“Nieuws maakt mensen pessimistischer. Hun drive om mee te helpen aan een betere wereld, kwijnt weg”

De Correspondent blaast vijf kaarsjes uit. Om dat te vieren, ligt binnenkort ‘Dit was het nieuws niet’ in de boekhandel, een bundeling reportages en verhalen. Intussen werkt oprichter en hoofdredacteur Rob Wijnberg vanuit New York met The Correspondent aan de verovering van de rest van de wereld. “Als het niet lukt, ben ik gauw weer thuis.”

 

Vijf jaar geleden, op 30 september 2013, ging decorrespondent.nl van start. Een half jaar eerder had filosoof en journalist Rob Wijnberg (36) in het Nederlandse praatprogramma ‘De wereld draait door’ de crowdfunding voor zijn journalistieke droom aangekondigd. Samen met mede-oprichter Ernst-Jan Pfauth zocht hij 15.000 mensen die minstens zestig euro wilden investeren in een nieuw, advertentievrij, digitaal journalistiek medium. Een maand later klokte de uiterst succesvolle geldinzamelactie af op 18.933 ‘leden’, of betalende abonnees. Vandaag telt De Correspondent 60.000 leden die in ruil voor 70 euro lidgeld onbeperkt toegang hebben tot de artikels, video’s en podcasts van onder anderen Rutger Bregman, David Van Reybrouck en sinds kort ook Joris Luyendijk. De avontuurlijke start-up groeide uit tot een middelgroot mediabedrijf met 51 werknemers, waaronder 21 voltijdse journalisten.

“Vijf jaar geleden was Joris Luyendijk een van onze grote inspiratiebronnen”, zegt Rob Wijnberg. “Hij is dan ook onze gedroomde correspondent. Veel collega’s op de redactie kijken naar hem op; hij is echt een intellectuele mastodont. Hij werkte in Londen bij The Guardian, maar wou om familiale redenen terug naar Nederland. Ik vroeg hem of hij zin had om bij ons te komen werken. Daar moest hij geen twee keer over nadenken.”

Eind vorig jaar verhuisde Wijnberg naar New York, waar hij samen met Ernst-Jan Pfauth werkt aan de opstart van de Engelstalige The Correspondent.

Rob Wijnberg: “We wonen hier nu tien maanden, maar zijn eigenlijk al meer dan een jaar bezig met het uitbouwen van een netwerk en met het smeden van plannen. We hebben een Engelstalig boekje gedrukt met onze ‘Ten Founding Principles for independent, inclusive, and ad-free journalism’. We drinken sloten koffie met geïnteresseerden en praten met hen over ons manifest. We letten er wel goed op dat we dat woord niet gebruiken, anders bestempelen ze ons als communist. We noemen het onze ‘grondwet’, dat snappen ze wel.”

 

Wie zijn die ‘geïnteresseerden’?

“Journalisten, activisten, mediacritici, wetenschappers… We leggen hen onze journalistiek uit en proberen hen als ambassadeurs te strikken. De lijst groeit gestaag. Onder anderen Rosanne Cash, de dochter van Johnny, en Alan Rusbridger, oud-hoofdredacteur van The Guardian, helpen nu bij de verspreiding van ons evangelie.”

 

Waarom willen jullie per se vanuit New York in het Engels aan de slag?

“Amerika heeft een grote markt voor journalistiek en er loopt zeer veel talent rond. We kunnen hier ook nauw met een van onze grote inspirators samenwerken: Jay Rosen, professor journalistiek aan de universiteit van New York. Hij voert onderzoek naar internetjournalistiek en naar de rol van lezers bij journalistieke projecten. Eigenlijk is het ook gewoon heel leuk om in deze stad te wonen en werken. New York is geen must, maar de Engelse taal wel. Het is niet onze bedoeling om De Correspondent te kopiëren naar de VS, wel om ons project uit te breiden naar het enorme Engelse taalgebied. Onze journalistiek richt zich niet op de waan van de dag, maar op grote structurele en fundamentele ontwikkelingen die de wereld vorm geven. Wij hebben aandacht voor thema’s als klimaatverandering, belastingontduiking, onderwijs en mobiliteit. Onze artikels en reportages hebben alle baat bij een wereldtaal.

Reacties van lezers zijn heel belangrijk voor ons. We betrekken hen bij alles wat we schrijven en vragen hen om hun kennis en ervaringen met ons te delen. Van zodra dat in het Engels kan, zullen ontzettend veel mensen van over de hele wereld hun wijsheid op ons platform delen. Onze journalistiek kan daar alleen maar beter van worden.”

 

U bent niet bang om zeurpieten en complottheoretici uit de vier windstreken aan te trekken?

“De commentaarsecties op de nieuwssites van klassieke journalistieke media hebben een slechte naam met hun complottheorieën en scheldpartijen. Maar misschien ligt een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor al die ontspoorde onzin bij de sites zelf. Want er volgt geen enkele consequentie, zowel positief als negatief, op de commentaar die iemand levert. De journalist die het oorspronkelijke stuk geschreven heeft, doet er helemaal niets mee. Het gevolg is dat die commentaren ontsporen. Dat is doodjammer. Door onze lezers ernstig te nemen en in ons werk te betrekken, hebben wij ervaren dat zij vaak een grote bron van kennis zijn. Bijna 50 % van het werk van De Correspondent-journalisten bestaat uit dialogeren met de leden. Ze beantwoorden vragen, en stellen er ook. Onze leden delen hun expertise met ons, die wij vervolgens gebruiken voor nieuwe verhalen. Er is een cultuur gegroeid waarin de meeste mensen die reageren ook écht iets weten. Onze voedselcorrespondent krijgt altijd meteen interessante reacties van boeren en melkveehouders; onze onderwijscorrespondent communiceert met leraars, leerlingen en schooldirecteurs. De reacties op onze artikels zijn geen ‘comments’, maar ‘bijdragen’. Dat verschil lijkt subtiel, maar toont wel hoe wij met onze leden communiceren. Anonieme reacties zijn niet toegestaan. Dat zorgt ervoor dat mensen niet snel complottheorieën delen.”

 

Wanneer gaat The Correspondent de lucht in?

“Dat weten we nog niet. We organiseren eerst een ledencampagne via crowdfunding, net als vijf jaar geleden in Nederland. Wanneer die precies van start gaat, is koffiedik kijken.”

 

Klopt het dat jullie met een oorlogskas van 1,8 miljoen dollar naar New York vertrokken zijn?

“Die 1,8 miljoen dollar is het startkapitaal om onze crowdfunding te financieren. We hebben een paar maanden geleden Zainab Shah in dienst genomen als onze Operations Lead. Zij komt over van BuzzFeed. We werken samen met Blue State Digital, het bureau achter beide digitale presidentiële campagnes van Barack Obama. Dat kost ook geld. We bouwen alles op van nul in de hoop dat we zo tienduizenden mensen kunnen overtuigen om lid te worden van iets dat ze niet kennen. Als het niet lukt, ben ik gauw weer thuis.”

 

In het voorwoord van ‘Dit was het nieuws niet’ schrijft u: “Vergeet nepnieuws. Echt nieuws is minstens zo misleidend.”

“Daar voeg ik meteen ook aan toe: ‘Ik realiseer me dat dat een boude stelling is.’ (lacht) Met ‘nieuws’ bedoel ik niet ‘journalistiek’, want dat begrip dekt veel ladingen. Niet alle kunst is een schilderij. Nieuws bestaat uit sensationele, uitzonderlijke, negatieve, recente gebeurtenissen. Het journaal zal eerder openen met: ‘Er is een bom ontploft’, dan met: ‘Vandaag zijn er in dat land weer mensen onderdrukt.’ Want dat laatste is geen uitzonderlijke, sensationele en recente gebeurtenis, maar vindt elke dag plaats. Er wordt gezegd: als je nieuws volgt, weet je wat er in de wereld aan de hand is. Maar dat is níet zo, omdat nieuws net gaat over dat uitzonderlijke. Je krijgt nooit de regel te zien, altijd de uitzondering. Terwijl de dingen die elke dag gebeuren net veel invloedrijker zijn. Iedereen denkt dat de financiële crisis in 2008 begon omdat er zich toen iets spectaculairs en uitzonderlijks voltrok: een grote bank, Lehman Brothers, ging overkop. De aanloop was geen nieuws, want verliep te traag en te structureel. De opgestapelde risico’s die banken namen, leidden tot de crisis, maar bleven onder de nieuwsradar.

Door naar structuren te kijken, ontdek je paradoxaal genoeg dat het veel beter met de wereld gaat dan het nieuws laat uitschijnen. In Amerika zeggen ze: ‘If it bleeds, it leads.’ Als het bloedt, haalt het de voorpagina. Terwijl je nooit iets ziet over wat goed gaat. Elke dag vertrekken tien miljoen Nederlanders naar hun werk. Pas als iemand een ongeluk krijgt, is het nieuws. Al die andere mensen die veilig aankomen, zijn geen berichtje waard.

Wie op een andere manier naar de werkelijkheid kijkt en op zoek gaat naar structuren en patronen, wordt misschien wel optimistischer en positiever dan wie enkel het nieuws volgt. Nieuws maakt mensen pessimistischer: ze krijgen minder vertrouwen in hun medemens en worden cynisch. Hun drive om mee te helpen aan een betere wereld, kwijnt weg.”

 

Is dat niet vooral te wijten aan sociale media? Kranten en tijdschriften brachten en brengen nog steeds achtergrondverhalen. Is het drama niet dat krant en magazine ingeruild worden voor Facebook, Instagram of Twitter?

“Door het internet is de laatste decennia nieuws zeker invloedrijker geworden. Vroeger werden we er een paar keer per dag mee geconfronteerd: ’s morgens als de krant op de mat viel, ’s middags als we naar het journaal op de radio luisterden en ’s avonds als we voor de tv gingen zitten. Nu is het nieuws alomtegenwoordig. Vroeger lieten we ons stemgedrag bepalen door onze ideologie, nu door het nieuws. Wat een paar weken voor de verkiezingen in het nieuws komt, is doorslaggevend voor wie onze stem wel of niet zal krijgen. Kijk, de meeste journalisten zijn links…”

 

Dat wordt gezegd.

“Dat wordt niet alleen gezegd, dat is ook onderzocht. Twee derde van de Engelse journalisten stemt links, maar het nieuws is rechts. Als je aan een links persoon vraagt wat de grondoorzaak van criminaliteit is, zal hij op structuren wijzen en antwoorden: ‘Armoede, ongelijkheid, opvoeding, gebroken families.’ Vraag het aan een rechts persoon en hij zal antwoorden: ‘Het is de individuele keuze van die man of vrouw om het verkeerde pad te kiezen.’ Daarom vinden rechtse mensen zwaardere straffen een logische manier om criminaliteit te bestrijden. Rechts denken heeft een individuele moraal en links denken een structurele. Bijna alle nieuws is een bevestiging van rechts filosofisch denken. Sluit iemand op in een kamer en laat hem een jaar lang enkel naar het journaal kijken. Ik durf er alles op verwedden dat hij rechtser uit die kamer komt dan hij erin ging. Hij zal pleidooien houden voor zwaardere straffen en meer politie op straat. Je zal hem niet horen zeggen: ’99 procent van de mensen zijn te vertrouwen’, of: ‘Armoede is een structureel probleem.’ Nieuws maakt conservatief, want het toont enkel slechte veranderingen.”

 

Conservatieve politici hebben er dus alle belang bij dat mensen het nieuws volgen en achtergrond en duiding links laten liggen? N-VA-voorzitter Bart De Wever weigert interviews aan magazines en kranten van de kwaliteitspers. In de populaire pers maakt hij dan weer wel graag zijn opwachting. Dat is onderdeel van een bewuste strategie?

“De Wever is niet de enige conservatieve politicus met die strategie. Er is geen betere reclamespot voor zijn wereldbeeld denkbaar dan het nieuws. Er is ook niets meer naast de waarheid dan een rechts populistische conservatief die beweert dat de media zijn wereldbeeld niet in beeld brengen. Sterker nog: zijn wereldbeeld is zowat ontleend aan wat je in het nieuws ziet.

Nieuws is een geprofessionaliseerde vorm van geroddel. Als het afgeschaft wordt, ontstaat het vanzelf terug. ‘Zeg Jan, heb je gehoord dat het huis van de buurman afgebrand is?’ ‘Is het echt? Heb ik je al verteld dat achter de hoek twee auto’s op elkaar zijn ingereden?’ Mensen willen nu eenmaal weten wat er aan gevaar dreigt. Als je die neiging tot roddelen professionaliseert, heb je nieuws. Het wordt problematisch van zodra je dat professioneel geroddel beschouwt als het venster op wat er écht gebeurt in de wereld. Dan krijg je een extreem eenzijdige visie op de werkelijkheid. Het zorgwekkende is dat het politieke beleid op dat eenzijdige wereldbeeld gebaseerd wordt. 80 procent van alle vragen in het Nederlandse parlement komen voort uit nieuwsberichten. Afgelopen jaren zijn er acht keer zoveel vragen gesteld over geweldincidenten op straat. Straatgeweld groeide uit tot een obsessie en er werden veel maatregelen tegen getroffen. In werkelijkheid nam ondertussen het geweld op straat alleen maar af. Met De Correspondent gaan we daar lijnrecht tegenin: wij willen medicijn zijn tegen die waan van de dag.”

 

De Correspondent-journalist Jesse Frederik zei eerder dit jaar in een interview met het Nederlandse journalistenvakblad Villamedia dat hij het jammer vond dat zijn stukken nooit opgepikt werden door de klassieke media.

“Ik snap dat Jesse dat niet leuk vindt, want hij schrijft fantastische artikels over grote, vaak onbesproken problemen. Zo heeft hij naar voor gebracht dat de armoede in Nederland veel groter is dan de officiële cijfers doen vermoeden. Want schulden worden niet in die cijfers verwerkt. Volgens de statistiek kan je dus rijk zijn, terwijl je tot over je oren in de schuld zit. Jesse schrijft daar schitterende verhalen over, alleen zit er geen haakje aan om ze hier en nu op de frontpagina van de klassieke krant te zetten. Misschien moeten we daar in de toekomst beter op letten.”

 

Frederik zei in datzelfde interview: “Collega-journalisten vinden ons toontje stomvervelend. Zelf word ik ook gek van dat borstklopperige gedoe.” U ook?

“Misschien zit er soms een betweterig toontje in onze titels, maar in de klassieke media zit veel betweterigheid in de mentaliteit. De traditionele cultuur in de journalistiek is al jarenlang: ‘Wij bepalen wat belangrijk is. Wij presenteren het en lezers mogen het vervolgens consumeren. Klaar.’ Wie dat voorgekauwde nieuws niet volgt, is geen goede burger, want hij is apathisch. Terwijl een journalist zich zou moeten afvragen: ‘Waarom volgen ze ons niet? Wat kunnen we verbeteren?’ Tegen al die mensen uit de klassieke media die vinden dat wij wijsneuzerig zijn, zeg ik dat wij onze lezers wél zeer serieus nemen.”

(c) Jan Stevens

Advertenties

“Maak schrijvers zelfredzaam. Het is hun enige kans op redding”

Met zijn uitgeefplatform Pottwall Publishers zoekt Marnix Peeters een manier om zijn schrijverschap rendabel te maken. Voor subsidies bedankt hij. “Ik heb nog nooit een cent van de staat gekregen.” Niet al zijn collega’s zijn even enthousiast. “Zo goed als geen schrijver kan leven van zijn boekenverkoop.”

 

Woensdag 12 september stelde Marnix Peeters zijn nieuwe roman ‘Ik heb aids van Johnny Diamond’ voor in een chique gentleman’s club in Antwerpen. Het blonde gerstenat vloeide er rijkelijk dankzij een bevriende brouwerij uit Steenhuffel. “Ik ben niet vies van bedrijven die mijn boeken of boekvoorstellingen willen sponsoren”, zegt Peeters. Begin vorig jaar richtte hij zijn eigen uitgeefplatform Pottwall Publishers op. “Niet uit onvrede met mijn toenmalige uitgever, maar omdat ik het creatieve proces zelf in handen wou nemen. Een moderne uitgeverij heeft 250 titels per jaar, waarvan jouw boek slechts één onderdeeltje is. Het technische aspect van boeken uitgeven, zoals drukken en distribueren, besteed ik uit aan Standaard Uitgeverij. Al de rest doe ik samen met mijn vrouw Jana. We zoeken zelf redacteurs en grafici en verzorgen onze eigen promotie. ‘Ik heb aids van Johnny Diamond’ is als volledig afgewerkt pakket bij Standaard Uitgeverij afgeleverd. De cover was klaar en mijn mediacampagne stond op punt. Het enige wat zij nog moesten doen, is de boeken drukken en versturen.”

Pottwall Publishers wordt van vers kapitaal voorzien door een privé-investeerder. Marnix Peeters: “Ik stapte zelf naar Bart Embrechts, stichter en baas van ‘incubator’ Gumption. Na een gesprek van een half uur was alles in kannen en kruiken. Gumption financiert een deel van mijn werkingskosten in ruil voor media-aandacht. Hun logo prijkt klein maar fijn op de achterflap van mijn boeken. De commentaar van sommige collega’s is vernietigend: ‘Dat bedrijfslogo op je boek is cultuurschennis!’ Terwijl ze wel allemaal graag het logo van het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) op de titelpagina van hun roman zetten, om zo te tonen dat ze 10.000 euro uit de zakken van de overheid geklopt hebben. Ik hou niet van subsidies. Ik heb nog nooit een cent van de staat gekregen.”

 

Win for life

“Zo goed als geen enkele schrijver kan van de verkoop van zijn boeken leven”, zegt Matthijs de Ridder, voorzitter van de Vlaamse Auteursvereniging (VAV), de belangenvereniging van Vlaamse schrijvers. “De royalty’s bedragen doorgaans 10 % van de verkoopprijs en die volstaan niet, tenzij een schrijver meer dan 20.000 exemplaren van al zijn boeken per jaar verkoopt. Er zijn er maar een paar die dat halen. De werkbeurzen van het VFL helpen de anderen overleven.”

In juni hield Het Nieuwsblad het VFL tegen het licht. In 2018 kregen 103 auteurs een werkbeurs, goed voor bijna 900.000 euro. De krant ploos uit dat sinds 2000 zeven schrijvers elk jaar opnieuw langs de kassa passeren. Structurele grootverdieners zijn Leonard Nolens (met in totaal 368.192 euro), Klaas Verplancke (347.904 euro), Bart Moeyaert (309.256 euro) en Paul Claes (305.006 euro). Dat leverde hen de voorbije achttien jaar een netto maandloon op dat schommelde tussen 1.300 en 1.600 euro. Het Nieuwsblad bedacht voor hen het koosnaampje ‘win for life-club’. “Goed gevonden, maar nergens op gebaseerd”, vindt Matthijs de Ridder. “Want die werkbeurzen worden door onafhankelijke commissies toegekend aan schrijfprojecten die constant worden geëvalueerd.”

Is dat zo? Een schrijver kreeg een beurs voor een roman. Onderweg haakte zijn uitgeverij af. De schrijver hing zijn pen aan de haak, renoveerde met het subsidiegeld zijn keuken, leverde geen boek in en werd door het VFL nooit op het matje geroepen. Matthijs de Ridder: “Als een schrijver echt de boel belazert, kan hij dat één keer doen. Want er mag aan een subsidie geen resultaatsverbintenis verbonden zijn. Maar daarna zal hij uiteraard geen beurs meer krijgen. Er is echter ook zoiets als het recht om te mislukken. Als je intenties goed zijn, of de uitgeverij ligt dwars en het lukt niet, word je niet gestraft.”

“Er wordt altijd beweerd dat het VFL onafhankelijk over werkbeurzen beslist, maar ik schrik als ik zie hoe een groep schrijvers al jaren structureel bediend wordt”, reageert Marnix Peeters. “Veel aanvragers hebben trouwens een job; vaak zijn het docenten of journalisten. Waarom moeten zij overheidsgeld krijgen? Gesubsidieerde auteurs vinden het soms de moeite niet om zelf de handen uit de mouwen te steken om hun boeken verkocht te krijgen. Waarom zouden ze? Dankzij het VFL is hun boek toch al betaald. Marketeers van uitgeverijen trekken zich de haren uit het hoofd: wanhopig worden ze van schrijvers die weigeren een auteurspagina op Facebook te maken. In zeldzame interviews snoeven die schrijvers dan dat ze hun auteurschap niet in het gedrang laten brengen door deelname aan tv-spelletjes zoals De slimste mens. Het is niet voor niets dat er zoveel protest is tegen de benoeming van Mia Doornaert tot nieuwe VFL-voorzitter. Het boeken-establishment is bang dat zij het status-quo komt verstoren. Als ik Mia was, zou ik al de poen die die uiertrekkers jaarlijks krijgen, investeren in dingen die er werkelijk toe doen. Organiseer een cursus marketing voor schrijvers. Maak ze zelfredzaam. Het is hun enige redding.”

Het verhaal gaat dat Marnix Peeters zo gebeten is op het VFL omdat hij ooit zelf naast een beurs greep. Peeters: “Onzin. In 2014 waagde ik het al om kritiek op het VFL te hebben en meteen sneerde directeur Koen van Bockstal: ‘Meneer Peeters heeft óók een subsidie gekregen voor een Italiaanse vertaling van zijn debuut.’ Wat een leugen is. Op een dag zat er een brief van het VFL in de bus met de mededeling dat een vertaalster 1500 euro had ontvangen om mijn eerste roman te vertalen. Ik heb die vertaalsubsidie nooit zelf aangevraagd en dat geld ook nooit gekregen. Ik dacht: ‘Waarom probeert die Van Bockstal mij verdacht te maken?’”

 

Koffieboeren

Van 2011 tot en met 2013 organiseerde de Vlaamse Auteursvereniging onder haar 600 leden een bevraging naar hun inkomen. Het gemiddelde gezinsinkomen van 60 % van de literaire auteurs bleek onder 3000 euro per maand te liggen. Ter vergelijking: in 2008 bedroeg het beschikbare maandinkomen per huishouden in Vlaanderen gemiddeld 3.287 euro. Amper 10 % van het maandelijkse gezinsinkomen van twee derde van de literaire auteurs was afkomstig van hun schrijfwerk. Slechts 20 % kon echt van zijn pen leven.

De Universiteit Gent voerde in 2014 een groot onderzoek naar het inkomen van Vlaamse kunstenaars en nam toen ook de literaire auteurs onder de loep. Bijna 40 % van de schrijvers was zelfstandige in hoofdberoep. Hun gemiddeld netto-jaarinkomen bedroeg 19.884 euro. 28% was zelfstandig schrijver in bijberoep. Hun schrijverschap leverde hen gemiddeld 8.201 euro netto per jaar op; hun hoofdjob in vaste loondienst 31.904 euro. 7 % werkte met uitzendcontracten en verdiende gemiddeld 21.752 euro. De rest werd vooral uitbetaald in onkostenvergoedingen.

“Schrijvers zijn de koffieboeren van het boekenvak”, zegt Erik Vlaminck, voltijds literair schrijver. “Ik verdien meer met mijn theaterwerk dan met mijn romans. Maar ik zou geen theateropdrachten krijgen als ik geen romans zou schrijven. Ik werk enkel voor professionele toneelgezelschappen en krijg doorgaans voor elke opdracht een schrijfpremie die varieert van 3000 tot 10.000 euro. Die premie is geen voorschot, maar een vergoeding voor het te schrijven stuk. Daarna ontvangt de auteur 10 procent op de recette. Aan een theaterstuk werk ik twee tot zes maanden; aan een roman ben ik twee of drie jaar bezig. Mijn vergoeding als romanschrijver bedraagt 10 % van de verkoopprijs van elk verkocht boek. De meeste boeken halen in Vlaanderen een oplage van een paar duizend exemplaren of minder. Natuurlijk is onze boekenmarkt te klein om rendabel te zijn. Maar als een gemeenschap literatuur belangrijk vindt, moet ze bereid zijn om subsidies te geven die de markt corrigeren. In tegenstelling tot Marnix Peeters vind ik dat het VFL wel goed werk levert. De hele boekensector stelt direct en indirect duizenden mensen tewerk, in bibliotheken en boekhandels, bij uitgeverijen, in drukkerijen, bij transportbedrijven en culturele organisaties. Al die mensen hebben een fatsoenlijk loon en een sociaal vangnet. De enigen die dat niet hebben, zijn de schrijvers, terwijl zij de grondstof leveren. ‘We kunnen het ons niet permitteren om schrijvers meer dan 10 % te geven’, zeggen uitgevers. Bullshit. Als een schrijver 20 % krijgt, wordt een boek 2 euro duurder. Laat een lezer een boek links liggen omdat het 22 in plaats van 20 euro kost?”

 

Onvruchtbare tegenstelling

Jeroen Overstijns is ceo van Standaard Uitgeverij, de grootste uitgeefgroep in Vlaanderen. Cijfers over vergoedingen voor auteurs geeft hij niet, al is hij de eerste om toe te geven dat het geen vetpot is. “Een gevolg van de relatief beperkte markt waar Vlaamse auteurs voor schrijven”, zegt hij. “Het is voor hen zeer moeilijk om in Nederland door te breken. De echt grote namen geraken de grens wel over, maar halen gemiddeld niet de verkoopcijfers van hun Nederlandse collega’s. We geloven graag dat bij onze noorderburen het gras groener is, maar ook Nederlandse schrijvers komen tegenwoordig moeilijk rond. De voorbije tien jaar is de boekenmarkt er met een vijfde gekrompen. Het is dus te gemakkelijk om met een beschuldigende vinger naar uitgeverijen te wijzen. Op heel veel boeken draaien zij verlies, terwijl ze wel altijd het risico dragen. Als een boek niet verkoopt, blijft de uitgeverij met de kosten achter.”

Commerciële mensen in een uitgeverij hebben een mooi loon en een auto van de firma, terwijl de schrijvers – de grondstofleveranciers – het meestal moeten stellen met die schamele 10 procent. Wringt dat niet? Jeroen Overstijns: “Ik vind dat een onvruchtbare tegenstelling: alsof auteurs veel geld moeten verdienen en uitgeverijen veroordeeld moeten zijn tot de bedelstaf. Alsof het verkeerd is dat er in een uitgeverij mensen met een salaris rondlopen. Een auteur is gebaat met een goede uitgeverij en een uitgever is gebaat met een goede schrijver. Samen proberen ze kwaliteitsboeken te maken die ook geld opbrengen.”

“We mogen niet alle verantwoordelijkheid bij de uitgeverijen leggen”, vindt ook schrijfster Gaea Schoeters. “Zij maken niet de grote winsten. Ongeveer de helft van de opbrengst van een boek gaat naar distributie en tussenleveranciers. Ik geloof echt dat een aantal uitgevers graag de gebruikelijke royalty’s van 8 tot 15 procent zouden willen optrekken tot misschien zelfs 50 procent. Alleen is dat onmogelijk.”

Hoe moet het dan wel? Gaea Schoeters: “Literatuur schrijven is als topsport, maar dan zonder sponsors en prijzengeld. De teloorgang van de literaire prijzen is een groot probleem: geen enkele heeft nog een fatsoenlijke prijzenpot. Ik ben het totaal oneens met Marnix Peeters’ stelling dat schrijvers nog wat harder moeten werken en dan ooit zullen krijgen wat ze verdienen. Waarom moet een professioneel schrijver overdag bij de bakker gaan werken? Dat vragen ze toch ook niet aan een professioneel concertpianist? Ik geloof erg in gesubsidieerd kunstenaarschap, maar niet zoals het nu in Vlaanderen georganiseerd is. De hoogte van de werkbeurzen is een grap. Ik heb er zelf een en die bedraagt 5000 euro. Dat wil zeggen: ongeveer 400 euro per maand om van te leven.”

Moet er dan een kunstenaarsstatuut voor schrijvers komen, zoals er al een is voor acteurs? “Ja. In Scandinavië worden scheppende kunstenaars wel structureel ondersteund. Misschien kunnen we daar inspiratie opdoen?”

 

 

Hoe verdienen schrijvers hun dagelijks brood?

 

Marnix Peeters, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Ik kan mijn columns niet missen”

“Mijn topsellers zijn ‘De dag dat we Andy zijn arm afzaagden’ en ‘Natte dozen’. De aantallen die daarvan verkocht zijn, gaan richting 20.000. Ik heb ook mindere titels. Van ‘Kijk niet zo konijntje’ zijn er maximaal 5000 verkocht. ‘Ik heb Aids van Johnny Diamond’ verschijnt op 4000 exemplaren. Dat is veel naar Vlaamse normen, maar ik doe er dan ook extreem hard mijn best voor, met filmpjes en teasers, websites en een heuse sociale mediastrategie. Ik ben daar samen met mijn vrouw makkelijk drie maanden per jaar voltijds zoet mee. We hebben zo ondertussen een trouw lezerspubliek opgebouwd.

“Om te kunnen overleven kan ik mijn columns niet missen. Ik vind dat ook geen oneervol genre, integendeel. Ik krijg er veel warme reacties op, blijkbaar raak ik bij lezers een gevoelige snaar.”

 

 

Gaea Schoeters, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Een jaar romanschrijven, levert evenveel op als een dag soapscenario’s schrijven”

“Ik werk zeven dagen op zeven. Als ik een jaar aan een roman schrijf, verdien ik evenveel als wanneer ik een maand voor het theater, een week voor de krant of een dag scenario’s voor een soapserie op tv geschreven heb. In het verleden heb ik aan zo’n series meegewerkt, en een dag brainstormen bracht me tussen de 500 en 800 euro bruto op. Ik teer nog op de reserves van toen: zij maken het mee mogelijk dat ik nu aan mijn romans kan werken.

“Ik besef heel goed dat ik als auteur nooit hoge oplages zal halen. Als de verkoop van een van mijn romans 2.500 exemplaren haalt, is dat een groot succes. Ik werk drie jaar aan een boek en verdien dan gemiddeld 1,2 euro per exemplaar. Een roman levert me dus 1000 euro per jaar op. Evenveel als indertijd een aflevering voor een soap, waar ik anderhalve dag zoet mee was.”

 

 

Christophe Vekeman, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Iedereen gelijk voor de wet”

“Ik beschouw alles wat ik doe – romans schrijven, maar ook boeken bespreken, optreden, lezingen geven en zelfs dj-en – als deel van mijn schrijverschap. Al die activiteiten zijn een manier om mezelf literair tot uitdrukking te brengen. Zo overleef ik al sinds 2005 als zelfstandige.

“Daar ik gemiddeld zes of zeven weken doe over het schrijven van een roman, is het geld dat ik aan zo’n boek verdien redelijk in verhouding met die werktijd. Al blijft het natuurlijk jammer dat ik niet gebekt blijk te zijn naar de smaak van het brede publiek en dat ik dus af en toe niet meer loon naar arbeid ontvang.

“Ik zou het mooi vinden wanneer subsidievrije schrijvers als ikzelf voor hun zelfredzaamheid van overheidswege werden beloond met een klein belastingvoordeel. Ik heb grote problemen met de willekeur die met het toekennen van subsidies aan individuele schrijvers gepaard gaat. Stel je voor dat je om subsidies te krijgen voor het renoveren van je gevel een commissie op je stoep moet dulden die vervolgens in beraad gaat om uit te maken of een gevel in de door jou gewenste kleur inderdaad wel overheidsgeld waard is. Ik vind: iedereen gelijk voor de wet, anders hoeft het niet voor mij.”

 

 

Jeroen Olyslaegers, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Waarom krijgen schrijvers geen 30 procent auteursrecht?”

“Je kan als schrijver overleven door ook columns of toneelstukken te schrijven. Ik moét wel verschillende activiteiten combineren om het leefbaar te houden: pas dan kan ik mijn rekeningen betalen. Het gangbare voorschot voor het schrijven van een roman is 1.500 of 2.000 euro. Pas van zodra je meer dan 5.000 exemplaren verkoopt, begin je een beetje geld te verdienen. En vanaf 10.000 exemplaren zit je goed. Maar dat zijn de uitzonderingen.

“De gemiddelde verkoop van een boek schommelt tussen de 2.000 en 3.000 exemplaren. Vroeger waren dat ook mijn aantallen. Van ‘Wil’ zijn er nu meer dan 40.000 verkocht. Het grote probleem is die 10 procent auteursrecht. Dat percentage geldt wereldwijd, alleen hebben wij de pech dat we in een klein taalgebied leven. Waar gaat die andere 90 procent naartoe? Daar wordt vaak geheimzinnig over gedaan. Ik heb ooit aan verschillende uitgevers voorgesteld om de zaken om te draaien. Op de eerste 5.000 exemplaren zou ik dan 30 procent verdienen, waarna dat percentage stelselmatig zou zakken tot 8 procent, ook als het een gigantische bestseller is. De uitgeverij heeft er dan alleen maar alle belang bij dat het boek goed verkoopt. Maar geen enkele uitgever had oren naar mijn voorstel.”

 

 

 

Erik Vlaminck, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Ik overleef omdat ik combineer”

“Mijn roman ‘Brandlucht’ was een bestseller: daar gingen 10.000 exemplaren van over de toonbank. Ik verdiende er 2 euro per exemplaar aan; dat boek leverde me dus 20.000 euro bruto op. Dat is echt uitzonderlijk. Gelukkig zijn dat auteursrechten: als roerende inkomsten zijn die onderworpen aan een gunstig fiscaal regime van 15 %. Ik kan van mijn schrijverschap overleven omdat ik combineer: naast het schrijven van romans en toneelstukken, geef ik ook nog lezingen. Ik sta ook op de auteurslijst van het VFL en ontvang voor een lezing 100 euro subsidie bovenop de bijdrage van de organisator. Maandelijks verdien ik ongeveer 2.700 euro bruto, inclusief de werkbeurs van het VFL.

“Ik ben al drie keer bij de fiscus moeten langskomen om uitleg te geven over mijn belastingaangifte. De auteursrechtenregeling is zo ingewikkeld dat zelfs belastinginspecteurs er hun jongen niet in thuisvinden. Ik moest hen telkens zeggen hoe de vork aan de steel zit. ‘U zal wel gelijk hebben’, hoorde ik dan. ‘Wij raken er niet wijs uit.’”

 

 

Aantal verkochte boeken: feit & fictie

Auteurs en uitgevers pochen graag dat ze ‘duizenden exemplaren’ van een boek in Vlaanderen verkocht hebben. Maar exacte cijfers worden nooit gecommuniceerd. Die zijn nochtans bekend: marktonderzoeksbureau GfK houdt die in opdracht van Boek.be nauwgezet bij. “De GfK-cijfers zijn een betrouwbaar meetinstrument voor romans op de Vlaamse markt”, zegt Jeroen Overstijns, ceo van Standaard Uitgeverij. “De verkoopcijfers zijn registraties van kassa-aanslagen; veel juister kan niet.”

De Morgen kreeg via een bron toegang tot de ‘geheime’ cijfers van GfK.

Marnix Peeters zou telkens bijna 20.000 exemplaren van ‘De dag dat we Andy zijn arm afzaagden’ en van ‘Natte dozen’ verkocht hebben. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen respectievelijk 5.140 en 6.555.

Van ‘Kijk niet zo konijntje’ zouden er 5000 verkocht zijn. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen 1.657.

Erik Vlaminck zou 10.000 exemplaren van ‘Brandlucht’ verkocht hebben. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen 3.296.

Jeroen Olyslaegers zou meer dan 40.000 exemplaren van ‘Wil’ verkocht hebben. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen 31.613.

 

(c) Jan Stevens

‘In de privé is er nog meer bureaucratie dan onder ambtenaren’

Volgens de Amerikaans-Britse antropoloog David Graeber is driekwart van al onze jobs niets meer dan zinloze verspilling van tijd. ‘De meeste mensen werken al jaren gemiddeld slechts 15 uur per week. De rest gaat op aan onzin.’

 

‘Bullshit jobs’, noemt David Graeber in zijn prikkelende gelijknamige boek de overgrote meerderheid van de functies in de financiële dienstverlening, sales, marketing, human resources, communicatie en administratie. ‘Als bankiers, juristen, consultants, zakenadvocaten, lobbyisten of pr-lui een staking uitroepen, kraait er geen haan naar’, zegt de aan de London School of Economics (LSE) verbonden en met het anarchisme dwepende professor antropologie. ‘Maar als treinmachinisten, schoonmakers of buschauffeurs er de brui aan geven, is het halve land ontregeld. Hun jobs behoren dan ook tot dat kwart dat er écht toe doet en diensten en producten levert waar werkelijk behoefte aan is.’

In 1930 voorspelde de grote econoom John Maynard Keynes dat dankzij de automatisering vóór het einde van de twintigste eeuw de vijftienurige werkweek zou zijn ingevoerd. ‘Keynes had het bij het rechte eind’, stelt Graeber. ‘Alleen zijn de door automatisering verdwenen jobs vervangen door bullshit jobs. De meeste mensen werken al jaren gemiddeld slechts 15 uur zinvol per week. De rest van hun tijd gaat verloren aan volstrekt zinloze activiteiten zoals het versturen van e-mails, het organiseren of bijwonen van motivatieseminars, urenlang vergaderen, het bijwerken van hun Facebookprofiel of het downloaden van televisieseries. Met mijn boek raak ik een open zenuw. Eerder vandaag had ik nog een erg uit de hand gelopen discussie met een collega van u van een Nederlandse krant. In Bullshit Jobs schrijf ik dat bijna veertig procent van alle werkenden vindt dat hun job zin- en inhoudsloos is. De journalist vond mijn statistieken niet accuraat. Volgens hem zou maar tussen de vijf à tien procent van de mensen van oordeel zijn dat ze een bullshit job hebben. Hij haalde daarvoor een andere enquête aan dan degene die ik in mijn boek presenteer. Het probleem met al dat soort onderzoeken is dat veel afhangt van de manier waarop de vragen gesteld worden. De belangrijkste peiling waarop ik steun komt van het Britse YouGov, een onderzoeksbureau met een uitstekende reputatie. Uw collega bleef maar doordrammen over die veertig procent. Ik claim niet dat ik een wetenschappelijke verhandeling geschreven heb, maar wel een boek over een niet onbelangrijk fenomeen: de ‘bullshitisering’ van het werk. Dat leek niet echt bij die mijnheer door te dringen.’

 

Wat is dat precies, een bullshit job of onzinjob?

Graeber: Dat is een baan waarbij degene die ze uitoefent zelf vindt dat het geen verschil maakt als ze zou verdwijnen. Sterker nog: in sommige gevallen geloven mensen zelfs dat de wereld er veel beter bij zou varen als hun eigen bullshit job opgedoekt zou worden. Zes procent van de bullshit jobbers zegt: ‘Ik heb een zinloze job en ik vind dat fantastisch.’ Misschien omdat ze een hekel aan hun gezin hebben en blij zijn dat ze overdag aan hun bureau kruiswoordraadsels kunnen zitten invullen. (lacht)

Zowat alle economen houden ons voor dat mensen dolgraag werk willen, ook al stelt dat niets voor. Want wij zouden rationele wezens zijn die met zo weinig mogelijk inspanning zoveel mogelijk opbrengst voor onszelf nastreven. Als dat echt waar is, moeten mensen die betaald worden om een hele dag te niksen daar zeer blij mee zijn. De werkelijkheid toont een ander beeld: de overgrote meerderheid is diep ongelukkig. Ik heb die wijsheid niet alleen uit de YouGov-enquête gehaald, maar ook uit de massale reacties die ik kreeg op een essay over bullshit jobs dat ik in augustus 2013 voor het magazine Strike schreef. Ik stelde toen voor het eerst dat ik het sterke gevoel had dat onzinjobs wijdverspreid zijn. De maanden erna overstroomde mijn mailbox met verhalen van mensen die dat gevoel alleen maar bevestigden.

 

Steeds meer mensen worstelen met een burn-out. Maar als uw veertig procent onzinbanen min of meer klopt, zijn heel wat burn-outs eerder bore-outs? Mensen die zich niet te pletter gewerkt hebben, maar te pletter verveeld?

Graeber: Dat zou best kunnen. Van een huisschilder weten we dat hij geen inhoudsloze job heeft. Ik ben er zeker van dat hij het meest gruwt van die schaarse momenten waarop hij moet doen alsof hij hard aan het werk is om zijn baas te vriend te houden. Stel je voor dat je hele job eruit bestaat met te moeten doen alsof je ijverig aan de slag bent. Dat is toch vreselijk? Een jonge Egyptische ingenieur die voor een publieke onderneming in Cairo werkt, vertelde me dat hij de hele dag zit te wachten tot ergens in het gebouw de airco uitvalt. Ondertussen houdt hij zich onledig met het invullen van formulieren. Ze kunnen hem net zo goed thuis laten en opbellen als ze hem nodig hebben. Maar dat mag niet, want dan is hij ‘niet aan het werk’. Dus verlegt hij acht uur per dag stapeltjes papier op zijn bureau.

 

Het cliché wil dat vooral ambtenaren daar meester in zijn. Volgens u liggen de onzinbanen in de private sector minstens even dik gezaaid?

Graeber: Ambtenaren omschrijven hun baan minder snel als bullshit job. Natuurlijk bestaan nogal wat overheidsbanen uit een stevige hoeveelheid zinloze bureaucratie, maar de mensen zelf ervaren hun werk niet altijd als zinloos. Bureaucratie is niet exclusief gelinkt aan het overheidsapparaat, integendeel, in de private sector hebben sommige ondernemingen er nóg meer kaas van gegeten. Stel: je hebt pas een nieuwe computer gekocht en het keyboard is kapot. Je stapt ermee naar de winkel en je vraagt een nieuw. Waarop de man achter de toonbank zegt: ‘U moet eerst een afspraak maken met mijn collega die bevoegd is om vast te stellen of uw keyboard kapot is.’ Klinkt dat herkenbaar? Hoe vaak komen mensen niet in een kafkaiaans spektakel terecht wanneer ze met een klein probleem naar hun bank bellen? Ik hing laatst meer dan een uur met acht verschillende personeelsleden van mijn bank aan de lijn over een onnozele internationale overschrijving. Ze konden die zogezegd niet uitvoeren omdat er een probleem was met een of ander overheidsvoorschrift. De private en overheidsbureaucratie gingen op dat moment feilloos in elkaar over. Want al die zogenaamde overheidsregels voor de financiële sector zijn geschreven door de banken zelf. Terwijl ze omkoopgeld aan politici geven, fluisteren ze hen in het oor: ‘Op dat A4-tje staat de regelgeving die wij willen.’ Twee derde van de winst van de grootste Amerikaanse bank JP Morgan Chase is afkomstig van ‘bijdragen en boetes’. Ze hebben er dus alle belang bij om die regelgeving zo ingewikkeld mogelijk te maken zodat ze hun klanten centen kunnen aftroggelen.

 

Private ondernemingen willen winst maken. Zowel aandeelhouders als ceo’s en raden van bestuur hebben er toch geen enkel belang bij om mensen te betalen voor het verrichten van zinloos werk?

Graeber: Dat zou je veronderstellen, maar het kapitalisme heeft intussen een andere logica ontwikkeld. Als je auto’s of lampen fabriceert, wil je inderdaad normaal gezien liefst geen mensen in dienst waar je niets mee kunt aanvangen. Zeker niet als er concurrenten in je sector actief zijn. De uitbater van een restaurant wil ook geen ober die een hele avond rondlummelt. Maar als je JP Morgan Chase bent, geldt een andere werkelijkheid. Want dan heb je alle belang bij een regelgeving die zo dubbelzinnig is dat je klanten voortdurend fouten maken. De boetes die dat oplevert, doen de kassa extra rinkelen. De meeste bullshit jobs vinden we niet voor niets bij banken, verzekeringen en vastgoed. Zij maken momenteel grote winsten die niet gebaseerd zijn op kapitalisme, maar op feodalisme. Het gaat niet over winst door de verkoop van geproduceerde producten, maar over de ene die de andere uitzuigt. Zelfs oude grote industriële bedrijven zoals ‘ons’ General Motors (GM) hebben bijna hun volledige winst te danken aan hun financiële afdelingen. GM verdient zijn geld niet meer door de verkoop van auto’s, maar door de rente op autoleningen.

Productiegerichte beroepen zijn weg geautomatiseerd. Tussen 1910 tot 2000 kalfde het aantal mensen dat in de VS in de industrie- en landbouwsector werkzaam was zienderogen af. In plaats daarvan verdrievoudigde de dienstensector, die eigenlijk vooral een administratieve sector is, met totaal nieuwe bedrijfstakken zoals financiële dienstverlening en telemarketing. Tezelfdertijd groeiden sectoren zoals ondernemingsrecht, onderwijs- en zorgadministratie, human resources en public relations als kool. Driekwart van de Amerikaanse beroepsbevolking werkt vandaag in die zogenaamde dienstensector vol onzinbanen. Daarin zijn dan nog niet eens alle schoonmakers, veiligheidsmensen, pizzabezorgers en hondenuitlaters meegerekend die met hun zinvolle jobs die hele onzinsector aan de praat houden. Maar ook het zinvolle werk raakt steeds meer gebullshitiseerd, denk maar aan de verplegers en leraars die kostbare tijd verloren zien gaan aan het invullen van zinloze documenten. Als docent ben ik een ervaringsdeskundige.

Er is een vorm van ‘manageriaal feodalisme’ geïnstalleerd vol bullshit jobs waarin de ene duurbetaalde consultant de andere goed verdienende middelmanager onzin probeert aan te smeren. Ze troggelen hun klanten losgeld af en herverdelen dat onder elkaar. Net als in de middeleeuwen creëert dat hedendaagse feodalisme eindeloze hiërarchieën van heren, vazallen en bedienden. Al die mensen die luidkeels beweren dat bullshit jobs onbestaande zijn omdat het kapitalisme omwille van de winst komaf maakt met alle onzin, hebben een politieke of ideologische agenda. Het zijn ofwel vrije markt-libertairen ofwel gestaalde marxisten die in de 19e eeuw zijn blijven hangen.

 

Maar veel van de jobs die u als onzinjobs bestempelt, worden toch niet door iedereen zo ervaren? Voor veel mensen geeft hun job net zin aan hun leven.

Graeber: Arbeidssociologen stellen altijd dat de meeste mensen zin halen uit hun beroep. Het paradoxale is dat diezelfde arbeidssociologen ook altijd vaststellen dat de meeste mensen hun job haten. Dat kan toch niet allebei waar zijn? (lacht) Tenzij de meeste mensen hun job zinvol vinden omdat ze ze haten. ‘Ik lijd, dus daarom verdien ik het om er genoeg voor betaald te worden om een huis en een auto te kopen.’

 

U pleit ervoor om alle onzinjobs op te doeken en het zinvolle werk te herverdelen. U pleit ook voor de vijftienurige werkweek en de invoering van het basisinkomen. U bent niet bang dat nogal wat mensen het lastig zullen hebben met al die vrije tijd?

Graeber: Die vijftienurige werkweek is geen fetisj. We kunnen ook veertig uur per week blijven werken en vier maanden vakantie nemen. Sinds Wereldoorlog II zijn we beginnen geloven dat arbeiders met te veel vrije tijd aan de drank raken en door de ledigheid van hun bestaan een depressie ontwikkelen. Ik vind het erg neerbuigend om er zo maar vanuit te gaan dat werkende mensen niet in staat zijn om hun tijd met andere bezigheden zinvol te vullen. Acht uur op een dag werken, is trouwens een vrij recente uitvinding. Zelfs een middeleeuwse knecht werkte maar vier uur per dag.

 

De rest van zijn tijd ging op aan de strijd om te overleven.

Graeber: Dat is waar. Toch had hij meer vrije tijd dan wij en daarom kennen we nog al die folklore van toen. Als morgen de vijftienurige werkweek wordt ingevoerd, zullen heel wat mensen een muziekinstrument leren bespelen, of een nieuw ambacht aanleren. Als antropoloog weet ik best wel hoe het er in samenlevingen vroeger aan toeging. Ik verbleef jarenlang op Madagaskar en schreef een cultuurgeschiedenis over dat eiland. De Madagasken brengen mijn ideale samenleving al eeuwenlang in de praktijk: het zijn boeren die niet meer dan vier uur per dag werken. Monogamie bestaat er niet en iedereen slaapt er met iedereen. (lacht) Weet u wat het echte drama is? Dat de huidige economische leer ontwikkeld is voor problemen uit de 19e eeuw en niet voor de problemen die op ons afkomen. In het verleden draaide het om maximale groei en winst, nu zou het moeten gaan over hoe we de boel aan de praat houden zonder onze planeet te vernietigen. De economische wetenschap zoals ze nu bestaat, is niet ontwikkeld om de klimaatverandering, vervuiling of overproductie aan te pakken. We moeten ons hele systeem herdenken.

 

Naar aanleiding van de financiële crisis voorspelde u opstanden in verschillende Europese landen en een grote economische ineenstorting. ‘Binnenkort zullen onze politici een valse snor moeten opplakken als ze een hapje willen gaan eten’, zei u in 2012 in een interview met Knack. Vandaag lopen onze politici nog niet met valse snorren rond. Hebt u zich vergist?

David Graeber: Helemaal niet. Ik denk dat we er gewoon gewend aan geraakt zijn. Begin juni was ik in San Francisco. Ik was gechoqueerd over wat ik daar zag. In Londen slapen mensen in kartonnen dozen in portieken, maar daar liggen de daklozen gewoon midden op straat. Het is niet voor niets dat er vandaag zoveel zombiefilms in de Amerikaanse bioscopen draaien; ze leven er namelijk in een apocalyptische zombiewereld. Iemand zei me dat de daklozen op straat maar het topje van de ijsberg zijn. Minstens evenveel mensen slapen in hun auto of leven in een camper. Steeds meer zestigers en zeventigers kunnen niet op pensioen en moeten werken tot aan hun dood. Er is zich dus wel degelijk een sociale ineenstorting aan het voltrekken die dertig jaar geleden als catastrofaal beschouwd zou worden. Nu lijken mensen dat heel normaal te vinden.

 

U stond mee aan de basis van Occupy Wall Street in New York en was een van de initiatiefnemers van de bezetting van Zuccotti Park in september 2011. Hoe is het vandaag gesteld met Occupy?

Graeber: De beweging is nog actief, maar dan vooral als fundament voor de Democratic Socialists of America (DSA). Er wordt nu gezegd: ‘Occupy was een mislukking’; ik durf dat sterk te betwijfelen. Want waar zou Occupy gefaald hebben?

 

De VS worden nu geleid door Donald Trump, bijvoorbeeld.

Graeber: Right. Occupy ging niet over het verkiezen van mensen, maar over het niet blijven nastreven van het verkiezen van mensen. Natuurlijk is Trump verkozen, maar dat zegt toch niets over het succes van Occupy? Wij verwierpen net de verkiezingsaanpak.

 

U verwierp de democratie?

Graeber: Nee, wij stelden dat het systeem niet democratisch is. Echte democratie is dat mensen zelf beslissen hoe ze over zichzelf wensen te regeren. Dat is iets helemaal anders dan een systeem waarbij degene die het meeste omkoopgeld kan verzamelen zichzelf kan laten verkiezen. Met Occupy probeerden we een culturele transformatie te bewerkstelligen: we probeerden het gedachtengoed van mensen over democratie en kapitalisme te veranderen. Een paar jaar geleden werd een bevraging georganiseerd bij Amerikanen van 18 tot 30. De meerderheid zei dat ze antikapitalistisch en pro-socialistisch was. Ik stond daarvan te kijken, want het was uniek dat zoveel jonge Amerikanen zich uitspraken voor het socialisme. Occupy mislukt? Komaan, zeg.

 

De Amerikaanse president is Donald Trump en niet Bernie Sanders.

Graeber: Dat komt omdat mainstream links in Amerika niet begrijpt wat mainstream rechts wel doorhad: je moet je gekke radicalen goed soigneren als je de macht wil grijpen. De rechts-radicalen van de Tea Party zijn veel angstaanjagender dan wij van Occupy, maar dat was voor rechtse Republikeinen geen bezwaar om hen tegen de borst te drukken. De Democraten raakten geobsedeerd door het feit dat vijf kerels van Occupy tijdens de bezetting een raam hadden durven inslaan. ‘O nee, met dat uitschot willen we niets te maken hebben.’ Ook al waren de duizenden andere bezetters vreedzaam. Rechtse Republikeinen hadden er ondertussen niet echt een probleem mee dat neonazi’s hun geweren leegschoten. ‘We zijn het niet eens met de shooting, so what?’ Vervolgens gingen ze verder met het knuffelen van hun radicalen. Wij werden door mainstream links onderdrukt. Ik was erbij toen Zuccotti Park op 15 november 2011 hardhandig ontruimd werd. De Democraten hadden eerst gehoopt dat wij ons naar het corrupte systeem zouden schikken. Maar wij bleven erop hameren dat we dat radicaal verwierpen. Voor rechts was het natuurlijk makkelijker, want zij vinden corruptie best oké.

 

U geeft nu les aan de London School of Economics (LSE), een elite-universiteit waar de meeste studenten van rijke komaf zijn.

Graeber: Kent u de stichters van de LSE, Sidney en Beatrice Webb, Graham Wallas en George Bernard Shaw? Aan het eind van de 19e eeuw waren zij vooraanstaande leden van de socialistische Fabian Society. In oorsprong is de LSE dus een links project. Nu al lang niet meer, dat is waar. Enkel het antropologiedepartement houdt nog stand als klein radicaal links bastion. (lacht)

 

David Graeber, Bullshit jobs, Over zinloos werk, waarom het toeneemt en hoe we het kunnen bestrijden, Business Contact, 416 blz., 24,99 euro

 

David Graeber

  • Geboren in 1961 in New York
  • Groeide op als zoon van een communistische vakbondsactiviste en een veteraan van de Spaanse Burgeroorlog
  • Werkte vanaf 1998 als antropologieprofessor aan de prestigieuze Yale University, waar hij zijn anarchistische sympathieën niet onder stoelen of banken stak
  • Zijn contract werd in 2005 niet verlengd, waarna zijn studenten in opstand kwamen
  • Verhuisde een jaar later naar Londen waar hij eerst antropologie doceerde aan Goldsmiths
  • Stond in 2011 aan de wieg van Occupy Wall Street
  • Scheef in datzelfde jaar zijn magnum opus Schuld, de eerste 5000 jaar
  • Ruilde in 2013 Goldsmiths in voor de London School of Economics

 

(c) Jan Stevens

‘Erectieproblemen? Ga naar de cardioloog’

In Amerika is Aaron Spitz voor de popularisering van de kennis over de penis wat Jeroen Meus bij ons is voor de popularisering van de kennis over (groot)moeders keuken. ‘Lengte lijkt voor veel mannen van levensbelang.’

 

In het Amerikaanse tv-programma The Doctors laat uroloog Aaron Spitz geregeld zijn licht schijnen over typisch mannelijke gezondheidskwesties. ‘Tijdens mijn studentenjaren probeerde ik furore te maken als stand-upcomedian’, zegt hij. ‘Die optredens waren een keiharde leerschool, maar ik heb toen wel geleerd om mensen te entertainen en begeesteren. Dat komt me nu in mijn talkshow goed van pas.’ Naast zijn tv-werk runt dokter Spitz een bloeiende urologenpraktijk in Los Angeles, met als specialisatie mannelijke vruchtbaarheid.

Aaron Spitz: ‘Al jaren moet ik vaststellen dat de kennis van veel patiënten over hun eigen geslachtsorgaan niet altijd even accuraat is. Velen schamen zich voor hun jongeheer of geloven dat hij niet aan de gangbare norm voldoet. Daarom besloot ik om Het Penisboek te schrijven, waarin ik geen enkel heet hangijzer uit de weg wou gaan. Ik heb dat met veel humor proberen doen om zo de pil voor de ietwat preutsere man te vergulden. Want de penis is en blijft een gevoelig onderwerp. Het was ook hoog tijd voor een nieuw penisboek omdat er de voorbije jaren veel kennis bijgekomen is over de mannelijke seksualiteit.’

 

Nieuwe kennis?

Spitz: Niet spiksplinternieuw, maar wel van de laatste dertig jaar. Toen ik als dokter in de jaren negentig in urologie aan het specialiseren was, zat Viagra nog in de klinische testfase. Ze hadden pas ontdekt hoe de werkzame stof sildenafil precies werkt. Op dat moment waren er maar weinig middelen voorhanden voor de behandeling van erectieproblemen. Die waren ook niet altijd even sexy of gebruiksvriendelijk, met pompjes, injecties in de penis of een operatieve ingreep. Toen Viagra alle tests doorstaan had en op de markt kwam, konden mannen écht geholpen worden. Want eindelijk hadden we een makkelijke, effectieve behandelingsmethode voor erectiestoornissen. Je slikt een pil en vervolgens krijg je een erectie om u tegen te zeggen. Viagra zorgde ook in het dokterskabinet voor een kleine revolutie, want voortaan voelden artsen zich minder geremd om het onderwerp ‘erectiestoornis’ met hun mannelijke patiënten aan te snijden. Ze hadden nu immers een behandeling aan te bieden die comfortabel was én hielp.

 

Zijn erectiestoornissen dan zo’n groot en wijdverspreid probleem?

Spitz: Zeker. Vanaf hun vijftigste krijgt de helft van de mannen er in min of meerdere mate last van. Sommigen ondervinden af en toe dat hun erectie te wensen over laat, bij anderen wordt het snel een ernstig probleem. Zelfs een gezonde vijftiger ziet zijn erectie soms op cruciale ogenblikken verslappen. Erecties zijn nauw verbonden met de algemene conditie van hart en bloedvaten. De erectie van de penis is een weerspiegeling van de bloedcirculatie doorheen het hele lichaam. Mannen met erectieproblemen lopen risico op verminderde of haperende bloedtoevoer naar hun hart en hersenen. Ze riskeren dus een hartaanval of beroerte. De bloedvaten naar de penis zijn veel kleiner dan die naar het hart of de hersenen. De penisslagaders zijn de kleinste in een mannenlichaam, met een diameter van amper een millimeter. De kransslagaders naar ons hart zijn vijf keer zo dik.

 

De penis is dus de kanarie in de koolmijn?

Spitz: Precies. Als je hem niet meer omhoog krijgt, is het niet onverstandig om naast de uroloog ook even bij de cardioloog langs te gaan. Want vaak zijn erectieproblemen de voorbode van een hartaandoening. Vrouwen hebben de gewoonte om jaarlijks minstens een keer bij hun gynaecoloog langs te gaan, maar de meeste mannen bezoeken na hun tienerjaren amper nog een dokter. In Amerika stappen volwassen mannen pas op hun vijftigste terug bij de arts binnen. Er wordt hen dan verteld dat het hoog tijd is dat ze hun prostaat en hun darmen laten onderzoeken. Al die mannen zouden op dat moment best ook hun cholesterolwaarden laten opmeten en hun hart laten testen.

 

Pleit u ervoor dat alle mannen één keer per jaar bij de uroloog langsgaan, zoals vrouwen bij de gynaecoloog?

Spitz: Toch niet, het zou al fantastisch zijn als ze af en toe eens hun huisarts bezoeken. Die kan hen dan informeren wanneer ze best bij de specialist een afspraak maken. Soms krijg ik mannen met erectieproblemen over de vloer die al een tijd in behandeling zijn voor hart- of bloeddrukproblemen en daar de juiste medicatie voor slikken. ‘Mijn bloeddruk is onder controle dokter, en toch krijg ik hem niet meer omhoog. Ik begrijp er niets van. Mijn vrouw zegt dat ik haar niet meer aantrekkelijk vind. Help!’ Dat is het moment waarop ik Viagra bovenhaal.

 

Is dat middel dan niet gevaarlijk voor mannen met een hartziekte?

Spitz: Dat is wat de legende wil. Toen Viagra pas uitkwam, stierven er een paar mannen aan een hartaanval. Het is een werk van lange adem om die onterechte slechte reputatie van de blauwe pillen de wereld uit te krijgen. Viagra is honderd procent veilig voor je hart. Er is maar één uitzondering: nitroglycerine en Viagra samen kunnen een gevaarlijke cocktail vormen. Nitroglycerine wordt genomen door mensen die angina pectoris of hartkramp hebben. In alle andere gevallen is Viagra veilig, net als Cialis. Die middelen zijn niet verslavend en ondermijnen het gestel niet.

 

In uw boek raadt u de pijnstiller Tramadol aan voor mannen die last hebben van voortijdige zaadlozing. U schrijft: ‘Het middel is niet zo verslavend als de meeste pijnstillers.’ Tramadol is een synthetisch opioïde en familie van het opiaat morfine. Erg onschuldig is dat toch niet? De VS worden geteisterd door een heuse opioïde-epidemie en ook in België ontwikkelen steeds meer mensen een ernstige verslaving aan opioïdes zoals Tramadol.

Spitz: U hebt gelijk: de opioïde-epidemie woedt wereldwijd en Tramadol is inderdaad een opioïde. Maar je kan het enkel op voorschrift krijgen en bij voortijdige ejaculatie wordt het eenmalig ingenomen. Je neemt niet elke zes uur een pil om de pijn te bestrijden, enkel wanneer je wil vrijen. Ik begrijp uw bezorgdheid over Tramadol, want mensen die er verslaafd aan zijn, zoeken continu manieren om aan voorschriften te geraken. Ik schrijf het daarom enkel voor wanneer ik zekerheid heb over de motieven van de man die voor me zit. Ik vraag mijn patiënten altijd of ze gevoelig zijn aan verslaving. Want er is een alternatief: paroxetine, alleen moet je dat dan elke dag in een lage dosis innemen. Paroxetine is een niet-verslavend antidepressivum dat het serotonineniveau in de hersenen opkrikt. In België wordt het verkocht onder de merknaam Seroxat. Als bijwerking onderdrukt het het spinale ejaculatiecentrum. Dat is ideaal voor mannen die te snel klaarkomen. Als je van jezelf vindt dat je veel te snel klaarkomt, hoef je trouwens niet meteen je toevlucht tot pillen te nemen. Er zijn sprays op de markt die de gevoeligheid van de zenuwen in de penis verminderen, waardoor je de ejaculatie kunt uitstellen. Meestal zit daar een verdovende stof zoals lidocaïne in. Hoe meer je ervan op je penis spuit, hoe groter het effect. Er zijn ook condooms in de handel met een glijmiddel met dezelfde werking.

 

Is voortijdige ejaculatie net zo’n groot probleem als erectiestoornissen? Of schatten mannen verkeerd in hoe lang ze het moeten volhouden?

Spitz: Veel mannen worstelen daarmee. Gedeeltelijk is dat omdat seks een recreatieve sport lijkt te zijn geworden. (lacht) Vroeger diende seks vooral om onze genetische code te laten voortbestaan. De man die het snelste kon ejaculeren, was het best uitgerust om de soort te laten overleven. Tijdens het copuleren in de wilde natuur was de man kwetsbaar: hoe sneller dat achter de rug was, hoe sneller hij weer paraat was om zijn vijanden het hoofd te bieden. De mens ontwikkelde verder en kreeg meer controle over zijn seksuele activiteit. Vandaag controleren we zelfs of onze vrijpartijen nageslacht zullen opleveren. De menselijke verwachtingen over de kwaliteit van seks liggen veel hoger dan ooit tevoren. Bij sommige mensen misschien té. Een man die vindt dat hij te snel klaarkomt, drukt dat altijd uit in tijd. Zelden of nooit vraagt hij zich af of zijn partner dat misschien wel prettig vindt. Voortijdige ejaculatie is geen ziekte, toch wordt algemeen aangenomen dat het een probleem kan zijn als je het niet langer dan twee minuten volhoudt en daar gestresseerd door raakt. Maar als zowel jij als je partner het fijn vinden dat je snel kan ejaculeren, is er toch geen enkel probleem?

 

Speelt lengte een rol?

Spitz: Lengte lijkt voor veel mannen van levensbelang. Toen ik me als uroloog aan het specialiseren was, vroegen zowat al mijn mannelijke vrienden: ‘Bestaat er een pil die de penis kan verlengen?’ En ze vroegen dat niet uit puur wetenschappelijke interesse. (lacht) U kunt zich niet voorstellen hoeveel patiënten met advertenties voor penisverlenging voor de dag komen. ‘Dokter, wat denkt u hiervan? Deugt dit middel?’ Sommige middeleeuws uitziende folterapparaten kunnen de penis na urenlange reksessies een klein beetje verlengen, maar het sop is de kool niet waard. De meeste mannen hebben trouwens een fout beeld van de ideale penislengte. De kerels die ze in pornofilms aan de slag zien, hebben allemaal een buitengewoon groot geschapen lid. Dat is ook net een van de redenen waarom die heren het tot pornoacteur geschopt hebben. De meeste gewone mannen zien in hun dagelijkse leven weinig realistisch vergelijkingsmateriaal. Sommigen douchen een keer per week na het sporten samen, en daar houdt het op. Hun foute informatie over penislengte halen ze op pornosites. Door het internet en de smartphone is porno altijd en overal beschikbaar. Dat was vroeger toch anders; ik ging bij een vriend langs die wist waar de blootblaadjes van zijn vader lagen. Wie alle dagen porno kijkt, raakt er snel verslaafd aan en wil steeds extremere beelden zien. Hardcore porno is ook à volonté voor kinderen beschikbaar. Dat kan onmogelijk gezond zijn; het zorgt voor een compleet vertekend beeld van wat seks is. De explosie van internetporno gaat niet voor niets gepaard met een opvallende verhoging van het aantal erectiestoornissen.

Als uroloog heb ik ondertussen duizenden piemels gezien. Ik weet dat de overgrote meerderheid van de stijve penissen geen twintig centimeter lang is, maar gemiddeld iets meer dan dertien centimeter, met een marge van 2 centimeter. De lengte van een slappe penis is gemiddeld negen centimeter. Uit gedegen onderzoek blijkt dat grotere mannen vaak een grotere piemel hebben, maar dat is niet altijd zo. Er zijn ook zwakke correlaties gevonden met de schoenmaat en met de relatieve grootte van de wijsvinger ten opzichte van de ringvinger. De grootste verschillen tussen penissen zie je wanneer ze slap zijn.

 

U gebruikt daar de plastische begrippen ‘bloedlul’ en ‘vleeslul’ voor.

Spitz: Die heb ik niet verzonnen, maar worden frequent gebruikt. De vleeslul ziet er in slappe conditie vrij groot uit, maar groeit niet zoveel als hij stijf wordt. Een bloedlul lijkt eerder aan de kleine kant, maar groeit stevig als hij in actie treedt. In erectie verschillen ze niet zoveel van elkaar. Ongeveer vijftig procent van de mannen gelooft dat hun partner vindt dat ze te klein geschapen zijn. Maar tachtig procent van de partners blijkt dan weer tevreden te zijn over de lengte van meneers jongeheer. Mannen hebben dus niet alleen een vertekend beeld van hoe een normale penis eruitziet, maar schatten ook de verwachting van hun partners verkeerd in. De vagina is gemiddeld 9,6 centimeter diep, met een marge van anderhalve centimeter. Het maakt dus eigenlijk niet zoveel uit of je als man een paal van 20 of 10 centimeter hebt. Mannen moeten dringend meer met hun partners praten over hoe ze het liefdesspel ervaren.

 

U schrijft dat er een rechtstreekse link is tussen ‘het grote en het kleine koppie’.

Spitz: Veel complexe neurologische en neuro-chemische processen moeten gecoördineerd samenwerken om de erectie en ejaculatie mogelijk te maken. Als die processen verstoord raken, blijft er enkel slapte over. Er zijn triggers in je hersenen die seksueel verlangen in gang zetten en triggers die het blokkeren. Maar ook je testosteronspiegel speelt een rol. De belangrijkste chemische stof in je hersenen die invloed op je erecties heeft, is adrenaline. Je maakt adrenaline aan op stressmomenten. Het helpt je een aanval te doorstaan. Adrenaline opent de bloedvaten naar je longen, hart, lever en spieren, zodat je klaar bent om te vechten of te vluchten. De stof trekt je bloed vanuit je uiteinden van je lichaam naar het centrum. Op momenten van stress zit er dus minder bloed in je armen en benen. Bij een aanval met een mes of een bijl, of na een beet van een dier, zal je zo niet te veel bloed via je uiteinden verliezen. Adrenaline houdt bij stress het bloed bij de vitale organen. Vervelend bijverschijnsel is dat ook de bloedtoevoer naar je penis wordt afgesloten.

 

Stress is nefast voor de seksuele feestvreugde?

Spitz: Ja. Stress en adrenaline helpen ons moeilijke omstandigheden te overleven. Alleen krijgen we in deze moderne wereld stress van zaken die niet levensbedreigend zijn. Ons lichaam reageert dan alsof een grizzly ons in de pan wil hakken. Als journalist hebt u waarschijnlijk last van stress omdat u deadlines moet halen. Op die momenten zorgt de adrenaline ervoor dat het bloed uit uw penis gezogen wordt, recht naar uw vitale organen. U zal dan geen erectie kunnen krijgen of uw erectie zal er snel de brui aan geven.

Een man is aan het vrijen, maar wordt afgeleid door iets banaals waardoor hij zijn erectie verliest. De kans is reëel dat hij vanaf dat moment erectiestoornissen ontwikkelt. Want de eerstvolgende keer dat hij van bil wil gaan, zoemt in zijn achterhoofd de gedachte: ‘Wat als het me weer overkomt?’ Die gedachte alleen al zorgt voor stress en zet de aanmaak van adrenaline in werking. De rest kan u wel raden. Na een paar mislukte vrijages raakt onze arme man gevangen in een vicieuze cirkel.

 

En moet hij in therapie?

Spitz: Voor veel mannen met een erectieprobleem als gevolg van stress, is therapie bij een in seks gespecialiseerde psycholoog de beste oplossing. Maar vaak moet ik vaststellen dat die drempel voor veel patiënten te hoog ligt. Ik vind dat jammer, want eens die gedachte ‘dat het zal misgaan’ diep in je brein ingeplant is, krijg je ze er moeilijk weer uit. Integendeel, ze wordt alleen maar krachtiger.

 

Hoe houden mannen hun penis gezond?

Spitz: De basis van alles is de manier waarop de penis werkt: de bloedtoevoer zorgt ervoor dat hij gaat zwellen en dat wij een stevige erectie krijgen. Een gezonde bloedsomloop zorgt voor een gezonde penis. Vanuit de wetenschap weten we dat de sleutel tot een goede bloedsomloop stikstofmonoxide is, in de scheikunde NO gedoopt, of stikstof en zuurstof. Die moleculen zetten de slagaders naar de penis wijd open en voeden en versterken de bloedvaten. NO wordt aangemaakt uit gezonde voeding en afgebroken door ongezonde voeding. Als je een gezonde penis wil, let je op je voeding en eet je best plantaardig of veganistisch. Voedsel op basis van planten dat niet geraffineerd is: groenten, fruit, noten, bonen en volkorenproducten. Vermijd alles wat in blik of plastic verpakt is.

 

Hipsters hebben dus de gezondste penissen?

Spitz: Vermoedelijk. (lacht) Ik hoor sommige lezers van uw blad nu roepen: ‘Ik ken een viriele negentiger die alle dagen whisky drinkt, sigaren rookt en biefstuk eet.’ Beste lezers, die man is een uitzondering. Twintigers of dertigers die graag hun stevige erecties willen behouden, schakelen zo snel mogelijk over op het veganisme. Net als een zeventiger die nog lang van zijn erecties wil blijven genieten. Dit advies heeft niets te maken met ideologie, maar alles met wetenschappelijk onderzoek. Als het je niet lukt om honderd procent veganistisch te eten, is negentig procent ook goed.

 

Bent u full blown veganist?

Spitz: Nee, ik zit aan negentig procent. Ik ben veganist omdat ik gezond wil blijven, maar het veganisme heeft als groot bijkomend voordeel dat het ook ecologisch verantwoord is. Nog belangrijk voor een gezonde penis is voldoende sporten. Want ook bewegen is essentieel voor een goede bloedcirculatie. Net als voldoende slaap, iets wat te veel moderne mensen verwaarlozen.

 

In uw boek vond ik een paar recepten die de smaak van sperma zouden beïnvloeden. Zo is er het recept voor ‘ananasverrassing’: ‘Meng 200 gram blokjes ananas, 1 in stukjes gesneden kiwi en 100 gram bosbessen. Consumeer 1 uur voor de verhoopte fellatio.’ Hebt u dat zelf uitgetest?

Spitz: Mijn vrouw had geen zin in veldonderzoek. (lacht) Het zal u misschien verbazen, maar als uroloog krijg ik regelmatig de vraag: ‘Dokter, hebt u tips om mijn sperma lekker te maken?’ In de wetenschappelijke literatuur vind je daar helaas niet veel over terug. Sommige sperma-ingrediënten smaken of ruiken zelfs smerig, zoals de amines, ammoniakachtige moleculen. Ze luisteren naar namen als ‘cadaverine’, van kadaver, en ‘putrescine’, van putrefactie of ontbinding. Ik hoop dat ik toch een paar recepten gevonden heb die sperma een beetje kunnen pimpen.

 

Aaron Spitz

  • Geboren in 1966 in Miami Beach, Florida
  • Studeert in 1988 af als politicoloog en begint daarna een opleiding geneeskunde
  • Studeert in 1998 af als uroloog
  • Heeft sinds 1999 zijn eigen praktijk in de buurt van Los Angeles
  • Is sinds 2006 onderzoeksprofessor aan de Universiteit van Californië, gespecialiseerd in mannelijke vruchtbaarheid
  • Groeide vanaf 2008 uit tot ‘Amerika’s favoriete penisdokter’ dankzij het tv-programma The Doctors

 

Aaron Spitz, Het Penisboek, Thomas Rap, 336 blz., 19,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Veel kinderen zijn doodsbang van de vrijheid’

Psychiater en tachtiger Boris Cyrulnik verrichtte pionierswerk naar de verwerking van trauma’s uit de kindertijd en muntte het begrip ‘veerkracht’. ‘Mijn leven lang onderschatte ik de rol van één psychotherapeut: God.’ Om dat goed te maken, schreef hij God als therapeut.

 

Neuropsychiater Boris Cyrulnik is wereldberoemd in Frankrijk én ver daarbuiten voor zijn baanbrekend onderzoek naar traumaverwerking. In 2001 publiceerde hij zijn ultieme bestseller Les vilains petits canards, vertaald als Veerkracht. Daarin bouwde hij verder op de hechtingstheorie van de tien jaar eerder overleden Britse psychiater John Bowlby. Volgens Bowlby zijn kinderen geprogrammeerd om zich te hechten aan hun ouders of opvoeders. Als die hechting fout loopt, betalen de kinderen daar soms een levenslange prijs voor met relatieproblemen, depressie, verslaving of angst. Boris Cyrulnik introduceerde het begrip résilience of ‘veerkracht’. Op de bodem van de put ligt volgens hem de sleutel voor heling en misschien zelfs voor herstel van mislukte of onveilige hechting. Onze natuurlijke veerkracht is onze beste bondgenoot in de strijd tegen de gevolgen van vreselijke trauma’s als oorlog, incest, terreur, mishandeling of misbruik. Gespecialiseerde therapie kan daarbij helpen.

Cyrulnik putte voor zijn theorie over ‘veerkracht’ uit ervaringen die hij als psychiater had opgedaan met jeugdige delinquenten, maar ook uit wat hij zelf als kind had meegemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog. ‘Toen ik in 2010 in Congo in een opvangcentrum van Unicef kindsoldaten ontmoette, werd ik verrast door de kracht die de zwaar getraumatiseerde jongens uit hun geloof putten’, zegt hij. ‘Een jongen van een jaar of tien met ogen vol angst zei me: “Ik voel me alleen goed in de kerk.” Het instituut kerk en God leken hem veerkracht te geven. Op dat moment voelde ik de noodzaak om dat fenomeen dieper te gaan onderzoeken, met behulp van de moderne psychologie, de neurowetenschappen en de hechtingstheorie. Want ik kon niet anders dan vaststellen dat God soms een uitstekende therapeut is.’

 

Gelooft u zelf in God?

Boris Cyrulnik: Nee. Dat verrast u na lezing van mijn boek God als therapeut? (lacht) Ik heb heel lang een praktijk gehad als psychiater en kreeg soms patiënten over de vloer die gebukt gingen onder immens verdriet. Sommigen hadden een kind verloren; anderen hadden hun partner zien sterven. Zij vertelden me hoe ze zich in hun lijden gesteund voelden door hun geloof in God. Ik stond dan altijd met mijn mond vol tanden, want als neuroloog en psychiater wist ik niet wat ik daarmee moest aanvangen. Ik hoorde hen vertellen dat God hen hielp, maar ik had daar geen verklaring voor. Tijdens mijn onderzoek naar veerkracht hoorde ik soms ook van collega’s hoe zij op moeilijke momenten in hun leven houvast vonden in hun geloof in God. Dat fascineerde me, want zelf had ik als kind al geen God. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verdween mijn hele familie. Ik ben geboren in 1937 in Bordeaux. In 1944 werden mijn ouders gearresteerd en naar Auschwitz gebracht. Ze waren joods en ‘verdwenen’. De avond voor mijn moeder op transport gezet werd, had ze me bij een pleeggezin ondergebracht. Die mensen gingen me bijna meteen aangeven bij de met de nazi’s collaborerende politie. Zuid-Frankrijk werd toen gecontroleerd door het Vichy-regime. Ik was zes en een half jaar toen ikzelf door de beruchte Maurice Papon en zijn agenten gearresteerd werd. Ze vielen ’s nachts binnen en ze droegen zonnebrillen. Ik herinner me nog dat ik dacht: ‘Waarom dragen die mannen donkere brillen? Het is toch pikdonker buiten?’ Ze namen me mee en veroordeelden me bijna meteen tot de doodstraf. Ze sloten me op in een tot gevangenis vertimmerde synagoge in Bordeaux. Op een onbewaakt ogenblik kon ik me verbergen in een vals plafond en zo ook ontsnappen. Daarna leefde ik ondergedoken als ‘Jean Laborde’ bij een christelijk gezin dat joden hielp. In Frankrijk worden die mensen nu ‘Les Justes’ genoemd. Ik kon toen onmogelijk in God geloven omdat niemand me kon vertellen wie God echt is of hoe ik tot God moest bidden. Geen jood of christen kon me uitleggen waar God gebleven was op het moment dat mijn ouders vermoord werden. Na de oorlog was ik overtuigd atheïst. Wat niet wil zeggen dat ik nergens meer in geloofde. Ik geloofde in kunst, literatuur, humanisme, geneeskunde, filosofie.’

 

Een oom van mijn vrouw zat tijdens WO II in het verzet. Hij werd gearresteerd en overgebracht naar het concentratiekamp Mittelbau-Dora in Oost-Duitsland. Op het einde van de oorlog overleefde hij een dodenmars. Hij beschouwde zijn redding als een persoonlijke interventie van God. Hij is nu 94 en nog steeds diepgelovig.

Cyrulnik: Hij is geen uitzondering. Meer mensen die de kampen overleefden, kwamen zo dichter bij God. Maar het tegengestelde is ook waar: velen namen toen afscheid van God. Na Auschwitz zeiden sommigen: ‘Het is voortaan onmogelijk om nog in God te geloven. Als hij echt zou bestaan, had hij die verschrikking verhinderd.’ Er zijn ook verhalen van mensen die Auschwitz niet overleefd hebben, maar die er toch God vonden als troost. Voor hen was het een manier om te verwerken wat hen werd aangedaan. De overlevenden van de kampen die God als beschermer zagen, zoals de oom van uw vrouw, zijn blijven geloven.

 

U schrijft dat het godsbeeld van mensen bepaald wordt door hoe ze als baby hun ouders over God hoorden praten.

Cyrulnik: Ons geheugen zit vol herinneringen. De aard van die herinneringen wordt bepaald door onze allereerste interacties met andere mensen en door wat voor jeugd we gehad hebben. Kent u de verhalen van Gargantua en Pantagruel van de 16e-eeuwse grootmeester François Rabelais? Hij was naast schrijver net als ik ook arts in het zuiden van Frankrijk. Zijn geesteskind Gargantua begon meteen na zijn geboorte te spreken. Zijn eerste woorden waren: ‘Wijn, wijn! Ik wil wijn drinken!’ (lacht) Gargantua is een literair verzinsel en er is geen enkel kind dat voor zijn twintigste levensmaand een zinnig woord zal zeggen. Maar een baby hoort zijn moeder in die allereerste levensmaanden wel praten over haar God. Zij presenteert haar godsbeeld aan haar pasgeborene. Later zal dat kind in de God van zijn moeder geloven. In God geloven, is dus eigenlijk ook een manier van affectie delen met elkaar.

Als ik het over ‘God’ heb, gaat het niet over de christelijke, joodse of islamitische religie. Want de voorbije decennia hebben veel mensen in het westen de religie de deur gewezen, maar niet de spiritualiteit of het transcendente. Religie en spiritualiteit zijn niet hetzelfde. Spiritualiteit is universeel, terwijl religie cultureel bepaald is.

 

Wie niet in God gelooft, kan spiritueel zijn?

Cyrulnik: Zonder twijfel. Een mens heeft geen nood aan een instituut om toegang te hebben tot een vorm van spiritualiteit. Maar als je een religieus gelovig mens bent, heb je wel een kerk, synagoge of moskee nodig om anderen te ontmoeten en te bidden tot jouw God. Religies zijn producten van culturen en spiritualiteit zit in elke mens, ongeacht tot welke cultuur hij behoort. Spiritualiteit is het overstijgen van de werkelijkheid, in de richting van het ‘goddelijke’.

 

Er zit dus ook spiritualiteit in atheïsten?

Cyrulnik: Maar natuurlijk. Atheïsten die ervan overtuigd zijn dat er geen greintje spiritualiteit in hen zit, vergissen zich. Volgens mij is het trouwens onmogelijk om in niets te geloven. Ook atheïsten hebben een geloof: het geloof dat God niet bestaat. Dus ook atheïstische moeders en vaders delen met hun kind hun spiritualiteit. Alleen is God dan vervangen door muziek, kunst, literatuur of grote humanistische waarden. Voor transcendentie of het overstijgen van het aardse heb je de figuur van God niet per se nodig.

 

Dat is dan een vorm van religieus atheïsme: God bestaat niet, maar toch overstijgt de werkelijkheid ons en is niet alles zinloos?

Cyrulnik: Precies. Het belangrijkste is dat door die spirituele link met de ouders de interne wereld van het kind gevoed wordt, lang voor het zijn eerste woordjes brabbelt. Een kind ontwikkelt altijd in een context, in een structuur en neemt gebeurtenissen waar. Dankzij moeders verhalen over God of het spirituele zal het kind zodra het begint te spreken, ook in staat zijn om een wereld te voelen die niet waarneembaar is. Baby’s ontwikkelen zich in de gevoelsomgeving die hun ouders voor hen creëren. Geen enkele pasgeborene gelooft in God. Maar de manier waarop een kind van God zal houden, hangt af van de hechting die hij van huis uit meekreeg. Als zijn ouders op een vriendelijke, beschermende manier over God praten, zal het kind God zien als iemand die veiligheid en zekerheid biedt. Maar als vader en moeder enkel over een streng en straffend opperwezen vertellen, wordt het kind bang van God.

 

Veel mensen hebben geen boodschap aan God of spiritualiteit. Zij zijn vooral geïnteresseerd in het materiële en vertellen hun pasgeborenen geen spirituele verhalen.

Cyrulnik: Dat is heel jammer, want het materiële, geld of consumptie hebben geen moraliteit of ethiek. God wel: Hij schrijft voor hoe we moeten samenleven. Die goddelijke moraliteit of ethos hangt af van de cultuur waaruit de figuur van God stamt. De regels van God geven meteen ook structuur aan de samenleving. In sommige culturen kan je de maatschappelijke ethos samenvatten als leven voor God en niet voor het goud.

 

Voor de gezonde evolutie van een kind in de samenleving is de hechting aan God of spiritualiteit even belangrijk als de hechting aan de ouders?

Cyrulnik: De hechting aan God is net als de hechting aan een vader. U kent de katholieke gebedsregel misschien nog: ‘Onze Vader die in de hemelen zijt.’ God wordt vaak geportretteerd als een oude man met een lange grijze baard. Religies leren aan kinderen dat ze God even graag moeten zien als hun ouders. Soms wordt hij voorgesteld als streng en bestraffend en soms als vredevol en vergevingsgezind, als een echte vaderfiguur.

 

Sommige kinderen worden door hun ouders mishandeld of misbruikt. God als vader is daar ook toe in staat?

Cyrulnik: Als je als kind door je ouders mishandeld of misbruikt werd, draag je daar soms de rest van je leven de gevolgen van. Wanneer ouders dan op een bepaald moment tegenover jou erkennen dat ze fouten gemaakt hebben, kan dat de start zijn van een verbeterde relatie. Iets gelijkaardigs geldt inderdaad ook in onze verhouding met God. Als je als kind geconfronteerd werd met een bestraffende, strenge, harteloze God, is de kans groot dat je op een dag met slaande deuren afscheid van hem neemt. Je zweert God af en wordt bijvoorbeeld strijdend atheïst. Maar van zodra je in je leven met pijn, lijden en angst geconfronteerd wordt, is de kans niet gering dat je je toch tot God zal richten.

De Frans-Belgische schrijver Éric-Emmanuel Schmitt verdwaalde eind jaren tachtig tijdens een wandeltocht in de Sahara. Hij moest er in zijn eentje overnachten, zonder voedsel of water. Hij dacht dat hij ging sterven, en kreeg die nacht een religieuze ervaring. Hij voelde extatisch geluk en noemde dat ‘God’. ‘s Anderendaags werd hij gered, en hij ging voortaan als een gelovig mens door het leven. Een vriend van mij is een verwoed zeiler. Hij geloofde niet, maar betrapte zich erop dat hij tijdens een zeer zware storm op zee tot God begon te bidden. Hij was ervan overtuigd dat hij de storm niet zou overleven. Hij voelde zich enorm schuldig, want hij had iemand overtuigd om samen met hem te gaan zeilen, terwijl er slecht weer in de lucht hing. Tijdens die storm ging hij door de knieën en bad tot God. Vandaag gelooft hij nog steeds.

Momenten van gevaar en grote ongerustheid triggeren onze nood aan God. Maar op momenten van vrede, welvaart en welzijn zetten we God makkelijk aan de kant. In Canada waren God en de kerk generaties lang ontzettend belangrijk. Het geloof bepaalde er de ordening van de samenleving. In amper één generatie is dat zo goed als verdwenen. De verklaring daarvoor is volgens mij dat de staat er de rol van God heeft overgenomen. De Canadese overheid voorziet nu in alles wat een kind nodig heeft: school, bescherming en veiligheid. God heeft er steeds minder in de pap te brokkelen. Wij trekken allemaal een beetje op Canada. Hoe minder miserie we in ons leven hebben en hoe beter het ons vergaat, hoe minder behoefte we hebben aan God. Maar de dag dat we een geliefde verliezen of ons leven aan een zijden draadje hangt, richten we ons, al dan niet ver van de schijnwerpers, met onze smeekbeden naar boven. Veel ongelovigen laten zich nog steeds begraven in een kerk. Dat is omdat we als mens nood hebben aan de troost van dat soort van rituelen. Op zo’n momenten wordt God onze therapeut.

 

God en rituelen zijn belangrijk voor onze psychische gezondheid?

Cyrulnik: Jazeker. Rituelen geven structuur aan ons bestaan en op het moment dat de staat God vervangt, verliezen we een flink pak van die rituelen die onze bakens waren. Dat verlies van God impliceert ook een verlies aan waarden, ethiek en moraliteit. Dat is problematisch, want hoe meer we ons hechten aan het materiële, hoe egoïstischer we worden. Wanneer God uit onze samenleving verdwijnt, vergeten we hoe we moeten samenleven met andere mensen. Een kind leert dan niet langer om rekening te houden met anderen en empathie wordt selectiever.

 

Maar een opvoeding met God kan toch ook tot onvoorstelbare gruwel leiden? Denk maar aan de kinderen van de Islamitische Staat.

Cyrulnik: Van zodra een geloofsgemeenschap zich afsluit van de rest van de wereld, wordt het extreem gevaarlijk. In een sekte is er enkel nog empathie voor de andere sekteleden. De buitenwereld is de vijand en moét bestreden worden, of op zijn minst genegeerd. Enkel de eigen God telt en alle andere goden zijn des duivels. Kijk, de essentie is: we hebben allemaal behoefte aan onze God, maar we moeten ons er altijd goed bewust van zijn dat er nog andere goden bestaan die minstens evenveel recht van spreken hebben. Vandaag zijn er op aarde 35.000 verschillende goden. Ze zijn stuk voor stuk nuttig voor alle mensen die erin geloven, net zoals onze God nuttig en noodzakelijk is voor ons.

 

Veel jonge mensen nemen op een bepaald moment afscheid van de God van hun ouders.

Cyrulnik: Dat gold misschien voor uw generatie, maar ik merk dat kinderen vandaag naar de schaapsstal terugkeren. Net nu God door de staat compleet verdrongen lijkt te zijn, keren heel wat jonge mensen terug naar de God van hun voorouders. Ik zie die evolutie iets minder bij christenen, maar vooral bij moslims en joden. Steeds meer jonge moslims hullen zich in kledij die de eerste volgelingen van de profeet Mohammed gedragen zouden hebben. Er worden zelfs bizarre zwempakken ontworpen én gedragen die in Arabische landen verboden zijn omdat ze in strijd zouden zijn met de islam. Tot voor een paar jaar kwam je op straat nauwelijks joden met een keppeltje tegen, nu zie ik overal jonge mannen met een keppeltje op. Piepjonge joden keren terug naar de godsdienst van oma en opa. Ze gaan langs bij de rabbijn en vragen hoe ze moeten bidden en geloven. Hun geseculariseerde ouders staan daar met open monden naar te kijken. Mama en papa gingen indertijd samenwonen of trouwden enkel op het gemeentehuis, maar zoon- en dochterlief vragen aan de rabbijn advies over hoe ze best moeten huwen. De ouders moesten zichzelf vrijvechten, weg van onder wat zij ervaarden als het juk van het geloof en de geestelijkheid. Vol verbazing kijken ze nu naar hun kinderen die afstand nemen van die vrijheid, zich onderwerpen aan de rabbijn en terugkeren naar wat zij ooit als verstikkende regels ervoeren. Het gaat heel ver, hoor. Veel jonge joden zien het huwelijk niet langer als een bezegeling van de liefde tussen twee mensen, maar als een manier om onder toezicht van de rabbijn de samenleving in te richten.

 

Die jonge generatie bouwt vol overgave aan de restauratie van een door God gedomineerde conservatieve samenleving?

Cyrulnik: Ja, zonder twijfel. Dat vindt nu toch onder onze ogen plaats? Westerse samenlevingen beleven een terugkeer naar conservatieve waarden. Daar is ook een verklaring voor: veel kinderen zijn doodsbang van de vrijheid waarin ze geboren zijn. Ze hebben nood aan houvast en structuur en vluchten daarom in de armen van een autoritaire God. Te veel vrijheid voor kinderen levert alleen maar angst en onzekerheid op. Ze hebben nood aan een duidelijk opvoedkundig pad. Praat met leerkrachten op lagere en secundaire scholen en zij zullen u vertellen dat steeds meer jongens en meisjes worstelen met problemen die het gevolg zijn van een gebrek aan structuur in gezin en samenleving. Ze hunkeren naar autoriteit, want dat kalmeert hen en biedt zekerheid.

 

 

Boris Cyrulnik, God als therapeut, Lannoo, 272 blz., 24,99 euro

 

 

 

Boris Cyrulnik

  • Geboren in 1937 in Bordeaux
  • Studeerde in de jaren zestig geneeskunde en psychiatrie aan de Faculté de médecine de Paris
  • Is als neuropsychiater verbonden aan de universiteit van Toulon
  • Schreef verschillende populair-wetenschappelijke boeken over psychologie
  • Introduceerde in 2001 voor het grote publiek de theorie over résilience of veerkracht
  • Richtte in 2013 L’Institut Petite Enfance op voor opleiding van hulpverleners en onderzoek naar de vroege kinderjaren

 

(c) Jan Stevens

Het WK voetbalgokken

Het WK voetbal zorgt voor hoogspanning in wedkantoren en op goksites. “Het vertrouwen in de Rode Duivels is groot en wij profiteren daarvan”, glundert de directeur online van de marktleider in sportgokken. Intussen boomt in de hulpverlening het aantal piepjonge probleemsportgokkers. “Vroeger waren ze verslaafd aan bingo, nu aan online voetbalwedden.”

 

Hulpverlener Ronny Willemen van het Centrum voor Alcohol- en andere Drugproblemen (CAD) Limburg krijgt dagelijks mensen met een gokverslaving over de vloer. “Vroeger waren ze verslaafd aan bingo en elektronische roulette”, zegt hij. “Nu aan sportwedden. Online wordt er vooral gespeeld door zeer prille twintigers, want ‘live betting’ via de smartphone is hip. Die weddenschappen zijn de voorbije jaren zo opgepept dat ze op casinospelen lijken. De spelers kennen meteen het resultaat en zetten direct weer in. Toen sportgokken nog enkel in wedkantoren plaatsvond, was het relatief ‘onschuldig’. Je zette in vóór de match en pas nadien kende je het resultaat. Nu zet je tijdens de wedstrijd op alles en nog wat in, en is de spanning extreem hoog. Spelers raken in een rush, hebben geen oog meer voor de match, maar alleen voor winst of verlies. 1 op 5 online sportgokkers ontwikkelt zo een gokprobleem. De meesten zijn nog geen 29.”

In de aanloop naar het WK voetbal organiseerde de Kansspelcommissie een preventiecampagne voor online sportweddenschappen. De campagne kwam er op initiatief van minister van Justitie Koen Geens (CD&V). Wie liever geen lid van de voetbalclub FC Losers wordt, gokt volgens #Fanvanverliezen best enkel met geld dat hij kan missen. Bijna tezelfdertijd lanceerde de belangenvereniging van de kansspelsector BAGO (Belgian Association of Gaming Operators) haar eigen preventiecampagne #Playsafe. Met haar vijf leden (Ardent Group, Napoleon Games, Golden Palace, Unibet en BetFirst) vertegenwoordigt BAGO 70% van de Belgische gokindustrie. “Laat het spel niet met jou spelen. Speel verantwoord”, luidt haar advies.

Sportwedden is booming business, zeker nadat in 2011 onlinegokken in België officieel werd toegelaten. In 2015 werd er in ons land voor ruim 206,4 miljoen euro op sportwedstrijden gewed: 60,9 miljoen online en 145,5 miljoen offline – 22,4 procent meer dan het jaar voordien. In 2015 was er nochtans geen EK of WK voetbal. In vergelijking met 2011 steeg het sportgokken zelfs met 276,74 procent. Volgens onderzoek van de UC Leuven-Limburg waagde 51,5 procent van de Vlaamse jongeren tussen 12 en 20 jaar in 2016 al eens een gokje offline. 23,5 procent gokte online; de meesten op sportwedstrijden. Bijna 4 procent vergokte minstens wekelijks online zijn zakgeld.

Tijdens het WK gokten tot hiertoe dagelijks 110.000 Belgen online tijdens de wedstrijden. Een verdubbeling tegenover eind mei, toen dagelijks ongeveer 50.000 spelers actief waren. Op de openingswedstrijd van de Rode Duivels tegen Panama werd er door 123.000 mensen online gewed. 9.341 nieuwe spelers registreerden zich die dag, tegenover 2.000 op een gewone dag begin mei. In totaal telt België nu meer dan 800.000 geregistreerde spelers. Uit een studie van het internationale onafhankelijke onderzoeksbureau Gambling Compliance bedroeg in 2015 de totale omzet van de privégoksector in ons land 5,3 miljard euro. Met de 1,2 miljard euro van de Nationale Loterij erbij, vergokken we samen jaarlijks 6,5 miljard.

Frederik* (26) zette op zijn zesde zijn eerste stapjes in de wondere wereld van het sportwedden. “Mijn ouders namen me mee naar de paardenkoers. Wat niet wil zeggen dat ik toen al gokte. Pas rond mijn twaalfde mocht ik vlak voor de laatste koers de naam van mijn favoriete paard tegen mijn vader zeggen. Als het won, kreeg ik een euro.”

Vandaag verdient Frederik naar eigen zeggen een extra inkomen met wedden op sportwedstrijden. De preventiecampagnes van de Kansspelcommissie en BAGO vindt hij belachelijk. “Het zijn eerder reclamecampagnes.”

 

Speelt u voor grote bedragen?

Frederik: “Soms investeer ik meer dan duizend euro, soms vijftig. Ik heb meer vertrouwen in weddenschappen dan in de 2 procent rente bij de bank. De kunst is blij te zijn met een bescheiden winst. Met twintig euro extra koop ik ’s anderendaags brood en beleg.”

 

U bent niet bang om verslaafd te raken?

“Nee, ik kan gerust wedstrijden bekijken zonder te gokken. Ik ken de verhalen van mensen die kopje onder gingen. Je moet weten wanneer je best stopt en dat leer je enkel door ervaring. Ik maak mij zorgen over al die jonge gasten die niet met verlies om kunnen en nog minder met winst. Sportgokken is vandaag voor iedereen toegankelijk; in wedkantoren zijn zelfs minderjarigen welkom terwijl de toegangsleeftijd er op 18 ligt. Ik ken tieners die de ene week 5000 euro winnen en de week erna komen bedelen om 100 euro te lenen. Uitbaters van kantoren knijpen een oog dicht omdat justitie te laks is. In Engeland krijgen gokproviders miljoenenboetes opgelegd als ze de wet overtreden. Alleen verdienen ze die boetes ook zeer snel weer terug.”

 

Voetbalgokken op de sofa

Psycholoog Tony Van Rooij van het Nederlandse Trimbos-instituut voert onderzoek naar game- en gokverslaving. In 2015 onderzocht hij in samenwerking met de Universiteit Gent gokgedrag in België. “Hoe sneller het spel, hoe groter de kans op verslaving”, zegt hij. “Een loterij verloopt langzaam, maar een fruitautomaat gaat razend snel. Er zijn meer mensen die worstelen met problemen door het gebruik van digitale fruitautomaten dan door het kopen van een loterijlotje. Ik interviewde verschillende Vlamingen die online op voetbalwedstrijden gokten. Sommigen konden dat moeilijk onder controle houden, anderen dan weer wel. Ze deelden allemaal dezelfde zorg: tijdens het voetbalwedden werden ze continu verleid om over te stappen naar riskantere gokspellen zoals digitale roulette. De operators trachtten hen met bonussen en andere trucs in hun fuik te vangen om ze vervolgens naar gevaarlijker, winstgevender gokwateren te leiden. Bij online voetbalgokken zitten de spelers thuis op de bank, met hun smartphone in de aanslag. Als er ook nog bier gedronken wordt, kan dat het spelgedrag beïnvloeden. Want dan vallen grenzen weg, verliezen spelers controle en nemen ze soms gevaarlijke financiële beslissingen.”

Moet onlinegokken dan verboden worden? Tony Van Rooij: “Nee, want dan ontstaat er een illegaal circuit. Bij kansspelen is het verstandiger om mensen te kanaliseren naar een aanbod waarin de overheid eventueel kan ingrijpen. In Nederland is onlinegokken illegaal, en toch belanden veel probleemspelers in afkickklinieken. Wie per se online wil spelen, vindt altijd wel een manier om de wet te omzeilen.”

SP.A-volksvertegenwoordiger Peter Vanvelthoven is het daar niet mee eens. “Er moét een verbod op onlinegokken komen”, vindt hij. “Kinderpornosites zijn ook buiten de wet gesteld, waarom zouden we goksites wel tolereren?”

Als eerste stap diende Vanvelthoven op 17 mei een wetsvoorstel in voor een verbod op reclame voor onlinegokken. “We willen ook een verbod om bonussen aan spelers toe te kennen. Op de lijst van uitgesloten spelers van de Kansspelcommissie prijken 329.000 namen. Dat zijn voornamelijk mensen die door het gokken zwaar in financiële moeilijkheden geraakt zijn. Dat wijst er toch op dat we gokverslaving niet mogen onderschatten? Binnenkort voeren we gesprekken met internetproviders en kredietmaatschappijen om te onderzoeken hoe we een totaal verbod op onlinegokken kunnen organiseren. Maar eerst moet dat reclameverbod er komen. Want ik geloof nooit dat de sector zichzelf zal reguleren. Er valt te veel geld mee te verdienen.”

 

Wim Cox is directeur online van Betcenter dat met 52 wedkantoren, 12 franchisehouders, 16 dagbladhandelaars en een online wedterminal marktleider in sportwedden is in Vlaanderen. “Peter Vanvelthoven vergist zich”, vindt Cox. “In Nederland wil de overheid van het verbod op onlinegokken af. Want ondanks dat verbod wordt er ontzettend veel gespeeld. De Nederlanders vinden makkelijk de weg naar internationale grote kansspelproviders. Of ze gaan illegaal, zonder bescherming. Vanvelthoven lijkt ook te vergeten dat de overheid door een algemeen verbod veel inkomsten zal verliezen.”

 

Gokken is voor de overheid qua belastingen minstens even interessant als roken en alcohol?

Wim Cox: “Ik vergelijk ons daar niet graag mee, maar dat is inderdaad zo. Dankzij het WK is het in onze wedkantoren nu zeer druk. Het vertrouwen in de Rode Duivels is groot en wij profiteren daarvan. Wij gingen pas in 2015 online, in tegenstelling tot de meeste andere kansspelproviders die in 2011 al het digitale pad kozen. Een wedkantoor is een sociale plek waar mensen samen koffie drinken en discussiëren over voetbal. Er wordt geen alcohol geschonken. Dat is bij wet verboden en ik vind dat prima, want zo blijven mensen op hun hoede.”

 

Jongeren onder 18 zijn er niet welkom. Worden identiteitskaarten stelselmatig gecontroleerd?

“Nee. Overal is goed geafficheerd dat toegang onder 18 verboden is. We hebben er alle belang bij om minderjarigen te weren, want door hen kunnen we onze licentie verliezen.”

 

Tegengestelde belangen

Psychiater Frieda Matthys van UZ Brussel werkte mee aan een recent advies van de Hoge Gezondheidsraad (HGR) over gokstoornissen. Een van de aanbevelingen luidt: verbied alle gokreclame. “Nu zien we net het omgekeerde”, zegt ze. “Er wordt alleen maar meer reclame voor gokken gemaakt. Terwijl gokken en gokverslaving in de lift zitten. De HGR wil dat het zorgaanbod uitgebreid wordt, want het loopt achter op de groeiende groep probleemgokkers. Er is ook een gebrek aan cijfermateriaal. De kansspelsector heeft die informatie, maar houdt ze liever voor zichzelf. Een overheidsinstelling als de Kansspelcommissie zou die sector moeten controleren en de spelers beschermen, maar ze faalt omdat ze veel te dicht bij de industrie staat. Op haar website staat dat ze er is om de belangen van zowel aanbieders als spelers te behartigen. Onzin, want gokkers en de kansspelsector hebben tegengestelde belangen. ”

Peter Naessens, directeur van de Kansspelcommissie, is geen voorstander van een verbod op gokreclame. “Het risico is te groot dat spelers dan net als vroeger hun toevlucht zoeken bij illegale goksites. Dan zijn we alle controle kwijt en creëren we een vals gevoel van veiligheid. Er was afgesproken met de kansspelsector dat ze geen reclame zou maken rond de wedstrijden van de Rode Duivels op het WK. Jammer genoeg werd er na de eerste wedstrijd tóch reclame uitgezonden. De sector heeft beloofd dat ze die fout wil herstellen, en ik vind dat heel positief. De gereguleerde kansspelsector neemt meer haar verantwoordelijkheid dan de frisdrank- of alcoholsector.”

 

De Kansspelcommissie zou veel te dicht bij de kansspelaanbieders aanleunen. Ze wordt zelfs de UNIZO van de goksector genoemd.

Peter Naessens: “We zijn niet de belangenorganisatie van de kansspelsector, maar het rode kruis dat tussenkomt bij zware problemen. Er zitten zes ministers in onze commissie; zij weerspiegelen de belangen die wij behartigen. Wij worden geacht rekening te houden met justitie, binnenlandse zaken, economie, de Nationale Loterij en volksgezondheid.”

 

De kritiek klopt dan toch dat u tegengestelde belangen moet verdedigen: de economische van de gokindustrie en de gezondheid van de spelers?

“Wij verdedigen de belangen van de industrie niet. Zij is niet vertegenwoordigd in de Kansspelcommissie.”

 

Komt ze bij jullie lobbyen?

“Ja, maar wat is het beste antwoord op lobbyen?”

 

Lobbyisten de deur wijzen?

“Toch niet, want dan kloppen ze aan bij mensen die geen kennis hebben. Wij hebben die wel en kunnen de zinvolle van de niet-zinvolle informatie onderscheiden.”

 

Hebt u écht al die kennis in handen? Online gokoperators hebben de voorbije jaren een goudmijn aan kennis over spelers verzameld. Delen ze die informatie met u?

“Nee. Het is inderdaad frustrerend dat niet alle informatie wordt vrijgegeven. Wij vragen sinds 2011 om meer middelen en meer personeel. Dat is ons ook toegezegd en minister van Justitie Koen Geens steunt ons, maar tot hiertoe is daar niets van in huis gekomen.”

 

Zou het kunnen dat er op andere ministeries gelobbyd is om de Kansspelcommissie vleugellam te houden?

“In het verleden wou men zeker geen sterke regulator die de vinger aan de pols houdt en boetes oplegt. Toch kregen we de voorbije jaren het gevoel dat Koen Geens ons wél goed gezind is. Alleen moeten we vaststellen dat we na zeven jaar nog steeds niet genoeg mensen hebben mogen aanwerven. De vraag is dus misschien terecht: willen ze eigenlijk wel een sterke Kansspelcommissie?”

 

*Frederik is een schuilnaam

 

 

Getuigenis – Joeri Verbraeken & Debora Putteman: “Vandaag is elke krantenwinkel een gokkantoor”

 

Debora Putteman: “Ik leerde Joeri in de zomer van 2008 kennen. Liefde op het eerste gezicht. We gingen snel samenwonen, ons eerste kind werd geboren en we bouwden een huis. Ons geluk leek onaantastbaar. Joeri had me ooit verteld dat zijn vader hem in zijn tienerjaren uit cafés was komen halen waar hij bingo speelde, maar dat leken stoere jeugdherinneringen.”

Joeri Verbraeken: “Twintig jaar geleden, op mijn 18e, begon het al mis te gaan. Mijn loon verdween toen in de bingokasten op café. Vandaag ben ik veertien maanden clean en sta ik even lang droog. Want in combinatie met het gokken had ik ook een drankprobleem ontwikkeld. Ik zat in een vicieuze cirkel. Op nuchtere momenten zag ik de afschuwelijke ellende die ik mezelf en mijn gezin aandeed. Dus dronk ik om te vergeten en begon ik terug te spelen. Door de drank verloor ik alle controle tijdens het spel.”

Debora: “We woonden een tijdje samen toen ik aanmaningen kreeg voor onbetaalde rekeningen van Joeri. Hij had daar een uitleg voor, ik schreef het geld over en alles leek weer oké. In 2012 begon hij zich ’s nachts raar te gedragen. Hij kon niet slapen, lag te woelen en verdween continu uit bed. Hij zat voortdurend achter de computer en ik begon me zorgen te maken.”

Joeri: “Ik had onlinegokken ontdekt én de Nationale Loterij. Op een bepaald moment kocht ik voor 600 euro Euromillions-formulieren om al mijn verliezen te compenseren. Ik was er rotsvast van overtuigd dat ik in een klap rijk zou zijn. Ik dook enthousiast in het online sportgokken omdat ik als fervente voetballiefhebber geloofde dat ik genoeg kennis bezat om het spel te doorzien. Toen begon de ellende pas echt.”

Debora: “Dat online sportgokken wordt bijna voorgesteld als een onschuldig tijdverdrijf. Maar die gokspellen worden zwaar opgedreven en er wordt gul met bonussen getrakteerd. Joeri joeg er online tienduizenden euro’s door. Echt onschuldig is dat niet.

Ik vond een zak met 1500 euro aan Win-for-life-krasbiljetten in Joeri’s auto. Ik checkte onze spaarrekeningen en zag dat hij ze geplunderd had. Eerst ontkende hij, maar toen leek het alsof hij zich bewust werd van zijn probleem en zijn leven wou beteren. Hij liet zich vrijwillig op de lijst van uitgesloten spelers van de Kansspelcommissie zetten. Dat was een pak van mijn hart. ‘Nu kan hij nergens meer gokken’, geloofde ik.”

Joeri: “Met mijn identiteitskaart raakte ik niet meer op de goksites, dus pikte ik die van Debora. Als dat niet meer zou lukken, kon ik nog altijd naar de krantenwinkel. Daar is toch geen controle. Vandaag is elke krantenwinkel een gokkantoor. De operators zetten er ‘live betting terminals’ waar je geen identiteitskaart hoeft in te steken.

Er stond 60.000 euro op de rekening van mijn zaak. Bijna al dat geld vergokte ik in drie weken tijd non-stop online aan voetbalmatchen. Ik sliep amper. Er bleef 5000 euro over. Ik zette die om drie uur ’s nachts in op een wedstrijd in Brazilië uit derde klasse, om er vanaf te zijn. Ik won 80.000 euro en was dolgelukkig. Ik maakte Debora wakker om haar het ‘goede nieuws’ te vertellen. Zij was diep teleurgesteld, want voor de zoveelste keer had ik mijn belofte gebroken om niet meer te gokken.”

Debora: “We zijn een paar keer uit elkaar geweest. Hij vertelde zijn familie dat er met mij niet viel samen te leven. Niemand wist wat er écht aan de hand was. Ik zweeg, want ik schaamde me. Hij was vaak maanden weg. Tot hij weer op de drempel stond. ‘Nu is het de laatste keer’, zei ik dan voor de zoveelste keer. Maar ik zie hem graag en we hebben samen twee kinderen. In zijn nuchtere periodes was hij de lieve en zalige man waar ik ooit verliefd op geworden was.”

Joeri: “Ik zakte steeds dieper weg tot ik besefte: er moét iets gebeuren. Ik smeekte Debora om hulp en een week later zat ik in een privé-afkickkliniek in Zuid-Afrika.”

Debora: “Twee maanden moest hij daar verblijven. Ik was opgelucht dat hij weg was. (lacht)”

Joeri: “In Vlaanderen is de expertise over gokverslaving niet bijster groot en de wachtlijsten zijn enorm. De kliniek in Afrika is gespecialiseerd in gokverslaving en er werken veel ervaringsdeskundigen. Die aanpak heeft mij gered, want zij weten wat ik heb doorgemaakt. Ik volg nu een driejarige opleiding om zelf later als ervaringsdeskundige anderen te helpen.”

Debora: “Het vertrouwen in Joeri is de voorbije 14 maanden teruggekomen, maar bankkaarten krijgt hij niet. Als hij geld nodig heeft, moet hij het vragen. De schrik blijft dat hij al ons spaargeld er nog eens zal doorjagen.”

Joeri: “Ik ben ook bang om te hervallen. Die schrik houdt me alert, want ik wil nooit meer terug naar af.”

 

Joeri en Debora willen lotgenoten helpen. Meer info op www.fellowsupport.be

 

(c) Jan Stevens

‘Elon Musk moet van Mars afblijven’

Onder leiding van professor Veronique Dehant vliegt België samen met de NASA en de ESA op verkenning naar Mars. ‘We willen weten waarom die ooit levende planeet nu zo dood als een pier is. Zo leren we misschien ook iets bij over de evolutie van de aarde.’

 

In 1993 stapte de briljante jonge astro- en geofysicus Veronique Dehant voor het eerst de imposante gebouwen van de Koninklijke Belgische Sterrenwacht (KBS) in Ukkel binnen. Vandaag leidt ze er de dienst ‘Referentiesystemen en planetologie’ en geldt ze wereldwijd onder vakbroeders als een autoriteit in de studie van de rotatie van de aarde. Aan de UCL doceert ze astronomie en geofysica en leidt ze het Center for Space Radiations. Op zaterdag 5 mei woonde ze op de luchtmachtbasis Vandenberg in Californië de vlekkeloze lancering bij van de NASA-ruimtesonde InSight. Als alles goed gaat, zal de InSight in november op Mars landen, om daarna twee jaar lang het inwendige van de rode planeet te onderzoeken.

‘Wij helpen op de KBS met de verwerking en de interpretatie van de gegevens’, zegt professor Dehant. ‘De kernvraag van deze missie is: waarom is er niet langer leven op Mars? Want ooit was dat wél het geval. Leven wordt pas mogelijk als er energie, voedingsstoffen en vloeibaar water beschikbaar zijn. Ooit waren die drie voorwaarden op Mars vervuld. Tussen 4,6 miljard en 3,5 miljard jaar geleden, na het ontstaan van het zonnestelsel, bulkte de planeet zelfs van het water. Op foto’s die vanuit andere ruimtetuigen gemaakt zijn, kun je heel duidelijk de sporen zien die het stromende water er achterliet, met uitgedroogde rivierbeddingen en -delta’s. Door het inwendige van de planeet te onderzoeken, hopen we inzicht te krijgen in de evolutie van terrestrische of aardachtige planeten zoals Mars, Venus, Mercurius én de aarde.’

 

Nu is de planeet Mars dood, maar miljarden jaren geleden was ze springlevend?

Veronique Dehant: Precies. En wij willen begrijpen waarom ze van levend naar dood geëvolueerd is. We zoeken antwoorden op vragen als: hoe kan een atmosfeer rond een planeet ontstaan, maar ook weer verdwijnen? Alles wat aan de oppervlakte van de planeet gebeurt, is verbonden met wat er zich binnenin afspeelt. Vandaar onze missie InSight, wat staat voor ‘Interior Exploration using Seismic Investigations, Geodesy and Heat Transport’.

 

Kan u die link tussen het inwendige en uitwendige van Mars eens heel concreet maken?

Dehant: Elke planeet die een vloeibare, stromende kern heeft, heeft ook een magnetisch veld. Onze aarde is daar een mooi voorbeeld van. Dat magnetisch veld beschermt ons tegen zonnewinden die onze atmosfeer oplossen. Zonder dat veld zou onze atmosfeer zelfs totaal kunnen verdwijnen. Onder andere dankzij de innerlijke vloeibare toestand van de kern van de aarde zitten wij hier nu dus met elkaar te praten. Onze studie van het innerlijk van Mars kan ons meer inzicht geven in de werking van de atmosfeer en het magnetische veld.

De aardkorst bestaat uit grote tektonische platen. Vlak onder de korst ligt de aardmantel. De platen en het oceaanwater bewegen in en over de mantel, oefenen zo rechtstreeks invloed uit op de werking van vulkanen en veroorzaken ook aardbevingen. Op Mars is geen platentektoniek, want de korst bestaat uit een gigantische ‘monoplaat’. Doordat er op Mars geen tektoniek is, kun je bij wijze van spreken de hele geschiedenis van ons zonnestelsel van die planeet aflezen. Op het oppervlak liggen kraters die 4,5 miljard jaar oud zijn. Door dit onderzoek zullen we dus meer te weten komen over de evolutie van aardachtige planeten en over ons zonnestelsel. Maar ook al is Mars een buurplaneet, ze verschilt toch grondig van de aarde. We kunnen dus niet zomaar aan de hand van onze bevindingen op Mars de toekomst van onze eigen planeet voorspellen.

 

De InSight wil onder andere Mars-bevingen registreren, maar zijn die eigenlijk wel mogelijk als er geen platentektoniek is?

Dehant: Dat vormt precies ook onderdeel van ons onderzoek. Waar we zeker van zijn, is dat sommige bevingen veroorzaakt worden door meteorietinslagen. De InSight heeft een seismometer die àlle mogelijke bevingen zal vastleggen. De resultaten zullen ons meer leren over de verhouding tussen de mantel en de korst. De InSight heeft nog twee andere meetinstrumenten aan boord: een boor en een radiozender en -ontvanger. Met de boringen in het Marsoppervlak meten we de temperaturen tot vijf meter diep. Zo kunnen we de warmteoverdracht van de kern naar de oppervlakte in kaart brengen. Vanop de aarde zullen we radiosignalen naar Mars sturen. De twee antennes op de InSight zullen die capteren en meteen naar ons terugsturen. Wij meten dan het dopplereffect. Dat kan ons iets leren over de beweging van Mars, net zoals het de politie bij radarcontroles iets leert over de snelheid van voorbijrijdende auto’s. (lacht)

 

Hoelang zal de Insight-missie duren?

Dehant: Minstens één Marsjaar of twee aardjaren. De aarde draait in 1 jaar tijd rond de zon en Mars doet daar twee jaar over. Wie een ruimtetuig naar Mars wil sturen, moet daar het juiste moment voor afwachten. Dat zogenaamde ideale lanceervenster is er om de twee jaar en duurt ongeveer één maand. Dit jaar hadden we de hele maand mei tijd om de InSight te lanceren. Dit is trouwens niet het eerste tuig dat naar Mars gestuurd wordt. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw vlogen verschillende sondes richting Mars. De meesten namen foto’s of onderzochten het oppervlak van de planeet. In het begin van deze eeuw zette de NASA twee zogenaamde rovers of onbemande robotwagens op Mars. De Spirit en de Opportunity stuurden beelden van de gesteenten door die ze onderweg tegenkwamen.

 

Hoe raakte u bij het Mars-onderzoek betrokken?

Dehant: Door mijn specialisatie: ik hou me bezig met het bestuderen van de rotatie van de aarde. Hebt u ooit al eens een rauw en een gekookt ei op tafel rondjes laten draaien? U zal zien dat ze verschillend roteren. De rotatie vertelt ons iets over de kern van het ei: of die vast is of vloeibaar. Hetzelfde geldt voor planeten: hun rotatie geeft veel informatie over de toestand van hun diepste kern. Is hij vast of vloeibaar?

Ikzelf droomde al lang van een missie zoals InSight. Samen met de European Space Agency (ESA) hadden we daar een tijd geleden ook plannen voor gemaakt. Maar het binnenste van Mars was toen nog niet sexy genoeg, eerst wilden ze het oppervlak bestuderen. We raakten niet aan fondsen en daarom zochten we contact met de collega’s van de NASA. Zij kregen het hele InSight- project wel rond.

 

Wetenschappelijk ruimteonderzoek moet dus sexy zijn of het raakt moeilijk gefinancierd?

Dehant: Het helpt als er ruimere belangstelling is. Een paar jaar geleden was het wereldnieuws toen de NASA sporen van vloeibaar water op Mars gevonden meende te hebben. Later viel die vondst lelijk tegen, toen het zogenaamde stromende water droog zand bleek te zijn. Het grote publiek wou ook zo graag dát er water op Mars gevonden werd. ‘Waar is het water?’ Het motto van het Mars Exploration Program van NASA begin deze eeuw was: ‘Follow the water’. Want water op het oppervlak betekende bijna automatisch: leven. Tot hiertoe is dat leven nog niet gevonden. Integendeel: het besef groeit dat Mars zo dood als een pier is. Wat niet wil zeggen dat er helemaal geen vloeibaar water te vinden zou zijn. Dat blijft nog steeds mogelijk.

 

En microscopisch kleine levende organismen?

Dehant: Ik denk het niet. De ExoMars-missie van de ESA zal in 2020 een rover op Mars brengen die met boringen in het oppervlak op zoek zal gaan naar fossielen, overblijfselen van vroeger leven. Ooit was er veel water; de kans is reëel dat er dan leven was. Wij werken ook mee aan die ExoMars-missie. Samen met het ruimtebedrijf AntwerpSpace bouwen we nu het instrument LaRa, Lander Radioscience, een zender en ontvanger waarmee we vanaf 2020 hier op de Koninklijke Sterrenwacht de rotatie van Mars zullen kunnen bestuderen. We hebben daar pas alle officiële documenten voor in orde gemaakt, samen met onze partners van het Russische ruimtevaartagentschap Roscosmos.

 

In het heelal is de koude oorlog dus definitief voorbij en gelden er geen sancties tegen het beleid van Vladimir Poetin?

Dehant: De Russische wetenschappers met wie ik rechtstreeks contact heb, zijn heel aardige mensen. We praten niet over politiek: ze willen alleen maar met hun wetenschap bezig zijn. Maar het is niet altijd even makkelijk om met hen samen te werken. De ESA is voorzichtig en test op voorhand alles goed uit. Maar de Russische wetenschappers hebben een andere mentaliteit: they just go for it. Vaak halen ze hun deadlines niet en dat is soms frustrerend. De laatste Russische missie naar Mars, de lancering van het ruimtetuig Fobos-Grunt in 2011, draaide uit op een mislukking. Ik hoop dat de ESA een positieve invloed op de Russen heeft, maar zeker ben ik daar niet van. LaRa zal geïnstalleerd worden op een Russisch platform en ik pendel nu heen en weer tussen Brussel en Moskou. Er worden soms lastige discussies gevoerd. Mijn Russische collega’s van Roscosmos moeten maanden wachten op beslissingen van hogerhand. Waarom dat zo moeizaam verloopt, weet ik niet. Ze praten daar niet graag over, maar zitten er wel erg mee verveeld. Ze staan te popelen om in actie te schieten, maar kunnen niet voluit gaan omdat ze er de middelen niet voor hebben.

 

Verloopt de samenwerking met de Amerikanen van NASA ook zo moeizaam?

Dehant: Nee, dat gaat even vlot als samenwerken met de ESA. Zij hebben solide procedures en werken grondig en secuur. België is klein en kan financieel geen complete missie aan. Daarom werken wij graag onder de vleugels van de NASA of de ESA.

 

Het is belangrijk dat u ook een goede lobbyist bent?

Dehant: Niet echt, maar het helpt wel als je een goede wetenschappelijke naam hebt. Je moet een uitstekende reputatie hebben, anders kan je het schudden. ESA besliste wie welk onderdeel van ExoMars mocht leiden. De selectie verliep zeer streng. Ze hebben mijn cv grondig onder de loep genomen, net als onze plannen voor LaRa. Vervolgens moest de Belgische overheid haar zegen geven, want zij staat in voor de financiering van ons project.

 

InSight is goedgekeurd toen in Amerika Barack Obama nog aan de macht was. Het lijkt alsof de huidige president Donald Trump de erfenis van zijn voorganger zoveel mogelijk wil uitwissen. Merkt u iets van die nieuwe politieke toestand?

Dehant: Helemaal niet. Ik hoor daar ook geen verontrustende berichten over van NASA-wetenschappers. Het ruimteonderzoek zal meer dooreen geschud worden door de komst van private ondernemers.

 

Omdat privé-investeerders andere bedoelingen hebben dan overheidsinstellingen: zij willen dat hun investeringen renderen?

Dehant: Ja, maar er speelt ook nog iets anders: zij dromen van koloniseringsreizen door het heelal. Ik hou daar niet van. Kerels zoals Elon Musk moeten van mijn planeet afblijven. (lacht) Ik hou niet van al die plannen om planeten te koloniseren, inclusief de maan. Ik weet ook wel dat we ons in het verleden op onze eigen planeet als kolonisatoren gedroegen. Maar in plaats van nu op identieke wijze de ruimte te koloniseren, moeten we ze exploreren. Dat wil niet zeggen dat er in de verre toekomst nooit basissen gebouwd mogen worden waar wetenschappers onderzoek kunnen voeren. Maar Mars of de maan koloniseren en er onze vlag planten, gaat regelrecht in tegen mijn wetenschappelijke inborst. Ik wil onderzoeken en begrijpen, niet veroveren. Wij zijn altijd heel voorzichtig als we de ruimte ingaan en letten er op dat we nooit afval achterlaten. Wij willen Mars echt niet vervuilen.

 

We worstelen hier op aarde al decennialang met het probleem van het nucleaire afval. Het zou me niet verwonderen dat er ergens plannen liggen te rijpen om dat ooit naar Mars te verschepen.

Dehant: Dat afval is inderdaad een heel groot probleem waar we ooit een oplossing voor zullen moeten vinden. Maar ik hoop uit de grond van mijn hart dat het nooit gedumpt wordt op Mars. Ze moeten écht met hun fikken van mijn planeet afblijven. (lacht)

 

De Nederlandse stichting Mars One wil in 2026 vier mensen naar Mars sturen. Is dat een waanzinnig plan?

Dehant: Weet u wat ik er waanzinnig aan vind? Dat het een enkele reis is. Die mensen zullen nooit terugkeren en ik vind dat ethisch onverantwoord. Je kan toch geen mensen naar een planeet sturen, goed wetende dat ze er na een paar jaar zullen sterven?

 

Dat is toch hun eigen keuze?

Dehant: Dan nog kunnen we dat niet zomaar laten gebeuren. Kijk, het is nu al perfect mogelijk om op Mars een basis te bouwen waar mensen kunnen overleven. Alleen hebben we niet de technologie om ze te laten terugkeren. Ik heb geen bezwaar tegen een bemande ruimtereis naar Mars, op voorwaarde dat we de middelen en mogelijkheden hebben om terugvluchten te organiseren. Ik begrijp niet waarom die mensen nu willen vertrekken, in het volle besef dat ze gedoemd zijn om daar dood te gaan.

 

Als ze u als wetenschapper een reis naar Mars aanbieden, wijst u die vriendelijk af?

Dehant: Zonder twijfel, er is op dit moment geen enkele reden te verzinnen waarom ik zou gaan. We kunnen ons Mars-onderzoek door robots laten uitvoeren. Wat niet wil zeggen dat ik iets tegen ontdekkingsreizigers heb. Mijn goede vriendin Vinciane Debaille voert aan de ULB wetenschappelijk onderzoek naar het ontstaan van ons zonnestelsel. Zij is zo’n échte ontdekkingsreiziger en wil plekken verkennen waar nooit iemand eerder was. Zij wil graag de ruimte in, op voorwaarde dat ze kan terugkeren. Voor reizen naar Mars zal dat nog wel even duren. De eerste stap zal zijn dat we bodemmonsters van daar naar hier brengen. NASA en ESA hebben onlangs een akkoord gesloten om daar hun krachten rond te bundelen. De volgende stap zal dan transport van mensen zijn.

 

Is er ergens in ons zonnestelsel nog leven mogelijk?

Dehant: Ja, al zal dat leven cellulair zijn: bacteriën die de kosmische straling kunnen doorstaan. Ik denk dan aan wezentjes zoals onze beerdiertjes. Ze zijn amper 0,1 tot 0,5 mm groot en zijn bestand tegen langdurige koude, droogte en warmte. Het zijn de meest veerkrachtige levende wezens op aarde. Het enige wat ze nodig hebben, is energie, vloeibaar water en voedingsstoffen. De maan Europa van de planeet Jupiter is een interessante kandidaat voor leven in de vorm van beerdiertjes. Europa heeft een ijle atmosfeer met zuurstof en onder de korst bevindt zich vermoedelijk een oceaan die misschien in contact staat met rotsgesteente. Als die hypothese klopt, zijn er automatisch voedingsstoffen voorhanden.

 

Is het mogelijk dat er ergens in het heelal wezens leven die minstens evenveel verstand hebben als wij?

Dehant: Dat kan. Zij bevinden zich dan vermoedelijk veel te ver van ons vandaan om hen te kunnen observeren. Sinds de jaren negentig ontdekken we met de hulp van sterke telescopen steeds meer exoplaneten. Dat zijn planeten die niet rond onze zon, maar rond andere sterren draaien. Een aantal van die exoplaneten bevinden zich ten opzichte van hun ster op levensvastbare plekken. Dus ja, de kans bestaat dat er nog ergens een planeet zoals de aarde is. Maar ik focus me liever op ons zonnestelsel, want we raken toch nooit tot in die andere sterrenstelsels.

 

Zouden we het vele belastinggeld dat naar ruimtereizen zoals de InSight en ExoMars gaat niet beter investeren in wetenschappelijk onderzoek op aarde?

Dehant: Laat er geen misverstand over bestaan: we moéten investeren in onderzoek naar onze eigen planeet. Maar we moeten ook blijven investeren in ruimteonderzoek, want dat levert ons op technologisch vlak heel wat op. Wij ontwikkelen ruimtetechnologie die later misschien de basis is voor aardse toepassingen. Teflon is zo’n succesvolle spin-off van het Amerikaanse ruimtevaartprogramma.

 

Is ruimtewetenschap een mannenwereld?

Dehant: De ingenieurs zijn vooral mannen. Maar onder de wetenschappers is de verhouding tussen mannen en vrouwen in evenwicht. Er zitten heel wat vrouwen in mijn team.

 

Reizen naar Mars neemt veel tijd in beslag. U bent als wetenschapper gericht op de lange termijn?

Dehant: Zeker, deze twee missies kunnen me zelfs nog overleven. (lacht) Ik heb nog zeven jaar te gaan voor ik op pensioen moet. Gelukkig heb ik jonge collega’s die uitstekend werk leveren. Die lange termijn is soms lastig. Toen ik LaRa voor het eerst voorstelde, was dat nog een heel abstract idee. Ik moest op dat moment een instrument verdedigen waar niets concreets van voorhanden was.

 

De theorie kan in de praktijk niet blijken te werken.

Dehant: Dat risico is niet zo groot omdat de theorie zowel bij NASA als bij ESA op voorhand sterk wordt doorgelicht en uitgetest. Maar op het moment dat InSight de lucht inging, hadden wij er als wetenschappers al veel tijd én stress in geïnvesteerd. Als we in 2020 ExoMars de ruimte insturen, zal de stress opnieuw door mijn lijf gieren. Eigenlijk is mislukken geen optie, want dan is alles wat we ontwikkeld hebben voor niets. Of dan moeten we van nul herbeginnen, en dat zie ik eerlijk gezegd niet meteen zitten.

 

Maar de kans op mislukking is reëel? De InSight kan bij de landing in november crashen en de ExoMars kan bij de lancering in 2020 exploderen.

Dehant: Daar moet ik rekening mee houden. De vorige ExoMars-missie dateert van mei 2016. De toen volledig nieuw ontwikkelde landingsmodule Schiaparelli crashte in oktober van datzelfde jaar bij de landing op Mars. InSight kost 450.000 dollar en is goedkoper dan de Schiaparelli. Niet omdat InSight uit minderwaardige materialen gebouwd is, maar omdat het een perfecte kopie is van de ‘oude’ sonde Phoenix. Die landde in 2008 probleemloos op Mars. Ik heb er dus goede hoop op dat de landing straks ook zal lukken en dat we champagne zullen kunnen drinken. En als het toch misgaat, drinken we champagne als troost. (lacht)

 

Veronique Dehant

  • 1959 geboren in Brussel
  • 1977-1982 studeert wiskunde en fysica aan de UCL
  • 1982-1986 doctoreert in de geofysica aan de UCL
  • Sinds 1993 wetenschappelijk onderzoeker en hoofd van de dienst ‘Referentiesystemen en planetologie’ aan de Koninklijke Belgische Sterrenwacht in Ukkel
  • Sinds 1998 professor astronomie en geofysica aan de UCL

 

(c) Jan Stevens