoordelijkheid.”

U kan toch niet ontkennen dat globalisering voor ernstige problemen zorgt? Al die vliegtuigen die goedkoop geproduceerde goederen van Azië naar hier brengen, vliegen niet op water. Delokalisatie naar lageloonlanden kost ons jobs. Volgens ecologische economen is het hoog tijd dat we globalisering in toom houden en afscheid nemen van onze fixatie op groei. Onze eindige planeet kan oneindige groei niet aan. U vindt dat onzin?

“Het is juist dat globalisering en industrialisering voor milieuproblemen zorgen. Maar we moeten dat wel in het juiste perspectief plaatsen. Want de problemen vóór de industrialisering en globalisering waren veel groter. Toen stierf de helft van alle kinderen voor ze de volwassen leeftijd bereikten. De op fossiele brandstoffen gebaseerde industrie maakte het mogelijk dat de meesten onder ons een lang en gezond leven in goede omstandigheden konden uitbouwen. We slaagden erin om extreme armoede veel sneller terug te dringen dan in welk ander tijdperk van de geschiedenis. Dat moeten we koesteren. Nu we de grootste miserie de wereld uitgeholpen hebben, is het tijd om ons ook op onze milieuproblemen te focussen. De vraag is alleen: hoe lossen we ze op? Door grenzen te sluiten en de internationale handel stop te zetten? Ik dacht het niet. 10 procent van de CO2 die in mijn smartphone of balpen zit, komt van het transport. 90 procent is toe te wijzen aan de lokale productie en distributie. Als we alles zelf zouden gaan produceren, besparen we dus 10 procent aan CO2-uitstoot. Tezelfdertijd verdwijnt dan ook de concurrentiestrijd tussen verschillende industrieën wereldwijd die voortdurend hun productiemethoden verfijnen. Terwijl net dat ons helpt steeds properder en efficiënter te produceren. We worden alleen beter door van anderen te leren én met anderen te concurreren.”

Spotgoedkope verse boontjes met het vliegtuig importeren uit Kenia. Erg verantwoord klinkt dat toch niet in tijden van klimaatverandering?

“Sommigen willen de planeet redden door vliegtuigen aan de grond te houden en de wereldeconomie tot stilstand te brengen. Wel, we hebben dat het voorbije jaar onder druk van de pandemie ook effectief gedaan. Weet u hoeveel CO2 er minder uitgestoten werd? Amper 6 procent. Een jaar stilstand hielp ons dus geen sikkenpit vooruit in de strijd tegen klimaatverandering. We zitten nu wel in een mondiale depressie én duwden honderd miljoen mensen in extreme armoede. De CO2-uitstoot moet op een andere manier aangepakt worden, met de hulp van nieuwe technologie. Als we de doelstellingen van het Klimaatakkoord van Parijs willen halen, moeten we zonder technologie continu in pandemie-modus.”

Vindt u dat we die doelstellingen moeten halen?

“Zeker, ik ben geen klimaatontkenner. Ik vind dat onze toekomst fossielvrij moet zijn. Fossiele brandstoffen waren een groot hulpmiddel bij het verwezenlijken van onze levensstandaard; dankzij hen overleven onze kinderen. Nu is het tijd om over te schakelen naar schone energie. Dat lukt niet door alles te ontmantelen, maar door beroep te doen op groene technologie en bijvoorbeeld CO2 te capteren en op te slaan.”

Globalisering is geen synoniem voor exploitatie? Wij bouwden onze luxe en welvaart niet op de rug van onderbetaalde arbeiders en moderne slaven in een ver buitenland?

“U geeft de definitie van kolonisatie; dat is precies wat onze voorvaders deden, toen onze landen nog kolonies hadden. Zij bouwden hun welvaart door te stelen en overzee mensen te exploiteren. Globalisering is het tegengestelde van kolonisering: het is een aanbod, een ruil. Je draagt iets bij in een land waar mensen het erg moeilijk hebben.

“Sommige westerlingen voelen zich ongemakkelijk als ze zien in wat voor omstandigheden mensen in Azië onze kleren of schoenen maken. Alleen vergeten ze hoe het met die mensen gesteld was toen er geen textielindustrie was. Ik bezocht Vietnamese textielfabrieken en sprak er met de arbeiders. Hun grootste klacht was: ‘Waarom breiden jullie niet sneller uit, zodat ook onze familieleden werk hebben?’ Hun zogenaamde lage loon was vier keer meer dan wat ze verdienden vóór de fabriek er was.

“Sinds 1990 is dankzij de globalisering de extreme armoede met driekwart de wereld uitgeholpen. Dat is een fantastische verwezenlijking. Landen in Afrika die niet van de globalisering profiteerden, zitten nog steeds diep in de miserie. Als globalisering exploitatie zou zijn, is niet geëxploiteerd worden het enige wat nog erger is.”

Hoe open is uw ideale samenleving?

“Hoe opener, hoe beter. Ik wil open grenzen voor goederen, handel, diensten, maar ook voor mensen. Ik weet dat velen daar tegenstander van zijn, maar open grenzen voor mensen vergroten de mogelijkheden dat we oplossingen vinden voor moeilijke problemen. Nieuwkomers brengen ook nieuwe ideeën met zich mee. Alle knappe koppen samen kunnen fantastische technologische vernieuwingen uitdokteren.

“Niemand zag aankomen dat de basis voor het eerste coronavaccin gelegd zou worden door twee Turkse migranten in Duitsland, Uğur Şahin en Özlem Türeci. In Turkije hadden ze hun inzichten wellicht nooit in de praktijk kunnen brengen. De Duitse biotechnologie vormde de ideale voedingsbodem voor het ontwikkelen van het Pfizer-vaccin. De eerste productie gebeurde in de VS. Dat was alleen maar mogelijk doordat Şahin en Türeci konden beschikken over de bedrijfsvliegtuigen van Pfizer. Want de gewone lijnvluchten stonden aan de grond. Migratie, technologie én luchtverkeer zijn nu de wereld aan het redden.”

De angst is groot dat ongecontroleerde migratie voor een grote toestroom zorgt van arme gelukszoekers met een vertekend beeld van het ‘paradijselijke’ Westen.

“Natuurlijk mogen we de ‘culturele angst’ van mensen voor migratie niet onderschatten. En er zijn ook problemen in onze multiculturele samenleving. Maar doorheen de geschiedenis profiteerden samenlevingen altijd van migratie. Die brengt meer werkkrachten en meer inzichten binnen. Na een tijd lijken migranten ook niet meer zo vreemd. De meesten komen naar een westerse samenleving omdat ze onze waarden goed gezind zijn en omdat ze zich wíllen aanpassen. Alleen werd de voorbije jaren die grote toestroom van vluchtelingen naar Europa niet goed aangepakt. Onze fors uitgebouwde welvaartstaten met hun genereuze uitkeringen ondermijnen de werkkracht van de nieuwkomers. Zij vinden geen aansluiting bij de mainstream van de samenleving en integreren niet. De beste plek voor integratie blijft de werkvloer, waar mensen collega’s ontmoeten, de taal beter leren beheersen en de codes van een samenleving leren begrijpen. Als je als migrant met een uitkering in een trieste voorstad tussen andere steuntrekkende migranten blijft hangen, raak je nooit geïntegreerd. De roep om de grenzen voor migratie te sluiten, is groot. Ik roep op om de grenzen te openen en te snoeien in onze voorzieningen.”

U vindt dat er stevig moet gesneden worden in de sociale voorzieningen van onze welvaartstaat?

“We hebben een situatie gecreëerd die het voor onervaren mensen met een taalachterstand moeilijk maakt om te werken. Als je van een plek met amper middelbaar onderwijs komt, maak je op onze arbeidsmarkt met zijn minimumlonen amper kans. Je ontvangt wel een mooie uitkering. Waarom dan nog moeite doen? Het gevolg is culturele uitsluiting waar zowel wij als de migranten niet beter van worden.”

U bent geen fan van een sterke staat. Bewijst de coronacrisis niet dat we de staat juist nodig hebben? Het is de overheid die nu zelfstandigen die hun zaak moesten sluiten financieel overeind houdt en tijdelijke werklozen steunt. Misschien beleven we nu het einde van het neoliberalisme?

“Ik ben het daar totaal mee oneens, in het volle besef dat ik zo geen nieuwe vrienden zal maken. (lacht) De overheden hebben hun nek te ver uitgestoken om de financiële gevolgen van de pandemie voor ons te verzachten. Voor alle duidelijkheid: als de regering je beveelt om je zaak te sluiten, moét ze je daarvoor compenseren. Dat geldt voor bijvoorbeeld restaurants, cafés en bioscopen. Maar de poging van de overheid om de hele economie in een soort van kunstmatige coma te houden tot de pandemie voorbij is, is een immense vergissing.

“De pandemie slingert ons vijf jaar verder in de toekomst, met het onlineshoppen en de platformeconomie die een boost van jewelste krijgen. Intussen proberen onze regeringen de oude businessmodellen krampachtig te beschermen. Zo rekken we nodeloos het leven van zaken en diensten waar binnenkort totaal geen vraag meer naar is. Wat we dan wel hadden moeten doen? Mogelijk maken dat er nóg meer geld vloeit naar waar wél vraag naar is. Ik geef toe dat het moeilijk blijft om te bepalen wat al dan niet toekomst heeft, maar kijk gewoon naar het gedrag van miljoenen mensen vandaag. Ze bestellen massaal alles wat ze nodig hebben via het net. Daar zou ik mijn centen op inzetten. Het kan best dat alle bedrijven die de overheid nu met geld aan het infuus houdt, na het ontwaken de concurrentie niet meer aankunnen. Dan maakten we toch gigantische schulden voor niets?”

Sommige economen stellen dat het met die schuld wel zal meevallen, op voorwaarde dat na de ramp de economische groei groter is dan de rente.

“Ik twijfel er zeer sterk aan of we economisch sterk genoeg zullen zijn om deze schulden terug te betalen. Want maak u geen illusies: alle schulden die we nu maken, moéten ooit terugbetaald worden. Ik vraag me af over wat voor bijzondere wijsheid al die economen beschikken die beweren dat we ons niet te veel zorgen moeten maken. Elke mens met een gewoon huishouden, iedere doorsnee zelfstandige ondernemer weet hoe gevaarlijk het wordt als je buitensporig veel schulden begint op te stapelen. Óók in tijden van lage rente. Want de dag dat die rente tóch begint te stijgen, wordt het startschot gegeven van veel ellende. Je bank zal je schulden niet wegschelden.

“De Amerikaanse president Joe Biden kondigde net zijn stimulansplan van 1900 miljard dollar aan. Stel dat door dat plan de Amerikaanse economie zo hard aanzwengelt dat ze begint te oververhitten. Plots is er inflatie, want veel mensen potten al lang hun spaargeld op en dat laten ze nu rollen. De Amerikaanse centrale bank krikt de rentevoeten stevig op om die inflatie onder controle te houden, waarna ook onze rentes omhoogschieten. De miljarden schulden van deze crisis hangen dan als een molensteen om onze nek. Van zodra de rente de lucht ingaat, belanden we in een financiële crisis waarbij de vorige niets zal voorstellen.”

Zo optimistisch bent u dan toch niet?

“Mijn natuurlijke staat van zijn is optimistisch, maar dat wil niet zeggen dat ik de fouten en vergissingen niet zie. Ik ben heel optimistisch over de menselijke creativiteit en over onze mogelijkheden en vaardigheden om problemen op te lossen. Alleen zijn we nogal slecht in het op tijd detecteren en benoemen van die problemen.”

We zijn ook meesters in het maken van grote vergissingen en in het creëren van onze eigen miserie.

“Daarin hebt u volkomen gelijk. We lossen ook altijd het laatste probleem op waarmee we geconfronteerd worden. Na deze pandemie zullen we ons wellicht focussen op het zelf produceren van mondmaskers en beschermingsmiddelen tegen de volgende pandemie. Alleen zal de volgende grote crisis geen pandemie zijn, maar iets volstrekt anders. Daarom moeten we eerst en vooral flexibel zijn. In plaats van de laatste oorlog nog eens een keer te willen verslaan, moeten we klaar staan om snel te reageren op wat voor calamiteit ook.

“Sinds de financiële crisis van 2008 ben ik een voorzichtigere optimist die ook een beetje bang is. De grote recessie zette openheid en globalisering onder druk. Toch geloof ik dat vooruitgang niet te stoppen is. Voor elke plek in de wereld waar vrijheid onderdrukt wordt, is er wel een andere waar openheid floreert.”

Bio

– Geboren op 27 augustus 1973 in Stockholm

– Studeerde filosofie en politicologie

– Gaat in 1999 aan de slag bij de ultraliberale Zweedse denktank Timbro

– Publiceert in 2001 als reactie op de antiglobaliseringsbeweging In defense of global capitalism

– Is sinds 2007 senior fellow bij de in Washington gevestigde libertaire denktank Cato Institute

– Ontpopte zich in zijn in 2016 verschenen bestseller Vooruitgang tot de profeet van het optimisme

Johan Norberg, Open – Hoe een open wereld ons verder brengt, Nieuw-Amsterdam, 448 blzn., 27,99 euro

(c) Jan Stevens

‘Bij IS mochten ze een crimineel voor Allah zijn’

De gerenommeerde terrorisme-expert Beatrice de Graaf voerde intense gesprekken met 23 veroordeelde moslimterroristen over hun motieven. “Ze wilden zichzelf zuiveren door middel van geweld.”

In haar boek Radicale verlossing gaat de Nederlandse historicus en terrorisme-expert Beatrice de Graaf op zoek naar de diepe drijfveren van veroordeelde terroristen. “Wat geloven zij echt als ze beweren dat ze hun terreurdaad in naam van een hogere instantie pleegden?” Ze trok daarvoor onder andere naar de zwaarbewaakte terrorisme-afdelingen van de Nederlandse gevangenissen De Schie, Alphen aan den Rijn en Vught. Ze sprak er uitvoerig met 23 terrorismegedetineerden die tussen 2013 en 2020 opgesloten werden. “In het begin waren dat allemaal mannen”, zegt ze. “In 2020 zaten er welgeteld drie vrouwen vast. Zij kwamen uit IS-gebied en ik zocht contact met hen. Maar toen ging alles door corona in lockdown, ook de gevangenissen. Na de coronacrisis hoop ik mijn onderzoek met de vrouwen te kunnen verderzetten.”

Waren uw gesprekken met veroordeelde mannelijke terroristen een helse klus?

“Een ‘helse klus’ zou ik het niet noemen, al kostte het me wel flink wat energie. Vaak verliet ik de gevangenis met een bezwaard gemoed. De Schie, Alphen aan den Rijn en Vught zijn geen fijne plekken. Daar zitten naast veroordeelde terroristen ook zware jongens als Willem Holleeder en Ridouan Taghi. Bewakers en directies waren altijd heel vriendelijk en behulpzaam. Maar telkens wanneer ik door die sluizen naar binnen stapte, voelde ik beklemming. Er hing een bordje: ‘In geval van gijzeling laten we u hier achter.’ Ik wist dus meteen: hier raak ik niet meteen weg als de ellende losbarst.”

Op de zwaarbeveiligde afdelingen is troosteloosheid troef?

“Ik vind niet dat het er allemaal kommer en kwel is. Zo hebben de gedetineerden er bijvoorbeeld een tv. Maar het zijn natuurlijk wel gevangenissen. Ik voerde lange gesprekken met mensen die weten dat ze daar nog jaren zullen zitten. Dat was soms zeer deprimerend. Pas op, ik vind hun straffen volkomen terecht. Maar het blijven mensen met gevoelens.”

U sprak hen in de bezoekersruimte?

“Heel soms sprak ik hen kort in hun cel. Lange gesprekken vonden in bezoekersruimtes plaats. Afhankelijk van het soort gevangenis verschilden die nogal. Hoe strenger het regime, hoe minder plaats er was voor gezelligheid. Vandaag zitten in Nederland ongeveer 40 terroristen hun straf uit. Toen ik met mijn interviews begon, waren het er 36. Ik sprak er 23.

“Sommige gedetineerden bleken me te kennen van mijn passages als terrorisme-expert op tv. Ik dacht eerst dat ze daar aanstoot aan zouden nemen, maar dat vonden ze net goed. Ik merkte ook vrij vlug dat ze ondanks de hoge beveiliging contact met elkaar hadden. Na een paar interviews lieten andere gedetineerden me weten: ‘Je was bij Ahmed. Waarom kwam je niet bij ons langs?’ (lacht)”

De veroordeelde jihadisten keken niet op u neer omdat u een vrouw bent?

“Dat zal ik natuurlijk nooit weten. De eerste gesprekken voerde ik op de terroristenafdeling van Vught. Die gevangenis werd toen geleid door de inmiddels gepensioneerde Yola Wanders, een vrouw. Zij had een goede verstandhouding met haar gedetineerden en introduceerde me bij hen. Het is best mogelijk dat zij een vrouw minder bedreigend vonden. Er zat glas tussen ons, waardoor er vanzelf afstand was. Ik zorgde er ook altijd voor om netjes gekleed te zijn. Van in het begin speelde ik open kaart. Ik stelde me voor als onderzoeker die over hun geloof wou schrijven en voegde eraan toe dat ikzelf ook gelovig ben.”

Zouden ze u even vriendelijk ontvangen hebben als u zichzelf als atheïst had voorgesteld?

“Ook dat weet ik niet. Ik denk dat ik vooral hun vertrouwen won door hen ernstig te nemen. Vught ligt vlak naast een concentratiekampmuseum en is een zeer naargeestige plek. In 1942 bouwde de Duitse bezetter op deze plek Kamp Vught, een doorgangskamp voor Joden op weg naar de vernietigingskampen. Elke ochtend fietste ik van het station van ’s Hertogenbosch naar Vught, langs de prikkeldraad en de oude kampbarakken. Ik reed voorbij de executieplaats waar de Duitsers verzetslui ophingen. Daarna fietste ik door een grote ijzeren poort de gevangenis binnen. Ik vertelde de gevangenen over die dagelijkse fietstocht en dat ik moeder ben en kinderen heb. Velen hebben ook kleine kinderen; hun vrouwen wonen met hun kroost vaak nog in Syrië of Turkije.”

U gaf veel van uzelf prijs tijdens die interviews?

“Ik hanteerde een bijzondere interviewtechniek: de life story-approach. Dat wil zeggen dat de interviewer heel eerlijk over zijn leven vertelt, waarna het aan de geïnterviewde is. Ik begon altijd bij het begin. ‘Wie is je vader?’, vroeg ik dan. ‘Hoe kwam hij in Nederland?’ De meeste jongens hebben Marokkaanse roots en zijn ook bijna allemaal in Nederland geboren. Een jongen vertelde me dat zijn vader in de mijnen in Limburg had gewerkt en dat hij dat pas onlangs had ontdekt. Op zo’n momenten voelde ik die jongens loskomen uit hun gevangenisstress. Vragen zoals: ‘Hoe was je als kind? Waar voetbalde je?’, braken het ijs. Intussen peilde ik naar hun spirituele ontwikkeling en de rol van de moskee daarin. Want net dat wilde ik weten.”

Zit er een gezamenlijk patroon in hun individuele verhalen?

“In de terrorismewetenschap is dat een belangrijke vraag, want als er een patroon is, levert dat misschien inzicht in toekomstig terrorisme op. Alleen legt mijn onderzoek geen biografisch patroon bloot. Het enige patroon is dat het mannen zijn tussen 18 en 25. Hun Marokkaanse afkomst heeft vooral te maken met hun islamitische opvoeding. Er zitten geen bekeerlingen tussen; die treffen we vooral bij de vrouwen aan. Sommigen zijn vrij orthodox opgevoed, andere weer helemaal niet. Een aantal volgde een hogere opleiding en een paar waren dakloos. Er kunnen dus geen conclusies getrokken worden als: het zijn allemaal losers, of: ze hebben geen goede opleiding, of: ze waren werkloos. Meer dan de helft had wel een klein strafblad voor vergrijpen zoals overlast en diefstal. Collega’s voerden daar al eerder onderzoek naar. Hun conclusie luidt dat dat niet typisch is voor terrorismeverdachten, maar wel voor de etnische groep Marokkaanse jongemannen in Nederland.”

Uw gesprekken leverden dus niet meteen iets op dat voorspellend kan zijn voor later terrorisme?

“Nee, maar dat was ook niet de bedoeling. In tegenstelling tot veel andere wetenschappers zocht ik niet naar sociaaleconomische patronen of psychotrauma’s. Al hadden veel gesprekspartners wel degelijk een trauma dat meestal een gevolg was van hun verblijf in IS-gebied in Syrië of Irak.

“In de media is er vooral aandacht voor twee standpunten over terrorisme en religie. Aan de ene kant zijn er de mensen die stellen dat terrorisme niets met de islam te maken heeft. Want dat is een godsdienst van vrede, moslims willen geen terrorisme en de jihadistische terreur is in de eerste plaats een uiting van persoonlijke frustraties en uitsluitingsmechanismen. Aan de andere kant zijn er degenen die vinden dat religie inherent gewelddadig is. De jihadterreur volgt dan bijna automatisch uit de heilige geschriften. Beide stellingen zijn onwetenschappelijk en niet correct. Maar dat wil niet zeggen dat we zomaar voorbij kunnen aan het feit dat de daders zélf beroep doen op hun geloof. Waarom worden ze niet ernstig genomen wanneer ze zeggen dat ze door een roeping gedreven worden? Dat ze naar het Kalifaat wilden om daar mee te vechten in ‘de laatste strijd’?”

Dus is het tóch de islam?

“Toch niet, want dit is niet wat de meeste moslims willen. Het gaat hier om een zeer kleine groep. Maar natuurlijk speelt geloof een rol. Voor veel wetenschappers is dat moeilijk te onderzoeken, omdat dat niet experimenteel na te bootsen is. Je kan wel onderzoeken hoe gelovigen zich gedragen, maar het wordt lastig van zodra het gaat over wat er in iemand zijn hoofd speelt. Er wordt dan al snel besloten: ‘Het is psychisch; die man is schizofreen.’ Als wetenschapper stammend uit de Verlichtingstraditie vind ik: zolang niet vastgesteld is dat iemand de hele tijd in een psychose leefde, moet je hem ernstig nemen wanneer hij over zijn motieven voor bepaalde handelingen vertelt.

“Tijdens mijn gesprekken met de veroordeelde terroristen ervoer ik dat ze worstelden met een besef van schuld en boete. Ik ben zelf heel strikt protestants opgevoed en herkende dat gevoel meteen. Eerst dacht ik: ‘Pas op, dit is jouw calvinistische vooroordeel.’ Om dat uit te sluiten, ging ik erover praten met verschillende Arabisten van mijn universiteit. Ik wou weten hoe het met schuld en boete in de islam zit, want ik spreek zelf geen Arabisch.”

Veel gedetineerde terroristen ook niet. Uit uw gesprekken met hen blijkt dat velen nauwelijks de Koran gelezen hebben.

“Bent u indertijd katholiek opgevoed? Dan weet u wellicht ook dat gelovige katholieken in de kerk een kaarsje branden en een kruis slaan zonder ooit de Bijbel gelezen te hebben. Mijn beeld van geloof is niet dat een moslim de Koran uit zijn blote hoofd moet kennen, of een katholiek de catechismus. Mijn beeld van geloof is dat je praktijken volgt en rituelen uitvoert die bij jouw religie horen, de ‘praxis’. Naar de kerk of de moskee gaan, is net zo gelovig als de Bijbel of de Koran lezen. Via de Arabisten kwam ik te weten dat termen als zuivering, boetedoening, overgave en schuld ook in de islam voorkomen.

“Mijn gesprekspartners hadden soms een strafblad, waren geen goede zonen, voelden zich slechte gelovigen, worstelden met een groot spiritueel tekort. Maar materieel kwamen ze meestal niets te kort. Ze bezaten flatscreens, bankstellen en koffiezetapparaten, en toch voelden ze zich een loser. Tot ze die filmpjes binnen kregen van kinderen die in Syrië door Assad werden afgeslacht. Amerika, Rusland en Europa lieten begaan. Op internet circuleerden oproepen daar iets aan te doen: om geld te schenken en kledij in te zamelen. Sommigen engageerden zich bij islamitische vrijwilligersorganisaties. De in 1989 in Amsterdam geboren en getogen Amin vertelde dat zijn huis vol lag met kleren. Continu was hij in de weer met het vervoeren van ladingen kleren naar de moskee. Maar de oorlog en het geweld tegen Syrische mannen, vrouwen en kinderen stopte niet en na een tijd vonden ze liefdadigheid niet genoeg. Toen kwam er een aanbod om radicaal te breken met het leven in Nederland én om hun eigen leven in de weegschaal te leggen voor het hogere doel. Die opeenvolging van tekort, roeping, overgave en strijd keerde terug in alle verhalen.”

Ze verlangden naar ‘radicale verlossing’, naar iets wat hun eigenbelang en zelfs de horizon van hun eigen leven overstijgt?

“Ja. Het begrip ‘verlossing’ is gebaseerd op onderzoek van de psycholoog Dan McAdams. In zijn boek The redemptive self schrijft hij dat hem opviel hoe nogal wat cliënten uit zijn praktijk hun levensverhaal opbouwden rond negatieve, levensbedreigende situaties zoals kanker, verslaving of verlies van een geliefde. Na de rampspoed krabbelden ze op om hun leven een positieve draai te geven. Sindsdien wilden ze iets van hun leven maken én iets voor anderen betekenen. McAdams noemt hen ‘generatieve’ persoonlijkheden: mensen die na een enorme tegenslag iets positiefs willen bijdragen aan de samenleving en daarover getuigen. ‘Verlossing’ is voor McAdams dan het psychologisch ervaren van bevrijding van leed in samenhang met engagement voor een betere wereld. Ik pas dat toe op terroristen en noem dat ‘radicale verlossing’: zij omarmen McAdams begrip van ‘verlossing’ op radicale, gewelddadige of geweldsverheerlijkende wijze. Zichzelf in een zelfmoordaanslag opblazen, kan dan het summum van radicale verlossing zijn. Als dat niet lukt, kan verlossing uitmonden in bederf en teleurstelling.”

Om hun fouten uit het verleden te herstellen en van hun schuldgevoel af te raken, sloten de jonge mannen waar u mee sprak aan bij Al Qaida of IS?

“Op een bepaald moment besloten ze dat het roer in hun leven radicaal om moest. In de islamitische jongerencultuur is elkaar punten toekennen heel gewoon. Veel jonge moslims wereldwijd zijn verwoed bezig met hasanat, of het verzamelen van punten om in het paradijs te komen. Het is vergelijkbaar met het oude katholieke aflatensysteem: je hemel verdienen door het verrichten van goede daden.”

Komt dat vooral uit salafistische hoek?

“Nee hoor, de islamitische jongerencultuur is daar algemeen van doordrongen. Op populaire fora zoals Maroc.nl gaat het voortdurend over hasanat, over punten verdienen door je moeder te helpen, actief te zijn in de moskee of flink je best te doen op school. Dat willen scoren, kan ook radicaliseren. Zo vertelde de uit Den Haag afkomstige in 1985 geboren Fadil me hoe hij punten en zo het paradijs wou verdienen door in Syrië kleine moslimkinderen uit de klauwen van Assad te redden. Al mijn gesprekspartners voelden de behoefte om iets goed te doen, punten te verdienen, zichzelf te zuiveren en voor eens en voorgoed van dat strafblad af te raken. Door naar het Kalifaat te verhuizen om moslims te gaan bevrijden, verdienden ze in één klap voldoende hasanat. Ze losten zo niet alleen hun eigen schuld in, maar ook die van familieleden.  

“De in 1995 geboren Ahmed uit Delft was verslaafd aan cannabis en raakte zo op het criminele pad. Hij had bij zijn drugsdealers een schuld uitstaan van 4000 euro. Zij zaten hem op de hielen. Op het internet zag hij wervende filmpjes van IS. Die speelden helemaal in op die jongerencultuur van hasanat en het verrichten van goede daden. In de periode 2011 tot 2015 kregen IS-rekruten maandelijks een flinke vergoeding handje contantje. Via Duisburg reisden ze probleemloos naar Turkije, om vandaar de grens over te steken naar IS-gebied. Voor Ahmed en vele anderen leek dat een perfecte uitweg. Ze hadden een slecht betaald baantje in een supermarkt, moesten hun dealer nog een pak geld en hun ouders zeurden hen de oren van het hoofd. Ze voelden zich een zondige loser. Dan reisden ze liever naar de woestijn, waar ze door IS goed betaald werden en als heilige strijder hun hemel konden verdienen.”

Naast de wervende, glimmende IS-reclamefilmpjes waren er toch ook de gruwelvideo’s met bloederige onthoofdingen?

“Veel jongens die ik sprak, vertrokken vóór 2014 naar het Kalifaat. Ze reisden niet lang na de Arabische Lente af, toen zowel de Nederlandse als de Belgische overheid nog zeiden: ‘Het is afschuwelijk wat Assad zijn burgers in Syrië aandoet.’ Al Qaida-in-Irak, de voorloper van IS, was toen natuurlijk al in het gebied actief. Maar de onthoofdingsfilmpjes van IS circuleerden nog niet. De meeste jongens sloten zich aan bij Jabhat al-Nusra, een Al Qaida-filiaal. Later zweerden ook zij trouw aan IS. Een paar van mijn gesprekspartners maakten na 2014 de overstap en zagen die gruwelvideo’s wel. De meesten zeggen nu dat IS te ver ging met die filmpjes. ‘We wilden tegen Assad strijden en de Syriërs bevrijden.’ Ze veroordelen de onthoofdingen niet, maar distantiëren zich ervan. Ahmed verdedigt ze. Hij was strijder bij IS en vindt de afschuwelijke levende verbranding van de 26-jarige Jordaanse piloot Mu’ath al-Kasaesbeh in 2015 terecht.”

Ik sprak de voorbije jaren ook een paar teruggekeerde Belgische Syriëstrijders. Wat mij opviel: ze vertelden allemaal dat ze nooit hadden deelgenomen aan gevechten of executies. Allemaal waren ze ziekenbroeder of kok, of ze hadden gewoon pech gehad. Dat merk ik ook in de gesprekken die u voerde.

“Ik schrijf ook dat ik niet al hun verhalen kan verifiëren. Ik focus me op de rol van hun geloof, maar kan me niet uitspreken over wat ze daar wel of niet uitspookten. Ik denk niet dat ik vergoelijk. Een aantal van mijn gesprekspartners kwam uit eigen beweging terug omdat ze teleurgesteld raakten in het systeem. Het waren geen diehard-veteranen. De mensen die ik in Nederland sprak, zijn degenen die het in het Kalifaat niet hebben gered. Ze zijn zelf terug de grens over gevlucht en leverden zo zichzelf uit.

“Je keert niet zomaar terug, tenzij je teleurgesteld bent in wat daar plaatsvindt. De Syriëstrijders die u en ik in België en Nederland spraken, zijn de mannen die voor de tweede keer loser worden, want ze hebben het in het Kalifaat niet gehaald. Dat zijn dus degenen waarbij dat heilige ideaal van verlossing omslaat in het tegendeel: in bederf. Hun relaas is er een van nieuwe teleurstelling en frustratie. Ze bleken niet de heilige strijd te voeren. IS leverde niet wat ze hadden gehoopt en het lukte niet om in Syrië of Irak een mooi leven uit te bouwen. Ze proberen nu hun gevangenisstraf zo beperkt mogelijk te houden en ik merkte ook wel dat ze niet altijd het achterste van hun tong lieten zien. Sommigen wilden niet zeggen of ze aan de frontlijn hadden gevochten. Een paar wel, zoals Ahmed, de jongen die het uitstekend vond dat de Jordaanse piloot levend verbrand werd. Dat vond ik een heel heftig moment. Hij is een hartelijke jongen waarmee ik fijne gesprekken voerde. Ineens zei hij: ‘Die verbranding was een terechte straf.’ Mijn maag draaide om.”

Ik correspondeerde een tijdje via sociale media met een Belgische jongen van 18 nadat hij in juni 2014 naar Syrië vertrokken was. Anderhalf jaar later blies hij zichzelf op in een zelfmoordaanslag. Dat waren zeer bizarre chatsessies: die jongen leek totaal gehersenspoeld.

“Karim, een broer van een Syriëganger, vertelde mij hoe hij zijn oudere broer Hassan gehersenspoeld zag worden. Hassan was niet eens erg religieus en had nauwelijks kennis van de islam. Hij was vroeger commando geweest in het Nederlandse leger. ‘Het verlangen te laten zien wie hij was en wat hij kon, om zich tegenover zijn broer, vrouw en familie als een echte man en moslim te presenteren, dreef hem in de armen van de internetronselaars van IS’, zei Karim. Hassan vertrok naar het Kalifaat en stierf daar op 1 januari 2015 bij de slag om Fallujah. Karim had tot de laatste dag contact met zijn broer. ‘Het leek alsof hij steeds minder in de eindoverwinning geloofde’, zei hij. ‘Maar omdat hij alle schepen achter zich verbrand had, vond hij dat hij niet meer terug kon.’ Aan het einde huilde Hassan aan de telefoon. ‘Kom alsjeblieft terug’, smeekte Karim. Maar Hassan weigerde. ‘Ik heb te veel misdaan en vlieg bij terugkomst meteen in de gevangenis. Ik moét sterven voor Allah.’ Volgens Karim was Hassans martelaarschap eerst en vooral een wanhoopsdaad. Het was geen daad van radicale verlossing, maar van radicale wanhoop.

“Er is geen happy ending: niet voor de slachtoffers van IS en terrorisme, maar ook niet voor al deze jongens in de gevangenissen. Hun Nederlandse identiteit is intussen afgenomen en van zodra ze vrijkomen, worden ze uitgeleverd aan Marokko. De meesten zijn daar niet geboren. Er is voor hen geen weg terug meer.”

Maakt die ‘uitzichtloze toekomst’ hen op termijn opnieuw gevaarlijk?

“Alle onderzoek wereldwijd concludeert dat recidivisme onder terrorisme-veroordeelden erg laag is. Het percentage schommelt tussen 3 en 5 procent. Misschien komt dat net omdat tijdens een langere gevangenschap het relaas van verlossing omslaat in een relaas van bederf en wanhoop. Ze zijn dan niet langer een gevaar voor de samenleving, maar voor zichzelf.”

U sprak ook met een paar voor terreur veroordeelde rechts-extremisten. Trof u bij hen dezelfde nood aan radicale verlossing aan als bij de veroordeelde jihadisten?

“Ik vond het interessant om uit te zoeken of dat geloof in heilige verlossing enkel bij religie voorkomt of ook bij een seculiere ideologie. Ik stelde vast dat religie en ideologie niet zwart-wit van elkaar verschillen. Radicale politieke ideologieën roepen mensen ook op tot overgave aan bepaalde rituelen. Er is ook geloof in een utopische heilstaat én het idee dat je door middel van geweld jezelf kan zuiveren. Dat vond je in de jaren 1970 en 80 al terug bij de Duitse links-revolutionaire terroristische Rote Armee Fraktion (RAF). Maar ook vandaag bij rechts-extremisten; ook zij willen zich van hun loser-leven verlossen. Ze dromen van een zuivere natiestaat en zien zichzelf als een engel der wrake.

“De 21-jarige Robert Aaron Long voelde zich bezoedeld door zijn verslaving aan seks en porno. Hij wou eens en voorgoed afrekenen met de demonen uit zijn verleden. De Aziatische vrouwen in de massagesalons van Atlanta zag hij als verleidsters. Hij schafte zich een geweer aan en begon op 16 maart van dit jaar aan zijn raid, waarbij hij acht mensen doodde. Vermoedelijk speelden ook racisme en white supremacy een rol. Dat is eenzelfde patroon als bij de jihadisten die ik sprak. Idem voor Anders Breivik. Het patroon voor radicale verlossing wordt sterker als er een validatie aan vasthangt door een heilig geschrift of organisatie.”

De door u opgetekende verhalen van rechts-extremisten Martijn en Peter, allebei veroordeeld voor een mislukte aanslag in 2016 op een moskee in Enschede, vond ik nogal zielig.

“Ze waren zeker een beetje zielig, maar ze pleegden natuurlijk wel een aanslag. Martijn zag zich geroepen om voor zijn volkswijk ‘het goede’ te doen door een molotovcocktail tegen de gevel van de moskee te gooien. Hij wou de vrouwen en meisjes redden van de ‘tsunami aan hitsige migranten’. Martijn en Peter werden in januari 2016 getriggerd door het nieuws van vluchtelingen die in Keulen vrouwen lastig vielen. ‘2500 aanrandingen’, vertelden ze me. Met hun actie wilden ze iets ondernemen voor hun gemeenschap. Ook zij ‘offerden zich op’. Bij hun arrestatie drong snel door: ‘Help, wat hebben wij gedaan!’”

Ze waren allebei lid van de extreemrechtse club Demonstranten Tegen Gemeenten en deelden in chatgroepen racistische en antisemitische memes. Het waren maar grapjes, zeiden ze tegen u. Mij deed dat heel sterk denken aan onze extreemrechtse jongerenclub Schild & Vrienden. Eindbaas Dries Van Langenhove noemt die memes ook ‘grapjes’. Dat zijn het niet?

“Nee. Op internetfora en in chatgroepen zwepen jongeren elkaar op om te scoren, of het nu om die antisemitische memes gaat of over de hasanat. Dat is de TikTok-mentaliteit: elkaar uitdagen en met je filmpjes en memes likes verzamelen. Stephan Balliet probeerde op 9 oktober 2019 in een synagoge in het Duitse Halle binnen te dringen om daar een bloedbad aan te richten. Hij kreeg de deur niet open en ging dan maar schieten in een kebabzaak. Balans: 2 doden. Hij livestreamde zijn actie met een camera op zijn helm en met rapmuziek op de achtergrond om likes te verzamelen. Hij zei: ‘Ik wil hoger scoren dan Brenton Tarrant, maar ik ben een loser want het lukt me niet.’ Die memes zijn dus niet zo onschuldig. Ze horen bij dit soort van opzwepende, radicaliserende mediapraktijken.”

Het lijkt alsof het jihadisme vandaag bij ons aan het wegebben is?

“De aantrekkingskracht van het Kalifaat is ondermijnd. Het territorium is opgerold en psychologisch kreeg IS een grote klap. Een van mijn gesprekspartners zei dat hij eerst geloofde dat IS de Premier League aanvoerde. ‘Zij waren de overwinnaars. Maar net als Al Qaida bleken ze gewoon losers te zijn.’

“Dat wil niet zeggen dat jongeren niet langer radicaliseren. Er worden nog regelmatig in België en Nederland jonge mensen opgepakt met plannen voor een aanslag. Het aanbod is verminderd: er zijn minder aantrekkelijke plekken waar ze met hun radicale energie naartoe kunnen. Onderschat niet hoe goed IS was in het bespelen van de gemoederen van jonge moslims. Zo verspreidden ze in Engeland een poster met daarop de slogan: ‘Sometimes people with the worst pasts create the best futures.’ Het hebben van een crimineel verleden prezen ze aan als voordeel bij het deelnemen aan de heilige strijd. Er hoorde een filmpje bij waarin een jongen met een bivakmuts een paar keer in de lucht schiet om zijn woorden kracht bij te zetten. Tegen al die jongens met een strafblad zei hij: ‘Diep vanbinnen weet je wat je aan het doen bent, en dat je niet verandert. Je draait rond in kringetjes, je weet wel, ik ben eigenlijk een moslim in mijn hart, ik ben een moslim in mijn hart, het ware geloof is in mijn hart. Maar waar ben je wanneer we je nodig hebben om hoofden af te hakken, waar ben je wanneer ze onze kinderen en onze vaders afslachten, of onze vrouwen verkrachten?’ IS-rekruten hoefden niet eens hun crimineel verleden af te zweren. In het Kalifaat mochten ze een crimineel zijn voor Allah. Dat wervende aanbod is voorlopig verdwenen.”

De eerste die erin slaagt om in het gat te springen dat IS achterliet, heeft prijs?

“Die trekt onmiddellijk weer mensen aan. Want de radicaliseringsdrive in de harten van jongeren hier is nog steeds springlevend.”

Bio

  • Geboren op 19 april 1976 in het Nederlandse Putten
  • Studeerde geschiedenis en Duits aan de universiteiten van Utrecht en Bonn
  • Is medeoprichter van het Centre for Terrorism and Counterterrorism van de Universiteit van Leiden
  • Professor geschiedenis van de nationale betrekkingen aan de Universiteit van Utrecht
  • doet onderzoek naar de geschiedenis van veiligheid en (contra)terrorisme vanaf de 19e eeuw tot nu
  • Werd in 2018 voor haar werk onderscheiden met de Stevinpremie, de hoogste onderscheiding in de Nederlandse wetenschap

Beatrice de Graaf, Radicale verlossing – Wat terroristen geloven, Prometheus, 383 blzn., 29,99 euro

(c) Jan Stevens

Andere tijden

Er waren verzachtende omstandigheden. Mijn moeder heeft haar vader nooit echt gekend. In 1942 maakte hij op een blauwe maandag in januari een einde aan zijn leven. Hij was amper 34 en liet een weduwe van 35 met vijf kleine kinderen achter. Ik kende mijn grootmoeder als een keiharde tante. Over haar man heb ik haar nooit iets horen zeggen. Ook zijn kinderen zwegen over hem. Ik wist alleen dat hij gokschulden had en vermoedelijk daarom uit het leven stapte. Nee, mijn moeder beleefde geen gelukkige jeugd. Tenminste, dat denk ik, want veel heeft zij daarover nooit verteld.

Mijn moeder worstelde met de druk van haar gezin, haar man en drie kinderen. Tenminste, ook dat denk ik, want een écht gesprek is daar nooit over gevoerd. Maar als kind zag en ervoer ik de fall-out van die worsteling met haar dagelijkse bestaan.

Zo was er die vrijdag, begin jaren zeventig. Ik was een jaar of tien. Het moet een vakantiedag geweest zijn, want iedereen was thuis. Onze ouders maakten ruzie, zoals in die tijd bijna dagelijks gebeurde. Moeder slingerde verwijten naar het hoofd van vader. Hij incasseerde. Die vrijdagmorgen slikte ze voor onze ogen een heel doosje Temesta, een slaap- en kalmeringsmiddel. Niet veel later wankelde ze door het huis. Het beeld van hoe ze de trap opkroop, richting slaapkamer, is voor altijd op mijn netvlies gebrand. “Dood is dood”, murmelde ze.

In het ziekenhuis werd haar maag leeggepompt en vandaar verdween ze voor een paar maanden in een psychiatrisch ziekenhuis. Ik werd ondergebracht bij het gezin van een van haar zussen. Daar at ik voor het eerst in mijn leven spaghetti en ontdekte ik dat er ook ouders waren die hun kinderen niet sloegen.

“De woorden ‘vader’ en ‘moeder’ blijven voor slachtoffers van kindermishandeling altijd een emotionele bijklank hebben”, zegt kinderpsychiater Peter Adriaenssens. “Want dat zijn de woorden waarvan je voelt: ‘Die heb ik niet gehad.’”

Ik interviewde Peter Adriaenssens samen met Hilde Van Mieghem op een maandagavond in februari 2020. Aanleiding was Van Mieghems tv-reeks over kindermishandeling Als je eens wist. Het weekend daarvoor had ik alle afleveringen gebingewatcht en ik lag in duizend scherven. Aan het begin van het interview zei ik dat ook ik ervaringsdeskundige ben. Alles wat Adriaenssens die avond vertelde, klonk gruwelijk herkenbaar.

Het zweepje

“Onze Jan is geschikt voor het hof van de koning. Een flemer in het gezicht, maar pas op als hij uit uw zicht is.” Zo waarschuwde mijn moeder de klastitularis van het eerste middelbaar voor zijn nieuwe leerling. In de jaren ervoor corrigeerde ze al mijn ‘misstappen’ kordaat en consequent met een stevig pak slaag. Vaak was een vallend bord of glas al voldoende, of een cijfer in het rood op een schoolrapport. Een groot rekenwonder was ik niet en als onhandige kluns glipte er veel uit mijn handen. Ze barstte dan uit in een colère, nam haar klomp of schoen, ging schrijlings over me zitten en sloeg. Haar harde slagen afweren, was het enige wat ik kon doen. Ze sloeg tot haar woede enigszins bekoelde. Er volgden extra straffen: “Zonder eten uw bed in.” Of: “Geen tv voor u. Een hele week om zeven uur in uw nest.”

Uit schrik voor wat me thuis te wachten stond, vervalste ik een handtekening op een rapport. Het zag er vreselijk knullig uit en ik liep snel tegen de lamp. Die avond ging ze in overdrive.

Vader liet begaan. Als hij van de fabriek terugkwam, kreeg hij een uitvoerig relaas van wat ik die dag had uitgespookt. Soms eiste ze van hem dat hij haar werk overdeed. Hij sloeg dan pro forma: minder hard en minder raak.

Soms was ik ziek en dan veranderde ze in Florence Nightingale. Ze vertroetelde me en op die momenten leek ze de liefste moeder van de hele wereld.

In het tweede jaar van de humaniora hield het slaan abrupt op, nadat ik met een gehavende neus op school verscheen. “Van de trap gevallen”, was mijn excuus.

Ach, misschien was ik wel een vreselijke kleine etter of een onhandelbaar joch. Ik was een jaar of zes toen moeder bij de huisdokter haar beklag over mij deed. De weldoorvoede man zat in zijn keurig kostuum aan de keukentafel, de stethoscoop bungelend over zijn buik. “Misschien moet je eens een zweepje proberen”, adviseerde hij haar. “Leg wat knopen in een touw.” Een tijdlang lag het zweepje op doktersvoorschrift op de hoge keukenkast. Daarnaast stond de bokaal met levertraan voor de dagelijkse eetlepel. Naast haar woede, handen, schoenen en klompen, vreesde ik die twee dingen het meest.

It never happened

“Toen onze Jan pas geboren was, leek hij net een aap.” Ik heb drie zonen, inmiddels twee prille dertigers en één late twintiger. Toen zij pas geboren waren, waren ze de mooiste baby’s op aarde. Door zelf kinderen te krijgen, begreep ik nóg minder van al dat ouderlijk geweld. De relatie met mijn ouders kwam nooit meer echt goed. Moeders zestigste verjaardag eindigde in een knallende ruzie over ‘de tijd van toen’. In haar herinnering leek alles gewist.

Een paar jaar lang kwam ik er niet meer over de vloer. Een paar jaar lang knaagde het schuldgevoel. Ik herstelde het contact, maar niet veel later ging ik compleet onderuit. Eind 2004 belandde ik in een depressie van hier tot in Tokio. Mijn huisgenoten, antidepressiva en een psychiater hielpen me uit de put.

“Ga met je ouders praten over wat er gebeurd is”, zei de psychiater. “Het kan inzicht brengen.” Zij luisterden en leken uit de lucht te vallen. Alsof het geheugen van mijn moeder selectief gewist was. Misschien had ze heel af en toe wel eens een pedagogisch tikje uitgedeeld, maar zeker niets meer. Mijn vader waste zijn handen in onschuld. Nooit had hij er iets van gemerkt. Nooit. It never happened. Maar ondanks al mijn ‘valse’ aanklachten, werden ze toch niet boos.

Een tijdlang geloofde ik dat ik met het ouderlijk geweld uit mijn jeugd ‘afgerekend’ had. Maar op de meest onverwachte momenten halen de demonen me in. Als ik naar Hilde Van Mieghems eerste reeks Als je eens wist kijk. Als ik twee progressieve partijvoorzitters op Terzake hoor bakkeleien over kindermishandeling. Als iemand me een horrorverhaal vertelt over een kind in lockdown bij een gewelddadige (stief)ouder. Dan krimpt mijn maag samen en sluipt er een overweldigende droefheid bij me naar binnen.

“Na zoveel jaren in problematieken zoals kindermishandeling ondergedompeld te zijn, kan ik geen geweld in films meer zien”, bekent Peter Adriaenssens. Het klinkt bizar genoeg als een troost. “Ik word ziek van verzonnen geweld”, zegt hij. “Films bulken daarvan. Mijn dochter en haar man zijn allebei acteurs. Zij weten dat. Mijn schoonzoon zegt dan: ‘Peter, ik ben aan het repeteren voor een stuk waarnaar jij beter niet komt kijken.’”

We lachen de spanning weg.

Toen tijdens die eerste lockdown alle scholen dicht waren en we verplicht werden opgehokt, dacht ik vaak: hoe moet dit nu zijn voor kinderen met gestresseerde gewelddadige ouders? Die gedachte ontredderde me. “Nee, die maakte je kwaad”, corrigeert Peter Adriaenssens. “Kwaadheid is de moeilijkste emotie voor wie zelf mishandeld is. ‘Ze waren weer kwaad.’ Jij hebt nooit een goede manier geleerd om kwaad te zijn, want dat bracht je in gevaar. In deze tijden van lockdown krijgen Vertrouwenscentra Kindermishandeling tot 20 % meer meldingen dan normaal.” Ik huiver. “Maar niet al die meldingen ontsporen tot zware gevallen van mishandeling”, relativeert hij. “Nederlandse onderzoekers wijzen erop dat vandaag heel veel volwassenen onder zware stress gebukt gaan. Ze moeten thuiswerken en tezelfdertijd op hun kinderen letten die online aan het studeren zijn. Ouders die in gewone omstandigheden nooit over de rode lijn gaan, doen dat nu wel. Van zodra alles terug begint te normaliseren, zijn zij wellicht de eersten om te beseffen dat ze te ver gingen.”

Een beschuldigende vinger helpt hen niet veel verder? Peter Adriaenssens: “Nee, naar hen moeten we de hand uitsteken. Niet om ze naar een Vertrouwenscentrum Kindermishandeling te sturen, maar om hen er op te wijzen dat ze er zeker iets aan moeten doen. Het is belangrijk dat we daders de kans geven om te erkennen dat ze over de schreef gegaan zijn. Want het maakt een enorm verschil als vader of moeder een paar weken later tegen de kinderen durft te zeggen: ‘Ik had niet zo uit mijn krammen moeten schieten, ook al had ik het toen niet gemakkelijk.’ Vroeger geraakten de daders er altijd mee weg. Nu proberen we de slachtoffers erkenning te geven. Maar het blijft moeilijk om daders tot het inzicht te brengen zich te laten helpen. Ze hebben schrik om in een procedure terecht te komen, gestraft te worden en zo hun reputatie om zeep te zien gaan.”

Levenslang

Ik ben 57 en de laatste jaren groeit het onbehaaglijke gevoel dat ik ‘levenslang’ gekregen heb. Toen ik dat vorig jaar op die maandagavond tijdens dat interview tegen Peter Adriaenssens en Hilde Van Mieghem zei, reageerde mede-ervaringsdeskundige Hilde fel. “Ik verzet mij met hand en tand tegen dat vonnis van levenslang”, zei ze. “Dan kan ik er net zo goed zelf een einde aan maken.” Ik begrijp dat zij zich daartegen verzet en ik probeer dat ook, maar het lukt niet echt. Ook niet bij haar vermoed ik, want ze voegde er meteen aan toe: “Wel levenslang is die diepe eenzaamheid. Die gaat nooit helemaal weg.”

Die levenslange strijd met dat verleden, is volgens Peter Adriaenssens typisch voor ‘verstandige kinderen’. Het klinkt als een schrale troost. “Je verstand laat geen simpele oplossingen toe”, zegt hij. “Dat maakt een groot verschil. Je hebt geen boodschap aan sussende berichten als: ‘Denk aan de toekomst’ of: ‘Wees positief.’ Tijdens de adolescentie leren de emotionele zone en de wijsheidszone in je hersenen evenwichtig samenwerken. Als het emotiecentrum in de jaren daarvoor heel zwaar getriggerd geweest is, blijft het altijd moeite kosten om dat terug tot rust te brengen. Het intelligente centrum in je brein kún je niet tot een machtsovername dwingen, hoe graag je dat ook zou willen. Sommigen beweren dat ze nooit meer denken aan wat hen als kind overkwam. Zij hebben recht op die oplossing, al weet ik niet of ze beter af zijn door die deur naar het verleden radicaal te sluiten. Want zo gooien ze ook andere deuren dicht. Van hun kinderen hoor je dan vaak: ‘Over papa’s jeugd mogen we nooit praten. Ik weet niets van mijn vader.’”

Een beetje verstand hebben, kan dus pijn doen. “Maar dan volgt er vaak ook post traumatic growth (PTG)”, zegt Adrianssens. “Vrienden zullen dan sneller in jou een luisterend oor herkennen. Onbewust voelen ze aan dat jij iets ernstigs hebt meegemaakt, en ze vertellen hun traumatische verhaal aan jou. PTG wil zeggen dat jij in het zijspoor van die pech positieve talenten ontwikkeld hebt. Je kan luisteren en begrip opbrengen voor de nood en problemen van anderen. Door die talenten verder te ontwikkelen, help je jezelf ook verder.”

Soms twijfel ik aan mezelf en is het alsof de waanzin om de hoek loert. Blaas ik mijn herinneringen op? Maak ik van een welverdiende oorveeg een obese olifant? Gaat mijn fantasie met mijn verstand aan de haal? Is er eigenlijk ooit wel iets gebeurd?

IJdele hoop

Mijn vader stierf in januari 2009. Ik voelde geen rouw of verdriet. Behalve schuldgevoel omdat ik niets voelde, voelde ik niets. “Dat komt nog wel”, dacht ik. Maar tot hiertoe kwam het niet.

Moeder leeft nog. Heel lang bezocht ik haar plichtsbewust om de paar weken. Een jaar geleden brak ik na een incident totaal met haar. Nu knaagt opnieuw dat schuldgevoel. Niet omdat ik met haar brak, maar uit een soort van medelijden, want ze is oud en ziek. Misschien knaagt het ook omdat ik blijf hopen dat ze ooit zal toegeven: “Wat er vroeger gebeurd is, was niet oké.” Al is dat wellicht ijdele hoop.

“Het verschil is immens als de dader de uitgestoken hand van het slachtoffer aanvaardt”, zegt Peter Adriaenssens. “Kinderen bij mij in de praktijk zeiden soms: ‘Ga maar praten met moeder. Je overtuigt haar toch niet.’ In het begin dacht ik: ‘We zullen wel eens zien. Ik heb daar een opleiding voor gevolgd.’ Om vervolgens te ondervinden dat die kinderen tientallen, nee honderden keren vergeefs hadden geprobeerd. En dat het inderdaad niet veel zin had om als therapeut te zeggen: ‘Ik zal wel eens met je moeder gaan praten.’ Op een bepaald moment kun je dan als kind van die ouder tot het weloverwogen besluit komen: ‘Ik heb alles gedaan om haar of hem te bereiken. Ik verbreek nu alle banden.’ Innerlijk heb je dan al veel eerder afscheid genomen.”

Die banden zijn verbroken, maar nu is er de angst voor wat er met mij zal gebeuren als ze sterft.

Erover schrijven is volgens Peter Adriaenssens geen slecht idee. “Want je beschrijft het dan voor de volgende generatie. Het is goed om na te denken over waar het bij jou misging. Je vraagt je af waarom jouw moeder over de schreef ging, kijkt terug naar je verleden, naar wat jij hebt meegemaakt en je pogingen om het te verwerken. Jouw kinderen moeten dan niet meer vanuit het onbekende starten. Het is goed dat ze weten wat jou overkomen is.”

www.echo-lotgenotenwerking.be

© Jan Stevens