‘Schrijven is voor mij hetzelfde als geluk’

Met Nachttrein naar Lissabon scoorde romancier Pascal Mercier begin deze eeuw een internationale megaseller. Na meer dan tien jaar doorbreekt hij zijn oorverdovende stilte met een nieuwe roman: Het gewicht van de woorden. “Ik ben een ouderwetse man die altijd ouderwetse boeken geschreven heeft.”

_DSC0004

In 1995 debuteerde de Duits-Zwitserse filosoof Peter Bieri op zijn 45e als romanschrijver onder de schuilnaam Pascal Mercier. “Ik werkte aan de universiteit van Berlijn als professor analytische filosofie”, zegt hij. “Dat is de hardste en strengste tak uit de filosofie. Ik publiceerde mijn debuutroman Perlmanns zwijgen als Pascal Mercier om mezelf te beschermen. Want ik was bang voor het schandaal wanneer mijn collega’s zouden ontdekken dat ik het had aangedurfd mijn verbeelding te gebruiken. Het boek werd een succes en mijn ware identiteit raakte bekend, met als gevolg dat sommige collega’s aan de universiteit jaloers werden op het geld en de roem. De Duitse academische wereld wordt bevolkt door haaien, alleen konden ze mij niet verslinden.”

We zitten in Pascal Merciers schrijfkamer in zijn huis in een groene buitenwijk van Berlijn. De muren zijn bekleed met boeken. “Voor het schrijven van Het gewicht van de woorden zat ik de drie jaar lang op deze stoel”, zegt hij. “De eerste honderd bladzijden schreef ik met de hand, om alle finesses te doorgronden. Daarna schakelde ik over op tekstverwerker. Tijdens het schrijven vloog de tijd van de buitenwereld voorbij. Uren, dagen, maanden. Maar dat telde niet. Het enige wat ertoe deed, waren de uren die ik doorbracht in het rijk van de verbeelding. Het mooiste aan schrijven, is dat je je eigen poëtische tijd creëert, die exclusief van jou is.”

Het gewicht van de woorden vertelt het verhaal van de zestiger Simon Leyland. Hij krijgt te horen dat hij nog maar een paar maanden te leven heeft, verkoopt zijn bloeiende uitgeverij in het Italiaanse Triëste en verhuist naar Londen, de stad waar hij volwassen werd en zijn vrouw Livia leerde kennen. Zij stierf tien jaar eerder. Leyland probeert zich met zijn levenseinde te verzoenen en herleest de brieven die hij in de loop der jaren aan zijn overleden vrouw schreef. Wanneer blijkt dat zijn medische dossier verwisseld is met dat van een andere man, krijgt hij terug een toekomst en moet hij zijn leven heruitvinden.

 

Waarom duurde het zo lang om Het gewicht van de woorden te schrijven? Uw laatste roman dateert van 2007.

Pascal Mercier: “Tussen die twee romans in schreef ik nog een filosofisch boek over menselijke waardigheid. Daar kroop al snel vier jaar van mijn leven in. Het gewicht van woorden spookte ongeveer tien jaar lang in mijn hoofd. Het was heel moeilijk om de juiste architectuur te vinden. Deze roman vertelt het levensverhaal van iemand die op zoek is naar zijn eigen stem. Niet alleen naar zijn letterlijke stem met zijn eigen woorden, maar ook naar zijn emoties en zijn fantasieën. Ik wou zowel de buitenkant als het innerlijk van Simon Leyland vatten. Technisch is het echt niet eenvoudig om die twee perspectieven te combineren. Want ik schreef niet vanuit de ‘ik-persoon’, maar vanuit ‘hij’. Tot ik op het idee kwam om hem brieven te laten schrijven naar zijn dode vrouw. Heel het schrijfproces was een lange ontdekkingsreis naar wie die Simon Leyland écht is. Bij de start had ik totaal geen idee. Al schrijvende leerde ik hem steeds beter kennen.”

 

_DSC0052Leyland is niet alleen uitgever, maar ook vertaler en later schrijver. Op het einde van de roman vraagt zijn dochter: “Hoe dicht sta je bij je personages? Zijn ze familie geworden?” Wat zou u daarop antwoorden?

“Ze staan heel dicht bij mij. Als schrijver kun je een personage pas goed ontwikkelen wanneer je je ermee kunt identificeren. Je moet hun innerlijke wereld kennen. Dat geldt zeker voor het hoofdpersonage Simon Leyland. Wat niet wil zeggen dat hij een kopie is van mezelf. Maar ik begrijp zijn emoties zeer goed. Ik voel me ook verwant met zijn gestorven vrouw Livia en hun twee kinderen, en met zijn Londense buurman en vriend Kenneth Burke. Dan is er nog die ene prachtige figuur waar ik ontzettend van hou, de Russische gevangene Andrej Koezmin. Eigenlijk heb ik aan geen enkel door mij verzonnen personage in deze roman een hartsgrondige hekel. (lacht)”

 

Ik heb het gevoel dat u graag namen verzint, zoals Simon Leyland en Andrej Koezmin, maar ook Raimund Gregorius uit Nachttrein naar Lissabon en uw eigen pseudoniem, Pascal Mercier.

“Dat voelt u goed aan. Namen verzinnen is een fascinerende en zeer ingewikkelde activiteit. Het kostte me meer dan een half jaar om Leyland te vinden. Ik trof die naam uiteindelijk aan in een dik boek met enkel Britse familienamen. Ik doorploegde die lijst met in het achterhoofd de vraag welke naam paste bij het innerlijk beeld dat ik van dat personage had. Ik kan geen boek schrijven zonder dat ik ervan overtuigd ben dat ik de correcte namen voor de karakters gevonden heb. Ik ben bezig aan een nieuwe roman en zit in de ondraaglijke fase van het vinden van namen. Schrijven is voor mij hetzelfde als geluk. Als de juiste zinnen, namen en metaforen komen, ben ik perfect gelukkig. Maar als ik een valse start neem of het verhaal de verkeerde kant uitstuur, verpest dat soms maanden van mijn leven.”

 

Probeert u al schrijvende te ontsnappen aan de gruwel van de echte wereld?

“Misschien wel. De wereld die ik gecreëerd heb, is zeker minder lelijk en minder wreed. Mijn schepsels hebben meer begrip voor elkaar dan de mensen van vlees en bloed die je hier in Berlijn op straat tegenkomt. Maar toch is dat maar de halve waarheid. Want ik ontvlucht niet alleen de echte wereld, ik creëer ook een nieuwe.”

 

Die lijkt in deze roman uit het verleden te stammen, want hij wordt vooral bevolkt door uitgevers, schrijvers, dichters en vertalers. Terwijl de wereld van nu toch vooral beheerst wordt door beelden.

“U hebt gelijk, hoor. Mijn boek gaat over oude tijden en is ‘old fashioned’. Ik ben een ouderwetse man die altijd ouderwetse boeken geschreven heeft. (lacht) ‘Ouderwets’ heeft niets met het conservatisme uit de politiek te maken. Het wil gewoon zeggen dat ik vasthou aan een bepaalde manier van leven waar ik geen afstand van wil nemen. Ik weersta aan alle veranderingen die me door welke media ook worden opgelegd. Daarom schreef ik een roman over een minnaar van woorden, over iemand wiens hele leven bepaald wordt door zijn liefde voor poëzie.”

 

Er wordt heel wat afgepaft in uw roman. Uw personages lurken continu aan sigaretten. Erg politiek correct is dat niet.

“Tijdens het schrijven denk ik nooit in politiek correcte termen. Niet omdat ik per se politiek incorrect wil zijn, maar omdat dat gewoon niet in me opkomt. In Nachttrein naar Lissabon wil Raimund Gregorius om zes uur in de ochtend weten wanneer een bepaalde trein vertrekt. Hij neemt de telefoon en belt naar de spoorwegen, maar het is nog veel te vroeg en hij blijft op zijn honger zitten. Op een lezing vroeg iemand uit het publiek: ‘Meneer Mercier, waarom zocht hij die informatie niet op internet?’ Ik antwoordde: ‘Gregorius weet niet eens dat er internet is.’ (lacht)”

 

In Het gewicht van de woorden speelt de dood een prominente rol. U bent 75. Dat thema begint u te achtervolgen?

“Ja, ik denk heel vaak aan de dood. Zo dwing ik mezelf onderscheid te maken tussen wat nog belangrijk is in mijn leven en wat niet. Net als Simon Leyland die te horen krijgt dat hij een hersentumor heeft. Zijn dagen zijn geteld en in het licht daarvan neemt hij ingrijpende beslissingen. Tot blijkt dat hij het slachtoffer is van een verkeerde diagnose en iemand anders die tumor heeft. De poorten van de toekomst gaan opnieuw open. Intussen communiceert hij bijna constant met zijn dode vrouw Livia. De dood wordt voor hem poëzie. Ik weet het, Het gewicht van de woorden is zwaar en soms donker. Tezelfdertijd is het ook een optimistisch en positief boek. Mensen veranderen en vinden een nieuwe toekomst. Voor Leyland geldt dat wel heel letterlijk, op het moment dat hij te horen krijgt dat zijn tumor in werkelijkheid enkel een zware vorm van migraine is.”

 

In de maand tussen zijn doodvonnis en zijn heropstanding verkoopt hij zijn uitgeverij om de laatste maanden van zijn leven vrij te zijn. Nam hij toen ook ‘de nachttrein naar Lissabon’?

“Hij startte compleet opnieuw, ja. Net als andere personages, zoals zijn dochter Sofia die haar opleiding geneeskunde wel afmaakt, maar na die foute diagnose zweert nooit dokter te worden.”

 

Net als in Nachttrein naar Lissabon horen we nu opnieuw de filosoof Peter Bieri die stelt dat je bereid moet zijn je schepen achter je te verbranden van zodra je je ware roeping in het leven gevonden hebt?

“Ja. In Nachttrein naar Lissabon zei Raimund Gregorius van de ene dag op de andere zijn gemakkelijke bestaan als leraar vaarwel. En hij nam de nachttrein naar Lissabon, op zoek naar de Portugese schrijver die hem tot die ingrijpende beslissing inspireerde. Als professor filosofie aan de universiteit van Berlijn schreef ik nogal wat technische filosofische boeken. Mijn eerste filosofische werk voor een breed publiek verscheen in het begin van deze eeuw en heette Het handwerk van de vrijheid, met als belangrijke ondertitel: Over de ontdekking van de eigen wil. Dat filosofische werk zit door heel Het gewicht van de woorden geweven. Dat kon gewoon niet anders, want het vlechtwerk van vrijheid, tijd, de dood, een open toekomst en zelfbeschikkingsrecht vormt nu eenmaal de kern van mijn denken.”

 

Zoals ook het recht dat elke mens heeft om zijn eigen dood te kiezen of om iemand te assisteren bij zijn zelfgekozen dood?

“U verwijst naar de man die in mijn boek zijn vrouw doodt omdat ze ondraaglijk lijdt? Ik laat Simon Leyland op een bepaald moment zeggen: ‘In een cultuur die echt aandacht heeft voor het menselijke zou men het vanzelfsprekend vinden dat iemand hulp wil krijgen om te sterven.’ In mijn geboorteland Zwitserland helpen verenigingen zoals Dignitas en Exit uitzichtloos lijdende mensen zelfmoord plegen. Net als de Nederlanders hebben jullie een euthanasiewet. Dat is een fantastische verwezenlijking. Hier in Duitsland is dat onbespreekbaar. Die discussie wordt zwaar bezoedeld door het verleden, door wat er gebeurd is tijdens de Tweede Wereldoorlog. Elke keer wanneer het woord euthanasie valt, associëren sommige Duitsers dat automatisch met ‘concentratiekamp’. Zo wordt elk broodnodig ethisch debat over een zelfgekozen levenseinde telkens weer vakkundig de nek omgedraaid.”

_DSC0017

De autobiografie Dear Tom, letters from home van de Britse acteur Tom Courtenay loopt als een rode draad door uw boek. Waarom?

“Omdat ik erg van die man hou. Ik hield al van hem, lang voor ik hem ontmoette. Ik hield van zijn manier van acteren, van hoe hij zijn rollen ontwikkelde. In 1962 was hij amper 25 toen hij een glansprestatie neerzette in de film The loneliness of the long distance runner. Hij speelde ook mee in de verfilming door de Deense regisseur Bille August van Nachttrein naar Lissabon. In 2012 ontmoette ik hem in een hotel waar alle acteurs aanwezig waren om de film voor het eerst integraal te bekijken. We hebben een uur gepraat. Tom is erg gevoelig en hij raakte me diep. Hij vertelde me over zijn autobiografie uit 2000 waarin hij alle brieven van zijn moeder had opgenomen. Ik zei dat ik zijn boek graag wou lezen. Een week later zat het hier in de bus. ‘Peter, het was fijn om je te leren kennen’, had hij er ingeschreven. Die band die ik met Courtenay heb, vond zijn weg in mijn roman.”

 

Weet hij dat?

“Ik denk het niet. Maar hij moést er gewoon in. (lacht)”

 

Simon Leyland leerde alle talen rond de Middellandse Zee. Net als Peter Bieri alias Pascal Mercier.

“Ja, dat is uit mijn leven gegrepen, zowel die talen, als de Middellandse Zee. Het was de eerste zee die ik als kind van zeven zag. Zwitserse gezinnen gingen in de jaren vijftig altijd op vakantie naar de Middellandse Zee. We reisden met de trein naar de Ligurische kust in Italië. In Zwitserland was alles grijs en conventioneel. In de Alpen doken we de tunnel in, en van zodra we eruit kwamen, was er fel licht en lawaai. De ijsjes proefden anders. Wat nog opviel: elke Italiaan gooide zijn sigarettenpeuk op de grond. Voor een tot in de puntjes gestructureerde Zwitser was dat een ramp. Italië was pure chaos en ik was daar dol op.

“Als scholier al studeerde ik veel talen, zoals Latijn, Grieks, Sanskriet en Oud-Hebreeuws. Ik had er liever nog veel meer geleerd. Zo is het me tot nu niet gelukt om Arabisch te spreken. Ik kan het wel lezen, maar ik heb vreselijk veel moeite met de keelklanken. Ik hou van grammaticaboeken en vocabulaires en lees er regelmatig in. Die wand daar staat vol met dat soort boeken. Ik ben gepassioneerd door woorden en wil er steeds meer kennen.”

 

Volgt u Twitter?

“Nee, ik weet amper wat dat is.”

 

Moderne mensen sturen er continu kleine berichten cyberspace in. Soms zijn die boodschappen niet meer dan giftige scheldpartijen.

“Ach, in deze digitale tijden zijn mensen vergeten wat woorden zijn en wat taal is. Poëzie is een zeldzaamheid geworden. Dat maakt me enorm triest. Mijn roman komt daartegen in opstand en wil woorden en poëzie revalideren.”

 

U bent somber over de huidige digitale tijd, maar uw boeken worden wel bestsellers. Van Nachttrein naar Lissabon gingen wereldwijd miljoenen exemplaren over de toonbank. Hebt u daar een verklaring voor?

“Ik vraag mijn lezers soms waarom ze zo verzot zijn op mijn boeken. Altijd komen er twee dingen bovendrijven: de existentiële diepte en de poëtische taal. Ik probeer existentiële poëtische boeken te schrijven die vol spanning zitten. Maar dan niet op de wijze van Alfred Hitchcock. Want er wordt niemand vermoord.”

 

En er zit ook niet veel seks in.

“Geen. (lacht) Lezers willen weten hoe het Simon Leyland, die minnaar van woorden, zal vergaan. Ze willen niet dat hij sterft of zelfmoord pleegt. Daar zit de spanning in, en niet in geweld.”

 

De stad Londen speelt ook een hoofdrol. U woonde daar een tijdje?

“Als student werd ik verliefd op een meisje uit Bern. Zij wist dat niet. Ze ging als au pair in Londen werken. Ik volgde haar op een soort van kamikazemissie. In Londen maakte ik lastige momenten mee, maar ik beschouw mijn verblijf daar nog steeds als mijn toegang tot het echte leven. De wereld ging er voor mij open. In de monumentale bioscopen mocht je gewoon zitten roken. Zalig. Na een jaar keerde ik terug naar huis. Mijn vader wachtte me op het treinstation van Bern op. Toen ik hem zag, besefte ik meteen dat ik onmogelijk nog kon terugkeren. Dus moest ik hem en moeder ervan overtuigen me te laten gaan. Ik trok naar de universiteit van Heidelberg. Dat was toen de allerbeste filosofische universiteit van de hele wereld. Daar werd ik professor filosofie. Maar alles begon met die onmogelijke liefde in Londen.”

 

Pascal Mercier, Het gewicht van woorden, Werelbibliotheek, 448 blz., 24,99 euro

 

 

Bio

_DSC0053Pascal Mercier alias Peter Bieri

        • Geboren in 1944 in Bern
        • Studeerde filosofie aan de universiteit van Heidelberg
        • Professor emeritus analytische filosofie aan de Freie Universität Berlin
        • Scoorde in 2004 een internationale megaseller met Nachttrein naar Lissabon

 

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

‘Het rookhok is ons anti-stresskot’

In Nederland zijn sinds eind vorig jaar alle rookruimtes in de horeca op rechterlijk bevel dicht. Ziekenhuizen en bedrijven volgen en sluiten hun rookhok. Kom op tegen Kanker wil ook bij ons een verbod en trok naar de rechter. Giert er naast nicotine nu ook paniek door de aders van de rookhokrokers? “Het lijkt soms op een heksenjacht.”

 

Eind september vorig jaar verklaarde de Hoge Raad, het hooggerechtshof van Nederland, het gerechtelijk vonnis definitief van kracht dat de onmiddellijke sluiting van alle rookruimtes in de horeca oplegde. Het arrest van de Raad vormde het juridische sluitstuk van jarenlang procederen door de antirooklobby Clean Air Nederland (CAN). De Nederlandse staatssecretaris van Volksgezondheid Paul Blokhuis reageerde verheugd op het verbod. Hij is een fervent tegenstander van roken: als het van hem afhangt, kost een pakje sigaretten morgen minstens 20 euro en worden alle terrassen meteen rookvrij. De 7000 horecazaken met rookruimte kregen van Blokhuis nog een maand om hun rokende klandizie richting stoep te begeleiden. Het vonnis werd door horeca-uitbaters op boe-geroep onthaald, maar inspireerde ook heel wat bedrijven om vanaf januari 2020 hun rookruimtes te sluiten. Zo moeten vanaf nieuwjaarsdag de medewerkers van het ABN Amro-hoofdkantoor in Amsterdam een blokje om als ze een sigaret willen opsteken. Zelfs roken op het binnenplein is er voortaan verboden. Achmea, een van de grootse Nederlandse verzekeraars, verwijderde vlak voor nieuwjaar resoluut alle rookruimtes uit alle kantoren. Verwacht wordt dat binnen afzienbare tijd de rest van de Nederlandse ondernemingen al dan niet gedwongen zal volgen. Want na de horecarookhokken richt CAN haar pijlen op de rookruimtes op het werk. Het ultieme doel is de roker compleet uit beeld te laten verdwijnen. Zien roken, doet immers roken. Het enige wat daartegen helpt, is volgens CAN de sigaret overal verbannen.

Het succes van CAN inspireerde Kom op tegen Kanker. Meteen na het arrest van de Hoge Raad kondigde de organisatie aan dat ze ook bij ons via de rechter een verbod op aparte rookruimtes in cafés en restaurants wil afdwingen. Later volgen wellicht de rookhokken in onze bedrijven. Bij DPG Media, het moederhuis van deze krant, is dat nu al het geval: in het gloednieuwe kantoorgebouw in Antwerpen zijn rookruimtes taboe.

 

De laatste roker

In De Koekenfabriek in Merksem zijn ze hun tijd nóg verder vooruit. Ooit werden er Antwerpse koekjes gebakken, nu is het een hip complex waar freelancers, zelfstandig ondernemers en satellietwerkers co-worken. “We hebben geen rookruimte nodig omdat er geen rokers meer zijn”, zegt coördinator Katrien bijna verontschuldigend. “De laatste roker veranderde onlangs van werk. Hier staat dus zelfs nooit nog iemand op straat een sigaret te roken.”

In Het huis van Parein, een ander tot kantorencentrum omgebouwd voormalig Antwerps koekjesimperium, werken wel nog rokers maar is geen rookhok. “Enkel een asbak aan de voordeur”, zegt de vriendelijke coördinator Sergio. “U mag er gerust een tijd naast komen staan om met rokende collega’s te praten.” De asbak van Parein zit vol en stinkt als de pest, maar op een kille donkere dag in januari lijkt zelfs de meest verstokte roker er zijn verslaving de baas.

Het Justitiepaleis aan de overkant van de straat heeft een rustgevende binnentuin die dienst doet als rookruimte voor het personeel. Rechters, advocaten, procureurs, zaalwachters en griffiers verbroederen en verzusteren er tijdens hun pauzes terwijl ze hun longen vol rook en nicotine zuigen. Dé plek om te peilen naar de moraal van de geviseerde rookruimteroker. Maar de behulpzame receptionist heeft slecht nieuws: “Onze voorzitter zegt neen.” We bedanken vriendelijk en wandelen richting Museum voor Schone Kunsten. Want in de grote Delhaize-supermarkt vlakbij mag het personeel naar hartenlust dampen in de halfopen rookruimte vlak aan de straat.

 

Anti-stresskot

“Het zou een ramp zijn moest dit fijn rokershok verdwijnen”, zegt Delhaize-medewerkster Candy (37). “We zijn met flink wat rokers en hebben de gewoonte aangekweekt om elk kwartier pauze twee sigaretten te roken. Vervolgens moeten we er weer twee uur tegen kunnen. Toen deze plek er nog niet was, stonden we in de zomer op straat te roken. Sommige buurtbewoners vonden dat niet zo leuk. Heel begrijpelijk. Dit rookhok is ideaal. Aan de ene kant van het hek is de overdekte fietsenstalling voor de klanten; aan de andere kant kunnen wij overdekt een sigaretje roken. Die bank staat hier nog niet zolang. De rookpauze is het enige moment dat wij even kunnen zitten. Zalig. Niet-rokende collega’s komen hier soms ook kletsen, zeker in de zomer.”

Is het niet te koud in de winter? “Toch wel. Ziet u de buitenunits van de airco? In de zomer blazen die warme en in de winter koude lucht. In de zomer wordt het in dit hok soms té warm en staan we op de rooster op het trottoir te roken. Daarom ligt die vol peuken. Niet al mijn collega’s zijn even proper. Er hangt een asbak, maar voor sommigen kost het blijkbaar te veel moeite om hun sigaretten daarin te doven.”

Krijgt Candy soms opmerkingen van voorbijgangers? “Nee, maar af en toe beginnen klanten die hun fiets aan het stallen zijn demonstratief te kuchen.”

Denkt ze aan stoppen met roken? “Vaak. Delhaize biedt ook ondersteuning aan om te stoppen. Ik heb tot hiertoe één poging ondernomen met Champix, maar dat ging fout. Ik was continu misselijk: van ’s morgens tot ’s avonds voelde ik me net zwanger. Nu durf ik stoppen bijna niet meer aan. Ik ben ook bang dat ik te veel kilo’s zal bijkomen. Of ik spijt heb dat ik ooit ben beginnen roken? Nee, want ik geniet nog steeds van elke sigaret. Alleen kost het een klein fortuin. Als ik met niet-rokende vrienden een stapje in de wereld zet, schaam ik me soms voor mijn gewoonte. Want dan sta ik daar alleen met mijn sigaret te stinken.”

Candy’s kwartier is om. “Ik moet dringend prikken.” Tien minuten later stapt Sophie (54) de rookruimte binnen, sigaret in de aanslag. “Dit is een ideale plek voor sociaal contact”, zegt ze. “In de rustzaal binnen is dat anders: daar zit iedereen te tokkelen op zijn telefoon. De rokers zijn minder aan hun smartphone verslaafd en praten met elkaar. Soms komen ook mensen uit de buurt een sigaretje meeroken. Vaak is dit ons anti-stresskot. Met sommige collega’s rook ik liever dan met andere. We proberen onze pauzes aan elkaar te koppelen; het is toch logisch dat het met de ene mens beter klikt dan met de andere?”

Hoe lang rookt Sophie? “Van mijn achttiende. Ik stopte voor mijn eerste zwangerschap en negen jaar lang was ik niet-roker. Door mijn echtscheiding ben ik terug begonnen, een pakje per dag. Of ik nu nog wil stoppen? Mijn vriend rookt ook, dat maakt het extra moeilijk. In de zomer roken we op ons terras; in de winter klikken we het dakvenster een beetje open. Ik heb spijt dat ik ooit ben beginnen roken, maar voorlopig ben ik niet van plan ermee te kappen.”

Roken haar kinderen? “Mijn dochter is radicaal tegen. Als ik met haar op stap ben, rook ik zeer weinig. Mijn zoon rookt af en toe tijdens het uitgaan. Het probleem is dat ik elke sigaret nog altijd even lekker vind. Ik heb een paar maanden de e-sigaret geprobeerd, maar dat is niet hetzelfde.”

Dreigt er een rokersopstand als ook in België alle rookruimtes dicht moeten? Sophie: “Nee, rokers zullen dat braaf ondergaan, net als die nieuwe vreselijke zwarte sigarettenverpakkingen.” Ze vist een pakje uit haar schort. “Gruwelijk. Vroeger was mijn pakje tenminste nog groen omdat ik mentholsigaretten rook.” Vanaf 20 mei 2020 zijn die toch in heel Europa verboden omdat ze roken te aantrekkelijk maken? “Ik weet het”, zucht ze. “Dat wordt voor mij een enorm probleem.”

 

Smokers inside the hospital doors

Zestiger Luc werkt als vrijwilliger aan het onthaal van ziekenhuis AZ Nikolaas in Sint-Niklaas. Hij heeft pauze en geniet van een sigaret in de rokersruimte buiten, vlakbij de ingang. “Je vindt me hier altijd tijdens mijn pauzes”, zegt hij. “Ik heb er nog nooit een opmerking over gekregen. Ik zou het vreselijk vinden als dit rokerskot wordt afgeschaft. Zowel personeel, als bezoekers en patiënten moeten toch de kans krijgen om een sigaretje te roken? U zegt dat roken niet gezond is?” Hij wrijft zich over de borst. “Dit is gerookt vlees en dat blijft lang goed.” Staan hier ook soms dokters te paffen? “Nooit. Het is een groot mysterie waar zij hun sigaretten opsteken.”

Luc wil niet op de foto, net als de verpleegster die op een bankje plaatsneemt en haar sigaret aansteekt. “Sorry, maar ik wil niet in de problemen komen. Ik ben nu aan het werk. Geen commentaar.”

Luc neemt ons mee naar binnen. “Dit ziekenhuis heeft ook een knus verwarmd intern rokershok”, zegt hij. “Het zit daar altijd stampvol.” De rokerskamer van AZ Nikolaas ziet blauw van de rook. De muren zijn gelig; het is niet duidelijk of het verf of teer is. Op de stoelen zitten vijf patiënten en één personeelslid te roken en te hoesten. De patiënten zijn te herkennen aan hun kamerjassen, verbanden en/of infuusstandaarden, het personeelslid aan haar zwart t-shirt met het logo van het ziekenhuis. Ze draagt een haarnetje en werkt in de cafetaria. Ze heeft geen zin in een gesprek. De anderen wel. Een vrouw in peignoir klemt haar ene hand rond haar infuusstandaard; de middelvinger en wijsvinger van haar andere hand liefkozen een sigaret. “Waar moeten wij dan gaan roken als net als in Nederland alle rokerskoten afgeschaft worden?”, vraagt ze vertwijfeld. “Buiten voor de hospitaaldeuren”, antwoordt Nashota West, transvrouw en professioneel singer/songwriter van countrymuziek. “Met als gevolg dat zeker in de winter nóg meer mensen ziek zullen worden.” Nashota (55) zit hand in hand met haar transvrouw Jenny (57). In hun andere handen balanceren sigaretten.

Nashota: “Natuurlijk is roken ongezond, toch vind ik dat er zowel in bedrijven als in ziekenhuizen altijd plekken moeten zijn waar je een sigaret kan opsteken.”

Jenny: “Hoe je het draait of keert, roken is een sociale bezigheid. Natuurlijk betaal je daar ooit een prijs voor.”

Jenny is ziek en toch rookt ze dapper door. “Haar ziekte heeft niets met het roken te maken”, sust Nashota. “Jenny had een abces op een tand en dat liep door naar haar hersenen.”

Jenny: “Mijn linkerkant viel uit. Ik ben hier sinds 2 december. Vrijdag mag ik eindelijk naar huis.”

Nashota: “Door de druk op de hersenen kon ze niet meer lezen en schrijven. Dat komt nu langzaam terug. Jenny heeft ook niet veel longcapaciteit meer, maar dat heeft niets met haar rookgewoonten te maken.”

Eigenlijk zou Jenny niet meer mogen roken? Jenny: “Inderdaad. Ik probeer het tot twee sigaretten per dag te beperken in de plaats van twintig.”

Nashota: “Wil je er nog eentje, schat? Kijk, het enige dat we met zekerheid over roken weten, is dat het genezingsproces erdoor vertraagt. Voor de rest is het voor elk individu verschillend. De ene roker krijgt op zijn 35e kanker, de andere wordt probleemloos 90.”

Hoe lang roken Nashota en Jenny? Nashota: “Jenny begon op haar zestiende; ik op mijn 33e. Mijn relatie ging voor de zoveelste keer om zeep. Uit balorigheid greep ik naar de sigaret, want mijn toenmalige vrouw zei altijd: ‘Begin daar nooit mee.’”

Hoeveel pogingen hebben beide dames ondernomen om te stoppen? Nashota: “Allebei nog maar één. Ik schakelde toen over naar de e-sigaret. Maar elke trek deed verschrikkelijk pijn in luchtwegen en longen. Dat was geen goed idee. Het plan is om binnenkort definitief te stoppen, maar zelfs dan zullen we nog naar het rokerskot komen. Het is hier veel te gezellig.”

 

Derderangsburgers

“Ze hebben vannacht gaatjes in mijn stembanden gemaakt”, zegt Marielle (52) met hese stem terwijl ze uit een pakje Elixyr een sigaret opdelft. “Niemand kent dit merk.” Over haar keel zit een verband. Is het verstandig om nu te roken? Ze reageert als door een wesp gestoken: “Meneer, u moet niet lullen, u zit hier tussen rokers. Ja, het doet een beetje pijn; het zijn open wonden. U vraagt of ik mag roken, terwijl we hier allemaal verslaafd zijn aan nicotine. Een patiënt met een zwaar drankprobleem zal ook zijn uiterste best doen om aan alcohol te geraken. Mijn kinderen zijn twintigers. Ze zijn geboren met een keizersnede. Weet u wat de verpleegster zei? ‘Rokers die in de kliniek terecht komen, zijn veel sneller te been dan niet-rokers.’ Weet u waarom? Omdat ze zo snel mogelijk hun drang naar nicotine willen bevredigen. Een niet-roker laat zich liever bedienen.”

Een rokende vrouw in een rolstoel roept: “We zijn derderangsburgers!” Marielle knikt. “De overheid is helemaal niet bezorgd over onze gezondheid. Moesten ze daarmee inzitten, waren er geen sigaretten meer te koop. Denken ze nu echt dat er door die zwarte verpakkingen minder gerookt zal worden? Ik overweeg in de toekomst mijn rookwaar in het buitenland te kopen. Met het geld dat je hier voor vier sloffen sigaretten neertelt, koop je er in Luxemburg vijf.” Ze haalt haar pakje Elixyr opnieuw tevoorschijn. “Neem er ook een”, zegt ze.

Nadia (63) lurkt liever aan haar e-sigaret. Ze komt vanuit het verre Helchteren in Limburg voor een behandeling naar Sint-Niklaas. Het is haar eerste dag. “Nog negen te gaan. Een tijd geleden lag ik in het ziekenhuis in Genk. Ze hebben nooit gemerkt dat ik in het geniep onder de lakens elektrisch lag te roken. Vier jaar geleden ruilde ik de sigaret voor de vaper in. Mijn favoriete smaak is tabak en er zit 18 mg nicotine in een capsule. Als mijn zoon of dochter aan mijn e-sigaret trekken, krijgen ze een hoestbui.” Waarom schakelde ze over? “Omdat mijn man astma heeft. Ik moest kiezen: buiten roken of de e-sigaret. Ik heb sindsdien geen enkele ouderwetse sigaret meer aangeraakt.”

 

Obsessie

In biljartcafé Enjoy onder de kerktoren van het Oost-Vlaamse dorp Oordegem heeft het rokershok een prominente plaats vooraan. “Met zicht op de Grand Place.” Het is de favoriete plek van stamgasten Rudy (53) en Eric (52). “Een verbod op rokersruimtes is een ramp voor mijn café”, zegt waard Peter Rosschaert. “Ik heb veel geïnvesteerd in dat hok. Het afzuigsysteem alleen al kost 4000 euro. De mensen uit de buurt zullen het me niet in dank afnemen als mijn cliënteel buiten staat te roken.”

Rudy verlangt naar de goede oude tijd van voor het rookverbod op café. “Weet u dat ik sinds dan meer ben beginnen roken? Vroeger dacht ik niet zo vaak aan die sigaret, maar dat rookkot werkt als een magneet. Om de zoveel tijd moét ik er daar eentje gaan opsteken. Als ik Eric naar het rookkot zie stappen, volg ik automatisch.”

Het rookkot is een obsessie geworden? Rudy: “Ja. Eens ik daar zit, rook ik de ene na de andere sigaret.”

Wil hij ervan af? “Liever niet. Vorig jaar ben ik ook beginnen vapen. Ik vind die smaakjes wel lekker. Nu is het dubbelop.”

Eric is een fan van de rookruimte. “Ik voel die drang niet om er zoals Rudy continu te gaan zitten paffen. Moest er geen rookverbod in deze ruimte zijn, stond ik hier nu wel met een sigaret tussen de vingers.”

Rudy: “Soms zitten er in de rookruimte ook niet-rokers. Ze trekken zich daar dan terug om in het ‘geheim’ over iets te beraadslagen. Op café hebben de meeste niet-rokers trouwens niets tegen rokers. De grootste ambetanteriken zijn de ex-rokers. Ik vermoed dat ze niet volledig van hun verslaving af zijn en ons daarom graag de les lezen.”

Eric: “Rokers, niet-rokers en ex-rokers moeten respect hebben voor elkaar.”

Rudy: “Precies. Als morgen alle rokers beslissen om te stoppen, zit de overheid met een gigantisch inkomstenprobleem. Al die gederfde taksen zullen moeten gecompenseerd worden. Ook al die niet-rokers die zo graag op de kap van de rokers zitten, zullen die dan mee mogen ophoesten. Dat ze daar maar eens goed over nadenken.”

 

Heksenjacht

Johan (70) is een gepensioneerde politieagent en liefhebber van Cubaanse sigaren. De rookkamer van cocktailbar La Bodeguita del Medio in Kortrijk is zijn favoriete pleisterplaats. “De tolerantie tegenover het roken van sigaren is gelukkig groter dan tegenover sigaretten”, zegt hij. Liefdevol jaagt hij het vuur door een Cohiba van 30 euro. “Ik rook een sigaar of drie per dag. Ik denk niet dat ik verslaafd ben. Ik inhaleer niet en geniet van het aroma vooraan in mijn mond.”

Sommigen omschrijven het aroma van sigaren als pure stank. Johan: “Als sigarenroker vind ik dat sigaretten ook stinken. Toen ik nog werkte, mocht er zowat overal gerookt worden. Ik zat vaak op kantoor en iedereen pafte gewoon aan zijn bureau. Op restaurant vroeg ik altijd eerst of het niet stoorde dat ik een sigaar opstak. Nu moeten alle rokers naar buiten.”

Rokers zijn paria’s geworden? “Misschien wel. Het lijkt soms op een heksenjacht. In deze stad krijg je een gasboete als je een peuk op de grond gooit. Er worden steeds zwaardere maatregelen tegen rokers genomen. Terwijl kleine kinderen die nooit gerookt hebben, ook aan kanker sterven.”

 

© Jan Stevens

‘Het was een pure horroshow’

In De Russische klus reconstrueert Douglas Smith hoe Amerika begin twintigste eeuw tijdens de hongersnood in de Sovjet-Unie ingreep. ‘Zo behoedden we de communistische dictatuur van de ondergang.’

 

De Amerikaanse historicus Douglas Smith blaast in zijn fascinerende boek De Russische klus het stof van een compleet vergeten geschiedenis. Na jaren van revolutie en oorlog was rond 1920 de hongersnood in de prille Sovjet-Unie zo extreem, dat sommigen wanhopig hun toevlucht namen tot kannibalisme. Vladimir Lenin, de leider van de bolsjewistische partij, zag geen andere uitweg dan de aangeboden hulp van kapitalistische aartsvijand Amerika te aanvaarden. In het vroege najaar van 1921 trok een kleine groep Amerikaanse hulpverleners de op instorten staande communistische heilstaat in. De reddingsactie van de American Relief Administration (ARA) onder leiding van de latere Amerikaanse president Herbert Hoover redde miljoenen Russen van de hongerdood. Voor miljoenen anderen kwam alle hulp te laat. Twee jaar lang voedde ARA dagelijks 11 miljoen Russische burgers. Na het stopzetten van de operatie op 15 juni 1923 veegden zowel de Sovjets als de Amerikanen de succesvolle Russische klus zo snel mogelijk onder het tapijt.

 

Het ligt voor de hand dat Lenin de ‘vernederende’ Amerikaanse hulp wou vergeten, maar waarom verdween die geschiedenis ook uit het Amerikaanse collectieve geheugen?

Douglas Smith: ARA-baas Herbert Hoover profiteerde eerst van de populariteit die hij in Rusland als Master of Emergencies had opgebouwd. Daarom won hij 1928 met een overgrote meerderheid de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Maar een jaar later crashte de beurs en brak de Grote Depressie uit. De ‘Meester van Noodgevallen’ slaagde er niet in zijn eigen verpauperde bevolking uit de armoede te tillen en donderde van zijn sokkel. De sloppenwijken in de steden werden ‘Hoovervilles’ genoemd, de oude kranten waaronder de daklozen sliepen ‘Hooverdekens’, en karton om gaten in afgedragen schoenen dicht te stoppen, heette ‘Hooverleer’. Een tweede ambtsermijn zat er voor Herbert Hoover niet meer in. In die donkere jaren voor WO II verdween ‘de Russische klus’ dan ook razendsnel uit de Amerikaanse herinnering.

De ARA-reddingsactie werd in de Sovjet-Unie door Lenin meteen na afloop al op de zwarte lijst gezet. Russische ARA-medewerkers werden gebrandmerkt als spionnen en de operatie werd integraal uit de Sovjetgeschiedenisboeken gegomd. Later verschenen er een paar wetenschappelijke werken over, maar voor het grote publiek bleef de Amerikaanse reddingsoperatie in Rusland tot nu een groot mysterie.

 

De Russische revolutie was nog heel pril toen de Amerikanen de Sovjets te hulp snelden.

Smith: De bolsjewieken grepen in november 1917 de macht. Daarna volgde een burgeroorlog die duurde tot halverwege 1920 en die de Russische bevolking decimeerde. In de jaren 1919 en 1920 waren de Verenigde Staten in de ban van de ‘Rode Schrik’. Na WO I was er heel wat onrust onder arbeiders, met stakingen en oproer. Onder Amerikaanse politici was de angst groot dat de bolsjewisten hun revolutie naar het Westen zouden exporteren. Achter elke straathoek bespeurden ze een bolsjewist die de regering omver wou werpen. De Amerikaanse Senaat stelde zelfs een commissie aan die de dreiging van het ‘Rode Gevaar’ in kaart moest brengen. De ‘Rode Schrik’ van toen is het equivalent van islamofobie vandaag, en van onze niet altijd even rationele angst voor jihadistische terreur.

 

Waren er in die tijd bolsjewistische terroristen actief in Amerika?

Smith: In de lente van 1919 pleegden anarchisten een reeks bomaanslagen op belangrijke politici, topambtenaren en ondernemers. Op 16 september ontplofte op Wall Street zelfs een bom die 38 mensen het leven kostte. De terreurdreiging zat dus niet helemaal tussen de oren van de burgers, maar ze mondde wel uit in een vorm van massahysterie. Die paranoia was wijdverspreid.

 

De grote hongersnood in de Sovjet-Unie was in de eerste plaats een gevolg van jaren burgeroorlog?

Smith: Jawel, zeven jaar van ononderbroken oorlog tussen het Rode leger van de bolsjewieken en het Witte Leger van de grootgrondbezitters en de adel eiste een loodzware tol. Niet enkel de Roden verspreidden terreur, ook de Witten lieten zich niet onbetuigd. Ze stalen het graan van de boeren die op hun beurt de productie drastisch terugschroefden en enkel nog graan voor eigen gebruik teelden. De wanhopige boeren verstopten het onder de vloer, in putten, tussen de rieten daken of achter schijnmuren. De extreme droogte van 1920 en ’21 was de spreekwoordelijke druppel. Twee jaar lang viel er zo goed als geen regen in zowat de hele vallei rond de rivier de Wolga. De oogsten mislukten, er was geen voedseloverschot en tegen de lente van 1921 was de ramp compleet.

 

Was het Westen zich bewust van de omvang van de Russische hongersnood?

Smith: De Amerikanen wisten dat er ernstige bevoorradingsproblemen waren, maar de ware omvang van de hongersnood drong door nadat de ARA-reddingsoperatie van start ging. Pas dan begonnen kranten en tijdschriften er aandacht aan te besteden. Zelfs de Amerikaanse hulpverleners hadden bij hun vertrek nog niet in de gaten hoe erg het was. De meesten hadden gevochten in de Eerste Wereldoorlog en vreselijke dingen gezien. Maar de toestand in de Sovjet-Unie overtrof alles. Het was een pure horrorshow. De hulpverleners waren daar niet op voorbereid. Na de revolutie was Rusland jarenlang afgesneden van de rest van de wereld. Slechts weinig westerlingen waren er zich van bewust hoe hard de oorlog het land had verwoest. De infrastructuur was vernietigd, net als de landbouw, en de steden lagen in puin. Het was alsof de Apocalyps had plaatsgevonden, met overal stapels uitgemergelde lijken.

 

In uw boek lees ik dat Vladimir Lenin minstens even meedogenloos was als zijn opvolger Jozef Stalin. Zo gaf hij in augustus 1918 het bevel om boeren die te weinig graan produceerden te ontvoeren en terecht te stellen: ‘Knoop minstens 100 rijke klootzakken op. Publiceer hun namen. Neem ze hun graan af. (…) Doe dat allemaal zodat mensen kilometers verderop het zien, het begrijpen, beven.’

Smith: Veel mensen zien Lenin nog steeds als een progressieve humanist, terwijl hij in werkelijkheid uitermate wreed was. De laatste twintig jaar werden steeds meer archieven in Rusland toegankelijk en dat leverde nieuw materiaal over de eerste leider van de Sovjet-Unie op. Recente biografieën tonen aan dat ‘vadertje Stalin’ geen verdorven tegenpool van Lenin was, maar een logische voortzetting. Vladimir Lenin was bereid tot alles om de macht te behouden. Om zijn bolsjewistische experiment te redden, liet hij Amerika, de duivel zelf, binnen. Tegen de lente van 1921 was hij doodsbang dat hij de controle over het land ging verliezen. In februari en maart kwam de marine in de militaire vestingstad Kronstadt tegen de communistische regering in opstand. Ze noemden Lenin de nieuwe tsaar Nikolaas. Dat was heel pijnlijk, want de matrozen hadden de bolsjewieken van in het begin gesteund. Arbeiders staakten massaal in Sint-Petersburg, Moskou en andere grote steden, en boeren kwamen in opstand tegen de inbeslagnames van hun graan. De problemen van de boeren konden Lenin niet veel schelen, maar hij maakte zich wel grote zorgen over de bevoorrading van de steden. Hij was doodsbang dat hij de controle helemaal zou verliezen als de marine en de soldaten van het Rode Leger honger zouden lijden. Hij vertrouwde Herbert Hoover en zijn ARA voor geen haar, maar hij had geen andere keuze dan hun hulp te aanvaarden. Hij zorgde er wel voor dat de organisatie op de voet gevolgd werd door agenten van de geheime dienst Tsjeka.

 

Wat voor iemand was Herbert Hoover?

Smith: Hij was een Republikein, maar als hij vandaag zou leven denk ik niet dat hij lid zou zijn van de Republikeinse Partij. Hij zou zich diep schamen voor wat Donald Trump met de Grand Old Party heeft aangericht. Herbert Hoover was een briljante ingenieur en zakenman die rijk werd in de wereld van de internationale mijnbouw.

 

Ook in Rusland?

Smith: Ja, al verkocht hij zijn Russische mijnconcessies vlak voor de start van de Eerste Wereldoorlog. Hij had het Rusland van de tsaren een paar keer bezocht en was geschokt door de repressie, de stuitende ongelijkheid en het gebrek aan democratie. Hij was ervan overtuigd dat die cocktail ooit zou ontploffen. Hoover groeide op als Quaker, The Religious Society of Friends. Die kerkgemeenschap voert het helpen van de medemens hoog in het vaandel. De Amerikaanse Quakers vochten van in het begin tegen de slavernij. Herbert Hoover had als veertiger fortuin vergaard en wou voortaan als een echte Quaker verder met zijn leven. Tijdens WO I stortte hij zich in de liefdadigheid.

 

Met zijn ‘Comittee for Relief of Belgium’ (CRB) kocht Herbert Hoover vanaf 1914 wereldwijd voedsel aan dat hij vervolgens naar het bezette België en Noord-Frankrijk liet brengen. Hoovers CRB verdeelde twee miljoen ton voedsel onder zeven miljoen Belgen en twee miljoen Fransen. Vóór Rusland redde Hoover België van de hongerdood?

Smith: U hebt gelijk, daar had ik zelf niet eens aan gedacht. (lacht) Hoover staat inderdaad ook bekend als de redder van België. Zijn uw landgenoten zich daar nog van bewust?

 

Ik denk het niet, ook al hebben we dan in verschillende gemeenten Herbert Hooverstraten en -pleinen.

Smith: Na WO I hielp Hoover bij de opstart van de American Relief Administration, of ARA. Hij nam eerst als Amerikaans adviseur deel aan de vredesonderhandelingen in Versailles en was geschokt en triest door de miserie en verwoesting die hij overal in Europa zag. Hij kreeg geld van het Amerikaanse Congres om ARA op te richten en zo de grootste noden van de Europeanen te helpen lenigen. Hij vond dat een flink deel van het geld naar Duitsland en Oostenrijk moest vloeien omdat ook zij geleden hadden. Maar de Amerikaanse overheid zinde in de eerste plaats op wraak en stak daar een stokje voor.

 

Boden de Amerikanen in 1921 hulp aan de Sovjets aan, of werden ze gevraagd?

Smith: In de zomer van 1921 schreef de beroemde Russische schrijver Maxim Gorki een brief om hulp aan de wereld. Het Europese Rode Kruis en de Noorse ontdekkingsreiziger Fridtjof Nansen organiseerden de eerste hulpacties. Maar Europa had in die tijd niet de middelen omdat het continent nog moest herstellen van de gruwel van de wereldoorlog. De Amerikanen hadden wel geld in overvloed, waardoor zij snel verantwoordelijk waren voor 90 procent van alle hulp aan Rusland.

In het begin stond Lenin erg sceptisch tegenover ARA. Hij sprak zeer cynisch over Hoover, maar dat veranderde toen hij zag hoe efficiënt de Amerikanen te werk gingen. Het duurde niet lang of Lenin vond Herbert Hoover een geweldige kerel. ‘We hebben Hoover en zijn manschappen broodnodig’, verkondigde hij aan al wie het horen wou. Jozef Stalin heeft de Amerikanen nooit vertrouwd. Sommigen binnen de Tsjeka probeerden de operatie te dwarsbomen. Het bizarre is dat Feliks Dzerzjinski, het toenmalige nietsontziende hoofd van de Tsjeka, de Amerikanen wél gunstig gezind was.

 

Dzerzjinski alias ‘IJzeren Felix’, had toch een zeer slechte reputatie?

Smith: De Amerikanen hadden de Russische spoorwegen nodig om voedsel over het land te transporteren. Als hoofd van het Volkscommissariaat van het Vervoer had de machtige Dzerzjinski alles te zeggen over de treinen. William Haskell leidde de ARA-operatie en ontmoette Dzerjinski meermaals. Bij problemen liet IJzeren Felix spoorwegbeambten koudweg executeren. Haskell zei daarover: ‘Ik weet dat Dzerjinski’s handen druipen van het bloed, maar dat is oké want hij zorgt ervoor dat onze goederentreinen rijden.’

 

Een van de sleutelfiguren in de ARA-reddingsoperatie is de Amerikaanse diplomaat en gesjeesde schrijver James Rives Childs. Hij was in de eerste plaats een avonturier?

Smith: Childs was een merkwaardig man. Zijn schrijverschap kwam nooit van de grond, maar hij gold wel als een van ’s werelds grootste kenners van Giacomo Casanova. Dat zegt misschien veel over hemzelf. (lacht) Childs was inderdaad een avonturier, maar ook een idealist. Amerika vond hij te saai en te normaal. Hij had gevochten in WO I en was geheim agent geweest. Als student op Harvard ging hij naar een lezing van John Reed, een radicale Amerikaanse journalist die de Russische revolutie had meegemaakt. De jonge Childs werd op slag socialist en wou het arbeidersparadijs in de Sovjet-Unie met eigen ogen aanschouwen. Hij geloofde in de waarden van de revolutie en had het hart op de juiste plaats. Hij wou zijn Russische broeders helpen. Maar hij schrok van wat hij in Rusland aantrof.

 

Een andere schilderachtige figuur is Henry Wolfe. U volgt hem op zijn kannibalenjacht.

Smith: Wolfe was leraar geschiedenis in de staat Ohio en verveelde zich te pletter. Dus sloot hij zich aan bij ARA en vertrok op avontuur naar Russisch hongergebied. Hij zocht actie en opwinding. Veel Russen konden niet begrijpen waarom jongemannen zoals Wolfe uit een rustig, stabiel land aan de andere kant van de wereld, de chaos en de gruwel opzochten. Henry Wolfe ving geruchten op dat wanhopige Russen hun gestorven medeburgers opaten. Zo was er het verhaal van twaalf uitgehongerde mannen en vrouwen die het lijk van een recent overleden man op een kerkhof hadden opgegraven en er zijn rauwe vlees meteen hadden verslonden. Er was ook het sensationele verhaal van een dode man die door een restaurantuitbater versneden was tot koteletten en gehakt. Henry Wolfe wou die kannibalen ontmoeten en dat lukte hem uiteindelijk ook. Er is een foto bewaard gebleven waarop hij poseert met de resten van een kannibalenmaal: twee opengekliefde vrouwenhoofden, een deel van een ribbenkast, een hand en de schedel van een kind. De Sovjetautoriteiten wisten niet goed hoe ze met hun kannibalen moesten omgaan. Want meestal waren het wanhopige mensen en geen criminelen.

 

ARA heeft de Russen daadwerkelijk helpen overleven?

Smith: Zonder twijfel. In het begin van de operatie dachten de Amerikanen dat ze grofweg een miljoen mensen per dag zouden moeten voeden. Op het toppunt een jaar later gaven ze elf miljoen mensen te eten. Daarnaast verscheepten ze tonnen medisch materiaal, knapten ze ziekenhuizen op en herstelden ze vernielde wegen in dorpen en steden. Ze brachten kleding en schoenen mee en zetten zelfs een speciaal programma op om de hoogopgeleide Russische wetenschappers, dokters en academici terug aan de bak te helpen.

 

De Amerikanen hebben de Russische revolutie gered?

Smith: Een Amerikaans recensent merkte op dat zonder ARA de Sovjet-Unie in elkaar gezakt zou zijn en we de terreur van Stalin nooit hadden moeten meemaken. Misschien heeft hij gelijk, toch vind ik het onze morele plicht om mensen die in de shit zitten altijd te helpen. In 1921 kon niemand de latere capriolen van dictator Stalin voorspellen. Veel Amerikaanse hulpverleners geloofden dat door ARA de Russen wel zouden inzien dat communisme een vergissing was. Dat bleek een illusie te zijn.

 

Is in het huidige Amerika een reddingsactie zoals ‘de Russische klus’ nog mogelijk?

Smith: De ARA-redding van Rusland staat haaks op wat er nu in mijn land plaatsvindt. De VS isoleren zich in sneltreinvaart van de rest van de wereld. Ik begon dit boek te schrijven vóór Trump president werd en ‘America First’ de kop opstak. Ik hoop dat De Russische klus sommige landgenoten laat inzien dat het als welvarende samenleving onze verdomde plicht is mensen in nood te helpen. Voor een échte Republikein zou niet Donald Trump de gids mogen zijn, maar Herbert Hoover uit 1921.

 

Douglas Smith, De Russische klus, Spectrum, 328 blz., 27,99 euro

 

Douglas Smith

  • 1962 geboren in Minnesota
  • Studie Russisch aan de universiteit van Vermont en geschiedenis aan de universiteit van Californië
  • Schrijft verschillende historische werken over Rusland
  • 2012 debuteert als schrijver van populair-wetenschappellijke boeken over Rusland met Verloren adel, de laatste dagen van de Russische aristocratie

 

 

© Jan Stevens

‘De nonnen namen hun geheimen mee in het graf’

In het najaar van 1966 beviel Jeanine Ogiers anoniem in een rijhuis in Rijsel en stond haar kind af voor adoptie. Sindsdien is ze wanhopig op zoek naar haar verdwenen dochter. ‘De mensen zien me nog altijd als een paria omdat ik mijn kind afstond.’

 

Bijna haar leven lang is de inmiddels tachtigjarige Jeanine Ogiers uit Wetteren op zoek naar haar ‘verdwenen dochter’. In oktober 1966 beviel ze anoniem in Frankrijk. ‘Dat was zo geregeld door de blauwe zusters van Gent.’ Haar baby moest ze meteen na de geboorte afgeven. ‘Ik mocht haar niet vastpakken, maar diezelfde nacht nog sloop ik uit mijn bed om haar te knuffelen. Ik noemde haar Regina; ik vond dat een heel mooie naam. Ik heb haar nooit meer gezien.’

Jeanine’s zoon John Verstraeten maakte in oktober 2017 de Facebook-pagina ‘Op zoek naar mijn verloren zus’ aan. ‘Ik zette er foto’s op van ons, haar broers en zussen, en van moeder toen ze nog jong was. Die pagina werd meer dan duizend keer gedeeld en ik hoopte dat mijn verdwenen zus ons zo misschien op het spoor zou komen. Tot hiertoe is dat niet gebeurd. Ik heb intussen bij de Franse overheid een verzoek ingediend om de anonimiteit van moeder op te heffen. Zo komt mijn zus tenminste de naam van haar biologische moeder te weten, als ze op zoek zou zijn. Mijn moeder werd er indertijd door haar moeder van beschuldigd haar kind verkocht te hebben aan de Zusters Kindsheid Jesu, de blauwe zusters in de volksmond. Grootmoeder legde toen ook klacht neer bij de rijkswacht, zonder gevolg.’

 

In de jaren zestig gingen vooral ongehuwde meisjes anoniem in een kliniek in Frankrijk bevallen. Mevrouw Ogiers, u was 27 en had al drie kinderen.

Jeanine Ogiers: Ik kwam bij die nonnen terecht omdat ik materieel en emotioneel volledig aan de grond zat. Mijn toenmalige man had een zwaar drankprobleem en mishandelde ons. Op een nacht gooide hij de bedjes om waarin John en zijn oudere broer en zus lagen te slapen. Toen was de maat vol. Ik vluchtte met de kinderen naar mijn ouders, maar daar waren we niet welkom. Ik stond op straat met drie kleine kinderen, zonder inkomen. Mijn man betaalde het onderhoudsgeld niet en ik kreeg geen kindergeld. Ik wist van geen hout pijlen maken en moest dringend werk vinden. De kinderen werden in een home in Heusden geplaatst en ik vond een job bij de pas geopende Volvo-fabriek in Gent, aan de lopende band.

John Verstraeten: Op mijn 56e heb ik nog steeds vreselijke beelden van die paar maanden in dat tehuis. Ze stopten ons in de kelder omdat onze ouders de rekeningen niet betaalden. Toen ik drie jaar oud was, werden we geplaatst bij onze grootouders.

Ogiers: Mijn vader en moeder aasden eerst en vooral op het geld dat ze daarvoor kregen.

Verstraeten: Dat is jammer genoeg waar. Met die centen kochten ze een nieuwe salon en tv. Wij krikten hun materiële welstand op en in ruil gaven ze ons slaag. Ik hoor mijn grootmoeder nog schreeuwen: ‘Je moeder is een hoer. Ze liet je in de steek. Trap het maar af als het je niet aanstaat.’

 

Dat klinkt alsof u opgroeide aan de zelfkant van de samenleving.

Verstraeten: Toch niet. Mijn grootvader was buschauffeur en verdiende goed zijn boterham. Maar mijn grootouders waren allebei zeer gewelddadig tegenover hun kinderen en kleinkinderen. Ik zie nog hoe opa mijn zus met een stok afranselde. Als de woede uit zijn ogen verdwenen was, zei hij tegen haar: ‘Hier heb je 500 frank.’ De huisdokter speelde een smerige rol in heel ons verhaal. Elke maand kwam hij controleren of mijn veertienjarige zus nog maagd was. Toen ik veertien was, ging hij ook bij mij over tot seksueel grensoverschrijdend gedrag. ‘Dan kan ik je beter onderzoeken’, beweerde hij. Onlangs zat ik in het vliegtuig naast een vriendelijk oud heertje. ‘Waar komt u vandaan?’, vroeg hij. ‘Wetteren’, antwoordde ik. Hij zei: ‘Dat is toevallig, ik woon in de buurt, in Oordegem. Ik ben dokter D.W., aangename kennismaking.’ Ik voelde me misselijk worden; het was onze huisdokter van toen. Ik kon geen woord meer uitbrengen.

 

Mevrouw Ogiers, in 1966 raakte u ongewenst zwanger.

Ogiers: Mijn zes jaar oudere ploegbaas bij Volvo toonde zich erg bezorgd over mijn situatie. Hij troostte me en van het een kwam het ander. Hij was getrouwd en had kinderen. Er wordt vaak gezegd: ‘Een getrouwde kerel verleiden, deugt niet.’ Terwijl ik geen seks zocht, maar warmte, genegenheid en vriendschap. Maar dat beseffen al die mensen niet die met het vingertje staan te zwaaien. Zijn vrouw heeft nooit iets van onze relatie geweten. Toen ik zwanger was, vroeg hij niet of hij kon helpen. Hij heeft later ook nooit naar ons kind gevraagd.

Verstraeten: Ik kan begrijpen dat je in die man zijn armen belandde, want jij zat in de miserie. Maar hij maakte misbruik van je, want jij was de zwakkere partij. Hij was je baas, getrouwd, met kinderen. Als hij je echt graag had gezien, zou hij zijn verantwoordelijkheid genomen hebben en had hij een fatsoenlijke regeling uitgewerkt.

Ogiers: Toen ik wist dat ik zwanger was, raakte ik in paniek. Ik zat er compleet onderdoor, kon geen nieuwe baby aan en zocht hulp in het Bijlokehospitaal in Gent. Zij verwezen me door naar het klooster van de blauwe nonnen in de Nederpolder. Ik tekende een contract dat ik mijn kind afstond. Toen de weeën begonnen, voerden de zusters me met een auto naar Rijsel om te gaan bevallen.

 

Naar een ziekenhuis?

Ogiers: Nee, naar een huis in de rij, bij een vroedvrouw. Ik was niet de enige die daar kwam bevallen; er was nog een hoogzwanger meisje. Zij kwam uit Schellebelle. Ook haar kind, een jongen, werd zonder boe of ba meegenomen, net als mijn dochter. Ik mocht haar zelfs niet even vasthouden. Die nonnen waren keihard. ’s Anderendaags voerden ze me terug naar huis. Op het moment van ons vertrek zag ik een non een andere auto instappen, met mijn pasgeboren baby in haar armen. Ik was murw en alles gebeurde buiten mij om. Ik weet zelfs niet meer waar ze me toen in Gent hebben afgezet. Vannacht lag ik daar urenlang over te piekeren, maar heel die tocht van Rijsel naar Gent is een zwart gat. Die reis is al jaren uit mijn geheugen gewist.

 

Werd u door de zusters onder druk gezet om uw kind af te staan?

Ogiers: Nee. Ik zat diep in de shit en zag geen andere uitweg. Maar zowat meteen na de geboorte stak een overweldigend schuldgevoel op. Een paar maanden later klopte ik opnieuw bij de blauwe zusters aan. Ik wou weten waar mijn kind was. Hun reactie was ijskoud: ‘Daar heb je geen zaken mee.’ Ik had mijn kind definitief afgestaan, was dus geen moeder meer en kon maar beter opkrassen. Ze werden boos omdat ik het lef had naar mijn dochter te vragen. Jaren later hoorde ik dat de non die zich met de ongewenste zwangerschappen bezighield, bijna al haar dossiers verbrand had. ‘Ik neem mijn geheimen mee in het graf’, zei ze. Ook het dossier van mijn dochter ging in vlammen op.

 

Toch wist u dat u uw kind voor adoptie had afgestaan?

Ogiers: Natuurlijk, maar ik kreeg daar zeer snel spijt van. De kinderen werden alleen verkocht aan adoptieouders die er warmpjes inzaten. Dat zeiden de zusters me toen ik dat contract tekende. De handel in baby’s van ‘gevallen vrouwen’ bracht in die tijd een aardige stuiver op.

Verstraeten: In werkelijkheid was het mensenhandel, die dan nog eens netjes geregeld was tussen kerk en staat. Want anoniem bevallen in Frankrijk was volkomen normaal. Ik begrijp de hardheid van die nonnen niet die mijn moeder een paar maanden na de bevalling wegstuurden.

Ogiers: Op school leerde ik dat we respect moesten hebben voor dokters, advocaten, pastoors en nonnen. Sorry, maar vandaag heb ik voor geen enkele geestelijke nog respect. Ik geloof in iets dat ons overstijgt, maar het instituut de kerk kan me gestolen worden. Weet u dat ik het er zeer moeilijk mee heb om mijn verhaal aan u te vertellen? Want ook al is de maatschappij veranderd en is de kerk haar greep kwijt, toch blijft er veel schaamte. Ik word nog altijd als een paria bekeken omdat ik mijn kind heb afgestaan.

 

Mijnheer Verstraeten, wanneer zag u uw moeder voor het eerst terug?

Verstraeten: Op de begrafenis van mijn grootmoeder. Ik was toen veertien. Ik was boos op moeder, want ze had ons in de steek gelaten. Het heeft dertig jaar geduurd voor ik hier over de vloer kwam. Ik kon het woord ‘moeder’ niet uitspreken. Toch raapte ik op een dag al mijn moed bijeen en belde aan. Grootmoeder had bij leven en welzijn de wildste verhalen over mijn moeders handel en wandel verteld. Ik wou haar versie van de feiten horen en heb haar intussen ook vergeven. Ik kan niet oordelen over wat zij indertijd meemaakte.

Ogiers: Mijn moeder zei dikwijls dat ze me liever kwijt dan rijk was. Tegen mijn vader riep ze: ‘Sla Jeanine dood, dan zijn we tenminste van haar verlost.’ Ik was een ongewenst kind en dat heeft me voor de rest van mijn leven getekend. Net als mijn zoektocht naar mijn verdwenen dochter.

 

Zoekt u niet naar een naald in een hooiberg?

Ogiers: Daar lijkt het op, ja. Want weet zij dat ze in Frankrijk geboren is? Niemand heeft zicht op wat die nonnen indertijd aan de adoptieouders wijsmaakten. Wat wisten die mensen over haar afkomst?

Verstraeten: We hopen dat ze ooit onze Facebook-pagina ‘Op zoek naar mijn verloren zus’ bezoekt, al die foto’s van haar broers, zussen, moeder en grootouders ziet en zichzelf daarin herkent.

Ogiers: Ik heb via een website een DNA-staal laten nemen in de hoop dat er ergens een match is met haar. Waarschijnlijk heeft zij intussen kinderen en heb ik zo ook nog kleinkinderen die ik niet ken. Veel jaren resten me niet meer om haar te vinden.

 

Het zou ook kunnen dat ze heel kwaad is op u.

Ogiers: Daar hou ik rekening mee. Ik wil haar heel graag vinden, maar tezelfdertijd ben ik bang voor die eerste ontmoeting. Het kan best dat ze me nooit meer wil zien.

 

U hebt vijf kinderen. Hebben zij allemaal evenveel begrip voor uw zoektocht naar uw verdwenen dochter?

Ogiers: Ik heb zes kinderen, want ik tel mijn verdwenen dochter altijd mee. Drie zonen en drie dochters. Mijn verdwenen dochter was lang een geheim. Veertig jaar lang verzweeg ik haar, nu weten ze het allemaal. Op een bepaald moment was ik niet meer aanspreekbaar. Bij het minste schoot ik uit mijn krammen. Tot mijn dochter Tanja zei: ‘Moeder, het is hoog tijd dat je er iets aan doet, want zo kan het niet verder.’ Ik ging in therapie en dat hielp. Mijn leven was een aaneenschakeling van ellende. De gelukkigste jaren maak ik nu mee, maar elke dag denk ik aan mijn verdwenen kind.

 

 

Anoniem bevallen, het laatste mysterie

 

Met haar vzw Mater Matuta verdedigt Marleen Adriaens onder andere de belangen van slachtoffers van anonieme bevallingen. Zij voerde lang onderzoek naar adopties van de Kindsheid Jesu en weet wel wat er met de dossiers gebeurde. ‘Eind jaren tachtig zijn ze allemaal verbrand. De kloosterordes die zich met anoniem bevallen bezighielden, wisten dat er rond adoptie een strengere wetgeving in de lucht hing en hielden preventief grote kuis. Van begin jaren zestig tot eind jaren tachtig was anoniem bevallen in Frankrijk courante praktijk. Dat stopte pas definitief met die nieuwe adoptiewet van 1989. Vooral de congregatie van de Kindsheid Jesu, met kloosters in Gent en Lommel, was erin gespecialiseerd. Maar ook het seculiere adoptiebureau ‘Thérèse Wante’ uit Schoten hielp vrouwen anoniem bevallen. Wante is inmiddels dood, maar haar adoptiedienst bestaat nog en is nu gevestigd in het Waalse Ottignies. Ook Thérèse Wante stak alle dossiers in de fik.

De meeste anonieme bevallingen waren tienermeisjes in nood. De familie bracht hen naar het klooster, want de nonnen zorgden ervoor dat ze konden bevallen zonder dat iemand het wist. De baby’s werden vervolgens doorverkocht aan adoptieouders.’

 

Was het onvervalste kinderhandel?

Marleen Adriaens: Zonder twijfel, al wordt dat nog steeds ontkend. Adoptieouders moesten zogezegd niet betalen voor hun kind, maar ‘giften’ aan de kloosterorde waren wel verplicht. De nonnen stelden zich ook altijd keihard op tegen vrouwen die later wilden weten wat er met hun kind gebeurd was. Omdat alle papieren sporen gewist zijn, weet nu niemand hoeveel vrouwen er anoniem in Frankrijk gingen bevallen en hoeveel kinderen er ter adoptie werden aangeboden.

 

Is er dan niets terug te vinden in bevolkingsregisters en archieven van gemeenten?

Adriaens: Zelden. Onlangs werd ik gebeld door een vrouw van 58. Zij had nog maar pas ontdekt dat ze geadopteerd was. Niemand had begin jaren zestig haar moeder zwanger gezien en tóch was zij bevallen van een dochter. De vrouw stond geregistreerd als het biologische kind van mensen die in feite haar adoptieouders waren. Die volstrekt illegale praktijk van ‘onderschuivingen’ van kinderen kwam bij anoniem bevallen regelmatig voor. Ziekenhuizen, dokters en verpleegkundigen waren medeplichtig. Sommige veertigers en vijftigers weten vandaag dus nog altijd niet dat ze ooit geadopteerd zijn.

 

© Jan Stevens

‘We hebben de democratie een loer gedraaid’

Van 2014 tot 2018 werkte Brittany Kaiser (1986) bij Cambridge Analytica. Op niet al te koosjere wijze hielp ze zo de Brexit aan een meerderheid en Donald Trump in het zadel. Na haar ontslag werd ze klokkenluider. “Cambridge Analytica hielp Trump aan de macht en draaide zo de democratie een loer.”

 

In 2008 werkte Brittany Kaiser vol enthousiasme mee aan de eerste verkiezingscampagne van Barack Obama. Ze onderbrak er zelfs haar studies internationale betrekkingen aan de Universiteit van Edinburgh voor en verhuisde naar Chicago. Acht jaar later hielp ze als directeur programmaontwikkeling bij databedrijf Cambridge Analytica Obama’s tegenpool Donald Trump aan de macht. “Na Trumps overwinning liep ik op wolkjes: door Amerikaanse burgers individueel op sociale media te benaderen, had Cambridge Analytica op revolutionaire wijze een presidentsverkiezing gewonnen. Tezelfdertijd was ik bedroefd, want diep in mijn hart hoopte ik dat Hillary Clinton zou winnen.” Vandaag is ze nog steeds lid van de Democratische Partij. “Dat klinkt ongelooflijk, maar er is een verzachtende omstandigheid. Ooit waren mijn ouders welgesteld; na de kredietcrisis van 2008 raakten ze alles kwijt. Mijn moeder werkte voor het failliete Enron en mijn vader zat in het vastgoed. Eind 2013 was ik dringend op zoek naar een goedbetaalde job om mijn familie te kunnen onderhouden.”

In haar zowel fascinerende als angstaanjagende boek De datadictatuur brengt Kaiser verslag uit van hoe Cambridge Analytica de Amerikaanse presidentsverkiezingen manipuleerde.

Brittany Kaiser: “Ik leerde Cambridge Analytica kennen toen ik aan het doctoreren was aan de universiteit van Londen. Drie jaar lang werkte ik rond ‘preventieve’ diplomatie en mensenrechten. De Verenigde Naties en verschillende grote ngo’s zochten een manier om aan de hand van big data gruweldaden zoals de genocide in Rwanda te voorkomen. Bij preventieve datamonitoring wordt zowat alles bijgehouden en in kaart gebracht, van de prijs van een brood tot racistische praat op sociale media. Al die informatie maakt het mogelijk om gevaarlijke tendensen in de samenleving sneller op te sporen. De hamvraag van mijn doctoraatsonderzoek was: kunnen big data mensenrechtenschendingen, hongersnood en misschien zelfs oorlog helpen voorkomen? Aan de universiteit was niemand op de hoogte van preventieve big data analytics. Alexander Nix, de ceo van het Britse verkiezingsbedrijf Cambridge Analytica, wel. Zo kwam ik met hem in contact. Toen hij me vroeg om bij hem te komen werken, ging ik daar graag op in.”

 

Omdat het tussen u en hem klikte?

“Alexander leek een heel charmante man. In het begin had ik echt het gevoel dat hij het goed meende. Ik heb trouwens ook veel van hem geleerd. Hij stamt uit een aristocratische familie, uit de upper-upper class. Van bij zijn geboorte kijkt Nix op een andere manier naar de wereld dan een doorsnee mens. Ik ontmoette hem de allereerste keer begin 2014, tijdens een lunch in de chique Londense wijk Mayfair. Een vriend stelde me aan hem voor. Zowel Alexander als ikzelf hadden er een afspraak met twee buitenlanders die hulp zochten voor digitale verkiezingscommunicatie. Ik hoopte zo aan een adviseursjob te geraken, tot ik doorhad dat Alexander Nix een krak was in verkiezingspropaganda. Ik maakte geen schijn van kans. (lacht)”

 

Toen u voor Nix begon te werken, bestond Cambridge Analytica nog maar een jaar?

“Ja. Cambridge Analytica was onderdeel van de in 1993 opgerichte SCL Group, waarbij SCL staat voor Strategic Communication Laboratories. SCL was gespecialiseerd in gedragsonderzoek en strategische communicatie en paste datamining en -analyse toe om het gedrag van mensen te beïnvloeden en sturen. SCL’s eerste opdracht was de allereerste democratische verkiezing in Zuid-Afrika in 1994. Het bedrijf werkte nauw samen met Nelson Mandela en toen Alexander Nix daarover vertelde, klonk me dat als muziek in de oren. Op het moment dat ik in dienst trad, runde SCL tien verkiezingen per jaar, vaak in Afrika en de Caraïben. Daarnaast werkte het bedrijf voor multinationals en voor organisaties als de NAVO, de CIA en het FBI. Cambridge Analytica werd in 2013 speciaal opgericht voor de Amerikaanse markt. Nix’ plan was om via de tussenverkiezingen Amerika te veroveren. Zijn ultieme doel: het verzorgen van de digitale communicatie voor een presidentscampagne.”

 

Het kwam erop neer dat geprobeerd werd potentiële kiezers via sociale media warm te maken voor de opdrachtgevende politici en partijen?

“Precies. SCL verzamelde eerst data van mensen uit een bepaalde regio en gebruikte vervolgens de principes van de sociale en gedragspsychologie om ze te interpreteren. Een vrij nieuwe manier om aan data te geraken, is een online-bevraging. Vóór de digitalisering moest je van deur tot deur gaan, of eindeloos telefoneren. Nu worden die drie methodes gecombineerd waardoor je als onderzoeker zeer veel te weten komt over een plaatselijke bevolking. Wij gebruikten het OCEAN-scorestelsel uit de psychologie om die bevolking vervolgens onder te verdelen in verschillende ‘types’, waarbij ‘O’ stond voor ‘open’, ‘C’ voor ‘consciëntieus’, ‘E’ voor ‘extravert’, ‘A’ voor ‘aardig’ en ‘N’ voor ‘neurotisch’. Via onze database verzamelden we types, waarna we ze via sociale media gericht ‘bewerkten’ met reclameboodschappen. Cambridge Analytica was het eerste bedrijf dat daar zeer ver in ging én succesvol was. ‘Gedragsmicrotargeting’ is nu een algemeen bekend begrip, maar komt uit de koker van Alexander Nix en werd door Cambridge wettelijk gedeponeerd. Ondanks onze reputatie waren wij pioniers. Vandaag doen talloos veel verkiezingsbedrijven exact hetzelfde.”

 

De data haalde Cambridge Analytica bij Facebook?

“Tussen 2004 en 2015 ‘oogsten’ SCL en Cambridge Analytica overvloedig big data van Facebook-gebruikers én hun vrienden. U herinnert zich misschien nog die persoonlijkheidstestjes die jarenlang furore maakten op Facebook, zoals ‘Welk land ben jij?’ Je moest dan een paar vragen beantwoorden, waarna de app bepaalde: ‘Jij bent Duitsland!’ (lacht) Die spelletjes leken grappig en onschuldig, terwijl ze dodelijk waren voor de privacy. Candy Crush was razend populair. Wie die app op Facebook opstartte en de servicevoorwaarden aanvaardde, verleende meteen ook toestemming aan de appontwikkelaar om al zijn data én die van zijn vrienden gratis te gebruiken. De appdesigner verkocht die schat aan informatie vervolgens door aan bedrijfjes zoals Cambridge. Facebook maakte dat mogelijk met het inmiddels beruchte dataportaal ‘Friends-API’. In vergelijking met Europa hebben de VS een zeer lakse datawetgeving, maar toch was het ook daar niet toegestaan om in naam van andere volwassenen toestemming te geven voor de exploitatie van hun data. De Friends-API leverde Facebook fortuinen op. Meer dan veertigduizend softwareontwikkelaars, waaronder Cambridge Analytica, verzamelden intussen jarenlang ongestoord data van miljoenen nietsvermoedende Facebookgebruikers. Cambridge hield zo nauwgezet bij waar al die mensen zich elke dag online mee bezighielden.”

 

Op het moment dat u bij Cambridge Analytica aan de slag ging, was die illegale roof van Facebook-data volop bezig?

“Ik begon er in december 2014 te werken en bleef er tot januari 2018. Facebook doekte de in opspraak gekomen Friends-API op 30 april 2015 op. Niet veel later kwam ik erachter dat Cambridge op 6 mei 2015 ook nog data gekocht had via die Facebook-API, wat op dat moment zogezegd onmogelijk was. Mijn bazen verzekerden me dat ze die database vernietigd hadden nu ze illegaal geworden was, en dat ik spoken zag. Ik koos ervoor ze te geloven. In het begin liet Alexander me werken aan een aantal sociale campagnes voor liefdadigheidsorganisaties. Ik vond dat zalig.”

 

Maar het was een rookgordijn?

“Toch niet, Cambridge was toen nog klein. Er was in de VS ook nog niet zoveel controverse over privacy en data. Alles veranderde toen we in 2015 voor de campagne van de Republikeinse presidentskandidaat Ted Cruz begonnen te werken. Hij was allesbehalve populair, maar toch presteerde hij tegen ieders verwachtingen in vrij goed. Iedereen was het erover eens dat dat de verdienste van Cambridge Analytica was en zo haalden we voor het eerst de pers. Het tijdschrift Forbes en The Washington Post waren enthousiast over het gebruik van datawetenschap in de politiek. Een journalist vroeg zich zelfs af of we met onze methodes uit het digitale tijdperk ook de gedrukte pers zouden kunnen redden. Als we een waardeloze kandidaat als Cruz via sociale media konden pimpen, moest het ons volgens hem ook lukken om mensen terug kranten of tijdschriften te laten kopen. Op dat moment voelden we ons als Mark Zuckerberg bij de start van Facebook: het leek alsof we belangrijke en ingrijpende nieuwe technologie aan het bouwen waren.”

 

De uiterst rechtse, homofobe Ted Cruz stond haaks op alles waar u als ‘liberal’ in geloofde. Toch werkte u vol enthousiasme voor hem.

“Ik werkte nooit rechtstreeks voor zijn campagne; hij was gewoon één van onze klanten. Ik hield me vooral bezig met de verdere ontwikkeling van het bedrijf. Ik ontmoette potentiële klanten en probeerde ze met een wervende pitch over de streep te trekken. Eens binnengehaald, liet ik ze over aan mijn collega’s die de digitale strategie voor hen uitstippelden.”

 

Toen Cruz op 1 februari 2016 de Republikeinse voorverkiezing in de staat Iowa won, postte u op Twitter: ‘WE HEBBEN IOWA BINNEN!!!!!’

“Ik was die avond dronken. Ik geef toe dat ik ook mijn kritische geest kwijt was en me liet verblinden door de opmerkelijke resultaten die Cambridge Analytica tijdens verkiezingen leek te halen. ’s Anderendaags las ik wat mijn progressieve vrienden vonden van mijn steun aan Ted Cruz. Hun zeer negatieve commentaren kwamen keihard binnen.”

 

De financiers van Cambridge Analytica waren de libertaire miljardair Bob Mercer en zijn dochter Rebekah. De man die in werkelijkheid de touwtjes bij Cambridge Analytica in handen had, was Steve Bannon, de latere extreemrechtse adviseur van Donald Trump. Ook hun denkbeelden stonden haaks op de uwe.

“Dat klopt. De steenrijke Mercers zijn minstens even rechts als Steve Bannon. Ik had vooral contact met Bekah Mercer. In de dagelijkse omgang was ze joviaal en vriendelijk en ik heb haar nooit iets aanstootgevends horen zeggen. Ze wist dat ik een Democraat ben en gedroeg zich diplomatisch tegenover mij. Met haar ngo Reclaim New York is Bekah een groot voorvechter van totale overheidstransparantie. Ze wist dat ik het daarmee eens ben en speelde daar handig op in. We deelden ons kantoor met Reclaim New York en ik dacht: ‘Misschien is ze toch niet zo slecht.’”

 

Maar dat was een vergissing?

“Ja. Ik kende op dat moment haar echte ideologische agenda niet. Ik was slecht geïnformeerd en geloofde dat haar vader Bob een goedaardig briljant datawetenschapper was die fortuin gemaakt had. Ik neem het mezelf nog steeds kwalijk dat ik op voorhand de Mercers niet door Google gehaald had.”

 

Zij wilden de macht in de VS veroveren. Eerst via Ted Cruz en toen die de mist inging via Donald Trump.

“Trump brengt nu trouw al hun plannen ten uitvoer. Daar dragen wij met Cambridge Analytica een verpletterende verantwoordelijkheid voor. Donald Trump geloofde zelf niet eens dat hij kon winnen en wou zelfs geen president worden. Volgens Alexander Nix zag Trump zijn kandidatuur als een manier om reclame te maken voor de nog op te richten zender Trump TV. Niemand van zijn team geloofde trouwens in de zege.”

 

In het najaar van 2015 raakte Cambridge Analytica betrokken bij de Leave.eu-campagne van de brexiteers onder leiding van miljonair en verzekeringsmakelaar Arron Banks.

“Het was Alexanders idee om met Leave.eu te gaan samenwerken. Niet veel later kwam ik erachter dat die opdracht eigenlijk kwam van Steve Bannon. Hij had nauwe banden met opperbrexiteer Nigel Farage. Op een vrijdag in oktober kwamen de kopstukken van Leave.eu naar ons Londense kantoor. Ze waren enthousiast over onze presentatie en Arron Banks bestelde meteen voorbereidend werk ter waarde van 41.500 pond. Onze opdracht was om de data over alle leden van Farage’s partij UKIP te analyseren, zodat we meer inzicht kregen in de redenen waarom mensen afscheid wilden nemen van de EU. Dat had interessante achtergrondinformatie kunnen opleveren voor ons verdere werk, alleen kwam dat er nooit. Want Banks vertikte het om zijn eerste factuur te betalen. De man die met ons basismateriaal aan de slag ging en via microtargeting ervoor zorgde dat de brexiteers het referendum wonnen, was de Amerikaanse politieke adviseur Gerry Gunster. Hij is de echte architect van de brexit en gebruikte daarbij ‘onze’ technieken van microtargeting.”

 

Cambridge Analytica hielp wel tot het einde mee aan de campagne van Trump?

“Tot het bittere einde, ja. Tijdens de campagne had ik niet eens in de gaten dat er illegale dingen gebeurden; daar werd ik me pas een maand na de verkiezing van Trump bewust van. Onze telefoons stonden roodgloeiend: alle grote ondernemingen en politici van over de hele wereld wilden met ons in zee. Wij wilden van het Trump-team horen wat ze online ondernomen hadden met het materiaal dat wij hen hadden geleverd. Eerst hielden ze de boot af, maar wij drongen aan want we hadden die informatie nodig om andere politici aan een verkiezingsoverwinning te helpen. In december 2016 werden we uitgenodigd voor een ‘post-mortem-bespreking’, een analyse van de campagne van het Trump-team. Twee dagen lang gaven ze ons inzage in alles. Toen bleek dat ze overtuigde Hillary-stemmers hadden overhaald niet te gaan stemmen.”

 

Dat mocht niet?

“Nee, dat is volstrekt illegaal. Ik schrok toen ik dat hoorde, en ik was niet de enige. De Trumpers hadden uitspraken van Hillary en van Michèle Obama uit hun context gerukt en angstaanjagende filmpjes vol nepnieuws gecreëerd. Die zagen er uit als nieuwsitems van Politico of andere betrouwbare media. Aan de hand van de door ons geleverde en geanalyseerde data wisten ze perfect wie ze met welk nepbericht op de sociale media moesten voederen. Ze wonnen de verkiezingen met een karrevracht aan leugens.”

 

Wanneer besloot u klokkenluider te worden?

“Nadat ik ontslag genomen had en de eerste artikels verschenen waarin stond dat Cambridge Analytica nooit de Facebook-database vernietigd had. Toen zond de Britse televisiezender Channel 4 een reportage uit over een vier maanden durende undercoveroperatie bij Cambridge Analytica. De journalisten deden zich voor als vertegenwoordigers van Sri-Lankaanse miljardairs die een smerige verkiezingscampagne wilden financieren. Alexander Nix lunchte en dronk cocktails met hen, terwijl hij opschepte over wat hij allemaal in het geheim voor hen kon regelen. Hij zei dat hij goede relaties had bij internationale spionagediensten en makkelijk ‘dirt’ over politieke tegenstanders kon bovenspitten. Ik was in shock, zocht contact met de journalist Paul Lewis van The Guardian en gaf hem inzage in al mijn e-mails. Pas toen zag ikzelf al die linken tussen Mercer, Bannon, Trump en Farage en hoe ze op slinkse wijze met de hulp van Cambridge Analytica de democratie een loer draaiden en de macht wisten te veroveren. Op 1 mei 2018 werden Cambridge Analytica en SLC Group opgedoekt.”

 

U getuigde voor het Britse parlement en werd ondervraagd door Robert Mueller.

“De ondervraging door Mueller ging vooral over Russische inmenging via het Trump-team in de Amerikaanse verkiezingen. Daar had Cambridge Analytica voor zover ik weet niets mee te maken. Mijn getuigenis voor het Britse parlement ging over de rol die Cambridge speelde in de aanloop naar het brexit-referendum.”

 

De klokkenluider die de ondergang van Cambridge Analytica in 2018 in gang zette, was de Canadees Christopher Wylie.

“Hij werkte maar heel even voor Cambridge Analytica. Toen ik er in 2014 begon, was hij al weg. Ik sprak hem één keer aan de telefoon, maar heb hem nooit ontmoet. Toch praat hij nu voluit over zaken die hij zelf nooit heeft meegemaakt. Zijn voornaamste onthulling dat hij 50 miljoen Facebookprofielen had helpen oogsten in opdracht van Steve Bannon, was correct. Alleen gebeurde veel van wat hij vertelt na zijn vertrek. Hij werd dus vermoedelijk door een ex-collega bij Cambridge getipt. Een echte klokkenluider heeft niets ‘van horen zeggen’, maar maakte het zoals ik van op de eerste rij mee. Als je iets als feit verkoopt, moet je er honderd procent zeker van zijn. Anders riskeer je zelf te eindigen als leverancier van nepnieuws.”

 

Brittanny Kaiser, De datadictatuur, HarperCollins, 416 blz., 21,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Om te kunnen liegen zoals Hitler, moét je wel een doortrapte charmeur zijn’

Vlak voor de oorlog lieten belangrijke Amerikaanse, Britse en Franse journalisten zich bedwelmen door Adolf Hitler. In zijn boek De vergeten gesprekken met Hitler delft Eric Branca hun interviews op. ‘Ze waren allemaal bang voor oorlog en geloofden de Führers pleidooien voor vrede.’

_DSC0005

 

Jarenlang was Parijzenaar Eric Branca journalist en redactiedirecteur bij het Franse actualiteitenmagazine Valeurs Actuelles. Tot hij in 2015 bij een grote reorganisatie samen met elf collega’s aan de deur gezet werd. ‘Toen was dat een grote schok’, zegt hij. ‘Achteraf gezien was het een bevrijding. Want ik ergerde me steeds meer aan de populistische koers die onder druk van de dalende oplagecijfers was ingezet.’ Hij trok zich terug in zijn appartement vlakbij de Arc de Triomphe en verdiepte zich in een vergeten stuk recente geschiedenis: de vooroorlogse vrijages van Adolf Hitler met belangrijke Amerikaanse, Britse en Franse journalisten. In zijn verbluffende boek De vergeten gesprekken met Hitler reconstrueert Branca zestien interviews waarin de dictator ‘met de zachtblauwe ogen’ via zijn gewillige gesprekspartners probeerde de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk in slaap te wiegen.

U bent de eerste die het stof blaast van de vooroorlogse Hitler-interviews.

Eric Branca: Het was nochtans niet moeilijk om ze terug te vinden. Die interviews worden allemaal netjes bewaard in voor iedereen toegankelijke archieven. Af en toe werden er wel eens enkele zinnen uit geciteerd, maar nooit publiceerde iemand ze opnieuw. Van 1923 tot 1940 gaf Hitler precies dertig interviews aan buitenlandse journalisten. Uiteindelijk blijven er zestien over die het verdienen een écht interview genoemd te worden. De rest zijn eerder uitvoerige verslagen van ontmoetingen met de Führer, opgefleurd met een paar quotes. Uit alle gesprekken komt de dictator naar voor als een volbloed leugenaar.

 

Hij deed mij soms aan de Amerikaanse president Donald Trump denken.

Branca: Misschien wel, alleen was Hitler subtieler. Trump doet de waarheid op een directe, simpele manier geweld aan. Hitler was doortrapter én strategischer. Hij zei tegen zijn gesprekspartners: ‘Ook ik verlang naar vrede’, terwijl hij in werkelijkheid volop de oorlog aan het voorbereiden was. Hij vertelde zijn toehoorders wat ze dolgraag wilden horen. Dat zal Donald Trump nooit doen. Die beledigt iedereen voluit. Adolf Hitler werd tegenover buitenlandse journalisten nooit een brulboei, behalve in het allereerste interview dat in oktober 1923 in The American Monthly verscheen. Daarin werd hij zeer agressief tegenover de Joden, met gepeperde uitspraken in de trant van: ‘Zoals syfilislijders en alcoholisten moeten worden geïsoleerd en zich niet mogen voortplanten, zo mogen ook Joden zich niet met Duitsers vermengen.’ Hij verkondigde toen onomwonden de nazistische ideologie, zoals hij die een paar maanden later in Mein Kampf zou neerschrijven.

 

Interviewer van dienst van dat allereerste interview was de Amerikaanse schrijver George Viereck.

Branca: Viereck was zelf een volbloed-nazi en ontpopte zich later tot propagandist voor Hitler in de VS. Halverwege de jaren dertig begon de FBI hem in de gaten te houden. Na Pearl Harbor namen de Amerikanen de wapens op tegen Duitsland en Japan. Viereck belandde in de cel omdat hij ervan verdacht werd een Duitse spion te zijn. Hij kwam pas terug vrij in ’47.

 

Van alle buitenlandse journalisten die met Hitler spraken, was Viereck de enige echte nazi?

Branca: Hitler koos er heel bewust voor om buitenlandse nazi-reporters links te laten liggen. Hij wou in de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk eerst en vooral de pacifisten en de mensen aan de linkerzijde bereiken. Want extreem-rechts was al overtuigd. Voor alle anderen trok hij een rookgordijn op. Hij maakte hen wijs dat hij niet uit was op oorlog. Hij wou ook de aandacht in het buitenland weg van Mein Kampf, vol rauw antisemitisme en virulente haat tegen alles wat Frans is. Hij koos doelbewust voor gerenommeerde journalisten en degelijke kranten en tijdschriften. Hij vermeed bladen die flirtten met het fascisme of nazisme. In Frankrijk praatte hij met de fatsoenlijke, pacifistische krant Le Matin of met het ‘onafhankelijke’ Paris-Soir, maar niet met extreem-rechtse bladen als L’Ami du Peuple of Je suis partout. Met de Britten communiceerde hij via grote populaire kranten als The Daily Mail en The Daily Mirror, maar niet met de fascistische krant van zijn Engelse evenknie Oswald Mosley. Hitler was een bewonderaar en een vriend van de Amerikaanse autobouwer Henry Ford. Die gaf het openlijk antisemitische weekblad Dearborn Independent uit. Hitler hoefde maar met zijn vingers te knippen voor een paginagroot interview, maar hij deed dat niet. Want waarom zou hij tijd verspillen aan buitenlandse lezers die toch al overtuigd waren?

 

Had hij die strategie zelf bedacht?

Branca: Die kwam uit de koker van zijn allereerste perschef Ernst ‘Putzi’ Hanfstaengl. Putzi was een leeftijdsgenoot van Hitler en had een Duitse vader en een Amerikaanse moeder. Hij stamde uit een rijke familie, studeerde aan Harvard, werd gerekruteerd als geheim agent en kreeg de opdracht om die jonge onruststoker Adolf Hitler in de gaten te gaan houden. Hij was geen Hitler-sympathisant, maar in München hoorde hij de man in het openbaar spreken en hij was meteen in de ban. Het gangbare beeld van een speechende Hitler is dat van een continu schreeuwende en razende fanaat. Maar in beperkte kring was dat helemaal niet zo. Hij begon dan pas op het einde te schreeuwen. (lacht) Het eerste uur van een redevoering kwam hij vaak zelfs heel charmant uit de hoek. Zo zorgde hij ervoor dat zijn toehoorders zeer ontvankelijk waren voor zijn boodschap.

In 1922 werden Hitler en Hanfstaengl goede vrienden; niet veel later werd Putzi zijn persattaché. Tot 1934 werkten ze nauw samen. Hanfstaengl had uitstekende relaties in de VS en kende er iedereen die ook maar iets te zeggen had. Hij regelde interviews met belangrijke Amerikaanse journalisten zoals Harold Calender van The New York Times en Hubert Knickerbocker van de New York Evening Post, winnaar van een Pulitzerprijs in 1931. Hij introduceerde zijn baas ook bij de kopstukken van de zeer invloedrijke Hearst Press Group en adviseerde hem om Engels te leren. Maar dat was een brug te ver voor de Führer. Eind jaren dertig keerde Hanfstaengl nog eens zijn kar: hij werd opnieuw Amerikaans agent. In 1942 trad hij zelfs in dienst bij de Amerikaanse president Franklin Roosevelt als diens naaste adviseur voor Duitse aangelegenheden.

 

In de jaren twintig gaf Hitler interviews aan Britse en Amerikaanse journalisten; de eerste Franse journalist sprak hij pas in 1930. Had dat te maken met zijn niet aflatende woede over het Verdrag van Versailles na WO I?

_DSC0060Branca: Versailles beschouwde hij inderdaad als de ultieme vernedering. Maar zijn haat tegenover Frankrijk ging nóg veel dieper. De hele Franse geschiedenis zag hij als één grote brok tegenstand tegen een verenigd sterk Duitsland. Eerlijk gezegd had hij een punt: alle Franse koningen hadden er een erezaak van gemaakt om Duitsland te verdelen. In Mein Kampf stond zwart op wit dat hij definitief met Frankrijk wou afrekenen. Alle ‘verloren gebieden’ wou hij heroveren. Hij schreef: ‘Dat lukt niet door plechtige aanroepingen van Onze-Lieve-Heer of door vroom op een Volkerenbond te hopen, maar alleen door wapengeweld.’ Vanaf 1930 zette hij zijn haat tegenover Franse journalisten even in de diepvries. Via interviews met hen probeerde hij ook de Fransen zand in de ogen te strooien. Die journalisten tuinden er met open ogen in, omdat ze allemaal bang waren voor oorlog. Daarom geloofden ze de Führers pleidooien voor vrede.

 

Sommige journalisten bekeerden zich na hun interview met Hitler zelfs tot het nazisme. Was dat door zijn charisma?

Branca: De kiem was bij de meesten al aanwezig. Maar op het moment waarop hun interview gepubliceerd werd, golden ze in hun eigen land nog als gerespecteerde reporters, zoals de Franse schrijver Alphonse de Châteaubriant. In 1911 won hij de Prix Goncourt voor zijn nog steeds lezenswaardige roman Monsieur des Lourdines. Hij stond bekend als een vrome katholiek, tot hij Hitler in 1938 ontmoette in diens buitenverblijf in Berchtesgaden. Aan het begin van de twintigste eeuw was Châteaubriant een groot verdediger van Alfred Dreyfus, de Joodse kapitein die er valselijk van beschuldigd werd een Duitse spion te zijn en die wereldberoemd werd door het pamflet J’accuse van schrijver Emile Zola. Na zijn interview met Hitler voor Le Journal beschouwde hij de Führer als de reïncarnatie van Jezus. In 1948 werd Alphonse de Châteaubriant als collaborateur bij verstek ter dood veroordeeld. Drie jaar later stierf hij in ballingschap in een klooster in het Oostenrijkse Kitzbühel.

Niet alleen oudere, conservatieve journalisten lieten zich door Hitler in de doeken doen, ook jonge progressievere collega’s zoals Elisabeth Sauvy alias Titaÿna raakten door hem betoverd. Zij mocht Hitler in januari 1936 uitgebreid interviewen in zijn werkkamer in de kanselarij in Berlijn. Ze was toen nog maar 38, en had van in de jaren twintig in Frankrijk een ijzersterke reputatie opgebouwd.

 

Zij was het prototype van de onverschrokken vrouwelijke sterreporter?

Branca: Ze had haar eigen vliegtuig waarmee ze op reportage trok naar verre oorlogsgebieden. In 1924 interviewde ze Kemal Atatürk en in ’35 Benito Mussolini. De hele Franse pers van die tijd vocht om haar artikels, interviews en reportages, van Le Matin, Lectures pour tous, Paris Match tot Paris-Soir. Zij wou per se Hitler interviewen omdat ze dacht dat hij een hartsgrondige hekel had aan Franse vrouwelijke journalisten. Tot haar grote verbazing wou hij haar toch ontvangen. Ook zij werd een bekeerlinge.

 

Door dat welbewuste interview?

Branca: Jawel. Haar interview een jaar eerder met Mussolini, die andere ‘grote dictator’ van die tijd, was uitgedraaid op een mislukking. Hij ontving haar zeer afstandelijk vanachter zijn bureau, met meters parketvloer tussen hen in. Hitler kwam haar met uitgestoken hand tegemoet. Hij kwam naast haar zitten, was één en al charme en dat werkte. In haar inleiding beschreef Titaÿna hem als ‘intelligent’ en ‘energiek’, als een ‘volksleider’ met ‘verleidingskracht’. In het echt was hij volgens haar helemaal niet die agressieve manipulator. Ze schreef ook over zijn opvallend blauwe ogen. Hitler loog er op los en zei dat geen haar op zijn hoofd eraan dacht een oorlog te beginnen. ‘Welke staatsman zou vandaag nog gewapenderhand zijn grondgebied willen uitbreiden?’, vroeg hij retorisch aan Titaÿna. ‘De menselijke logica verzet zich tegen territoriale oorlogvoering.’ Hij stelde zichzelf voor als de grote verzoener. Hij zei: ‘Het is mij er vooral om te doen dat de wereld gaat beseffen dat het idee van goede wil onder de volken moet leiden tot een samenwerking zonder verborgen agenda’s ten gunste van het welzijn van elk mens.’ Vijf weken later viel hij Frankrijk binnen. Om te kunnen liegen zoals Adolf Hitler, moét je wel een doortrapte charmeur zijn. Titaÿna ging volledig overstag. Tijdens de oorlog schreef ze antisemitische artikels in collaboratiekranten. Na de oorlog werd ze veroordeeld voor spionage.

_DSC0009

Slechts weinig journalisten stelden vragen over het lot van de Joden in Duitsland.

Branca: Ik vond het vreselijk om dat te moeten vaststellen. Alle vragen werden op voorhand door de persdienst van de nazi’s beoordeeld, waardoor lastige vragen in de prullenmand belandden. Maar blijkbaar had niemand de guts om tijdens het interview tóch zijn kritische geest te laten werken. Naderhand redigeerde Hitler de tekst persoonlijk. Dat ging heel ver. Titaÿna beschreef in november 1933 in Dimanche Illustré hoe haar interview ‘verbeterd’ werd. Ze zat in het vliegtuig van Berlijn naar Parijs en hoorde de boordtelex ‘continu ratelen’. Het was de Führer himself die correcties aan het sturen was: ‘Pagina zoveel, woord x vervangen door woord y. Regel zoveel schrappen.’

 

In uw boek blaast u ook het stof van de zeer lucratieve deal die het Amerikaanse persbureau Associated Press (AP) begin jaren dertig met de nazi’s sloot.

Branca: Op 4 oktober 1933 werd in Duitsland de Schriftleitergesetz van kracht, een nazi-wet die de pers zwaar aan banden legde. Voortaan was het correspondenten verboden teksten te publiceren die ‘de kracht van het Derde Rijk verzwakten’ en mochten media niet langer Joden in dienst hebben. Journalisten moesten van ‘Arische afkomst’ zijn en mochten niet getrouwd zijn met een Jood. Alle buitenlandse persagentschappen weigerden die wet te onderschrijven, behalve Associated Press. Het agentschap riep al zijn Joodse medewerkers in Duitsland zonder morren naar huis. Met als gevolg dat vanaf 1934 AP nog als enige buitenlandse persagentschap in Duitsland mocht werken. AP kreeg zo het monopolie in handen van verslaggeving over het Derde Rijk. Dat sterk gefilterde en gekleurde nieuws sluisde het vervolgens door naar krantenredacties over de rest van de wereld.

 

In feite was dat nazi-propaganda?

Branca: Zonder twijfel. Die werd vervolgens gepubliceerd in grote kranten en tijdschriften in de democratische landen. In de VS alleen al leverde AP aan 1400 nieuwskanalen. Tot de belangrijkste klanten van Associated Press behoorden het weekblad Life, maar ook The Washington Post en de Chicago Tribune. De man achter die deal was Louis Lochner, de directeur van de Duitse vestiging van AP. Hij was de voormalige secretaris van de notoire antisemiet Henry Ford. Bij het begin van WO II was Lochner de enige buitenlandse journalist die met het Duitse leger mocht meereizen. In 1939 kreeg hij een Pulitzer voor zijn verslaggeving vanuit Berlijn. Als de Duitsers in 1941 Rusland binnenvielen en massaal Joden afslachtten, was de correspondent van AP daar rechtstreeks getuige van, maar hij repte er met geen woord over. Hij berichtte wel uitvoerig over de Duitse slachtoffers van de Russen. Lochner volgde slaafs de richtlijnen van Joseph Goebbels en diens ministerie van Propaganda. Na de Amerikaanse deelname aan de oorlog, keerde hij in 1942 terug naar de VS. Maar de deal met de nazi’s bleef overeind. Lochner bezorgde de Duitsers interessant fotomateriaal van de geallieerden, in ruil voor interessant fotomateriaal uit het Derde Rijk. Zo kreeg AP na de aanslag op Hitler op 20 juli 1944 exclusief toegang tot de beelden van de ongedeerde Führer. In ruil leverde AP een maand later aan de Duitse pers foto’s van de schade die in Londen veroorzaakt werd door de V1-raketten. Na de oorlog was Lochner een gevierd oorlogscorrespondent. Hij gaf voordrachten, nam deel aan congressen en teerde op zijn succes tot zijn dood in 1975.

 

Decennialang wist niemand van zijn geheime deal?

Branca: Die kwam pas aan het licht in 2016 door onderzoek van de Duitse historica Harriet Scharnberg. De afspraken die Lochner met de nazi’s maakte, waren gewoon degoutant. Scharnberg publiceerde de contracten tussen AP en het ministerie van Propaganda van Goebbels op de website Zeithistorische-forschungen.de. Wat mij zo tegen de borst stoot, is dat het nieuws van die deal amper een rimpeling veroorzaakte. Binnenkort verschijnt de neerslag van het volledige onderzoek van Scharnberg, misschien dat er dan meer ophef volgt. Er komen gelukkig hier in Frankrijk meer reacties op mijn boek. Veel collega’s wisten niet dat illustere voorgangers zoals Bertrand de Jouvenel het nazisme omarmden. In februari 1936 publiceerde Jouvenel een uiterst kritiekloos interview met Hitler in Paris-Midi. Het lijkt eerder een hagiografie. In zijn inleiding beschrijft hij hoe de Führer blaakt van gezondheid: ‘Met zijn roze huid oogt hij sportief, iemand die veel frisse lucht krijgt. Zijn gezicht vertoont geen rimpels en ook geen spoor van fysieke of mentale vermoeidheid.’ Ook Jouvenel liet zich inpakken door Hitler en werd na publicatie van het interview hoofdredacteur van het weekblad van de fascistische partij PPF. Hij moet echt geloofd hebben dat Hitler een pacifist was, want toen de oorlog uitbrak, stapte hij gedesillusioneerd uit de PPF. Na de oorlog werd hij een alom gewaardeerd essayist, gespecialiseerd in economie en geschiedenis. Veel journalisten van mijn generatie dweepten met hem. Door mijn boek leren ze Jouvenels aangebrande verleden kennen en dat is een grote schok.

 

In uw boek vallen ook verschillende Angelsaksische journalisten van hun sokkel. Wordt het in het Engels vertaald?

Branca: Voorlopig niet. Blijkbaar is geen enkele Britse of Amerikaanse uitgever geïnteresseerd. Ik vind dat zeer merkwaardig. Naast de Nederlandse, komt er een Tsjechische, Roemeense, Duitse en misschien zelfs Chinese vertaling, maar geen Engelse.

 

Stel dat u in de jaren dertig journalist in Parijs was geweest. Had u de Führer geïnterviewd als de kans zich voordeed?

Branca: Ik denk het niet, want het was niet de bedoeling dat je als journalist ook nog eens vragen ging stellen. Een interview met Adolf Hitler was dus bij voorbaat zinloos. Een paar journalisten moet dat toch beseft hebben. Ik vermoed dat ze tóch naar Berlijn afreisden omdat ze nieuwsgierig waren. Ze wilden die man in levende lijve ontmoeten. Dat begrijp ik, want de leider van Duitsland was niet de eerste de beste. Maar als de voorwaarde is dat je kritische geest moet thuisblijven, ben je geen journalist meer, maar een propagandist.

 

Eric Branca, De vergeten gesprekken met Hitler, Polis, 320 blz., 25 euro

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

 

 

‘De CIA stelde me voor de keuze: trouwen of mijn vriend verlaten’

Vermomd als kunsthandelaar infiltreerde Amaryllis Fox terreurnetwerken voor de CIA. “Eigenlijk waren wij toen nog kinderen.”

 

Amaryllis Fox zat in het laatste jaar aan de universiteit toen ze benaderd werd door een recruiter van de CIA. Ze hapte toe en op haar tweeëntwintigste werd ze gevraagd voor het elitekorps van undercoveragenten. Na een intense training van zes maanden was ze ‘undercover agent under non-official cover’, de meest risicovolle spionnenjob bij de geheime dienst. Vanuit de Chinese stad Shanghai infiltreerde ze vermomd als kunsthandelaar terroristische netwerken in het Midden-Oosten en Azië. Tot ze in 2010 de CIA vaarwel zei. “Ik wou dat mijn dochter een gewoon leven kreeg.” In haar autobiografie Mijn leven undercover klapt ze uit de biecht over haar leven als spion.

Amaryllis Fox: “Het was een eenzame bezigheid en we waren allemaal piepjong. Daar was een goede reden voor: hoe ouder een undercoveragent is, hoe moeilijker het wordt een volledig nieuw personage te zijn. Hij of zij sleept dan te veel bagage mee. Een jonge pas afgestudeerde agent is ‘maagdelijk’. Eigenlijk waren wij toen nog kinderen. Maar we waren niet uniek. Want het blijft altijd onder de radar hoe jong sommigen zijn die op een of andere manier de koers van de wereld beïnvloeden. T.E. Lawrence was amper halverwege de twintig toen hij tijdens en na WO I de kaart van het Midden-Oosten hertekende. Eigenlijk is dat angstaanjagend.”

 

Kreeg u de zegen van de CIA voor dit boek?

“Daar mag ik niets over kwijt. Sommige zaken zijn weggelaten om identiteiten te beschermen. Er is ook een hoofdstuk waarin drie scènes verwerkt zijn tot één. Met die veranderingen kan ik leven, omdat ze niet essentieel zijn voor wat er echt gebeurd is.”

 

Het was niet uw meisjesdroom om geheim agent te worden?

“Nooit. Eerst wou ik journalist worden. Tot ik op een bepaald moment begon te dromen van een carrière als astronaut. Ik kreeg zelfs toelating voor de United States Naval Academy voor de studie lucht- en ruimtevaarttechniek. (lacht) In de plaats daarvan werd het de universiteit van Oxford waar ik theologie en internationaal recht ging studeren.”

 

Maar eerst trok u voor een jaar naar Thailand, waar u aan de grens met Myanmar vluchtelingen hielp opvangen.

“Ik was achttien en dat was een onvergetelijke ervaring. Toen besefte ik dat mijn echte roeping in de journalistiek lag. In Thailand raakte ik goed bevriend met politieke vluchtelingen uit Myanmar. We kregen het waanzinnige idee om oppositieleidster Aung Sang Suu Kyi te gaan interviewen. Zij leefde in ballingschap in haar eigen land, onder bewaking van militairen. Het lukte ons wonderwel om tot bij haar te geraken en die ontmoeting veranderde mijn leven. Ik was erg onder de indruk van die kleine, tengere vrouw die enkel met woorden het militaire regime de stuipen op het lijf joeg. Mijn ouders wisten niets van mijn bezoek aan Myanmar. Het was in het vroege najaar van 1999, toen je nog niet continu online was en pas om de paar weken met het thuisfront communiceerde in een internetcafé.”

 

Er hing een foto van Aung Sang Suu Kyi op uw slaapkamer. Vandaag deelt zij mee de lakens uit in Myanmar en is ze van haar sokkel gevallen. Hangt die foto er nog steeds?

“Ik heb hem omgedraaid; dat is mijn klein protest. Ik ben hard van haar houding tegenover de Rohingya-minderheid geschrokken. Ik vermoed dat zij vindt dat ze voorlopig geen andere keuze heeft dan deze ‘realpolitik’. Ze moet nog steeds rekening houden met de militairen. Wat niet wegneemt dat ik vreselijk teleurgesteld ben. Ik geloofde dat ze voor de vrijheid van àlle Myanmarezen vocht, en niet alleen voor haar eigen etnische groep.”

 

U stak de grens van Thailand naar Myanmar over samen met een Britse investeringsbankier. Jullie hadden valse papieren en waren zogezegd man en vrouw. Dat was uw allereerste undercoverrol?

“Zo zou je het wel kunnen noemen, ja. Ik kende die investeringsbankier exact anderhalf uur voor we samen als ‘man en vrouw’ naar Myanmar afreisden. We hadden heel dat scenario uitgedacht omdat het de beste manier was om een visum te krijgen. Ik speelde mijn rol moeiteloos. Ik groeide op in een gezin dat vaak van de ene plek naar de andere verhuisde. Mijn vader is Amerikaans en mijn moeder Brits. Als kind leerde ik me voortdurend aanpassen aan nieuwe omgevingen. Maar tijdens mijn trip naar Suu Kyi was het inderdaad de eerste keer dat ik mezelf om veiligheidsredenen vermomde. In mijn hoofd was ik toen geen geheim agent, maar onderzoeksjournalist. Die twee jobs verschillen trouwens niet zoveel van elkaar.”

 

Toen u in Oxford studeerde, werd u benaderd door drie mannen van een Britse geheime dienst. Ze wilden u rekruteren, maar vingen bot. Pakten ze het verkeerd aan?

“Ik weet nog altijd niet van welke geheime dienst ze precies waren, MI5, MI6 of GCHQ. Ze praatten iets te paternalistisch over de landen buiten het Westen. Ze leken zich superieur te voelen en wilden hun visie doordrukken. Dat stootte me af.”

 

Toen u niet veel later aan de universiteit van Georgetown in Washington DC verder studeerde en benaderd werd door een CIA-recruiter, zei u wel ja. Wat was het verschil?

“De aanslagen van 11 september 2001. Die dinsdagochtend was ik in Washington DC. Ik zag de rook boven het Pentagon nadat vlucht 77 zich daar had ingeboord. Mijn zusjes zaten er vlakbij op school en moesten geëvacueerd worden. Op de radio werd gezegd dat het oorlog was. Die aanslagen deden me terugdenken aan het grote trauma uit mijn jeugd. Ik was acht toen mijn allerbeste vriendin Laura samen met haar hele familie omkwam op de Pan Am-vlucht die door Libische terroristen boven het Schotse plaatsje Lockerbie werd opgeblazen. Dat was de allereerste keer dat ik met de dood geconfronteerd werd. Dat was ook de eerste keer dat ik het woord ‘terrorisme’ hoorde. Vanaf dan waren dood en terreur voor mij gelijk. Mijn vader zei: ‘Je moet de krachten begrijpen die Laura wegnamen, anders raak je erdoor overweldigd.’ Toen leerde hij me de krant The Times lezen. Aan de universiteit van Georgetown ging ik voor mijn thesis op zoek naar een manier om te ontdekken of een regio kans maakt ooit gebruikt te worden als terroristische uitvalsbasis. Ik spoorde werkelijk àlle gegevens over elke binnenlandse en buitenlandse aanslag van de afgelopen tweehonderd jaar op en bracht die in kaart. Daaruit leidde ik een algoritme af dat kan bepalen hoe waarschijnlijk het is dat er in een gebied tereuraanslagen worden voorbereid. Mijn thesis trok de aandacht van een man aan de universiteit die ook voor de CIA rekruteerde. Hij was nederig, stil en nieuwsgierig.”

 

Hij was geen macho?

“Helemaal niet. Het was een kleine man met een lange witte baard. Hij zag eruit als de kerstman. (lacht) Hij sprak verschillende talen en was zeer bezorgd over het leefmilieu en over bedreigde culturen.”

 

Was dat echt of gespeeld?

“Dat was heel echt, zo is hij. Hij was nooit underoveragent, maar is leraar en analist. Een eerlijke, ernstige kerel.”

 

Een beetje zoals Saul Berenson, de mentor van CIA-agente Carrie Mathison uit de serie Homeland?

“Ik heb ooit de allereerste aflevering gezien, maar die stond me niet echt aan. Mijn moeder is verzot op die reeks, dus misschien heb ik ze te snel afgeschreven. Ik haat de stereotiepe manier waarop vrouwen uit geheime diensten in films en reeksen worden afgeschilderd. Dat hoort waarschijnlijk zo bij entertainment.”

 

Uw boek wordt ook een reeks voor het nieuwe Apple tv+.

“Ja, en daar heb ik wel alle vertrouwen in. Mijn rol zal gespeeld worden door Brie Larson.”

 

Wou u van in het begin bij de CIA undercoveragent worden?

“Helemaal niet. Ik werkte als onderzoeker en verzamelde zoveel mogelijk informatie over terreurdreiging. Ik wist niets over dat speciale eliteprogramma, tot ze me er voor vroegen. Toen was het hek wel van de dam. Ik wou dolgraag aansluiten, want dat was het allerhoogste niveau voor een agent.”

 

Een van uw eerste opdrachten als undercoveragent-in-spe was onthoofdingsvideo’s bestuderen.

“We bekeken dezelfde video’s honderd keer na elkaar, op zoek naar kleine aanwijzingen waar ze gefilmd konden zijn. Dag in, dag uit. Emotioneel was dat zeer belastend. Soms vonden we iets, vaker vonden we niets.”

 

Niet veel later werd u naar een opleidingscentrum voor die elite-eenheid gestuurd. Zes maanden lang zat u op ‘The Farm’. Dat centrum heet echt zo?

“Tien jaar geleden toch nog, maar ik weet niet hoe het inmiddels geëvolueerd is. Vandaag is er veel meer technologie bijgekomen, waardoor die opleiding ingrijpend veranderd zal zijn. Ik leerde nog de technieken die stammen uit de Koude Oorlog, nu draait alles rond biometrie en gezichtsherkenning. The Farm lag toen op een gigantische afgelegen militaire basis, ergens in de staat Virginia.”

 

Vlakbij Langley waar het hoofdkwartier van de CIA gevestigd is?

“Nee. Ik mag niet zeggen waar precies. The Farm bestaat uit iets wat op een uit de kluiten gewassen dorp lijkt en er grenst een woud aan.”

 

De training bestond uit een half jaar lang rollenspellen?

“Ja. 24 uur op 24, zeven dagen lang zaten we in een fictie. Elke ‘diplomaat’, ‘terrorist’, ‘collega’ die ik daar tegen het lijf liep, werd gespeeld door een voormalige agent die trainer geworden was. Af en toe dacht ik wel eens om eruit te stappen, maar als researcher had ik zowat elke dag gezien wat de terreur van Al Qaeda wereldwijd aanrichtte. Ik wou begrijpen wat die mensen ertoe aanzette om terrorist te worden. En ik wou dat ook stoppen. Ik nam geen genoegen met het riedeltje zoals dat nog steeds in de media weerklinkt: ‘Ze haten ons omdat we vrij zijn.’ Daar koop je niets mee, want dat wil zeggen dat ze ons in de islamitische wereld voor eeuwig zullen haten. Mijn ultieme doel was: met die mensen een gesprek voeren.”

 

U was net bij de CIA aan de slag toen de Duitser Khaled el-Masri in 2003 in Macedonië door CIA-agenten ontvoerd werd en afgevoerd naar een gevangenis in Afghanistan. Daar werd hij maandenlang door uw collega’s gemarteld. Tot ze doorhadden dat ze de verkeerde Khaled el-Masri hadden gekidnapt. In plaats van een Al Qaeda-terrorist was deze man een brave huisvader met vijf kinderen.

“Ik vernam dat pas veel later via de media. Weet u wat een van onze grote problemen was? Onderling deelden we amper informatie met elkaar, waardoor er soms niet op tijd gecorrigeerd werd. Later lazen we dan in kranten of tijdschriften vreselijke verhalen over de zogenaamde CIA-renditions van gevangenen naar ‘black sites’ in Afghanistan.”

 

In januari 2005 berichtte The New York Times voor het eerst over het geval El-Masri. Sprak u daar toen over met uw collega’s?

“Ik heb nooit contact gehad met het ‘Enhanced Interrogation Program’ van de CIA. Tot de dag van vandaag ben ik ontzettend dankbaar dat ze me daar nooit voor vroegen. Ik werd dus nooit gedwongen om te zeggen: ‘Hier doe ik niet aan mee.’ Tijdens de lunch in de CIA-kantine werd er wel levendig over gediscussieerd. Sommigen vroegen zich terecht af of we met die ondervragingstechnieken niet de karakteristieken verloochenden van het land waarvoor we aan het vechten waren.”

 

Vlak voor u naar The Farm vertrok, verplichtte de CIA u met uw toenmalige vriend te trouwen.

“Hij wist niet dat ik bij de CIA werkte. Niemand wist dat, iedereen dacht dat ik voor een reguliere multinational aan de slag was. De CIA stelde me voor de keuze: trouw met je vriend, of laat hem in de steek. Hij was geen Amerikaans staatsburger en alleen daarom al ‘verdacht’. Ik mocht hem in principe zelfs niet eens zoenen. Trouwen was de enige manier om onze relatie in stand te houden, en vervolgens moest hij een leugendetectortest afleggen. Hij was in shock, maar bedekte alles toch met de mantel der liefde. Dat vond ik vertederend. (lacht)”

 

Na uw opleiding was uw flat leeg en was hij weg.

“Voor mij was dat een grote opluchting. Ik neem hem dat niet kwalijk, hij verdiende iemand die niet enkel geobsedeerd was door haar werk. Want dat was ik toen: volledig gefocust op mijn missie als CIA-undercoveragent. Er was niets anders.”

 

Uw collega Dan werd naar Afghanistan gestuurd om mensen te liquideren.

“Dat was tijdens de zogenaamde ‘surge’ in Afghanistan, de troepenversterking om het geweld te counteren. In The Farm werden we opgeleid om zonder wapens langzaam relaties op te bouwen met Afghanen, Irakezen of wie dan ook. De CIA ging er altijd prat op dat wapens in het inlichtingenwerk overbodig waren. Het is een echte schande dat collega’s zoals Dan in de nasleep van de invasie in Afghanistan naar het front gestuurd werden.”

 

Worden er nu nog CIA-agenten als doodseskaders ingezet?

“De elite-agenten die een opleiding op The Farm achter de rug hebben, worden nu niet meer gewapend in oorlogszones ingezet. Een halfjaarlijkse training op The Farm kost een fortuin. Het is een ongelooflijke verkwisting om net die agenten met hun uitzonderlijke vaardigheden het slagveld op te sturen. Daar heb je militairen voor nodig, en geen elite-undercoveragenten. De CIA heeft geleerd uit die fouten van het verleden. Het agentschap is bezig het paramilitaire af te stoten en keert terug naar haar core business: inlichtingenwerk.”

 

Ook onder de huidige president Donald Trump?

“De CIA heeft intussen wel geleerd politieke druk te weerstaan. De geschiedenis van de VS is een aaneenschakeling van turbulente tijden. Nu is er Trump, maar de jaren zestig waren ook best hevig met de oorlog in Vietnam. We vergeten snel en elke nieuwe generatie denkt dat haar problemen uniek zijn.”

 

Na uw opleiding in The Farm nam u een volledig nieuwe identiteit aan en vertrok u naar China.

“Ik mag daar niets over vertellen, ook al schrijf ik erover in mijn boek. Wat daarin beschreven staat, is gereviewed. Ik kan die gebeurtenissen niet opnieuw tegen u vertellen, want dan gebruik ik sowieso andere zinnen en krijg ik ernstige problemen met de CIA. Alles wat ik daarover tegen iemand zeg, is een overtreding, want heeft geen review ondergaan.”

 

Amaryllis Fox zwijgt en ziet de teleurstelling bij haar gesprekspartner. Ze schudt het hoofd en zegt: “U hebt mijn boek gelezen, ik hoef u dus ook niet te entertainen met wat u al weet.” In Mijn leven undercover vertelt ze, met de zegen van de CIA, hoe haar baas haar inlicht over wat haar nieuwe spionnenjob overzee zal inhouden. Ze schrijft: ‘Mijn cover behelst de vestiging van een Aziatisch kantoor voor de zaak, vertelt hij me, gericht op aanstormende kunstenaars door het hele Midden-Oosten. Tot nu toe heeft mijn fictieve carrière in de inheemsekunsthandel gefungeerd als smoes tegenover de douane en mijn vrienden en familie bij mijn korte uitstapjes naar het buitenland. Niemand heeft me er ooit meer dan twintig minuten lang vragen over gesteld. Maar in China gaat het om vierentwintig uur per dag en zal de handel net zoveel tijd gaan kosten als een echt bedrijf, waarbij ik ook nog ruimte zal moeten maken voor mijn spionagewerkzaamheden. Ik volg een week lang een spoedcursus MBA, waar ik onder meer leer hoe mijn boekhouding in elkaar steekt, mocht ik worden ondervraagd door de buitenlandse autoriteiten. Ik ontvang uitdrukkelijke instructies om geen enkel onderdeel van welke operatie dan ook in China zelf te ondernemen. Het wordt alleen een thuisbasis, hoewel ik er in principe wel van moet uitgaan dat ik bijna continu in de gaten zal worden gehouden. Alle spionageactiviteiten zullen in andere landen plaatsvinden, meestal onder mijn eigen naam maar soms onder een alias, wat vliegen naar een ander land betekent, mijn documenten wisselen en verder reizen naar de spionagebestemming met mijn fictieve identiteit. Het idee achter de non official cover is het wegblijven van de stank van het officiële domein, dus de documentenwissel kan niet in ambassades plaatsvinden. In plaats daarvan zijn we afhankelijk van de brush pass, een ongemerkte uitruil waarbij je een andere agent passeert op een bepaald tijdstip op een vooraf afgesproken plek – een tunnel of een steegje, dusdanig afgezonderd dat geen achtervolger de kans krijgt om te zien dat er documenten worden verwisseld terwijl we vlak langs elkaar lopen zonder onze pas te vertragen.’

 

Vlak voor u naar China vertrok, trouwde u met een andere undercoveragent. Jullie vestigden zich in Shanghai als kunsthandelaars en kregen er een baby. Dat was tezelfdertijd het échte leven en een undercoverleven?

“Hoe dichter undercoverwerk het echte leven benadert, hoe beter het rendeert. Mijn toenmalige man en ik speelden onze rol, maar de interacties tussen ons beiden waren echt. Als die fake zijn, lukt het nooit. De clou van goed undercoverwerk is authenticiteit.”

 

U kreeg uw opdrachten, uw man kreeg er andere, maar jullie wisten van elkaar niet waar jullie mee bezig waren. Jullie mochten er tijdens het avondeten zelfs niet over praten.

“We communiceerden tussen de lijnen door. Vrienden die mijn boek gelezen hebben, zeggen me: ‘Ik heb ook zo’n relatie.’ Soms is het verstandiger om lastige kwesties niet rechtstreeks te benoemen, maar er een beetje omheen te fietsen. Je weet dan allebei dat je niet over de gaarheid van de spaghetti aan het discussiëren bent, maar over iets totaal anders. (lacht)”

 

Hebt u als undercoveragent veel levens gered?

“Dat is zeer moeilijk in te schatten, en dat vind ik lastig. Je kan het heel snel verknoeien en dat merk je dan meteen als de aanslag wordt uitgevoerd. Maar je weet nooit wanneer je iets betekenisvols of goeds gedaan hebt. Ik ken de consequenties van mijn inlichtingenwerk niet. Tijdens mijn opleiding leerde ik met een Glock-pistool schieten. Ik heb dat later nooit in de praktijk moeten brengen.”

 

U zorgde ervoor dat een Hongaarse leverancier van Sovjetrestanten voor nucleair wapentuig informant van de CIA werd.

“Ja, maar niet alle bedreigen die zo gerapporteerd werden, bleken duizelingwekkend gevaarlijk te zijn. Informanten werden betaald, waardoor ze af en toe bedreigingen verzonnen. Of ze hadden ergens iets horen waaien dat totaal niet bleek te kloppen. Soms werden er wel eens zo’n Sovjetonderdelen aan een terreurgroep verkocht, maar die dingen waren gelukkig stokoud en van slechte makelij.”

 

Kijkt u na alles wat u als CIA-agent gezien en meegemaakt heeft nu met een bange blik naar de wereld?

“Nee, integendeel. Ik heb uren doorgebracht met mannen waarvan gezegd wordt dat ze monsters zijn. Ik heb ontdekt dat ook zij driedimensionele menselijke wezens zijn, net zoals u en ik. Als strijdend individu maakten ze zich vaak schuldig aan walgelijke daden. Maar ze zijn ook ouders, broers en zonen die op het verkeer sakkeren en niet graag belastingaangiftes invullen. Daardoor heb ik ook beter leren begrijpen waarom ze hun toevlucht nemen tot geweld. Dat geldt trouwens ook voor onze kant.”

 

Net zoals u hen als terroristen zag, beschouwden zij de CIA als een terroristische organisatie?

“Precies. We zijn allemaal tezelfdertijd banaal én gruwelijk. Zolang je niet begrijpt welke kleine, fragiele menselijke emoties die grote gewelddaden aandrijven, zal je ze nooit kunnen vermijden. Want het zijn schaamte, vernedering, angst of wrok die mensen afschuwelijk foute beslissingen laten nemen. Eens je dat doorhebt, kun je proberen ingrijpen. Misschien kun je je dan zelfs in hun gedachtenwereld inleven.”

 

Zelfs in die van Islamitische Staat?

“De cultuur van IS verschilt totaal van die van Al Qaeda. Maar de redenen waarom jonge mensen lid worden van IS of van Al Qaeda zijn dezelfde. Ze voelen zich machteloos en bij dat terreurnetwerk komen ze thuis. Dan zijn ze broeders onder elkaar, die samen vechten voor een hoger doel. Hebt u de film Joker gezien? Op een bepaald moment zegt de gewelddagige clown Arthur Fleck alias Joaquin Phoenix: ‘Niemand luisterde naar mij. Nú beginnen ze te luisteren.’ Net daarom grijpen mensen naar terreur.

 

Amaryllis Fox, Mijn leven undercover als topagente van de CIA, AmboAnthos, 272 blz, 20,99 euro

 

Bio

Amaryllis Fox

  • Geboren op 1 september 1980 in New York als Amaryllis Damerell Thornber.
  • Haar vader Edgar Thornber is economist en adviseerde Michael Gorbatschov en Margaret Thatcher.
  • Haar moeder Lalage Damerell is actrice.
  • Vandaag is ze programmamaker en vredesactivist.
  • Samen met haar derde man Bobby Kennedy III, kleinzoon van de in 1968 vermoorde presidentskandidaat Robert Kennedy, en haar twee kinderen leeft ze in Los Angeles.

 

(c) Jan Stevens