helden van de grensJe hebt trots geluk, het geluk dat ontstaat door in het licht van de dag goed werk te doen, jaren van waardevolle arbeid, en dan moe en voldaan, omringd door familie en vrienden, volop tevreden te zijn, klaar voor een welverdiende rust – de slaap of de dood, dat maakt niet uit. En je hebt het geluk van je persoonlijke puinzooi.

 

 

In Helden van de grens lukt het Dave Eggers net niet om écht grip op zijn hoofdpersonage te krijgen. Al blijft hij een meesterlijk chroniqueur van zijn tijd en houdt hij de vinger aan de pols.

 

Ooit was Josie een succesvolle tandarts in een stadje in Ohio, ‘gelukkig samenwonend’, met twee wolken van kleine kinderen. Vandaag is ze veertig, vrijgezel, uitgeblust en met haar achtjarige zoon Paul en vijfjarige dochter Ana voor zichzelf en haar verleden op de vlucht in een aftandse camper in Alaska. Josie’s in een roadtrip verpakte midlifecrisis vormt het geraamte van Dave Eggers nieuwe roman Helden van de grens.

Dat vroegere ‘succes’ van Josie is trouwens zeer relatief. Na een klacht van een patiënte moest ze haar tandartspraktijk verkopen en haar op de vingers van een hand te tellen liefdesaffaires baadden in tristesse. Zo bracht haar ‘ex-man-zonder-ruggengraat’ Carl toen ze nog samenleefden vanwege zijn ‘zwakke darmen’ de meeste tijd op de wc door. Haar latere ‘vriendje-met-de-kleine-lul’ Tyler kon het dan weer niet laten om tijdens het liefdesspel zijn vinger eerst in haar kont te stoppen om er later – discreet – aan te ruiken.

In Een hologram voor de koning voerde Dave Eggers in 2012 David Clay op, een andere tragikomische mislukkeling met een knoert van een midlifecrisis. Net als Clay voelt ook Josie zich steeds dieper wegzinken in haar poel vol problemen. David Clay incasseerde de gevolgen van de globalisering op de Amerikaanse economie; Josie worstelt met de fall-out in haar eigen gemeenschap van de oorlog in Afghanistan. Ze voelt zich verantwoordelijk voor de gewelddadige dood van de jonge soldaat Jeremy. Vanuit naïeve onwetendheid had ze hem, tegen de wil van zijn ouders, gesteund om in Afghanistan ‘scholen en ziekenhuizen te gaan bouwen’. Ooit was ze immers zelf vrijwilliger bij het Peace Corps. Maar de War on Terror blijkt in werkelijkheid geen synoniem te zijn van ontwikkelingshulp. Verteerd door schuldgevoel hoopt Josie troost te vinden in wijn en in de woeste natuur van Alaska.

Net als in Een hologram voor de koning schetst de geëngageerde Eggers in Helden van de grens de ontreddering die het hedendaagse Amerika overspoelt. Al lukt het hem deze keer niet helemaal om grip op zijn hoofdpersonage te krijgen. Overdreven veel empathie of compassie zal een lezer niet voelen voor de zwalpende Josie. Maar haar weetgierige zoon Paul en brutale dochter Ana zullen dan weer wél veel lezersharten bekoren.

 

Dave Eggers

De Amerikaanse auteur Dave Eggers (°1970) debuteerde in 2000 met het autobiografische Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit, wat hem meteen een nominatie voor de Pulitzer Prize opleverde. In goed geschreven, sociaal geëngageerde romans als Wat is de Wat en De Circel slaagt Eggers er telkens in om de huidige tijdsgeest te vatten. Een hologram voor de koning is pas verfilmd met Tom Hanks in de hoofdrol.

 

Helden van de grens, Dave Eggers, Lebowski (oorspronkelijke titel: Heroes of the frontier), 368 blz., 24,99 euro

 

© Jan Stevens

zwarte vlaggenDe zwarte vlaggen kwamen uit het oosten, zoals de profetieën van de Hadith hadden voorspeld, en werden gedragen door mannen met baarden en lang haar, en namen die ze hadden meegebracht uit hun geboorteplaatsen.

 

 

 

Met Zwarte vlaggen won de Amerikaanse journalist Joby Warrick dit jaar terecht zijn tweede Pulitzer. Verplichte lectuur voor wie wil weten hoe IS zo snel kon uitgroeien tot een van de bloedigste en meest gevreesde terreurgroepen ooit.

 

‘Bloedstollend en briljant’, jubelt de Nederlandse uitgever in zijn persbericht naar aanleiding van de publicatie van Zwarte vlaggen. Uitgevers kunnen de neiging moeilijk onderdrukken om zowat al hun koopwaar met dit soort van adjectieven aan te prijzen, maar in dit geval is het helemaal waar. Washington Post-journalist Joby Warrick schreef een geniaal boek over de geboorte en razendsnelle opkomst van terreurbeweging Islamitische Staat. Hij sprak uitgebreid met hoofdrolspelers uit de geheime diensten van Amerika en Jordanië. Die overvloed aan kennis en informatie schemert door in zowat alle bladzijden.

De founding father van IS is de Jordaanse gruwelterrorist Abu Musab al-Zarqawi. Hij droomde van een wereldwijd kalifaat vol zwarte vlaggen en elk middel heiligde dat doel, inclusief het opblazen van een trouwfeest. Hij vergoot zoveel bloed dat zelfs de leiding van Al-Qaida er lichtjes misselijk van werd. Zarqawi bedacht ook een nieuw succesvol horrorfilmgenre: dat van de onthoofdingsvideo. In mei 2004 sneed hij voor de camera het hoofd af van de in een oranje overall geklede Amerikaan Nick Berg. Zijn volgeling Jihadi John zou dat genre later verder ‘verfijnen’ en er veel opzien mee baren.

Volgens Joby Warrick kon de ‘sjeik van de slachters’ uitgroeien tot een terroristische wereldster dankzij de desastreuze politiek van de Amerikaanse president George W. Bush. Een half jaar na 9/11 beweerde die via zijn minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell dat de op dat moment totaal onbekende Zarqawi de rechtstreekse link vormde tussen de Iraakse dictator Saddam Hoessein en Al-Qaida. In Zwarte vlaggen vertellen hoge CIA-ambtenaren hoe ze maandenlang door de Bush-regering zwaar onder druk gezet werden om een al dan niet verzonnen smoking gun voor die loze bewering te leveren. ‘Toen de Amerikaanse troepen een paar weken later Irak binnenvielen, verwierf de inmiddels beroemde en goed gefinancierde terrorist zowel een doel als een strijdtoneel en al snel had hij duizenden volgelingen’, schrijft Warrick. IS kon aan zijn opmars beginnen.

Joby Warrick weet hoe hij een spannend verhaal moet vertellen. Hij heeft een gouden pen en bedient zich zonder schroom van technieken uit de romanschrijfkunst, met levendige dialogen en heuse cliffhangers. In het begin zorgt dat voor een beetje achterdocht. Want hoe koosjer is het om een brok hedendaagse non-fictie te overgieten met lekkere saus uit de afdeling fictie? Voor Zwarte vlaggen is dat heel koosjer: het levert een uitstekend, fascinerend boek op.

 

 

Joby Warrick

De Amerikaanse journalist Joby Warrick (°1960) won met Zwarte Vlaggen voor de tweede keer de gerenommeerde Pulitzer Prize. Sinds 1996 schrijft hij voor de krant The Washington Post over het Midden-Oosten, Amerikaans buitenlands beleid, inlichtingenwerk en terreur.

 

Zwarte vlaggen. De opkomst van IS, Joby Warrick, Uitgeverij Q (oorspronkelijke titel: Black Flags. The Rise of ISIS), 400 blz., 19,99 euro

 

© Jan Stevens

In zijn roman Het jaar van de gelukszoekers probeert de Britse auteur Sunjeev Sahota te achterhalen waarom zoveel migranten de oversteek maken naar het beloofde land Engeland. ‘Niemand zegt hen: “Er is geen toekomst voor een jongen zoals jij. Je moet er werken als een hond, voor een aalmoes.”’

 

In 2013 belandde de toen nog prille dertiger Sunjeev Sahota op de lijst van twintig beste jonge Britse schrijvers van het invloedrijke literaire tijdschrift Granta. Twee jaar eerder was zijn debuut Ours are the streets verschenen, over een Brits-Pakistaanse moslimjongen die radicaliseert en zichzelf in een winkelcentrum wil opblazen. In 2015 werd zijn tweede roman Het jaar van de gelukszoekers, genomineerd voor de Man Booker Prize, Engelands belangrijkste literaire onderscheiding. ‘Die plaats op de shortlist was zeer onverwacht en ongelooflijk fantastisch’, zegt hij. ‘In 2013 had ik mijn job bij een verzekeringsfirma opgezegd en ging ik voltijds schrijven, maar dat bleef een wankel bestaan.’ De nominatie voor de Man Booker zorgde voor een solide professionele schrijversbasis. ‘Mijn ouders beschouwden mijn geschrijf lang als een uit de hand gelopen hobby. “Zeg je werk bij de verzekeringen toch niet op, jongen.” Nu zijn ze apetrots. Op de uitreikingsavond van de Man Booker Prize weenden ze van geluk.’

In het intrigerende Het jaar van de gelukszoekers volgt Sunjeev Sahota drie Indische jongemannen die in de Noord-Engelse stad Sheffield met de moed der wanhoop een nieuw leven proberen op te bouwen. Tochi, Avtar en Randeep wonen er samen met een tiental andere illegale immigranten in het krot van een huisjesmelker en werken zich te pletter om hun families in India te onderhouden en hun schuldeisers te vriend te houden.

Sheffield is ook de stad waar de schrijver samen met vrouw en kinderen woont. ‘Ik ken de plekken waar de illegale migranten met valse visa samenhokken’, zegt hij. ‘Sheffield is trouwens geen uitzondering; je vindt die illegale gemeenschapjes van Zuid-Aziatische migranten in alle grote Engelse steden. Mijn blanke medeburgers merken daar niets van. Ze hebben niet door dat de kleurling die hun hamburger en hun frieten bakt, een uitgebuite illegaal is. Ik herken die jongens meteen als ik op straat loop. Veel mensen willen liever niet weten wie voor een habbekrats hun vuile toiletten in de pub of het station kuist. Ze kijken weg van de ellende, maar maken wel veel misbaar over al die migranten die van ‘hun’ sociale zekerheid komen profiteren en ‘hun’ jobs inpikken. De realiteit is enigszins anders.’

 

Het jaar van de gelukszoekers speelt zich af in 2003, maar is met de vluchtelingencrisis meer dan ooit actueel.

Sunjeev Sahota: Dat is echt toeval. (lacht) Migratie is iets van alle tijden. Al wortelen de verhalen van de drie jongemannen in mijn roman in heel persoonlijke ervaringen. Migratie heeft mijn grootouders, ouders en mezelf gevormd. In 1966 maakten mijn grootouders langs vaderszijde zelf de reis van de Punjab in India naar Groot-Brittannië. Mijn vader was op dat moment zeventien. Eerst vestigden ze zich in Derby. Eigenlijk migreerden ze twee keer: eerst van Pakistan naar India, en later van India naar Engeland. Mijn moeder migreerde nog later. Ik ben de eerste generatie van mijn familie die geboren is in Groot-Brittannië. Ikzelf ben dus geen inwijkeling maar een geboren en getogen Brit.

 

Maar misschien voelde u zich wel lange tijd een inwijkeling?

Sahota: Zeker. Ik groeide op in de jaren tachtig en negentig in Noord-Engeland in politiek barre tijden. Het thatcherisme floreerde waardoor de oude industrie er op apegapen lag. De ene fabriek na de andere sloot de deuren. Er heerste een deprimerend klimaat en het racisme vierde er hoogtij. We woonden in het overwegend blanke stadje Chesterfield en op school waren mijn broer en ik de enige twee kinderen met een kleurtje. Ik vond dat helemaal niet leuk. Als tiener wil je niet opvallen en wil je eerst en vooral zijn zoals alle anderen. Ik herken dus wel dat gevoel van veel migranten dat ze nergens echt thuishoren. Van in mijn jeugd reis ik vaak naar India en daar heb ik net hetzelfde gevoel. De Indiërs beschouwen mij als op en top Brits. Dat gevoel van ontworteld te zijn, van nergens echt bij te horen, is er altijd en zit in de boeken die ik schrijf.

 

‘Ontworteling’ is het universele verhaal van alle migrantenkinderen, overal ter wereld?

Sahota: Precies. Ik heb het er tot vandaag nog steeds erg moeilijk mee wanneer mensen me aanstaren omwille van mijn kleur. Veel vaker dan me lief is, gebeurt dat op plaatsen waar voornamelijk blanke mensen wonen. Dat is telkens weer een zeer onaangenaam gevoel. Als kind kreeg ik verschillende keren racistische opmerkingen naar mijn hoofd geslingerd. Dat was verschrikkelijk. Soms waren ze ‘goedbedoeld’, maar op al die momenten wou ik het liefst van al gewoon verdwijnen. Ik wou helemaal niet anders zijn, maar net zo als mijn blanke vrienden.

 

U begon pas romans te lezen toen u al achttien was?

Sahota: Dat verhaal is ondertussen een molensteen rond mijn nek geworden. (lacht) Maar ik kan het ook niet ontkennen: ik kom niet echt uit een nest waar literatuur hoog aangeschreven stond en boeken deel uitmaakten van het dagelijks leven. Op een of andere manier is het me gelukt om het middelbaar af te werken zonder ooit ook maar één roman te hebben gelezen. Het eerste boek dat ik las, was Middernachtskinderen van Salman Rushdie. Die roman over de geschiedenis van India blies me van mijn sokken en ontstak diep in mij het heilige literaire vuur.

 

Wat was er dan zo speciaal aan Middernachtskinderen?

Sahota: Dat vraag ik mezelf ook nog steeds af. (lacht) Misschien raakte ik erdoor betoverd omdat ik het las op het vliegtuig naar India. Ik had het boek gekocht op de luchthaven. Middernachtskinderen is geschreven in 1981, in het jaar dat ik geboren ben; misschien had mijn betovering ook daarmee te maken. Echt veel begreep ik er niet van, want het is een bijzonder complexe roman. Maar ik werd geraakt door de manier waarop Rushdie verhalen vertelde. Ze gaven me een gevoel van geluk en bezorgden me leesplezier.

 

Er is nog een groot verschil tussen lezen en schrijven.

Sahota: Zonder twijfel. Ik werd zelf eerst een bijzonder grote lezer, alsof ik de verloren tijd wou inhalen. Ik stortte me op De God van kleine dingen van Arundhati Roy en later op het prachtige De rest van de dag van Kazuo Ishiguro. Na een tijd betrapte ik mezelf erop dat ik op een heel analytische manier begon te lezen. Aan de universiteit studeerde ik wiskunde. Dat lijkt een bizarre keuze voor een literatuurliefhebber, maar er zijn meer overeenkomsten tussen wiskunde en een vernuftig opgebouwde roman dan je op het eerste gezicht zou denken. Literatuur begint een beetje op wiskunde te lijken van zodra je je inhoudelijke en vormelijke vragen over een boek begint te stellen zoals: hoe zijn de verhalen gestructureerd, hoe zit de plot ineen, welk vakmanschap schuilt erachter? Het waren dat soort van technische vragen die ervoor zorgden dat ik begon te dromen van een eigen roman.

 

Op dat moment werkte u bij een verzekeringsfirma?

Sahota: Vijf jaar heb ik daar gewerkt. Franz Kafka startte zijn carrière ook als klerk bij een verzekeringsfirma; ik bevind me dus in uitstekend gezelschap. (lacht) Van in het begin was schrijven een echte passie. Ik dacht er niet aan dat het misschien ooit ook een broodwinning zou kunnen worden.

 

Uw debuut uit 2011, het nog niet in het Nederlands vertaalde Ours are the streets, is geschreven door de ogen van een zelfmoordterrorist.

Sahota: Mijn hoofdpersonage Imtiaz is een moslimjongen van Pakistaanse origine die geboren is in Groot-Brittannië. Op een bepaald moment raakt hij in de war over zijn plaats in de wereld en belandt hij in een identiteitscrisis.

 

U liet zich daarvoor inspireren door de aanslagen in Londen van 7 juli 2005?

Sahota: Die aanslagen kwamen alleszins heel hard bij me binnen. Ik vermoed dat ze de trigger voor het boek geweest zijn, al zou het nog een jaar duren vooraleer ik de eerste zinnen van Ours are the streets op papier zette. Er speelde ook iets heel persoonlijks: Imtiaz is een jongeman van mijn leeftijd, met dezelfde achtergrond, uit dezelfde streek in het noorden van Engeland. Ook hij groeide op in een gezin waar de waarden uit het Indiaas-Pakistaans subcontinent een belangrijke rol speelden. Onze religieuze achtergrond is totaal verschillend, hij is een moslim en ik ben een sikh, maar we delen wel dezelfde psychologie. Net als die aanslagplegers op de Londense metro weet ik hoe het aanvoelt om tussen twee werelden te leven.

 

Maar waarom wordt het ene migrantenkind schrijver en blaast het andere zichzelf op in de metro?

Sahota: Imtiaz uit Ours is the streets wordt niet gedreven door racisme of door de wereldpolitiek. Veel migrantenkinderen ervaren racisme en zijn boos over wat er in het Midden-Oosten gebeurt, maar slechts een heel kleine minderheid stapt met een rugzak vol explosieven op de trein. Er moet dus iets anders zijn waarom jonge mensen een terroristische aanslag plegen tegen het land waar ze geboren en getogen zijn. In mijn debuutroman wou ik daarnaar op zoek. Hun drive kon toch niets anders zijn dan een bizarre mix tussen liefde en haat? Ik wou heel specifiek schrijven over hoe het is om op te groeien in een land en twee levens te moeten leiden. Als je van je leven bij je thuis geen weerklank vindt in het openbare leven of in de media, is de kans groot dat je jezelf begint te schamen over je eigen identiteit. Je krijgt dan het gevoel dat je je eigenheid moet verstoppen voor de buitenwereld. Mensen met een nationalistische of fundamentalistische agenda proberen de geestelijke leegte die een gevolg is van de vervreemding, in te vullen. Ze maken misbruik van de kwetsbaarheid van migrantenkinderen. Syriëstrijders, jihadisten of potentiële zelfmoorterroristen zien hun daden als manieren om op te komen voor ‘hun broeders en zusters’, de slachtoffers van de oorlogen in Afghanistan of Syrië. De jihad is in hun ogen een legitieme verdedigingsstrijd. Het tragische van al die jonge mannen is dat ze de moeilijkheden van de adolescentie niet kunnen overwinnen. Ze willen dolgraag ergens bij horen, en maken op dat cruciale moment een dramatische foute keuze.

 

Hebt u er een verklaring voor waarom Groot-Brittannië voor veel vluchtelingen het beloofde land is? Dat geldt ook voor de drie Indiase jongens uit Het jaar van de gelukszoekers.

Sahota: In 2003 was Groot-Brittannië nóg minder paradijselijk dan het nu is. Op sommige plaatsen leek het meer op een derde wereldland. Mijn hoofdpersonages Tochi, Avtar en Randeep komen uit de landelijke gebieden van de Punjab. Ze hebben niet gestudeerd en zullen nooit als informaticus, dokter of ingenieur in het Westen een carrière kunnen uitbouwen. Maar ze willen ook niet in de voetsporen van hun vaders treden en landbouwers worden. Ze zijn er heilig van overtuigd dat hun economische geluk in het Westen ligt. Ze horen ook alleen maar succesverhalen van de eerste generaties die in de jaren vijftig en zestig naar het Verenigd Koninkrijk migreerden. Als kind reisde ik vaak samen met mijn ouders terug naar de Punjab. Onze Indische families en vrienden geloofden dat wij er warmpjes in zaten en dat we voorspoedige, gemakkelijke levens leidden. In vergelijking met hen hadden we het ook beter en genoten we beslist meer comfort. Maar de verhalen die de generatie van mijn ouders opdiste, waren veel te rooskleurig. Zij wilden laten zien dat ze het gemaakt hadden. Ze droegen gouden horloges en schepten op over hun huizen en hun auto’s. De achterblijvers droomden ervan om ook ooit hun deel van de globale welvaartskoek in Engeland te komen halen. Niemand van de migranten die hen voorgegaan waren, zei de harde waarheid. Niemand zei: ‘Er is geen toekomst voor een jongen zoals jij. Je moet er werken als een hond, voor een aalmoes.’ Zelfs als iemand toch de waarheid vertelde, werd hij niet geloofd. ‘Je wil al die rijkdom voor jezelf houden.’ Nu is de populariteit van Groot-Brittannië in India tanende. De nieuwe El Dorado’s zijn Nieuw-Zeeland, Canada en Australië. De bottom line is altijd: mensen die verlangen naar een beter leven.

 

Om vervolgens in plaats van in het paradijs in de hel terecht te komen?

Sahota: Ze komen terecht in een compleet andere samenleving, waar ze ook geen deel van uitmaken. Net als mijn hoofdpersonages hokken ze samen in krotwoningen, altijd bang voor de klop op de deur van een politieagent of een ambtenaar. Ze vertrouwen geen mensen die er anders uitzien dan zij. Ze hebben geen contact met blanke Britten en daarom vind je die ook nauwelijks in mijn boek. De lui die ze vertrouwen, zijn Indiërs of Pakistanen die hen op alle mogelijke manieren uitbuiten.

 

Hoe racistisch is de Indische rurale kastensamenleving waaruit uw hoofdpersonages stammen?

Sahota: Ik weet niet of ‘racistisch’ de juiste omschrijving is voor het kastensysteem. Het bepaalt wel heel dwingend tot welke sociale groep je behoort en regelt de maatschappelijke hiërarchie. Je kaste bepaalt ook hoe je gezien wordt door andere mensen. Maar laat er geen twijfel over bestaan: ik vind het een walgelijk systeem. Want wie tot een lagere kaste behoort, is voor de rest van zijn leven veroordeeld tot een marginaal bestaan.

 

Is uw leven grondig veranderd na de nominatie van Het jaar van de gelukszoekers voor de Man Booker Prize?

Sahota: Toch wel. Dankzij de shortlist voor de Man Booker stroomden de uitnodigingen voor de literaire festivals en lezingen toe. Op een van die festivals ontmoette ik voor het eerst Salman Rushdie, de man die aan de basis ligt van mijn schrijverschap. Dat was een wonderlijke ontmoeting. Hij is een fantastische kerel, heel genereus en aardig. Hij bezorgde me ook een quote voor mijn boek. ‘Dit is het echte werk’, schreef hij. (lachje)

De nominatie heeft er ook voor gezorgd dat mijn lezerspubliek spectaculair groter werd en dat de rechten verkocht werden aan verschillende buitenlandse uitgevers. Lezers zijn belangrijk voor me, want een schrijver zonder lezers is als een acteur in een lege theaterzaal. Ik hoop ook dat mijn boeken de tand des tijds zullen doorstaan.

 

U schrijft voor de eeuwigheid?

Sahota: Dat klinkt waarschijnlijk pompeus en pretentieus en het is niet iets dat tijdens het schrijven in mijn achterhoofd hangt, maar ik droom wel van een oeuvre dat niet samen met mij begraven zal worden. Mijn romans zijn weergaves van hoe ik het leven zie, verpakt in verhalen. Het zijn geen constructies voor de eeuwigheid, maar mijn visie op de werkelijkheid. Niet dat ik per se boodschappen wil meegeven – mijn enige boodschap is: zo zie ik de wereld. Het jaar van de gelukszoekers is een staalkaart van de inhoud van mijn brein op het moment dat ik het boek aan het schrijven was. Dat geldt volgens mij voor álle literatuur. Je leert elke schrijver door en door kennen als je zijn boeken leest.

 

Als ik uw boeken vastpak, hou ik meteen ook uw brein vast?

Sahota: Ja, dat is zo. (lacht) Wie mijn boeken gelezen heeft, kent me van binnen en van buiten. Niet dat mijn romans autobiografisch zijn; het heeft vooral te maken met de gevoeligheid en de toon. De voorbije jaren heb ik gemerkt dat schrijvers van opgewekte, luidruchtige boeken zelf ook opgewekt en luidruchtig zijn. Schrijvers van ingetogen romans zijn dan weer eerder verlegen types. De schrijver weerklinkt in de manier waarop hij over emoties schrijft en ze beschrijft. Gustave Flaubert zei: ‘Madame Bovary, c’est moi.’ Het jaar van de gelukszoekers, dat ben ik.

 

Sunjeev Sahota, Het jaar van de gelukszoekers, Prometheus, 446 blz., 19,95 euro

 

© Jan Stevens

“De vlieg op de muur” noemt Gary Byrne zichzelf. In de jaren negentig hield hij als agent van de Secret Service de wacht voor het kantoor van president Clinton. Hij ruimde de spermahanddoekjes van Bill op en liet zich de huid volschelden door de First Lady. “Toen een collega haar goedemorgen wenste, antwoordde ze: ‘Go fuck yourself.’”

 

Ergens in het voorjaar van 1993. De kersverse president Bill Clinton en zijn vrouw Hillary geven een receptie in het Witte Huis in Washington DC om kennis te maken met hun bewakingsagenten van de Secret Service. Gary Byrne en zijn vrouw Genny zijn ook van de partij. Gary werkt sinds juli 1991 als geüniformeerd agent van de geheime dienst voor de Amerikaanse president. Eerst voor Republikein George H. W. Bush, nu voor Democraat Bill Clinton. Na een speech en een glas champagne is het tijd voor foto’s van het presidentskoppel met hun gasten. Ook Gary en Genny poseren samen met The First Couple. “Ik legde mijn hand op de rug van mevrouw Clinton”, herinnert Gary zich. “Ik voelde hoe een zachte hand mijn hand vastnam en op het achterwerk van mevrouw Clinton legde. Ik schrok en stond als aan de grond genageld. Na de foto zei ik lacherig tegen mijn vrouw: ‘Ik geloof dat de president daarnet mijn hand op de kont van de First Lady legde.’ Genny zei: ‘De president streelde heel de tijd mijn rug. Waarschijnlijk vind je dat iets minder grappig.’”

Meer herinneringen aan zijn Witte Huis-jaren bundelde de inmiddels gepensioneerde geheim beveiligingsagent Gary Byrne in het schandaalboek Crisis of Character. Daarin borstelt hij een niet al te flatterend portret van de Clintons, met Bill als seksverslaafde charmeur en Hillary als valse, agressieve bitch. Nog voor het boek eind juni in de boekhandel lag, twitterde Donald Trump enthousiast: ‘Een voormalige geheim agent van president Clinton vilt achterbakse Hillary door haar als LABIEL en GEWELDDADIG te omschrijven. Slecht temperament voor een president.’

Crisis of Character stoomde op zowat alle Amerikaanse bestsellerlijsten meteen door naar de eerste plaats. Byrne vindt dat zelf een klein mirakel. “Want mainstreammedia zoals ABC en NBS weigeren om op een fatsoenlijke manier aandacht te schenken aan mijn boek”, zegt hij. “Zij beweren dat het mijn bedoeling is om de presidentskandidaat van de Democraten te beschadigen. Ik krijg van hen de kans niet om die nonsens te weerleggen.”

 

Ze verdenken u ervan in opdracht van Donald Trump te werken.

Gary Byrne: “De waarheid is dat Donald Trump waarschijnlijk op net hetzelfde moment over mijn boek hoorde als u. Niemand wist dat ik Crisis of Character aan het schrijven was. In heel die periode heb ik er bewust ook niemand over verteld. Ik wou mijn collega’s van de Secret Service beschermen en hen niet in verlegenheid brengen. Zij sturen mij nu wel felicitaties. Sommigen werken nog bij de Service en durven me niet openlijk steunen.”

 

Mag u als voormalig agent van de geheime dienst dit boek eigenlijk wel schrijven?

Byrne: “Ik mag schrijven wat ik wil. In mijn contract met de Secret Service stond geen geheimhoudingsclausule. Ik heb ook nooit een State Secrecy Agreement getekend. Het is wel zo dat onder alle beveiligingsagenten van het Witte Huis de ongeschreven wet geldt dat ze hun lippen stijf op elkaar houden over wat ze tijdens hun dienst horen of zien. Na 29 jaar trouwe dienst ben ik eervol op rust en voel ik me niet langer verplicht om te blijven zwijgen. Veel feiten uit mijn boek zijn ook ooit al eens door anderen gesignaleerd. Zij werden niet altijd geloofd, maar ik zag met mijn eigen ogen hoe Hillary het personeel als vuil behandelde. Ik was die stille, onopvallende man in de kamer die alles registreerde. Ik was de vlieg op de muur. Ik wil dat het Amerikaanse volk de waarheid over mevrouw Clinton leert kennen. Na wat ik met haar meegemaakt heb, twijfel ik heel sterk aan haar leiderscapaciteiten. Integendeel, op momenten van stress ontpopte ze zich tot een kwaadaardige furie die haar woede afreageerde op brave beveiligingsagenten zoals ik. In vergelijking met Hillary was Richard Nixon de verpersoonlijking van Mahatma Gandhi. Ik wil dat haar potentiële kiezers weten op wie ze straks zullen stemmen. Ik zeg niet dat ze niet voor haar mógen stemmen. Ik wil alleen dat ze goed geïnformeerd zijn. Weet u dat ik de allereerste geüniformeerde agent van de Secret Service ooit ben die opgeroepen is om voor een onderzoekscommissie te komen getuigen?”

 

Naar aanleiding van het Monica Lewinsky-schandaal werd u eind jaren negentig door de beruchte openbare aanklager Kenneth Starr ondervraagd.

Byrne: “Precies. Ik ben in totaal zes keer gedagvaard om voor het onderzoek van het Hooggerechtshof te komen getuigen. Het team van Kenneth Starr wilde van mij te weten komen of Bill Clinton en Monica Lewinsky samen tijd hadden doorgebracht. Ze wilden van mij horen of de president en de stagiaire een affaire hadden.”

 

Volgens de Association of Former Agents of the US Secret Service (AFAUSSS) zuigt u al uw verhalen uit uw duim. Zij zeggen dat u nooit de wacht gehouden kunt hebben bij het Oval Office of bij andere vertrekken van de president. Die plekken waren volgens hen exclusief voorbehouden voor leden van de Presidential Protective Division, de persoonlijke lijfwachten van de president.

Byrne: “Ze lullen uit hun nek. Waarom moest ik indertijd dan zes keer komen getuigen? Tijdens dat onderzoek van judge Starr kenden de mensen aan de top van de geheime dienst alle details over de affaire tussen Clinton en Lewinsky. Maar ze hadden geen zin om zelf te getuigen en lieten mij en mijn collega’s dagvaarden om voor hen de hete kolen uit het vuur te halen. Twintig beveiligingsagenten moesten getuigenissen afleggen. Ik heb toen de waarheid verteld, net zoals ik dat nu ook doe in mijn boek. Die kerels van AFAUSS hebben geen flauw idee hoe het er tijdens de Clinton-jaren op het Witte Huis aan toeging. Ik wil dat ze ophouden met hun onzin en zet daar nu juridische stappen voor.”

 

AFAUSS-voorzitter Jan Gilhooly was van 1995 tot 1997 inspecteur bij de Secret Service en zegt dat hij toen nauw in contact stond met de agenten in het Witte Huis én met Hillary Clinton. Hij beweert dat hij nooit klachten over onaangepast gedrag van Hillary gekregen heeft. Hij kan zich ook niet herinneren ooit iets over u gehoord te hebben.

Byrne: “Ik heb dan ook nooit met hem samengewerkt. Wat wil dit nu zeggen? Ik heb zoveel mensen nog nooit ontmoet. Het is toch niet omdat een andere gepensioneerde collega fan is van Hillary Clinton dat mijn boek niet deugt? Crisis of Character gaat over dat deel van mijn leven waarin mijn pad dat van de Clintons kruiste. Elk woord in het boek is waar. Gilhooly neemt nu de Secret Service en de Clintons in bescherming. Dat is zijn goed recht, alleen mag hij geen leugens over mij de wereld insturen. Ook hij krijgt een dagvaarding in de bus. De Clintons vervolgen mij trouwens niet omdat ze heel goed weten dat ik de waarheid spreek.”

 

Waar in het Witte Huis hield u de wacht?

Byrne: “Meestal vlak aan het Oval Office, het kantoor van de president in de West Wing van het Witte Huis. Af en toe sprong ik in op andere plaatsen in het gebouw.”

 

U startte uw carrière als ‘geheime beveiligingsagent’ op het Witte Huis bij vader George H.W. Bush. U noemt hem liefkozend ‘Papa Bush’.

Byrne: “Zo spreken al mijn collega’s uit die tijd over hem. Hij was een heer van stand: het typevoorbeeld van hoe de president van de Verenigde Staten er uit hoort te zien. Natuurlijk had hij zijn gebreken, niemand is perfect, maar Papa Bush was een aardige man. Hij is een echte Amerikaanse patriot: tijdens de Tweede Wereldoorlog vocht hij als piloot bij de marine. Zijn vliegtuig werd door de Japanners neergehaald boven de Stille Oceaan. Op het laatste nippertje werd hij gered. De voornaamste taak van een geheim beveiligingsagent in het Witte Huis is om een hele dag stil te blijven staan en op te gaan in het meubilair. Maar president Bush zag ons altijd, kwam ons begroeten en sloeg soms een praatje met ons.”

 

Toen het team van Bill Clinton na zijn verkiezingsoverwinning in 1992 het Witte Huis overnam, leek dat voor u op een hippie-invasie. U hield niet van die nieuwe frisse wind?

Byrne: “De hippies hadden lak aan autoriteit. Agenten zoals ik vertegenwoordigden die autoriteit en daarom keken ze neer op ons. Clintons medewerkers stamden uit die hippiecultuur. Zij werden plots zelf de autoriteit waar ze jarenlang op hadden lopen schimpen. Ze keken nog steeds op ons neer, werkten daarenboven ook nog eens hun frustraties op ons uit en zorgden zeker in de eerste Clinton-jaren voor chaos. Ze liepen erbij als sloddervossen en hun kantoren op het Witte Huis waren net veredelde studentenkoten.”

 

Zou het kunnen dat u gewoon een hekel hebt aan jonge mensen die lak hebben aan hypocriete stijfheid en vermolmde grandeur?

Byrne: “Ik heb geen hekel aan jonge mensen, maar ik hou niet van pas afgestudeerde verwende snotapen die zich als hooligans gedragen. Het Witte Huis is nauw verbonden met de Amerikaanse geschiedenis en heeft een grote symboolwaarde. De boys and girls van de Clintons toonden geen greintje respect voor dat van geschiedenis doordrongen gebouw. Ze liepen er met hun bekers koffie of frisdrank van de ene naar de andere kamer, hingen languit in de zetels en morsten op de tapijten. Ze plakten zelfs stickers op antieke kasten. Ze beschadigden moedwillig cultureel erfgoed. Gelukkig veranderde dat in juli 1994 toen de latere CIA-baas Leon Panetta tot Clintons kabinetschef benoemd werd: hij voerde opnieuw discipline in.”

 

In uw boek beschrijft u hoe de kersverse vice-president Al Gore het brandalarm laat afgaan tijdens zijn zoektocht naar afluisterapparatuur en verborgen camera’s. Ook de Clintons waren bang dat ze afgeluisterd werden?

Byrne: “Ja, en die angst nam paranoïde vormen aan. Vader Bush had op een herverkiezing gerekend en vlak voor de verkiezingen had zijn administratie een compleet nieuw telecommunicatiesysteem laten installeren. Dat had flink wat geld en moeite gekost. Bill en Hillary vertrouwden dat hele zaakje niet. Ze bestelden een nieuw telecommunicatiesysteem bij AT&T. Wij moesten de technici de weg wijzen in het Witte Huis. Zij vertelden ons dat de Clintons ervan overtuigd waren dat de Republikeinse Partij meeluisterde met al hun gesprekken.”

 

Wat vond u van de mens Bill Clinton?

Byrne: “Het zal u misschien verbazen, maar ik vond hem heel sympathiek. Hij was vriendelijk tegen gewoon voetvolk zoals wij. Bill Clinton is een aardige vent, alleen heeft hij een immens probleem met vrouwen. Als hij mijn 27-jarige nicht een lift aanbiedt, kruip ik wel op de achterbank om hem in de gaten te houden. (lacht)”

 

U vond Hillary Clinton iets minder sympathiek?

Byrne: “Ze was koud en afstandelijk. Het leek of ze voortdurend boos was en ze had dictatoriale trekjes. Er is nu zoveel ophef over haar e-mailverkeer van toen ze minister van Buitenlandse Zaken was, maar dat is typisch Hillary. Ze liet haar eigen mailserver installeren, in plaats van gebruik te maken van de officiële regeringsserver. Voor haar gelden de regels niet die voor anderen wel gelden. Haar motto is: ‘Doe wat ik zeg, maar doe niet wat ik doe.’”

 

Hoe behandelde ze u en uw collega’s?

Byrne: “Zeer vijandig. Ze vertrouwde ons voor geen haar. Ze leek echt een probleem te hebben met mannen in uniform. Ons kostuum werkte bij haar als een rode lap op een stier. Ze blafte ons voor het minste af en reageerde ál haar frustraties af op haar eigen personeel en op de beveiligingsagenten. Sommige collega’s werden continu de huid vol gescholden. Als ze niet naar haar pijpen dansten, dreigde ze hen af. Ik ben trouwens niet de enige die daarover getuigt. Ex-FBI-agent Gary Aldrich was ook een tijdlang gestationeerd bij de Clintons. In zijn in 1996 verschenen boek An FBI Agent Inside the Clinton White House beschreef hij hoe ze zeven ondergeschikten het bloed vanonder de nagels pestte. Volgens Aldrich vertrouwde ze die jongens niet en wou ze hen laten vervangen door ja-knikkers uit Arkansas. Ze had het alleszins heel moeilijk om haar kwaadheid onder controle te houden. Ik heb meer dan genoeg woede-uitbarstingen van haar meegemaakt. Voor de kleinste onnozelheid begon ze te roepen en te tieren. Veel Witte Huis-medewerkers waren als de dood om een fout te maken. ‘Who’s going to tell Hillary?’ De kleinste ‘misstap’ kon hen hun job kosten.”

 

Jullie klaagden nooit over het gedrag van de First Lady tegen jullie superieuren?

Byrne: “Toch wel. De spreekwoordelijke druppel was haar aanvaring met een nieuwe beveiligingsagent. Op een van zijn eerste werkdagen liep hij haar in een gang tegen het lijf. Hij zei: ‘Good morning’ en zei antwoordde: ‘Go to hell.’ Die jongen was helemaal van streek. Een paar dagen eerder had ook een andere collega het aangedurfd om haar vriendelijk goede morgen te wensen. ‘Go fuck yourself’, had ze toen geantwoord. Na die incidenten ging onze sergeant klagen bij de top van de Secret Service. Zij beloofden dat ze het zouden melden aan Leon Panetta. Er volgden excuses, al kwamen die niet rechtsreeks van Hillary. Er werd ook een interne memo rondgestuurd met het verzoek om in het vervolg alle bizarre uitvallen van de First Lady meteen aan onze superieuren te melden.”

 

U zag Bill Clinton ooit met een blauw oog. Dat was het resultaat van een woede-uitbarsting van Hillary?

Byrne: “Ik vermoed van wel. Dat blauwe oog was gigantisch. Toen ik aan zijn assistente Nancy Hernreich vroeg wat er gebeurd was, antwoordde ze: ‘Hij is allergisch aan koffie.’ (lacht) Ik heb verschillende keren gehoord hoe Hillary hem de huid vol schold.”

 

Vóór de Lewinsky-affaire leek het toch alsof de Clintons een uitstekend koppel vormden? Ze liepen hand in hand, maakten grapjes en waren lief voor elkaar.

Byrne: “Lang voor de Lewinsky-affaire speelden ze al toneel. Tijdens de verkiezingscampagne van 1992 beweerde zangeres en actrice Gennifer Flowers dat ze twaalf jaar lang Clintons minnares geweest was. In 1998 heeft hij onder eed toegegeven dat hij seksuele betrekkingen met haar gehad heeft. Na Flowers, en zeker na Lewinsky, volgden nog vele andere vrouwen die hem hun ex-minnaar noemden. Sommigen beschuldigden hem zelfs van seksuele geweldpleging en verkrachting. Die beschuldigen heeft hij altijd staalhard ontkend. Ik wil maar zeggen: al lang voor zijn kandidatuur voor het presidentschap was hij geen onbeschreven blad. In het begin van zijn presidentschap leek het alsof hij en Hillary een voorbeeldig paar vormden. Maar dat was slechts schijn.”

 

Op 20 juli 1996 joeg Hillary Clintons persoonlijke assistent Vince Foster zich een kogel door het hoofd. Volgens u dreven Hillary’s uitbarstingen hem tot zelfmoord. Dat zijn zware beschuldigingen.

Byrne: “Vince Foster was een advocaat uit Arkansas. Hillary behandelde haar persoonlijke assistent zonder enig greintje mededogen. De eerste keer dat ik hem in het Witte Huis tegenkwam, dacht ik: ‘Die man wil hier duidelijk liever niet zijn.’ Zijn lichaamstaal sprak boekdelen: hij was doodongelukkig. Hij zat dan ook in een diepe depressie. Hillary verweet hem dat hij te traag was. Hij slaagde er maar niet in om alle vacatures voor haar staf ingevuld te krijgen. Hij slaagde er ook niet in om de weinig flatterende verhalen die toen al over haar opvliegendheid de ronde deden, in de kiem te smoren. Een kind kon zien dat Foster aan het eind van zijn Latijn was en toch bleef ze op hem inhakken. Hij stapte uit het leven in Fort Macy Park, Nevada. Ik zeg niet dat Hillary de rechtstreekse aanleiding was voor zijn zelfmoord, maar de manier waarop ze hem behandelde, heeft hem zeker geen deugd gedaan.”

 

Heeft ze zijn leven geruïneerd?

Byrne: “Er is een afscheidsbrief van hem gevonden. Die zat in zijn tas en was in 27 stukken gescheurd. Hij gaf de schuld van zijn mislukking aan de FBI, de media, de Republikeinen en zelfs aan het kantoor van de portiers van het Witte Huis. De laatste zin luidde: ‘Ik was niet voorbestemd voor die job of voor een publiek leven in Washington onder de spots. Mensen ruïneren wordt er beschouwd als nationale sport.’”

 

U zag hoe de 22-jarige stagiaire Monica Lewinsky hardnekkige pogingen ondernam om binnen te raken in het kantoor van president Clinton?

Byrne: “Ja. Dat was heel raar. In de lente van 1996 wou zij per se binnen raken in het Oval Office en probeerde mij en andere beveiligingsagenten te verschalken. Er werkten wel meer stagiairs in het Witte Huis en zij was lang niet de enige die tot bij de president wou geraken. De meesten waren starstruck, maar Monica was anders. Zij gedroeg zich als een stalker en was niet weg te slaan uit de gangen rond het presidentiële kantoor. Ik ging klagen bij Clintons adjunct-kabinetschef Evelyn Lieberman. ‘Die stagiaire Monica Lewinsky wil per se tot bij de president raken. Ik vertrouw haar niet.’ Waarna Monica’s pasje voor de West Wing werd ingetrokken. Tot ze een tijd later met een blauwe pas voor mijn neus stond te zwaaien. ‘Blauw’ wou zeggen dat ze tot de betaalde staf van de president behoorde. Vervolgens stapte ze vastbesloten het Oval Office binnen. Monica was in die tijd niet het enige liefje van de president.”

 

Hoe weet u dat zo zeker?

Byrne: “Ik was bevriend met Nelvin, de Filippijnse steward die de hemden van de president streek en hem thee en koffie bracht. Je zou hem zijn butler kunnen noemen. Nelvin was heel discreet, maar in de Monica-periode sloeg hij op tilt. Op een dag kwam hij bij me uithuilen toen ik de post aan het sorteren was. Hij liet me de handdoekjes zien die hij elke dag met de hand in zijn klein keukentje uitwaste. Hij was het beu om voortdurend de rotzooi van de president te moeten opruimen. Sommige handdoekjes zaten onder de lippenstift, andere zaten vol sperma. Nel durfde ze niet naar de wasserij te sturen, want zo zouden de roddels alleen maar toenemen. De kleur van de lippenstift op de handdoekjes was niet die van Monica, maar leek verdomd veel op die van een receptioniste. Ik wou Nel helpen, stopte de doekjes in een zak en heb ze onderweg naar huis in een vuilcontainer gedumpt.”

 

U schrijft in uw boek dat u de president betrapte in de Map Room van het Witte Huis terwijl hij aan het vrijen was met de inmiddels aan kanker overleden Eleanore Mondale, dochter van een ex-vicepresident.

Byrne: “Ik stond samen met een collega op de gang op wacht. Een steward stapte de Map Room binnen met een proper hemd voor de president. Toen de deur openging, keken wij naar binnen en zagen de president en Eleanor Mondale innig zoenen. Bill schrok, keek naar ons en wij naar hem. Hij liet haar los, stapte naar de deur en staarde ons indringend aan voor hij ze sloot. Ik zei tegen mijn collega: ‘Here we go again.’ (lacht)”

 

Waarom neemt u zo’n aanstoot aan de seksuele escapades van Bill Clinton? Wij hebben toch niets te maken met wat hij tussen de lakens uitspookte?

Byrne: “Hij gedroeg zich niet zoals een president zich hoort te gedragen. Daar komt bij dat het mijn job was om hem te beschermen. Ik moest ervoor zorgen dat hem niets kon overkomen en toch slaagde zo’n stagiair erin om zich bij hem naar binnen te bluffen. Dat kon alleen maar omdat hij daar de faciliteiten voor schiep. De getuigenissen die door Kenneth Starr verzameld zijn, maken deel uit van de Amerikaanse geschiedenis. Zij hebben aangetoond dat de president loog over zijn relatie met mevrouw Lewinsky. Onze kinderen van twaalf moeten nu op school leren dat een vorige president zich in het Witte Huis te buiten ging aan vunzige spelletjes met een vrouw die niet de zijne was. Vindt u dat normaal?”

 

Zijn de woedeaanvallen van Hillary Clinton in het licht van de hele Lewinsky-affaire niet te begrijpen?

Byrne: “Ik kan heel goed begrijpen dat Hillary Clinton het niet fijn vond dat haar man haar maar bleef bedriegen. Maar u schat haar verkeerd in. Wat haar vooral stoorde, was dat de Lewinsky-affaire het merk Clinton besmeurde. Ze wist dat hij verschillende affaires achter de rug had, maar ze bleef lang geloven dat de Lewinsky-affaire enkel op roddels gebaseerd was. Toen Monica Lewinsky op de proppen kwam met haar inmiddels beruchte met sperma bevlekte blauwe jurk, wist de advocaat van Bill Clinton hoe laat het was. Na overleg met Bill heeft hij pas dan Hillary ingelicht. Die mededeling had onmiddellijk effect op haar gedrag, en dat is inderdaad normaal. Toch koos ze ervoor om na die zoveelste vernedering bij hem te blijven.”

 

U ziet haar als het ‘mastermind’ achter het merk Clinton?

Byrne: “Ja. Of je het leuk vindt of niet, ze vormen wel degelijk een goed team. In de jaren negentig was hij het gezicht van het Clinton-merk. Hij was charmant, wist hoe hij mensen voor zich moest winnen, liet harten sneller slaan en vormde zo ook Hillary’s ticket naar macht en succes. De enige reden waarom zij nu president wil worden, is dat allebei de Clintons verslaafd zijn aan macht en geld. Dankzij zijn presidentschap hebben ze zich persoonlijk kunnen verrijken en via hun Clinton Foundation hebben ze miljoenen dollars binnengehaald.”

 

Zijn niet zowat alle Amerikaanse presidentskandidaten walgelijk rijk? Donald Trump is toch ook geen arme duts?

Byrne: “Dat is zo, toch spannen de Clintons de kroon. De Clinton Foundation draait zogezegd rond liefdadigheid, maar wordt zowel door Bill als Hillary gebruikt om er zelf financieel beter van te worden. Toen zij minister van Buitenlandse Zaken was, sloot ze een grote wapendeal met Saoedi-Arabië. Dat land blijkt een van de grote sponsors van de Clinton Foundation te zijn. Hoe toevallig is dat?”

 

Voor wie stemt u in november?

Byrne: “Ik vind het Second Amendment van onze grondwet het allerbelangrijkste: ‘A well regulated militia, being necessary to the security of a free state, the right of the people to keep and bear arms, shall not be infringed.’ De kandidaat die opkomt voor vrij wapenbezit krijgt altijd mijn stem. Meestal is hij lid van de Republikeinse Partij. (grijnst)”

 

Gary Byrne, Crisis of Character, Hachette Book Group

 

© Jan Stevens

De voorbije tien maanden leefde de Duitse journalist Shams Ul-Haq als vluchteling in enkele Europese asielcentra. Wat hij zag en meemaakte, zorgt voor schokgolven. “IS heeft de vluchtelingenstroom geïnfiltreerd.”

 

In oktober 2015 dook de Duits-Pakistaanse journalist en terreurexpert Shams Ul-Haq (40) voor het eerst vermomd als vluchteling onder in een asielcentrum. Een maand eerder had bondskanselier Angela Merkel nog middenin de grote asielcrisis rustig en beheerst verklaard: “Wir schaffen das.” “Frau Merkel heeft het hart op de juiste plaats, maar toen verkocht ze quatsch”, zegt Haq. “Nog voor haar beruchte uitspraak zag ik al dat we het helemaal niet konden bolwerken. Merkel poseerde met vluchtelingen voor de ene selfie na de andere. Sociale media en WhatsApp deden de rest: Syrische families vluchten nog steeds bij voorkeur naar Duitsland, omdat ze verwachten er met open armen ontvangen te worden.”

We zitten in de ontbijtruimte van een Berlijns hotel, op een steenworp van het grote asielcentrum Lageso op de oude luchthaven Tempelhof waar Shams Ul-Haq begin dit jaar wekenlang als de vluchteling Ahmad Wakar uit Pakistan verbleef. De voorbije tien maanden kroop hij in de identiteiten van onder anderen de Indische vluchteling Ahmad Raja en de Pakistaanse asielzoeker Jamal Ahmad om undercover de sfeer op te snuiven in asielcentra in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Turkije. “De Turkse vluchtelingenkampen zijn de smerigste”, zegt hij. “Ik heb een tijd ondergedoken gezeten in een kamp in het Aziatische deel van Istanboel. Een levensgevaarlijke plek. Het is er koud, nat, met hondsbrutale bewakers die het geweld niet schuwen. Overleven is er een kunst.” Ul-Haq nam foto’s en maakte filmpjes van mishandelingen in niet enkel Turkse, maar ook in Europese vluchtelingenkampen. Daarnaast legde hij bloot hoe salafistische en jihadistische ronselaars op subtiele wijze de zieltjes van pas aangekomen vluchtelingen trachten te winnen. Zijn reportages zorgen tot vandaag voor schokgolven in zowel Duitsland, Oostenrijk als Zwitserland.

Shams Ul-Haq kwam in 1990 zelf als vijftienjarige Pakistaanse vluchteling Duitsland binnen. “Samen met twee neven kwam ik zo in een asielcentrum in Frankfurt terecht”, vertelt hij. “Mijn ouders bleven achter. Mijn vader was een straatverkoper. Ze waren doodarm.” Shams werd naar het Westen gestuurd om voor de familie in Pakistan te zorgen. De welbewuste keuze voor Duitsland was een gevolg van de val van de Muur in 1989: de familie Haq verwachtte dat de Duitse economie door de hereniging weldra zou boomen.

 

Hoe was de sfeer toen u hier aankwam?

Shams Ul-Haq: “In 1990 waren vluchtelingen nog een curiosum. Nu overheerst de angst en de grimmigheid; toen was alles cool en relaxed. We werden opgevangen in een centrum in Frankfurt waar iedereen vrij in en uit kon. Van zodra een vluchteling een legitimatiebewijs had, mocht hij gaan en staan waar hij wou. De enige regel was dat hij ’s avonds in het centrum moest komen slapen, ondertussen kon hij zijn nieuwe leven beginnen opbouwen. In Duitsland zijn de regels voor vluchtelingen vandaag veel strenger, zo moeten ze ook overdag op bepaalde tijdstippen in het centrum aanwezig zijn. Niet lang na aankomst kon ik bij een tante terecht die hier al woonde. Dat was een groot voordeel. Een week na mijn asielaanvraag zat ik op school. Geen opvangklas voor vluchtelingen, maar een échte klas. Ik werd middenin het normale Duitse schoolleven gegooid, heb toen even gepanikeerd, maar maakte snel vrienden en voelde me na een paar maanden als een vis in het water. In afwachting van mijn naturalisatie werkte ik als lasser, chauffeur, privédetective en autoverkoper. In 2001 kreeg ik de Duitse nationaliteit. De aanslagen van 9/11 in datzelfde jaar grepen me enorm aan. Ik ben zelf moslim en werd misselijk toen ik de beelden zag van die vliegtuigen die zich in de Twin Towers boorden. Het besef groeide dat ik dringend iets moest ondernemen tegen de onwetendheid en het onbegrip in onze samenleving.”

 

Dus werd u journalist.

“Ja. Mijn allereerste interview was met wijlen Benazir Butho, toen nog de Pakistaanse premier. In 1990 werd ik hier op een voorbeeldige wijze opgevangen. Ik zie het daarom als mijn plicht om ook mijn bijdrage te leveren aan een veiligere en betere Duitse samenleving. Het undercoverwerk in asielcentra is mijn kleine bijdrage.”

 

Het eerste centrum waarin u onderdook was in Offenbach vlakbij Frankfurt.

“Ik woon er in de buurt en ik ving geruchten op dat vluchtelingen er slecht behandeld werden. Als buitenstaander raak je een asielcentrum alleen binnen door de boel te belazeren. Ik heb een tiental valse vluchtelingenpapieren, telkens onder een andere identiteit. De échte problemen in een asielcentrum leer je alleen kennen door als vluchteling onder de vluchtelingen te leven. De eerste week in een centrum probeer ik vooral niet op te vallen. Ik ga op in de groep en slaap, praat, eet en denk net als alle anderen. Daarna begint het echte werk. Over mijn eerste undercoveroperatie schreef ik een grote reportage voor de regionale krant Offenbach Post. Meteen na publicatie kreeg ik telefoon van de burgemeester van Offenbach, Herr Schneider. Hij klonk wanhopig: ‘Dit is mijn stad, en ik weet niet eens wat er misgaat in het asielcentrum.’”

 

Wat ging er dan mis?

“Het was overbevolkt, het eten liet te wensen over en de toiletten waren afschuwelijk. Niemand had privacy. Er zaten vooral jonge vluchtelingen en oudere alleenstaande mannen. De directie en kampbegeleiding lieten toe dat er veel alcohol gezopen werd, waardoor vechtpartijen schering en inslag waren. Na mijn artikel is de burgemeester het kamp binnengegaan en heeft hij tegen de directie gezegd: ‘Zet orde op zaken, of ik sluit de boel.’ Niet veel later is het ook definitief gesloten. Weet u wat het grootste probleem van onze Duitse vluchtelingencentra is? Dat we in die centra zélf onze meest radicale islamisten kweken.”

 

Hoezo?

“De meeste Syrische vluchtelingengezinnen zijn van rijke afkomst: zij hebben het geld om tot in het Westen te geraken. Er zijn nu meer hoogopgeleide intellectuelen onder de vluchtelingen dan in mijn tijd. Zij verlieten hun land en komen na een levensgevaarlijke reis aan in een Duits kamp, omdat Frau Merkel zo vriendelijk was hen in de media welkom te heten. Maar dit land was daar niet op voorbereid. Al die families zitten in opvangcentra waar verveling heer en meester is. Ik weet niet hoe het bij jullie in België gesteld is, maar in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland is er in de asielcentra een stuitend gebrek aan bekwaam personeel. Behalve de salafisten en andere extremisten neemt niemand hun lot ter harte. De islamisten zeggen tegen de ontredderde, traditioneel gelovige vluchtelingen: ‘Kijk eens goed rond. Die Duitsers geloven in niets.’”

 

Salafisten namen ook uw lot ter harte?

“Ja. Begin dit jaar zat ik weken undercover in het asielcentrum in de vroegere luchthaven Tempelhof, hier vlakbij. Lageso-Tempelhof kan gerust model staan voor alle grote asielcentra van Europa. De mensen hebben er niets omhanden. Het is de gedroomde rekruteringsplek voor islamisten. In Tempelhof zitten de salafisten te wachten als roofvogels op hun prooi. Ze lopen er niet rond met lange baarden of gehuld in hun typische kledij. Ze zijn gladgeschoren en dragen doordeweekse kleren. Ze zijn lid van een hulpvereniging en werken in het kamp als vrijwilliger. De organisatie heeft uitstekende banden met de leiding van het centrum en haar vrijwilligers lopen er in en uit. Het personeel heeft niets in de gaten, maar na er weken als vluchteling te hebben geleefd, weet ik het honderd procent zeker: veel vrijwillige helpers zijn vermomde salafisten. Ze praten met de ontheemde vluchtelingen, winnen hun vertrouwen en nodigen hen na een tijd bij hen thuis uit voor koffie of thee. ‘Maak kennis met mijn familie en blijf eten.’ Stap na stap zuigen ze de vluchtelingen mee in hun rigide beleving van de islam. Na een tijdje beginnen ze te stoken tegen de ‘ongelovige Duitsers’.”

 

Toch niet alle salafisten zijn gewelddadig of dromen van de jihad?

“Het salafisme is een huis met vele kamers, maar of ze gewelddadig zijn of niet: hun ideologie is sluipend gif. Te veel jonge mensen laten er zich in Europa door verleiden. Salafisme is de eerste stap richting IS. De ronselaars spelen het zeer gewiekst. Natuurlijk zeggen ze niet tegen een radeloze vluchtelingenjongen uit Syrië: ‘Welkom bij IS.’ Ze winnen eerst zijn vertrouwen en beginnen dan met het injecteren van haat tegen het Westen en de Westerse waarden. ‘Duitsers zijn instrumenten van Satan.’

“Zeker het politieke salafisme moet verboden worden. Veel Europese moskeeën vormen broedhaarden van extremisme. De imams zijn sluw. Ze prediken op vrijdag niet: ‘Sluit je aan bij IS’, of: ‘Vermoord een priester in zijn kerk.’ Maar ze citeren wel uitvoerig de soera’s uit de Koran die door salafistische én jihadistische ideologen gebruikt worden. Van zodra er aanwijzingen zijn dat een moskee het salafisme ondersteunt of predikt, moet hij dicht.

“Niet alleen de salafisten, ook andere radicale moslimgroeperingen proberen in Europese asielcentra zieltjes te winnen. In het kamp van Eisenhüttenstadt vlakbij de Poolse grens maakte ik kennis met een groep gestaalde Tsjetsjeense moedjahedien die mannelijke vluchtelingen trachtten te ronselen. Jihadisten die in Tsjetsjenië gevochten hebben in en rond asielcentra laten rondlopen, is smeken om problemen. Ze hadden het hele kamp in hun macht. De vluchtelingen moesten een deel van hun geld aan hen afstaan. Ik heb die bedreigingen en transacties gefilmd. Pure maffia. Voor een aanslag zoals die in Ansbach waarbij een jonge geradicaliseerde vluchteling zichzelf opblaast, waarschuw ik al meer dan een jaar. Nu schrijven collega-journalisten: ‘Shams had gelijk.’ Ik wou dat het anders was, maar ik heb dus gelijk gekregen. (zucht) De aanslag op de kerk in Frankrijk en de aanslagen in München en Ansbach zijn nog maar een begin. De dader uit München had Afghaanse vrienden.”

 

Hij had toch niets te maken met jihadistische terreur?

“Er worden hem extreemrechtse motieven toegedicht. Wist u dat in Berlijn salafisten en neonazi’s van de Nationaldemokratische Partei Deutschlands (NPD) een duivelsverbond gesloten hebben om vluchtelingen voor zich te winnen? De Kriminalpolizei is dat nu aan het onderzoeken. Ik zag in Tempelberg met eigen ogen hoe neonazi’s en salafisten samen optrokken. Eén Afghaanse vriend van de dader uit München is gearresteerd; laat ons het verdere onderzoek maar afwachten. Misschien handelde hij niet voor rekening van IS, maar is hij wel besmet geraakt met het kwaadaardige haatvirus dat inherent is aan de salafistische ideologie. Al-Qaida en de Taliban vormen één front; nog verontrustender is dat IS en Al-Qaida weer samen door een deur lijken te kunnen.”

 

In september vorig jaar was ik in Erbil in Irak. De Syrisch-katholieke aartsbisschop van Mosoel leeft er in ballingschap. Hij vindt Europa naïef. Volgens hem is de vluchtelingenstroom geïnfiltreerd door IS.

“Hij heeft gelijk.”

 

Hij had het over 5.000 IS-strijders.

“Dat is niet overdreven. De vluchtelingenstroom van Syrië en Irak naar Europa was zowel voor Al-Qaida als voor IS een godsgeschenk. Ze hebben daar gretig gebruik van gemaakt.”

 

Veel terreurexperts hechten daar geen geloof aan. Volgens hen heeft IS alle strijders nodig in het kalifaat en is het risico te groot dat ze de overtocht niet overleven.

“Onzin. Voor jihadistische organisaties is de vluchtelingenstroom de beste manier om doorwinterde sleepers of slapende cellen Europa binnen te smokkelen. Nu wachten ze tot de tijd rijp is. Hun grootste probleem is geldgebrek. Ze moeten wapens kopen en chemicaliën verzamelen om bommen te maken. Gelukkig is de alertheid bij Europese inlichtingendiensten groot: als iemand stelselmatig scheikundige stoffen begint op te kopen, valt hen dat meteen op.”

 

Hebt u in asielcentra vermoedelijke sleepers ontmoet?

“Ik heb er mensen leren kennen van wie ik een zeer groot vermoeden heb dat ze sleepers zijn. Al zullen ze dat natuurlijk nooit zelf toegeven. In Duitse centra wordt geen halalvoedsel geserveerd. Voor strikt gelovige moslims is dat een probleem. Velen gaan ‘buiten’ eten. Ik ging vaak mee en haalde zo de banden aan. Het klinkt paradoxaal, maar veel ‘diepgelovigen’ zijn gek op drugs. Ik kocht cannabis voor vijf euro en bevoorraadde hen. Ze vonden dat niet gek: Pakistanen hebben nu eenmaal de reputatie drugdealers te zijn. ‘We are the best friends now’, zeiden ze. (lacht) Als je dag en nacht samen doorbrengt en vriendschap sluit, praten mensen soms hun mond voorbij, of tonen ze op hun smartphones filmpjes waarin zij de hoofdrol spelen. Ze deelden hun diepste overtuigingen met me. Ze vertrouwden me. Ik voel me nu niet geroepen om hen te verraden of over te dragen. Dat is mijn job niet als journalist. Ik meet de koorts in vluchtelingencentra, bericht daarover en stuur zo waarschuwingen de wereld in. De politie is verschillende keren bij me langs geweest. ‘Help ons alsjeblieft.’ Waarom zou ik? Ik ben geen informant: ik ben een journalist.”

 

Heeft de Duitse staatsveiligheid gepolst of u voor hen wou werken?

“Ja, ze hebben me dat zelfs schriftelijk gevraagd. Als ik dat doe, ben ik geen journalist meer. Ik weet dat de Oostenrijkse en Zwitserse politie naar aanleiding van mijn werk nu zelf undercoveragenten in de kampen hebben. In Zwitserland heb ik een tijd in het kamp van Kreuzlingen geleefd. Vluchtelingen werden er door de bewakers in elkaar geslagen. Wie te veel noten op zijn zang had, namen ze mee naar een aparte, speciaal ingerichte kamer. Ik heb daar opnamen van. Stel u voor: op de vlucht voor de oorlog in uw land komt u in Europa in een asielcentrum terecht waar de bewakers er een sport van maken om u op tijd en stond een flinke rammeling te geven. Zo creëer je als samenleving toch zelf je problemen? Als er dan in het centrum salafisten in de huid van ‘begripvolle helpers’ rondlopen, duw je de vluchtelingen toch zelf in hun armen?”

 

Als zoveel sleepers asiel gekregen hebben en in onze samenleving rondlopen, wil dat zeggen dat de screening niet deugt?

“Het klinkt als vloeken in de kerk, maar de identiteit van elke Syrische vluchteling die in Europa aankomt, moet gecheckt worden bij een Syrische ambassade of consulaat. De meesten hebben alleen een naam en geen papieren. 60 procent van de zogezegd Syrische en Irakese vluchtelingen komen binnen met valse namen. Er zitten flink wat Pakistanen, Iraniërs en Afghanen tussen. Het is echt niet moeilijk om aan vervalste documenten te geraken; met mijn voorraadje ben ik daar het levende bewijs van. De geheime dienst zou voldoende tijd moeten krijgen om verdachte ‘Syriërs’ en ‘Irakezen’ te screenen. In Duitsland ontbreekt die tijd nog steeds. Een deftige screening is er alleen als iemand ‘opvalt’. Dat is spelen met vuur. Een vluchteling met een crimineel verleden wordt aan de hand van zijn vingerafdrukken waarschijnlijk wel onderschept. De rest niet. In de asielcentra moeten dringend meer goed opgeleide maatschappelijk assistenten en psychologen aan de slag die voortdurend met de asielzoekers praten. Nu worden ze in een kamp gedropt en gebeurt er weken niets met hen. Ondertussen worden ze verleid door islamisten. Er moeten ook ‘undercovervluchtelingen’ ingezet worden die vooral alleenstaande vluchtelingen moeten proberen doorgronden.”

 

Klopt het dat er ook vluchtelingen in de kampen zitten die vochten in het leger van Assad?

“Ja, ik heb er zo een aantal leren kennen. Een van hen had nog een kogel van IS in zijn rug zitten. Toen ze asiel aanvroegen, hebben ze zich niet als soldaten of officieren van Assad voorgesteld, maar als gewone burgers op de vlucht voor geweld. Hun echte verhalen hoor je nooit na twee minuten. Vertrouwen winnen kost tijd. Soms duurt het weken.

“De christenen hebben het in de asielcentra het hardst te verduren. Hier in Berlijn worden ze geterroriseerd en gepest. Ik was zelf meermaals getuige hoe Syrische moslims de Iraanse christenen het bloed van onder de nagels pestten. Die Syrische moslims brengen alleen in de praktijk wat hun mullah hen opgelepeld heeft: ‘Christenen zijn ongelovige honden en mag je zo behandelen.’ Het is waanzin om christenen en moslims in deze omstandigheden samen te huisvesten.”

 

Hoe moeilijk is het om undercover een vluchtelingencentrum binnen te geraken?

“Het zal u niet lukken, u hebt er de looks niet voor. (lacht) Van elke vluchteling die Duitsland of eender welk ander Europees land binnenkomt, worden vingerafdrukken genomen. Dat systeem is waardeloos. Ik heb ondertussen in veel kampen gezeten, telkens weer werden mijn vingerafdrukken genomen en geen enkele keer begonnen de alarmbellen te rinkelen. ‘Hé, de afdrukken van die gast zitten al in het systeem.’ Geen enkele keer. Dat is toch onvoorstelbaar?”

 

U verblijft nog steeds undercover in asielcentra. Bent niet bang dat u ontmaskerd zal worden? In Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland stond uw foto in de kranten, u komt op tv.

“Vluchtelingen lezen geen Europese kranten. De Zwitserse autoriteiten hebben me twee keer aangeklaagd. Een keer voor ‘huisvredebreuk’ en een keer voor het ‘onrechtmatig maken van filmopnamen’. Ze moeten maar doen wat ze niet laten kunnen. Ik word afgedreigd door salafisten. Zij houden niet van me. (grijnst)

“Als ex-vluchteling kan ik het me permitteren om klaar en duidelijk te zeggen: vluchtelingen die criminele feiten plegen of gepleegd hebben, moeten meteen uitgewezen worden. Als een autochtone Duitser dat durft uit te spreken, krijgt hij het etiket ‘nazi’ of ‘islamofoob’ opgeplakt. Daarom wordt er in dit land vooral gezwegen. Voor een maatschappij is dat een ramp. Stel dat ik in 1990 in mijn huis in Pakistan een Duitser op bezoek gekregen had, die zou zeggen: ‘Voortaan wil ik hier blijven leven, maar wel volgens mijn regels.’ Dan had ik hem geantwoord: ‘Ben je gek? Je past je aan de regels van mijn land aan, anders kras je maar op.’ Ik kan dat hier nu vrij en vrank zeggen en van mij wordt dat ook geapprecieerd, maar voor een Duitser is dat not done. Ze willen o zo graag ‘zuiver’ blijven en slikken al hun frustraties over de vluchtelingenproblematiek in. Zolang niemand zijn mond durft te openen, etteren de problemen verder.”

 

De Franse oppositieleider Nicolas Sarkozy liet na de aanslag in de kerk weten dat hij voorstander is van huisarrest voor verdachte radicale moslims. Sommige Franse politici willen nog verder gaan: zij pleiten voor een ‘Frans Guantánamo’ waar verdachte islamisten kunnen worden opgesloten, ook als niet bewezen is dat ze plannen hadden voor een aanslag.

“Na wat er deze week gebeurd is, vind ik dat Sarkozy gelijk heeft. En ja, misschien moeten we ook zo’n kamp in overweging nemen. Mijn geboorteland Pakistan heeft onwaarschijnlijk veel mensen aan de terreur verloren: 60.000 mannen, vrouwen en kinderen lieten er het leven in aanslagen.”

 

Bent u bang dat Europa dezelfde weg opgaat?

“Ik denk niet dat er een bommencampagne zal volgen zoals in Pakistan of Irak, maar ik ben wel bang dat we in een soort van burgeroorlog terecht aan het komen zijn. Een burgeroorlog die niet gevoerd wordt met wapens, maar met haat. Ik vrees dat we nu al op weg zijn naar een samenleving waarin mensen elkaar hartsgrondig haten.”

 

 

 

Bio

Shams Ul-Haq

  • Geboren in 1975 in Pakistan als zoon van een doodarme straatverkoper
  • Werkte als kind zelf als verkoper op straat en verdiende zo 1 euro per dag
  • Werd in 1990 door zijn familie naar Duitsland gestuurd
  • Werd in 2001 genaturaliseerd tot Duitser
  • Werd door de aanslagen van 9/11 gedreven naar de journalistiek
  • Werkt o.a. voor nieuwszender N24, Die Welt en de Pakistaanse nieuwszender ARY
  • Werkt aan een boek over zijn undercoverwerk in asielcentra. Die Brutstätte des Terrors verschijnt in oktober

 

© Jan Stevens

Volgens neurobioloog Hannah Monyer en filosoof Martin Gessmann is het menselijke geheugen veel meer dan een verzameling herinneringen. ‘Het is een onzichtbare, geniale kracht die vanuit het verleden onze toekomst bepaalt.’

_DSC0075

‘Hannah is in Duitsland niet de eerste de beste: ze is hier wereldberoemd.’ Dat zegt de in populaire cultuur gespecialiseerde filosoof Martin Gessmann (54) over hersenwetenschapper en neurobioloog Hannah Monyer (58). We zitten in professor Monyers lab op een verdieping van het Deutsches Krebsforschungszentrum van de universiteit van Heidelberg. Wetenschappers en doctoraatstudenten van over de hele wereld voeren hier onder haar leiding fundamenteel onderzoek naar de werking van de menselijke hersenen. Hun favoriete onderzoeksobjecten zijn hersenen van muizen, zowel dode als levende. Hannah Monyers research leverde haar verschillende prestigieuze onderscheidingen op, waaronder de Leibniz Prijs, Duitslands allergrootste wetenschappelijke onderscheiding. Samen met Martin Gessmann schreef ze het razend interessante boek Ons geniale geheugen, waarin ze op zoek gaan naar de werking en de zin van ons geheugen. ‘Dat geheugen is veel meer dan een stoffige archiefkamer vol herinneringen’, zegt Gessmann. ‘Het helpt ons vanuit onze herinneringen beslissingen te nemen over onze eigen toekomst.’

Gessmann en Monyer leerden elkaar kennen in de wandelgangen van het Marsilius Kolleg in Heidelberg. ‘Het Marsilius Kolleg wil professoren uit de exacte en humane wetenschappen bij elkaar brengen en zo de grote dikke muur helpen slopen die tussen hen staat’, zegt Hannah Monyer. ‘Professoren uit verschillende disciplines worden een semester lang aan elkaar gekoppeld en werken samen een project uit. Martin stelde mij voor om zijn filosofische kennis te koppelen aan mijn neurobiologische kennis van de hersenen. We ontwikkelden een klein project rond ruimtelijk inzicht en geheugen en schreven daar samen een artikel over. Een jaar later vroeg Martin: “Waarom werken wij ons kleine project niet uit tot een gedegen boek?” Ik vond dat een schitterend plan.’

 

Zijn de nuchtere wetenschapper en de idealistische filosoof door hun gezamenlijke zoektocht naar de geheimen van ons geheugen dichter naar elkaar gegroeid?

Martin Gessmann: Het klikte van bij de start. De hersenwetenschap draait rond een grote basisvraag: hoe begrijpt de mens de wereld? Ook voor een filosoof is dat gefundenes Fressen. Ik was sowieso al erg geïnteresseerd in het wetenschappelijke onderzoek naar de werking van de hersenen.

Hannah Monyer: Ik ben net als Martin geïnteresseerd in het werk van de grote filosofen, in literatuur en muziek. Ons grootste probleem is dat exacte en humane wetenschappers een verschillende taal spreken. Als ik ‘a priori’ zeg, heeft dat een iets andere betekenis dan wanneer Martin dat zegt. Een wetenschappelijk artikel over de werking van de hersenen lees ik razendsnel, terwijl ik voor een traktaat van Immanuel Kant uren nodig heb. Gelukkig is er dan Martin om dat filosofische jargon in begrijpbare taal om te zetten.

Gessmann: En vice versa. We ontdekten dat we allebei een hartsgrondige hekel hebben aan de gangbare discussie over de werking van de hersenen bij wetenschappers en bij het grote publiek. De voorbije jaren draaide die voornamelijk rond het feit of de mens al dan niet een vrije wil heeft. Het hersenonderzoek gaat in sneltreinvaart vooruit en telkens weer wordt die vraag opgeworpen: zijn we nog wel vrije wezens nu we steeds beter lijken te weten hoe dat mechaniekje onder ons schedeldak werkt?

 

Waarom is dat volgens jullie de verkeerde vraag?

Gessmann: Omdat die discussie totaal naast de kwestie is. Wij wilden terug naar de essentie en dat is volgens ons het geheugen. Ons geheugen is hét vertrekpunt voor vragen die er werkelijk toe doen, zoals: wat zijn de mogelijkheden van ons brein? Wat kunnen onze hersenen vatten? Al die academische discussies over de vrije wil negeren de werking en de functie van dat geheugen. Van zodra je begrijpt hoe ons geheugen werkt, worden alle vragen over de vrije wil ook totaal zinloos.

 

Omdat ons geheugen meer is dan een archief vol herinneringen en ons ook stuurt?

Gessmann: Precies. In het begin van de negentiende eeuw groeide het geloof dat persoonlijkheidskenmerken zoals ons karakter, onze gevoelens en onze intelligentie zich op welbepaalde plekken in onze hersenen bevonden. Vandaag zijn nog steeds veel mensen daarvan overtuigd, al is dat ondertussen totaal achterhaald. Het huidige hersenonderzoek zoals Hannah dat voert, heeft aangetoond dat onze hersenen vol netwerken zitten. Ingewikkelde functies worden aangedreven en mogelijk gemaakt door een wijdvertakte samenwerking tussen allerlei gebieden in ons hoofd.

 

Onze hersenen werken zoals het internet?

Gessmann: Ja, ze werken net als het wereldwijde web. Die netwerkstructuur zorgt ervoor dat het spirituele, het emotionele en het materiële dooreen lopen. Ons geheugen moét dus wel meer zijn dan een archiefkast vol opgeslagen feiten. Wij zien het als een veelzijdige assistent die ons onbewust helpt bij het verwerken van het verleden en het plannen voor de toekomst.

 

In Ons geniale geheugen beschrijven jullie griezelige proeven met muizen waarbij onderzoekers met behulp van een soort van lichtschakelaar verschillende geheugeninhouden in- en uitschakelen. Het ene moment vindt de muis probleemloos zijn voerbakje, na activatie van een lichtsignaal weet de muis niets meer. Na een druk op de knop vindt hij weer de weg.

Monyer: Wij voeren die proeven enkel uit om onze hypotheses te onderbouwen en bewijzen, en niet om interessante manieren te vinden om hersenen te manipuleren. Dankzij die proeven weten we dat ons geheugen dat soort van manipulaties sowieso zelf uitvoert. Zonder die proeven is ons geheugen trouwens óók van buitenaf manipuleerbaar. Ik vind de angst voor dergelijke proeven even weinig doordacht als de hysterie rond het eten van genetisch gemodificeerde tomaten. ‘Ik wil geen tomaten eten waar genen aan toegevoegd zijn.’ Natuurlijk zitten er genen in tomaten, wat dacht je? Dat soort van discussies is een gevolg van een stuitend gebrek aan kennis bij de man in de straat, maar ook bij academici. Ik wil de geleerde dames en heren die niet eens weten wat een gen is, de kost niet geven. Ons lichaam bulkt van de genetische modificaties. Ons geheugen modificeert – verbetert – zélf de manier waarop we de wereld zien. De proeven waarover u het heeft, zijn onderdeel van wetenschappelijk onderzoek dat de werking en de veranderingen in ons geheugen in kaart brengt. Het is dat wetenschappelijk onderzoek dat aangetoond heeft dat ons brein werkt als een netwerk. Daar is geen speld tussen te krijgen en dat schetsen we ook uitgebreid in ons boek. Vervolgens hebben we ons afgevraagd wat de evolutionaire bedoeling van het netwerken van ons geheugen zou kunnen zijn.

Gessmann: Onze interpretatie is dan die van het geheugen als assistent die aan de hand van het verleden de toekomst helpt uitstippelen. Die communicatie tussen verleden en toekomst is niet statisch, maar uiterst dynamisch, net als het virtuele verkeer op de digitale snelweg.

 

Ik geloof graag dat bonafide hersenonderzoekers geen kwaad in de zin hebben als ze muizenhersenen manipuleren. Maar ik kan me ook voorstellen dat dictatoriale regimes beginnen watertanden als ze de mogelijkheden zien van het manipuleren van de hersenen van hun onderdanen.

Monyer: Dat geldt in onze samenleving ook voor zoveel andere dingen. Met onze nucleaire kennis bouwen we ofwel atoomwapens, ofwel medische apparatuur voor de behandeling van kanker. Als we niet langer proeven mogen uitvoeren die potentieel gevaarlijk zijn, geraken we geen stap verder. Wij hebben hier in ons labo muizen rondlopen met glasvezelkabeltjes rechtstreeks ingeplant in hun brein. We experimenteren met de invloed van blauw LED-licht op de chemie van de hersenen. Op termijn volgen daaruit zo goed als zeker nieuwe succesvolle therapieën voor mensen met Parkinson of de ziekte van Huntington, zonder dat er kabels in de hersenen van de patiënten ingeplant moeten worden.

Gessmann: In normale omstandigheden manipuleren de hersenen zichzelf en hebben ze geen blauw LED-licht nodig. Dankzij het hersenonderzoek zoals Hannah dat voert, weten we ondertussen heel veel over hoe het geheugen zelf herinneringen stockeert, verwerkt en soms ook gewoon weggooit. De natuurlijke manipulatie van het brein wordt in gang gezet en aan de praat gehouden door het dagelijkse leven dat wij leiden.

Monyer: Iemand stuurt me een vrolijk bericht, meteen treedt ergens in mijn hoofd een neurotransmitter in werking waardoor het verkeer op het netwerk in een fractie van een seconde de tegengestelde richting inslaat.

Gessmann: Het geheugen analyseert dan eerst razendsnel hoe dat bericht de hersenen beïnvloedt alvorens een nieuwe manipulatie in gang te zetten.

 

Heel wat kennis uit jullie boek is gebaseerd op dierenproeven. Dat onderzoek gebeurt hier in het laboratorium van professor Monyer. De ethische bezwaren tegen dierproeven weerklinken steeds luider, óók vanuit wetenschappelijke hoek.

Monyer: Ik weet dat er veel protest is tegen dierproeven, maar voor onderzoek zoals het onze kan het echt niet anders. Ik ben me erg bewust van mijn verantwoordelijkheid. De dieren in mijn lab worden op het einde gedood. Ik vind dat niet fijn, maar we hebben geen keuze als we willen weten hoe onze hersenen werken en wat er mogelijk kan misgaan. Er moet zeker een maatschappelijk debat over gevoerd worden met vragen als: hoe ver zijn we in ons wetenschappelijk onderzoek bereid om daarin te gaan? Hoe hoog is de prijs die we voor onze nieuwe kennis willen betalen? Ik ben heel streng op de manier waarop de dieren in dit lab behandeld worden. We gebruiken niet meer muizen dan strikt noodzakelijk. Ikzelf zal nooit proeven uitvoeren op een primaat. Ik kan het niet; het lukt me zelfs niet bij katten. Hoe ouder ik word, hoe moeilijker ik het zelf heb om proeven met muizen uit te voeren. Soms heb ik het zelfs lastig met proeven op planten. Want die vraag blijft door mijn hoofd spoken: waar haal ik eigenlijk de pretentie vandaan om dit te doen? Ik pieker daar zeer vaak over. Maar als we het geheim van ons brein willen ontrafelen, is er geen alternatief. Proeven op kleine knaagdieren zoals muizen en ratten zijn dan het minste kwaad.

 

Jullie noemen het geheugen ‘geniaal’, maar zo onfeilbaar is het toch niet altijd? Er zijn heel wat zaken bekend van mensen die zich gebeurtenissen herinneringen waarvan achteraf aan het licht komt dat die nooit hebben plaatsgevonden.

Gessmann: Valse herinneringen komen zeker vaak voor en zijn ook goed gedocumenteerd. Ze ontstaan wanneer ons geheugen zelf gebeurtenissen begint in te vullen die tijdens de waarneming niet helemaal duidelijk waren. Je kunt het vergelijken met hoe we verschillende zaken die we zelf niet goed gesnapt hebben achteraf in onze geest met elkaar proberen te rijmen. Je zal dan de ontbrekende details uit je herinnering spontaan invullen met vanzelfsprekende kenmerken. Zo is gras meestal altijd groen. Als we aan gras denken, kleuren we dat dus als vanzelf groen in. Een herinnering wordt vervalst wanneer iets er in werkelijkheid bij wijze van uitzondering anders dan gewoonlijk uitziet.

Monyer: Uit onderzoek weten we dat mensen zich ook na verloop van tijd gebeurtenissen zullen herinneren als ze maar vaak genoeg van anderen horen dat ze die ooit meegemaakt hebben, zelfs al is dat in realiteit niet zo.

 

Uit nog een merkwaardig hersenonderzoek op dieren blijkt dat een rat ’s nachts in zijn droom het parcours versneld herhaalt dat hij overdag gelopen heeft. Jullie trekken daaruit de conclusie dat dromen extreem belangrijk zijn voor de werking van ons geheugen.

Monyer: Onze slaap bestaat uit verschillende fases. Er is de diepe slaap en er is de droomfase, met dromen die we ons na het ontwaken soms kunnen herinneren. In de diepe slaap spelen zich de ‘replays’ af zoals bij de rat uit het onderzoek. In die fase waren in de hersenen van de rat exact dezelfde neuronen actief als overdag, toen hij het parcours liep. Alleen twintig keer sneller. Alsof hij de gebeurtenissen van overdag ’s nachts samendrukte.

 

Wat voor de slapende en dromende rat geldt, geldt ook voor de mens?

Monyer: Zonder enige twijfel. We hebben keihard bewijs verzameld dat niet alleen knaagdieren, maar ook mensen in hun diepe slaap gebeurtenissen versneld herhalen en opnieuw beleven. Dat weten we uit EEG-hersenscans die genomen zijn bij slapende mensen. Aan de hand van een EEG van een slapend dier kan ik trouwens haarfijn afleiden wat het overdag uitgespookt heeft.

 

Waarom herhalen we ’s nachts versneld onze belevenissen van overdag?

Gessmann: Het echte waarom weten we niet; daar kunnen we alleen maar over speculeren. Dat doen wij dus ook, alleen is ons gespeculeer niet op los zand gebouwd.

Monyer: Als hersenwetenschapper ben ik niet snel geneigd om te vragen: waarom? Wel vraag ik me af: wat gebeurt als er ’s nachts geen replay meer is? We hebben dat uitgetest en hebben bij ratten de replay-modus uitgeschakeld. Het resultaat was dat hun geheugen er flink op achteruit ging. Conclusie: replay ís belangrijk voor het geheugen.

Gessmann: Eens die conclusie vaststond, hebben we gezocht naar de diepere betekenis van die band tussen dromen in de diepe slaap en de werking van ons geheugen. De snelle replay dient om wat we overdag geleerd hebben, duurzaam te maken en te verankeren.

Monyer: De droomfase tijdens de REM-slaap bij de mens is vrij uitgebreid bestudeerd. Ikzelf heb een uitstekende toegang tot mijn dromen. Ik kan dan heel goed vliegen. (lacht) We veronderstellen dat dieren ook tijdens hun REM-slaap dromen. We kunnen het hen niet vragen, maar EEG-scans, hun oogbewegingen en de activiteit in hun spieren lijken daar sterk op te wijzen. In de droomfase herhalen we niet langer gebeurtenissen om ze op te slaan, maar beoordelen en duiden we alles.

Gessmann: De scenario’s die onze dromen in de REM-slaap volgen, zijn soms zeer extreem. Ons geheugen bereidt ons op die manier voor op de nabije en de verdere toekomst. In onze slaap verwerken we dus het verleden, slaan we op wat we geleerd hebben en maken we ons klaar voor wat ons te wachten staat.

 

We slaan toch niet alles wat we meemaken op?

Monyer: We zijn selectief en we herhalen ook niet alles wat we opslaan versneld in onze slaap. We hebben bij knaagdieren vastgesteld dat ze vooral gebeurtenissen replayen die belangrijk zijn voor hun overleven. Zaken die geen invloed hebben op ons leven en automatismen die we dagelijks zonder ons te focussen verrichten, worden ’s nachts niet herhaald. Nieuwe, fascinerende gebeurtenissen wel. In ons hoofd zit een filter die de ballast van de essentiële informatie scheidt.

Gessmann: Doordat mensen ouder worden, zijn er steeds meer gevallen van dementie en Alzheimer. Die ziektes tonen op een verschrikkelijke manier het onvoorstelbaar grote belang van het geheugen aan. Van zodra ons geheugen slecht begin te werken, valt ons hele leven in stukken uiteen. Want dan zijn we geen aantekeningenboekje met een paar reminders kwijt, maar vinden we hele hoofdstukken uit ons bestaan niet meer terug. U stelde daarnet terecht kritische vragen over de dierenproeven in het labo van Hannah. Maar haar onderzoek is geen wetenschap voor de wetenschap. Misschien levert het ooit een cruciale bijdrage aan de strijd tegen dementie. Verlies van geheugen heeft bij mensen verwoestende gevolgen. Patiënten met Alzheimer of dementie raken naast hun verleden ook hun toekomst kwijt. Ze hebben geen toegang meer tot hun herinneringen en verliezen zo elk perspectief op hoe ze verder moeten met hun leven. Ze kunnen niets meer plannen.

 

Ons geheugen vormt de architectuur van ons leven?

Gessmann: Precies. Het is het fundament waarop ons bestaan gebouwd is.

 

 

 

Hannah MonyerHannah Monyers (58)

Haar onderzoek leverde de voorbije jaren verschillende grote doorbraken op. Zo ontdekte ze in 2006 dat menselijke hersenen veel flexibeler zijn dan tot dan werd aangenomen. Breinwetenschappers gingen ervan uit dat de neuronen die het denken sturen, na de geboorte niet meer werden bijgemaakt. Monyer verwees die theorie naar de prullenbak en toonde aan dat de ‘commandocellen’ ook bij volwassenen in grote getale worden vernieuwd.

 

 

_DSC0055Martin Gessmann (54)

Hoogleraar filosofie aan de Universiteiten van Heidelberg en Offenbach am Main. Hij bekijkt de filosofie van de grote denkers bij voorkeur door de bril van de hedendaagse cultuur. Drie jaar geleden resulteerde dat in het boek Filosofie van het voetbal, waarin hij de populaire sport analyseerde aan de hand van de ontwikkeling van het denken.

 

 

Hannah Monyer, Martin Gessmann, Ons geniale geheugen. De onzichtbare kracht die onze toekomst bepaald, De Bezige Bij, 272 blz., 19,99 euro.

 

Tekst: © Jan Stevens

Foto’s: © Veerle Van Hoey

Thierry Baudet streek in Nederland met zijn euroscepticisme de voorbije jaren danig tegen de haren van de heersende klasse in. Het gevolg is dat hij aan geen enkele universiteit aan de bak komt. Dat weerhoudt hem er niet van om de Brexit voluit toe te juichen en te ijveren voor een Nexit. “Waarom is Al Qaeda zo moeilijk te verslaan? Omdat het geen centraal aanspreekpunt heeft. 28 verschillende Europese landen zijn veel sterker dan één groot land.”

 

De uitslag van het Brexit-referendum werd door de Nederlandse conservatieve denker, jurist en schrijver Thierry Baudet op een vreugdedansje onthaald. “Ik vind het fantastisch dat de Britten de Europese Unie verlaten”, zegt hij. Met de publicatie van zijn boek Aanval op de natiestaat in 2012 leerden onze noorderburen Baudet kennen als een scherpe, welbespraakte criticus van de EU. Met de door hem opgerichte denktank Forum voor Democratie was hij een van de stuwende krachten achter het ‘Referendum over de Associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne’ van 6 april jl. Ruim 61 % van de stemmers, of 2,5 miljoen Nederlanders, sprak zich toen uit tegen dat verdrag. Sindsdien zoekt minister-president Mark Rutte koortsachtig naar een oplossing waarbij hij zowel de EU als de volksvertegenwoordigers van zijn eigen Tweede Kamer tevreden kan houden. Want die laatsten willen dat de uitslag van het Oekraïne-referendum gerespecteerd wordt.

Voor zijn snoeiharde kritiek aan het adres van de EU betaalt Thierry Baudet naar eigen zeggen een zware prijs. “Als je kijkt naar mijn kwaliteiten, naar mijn bijdrage aan het debat en de boeken die ik geschreven heb, zou een docentschap aan de universiteit of een column in een krant mij passen”, zegt hij. “Dat behoort helaas niet meer tot de mogelijkheden. ‘Men’ laat mij niet meer binnen.”

Volgens Baudet geldt er tegen hem een beroepsverbod. “En niet alleen tegen mij. Impliciete uitsluitingsmechanismen zorgen ervoor dat veel mensen bang zijn om zich uit te spreken. Ik krijg vaak reacties van academici of medewerkers op ministeries die me gelijk geven in mijn kritiek op bijvoorbeeld de euro. ‘Schrijf er zelf ook een opiniestuk over’, suggereer ik dan. Dat durven ze niet, want dan eindigt hun carrière. Alles wat tegen het eenheidsdenken ingaat, krijgt het etiket ‘populisme’, ‘extreemrechts’ of ‘dommigheid’ op gekleefd en wordt naar de prullenbak verwezen. Dat is een ramp voor een open samenleving.”

Heeft iemand ooit rechtuit tegen Thierry Baudet gezegd: “We willen u niet aan de universiteit omwille van uw denkbeelden”? “Natuurlijk wordt het nooit zo expliciet gesteld”, reageert hij. “Paul Scheffer, professor Europese studies aan de universiteit van Tilburg, nam me in 2013 voor een jaar als researcher aan. Hij vertelde me dat hij toen werd opgebeld door meerdere hotshots uit de politiek en de wetenschap.” Baudet noemt de naam van een voormalige minister die hij niet in de krant wil om Scheffer niet in verlegenheid te brengen. “‘Je gaat Thierry Baudet toch geen plek op de universiteit geven?’, zei die man. ‘Ontsla hem.’” Later lunchte Baudet met de decaan van de rechtenfaculteit van de universiteit van Amsterdam. “Ik stelde hem voor om onbezoldigd een keuzevak te doceren over de geschiedenis van de soevereiniteit. De decaan reageerde enthousiast. Het zou allemaal geregeld worden. Ik heb van die man nooit meer iets vernomen. Later hoorde ik viavia dat een aantal hoogleraren gedreigd had: ‘Als Baudet hier binnenkomt, nemen wij ontslag.’”

Vandaag verdient Thierry Baudet als freelancer zijn brood met lezingen, optredens en schrijven. “Ik klaag niet over mijn persoonlijke leven, maar ik vind het wel zeer zorgelijk dat in een samenleving sommige ideeën taboe verklaard worden.”

 

Waarom bent u zo een grote supporter van de Brexit?

Thierry Baudet: “Omdat de EU een oplossing uit de jaren zeventig is voor een probleem uit de jaren vijftig. In het begin van de koude oorlog is de EU door figuren als Jean Monnet bedacht om nationale democratieën buitenspel te zetten. Ze wilden ervoor zorgen dat er geen communisten of fascisten aan de macht konden komen en ze wilden een economisch blok tegen de Sovjet-Unie vormen. Twintig jaar later werd dat plan gerealiseerd. De EU is het schoolvoorbeeld van een ouderwetse organisatie: top-down, centralistisch, technocratisch en bureaucratisch. In de 21e eeuw hebben we nood aan een veel flexibelere organisatievorm. De organisaties die vandaag innovatief zijn, werken altijd bottom-up en hebben zeer flexibele structuren. Denk maar aan Twitter, Airbnb of Bitcoin. De oude grote structuren daarentegen zijn op sterven na dood. Megafusies zoals KLM en Air France of ABN en Amro doen het niet echt goed. De EU is synoniem voor ‘oud denken’.”

 

Ze heeft ons wel al die jaren vrede en welvaart gebracht.

“De mensen achter de EU zijn erg bedreven in het claimen van verwezenlijkingen waar ze geen recht op hebben. Als ze het over ‘vrede’ hebben, bedoelen ze eigenlijk: vrede tussen Frankrijk en Duitsland. Waarmee ze in werkelijkheid zeggen: ‘Je kunt die Duitsers niet vertrouwen.’ (lacht) Toen de EU midden jaren zeventig begon uit te groeien tot een omvangrijke organisatie, was het grootste deel van het economische herstel al achter de rug en heerste er al twintig jaar vrede. Kijk naar de huidige situatie met de problemen rond de euro en de open grenzen. Ik heb niet de indruk dat de EU zo’n grote bewerkstelliger van welvaart en vrede is. Integendeel. Ze is uitgegroeid tot een enorme destabiliserende factor. De euro trekt Zuid-Europa uiteen en jaagt Noord-Europa zwaar op kosten.”

 

Naar het schijnt zitten veel Leave-stemmers met een kater nu de Brexit bijna een feit is.

“Vooral de Remain-stemmers die geen Brexit verwacht hadden, zitten met een kater. Natuurlijk wordt er stennis gemaakt en onrust gestookt, maar dat is van korte duur. De stabiliteit wordt hersteld. En dan zijn er nog al die indianenverhalen die de ronde doen. Mijn vader werkt in Londen en vliegt elke week heen en weer. Zijn collega’s vragen hem bezorgd wanneer hij ontslagen zal worden, want: ‘Engeland stapt toch uit de EU?’ Terwijl die Brexit daar natuurlijk niets mee te maken heeft. Dat besef moet even indalen. Het duurt sowieso nog twee tot drie jaar voordat de hele juridische structuur omgezet is. Eens die omzetting een feit is, zal dat niet betekenen dat mensen niet meer in Londen kunnen werken, of dat het Verenigd Koninkrijk geen handel meer met ons kan drijven.”

 

Uw vader zal zijn job niet verliezen; de Poolse loodgieter misschien wel.

“Dat weet ik zo net nog niet.”

 

Het discours van Boris Johnson en andere brexiteers was toch: het vrije verkeer van mensen moet gestopt worden?

“Zij pleiten voor gecontroleerde migratie: ze willen ‘control’. Daar moet verder over onderhandeld worden, waarbij er politieke keuzes en compromissen gemaakt zullen worden. Vrij verkeer is het ene uiterste en gesloten grenzen het andere. Daartussen ligt de middenweg. De Verenigde Staten zitten ook niet in de EU, en tóch krijgen nog veel mensen er een Green Card of een tijdelijke permit. Blinde paniek is echt nergens voor nodig.”

 

De uitslag van het referendum legt een breuklijn in de Engelse samenleving bloot tussen jong en oud. Vooral jonge mensen stemden voor Remain, de ouderen voor Leave.

“Dat beeld moet genuanceerd worden. De opkomst onder jongeren was veel lager. Het is helemaal niet zo dat enkel boze oude plattelanders voor de Brexit stemden. Ook veel Londense intellectuelen, schrijvers en hedgefund-eigenaars willen een Brexit. De media presenteren ons nu een frame waarin het lijkt alsof alle Engelse hoogopgeleiden door de Brexit in shock zijn. Je kunt niet zeggen dat Michael Gove of Boris Johnson Filistijnen zijn, of dat een conservatieve politicus als Dan Hannan een dommerik is. Hannan schreef het prachtige Why vote leave? Hij is totaal niet geobsedeerd door migratie of nationalisme. Op nuchtere wijze analyseert hij dat de EU een protectionistische douane-unie (een unie met een gemeenschappelijke tolgrens – JS) is die groei afremt in plaats van stimuleert.

“Weet u dat soevereiniteit zowel voor links als rechts aantrekkelijk is? Want dat betekent dat we het over van alles en nog wat oneens mogen zijn en vervolgens de meerderheid laten beslissen. Het is niet voor niets dat Labour-leider Jeremy Corbyn in werkelijkheid een voorstander van Leave is, ook al moest hij van zijn partij voor Remain supporteren. Hij droomt van een veel socialistischer beleid in Engeland dan wat het keurslijf van de EU mogelijk maakt. Het vervelende van de huidige situatie is dat je in je eigen land mag denken wat je wil, alleen kun je aan het beleid niet veel veranderen. Want die EU zit mijlenver weg en is ontzettend moeilijk te beïnvloeden. In dit hele debat gaat het mij niet per se over meer of minder immigratie of vrije markt, maar over een gebrek aan democratie en soevereiniteit. Ikzelf ben toevallig voor minder migratie, maar ook iemand met een ruimhartige blik op nieuwkomers zou zich zorgen moeten maken over die ondemocratische EU. Want we hebben er totaal niets over te zeggen.”

 

Wij verkiezen toch allemaal samen het Europese Parlement?

“Die stem is heel beperkt. In Nederland deel ik mijn stem met 15 miljoen anderen; in het Europese Parlement met 500 miljoen anderen. Het Europese Parlement is ook niet de hoogste macht in de EU, maar slechts een van de vele.”

 

Heeft de EU niet heel wat landen uit het moeras getrokken? De landen van het vroegere Oostblok plukken nu toch de vruchten van hun lidmaatschap?

“Na de val van het communisme vertrokken ze van nul. Ze maakten een geweldige groeispurt en de EU heeft hen inderdaad gedeeltelijk geholpen. Ze kregen veel subsidies en konden handel met ons drijven. Subsidies zijn in het begin een steun in de rug, alleen kan een land daar niet op blijven teren. Zonder Unie had het hen trouwens ook kunnen lukken. We hadden net zo goed een fonds kunnen oprichten om hen te helpen bij de overgang naar de vrije markt.”

 

Doe je dan niet net hetzelfde maar met andere instellingen? Zonder EU moet er óók onderhandeld worden en moeten er óók verdragen afgesloten worden.

“De huidige structuur is niet soepel genoeg. We moeten evolueren naar ad hoc-allianties.”

 

Kunnen we de EU zelf dan niet flexibeler maken?

“Helaas is de EU niet te hervormen. Een hervorming krijgen we pas in gang als er ergens een centraal aanspreekpunt is waar op de juiste knopjes gedrukt wordt. In de EU is dat er niet.”

 

Er is toch het Europese Parlement, de Commissie, de Europese Raad en de Raad van Ministers? Zijn die Europese politieke instellingen dan geen aanspreekpunten?

“Naast degene die u opsomt, is er het Hof van Justitie en zijn er ook nog eens alle 28 lidstaten. Welke instelling is het eerste officiële aanspreekpunt? Dat is extreem moeilijk te bepalen. Daar komt bij dat al die lidstaten allemaal iets anders willen en dat al die verschillende wensen elkaar neutraliseren. Zo ontstaat een machtsvacuüm waarin de bureaucratie vrij spel heeft.”

 

U bent geen fan van Guy Verhofstadt, fractieleider van de Europese liberalen, die voor een Verenigde Staten van Europa pleit?

“Ik ben juist wél fan van Verhofstadt, alleen ben ik het totaal met hem oneens. Ik vind het mooi dat hij eerlijk zegt wat zijn betrachting is: The United States of Europe, met alle toeters en bellen. Ik heb hem veel liever dan al die vago’s die alleen maar doen alsof de Europese politieke ambities flauwekul zijn. Guy Verhofstadt zegt tenminste klaar en duidelijk wat hij wil: de nationale soevereiniteit en democratie afschaffen en vervangen door de Europese Verenigde Staten mét een eigen leger.”

 

In een snel onzeker wordende wereld is het misschien niet zo dom om samen blok te vormen?

“Dat weet ik nog zo niet. Het klopt dat we in een snel onzeker wordende tijd leven. In theorie kunnen we ons een soort van Verenigde Staten van Europa indenken om weerstand te bieden aan al die gevaren. Maar in de praktijk verandert er niets aan het feit dat alle landen iets anders willen. De EU zoékt net oorlog met Rusland en wil Turkije zoveel mogelijk in Europa trekken.”

 

Is dat zo? Bij de meeste lidstaten lijkt op dit moment het animo voor Turks lidmaatschap niet bijster groot. Zij hebben vetorecht.

“In de EU gebeuren heel wat dingen die eigenlijk niemand wil. Misschien wordt Turkije niet echt lid, maar krijgt het een quasi-lidmaatschap zoals Oekraïne. Ik zie echt niet wat er problematisch is aan een onafhankelijk Groot-Brittannië of een onafhankelijk Nederland. Wat is er mis met een Europa van soevereine natiestaten, een Europa waarin kleine, flexibele eenheden zeer dynamisch opereren?”

 

U bent niet bang dat oude demonen van voor WO II terug de kop zullen opsteken?

“Er wordt altijd gezegd dat in de 19e eeuw het nationalisme hoogtij vierde, maar dat is een vergissing: het imperialisme voerde toen de plak. De EU is het laatste imperialistische project. Daar moeten we vanaf. We moeten als vredelievende buren naast elkaar leven en aanvaarden dat we binnen onze eigen beperkingen veel kunnen verwezenlijken. Er is nog nooit aangetoond dat grote landen economisch beter presteren dan kleine. Zwitserland, Noorwegen of Zuid-Korea stellen het uitstekend. Ik vermoed dat de macrofilie van sommige politici wortelt in pure machtswellust. Er wordt altijd gezegd: ‘Als groot blok kunnen we economisch ons mannetje staan tegen die andere machtsblokken.’ De grootste fans van de EU zijn juist de VS en China. Zij weten perfect waar ze druk moeten zetten om hun zin te krijgen. Waarom is Al Qaeda zo moeilijk te verslaan? Omdat het geen centraal aanspreekpunt heeft. 28 verschillende Europese landen zijn veel sterker dan één groot land.”

 

Wat is de volgende stap? Een referendum in Nederland over een Nexit?

“Voor er over een Nexit gesproken wordt, moeten er eerst drie deelreferenda komen. Zo zwengelen we het debat over verschillende onderdelen van het EU-lidmaatschap aan. Een eerste referendum zal dan gaan over TTIP, willen we dat vrijhandels- en investeringsverdrag waar de EU en de VS over onderhandelen wel? Een tweede over de euro: blijven we in de eurozone of stappen we eruit? Een derde over onze open grenzenpolitiek.”

 

Moet er voor zo’n belangrijke thema’s geen tweederdemeerderheid gelden?

“Het Europese project is ook nooit met een tweederdemeerderheid aangenomen. Ik ga met u akkoord als we terug bij af beginnen. Dan moet er nu in elke Europese lidstaat een referendum georganiseerd worden: ‘Wilt u soevereiniteit aan de EU geven?’ Als een tweederdemeerderheid voor is, gelden voor alle andere referenda dezelfde regels. Tot hiertoe hebben de voorstanders van de EU altijd met gewone meerderheden hun slag thuisgehaald; we gaan halverwege de race toch niet de spelregels veranderen?”

 

Is een Nexit geen andere koek dan een Brexit? De Britten hadden altijd al een gecompliceerde verhouding met Europa, terwijl Nederland een van de zes oprichters van de EU is.

“Wat maakt het uit? Uiteindelijk is de EU toch onhoudbaar omdat het een luchtspiegeling is. In de loop der jaren is dat experiment tegen de werkelijkheid flink uit de klauwen gelopen, met al die gekke landen erbij.”

 

Gelooft u dat de Nederlanders die op 6 april stemden, het verdrag tussen Oekraïne en de EU ook bestudeerd hebben? Staken de 61 % tegenstemmers niet vooral een gigantische middelvinger op tegen de regerende politieke elite?

“Dat was het natuurlijk ook wel, al geloof ik echt dat heel wat mensen zich in Oekraïne en in dat associatieverdrag hebben verdiept. Ik twijfel er niet aan dat ze zich afvroegen: wat moeten we met dat land? Natuurlijk stemden sommigen met hun gevoel. Dat hoeft niet eens zo’n slechte raadgever te zijn.”

 

Wordt het niet heel gevaarlijk als mensen ‘op hun gevoel’ stemmen?

“De Duitse intellectuelen ondernamen indertijd niets om de opmars van Hitler te stoppen. Integendeel, de doctoren en de universiteiten steunden de nazi’s. Dat roept toch vragen op over het morele gehalte van onze hoogopgeleiden die zichzelf zo graag op de borst kloppen dat ze het allemaal zo goed begrijpen?”

 

U bent ook hoogopgeleid en behoort ook tot ‘de elite’.

“Ik ben de uitzondering. (lacht)”

 

© Jan Stevens

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 958 andere volgers