sport der koningenEen ‘Great American Novel’ schrijven: niets meer of minder was de ambitie van de nog jonge Amerikaanse schrijfster C.E. Morgan. Met haar tweede roman Sport der Koningen komt ze héél dicht in de buurt.

 

 

Vijf jaar geleden schreef C. E. Morgan naar aanleiding van de heruitgave van Light in August van William Faulkner op nieuwssite The Daily Beast een lange beschouwing over The Great American Novel. Het ideaal van die grote, epische roman die à la Faulkner de Amerikaanse ziel weet te vatten, was voor de (post)moderne literatuurliefhebber a bit of an embarrassment geworden, schreef ze. ‘De Great American Novel wordt gekastijd als een mannelijke uitvinding, als een viering van de literaire diepte en breedte van het mannelijke brein ten koste van zijn vrouwelijke tegenhanger. Bijna iedereen lijkt het erover eens te zijn: de ‘grote Amerikaanse roman’ is rijp voor het pensioen, of is een literaire dinosaurus die we, met trots, als uitgestorven mogen beschouwen.’ Wat Morgan vervolgens in haar artikel te vuur en te zwaard bestreed. ‘De Great American Novel is helemaal niet dood’, besloot ze. ‘Ons land is niet dood. Tragedie is niet dood. Hilariteit is niet dood, net als geboorte, huwelijk, seks, misdaad, haat, waanzin, gebed.’ De daad bij het woord voegend, werkte ze in de jaren erna naarstig aan Sport der Koningen, haar vuistdikke ‘grote Amerikaanse roman’ waarin ze op Faulkneriaanse wijze het epos van de bijna mythische familie Forge schrijft.

Henry Forge groeit in de jaren vijftig van de twintigste eeuw op het platteland van Kentucky op. Zijn vader stamt uit een familie met een bloedlijn die teruggaat tot de Amerikaanse Burgeroorlog. Rijke voorvader Samuel Forge vond Virginia, de staat waar hij woonde, te druk en te dichtbevolkt, hij zadelde zijn paard, stak met zijn favoriete slaaf de bergen over en legde in Kentucky de fundamenten voor de boerderij en de landerijen van de familie Forge. Henry’s vader is minstens even streng als oervader Samuel en tuchtigt zijn zoon met de riem. Maar de wil van de eigenwijze Henry breekt hij niet. Integendeel, wanneer Henry het op de boerderij voor het zeggen krijgt, ruilt hij de tabakskweek in voor het fokken van paarden. Hij moet en zal het ultieme paard fokken en zo zijn vader eens en voorgoed overvleugelen. Hij werkt daarvoor samen met zijn dochter Henrietta. Dat loopt niet van een leien dakje, want Henrietta heeft een aartje naar haar vaartje en is minstens even eigenzinnig. De komst van de zwarte ex-gevangene Allmon Shaughnessy als stalknecht, zet het conflict tussen vader en dochter op scherp.

C.E. Morgan is als schrijfster minstens een even grote doordouwer als haar hoofdfiguur Henry. Haar ambitie om die grote Amerikaanse roman te schrijven, spat van elke bladzijde. Alle ingrediënten zijn ook ruim aanwezig, met veel aandacht voor het brede historische perspectief, met schitterende beelden, fraai gecomponeerde zinnen, uitzinnige vreugde en neerdrukkende tragiek. Slaven, moord, doodslag, geknetter van vuursteengeweren, onversneden racisme, incest… you name it, C.E’s got it. Alleen jammer genoeg soms iets té veel. Want na vierhonderd bladzijden weegt de zoveelste gedetailleerde natuurbeschrijving toch ietwat zwaar. Met een klein beetje dosering was Sport der koningen uitgegroeid tot een waarlijk grote Great American Novel.

 

 

C.E. Morgan

De in Kentucky opgegroeide Amerikaanse schrijfster C. E. Morgan (1947) debuteerde in 2009 met de bejubelde liefdesroman Alle levenden. De National Book Foundation riep haar in datzelfde jaar prompt uit tot een van de vijf meest belovende Amerikaanse auteurs onder de 35. Morgan studeerde literatuur en theologie en schuwt het bijbelse taalgebruik niet.

 

C.E. Morgan, Sport der koningen, De Bezige Bij, 672 blz. 24,99 euro

 

© Jan Stevens

Twee keer per jaar reist Agnes Steenssens naar de Amerikaanse staat Texas. Niet om er van het natuurschoon te genieten, maar om gevangenen op death row te bezoeken. “Van zodra een terdoodveroordeelde daar belandt, wordt hij niet langer als een mens beschouwd.”

In 1992 las Agnes Steenssens (64) in een nieuwsbrief van Amnesty International een wanhopige oproep van een terdoodveroordeelde jonge zwarte man in de Amerikaanse staat Georgia. “Als er ook maar iemand is die mijn menselijkheid ziet, wil die me dan alsjeblieft een kaartje sturen?” Agnes werd diep geraakt en schreef de man een brief. “Ik was niet de enige. Samen met nog andere briefschrijvers richtte ik inside-outside op. Onze vereniging brengt Amerikaanse terdoodveroordeelden en levenslang gestraften in contact met gewone burgers die met hen willen corresponderen. Het duurde niet lang of ik schreef brieven naar verschillende gevangenen verspreid over de hele VS. Dat waren doorsneebrieven zoals pennenvrienden die schrijven. Tot in 1999 alles veranderde.”

Hoezo?

Agnes Steenssens: “Toen leerde ik David L. Goff kennen. Ik correspondeerde eerst met zijn buurman op death row in Texas. Die man overleed aan de gevolgen van een niet verzorgde hartaanval. David wist hoe gehecht zijn buur geraakt was aan onze briefwisseling. Hij schreef me: ‘Ik ken je niet, maar ik weet hoeveel mijn buurman van je hield. Hij is gestorven en niemand zal je dat laten weten.’ En inderdaad, mijn brieven kwamen ongeopend terug. Return to sender. Ik begon toen naar David te schrijven en ik ging regelmatig bij hem op bezoek. In 2001 is hij geëxecuteerd. Te laat is bewezen dat hij onschuldig was. Hij was zelfs niet op de plaats van de moord. In Texas en in veel andere staten moet je zelf je onschuld bewijzen en je onderzoek voeren. David was arm en zwart en had een pro deo advocaat die niks ondernam. Na zijn dood hebben wij ervoor gezorgd dat hij gerehabiliteerd is. Maar we hebben nooit een verontschuldiging van de Texaanse justitie gekregen.”

U was aanwezig bij zijn executie?

Steenssens: “Hij vroeg of ik erbij wou zijn. Hij zei: ‘Ik zat hier 10 jaar met enkel mensen die me haten. Blijf bij me als ik moet sterven.’ Die executie was een vreselijk moment. Gelukkig verliep het bij David zonder technische mankementen. Hij was een heel bijzondere man. In die tijd ging mijn man nog mee naar death row. David zag ons als zijn ouders. Hij had een aparte plek in mijn hart omdat hij onschuldig zat. Nu weet ik dat onschuldig of schuldig geen verschil uitmaakt. De doodstraf is altijd een flagrante schending van de mensenrechten. Zo goed als alle mensen die ik bezoek hebben geen eigen advocaat. Ze leven 23 uur op 24 in volledig isolement. Van zodra ze op death row belanden, worden ze niet langer als mensen beschouwd.”

Dan zitten ze in de wachtkamer van de dood?

Steenssens: “Ja, en dat kan jaren duren. De mensen die ik pas bezocht heb, zitten er tussen de 16 en 25 jaar. Vóór hun executie hebben ze er dus al een quasi levenslange gevangenisstraf opzitten. Een van mijn vrienden is een Mexicaan die illegaal in de VS was op het moment van zijn arrestatie. Daarom heeft hij veel te laat een advocaat gekregen. Hij zit er al 22 jaar en is nu doodziek. Hij heeft prostaatkanker, maar wordt op geen enkele manier verzorgd. Zijn familie heeft hij in al die jaren niet gezien. Ik ben zijn enige contact met de buitenwereld.”

De bezoeken zijn achter glas?

Steenssens: “Altijd. We spreken met elkaar via de telefoon, vier uur lang. We praten over alles. Zij zeggen dat ik hun ogen op de wereld ben. Ze kennen de kleinkinderen en zijn dolgelukkig als ik hen vraag hoe het met hen gaat. Elke brief is voor hen een feest. Veel terdoodveroordeelde mannen zijn diepgelovig geworden. Voor wie zich enkel aan het materiële hecht, is death row de absolute hel.”

De executie is dan een verlossing?

Steenssens: “Velen zeggen: ‘I’m going to a better place.’ Ik bewonder hun moed. Ze zijn in staat om zichzelf te vergeven en vragen ook vergiffenis aan God. De executie is voor hen een spirituele verlossing. Maar hoe je het draait of keert, het is en blijft onmenselijk. Opsluiten met enkel perspectief op de dood is barbaars. Ik ben ook actief in de VZW Within-Without-Walls die pleit voor herstelgerichte straffen. Ons strafrecht moét evolueren naar herstelrecht. Alleen zo kan er uit straf nog iets goeds voortkomen. Bij ons bestaat de doodstraf gelukkig niet, al weerklinkt de roep soms heel erg luid. Herinnert u zich de woedende commentaren toen Michel Martin vrijkwam? Als straf niets meer is dan wraak of revanche, heeft ze geen enkele zin. Tegenover het kwaad staan we soms machteloos, maar we staan nooit machteloos tegenover het goede. Ik praat soms met slachtoffers die een moordaanslag overleefd hebben. Ze zeggen dan: ‘Geen wraak, maar dialoog met de dader heeft me geholpen mijn leven terug op het spoor te krijgen.”

© Jan Stevens

4321Wat als Hillary Clinton de Amerikaanse presidentsverkiezingen gewonnen had? Wat als Donald Trump zonder haarlak valt? Wat als uw kat een koe is? In 4 3 2 1 daagt Paul Auster het toeval uit en verkent hij mogelijke variaties op één mensenleven.

 

Het scheelde geen haar of Archibald Isaac Ferguson, het hoofdpersonage uit Paul Austers nieuwe roman 4 3 2 1, had Archibald Rockefeller geheten. Tenminste, dat leert de familieoverlevering. In 1900 voer Fergusons Russische grootvader Isaac Reznikov via Hamburg naar New York. In afwachting van zijn ondervraging door de immigratiedienst sloeg Reznikov een praatje met een andere Rus. ‘Met jouw naam raak je hier nergens”, zei die. ‘Zeg straks dat je Rockefeller bent.’ Toen Isaac Reznikov een paar uur later eindelijk bij de immigratiebeambte kwam, was hij zijn nieuwe naam alweer vergeten. Op de vraag hoe hij heette, antwoordde hij in het Jiddisch: ‘Ich hob fargesn.’ De beambte noteerde: ‘Ichabod Ferguson’.

De legende over opa Ferguson ging over van vader op zoon, vormt de start van 4 3 2 1 en van de mogelijke levens van Archibald ‘Archie’ Ferguson, het enige kind van Stanley en Rose.

Op 3 maart 1947 ziet Archie twee weken te vroeg het levenslicht in een materniteit in Newark, New Jersey. Niet toevallig een maand nadat Paul Auster op exact dezelfde plek geboren werd. Wat volgt zijn vier variaties van het verdere leven van Ferguson en zijn geliefden. Net alsof vanuit de oer-Archibald nog drie identieke Archibalds in hetzelfde universum een parallel bestaan uitbouwen. Alle vier worden ze verliefd op dezelfde vrouw, met telkens een andere afloop. Alle vier ervaren ze hetzelfde Amerikaanse stuk hedendaagse geschiedenis, telkens vanuit een totaal ander perspectief.

Voor een niet-gewaarschuwd lezer is het verwarring troef wanneer vader Stanley in het ene hoofdstuk gruwelijk aan zijn einde komt, om in het volgende hoofdstuk vervolgens verder vrolijk door het leven te huppelen. Maar het procedé went, werkt en zet een lezer aan tot mijmeren over het eigen levenspad. Om misschien uiteindelijk te besluiten dat dat al bij al nog niet zo rampzalig verliep, net zoals Auster op het einde van zijn roman, wanneer hij de betekenis van de titel 4 3 2 1 uitlegt.

Toeval is Paul Austers handelsmerk. Net als sterfelijkheid, New York, honkbal en identiteit. Met die thema’s vulde hij ettelijke, relatief dunne romans waarmee hij sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw een trouw publiek bereikt. Drie jaar werkte hij aan 4 3 2 1. Met de erg on-Austeriaanse dikte van 944 bladzijden lijkt het alsof dit zijn magnum opus moet worden. In de Angelsaksische wereld wordt het boek niet door iedereen even enthousiast ontvangen. “Paul Auster schreef een roman zo groot als zijn ego”, kopte een Britse recensent. Ietwat overdreven, want 4 3 2 1 is met veel zorg en toewijding geschreven vintage Auster, met deze keer zelfs vier romans voor de prijs van één.

 

Paul Auster

Na zijn studies verhuisde de Amerikaanse auteur Paul Auster (1947) begin jaren zeventig voor een paar jaar naar Frankrijk. Hij verdiende er zijn brood met het vertalen van Franse schrijvers. Terug in het door hem geliefde New York schreef hij een vooral in Europa erg gesmaakt oeuvre bijeen met ingenieus gecomponeerde romans waarin toeval en sterfelijkheid centraal staan, zoals The New York Trilogy (1985-1987), Moon Palace (1989) The Music of Chance (1990) en Leviathan (1992). Auster draagt 4 3 2 1 op aan zijn vrouw, schrijfster Siri Hustvedt.

 

Paul Auster, 4 3 2 1, De Bezige Bij, 944 blz. 34,99 euro

 

© Jan Stevens

Ingrid De Jonghe kon het als jeugdadvocaat niet langer aanzien dat jongeren nergens terecht konden met hun psychische problemen. Dus richtte ze zeven jaar geleden TEJO (Therapeuten voor Jongeren) op. Jongens en meisjes tussen 10 en 20 kunnen in de TEJO-huizen gratis en anoniem terecht voor psychische hulp door professionele therapeuten. “Ons motto luidt: ‘Soepel, simpel en samen.’”

Ingrid De Jonghe (61) legt zich nooit ergens zomaar bij neer. “Ik ben niet iemand die scheefgegroeide situaties accepteert die ikzelf kan verbeteren”, zegt ze. “Tijdens mijn praktijk als advocaat was ik vrijwillig afgevaardigde bij de sociale dienst van de Antwerpse jeugdrechtbank. Ik zag jongeren kampen met ernstige psychische problemen. Ze belandden op wachtlijsten en kregen lang geen hulp. Dat was al dertig jaar zo. We leven in een erg individualistische samenleving waar angst regeert. Relaties in families staan onder druk waardoor de verwarring bij jonge mensen alleen maar toeneemt. Ik sprak met hulpverleners uit de sector en die zeiden allemaal: ‘Het is nu eenmaal zo. Aanvaard het.’ Maar zo zit ik niet ineen.”

Op 13 maart 2010 opende onder impuls van Ingrid in Antwerpen het eerste TEJO-huis zijn deuren. “Zonder subsidies. Meer dan veertig mensen hadden toegezegd dat ze me kosteloos wilden helpen. In TEJO kunnen jongeren van 10 tot 20 terecht voor laagdrempelige psychische hulp. Jongens en meisjes die vervelende ervaringen hadden en dat thuis niet kunnen delen, kunnen anoniem bij ons terecht. Wij steunen en helpen hen waardoor de toestand niet verder escaleert. Ze mogen een afspraak maken, maar dat is geen verplichting. Onze deur staat alle dagen open voor een spontaan gesprek. Ze kunnen zo eerst hun koudwatervrees overwinnen.”

Ze komen altijd bij professionele hulpverleners terecht en moeten daar niet voor betalen?

Ingrid De Jonghe: “Precies. De meeste vrijwilligers zijn geschoolde therapeuten. Zij doen dit met hart en ziel naast hun gewone dagelijkse bezigheden, omdat ze zich zeer goed bewust zijn van de grote nood. We worden ook bijgestaan door toffe onthaalmedewerkers die de afspraken regelen en de telefoons opnemen. Daarnaast krijgen we advies van economisten, juristen, een jeugdpsychiater, verschillende dokters en hebben we een intercultureel bemiddelaar. We werken samen met tolken en geven therapie in andere talen. TEJO heeft nu huizen verspreid over heel Vlaanderen. We vragen slechts drie kleine formaliteiten aan onze jongeren: hun voornaam, geboortedatum en of ze op school zitten of werken. Ze kunnen in totaal tien therapeutische sessies volgen, wekelijks of tweewekelijks. Ons motto luidt: ‘Soepel, simpel en samen.’ We hebben een hekel aan een strak keurslijf en stellen ons altijd flexibel op. Lagereschoolkinderen van 8 of adolescenten van 22 die in een noodsituatie zitten, kunnen ook bij ons terecht. Wij werken preventief: door mijn lange ervaring in de jeugdbescherming en de -hulpverlening weet ik dat problemen sneller opgelost raken als we er op tijd bij zijn.”

Waarom trekt u zich het lot van al die jonge mensen zo aan?

De Jonghe: “Vrijwilligerswerk zit in mijn bloed. Op mijn zeventiende was ik al actief als vrijwilliger en dat is sindsdien nooit gestopt. Eerst bij Buurtwerk Kauwenberg in Antwerpen en later als kersvers advocaat. Als vertrouwenspersoon bij de sociale dienst van de balie zag ik de psychische nood bij jonge mensen. Mijn handen jeukten om iets te ondernemen, maar ik wou eerst zelf sterk in mijn schoenen staan. Daarom studeerde ik nog criminologie, pedagogie en psychologie. Negen jaar geleden vertelde ik een journalist van De Standaard over mijn wilde plannen voor TEJO, hij schreef er een groot artikel over waardoor alles in een stroomversnelling raakte.”

Vinden jonge mensen spontaan de weg naar jullie?

De Jonghe: “Een vijfde van onze cliënten vindt zelf de weg naar TEJO, de anderen komen naar ons via een leerkracht of het CLB. Soms kloppen ouders bij ons aan die geen geld hebben om een psycholoog voor hun kind te betalen.”

Wat vinden collega-psychotherapeuten die niet pro deo werken van jullie gratis hulp?

De Jonghe: “Ik heb tot hiertoe nooit openlijk kritiek gehad. Een bezoek aan de psycholoog of aan de psychotherapeut wordt jammer genoeg nog steeds niet terugbetaald, al werkt de overheid nu wel aan een regeling. Maar ondertussen groeien de problemen en leven zowel volwassenen als jonge mensen onder steeds grotere psychische druk. Als ze dan crashen, kunnen veel mensen gewoon geen therapeut betalen. Jonge mensen die in de clinch liggen met hun ouders zeker niet. Vooral die kwetsbare jongeren wil ik helpen.”

© Jan Stevens

Op zijn 24e werd de Tsjechische econoom Tomáš Sedláček adviseur van president Václav Havel. Vandaag geniet hij met zijn eigenzinnige economische analyses in eigen land de status van een rockster. ‘Met de brexit hoorden we de doodsklokken over Europa al luiden. Na president Donald Trump is voor de Europeanen meer dan ooit het moment gekomen om hun rug te rechten.’

 

Tomáš Sedláček werkt als strateeg en opper-macro-econoom voor de grootste Tsjechische bank ČSOB en doceert aan de Karelsuniversiteit in Praag. Met zijn in 2011 verschenen boek De economie van goed en kwaad gooide hij internationaal hoge ogen. Op een moment waarop de bankencrisis volop woedde, las hij de wolven van Wall Street en de Gordon Gekko’s van deze wereld de levieten: greed was not good, en alle pleitbezorgers van de vrije markteconomie hadden dringend nood aan een stevige injectie ethiek. Sedláček ging daarvoor te rade bij de bijbel en filosofen. ‘Een van onze grote problemen is dat veel economen, politici en strategen de 18e-eeuwse oervader van de economie Adam Smith verkeerd interpreteren’, zegt Tomáš Sedláček. ‘Ze kennen alleen zijn werk The Wealth of Nations, met de beruchte “onzichtbare hand”. Ze zien Smith als pleitbezorger voor egoïsme, want dat zou volstaan om de samenleving in de juiste richting te duwen. Normen en waarden vinden ze overbodig, want de markt zet dankzij die onzichtbare hand toch alles om in algemeen welzijn. In hun interpretatie is er dus met hebzucht niets verkeerd. Alleen hebben ze dat andere grote werk van Smith, The Theory of Moral Sentiments, links laten liggen. In dat boek is niet het “eigenbelang”, maar genegenheid de drijfveer van het menselijk handelen. Dat is heel wat anders dan greed.’

Ik ontmoet Tomáš Sedláček in een hotelbar in Den Haag waar hij later die dag een lezing over ethiek in de economie zal geven. Met zijn wilde rode haar en baard ziet hij er eerder als een deelnemer aan de Schotse Highland-games uit dan als een ietwat saaie topeconoom. Saai is Sedláček allerminst. ‘Weet u wat een van de plagen van onze tijd is?’, vraagt hij uitdagend. ‘Dat mensen te veel foute verwachtingen koesteren. Wacht, ik zal het illustreren met een pen.’ Hij steekt zijn hand in zijn binnenzak, tovert een tandenborstel te voorschijn, kijkt er verbaasd naar en schiet in de lach. ‘Met een tandenborstel lukt het ook. “Hoe kan ik weten of dit een goede tandenborstel is?”, vraag ik nu aan u.’

 

Door hem uit te testen en er uw tanden mee te poetsen.

Tomáš Sedláček: ‘Ok’, antwoord ik dan. ‘Mijn tanden poetst hij goed.’ Het antwoord op mijn vraag was poepsimpel omdat we allebei weten dat een tandenborstel dient om tanden te poetsen. Nu vraag ik u: ‘Functioneert de economie goed of slecht?’ (stilte) Dat weten we niet, want we hebben geen benul waar economie voor dient. Ik zou ook kunnen vragen: ‘Werkt de Europese Unie?’ Ook dat kunnen we niet weten, want we weten niet eens wat de functie van de EU eigenlijk is.

 

Ik kan wel zeggen dat ikzelf goed functioneer in de economie, of dat ikzelf floreer in de EU.

Sedláček: Exact. Zo zal elke burger zijn eigen individuele antwoord hebben op hoe hij functioneert in die EU, terwijl we wel allemaal hetzelfde antwoord zullen geven op de vraag waar onze tandenborstel voor dient. Wie van zijn tandenborstel verwacht dat hij ’s morgens eitjes zal bakken, vertrekt met honger naar het werk en scheldt zich elke ochtend een beroerte. ‘Wat is dat toch met “de elite”, met die slimme eikels die er nog steeds niet in geslaagd zijn om mijn tandenborstel te repareren? Fuck die nitwits: elke keer als ik een ei op die tandenborstel breek, lopen de dooier en het eigeel er gewoon af. Die stomme tandenborstel werkt niet.’ En zo raken steeds meer mensen door hun foute verwachtingen gefrustreerd. Ze zijn vergeten dat de functionaliteit van een object alleen maar beoordeeld kan worden op basis van waar het ding voor dient. De rol van de economie is om ervoor te zorgen dat jijzelf, je vrouw, je kinderen en je vrienden zich niet de hele tijd zorgen hoeven te maken of jullie voldoende eten zullen hebben of een dak boven jullie hoofd. De economie vervult die rol ook voor zeer veel mensen. Maar zorgt de economie voor een ideale work/life-balans? Nope. Geeft de economie zin aan je leven? Nope. Jíj moet voor zin zorgen. Geeft de Europese Unie zin aan je leven? Ik dacht het niet. Zorgt de EU voor de armen en de gepensioneerden? Nope. Jíj moet dat doen. Wij moeten dat allemaal samen invullen, ons belastinggeld herverdelen voor de gepensioneerden en voor onze kinderen zorgen. De economie is daar alleen maar een middel voor. Het is ónze taak om de samenleving in te richten.

 

De grote religieuze en filosofische verhalen zoals u ze in uw boek beschrijft, kunnen ons daarbij helpen?

Sedláček: Ja, want we zijn te hard doorgeslagen in onze postmodernistische twijfel. Zo goed als al onze grote verhalen lijken we te zijn kwijtgeraakt, terwijl we er tijdens onze grote vrijpartij met dat postmodernisme wel heimelijk heimwee naar hadden. De financiële crisis brak die vrijpartij abrupt af, net op het moment dat we ons al die grote verhalen amper nog konden herinneren. We pochten dat we postmodernisten waren, terwijl ons postmodernisme amper kloten aan het lijf had. Ik geloof er niet in dat mensen zonder verhalen kunnen leven. Alleen is er op dit moment zo goed als niemand die nog op een geloofwaardige manier verhalen vertelt. Onze elites laten het op alle vlakken afweten. En met ‘elite’ bedoel ik niet één welbepaalde groep intellectuelen, maar al degenen die in elke sector of beroepsgroep het lichtend voorbeeld zouden moeten zijn. Ook de timmerlui hebben hun elite, net als de smeden, de landbouwers, de journalisten, de economen en de politici.

 

Doordat de elites het laten afweten, hebben de populisten het nu voor het zeggen?

Sedláček: Herinnert u zich Occupy Wall Street van vijf jaar geleden nog? Die linkse beweging beweerde het volk te vertegenwoordigen, maar leidde tot niets. Nu walst er een gigantische contrarevolutionaire beweging over ons heen. De verkiezingsoverwinning van Donald Trump is de ultieme overwinning van de Tea Party, die club waar zowel Amerikaanse als Europese intellectuelen graag de vloer mee aanveegden: ‘Wat een idioten.’ Die ‘idioten’ vieren nu wel hun ‘Tr(i)ump(h)’. Als deze golf de volgende maanden verder over Europa spoelt, kan het wel eens heel gevaarlijk worden. De geschiedenis leert mij: wat in de VS een schram veroorzaakt, vernietigt Europa. Denk maar aan de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. De recente financiële crisis startte ook in de VS en veroorzaakte daar geen burgeroorlog, maar liet er een diepe schram achter. De gevolgen van die crisis zijn voor Europa veel ingrijpender: ze bracht een land als Griekenland tot aan het bankroet en ondermijnt de solidariteit in de Unie. Hebt u de inauguratiespeech van president Trump gehoord? In plaats van de rijken tegenover de armen te zetten, plaatste hij de politici tegenover de niet-politici. Ik vond dat een bijzonder vreemde opdeling.

 

Gaf hij dan niet de politiek terug aan het volk?

Sedláček: Hij is zelf toch ook politicus geworden? Wil dat dan zeggen dat enkel hij de vertegenwoordiger is van het volk? Of wil dat zeggen dat hij het volk zelf is? Met zijn speech begeeft Donald Trump zich op zeer gevaarlijk terrein. Zijn fans waren ongetwijfeld zwaar onder de indruk van de woorden van hun president. Maar als je er even over nadenkt, zei hij eigenlijk dat het Amerikaanse volk geen sikkepit in de pap te brokken had tot vlak voor hij de eed aflegde. Wat nonsens is, want in een democratie vertegenwoordigt élke nieuw verkozen president de wil van het volk. Trump lijkt er niets van begrepen te hebben. Het is niet omdat zijn voorgangers een beleid voerden dat hem niet aanstond, dat ze het volk niet vertegenwoordigden. Nogal wat van die voorgangers boekten trouwens veel indrukwekkender verkiezingsoverwinningen dan mijnheer Trump.

 

President Trump is slecht nieuws voor Europa?

Sedláček: Ja, en het wordt een regelrechte ramp als ook Europese landen voor de bijl zullen gaan voor het trumpisme, waarin politiek hetzelfde is als zakendoen en populisme vermengd wordt met radicaalrechtse retoriek. Dat zal voor de EU het begin van het einde inluiden. Met de brexit hoorden we de doodsklokken al. De uitslag van dat referendum was een mokerslag voor alle weldenkende Europeanen. Nu is meer dan ooit het moment gekomen om onze rug te rechten. Want het zal niet lang meer duren vooraleer de EU het enige blok in de wereld is met een liberale democratie. We kunnen Rusland bezwaarlijk een democratisch toonbeeld noemen en de Verenigde Staten lijken zich ook op te maken om er afscheid van te nemen. Ik hoop dat Europa er nu in zal slagen om voluit te kiezen voor de waarden die aan de oorsprong lagen van het Europese project. ‘Omdat we zo gruwen van het Rusland onder Poetin en de VS onder Trump, houden we vast aan onze democratie.’ Dat hoop ik echt.

 

Volgens eurosceptici zijn de verschillen tussen de Europese lidstaten te groot, waardoor de EU gedoemd is te verdwijnen.

Sedláček: Ik denk niet dat de EU door de verschillen tussen de lidstaten uiteen zal spatten. Reis honderd kilometer zuidwaarts, en je zal mensen ontmoeten die totaal anders tegen de wereld aankijken dan de inwoners van deze stad. Ik durf te wedden dat er tussen de burgers van Den Haag en de inwoners van New York meer verwantschap bestaat dan tussen New Yorkers en boeren uit South-Dakota. Die verschillen hoeven geen probleem te vormen. Uw land België is daar het schoolvoorbeeld van. Vlamingen, Walen en Brusselaars hebben nauwelijks affiniteiten met elkaar en toch slaan jullie elkaar de kop niet in. Verschillen kunnen overbrugd worden en de EU is daar een poging toe. ‘Jarenlang scholden we elkaar verrot, laten we daar nu eindelijk eens mee ophouden. Laten we praten met elkaar en de bureaucratie installeren.’ Jawel, de bureaucratie! Er wordt veel op gesakkerd, vaak terecht, maar toch is het hoog tijd dat we er de positieve kant van inzien. Bureaucratie is een manier om burgers die geen raakpunten met elkaar hebben en niet hetzelfde geloof delen, toch vredevol met elkaar te laten samenleven. Dat is precies het hele Europese project. Als Trump tien jaar geleden aan de macht gekomen was, net voor de financiële crisis, had Europa daar eens smakelijk om gelachen en zich niet al te veel zorgen gemaakt. ‘De Russen zitten in de economische shit en nu worstelen de Amerikanen ook nog eens met een knoert van een identiteitscrisis. Ocharme. Laat ons rustig verder werken aan de Europese integratie en de euro.’ Vandaag worstelen we met de naweeën van die financiële crisis en is de toestand compleet anders. Nu worden wij omsingeld door leiders die roepen: ‘Weg met Europa!’ Dat is heel zorgelijk, maar er is een weg vooruit: die van de tolerantie en de openheid. Onze grenzen sluiten is het domste dat we kunnen doen. Ik word naïef genoemd omdat ik pleit voor openheid en het multiculturalisme omarm. De keuze voor een politicus is vandaag doodsimpel: ofwel ben je een open leider, ofwel een neonationalist en geloof je dat wat in de 19e eeuw ‘werkte’ ook zal werken in 2017. Wat een onzin. Ik ben geen naïeve dromer, het zijn de conservatieven die extreem naïef zijn.

 

In de zomer van 2015 stroomden grote groepen vluchtelingen via de slecht bewaakte buitengrenzen de EU binnen. Was het bewaken en sluiten van die grenzen dan geen daad van zelfbescherming?

Sedláček: Gisteren wandelde ik langs het Nederlandse parlement. Ik zag de ene zwaarbewapende soldaat na de andere. ‘Het lijkt wel oorlog’, dacht ik. ‘En dat voor een handvol idioten die zichzelf opbliezen.’ Zijn we echt bereid om de inrichting van onze maatschappij te laten dicteren door fanatische gekken? In het centrum van uw hoofdstad Brussel staan op dit moment ook zwaarbewapende soldaten op elke straathoek. Ik voorspel u dat lokale politici van het kaliber van Donald Trump daar bij de eerstvolgende verkiezingen hun voordeel mee zullen doen. Politici met Führer-allures warmen zich in de coulissen nu al op om de macht over te nemen.

 

Door militairen in het straatbeeld te laten rondwandelen, delven onze politici hun eigen graf en spreiden ze het bedje van extreemrechtse populisten?

Sedláček: Zo reserveren ze inderdaad alvast hun eigen plek op het kerkhof. Ik leefde altijd in de overtuiging dat er in onze samenleving niet onderhandeld werd met terroristen. In mijn jeugd hadden de terroristen tenminste nog eisen. Meestal belachelijke, maar ze pleegden aanslagen om iets te verkrijgen. De terroristen van vandaag moeten zelfs geen eisen meer stellen, we geven hen hun zin op een dienblaadje: we sluiten de luchthavens, sturen het leger de stad in, controleren de e-mails van de burgers en luisteren telefoongesprekken af. Dat is hetzelfde als autosnelwegen verbieden omdat er mensen op sterven. Wie gelooft dat het mogelijk is om compleet veilig in een complexe samenleving zoals de onze te leven, is dom. Of zetten we bewakingsagenten in elke trein, op elk station, in elk hotel, aan elke bushalte?

 

Moeten we ons dan niet beveiligen tegen de terreur? De aanslagen in Zaventem en Brussel waren bittere werkelijkheid.

Sedláček: Natuurlijk, maar op een realistische wijze. Nu laten we toe dat de terreur ons verandert. Zo maken we de natte droom van elke terrorist waar, want wat wil die? Een geterroriseerde maatschappij vol angst. Het paradoxale is dat onze samenleving nog nooit veiliger geweest is dan vandaag. De kans dat wij het leven zullen laten in een aanslag is zo goed als nul. De kans dat u straks op de terugweg naar huis op de autosnelweg in uw ‘veilige’ auto om het leven komt, is vele malen groter. En toch voeren politici geen campagne om de snelheidslimiet op de autostrades te halveren.

 

Pleit u voor linkse populistische politici als tegenwicht voor figuren als Trump, Geert Wilders of Marine Le Pen?

Sedláček: Nee, want populisme is niets anders dan mensen wijsmaken dat je de problemen in hun plaats zal oplossen. Een echte leider vraagt aan u en aan de rest van de natie om zelf iets te doen. Een echte leider zal ook zeggen: ‘Wees niet bang.’ Onze politici sturen exact de tegengestelde boodschap de wereld in: ‘Sidder en beef en wees zo bang als een wezel.’ Als morgen de terroristen hun bommen ontmantelen en hun zelfmoordgordels aan de wilgen hangen, zullen onze politici hun uiterste best doen om zelf nieuwe vormen van dreiging te verzinnen. Die slogan van Trump, ‘Make America great again!’ is trouwens een interessante Freudiaanse verspreking van de nieuwe president. Want er bestaat geen land dat Amerika heet: Amerika is een continent. Dus als Trump roept: ‘Make America great again!’ heeft hij het over de Verenigde Staten, Canada, Mexico, Cuba, Venezuela en al die andere landen in Latijns-Amerika. (lacht) Het zal Trump veel plezier doen om te horen dat Mexicanen óók Amerikanen zijn. Met zijn verspreking heeft de president helemaal gelijk, want de betrachting moet zijn om het hele continent Amerika groot te maken. Samenwerken is het enige alternatief. Ik hoop dat de episode Trump niet meer zal blijken te zijn dan groeipijnen in de onstuitbare evolutie van een lokale naar een globale samenleving.

 

Misschien zetten we na jaren van globalisering onder impuls van Trump net de omgekeerde weg in naar een lokale economie?

Sedláček: Daar geloof ik niets van. Wij zijn de eerste generatie ooit die langzaam de weg ingezet heeft van lokale dorpen genaamd Tsjechië, België, Nederland, de VS naar een wereldbeschaving. Nu moeten we ook nog op dat globale niveau leren denken. Die evolutie zie je al een tijd weerspiegeld in de geopolitiek: als er iets in Israël gebeurd, heeft dat effect op de rest van de wereld. Je ziet het ook in de economie: een serieus akkefietje op de Japanse markt wordt gevoeld in Brussel. Globalisering is een feit: deal with it. Het enige wat niet geglobaliseerd is, is het politieke beleid. Internet is geglobaliseerd, muziek is geglobaliseerd. Of luistert u enkel naar Belgische rockers? Voedsel is geglobaliseerd: je vindt in deze straat makkelijk tien restaurants met maaltijden van over de hele wereld. Enkel de politiek blijft achter. We moeten nu nadenken over hoe we binnen niet al te afzienbare tijd wereldomvattende referenda over wereldomvattende problemen zullen organiseren. We moeten ook nadenken over hoe we in de toekomst solidariteit willen organiseren. De Belgen betalen sociale bijdragen waar ook andere Belgen mee geholpen worden. We zijn solidair in eigen land. Een kind dat geboren wordt in Europa krijgt gratis gezondheidszorg en onderwijs. Dat is een van die grote Europese waarden die je bijna nergens anders ter wereld vindt. Maar misschien moeten we er eens over nadenken of niet elk kind overal ter wereld recht heeft op gratis onderwijs en gezondheidszorg. Zou het niet kunnen dat we zo heel wat wereldwijde ellende oplossen? Wordt het niet langzaamaan tijd voor een tektonische verandering? We zitten nu middenin de vierde industriële revolutie en nog niet al te veel mensen hebben het door, maar hun smartphone heeft hun leven veel ingrijpender veranderd dan het dreigement van de IS met de sharia.

 

Maar veel mensen die voor Trump of voor de brexit gestemd hebben, voelen zich net slachtoffer van de prachtige geglobaliseerde wereld zoals u die schetst. Ze zijn er werkloos door geworden en hun job is verhuisd naar China. ‘Trump heeft me beloofd dat hij me terug een baan zal bezorgen, dus stem ik voor hem.’

Sedláček: Dat wordt dan een kale reis, want in een vrije markteconomie bestel je geen fabrieken met een vingerknip op de plaats waar jij dat wil. De werkloosheidscijfers in Amerika liggen trouwens niet hoog; qua tewerkstelling oogt de erfenis van Obama zo slecht nog niet. En het zijn ook niet allemaal arme paupers die voor Trump gestemd hebben. Vroeger stemden Amerikanen en Europeanen met economische thema’s in het achterhoofd. Wie een hekel had aan belastingen, koos in Amerika voor de republikeinen en in Europa voor de liberalen. Nu loopt er een diepe kloof tussen mensen die enkel geïnteresseerd zijn in ‘wij eerst’ en mensen die open willen zijn, die de realiteit in de ogen willen zien, die vol goede wil zitten om deze wereld beter te maken en meevoelen met oorlogsvluchtelingen. Wat voor een belachelijke ideologie is dat toch, die ‘ik eerst’-retoriek? Wij zitten hier nu samen koffie te drinken, maar stel dat ik daarnet tegen de ober gezegd had: ‘Ik eerst! Mijn overbuur kan wachten.’ U had toch volkomen terecht uw middelvinger naar me opgestoken?

 

Tomáš Sedláček, De economie van goed en kwaad, Scriptum, 477 blz., 32,50 euro

 

 

© Jan Stevens

Tot september 2015 was Marc Van den Reeck ambassadeur in Griekenland. Vandaag is hij gepensioneerd en zet hij zich voltijds en vrijwillig in voor The Smile of the Child, de grootste Griekse hulporganisatie voor kinderen in nood. “Griekenland zit aan de grond en onze fondsen drogen op. Daarom hopen we op steun en solidariteit van de Belgen.”

 

Marc Van den Reeck (61) werkte als diplomaat in Afrika en Amerika en was Belgisch ambassadeur in Abu Dhabi en in Griekenland. Als jonggepensioneerde is hij onbezoldigd ‘verantwoordelijke internationale samenwerking’ voor de Griekse NGO The Smile of the Child. “Χαμόγελο του παιδιού in het Grieks”, zegt hij. “De NGO is vandaag de grootste van het land en is gespecialiseerd in kinderbescherming en -welzijn. De organisatie heeft 480 mensen in dienst en telt 2800 vrijwilligers. In 2016 hebben we meer dan 100.000 kinderen geholpen. Niet alleen Griekse, ook vluchtelingenkinderen. Op dit moment zitten 60.000 vluchtelingen geblokkeerd in Griekenland en de helft daarvan zijn kinderen.”

 

Waaruit bestaat jullie hulp?

Marc Van den Reeck: “The Smile of the Child coördineert en beheert de telefoonlijnen voor oproepen voor vermiste kinderen. Je zou ons de Child Focus van Griekenland kunnen noemen, maar dat is niet het enige wat we doen. We bemannen ook de noodlijnen voor kinderen die in de problemen zitten en die hulp zoeken, of voor mensen die noodsituaties met kinderen willen signaleren. We hebben callcenters in de steden Athene, Thessaloniki en Patras en die zijn alle dagen van de week, 24 uur op 24, bereikbaar. De kinderen krijgen er geen vrijwilligers aan de lijn, maar professionals, zoals psychologen en sociale werkers. We willen geen risico’s nemen, want die gesprekken gaan vaak over leven en dood. We twijfelen niet aan de goede wil van onze vrijwilligers, maar dat wil nog niet zeggen dat ze ook weten wat ze moeten doen als ze telefoon krijgen van een kind in levensgevaar. We hebben ook voertuigen en materiaal voor zoektochten naar vermiste kinderen. Jaarlijks rukken we gemiddeld honderd keer uit; in 95 procent van de gevallen vinden we de kinderen terug. Daar zetten we wel vrijwilligers voor in. We hebben ziekenwagens standby die kindvriendelijk ingericht zijn voor als we meldingen krijgen van zwaar mishandelde, misbruikte of ernstig verwaarloosde kinderen. En we runnen grote opvanghuizen voor verwaarloosde kinderen.”

 

Daar krijgen jullie geld voor van de Griekse staat?

Van den Reeck: “Nee, de Griekse staat is op sterven na dood. De toestand is meer dan dramatisch: er is geen rooie cent meer voor het welzijn van de Grieken of voor de volksgezondheid. We krijgen nog geld van een aantal bedrijven omdat ze weten dat we een ernstige, transparante organisatie zijn, maar hun budgetten zijn serieus gekortwiekt. Het is niet omdat Griekenland uit het nieuws verdwenen is, dat alles terug rozengeur en maneschijn is. De financiële en economische crisis woedt nog steeds volop en de meeste Grieken zitten op hun tandvlees. De toestand is hopeloos. De economische crisis brengt mensen niet alleen aan de bedelstaf, maar vernietigt ook het sociale weefsel en zorgt voor een diepe maatschappelijke crisis. Gezinnen die welvarend waren en ons vroeger financieel steunden, smeken ons nu zelf schoorvoetend om hulp. En dan zijn er nog de vele vluchtelingenkinderen. Daarom zoeken we noodgedwongen fondsen in het buitenland. We voeren campagne in Canada, de VS, Duitsland, Australië én België en rekenen op steun van de vele Grieken die er leven. Maar we hopen dat ook de niet-Grieken hun hart laten spreken.”

 

Waarom trekt u zich het lot van de Griekse kinderen zo aan?

Van den Reeck: “Mijn vrouw was een Griekse. Op mijn achttiende zag ik eruit als een hippie, met haar tot op mijn schouders. Ik trok met de rugzak door Griekenland en ontmoette er Anneta. Zij was twee jaar ouder en het was liefde op het eerste gezicht. We zijn aan elkaar blijven plakken, zoals ze dat bij ons zeggen. Na onze studies zijn we getrouwd. We hebben twee kinderen en hadden een heel goed huwelijk. In november 2007 is mijn vrouw totaal onverwacht gestorven als gevolg van een allergische reactie op een antibioticum. Het was de eerste dag van onze vakantie in Laos. Door mijn vrouw ben ik voorgoed met Griekenland verbonden. Ik heb het nog altijd zeer moeilijk met haar plotse dood. Dit werk bij The Smile of the Child is mijn persoonlijke pelgrimstocht en geeft mijn leven weer invulling.”

www.hamogelo.gr/en/

© Jan Stevens

 

Verpleger Philip Ver Elst (35) uit Morkhoven is een verwoed wandelaar. Sinds jaar en dag stapt hij elke ochtend te voet naar het werk. Op zijn dagelijkse wandeltocht begon hij zich steeds meer te ergeren aan het rondslingerende zwerfafval. Drie jaar geleden besloot hij er iets aan te doen. “Ik ging de deur uit met een grote plastic zak in de ene hand en een grijptang in de andere.” Vandaag kennen zijn streekgenoten hem als Mr. Proper.

 

Philip Ver Elst begrijpt niet wat zijn medeburgers bezielt om hun vuil op straat en in de natuur te storten. “Het is echt niet te geloven hoeveel blikjes en snoepverpakkingen mensen door het raam van hun auto gooien”, zegt hij. “Zo goed als dagelijks vind ik onderweg oud ijzer en afgedankte elektrotoestellen. Mijn eerste aanhangwagen vol samengeraapt oud ijzer leverde me twintig euro op. Met dat geld kocht ik op tweedehands.be een bolderkar. Op mijn wandelingen neem ik nu die kar en paar grote plastic zakken mee om het zwerfvuil te verzamelen.”

 

U verzamelt niet alleen sigarettenpeuken en bierblikjes?

Philip Ver Elst: “Nee, ik laad regelmatig stofzuigers, wasmachines en droogkasten op de bolderkar. In mijn dooie eentje verzamelde ik tot nu 40 ton zwerfafval. Een paar maanden geleden wandelde ik in de buurt van Leopoldsburg. Ik vond er een plastic zak met obussen uit de Tweede Wereldoorlog. Ze waren er nog niet lang geleden gedumpt. Die dingen stonden op scherp; ik moest de ontmijningsdienst DOVO erbij halen. Zij hebben ze ter plekke vernietigd. Veel mensen gooien ook zakken met hun doordeweeks huisvuil in de beek of naast de weg. Of zakken boordevol gevulde pampers. En die zijn niet altijd van baby’s.”

 

Zakken vol wegwerpluiers voor volwassenen?

Ver Elst: “Precies. Onlangs vond ik in Lommel drie afvalzakken vol bejaardenpampers. Ik vermoed dat ze er gedumpt waren door iemand uit de thuisverpleging. Ik doe altijd elke zak open en ik kan je verzekeren: dit was geen smakelijke vondst. Soms vind ik een adres en dan geef ik dat door aan het zwerfvuilteam van de gemeente. Zij weten wat er verder mee moet gebeuren. Officieel ben ik ‘zwerfvuilpeter’ van Herentals, maar ondertussen ben ik de zwerfvuilpeter van heel Vlaanderen geworden. (lacht) Ik ben een gedreven wandelaar en kom zo tot in alle uithoeken van het land. Alleen Brussel en Wallonië heb ik nog niet verkend. Ik hoor van collega-wandelaars dat er daar flink wat te rapen valt. ‘Den ben je met je karretje voor het donker nog niet thuis’, zeggen ze. (lacht) Dit jaar neem ik voor de zestiende keer deel aan de Dodentocht in Bornem. Ik verzamel dan geen zwerfvuil, maar wandel honderd kilometer voor een goed doel. Ik kan het echt niet laten om mensen te helpen die het moeilijk hebben. Dat zit in mijn bloed.”

 

Welke stad of gemeente in Vlaanderen heeft het grootste zwerfvuilprobleem?

Ver Elst: “Antwerpen. In de buurt van Merksem is het huilen met de pet op. Maar ook in de fruitstreek in Limburg slingert veel troep rond. De boeren klagen daar zelf steen en been over. ‘In het seizoen gooien de plukkers al hun afval in de wijde natuur.’ Ikzelf heb er ooit een frietketel gevonden met de etensresten nog in en in de bossen trof ik koppen en ingewanden van schapen aan: slachtafval van illegale rituele slachtingen. Mijn grappigste vondst tot hiertoe is de verpakking van een seksspeeltje. Het speeltje was er uit, maar er zaten wel nog flesjes met stimulerende middelen in. Onder andere een flesje Blue Boy. Google leerde me dat het een populaire popper is.”

 

Waar dumpt u het door u verzamelde afval? In het containerpark?

Ver Elst: “Nee, ik stapel de zakken aan de kerk of aan een vuilbak van de gemeente op en verwittig de plaatselijke afvaldienst. Op die plaatsen waar ik regelmatig afval ruim, merk ik dat er na verloop van tijd ook minder gestort wordt. Ik vermoed dat sluikstorters daardoor bang worden: ‘Straks worden we nog gepakt.’ Gemeentebesturen kunnen dus best veel investeren in het preventief opruimen van zwerfvuil. Een paar weken geleden wandelde ik door Mechelen en zag ik winkeltasjes vol huisvuil verspreid door de stad liggen. Op een parcours van drie kilometer vulde ik toen 44 grote zakken met afval.”

 

Wat voor reacties krijgt u dan van voorbijgangers?

Ver Elst: “De meesten steken hun duim op, maar sommigen vinden me gek. Gelukkig ben ik prettig gestoord van aard: die opmerkingen raken mijn kouwe kleren niet. (lacht) Ikzelf hou aan het opruimen een goed gevoel over, want zo zorg ik ervoor dat de natuur opnieuw een beetje properder wordt.”

 

© Jan Stevens