In zijn boek Ons hart noemt Pedro Brugada, topcardioloog en hevig voorstander van verplichte hartscreening, zijn collega Hans Van Brabandt van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg een ‘gokker’. In 2015 adviseerde Van Brabandt de overheid in een rapport dat screening bij jonge sporters zinloos en soms zelfs gevaarlijk is. “Ons rapport is ernstig en allesbehalve een gok”, zegt Van Brabandt. “Het is pseudowetenschap”, houdt Brugada vol.

 

In Ons hart beschrijft de wereldvermaarde cardioloog Pedro Brugada de werking van ons meest vitale orgaan en hoe we het best onderhouden. Hij houdt een warm pleidooi om ons hart regelmatig te laten controleren. “Van zodra onze auto vier jaar oud is, moet hij naar de keuring. Net als een kudde schapen rijden we daar dan elk jaar braaf naartoe. Maar onze eigen motor laten we niet checken.” Professor Brugada is sinds jaar en dag ook voorvechter van een verplichte hartscreening bij amateursportertjes, en bij uitbreiding bij alle kinderen vanaf hun geboorte tot hun 24e. “De ene dag is zo’n kind aan het voetballen of fietsen, de volgende dag valt het dood neer”, zegt hij. “Als we kinderen vooraf screenen, vinden we misschien iets aan hun hart, kunnen we ze genezen en plotse dood voorkomen.”

Met zijn pleidooi voor verplichte hartscreening gaat Brugada lijnrecht in tegen een rapport van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) uit maart 2015. Daarin kwam de aan het Kenniscentrum verbonden cardioloog Hans Van Brabandt samen met een aantal collega’s tot de conclusie dat een verplichte hartscreening bij jonge amateursporters geen enkel voordeel heeft. De aanbeveling van het KCE voor de beleidsmakers was klaar en duidelijk: screening bij sporters van 14 tot 34 is zinloos en soms zelfs gevaarlijk.

Ook in Ons hart verdedigt Pedro Brugada hartscreening bij kinderen. Op het einde van zijn boek noemt hij Hans Van Brabandt en diens collega’s van het KCE ‘gokkers’. “Volgens het KCE is sportgerelateerde hartstilstand een te zeldzaam verschijnsel om met grootschalig preventief onderzoek aan te pakken”, schrijft hij. “In zijn rapport gokt het KCE dat er in preventie van hart- en vaatziekten in België jaarlijks tien gevallen zijn van plotse, sportgerelateerde hartstilstand bij jonge mensen. Dat cijfer komt van buitenlandse gegevens die op hun beurt niet betrouwbaar zijn en geëxtrapoleerd werden naar ons land. De waarheid is dat we niet weten hoe vaak dit drama voorkomt.”

“Wij zijn geen gokkers”, reageert Hans Van Brabandt. “Over één ding zijn we het met Pedro Brugada eens: in België weet niemand hoe de vork precies aan de steel zit. Er zijn geen harde cijfers van het aantal plotse doden bij jongeren. In 2015 hebben wij wel een ernstige poging ondernomen om te schatten hoeveel het er zijn. We zochten eerst naar landen en regio’s waar geteld is. Zo verzamelden we cijfers van plotse hartdoden bij recreatieve sporters van 10 tot 35 jaar in de Nederlandse provincie Noord-Holland, de Italiaanse regio Veneto, Denemarken, Frankrijk en de VS. Die data zijn gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. Uit al dat cijfermateriaal hebben wij volgens de regels van de kunst afgeleid wat dat voor ons land betekent. Van de 1 miljoen jongeren tussen 14 en 34 schatten wij het aantal plotse doden jaarlijks tussen vijf en tien, waarbij tien waarschijnlijk zelfs te veel is.”

Tien plotse hartdoden per jaar: dat is bijna één kind per maand. Er kunnen toch geen bezwaren zijn tegen een screening die tien mensenlevens redt? “Elk leven is voor ons even belangrijk”, knikt Van Brabandt. “Maar de vraag moet eigenlijk zijn: hoeveel van die overlijdens kunnen we met screening voorkomen? Dat weten we niet. Want er zijn geen goede studies uitgevoerd die aantonen dat we met screening levens redden. Voorstanders verwijzen altijd naar een Italiaanse studie uit 2006 van professor Domenico Corrado. Hij is net als Brugada een grote naam onder de cardiologen. In Italië is screening van alle sporters sinds 1978 bij wet verplicht. Maar Corrado’s studie behandelt slechts één regio: Veneto. In het begin van de verplichte screening werden in Veneto 4 plotse hartdoden per 100.000 per jaar geteld. Jaar na jaar daalde het aantal tot 0,87 dode per 100.000 jaar rond de millenniumwissel.”

Is dat niet het ultieme bewijs dat screening een goede maatregel is? Van Brabandt: “Nee. Stel: ik heb griep en veertig graden koorts. Ik neem antibiotica en mijn koorts daalt. Is dat dan dankzij die antibiotica? Natuurlijk niet, want griep is een virale aandoening waar antibiotica niet tegen helpen. Zonder antibiotica was de koorts ook gedaald. Zo kun je je ook afvragen of het aantal plotse doden in Veneto daalde dankzij de verplichte screening. Veneto is trouwens maar een klein stuk van Italië. Hoe beperkter het cijfermateriaal, hoe groter de impact als iemand bij het registreren een streepje in de verkeerde kolom zet. In de VS en Frankrijk wordt niet gescreend maar tellen ze van in de jaren negentig wel de plotse doden. Rond de millenniumwissel lag het aantal in de VS op 0,90 en in Frankrijk op 0,98; bijna evenveel als de 0,87 van Veneto. In eerste instantie gaf ik Domenico Corrado het voordeel van de twijfel. Ik mailde hem mijn opmerkingen en schreef er vorig jaar ook een artikel over in het British Medical Journal (BMJ). Hij reageerde met een boze brief en noemde ons ‘dommeriken’. Maar wij zijn niet de enigen met vragen over zijn studie. Zo vroeg de Britse minister van Volksgezondheid Jeremy Hunt aan zijn Italiaanse collega de follow-up. ‘Wat gebeurde er na 2004?’ Ook wij stelden die vraag meermaals aan Corrado. ‘We werken eraan’, zegt hij. Dat zegt hij nu al jaren. Ik vind dat verdacht. Want als screenen verplicht is, moeten die gegevens er toch zijn?”

 

Negationisme

Pedro Brugada blijft erbij: Hans Van Brabandt gokt er in zijn rapport maar wat op los. “Het KCE bezondigt zich aan pseudowetenschap”, zegt hij. “In zijn brief aan het BMJ schreef Domenico Corrado niet voor niets dat de mensen van het KCE van toeten noch blazen weten. Van Brabandt heeft van Corrado trouwens wél een bevredigend antwoord gekregen op zijn vraag naar cijfers. Domenico is een heel goede vriend van mij en zette me in cc. Hij antwoordde dat het wetenschappelijke cijfermateriaal op dat moment in de publicatiefase zat. Hij kon die data niet met Van Brabandt delen omdat ze toen nog confidentieel waren. Volgens mij zijn ze intussen gepubliceerd in het Giornale Italiano di Cardiologia. Het KCE voert zogezegd wetenschappelijk onderzoek op basis van publicaties van anderen, alleen hebben ze geen toegang tot de originele gegevens. Hoe weten zij dan dat de resultaten kloppen waar ze zich op baseren? Hoe vaak hebben we het in de geneeskunde al niet meegemaakt dat publicaties teruggetrokken moeten worden omdat ze vals bleken te zijn? Domenico Corrado heeft duidelijk aangetoond dat de mortaliteit bij sporters in Italië over bijna veertig jaar met tachtig procent gedaald is. Dat kan je toch niet negeren? Dat is hetzelfde als de holocaust ontkennen. Dat is puur negationisme. Hans Van Brabandt weet niet waarover hij spreekt.”

Het getal van het KCE van tien jonge plotse doden per jaar is volgens Brugada nattevingerwerk. “Het zijn er veel meer. De gegevens van onze noorderburen wijzen op 100 à 200 per jaar. In België zal het niet veel anders zijn. Screening zal ons veel leren omdat we de kinderen dan volgen. Het is heel gemakkelijk om te stellen: we weten het niet, dus een screening is niet nodig. Terwijl de conclusie eigenlijk zou moeten zijn: we weten het niet, dus moeten we wél screenen. Mijn plan is: screening bij de geboorte, op zes, twaalf, achttien en 24 jaar. Zo creëren we ook een grote gegevensbank.”

Wat houdt die screening in? Pedro Brugada: “Ze vertrekt vanuit een vragenlijst die de kinderen samen met hun ouders invullen. Dan zullen ze bijvoorbeeld ook horen dat opa aan longkanker gestorven is omdat hij een roker was. Als dokter kun je daar dan op inpikken, hen wijzen op wat slecht is en op basis van de familiegeschiedenis tonen wat de gevolgen kunnen zijn. Het gaat dus niet enkel over screening, maar ook over bewustmaking.”

In Ons hart vertelt Brugada over de plotse dood van zijn zus Nena in 2006. “Ze was pas vijftig”, zegt hij. “Ze had daarvoor nooit klachten. Ze ging drie keer per week naar de fitness. Ze had met haar man een etentje gepland en ging zich omkleden. Toen ze terug in de living kwam, viel ze dood neer.” In zijn boek schrijft hij: “En dat in een familie met vier hartspecialisten. Mijn moeder heeft ons dat flink onder de neus gewreven. Waarom hebben noch haar kleindochter, noch haar drie zoons, allemaal hartspecialisten, ooit iets gemerkt aan Nena?”

Volgens Hans Van Brabandt zal een verplichte screening in het beste geval zo goed als geen effect hebben. “Ongeveer vijftig verschillende ziekten liggen aan de basis van plotse dood”, zegt hij. “Die ziekten zijn allemaal zeldzaam. Meestal geven ze geen klachten, maar in heel zeldzame gevallen hebben ze als eerste en enige symptoom de plotse dood. De meest frequente ziekte bij sporters is hypertrofische cardiomyopathie, een verdikking van de hartspier. Ze komt voor bij 1000 op 1 miljoen en jaarlijks kost ze 1 sporter op 1 miljoen het leven. Er is geen consensus over hoe die ziekte bij klachtenvrije mensen behandeld moet worden. De therapie varieert van bètablokkers tot een operatie. Een operatie is ingrijpend en wordt meestal niet uitgevoerd omdat we niet goed weten of ze helpt. Als je 500 mensen behandelt, riskeer je door de behandeling één mens te verliezen. Een andere hartziekte die aan de basis van plotse dood ligt, is aangeboren kransslagaderafwijking. Dat kun je alleen maar met een lijkschouwing vaststellen. Screening is dus sowieso zinloos. Nog zo’n zeldzame ziekte is Wolff-Parkinson-White, een overtollige elektrische leiding in je hart. Pedro Brugada is daar een wereldexpert in. Hij brandt die leiding door en zijn patiënt kan weer verder. Ik geloof graag dat de mortaliteit tijdens behandeling bij Brugada nul is, maar dat geldt niet voor ‘gewone’ cardiologen. De kans dat een patiënt bij hen tijdens een behandeling sterft, is uiterst klein maar even groot als de kans dat hij onbehandeld dood neervalt.”

Verplichte screening zal er volgens Hans Van Brabandt ook toe leiden dat een grote groep kinderen ten onrechte vroegtijdig gecatalogeerd wordt als ‘hartpatiënt’. “Verplichte screening zal er in de praktijk op neerkomen dat 1 miljoen jonge mensen zal langsgaan bij een sportarts”, zegt hij. “Dat is meestal een huisarts die het minste geruis als verdacht zal beschouwen. Al die gevallen zal hij doorverwijzen naar de cardioloog. Met als gevolg dat ouders al op voorhand gealarmeerd zullen zijn. Duizenden sportieve kinderen die zich kiplekker voelen, zullen dan het sporten even vaarwel zeggen. De meerderheid zal door de cardioloog gerustgesteld worden, maar een klein deel zal toch onder de scanner moeten. Van de oorspronkelijke 1 miljoen zullen na screening uiteindelijk 5000 kinderen, of 0,5 procent, ziek verklaard worden zonder dat ook maar iemand weet of er iets aan hun lot kan veranderd worden. Dat cijfer is géén wilde gok maar op fatsoenlijke wijze beredeneerd. Van die 5000 zullen er jaarlijks mogelijk tien sterven. Dankzij zijn handigheid zal Brugada van die tien kinderen er misschien één kunnen redden, terwijl bij een collega er misschien één de behandeling niet zal overleven.”

 

Schandpaal

Van Brabandt onderschat zijn collega’s, vindt Brugada. “België heeft uitstekende centra met uitstekende cardiologen”, zegt hij. “Natuurlijk moeten specifieke behandelingen uitgevoerd worden door gespecialiseerde cardiologen. Ik plaats geen stents in kransslagaders. Ik heb dat ooit wel gedaan, maar nu niet meer omdat ik gespecialiseerd ben in de elektriciteit van het hart. Het zeer zeldzame Wolff-Parkinson-White behandel ik wel: dat is elektriciteit. Misschien moet Van Brabandt hier eens consultaties komen volgen. Ik begrijp niet hoe een arts tegen screening kan zijn. Een huisdokter die getraind is om een ecg te lezen, kan perfect screenen. Bij screening vind je iets of niets. Ik geef wel toe dat er iets kan zijn dat de dokter niet vindt, of dat de dokter iets vindt en er niets aan kan doen. Maar bij de meeste afwijkingen kunnen we wél iets ondernemen. Neem hypertrofische cardiomyopathie: dat is erfelijk en doodsoorzaak nummer één in Amerika bij sporters omdat er geen screening is. In Italië is dat geen oorzaak van plotse dood omdat er wél gescreend wordt. Als die afwijking bij een Italiaan wordt vastgesteld, mag hij niet meer sporten. Dat is toch perfect normaal? Als je een hypertrofische cardiomyopathie hebt, kan je tijdens het sporten plots overlijden. Dan sport je toch gewoon niet meer? Kinderen krijgen bij screening dus soms inderdaad de diagnose dat ze een hartpatiënt zijn. Bij een screening vinden we afwijkingen waardoor het niet verstandig is dat mensen verder blijven voetballen. Maar we zullen ook afwijkingen vinden die perfect te genezen zijn. Hoeveel sporters heb ik niet terug op de fiets of de grasmat gezet? Khalilou Fadiga kon dankzij zijn defibrillator terug voetballen, net als Anthony Van Loo. Die mensen waren eerst afgeschreven. Fadiga voetbalde van zijn 22e tot zijn 35e met een defibrillator. Toen ik die dertien jaar geleden inplantte, werd ik door mijn collega’s aan de schandpaal genageld. Ze verklaarden me zot. Nu is een defibrillator de regel.”

Sophie Gerkens, gezondheidseconoom bij het KCE, berekende dat screening elk jaar tussen de 66 en 95 miljoen euro zal kosten. Miljoenen die in de portemonnee van sportartsen, cardiologen en radiologen terecht komen? Hans Van Brabandt: “Ik bekijk screening vanuit het standpunt van het grote publiek en niet van de dokters. Maar u hebt gelijk: als screening er komt, zullen dokters daar bijna 100 miljoen extra mee verdienen.”

Pedro Brugada maakte zijn eigen berekening. “Reken op 50 euro per screening: 400.000 twaalfjarigen screenen kost dan 20 miljoen. That’s it. Natuurlijk zou het fantastisch zijn als de minister van Volksgezondheid zou beslissen om screening terug te betalen. Maar wat is 50 euro voor de gezondheid van je kind? Hoeveel kosten de schoolfoto’s elk jaar? Ouders betalen dat toch zonder verpinken? Waarom dan niet om de zes jaar 50 euro om hun kind te screenen? Daar moeten we toch niet voor gaan bedelen bij de overheid?”

 

 

Pedro Brugada, Ons hart, gebruiksaanwijzing en onderhoudsboekje, Lannoo, 288 blz., 22,50 euro

 

(c) Jan Stevens

“Een mens moet een beetje geluk hebben in zijn leven”, verklaart Luc Tuymans zijn succes. “Maar geluk alleen volstaat niet: je moet er ook nog iets mee doén.” Hijzelf vatte de koe bij de horens, stelde in 2004 als allereerste levende Belg tentoon in Tate Modern en verkocht een jaar later in New York een werk voor anderhalf miljoen dollar.

 

In zijn atelier aan de rand van de Antwerpse rosse buurt neemt Luc Tuymans (58) vriendelijk afscheid van een kunstenaar-in-wording. De jongen is zijn werk aan de meester zelf komen voorstellen en pakt nog ietwat starstruck zijn rugzak weer in. Onze meest succesvolle levende schilder trakteert ons op een kop uitstekend gezette espresso en steekt een sigaret op. “Natuurlijk streelt het mijn ego dat anderen me wereldwijd een van de meest invloedrijke Belgische kunstenaars vinden. Ik dank hen daarvoor”, zegt hij en hij schiet in een bulderlach. “Ach, dat soort zaken is altijd relatief. Al kan ook ikzelf er niet omheen dat ik intussen een internationaal parcours van meer dan dertig jaar heb afgelegd. Ik ben me ervan bewust dat ik in een land leef dat op cultureel vlak altijd zeer invloedrijk was. Dat lijkt vanzelfsprekend, terwijl het op de keper beschouwd verbijsterend is dat een kleine regio die zo vaak overspoeld werd door vreemde mogendheden, zo’n rijke culturele geschiedenis heeft. België roept wereldwijd bij iedereen meteen connotaties op met schilders als René Magritte en James Ensor.”

 

Onlangs was u nog curator van een grote Ensortentoonstelling in Londen.

Luc Tuymans: “Ik vond het hallucinant om toen te moeten vaststellen dat veel Britten Ensor niet kennen. In veel andere landen, zoals de Verenigde Staten, Duitsland en Frankrijk, is hij dan weer wel bekend. James Ensor wordt vaak gecatalogeerd als einzelganger of als grotesk en excentriek, terwijl hij als voorloper van het expressionisme een zeer belangrijk avant-gardekunstenaar was. U weet toch dat René Magritte géén surrealist is? Zijn meest bekende werk, La trahison des images, het schilderij met de pijp waaronder ‘Ceci n’est pas une pipe’ geschreven staat, is, in tegenstelling tot wat veel mensen denken, zeer reëel. Want het is geen pijp, maar de afbeelding van een pijp. ‘Ceci n’est pas une pipe’ is dus niets meer of minder dan de waarheid. Ik vind dat een conceptueel hoogstandje. Tijdens de verkiezing van ‘De Grootste Belg’ in 2005 vroegen de organisatoren me om een lans te breken voor Peter Paul Rubens, maar ik koos voor Jan Van Eyck. Want hij vertegenwoordigt voor mij de visuele kracht van schilderkunst. Deze regio kan putten uit een extreem groot kunstpotentieel, zowel uit het verleden als uit het heden. En dat zal ook zo blijven in de toekomst.”

 

Vergis ik me als ik zeg dat de inwoners van deze regio niet heel erg kunstminnend zijn?

Tuymans: “U vergist zich daar grandioos in. Ons land telt zeer veel gepassioneerde verzamelaars. Zij vormen de voedende kracht van het artistieke leven en u mag dat niet onderschatten. De overheid is dan weer een ander paar mouwen. Bij onze bewindslui heerst flink wat onwetendheid over wat cultuur eigenlijk is. Musea worden niet echt grondig gesubsidieerd en ook niet goed onderhouden. De politieke wereld verkeert in de waan dat kunst dood is, terwijl ze juist springlevend is. Want wij leven nu eenmaal in een extreem katholiek land waar veel belang gehecht wordt aan het visuele.”

 

U noemt België een ‘extreem katholiek land’?

Tuymans: “Ja, natuurlijk, dit land is nog steeds zeer katholiek. De Belgische ‘bovenbouw’ liep school bij de jezuïeten, Tom Barman van Deus zat daar ook. De katholieken pompten die aandacht voor het visuele er stevig in: ooit diende dat ‘beelddenken’ om het volk dom te houden. Rubens was de eerste die dat propageerde. Je mag hem gerust de allereerste grote filmmaker ooit noemen. Hij is geboren in het Duitse Siegen, waar zijn vader een affaire had met de vrouw van Willem van Oranje. Op het moment dat Rubens in Antwerpen aankwam, zetten de katholieken de contrareformatie in als reactie op de protestantse reformatie, waardoor alles van nul opnieuw ingevuld moest worden. Rubens greep zijn kans. De schilderijen die hij toen maakte, kwam je niet meteen in een huiskamer tegen. Het zijn monumentale werken die je van op grote afstand moet bekijken. Ze dienen een welbepaald doel: propaganda voeren voor de Roomskatholieke kerk. Rubens deed dat op een magistrale wijze. Ik hou niet zo van zijn werk, maar je kunt niet beweren dat hij geen groot kunstenaar was. Onze kleine regio is zo interessant omdat ze de kern vormt van tal van experimenten, en dan heb ik het niet alleen over kunst, maar ook over wetenschap. De Big Bang-theorie is niet toevallig uitgevonden door de Belgische priester Georges Lemaître.”

 

We moeten de jezuïeten dus dankbaar zijn?

Tuymans: “Zeker. Ze koesterden utopische gedachten met een snuifje humanisme, al hadden ze natuurlijk ook een verborgen agenda. Franciscus is de eerste jezuïet die paus geworden is, ik vind dat een razend interessant fenomeen. En dat op een moment dat de wereld zich in zeer woelig vaarwater bevindt. Ik had trouwens twee recente onrustwekkende gebeurtenissen op voorhand haarfijn voorspeld: de brexit en de verkiezing van Donald Trump. Ik hou mijn hart vast voor wat er verder in Europa nog te gebeuren staat.”

 

Zijn woelige tijden een zegen voor een kunstenaar?

Tuymans: “Dat wordt dikwijls gezegd, maar wat zich nu voor onze ogen voltrekt, vind ik verschrikkelijk. Onwetendheid en domheid is alom vertegenwoordigd en dat komt omdat de politiek zoveel decennia lang het populisme zwaar onderschat heeft. Onze politici lieten sommige kansarme bevolkingsgroepen links liggen. Die mensen kregen geen mogelijkheden om zich uit hun ellende op te werken en worden nu door de populisten zwaar misbruikt. Misschien worden het nog gevaarlijke tijden voor kunstenaars, maar ik ben er volledig klaar voor. (lacht) Wie als een volleerde struisvogel zijn kop in het zand steekt, reageert ook op wat er gebeurt in de wereld, ook al denkt hij dan van niet. Elke kunstenaar die nu een werk maakt, levert commentaar op wat er zich rondom ons afspeelt. Zelfs als hij zijn werk vol verwijzingen stopt naar het verleden, heeft hij het nog steeds over hier en nu. De toestand is ondertussen zo ernstig geworden dat niemand er nog onderuit kan. Ikzelf zal mijn uiterste best doen om voor mijn werk iets te vinden dat absoluut niets te maken heeft met Donald Trump. Want Trump met een klein geslachtsdeel schilderen, maakt toch geen zak uit. Het moet verder gaan dan dat, en dat vind ik een grote uitdaging. Kunst is geen propaganda, maar is ‘iets anders’. Nee, het is niet zo eenvoudig. Een kunstenaar moet nu eerst en vooral verder blijven werken. Perseverance, volharding, ongeacht wat er ook gebeurt. Dat lijkt immoreel, maar het is de enige juiste keuze.

“Je kan de kunstwereld niet loszien van de rest van de wereld. Als er in de grote buitenwereld iets verandert, volgt cultuur. Wij leven in een natiestaat en niet in een melting pot zoals de VS is, of beter gezegd: was. Wat ze hier nooit goed begrepen hebben, is dat het veel verstandiger is om de verschillen in de samenleving met elkaar te verbinden, in plaats van ze tegen elkaar uit te spelen. Al die verschillen zijn waardevol en door ze te combineren zorgen we ervoor dat het individu belangrijk wordt binnen die grote diversiteit. Als we daarin slagen, kunnen we misschien de angst voor de globalisering wegnemen en ervoor zorgen dat mensen zich niet langer vanuit een louter populistische reflex op zichzelf terugplooien.”

 

Het is toch niet te ontkennen dat de globalisering slachtoffers gemaakt heeft?

Tuymans: “Ja, de Grieken zijn er het slachtoffer van.”

 

Net als een deel van de Amerikanen die voor Donald Trump gestemd hebben omdat ze hun job als gevolg van die globalisering verloren hebben.

Tuymans: “Dat is zeker waar. Trump heeft ook heel bewust die ader aangeboord.”

 

De mensen die kunst kopen, hebben waarschijnlijk dan weer geprofiteerd van de globalisering.

Tuymans: “Zij stammen vermoedelijk uit die 1 procent die alles heeft. Vergis u niet: ook ik vind dat er een herverdeling van rijkdom moet komen; 25 jaar geleden wisten we dat trouwens al. Maar er is ook een andere kant aan het verhaal. Zeker in de States zorgen de superrijken ervoor dat kunst die vroeger voor de happy few was, nu toegankelijk is voor het grote publiek. Vanuit een vorm van altruïsme richten die 1 procenters stichtingen en foundations op, of geven geld aan musea. Zo is het beroemde MoMa in New York eigenlijk privé-initiatief. In 2013 stelde ik tentoon in de Menil Collection in Houston, Texas. De stichters van dat museum, John en Dominique de Menil, stamden ook uit de 1 procent. Hun collectie is voor iedereen gratis toegankelijk en aan het museum vertrekt een laan die langs culturele centra van de Afro-Amerikaanse gemeenschap loopt. Er zijn dus ook goede kanten aan het feit dat superrijken een deel van hun kapitaal in kunst investeren.”

 

Stijgt de invloed van een kunstenaar samen met de prijzen die wereldwijd voor zijn werken worden neergeteld?

Tuymans: “Een mens wordt geen kunstenaar om veel geld te verdienen. Als ik multimiljonair had willen worden, was ik het allang geweest en zaten wij hier nu niet met elkaar te praten. Dan was ik gewoon in zaken gegaan, want er schuilt wel degelijk een zakenman in mij. Dat is iets genetisch: mijn grootvader richtte indertijd het grootste bedrijf aan de Nederlandse grens op, een transportonderneming voor groenten en fruit. Een kunstenaar kan dus ook een zakenman zijn, maar een mens wordt nooit kunstenaar omwille van de centen die ermee te verdienen zijn. Een kunstenaar speelt het spel niet om te winnen, maar om op de juiste manier te verliezen. Want wat hij dan achterlaat, is een reusachtig symbolisch kapitaal. Michelangelo was bijna negentig toen hij stierf. Hij liet een volledige vervalste biografie na, had al die werken geproduceerd waar Leonardo Da Vinci alleen maar van kon dromen, tot en met de koepel van de Sint-Pietersbasiliek, de fantastische Piëta en het plafond van de Sixtijnse kapel. Na zijn dood was hij de rijkste kunstenaar ter wereld.”

 

Is hij een voorbeeld voor u?

Tuymans: “Nee, als voorbeeld is hij te megalomaan. Wat ik wil zeggen is dat het idee van ‘de kunstenaar als kunstenaar’ stamt uit de renaissance. Aan de ene kant van de tafel zaten de maffiosi en de warlords die illustere namen droegen als De Medici en Borgia, aan de andere kant zaten scheppers van cultuur en kunstenaars als Titiaan. Beiden vochten voor hun eigen privileges. Tussen beide partijen werd het geven en nemen en zo ontstond de kunst als kunst. Ik vind het wel iets hebben dat de kunstenaar zijn roots heeft in een bepaalde vorm van illegaliteit en criminaliteit. (lacht) Er hangt altijd iets subversiefs aan het begrip kunst. Eerlijkheidshalve moet ik eraan toevoegen dat de mensen op straat me voor het eerst met ‘mijnheer’ aanspraken toen in 2005 op een veiling in New York mijn werk The Sculpture anderhalf miljoen dollar opbracht. (lacht) Een hedendaagse kunstenaar wordt niet langer gezien als excentriek of gestoord van zodra zijn werk veel geld opbrengt. Vanaf dat moment betekent hij inderdaad ook echt iets.”

 

Voor u is het belangrijk wat er na uw dood van uw werk zal overblijven?

Tuymans: “Zeer zeker. Alleen is dat symbolisch kapitaal moeilijk om in te schatten. Vandaag moet een kunstenaar zich daar tijdens zijn leven al mee bezig houden, voor vorige generaties gold dat niet zo.”

 

Is dat geen vorm van hoogheidswaanzin?

Tuymans: “Nee, dat is verantwoordelijkheidszin. Dat is totaal iets anders dan hoogheidswaanzin. Alsof een kunstenaar die met zijn nalatenschap bezig is, niet nederig genoeg zou zijn. Nederig zijn, is een belachelijk idee.”

 

Hoe verklaart u uw eigen succes?

Tuymans: “Een mens moet een beetje geluk hebben in zijn leven. Maar geluk hebben alleen volstaat niet: je moet dat ook beseffen en er vervolgens iets mee doen. Talent en hard werken spelen ook een rol, net als de rotsvaste overtuiging dat je de juiste weg bewandelt op momenten dat anderen daaraan twijfelen of je werk totaal niet appreciëren.”

 

Koppigheid is een goede eigenschap voor wie het als kunstenaar wil maken?

Tuymans: “Overtuigd zijn. Dat is sowieso iets dat iedereen die in de culturele wereld werkt, moét hebben. Dat is ook de reden waarom creatievelingen moeilijk bazen tolereren en omwille van welke narcistische motieven ook voor zichzelf beginnen werken. Daarom is het altijd gevaarlijk om een kunstenaar of een kunstenares aan het hoofd van een regering te zetten, dat zou alleen maar kwalijke gevolgen hebben.”

 

Luc Tuymans als premier is geen goed idee?

Tuymans: “Nee, ik zou niet echt goed functioneren in de politiek, al hebben ze me wel verschillende keren gevraagd. Maar ik ben daar nooit op ingegaan omdat ik 24 uur op 24 kunstenaar ben. Een goed politicus kan niet anders dan ook 24 uur op 24 politicus zijn; kunst en politiek zijn in mijn geval niet te combineren. Het is ofwel het een of het ander.

“Ik heb als kunstenaar mijn geluk afgedwongen, door te volharden en keihard te werken. Maar voor hetzelfde geld was ik totaal mislukt. Voor een beginnende kunstenaar is het vandaag nog veel moeilijker dan vroeger. Een groot deel van de kunst- en galeriewereld is corporate geworden.”

 

Het zijn bedrijven?

Tuymans: “Het zijn gewoon machines geworden. Toen ik eind jaren zeventig begon, was de kunsthandel compleet anders georganiseerd. Begin jaren tachtig barstte het onder impuls van de Amerikanen uit zijn voegen. Een schilder als Julian Schnabel werd razend populair onder de jongens van Wall Street. Het was de tijd van ‘Greed is good’ en nadat een van Schnabels schilderijen aan de beurs gekoppeld werd, ontstond er een bubble. De eerste Golfoorlog in 1991 zorgde ervoor dat de zeepbel lichtjes implodeerde, maar het hele apparaat was ondertussen wel geïnstalleerd. Net op dat moment zette ik voet aan wal in de States. Ik werk langzaam en heb altijd voor langdurige samenwerking met galeristen gekozen. Frank Demaegd is hier in Antwerpen al ruim 26 jaar mijn galerist; Kiyoshi Wako verkoopt al twintig jaar mijn werk in Japan. Toen ik begin jaren negentig met David Zwirner in New York begon samen te werken, had hij welgeteld één assistente. Nu werkt in New York alleen al 200 man, in de afdeling in Londen 80 en binnen een jaar opent David een filiaal in Hongkong. Dat is een totaal andere schaal dan dertig jaar geleden. Ik kan me best voorstellen dat een jonge kunstenaar met enige mate van intelligentie niet staat te springen om met zo’n grote mastodont in zee te gaan, want het risico is niet denkbeeldig dat zijn werk tot een merk herleid wordt. Ik begon als jonge kunstenaar in zelfgekozen isolement dat in de loop der jaren geleidelijk omgebouwd is tot publiek isolement. Startende kunstenaars moeten ook niet echt rekenen op hulp van de cultuurtheoretici.”

 

Ze worden aan hun lot overgelaten door kunstpausen en curatoren?

Tuymans: “Ja. Academici trekken zich terug binnen de veilige muren van hun eigen wereldje. Mensen die nu een opleiding tot curator volgen, leren vooral hoe het er in de jaren tachtig aan toeging en hebben geen voeling met de huidige stand van zaken. Dat klinkt misschien allemaal nogal negatief, maar alleen door problemen duidelijk te benoemen, maken we ze meteen ook bespreekbaar.”

 

(c) Jan Stevens

Na zijn verplichte opruststelling aan de KULeuven is de wereldwijde invloed van econoom Paul De Grauwe alleen maar toegenomen. Aan de gerenommeerde London School of Economics and Political Sciences stoomt hij economen in spe klaar voor een internationale topcarrière. “Ik profiteer een beetje mee van het prestige van die instelling.”

 

Sinds februari 2012 doceert professor economie Paul De Grauwe (70) aan de London School of Economics and Political Sciences (LSE). Zijn studenten komen van heinde en ver. “Van de honderd studenten waaraan ik les geef, hebben er amper twintig de Britse nationaliteit”, zegt hij. Na hun studies weten de jongens en meisjes zich verzekerd van een topjob in de Londense City of een internationale instelling. De Grauwe is niet alleen sant in eigen land, maar wordt ook regelmatig door internationale media om zijn mening en inzichten gevraagd. “Ook toen ik nog economieprofessor aan de KULeuven was, had ik veel internationale contacten”, zegt hij. “Ik was vaak gastprof in het buitenland, onder andere in Michigan, Kiel, Berlijn en Amsterdam. Dat contact met de rest van de wereld is niet alleen voor een econoom, maar voor elke wetenschapper van levensbelang. Voor mij zijn er geen grenzen: ik voel me burger van de hele wereld. Natuurlijk heb ik Vlaamse roots, maar die bepalen niet wie Paul De Grauwe werkelijk is. In de eerste plaats ben ik wereldburger, vervolgens Europeaan, Belg, Vlaming en zo gaat het verder tot in mijn straat in Leuven. De Britse premier Theresa May vindt het begrip wereldburger verdacht. ‘If you believe you are a citizen of the world, you’re a citizen of nowhere’, hoorde ik haar vorig jaar verkondigen. Dat is toch een vreselijke uitspraak? Waarom mag een mens geen wereldburger zijn? Natuurlijk verbroeder ik met mijn buren en drinken we samen af en toe een pint, maar dat belet me niet om een even toffe relatie te onderhouden met een Japanner die ik ooit op een conferentie ontmoet heb.”

 

Is uw invloed als econoom drastisch toegenomen sinds u les geeft aan die prestigieuze LSE?

Paul De Grauwe: “Ik profiteer een beetje mee van de internationale uitstraling van die instelling. Wie in Harvard doceert, staat nog een trede hoger op de ladder, zo eenvoudig is dat. Dat grote prestige straalt zowel in Harvard als in de LSE af op de mensen die er werken.”

 

Zijn de studenten aan de LSE anders dan die aan de KULeuven?

De Grauwe: “Toch wel, om te beginnen al omdat ze zoveel meer betalen. (lacht) De psychologie van een student die veel centen moet neertellen, is anders dan die van zijn collega die niet zo diep in de buidel moet tasten. Hij zal meer eisen van de prof. De meeste LSE-studenten zijn van rijke komaf. Ze stammen niet allemaal af van multimiljonairs, maar komen toch uit een ‘bepaalde groep’ van de samenleving. Er zijn ook beurzen om mensen uit minder begoede families aan te trekken, maar ik vrees dat het succes daarvan nogal beperkt is. U moet nu niet denken dat het in ‘gewone universiteiten’ zoveel anders is. Ook daar ligt het aantal studenten uit gezinnen met lage inkomens laag. Bij de elitescholen is dat aantal alleen nòg veel lager.”

 

De democratisering van het onderwijs is dus niet echt gelukt?

De Grauwe: “Nee, en in de Angelsaksische landen minder dan bij ons. Ik vrees zelfs dat het hoger onderwijs er de ongelijkheid alleen maar aanwakkert. We zijn geneigd te geloven dat onderwijs de inkomensongelijkheid vermindert en dat alle hardwerkende, talentvolle kinderen er een plek verdienen, waar ze ook vandaan mogen komen. Dat is dus niet zo. Het hogere elite-onderwijs versterkt die ongelijkheid. Want de mensen met topinkomens sturen er hun kinderen naartoe en al die jongens en meisjes vormen aan die universiteiten bijna automatisch dezelfde netwerken als die van mama en papa.

“Ik groeide als prille econoom in de jaren zestig en zeventig op in een omgeving waarin de gedachte overheerste dat in een kapitalistische economie de toenemende ontwikkeling de ongelijkheid zou doen dalen. De Amerikaanse econoom Simon Kuznets had na observatie ontdekt dat de inkomensongelijkheid in een arm land steeg naarmate het zich economisch ontwikkelde en de welvaart begon toe te nemen. Maar vanaf een bepaald niveau begon volgens Kuznets die ongelijkheid weer te dalen. Zijn toen alom geroemde Kuznetscurve had zeer veel invloed, want ze vormde het ‘bewijs’ dat Karl Marx ongelijk had. Alleen zou jaren later blijken dat na verloop van tijd de ongelijkheid terug begint toe te nemen. Dat is niet zo lang geleden grondig gedocumenteerd door Thomas Piketty in zijn beroemde boek Kapitaal in de 21e eeuw. In de jaren zeventig en tachtig maakte de ideologie van het trickle down effect grote sier: door de rijken met rust te laten en ze steeds rijker te laten worden, zouden ook alle arme dompelaars het beter krijgen. Want die rijken waren dynamische mensen met initiatief die fabelachtige ondernemingen zouden gaan uitbouwen. Dat bleek een ferme overschatting te zijn.”

 

In de jaren tachtig stond u bekend als een aanhanger van Margaret Thatcher en Ronald Reagan, grote voorstanders van dat trickle down effect.

De Grauwe: “Oude ideeën verdwijnen op het kerkhof. Mensen hebben de neiging om zich tot aan hun dood aan hun oude denkbeelden vast te klampen. Feiten die in tegenspraak zijn met hun wereldbeeld negeren ze zodat dat wereldbeeld intact blijft. Psychologen noemen dat ‘cognitieve dissonantie’. Dat zit ingebakken in de menselijke natuur, maar wetenschappers moeten daartegenin durven gaan. Dat is niet makkelijk, maar ik heb dat wel gedaan. Met als gevolg dat sommigen me verwijten dat ik niet principieel ben. Ik antwoord dan altijd met die fameuze quote van econoom John Maynard Keynes: ‘When the facts change, I change my mind. What do you do, sir?

“Ik vind nog steeds dat je mensen vrij moet laten, maar het is onzin te geloven dat een miljardair zich voor dat extra miljard nog eens extra hard zal inzetten. Speelt de fantastische voetballer Eden Hazard zoveel beter dan Johan Cruyff indertijd? Ik dacht het niet, toch verdient hij misschien wel honderd keer meer. Op een bepaald moment heeft nòg meer inkomen voor superrijken geen maatschappelijk nut meer en zetten die mensen zich niet harder in. Velen zijn nu ontevreden omdat ze zien hoe sommigen zich schaamteloos verrijken terwijl zij ter plaatse blijven trappelen of slechts schoorvoetend vooruitgaan. Je hoort dan: ‘Die mensen zijn jaloers’, of: ‘We leven in een afgunstmaatschappij.’ Terwijl het veel dieper zit: het heeft te maken met een algemeen gevoel van oneerlijkheid en onrechtvaardigheid.”

 

Toen u op uw 65e aan de KULeuven op emeritaat moest, zag u dat niet zitten.

De Grauwe: “Nee, ik voelde me fysiek en mentaal nog goed en ik dacht: ‘Waarom kan ik niet gewoon voort blijven bollen?’ Toevallig werd ik in die periode gecontacteerd door de LSE. Op hetzelfde moment kreeg ik ook een aanbieding van het European University Institute in Florence. Dat was een contract voor vijf jaar en zou dus nu al afgelopen zijn. Florence leek me heel aantrekkelijk, maar uiteindelijk werd het de LSE. Londen is wat dichter bij mijn familie én de LSE heeft grotere faam.”

 

De LSE gaf een boost aan uw imago?

De Grauwe: “Als ik eerlijk ben wel, ja. Het is een instelling met reputatie en daar kon ik mee van profiteren. Maar de bereikbaarheid van mijn familie speelde echt ook een rol en Londen is een fantastische stad. De sfeer onder de Londense collega’s is vergelijkbaar met hoe het vroeger in Leuven was. Ik heb alleen maar goede herinneringen aan de KUL omdat sommige ex-collega’s echte vrienden geworden zijn. We gingen vaak samen lunchen en dan werd er aan tafel stevig gediscussieerd. In de LSE is dat iets minder. Het academische leven verloopt daar toch wat hectischer. Drie dagen per week verblijven ik en mijn vrouw nu in Londen. Heerlijk.”

 

Van zodra de brexit een feit is, zal uw identiteit strenger gecontroleerd worden telkens wanneer u op de Eurostar stapt.

De Grauwe: “Omdat Groot-Brittannië geen deel uitmaakt van Schengen gebeurt dat nu ook al. Ons grootste probleem zal zijn of wij na de brexit nog naar Londen zullen kunnen gaan werken. Op dit moment weten we daar totaal niets over. Wat zullen de afspraken zijn? Mijn vrouw werkt op het University College. Zullen mensen zoals wij mogen blijven? Er circuleren verschillende scenario’s; voorlopig is niets duidelijk.”

 

De brexit is niet de meest briljante zet van de Britten?

De Grauwe: “Nee, het is echt niet te begrijpen waarom ze zichzelf zo in de voet schieten. Neem de universiteiten: zij zijn één van de succesverhalen van Groot-Brittannië. Ze trekken massaal veel studenten aan vanuit de hele wereld. Driekwart van mijn vrouw haar studenten zijn Chinezen die elk 20.000 pond inschrijvingsgeld betalen. Die jongens en meisjes geven net als hun collega-studenten uit Europa en de rest van de wereld veel geld in Londen uit. Dat wordt nu allemaal op de helling gezet.”

 

Van 1991 tot 2003 zetelde u voor de VLD in het Belgische parlement. Wanneer had u het meest invloed: toen u in de politiek zat of als professor economie?

De Grauwe: “Misschien moeten we eerst eens definiëren wat invloed precies is. Is dat hetzelfde als macht of is dat de geesten beïnvloeden? Macht heb ik nooit gehad. Zelfs toen ik in de politiek zat, was ik machteloos. Als backbencher werd ik niet uitgenodigd in de kamers waar beslissingen werden genomen. Invloed is: ideeën formuleren, verspreiden en zo anderen beïnvloeden. Ik ben nu dus invloedrijker dan vroeger. Als je in de politiek zit, ben je sowieso verdacht. Mensen dachten vroeger: ‘Spreekt de partij of horen we De Grauwe?’ Dat was onvermijdelijk.”

 

Waarom bent u ooit in de politiek gestapt?

De Grauwe: “Ik vraag me dat soms ook af. (lacht) Het was rond mijn veertigste: misschien was het mijn midlifecrisis. Rik Daems vroeg of ik geïnteresseerd was. Je kon toen nog gecoöpteerd worden in de senaat. Voorwaarde was dat je minstens veertig was. Dat was de goeie ouwe tijd toen de senaat gezien werd als een kamer van relatief oude wijze mannen, geen vrouwen. Ik dacht: ‘Waarom niet?’ Na die vele jaren aan de universiteit had ik wel zin in iets nieuws. Dus hapte ik toe. Op dat moment had ik niet echt een hoge dunk van de politiek. Een prof vindt altijd dat hij het allemaal beter weet. Meestal vindt hij ook dat een politicus niet deugt. (lacht) Ik was aangenaam verrast toen ik ontdekte dat er toch nogal wat verstandige mensen in de politiek zitten. Mensen die écht met hun medeburgers begaan zijn, en natuurlijk zijn er profiteurs, maar vind je die niet overal? Politiek is een buitengewoon moeilijk vak; dat heeft vooral te maken met het feit dat er zoveel tegengestelde belangen zijn. Het drama in onze huidige tijd is dat velen niet lijken door te hebben dat democratie een manier is om die tegengestelde belangen en inzichten door compromissen met elkaar te verzoenen. Vandaag is het alsof iedereen zich verraden voelt. Het gevolg is het oprukkende populisme waarbij burgers in de fictie leven dat er een ‘stem van het volk’ is. Terwijl er alleen maar kakofonie te horen is. De populist beweert dat hij ‘de stem van het volk’ belichaamt en dat de elite blind is. Vreselijk. Ik las vanmorgen nog in de krant dat het milieubeleid niet mag overgelaten worden aan experts en wetenschappers. Aan wie dan? De man in de straat? Er zijn toch altijd problemen die je enkel met wetenschappelijke kennis kan doorgronden en oplossen? Dat wordt nu allemaal neergehaald. Het is een terugkeer naar de middeleeuwen. Nogal wat mensen zijn kwaad omdat ze vinden dat het systeem niet fair is.”

 

“Very unfair” om de Amerikaanse president Donald Trump te citeren.

De Grauwe: “Het kapitalisme heeft fantastische materiële welvaart gecreëerd en een dynamiek ontwikkeld die ongeëvenaard is in de geschiedenis. Technologische vernieuwing is alleen maar mogelijk in het kapitalisme. Communisme was stilstand. Als je instructies krijgt van bovenaf, voer je geen klap meer uit. Maar dat kapitalisme is ook verantwoordelijk voor veel verliezers. De ver doorgedreven bezuinigingspolitiek van de Europese Unie treft de slachtoffers van de globalisering een tweede keer. Die mensen zijn nu kwaad en zoeken hun heil bij degenen die roepen: ‘Weg met de elite!’ Ook de wetenschap hoort bij die verfoeilijke elite. Want de wetenschap heeft dat allemaal mogelijk gemaakt en de economische wetenschap heeft alles ondersteund.”

 

De Amerikaanse spindoctor Gerry Gunster is één van de architecten van de brexit. De elite heeft volgens hem onderschat dat burgers behoefte hebben aan identiteit, aan hun eigen wereldje. Britse arbeiders voelen zich bedreigd door veel goedkopere Poolse werkkrachten en stemden daarom voor ‘leave’.

De Grauwe: “Maar wat is ‘identiteit’? Mensen willen gerespecteerd worden, dat is veel fundamenteler. Je wil respect van degene met wie je leeft, van je familie, je vrienden, je land. ‘Identiteit’ wordt zo opgeblazen. Niemand kan dat definiëren. Ik zou wel eens graag willen weten wat dat is, die Vlaamse identiteit. In Groot-Brittannië hoor je nu in het parlement naar aanleiding van de brexit: ‘The people have spoken.’ Wie daar tegenin durft te gaan, krijgt het etiket ‘traitor‘ opgespeld. Wie niet van de brexit houdt, stelt zich op ‘tegen het volk’. Ik wantrouw die noties van ‘het volk’ en ‘hun identiteit’. Het zijn echo’s uit de jaren dertig en dat is zeer beangstigend.”

 

Hoe belangrijk is publiceren voor een wetenschapper die invloedrijk wil zijn?

De Grauwe: “De reputatie van een wetenschapper wordt gemaakt door zijn publicaties. Ik ben ooit aan de KUL begonnen als lector, werd later docent en daarna gewoon hoogleraar. Al die verschillende bevorderingen hadden niets te maken met mijn publicaties, maar alles met mijn voortschrijdende leeftijd. Toen ik van docent de stap zette naar gewoon hoogleraar, werd me niet gevraagd wat ik gepubliceerd had, maar hoe oud ik was. (lacht) Ik publiceerde graag en hield van het creatieve aspect van onderzoek, waardoor ik dat ook altijd ben blijven doen. Alleen was er nooit druk. Dat was niet echt een goed systeem, want te veel academici vertrouwden op hun anciënniteit en lieten het publiceren over aan anderen. Nu is de slinger in de andere richting doorgeslagen en is er een extreme publicatiedruk. Jonge mensen aan de universiteit lopen daaronder gebukt. Ik vrees dat startend academisch personeel aan de universiteit vandaag meer onder druk staat dan studiegenoten die in de privésector aan de slag gaan.

“De dwingende publicatiedruk zorgt ervoor dat wetenschappers opportunistisch worden. Ze richten hun aandacht op die kwesties waarvan ze vermoeden dat de kans op publicatie het grootst is. Ze gaan dus op zoek naar wat het best in de markt ligt en volgen braaf de platgetreden paadjes. Wie nu een nieuwe theorie wil publiceren, zal ervaren dat dat geen sinecure is. Want degenen die dat nieuwe idee moeten beoordelen, varen mee met de mainstream. In mijn eigen vakgebied merk ik dat de grote druk ervoor zorgt dat jonge economen niet deelnemen aan het maatschappelijk debat. Ik heb dat wel altijd gedaan, maar zij hebben daar geen tijd voor. Ze moéten publiceren in wetenschappelijke toptijdschriften. Waarom zouden ze dan nog tijd verliezen aan een opiniestuk voor een krant? Ik vond het altijd interessant én belangrijk om invloed te hebben in het publieke debat.”

 

Hoe ouder u wordt, hoe meer u uw echte stem kan laten horen? Hoe minder schrik dat later de afrekening volgt?

De Grauwe: “Ik heb me daar nooit echt veel van aangetrokken en had nooit schrik om tegen de algemeen heersende opvatting in te gaan. Dat is de luxe van een academische carrière. Er zijn wel een paar momenten geweest waarop ik iets te hard op andermans tenen trapte, al hoorde ik dat pas veel later. De eerste keer was rond 1980. Ik schreef dat de Belgische frank overgewaardeerd was en gedevalueerd zou moeten worden. Die devaluatie is er ook gekomen en nadien hoorde ik dat de toenmalige minister van financiën overwogen had om mij te laten vervolgen. Zijn collega’s raadden hem dat sterk af, toch een beetje jammer want dat zou mij fantastische publiciteit opgeleverd hebben. (lacht) Een tweede keer was in 1993. Ik had samen met andere proffen een manifest geschreven met daarin alweer een pleidooi voor een devaluatie. Dat maakte de toenmalige gouverneur van de Nationale Bank Fons Verplaetse razend. Hij belde naar de rector van de universiteit om te horen of ‘diene De Grauwe niet gestraft kon worden.’ Ook toen gebeurde er niets.”

 

Hoe lang blijft u nog in Londen les geven?

De Grauwe: “Zolang ik het leuk vind, dat is mijn enige criterium. De dag dat ik denk: ‘Oei, nu moet ik weer die trein op naar Londen’, stop ik ermee. Maar dat is nog niet het geval.”

 

Binnen tien jaar, rond uw tachtigste, staat u nog voor de klas in de LSE?

De Grauwe: “Als ik nog leef en me even goed voel als nu, is dat best mogelijk. Ik hou gewoon heel erg van die combinatie van onderzoek voeren en lesgeven. Op dit niveau verandert de inhoud voortdurend. Er zijn proffen die dertig jaar lang hetzelfde doceren, maar ik zou dat niet kunnen. Zo geef ik een cursus over de monetaire unie en om de twee jaar verschijnt een vernieuwde uitgave van het boek. Ik ben nu bezig aan de twaalfde editie.”

 

Hoe wil u na uw dood herinnerd worden?

De Grauwe: “Daar ben ik niet mee bezig. De economen die in mijn jeugd erg in trek waren en die net als ik boeken en artikels schreven en geciteerd werden, zijn vandaag vergeten. Natuurlijk zijn er een paar uitzonderingen. De naam Milton Friedman klinkt nog steeds als een klok. Maar als ik mijn studenten een lijst voorleg van tien economen die in mijn studententijd hot waren, kijken ze me vol verbazing aan. ‘Nooit van gehoord.’ Twintig jaar na mijn dood zullen mijn boeken ook vergeten zijn. Ik maak me daar geen enkele illusie over.”

 

(c) Jan Stevens

Vanaf 1 juli is België het eerste land in Europa waar voor zwangere vrouwen de NIP-test zo goed als gratis wordt. Vanaf dan wordt het een fluitje van een cent om vast te stellen of een ongeboren kind een chromosoomafwijking zoals het Downsyndroom heeft. Voor sommigen is het einde van het lijden van gehandicapte kinderen eindelijk in zicht, terwijl anderen de maatregel een vorm van eugenetica noemen, ‘vermomd in de schaapskleren van menslievendheid’.

 

15 miljoen euro trekt minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD) uit om jaarlijks 100.000 NIP-testen terug te betalen. NIPT is een niet-invasieve test om chromosomale afwijkingen bij een foetus op te sporen. De test wordt uitgevoerd op een bloedstaal en geeft 99,8 procent zekerheid of het ongeboren kind een zogenaamde ‘trisomie-afwijking’ heeft. “De bekendste afwijking is trisomie 21 of het Downsyndroom”, zegt Jean-Jacques Cassiman, wereldvermaard genetica-expert. “Trisomie 21 krijgt nu de meeste aandacht, maar NIPT spoort ook trisomie 18 of het Edwardssyndroom op en trisomie 13 of het Patausyndroom. Al twee jaar staat de test in onze acht genetische centra in België ter beschikking van zwangere vrouwen en nu krijgt iedereen er toegang toe. Dit is dus een belangrijke beslissing. NIPT is intussen ook geëvolueerd, waardoor er nog veel meer dan die drie chromosoomafwijkingen mee opgespoord kunnen worden. Een NIP-test brengt soms afwijkingen aan de oppervlakte waar in eerste instantie niet naar gezocht werd. Zo werd in het UZ-Leuven bij toeval dankzij NIPT in een vroeg stadium kanker bij een zwangere vrouw ontdekt.”

Dat klinkt als bijzonder goed nieuws, alleen wringt volgens Cassiman net daar het schoentje. “De focus ligt nu op het Downsyndroom, terwijl het over zoveel meer gaat. Meer dan ooit is het dus noodzakelijk dat iemand met kennis van zaken alle resultaten en mogelijke consequenties kan duiden. ‘Hoe ernstig is die chromosoomafwijking op korte of lange termijn?’ Dat moet heel goed aan toekomstige ouders uitgelegd worden. Die mensen moeten beseffen dat het niet is omdat een NIP-test negatief is dat hun kind gegarandeerd vrij zal zijn van alle mogelijke afwijkingen. NIPT is veel complexer dan een doorsnee vaderschaps- of dna-test. We moeten ons er ook van bewust zijn dat NIPT de eerste stap is in het opsporen van nog veel meer bij een ongeboren kind. De benadering van genetici was altijd: mensen zoveel mogelijk informatie geven zodat ze bewuste keuzes kunnen maken. Ouders moeten met kennis van zaken beslissen of ze een kind houden of de zwangerschap afbreken. Door de maatregel van minister De Block zal er nu een staal genomen worden dat naar een labo gestuurd wordt, waarna de behandelende huisarts of gynaecoloog het resultaat krijgt. De redenering is dat niet alleen de genetische centra, maar ook andere labo’s die test kunnen uitvoeren. Dat klopt, alleen zorgen zij niet voor de juiste omkadering. Er wordt van uitgegaan dat aan de hand van het resultaat van het labo de huisarts of gynaecoloog alles haarfijn uit de doeken kan doen. Het spijt me, maar bij de meeste huisartsen en gynaecologen is de kennis over dat soort zaken beperkt, net omdat het allemaal zo nieuw is. Ik heb het dan niet over Down, maar over alle andere opspoorbare afwijkingen. De meeste ervaring zit bij onze acht genetische centra. Zij verrichten uitstekend werk en hebben veel ervaring met NIPT. Nu wordt dat helemaal opengebroken. Dat is niet meer of minder dan spelen met de toekomst van kinderen. Want vandaag zijn er al ouders die geen kind willen met een hazenlip en hun toevlucht nemen tot abortus. Wat wordt de volgende stap?”

 

Weldaad

Hendrik Cammu, gynaecoloog en professor aan de VUB, vindt de gratis NIP-test een uitstekende zaak. “Voortaan kan elke vrouw haar ongeboren kind testen op het Downsyndroom. Dat is toch een heel sociale maatregel die de gelijkheid bevordert? Wie niet tot de risicogroep behoorde, betaalde tot nu 290 euro. Dat wordt vanaf 1 juli 8,68 euro en de risicopatiënten betalen niets. Mensen krijgen ook de kans om hun foetus met Down te laten aborteren. Ik vind dat ethisch verantwoord. Het Downsyndroom komt relatief vaak voor: de kans is 1 op 600. Jarenlang werden er in België ongeveer 50 kinderen met Down geboren. Nadat NIPT een paar jaar geleden voorzichtig zijn intrede deed, daalde het aantal tot 40 per jaar. In 2016 kwamen we uit op 30. De tendens is dus duidelijk. Nu de NIP-test voor iedereen toegankelijk wordt, eindigen we waarschijnlijk onder de tien pasgeboren baby’s met Down. In de nabije toekomst zullen enkel nog Down-kinderen geboren worden bij zwangere vrouwen die zich niet laten screenen. Of bij vrouwen die zich hebben laten testen en hun kind willen houden.”

Het syndroom van Down wordt dus iets zeer uitzonderlijks? “Ja. Het is niet ondenkbaar dat ouders met een Down-kind daardoor de afwijzing van de anderen zullen moeten ondergaan. Maar dat mogen we nooit tolereren, zelfs al zijn er maar twee gevallen per jaar. Integendeel, we moeten hen blijven steunen met aangepaste infrastructuur en sociale wetgeving.”

Ook moraalfilosoof Etienne Vermeersch heeft woorden van lof voor de gratis NIP-test. “De weldaden van de test zijn zo overweldigend dat mogelijke bijkomstige omstandigheden daar niet tegenop wegen”, vindt hij. “Voor de meeste mensen is het een zeer grote catastrofe als hun kind geboren wordt met het Downsyndroom. Natuurlijk zijn er verschillende gradaties, maar dat neemt niet weg dat die ziekte voor elke ouder een zwaar probleem is. Natuurlijk leren sommigen daarmee leven; vroeger hadden mensen geen keuze. Hun kind met Down kwam onverwacht en ze moesten er maar het beste van maken. Het is veel beter als je vooraf weet of je ongeboren kind Down heeft. Je kunt je dan perfect door je huisarts laten inlichten over de gevolgen. De meeste mensen gaan vervolgens over tot abortus.”

Etienne Vermeersch schat het aantal genetische ziekten op drie à vierduizend. “Die staan allemaal netjes opgelijst. Een belangrijk aantal is zeer zeldzaam, maar een ander deel is algemeen erkend als sterk nadelig voor het individu. Dat wil dus zeggen dat die ziekten ook sterk nadelig zijn voor de ouders die voor dat individu moeten zorgen. Het wegwerken van zaken die iedereen als een zware handicap beschouwt, is geen idealisering van het kind of het nastreven van een volmaakt kind. Het is niet meer of minder dan streven naar een normaal kind zonder zware handicap. Hoe vroeger we in de zwangerschap alle zware handicaps de wereld uithelpen, hoe beter. Natuurlijk kunnen we mensen daar niet toe dwingen, maar de mentaliteit zal evolueren. Ze zullen tot het besluit komen: ‘Laat die handicap aan mij en aan mijn kind voorbijgaan.’”

Er zullen dus steeds minder ouders een kind met Down krijgen? “Ja. Het is dan ook onvermijdelijk dat die ouders zich alleen zullen voelen. Maar zolang die ziekte bestaat, moeten ouders en hun kinderen geholpen worden. Hoe minder mensen met Down er zijn, hoe makkelijker het wordt om ze nog beter te helpen en begeleiden. We hopen dat ze uiteindelijk zullen uitsterven.”

 

Maatschappelijke druk

“Etienne Vermeersch weet niet wat het Downsyndroom inhoudt”, zegt Babs De Wacker, mama van Maxim, een jongen van acht met Down. “Misschien moet de professor eens langskomen op een van de bijeenkomsten van de vereniging Downsyndroom Vlaanderen, dan kan hij met eigen ogen zien tot wat onze kinderen in staat zijn. Mijn zoon Maxim is gelukkig en heeft plezier in het leven. Twee andere van onze kinderen zijn hoogbegaafd, net als Maxim vallen ook zij ‘buiten de norm’. Zijn zij wel welkom op de wereld omdat ze iets hoger scoren qua IQ en is Maxim dat niet omdat hij lager scoort? Wij zijn supertrots op àl onze kinderen. Maxim bezit een natuurlijke empathie waar iedereen veel van kan leren. Dat is toch belangrijker dan het juiste IQ?”

Babs was een twintiger toen ze zwanger was van Maxim. “Ik liet me testen met de klassieke combinatietest en alles leek in orde. Bij de geboorte bleek dat Maxim het syndroom van Down had. We raakten daar nooit door in zak en as. Zelfs als we het op voorhand hadden geweten, was Maxim welkom geweest.”

De gratis NIP-test vergroot volgens Babs De Wacker de maatschappelijke druk. “Zo goed als elke zwangere vrouw zal zekerheid willen of haar ongeboren kind Down heeft. Ik begrijp niet waarom die test gecommercialiseerd wordt en uit de universitaire centra is weggehaald. Van alle chromosomale afwijkingen die NIPT kan opsporen, is Down het minst erge. En toch ligt nu de nadruk op dat syndroom. Waarom wordt enkel daarop gefocust, terwijl trisomie 18 of 13 veel ernstiger zijn? Waarom wordt de spot gericht op kinderen die gelukkig en gezond zijn? Onze kinderen hebben veel capaciteiten en er is ondertussen zoveel medische vooruitgang geboekt dat de meeste mensen met Down gezond zijn. Sommigen hebben nog een hartafwijking, die perfect geopereerd kan worden. Buiten een licht mentale achterstand is er niks mis met Maxim. Hij is zeer zelfstandig. Ik beweer niet dat hij later ooit zijn belastingsbrief zal kunnen invullen, maar in Nederland halen jongvolwassenen met Down nu hun rijbewijs.”

 

Rassenhygiene

Willem Lemmens is hoogleraar ethiek aan de Universiteit Antwerpen. “Er is geen enkele reden om aan te nemen dat kinderen met Down ongelukkig zouden zijn”, zegt hij. “Toch hoor je soms beweren dat ze geen levenskwaliteit hebben. Ik vermoed dat wij eerder vanuit ons eigen perspectief aannemen dat ze lijden. Terwijl kinderen en volwassenen met Down vaak zeer gelukkig zijn.”

Professor Lemmens vindt het goed dat de NIP-test voortaan voor iedereen toegankelijk is. “Op voorwaarde dat er geïnvesteerd wordt in het verstrekken van degelijke informatie én in zorg voor kinderen met Down. We hebben dat al decennialang gedaan, het zou merkwaardig zijn als daar nu plots op bezuinigd wordt.” Toch maakt Willem Lemmens zich zorgen. “We willen ons tegen allerlei risico’s, onzekerheden of onvolmaaktheden indekken. Hebben we er eigenlijk al eens grondig over nagedacht wat dat op termijn betekent? Stel dat we in de nabije toekomst bij ongeborenen ook erfelijke aanleg voor mogelijke psychische afwijkingen of bepaalde vormen van kanker kunnen opsporen. Ik vrees dat we te weinig nadenken over wat we met die kennis dan zullen aanvangen. Zou jij een genetisch paspoort willen waarin een aantal voorspellingen over je medische toekomst staan? ‘De kans dat je binnen vijftien jaar longkanker krijgt, is 75 procent.’ De meeste volwassenen willen dat liever niet weten. Wil je dat als ouder wél weten over je kind dat nog geboren moet worden? Een kind krijgen is altijd een onzeker avontuur; dat maakt het net zo boeiend. Ondertussen proberen we via de wetenschap daar steeds meer controle over te krijgen. Maar het is een illusie om te geloven dat we ons tegen alle onzekerheden van het leven kunnen verzekeren. Meer nog: dat is een gevaarlijke gedachte waar we tegenin moeten durven gaan.”

Vindt professor Lemmens dat we op een hellend vlak zitten richting eugenitica, de ‘verbetering van de menselijke soort’? “Eugenetica is een zeer beladen begrip. In onze Westerse samenleving loopt op dit moment nergens zo’n programma. Al omschrijven sommigen het recht van ieder individu op het soort van kinderen dat hij of zij wil wel als ‘negatieve eugenetica’. De Australische filosoof, bioethicus en transhumanist Julian Savulescu vindt dat we een ‘plicht hebben tot genetische optimalisatie’. Als je daarover begint na te denken, is dat zeer griezelig. Savulescu zegt niet meer of minder dat we ons ertoe verplicht moeten voelen om alleen die kinderen op de wereld te zetten die genetisch optimaal zijn.”

Begint dat niet heel erg op de eugenetica of Rassenhygiene van de nazi’s te lijken? Willem Lemmens: “Het grote verschil is dat de nazi’s hun collectieve programma aan de burgers oplegden. Wij leven in een liberale samenleving en we hebben nog steeds ‘vrije keuze’. Al is er wel sociale druk. Ouders die er vandaag bewust voor kiezen om hun kind met Down toch geboren te laten worden, krijgen rare blikken toegeworpen.”

 

Eenheidsworst

De Nederlandse filosoof en politicoloog Gerard Adelaar windt er in zijn pas verschenen boek De onverbeterlijke mens geen doekjes rond: we zitten op een hellend vlak, maar hebben het niet door. “De uitvinders en producenten van de NIPT hebben er alle belang bij dat hun test gebruikt wordt”, zegt hij. “Als hij dan zoals bij jullie zo makkelijk beschikbaar gesteld wordt, volgt snel een maatschappelijke norm: de samenleving verwacht gewoon van elke zwangere vrouw dat ze zich laat testen. Hoe autonoom en vrij is haar keuze dan? Wie de test links laat liggen en een Down-kind krijgt, zou het in de toekomst wel eens zwaar te verduren kunnen krijgen. ‘Misschien wordt het tijd dat je zelf voor de kosten opdraait. Je wist toch wat de risico’s waren toen je je niet liet testen?’De twee andere aandoeningen die NIPT aan het licht brengt, zijn zeer ernstig. Een daarvan heb ik in mijn eigen familie gezien. Dat kindje was vanaf de eerste dag al niet levensvatbaar. Ik beweer dus niet bij voorbaat dat de test onzinnig is, alleen wordt er geen maatschappelijk debat over gevoerd. Dat vind ik verontrustend.”

Volgens Adelaar claimt de eugenetica, ‘vermomd in de schaapskleren van de menslievendheid’, een steeds prominentere plaats in onze samenleving. “In Nederland waren er al eerder discussies over andere tests voor het opsporen van erfelijke ziekten. Universitaire medische centra wilden daar graag mee aan de slag en toekomstige ouders konden vòòr de conceptie al testen op genetische risico’s. Op het eerste gezicht wordt zo voorkomen dat er gehandicapte kindjes op de wereld komen, terwijl het in werkelijkheid eugenetica is. Het is wellicht menslievend bedoeld, ook al spelen er economische belangen mee, maar door erfelijke ziekten gaandeweg te elimineren werken we hard aan de verbetering van ons ras. Op termijn filteren we zo de mens tot eenheidsworst. Wat ‘onwenselijk’ is, moet verdwijnen en we houden één type mens over. In Denemarken en IJsland is Down zo goed als verdwenen. Dat is een vorm van rasverbetering.”

 

Prediker in de woestijn

Wilfried Gyselaers, gynaecoloog en professor fysiologie aan de universiteit Hasselt, gelooft niet dat in het nieuwe NIPT-tijdperk het Downsyndroom ten dode opgeschreven is. “Er zullen nog altijd baby’s met Down geboren worden, omdat er altijd mensen zullen zijn die dergelijke testen niet willen ondergaan”, zegt hij. “We moeten daar respect voor hebben.”

Ook Gyselaers vindt de tijd meer dan rijp voor een stevig maatschappelijk debat. “Moest er helemaal niet gescreend worden, zouden er elk jaar meer baby’s met het Down-syndroom geboren worden. Dat komt omdat vrouwen op steeds latere leeftijd zwanger worden. Het Down-risico stijgt met de leeftijd van de moeder, net als het risico op vroeggeboorte. Als we gezonde baby’s willen, moeten we vrouwen ervan proberen te overtuigen om op veel jongere leeftijd voor kinderen te kiezen. Ik leg daar al jaren de nadruk op en breng dat op congressen ter sprake, maar voel me een prediker in de woestijn. Er wordt ontzettend veel geïnvesteerd in technologie om zwangerschapscomplicaties te behandelen, terwijl ze veel makkelijker voorkomen kunnen worden. Als vrouwen van de maatschappij de toelating krijgen om tussen twintig en dertig aan de uitbreiding van hun gezin te werken en daarna verder aan hun carrière, wordt dat een zegen voor de verloskunde en de babyzorg. Moeders die op jonge leeftijd zwanger worden, hebben het meeste kans op een gezonde baby. In de verloskunde wordt nu alles op alles gezet om vroeg in de zwangerschap zoveel mogelijk genetische afwijkingen op te sporen en te verhinderen dat die kinderen geboren zullen worden. Daartegenover staan alle inspanningen die momenteel geleverd worden om extreme vroeggeboorten tot een goed einde te brengen. Daar bespeur ik dan plots een andere houding waarbij veel technieken ingezet worden om zoveel mogelijk premature baby’s in leven te houden. De laatste decennia is er tot en met nu geen daling van aangeboren handicaps vastgesteld. Er is alleen een verschuiving: vroeger ging het vooral over Down, nu gaat het over aangeboren handicaps door vroeggeboorte.”

 

Recht op leven

Pierre Mertens is pleegvader van de 27-jarige Shana, een vrouw met het syndroom van Down. Pierre’s dochter Lies werd 38 jaar geleden geboren met spina bifida, open rug. Lies overleed op 11-jarige leeftijd aan de gevolgen van een medische blunder. Pierre Mertens is actief in de Vereniging voor Spina Bifida & Hydrocephalus. “Mijn pleegdochter Shana is een van de gelukkigste mensen die ik ken”, zegt hij. “Niemand kan beweren dat de kwaliteit van haar leven onvoldoende is of dat ze ondraaglijk lijdt. Ze is ook geen last voor ons. Integendeel: ze draagt bij tot de kwaliteit van ons leven. Shana is zeer zelfstandig, gaat alleen naar haar werk, neemt de bus en gaat soms iets drinken op café. Of ik me zorgen maak over hoe het later met haar verder moet als wij er niet meer zijn? Natuurlijk, maar ik maak me soms ook zorgen over mijn kinderen zonder handicap. Shana’s toekomst bereiden we goed voor. Ik ben er zeker van dat mensen die een kind met Down hebben laten aborteren, twee keer moeten slikken als ze Shana zien.”

Is Pierre Mertens een pro-lifeactivist? “Nee en ik ben ook niet katholiek. Ik spreek vanuit het mensenrechtenperspectief. Ook wie ‘anders’ is heeft recht op leven. Ik heb zeer veel respect voor vrije keuze. Maar je kunt pas vrij kiezen als je volledig geïnformeerd bent. Zo pleit ik er al lang voor om mensen met spina bifida of hun ouders te betrekken bij informatiegesprekken. De informatie die artsen over spina bifida geven, is vaak gekleurd. Het lijkt dan alsof de moeder een monstertje zonder levenskwaliteit zal baren, terwijl mensen met spina bifida hun leven best oké vinden. Het is positief dat de NIP-test gedemocratiseerd wordt, maar ouders zouden eigenlijk al voor hun zwangerschap moeten nadenken over wat ze zullen doen als er iets met hun kind is. Dat lijkt me verstandiger dan iedereen massaal te laten testen om te weten of alles in orde is. Want dan denkt niemand op voorhand écht na over wat er moet gebeuren bij een slechte uitslag.”

Babs De Wacker vreest dat zeer veel mensen foute beslissingen zullen nemen. “Uit onwetendheid. Nu iedereen gratis op Down mag testen, zal de overtuiging groeien dat het iets heel ernstig moet zijn. Ik merk bij ouders die een baby met Down krijgen dat hun toekomstbeeld eerst vertroebeld raakt. Ze komen er snel achter dat het niet slechter wordt, maar anders. Al die ouders zijn naderhand blij dat ze het niet op voorhand wisten. Ze zijn gelukkig met hun kind. Die kans op geluk wordt mensen nu ontnomen.”

 

(c) Jan Stevens

In de wereld van nerds en techneuten heeft computerwetenschapper Pattie Maes de allures van een rockster. Technologieblad FastCompany noemt haar “one of the most influential designers in the world” en volgens het World Economic Forum is ze een “Global Leader for Tomorrow”. Haar hele carrière staat in het teken van het verbeteren van de relatie tussen ons en onze computers. Ze wil onze smartphone nog slimmer maken zodat hij uitgroeit tot onze steun en toeverlaat. “Hij zal onze dromen helpen waarmaken.”

 

28 jaar geleden verhuisde Pattie Maes (55) naar Amerika, om er aan het befaamde Massachusetts Institute of Technology (MIT) onderzoek te gaan voeren naar artificiële intelligentie. Vandaag is ze er professor Ambient Intelligence en geldt ze als een wereldautoriteit in haar vakgebied. In 2009 demonstreerde ze tijdens een inmiddels 10 miljoen keer bekeken TED Talk het systeem SixthSense, haar prototype van de huidige augmented reality-brillen.

Op dit moment werkt ze met de jonge whizzkids van haar Fluid Interfaces Group in het MIT-Media Lab aan een nieuwe, verbeterde relatie tussen mens en smartphone, laptop of tablet. Ze wil onze digitale toestellen nòg slimmer maken zodat we ermee kunnen communiceren alsof ze onze beste vrienden zijn.

“Wij bouwen aan toestellen die rekening houden met de context van de gebruikers, die hun interesses kennen, weten wat de doelen zijn waaraan ze werken en wat ze in hun leven willen veranderen”, zegt ze. “In plaats van een smartphone zal je toestel een smart coach worden die je zal helpen je doelen te bereiken en die je begeleidt om nog meer uit te groeien tot de persoon die je graag zou willen zijn. Elke smart coach zal op het lijf gesneden zijn van elk individu. Want misschien heb ik een coach nodig die mij helpt te focussen, terwijl jij snakt naar een coach die je van je slechte gewoonten afhelpt. Iedere mens heeft wel iets waar hij of zij aan wil werken, of gedrag dat hij of zij wil afleren of veranderen. Vandaag kopen we een zelfhulpboek, maken we een afspraak bij de therapeut en gaan we te rade bij een vriend of vriendin. Onze personal devices zullen in de toekomst al die rollen overnemen. Zij zullen ons helpen datgene te bereiken waar we van dromen. Wil je een taal leren? Je smartphone zal elke dag jouw taalleraar zijn. Wil je beter leren communiceren met anderen? Je smartphone toont je hoe. Daar werken wij nu keihard aan in ons Media Lab.”

 

Ik vind uw onderzoek eerlijk gezegd een beetje griezelig.

Pattie Maes: “Echt? Ik vind de huidige toestand eigenlijk ook best griezelig, hoor. Ik heb drie zonen en zij zitten continu naar het scherm van hun smartphone te turen. Ze schenken geen aandacht meer aan hun omgeving en spreken amper nog met ons. Onze digitale toestellen zijn ontzettend belangrijk geworden in ons leven en ik heb daar geen enkel probleem mee, alleen de manier waarop we ze gebruiken, laat te wensen over. Ze leiden ons af waardoor we niet langer in harmonie zijn met onze omgeving en met de mensen om ons heen. Ik wil dat radicaal veranderen en zoek daarom naar een andere manier om met onze computers om te gaan. Want of we het nu willen of niet: ze zullen een centrale rol blijven spelen in ons leven. Ik wil ervoor zorgen dat ze dat niet langer op een disruptieve wijze doen en ons niet meer van de werkelijkheid afsnijden.”

 

De moderne mens is dus geen multitasker die tezelfdertijd zijn smartphone op berichten kan checken, zijn facebookaccount op zijn tablet kan bijwerken en de conversatie aan tafel levendig kan houden?

Maes: “Nee, dat is een ernstige misvatting. De huidige smartphones en tablets zorgen enkel voor verwarring. Je kent dat wel: je zit geconcentreerd te werken en daar komt een e-mail binnen of iemand stuurt een bericht via Skype. Daar gaat je concentratie. Of je aandacht wordt via een of andere app weer ergens anders naartoe gezogen. Voor veel mensen is die digitale verstoring in hun dagelijkse leven echt problematisch. Er zijn dan twee mogelijkheden: ofwel smijten we al onze devices in de vuilbak en keren we terug naar de tijd van voor de digitalisering, ofwel veranderen we de manier waarop we ermee omgaan. Maak je geen illusies: de jongere generaties zullen hun toestellen nooit bij het oud vuil zetten. De enige aanvaardbare oplossing is dus wat wij doen: een alternatief uitwerken. Ik wil de smartphone van de toekomst uitvinden. Hij zal meer weten over wat we doen en waar we mee bezig zijn, zodat hij slimmer kan reageren, ons minder zal onderbreken op de foute momenten en ons spontaan informatie zal geven op de juiste momenten.”

 

Mijn smartphone die weet waar ik mee bezig ben, daar ook op inspeelt en reageert op wat ik zeg of doe, klinkt nogal afschrikwekkend.

Maes: “Het hangt er natuurlijk van af hoe alles uitgewerkt wordt en hoe het gepresenteerd wordt aan de gebruikers. Ikzelf ben ervan overtuigd dat het een verbetering zal zijn. Stel: ik wil vermageren en minder suiker eten. Via een app kan mijn smart coach me dan in de supermarkt begeleiden bij het aankopen van de juiste producten. Niet dwingend, maar zachtjes sturend. En als dat niet lukt, kan hij me met emotionelere boodschappen tot verstandig winkelen proberen aanporren, of op andere vriendelijke manieren trachten om mijn gedrag bij te sturen.”

 

Ik kan me voorstellen dat bedrijven én politici heel erg geïnteresseerd zijn in uw onderzoek.

Maes: “Dat is zeker zo. Elke technologie kan misbruikt worden, maar kan ook gebruikt worden om het leven van mensen te verbeteren. Ik ben heel erg gehecht aan mijn onafhankelijkheid op de universiteit. Wij zijn eerst en vooral geïnteresseerd in de belangen van de gewone mensen. Daarom is het zeer belangrijk dat wij aan de MIT dit onderzoek naar communiceren met computers voeren en het niet enkel overlaten aan Google, Apple of Microsoft.”

 

Sinds 18 augustus 2016 staat uw collega Frank Dellaert, professor robotica, op de payroll van Facebook. Hij schortte zijn academische carrière tijdelijk op om bij Facebook aan de slag te gaan in het strengbeveiligde lab Building 8. Hij is ook één van de invloedrijkste Belgen en wou zelf graag geïnterviewd worden, maar mocht niet van zijn nieuwe broodheer.

Maes: “Dat is precies één van de redenen waarom ik zo honkvast op de universiteit blijf. Wij zijn volledig vrij én onafhankelijk.”

 

Hebben de internetmastodonten u ooit veel geld aangeboden om bij hen te komen werken?

Maes: “Zeker. Een bedrijf als Google probeert voortdurend de proffen op technische universiteiten zoals Stanford, MIT en Georgia Tech ervan te overtuigen om bij hen te komen werken. Zo was Sebastian Thrun ooit professor computerwetenschappen in Carnegie Mellon en Stanford tot hij er door Google werd weggekaapt om het beruchte Google X Lab te gaan leiden waar onder andere met zelfrijdende auto’s geëxperimenteerd werd. Ikzelf heb geen enkele interesse in een overstap naar het bedrijfsleven. Mijn onafhankelijkheid is heilig.

“Voor de universiteiten wordt het langzaamaan een probleem dat al hun knappe koppen door de internetgiganten met veel dollars verleid worden. Beloftevolle studenten krijgen meteen na hun bachelor riante salarissen aangeboden. Het draait natuurlijk niet alleen om geld: voor een net afgestudeerde computerwetenschapper is het een uitgelezen kans om een groot succesvol platform zoals Facebook of Google verder te helpen uitbouwen. Veel van onze masterstudenten komen tegenwoordig uit het buitenland, want alle Amerikanen trekken direct na hun bachelor naar een internetbedrijf.”

 

Facebooks geheime project Building 8 wordt geleid door Regina Dugan, ooit baas van een militair onderzoekscentrum. Eind april lichtte ze een tip van de sluier: de wetenschappers van Building 8 werken onder andere aan lasertechnologie die het mogelijk moet maken om mensen rechtstreeks vanuit hun hersenen zinnen te laten typen. Versmelt binnenkort de mens met de technologie?

Maes: “Facebook is niet enige bedrijf dat intens met dit soort van onderzoek bezig is. Dit wordt de technologie van de toekomst, of we dat nu leuk vinden of niet. Kijk naar de geschiedenis van de computer: die machine is steeds dichter naar ons toegekomen. Het begon in de jaren zestig en zeventig met een supercomputer ergens in een speciale gekoelde ruimte waar je naartoe moest reizen als je hem wou gebruiken. Dan was er de desktop. Die stond op een bureau in een aparte kamer in het huis. Daar moest je je ook voor verplaatsen. De laptop en de smartphone zorgen er nu voor dat de computer altijd bij ons is. Dankzij de wearables zoals de smartwatch, dragen we de computer op ons lijf. De volgende stap is dat we cyborgs worden en inderdaad met de technologie zullen ‘versmelten’. Volgens de Schotse filosoof Andy Clark is dat onze logische bestemming. Hij zegt dat we altijd al naar dat doel hebben toegewerkt en dat we van in het prille begin van onze geschiedenis nooit iets anders gedaan hebben dan ons te verbeteren met behulp van technologie. Het ligt nu eenmaal in onze aard om onszelf voortdurend te vervolmaken zodat we tot steeds meer in staat zijn. Daarom ontwikkelen en bouwen we al die toestellen die ons assisteren bij zowat alle aspecten van ons leven.”

 

Tesla-baas Elon Musk is van plan om zijn brein aan een computer aan te sluiten.

Maes: “Hij wordt gedreven door dezelfde motivatie als ik. Als onze computers rechtstreeks kunnen lezen wat we willen, moeten we er veel minder mee bezig zijn en hoeven ze onze aandacht niet meer op te eisen. Maar het zal nog wel even duren voor Musk zich rechtstreeks aan een computer kan koppelen, want we staan nog maar aan het begin van de brain computer interfaces. Dit soort van nieuwe technologieën verplicht ons er trouwens toe om heel goed na te denken over de verdeling van de taken en de verantwoordelijkheden tussen ons en onze computers. In de meeste gevallen zal de computer eerder de smart coach zijn die ons dingen aanleert en bijstaat, in plaats van ons alle taken uit handen te nemen waardoor we luie donders worden.”

 

Uzelf bent bereid om een chip te laten inplanten?

Maes: “Ik had dat als grap verteld in mijn TED-talk, maar iedereen lijkt dat ernstig te nemen. (lacht)”

 

Eind vorig jaar zagen een aantal personeelsleden van een Belgisch bedrijf er geen graten in dat hun baas hen een chip liet inplanten. In tijden van terreur en angst wordt het voor overheden misschien wel heel verleidelijk om al hun burgers te chippen?

Maes: “Aan zo’n toekomst wil ik echt niet meewerken. Het moet altijd de gebruiker zelf zijn die vrij kiest met welke technologie hij zichzelf wil verbeteren en met welke niet. Hij moet ook de controle blijven hebben over zijn gegevens en privacy en over hoe die systemen werken.”

 

Dat is de theorie, maar in de praktijk vegen de grote internetbedrijven nu toch al de vloer aan met privacy en gebruikerscontrole?

Maes: “Ja, maar er komen wel tegenbewegingen op gang die de gebruiker centraal stellen en hem de keuzevrijheid geven. In Europa misschien meer dan in de Verenigde Staten, maar toch werken ook Amerikaanse instellingen, zoals de Harvard Kennedy School, aan voorstellen voor wetgeving die onze privacy moet beschermen.

“Zelf ben ik als wetenschapper heel erg begaan met de ethische kant van mijn werk. In ons Media Lab loopt een AI Ethics and Governance Project, waarin we samen met filosofen nadenken over een beleid rond digitale toestellen, gegevens en privacy. Ons Media Lab sluit zich niet af van de wereld en is interdisciplinair, met designers, psychologen en filosofen. We zijn daar uniek in. Een van de grote problemen met Facebook en de producten die zij maken, is dat ze teveel ingenieurs in dienst hebben die niet genoeg nadenken over wat de invloed op de samenleving is van al die nieuwe creaties. Ze amuseren zich te pletter met ontwerpen en staan niet stil bij de gevolgen. Het is niet gezond om alle nieuwe digitale ontwikkelingen over te laten aan enkel de computerwetenschappers. Op dit moment hebben ze echt teveel invloed op onze wereld en hoe die vormgegeven wordt. Sociale media en digitaal nieuws zijn enorm belangrijk geworden en bepalen een deel van ons bestaan. De ellende is dat dat 90 procent van de ingenieurs die de boel draaiende houden, zich nooit vragen stelt over de impact van hun werk. Ze creëren een nieuw digitaal platform waar ethische kanttekeningen bij te maken zijn, zetten dat zonder verpinken online en laten iedereen op een trein springen waarvan niemand het eindstation kent. Er wordt onvoldoende nagedacht over de maatschappelijke gevolgen van ditigale technologieën.”

 

Een van die gevolgen is een Amerikaanse president die regeert via Twitter.

Maes: “Begin daar alsjeblieft niet over. (lacht) Dat is vreselijk, maar laten we het maar niet over politiek hebben. In Europa ziet het er trouwens niet veel beter uit. Hoopgevend is misschien dat Facebook na de verkiezingen wakker geworden is. Stilaan beginnen ze over de gevolgen van hun eigen impact na te denken. Wat rijkelijk laat is, want hun invloed is enorm.”

 

Kent u de roman De Cirkel? Daarin beschrijft Dave Eggers hoe een pas afgestudeerd meisje gelooft dat ze in het paradijs terechtkomt wanneer ze aan de slag kan bij het belangrijkste internetbedrijf ter wereld. Het ultieme doel van haar ‘bevlogen’ ceo’s is: complete ‘transparantie’. Het eindigt in een nachtmerrie.

Maes: “Ja, De Cirkel heb ik heel zeker gelezen. (lacht) Die roman is voor mijn studenten verplichte lectuur. Ze moeten ook naar een reeks als Black Mirror kijken. Wij denken over alle mogelijke kwalijke gevolgen heel goed na. Maar het brengt niets op om zoals een struisvogel je hoofd in het zand te steken en te roepen: ‘Ik doe hier niet aan mee.’ Het beste wat je kan doen, is meehelpen aan die vernieuwing en zo zelf de toekomst meecreëren. Met mijn onderzoek bepaal ik mee waar we naartoe evolueren. Ik kan nu ook heel goed volgen waar Facebook en Google mee bezig zijn en probeer hun vernieuwingen te beïnvloeden.

“Sinds een paar jaar is artificiële intelligentie of AI booming science, met de ontwikkeling van neural networks, kunstmatige zenuwnetwerken die kunnen ‘leren’ en daardoor tot dingen in staat zijn die nog niet zo lang geleden totaal onmogelijk waren. Eerst was er de angst dat die neural networks heel wat jobs overbodig zouden maken. Maar de laatste tijd groeit de concensus dat AI mensen bij hun werk kan helpen in plaats van het te vernietigen. Kent u het begrip human-in-the-loop artificial intelligence? Een mens en een AI-systeem werken dan samen. Denk aan een dokter die gebruik maakt van AI om een nog betere en preciezere diagnose te stellen.”

 

U bent niet bang dat onze omgeving door al die technologie kouder en onpersoonlijker wordt?

Maes: “Dat hoeft niet. Als die systemen zo ontworpen zijn dat de mens en de relatie met zijn medemens centraal staat, wordt het misschien minder koud dan vandaag. Nu zit iedereen op de trein of de bus op zijn eigen gsm te tokkelen. Stel dat je gsm zo ontworpen is dat hij je in contact brengt met iemand in jouw rijtuig die dezelfde interesses koestert. Zou dat niet fijn zijn? Het zou best wel eens kunnen dat al die nieuwe systemen muren tussen mensen slopen, waardoor we meer in harmonie raken met onze omgeving.”

 

Oxfordfilosoof Nick Bostrom geloofde ooit net als u dat AI en technologie de mens konden verbeteren. Nu waarschuwt hij voor machines die zo slim geworden zijn dat niemand ze nog onder controle kan houden. Met een superintelligente computer is de apocalyps volgens hem heel dichtbij.

Maes: “Wetenschappers die écht met AI bezig zijn en de materie door en door kennen, hebben daar geen schrik voor. Want AI-systemen zijn sterk begrensd in wat ze kunnen. In één welbepaald ding zijn ze uitzonderlijk goed, maar vraag ze niet om ook nog iets anders te ondernemen, want dan haken ze af. Een AI-systeem dat goed met de auto kan rijden, heeft geen kaas gegeten van het stellen van medische diagnoses. Ik geloof niet in dat schrikbeeld van superintelligente machines die zich tegen ons keren. Dat is onvervalste sciencefiction.”

 

Als computerwetenschapper bepaalt u nu mee de toekomst van de mensheid. Geeft u dat een gevoel van macht?

Maes: “Nee, ik ben helemaal niet hongerig naar macht. Ik vind het gewoon heel boeiend om over dat soort van problemen na te denken. In mijn omgeving wordt onze toekomst vooral uitgestippeld door mannelijke ingenieurs. Als vrouwelijke computerwetenschapper kijk ik misschien met een andere blik naar de digitalisering en kan ik ook andere ideeën in de groep gooien. De computerwetenschappen hebben dringend een grote feministische golf nodig. Ik wil niet veralgemenen, want er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen, maar meisjes en vrouwen denken volgens mij meer na over de invloed van de digitalisering op onze relaties en ons leven. Mannen zijn dan weer meer geïnteresseerd in de technologie en de gadgets. Het zou heel goed zijn als meer meisjes informatica zouden gaan studeren.”

 

Internetgoeroes stellen digitale disruptie vaak voor als iets positiefs, terwijl het bij veel mensen voor vervreemding zorgt.

Maes: “Zoals met alle technologieën zijn er aan de digitalisering enorme voordelen verbonden, maar ook serieuze nadelen. Sommige nadelen zijn gevolgen van verkeerde beslissingen uit het verleden. Die moeten we veranderen of verbeteren. Maar dankzij het internet en de smartphones is informatie nu voor iedereen op elk moment toegankelijk. Dat kan toch niet anders dan voor een enorm democratiserend effect zorgen? Het internet maakt het mogelijk om in landen waar geen persvrijheid heerst alternatieve stemmen aan bod te laten komen. En vandaag kan iedereen zijn creativiteit op datzelfde internet botvieren. Al wie dat wil, kan een film maken, een boek schrijven of muziek opnemen en dat wereldwijd met iedereen delen.”

 

Van wijlen Steve Jobs wordt gezegd dat zijn kinderen niet met een tablet mochten spelen. 

Maes: “Ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Mijn jongste zoon is twaalf en ik beperk zijn tabletgebruik ook. Hij mag enkel op een creatieve manier bezig zijn met een computer. Hij speelt geen spelletjes, maar maakt ze zelf. Ik leer hem aan om zelf dingen te creëren en beschikbaar te maken voor anderen, in plaats van als een passieve couch potato de creaties van anderen te consumeren.”

 

Volgens de Duitse psychiater Manfred Spitzer ontwikkelen kinderen die teveel met tablets bezig zijn een vorm van dementie.

Maes: “Dat soort van uitspraken neem ik met een flinke korrel zout. Toen de radio geïntroduceerd werd, dachten de ouderen ook dat het einde nabij was. Ik kan mij geen leven zonder computer meer voorstellen. Stel dat er morgen een bom valt die onze moderne infrastructuur vernietigt: kan u dan uw eigen groenten kweken, uw koeien slachten en uw kippen pluimen? Of zelf uw auto repareren? Ik dacht het niet. (lacht) We zijn afhankelijk van technologie: dat is precies wat ons tot mens maakt en onderscheidt van andere dieren. Technologie geeft ons meer vrijheid, zodat we niet langer 24 uur per dag bezig moeten zijn met het verzamelen en kweken van ons eigen voedsel.”

 

Waarom ging u in 1979 computerwetenschappen studeren? Computers waren toen allesbehalve hip.

Maes: “Per toeval. (lacht) Op mijn 18e kon ik niet beslissen wat ik wou studeren. In die periode woedde er een economische crisis in België en raakte zo goed als niemand na zijn studies aan werk. Eigenlijk twijfelde ik eerst tussen architectuur en biologie, twee totaal verschillende richtingen. De VUB startte op dat moment met de allereerste opleiding informatica in België. Ik was niet echt geïnteresseerd in computers, maar zag die richting als een springplank om misschien ooit andere dingen te gaan doen. Maar van zodra artificiële intelligentie ter sprake kwam en het over de relatie tussen mensen en computers ging, was ik verkocht. Die fascinatie is nooit meer verdwenen.”

 

(c) Jan Stevens

In de VS kennen ze Ingrid Daubechies als een van de grootste wiskundigen van deze tijd. Bij ons herkennen sommige Limburgers haar achternaam als die van een uitkijkpost bovenop een toren. Terwijl het dankzij haar is dat u uw selfie vanop die toren op Facebook kunt plaatsen. Nastreven van macht, is aan haar niet besteed. “Ik wil geen verzuurde, wantrouwige prof worden en werk liever wereldwijd samen met anderen.”

 

Sinds het najaar van 2012 kunnen de inwoners van Houthalen-Helchteren vanop de hemelsblauwe toren van hun futuristische nieuw administratief centrum hun eigen woonplaats bewonderen. Het uitkijkpunt bovenop de toren heet ‘Het Oog van Daubechies’, als eerbetoon aan één van de nog levende beroemdste inwoners van de gemeente. Alleen weet zo goed als niemand in Houthalen-Helchteren en verre omstreken wie die illustere ‘Daubechies’ dan wel mag zijn. In de Verenigde Staten daarentegen kennen ze Ingrid Daubechies (62) als een van de grootste nog levende wiskundigen. Van 1991 tot nu is ze verbonden aan gerenommeerde Amerikaanse universiteiten: eerst Rutgers, dan Princeton en last but not least Duke university. De Amerikanen beschouwen haar al lang als one of them. Dankzij Daubechies’ vernuftige rekenwerk kunnen u en ik naar hartenlust Instagrammen en Netflixen. Haar belangrijkste verwezenlijking tot hiertoe is de ‘Daubechies wavelet’, een wiskundige beschrijving van een golfbeweging die gebruikt wordt voor beeldcompressie. Voor de nerds onder u: haar theoretische werk vormt de basis voor JPEG 2000. Die compressiestandaard voor digitale beelden zorgt ervoor dat het wereldwijde web niet fataal crasht onder het gewicht van de miljarden terrabytes aan foto’s die elke dag worden geüpload.

“Ook zonder mijn werk kun je hoogstwaarschijnlijk nog naar een reeks op Netflix kijken of foto’s via internet versturen”, zegt ze bescheiden. “Al klopt het wel dat voor beldcompressie meestal JPEG 2000 gebruikt wordt. Maar digitale beelden kunnen ook nog op andere manieren gecomprimeerd worden. Alleen bleek de methode die op mijn werk gebouwd is, de meest efficiënte te zijn. Ik vermoed dat andere wetenschappers me ‘invloedrijk’ vinden door mijn denkwerk over wavelets.”

 

Wat heeft u dan precies bedacht?

Ingrid Daubechies: “Ik heb een wiskundig kader uitgetekend om signalen en beelden te ontbinden. Dat klinkt theoretisch, maar die methode maakt wel zeer interessante toepassingen mogelijk, zoals die beeldcompressie voor het internet. Mijn verdienste is vooral dat pure wiskundige model, al verloor ik tijdens het denken en puzzelen nooit mogelijke praktische toepassingen uit het oog. Heel wat collega’s twijfelden eraan of mijn bevindingen verenigbaar waren met wat al bestond. Ik slaagde erin alles aan elkaar te koppelen en heb dat ook helemaal uitgewerkt. Ik was zo blij toen ik merkte dat ik op het juiste spoor zat; dat gaf me een echte kick.”

 

Had het iets verslavends?

Daubechies: “Wiskunde is altijd verslavend. (lacht) Na weken van steeds intenser puzzelen zie je plots tòch iets. Is dat niet fantastisch? Je vindt jezelf dan zo dom omdat je het niet eerder doorhad. Dat zorgt voor een zalige voldoening waar ik altijd lang van probeer te genieten.”

 

Voor een rekenkundige nitwit zoals ik lijkt wiskunde iets gigantisch abstracts.

Daubechies: “Dat is het ook. Iedereen, ook u, denkt abstract. We zijn daar zo aan gewend geraakt, dat we er niet meer bij stilstaan. Zo vinden wij het heel gewoon dat een getal nauwkeuriger wordt, naarmate we meer cijfers achter de komma schrijven. Griekse wiskundigen konden dat amper bevatten: zij vonden dat principe ongelooflijk moeilijk en abstract. Terwijl onze kinderen dat bij wijze van spreken al spelend leren op de lagere school. Wiskundigen zoals ik vinden kaders uit en bouwen verder op wat hun voorgangers ontwikkeld hebben. Heel wat van dat louter abstracte werk dient later als basis voor veel praktische zaken.”

 

Is wiskunde voor u ook een manier om zin in uw leven te brengen of er zin aan te geven?

Daubechies: “Iedereen wil zin aan zijn leven geven, maar ik weet niet of één welbepaalde discipline zoals de wiskunde daarvoor volstaat. Mijn werk is voor mij heel zinvol, maar niet alleen omdat ik er intellectueel voldoening uit haal. Ik vind het even zinvol om les te geven en doctoraatsstudenten te begeleiden en te helpen bij de uitbouw van hun carrière. Mijn leven is veel meer dan enkel dat theoretische onderzoek. Artikels schrijven vormt voor u toch ook niet de kern van uw bestaan? Het is toch enkel een manier om geld mee te verdienen? Ik verdien mijn brood met toegepaste wiskunde. Ik beleef ontzettend veel plezier aan mijn werk en ik word er nog voor betaald ook. Als ik er niet van zou kunnen leven, deed ik waarschijnlijk iets anders.”

 

U kunt zich dus een bestaan zonder wiskunde indenken?

Daubechies: “Dat nu ook weer niet. (lacht) Ik ben ondertussen al zo lang met wiskunde bezig, dat ik het best wel zal missen als het ooit stopt. Ik vraag me continu af hoe de dingen in elkaar zitten. Als ik merk dat er iets niet helemaal klopt, denk ik: ‘Tiens, hoe kan dat nu?’, waarna ik op zoek ga. Mijn vrienden en kinderen vinden dat ik daar een tikkeltje in overdrijf, maar zo zit ik nu eenmaal ineen.

“Of de wiskunde me gelukkig maakt? Het grootste deel van de tijd voel ik me momenteel gelukkig dankzij de medicatie. Ik kamp met chronische depressie, mijn leven verloopt daardoor niet altijd even voorspoedig. Ik mag blij zijn dat de dokters de antidepressiva gevonden hebben die mij helpen. Die medicatie zorgt voor een wereld van verschil. Maar ik ontdekte die pillen pas op mijn veertigste, want ik was opgevoed in de overtuiging dat depressie aan mezelf lag, aan mijn persoonlijkheid.”

 

Omdat u zogezegd een zwakkeling was?

Daubechies: “Precies. Dus begon ik laat aan medicatie, en enkel op voorwaarde dat ik er na een tijd mee kon stoppen. Twee jaar later was ik beter en bouwde ik onder begeleiding van de dokter de pillen af. Drie maanden nadat ik gestopt was, zat ik weer op de bodem van die gitzwarte put. Ik ben terug antidepressiva beginnen innemen en zei tegen mezelf: ‘Dit nooit meer.’ Sindsdien slik ik elke dag mijn pil. Ik praat vrijuit met mijn studenten over mijn depressie en wil hen zo sensibiliseren. Ik vertel hen dat ze een periode tegemoet gaan waarin ze keihard zullen werken, en dat het dan soms emotioneel lastig kan zijn. Want als je problemen probeert op te lossen en de oplossingen niet vindt, voel je je niet goed in je vel. Ik zeg tegen mijn studenten dat ze hulp moeten zoeken van zodra ze bij zichzelf merken dat er iets serieus aan het misgaan is. Ook dat is invloed uitoefenen.”

 

Is invloedrijk zijn in uw vakgebied hetzelfde als er macht in hebben?

Daubechies: “Ik vind dat toch heel verschillende dingen. Ik gebruik mijn invloed om mensen ervan te overtuigen dat wiskunde iets goed en nuttig is, en dat het belangrijk is dat kinderen het op school te leren krijgen. Vooral voor kansarmen kunnen de wetenschappen een opstap zijn naar een beter bestaan. Ook wie in de wetenschap niet tot de absolute top behoort, kan er goed zijn brood mee verdienen. Dat is toch anders in de wereld van de sport of het entertainment. Veel jonge mensen in de getto’s in Amerikaanse steden dromen van een carrière in het basket of op tv. Maar enkel de toppers boeren goed; voor alle anderen is het huilen met de pet op.

“Ik gebruik mijn invloed om het wiskundeniveau in het onderwijs in ontwikkelingslanden op te krikken. Alleen zo kunnen we vermijden dat de beste studenten wiskunde er door buitenlandse universiteiten weggeplukt worden. Want misschien groeien ze uit tot uitstekende wiskundeleraars die op hun beurt ingenieurs helpen opleiden die het land welvarender maken. Maar macht heb ik nooit nagestreefd en ik ben helemaal geen machtsmens. Ik leg niemand iets op; ik streef consensus na.”

 

Bent u ooit gevraagd door de Facebooks en Googles van deze wereld om bij hen te komen werken in ruil voor veel geld?

Daubechies: “Ik heb voorstellen van headhunters gekregen, maar ben daar nooit op ingegaan. Een aantal van mijn studenten werkt nu wel bij Google, Twitter én Facebook. Ik probeer al mijn studenten ertoe te bewegen om het beste uit zichzelf te halen. Ze zijn allemaal zo verschillend en sommigen hebben schitterende carrières uitgebouwd. (Trots:) Studenten van mij zijn nu prof aan de universiteiten van New York, Michigan, British Columbia, Austin, California. Op heel wat plaatsen zitten oud-studenten. Ik heb meer dan dertig doctoraatsstudenten begeleid. Dat is ook een vorm van invloed.”

 

Werkt u rechtstreeks samen met bedrijven?

Daubechies: “Ik heb daar geen bezwaar tegen, maar zelf ben ik niet actief als consultant. Ik verdien genoeg aan de universiteit en hoef dus niet te schnabbelen. Die paar keer dat ik me wel tot consulting heb laten verleiden, was puur uit interesse over het vraagstuk. Ik moet niet rijk zijn en wil niet gedreven worden door winstbejag. Ik heb nooit een patent op mijn vondsten genomen omdat ik nooit zelf van plan was om een bedrijf op te richten. Een patent is ideaal om je nieuwe idee te beschermen terwijl je een onderneming uit de grond aan het stampen bent. Maar ik heb nooit die ambitie gevoeld om als prof ook ondernemer of manager te worden, want dan volstaan niet langer enkel mijn ideeën, maar moet ik ook mensen aannemen en ontslaan. Ik kan niemand aan de deur zetten; ik kweek daar een maagzweer van.”

 

U hebt het patent niet links laten liggen uit ‘ideologische overwegingen’, omdat u vindt dat patenten een rem op de wetenschappelijke ontwikkeling zetten?

Daubechies: “In sommige gevallen remmen patenten zeker de wetenschap af, maar in de wiskunde hebben patenten sowieso niet veel zin omdat ze altijd wel te omzeilen zijn. Het is moeilijk om een patent op een wiskundig idee zo te schrijven dat heel dat idee integraal beschermd wordt. Er zijn collega’s die dat ooit geprobeerd hebben, maar ze kwamen zo goed als altijd van een kale reis terug. Ik wil niet de rest van mijn leven met haviksogen zitten toekijken of iemand mijn patent zonder betalen probeert te recupereren. Ik wil geen verzuurde, wantrouwige prof worden en werk liever wereldwijd samen met anderen. Dat is soms heel aangenaam, zeker als je elkaar wat beter leert kennen en het is gewoon ook veel efficiënter. Mensen denken op verschillende manieren en al die denkwijzen samen leveren vaak schitterende resultaten op.”

 

Een wiskundige bolleboos zoals u zit dus niet de hele dag opgesloten in zijn of haar eigen hoofd?

Daubechies: “Dat geldt zeker niet voor mij en ik merk dat ook jongere wiskundigen graag uit hun cocon breken. In het verleden was het zeker zo dat wiskundigen hun wetenschappelijke artikels in hun eentje schreven; vandaag zie ik steeds meer wiskundeartikels verschijnen ondertekend door meerdere auteurs. Bovendien is het mijn ervaring dat wiskundigen veel meer met elkaar praten en elkaars domein beter kennen dan humanisten. Een academicus die gespecialiseerd is in 17de-eeuwse Duitse poëzie weet totaal niks over 15de-eeuwse Duitse poëzie. In de wiskunde is zoiets onvoorstelbaar. Collega’s uit de letteren en wijsbegeerte zijn einzelgangers. Samenwerken vinden ze des duivels. Ze zeggen dan: ‘Wij leggen een persoonlijke intellectuele weg af.’ Tja, dat geldt ook voor ons: wij, wiskundigen, leggen ook ‘intellectuele wegen’ af. Natuurlijk loopt een deel van mijn weg door mijn hoofd, maar dat neemt niet weg dat ik erover kan praten met anderen.”

 

Zijn er nog veel mensen met wie u over de finesses van uw werk kunt praten? Want u zit op zo een hoog niveau dat ik me kan voorstellen dat niet alle collega’s nog met u mee zijn?

Daubechies: “Met mijn studenten kan ik er nog altijd over praten, hoor. In een gezelschap van niet-wiskundigen voel ik nooit de behoefte om over mijn werk te beginnen. Ik luister graag naar wat zij mij te vertellen hebben, dan leer ik nog iets bij. Wat ik weet, weet ik. Daar hoef ik niet meer over uit te wijden.”

 

Wordt het niet moeilijker om de lat steeds hoger te leggen?

Daubechies: “Ik leg de lat niet hoger; ik zoek gewoon andere problemen en leg nieuwe latten om over te springen. Op dit moment zoek ik wiskundige oplossingen voor verschillende problemen die soms heel praktisch van aard zijn. Zo werk ik samen met paleontologen aan een geautomatiseerde manier om beenderen en tanden met elkaar te vergelijken. In hun dagelijks werk verliezen die paleontologen veel tijd aan meten en berekenen. Als we erin slagen om hun saaie werk te automatiseren, hebben zij meer tijd vrij voor creatieve research. Ik werk ook nauw samen met kunsthistorici en museumconservatoren rond de analyse van oude schilderijen met digitale beeldverwerkingstechnieken. Ik investeer ook nog flink wat tijd in een paar zuiver wiskundige projecten, maar ik ben bang dat ik die niet uitgelegd krijg aan iemand die van wiskunde geen kaas gegeten heeft. (lacht)”

 

Wanneer wist u dat uw toekomst in de wiskunde lag?

Daubechies: “Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in hoe alles ineen steekt en in het maken van berekeningen. Zolang ik me kan herinneren, vraag ik me af waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Als kind redeneerde ik al door, en dat had niet altijd met wiskunde te maken.”

 

U redeneert door over alle aspecten van het leven?

Daubechies: “Ja, tenminste over die aspecten van het leven waarvan de feiten helder zijn. Mijn sociale intelligentie is iets minder dan gemiddeld, denk ik. Ik heb niet altijd door wat de drijfveren van mensen zijn als ze het niet zeggen.”

 

U merkt de verborgen agenda’s niet altijd?

Daubechies: “Nee. Voor iemand die in de academische wereld werkt, is dat soms heel vervelend. Want er is blijkbaar toch wel wat nijd en afgunst. Heel af en toe krijg ik in de gaten dat iemands bedoelingen niet helemaal koosjer zijn; dan stap ik meteen op om me met iets zinvols bezig te houden.”

 

Voelt u zich in Amerika als een vis in het water?

Daubechies: “Ik ben Amerikaans staatsburger en heb de dubbele nationaliteit. Ik breng hier ook mijn stem uit. Ik vind de Amerikaanse politiek erg belangrijk en tegenwoordig ook zeer verontrustend. Tijdens de laatste presidentsverkiezingen voerde ik actief campagne voor Hillary Clinton. Meer mensen stemden voor Hillary dan voor Donald Trump, en toch verloor ze. Weet u wat ik het stuitendste vond? Al die misprijzende en haatdragende taal die de hele tijd tijdens de campagne gespuid werd. Dat heeft mij diep geschokt, ik ben er nog altijd niet goed van.

“Ik ben opgegroeid in Houthalen en heb een andere ingesteldheid dan de Amerikanen die hier geboren en getogen zijn. Ik groeide op in een klein land dat geprangd ligt tussen een heleboel andere landen. Amerikanen zijn het gewoon om burger te zijn van een immens rijk. Hun ingesteldheid is anders. Soms mis ik het het gewone Belgisch dagelijkse leven en ik mis ook sommige vrienden. Mijn allereerste verblijf in de VS duurde twee jaar, om er te werken aan mijn postdoc. Toen ik naar België terugkeerde, beleefde ik een cultuurschok. Ik ontdekte dat het leven in Amerika me beter leek te bevallen dan het Belgische waarmee ik was opgegroeid. Ik voelde me niet echt meer thuis in mijn eigen land. Het leek alsof ik in de VS écht uit de baarmoeder gekropen was. Moest elke prille twintig voor een paar jaar naar een andere plek in de wereld verhuizen, zouden er nu een pak minder problemen zijn. Want mensen zouden zich veel makkelijker kunnen inleven in de situatie van iemand anders.”

 

Keert u ooit terug naar België?

Daubechies: “Ik denk het niet. Voorlopig stop ik niet met werken, want ik heb een grand die pas afloopt op mijn 67e. Mijn twee kinderen wonen hier, mijn zoon is pas getrouwd, mijn kleinkinderen zullen in Amerika leven, dus blijf ikzelf hoogstwaarschijnlijk ook. Mijn hart ligt bij mijn gezin en niet in een of ander land.”

 

(c) Jan Stevens

Sinds 2009 trekt de gepensioneerde Duitse dominee Renate Ellmenreich (67) zich het lot aan van Nigeriaanse vrouwen wier man vermoord is door Boko Haram. Met haar organisatie Widows Care bouwt ze huizen voor de weduwen en helpt ze hen met het opstarten van hun eigen zaak. “Ik kan de wereld niet veranderen, maar ik kan wel proberen iets voor hen te betekenen.”

renate el

Pfarrerin Renate Ellmenreich is net terug uit Nigeria. De dominee ontvangt ons in haar flat in het gerenoveerde Oberförstereigehöft, het grote oude boswachtershuis van het pittoreske dorp Joachimsthal. Het huis kijkt uit over het Grimnitzmeer. Zeventig kilometer zuidwaarts ligt Berlijn; dertig kilometer oostwaarts de Poolse grens. “Dit is een heel bijzondere plek”, zegt ze. “Vroeger woonde in dit huis de boswachter van de Duitse koningen en keizers. Na hen kwamen de presidenten en daarna Hitler en zijn trawanten. Rijksmaarschalk Hermann Göring jaagde hier regelmatig. Ten tijde van de DDR was deze streek ook het favoriete jachtterrein van de Stasi-bonzen. In de jaren voor Die Wende kwam Erster Sekretär Erich Honecker in de bossen rond Joachimsthal twee keer per week het wild afschieten. Vlakbij is een gedenkteken waarop geschreven staat: ‘Op 8 november 1989 schoot Erich Honecker hier zijn laatste hert.’ Dat was één dag voor de muur viel.”

Frau Ellmenreich lacht. Een gereserveerde lach, want het hele interview lang straalt de dominee droeve ernst uit, alsof ze een loodzware last torst. “De toestand in Nigeria is op dit moment verschrikkelijk”, zegt ze bijna verontschuldigend. Op haar bureau staat een klein zwart-witfotootje van een langharige, glimlachende jongeman. Op de vensterbank staat een grote kleurenfoto van een vriendelijk ogende veertiger met kort kastanjebruin haar. De twee mannen uit het leven van Renate Ellmenreich. “Als iemand weet wat het betekent om weduwe te zijn, ben ik het wel. Vandaar dat ik in 2009 de vraag om hulp van de Nigeriaanse weduwen niet kon weigeren.”

Renate’s eerste man Matthias Domaschk stierf op 12 april 1981 in de ondervragingsruimte van de Stasi in de Oost-Duitse stad Gera. “Matthias was pas 23. Hij is de vader van mijn dochter. In 1976 ondertekenden we allebei een petitie tegen de verbanning uit de DDR van protestzanger Wolf Biermann. We waren niet gekant tegen het socialisme, maar voerden vanuit onze christelijke overtuiging actie om de theorie met de werkelijkheid in overeenstemming te brengen. Dat werd door de communistische partijbonzen niet in dank aanvaard. Ze arresteerden Matthias op 10 april 1981 en beschuldigden hem ervan dat hij een partijbijeenkomst in Berlijn wou verstoren. Twee dagen later was hij dood. Volgens de Stasi pleegde hij zelfmoord. Iedereen die Matthias ooit gekend heeft, weet dat dat een leugen is. Ze hebben hem vermoord.”

Een jaar voor Matthias Domaschks dood vluchtte Renate Ellmenreich naar West-Duitsland, nadat hun dochtertje door de geheime politie was gekidnapt en in een weeshuis gedropt. Renate werd dominee in Mainz. In 1993 keerde ze naar Gera terug. Zes jaar lang doorploegde ze er de archieven van de Stasi, op zoek naar wat er die 12e april echt gebeurd was. “De documenten uit de Stasi-archieven zijn opgesmukt en vertellen nooit de waarheid”, zegt ze. “Er staat nooit zwart op wit: ‘Toen gaven we hem het genadeschot.’ Ik sprak met veel betrokkenen, maar iedereen zwijgt. Tot de dag van vandaag zoek ik verder en ik denk dat ik nu eindelijk iets op het spoor ben. Ik hoop tegen volgend jaar de waarheid te kunnen bovenspitten.”

 

Uw tweede man Gunnar Berndsen stierf in de woestijn van Nigeria.

Renate Ellmenreich: “Hij overleed er in mei 2004 als gevolg van een virale infectie. De foto op de vensterbank dateert van een week voor zijn dood. Hij was 48. Ik werkte samen met hem in Nigeria van 1999 tot 2004. We waren uitgestuurd door de Zwitserse evangelische ontwikkelingsorganisatie Mission 21. Ons actieterrein lag in de staat Borno in het noordoosten. Gunnar runde in de stad een open universiteit en ik werkte bij de vrouwen op het platteland. Ik begeleidde hen met de bouw en de opening van nieuwe scholen. In 2000 introduceerde de regering van de staat Borno de sharia. Nigeria heeft 36 staten: de zuidelijke zijn voornamelijk christelijk en de noordelijke moslim. Veel noordelijke staten voerden de sharia in nadat in 1999 de christen Olusegun Obasanjo president van het land werd. In tegenstelling tot zijn voorgangers kwam hij niet uit het leger en dat stond de noordelijke machthebbers niet aan. De meeste leerkrachten op de staatsscholen waren christenen en na de verkiezing van Obasanjo schaften de noordelijke staten de staatsscholen af. De gewone Nigerianen waren het daar niet mee eens. Zij wilden goede scholen voor hun kinderen en het kon hen echt niet schelen of de leerkrachten christelijk of islamitisch waren. In die tijd leefden in de dorpen christenen en moslims nog vreedzaam samen. Ik bouwde samen met hen private scholen waar alle kinderen welkom waren. We kregen geen steun van de overheid, maar het lukte ons toch om in Noord-Nigeria in minder dan vijf jaar vijftig basisscholen te bouwen.”

 

Vijftig?

“Jawel, vijftig. (glimlacht) Tot in de lente van 2004 het noodlot toesloeg en Gunnar stierf. De kerkleiding wou dat ik terugkeerde naar Duitsland, maar ik bleef contact houden met mijn mensen die ik had moeten achterlaten. Boko Haram is in 2002 opgericht in Maiduguri, de hoofdstad van Borno. Ik heb de terreurorganisatie weten ‘geboren’ worden. In 2009 was ik in Maiduguri en zag ik met eigen ogen de ellende die ze er had aangericht. Verschillende van mijn vroegere medewerkers klampten me aan en vertelden over de gruwel. ‘Help ons, Renate.’ De vallei waar ik gewerkt had, was bezet door Boko Haram en de overlevenden waren naar Maiduguri gevlucht. ‘Ze hebben al onze mannen vermoord.’”

 

Enkel de mannen?

“Ja. De vrouwen hadden ze nodig als seksslavin. In de Afrikaanse samenleving stellen weduwen niets voor. Ze hebben geen rechten en worden behandeld als paria’s. Eén uitspraak van een weduwe raakte me midscheeps: ‘Jij was ook weduwe in Afrika. Je weet hoe het is.’ Ze hadden gelijk: ja, ik wist het. Ik kon niet anders dan helpen. Ik weet niet hoeveel tijd me nog gegund is en daarom focus ik me enkel op de weduwen. Ik kan de wereld niet veranderen, maar ik kan wel proberen iets voor hen te betekenen.

“Terug in Duitsland begon ik geld in te zamelen. Ik was toen dominee in Mainz, maar ik was niet de enige: met tien vrouwelijke priesters vormden we één team voor de hele stad. Elke maand hielden we onze Stammtisch. (lacht) We vergaderden dan samen en dronken rode wijn. Tijdens zo’n vergadering kreeg ik telefoon uit Maiduguri. Ik hoorde het machinegeweervuur en de explosies, het was verschrikkelijk. De weduwe aan de andere kant van de lijn weende hartverscheurend. Meteen daarna hebben we de stichting Widows Care opgericht en vervolgens vroegen we de Boko Haram-weduwen zich bij ons te registreren.”

 

Dat zijn er ondertussen meer dan 2.000?

“2.120 om precies te zijn. Een groot deel is van Maiduguri gevlucht naar het duizend kilometer verder gelegen IDP-camp Gurku bij de Nigeriaanse hoofdstad Abuja, waar het relatief veilig is. IDP staat voor: Internally Displaced Persons. In Gurku worden binnenlandse oorlogsvluchtelingen opgevangen. Van elke weduwe weten we waar ze vandaan komt, wat er in haar dorp gebeurd is en hoeveel kinderen ze heeft. De vrouwen moesten toezien hoe hun man door leden van Boko Haram vermoord werd. Zelfs kinderen moesten toekijken hoe hun vader afgemaakt werd. Met één meisje voerde ik zeer lange gesprekken. Ze heet Patience, is pas negentien en is nu voor de tweede keer weduwe geworden. Haar dochter is geboren de dag nadat ze haar tweede man vermoord hebben. In Gurku ben ik de enige blanke die Hausa spreekt. Ik ben dan ook de enige die met de weduwen rechtstreeks kan converseren, want zij spreken geen Engels. Dat zorgt voor een sterke band.”

renate E.2

Hoe vergelijkbaar is Boko Haram met IS?

“De ‘ideologie’ van Boko Haram wortelt in het salafistische jihadisme waar ook IS zijn mosterd haalt, maar de Boko Haram-strijders zijn allemaal arme dompelaars. De meesten sluiten aan omwille van het geld. Boko Haram misbruikt religie om mensen te mobiliseren. In Nigeria raak je zonder religie nergens.”

 

De weduwen waar u voor zorgt, zijn allemaal christenen?

“Ja. In het begin sloten een paar moslimweduwen zich bij Widows Care aan, maar ze werden met de nek aangekeken door mensen uit hun eigen gemeenschap. Toen ik twee jaar geleden in Gurku op bezoek was, sprak een Nigeriaanse vriendin me aan: ‘We hebben vanavond geld nodig, want we kunnen een groot stuk land kopen vlak naast het vluchtelingenkamp. De boer wil ervan af: hij wil centen voor de bruidsschat van zijn zoon. Als wij het niet kopen, komt het in handen van een rijke politicus, een bouwspeculant of een legerofficier.’ Ik belde mijn vrienden in Duitsland, die schoten meteen in gang om geld in te zamelen en de volgende ochtend kochten we dat stuk land. Ik had één voorwaarde: het mocht alleen ten goede komen van de weduwen. We bouwden er zestien huizen. Elk huis kostte 2000 euro en heeft een keuken en een badkamer. We beginnen nu met de bouw van nog eens zestien ‘weduwenhuizen’. Het door ons gerunde vluchtelingenkamp Gurku is een buitenbeentje in Nigeria. Zowat alle IDP-camps hebben zwaar te lijden onder de alom verspreide corruptie. De meeste kampen zijn afgesloten van de buitenwereld uit angst voor een inval van Boko Haram. De inwoners kunnen er niet zomaar in of uit en zijn overgeleverd aan de goodwill van hulpverleners en officials. De meeste kampleidingen verkopen de hulpgoederen die ze van internationale NGO’s krijgen door op de zwarte markt. Op dit moment sterven er kinderen in de kampen van de honger of door gebrek aan zorg.”

 

Worden die kampen dan niet geleid of gecontroleerd door het Rode Kruis of het UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties?

“Nee, alle officiële vluchtelingenkampen zijn in handen van de door en door corrupte Nigeriaanse overheidsorganisatie National Emergency Management Agency (NEMA). NGO’s zoals Artsen Zonder Grenzen, Unicef of het Rode Kruis moeten allemaal via NEMA passeren. Ons vluchtelingenkamp Gurku houden we doelbewust buiten de officiële opvang. De administratie wordt er gevoerd door zowel moslims als christenen. Zo willen we laten zien dat vreedzaam samenleven tussen verschillende religies wél mogelijk is. Vandaag leven meer dan 1.400 mensen in het kamp. Er is een medische post, gebouwd door de Zwitserse ambassade, er is een kerk en een moskee en er is een school. Er is drinkwater, er zijn kleine winkels, het is een leefbare plek met een gloednieuw gastenverblijf. In het weduwenkamp vlak naast dat grote vluchtelingenkamp leven nu honderd vrouwen en kinderen.”

 

Waarom zijn de weduwen geïsoleerd van de rest?

“Omdat ze ’s avonds en ’s nachts geen man willen tegenkomen. Kunt u zich dat voorstellen? Ze hebben omheiningen van stromatten rond hun huizen gebouwd, want ze willen geen mannelijk pottenkijkers en verlangen naar privacy. De meeste weduwen hebben psychologische hulp nodig, maar die is er niet. Een paar oudere dames krijgen hun leven niet terug op de sporen. Ze zijn depressief en komen hun huis niet meer uit. Ze krijgen eten van de andere weduwen, maar hun depressie wordt niet verzorgd. Heel veel lagere schoolkinderen hebben ’s nachts zindelijkheidsproblemen, door de trauma’s die ze hebben meegemaakt. Hun moeders begrijpen het verband niet en reageren boos. Ik probeer hen uit te leggen wat er precies aan de hand is.”

 

De kinderen leven zonder vaders?

“De jongens en meisjes groeien op zonder vaderfiguren. Vooral de grotere jongens hebben het daar lastig mee. Ze worden opstandig, willen niet naar school. Opgroeien met enkel vrouwen is niet gezond. Ze krijgen een vertekend beeld van de samenleving, want natuurlijk zijn er ook goeie mannen in Nigeria én in het grote vluchtelingenkamp. Zo zijn er onder de vluchtelingen leraars die spontaan les beginnen geven in de openlucht, onder de bomen. Ze hebben geen boeken, pennen of papier, maar ze zingen, vertellen en gebruiken handen en voeten.

“De traditie in Nigeria wou dat een vrouw die weduwe werd, hertrouwde met de oudste broer van haar man. Met de aidsepidemie ging die traditie langzaam maar zeker op de schop. Na Boko Haram zijn er in het noorden te veel weduwen en te weinig mannen. Duizenden vrouwen verloren hun man; het zijn er veel meer dan onze registratiecijfers laten vermoeden. Een vrouw zonder man mag geen land bezitten, winkel uitbaten of een eigen zaak opzetten. Ze mag zelfs geen bankrekening openen. Maar doordat er zoveel mannen vermoord zijn, is het sociale weefsel drastisch aan het veranderen. Wij proberen de vrouwen ervan te overtuigen dat ze wel degelijk hun eigen zaakje mogen opstarten en geld mogen verdienen om hun kinderen te voeden en naar school te sturen. Jammer genoeg wantrouwen sommige vrouwen ons.”

 

Omdat het een compleet nieuwe manier van denken voor hen is?

“Ja. We zeggen nu tegen een weduwe die op het land van Widows Care komt wonen: ‘Als je een huis wil, moet je bereid zijn om ook je eigen zaak uit de grond te stampen. Je moet in je eigen levensonderhoud kunnen voorzien want er is niet genoeg land om te verbouwen.’ De Nigeriaanse vrouwen hadden traditioneel hun eigen lapje grond waar zij de gewassen op verbouwden. Dat is nu voltooid verleden tijd. De tweede voorwaarde voor een huis is dat al hun kinderen onderwijs moeten volgen. De weduwen doen echt hun best; het is soms ontroerend grappig. (lacht) Het nieuwe gasthuis in het grote kamp wordt beheerd door vrouwen. Slechts een van hen spreekt een klein beetje Engels. Zij moet het nu waarmaken, want zij is de guesthouse manager. Ze neemt haar taak zeer ernstig: ze heeft een boekje waarin ze nauwgezet bijhoudt wie er overnacht en wanneer er gekookt en gepoetst moet worden. Zo leert ze al doende de stiel van een echte hotelmanager. Een paar andere weduwen leggen zich toe op fish farming. Ze hebben twee vijvers gegraven en verdienden een aardige cent met hun eerste visoogst. Niet alle vrouwen zijn succesvol. We bekostigden een naaicursus voor een groep weduwen, maar hun onderneming draaide uit op een fiasco. De kleermaker waar ze voor werkten, ging er met het geld vandoor. Andere weduwen leerden verzorgende zalfjes maken voor gevoelige babyhuidjes.”

 

Uw project Widows Care emancipeert Nigeriaanse vrouwen?

“Eigenlijk wel.”

 

Wat vindt de rest van de samenleving daarvan?

“Ze kijken er vol nijd en afgunst naar. Sommigen zijn verrast dat de weduwengemeenschap zo goed functioneert. Ze vinden het eigenaardig dat er geen corruptie is. De weduwen zijn gelijkwaardig, niemand heeft macht, ze moeten alles zelf doen en voor de rest van de samenleving is dat moeilijk te vatten.”

 

Zien Nigeriaanse mannen hen als een bedreiging?

“Ik vrees van wel. De weduwen regelen dingen op een totaal andere manier dan de mannen. Zo hebben ze heel bijzondere afspraken gemaakt met de Fulani-nomaden. Die mensen leven van hun vee, trekken rond en hebben geen onderwijs genoten. Hun veestapel groeit, maar de beschikbare hoeveelheid land krimpt. Steden zoals Abuja groeien aan een ongekend tempo. Vanop de heuvel vlakbij ons kamp kun je heel goed zien hoe al het land volgebouwd raakt met huizen en hoe er steeds meer dorpen rond de stad groeien. De Fulani hebben niet genoeg plaats voor hun vee, raken gefrustreerd waardoor de criminaliteit stijgt. Ze vallen dorpen binnen en roven huizen leeg. De weduwen onderhandelden een overeenkomst met de Fulani. Wij hebben drie waterpompen op het land van de weduwen geïnstalleerd. Tegen de leiders van de Fulani zeiden ze: ‘Jullie kunnen gratis water voor jullie vee krijgen, maar raak ons niet aan.’ De Fulani gingen akkoord. ‘Op voorwaarde dat jullie geen dieren kweken.’ Dat was voor de vrouwen geen probleem. ‘Als we dan bij jullie vlees kunnen kopen.’ De deal was rond en werkt uitstekend. De weduwen hebben geen runderen, geiten of schapen. Hun vlees kopen ze van de Fulani die op hun beurt gebruik maken van de waterbronnen. De voorbije drie jaar was er geen enkel incident. De weduwen zijn christen, de Fulani moslim en ze leven samen in vrede.”

renate E.

De dorpen in het noorden waar de weduwen vandaan komen, zijn nog steeds in handen van Boko Haram?

“Ja. ‘Mijn’ dorp en alle dorpen errond zijn volledig verwoest. Het missionarishuis waar ik woonde, is zestien jaar geleden gebouwd. De stenen muren waren dik en massief, want het gebouw moest minstens een eeuw meegaan. Boko Haram heeft het compleet vernietigd. Rond het huis lag een mooie tuin. Alle bomen zijn gekapt en het groen is veranderd in woestijn. Zo willen de jihadisten laten zien dat daar nooit nog een christen zal leven. Het dorp waar ik leefde en werkte, was integraal christelijk. Er staat geen huis, school of kerk meer overeind. Het leger kon onlangs een paar oude mensen bevrijden die niet op tijd waren weggeraakt. Ik ben net terug uit Nigeria. Eerst bezocht ik Gurku nabij het relatief veilige Abuja en daarna vlogen we naar Maiduguri in het noorden. Het verschil is immens: de noordelijke stad kreunt onder de Boko Haram-terreur. Ik ontmoette de bevrijde oudjes en dat was heel ontroerend. De ene is blind, de andere steunt op een stok. Ze zijn alles kwijt. Ze vertelden me over het leven onder Boko Haram: een verschrikking. Het Nigeriaanse leger vecht zogezegd tegen de terroristen, maar nooit op volle kracht. Ik weet uit zeer goede bron dat de officieren hun manschappen bevelen om in de lucht te schieten om de strijders van Boko Haram te laten vluchten.”

 

Waarom?

“Zolang de oorlog blijft duren, krijgen de soldaten geld en hebben ze een goed leven. Het is in het belang van het leger dat Boko Haram blijft plunderen en roven, want zo blijft voor hen de kassa rinkelen. De Nigerianen zelf zijn zeer pessimistisch over hun toekomst. Veel mensen uit het noorden zijn gevlucht naar het zuiden, waar meer jobs zijn en grotere kansen op een beter leven. Maar de Zuid-Nigerianen houden niet van de noorderlingen. Op dit moment zijn er bewegingen actief die het hele land willen opsplitsen. In Igboland in het Zuidoosten, het vroegere Biafra, wordt nu net als in de jaren zestig gevochten voor onafhankelijkheid. De Yoruba in het Zuidoosten zijn relatief welvarend. Als zij zich afscheuren, gaat het noorden helemaal kopje onder. Want daar is geen onderwijs, geen industrie, geen economie. Behalve de sharia is er helemaal niets. 95% van de noorderlingen overleeft uitsluitend van het eigen schamele lapje grond. Het geld komt van verwanten in het buitenland, of van politici of ambtenaren van de eigen stam. Zelfs in de steden staat alles in het teken van overleven. Er wordt niets geproduceerd dat doorverkocht kan worden om geld mee te verdienen. Daar komen dan nog eens de gevolgen van de klimaatverandering bij: in Maiduguri zie je de woestijn naderen. Steeds meer mensen ontvluchten het land. Tot hiertoe hebben 200.000 Nigerianen geprobeerd om via Italië Europa binnen te komen. De economie in het zuiden is dan weer vooral gebaseerd op misdaad.”

 

Misdaad die gepaard gaat met geweld?

“Nee, het is een heel aparte vorm van misdaad, bekend als de Nigerian connection. De Nigeriaanse maffia verdient miljoenen met haar wereldwijde e-mailfraude. U kent dat wel, die phishing-berichten waarmee ze argeloze westerlingen ervan proberen te overtuigen hen een smak geld toe te sturen. Het ligt er altijd vingerdik op, maar blijkbaar zijn er hier nog genoeg goedgelovige zielen die er met open ogen intuinen.”

 

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey