Als Joy Anna Thielemans op Instagram een foto van nieuwe schoenen post, klikken haar volgers gretig door naar de webshop. Steeds meer merken ontdekken de kracht van influencers zoals zij. Maar hoe dun is de grens tussen beïnvloeden en manipuleren?

 

Sinds 6 mei 2011 post Kris Herrijgers op zijn foodblog kriskookt.be regelmatig recepten. Hij deelt die trouw met zijn 1.700 volgers op Facebook en 770 volgelingen op Instagram. In zo goed als elk recept verwerkt Kris verwijzingen naar merken. Zo schreef hij op 28 augustus: “De Chocolatière is het nieuwe elektronisch apparaat van het merk FriFri. Dit vernieuwend product, uniek op de markt en toegankelijk voor iedereen, heeft alle accessoires die nodig zijn om pralines, lolly’s en ander chocoladesnoepgoed te maken.” Kris is een van de vele kleine Vlaamse digital influencers die vanuit hun huiskamer op het wereldwijde web actief zijn. In ruil voor gratis producten, een goodiebag, zingen ze op hun blog, hun social media-account of hun vlog de lof van het gulle merk in kwestie. Sommigen onder hen dromen ervan uit te groeien tot een invloedrijke digital influencer met een immense aanhang, in de hoop zo ooit hun job te kunnen inruilen voor het posten van door reclamebureaus gesponsorde berichten, filmpjes en selfies. Hun grote voorbeelden zijn onder anderen Eline De Munck (90.100 volgers op Instagram), Sofie Valkiers (255.000 Instagram-volgers), Tiany Kiriloff (128.000 Instagram-volgers), Matthias Geerts (134.000 Instagram-volgers) en Joy Anna Thielemans (129.000 Instagram-volgers).

“Sommige Vlaamse influencers worden door merken betaald voor hun Instagram- en blogposts; de minder bekenden zijn tevreden met een goodiebag of een uitnodiging voor een event”, zegt Elke Van Huffel, digital content manager bij entertainmentbedrijf Marmalade en zelf ook blogster (suzieqew, 2.300 Instagram-volgers). Al hangt er verandering in de lucht. “Een aantal bloggers met veel volgers durft nu ook geld vragen aan het organiserende pr-bureau voor het bijwonen van een special event zoals de avant-première van een film of de voorstelling van een nieuw product. ‘Als je wil dat ik kom, kost je dat 300 euro.’ Ze volgen zo een trend die internationaal al veel langer bestaat maar nog niet tot Vlaanderen was doorgedrongen.” Veel organisatoren reageren op de vraag voor een kostenvergoeding alsof ze door een wesp gestoken zijn. “Zij vinden dat zeer ‘on-Vlaams’ en zijn van oordeel dat al die bloggers en vloggers al blij mogen zijn dat ze uitgenodigd worden op een tof event met fijne muziek, gratis hapjes, drank en een goodiebag.” Van de brave influencers wordt verwacht dat ze op Snapchat, Instagram, Facebook of Twitter het merk aanprijzen dat de drank en hapjes betaalt. Elke: “Op een uitnodiging voor een event staat meestal onderaan: ‘De hashtag is: #huppeldepup. Nergens staat uitdrukkelijk: ‘Je moét zoveel keer twitteren, instagrammen of snapchatten.’ De meesten doen dat toch vanzelf.”

 

Geloofwaardigheid

Eind augustus kondigde de pas 24 geworden Joy Anna Thielemans aan dat ze later dit jaar stopt met haar rol van Jana Blomaert in Thuis. “Om tijd en ruimte te nemen”, schreef ze op het platform Medium.com. “Reizen, de wereld zien.” Maar ook om meer tijd te kunnen investeren in ‘eigen projecten’, waaronder haar massaal gevolgde social media-accounts. “Lang voor ik in de media actief was, zat ik al op Facebook en Instagram”, zegt ze. “Als jong meisje was ik verzot op fotografie. Daar pluk ik nu de vruchten van, want op Instagram moeten beelden kunnen spreken. Van in het begin post ik eerlijke, levensechte verhalen. Dat spreekt veel mensen aan, waardoor alles snel gegroeid is.”

Vandaag geldt Thielemans als een van de invloedrijkste digital influencers in Vlaanderen. “Elke dag doen 23.000 mensen de moeite om mijn Snapchat Stories te bekijken. Ik vind dat ongelooflijk. Ik krijg ook massaal veel reacties op wat ik post. Ik ben uren zoet met iedereen te beantwoorden. Dat moet ook: contact met de doelgroep is het allerbelangrijkste voor wie op sociale media actief is.”

Weet Joy Anna nog wanneer ze voor het eerst een merk in beeld bracht? “Toen ik stage liep bij een pr-bureau kreeg ik van een beautymerk een lippenstift cadeau. Zomaar, zonder voorwaarden of afspraken. Ik postte over zowat alle merken die ik had. Ik vond het leuk om open over alles te zijn. Dat is nog steeds zo. Social media dienen om elkaar te inspireren. Zeker drie kwart van wat ik online zet, is niet in samenwerking met een merk.” Ze ontkent niet dat merken of bureaus haar soms betalen. “Alleen wil ik niet dat er op voorhand afspraken gemaakt worden over wat ik zal publiceren. Ik zet nooit een bericht online dat door iemand anders geschreven is. Ik wil de regie in eigen handen houden. Op mijn online-kanalen toon ik persoonlijke verhalen en geen op voorhand bedacht plan. Als een merk zegt: ‘Wij bepalen welke hashtag je moet gebruiken’, haak ik af. Ik werk niet op commando. Ik drink al anderhalf jaar geen koffie meer. Als iemand van een koffiemerk mij met een groot budget benadert en vraagt: ‘Kunnen we samen iets ondernemen?’, antwoord ik: ‘Nee’, want dat verhaal klopt niet. Eerlijkheid is van het allergrootste belang: alleen zo kan ik geloofwaardig blijven. Er zijn online al genoeg mensen die een rolletje spelen.”

Steven Van Belleghem, professor marketing aan de Vlerick Business School en schrijver van boeken over digitale marketing, geeft Thielemans gelijk. “Geloofwaardigheid is het fundament van elke succesvolle influencer”, zegt hij. “Alleen zo kan hij invloedrijk worden. Als een grote influencer iets aanbiedt dat niet bij zijn persoonlijkheid past, vinden zijn volgers dat vreemd. Ze zullen dat gegarandeerd doorprikken, waardoor zijn imago afbrokkelt. Als je alleen uit bent op het krijgen van gratis producten, raak je als influencer nooit aan de top. Succesvolle influencers slagen erin om aan verleidingen te weerstaan en zeggen op tijd nee tegen producten en merken die niet bij hen passen. Dat is niet gemakkelijk, zeker niet wanneer ze nog maar aan het begin van hun carrière staan.”

 

PewDiePie

De Zweed Felix Kjellberg (26) stopte in 2011 zijn studie technologiemanagement om zich volledig te concentreren op zijn snel uit de hand lopende carrière als vlogger over computerspellen op Youtube. Vandaag staat hij onder het alter ego PewDiePie geboekstaafd als misschien wel de grootste digital influencer ter wereld. Bijna 48 miljoen mensen zijn geabonneerd op zijn Youtube-kanaal en zijn zelfgemaakte filmpjes over games zijn samen meer dan een miljard keer bekeken. Steven Van Belleghem: “Iemand uit de game-industrie zei me ooit: ‘Als PewDiePie je game links laat liggen, bestaat het niet voor de wereldwijde gamers-community.’” Een vermelding door PewDiePie is voor gamefabrikanten van levensbelang.  “Kjellberg kan het zich permitteren om die fabrikanten een blanco cheque te laten tekenen. Hij garandeert hen bij betaling alleen dat hij over hun spelletjes zal spreken, niet dat dat ook altijd positief zal zijn. Het kan best dat hij twintig lovende filmpjes de wereld instuurt en de 21e keer een game met de grond gelijk maakt.” Computerspelfabrikanten weten nooit of PewDiePie op hun kosten positieve reclame zal maken. “Dat is uitzonderlijk, want bij de meeste digital influencers is die garantie op lof er wel. PewDiePie is zo invloedrijk op Youtube geworden omdat hij zijn ziel niet verkocht heeft.”

Kjellberg draaide met zijn Youtube-kanaal in 2015 een omzet van 12 miljoen dollar. Dat geld werd vroeger geïnvesteerd in publiciteit op tv en in kranten en tijdschriften. “Die verschuiving van reclamegeld van traditionele media naar online is al een tijd bezig”, zegt Van Belleghem. “Het meeste online-reclamegeld komt op de rekeningen van Google en Facebook terecht. Daarna volgen de influencers: de bloggers en vloggers.”

Als een grote Amerikaanse schrijver op bezoek komt om zijn nieuwe boek te promoten, nodigt de uitgeverij literaire journalisten uit voor een interview. Zou het kunnen dat ze binnenkort liever een invloedrijke influencer met een neus voor boeken de primeur geeft en de journalisten links laat liggen? Steven Van Belleghem: “Dat is nu al zo in de modewereld. Vroeger zaten de redacteurs van grote modebladen op de interessante modeshows op de eerste rij. Vandaag zijn hun plaatsen ingenomen door de invloedrijkste modebloggers.”

Voor belangrijke interviews worden journalisten en bloggers concurrenten van elkaar? “Ja. Adverteerders en bedrijven zoeken online naar de ideale mix van bereik en vertrouwen. Traditionele media moeten daar rekening mee houden.”

Bij de ‘traditionele media’ staat er een muur tussen redactie en commercie; bij digital influencers is die scheiding er niet en vormen berichten en reclame één geheel. Dat verontrust Steven Van Belleghem niet. Hij gelooft in de ‘corrigerende wijsheid’ van volgers. “Want als een influencer zich te opportunistisch gedraagt, verliest hij aan invloed.”

 

Content marketing

Zeven jaar geleden begon Hotel Hungaria als een klassiek tv-productiehuis. “Ons eerste programma was Dagelijkse kost”, zegt oprichter en co-managing director Nico Van de Velde. “Ons plan was om alleen tv-programma’s te maken. Maar al snel merkten we een verandering in het medialandschap. Een zuiver tv-productiehuis is in België afhankelijk van slechts drie klanten: de VRT, SBS en Medialaan. Er worden steeds minder tv-producties uitbesteed. Daarom evolueerden we van productiemaatschappij naar house of content. Wij bedenken en maken verhalen en of die nu op tv, online of in print verschijnen, maakt voor ons geen verschil. Zolang ze maar sterk zijn en gepubliceerd worden op het juiste kanaal.”

Zo bouwde Hotel Hungaria de voorbije jaren een stevige online-poot uit, inclusief influencers. “Onze allereerste influencer was Jani Kazaltzis. Samen met hem runden we het inmiddels aan Mediahuis verkochte JaniTV. De Limburgse dames Céline Schraepen (654.000 Instagram-volgers – JS) en Talisa Loup (348.000 Instagram-volgers – JS) hadden elk een grote community. Het fascineerde ons dat ze samen meer dan 1 miljoen volgers hadden. Dus zijn we met hen gaan praten.” Hotel Hungaria lanceerde in samenspraak met hen Totally Two (14.800 Instagram-volgers). “Ze richten zich via Instagram, Snapchat en hun eigen platform op een internationaal publiek van meisjes tussen 15 en 21 jaar. Met Totally Two leren we de finesses van influencing op het internet. De volgende maanden bouwen we verder aan een groep van influencers die we sturen, begeleiden en coachen.”

Van de Velde vergelijkt influencers met de BV’s die groot geworden zijn door de tv. “Zij zijn de personalities die de verhalen online vertellen.” Hij voorspelt dat ze aan belang zullen winnen. “De klassieke kanalen zoals tv en de krant blijven overeind, maar toch is er iets aan het veranderen. Voor jongeren tussen twaalf en 24 is online veel belangrijker dan tv. Wat niet wil zeggen dat ze geen voeling hebben met populaire programma’s. Ze kijken ook naar Thuis, alleen niet meer op tv, maar via hun smartphone, tablet of laptop.”

De influencers van Hotel Hungaria vertellen hun onlineverhalen in opdracht van merken? Nico Van de Velde: “Ja. Als mensen vandaag een nieuw huis willen kopen of inspiratie zoeken om zelf te koken, klappen ze hun laptop open of starten ze hun tablet op. Online kan je met kwalitatief goede content het verschil maken.” Het is dus altijd reclame? “Reclame is zo een lelijk woord. Wij noemen het liever content marketing.”

 

Virtueel reclamebord

De amper 21-jarige Matthias Geerts is een van de meest succesvolle Vlaamse mannelijke digital influencers. “Ik volgde zelf mannenblogs van over de hele wereld”, zegt hij. “Het viel me op dat België voor mannelijke bloggers onontgonnen terrein was. Alleen vrouwen zoals Sofie Valkiers en Tiany Kiriloff blogden met veel succes. Ik ben toen heel voorzichtig gestart op Lookbook.nu, een social medium gespecialiseerd in fashion. Ik deelde elke dag met anderen mijn looks. Steeds meer mensen begonnen me te volgen, waarna ik Mattgstyle.com, mijn blog over mannenmode, opstartte. Ik schreef over mijn outfits en mijn leven en reizen. Toen ik ook actief werd op Instagram ging het razendsnel. Want dat is het social medium van deze tijd.” Zijn studies voor vastgoedmakelaar gaf Matthias intussen op. “Ik had de tijd nodig om te bloggen. Wie van zijn blog en social media wil leven, moet continu online in de weer zijn. Merken contacteren me omdat ik zo’n groot bereik heb en omdat ze vinden dat mijn stijl bij hen past.” Matthias Geerts is een virtueel wandelend reclamebord? Hij aarzelt even. “Eigenlijk wel, maar ik probeer trouw te blijven aan mijn stijl en werk niet voor om het even welk merk.” Hij hoopt binnenkort van zijn bloginkomsten te kunnen leven. “Voorlopig ben ik ook nog deeltijds social media manager voor een ander bedrijf. Sommige maanden brengt bloggen genoeg op, andere niet. De budgetten in België zijn vrij klein. Maar het loopt vrij goed en ik verwacht dat ik tegen dit najaar voldoende inkomsten zal hebben. Ik ga dan in Amsterdam wonen, want de budgetten in Nederland liggen veel hoger dan hier. België loopt minstens vijf jaar achter.”

Hoe groot zijn de Belgische budgetten? Matthias: “De bedragen schommelen tussen 500 en 750 euro voor een post. Daar moeten nog belastingen af. In Nederland wordt voor een identiek artikel vier keer meer betaald. Daarom ook is het voor mij veel interessanter om vanuit Amsterdam voor de Belgische markt te werken. Volgend jaar wil ik verhuizen naar New York. Vrienden die vanuit Amerika bloggen, verdienen tien keer meer.”

Tellen reacties van volgelingen op berichten mee bij het bepalen hoe invloedrijk een influencer is? “Dat is een heikele kwestie. Vrouwen reageren sneller dan mannen; dat merk je bij de vrouwelijke influencers. Zeventig procent van mijn lezers zijn mannen: zij lezen stiekem en ventileren niet snel hun mening. Ik zeg altijd tegen mijn klanten dat ik niet kan voorspellen hoeveel verkoop mijn posts zullen opleveren. Ze weten ook niet hoeveel een pagina reclame in Dag Allemaal aan verkoop genereert.”

Hoe bouwt een onbekende jongen zoals Matthias Geerts in een mum van tijd op Instagram een volgersaantal van 134.000 op? “Ik was de eerste man in België die op het niveau van een Sofie Valkiers over mode schreef.” Het blad TV-Familie beschuldigde Geerts er onlangs van dat hij zichzelf een flinke boost gegeven heeft door volgers en likes te kopen. “Dat is echt onzin”, reageert hij. “Ik heb geen idee wie die verhalen verzint; iedereen in het wereldje is altijd zo vriendelijk. Sofie Valkiers en Yentl Keuppens (62.900 Instagram-volgers – JS) worden door dat roddelblad ook met de vinger gewezen. Ik denk dat ze de drie grootsten eruit gepikt hebben om zo hun eigen lezersaantal op te krikken.”

 

Fake it ‘til you make it

In 2006 was de toen 28-jarige Cain Ransbottyn berucht als ceo van Realroot, op dat moment de grootste provider van webcamsites in België. “Ik zie het direct als een topminister op een van onze grieten aan het rukken is”, zei hij toen stoer in deze krant. Het leverde hem de titel ‘opperpooier van het internet’ op. Vandaag is hij een brave huisvader, digital media expert en senior innovation strategist. Ransbottyn is ook de pionier van digital influencing in Vlaanderen. “Het zou hypocriet zijn als ik nu zou zeggen dat het niet deugt, want het heeft mij wel op de kaart gezet”, zegt hij. “Ik geloof in het concept ‘influencing’, in mensen op het internet ‘beïnvloeden’. In werkelijkheid is het niet beïnvloeden, maar manipuleren, social manipulation. Dat klinkt negatief, maar is dat niet exact wat reclamebureaus doen?”

Als prille influencer was Cain Ransbottyn fan van het principe: ‘Fake it ‘til you make it.’ “Ik heb toen een aantal merken in de luren gelegd door te doen alsof ik iets bereikt had, terwijl dat in werkelijkheid niet zo was.” Met zichtbaar plezier denkt hij terug aan hoe hij een paar jaar geleden met zijn zelfverzonnen gin-tonic-dieet de nationale pers haalde. “Ik had me toen tien dagen lang op een crashdieet van enkel en alleen gin-tonics gezet. Bedoeling was om zo gin-merken te promoten. Op voorhand stapte ik naar ze toe: ‘Ik garandeer jullie persaandacht. Mijn online-berichten zullen de kranten en de televisie halen.’” Ransbottyns gin-tonic-dieet werd door Het Nieuwsblad en de sites van De Standaard en de Nederlandse NOS serieus genomen. “Met die artikels stapte ik naar de merken: ‘Kijk wat ik kan bereiken.’ Door te faken alsof ik iets had, zette ik mezelf als influencer op de kaart.”

Ook in het kopen van volgers was Ransbottyn een pionier. “Hoe meer mensen op het internet naar mij keken, hoe beter ik mezelf aan de merken kon doorverkopen. Dankzij die merken kreeg ik echte views, het ene versterkte het andere en zo raakte ik in een stroomversnelling. Later gooide ik de valse volgers er uit, maar ik had mezelf wel eerst een flinke shot toegediend.”

Valse volgers kopen, is volgens Ransbottyn nu veel te makkelijk en te goedkoop geworden. “Het hele influencers-landschap is daardoor verzuurd. Want vandaag moet je geen grote investering meer doen of slim zijn om influencer te worden. Vijf dollar kost het om je door duizend mensen te laten volgen. Facebook en Instagram hebben de middelen om gekochte volgers op te kuisen, maar halen nooit het onderste uit de kan. Ze waarschuwen en laten verder begaan. Veel jonge influencers met verdacht veel volgers verschuilen zich daarachter: ‘Als ik valse volgers had, had Instagram die er toch al lang uitgegooid?’”

 

Twitterfollowerskopen.com

We nemen de proef op de som. Op 7 september telt de slome Twitter-account @janfmstev 507 volgers. De site twitterfollowerskopen.com belooft 2.500 nieuwe volgers voor slechts 14,99 euro (‘10 euro korting want wij bestaan 5 jaar!’). Google leert ons dat twitterfollowerskopen.com eigendom is van Deronova, een bedrijfje gevestigd op de Amsterdamse Wallen. Een dag en 14,99 euro later telt @jamfmstev 1.270 volgers. Vier dagen later zijn het er 2.900. Volgers uit alle windstreken. Vandaag heeft @jamfmstev 4.100 ‘volgers’.

Elfi De Bruyn (10.000 Instagram-volgers) gaat er prat op een bonafide influencer te zijn. Niets in de zakken, niets in de mouwen. “Te veel Belgische profielen zijn fake” zegt ze. “Ze kopen hun volgers en hun likes. Grote bedrijven zijn niet geïnteresseerd in de kwaliteit van volgers, maar alleen in kwantiteit. Hoe meer volgers, hoe interessanter ze het vinden om deals te sluiten. Bloggers die net zoals ik het spel eerlijk spelen, worden zo benadeeld. Collega’s als Hannes Coudenys van Ugly Belgian Houses en Dries Henau en Yuri Vandenbogaerde van Wasbar hebben op Instagram ongeveer evenveel volgers als ik. Ook zij komen regelmatig in de media en toch blijven we allemaal rond de 9000 volgers cirkelen. Alle accounts van mensen die nog niet zo lang bezig zijn en mijlenver boven ons uit pieken, kan ik niet anders dan met een flinke korrel zout nemen.”

Elfi is al acht jaar als influencer actief en leeft er sinds begin dit jaar voltijds van. “Ik heb dit kunnen bereiken omdat ik trouw gebleven ben aan mezelf. Ik denk dat ik daardoor uitgegroeid ben tot een bron van inspiratie voor jonge meisjes, want vooral zij volgen me. Ik heb op glamatheart.com mijn eigen platform uitgebouwd, mijn accounts op Instagram, Facebook, Snapchat en Instagram Stories helpen mijn bereik uitbreiden.”

Ze vindt dat te veel bloggers en ‘digital influencers’ hoog van de toren blazen. “Sommigen posten een foto op Instagram en vragen daar dan geld voor. Ik doe niet mee aan dat plat-commerciële. Het mag best enig niveau hebben. Merken huren mij in als creatieve kracht. Zo heeft het Zwitserse horlogemerk Swatch mij samen met illustratrice Eva Mouton geëngageerd voor de herlancering van een pop swatch. De opdracht was om vier creatieve foto’s te posten op Instagram. Voor die opdracht mochten we ook een offerte opstellen. De merken betalen me zoals ze een copywriter zouden vergoeden. In tegenstelling tot veel andere influencers lever ik zélf teksten en beeldmateriaal.”

Cain Ransbottyn was een van de eersten die riep: “Print is dead!” Maar ook de gezondheid van het internet begint hem zorgen te baren. “Ik ben zelf een digitale mens die geen enkel probleem heeft met reclamegeld”, zegt hij. “Alleen is het internet nu zo vervuild, dat het bijna onmogelijk geworden is om het kaf van het koren te scheiden. We worden overspoeld met personal advertisements, terwijl we geen idee meer hebben wat geloofwaardig is en wat niet. Het is alsof je in een Turkse stad rondwandelt en de ene zogenaamde Hugo Boss-winkel na de andere tegenkomt. Elke winkelier lacht je vriendelijk toe. ‘Turkish quality, very good quality.’ Vandaag moet je al een digitale expert zijn om nog te kunnen beoordelen welke influencer deugt en welke niet.”

 

© Jan Stevens

Het jezidi-meisje Farida Khalaf was achttien toen haar dorp in de zomer van 2014 bezet werd door IS-jihadisten. Ze werd als slavin meermaals verkocht, mishandeld en verkracht. Ze ontsnapte en spreekt voor het eerst over de gruwel die haar werd aangedaan. “Ik wil geen wraak. Ik ben niet zoals zij.”

 

Halverwege het interview breekt ze. Het is voor het eerst dat Farida Khalaf met wildvreemde journalisten spreekt over wat haar in de zomer van 2014 in haar geboortedorp Kocho in Noord-Irak overkwam. Op 15 augustus werd haar dorp van zeventienhonderd inwoners op de vlakte ten zuiden van het Sinjar-gebergte, ingenomen door terroristen van IS. Ze doodden alle mannen en namen de vrouwen als oorlogsbuit mee naar Raqqa, de hoofdstad van het kalifaat. Daar werd de toen 18-jarige Farida samen met haar oudere nichtje Evin en tientallen andere jezidi-meisjes gedumpt in een zwaarbewaakte hangar, de seksslavinnenmarkt waar IS-strijders van allerlei rang en stand dag en nacht maagden kwamen inkopen. Met het oog op een lucratieve doorverkoop werden Farida en Evin gekocht door een uit Libië afkomstige jihadist. Farida probeerde haar eer te redden door zelfmoord te plegen en sneed haar polsen over, maar werd op tijd gevonden. Een doktersechtpaar met IS-sympathieën lapte haar op en bezorgde haar netjes terug aan haar ‘eigenaar’. Ze werd meermaals mishandeld, geslagen, verkracht en als tweedehandskoopwaar doorverkocht aan een volgende jihadist. Farida en Evin raakten van elkaar gescheiden, maar vonden elkaar in het najaar van 2014 als bij wonder terug in een afgelegen IS-containerkamp in de buurt van de Syrische stad Deir al-Sur. Op 13 december slaagden ze erin te ontsnappen.

Nu leeft Farida op een geheim adres in Duitsland. Samen met de Duitse journaliste Andrea Hoffmann schreef ze het boek Het meisje dat van IS won, dat in april van dit jaar uitkwam. Hoffmann had haar begin 2015 ontmoet in een jezidi-vluchtelingenkamp vlakbij de Noord-Iraakse stad Dohuk. Vandaag, zaterdag 10 september, zien Farida en Andrea elkaar na maanden terug in Amsterdam. Ze lachen, wenen en knuffelen.

Op de rug van Farida’s hand is de naam van haar dorp getatoeëerd. Op de binnenzijde van haar arm staan de namen van haar door IS vermoorde vader en broer. Die tattoo mag niet gefotografeerd worden; ze is bang voor de veiligheid van haar nog levende familieleden. In haar boek zijn alle namen van geliefden, inclusief die van nichtje Evin, vervangen door pseudoniemen. Zelf heeft ze geen angst meer voor de beulen van IS. Farida Khalaf is haar echte naam, en ja, ze wil graag met haar gezicht in de krant.

 

Vlak na het verschijnen van uw boek wou u geen interviews geven, gefotografeerd of gefilmd worden. Nu wel. Vanwaar die drastische ommekeer?

Farida Khalaf: “Tot hiertoe was ik er psychisch niet klaar voor. Ik moest eerst zowel geestelijk als lichamelijk herstellen. Nu dat gelukt is, wil ik mijn stem laten horen. Niet alleen voor mezelf, maar voor alle jezidi’s. Ik wil dat de hele wereld te horen krijgt wat ons aangedaan is en wat ze met mij hebben gedaan.

“De jezidi’s vormen een religieuze minderheid in Irak. De andere gemeenschappen bekijken ons vol argwaan, want ze beschouwen ons als kafirs, ongelovigen. Allemaal lieten ze ons in de steek. We zijn een kleine gemeenschap, staan zwak en worden onderdrukt. Daarom spreek ik nu.”

 

Hoe zag uw leven eruit vóór 15 augustus 2014?

“We leefden onbezorgd. Mijn vader was soldaat in het Iraakse leger en werkte al dertien jaar aan de grens met Syrië. Ik had nog vier broers en we liepen allemaal school. Mijn oudste broer had net zijn middelbaar afgewerkt en stond op het punt om naar de universiteit te gaan. Ik zou aan mijn laatste jaar van het middelbaar beginnen. Daarna wou ook ik naar de universiteit, want ik droomde ervan om lerares wiskunde te worden. Mijn jongere broertjes deden allemaal hun best op school. Het dagelijkse leven in mijn dorp Kocho verliep rustig en harmonieus. Er waren geen spanningen tussen dorpsgenoten of met buren uit andere dorpen. Het leek alsof niemand slechte bedoelingen had.”

 

Niemand zag de overrompeling door IS aankomen?

“We geloofden niet dat ze zo ver zouden oprukken, laat staan dat ze Kocho zouden binnenvallen. We zagen wel op de televisie hoe IS op andere plaatsen in Irak dood en vernieling zaaide en hadden ontzettend veel medelijden met de slachtoffers. We konden die bloeddorst niet begrijpen. Ik dacht: ‘Hoe kan een mens een ander mens zoiets aandoen?’

“Op 3 augustus 2014 vielen ze eerst het gebied rond de berg Sinjar binnen. Daarna omsingelden ze ons dorp. Tot 15 augustus zaten we vast. We konden geen kant op; ontsnappen was onmogelijk. We wachtten op hulp van buitenaf, maar er gebeurde helemaal niets. We hoopten dat het Iraakse leger of de Koerdische Peshmerga-soldaten ons zouden komen bevrijden. Wanhopig hoopten we op hulp van de rest van de wereld. Iedereen liet ons aan ons lot over. Die 15e augustus reden dertien gloednieuwe witte pick-ups vol in het zwart geklede zwaarbewapende IS-strijders ons dorp binnen, hun zwarte vlaggen wapperend in de wind. Ik zag ze van op het dak van ons huis naderen. Alle dorpsbewoners moesten naar de school komen. Die dag hebben ze 450 mannen vermoord, waaronder mijn vader en mijn oudste broer en heel wat familieleden. Diezelfde dag hebben ze ook tachtig vrouwen gedood. Sommigen waren hoogzwanger.”

 

Mensen die vroeger uw buren waren, kozen openlijk de kant van IS?

“Ja. De Arabische dorpen rondom sloten zich aan bij IS. Dorpelingen die vroeger goede kennissen waren, stelden ons in de school voor de keuze: ofwel bekeren tot de islam, ofwel behandeld worden als ongelovigen. Niemand van ons heeft zich toen bekeerd. Daarom ook hebben ze al onze mannen vermoord. Mijn vader had op voorhand gezegd: ‘Als we voor de keuze staan tussen de dood of ons geloof, kiezen we voor ons geloof.’”

 

Hoe belangrijk is uw geloof nu voor u?

“Niets is belangrijker.”

 

Ondanks alles wat u meegemaakt hebt, blijft uw geloof overeind?

“Ik zal mijn geloof nooit afzweren. Ze hebben deze ellende enkel en alleen over ons uitgestort omdat ze een hekel hebben aan de manier waarop wij onze religie beleven. Maar al dat leed dat ze veroorzaakten, bracht ons alleen maar dichter bij ons geloof. Diep in mijn hart geloof ik nog fanatieker dan vroeger.”

 

Die 15e augustus werden uw vader en uw twee oudste broers samen met de andere mannen op vrachtwagens afgevoerd. U wist toen niet wat hun lot zou worden?

“Nee. Door de ramen van het schoollokaal waar ze ons verzameld hadden, zag ik hoe ze de mannen wegvoerden. Ik werd gescheiden van mijn moeder en mijn kleine broers en werd samen met andere meisjes met bussen weggevoerd. Daarna heb ik meer dan drie maanden lang niets meer van mijn familie gehoord. Toen pas kreeg ik een telefoon te pakken. We hadden een simkaart uit de mobiel van een jihadist gepikt en in een kast vonden we een oude gsm. Ik belde eerst naar mijn oudste broer. De lijn was dood. Ik belde mijn tweede broer. Weer niets. Daarna toetste nicht Evin het nummer in van een oom. Ik vroeg hem wat er met ons gezin gebeurd was. ‘Je nest is ingestort’, antwoordde hij. ‘Je papa en broer zijn vermoord. Je andere broer had drie kogels in zijn lichaam en lag levend begraven onder de lijken. De anderen zijn spoorloos.’”

 

U was eerst naar Raqqa gebracht om samen met andere jezidische meisjes als slavin aan IS-strijders verkocht te worden?

“Ja. Mijn familie dacht dat ook ik doodgeschoten was. Ze hebben lang gezocht, maar ze vonden nergens informatie en kregen geen teken van leven. Toen ik onze oom na drie maanden aan de lijn had en zei dat ik Farida was, wou hij me eerst niet geloven. Hij dacht dat ik een bedriegster was, want hij was ervan overtuigd dat Farida dood was.”

 

Hebt u ooit bij een van de IS-leden iets van medemenselijkheid gevoeld?

“Nee.”

 

Farida’s stem stokt. Ze probeert haar tranen te bedwingen. Tevergeefs. Andrea Hoffman veert recht. “Vraag geen details alsjeblieft”, fluistert ze. “Dit is veel te moeilijk voor haar.” Ze omhelst Farida, waarna de stilte af en toe verbroken wordt door een ingehouden snik. Dan zegt Farida: “Ze hebben me ontelbare verschrikkelijke dingen aangedaan. Ze hebben het licht in mijn leven gedoofd. Maar ik wil me daar niet door kapot laten maken. Ik wil dat mensen weten wat me overkomen is.”

 

Zint u op wraak?

“Ik wil geen wraak. Ik wil niet dat de daders gedood worden. Ik wil wél dat ze berecht worden en ik wil dat het leed dat ze de jezidi’s hebben aangedaan, in de openbaarheid komt. Ik ben niet zoals zij. Wij gruwen van bloedvergieten. Wij kennen genade.”

 

Wilt u terug naar uw dorp?

“Heel graag, maar dan moet er eerst vrede zijn en moeten de jezidi’s krijgen waar ze recht op hebben. De Arabieren die met IS meewerkten, vertrouw ik niet meer en ik durf daarom ook niet terug. Tot vandaag begrijp ik niet hoe het mogelijk was dat onze buren van de ene op de andere dag collaboreerden met de terroristen. Ze hebben ons aan IS verkocht. Sommigen aasden op ons huis en op onze bezittingen. Van al die anderen versta ik niet wat hen bezielde.”

 

Misschien kozen ze voor de kant van IS om hun eigen vege lijf te redden?

“Maar we hebben altijd alles met hen gedeeld. We nodigden hen uit op onze bruiloften. Het waren onze buren, onze vrienden. Al vind ik nu niet alle moslims slecht. IS heeft de naam van de islam beschadigd.”

 

U woont in Duitsland en bent herenigd met uw moeder en jongste broers. Wordt u door uw eigen gemeenschap met de nek aangekeken voor wat IS u heeft aangedaan?

“Nee. Net als veel andere meisjes die hetzelfde hebben meegemaakt, ben ik naar Duitsland gebracht om behandeld te worden. Ik was er geestelijk zeer erg aan toe.”

 

Hoe ziet u uw eigen toekomst?

“Ik zou graag ooit terugkeren naar Irak en daar mijn leven uitbouwen. Voor een mens is niets beter dan het land waar hij geboren is. Maar voorlopig is een terugkeer onmogelijk. Ik studeer nu wiskunde. Wie weet lukt het me om lerares te worden. (glimlacht)”

 

Farida Khalaf & Andrea Claudia Hoffmann, Het meisje dat van IS won, HarperCollins Holland, 287 blz. 17,95 euro

 

© Jan Stevens

De mislukte coup in Turkije blijft ook bij ons voor schokgolven zorgen. En er is weinig hoop op beterschap. Kinderen worden zelfs massaal van de aan Gülen gelieerde scholen gehaald. “Dit laat blijvende letsels na in de Vlaams-Turkse gemeenschap.”

 

Net voor de start van het nieuwe schooljaar stelt Karin Heremans, directrice van het Koninklijk Atheneum in Antwerpen, een plotse opstoot vast van inschrijvingen van Turkse leerlingen die vorig jaar nog op het nabijgelegen Lucerna-college zaten. “Maandag en dinsdag hebben we 27 kinderen van Lucerna ingeschreven”, zegt ze. “Ik hoor dat ook andere scholen van het gemeenschapsonderwijs flink wat leerlingen uit Lucerna-colleges over de vloer krijgen. De ouders zeggen dat het hun eigen keuze is om van school te veranderen en dat er geen druk uitgeoefend is. Ze zijn wel bang dat de Lucerna-scholen in de loop van het schooljaar opgedoekt zullen worden en maken daarom nu al de overstap.”

In 2003 opende de eerste vestiging van het Lucerna-college haar deuren in Brussel. Later volgden scholen in het Brusselse, het Antwerpse, Gent, Genk en Houthalen. Het leerlingenaantal groeide spectaculair van twintig tot meer dan duizend. De Lucerna-collega’s behoren tot de internationale Gülen-beweging. Ze zijn opgericht door aanhangers van Fethullah Gülen, de Turkse islamprediker die sinds 1999 in de VS leeft, wereldwijd duizenden aanhangers telt en door de Turkse president Recep Tayyep Erdogan rechtstreeks verantwoordelijk gehouden wordt voor de mislukte staatsgreep van 15 juli. Meteen na de coup kwam in Turkije een massale zuivering op gang. De spanningen waaiden over naar de Turkse gemeenschap in ons land, met demonstraties in Beringen waar Erdogan-aanhangers de ruiten van een aan Gülen gelinkt gebouw ingooiden.

“Als er vroeger iets belangrijks in de Turkse politiek gebeurde, zorgde dat ook voor vuurwerk in de Vlaams-Turkse gemeenschap”, zegt Mete Öztürk, hoofdredacteur van de gülenistisch geïnspireerde krant Zaman Vandaag. “Toen keerde na een paar dagen de rust altijd weer. Nu is het anders. De mislukte couppoging ligt meer dan een maand achter ons, maar de felheid van de reacties neemt niet af. Integendeel. Mensen worden nog steeds aangespoord om alle banden met de aanhangers van Fethullah Gülen te verbreken. Ouders worden opgeroepen om afstand te nemen van hun kinderen. Buren die elkaar dertig jaar lang kennen, zijn nu aartsvijanden. Zogenaamde gülenisten worden als terroristen gecatalogeerd en durven hun oude vertrouwde moskee niet langer te bezoeken. Er worden oproepen gelanceerd om lijsten met Gülen-aanhangers aan moskeedeuren te hangen. Dit zal blijvende letsels nalaten in de Vlaams-Turkse gemeenschap. De breuk loopt dwars door families heen.”

Turkije-expert Dries Lesage is professor internationale politiek aan de UGent en is getrouwd met Meryem Kaçar, advocate en oud-senator voor Groen. Hij wil de spanningen in de Vlaams-Turkse gemeenschap niet minimaliseren, maar roept toch op tot voorzichtigheid. “We weten niet echt wat er aan de hand is”, zegt hij. “Die spanningen moeten eerst in kaart gebracht worden. Over wat voor soort bedreigingen gaat het? Hoeveel mensen worden er door getroffen? Het is allemaal nogal onduidelijk. Neem de zaak rond sp.a-politicus Ahmet Koç. Ik lees verschillende dingen: volgens het ene medium riep hij op tot geweld, volgens het andere wordt hij zelfs verdacht van het beramen van een bomaanslag. Zolang politie of justitie geen concrete informatie geven, wordt er alleen gespeculeerd.”

 

Broedplaats voor terroristen

Vorige week zei Özkan Cetin, algemeen directeur van de Lucerna-colleges in Vlaanderen, op het radionieuws dat er in Vlaanderen een haatcampagne gevoerd wordt tegen Gülen-sympathisanten en hun scholen. Vandaag klinkt hij iets voorzichtiger. “Ik ben schooldirecteur en geen politicus”, verontschuldigt hij zich. “We hoorden dat er via sociale media campagne gevoerd wordt tegen onze scholen. In Houthalen zouden geruchten verspreid worden dat het plaatselijke Lucerna-college zal sluiten, wat onzin is. Daarom gingen we met de burgemeester praten.”

Vorige week ook verstuurde Alain Yzermans, s.pa-burgemeester van Houthalen Helchteren, op vraag van de directeur een brief naar de leerlingen van Lucerna. “Daarin staat dat de school kwaliteitsvol onderwijs biedt”, zegt hij. “De politieke discussie is mijn zaak niet. Ik wil me niet mengen in de achtergronden of de netwerken van Lucerna. Het gaat over de toekomst van de school. Het Lucerna-college levert uitstekend onderwijs en is gehuisvest in een nieuw gebouw. Het is een erkende, niet-confessionele vrije school waar een pak geld in geïnvesteerd is, gedeeltelijk door mecenaat, maar ook door het ministerie van Onderwijs. Het zou jammer zijn dat door omstandigheden in het buitenland plots leerlingen wegblijven waardoor leerkrachten hun job verliezen. Voor onze andere scholen zou ik net hetzelfde doen.”

Staan de Turkse gezinnen in Houthalen Helchteren elkaar nu naar het leven? Yzermans: “In onze gemeente is er geen commotie.”

“Dat de burgemeester de commotie in zijn dorp niet ziet, verwondert me niet”, reageert Mete Öztürk. “Want de hetze wordt gevoerd in het Turks. Op sociale media wordt ermee gedreigd dat ouders die niet ingaan op de oproep om hun kinderen van Lucerna weg te halen, opgepakt zullen worden van zodra ze voet aan wal zetten op Turkse bodem. Een vriend vertelde me dat een Marokkaans gezin een anonieme telefoon kreeg van een zogenaamde leraar van Lucerna. Hij deelde hen mee dat de school zou sluiten en dat ze daarom dringend op zoek moesten naar een alternatief. Tot 30 juni stuurden ouders met sympathie voor de AKP óók hun kinderen naar Lucerna. Na de couppoging kwamen ze plots tot het inzicht dat de scholen broedplaatsen zijn voor terroristen. Dat is toch absurd?”

 

Doodsbedreigingen

Özturk is bang dat de spanningen in de Vlaams-Turkse gemeenschap de komende dagen alleen maar zullen toenemen. “Velen keren terug van vakantie in Turkije. Sommigen hebben meegedaan aan de demonstraties na de coup en zitten vol haat. Turkse Vlamingen met sympathie voor Gülen wachten ongerust af. Handelaars worden geboycot en vrezen dat hun winkels of restaurants failliet zullen gaan.”

Mete Öztürk kreeg naar eigen zeggen verschillende doodsbedreigingen. “Ik ben niet de enige. Eind 2013 zegden veel mensen hun abonnement op de krant op omdat we kritiek hadden op het beleid van Erdogan. Na de couppoging volgden nog tientallen opzeggingen. Niet omdat lezers het met ons oneens zijn, maar uit angst. ‘Als mijn buur Zaman Vandaag in mijn brievenbus ziet liggen, geeft hij me misschien aan.’”

Öztürk overweegt de handdoek in de ring te gooien. “Onze journalisten worden dagelijks bedreigd. Misschien stoppen we. Er is op dit moment een door de Turkse overheid aangestuurde heksenjacht bezig, en ik wil niet dat mijn lezers daar de dupe van worden omdat ze op onze krant geabonneerd zijn.”

Öztürk omschrijft de Gülen-beweging als ‘een sociale beweging’. “Gülenisten willen door onderwijs armoede bestrijden en de sociale cohesie bevorderen. Fethullah Gülens boodschap is: de verandering moet van de mensen zelf komen. Daarom moeten ze opgeleid worden tot burgers die openstaan voor andere meningen. Hij was de eerste islamgeleerde die in Turkije de stap zette om te dialogeren met religieuze minderheden. Het klopt dat tot 2011 de Gülen-beweging openlijk Erdogan en zijn AKP steunde. Tot dan hadden ze allebei oog voor democratie en mensenrechten, maar daarna kwam bij Erdogan de nadruk te liggen op het vergaren van macht. In tegenstelling tot Erdogan is Gülen geen islamist. De corruptieonderzoeken tegen ministers van de AKP van eind 2013 vormen de definitieve breuk tussen de twee. Erdogan beschuldigde ‘de lokale Gülen-pionnen’ ervan justitie en politie te hebben geïnfiltreerd. Sindsdien brandmerkt hij Gülen als de motor van een complot tegen hem.”

 

Vuile handen

Volgens Dries Lesage hangen te veel Vlaamse journalisten, academici en politici een te geflatteerd beeld op van Fethullah Gülen. “Ze beseffen niet dat zowat elke partij in Turkije van om het even welke gezindheid minstens een deel van het Gülen-netwerk als een criminele organisatie tegen de democratie ziet. Zelfs seculiere politici zijn ervan overtuigd dat Gülens organisatie achter de poging tot staatsgreep zit. Die consensus leeft ook bij Vlaamse Turken. Zij vinden zich door de rest van de samenleving misbegrepen. Want in het overheersende discours is geen ruimte voor kritische vragen over Gülen. In Turkije kennen ze hem al veertig jaar als een man met een politieke agenda. Uit tal van speechen en teksten blijkt dat hij voorstander is van een conservatief islamitische samenleving. Hij staat niet op de barricaden om te pleiten voor homorechten, verdedigt wetten die blasfemie bestraffen en is niet vies van creationisme. Vooral in de tijd van het bondgenootschap van Gülen met Erdogan werden duizenden gülenisten benoemd bij justitie, politie en het leger. De meeste Turkije-experten zijn het er over eens dat dit netwerk in de staat werd ingezet voor ondemocratische praktijken. Tussen 2007 en 2011 werden honderden officieren en journalisten met seculiere en Koerdische sympathieën opgepakt en veroordeeld tot zware straffen. De enen wegens vermeende poging tot staatsgreep tegen Erdogan, de anderen wegens banden met de PKK. Het ‘bewijsmateriaal’ werd aangemaakt door gülenistische procureurs. Daar zijn talloze artikels over verschenen in gerespecteerde internationale media. In 2013 keerde Fettulah Gülen zich openlijk tegen Erdogan en duurde het niet lang vooraleer al het bezwarend materiaal tegen hem in het Westen als sneeuw voor de zon verdween. Niet alleen Erdogan, maar ook het Gülen-netwerk en andere politieke krachten hebben vuile handen. Alleen is het bij ons bijna taboe geworden om dat klaar en duidelijk te zeggen.”

 

Gülen Chair

Ooit was Dries Lesage nochtans zelf gecharmeerd door Fethullah Gülen. “Ik liet me inpakken door wat de mensen van de Gülen-beweging vertelden. Ze pleitten voor democratie, wilden Turkije bij de EU en de Koerdische kwestie bespreekbaar maken. Hun krant Zaman leek de spreekbuis van het liberale, progressieve Turkije. De gülenisten zijn bijzonder innemend. In de loop der jaren breidden ze zo hun netwerk uit over het hele Westen. Ik was zelf getuige van contacten tussen Gülen-mensen en Europese officials. De Turkije-lijn van de belangrijke Brusselse denktank European Policy Center (EPC) onder voorzitterschap van Herman Van Rompuy werd gesponsord door de gülenistische werkgeversorganisatie TUSKON (na de couppoging is TUSKON door de Turkse regering opgedoekt – JS). Dat jarenlange gelobby met politici, academici en journalisten komt hen nu uitstekend van pas.”

In 2010 werd aan de universiteit van Leuven met geld van de Gülen-beweging de Fethullah Gülen Chair for Intercultural Studies opgericht, een leerstoel die onderzoek voert naar de interculturele relaties tussen moslimgemeenschappen en het Westen. De Turkse krant Sabah schreef vorige maand dat de KULeuven zich via de Gülen Chair laat ‘manipuleren door de terroristische organisatie van Fethullah Gülen’. “Ik geef liever geen commentaar op het beleid van een andere universiteit”, zegt Lesage. Hoe zit het dan met Centrum voor Turkse Studies (CTS) aan Lesages eigen Universiteit Gent dat gedeeltelijk gefinancierd wordt door de Turkse overheid? Dries Lesage: “Het klopt dat het Yunes Emre Instituut het voorbije academiejaar een lessenreeks over Osmaanse geschiedenis en een aantal lezingen heeft gesponsord. Yunes Emre is het Turkse agentschap voor de verspreiding van Turkse cultuur in de wereld, vergelijkbaar met het Duitse Goethe-Institut. U mag een instelling van de Turkse republiek niet verwarren met de AKP. De republiek is geen eigendom van Recep Tayyip Erdogan. In het CTS en het Yunes Emre Instituut vind je mensen die het totaal oneens zijn met Erdogan. Ik hoop dat dat ook zo blijft.”

 

Intussen in Houthalen Helchteren…

Op 1 september zal Ann De Middelaers 11-jarige zoon Aidan beginnen aan zijn eerste schooldag op het Lucerna-college in Houthalen. Adian heeft een lichte vorm van autismespectrumstoornis. “De voorbije twee jaar ging hij al op woensdag naar de roboticaclub van Lucerna”, zegt Ann. “Hij werd er uitstekend opgevangen en bloeide open. Hij wou er zelf naar het middelbaar. Wij lazen inspectieverslagen en die waren uitstekend.”

Aidan zal vanaf 1 september een van de weinige niet-Turkse jongens en de enige niet-moslim in zijn klas zijn. “Hij volgt zedenleer. Via de roboticaclub had ik regelmatig contact met andere ouders. Zij praatten nooit over Gülen. Ik hoorde die naam voor het eerst een jaar voor de coup op een feestje. Ik maakte kennis met een paar Turkse mensen. Toen ik hen vertelde dat mijn zoon robotica volgde in het Lucerna in Houthalen, reageerden ze als gestoken door een wesp. ‘Weet je wel dat de school behoort tot de beweging van Fethullah Gülen, een terrorist?’ Ik stapte naar de directeur. ‘Wij proberen de politiek buiten de school te houden’, antwoordde hij. Ik heb vervolgens zelf opzoekingswerk verricht en besloten dat het belachelijk is om onze schoolkeuze te laten bepalen door de Turkse politiek. Ik kijk alleen naar de kwaliteit die de school levert. Erdogan of Gülen: je m’en fous.”

 

© Jan Stevens

helden van de grensJe hebt trots geluk, het geluk dat ontstaat door in het licht van de dag goed werk te doen, jaren van waardevolle arbeid, en dan moe en voldaan, omringd door familie en vrienden, volop tevreden te zijn, klaar voor een welverdiende rust – de slaap of de dood, dat maakt niet uit. En je hebt het geluk van je persoonlijke puinzooi.

 

 

In Helden van de grens lukt het Dave Eggers net niet om écht grip op zijn hoofdpersonage te krijgen. Al blijft hij een meesterlijk chroniqueur van zijn tijd en houdt hij de vinger aan de pols.

 

Ooit was Josie een succesvolle tandarts in een stadje in Ohio, ‘gelukkig samenwonend’, met twee wolken van kleine kinderen. Vandaag is ze veertig, vrijgezel, uitgeblust en met haar achtjarige zoon Paul en vijfjarige dochter Ana voor zichzelf en haar verleden op de vlucht in een aftandse camper in Alaska. Josie’s in een roadtrip verpakte midlifecrisis vormt het geraamte van Dave Eggers nieuwe roman Helden van de grens.

Dat vroegere ‘succes’ van Josie is trouwens zeer relatief. Na een klacht van een patiënte moest ze haar tandartspraktijk verkopen en haar op de vingers van een hand te tellen liefdesaffaires baadden in tristesse. Zo bracht haar ‘ex-man-zonder-ruggengraat’ Carl toen ze nog samenleefden vanwege zijn ‘zwakke darmen’ de meeste tijd op de wc door. Haar latere ‘vriendje-met-de-kleine-lul’ Tyler kon het dan weer niet laten om tijdens het liefdesspel zijn vinger eerst in haar kont te stoppen om er later – discreet – aan te ruiken.

In Een hologram voor de koning voerde Dave Eggers in 2012 David Clay op, een andere tragikomische mislukkeling met een knoert van een midlifecrisis. Net als Clay voelt ook Josie zich steeds dieper wegzinken in haar poel vol problemen. David Clay incasseerde de gevolgen van de globalisering op de Amerikaanse economie; Josie worstelt met de fall-out in haar eigen gemeenschap van de oorlog in Afghanistan. Ze voelt zich verantwoordelijk voor de gewelddadige dood van de jonge soldaat Jeremy. Vanuit naïeve onwetendheid had ze hem, tegen de wil van zijn ouders, gesteund om in Afghanistan ‘scholen en ziekenhuizen te gaan bouwen’. Ooit was ze immers zelf vrijwilliger bij het Peace Corps. Maar de War on Terror blijkt in werkelijkheid geen synoniem te zijn van ontwikkelingshulp. Verteerd door schuldgevoel hoopt Josie troost te vinden in wijn en in de woeste natuur van Alaska.

Net als in Een hologram voor de koning schetst de geëngageerde Eggers in Helden van de grens de ontreddering die het hedendaagse Amerika overspoelt. Al lukt het hem deze keer niet helemaal om grip op zijn hoofdpersonage te krijgen. Overdreven veel empathie of compassie zal een lezer niet voelen voor de zwalpende Josie. Maar haar weetgierige zoon Paul en brutale dochter Ana zullen dan weer wél veel lezersharten bekoren.

 

Dave Eggers

De Amerikaanse auteur Dave Eggers (°1970) debuteerde in 2000 met het autobiografische Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit, wat hem meteen een nominatie voor de Pulitzer Prize opleverde. In goed geschreven, sociaal geëngageerde romans als Wat is de Wat en De Circel slaagt Eggers er telkens in om de huidige tijdsgeest te vatten. Een hologram voor de koning is pas verfilmd met Tom Hanks in de hoofdrol.

 

Helden van de grens, Dave Eggers, Lebowski (oorspronkelijke titel: Heroes of the frontier), 368 blz., 24,99 euro

 

© Jan Stevens

zwarte vlaggenDe zwarte vlaggen kwamen uit het oosten, zoals de profetieën van de Hadith hadden voorspeld, en werden gedragen door mannen met baarden en lang haar, en namen die ze hadden meegebracht uit hun geboorteplaatsen.

 

 

 

Met Zwarte vlaggen won de Amerikaanse journalist Joby Warrick dit jaar terecht zijn tweede Pulitzer. Verplichte lectuur voor wie wil weten hoe IS zo snel kon uitgroeien tot een van de bloedigste en meest gevreesde terreurgroepen ooit.

 

‘Bloedstollend en briljant’, jubelt de Nederlandse uitgever in zijn persbericht naar aanleiding van de publicatie van Zwarte vlaggen. Uitgevers kunnen de neiging moeilijk onderdrukken om zowat al hun koopwaar met dit soort van adjectieven aan te prijzen, maar in dit geval is het helemaal waar. Washington Post-journalist Joby Warrick schreef een geniaal boek over de geboorte en razendsnelle opkomst van terreurbeweging Islamitische Staat. Hij sprak uitgebreid met hoofdrolspelers uit de geheime diensten van Amerika en Jordanië. Die overvloed aan kennis en informatie schemert door in zowat alle bladzijden.

De founding father van IS is de Jordaanse gruwelterrorist Abu Musab al-Zarqawi. Hij droomde van een wereldwijd kalifaat vol zwarte vlaggen en elk middel heiligde dat doel, inclusief het opblazen van een trouwfeest. Hij vergoot zoveel bloed dat zelfs de leiding van Al-Qaida er lichtjes misselijk van werd. Zarqawi bedacht ook een nieuw succesvol horrorfilmgenre: dat van de onthoofdingsvideo. In mei 2004 sneed hij voor de camera het hoofd af van de in een oranje overall geklede Amerikaan Nick Berg. Zijn volgeling Jihadi John zou dat genre later verder ‘verfijnen’ en er veel opzien mee baren.

Volgens Joby Warrick kon de ‘sjeik van de slachters’ uitgroeien tot een terroristische wereldster dankzij de desastreuze politiek van de Amerikaanse president George W. Bush. Een half jaar na 9/11 beweerde die via zijn minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell dat de op dat moment totaal onbekende Zarqawi de rechtstreekse link vormde tussen de Iraakse dictator Saddam Hoessein en Al-Qaida. In Zwarte vlaggen vertellen hoge CIA-ambtenaren hoe ze maandenlang door de Bush-regering zwaar onder druk gezet werden om een al dan niet verzonnen smoking gun voor die loze bewering te leveren. ‘Toen de Amerikaanse troepen een paar weken later Irak binnenvielen, verwierf de inmiddels beroemde en goed gefinancierde terrorist zowel een doel als een strijdtoneel en al snel had hij duizenden volgelingen’, schrijft Warrick. IS kon aan zijn opmars beginnen.

Joby Warrick weet hoe hij een spannend verhaal moet vertellen. Hij heeft een gouden pen en bedient zich zonder schroom van technieken uit de romanschrijfkunst, met levendige dialogen en heuse cliffhangers. In het begin zorgt dat voor een beetje achterdocht. Want hoe koosjer is het om een brok hedendaagse non-fictie te overgieten met lekkere saus uit de afdeling fictie? Voor Zwarte vlaggen is dat heel koosjer: het levert een uitstekend, fascinerend boek op.

 

 

Joby Warrick

De Amerikaanse journalist Joby Warrick (°1960) won met Zwarte Vlaggen voor de tweede keer de gerenommeerde Pulitzer Prize. Sinds 1996 schrijft hij voor de krant The Washington Post over het Midden-Oosten, Amerikaans buitenlands beleid, inlichtingenwerk en terreur.

 

Zwarte vlaggen. De opkomst van IS, Joby Warrick, Uitgeverij Q (oorspronkelijke titel: Black Flags. The Rise of ISIS), 400 blz., 19,99 euro

 

© Jan Stevens

In zijn roman Het jaar van de gelukszoekers probeert de Britse auteur Sunjeev Sahota te achterhalen waarom zoveel migranten de oversteek maken naar het beloofde land Engeland. ‘Niemand zegt hen: “Er is geen toekomst voor een jongen zoals jij. Je moet er werken als een hond, voor een aalmoes.”’

 

In 2013 belandde de toen nog prille dertiger Sunjeev Sahota op de lijst van twintig beste jonge Britse schrijvers van het invloedrijke literaire tijdschrift Granta. Twee jaar eerder was zijn debuut Ours are the streets verschenen, over een Brits-Pakistaanse moslimjongen die radicaliseert en zichzelf in een winkelcentrum wil opblazen. In 2015 werd zijn tweede roman Het jaar van de gelukszoekers, genomineerd voor de Man Booker Prize, Engelands belangrijkste literaire onderscheiding. ‘Die plaats op de shortlist was zeer onverwacht en ongelooflijk fantastisch’, zegt hij. ‘In 2013 had ik mijn job bij een verzekeringsfirma opgezegd en ging ik voltijds schrijven, maar dat bleef een wankel bestaan.’ De nominatie voor de Man Booker zorgde voor een solide professionele schrijversbasis. ‘Mijn ouders beschouwden mijn geschrijf lang als een uit de hand gelopen hobby. “Zeg je werk bij de verzekeringen toch niet op, jongen.” Nu zijn ze apetrots. Op de uitreikingsavond van de Man Booker Prize weenden ze van geluk.’

In het intrigerende Het jaar van de gelukszoekers volgt Sunjeev Sahota drie Indische jongemannen die in de Noord-Engelse stad Sheffield met de moed der wanhoop een nieuw leven proberen op te bouwen. Tochi, Avtar en Randeep wonen er samen met een tiental andere illegale immigranten in het krot van een huisjesmelker en werken zich te pletter om hun families in India te onderhouden en hun schuldeisers te vriend te houden.

Sheffield is ook de stad waar de schrijver samen met vrouw en kinderen woont. ‘Ik ken de plekken waar de illegale migranten met valse visa samenhokken’, zegt hij. ‘Sheffield is trouwens geen uitzondering; je vindt die illegale gemeenschapjes van Zuid-Aziatische migranten in alle grote Engelse steden. Mijn blanke medeburgers merken daar niets van. Ze hebben niet door dat de kleurling die hun hamburger en hun frieten bakt, een uitgebuite illegaal is. Ik herken die jongens meteen als ik op straat loop. Veel mensen willen liever niet weten wie voor een habbekrats hun vuile toiletten in de pub of het station kuist. Ze kijken weg van de ellende, maar maken wel veel misbaar over al die migranten die van ‘hun’ sociale zekerheid komen profiteren en ‘hun’ jobs inpikken. De realiteit is enigszins anders.’

 

Het jaar van de gelukszoekers speelt zich af in 2003, maar is met de vluchtelingencrisis meer dan ooit actueel.

Sunjeev Sahota: Dat is echt toeval. (lacht) Migratie is iets van alle tijden. Al wortelen de verhalen van de drie jongemannen in mijn roman in heel persoonlijke ervaringen. Migratie heeft mijn grootouders, ouders en mezelf gevormd. In 1966 maakten mijn grootouders langs vaderszijde zelf de reis van de Punjab in India naar Groot-Brittannië. Mijn vader was op dat moment zeventien. Eerst vestigden ze zich in Derby. Eigenlijk migreerden ze twee keer: eerst van Pakistan naar India, en later van India naar Engeland. Mijn moeder migreerde nog later. Ik ben de eerste generatie van mijn familie die geboren is in Groot-Brittannië. Ikzelf ben dus geen inwijkeling maar een geboren en getogen Brit.

 

Maar misschien voelde u zich wel lange tijd een inwijkeling?

Sahota: Zeker. Ik groeide op in de jaren tachtig en negentig in Noord-Engeland in politiek barre tijden. Het thatcherisme floreerde waardoor de oude industrie er op apegapen lag. De ene fabriek na de andere sloot de deuren. Er heerste een deprimerend klimaat en het racisme vierde er hoogtij. We woonden in het overwegend blanke stadje Chesterfield en op school waren mijn broer en ik de enige twee kinderen met een kleurtje. Ik vond dat helemaal niet leuk. Als tiener wil je niet opvallen en wil je eerst en vooral zijn zoals alle anderen. Ik herken dus wel dat gevoel van veel migranten dat ze nergens echt thuishoren. Van in mijn jeugd reis ik vaak naar India en daar heb ik net hetzelfde gevoel. De Indiërs beschouwen mij als op en top Brits. Dat gevoel van ontworteld te zijn, van nergens echt bij te horen, is er altijd en zit in de boeken die ik schrijf.

 

‘Ontworteling’ is het universele verhaal van alle migrantenkinderen, overal ter wereld?

Sahota: Precies. Ik heb het er tot vandaag nog steeds erg moeilijk mee wanneer mensen me aanstaren omwille van mijn kleur. Veel vaker dan me lief is, gebeurt dat op plaatsen waar voornamelijk blanke mensen wonen. Dat is telkens weer een zeer onaangenaam gevoel. Als kind kreeg ik verschillende keren racistische opmerkingen naar mijn hoofd geslingerd. Dat was verschrikkelijk. Soms waren ze ‘goedbedoeld’, maar op al die momenten wou ik het liefst van al gewoon verdwijnen. Ik wou helemaal niet anders zijn, maar net zo als mijn blanke vrienden.

 

U begon pas romans te lezen toen u al achttien was?

Sahota: Dat verhaal is ondertussen een molensteen rond mijn nek geworden. (lacht) Maar ik kan het ook niet ontkennen: ik kom niet echt uit een nest waar literatuur hoog aangeschreven stond en boeken deel uitmaakten van het dagelijks leven. Op een of andere manier is het me gelukt om het middelbaar af te werken zonder ooit ook maar één roman te hebben gelezen. Het eerste boek dat ik las, was Middernachtskinderen van Salman Rushdie. Die roman over de geschiedenis van India blies me van mijn sokken en ontstak diep in mij het heilige literaire vuur.

 

Wat was er dan zo speciaal aan Middernachtskinderen?

Sahota: Dat vraag ik mezelf ook nog steeds af. (lacht) Misschien raakte ik erdoor betoverd omdat ik het las op het vliegtuig naar India. Ik had het boek gekocht op de luchthaven. Middernachtskinderen is geschreven in 1981, in het jaar dat ik geboren ben; misschien had mijn betovering ook daarmee te maken. Echt veel begreep ik er niet van, want het is een bijzonder complexe roman. Maar ik werd geraakt door de manier waarop Rushdie verhalen vertelde. Ze gaven me een gevoel van geluk en bezorgden me leesplezier.

 

Er is nog een groot verschil tussen lezen en schrijven.

Sahota: Zonder twijfel. Ik werd zelf eerst een bijzonder grote lezer, alsof ik de verloren tijd wou inhalen. Ik stortte me op De God van kleine dingen van Arundhati Roy en later op het prachtige De rest van de dag van Kazuo Ishiguro. Na een tijd betrapte ik mezelf erop dat ik op een heel analytische manier begon te lezen. Aan de universiteit studeerde ik wiskunde. Dat lijkt een bizarre keuze voor een literatuurliefhebber, maar er zijn meer overeenkomsten tussen wiskunde en een vernuftig opgebouwde roman dan je op het eerste gezicht zou denken. Literatuur begint een beetje op wiskunde te lijken van zodra je je inhoudelijke en vormelijke vragen over een boek begint te stellen zoals: hoe zijn de verhalen gestructureerd, hoe zit de plot ineen, welk vakmanschap schuilt erachter? Het waren dat soort van technische vragen die ervoor zorgden dat ik begon te dromen van een eigen roman.

 

Op dat moment werkte u bij een verzekeringsfirma?

Sahota: Vijf jaar heb ik daar gewerkt. Franz Kafka startte zijn carrière ook als klerk bij een verzekeringsfirma; ik bevind me dus in uitstekend gezelschap. (lacht) Van in het begin was schrijven een echte passie. Ik dacht er niet aan dat het misschien ooit ook een broodwinning zou kunnen worden.

 

Uw debuut uit 2011, het nog niet in het Nederlands vertaalde Ours are the streets, is geschreven door de ogen van een zelfmoordterrorist.

Sahota: Mijn hoofdpersonage Imtiaz is een moslimjongen van Pakistaanse origine die geboren is in Groot-Brittannië. Op een bepaald moment raakt hij in de war over zijn plaats in de wereld en belandt hij in een identiteitscrisis.

 

U liet zich daarvoor inspireren door de aanslagen in Londen van 7 juli 2005?

Sahota: Die aanslagen kwamen alleszins heel hard bij me binnen. Ik vermoed dat ze de trigger voor het boek geweest zijn, al zou het nog een jaar duren vooraleer ik de eerste zinnen van Ours are the streets op papier zette. Er speelde ook iets heel persoonlijks: Imtiaz is een jongeman van mijn leeftijd, met dezelfde achtergrond, uit dezelfde streek in het noorden van Engeland. Ook hij groeide op in een gezin waar de waarden uit het Indiaas-Pakistaans subcontinent een belangrijke rol speelden. Onze religieuze achtergrond is totaal verschillend, hij is een moslim en ik ben een sikh, maar we delen wel dezelfde psychologie. Net als die aanslagplegers op de Londense metro weet ik hoe het aanvoelt om tussen twee werelden te leven.

 

Maar waarom wordt het ene migrantenkind schrijver en blaast het andere zichzelf op in de metro?

Sahota: Imtiaz uit Ours is the streets wordt niet gedreven door racisme of door de wereldpolitiek. Veel migrantenkinderen ervaren racisme en zijn boos over wat er in het Midden-Oosten gebeurt, maar slechts een heel kleine minderheid stapt met een rugzak vol explosieven op de trein. Er moet dus iets anders zijn waarom jonge mensen een terroristische aanslag plegen tegen het land waar ze geboren en getogen zijn. In mijn debuutroman wou ik daarnaar op zoek. Hun drive kon toch niets anders zijn dan een bizarre mix tussen liefde en haat? Ik wou heel specifiek schrijven over hoe het is om op te groeien in een land en twee levens te moeten leiden. Als je van je leven bij je thuis geen weerklank vindt in het openbare leven of in de media, is de kans groot dat je jezelf begint te schamen over je eigen identiteit. Je krijgt dan het gevoel dat je je eigenheid moet verstoppen voor de buitenwereld. Mensen met een nationalistische of fundamentalistische agenda proberen de geestelijke leegte die een gevolg is van de vervreemding, in te vullen. Ze maken misbruik van de kwetsbaarheid van migrantenkinderen. Syriëstrijders, jihadisten of potentiële zelfmoorterroristen zien hun daden als manieren om op te komen voor ‘hun broeders en zusters’, de slachtoffers van de oorlogen in Afghanistan of Syrië. De jihad is in hun ogen een legitieme verdedigingsstrijd. Het tragische van al die jonge mannen is dat ze de moeilijkheden van de adolescentie niet kunnen overwinnen. Ze willen dolgraag ergens bij horen, en maken op dat cruciale moment een dramatische foute keuze.

 

Hebt u er een verklaring voor waarom Groot-Brittannië voor veel vluchtelingen het beloofde land is? Dat geldt ook voor de drie Indiase jongens uit Het jaar van de gelukszoekers.

Sahota: In 2003 was Groot-Brittannië nóg minder paradijselijk dan het nu is. Op sommige plaatsen leek het meer op een derde wereldland. Mijn hoofdpersonages Tochi, Avtar en Randeep komen uit de landelijke gebieden van de Punjab. Ze hebben niet gestudeerd en zullen nooit als informaticus, dokter of ingenieur in het Westen een carrière kunnen uitbouwen. Maar ze willen ook niet in de voetsporen van hun vaders treden en landbouwers worden. Ze zijn er heilig van overtuigd dat hun economische geluk in het Westen ligt. Ze horen ook alleen maar succesverhalen van de eerste generaties die in de jaren vijftig en zestig naar het Verenigd Koninkrijk migreerden. Als kind reisde ik vaak samen met mijn ouders terug naar de Punjab. Onze Indische families en vrienden geloofden dat wij er warmpjes in zaten en dat we voorspoedige, gemakkelijke levens leidden. In vergelijking met hen hadden we het ook beter en genoten we beslist meer comfort. Maar de verhalen die de generatie van mijn ouders opdiste, waren veel te rooskleurig. Zij wilden laten zien dat ze het gemaakt hadden. Ze droegen gouden horloges en schepten op over hun huizen en hun auto’s. De achterblijvers droomden ervan om ook ooit hun deel van de globale welvaartskoek in Engeland te komen halen. Niemand van de migranten die hen voorgegaan waren, zei de harde waarheid. Niemand zei: ‘Er is geen toekomst voor een jongen zoals jij. Je moet er werken als een hond, voor een aalmoes.’ Zelfs als iemand toch de waarheid vertelde, werd hij niet geloofd. ‘Je wil al die rijkdom voor jezelf houden.’ Nu is de populariteit van Groot-Brittannië in India tanende. De nieuwe El Dorado’s zijn Nieuw-Zeeland, Canada en Australië. De bottom line is altijd: mensen die verlangen naar een beter leven.

 

Om vervolgens in plaats van in het paradijs in de hel terecht te komen?

Sahota: Ze komen terecht in een compleet andere samenleving, waar ze ook geen deel van uitmaken. Net als mijn hoofdpersonages hokken ze samen in krotwoningen, altijd bang voor de klop op de deur van een politieagent of een ambtenaar. Ze vertrouwen geen mensen die er anders uitzien dan zij. Ze hebben geen contact met blanke Britten en daarom vind je die ook nauwelijks in mijn boek. De lui die ze vertrouwen, zijn Indiërs of Pakistanen die hen op alle mogelijke manieren uitbuiten.

 

Hoe racistisch is de Indische rurale kastensamenleving waaruit uw hoofdpersonages stammen?

Sahota: Ik weet niet of ‘racistisch’ de juiste omschrijving is voor het kastensysteem. Het bepaalt wel heel dwingend tot welke sociale groep je behoort en regelt de maatschappelijke hiërarchie. Je kaste bepaalt ook hoe je gezien wordt door andere mensen. Maar laat er geen twijfel over bestaan: ik vind het een walgelijk systeem. Want wie tot een lagere kaste behoort, is voor de rest van zijn leven veroordeeld tot een marginaal bestaan.

 

Is uw leven grondig veranderd na de nominatie van Het jaar van de gelukszoekers voor de Man Booker Prize?

Sahota: Toch wel. Dankzij de shortlist voor de Man Booker stroomden de uitnodigingen voor de literaire festivals en lezingen toe. Op een van die festivals ontmoette ik voor het eerst Salman Rushdie, de man die aan de basis ligt van mijn schrijverschap. Dat was een wonderlijke ontmoeting. Hij is een fantastische kerel, heel genereus en aardig. Hij bezorgde me ook een quote voor mijn boek. ‘Dit is het echte werk’, schreef hij. (lachje)

De nominatie heeft er ook voor gezorgd dat mijn lezerspubliek spectaculair groter werd en dat de rechten verkocht werden aan verschillende buitenlandse uitgevers. Lezers zijn belangrijk voor me, want een schrijver zonder lezers is als een acteur in een lege theaterzaal. Ik hoop ook dat mijn boeken de tand des tijds zullen doorstaan.

 

U schrijft voor de eeuwigheid?

Sahota: Dat klinkt waarschijnlijk pompeus en pretentieus en het is niet iets dat tijdens het schrijven in mijn achterhoofd hangt, maar ik droom wel van een oeuvre dat niet samen met mij begraven zal worden. Mijn romans zijn weergaves van hoe ik het leven zie, verpakt in verhalen. Het zijn geen constructies voor de eeuwigheid, maar mijn visie op de werkelijkheid. Niet dat ik per se boodschappen wil meegeven – mijn enige boodschap is: zo zie ik de wereld. Het jaar van de gelukszoekers is een staalkaart van de inhoud van mijn brein op het moment dat ik het boek aan het schrijven was. Dat geldt volgens mij voor álle literatuur. Je leert elke schrijver door en door kennen als je zijn boeken leest.

 

Als ik uw boeken vastpak, hou ik meteen ook uw brein vast?

Sahota: Ja, dat is zo. (lacht) Wie mijn boeken gelezen heeft, kent me van binnen en van buiten. Niet dat mijn romans autobiografisch zijn; het heeft vooral te maken met de gevoeligheid en de toon. De voorbije jaren heb ik gemerkt dat schrijvers van opgewekte, luidruchtige boeken zelf ook opgewekt en luidruchtig zijn. Schrijvers van ingetogen romans zijn dan weer eerder verlegen types. De schrijver weerklinkt in de manier waarop hij over emoties schrijft en ze beschrijft. Gustave Flaubert zei: ‘Madame Bovary, c’est moi.’ Het jaar van de gelukszoekers, dat ben ik.

 

Sunjeev Sahota, Het jaar van de gelukszoekers, Prometheus, 446 blz., 19,95 euro

 

© Jan Stevens

“De vlieg op de muur” noemt Gary Byrne zichzelf. In de jaren negentig hield hij als agent van de Secret Service de wacht voor het kantoor van president Clinton. Hij ruimde de spermahanddoekjes van Bill op en liet zich de huid volschelden door de First Lady. “Toen een collega haar goedemorgen wenste, antwoordde ze: ‘Go fuck yourself.’”

 

Ergens in het voorjaar van 1993. De kersverse president Bill Clinton en zijn vrouw Hillary geven een receptie in het Witte Huis in Washington DC om kennis te maken met hun bewakingsagenten van de Secret Service. Gary Byrne en zijn vrouw Genny zijn ook van de partij. Gary werkt sinds juli 1991 als geüniformeerd agent van de geheime dienst voor de Amerikaanse president. Eerst voor Republikein George H. W. Bush, nu voor Democraat Bill Clinton. Na een speech en een glas champagne is het tijd voor foto’s van het presidentskoppel met hun gasten. Ook Gary en Genny poseren samen met The First Couple. “Ik legde mijn hand op de rug van mevrouw Clinton”, herinnert Gary zich. “Ik voelde hoe een zachte hand mijn hand vastnam en op het achterwerk van mevrouw Clinton legde. Ik schrok en stond als aan de grond genageld. Na de foto zei ik lacherig tegen mijn vrouw: ‘Ik geloof dat de president daarnet mijn hand op de kont van de First Lady legde.’ Genny zei: ‘De president streelde heel de tijd mijn rug. Waarschijnlijk vind je dat iets minder grappig.’”

Meer herinneringen aan zijn Witte Huis-jaren bundelde de inmiddels gepensioneerde geheim beveiligingsagent Gary Byrne in het schandaalboek Crisis of Character. Daarin borstelt hij een niet al te flatterend portret van de Clintons, met Bill als seksverslaafde charmeur en Hillary als valse, agressieve bitch. Nog voor het boek eind juni in de boekhandel lag, twitterde Donald Trump enthousiast: ‘Een voormalige geheim agent van president Clinton vilt achterbakse Hillary door haar als LABIEL en GEWELDDADIG te omschrijven. Slecht temperament voor een president.’

Crisis of Character stoomde op zowat alle Amerikaanse bestsellerlijsten meteen door naar de eerste plaats. Byrne vindt dat zelf een klein mirakel. “Want mainstreammedia zoals ABC en NBS weigeren om op een fatsoenlijke manier aandacht te schenken aan mijn boek”, zegt hij. “Zij beweren dat het mijn bedoeling is om de presidentskandidaat van de Democraten te beschadigen. Ik krijg van hen de kans niet om die nonsens te weerleggen.”

 

Ze verdenken u ervan in opdracht van Donald Trump te werken.

Gary Byrne: “De waarheid is dat Donald Trump waarschijnlijk op net hetzelfde moment over mijn boek hoorde als u. Niemand wist dat ik Crisis of Character aan het schrijven was. In heel die periode heb ik er bewust ook niemand over verteld. Ik wou mijn collega’s van de Secret Service beschermen en hen niet in verlegenheid brengen. Zij sturen mij nu wel felicitaties. Sommigen werken nog bij de Service en durven me niet openlijk steunen.”

 

Mag u als voormalig agent van de geheime dienst dit boek eigenlijk wel schrijven?

Byrne: “Ik mag schrijven wat ik wil. In mijn contract met de Secret Service stond geen geheimhoudingsclausule. Ik heb ook nooit een State Secrecy Agreement getekend. Het is wel zo dat onder alle beveiligingsagenten van het Witte Huis de ongeschreven wet geldt dat ze hun lippen stijf op elkaar houden over wat ze tijdens hun dienst horen of zien. Na 29 jaar trouwe dienst ben ik eervol op rust en voel ik me niet langer verplicht om te blijven zwijgen. Veel feiten uit mijn boek zijn ook ooit al eens door anderen gesignaleerd. Zij werden niet altijd geloofd, maar ik zag met mijn eigen ogen hoe Hillary het personeel als vuil behandelde. Ik was die stille, onopvallende man in de kamer die alles registreerde. Ik was de vlieg op de muur. Ik wil dat het Amerikaanse volk de waarheid over mevrouw Clinton leert kennen. Na wat ik met haar meegemaakt heb, twijfel ik heel sterk aan haar leiderscapaciteiten. Integendeel, op momenten van stress ontpopte ze zich tot een kwaadaardige furie die haar woede afreageerde op brave beveiligingsagenten zoals ik. In vergelijking met Hillary was Richard Nixon de verpersoonlijking van Mahatma Gandhi. Ik wil dat haar potentiële kiezers weten op wie ze straks zullen stemmen. Ik zeg niet dat ze niet voor haar mógen stemmen. Ik wil alleen dat ze goed geïnformeerd zijn. Weet u dat ik de allereerste geüniformeerde agent van de Secret Service ooit ben die opgeroepen is om voor een onderzoekscommissie te komen getuigen?”

 

Naar aanleiding van het Monica Lewinsky-schandaal werd u eind jaren negentig door de beruchte openbare aanklager Kenneth Starr ondervraagd.

Byrne: “Precies. Ik ben in totaal zes keer gedagvaard om voor het onderzoek van het Hooggerechtshof te komen getuigen. Het team van Kenneth Starr wilde van mij te weten komen of Bill Clinton en Monica Lewinsky samen tijd hadden doorgebracht. Ze wilden van mij horen of de president en de stagiaire een affaire hadden.”

 

Volgens de Association of Former Agents of the US Secret Service (AFAUSSS) zuigt u al uw verhalen uit uw duim. Zij zeggen dat u nooit de wacht gehouden kunt hebben bij het Oval Office of bij andere vertrekken van de president. Die plekken waren volgens hen exclusief voorbehouden voor leden van de Presidential Protective Division, de persoonlijke lijfwachten van de president.

Byrne: “Ze lullen uit hun nek. Waarom moest ik indertijd dan zes keer komen getuigen? Tijdens dat onderzoek van judge Starr kenden de mensen aan de top van de geheime dienst alle details over de affaire tussen Clinton en Lewinsky. Maar ze hadden geen zin om zelf te getuigen en lieten mij en mijn collega’s dagvaarden om voor hen de hete kolen uit het vuur te halen. Twintig beveiligingsagenten moesten getuigenissen afleggen. Ik heb toen de waarheid verteld, net zoals ik dat nu ook doe in mijn boek. Die kerels van AFAUSS hebben geen flauw idee hoe het er tijdens de Clinton-jaren op het Witte Huis aan toeging. Ik wil dat ze ophouden met hun onzin en zet daar nu juridische stappen voor.”

 

AFAUSS-voorzitter Jan Gilhooly was van 1995 tot 1997 inspecteur bij de Secret Service en zegt dat hij toen nauw in contact stond met de agenten in het Witte Huis én met Hillary Clinton. Hij beweert dat hij nooit klachten over onaangepast gedrag van Hillary gekregen heeft. Hij kan zich ook niet herinneren ooit iets over u gehoord te hebben.

Byrne: “Ik heb dan ook nooit met hem samengewerkt. Wat wil dit nu zeggen? Ik heb zoveel mensen nog nooit ontmoet. Het is toch niet omdat een andere gepensioneerde collega fan is van Hillary Clinton dat mijn boek niet deugt? Crisis of Character gaat over dat deel van mijn leven waarin mijn pad dat van de Clintons kruiste. Elk woord in het boek is waar. Gilhooly neemt nu de Secret Service en de Clintons in bescherming. Dat is zijn goed recht, alleen mag hij geen leugens over mij de wereld insturen. Ook hij krijgt een dagvaarding in de bus. De Clintons vervolgen mij trouwens niet omdat ze heel goed weten dat ik de waarheid spreek.”

 

Waar in het Witte Huis hield u de wacht?

Byrne: “Meestal vlak aan het Oval Office, het kantoor van de president in de West Wing van het Witte Huis. Af en toe sprong ik in op andere plaatsen in het gebouw.”

 

U startte uw carrière als ‘geheime beveiligingsagent’ op het Witte Huis bij vader George H.W. Bush. U noemt hem liefkozend ‘Papa Bush’.

Byrne: “Zo spreken al mijn collega’s uit die tijd over hem. Hij was een heer van stand: het typevoorbeeld van hoe de president van de Verenigde Staten er uit hoort te zien. Natuurlijk had hij zijn gebreken, niemand is perfect, maar Papa Bush was een aardige man. Hij is een echte Amerikaanse patriot: tijdens de Tweede Wereldoorlog vocht hij als piloot bij de marine. Zijn vliegtuig werd door de Japanners neergehaald boven de Stille Oceaan. Op het laatste nippertje werd hij gered. De voornaamste taak van een geheim beveiligingsagent in het Witte Huis is om een hele dag stil te blijven staan en op te gaan in het meubilair. Maar president Bush zag ons altijd, kwam ons begroeten en sloeg soms een praatje met ons.”

 

Toen het team van Bill Clinton na zijn verkiezingsoverwinning in 1992 het Witte Huis overnam, leek dat voor u op een hippie-invasie. U hield niet van die nieuwe frisse wind?

Byrne: “De hippies hadden lak aan autoriteit. Agenten zoals ik vertegenwoordigden die autoriteit en daarom keken ze neer op ons. Clintons medewerkers stamden uit die hippiecultuur. Zij werden plots zelf de autoriteit waar ze jarenlang op hadden lopen schimpen. Ze keken nog steeds op ons neer, werkten daarenboven ook nog eens hun frustraties op ons uit en zorgden zeker in de eerste Clinton-jaren voor chaos. Ze liepen erbij als sloddervossen en hun kantoren op het Witte Huis waren net veredelde studentenkoten.”

 

Zou het kunnen dat u gewoon een hekel hebt aan jonge mensen die lak hebben aan hypocriete stijfheid en vermolmde grandeur?

Byrne: “Ik heb geen hekel aan jonge mensen, maar ik hou niet van pas afgestudeerde verwende snotapen die zich als hooligans gedragen. Het Witte Huis is nauw verbonden met de Amerikaanse geschiedenis en heeft een grote symboolwaarde. De boys and girls van de Clintons toonden geen greintje respect voor dat van geschiedenis doordrongen gebouw. Ze liepen er met hun bekers koffie of frisdrank van de ene naar de andere kamer, hingen languit in de zetels en morsten op de tapijten. Ze plakten zelfs stickers op antieke kasten. Ze beschadigden moedwillig cultureel erfgoed. Gelukkig veranderde dat in juli 1994 toen de latere CIA-baas Leon Panetta tot Clintons kabinetschef benoemd werd: hij voerde opnieuw discipline in.”

 

In uw boek beschrijft u hoe de kersverse vice-president Al Gore het brandalarm laat afgaan tijdens zijn zoektocht naar afluisterapparatuur en verborgen camera’s. Ook de Clintons waren bang dat ze afgeluisterd werden?

Byrne: “Ja, en die angst nam paranoïde vormen aan. Vader Bush had op een herverkiezing gerekend en vlak voor de verkiezingen had zijn administratie een compleet nieuw telecommunicatiesysteem laten installeren. Dat had flink wat geld en moeite gekost. Bill en Hillary vertrouwden dat hele zaakje niet. Ze bestelden een nieuw telecommunicatiesysteem bij AT&T. Wij moesten de technici de weg wijzen in het Witte Huis. Zij vertelden ons dat de Clintons ervan overtuigd waren dat de Republikeinse Partij meeluisterde met al hun gesprekken.”

 

Wat vond u van de mens Bill Clinton?

Byrne: “Het zal u misschien verbazen, maar ik vond hem heel sympathiek. Hij was vriendelijk tegen gewoon voetvolk zoals wij. Bill Clinton is een aardige vent, alleen heeft hij een immens probleem met vrouwen. Als hij mijn 27-jarige nicht een lift aanbiedt, kruip ik wel op de achterbank om hem in de gaten te houden. (lacht)”

 

U vond Hillary Clinton iets minder sympathiek?

Byrne: “Ze was koud en afstandelijk. Het leek of ze voortdurend boos was en ze had dictatoriale trekjes. Er is nu zoveel ophef over haar e-mailverkeer van toen ze minister van Buitenlandse Zaken was, maar dat is typisch Hillary. Ze liet haar eigen mailserver installeren, in plaats van gebruik te maken van de officiële regeringsserver. Voor haar gelden de regels niet die voor anderen wel gelden. Haar motto is: ‘Doe wat ik zeg, maar doe niet wat ik doe.’”

 

Hoe behandelde ze u en uw collega’s?

Byrne: “Zeer vijandig. Ze vertrouwde ons voor geen haar. Ze leek echt een probleem te hebben met mannen in uniform. Ons kostuum werkte bij haar als een rode lap op een stier. Ze blafte ons voor het minste af en reageerde ál haar frustraties af op haar eigen personeel en op de beveiligingsagenten. Sommige collega’s werden continu de huid vol gescholden. Als ze niet naar haar pijpen dansten, dreigde ze hen af. Ik ben trouwens niet de enige die daarover getuigt. Ex-FBI-agent Gary Aldrich was ook een tijdlang gestationeerd bij de Clintons. In zijn in 1996 verschenen boek An FBI Agent Inside the Clinton White House beschreef hij hoe ze zeven ondergeschikten het bloed vanonder de nagels pestte. Volgens Aldrich vertrouwde ze die jongens niet en wou ze hen laten vervangen door ja-knikkers uit Arkansas. Ze had het alleszins heel moeilijk om haar kwaadheid onder controle te houden. Ik heb meer dan genoeg woede-uitbarstingen van haar meegemaakt. Voor de kleinste onnozelheid begon ze te roepen en te tieren. Veel Witte Huis-medewerkers waren als de dood om een fout te maken. ‘Who’s going to tell Hillary?’ De kleinste ‘misstap’ kon hen hun job kosten.”

 

Jullie klaagden nooit over het gedrag van de First Lady tegen jullie superieuren?

Byrne: “Toch wel. De spreekwoordelijke druppel was haar aanvaring met een nieuwe beveiligingsagent. Op een van zijn eerste werkdagen liep hij haar in een gang tegen het lijf. Hij zei: ‘Good morning’ en zei antwoordde: ‘Go to hell.’ Die jongen was helemaal van streek. Een paar dagen eerder had ook een andere collega het aangedurfd om haar vriendelijk goede morgen te wensen. ‘Go fuck yourself’, had ze toen geantwoord. Na die incidenten ging onze sergeant klagen bij de top van de Secret Service. Zij beloofden dat ze het zouden melden aan Leon Panetta. Er volgden excuses, al kwamen die niet rechtsreeks van Hillary. Er werd ook een interne memo rondgestuurd met het verzoek om in het vervolg alle bizarre uitvallen van de First Lady meteen aan onze superieuren te melden.”

 

U zag Bill Clinton ooit met een blauw oog. Dat was het resultaat van een woede-uitbarsting van Hillary?

Byrne: “Ik vermoed van wel. Dat blauwe oog was gigantisch. Toen ik aan zijn assistente Nancy Hernreich vroeg wat er gebeurd was, antwoordde ze: ‘Hij is allergisch aan koffie.’ (lacht) Ik heb verschillende keren gehoord hoe Hillary hem de huid vol schold.”

 

Vóór de Lewinsky-affaire leek het toch alsof de Clintons een uitstekend koppel vormden? Ze liepen hand in hand, maakten grapjes en waren lief voor elkaar.

Byrne: “Lang voor de Lewinsky-affaire speelden ze al toneel. Tijdens de verkiezingscampagne van 1992 beweerde zangeres en actrice Gennifer Flowers dat ze twaalf jaar lang Clintons minnares geweest was. In 1998 heeft hij onder eed toegegeven dat hij seksuele betrekkingen met haar gehad heeft. Na Flowers, en zeker na Lewinsky, volgden nog vele andere vrouwen die hem hun ex-minnaar noemden. Sommigen beschuldigden hem zelfs van seksuele geweldpleging en verkrachting. Die beschuldigen heeft hij altijd staalhard ontkend. Ik wil maar zeggen: al lang voor zijn kandidatuur voor het presidentschap was hij geen onbeschreven blad. In het begin van zijn presidentschap leek het alsof hij en Hillary een voorbeeldig paar vormden. Maar dat was slechts schijn.”

 

Op 20 juli 1996 joeg Hillary Clintons persoonlijke assistent Vince Foster zich een kogel door het hoofd. Volgens u dreven Hillary’s uitbarstingen hem tot zelfmoord. Dat zijn zware beschuldigingen.

Byrne: “Vince Foster was een advocaat uit Arkansas. Hillary behandelde haar persoonlijke assistent zonder enig greintje mededogen. De eerste keer dat ik hem in het Witte Huis tegenkwam, dacht ik: ‘Die man wil hier duidelijk liever niet zijn.’ Zijn lichaamstaal sprak boekdelen: hij was doodongelukkig. Hij zat dan ook in een diepe depressie. Hillary verweet hem dat hij te traag was. Hij slaagde er maar niet in om alle vacatures voor haar staf ingevuld te krijgen. Hij slaagde er ook niet in om de weinig flatterende verhalen die toen al over haar opvliegendheid de ronde deden, in de kiem te smoren. Een kind kon zien dat Foster aan het eind van zijn Latijn was en toch bleef ze op hem inhakken. Hij stapte uit het leven in Fort Macy Park, Nevada. Ik zeg niet dat Hillary de rechtstreekse aanleiding was voor zijn zelfmoord, maar de manier waarop ze hem behandelde, heeft hem zeker geen deugd gedaan.”

 

Heeft ze zijn leven geruïneerd?

Byrne: “Er is een afscheidsbrief van hem gevonden. Die zat in zijn tas en was in 27 stukken gescheurd. Hij gaf de schuld van zijn mislukking aan de FBI, de media, de Republikeinen en zelfs aan het kantoor van de portiers van het Witte Huis. De laatste zin luidde: ‘Ik was niet voorbestemd voor die job of voor een publiek leven in Washington onder de spots. Mensen ruïneren wordt er beschouwd als nationale sport.’”

 

U zag hoe de 22-jarige stagiaire Monica Lewinsky hardnekkige pogingen ondernam om binnen te raken in het kantoor van president Clinton?

Byrne: “Ja. Dat was heel raar. In de lente van 1996 wou zij per se binnen raken in het Oval Office en probeerde mij en andere beveiligingsagenten te verschalken. Er werkten wel meer stagiairs in het Witte Huis en zij was lang niet de enige die tot bij de president wou geraken. De meesten waren starstruck, maar Monica was anders. Zij gedroeg zich als een stalker en was niet weg te slaan uit de gangen rond het presidentiële kantoor. Ik ging klagen bij Clintons adjunct-kabinetschef Evelyn Lieberman. ‘Die stagiaire Monica Lewinsky wil per se tot bij de president raken. Ik vertrouw haar niet.’ Waarna Monica’s pasje voor de West Wing werd ingetrokken. Tot ze een tijd later met een blauwe pas voor mijn neus stond te zwaaien. ‘Blauw’ wou zeggen dat ze tot de betaalde staf van de president behoorde. Vervolgens stapte ze vastbesloten het Oval Office binnen. Monica was in die tijd niet het enige liefje van de president.”

 

Hoe weet u dat zo zeker?

Byrne: “Ik was bevriend met Nelvin, de Filippijnse steward die de hemden van de president streek en hem thee en koffie bracht. Je zou hem zijn butler kunnen noemen. Nelvin was heel discreet, maar in de Monica-periode sloeg hij op tilt. Op een dag kwam hij bij me uithuilen toen ik de post aan het sorteren was. Hij liet me de handdoekjes zien die hij elke dag met de hand in zijn klein keukentje uitwaste. Hij was het beu om voortdurend de rotzooi van de president te moeten opruimen. Sommige handdoekjes zaten onder de lippenstift, andere zaten vol sperma. Nel durfde ze niet naar de wasserij te sturen, want zo zouden de roddels alleen maar toenemen. De kleur van de lippenstift op de handdoekjes was niet die van Monica, maar leek verdomd veel op die van een receptioniste. Ik wou Nel helpen, stopte de doekjes in een zak en heb ze onderweg naar huis in een vuilcontainer gedumpt.”

 

U schrijft in uw boek dat u de president betrapte in de Map Room van het Witte Huis terwijl hij aan het vrijen was met de inmiddels aan kanker overleden Eleanore Mondale, dochter van een ex-vicepresident.

Byrne: “Ik stond samen met een collega op de gang op wacht. Een steward stapte de Map Room binnen met een proper hemd voor de president. Toen de deur openging, keken wij naar binnen en zagen de president en Eleanor Mondale innig zoenen. Bill schrok, keek naar ons en wij naar hem. Hij liet haar los, stapte naar de deur en staarde ons indringend aan voor hij ze sloot. Ik zei tegen mijn collega: ‘Here we go again.’ (lacht)”

 

Waarom neemt u zo’n aanstoot aan de seksuele escapades van Bill Clinton? Wij hebben toch niets te maken met wat hij tussen de lakens uitspookte?

Byrne: “Hij gedroeg zich niet zoals een president zich hoort te gedragen. Daar komt bij dat het mijn job was om hem te beschermen. Ik moest ervoor zorgen dat hem niets kon overkomen en toch slaagde zo’n stagiair erin om zich bij hem naar binnen te bluffen. Dat kon alleen maar omdat hij daar de faciliteiten voor schiep. De getuigenissen die door Kenneth Starr verzameld zijn, maken deel uit van de Amerikaanse geschiedenis. Zij hebben aangetoond dat de president loog over zijn relatie met mevrouw Lewinsky. Onze kinderen van twaalf moeten nu op school leren dat een vorige president zich in het Witte Huis te buiten ging aan vunzige spelletjes met een vrouw die niet de zijne was. Vindt u dat normaal?”

 

Zijn de woedeaanvallen van Hillary Clinton in het licht van de hele Lewinsky-affaire niet te begrijpen?

Byrne: “Ik kan heel goed begrijpen dat Hillary Clinton het niet fijn vond dat haar man haar maar bleef bedriegen. Maar u schat haar verkeerd in. Wat haar vooral stoorde, was dat de Lewinsky-affaire het merk Clinton besmeurde. Ze wist dat hij verschillende affaires achter de rug had, maar ze bleef lang geloven dat de Lewinsky-affaire enkel op roddels gebaseerd was. Toen Monica Lewinsky op de proppen kwam met haar inmiddels beruchte met sperma bevlekte blauwe jurk, wist de advocaat van Bill Clinton hoe laat het was. Na overleg met Bill heeft hij pas dan Hillary ingelicht. Die mededeling had onmiddellijk effect op haar gedrag, en dat is inderdaad normaal. Toch koos ze ervoor om na die zoveelste vernedering bij hem te blijven.”

 

U ziet haar als het ‘mastermind’ achter het merk Clinton?

Byrne: “Ja. Of je het leuk vindt of niet, ze vormen wel degelijk een goed team. In de jaren negentig was hij het gezicht van het Clinton-merk. Hij was charmant, wist hoe hij mensen voor zich moest winnen, liet harten sneller slaan en vormde zo ook Hillary’s ticket naar macht en succes. De enige reden waarom zij nu president wil worden, is dat allebei de Clintons verslaafd zijn aan macht en geld. Dankzij zijn presidentschap hebben ze zich persoonlijk kunnen verrijken en via hun Clinton Foundation hebben ze miljoenen dollars binnengehaald.”

 

Zijn niet zowat alle Amerikaanse presidentskandidaten walgelijk rijk? Donald Trump is toch ook geen arme duts?

Byrne: “Dat is zo, toch spannen de Clintons de kroon. De Clinton Foundation draait zogezegd rond liefdadigheid, maar wordt zowel door Bill als Hillary gebruikt om er zelf financieel beter van te worden. Toen zij minister van Buitenlandse Zaken was, sloot ze een grote wapendeal met Saoedi-Arabië. Dat land blijkt een van de grote sponsors van de Clinton Foundation te zijn. Hoe toevallig is dat?”

 

Voor wie stemt u in november?

Byrne: “Ik vind het Second Amendment van onze grondwet het allerbelangrijkste: ‘A well regulated militia, being necessary to the security of a free state, the right of the people to keep and bear arms, shall not be infringed.’ De kandidaat die opkomt voor vrij wapenbezit krijgt altijd mijn stem. Meestal is hij lid van de Republikeinse Partij. (grijnst)”

 

Gary Byrne, Crisis of Character, Hachette Book Group

 

© Jan Stevens