‘Geef de zoektocht naar rust op, en je komt vanzelf tot rust’

Filosoof John Sellars wenst autoritaire politieke leiders een snelcursus hellenistische filosofie toe. ‘Seneca waarschuwde al voor het gevaar van woede. Zeker als ze wordt aangevuurd door machtige figuren. De hellenistische filosofen wisten: alleen kalmte kan ons redden.’

323 v.C. tot 31 v.C. staat in de geschiedenisboeken gemarkeerd als de ‘hellenistische periode’ of het hellenisme. Ze loopt vanaf de dood van de Macedonische wereldveroveraar Alexander de Grote tot de nederlaag van de Romeinse generaal Marcus Antonius in de slag bij Actium.

‘Na de dood van Alexander werd diens imperium door zijn generaals in verschillende koninkrijken opgedeeld’, zegt John Sellars, professor antieke filosofie aan de universiteit van Londen. ‘Niet lang na Marcus Antonius’ nederlaag stierf zijn geliefde Cleopatra. Haar dood markeerde het begin van de Romeinse dominantie in de klassieke oudheid. Het hellenisme was een tijd van transitie, waarin de eigenzinnige Griekse stadstaten met hun bloeiende antieke cultuur deel werden van dat centraal geleide grote Romeinse Rijk. Parallel met die overgang groeide en bloeide de hellenistische filosofie. Bij de dood van Alexander was Athene nog het filosofisch centrum, bij de dood van Cleopatra had Rome die rol overgenomen.’

In de klassieke oudheid was filosoferen in de straten en op de pleinen van Athene en Rome dagelijkse kost?

John Sellars: Het was toen zeker geen puur academische discipline. Filosofen spraken op openbare plekken voorbijgangers aan en stelden hen lastige levensvragen. Tijdens de hellenistische periode zagen drie nieuwe stromingen het licht: het epicurisme, het stoïcisme en het pyrronistisch scepticisme. Ik leerde die scholen van de hellenistische filosofie dertig jaar geleden kennen als filosofiestudent. Ik moest toen twee klassiekers lezen: Overpeinzingen van de Romeinse keizer Marcus Aurelius en De natuur van de dingen van de Romeinse filosoof en dichter Lucretius. Die werken bliezen me van mijn sokken.

Wat was er zo speciaal aan?

Sellars: Het filosofische Overpeinzingen is een heel persoonlijk boek; het was waarschijnlijk nooit Marcus Aurelius’ bedoeling dat het gepubliceerd werd. Hij leefde van 121 n.C. tot 180 n.C. en regeerde de laatste twintig jaar van zijn leven over het Romeinse Rijk. Hij schreef Overpeinzingen tussen 170 en 180, tijdens het voorbereiden van zijn militaire veldtochten. Het boek geldt als een van de grootste stoïcijnse werken. Marcus Aurelius beschrijft erin hoe je te midden van onrust, gewoel en gevaar je gemoedsrust moet proberen te vinden en bewaren. Hij raakte me als jonge student diep.

Daarna las ik het lijvige leerdicht De natuur van de dingen van Lucretius, die vermoedelijk van 99 v.C. tot 55 v.C. leefde. De tekst borduurt verder op de lessen van de Griekse filosoof Epicurus, de grondlegger van het epicurisme. Hij zag het persoonlijke geluk als het hoogste na te streven goed. De studie van de filosofie kon ons volgens hem daarbij helpen.

Het stoïcisme en epicurisme waren een ware verademing na de Griekse wijsgeer Plato (ca. 427 v.C. tot 347 v.C.). Ik vond dat de buitensporige aandacht voor die man de hellenistische filosofen groot onrecht aandeed. Oké, Aristoteles mocht ook af en toe opdraven, maar daarmee hield het op.

Wat is er dan mis met Plato?

Sellars: Zijn metafysica is vreselijk complex, met het onderscheid dat hij maakt tussen de echte wereld en de afspiegeling daarvan in een schaduwwereld. De stoïcijnen en epicuristen hadden lak aan dat soort van zweverige constructies: zij waren materialisten. Net dat sprak mij als jonge filosofiestudent erg aan. Ze waren empirici: ze baseerden hun kennis op waarneming. Ze stonden ook zeer sceptisch tegenover religieuze kwesties.

Ze klonken erg modern?

Sellars: Precies. Het stoïcisme en epicurisme waren niet voor niets zeer populair tijdens de 18e-eeuwse Verlichting. De stoïcijnen en epicuristen voelden ook voor mij aan als heel natuurlijk en down to earth. Ze sloten aan bij mijn eigen ervaring van de wereld. Alleen het fysiek tastbare bestaat, kennis verkrijgen we via onze zintuigen en we hoeven geen verantwoording af te leggen aan bovennatuurlijke krachten.

De hellenistische filosofen hielden niet van de uitgebreide Griekse en Romeinse godenwereld?

Sellars: Nee, in tegenstelling tot Plato. Hij stond allesbehalve met beide voeten op de grond, maar zweefde in zijn ideale bovenwereld. Hij verlangde naar absolute, onwrikbare kennis, gebeiteld in steen. De fysieke wereld vond hij maar niets, want die verandert voortdurend. Hij zocht heil in de ideeënwereld buiten tijd en ruimte. Daar bevonden zich de ideale, wiskundige oerconcepten van goedheid, waarheid en schoonheid. Onze wereld was daar in zijn ogen een onvolmaakt, flauw afkooksel van.

In tegenstelling tot de hellenistische filosofen werd Plato met zijn ideeënleer heel populair bij de katholieke kerk?

Sellars: Plato’s invloed op het vroege christendom kan niet onderschat worden. Zijn leerling Aristoteles (384 v. C. – 322 v.C.) temperde dat platonisme een beetje. Hij was meer een wetenschapper, maar bleef toch vasthouden aan het idee dat er onveranderlijke essenties van verschijnselen zijn. Het was vooral de filosofie van Aristoteles die weerklank vond bij de middeleeuwse katholieke kerk. De invloedrijke katholieke theoloog Thomas van Aquino (1225-1274) haalde zijn mosterd bij hem.

De hellenistische filosofen werden eeuwenlang door Plato en Aristoteles overschaduwd?

Sellars: Ja, en dat is toch merkwaardig, want het stoïcisme en epicurisme waren rechtstreekse reacties op Plato en Aristoteles. Ze namen afstand van de ideeënwereld en stelden dat alles wat bestaat materieel is. De mens is een wezen van vlees en bloed dat verdwijnt als het lichaam sterft. Er is géén hiernamaals en aan goden en mythologie hadden de stoïcijnen, epicuristen en pyrronistische sceptici lak. Wat primeerde was leven in het nu.

Is dat niet zeer boeddhistisch?

Sellars: Het boeddhisme ontstond in Nepal, één à twee eeuwen voor het stoïcisme. De verwantschappen tussen die twee filosofieën zijn inderdaad groot. Ik vind dat een heel interessante kwestie, want ze hebben elkaar in die tijd nooit beïnvloed.

Pyrrho van Elis (ca. 360 v.C – 270 v.C.), de stichter van het pyrronistisch scepticisme, zou wel in India geweest zijn. We vermoeden dat hij samen met Alexander de Grote reisde. Oude teksten vertellen hoe Pyrrho in de leer ging bij een groep Indiase ascetische filosofen. Misschien werd hij toen boeddhist, al is daar geen zekerheid over.

Pyrronistische sceptici geloven in niets. Alle angsten en geestelijk lijden, en alle conflicten worden volgens hen veroorzaakt door mensen met een rotsvast geloof. Alle ellende in deze wereld is een gevolg van dogmatisme. De huidige Amerikaanse politiek met zijn extreme polarisering illustreert de vaststellingen van Pyrrho. De enige manier om van ellende bespaard te blijven, is volgens Pyrrho: geloof in niets. Aanvaard de oppervlakkige verschijnselen van dingen en laat jezelf niet verleiden tot uitspraken als: ‘Alleen zo is het en niet anders!’

Dat is geen vorm van apathie?

Sellars: Zo zou ik het niet omschrijven, nee. In moderne zelfhulpboeken lees je vaak dat onze jacht naar geluk alleen maar ongeluk oplevert. Er staat dan: ‘Jaag geluk niet langer na, maar zoek een zinvolle bezigheid. Een van de gevolgen zal zijn dat je gelukkiger wordt.’ Misschien is dat de essentie van het scepticisme van Pyrrho van Elis. Als je voortdurend kalmte en rust nastreeft, eindig je als een dolgedraaide neuroot. Geef die zoektocht naar kalmte en rust op, en je komt vanzelf tot rust.

De voorbije jaren verschenen er nogal wat populair-filosofische boeken over ‘levenskunst’, over hoe we vandaag met de hulp van de oude Grieken en Romeinen een goed leven kunnen leiden. De auteurs doen daarbij beroep op de hellenistische filosofie?

Sellars: Ja, en dan vooral op het stoïcisme. Een ouder boek van mij heet toevallig ook The art of living. Alleen is dat geen filosofisch zelfhulpboek, maar een academische uiteenzetting over wat filosofie voor de stoïcijnen betekende. Dat blijkt dan inderdaad ‘levenskunst’ te zijn. Ze omschrijven filosofie in het oud-Grieks als ‘technē peri ton bion’, als kunst of ambacht van het leven. Ze trekken parallellen met andere ambachten zoals de geneeskunde. Om dokter te zijn, moet je over veel theoretische kennis en heel wat praktische vaardigheden beschikken. Dat geldt volgens de Griekse en Romeinse stoïcijnen uit de Oudheid ook voor filosofen.

Wat onderscheidt het stoïcisme, epicurisme en pyrronistisch scepticisme van elkaar?

Sellars: De drie scholen van de hellenistisch filosofie volgen verschillende strategieën voor het bereiken van dat ene doel: het goede leven. Voor de stoïcijnen is dé sleutel dan het nastreven van waarden en deugden als moed, gematigdheid en rechtvaardigheid. Voor de epicuristen draait alles in het bestaan rond genot en pijn. Wie een goed leven wil leiden, streeft plezier na en vermijd pijn. Maar niet op een hedonistische wijze: het epicurisme zoekt vooral mentaal genot. Geestelijk lijden en overbodige stress moeten zoveel mogelijk uit de weg worden gegaan. Pyrronistische sceptici zweren geloof en dogmatiek af.

Hoe populair waren de hellenistische filosofen in hun tijd?

Sellars: Het stoïcisme was honderden jaren lang zeer populair. De eerste twee eeuwen had het het in Athene veel invloed. Nadat de Romeinen de macht in Griekenland overnamen, waren ze meteen gecharmeerd door die stoïcijnse filosofie. In de eerste eeuwen na Christus floreerde het stoïcisme ook in Rome, getuige daarvan de stoïcijnse Romeinse keizer Marcus Aurelius met zijn Overpeinzingen. Het epicurisme trad minder voor het voetlicht, maar oefende toch ook vierhonderd jaar lang flink wat invloed uit. Een van de epicuristische doctrines is dat je een stil leven moet leiden. Daarom bleven epicuristen meestal onder de radar. De Romeinse dichter Vergillius (70 v.C. – 19 v.C.) was een epicurist, net als zijn collega Horatius (65 v.C. – 8 v.C.).

Wie is uw favoriete hellenistische filosoof?

Sellars: Marcus Aurelius is zeker een van mijn favorieten. Ik publiceerde net een boek over hem, bestudeerde zijn geschriften intens en heb het gevoel dat ik hem intussen heel goed ken. Hij denkt in zijn werk na over zijn eigen bestaan. Hij wil een beter mens worden door negatieve emoties en frustraties te vermijden en positieve waarden na te streven, zoals samenwerking en rechtvaardigheid. Met de hulp van de stoïcijnse filosofie navigeert hij door zijn dagelijkse leven.

Klinkt ‘negativiteit vermijden’ niet makkelijker dan het is? Ieder mens wordt in zijn leven toch geconfronteerd met momenten van diepe ellende?

Sellars: U hebt gelijk: die momenten zijn overmijdelijk. Je kan ziekte niet ontlopen, net als de dood van geliefden. Dé vraag is dan: hoe ga je met die onvermijdelijke negativiteit om? Die ultieme vraag stelde de Romeinse stoïcijnse filosoof Epictitus (50 n.C. – 130 n.C.) zich ook. Hij kwam tot de conclusie: ‘We raken niet van streek door gebeurtenissen, maar door de manier waarop we tegen die gebeurtenissen aankijken.’ De manier waarop we nadenken over dingen die ons overkomen, bepaalt hoe we erop reageren. Gebeurtenissen kunnen we niet controleren, want inderdaad: shit happens. Maar we kunnen onze gedachten daarover wél onder controle houden. De ellende verdwijnt daardoor natuurlijk niet, maar wordt draaglijker.

Slaagt u erin om uw eigen leven met uw kennis van de hellenistische filosofie te verbeteren?

Sellars: Dat is toch altijd wat ik hoop. Ik geloof graag dat ik er met al die kennis beter aan toe ben dan zonder. (lacht)

In 2012 stond ik samen met een aantal andere filosofen en psychotherapeuten aan de wieg van de organisatie Stoicism Today. We beschouwen onszelf als moderne stoïcijnen en organiseren in Groot-Brittannië jaarlijks verschillende evenementen rond de stoïcijnse filosofie. Zo houden we traditiegetrouw rond deze tijd van het jaar onze stoïcijnse week. Op de website modernstoicism.com vullen deelnemers dan in het begin van die week een vragenlijst in. Daarin peilen we naar hoe ze in het leven staan en welke moeilijkheden ze ervaren. Vervolgens geven we ze elke dag raad aan de hand van het werk van hellenestische filosofen. Op het einde van de stoïcijnse week vullen de deelnemers dezelfde vragenlijst opnieuw in. Elk jaar stellen we vast dat negatieve emoties zoals kwaadheid of frustratie dan sterk verminderd zijn. Mensen voelen zich opgewekter en gelukkiger, na amper één week leven als een stoïcijn.

Hellenistische filosofie is ook therapeutisch?

Sellars: Zowel de stoïcijnen, epicuristen als pyrronistische sceptici beschouwden filosofie als therapie. Verschillende psychotherapeuten doen vandaag een beroep op hun inzichten. Ze leren hun cliënten dingen of gebeurtenissen in een ander perspectief te zien, waardoor ze minder angstaanjagend lijken, of beter te begrijpen zijn.

Is hellenistische filosofie een soort van surrogaatreligie voor de naar zin zoekende moderne seculiere mens?

Sellars: Totaal niet. Hellenistische filosofie heeft niets met religie te maken omdat alle stellingen en uitspraken gebaseerd zijn op argumenten. Het is geen raamwerk van slaafs op te volgen regels, stammend uit een dogmatisch geloof. Als je van oordeel bent dat de argumenten deugen, zal je misschien ook geneigd zijn om de bijhorende raad op te volgen. Als je de argumenten onzin vindt, kan je dat advies gewoon naast je neerleggen.

Helpt de hellenistische filosofie u tijdens deze coronacrisis?

Sellars: Ik vind nu soelaas bij het stoïcisme, en dan vooral bij de Romeinse stoïcijnen. Zij adviseren om wat er in het hier en nu gebeurt in een veel ruimer perspectief te plaatsen. Overschouw de menselijke geschiedenis en kijk naar wat deze pandemie daarin voorstelt. Wat ons nu overkomt is niet uniek; er waarden vroeger nog gevaarlijke virussen rond. In de toekomst volgen er ongetwijfeld nog. Wij, westerlingen, maakten dit de voorbije decennia niet mee, vandaar dat velen zo in shock zijn. Terwijl deze epidemie helemaal niet uitzonderlijk is. Onze voorouders moesten veel gevaarlijkere virussen doorstaan, op verschillende tijdstippen in de geschiedenis. Waarom kunnen wij dit dan niet overleven?

De wereld wordt een betere plek als we meer zouden luisteren naar de hellenistische filosofen?

Sellars: Zonder twijfel. De beroemde Romeinse schrijver en stoïcijnse filosoof Seneca (4 v.C. – 65 n.C.) dacht veel na over het gevaar van woede in de politiek. ‘Waar het verstand ophoudt, begint de woede’, stelt hij. ‘Woede is gevaarlijk. Zeker als ze wordt aangevuurd door machtige, invloedrijke figuren.’ De stoïcijnen raden ons daarom aan dat we onze woede altijd moeten proberen beheersen. De epicuristen wijzen ons erop dat we niet veel geld of bezit nodig hebben om een gelukkig leven te leiden. En de pyrronistische sceptici vinden dat we ons dogmatisme beter inruilen voor openheid van geest. Dat is toch een perfecte handleiding voor een betere wereld?

John Sellars

  • Geboren in 1971
  • Studeerde en promoveerde in de filosofie aan de universiteit van Warwick
  • Doceert antieke filosofie aan de universiteit van Londen en is verbonden aan het Wolfson College in Oxford
  • Auteur van The art of living (2003), Stoicism (2006), Hellenistic philosophy (2018), Lessons in stoicism (2019) en Marcus Aurelius (2020)

© Jan Stevens

‘Ik vergeet niets en vergeef niemand’

Vijf jaar geleden verloor Antoine Leiris zijn vrouw Hélène bij de aanslag op de Parijse concertzaal Bataclan. “Sindsdien is november de wreedste van alle maanden.”

Op vrijdag 13 november 2015 lieten 130 mensen het leven in terreuraanslagen verspreid over Parijs. Eén van hen was de 35-jarige visagiste Hélène Muyal-Leiris. Die horroravond ging ze naar een concert van de Amerikaanse band Eagles of Death Metal in de concertzaal Bataclan. Haar man Antoine Leiris bleef thuis bij hun 17 maanden oude zoontje Melvil. De maandag erna zag hij haar voor het allerlaatst terug achter glas in het mortuarium. “Ze was even mooi als ze altijd is geweest.”

Diezelfde dag postte hij op Facebook een brief aan de terroristen die zijn vrouw hadden vermoord. “Jullie zullen mijn haat niet krijgen”, schreef hij. Zijn boodschap ging wereldwijd viraal. Uit die brief groeide het aangrijpende boekje Mijn haat krijgen jullie niet, waarin hij de eerste twaalf dagen zonder Hélène beschrijft.

Precies vijf jaar later ligt Het leven, daarna in de boekhandel, het tussen wanhoop en hoop zwevende verslag van zijn leven na ‘les évenements’ of ‘de gebeurtenissen’. Want zo omschrijft hij met warme, zachte stem het twintig minuten durende salvo dat drie terroristen afvuurden vanop het balkon op de weerloze concertgangers.

Het voorbije half jaar leek de door de radicale islam geïnspireerde terreur in de straten van Parijs te zijn verdrongen door corona. Tot de dag van dit interview de 18-jarige Tsjetsjeense jihadist Abdullah Anzorov de 47-jarige geschiedenisleraar Samuel Paty onthoofdt voor het tonen van cartoons van de profeet Mohammed.

Antoine Leiris: “Dit vreselijke bloedvergieten blijft totaal onaanvaardbaar. Voor alle duidelijkheid: ik heb geen enkel probleem met de religie islam, alleen met de politiek-fundamentalistische variant ervan. Het is niet omdat ik Mijn haat krijgen jullie niet schreef, dat ik vind dat we daders moeten vergeven, of dat we hun daden moeten vergeten. Ikzelf vergeet niets en vergeef niemand. Gewelddadig religieus fundamentalisme moét keihard aangepakt worden.”

De Franse overheid reageert te laks?

Leiris: “Wat ik vind van de aanpak van onze bewindslui hou ik liever voor mezelf. Ik werd ongewild en ongevraagd ervaringsdeskundige van wat een terreuraanval betekent voor de geliefde van een slachtoffer. Over wat dat bij mij aanrichtte, schreef ik mijn twee boeken. Hoe we fundamentalistische terroristen moeten bestrijden, laat ik over aan anderen. Daar ben ik geen expert in.”

In Het leven, daarna brengt u het relaas van u uw persoonlijke tocht van de jaren na de aanslag op de Bataclan.

Leiris: “Er is een tijd voor en een tijd na de aanslag. Ervoor was ik de man van Hélène en samen waren wij de ouders van Melvil. Erna was ik weduwnaar en Melvils alleenstaande vader. In één klap werd ik me bewust van de smalle kloof tussen leven en dood. In zeer moeilijke omstandigheden moest ik proberen uitvlooien hoe ik mijn nieuwe rol zou invullen. Wat betekende mijn vaderschap na de moord op Hélène?

“Ik ging in die periode ook op zoek naar wie mijn vader was, en welke rol hij in mijn kindertijd speelde. Hij is gestorven, net als mijn moeder. Ik ben een wees. In de jaren na ‘de gebeurtenissen’ probeerde ik als vader te leren leven met al die dode zielen.”

De Nederlandse vertaling Het leven, daarna is net verschenen, terwijl het Franse origineel La vie, après dateert van oktober vorig jaar. Moet er niet nog een extra hoofdstuk over het voorbije jaar bij?

Leiris: “Misschien schrijf ik dat extra hoofdstuk later, als Melvil een paar jaar ouder is. Nu is het daar te vroeg voor.

“Mijn eerste boek Mijn haat krijgen jullie niet schreef ik in de dagen na 13 november 2015. Daarna begon ik aan een roman te werken. Want romanschrijver worden, is mijn ultieme ambitie. Ik zette de grove lijnen voor dat fictieve verhaal uit en schreef de eerste bladzijden. Tot ik merkte hoe ik er voortdurend stukken uit mijn eigen leven in smokkelde. Het was alsof ik mijn eigen bestaan verdronk in fictie. Dat leidde nergens toe en dus besloot ik om eerst dat boek te maken over mijn leven na de aanslag. Pas daarna kon ik aan mijn roman beginnen. Daar ben ik nu ook volop mee bezig.”

U moest eerst een hoofdstuk afsluiten?

Leiris: “Precies. Mijn haat krijgen jullie niet werd door regisseur Benjamin Guillard bewerkt tot een toneelstuk en ging in het najaar van 2017 in het Parijse Théâtre du Rond-Point in première. Raphaël Personnaz, acteur en stand-upcomedian, kroop in mijn huid. Hij zette een volmaakte vader neer, een trieste weduwnaar die op een perfect ontroerende wijze voor zijn zoontje zorgt. Ik ging naar dat stuk kijken en zag een man op de scène die ik niet langer herkende. Hij leek op mij, maar hij was me niet meer. Ik was veranderd, geëvolueerd. Ik zag hoe de Antoine Leiris van Mijn haat krijgen jullie niet een personage was geworden.”

Dat ‘personage’ Antoine Leiris, schrijver van die indringende Facebook-post na de aanval op de Bataclan, wou u niet langer zijn?

Leiris: “Dat is te sterk uitgedrukt. Het was niet zo dat ik die Antoine Leiris niet meer wou zijn, ik was gewoon veranderd. Met Het leven, daarna neem ik afscheid van de in de tijd bevroren Antoine Leiris uit de maanden na de aanslag. Via dat tweede boek stap ik in het échte leven, zonder nog naar dat personage van vroeger te moeten verwijzen.”

U hoopt zo met een schone lei te kunnen beginnen?

Leiris: “Nee, dat wil ik niet. Want het leven gaat gewoon verder en het verleden kan niet gewist worden. Ik ben nu blijvend op zoek naar het evenwicht tussen een nieuw, lichter bestaan en die zware souvenirs van vroeger. Dat is best ingewikkeld.

“Of ik bang ben dat ik de rest van mijn bestaan vereenzelvigd zal worden met Antoine Leiris, de weduwnaar van na de Bataclan? Nee, al kan ik heel goed begrijpen dat buitenstaanders me nu zo zien. Terwijl ik in werkelijkheid een veel complexer mens ben. Familie en vrienden weten dat mijn identiteit niet alleen bepaald wordt door 13 november 2015 en alles wat daarna kwam. Zij kennen de Antoine Leiris met wie ze opgroeiden, de Antoine Leiris van in de middelbare school, de Antoine Leiris van op het werk… Mijn hele wezen wordt vandaag niet enkel en alleen bepaald door ‘de gebeurtenissen’. Als ik nu in mijn kantoor aan een scenario zit te vijlen, ben ik niet Antoine Leiris, de weduwnaar, maar Antoine Leiris, de scenarist. Toen ik samen met mijn uitgeefster Het leven, daarna voorstelde, was ik Antoine Leiris, de man die net een nieuw boek geschreven had.

“Natuurlijk blijven ‘de gebeurtenissen’ voor altijd deel van mijn persoonlijke geschiedenis. Ik begrijp ook heel goed dat mensen daar vragen over stellen en probeer daar dan op te antwoorden. Dat stoort me zelfs niet, integendeel.”

Was het schrijven van Het leven, daarna therapeutisch?

Leiris: “Toch niet, maar dit boek moést er eerst komen, om daarna met iets nieuws van start te kunnen gaan. Schrijven is al heel lang een vast onderdeel van mijn bestaan. De literatuur en het geschreven woord zijn zeer belangrijk voor mij en romanschrijvers staan op het hoogste schavot. Vóór ‘de gebeurtenissen’ had ik nooit plannen om iets over mezelf op papier te zetten. Ik heb lang als cultuurjournalist bij Radio France gewerkt en ken de vaak bedenkelijke kwaliteit van dat soort van bekentenisliteratuur. Na 13 november 2015 vond ik dat ik wel iets over mezelf kwijt moest. Dat is met Het leven, daarna voorlopig afgesloten. Vanaf nu wil ik samen met mijn zoon Melvil verder een leven in de luwte leiden. Ik keer ook terug naar de schaduw om die roman eindelijk te kunnen afwerken.”

Bent u ooit in therapie geweest?

Leiris: “Nee, al had ik het misschien beter wel gedaan. (lachje) Ik probeer mijn negatieve gedachten onder controle te houden en te transformeren in andere, positieve dingen. Maar ik erken dat therapie heilzaam kan zijn. Nu nog niet, misschien later. Of misschien nooit. Ik weet het niet.”

Is het moeilijk voor u om te vertellen hoe u die avond van 13 november 2015 beleefde?

Leiris: “O ja, dat blijft vreselijk moeilijk. (stilte) Melvil sliep en ik las een boek, in afwachting van de terugkomst van Hélène. Rond half elf kreeg ik een sms van een kennis: ‘Hoi, gaat alles goed? Zijn jullie thuis?’ Ik antwoordde niet, zoals ik eigenlijk nooit doe op nietszeggende sms’jes. Maar die telefoon bleef trillen. ‘Zijn jullie veilig?’ Ik legde mijn boek opzij en zette de tv aan. ‘Aanslag bij het Stade de France’, hoorde ik. Iets later zag ik de naam Bataclan voorbijglijden. De plek waar Hélène naartoe was. Ik belde haar en bleef bellen. Honderden keren na elkaar hoorde ik haar voicemail. Mijn broer en zus kwamen naar ons appartement. Samen met mijn broer reed ik die nacht in Parijs van ziekenhuis naar ziekenhuis. Nergens een spoor van Hélène. De volgende dag om acht uur ’s avonds belde haar zus. Hélène was dood.”

Van het ene moment op het andere kantelde uw leven totaal?

Leiris: “Ja, maar wat de herinneringen aan die avond nu nog met mij aanrichten, beschouw ik als privé. Dat is onderdeel van mijn intimiteit. Alles wat ik over die eerste momenten, dagen en weken kwijt wil, staat in Mijn haat krijgen jullie niet. Alles wat ik toen voelde, heb ik beschreven in dat boek. Al de rest hou ik voor mezelf.”

Was het een troost dat dat eerste boek een internationale bestseller werd?

Leiris: “Eerlijk gezegd wasMijn haat krijgen jullie nietnu ook weer niet zo’n eclatant succes. In Frankrijk werd het veel gelezen, maar in het buitenland brak het geen potten. Ja, er werd in heel wat landen vaak over gesproken én het werd in twintig talen vertaald, maar het vloog niet over de toonbank. Voor veel mensen was mijn tekst heel moeilijk te behappen. Ze waren bang dat hij hen te veel pijn ging doen. Ik kan dat best begrijpen. Af en toe zei een vriend me: ‘Antoine, ik kan je boek niet lezen. Ik ben bang dat het er veel te hard zal inhakken.’ Ik vond dat niet erg. Ik heb me nooit vragen gesteld over de verkoop van Mijn haat krijgen jullie niet. Dat interesseerde me niet. Net als al die vertalingen: al dat soort van beslissingen liet ik over aan mijn uitgeefster. Álles wat er met en rond dat boek gebeurde, ontsnapte volledig aan mijn aandacht. Ik probeerde intussen mijn leven zo normaal mogelijk te leven.”

Vandaag bent u voltijds schrijver?

Leiris: “Ja, maar dat is geen gevolg van de Bataclan. Niet lang voor de aanslagen had ik mijn baan bij Radio France opgezegd. Ik wou gaan freelancen, reportages, verhalen en scenario’s schrijven en eindelijk ook die roman afmaken waar ik al jaren op aan het broeden was. In september 2015 was ik zo vrij als een vogel, dolgelukkig met vrouw en kind en klaar voor een nieuw avontuur. Tot anderhalve maand later ‘de gebeurtenissen’ alles van tafel veegden.”

In de zomer van 2016 verhuisde u van het knusse appartement waar u samen met Hélène gewoond had, naar een flat in een koele, moderne nieuwbouw in een andere buurt in Parijs. Die verhuis was een doelbewuste keuze?

Leiris: “Ja. Na ‘de gebeurtenissen’ liet ik alles in ons appartement onaangeroerd. Het werd een museum. Ik wou er zelf eerst niet weg. Maar de moeder van een vriend zei dat het misschien verstandiger was op zoek te gaan naar een nieuwe omgeving. Zij had haar man verloren. ‘Ik bleef in het huis wonen’, zei ze. ‘Dat was een vergissing. Ik wil er weg omdat ik nood heb aan meer geestelijke vrijheid. Die vind ik hier niet.’ Ze had gelijk; die verhuis gaf me meer zuurstof. De nieuwe flat maakte het eindelijk voor me mogelijk om afstand te nemen. Ik kon voorwerpen een nieuwe plaats geven en dat werkte bevrijdend.”

Die verhuis dwong u ook tot het uitzoeken van de bezittingen van uw vrouw. U moest dingen van haar weggooien. Die selectie maken, was heel moeilijk?

Leiris: “Dat was onmogelijk, maar moest toch gebeuren. Ik maakte die selectie niet alleen voor mezelf, maar ook voor onze zoon Melvil. Toen zijn mama stierf, was hij een baby van bijna 18 maanden. Ik moest beslissen welke voorwerpen van haar hij binnen tien, twintig of dertig jaar bij zich zou willen hebben. Ik nam me voor geen spijt te krijgen van mijn keuzes, al is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Nu ben ik bang dat ik toen grote vergissingen heb gemaakt.

“Ik nam vooral dingen mee die ze dagelijks gebruikte. Haar telefoon, haar sieraden, de inhoud van haar nachtkastje. Ik wou voldoende herinneringen bewaren aan haar zoals ze op het einde van haar leven was, maar niet de souvenirs uit een ver verleden. Want die zouden toch meer en meer vervagen. Ik wou de afstand tussen haar en ons zo kort mogelijk houden. Er moesten voldoende voorwerpen en foto’s zijn om haar te gedenken, maar ook niet té veel. De herinneringen aan haar moeten met ons kunnen meegroeien, zodat ze altijd bij ons blijft, bij mij en Melvil. Samen met ons zal ze veranderen doorheen de tijd.”

Hoe gaat het nu met Melvil?

Leiris: “Heel goed. Hij groeit als kool. Hij is een grote jongen van zes en zit in het eerste leerjaar, waar hij leert lezen en schrijven. Hij vindt dat zalig. De appel viel dus niet zo ver van de boom. (lacht)”

Hij heeft geen échte herinneringen aan wie zijn moeder was?

Leiris: “Op een of andere manier heeft hij toch zijn beeld van wie zij was. Als hij groter is, zullen we hem vertellen wat er precies die vreselijke avond gebeurd is. Al hebben we de voorbije jaren al heel veel over haar gepraat. Telkens wanneer hij een vraag over haar stelt, probeer ik die zo goed mogelijk te beantwoorden.

“Er zijn nu momenten waarop hij glimpen van haar opvangt. Via een geur, een kleur, een stem. Hij leefde negen maanden samen met haar in haar buik. Achttien maanden lang was er die innige band tussen moeder en baby. Dat moét toch in hem blijven voortleven? Al die zintuiglijke ervaringen van toen Hélène er nog was, zitten diep in hem. Dat geloof ik echt.”

U bent nu zowel zijn vader als zijn moeder?

Leiris: “Nee, ik kan niet meer dan één ouder tegelijkertijd zijn. Al doe ik mijn best om voor 100 % zijn papa te zijn, een superpapa, de allerbeste. Maar de rol van mama zal ik nooit kunnen overnemen. Dat is onmogelijk. Het is heel moeilijk om eerst degene te zijn die gromt: ‘Wat heb je nu weer uitgespookt, Melvil?’, en vijf minuten later degene die sust: ‘Was papa weer aan het zeuren?’ (lacht)”

Hoe belangrijk waren familie en vrienden de voorbije vijf jaar?

Leiris: “Van levensbelang. Zij waren er altijd voor ons; ze zijn mijn ankerpunten. Mijn ouders heb ik niet meer, maar bij mijn prachtige broer en zus kan ik altijd terecht. Ik heb ook een paar vrienden op wie ik dag en nacht kan rekenen.

“Sommige zondagnamiddagen kunnen heel somber zijn. Dan neem ik de auto en rij ik met Melvil naar mijn broer of zus. Of naar mijn vrienden Michel of Marco. Nooit kom ik ongelegen bij hen.”

Is er in uw leven plaats voor een nieuwe geliefde?

Leiris: “Een deel van mij wil dat en verlangt er ook naar. Tezelfdertijd voel ik hoe moeilijk en ingewikkeld een nieuwe relatie kan zijn. (zwijgt)

“Ach, ik zou u kunnen zeggen dat ik er klaar voor ben en dat een nieuwe liefdesrelatie mogelijk is. Maar de realiteit is dat ik het niet weet. Ik heb geen antwoord op uw vraag. Nog niet.”

In januari 2021 begint normaal gezien het assisenproces tegen twintig verdachten van de aanslagen in Parijs, waaronder de enige nog levende dader Salah Abdeslam. Zal u dat volgen?

Leiris: “De juiste data staan nog niet vast en vandaag weet ik niet of ik in de rechtszaal zal plaatsnemen. Momenteel loopt het proces tegen 14 medeplichtigen van de aanslagen in januari 2015 op onder andere Charlie Hebdo. Ik hoorde iemand van de Association française des Victimes de Terrorisme (AfVT) zeggen dat veel nabestaanden tot op de allerlaatste minuut twijfelden of ze aanwezig zouden zijn of niet. Dat klinkt misschien bizar, maar ik begrijp dat volkomen. Ook ik zal twijfelen tot vlak voor de allereerste zitting.”

Verschillende slachtoffers van de Brusselse aanslagen van 22 maart 2016 voelen zich door de overheid in de steek gelaten. Herkent u dat?

Leiris: “Dat is een ingewikkelde kwestie, waar ik liever niet op inga. Het is niet voor niets dat in 2009 de AfVT, de belangenvereniging van Franse terrorismeslachtoffers, opgericht werd. Meer wens ik daar echt niet over te zeggen.”

Waarom niet?

Leiris: “Ik vertel in mijn twee boeken het hoogstpersoonlijke verhaal van een vader en een zoon die door een aanslag in uitzonderlijke omstandigheden terecht komen. Ik praat liever niet over gevoelige zaken waar ik het fijne niet van weet. Want dan riskeer ik fouten te maken die mensen nodeloos kunnen kwetsen.”

Op 16 november 2015 postte u uw inmiddels wereldberoemde boodschap aan de daders: ‘Mijn haat krijgen jullie niet.’ Vindt u nog steeds dat ze uw haat niet verdienen?

Leiris: “Wat ik toen bedoelde, was dat ik mijn handelingen niet wou laten aandrijven door die emotie. Haat mocht niet de motor van mijn leven worden. Ik weet het, dat is makkelijker gezegd dan gedaan. De woede, en af en toe de haat, liggen constant op de loer. Toch blijf ik die negatieve emoties onderdrukken. Ik laat niet toe dat zij bepalen hoe ik zal handelen. Op die momenten waarop het toch dreigt te gebeuren, dwing ik die haatgevoelens terug in de spelonken van mijn geest.”

De aanslag op de Bataclan en de moord op uw vrouw heeft uw kijk op de wereld niet ingrijpend veranderd?

Leiris: “Ik vermoed van niet. Er huizen al heel lang twee totaal tegengestelde persoonlijkheden in Antoine Leiris. De ene persoonlijkheid is extreem gevoelig aan sensaties, geuren en kleuren. Ze vangt alles op wat er aan emoties rondzweeft en reageert daar sterk op. Die andere persoonlijkheid is dan weer heel rationeel. Die twee leefden altijd al samen in mij en zitten er nog steeds. Mijn rationele kant probeert ook na 13 november 2015 de waanzin in de wereld te begrijpen. Mijn emotionele kant raakte ook na die vreselijke dag niet afgestompt. Het lukt me nog steeds om niet definitief te veroordelen en ik ben me er nog altijd heel goed van bewust dat ik de wereld niet begrijp. Dat is toch positief, niet?”

Hoe zal de avond van 13 november 2020 er voor u uitzien?

Leiris: “Dat weet ik nog niet. Sinds 2015 is die 13e november elk jaar een zeer moeilijke dag. Eigenlijk is heel die maand november zwaar. Het is de wreedste van alle maanden. Dan herbeleef ik ‘de gebeurtenissen’. Niet exact zoals ze zich toen afspeelden, maar ze liggen dan als een dood gewicht op mijn schouders.

“De coronacrisis versterkt dit jaar die somberheid alleen maar. Parijs lijkt met die avondklok een stad in oorlogstijd. Mijn stadsgenoten lopen op de toppen van hun tenen. Ze zijn bang voor hun gezondheid, bang om hun job te verliezen, bang dat hun zaak overkop zal gaan. Elke ochtend neem ik de metro en dan zie ik vermoeide, uitgebluste mensen. Zelfs hun mondmaskers kunnen niet verbergen dat ze de wanhoop nabij zijn.”

Antoine Leiris, Het leven, daarna, Het Spectrum, 176 blzn., 15,99 euro

© Jan Stevens

‘Trump heeft recht op een proces, net als Göring indertijd’

75 jaar geleden, op 20 november 1945, gingen de processen van Neurenberg van start. 177 nazi’s, waaronder 24 kopstukken, stonden er terecht voor het Internationale Militaire Tribunaal. Een van de hoofdaanklagers was de toen piepjonge Benjamin Ferencz. Vandaag is hij 100 en de laatste overlevende Neurenberg-aanklager. ‘Oorlog verandert fatsoenlijke mensen in massamoordenaars.’

Op 11 maart van dit jaar vierde Benjamin Ferencz zijn honderdste verjaardag. Dit najaar verschijnt het boek Parting Words, waarin de laatst levende aanklager bij de Neurenberg-processen zijn visie op het leven geeft. Er komt dan ook een Nederlandse vertaling onder de titel Negen lessen voor een bijzonder leven. Op de cover prijkt prominent Benjamin Ferencz’ naam als auteur, alleen is de kwieke eeuweling “zijn” boek vol wijze levenslessen liever kwijt dan rijk. ‘Dit is helemaal niet mijn intellectuele testament’, zegt hij ietwat korzelig aan de telefoon vanuit zijn bungalow in Delray Beach, Florida. ‘Een journaliste interviewde me. Zij vond het vervolgens een goed idee om uit dat gesprek negen levenslessen te distilleren. Als u echt wil weten wie ik ben, raad ik u Jahrhundertzeuge Ben Ferencz van de Zwitserse historicus Philipp Gut aan. Hij doorploegde mijn archief in het Holocaust Museum in Washington. Alleen jammer dat het in het Duits geschreven is.’

Benjamin ‘Ben’ Ferencz zag in 1919 het levenslicht in het Roemeense Transsylvanië. Hij was nog een baby toen hij samen met zijn straatarme familie naar de Verenigde Staten emigreerde. Zijn vader, een schoenmaker, ging op de vlucht voor het antisemitisme en droomde van een beter leven aan de andere kant van de oceaan. Ze maakten de overtocht in derde klas; wekenlang sliepen ze op het scheepsdek in open lucht.

Ben Ferencz groeide op in Hell’s Kitchen, een achterbuurt in Manhattan, New York. Hij blonk uit op school en kreeg een beurs voor Harvard. Hij studeerde af als jurist en werd op zijn 27e benoemd tot hoofdaanklager bij de Neurenberg-processen. Jaren later stond hij aan de wieg van het Internationaal Strafhof in Den Haag, waar sinds 2002 processen gevoerd worden tegen verdachten van oorlogsmisdaden, genocide en misdaden tegen de menselijkheid.

Op zijn honderdste is Ferencz nog niet aan zijn pensioen toe. ‘Wat wil dat zeggen: van je pensioen genieten?’ vraagt hij. ‘Is dat golfen en toekijken hoe dat balletje in een hole rolt? Dat is niets voor mij.’

Waar werkt u nu dan aan?

‘Mijn werk is nooit veranderd sinds ik als jongeman op het einde van de Tweede Wereldoorlog de concentratiekampen zag. In 1945 ging ik als onderzoeker aan de slag bij generaal George Patton. Ik kreeg als taak de gruwel van de nazi’s te documenteren en bezocht de net bevrijde kampen. Overal lagen de uitgemergelde lijken. Die mensen waren vermoord omdat ze communisten, zigeuners of Joden waren.’

‘Het allereerste kamp waar ik binnenstapte, was Buchenwald. De gruwel was onbeschrijfelijk. Sindsdien probeer ik van deze vreselijke, afschuwelijke wereld een menselijkere en vredevollere plek te maken. Ik weet dat ik nooit zal rusten.’

Ondanks uw leeftijd wil u nog steeds de wereld veranderen?

‘Ja, want die verandering is broodnodig en helemaal niet zo moeilijk. Ik begrijp niet waarom blijkbaar iedereen te dom is om ze in gang te zetten. Ik bedacht er de slogan law, not war voor, want mensen denken graag in slogans. Als twee landen met elkaar in een dispuut verwikkeld raken, moeten ze dat via gerechtelijke weg proberen oplossen, en niet met wapens. Zo simpel is het.’

‘Het principe law, not war staat ook in het charter van de Verenigde Naties, en dat dateert al van juni 1945. Het illegaal gebruik van wapens wordt daarin een misdaad genoemd. Wie van een misdaad verdacht wordt, moet voor een rechter verschijnen en als hij schuldig wordt bevonden, moet hij bestraft worden. Die filosofie is de rode draad door mijn hele leven. Als hoofdaanklager tijdens de processen van Neurenberg was het precies ook mijn taak om misdaden door een rechtbank te laten bestraffen.’

U klaagde toen een aantal officieren aan van de Einsatzgruppen, de Duitse doodseskaders aan het Oostfront.

‘Als onderzoeker bij George Patton vond ik geheime rapporten van de nazi’s waarin ze nauwgezet bijhielden hoeveel mensen de Einsatzgruppen op welke plekken vermoord hadden. De namen van de verantwoordelijke officieren stonden erbij. Ik telde de getallen bij elkaar op en kwam aan meer dan één miljoen slachtoffers. Ik was in shock en raakte daar nooit helemaal van hersteld. Ik had op dat moment nochtans al heel wat oorlogservaring. Op D-Day landde ik als gewone soldaat op het strand van Normandië. Ik reed in mijn jeep over een pontonbrug op de Rijn van de Maginotlinie naar de Siegfriedlinie. Ik vocht op Belgisch grondgebied. Na de oorlog kreeg ik vijf Battle Stars voor deelname aan de vijf grootste veldslagen. Tot nu draag ik de mentale gevolgen van die oorlog. Ik wil niet dat iemand dit ooit nog moet meemaken, vandaar mijn levenslange inzet en strijd voor de rechtsstaat.’

U was nog heel jong toen u in Neurenberg tot aanklager werd aangesteld.

‘Door de omstandigheden was ik op zeer korte tijd ouder geworden dan mijn leeftijd deed vermoeden. Hoofdaanklager Telford Taylor belaste mij met het proces tegen de Einsatzgruppen, omdat ik daar al zoveel materiaal over verzameld had. De doodseskaders telden meer dan 3000 leden. Hun dagtaak bestond uit het neerknallen van Joden en de “vijanden van het Derde Rijk”: mannen, vrouwen en kinderen. Alle leden waren medeplichtig aan massamoord. Maar in de beklaagdenbank waren slechts 22 plaatsen. Dus selecteerde ik 22 namen op basis van rang en opleiding. Ik koos generaals en mannen met doctorstitels en zware diploma’s. De SS’er en jurist Otto Rasch had zelfs twee doctorstitels. In een paar dagen tijd vermoordde hij meer dan 33.000 Joden.’

Volgens de Nederlandse historicus en journalist Rutger Bregman deugen alle mensen. Gelooft u dat ook?

‘Ik heb me daar lang het hoofd over gebroken. Want al die beschaafde intellectuelen zoals Rasch toonden geen spijt of berouw. De eenheid van hoofdbeklaagde en nazi-generaal Otto Ohlendorf vermoordde 90.000 Joden. Tijdens het proces zei de immer vriendelijke en beleefde Ohlendorf, vader van vijf kinderen: “Dat getal is misschien een beetje overdreven. Mijn mannen schepten daar graag over op. Het waren er eerder 70.000.” Ik vroeg hem: “Waarom vermoordde je al die mensen?” Hij antwoordde: “Hitler vertelde ons dat de Russen op het punt stonden ons aan te vallen. Joden doden was niet meer dan een vorm van zelfverdediging. We wilden ons land redden. Ik zou het meteen opnieuw doen.” Oorlog verandert fatsoenlijke mensen in massamoordenaars. In Neurenberg besefte ik dat we dat alleen kunnen stoppen door een einde te maken aan de oorlogswaanzin.’

Bent u een pacifist?

‘Nee, maar van zodra iedereen pacifist is, word ik dat ook. Zolang er mensen rondlopen die mij iets willen aandoen omdat ik bijvoorbeeld Joodse roots heb, wijs ik het pacifisme af. Ik ben niet van plan om lijdzaam te wachten tot iemand me uit de weg ruimt. Ik ben maar anderhalve meter lang en daar werd ik als jongeman door een paar bullebakken om uitgelachen. Ik schopte hen in de ballen. (lacht) Ze dropen voorgoed af.’

Realist

Na Neurenberg keerde Benjamin Ferencz terug naar de Verenigde Staten. Als advocaat specialiseerde hij zich in burgerrechten en vrijheid van meningsuiting. Hij droomde van een soort permanent internationaal Neurenberg-tribunaal als juridisch wapen tegen de oorlogsgruwel. In 1975 schetste hij in zijn boek Defining international agression: the search for world peace de blauwdruk voor wat veel later het Internationaal Strafhof in Den Haag zou worden.

‘Samen met veel anderen ijverde en lobbyde ik jarenlang voor de creatie van dat hof’, zegt hij. ‘Dat past perfect in mijn law, not war-filosofie. In 1998 kwamen zowat alle landen van de Verenigde Naties in Rome samen om de oprichting van het Strafhof eindelijk in gang te zetten. Ik mocht hen toespreken. Ik zei: “Ik sta hier in naam van al degenen die voor altijd zwijgen: de slachtoffers.” In Rome herhaalde ik mijn pleidooi van Neurenberg: “Niet wraak is ons doel, maar de creatie van een humanere wereld waar iedereen in vrede kan leven, ongeacht afkomst, overtuiging of religie.” Naderhand tekenden al die landen het Statuut van Rome, de oprichtingsakte voor het Strafhof.’

Uw land, de VS, keerde het Internationale Strafhof van bij de start de rug toe.

‘Op oudejaarsavond 2000 tekende uiteindelijk ook de toenmalige president Bill Clinton het Statuut van Rome. Dat was zijn laatste beleidsdaad. Maar George W. Bush herriep die handtekening onder impuls van de aartsconservatief John Bolton. Twee jaar later zorgde diezelfde Bolton ervoor dat het Congres The Hague Invasion Act aannam. Die maakte het mogelijk dat de president kan beslissen van oorlogsmisdaden verdachte gearresteerde Amerikaanse militairen te gaan bevrijden uit hun Haagse cel.’

‘Hier in Amerika moéten de meningen botsen, want dit is een democratie. Sommige medeburgers zijn oerconservatief, andere radicaal-links en velen bevinden zich in het midden. Zo hoort het. Maar dat een aartsconservatief zoals John Bolton het Internationale Strafhof vleugellam maakt, is te gek voor woorden. Die man gelooft niet eens in de rechtsstaat. Volgens hem bestaat het internationaal recht niet. “Heb je macht? Gebruik die dan!” luidt zijn devies. “Hou geen rekening met anderen.” Boltons harde, reactionaire filosofie werd door verschillende presidenten overgenomen, inclusief de huidige. Alleen gaat die laatste nog een stap verder, want Donald Trump wil het Internationale Strafhof vernietigen.’

Arrestaties van Amerikaanse militairen door het Strafhof vindt hij een inbreuk op de Amerikaanse soevereiniteit?

‘Ja, en hij voegt eraan toe dat het enkel Amerika toekomt haar eigen burgers te berechten. “Dat vreemde hof wil ons straffen omdat we Amerikanen zijn”, beweert hij. Wat een bullshit. Kijk, als de VS kunnen garanderen dat hun soldaten in eigen land een eerlijk proces krijgen, is dat prima. Ik heb indertijd zelf mee de clausule geschreven die bepaalt dat het Internationaal Strafhof aanvullend is. Als alle staten erin slagen hun eigen van oorlogsmisdaden verdachte burgers fair te berechten, zit het Internationaal Strafhof zonder werk. Dat zou heel goed zijn, alleen is het een illusie. Ik word misselijk als ik Trump dan hoor beweren dat “vreemde machten” onschuldige Amerikaanse soldaten willen opsluiten op een afgelegen plek. “Wij, Amerikanen, zullen nooit aanvaarden dat onze soevereine rechten met de voeten getreden worden.” Het tragische is dat Amerikaanse burgers die onzin slikken als zoete koek. Ze worden door zowel links als rechts belogen, maar Trump spant de kroon. Begin dit jaar gaf hij zijn generaals opdracht de Iraanse generaal Soleimani uit de weg te ruimen. “Hij wil ons aanvallen, dus moet hij dood.” Ze klikten met de hakken: “Yes, Sir!” Waarna ze Soleimani in koelen bloede lieten vermoorden toen hij op bezoek was in Irak, een land waar we zelfs niet mee in oorlog zijn. Geen arrestatie, geen proces. Ik heb in Neurenberg mensen voor exact dezelfde feiten tot de doodstraf laten veroordelen.’

In een in april vorig jaar verschenen artikel in het Nederlandse tijdschrift Nexus vergelijkt u Donald Trump met Otto Ohlendorf, de nazi-generaal die u tot de strop liet veroordelen.

‘Herinnert u zich nog de eerste toespraak van Donald Trump voor de Verenigde Naties? Hij richtte zich tot Noord-Korea en zei: “Als jullie ons bedreigen, zullen we jullie compleet vernietigen.” Toen ik hem dat op tv hoorde verkondigen, riep ik tegen mijn beeldscherm: “Meneer de president, bent u gek geworden? Een land compleet vernietigen? Hoe gaat u dat doen? Net als de Einsatzgruppen door de inwoners één voor één neer te schieten?” Ohlendorf gebruikte op het proces in Neurenberg dezelfde argumentatie als Trump. Als openbaar aanklager wou ik dat hij daarvoor opgehangen werd. Ik werd uitgenodigd om zijn executie bij te wonen, maar die eer wees ik af. Ik heb er wel de filmopnames van. Nee, ik heb er nooit spijt van gehad dat ik Ohlendorf liet ophangen.’

U bent geen tegenstander van de doodstraf?

‘Helemaal niet. Wat voor zin heeft het een bloeddorstige moordenaar levenslang op te sluiten en eten te geven? Voor sommige misdaden is de doodstraf gerechtvaardigd.’

Is Donald Trump door de fysieke uitschakeling van de Iraanse generaal Soleimani een oorlogsmisdadiger?

‘Hij heeft nu alleszins recht op een proces, net als Hermann Göring indertijd.’

Hebben George W. Bush en Tony Blair dan ook recht op een proces voor hun invasie in Irak in 2003? De onderzoekscommissie Chilcot oordeelde in 2016 dat die onwettig was.

‘Zeker, maar zo zijn er nog veel anderen. Ik noem liefst geen namen, want zo riskeer ik in politiek vaarwater terecht te komen. Ik ben noch Democraat, noch Republikein. In deze tijd van zware crisis ben ik voorstander van degelijk, intelligent en humaan bestuur. In mijn land ontbreekt dat nu totaal. Wie het bevel geeft om iemand zonder vorm van proces uit de weg te ruimen, draagt samen met de uitvoerders de volle verantwoordelijkheid. “Befehl ist Befehl”, speelt geen rol. Geen enkele soldaat mag een illegaal bevel uitvoeren. Een land binnendringen waarmee je niet in oorlog bent om er een zogezegde bad guy en alle omstaanders met een raket uit te schakelen, is moord.’

Dat geldt dan ook voor Barack Obama? Hij zou als president meer dan 500 drone-aanvallen op menselijke doelwitten hebben laten uitvoeren, waarbij honderden toevallige passanten zouden zijn omgekomen.

‘Nogmaals, ik wil het niet over individuen hebben, wel over het principe dat enkel de rechtsstaat garant staat voor een humane wereld. Zonder de wet en het recht blijft enkel doden en gedood worden over. We hebben een organisatie als de Verenigde Naties meer dan ooit nodig; ze is indertijd precies opgericht om recht en vrede te laten zegevieren over oorlog, dood en verderf. De Tweede Wereldoorlog kostte meer dan 50 miljoen mensen het leven. We hoopten dat we met de VN onze problemen en misverstanden voortaan op een rationele manier zouden kunnen oplossen. Toen al spraken we met elkaar af om het illegaal inzetten van gewapende macht te verbieden.’

Bent u ondanks alles optimistisch over de toekomst?

‘Als honderdjarige hoef ik me over mijn toekomst niet te veel zorgen meer te maken. (lacht) Maar natuurlijk ben ik bezorgd over de toekomst van de generaties na mij, want de toestand wordt steeds gevaarlijker en onstabieler. Ik ben geen optimist, maar ook geen pessimist. Noem me maar een realist. In onze extreem onzekere tijd is Law, not war belangrijker dan ooit tevoren. De grootste bedreiging hangt in cyberspace. Stel u voor dat een dictator of machtswellusteling erin slaagt een deel van het elektriciteitsnetwerk op aarde plat te leggen: dat wordt gegarandeerd de dood van velen. Jammer genoeg is dat scenario geen sciencefiction. Heel wat landen spenderen miljarden dollars om uit te zoeken hoe ze zoveel mogelijk mensen over de kling kunnen jagen. Meer nog, het is het beleid van mijn eigen land, de VS. De president kondigde immers op het spreekgestoelte van de VN aan: “We zullen je vernietigen!”’

© Jan Stevens

‘Alles wat we verzonnen, had echt kunnen gebeuren’

Robert Harris reconstrueert in zijn nieuwe historische thriller V2 de geschiedenis van Adolf Hitlers geheime wapen V2. Gill Hornby brengt in haar nieuwe historische roman Miss Austen de oudere zus van Jane Austen opnieuw tot leven. Samen zijn Hornby en Harris al meer dan 30 jaar een echtpaar. “Als schrijvers zijn we allebei eenzaten.”

Gill Hornby en Robert Harris wonen in de statige Victoriaanse pastorij van Kintbury, een dorp in het groen ten westen van Londen. Gill is de jongere zus van Nick Hornby, auteur van bestsellers als High Fidelity en About a boy. “Het is niet altijd even gemakkelijk om de zus van Nick en de vrouw van Robert te zijn”, zegt ze. “Ik debuteerde pas in 2013 als romancier, 21 jaar na man Robert en 18 jaar na broer Nick. Ik wist dat er vergelijkingen zouden gemaakt worden, maar dat kon me niet tegenhouden. Mijn eerste boek moést er komen. Ik was de vijftig al voorbij toen ik eraan begon. De kans dat ik die twee nog inhaal, is dus bijzonder klein.”

Waarom hebt u zo lang gewacht om te debuteren?

Gill Hornby: “Het kwam nooit in me op om een roman te schrijven. Iemand moest voor onze vier kinderen zorgen. (lacht) Tussendoor recenseerde ik boeken en schreef ik columns. Maar dat werk droogde op en toen onze jongste een jaar of acht was begonnen de ideeën te borrelen voor The Hive, mijn eerste roman. Toen we elkaar een eeuwigheid geleden leerden kennen, had ook Robert geen plannen om romanschrijver te worden.”

Robert Harris: “We werkten allebei als journalisten voor de BBC. Ik schreef non-fictieboeken en was daar perfect gelukkig mee. Als je me toen gezegd had dat ik ooit enkel en alleen nog fictie zou schrijven, had ik je gek verklaard.”

U ontdekte dat fictie meer vrijheid gaf dan non-fictie?

Harris: “Precies. In 1986 schreef ik Selling Hitler, een boek over de vervalste dagboeken van Adolf Hitler. Tijdens de research las ik Hitlers tafelgesprekken. Daarin zet hij uitgebreid zijn plannen met de mensheid uiteen. Ik vroeg me af: hoe zou de wereld eruitzien als de Führer de Tweede Wereldoorlog had gewonnen? Die gedachte liet me niet los, ik begon erover te fantaseren en dat werd in 1992 mijn eerste roman Fatherland. Ik genoot van het construeren van personages en vond het zalig om inderdaad totaal vrij in het hoofd van een historische figuur te kruipen. Na Fatherland schreef ik geen letter non-fictie meer.”

Uw laatste roman V2 schreef u tijdens de lockdown.

Harris: “Ik was eraan beginnen werken toen de coronacrisis losbarstte. Eerst leek dat virus ver weg, tot plots onze twee jongste kinderen terug naar huis kwamen. We mochten niet meer naar buiten en ik was daar zo door van mijn melk dat ik even niet kon schrijven. Toen duidelijk werd dat die lockdown lang zou duren, besloot ik van de nood een deugd te maken. Ik toog terug aan het werk, vastbesloten om met een nieuw boek uit de isolatie te komen.”

Hornby: “Mijn roman Miss Austen was al af voor de coronacrisis. Ik heb de lockdown doorgebracht met de research voor mijn volgende roman.”

Het lijkt alsof de lockdown een zegen voor schrijvers was. Maar dat is niet helemaal zo?

Harris: “In feite is het onze natuurlijke staat van zijn, maar het rare is dat die lockdown mij ontzettend hard verstoorde. Ik kom me niet meer concentreren en kreeg zelfs slaapstoornissen. Als ik dan toch in slaap raakte, werd ik geteisterd door nare dromen. Elke ochtend moest ik mezelf verplichten om aan mijn schrijftafel te gaan zitten, terwijl ik in normale omstandigheden verslaafd ben aan schrijven. Nu hield ik het niet meer dan vier uur per dag vol.”

Hornby: “Ik vond het zeer vervelend dat de bibliotheken gesloten waren. Dat is lastig als je aan het researchen bent voor een historische roman. En ik kon ook geen locaties bezoeken. Dus ja, voor mij was het ook frustrerend. Het bizarre is dat ikzelf tijdens het schrijven van Miss Austen vrijwillig in lockdown ging en dat toen een weldaad vond. Ik schreef het boek snel, in vijf maanden. Heel die tijd zat ik opgesloten in mijn schrijfhok, weg van de wereld.”

De plek waar u Miss Austen schreef, is het decor voor uw roman?

Hornby: “Mijn roman speelt zich af in de pastorij van het dorpje Kintbury op het Engelse platteland in 1840, en ja, laat dat nu toevallig ook de plek zijn waar wij al meer dan 25 jaar wonen. (lacht) De pastorij uit het boek werd in 1860 afgebroken en ons huis kwam in de plaats. De kamers zijn anders, maar het uitzicht is zoals toen. Mijn research bestond uit door het raam naar buiten kijken met af en toe een wandelingetje naar de kerk.”

De miss Austen uit uw boek is Cassandra Austen, de zus van de wereldberoemde schrijfster Jane. U schreef eerder een biografie voor kinderen over Jane Austen. U bent een bewonderaar?

Hornby: “Zeker. Ik schreef die biografie zestien jaar geleden en raakte geobsedeerd door Jane én haar drie jaar oudere zus Cassandra. Toen we een kwart eeuw geleden naar dit huis verhuisden, had ik nog nooit van Cassandra Austen gehoord. Iemand uit het dorp vertelde me dat Cassandra’s verloofde Tom Fowle hier had gewoond. Hij was een van de zonen van dominee Thomas Fowle. Cassandra bracht hier Toms laatste kerstmis met hem door en zwaaide hem uit toen hij naar de Caraïben vertrok. Daar stierf hij aan de gele koorts. Heel haar netjes uitgestippelde leven viel in duigen. Na de dood van haar geliefde moest Cassandra zichzelf heruitvinden. Ze voerde een intense briefwisseling met haar zus Jane. Ze verbrandde honderden brieven en wordt daarom door biografen van Jane Austen veracht. Ik vond Cassandra’s verhaal prachtig en tragisch, uiterst geschikt voor een roman.”

V2 speelt zich iets meer dan honderd jaar later af, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Dit is niet Robert Harris’ eerste oorlogsroman.

Harris: “Die periode fascineert me enorm.”

Hornby: “Dat is een understatement. (lacht)”

Harris: “Die fascinatie voor de oorlog zorgde er wel voor dat we dit dak boven ons hoofd hebben. Ik was ook altijd geïnteresseerd in de geschiedenis van de ontwikkeling van de ruimteraket. Begin december 2016 las ik in The Times het overlijdensbericht van Eileen Younghusband. Ze was vijfennegentig geworden en werkte op het einde van de oorlog als WAAF-officier in Mechelen. WAAF staat voor Women’s Auxiliary Air Force, de vrouwelijke divisie van de Britse luchtmacht. Ik las dat ze toen meegeholpen had aan het preventief uit de lucht schieten van de door de Duitsers vanuit Scheveningen afgevuurde V2-raketten. Ik dook vervolgens in haar memoires. Eileen stond model voor mijn vrouwelijke hoofdpersonage Kay Caton-Walsh. De dames van de WAAF probeerden in het pas bevrijde Mechelen in het grootste geheim de lanceerplaatsen van de dodelijke V2-raketten aan de Nederlandse kust te achterhalen. Telkens wanneer er een V2-raket in Londen insloeg, begonnen ze razendsnel de raketkoers te berekenen. In haar memoires schrijft Younghusband dat tijdens haar eerste dienst twee lanceerplaatsen werden vernietigd. Dat kreeg ze waarschijnlijk van haar oversten te horen, want het was propaganda. Er werd jammer genoeg geen enkele lanceerbasis uitgeschakeld.”

Uit de beschrijving van de stad Mechelen in uw boek leid ik af dat u het een aangename stad vindt.

Harris: “Ik moet bekennen dat ik er nog nooit geweest ben. (lacht) Ik was dat van plan, tot corona roet in het eten gooide. De dag dat ik een vlucht naar Zaventem wou nemen, gingen de luchthavens dicht. Ik moest me behelpen met oude foto’s en Google Maps. Van de Mechelaars krijg ik binnenkort waarschijnlijk te horen welke kemels ik geschoten heb. Gelukkig spelen veel scènes in Mechelen zich af na het vallen van de duisternis. (lacht) Scheveningen en Den Haag kon ik gelukkig wel bezoeken.”

Als we jullie romans gelezen hebben, kennen we de échte geschiedenis van Cassandra Austen en van de strijd tegen de V2-raket?

Hornby: “WO II is beter gedocumenteerd dan het leven van Cassandra Austen. Het enige echt degelijke bronnenmateriaal dat we over het leven van de gezusters Austen hebben, zijn de brieven die Cassandra niet in de fik kon steken. Doordat er samen met die verbrande brieven hele stukken uit het leven van de Austens verdwenen zijn, kon ik vaak mijn eigen fantasie de vrije loop laten. Dat was een groot voordeel.”

Harris: “Als je een historische roman schrijft over iemand wiens leven goed gedocumenteerd is, zit je gevangen in een rigide keurslijf. Hoe groter de hiaten, hoe meer vrijheid je als schrijver hebt.”

Hornby: “Ik heb niets geschreven dat niet waar is. Alles wat ikzelf verzonnen heb, had kunnen gebeuren. Want de voornaamste inspiratiebron voor mijn fantasie waren de romans van Jane Austen. Die boeken zijn meteen ook verslagen van haar eigen tijd en hoe vrouwen zoals zij die beleefden.”

Maar een historische roman is natuurlijk niet hetzelfde als de historische waarheid.

Harris: “Alle fictie is leugenachtig, al ben ik me er erg van bewust dat dat bij historische romans niet vanzelfsprekend is. Net als Gill probeer ook ik niets te schrijven wat niet had kunnen gebeuren.”

Hornby: “Het moet aannemelijk zijn.”

Harris: “Ja, en de verifieerbare feiten moeten kloppen. De geschiedenis van de V2 dateert van amper 76 jaar geleden. Er zijn nog mensen die zich de inslagen van de V2’s in Londen en Antwerpen herinneren. Het is echt niet zo lang geleden dat de ene Europese staat de andere bestookte met ballistische raketten. Er werden er duizenden afgevuurd naar Londen en Antwerpen. Ze raakten gelukkig niet allemaal doel. Veel raketten kwamen in zee terecht, of ontploften onderweg. Alle V2-inslagen in mijn boek zijn accuraat beschreven, met het juiste aantal slachtoffers en hun correcte namen.”

Uw Duitse hoofdpersonage, de ingenieur en raketgeleerde Rudi Graf, is fictief?

Harris: “Ik heb hem samengesteld uit verschillende handlangers van Wernher von Braun, de leider en bezieler van het Duitse rakettenproject. Rond de jonge Von Braun cirkelde een groep 18 à 20-jarigen die na de Eerste Wereldoorlog raketten wilde bouwen. Ze vonden een braakliggend terrein in Berlijn waar ze begonnen te experimenteren. De nazi’s kwamen aan de macht en zochten gesofisticeerd wapentuig. Wernher von Braun greep zijn kans en sloot een pact met de duivel. Hij bood aan ballistische raketten voor hen te ontwikkelen, om toch maar zijn droom te kunnen waarmaken om een raket de ruimte in te schieten. Mijn personage Rudi Graf startte zoals al die andere jonge raketgeleerden als een idealistische dromer.”

Ze eindigden als massamoordenaars.

Harris: “Ja, maar ik denk niet dat Wernher von Braun en zijn kompanen slecht waren. Stap voor stap werden ze er ingezogen.”

Een vorig jaar gestorven oom van mijn vrouw moest als krijgsgevangene meewerken aan de productie van de V2-raket in het Mittelbau-Dora-concentratiekamp in Nordhausen. Ik heb hem hallucinante verhalen horen vertellen over zijn krijgsgevangenschap. Hij had geen goed woord over voor SS-officier Wernher von Braun. Hij vond het verschrikkelijk dat die man na de oorlog door Amerika voor hun ruimteprogramma werd ingelijfd.

Harris: “Nordhausen was afschuwelijk. De rakettenbouw kostte in een paar maanden tijd twintigduizend mensen het leven, vier keer zoveel als er door V2-inslagen omkwamen. De voorbije 2000 jaar vielen nergens zoveel doden door slavenarbeid als in die ondergrondse raketfabriek. Von Braun en zijn vrienden beweerden later dat ze niets wisten van de gruwel in Mittelbau-Dora. Dat is inderdaad maar moeilijk te geloven. Ze kwamen er vaak langs, het waren immers hún raketten die er massaal geproduceerd werden. Ik denk niet dat zij ingecalculeerd hadden dat de ondergrondse raketfabriek van Dora zo’n hoge dodentol zou eisen. Maar toen de slavenarbeiders bij bosjes vielen, hebben ze nooit geprotesteerd.”

In Miss Austen zit geen enkel fictief personage à la Rudi Graf?

Hornby: “Een paar, maar die spelen slechts een bijrol. De andere leden van de familie Austen beschrijf ik zeer waarheidsgetrouw. Zij lieten nogal wat notitieboekjes en brieven na. In hun nagelaten correspondentie hebben ze het vaak uitgebreid over hun dagelijkse besognes. Van de familie Fowle hier in het dorp is minder bekend, maar toch voldoende om de karakters in mijn boek body te geven. Toms zus Mary-Jane woonde op het einde van haar leven net als in mijn boek aan het kerkhof. In het echt sliep ze ook met het pistool van haar overleden man onder haar kussen, bang om ’s nachts in het slaperige Kintbury beroofd te worden. (lacht)”

Vandaag is Jane Austen wereldberoemd, maar toen ze nog leefde, wist bijna niemand dat ze schrijfster was?

Hornby: “Ze koos bewust voor die anonimiteit. Ze publiceerde niet onder haar naam en zei nooit iets over haar schrijverschap. In een van haar bewaarde brieven vertelt ze hoe ze op een avond in 1813 haar pasverschenen roman Pride and Prejudice moest voorlezen aan de slechtziende oude vrijster miss Benn. Die had er geen flauw idee van dat ze werd voorgelezen door de auteur zelf. Miss Benn gaf luidruchtig en verontwaardigd kritiek op passages uit het boek, maar Jane las stoïcijns verder.

“De bescheidenheid van schrijfster Jane Austen staat haaks op hoe het er vandaag in de literaire wereld aan toe gaat. Zij heeft nooit een andere schrijver ontmoet. Niet dat iemand haar dat verbood; ze wou zelf een bestaan in de luwte. Ze is een genie. Ze leidde een stil, teruggetrokken leven en intussen schreef ze fantastische romans zoals Sense and Sensibility, Emma en Pride and Prejudice. Wereldwijd is ze nu terecht even beroemd als William Shakespeare.”

Harris: “Onze boeken lijken misschien erg verschillend, maar toch is er een treffende gelijkenis: we observeren allebei via omwegen een genie. Jane Austen was een geniaal schrijfster en Wernher von Braun een geniale ingenieur. De invloed van Jane op de Britse literatuur kan niet onderschat worden; zonder Von Braun had de mens nooit voet gezet op de maan.”

Hornby: “Maar genieën zouden het nooit zover geschopt hebben zonder de mensen rondom hen. Zonder Cassandra had Jane Austen misschien nooit haar boeken geschreven. Jane was emotioneel niet sterk; haar rots van een zus hield haar overeind. In onze hypergeïndividualiseerde samenleving vergeten we hoe belangrijk anderen zijn voor onze eigen ontwikkeling.”

Met Miss Austen wil u Cassandra rehabiliteren?

Hornby: “Ja. Van haar brieven aan Jane bleef geen enkele bewaard, maar er zijn er wel nog een paar van Jane aan haar. Daaruit blijkt Jane’s bewondering voor haar oudere zus Cassandra. Jane was het onzekere, gevoelige kneusje en Cassandra de knappe, zelfbewuste vrouw. Maar die rollen werden omgekeerd in A memoir of Jane Austen, een biografie die hun neef James Edward Austen-Leigh na Jane’s dood schreef. Jane was volgens die biografie altijd opgewekt en ieders favoriet, terwijl Cassandra stil in een hoekje zat te kniezen. Zo kreeg de wereld een totaal vertekend beeld van de échte gezusters Jane en Cassandre Austen.”

Veel boeken van Robert Harris zijn verfilmd, die van Gill Hornby nog niet.

Hornby: “Daar komt verandering in. Een scenarioschrijver is nu mijn boek aan het herwerken voor een zesdelige tv-reeks.”

Harris: “De verfilming van mijn debuut Fatherland vond ik een ramp. Maar over andere verfilmingen ben ik zeer tevreden, dat geldt zeker voor The Ghost Writer en An Officer and a Spy van Roman Polanski. Ik ben heel blij dat ikzelf aan de scenario’s van die films mocht meewerken. Tijdens de verfilming van Enigma door Michael Apted leerde ik toneelschrijver en scenarist Tom Stoppard kennen. Hij werd een dierbare vriend.”

Net als Roman Polanski?

Harris: “Dat was Roman vroeger toch. Door al die beschuldigingen van seksueel misbruik zit hij nu dik in de problemen. Ik heb hem de voorbije zes jaar maar twee keer vluchtig ontmoet. Onze laatste samenwerking dateert van 2014. Ik kon altijd goed met hem opschieten. Hij is een zeer getalenteerd verhalenverteller en als romanschrijver heb ik heel veel van hem geleerd.”

Hoe kritisch zijn jullie over elkaars boeken?

Harris & Hornby (in koor): “Helemaal niet.”

Harris: “Dat zou ik achteraf veel te zwaar moeten bekopen.” (lacht)

Hornby: “We zijn elkaars eerste lezers, maar niet elkaars recensenten. Natuurlijk leveren we soms kritiek, maar met mondjesmaat. De grote aanvallen laten we aan anderen over.”

Harris: “We kennen allebei de lijdensweg die schrijven soms is. Als schrijverskoppel speel je daar geen spelletjes mee.”

Zouden jullie samen een roman kunnen schrijven?

Harris & Hornby (in koor): “Nee.”

Hornby: “Als schrijvers zijn we allebei eenzaten.”

Harris: “Een roman is iets heel persoonlijks. Samen een roman schrijven, lukt niemand, zelfs geen schrijversechtpaar.”

Hornby: “Dan vergeet je Nicky Gerrard en Sean French. Als Nicky French zijn zij uitzonderlijk goed. Maar ik kan me niet voorstellen dat ik samen met Robert zit te schrijven. Ik zou last krijgen van een vorm van plankenkoorts.”

Harris: “We schrijven ook nooit in dezelfde kamer. Wel in hetzelfde huis, en dat is fijn.”

Hornby: “We brengen dan vooral veel tijd samen in de keuken door, al thee zettend.”

Robert Harris

  • Geboren in 1957
  • Werkte als journalist voor de BBC en The Observer en als columnist voor The Sunday Times en The Daily Telegraph
  • Schreef briljante bestsellers die in het Nederlands vertaald werden als Pompeii (2004), Imperium (2006), Geest (2006), Lustrum (2009), Vaderland (2012), De officier (2014), Dictator (2015), Conclaaf (2016), München 1938 (2017) en De tweede slaap (2019).

Gill Hornby

  • Geboren in 1959
  • Werkte als journaliste voor de BBC en als recensente en columniste voor The Guardian, The Times en The Daily Telegraph
  • Haar debuut The Hive werd vertaald als Het regime (2013)
  • The Times en The Observer riepen Miss Austen uit als een van de beste romans van 2020

Gill Hornby, Miss Austen, Uitgeverij Cargo, 352 blzn., 20,99 euro

Robert Harris, V2, Uitgeverij Cargo, 368 blzn., 20,99 euro

© Jan Stevens

‘Sociale media zijn de tabaksindustrie van de 21e eeuw’

In haar boek De eenzame eeuw raakt Noreena Hertz een open zenuw. Met onze sociale media lijken we vandaag inniger verbonden dan ooit. Volgens Hertz is dat schone schijn. “Ze vergroten onze eenzaamheid.”

“Wereldwijd woedt er een diepe eenzaamheidscrisis onder zowel jong als oud, man of vrouw”, stelt de Britse economieprofessor Noreena Hertz. “Die crisis heeft niet alleen gevolgen voor onze geestelijke, maar ook voor onze lichamelijke gezondheid. Wetenschappelijk onderzoek leert ons dat een gebrek aan beweging minder schadelijk is dan eenzaamheid. Statistisch gezien staat eenzaamheid gelijk aan het roken van vijftien sigaretten per dag, is het net zo schadelijk als alcoholisme en richt het dubbel zoveel schade aan als obesitas. Toch vegen we het onderwerp nog altijd liefst onder het tapijt.”

Wanneer drong het bij u door dat eenzaamheid hét probleem van onze tijd is?

“Drie jaar geleden begon ik te merken dat mijn studenten aan de universiteit zich eenzamer leken te voelen dan hun voorgangers. Ze stapten mijn kantoor binnen en zeiden spontaan: ‘Ik voel me alleen.’ Tijdens groepsopdrachten viel het me op dat ze moeizaam communiceerden met hun medestudenten. Dat verliep echt veel problematischer dan bij vorige generaties studenten. Ik vertelde dat aan een bevriende rector van een Amerikaanse universiteit en hij zei: ‘We stellen exact hetzelfde vast. Het is zelfs zo erg dat we studenten moeten begeleiden bij hun gesprekken met anderen.’”

Wat is uw definitie van eenzaamheid?

“Het gevoel geen vrienden te hebben en geïsoleerd te zijn, en niet gesteund te worden door familie of mensen uit je omgeving. Dat is meteen ook de traditionele omschrijving. Maar vandaag krijgt de vereenzaming nog een extra duw in de rug door technologie en artificiële intelligentie. De laatste jaren stijgt de vraag naar sociale androïdes, robotten gebouwd om ons te helpen en te begeleiden. Onze mondiale vereenzaming drijft dus meteen ook een hele nieuwe economische sector aan.

“Daarenboven voelen veel mensen zich door de overheid in de steek gelaten en aan hun lot overgelaten. Ik onderzocht wereldwijd de opgang van radicaalrechts populisme. Voor mijn boek interviewde ik talloze sympathisanten van extreemrechts in Frankrijk en Italië, en aanhangers van Donald Trump in de VS. Het viel me op dat ze zich allemaal verschrikkelijk eenzaam voelen. Extreemrechtse politici van het Franse Rassemblement National en van jullie Vlaams Belang spelen daar handig op in.”

Uiterst rechts populisme floreert op eenzaamheid?

“Ja, en paradoxaal genoeg draagt links daar een grote verantwoordelijkheid voor. Want je zou toch verwachten dat net de progressieve partijen zich richten tot mensen die zich in de steek gelaten voelen. Zeker als hun vereenzaming te wijten is aan jobverlies of aan de toenemende ongelijkheid in de samenleving.”

Draagt links ook verantwoordelijkheid voor die stijgende ongelijkheid?

“Die is het gevolg van het neoliberalisme zoals dat in de jaren tachtig door Margaret Thatcher en Ronald Reagan gepropageerd werd. Die neoliberale ideologie is een zeer brutale variant van het kapitalisme. De nadruk ligt op totale vrijheid van mens en markt. De overheid moet zich zo weinig mogelijk bemoeien. Concurrentie is heilig en het ondernemende individu moét vrije baan krijgen. Het eigenbelang staat boven het gemeenschappelijk belang. ‘Ik eerst’, in plaats van ‘wij eerst’. Zo veranderden we van helpers in hamsteraars die alles voor zichzelf willen. Dat gaat in tegen onze menselijke natuur. Want van nature zijn wij sociaal; in onze diepste kern zijn we geen egoïsten. Maar als je dag in, dag uit een doctrine opgelepeld krijgt die hebzucht propageert, ‘greed is good’, begin je het na verloop van tijd te geloven. Intussen zijn egoïsme en competitie in onze maatschappij geëvolueerd tot na te streven waarden.

“Het neoliberale discours beïnvloedde de voorbije decennia zelfs onze taal. Collectivistische woorden als ‘behoren’, ‘delen’ en ‘samen’ zijn sinds de jaren zestig steeds meer verdrongen door individualistische termen als ‘bereiken’, ‘bezitten’ en ‘persoonlijk’. Zelfs de lyrics van Engelstalige popsongs werden de voorbije veertig jaar steeds individualistischer. Voornaamwoorden als ‘we’ en ‘us’ werden vervangen door ‘I’ en ‘me’. In 1977 zong Freddy Mercury van Queen: ‘We are the champions’ en David Bowie zong: ‘We could be heroes’. In 2013 liet Kanye West ons weten: ‘I am a God.’ In 2018 zong Ariana Grande: ‘Thank you, next’, een liefdesliedje voor haarzelf. Ze scoorde er een superhit mee.”

In uw boek wijst u met een beschuldigende vinger naar sociaaldemocratische politici die voorstanders waren van ‘de derde weg’. Onder invloed van de Britse socioloog Anthony Giddens pleitten Tony Blair, Bill Clinton, Gerhard Schröder en bij ons Frank Vandenbroucke rond de millenniumwissel voor een verzoening van de vrije markt met de verzorgingsstaat. U schrijft dat zij zo net als Thatcher en Reagan eigenbelang boven gemeenschappelijk belang plaatsten.

“Het valt gewoon niet te ontkennen dat begin deze eeuw linkse regeringen onder het mom van ‘de derde weg’ enthousiast op de neoliberale kar sprongen. Ze hadden te weinig oog voor het corrigeren van de anomalieën. De inkomens- en welvaartskloof vergrootte mede door hun beleid. Amerikaanse ceo’s verdienden in 1989 gemiddeld 58 keer zoveel als een doorsnee werknemer; in 2018 vingen ze 278 keer zoveel.

“Voor alle duidelijkheid: ik heb niets tegen de vrije markt. Ik geloof echt dat ze een belangrijke kracht is voor vernieuwing. Maar er bestaan verschillende vormen van kapitalisme, en ik heb het vooral moeilijk met de neoliberale versie. Er is ook nog de Scandinavische variant die gekenmerkt wordt door zorgzaamheid en mededogen.

“De kredietcrisis van 2008 vergrootte de kloof alleen maar, met regeringen van alle pluimage die zweerden bij austeriteit. De hoge prijs van die ver doorgedreven budgettaire zuinigheid werd betaald door het gemeenschapsleven. Sinds 2008 zijn wereldwijd bibliotheken en gemeenschapshuizen gesloten, stadsparken verwaarloosd en verenigingen op droog zaad gezet. Vandaag voelen brede lagen van de bevolking zich achtergesteld. In een samenleving met een obsessie voor winners worden zij als losers in de hoek gezet.”

Progressieve partijen moeten op zoek naar hun oude socialistische roots?

“Ze moeten zich er in de eerste plaats bewust van worden dat mensen niet op feiten stemmen, maar op gevoelens. Links focuste te lang op rationele argumenten, concepten, statistieken en ideeën. Dat kwam gewoon niet over; niemand ‘voelde’ hen nog aan.”

Sociaaldemocratische partijen hebben dus grote nood aan charismatische linkse populistische politici?

“Niet aan populisten, wel aan charismatische leiders met een boodschap van hoop en sociale rechtvaardigheid in plaats van angst. Ze moeten zich in de eerste plaats richten tot al die mensen die zich door de overheid in de steek gelaten voelen. Vaak zijn dat mannen die in fabrieken werken. De boodschap moet zijn: ‘Laten we opnieuw samen een gemeenschap bouwen.’”

Net de job van die fabrieksarbeiders wordt nu extra bedreigd door de automatisering. Oxford-wetenschappers Carl Frey en Michael Osborne voorspelden in 2013 dat bijna de helft van de banen de komende twintig jaar gedoemd is te verdwijnen. Frey stelde onlangs dat corona die trend versnelt.

“Dat is inderdaad zeer verontrustend. Een belangrijke ondernemer vertrouwde me onlangs toe: ‘Corona leert mij nu dat ik met minder mensen even goede resultaten haal.’ Ik vrees dat nog andere werkgevers ook tot die conclusie zullen komen. Progressieve partijen moeten daarom nu programma’s uitwerken om dat dreigende massale jobverlies op te vangen. Tezelfdertijd moeten ze keihard in het verweer gaan tegen het rechts-populistische discours van uitsluiting. De gemeenschap zoals die door Donald Trump en Marine Le Pen gepropageerd wordt, is er een van mensen die er hetzelfde uitzien en hetzelfde denken.

“Ook de vakbonden moeten zichzelf heruitvinden en bijvoorbeeld aandacht hebben voor al die jonge freelancers die met een onzeker statuut trachten te overleven in de klusjeseconomie. Ze moeten dringend het stof blazen van levensbelangrijke waarden als solidariteit en inclusie. Een van de belangrijkste taken van de overheden is nu: mensen van verschillende origine, overtuiging, achtergrond en sociale klasse samenbrengen.”

Is dat niet makkelijker gezegd dan gedaan?

“Dat wordt inderdaad een zeer lastig karwei, al nemen sommige politici nu al hoopvolle initiatieven. Jacinda Ardern, de premier van Nieuw-Zeeland, groeide als politica in heel korte tijd uit tot een voorbeeld voor de rest van de wereld. In mei 2019 kondigde ze aan dat haar regering niet langer enkel traditionele economische maatstaven als groei en productiviteit wil hanteren bij het vastleggen van begrotingen. Ze introduceerde begrippen als ‘vriendelijkheid en compassie’. De nieuwe criteria voor haar begrotingsbeleid zijn: de bescherming van het milieu, fatsoenlijk onderwijs, opkrikken van de levensverwachting, herstel van het vertrouwen tussen burgers en de strijd tegen eenzaamheid.

“De Franse president Emmanuel Macron is dan weer voorstander van een verplichte burgerdienst voor tieners. In de zomer van vorig jaar startte hij een eerste proefproject. Een maand lang leefde een groep van tweeduizend willekeurig samengestelde 15- en 16-jarigen samen. Tieners uit verschillende steden en gemeenten, met verschillende religieuze achtergronden. De eerste twee weken leerden ze elkaar beter kennen door er samen op uit te trekken, te koken en plezier te maken. Elke avond debatteerden ze over sociale kwesties zoals discriminatie en gelijkheid. In de tweede helft van het programma werkten ze als vrijwilliger bij liefdadigheidsinstellingen. Op het einde voelden de deelnemers zich veel meer met elkaar verbonden. Ze zagen elkaar als medemens. Een interessant detail: tijdens het project waren mobiele telefoons verboden.”

De vereenzaming groeide samen met onze groeiende afhankelijk van onze smartphone?

“Precies, en ook met ons uitdijende leven online. Eerst bestelden we onze boeken bij Amazon; vandaag kopen steeds meer mensen zowat alles via het internet. Face to face-contact neemt af en de Zoom-vergaderingen als gevolg van corona versterken en versnellen die trend alleen maar.

“Er wordt nu gepleit voor een definitieve invoering van thuiswerk. Ik betwijfel of dat zo verstandig is, omdat het isolatie en vereenzaming in de hand werkt. Als thuiswerk iemands eigen keuze is, is dat oké. Het wordt iets anders als je door je werkgever tot thuiswerk gedwongen wordt. Online-vergaderingen zijn helemaal niet hetzelfde als meetings rond een tafel met een kop koffie. Er zou nu beter gebrainstormd worden over hoe we na de pandemie onze werkplekken kunnen omvormen tot ontmoetings- en samenwerkingsplaatsen. Alleen gebeurt dat niet. Integendeel. In veel bedrijven wordt nu vooral gedacht: ‘Als we iedereen van thuis laten werken, hoeven we niet langer die kantoorruimte te huren.’ Terwijl die huur net zo goed een investering is in gezonde werknemers. Want hoe eenzamer en minder verbonden collega’s zich met elkaar voelen, hoe minder productief en loyaal ze zijn.”

Sociale media zoals Facebook zeggen dat ze mensen willen verbinden. Volgens u versnellen ze de vereenzaming?

“Zonder enige twijfel. Toen ik aan de research voor dit boek begon, had ik een open blik en gaf ik sociale media het voordeel van de twijfel. Het motto van Google was lang: ‘Don’t be evil’. Dat klinkt nu toch als een slechte grap? De retoriek van Google, Facebook, Instagram en co staat haaks op de realiteit.

“Natuurlijk zijn er momenten waarop contact via sociale media beter is dan helemaal niets. En natuurlijk voelen sommige mensen zich meer thuis online dan in hun eigen gemeenschap. Denk maar aan een LGBTQ-kind in een oerconservatieve uithoek in the middle of nowhere. Maar intussen is er heel wat wetenschappelijk onderzoek verricht dat telkens weer tot dezelfde conclusie komt: sociale media zorgen ervoor dat mensen zich geïsoleerder voelen en dus nóg eenzamer.

“Ik sprak verschillende tieners over hun sociale media-ervaringen. De 14-jarige Peter uit Londen bijvoorbeeld, vertelde me hoe hij op Instagram een foto postte waarvan hij wanhopig hoopte dat iemand hem leuk zou vinden. Niemand reageerde en vertwijfeld vroeg Peter zich af: ‘O my God, wat doe ik verkeerd?’

“De vriendinnen van een tienermeisje verzekerden haar dat ze die zaterdag niet zouden uitgaan. Tot zij op haar feed foto’s van haar fuivende vriendinnen zag. Het meisje voelde zich zo uitgesloten dat ze een week lang niet naar school wou.

“65 procent van de Britse adolescenten zegt het slachtoffer geweest te zijn van cyberpesten. Op al die sociale mediaplatformen zijn uitsluiting, isolatie en pesten troef. Ouders en leerkrachten zien niet wat er gebeurt, terwijl alle vrienden van het gepeste kind wel getuige zijn van de wreedheid.”

Wat kunnen we daartegen ondernemen?

“Sociale media moeten met strenge regelgeving dringend aan banden gelegd worden. Het is totaal onaanvaardbaar dat ze het bedje spreiden voor haat of zoiets als ontkenning van de holocaust. Een recent onderzoek toont aan dat Facebook en Twitter via hun beruchte algoritmes holocaustontkenners extra wind in de zeilen geven.

“Waarom behandelen we sociale media niet als kranten? Die moeten zich aan een deontologie houden. Facebook en co hoeven aan niemand verantwoording af te leggen voor wat er op hun platformen aan gevaarlijke onzin verspreid wordt. ‘We zijn geen uitgevers’, zeggen ze, en ze wassen hun handen in onschuld. Intussen worden kinderen blootgesteld aan nepnieuws en online-pesterijen. De Engelse wetgeving kent het principe ‘duty of care’, zorgplicht. Zo heeft een werkgever ‘duty of care’ tegenover zijn werknemers. Waarom hebben sociale media geen ‘duty of care’ tegenover hun minderjarige gebruikers?”

Zou u zo ver gaan om sociale media te verbieden?

“Ik ben groot voorstander van een verbod op verslavende sociale media. Want veel van die platformen zijn precies ontworpen om mensen aan hen te binden.”

Ze zijn toch allemaal op een of andere manier verslavend?

“Zeker. Ze zijn de tabaksindustrie van de 21e eeuw. Ze creëren eenzaamheid en geestelijke gezondheidsproblemen en de overheid draait op voor de kosten van de hulpverlening. Daarom: verbied verslavende sociale media alvast voor kinderen en tieners. Zo worden die ondernemingen ertoe gedwongen hun producten minder verslavend te maken.”

U vertelt in uw boek hoe u in september 2019 in New York een ‘vriendin’ huurde. U boekte haar online?

“Ik surfte toevallig voorbij de website rentafriend.com van Scott Rosenbaum, een ondernemer uit New Jersey die zijn mosterd in Japan haalde. Meer dan 620.000 ‘vrienden’ zitten op zijn site te wachten op een huurder. Ik boekte de 23 jaar oude Brittany uit Florida die aan een New Yorkse universiteit studeert. Ik vertrouwde het niet helemaal en was bang dat rentafriend.com een datingsite voor betaalde seks in vermomming is. Dat bleek niet zo te zijn. We spraken af in een hip café in Manhattan. Drie uur lang was Brittany mijn vriendin. We dronken koffie, gingen shoppen, pasten zonnebrillen, kletsten over onze relaties en onze gemeenschappelijke heldin Ruth Bader Ginsberg. We hadden het in een boekenwinkel over onze favoriete boeken. Brittany lachte om al mijn grappen en op een bepaald moment leek het echt alsof ze een nieuwe vriendin was. Tot ze op het einde van die drie uur zei: ‘Dat is dan 120 dollar.’ De magie was weg. (lacht)”

Wat voor mensen doen beroep op haar diensten?

“Ze vertelde me dat haar cliënteel vooral bestaat uit dertigers en veertigers met een druk professioneel leven. Bankiers, consultants, techneuten; zowel mannen als vrouwen. Mensen met lange werkdagen die naar eigen zeggen geen tijd hebben om vrienden te maken. ‘s Avonds verlangen ze naar een dinertje in het gezelschap van een goede vriend. Die huren ze bij rent-a-friend.”

Datt klinkt zielig: dineren met een ingehuurde vriend.

“Het is alleszins een teken dat de eenzaamheidscrisis diep zit. Eén op acht Britten zegt geen enkele vriend te hebben. 15 procent van de wereldbevolking voelt zich eenzaam. Die onderzoeken dateren van vóór corona.”

In Vlaanderen speelde de katholieke kerk lang een grote rol in het gemeenschapsleven. Samen met de secularisering smolt dat weg als sneeuw voor de zon. In het gehucht waar ik woon, werden vroeger activiteiten georganiseerd door plaatselijke katholieke verenigingen. Nu gebeurt hier zo goed als niets meer.

“U hebt gelijk: kerken waren ontzettend belangrijk voor het gemeenschapsleven. Veel oudere vereenzaamde mensen vertelden me dat ze terugverlangen naar de tijd dat ze actief waren in een kerkelijke organisatie. Hun leven had toen betekenis; nu lijkt dat verdwenen. Kerken brachten mensen uit verschillende socio-economische groepen samen. Maar dat is echt voltooid verleden tijd. Het lijkt me verstandiger nu op zoek te gaan naar de seculiere kathedralen van de 21e eeuw waar verbondenheid centraal staat.”

Zoals de muziekfestivals?

“Bijvoorbeeld. Het is doodjammer dat ze door de coronacrisis afgelast zijn. Ook veel andere bijeenkomsten waar mensen samen iets beleven, werden onmogelijk door corona. De lockdowns zetten extra druk: ze dwongen mensen nog meer in eenzaamheid. Al is het ook mogelijk om creatief met die lockdowns om te springen om toch nog samen iets te ondernemen. Een paar weken geleden was het Rosj Hasjana, Joods nieuwjaar. Normaal gezien wordt dat in mijn thuisstad Londen in de synagoges gevierd. Die vieringen waren nu verboden. Een synagoge huurde een groot parkeerterrein af en organiseerde een drive-in-nieuwjaarsdienst. Dat was een zeer groot succes, met honderden auto’s vol gezinnen. We hebben één grote troost: dit virus is tijdelijk. De huidige toestand wordt niet het nieuwe normaal.”

Volgens sommigen wel.

“Ik weet het, maar zij maken een vreselijke denkfout. Drie jaar na de Spaanse griep van 1918 zaten de jazzclubs in New York terug vol mensen. De cafés en bars van de Duitse Weimarrepubliek beleefden gouden tijden. We geraken ook uit deze pandemie en dan zullen we er ons meer dan ooit van bewust zijn hoe belangrijk verbondenheid via ons gemeenschapsleven is.”

Sinds 2018 heeft Groot-Brittannië een minister van Eenzaamheid. Juicht u dat toe?

“Het ministerie van Eenzaamheid is opgestart door de vorige premier Theresa May. Ik vond dat een goed initiatief, alleen heeft het tot hiertoe geen potten gebroken. Tijdens de coronacrisis was en is Diana Barran, de huidige minister van Eenzaamheid, in geen velden of wegen te bespeuren. Onze huidige regering vindt eenzaamheid geen structureel probleem. Het ministerie van Eenzaamheid houdt zich liever bezig met liefdadigheid. Een paar verenigingen krijgen van de minister wat geld toegestopt, terwijl een andere minister van diezelfde regering de bibliotheken sluit.”

Was u ooit eenzaam?

“Als meisje van zeven werd ik op school uitgesloten bij het touwtjespringen en het hinkelen. Elke speeltijd zat ik in mijn eentje op een bankje. Ik leed daar vreselijk onder. Begin jaren negentig belandde ik voor het werk in Rusland. De eerste weken verbleef ik er in een hotel. Op een avond vroeg ik aan de receptionist of ik naar mijn familie in Engeland kon bellen. ‘Geen probleem’, antwoordde hij. Ik gaf hem het nummer en hij zei: ‘Prima. Binnen 48 uur kan u bellen.’ Het werden de eenzaamste 48 uren uit mijn leven.”

Bio

-geboren in 1967 in Londen

-studeerde van 1983 tot 1986 filosofie en economie in Londen en haalde in 1989 een MBA aan de Amerikaanse business-school Wharton

-promoveerde aan de universiteit van Cambridge op een onderzoek naar de privatisering van Russische staatsbedrijven na het communisme

-werd in 2001 door The Observer uitgeroepen tot ‘one of the world’s leading young thinkers’

-was van 2004 tot 2014 ‘distinguished fellow’ aan de universiteit van Cambridge

-is sinds 2014 als ‘honorary professor’ verbonden aan het Institute for Global Prosperity van de University of London

– maakt documentaires en wordt vaak gevraagd in Britse en Amerikaanse talkshows en nieuwsprogramma’s

– pleit al jaren voor schuldverlichting voor de armste landen

– haar boeken De stille overname (2002) en IOU (2005), over globalisering en schuld, groeiden uit tot internationale bestsellers

Noreena Hertz, De eenzame eeuw – Het herstellen van menselijk contact in een wereld die steeds verder ontrafelt, Spectrum, 400 blzn, 22,50 euro

© Jan Stevens