‘In sommige buurten durven vrouwen zich niet meer te vertonen’

Vijftien jaar geleden verhuisde de met de dood bedreigde islamcriticus Ayaan Hirsi Ali (51) van Nederland naar de VS. Daar ruilde ze de politiek in voor een conservatieve denktank. Ook in haar nieuwe boek Prooi gaat ze de confrontatie niet uit de weg. “Belaagde vrouwen uit achterstandswijken krijgen minder sympathie dan Hollywood-actrices die door hitsige producenten seksueel geïntimideerd worden.”

In 2002 verscheen Ayaan Hirsi Ali’s debuut De zoontjesfabriek. Daarin beschreef ze hoe zij als negenjarig moslimmeisje in Somalië voorbestemd was zoveel mogelijk zonen te baren. “Een moslimvrouw heeft meer status naarmate ze meer zonen heeft. Als mijn oma werd gevraagd hoeveel kinderen ze had, zei ze: ‘Eén.’ Ze had negen dochters en één zoon. Ik werd daar wanhopig van.”

Hirsi Ali’s striemende kritiek op de discriminatie van vrouwen in de moslimgemeenschap leverde haar doodsbedreigingen op. Ze kreeg permanente politiebescherming, ging in de politiek en werd bij de Nederlandse verkiezingen van 2003 kamerlid voor de liberale partij VVD. Een jaar later draaide ze samen met regisseur Theo Van Gogh de film Submission, over de positie van vrouwen in de islam. Op de ochtend van 2 november 2004 werd Van Gogh vermoord. Dader Mohammed Bouyeri spietste op het lichaam van zijn slachtoffer een brief met een aan Hirsi Ali gerichte doodsbedreiging. Zij dook een tijd onder.

Na heisa over fouten in haar asielaanvraag van 1992, wuifde ze in 2006 de politiek vaarwel en verhuisde naar de Verenigde Staten. “Hier word ik niet bedreigd”, zegt ze in een gesprek via Zoom over haar nieuwe boek Prooi. “Al is er nog steeds beveiliging. In dit grote land leef ik veel anoniemer dan in Europa. Hier kan ik ook ongestoord werken.”

Haar vaste werkplek is het conservatieve Hoover Institution aan Stanford University, Californië, waar ze als ‘research fellow’ onder andere de politieke islam onder de loep neemt. Prooi vormt de neerslag van haar recente onderzoek. Ook nu schuwt ze de controverse niet. Volgens Ayaan Hirsi Ali holt de vluchtelingenstroom vanuit islamitische samenlevingen naar Europa de vrouwenrechten uit. “Recent aangekomen vluchtelingen met een islamachtergrond vallen vrouwen lastig”, zegt ze. “Daar verschenen vóór mijn boek hier en daar al artikels over. Alleen durft niemand er openlijk over te praten uit angst voor racist of extreemrechts te worden uitgemaakt. Terwijl het niet over geïsoleerde incidenten gaat. Er is wel degelijk een structureel probleem met immigratie uit landen met een moslimmeerderheid. Die heeft als gevolg dat de rechten van álle vrouwen bedreigd worden en niet alleen die van migrantenvrouwen.”

Dat probleem vergrootte volgens u door de vluchtelingencrisis van 2015?

“Het dateert al van veel eerder, alleen kon het na 2015 nog moeilijk worden verborgen. Ook in België zijn er veel getuigenissen van vrouwen die zich onveilig voelen in de publieke ruimte. De meeste daders zijn migrantenmannen. Na 2015 steeg het aantal meldingen en daardoor ook het gevoel van onveiligheid.”

In uw boek lijst u de cijfers van Eurostat op over onder andere aanranding. Voor 2016 noteert u voor België een stijging met 10,8 %, voor Denemarken 34,4 %, voor Engeland en Frankrijk meer dan 10 % en voor Duitsland 6,1 %.

“Uit onderzoek van de Duitse federale recherchedienst blijkt dat het aandeel niet-Duitsers onder verdachten van seksueel geweld steeg van 18 % in 2014 tot 29 % in 2018. In 2016 werd een nieuwe categorie ingevoerd: ‘verkrachting, gedwongen seks en aanranding in buitengewoon ernstige gevallen met onder meer de dood als gevolg’. Dat jaar en de twee jaar daarna waren in bijna twee vijfde van alle gevallen de verdachten niet-Duitsers. Hoewel het aantal gevallen van seksueel misbruik met ongeveer 22.000 per jaar constant bleef, steeg het aandeel niet-Duitse daders van 15 % in 2014, tot 23 % in 2016. Ik concludeer daaruit dat er een ernstig probleem is dat dringend aangepakt moet worden. Al is er ook diepgaander, grondiger onderzoek nodig. Maar ik vermoed nu al dat velen zullen schrikken van de resultaten.”

U vindt dat we niet van de ‘ongemakkelijke waarheid’ houden?

“Precies. Dat komt omdat we schroom voelen voor mensen die uit oorlogszones zijn weggevlucht. Vaak maakten ze afschuwelijke dingen mee en hun vlucht was niet van de poes. Probeer het u eens voor te stellen: een overtocht over de Middellandse Zee in een overladen wankele rubberboot. Sommigen zagen vrienden of medevluchtelingen sterven. We voelen medelijden en willen niet stigmatiseren. We zoeken een moreel excuus voor hun gedrag. Alleen zijn de vrouwelijke slachtoffers daar niet mee geholpen.

“Veel vluchtelingen komen uit islamitische samenlevingen waar vrouwen ingedeeld zijn in categorieën als goed of slecht, zedig of onzedig, deugdzaam of verdorven. In landen als Syrië, Afghanistan, Somalië en zelfs Senegal wordt van vrouwen verwacht dat ze zich zedig en deugdzaam gedragen. Ze mogen nooit in hun eentje op stap en moeten plekken vermijden waar ze in problemen kunnen raken. Wie zich als vrouw niets van die regels aantrekt, is slecht. De mannen zijn het gewoon om de onbeschermde ‘slechte vrouwen’ de volle laag te geven. Vervolgens komen zij in Europa aan. In de westerse samenleving zien ze al die vrije vrouwen die hun huis verlaten zonder mannelijke toestemming. Ze gaan uit werken, joggen door de straten van de stad, duwen hun baby in een kinderwagen door het park. Zoiets hebben die mannen nog nooit gezien.”

Toch niet elke uit Syrië, Irak of Afghanistan weggevluchte man heeft een vertekend vrouwenbeeld?

“Dat klopt. Het is niet omdat je als man moslim bent of een immigrant uit de moslimwereld, dat je een bedreiging voor vrouwen vormt. Niet alle migrantenmannen die de voorbije jaren naar Europa kwamen, misdragen zich, maar daar staat tegenover dat de meeste daders wél immigranten zijn. Niet alle daders met een migrantenachtergrond zijn moslim, maar de meerderheid is dat wel.”

Er wordt toch ook veel geweld tegen vrouwen gepleegd door mannen zonder moslimachtergrond?

“Natuurlijk leert de recente geschiedenis ons dat seksueel geweld tegen vrouwen ook zonder de islam voorkomt. Verkrachting en aanranding zijn universeel. Denk maar aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen het Rode Leger Duitsland binnenviel en Sovjetmilitairen als vergelding talloze Duitse vrouwen verkrachtten. Of aan de Bosnische oorlog in de jaren negentig, toen moslimvrouwen door leden van Servische paramilitaire eenheden verkracht werden. De internationale vrouwenhandel wordt vandaag trouwens gecontroleerd door niet-islamitische criminele bendes uit vooral Azië, Rusland en Latijns-Amerika.

“Maar in de Noord-Europese landen werden de voorbije decennia wel ernstige maatregelen genomen om het seksuele geweld tegen vrouwen in te dijken. In juli 1992 kwam ik als 22-jarige Somalische vrouw op de vlucht toe in Nederland. Ik herinner me hoe verrast ik was over de vrijheid die de Nederlandse vrouwen genoten en over hoe veilig zij zich op straat voelden. Ik was opgegroeid met het besef dat ik het doelwit werd van mishandeling als ik blootshoofds en zonder mannelijke begeleiding het huis verliet. Maar in Nederland zag ik al die jonge vrouwen zonder man op straat, op de bus en op café, hun haren los in de wind. Net dat is veranderd: in sommige buurten durven vrouwen zich nu gewoon niet meer te vertonen omdat ze voortdurend door mannen worden lastiggevallen en uitgescholden.”

Zijn al die mannen vluchtelingen? Mijn oudste zoon en zijn vriendin wonen in de buurt van het Brusselse Zuidstation. Als mijn schoondochter alleen op straat loopt, krijgt ze af en toe een denigrerende opmerking naar het hoofd geslingerd. Niet door pas gearriveerde Syriërs, maar door geboren en getogen Brusselaars.

“Ik beweer ook niet dat het probleem enkel terug te voeren is tot de vluchtelingencrisis van 2015. Ook daarvoor waren vrouwen niet veilig in sommige wijken. Sofie Peeters legde dat in 2012 vast in haar film Femme de la Rue, toen ze met een verborgen camera door het centrum van Brussel liep. Ook in Nederlandse steden als Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Groningen werden vrouwen nog voor 2015 lastiggevallen door jongemannen die in Nederland geboren en getogen zijn. Ze riepen meisjes schunnige opmerkingen toe of betastten ze. Ze opereerden altijd in groep en sommigen waren amper twaalf jaar oud.”

Is hun gedrag ook verbonden met hun religie?

“Dat heeft alleszins te maken met het feit dat ze niet gesocialiseerd zijn om vrouwen te respecteren. Als een autochtone man zich aan seksueel geweld en aanranding te buiten gaat, staan de kranten daar bol van. Hij belandt dan waarschijnlijk in de gevangenis en eindigt zonder vrienden. De kans is groot dat de mensen uit zijn omgeving hem laten vallen als een baksteen. Dat geldt niet voor allochtone mannen met roots in Noord-Afrika of het Midden-Oosten. Hun gemeenschap zal hen niet als een paria behandelen als zij voor seksueel geweld veroordeeld worden. Integendeel, hun kennissen vinden dat die vrouw maar niet op die plaats had moeten zijn. Ze moest maar niet in een straat gaan wandelen waar mannen haar konden nafluiten of aanranden.

“In al die Europese landen die veel moslimmigranten opnamen, wordt het islamisme intussen populairder. Organisaties zoals de Moslimbroederschap krijgen er voet aan de grond. Die groeperingen zijn paradoxaal genoeg trouwens ook de eerste om toe te geven dat veel mannelijke moslimmigranten zich tegenover vrouwen misdragen. Maar hun oplossing is dan dat de vrouwen zich moeten bedekken en dat er geen alcohol meer in cafés verkocht mag worden. Het gaat nooit over het socialiseren van daders en het veranderen van hun gedrag. Nee, het is altijd de fout van het slachtoffer, of van de westerse samenleving die alcohol tolereert.”

U vindt dat wij te tolerant zijn tegenover mannen die zich tegenover vrouwen misdragen?

“Veel Europese landen die vroeger kolonies hadden, zoals België en Nederland, worstelen met een diepgeworteld schuldgevoel. Zo ook die landen die indertijd actief waren in de slavenhandel, of die recenter de oorlogen in Afghanistan of Irak steunden. Dat schuldgevoel zorgt ervoor dat we inderdaad medelijden hebben met al die mannen die zich misdragen. Telkens wanneer ik dat onderwerp bij beleidsmakers aansnij, gooien zij hun armen wanhopig in de lucht, terwijl de oplossing heel simpel is: integratie. Die jonge mannen moeten gesocialiseerd worden: ze moéten zich aanpassen aan de waarden van het land dan hen opneemt.

“Journalisten, politici en academici repliceren dan altijd: ‘Integratie moet van beide kanten komen. Niet alleen zij moeten zich aanpassen aan onze samenleving, ook wij moeten oog hebben voor hun waarden.’ In feite komt het er dan op neer dat zij hun waarden mogen behouden. In Nederland wordt dat ‘integratie met behoud van eigen identiteit’ genoemd. In de realiteit wil dat zeggen dat vrouwen behandeld blijven worden zoals in het land van herkomst. Dat is toch onzin? Intussen worden er geen échte integratieprogramma’s ontwikkeld waardoor die jongemannen zich leren aanpassen aan de waarden van Duitsland, Nederland of België. Zo loopt die toestand nóg verder uit de hand.”

Hoe moet de overheid nieuwkomers volgens u dan concreet aanpakken?

“Integratieprogramma’s kunnen pas werken als er consequenties aan vast hangen. Een land als Oostenrijk neemt integratie wel heel ernstig. Wie daar niet op de cursus opdaagt, verliest zijn uitkering en zijn identiteitskaart en moet zelfs het land verlaten. De Oostenrijkse overheid is zeer streng en dat rendeert, want alle jonge mannen én vrouwen zijn altijd netjes op de afspraak. Ze volgen trouw de taal- en waardenlessen. Ze hebben niet voor niets die lange, risicovolle gevaarlijke weg naar het Westen afgelegd. Teruggestuurd worden, is het laatste wat zij willen.”

Is integratie voor u hetzelfde als assimilatie?

“In de VS heet dat inderdaad gewoon assimilatie. De redenering daarachter is dat je aan de wetten, normen en waarden van het land zál gehoorzamen. Dat gaat dan over zowel de geschreven als ongeschreven wetten en regels van een samenleving. Dat wil niet zeggen dat mensen hun rituelen moeten afzweren of hun geloof aan de kant moeten zetten. Natuurlijk mag een moslim de ramadan volgen of bidden in de moskee. Niemand wil dat afnemen. Je mag je blijven kleden zoals je wil en je voedsel bereiden als vanouds. De kern van de zaak is dat gedrag onaanvaardbaar wordt van zodra het de vrijheden van anderen belemmert of in het gedrang brengt. Zoals vrouwen op straat lastigvallen en terroriseren zodat ze zich bang in hun huizen terugtrekken.”

Was u ooit zelf slachtoffer van dergelijk gedrag?

“Ja, na mijn aankomst in Nederland. In de zomer van ’92 werd ik in een asielzoekerscentrum in de gemeente Lunteren ondergebracht. Ik verbleef er in een caravan met nog drie andere vrouwen. Van zodra ik naar buiten stapte, werd ik voortdurend door mannelijke migranten lastiggevallen. Ze riepen obsceniteiten en vroegen om ‘gunsten’. Het leek alsof ik als migrantenvrouw één van hun prooien was. Halverwege de jaren negentig geloofde ik nog dat hun gedrag beperkt bleef tot hun eigen gemeenschappen. Ik kan me ook nog discussies herinneren met jonge Marokkanen die uit discotheken gegooid werden omdat ze zich daar tegenover jonge vrouwen misdragen hadden. ‘Die racisten laten ons niet binnen’, was dan hun verweer. ‘Die club wil ons niet omdat we Marokkaan zijn.’ Terwijl dat natuurlijk niet het hele verhaal was.”

Racisme is er nochtans wél een groot deel van. Diezelfde oudste zoon van mij heeft een goede vriend met Tunesische roots. Mijn zoon was al heel vaak getuige hoe die jongen in Antwerpse cafés de toegang botweg geweigerd wordt. Of hoe hij out of the blue uitgescholden wordt.

“Ik heb zo’n dingen ook gezien en dat is inderdaad niet oké. We moeten dus zeker praten over hoe we dergelijk racisme willen aanpakken.

“Ik herinner me uitstappen met vrienden naar Wageningen. Die stad heeft een asielcentrum in de buurt en een internationaal bekende universiteit. Het is dus een plek die het gewoon is om mensen van over de hele wereld te ontvangen. Wangedrag tegenover vrouwen werd er niet aanvaard. Wie op café of in een discotheek meisjes lastigviel, werd eruit gegooid. Terecht, natuurlijk. Maar misschien had er toen ook een debat moeten volgen over de essentie van de zaak: waarom misdragen die jongens zich? In plaats daarvan volgde er een vorm van etnisch profileren, waarbij mensen van Noord-Afrikaanse origine automatisch de deur voor hun neus kregen. Dat is natuurlijk geen oplossing voor het échte probleem. Dat los je op met integratieprogramma’s waar mannen hun handen leren thuishouden en op hun woorden leren letten.”

In Prooi waarschuwt u dat alt-right en populisme het zullen overnemen als we niets ondernemen tegen deze vorm van seksueel geweld tegen vrouwen. Maar volgens sommigen behoort Ayaan Hirsi Ali zelf tot radicaal-rechts.

“Dat is dan dom van hen. (lacht) Ik word al heel lang door dezelfde figuren in dat radicaal-rechtse vak gestopt. Dat is al zo sinds ik strijd voer tegen vrouwenbesnijdenis, kind- en dwanghuwelijken en eremoorden. De mensen die altijd meteen ‘Alt-right!’ beginnen roepen, zijn net degenen die ‘alt-right’ een stevige duw in de rug geven. Want door elk debat over een gevoelig onderwerp in de kiem te smoren, geven we net al die populistische en radicaal-rechtse partijen wind in de zeilen. Zij kunnen zich dan presenteren als de enigen die het aandurven om vrijuit over onderwerpen zoals migratie, islam en integratie te spreken. Zo worden ze voor veel kiezers alleen maar aantrekkelijker.”

Wat vindt u van de ‘omvolkingstheorie’ van extreemrechts die stelt dat een liberale elite bewust beleid voert om door migratie de oorspronkelijke bevolking te vervangen?

“Als nieuwkomers uit Noord-Afrika of het Midden-Oosten op een goede manier geïntegreerd worden, is er van ‘omvolking’ helemaal geen sprake. Extreemrechtse begrippen als ‘omvolking’, ‘vervanging’ en ‘deportatie’ zijn nonsens. Centrumpartijen van zowel links als rechts moeten nu wél dringend beginnen praten over het assimileren van minderheden. Assimilatie is een prioriteit: er moet geld voor vrijgemaakt worden en er moeten programma’s ontwikkeld worden. Alleen zo raken steeds meer burgers ervan overtuigd dat hun land verder kan als multi-etnische natie. Op voorwaarde natuurlijk dat de westerse beschaving de overheersende cultuur blijft. Dat wil zeggen: een samenleving waar de mensenrechten centraal staan. Met gelijke rechten voor mannen en vrouwen, waar vrouwen en homo’s zich veilig voelen en antisemitisme geen kans maakt. Een maatschappij zonder racisme in wat voor vorm ook.

“Het is echt hoog tijd voor actie. In de jaren 90 waren we er beter aan toe dan nu, toen het aantal migranten nog lager lag. Maar we maakten één grote fout: we geloofden dat met een beetje geduld alles wel goed zou komen en lieten na om te investeren in ernstige assimilatieprogramma’s. We lieten toe dat migrantenvrouwen in huwelijken gedwongen werden en dat meisjes niet naar school mochten. We keken liever de andere kant op en maakten onszelf wijs: dat lost zich wel vanzelf op. Net het omgekeerde gebeurde: de toestand verslechterde. De coronacrisis leert ons nu dat de overheid flink wat macht heeft. Ze houdt ons al een jaar in lockdown met strikte maatregelen die onze vrijheden inperken. Ze kan dus ook heel makkelijk een doortimmerd assimilatieprogramma lanceren. De migrantenpopulatie die voor zo’n programma in aanmerking komt, is nu ook weer niet zo immens. In veel landen gaat het om 5 % van de bevolking, in sommige om 1 % en bij een paar over bijna 10 %. Dat is nog goed te behappen.”

U schrijft dat de erosie van vrouwenrechten door migratie niet enkel een kwestie is van religie of afkomst, maar ook van maatschappelijke klasse. Het is een soort van klassenstrijd?

“De autochtone vrouwen die slachtoffer zijn van die ongewilde gevolgen van immigratie, wonen in de sociale woonwijken met lage inkomens. Zij kunnen niet aan de seksuele vergrijpen en misdragingen ontsnappen, want ze hebben de middelen niet om te verhuizen naar veiliger buurten.”

We laten ze aan hun lot over?

“Dat vind ik wel. Dat is toch tragisch? Ikzelf kwam in 1993 in zo’n wijk in Ede terecht. Toen voelden de autochtone vrouwen zich op straat helemaal niet belaagd of onveilig. Dat is totaal veranderd. In het huidige #MeToo-tijdperk krijgen bedreigde vrouwen uit achterstandswijken veel minder sympathie dan de Hollywood-actrices die seksueel geïntimideerd worden door hitsige producenten, ceo’s en tv-ankers. Voor alle duidelijkheid: ik heb geen probleem met #MeToo, integendeel. Het is een goede zaak dat daders à la Harvey Weinstein gestraft zijn. Maar alleen de seksueel belaagde vrouwen uit de hogere klassen kregen genoegdoening. Intussen laten we toe dat vrouwen uit de laagste klassen continu dezelfde vernederingen ondergaan.”

In haar futuristische roman The handmaid’s tale schetst schrijfster Margaret Atwood hoe een deel van Amerika is overgenomen door uiterst-rechtse evangelische christenen. In hun nieuwe republiek Gilead hebben ze vrouwen gereduceerd tot broedmachines voor zonen. U vindt dat de vele fans van het boek en de gelijknamige tv-serie zich van vijand vergissen?

“Atwoods roman dateert van 1985 en toen ik The handmaid’s tale voor het eerst las, geloofde ik oprecht dat ze het over de islamitische republiek Iran had. De verhalen die gevluchte Iraanse mannen en vrouwen over de machtsovername door de ayatollahs vertellen, lijken als twee druppels op het verhaal van de installatie van Gilead. In de jaren zeventig droegen rijke Perzische vrouwen hotpants en broeken met wijde pijpen. Ze dansten op psychedelische popmuziek en konden in Teheran gaan en staan waar ze wilden. Natuurlijk was de sjah geen democraat. Hij voerde een autocratisch en repressief beleid, maar wat er na de islamitische revolutie in 1979 in zijn plaats kwam, is een regelrechte nachtmerrie. Iraanse vrouwen die het nu aandurven om in het openbaar te dansen of zonder hidjab de straat op te gaan, worden door de religieuze politie Basij opgejaagd en in de gevangenis gezet. Margaret Atwood beschrijft heel goed hoe het er in zo’n islamitische republiek aan toegaat. Alleen was ze volgens mij toen te bang om het over Iran te hebben, en daarom verzon ze het door een groep radicale christenen geleide Gilead. Het is altijd heel makkelijk om radicale christenen op de korrel te nemen. Je loopt dan ook geen enkel risico, want zij vormen helemaal geen bedreiging.”

Is dat zo? De terrorist Brenton Harrison Tarrant bijvoorbeeld, stak de radicaal-christelijke inspiratie voor zijn dodelijke raid op een moskee in Christchurch niet onder stoelen of banken.

“Natuurlijk zijn er gewelddadige radicaal-christelijke splintergroepen, maar nergens op aarde vind je een ‘christelijke republiek’ waar Gilead uit The handmaid’s tale in de praktijk wordt gebracht. In de islamitische republiek van Iran gebeurt dat wel, net als in het koninkrijk Saoedi-Arabië. Er zijn nóg landen met een moslimmeerderheid die ooit seculier geleid werden, waar nu de sharia geldt. Ik heb minder schrik van radicale christenen dan van radicale moslims. De politieke islam is de ‘olifant in de kamer’. Maar wie daarnaar durft te verwijzen, krijgt meteen het label ‘islamofoob’ opgespeld.”

Bio

Ayaan Hirsi Ali

  • Geboren in 1969 in Mogadishu, Somalië
  • Kreeg in 1992 politiek asiel in Nederland
  • Zat van 2003 tot 2006 in het Nederlandse parlement voor de VVD
  • Ontpopte zich tot een felle islamcriticus
  • Vertrok in 2006 naar de Verenigde Staten
  • Is verbonden aan het Hoover Institution van Stanford University
  • Haar autobiografie Mijn vrijheid (2006) werd een internationale bestseller
  • Is getrouwd met de Britse historicus Niall Ferguson

Ayaan Hirsi Ali, Prooi – Immigratie, islam en de erosie van vrouwenrechten, Atlas Contact, 342 blzn., 22,99 euro

(c) Jan Stevens

Sponsored Post Learn from the experts: Create a successful blog with our brand new courseThe WordPress.com Blog

Are you new to blogging, and do you want step-by-step guidance on how to publish and grow your blog? Learn more about our new Blogging for Beginners course and get 50% off through December 10th.

WordPress.com is excited to announce our newest offering: a course just for beginning bloggers where you’ll learn everything you need to know about blogging from the most trusted experts in the industry. We have helped millions of blogs get up and running, we know what works, and we want you to to know everything we know. This course provides all the fundamental skills and inspiration you need to get your blog started, an interactive community forum, and content updated annually.

‘Systematisch verkrachten is gruwelijk efficiënt’

Oorlogsjournalist Christina Lamb verzamelt in haar verontrustende boek Ons lichaam, jullie slagveld getuigenissen over verkrachting als oorlogswapen. “Systematische verkrachting is gruwelijk efficiënt en spotgoedkoop.”

De voorbije 33 jaar bracht Sunday Times-buitenlandcorrespondent Christina Lamb (55) verslag uit van conflicten over de hele wereld. Ze was amper 22 toen ze in 1987 van Birmingham verhuisde naar Afghanistan. Daar versloeg ze de strijd van de Moedjahedin tegen de troepen van de Sovjet-Unie. Twee jaar later werd ze uitgeroepen tot Young Journalist of the Year.

Lamb was oorlogscorrespondent in onder andere Bosnië, Syrië en Irak. Ze won 15 belangrijke internationale journalistieke onderscheidingen, inclusief de Prix Bayeux, Europa’s belangrijkste prijs voor oorlogsverslaggeving. In 2015 riep Amnesty International haar uit tot Newspaper Journalist of the Year voor haar berichtgeving vanuit detentiecentra voor vluchtelingen in Libië.

In het naar de keel grijpende Ons lichaam, jullie slagveld verzamelt Christina Lamb getuigenissen van vrouwen die wereldwijd slachtoffer werden van verkrachting in oorlogstijd. “Dit boek was héél moeilijk om te schrijven”, zegt ze. “In de inleiding verontschuldig ik me ook bij mijn lezers omdat de inhoud zo hard is.”

Een schrijver die zich bij voorbaat bij zijn lezers verontschuldigt, dat is toch ongewoon?

Christina Lamb: “Ik kan me goed voorstellen dat sommige passages bij veel mensen hard zullen aankomen. Ik schreef eerder al boeken over lastige onderwerpen, maar dit is mijn meest verstorende boek ooit. Om te vermijden dat ik er zelf aan onderdoor zou gaan, kon ik er maar een beperkte tijd van de dag aan werken. Als het voor de schrijver en de lezers al zo lastig is, wat moet het dan wel niet zijn voor al die seksueel misbruikte meisjes en vrouwen die mij hun verhaal toevertrouwden?”

Ze getuigen over hoe ze het slachtoffer werden van stelselmatige verkrachting als oorlogswapen. Daar wordt zelden over bericht?

“Dat is nog een écht taboe. Verkrachting in tijden van oorlog is niet iets nieuws. Je vindt er al sporen van terug bij de oude Grieken en Romeinen die elkaars vrouwen ontvoerden en mishandelden. Intussen zijn we gaan geloven dat we die praktijken achter ons gelaten hebben, maar dat is een illusie. In werkelijkheid gingen we er amper op vooruit. Want vandaag wordt verkrachting tijdens oorlogen systematisch ingezet, terwijl er vroeger helemaal geen systeem inzat. Soms was het niet meer dan profiteren van de chaos door de oorlog.

“De vrouwen in mijn boek zijn slachtoffers van daders met duidelijke instructies om te verkrachten. Ze gebruiken verkrachting als terreurwapen en als een instrument om wraak te nemen en te ontmenselijken.

“Ik was lang een van de weinige vrouwelijke journalisten die naar conflictgebieden trok. Dat is vandaag gelukkig veranderd. Steeds meer vrouwen zijn als oorlogsjournalist actief en dat is goed, want zij kijken met een andere blik naar oorlog dan hun mannelijke collega’s. Het is niet toevallig dat ik als vrouw dit boek over verkrachting als oorlogswapen schreef.”

Het feit dat de oorlogsjournalistiek zolang een mannenzaak was, zorgde ervoor dat er te lang veel te weinig aandacht voor verkrachting was?

“Precies. Oorlogen zijn altijd mannenzaken, net als de onderhandelingen om ze te stoppen. Daarom ook is er in vredesverdragen zo goed als nooit aandacht voor verkrachte en misbruikte vrouwelijke oorlogsslachtoffers. Vandaag wordt geen enkel vredesproces of -onderhandeling geleid door een vrouw. Meestal zijn vrouwen op die gesprekken zelfs niet toegelaten. Mannen nemen verkrachting in oorlogsomstandigheden niet ernstig. We hebben dan ook dringend nood aan vrouwelijke vredesonderhandelaars.

“Wat ook zou kunnen helpen, is een ander soort leiderschap in het westen. De vorige Amerikaanse president Donald Trump werd door 26 vrouwen van ongewenste intimiteiten beschuldigd, inclusief verkrachting. Als de belangrijkste man in het Witte Huis zelf een seksueel roofdier blijkt te zijn, wordt het heel moeilijk om vanuit het westen verkrachting als oorlogswapen aan te pakken. Met Joe Biden is er hoop op een nieuwe wind. Misschien slaagt hij erin van Amerika terug een voorbeeld voor de wereld te maken.”

Ook de nieuwe president wordt van verkrachting beschuldigd. Biden ontkent, maar het verhaal van de vrouw die beweert zijn slachtoffer te zijn, is niet op los zand gebouwd.

“Er is ook nog vice-president Kamala Harris. Als aanklager in Californië schonk zij veel aandacht aan verkrachting. Ze was toen erg doordrongen van de noodzaak aan gerechtigheid voor de slachtoffers van seksueel geweld. Misschien is het inderdaad beter om onze hoop in de eerste plaats op haar te richten.”

Na #MeToo in 2017 kwam er bij ons eindelijk meer aandacht voor seksueel geweld?

“U zegt het juist: bij óns, want die aandacht is er niet voor wat er zich in oorlogsgebied afspeelt. Begrijp me niet verkeerd, ik ben heel blij met #MeToo. Heel wat zaken die ik vroeger als jonge journalist van 21 als ‘normaal’ beschouwde, zijn nu totaal onaanvaardbaar. Ik begon als stagiaire bij de zender Central TV in Birmingham. De nieuwsdienst was een echte mannenclub die heel sceptisch stond tegenover jonge vrouwelijke journalisten. Vrouwen mochten enkel programma’s aankondigen. Ik kwam recht van de universiteit en elke keer als ik de nieuwsstudio binnenstapte, trok de hoofdredacteur zijn broek naar beneden om me zijn blote kont te tonen.”

Pardon?

“Jawel. Elke keer opnieuw toonde hij me zijn achterwerk. Het was mijn eerste job en ik durfde niets tegen die kerel te zeggen. Hij was immers mijn baas. Nu weet ik dat ik toen mijn mond had moeten opentrekken.”

In de zomer van 2016 ontmoette u in een vluchtelingenkamp op een Grieks eiland verschillende Jezidi-meisjes die door IS als sekslaaf waren misbruikt. U werd zich toen voor het eerst erg bewust van seksueel misbruik als oorlogswapen?

“Die ontmoetingen legden de basis voor dit boek, maar halverwege de jaren negentig werd ik al eens met verkrachting als oorlogswapen geconfronteerd toen ik in Bosnië was. In 75 kampen werden toen tussen de 20.000 en 50.000 vrouwen door Servische militairen en paramilitairen systematisch verkracht. Dat zorgde voor grote verontwaardiging in de internationale gemeenschap. Want hoe was het in godsnaam mogelijk dat zoiets zich eind 20e eeuw nog in het hart van Europa kon afspelen? Maar de verontwaardiging ebde weg, tot ik een kwart eeuw later die Jezidi-meisjes op het Griekse eiland Leros ontmoette. Ze verbleven er in een tot vluchtelingenkamp vertimmerd oud krankzinnigengesticht, op een stoffige zaal met roestige bedden. Het beeld van die diep verstoorde, gehavende meisjes is voor altijd op mijn netvlies gebrand.

“Tijdens onze allereerste ontmoeting wist ik niet wat hen was overkomen. Ze zagen er lief, mooi, onschuldig uit. Tot ze begonnen te vertellen over hoe hun vaders en broers gedood werden door IS. En over hoe zij ontvoerd werden en op een tot slavenmarkt vertimmerde oude cinemazaal in Mosul voor twintig euro werden verkocht aan IS-strijders. De jonge vrouwen werden eerst opgedeeld in ‘lelijk’ en ‘knap’ en vervolgens als seksslaven verhandeld. Ik had nog nooit zo’n afschuwelijke verhalen gehoord.”

Rond dezelfde tijd reisde u naar het noordoosten van Nigeria, naar Chibok waar Boko Haram op 14 april 2014 200 schoolmeisjes ontvoerde.

“Ik sprak met ouders, broers en zussen en ontdekte dat Chibok maar het topje van de ijsberg was. Tienduizenden meisjes bleken in dat deel van Nigeria ontvoerd te zijn om als seksslavin misbruikt te worden.

“In augustus 2017 stroomden vanuit Myanmar de Rohingya-vluchtelingen Bangladesh binnen. Ik reisde ernaartoe om verslag uit te brengen voor de krant. Opnieuw hoorde ik afschuwelijke verhalen van gevluchte Rohingya-vrouwen, slachtoffers van groepsverkrachtingen door soldaten.

“In twee jaar tijd kreeg ik een vloedgolf aan gelijkaardige gruwelverhalen te verwerken. Ik wou begrijpen wat er aan de hand is, waarom er nu door strijders, krijgers en soldaten van allerlei pluimage op zo’n grote schaal verkracht wordt. Ook daarom schreef ik dit boek.”

En vond u verklaringen?

“Eén van de voornaamste redenen is dat verkrachting gruwelijk efficiënt en spotgoedkoop is. Een van de vrouwen zei: ‘Verkrachten kost minder dan de kogels voor hun machinegeweer.’ Het is heel handig voor wie een gebied van de vijand wil ‘zuiveren’. Door de vrouwen te verkrachten, wordt een heldere boodschap naar de mannen gestuurd: ‘Jullie slagen er niet eens in jullie vrouwen te beschermen.’ Zo voelt de tegenpartij zich impotent.

“Een andere reden is dat de aard van de oorlog wezenlijk veranderd is. Zowat alle oorlogen van de laatste jaren worden niet langer tussen staten uitgevochten. De Eerste en de Tweede Wereldoorlog waren ‘overzichtelijk’: officiële legers van natiestaten gingen met elkaar in de clinch. In theorie hielden zij zich aan een aantal internationale afspraken, zoals de Conventies van Genève. Maar rebellenlegers, privémilities, terreurgroepen en ideologisch aangedreven milities trekken zich daar niets van aan. Zowat alle strijdgewoel waar ik de voorbije jaren als journalist verslag over uitbracht, vond niet plaats op een afgebakend slagveld, maar in burgergebied, in dorpen en steden. Er vallen nu veel meer slachtoffers onder burgers dan onder militairen. De drempel ligt nu ook lager dan ooit om burgers te terroriseren. Daar komt bij dat de straffeloosheid zeer groot is: de kans dat verkrachtende strijders ooit voor justitie verantwoording moeten afleggen, is miniem. Het handvol succesvolle vervolgingen zijn de uitzonderingen en niet de regel.”

Vanuit België vertrokken nogal wat jonge mannen die hier geboren en getogen zijn naar Syrië en Irak om zich aan te sluiten bij IS. Ze stapten probleemloos mee in de IS-ideologie en kochten ook hun seksslaven op de markt van Mosul.

“Nog eigenaardiger is dat ook veel meisjes en vrouwen die in Engeland of België geboren en getogen zijn, vol overtuiging mee stapten in dat verhaal. Daar begrijp ik helemaal niets van. Veel van die vrouwen geven nu interviews waarin ze beweren dat ze bij hun vertrek geen flauw idee hadden waarin ze zouden belanden. Terwijl ze in volle IS-glorietijd nooit onder stoelen of banken staken waar ze mee bezig waren. Daar is beeldmateriaal genoeg van; de gruwel was een vast onderdeel van de propaganda. Ik kan maar moeilijk geloven dat ze erin geluisd zijn, zoals ze ons proberen wijsmaken. Veel Jezidi-meisjes vertelden me dat ze zeer wreed behandeld werden door de IS-vrouwen. Ik ken slechts een paar gevallen waarin IS-vrouwen een Jezidi-meisje hielpen ontsnappen. Meestal waren ze medeplichtig.”

Komt verkrachting van mannen ook vaak voor?

“Minder, maar het is nóg een groter taboe dan vrouwenverkrachting. Rond het verkrachten van vrouwen in oorlogen hangt stilte; het verkrachten van mannen is één grote, zwarte leegte.

“Het gebeurt in de door Assad gecontroleerde gevangenissen in Syrië. Volgens mensenrechtenorganisaties wordt 80 % van de mannen in die gevangenissen seksueel misbruikt. In het rapport We keep it in our hearts van 2015 publiceerde het UNHCR getuigenissen van mannelijke vluchtelingen uit de gevangenissen van Assad. Jonge mannen worden er anaal verkracht met frisdrankflesjes en genitaal gemarteld met elektroshocks.

“Onlangs sprak ik iemand die 16 jaar in Guantanamo gevangen zat, zonder ooit aangeklaagd of veroordeeld te zijn. Hij werd onderworpen aan waterboarding en nog een resem andere zogenaamde ‘enhanced interrogation techniques’. Ik vroeg hem wat het ergste was dat hij had meegemaakt. Hij antwoordde: ‘Het seksueel misbruik.’ Hij vertelde me dat hij drie keer aangerand was door Amerikaanse vrouwelijke cipiers. Hij kreeg dat niet verwerkt. ‘Ze maakten me tot object’, zei hij. Hij kon geen seksuele intimiteit meer verdragen.

“Bij verkrachting en misbruik gaat het niet enkel over de fysieke aantasting van iemands integriteit, maar ook over de mentale gevolgen. Daar komt bij dat slachtoffers achteraf vaak met de vinger gewezen worden. Verkrachte vrouwen en mannen zijn soms niet meer welkom in hun eigen gemeenschap.”

Door de verkrachting krijgen ze levenslang?

“Ja. Zowat alle vrouwen die ik sprak, zeiden dat ze liever dood waren geweest. Tijdens al die gesprekken wist ik vaak niet hoe ik moest reageren, of wat ik nog kon zeggen. Veel gruwel was gewoon niet te vatten. Zoals het verhaal van dat Jezidi-meisje dat als 16-jarige als seksslavin gekocht was door een dikke IS-rechter. Elke dag bond hij haar vast op zijn bed en verkrachtte haar. ‘Op een dag bracht hij een meisje van tien mee’, vertelde ze me. Ze hoorde hoe hij dat meisje in de kamer ernaast verkrachtte. ‘Ze schreeuwde om haar moeder.’ Dat was zo afschuwelijk.”

Lopen er programma’s om de Jezidi-vrouwen te helpen bij het verwerken van hun trauma’s?

“De meesten zitten zes jaar na de gebeurtenissen nog steeds in Irak in kampen. Ze kunnen niet terug naar huis; hun dorpen zijn vernietigd. Ze worstelen met zware mentale problemen en het aantal zelfmoorden ligt hoog. In de meeste kampen is er geen psycholoog. Ze vertelden hun traumatische verhaal aan mij in de hoop dat er iets zou veranderen. Maar er gebeurde helemaal niets en ik zit met het wrange gevoel dat ik ze in de steek laat.

“De coronacrisis maakt het allemaal nog erger, want nu is er totaal geen ruimte meer in kranten en journaals voor hun verhaal. Ik ben daar niet goed van. We zijn al onze interesse kwijt in wat er buiten onze grenzen gebeurt. Covid is zowat het enige wat we nog verslaan. Mensen lijken alleen nog geïnteresseerd in wat hen hier en nu overkomt.”

De pandemie is natuurlijk zeer ingrijpend in ons dagelijks leven.

“Zeker, en ik beweer ook niet dat we er als journalisten over moeten zwijgen. Maar de oorlogen in Afghanistan, Syrië en Jemen zijn intussen niet gestopt. Al zijn we wel gestopt met erover te berichten. Er gebeuren op veel plekken vreselijke dingen; door covid verdwijnen ze integraal van de radar.”

Sommigen vergelijken de coronacrisis ook met een oorlog. Terecht?

“Mijn krant stuurt me nu naar de intensieve zorgenafdelingen van ziekenhuizen en vraagt me dan altijd om te vergelijken met mijn oorlogservaringen. Ik vind dat heel vervelend, want het is helemaal niet hetzelfde. De enige gelijkenis is misschien dat ik zowel in oorlogsomstandigheden, als op covid-afdelingen ontzettend veerkrachtige mensen ontmoet. Mensen die in slechte omstandigheden het goede doen. Als iemand ons anderhalf jaar geleden gezegd had dat alle restaurants en cafés zouden sluiten, we opgesloten in ons huis zouden zitten en enkel nog met een mondmasker de straat zouden opgaan, hadden we die man of vrouw gek verklaard. En kijk, we leven nu al bijna een jaar als gemondmaskerde kluizenaars. Wat alleen maar bewijst dat de mens zich snel aan nieuwe, benarde omstandigheden aanpast.

“Maar als buitenlandjournalist met 33 jaar ervaring op de teller ben ik nu doodongelukkig. Ik ontvang op mijn telefoon constant berichten van over de hele wereld over afschuwelijke gebeurtenissen. In mei vorig jaar was er dat vreselijke bloedbad in een kraamkliniek in het centrum van de Afghaanse hoofdstad Kaboel. Zestien moeders en verschillende pasgeboren baby’s en vroedvrouwen werden afgeslacht. Van die extreme gruweldaad werd amper verslag uitgebracht. Ik ging daarover klagen bij mijn hoofdredacteur. ‘Waarom moet corona ook dit vreselijke verhaal overwoekeren?’ Ik bleef maar zeuren, en uiteindelijk liet hij me een column schrijven over waarom we dat nieuws links lieten liggen. Maar de feiten verslaan, dat kon niet.”

Christina Lamb, Ons lichaam, jullie slagveld, Ambo/Anthos, 432 blzn., 25,99 euro, verschijnt op 1 maart

Bio

Christina Lamb

  • Geboren op 5 mei 1965
  • Chef buitenland voor The Sunday Times
  • Studeerde filosofie, politicologie en economie aan de universiteit van Oxford
  • Overleefde in 2006 in Afghanistan ternauwernood een hinderlaag van de Taliban
  • Auteur van o.a. Ik ben Malala (2013) en Het meisje uit Aleppo (2016)

(c) Jan Stevens

‘De groeiende ongelijkheid in de wereld is het meest verontrustende’

Een ramp verhoogt de samenhang in een gemeenschap. Dat stelde de Britse econoom Richard Davies vast op zijn reis langs ‘extreme economieën’. “Onze veerkracht helpt ons na grote tegenslagen weer overeind te krabbelen. Alleen hebben we dat niet door op het moment dat we diep in de shit zitten, zoals in deze coronacrisis.”

Richard Davies wou te weten komen hoe de economie gedijt in extreme omstandigheden. Hij reisde daarom de wereld rond en bezocht onder andere het door de tsunami geteisterde Atjeh in Indonesië, het grootste vluchtelingenkamp ter wereld in Jordanië, de vooral door bejaarden bewoonde regio Akita in Japan en de door ongelijkheid verscheurde Chileense hoofdstad Santiago. Op het einde van de trip stond er 150.000 kilometer op de teller.

“Bij de start van mijn onderzoek maakte ik me zorgen”, zegt hij. “Ik vroeg me af of het wel gepast was om mensen in penibele leefomstandigheden lastig te vallen met vragen over hun economische toestand. Tot mijn grote verrassing vonden ze dat allemaal fantastisch. Ze deelden enthousiast hun hele leven met me.”

Zijn ervaringen schreef Davies neer in het fascinerende boek Extreme Economies. “Het was af net voor de hele wereld door corona op haar grondvesten daverde”, zegt hij. “Velen wachten nu bang af wat het uiteindelijke effect van corona zal zijn op de economie. Misschien kunnen mijn bevindingen de angst een beetje helpen temperen. Want we hebben heel wat natuurlijke veerkracht die ons na grote tegenslagen weer overeind helpt te krabbelen. Alleen hebben we dat meestal niet door op het moment dat we diep in de shit zitten, zoals nu.”

Is dat de belangrijkste les die u trok uit uw reis naar Atjeh in Indonesië?

Richard Davies: “Toch wel. Omdat ik meer inzicht wou in de betekenis van veerkracht voor de economie, trok ik naar Atjeh en andere plekken die getroffen zijn door vreselijke rampspoed. Ik zag er hoe mensen overleven door hun eigen economische systeem te bouwen. Bijna altijd was dat een informele economie, zonder van bovenaf opgelegde regels, vaak ook zonder officiële munten, maar met zelf uitgevonden geld.

“De tsunami van 2004 was totaal onverwacht en verwoeste in één klap grote delen van Atjeh. Maar in de dagen, weken en maanden erna namen de overlevenden hun leven terug in handen. In Lampaseh, een voorstad van Banda Atjeh, sprak ik met de 52-jarige koffiehuisuitbater Sanusi. Bij de tsunami verloor hij zijn vrouw en oudste zoon. Hijzelf overleefde door in de top van een kokosboom te klimmen. Zijn zaak en huis waren totaal vernield. Het kistje met al het geld dat hij gespaard had, spoelde mee met de zee. Sanusi was compleet geruïneerd; zijn leven verwoest. Toch bleef hij niet bij de pakken zitten. Al een paar dagen na de ramp besloot hij zijn koffiehuis herop te bouwen. ‘Want dat is wie ik ben’, zei hij me. ‘Ik draag ook verantwoordelijkheid voor mijn overlevende kinderen en mijn klanten.’ Bij de lokale banken kon hij niet meer voor een lening terecht, want die waren allemaal vernietigd. Maar een klant wou hem helpen: een academicus uit Jakarta die regelmatig in Atjeh op vakantie kwam, leende hem 5 miljoen roepie of 500 euro. Vijf maanden na de ramp opende Sanusi Coffee opnieuw de deuren. Vandaag kun je er van zijn zelfgebrande koffie genieten. Het verhaal van Sanusi is niet uniek, maar illustreert de veerkracht van een individu en een gemeenschap.”

Een ramp kan de solidariteit in een samenleving opkrikken?

“Ze dwingt mensen om samen te werken aan de heropbouw. Studies tonen dat ook aan: na een grote ramp vergroot de sociale cohesie in een land. Het is dus belangrijk dat een overheid ervoor zorgt dat die spontane solidariteit onder burgers gaandeweg niet verloren gaat. Ik weet niet hoe het in België zit, maar precies dat lijkt de Britse regering tijdens deze coronacrisis niet goed begrepen te hebben. Want meteen na de eerste grote coronaschok gingen alle Britten samen in lockdown. De regels waren glashelder voor iedereen en de solidariteit was zeer groot. Tot onze bewindslui op het onzalige idee kwamen om verschillende vormen van lockdowns op te leggen aan verschillende regio’s.”

Daar kunnen toch objectieve redenen voor zijn, zoals het aantal besmettingen en ziekenhuisopnames in een regio?

“Natuurlijk. Ook vanuit puur economisch standpunt is differentiëren perfect verdedigbaar. Een stad als Manchester is nu eenmaal anders dan Londen of Liverpool. Als in één regio het virus onder controle is, kunnen daar wellicht meer bedrijven terug de deuren openen dan in een andere. Alleen is het nefast voor de sociale cohesie in het hele land. Het holt de solidariteit uit en vergroot de jaloezie en het onbegrip.”

Differentiatie verlaagt in sommige regio’s misschien ook de tol aan faillissementen?

“Ze verlaagt wellicht ook de kosten, en tóch ben ik ertegen. Want door verschillende maten en gewichten te hanteren, ondermijn je de samenhang totaal. Ik werkte vijf jaar als centrale bankier bij de Bank of England en toen dacht ik daar totaal anders over. Maar net door met bijvoorbeeld de overlevenden van de tsunami te praten, kreeg ik oog voor de cohesie in een gemeenschap en voor het grote belang van sociaal kapitaal.

“Waarom mogen mensen met een tuin in de buitenlucht meer bezoekers ontvangen dan wie geen tuin heeft? Op het eerste gezicht lijkt die maatregel oké, want in de tuin is het stukken veiliger dan in een slecht geventileerde woonkamer. In realiteit is het echter een regel die de meer vermogenden met een huis met tuin bevoordeligt tegenover armere flatbewoners. Daarom vind ik dat in deze covidtijd alle regels voor alle burgers van een land gelijk moeten zijn, anders voeden we de verdeeldheid.”

In België krijgen nogal wat bedrijven die door de coronacrisis midscheeps getroffen zijn, financiële steun van de overheid. De werknemers ontvangen een tijdelijke werkloosheidsuitkering. Zijn dat goede maatregelen of ondermijnen ze de veerkracht?

“Ik vind het goede maatregelen, want zo ondersteunt de overheid net die veerkracht. In het Verenigd Koninkrijk krijgen arme gezinnen nu een bedrag dat ze enkel en alleen kunnen spenderen aan voedsel en kledij. Ze mogen er niets anders mee aanvangen. Dat is een klassieke, maar heilloze vorm van hulpverlening. Geen enkele buitenstaander kan de echte behoeften van mensen in nood inschatten. Overlevenden van de tsunami hebben misschien helemaal geen nieuwe kleren nodig. Wat doen ze dan als ze een lading truien en broeken overhandigd krijgen? Ze verkopen die spullen zo snel mogelijk op de zwarte markt om vervolgens met dat geld hun zin te doen. Een tijdelijk gedeeltelijk vervangingsinkomen na een ramp of in een acute crisis, is een uitstekende zaak, zolang mensen vrij blijven om het geld te spenderen zoals zij dat willen. Want zij kennen hun eigen situatie het beste en weten wat ze nodig hebben.

“Het vluchtelingenkamp Zaatari in Jordanië is met 200.000 Syrische vluchtelingen het grootste ter wereld. Er bloeit een informele economie met meer dan 3000 winkels, eetstalletjes en kappers. De internationale organisatie die het kamp runt, vindt dat maar niets. Ze zou veel liever hebben dat de inwoners enkel inkopen doen in de officiële supermarkten vol noodzakelijke, verantwoorde producten. Ondernemende vluchtelingen slaan daar ook goederen in, maar verkopen die vervolgens door op de zwarte markt, net als de tsunami-overlevenden. Met dat geld kopen ze ‘onverantwoorde’ maar zeer gewilde producten die ze in hun winkeltjes doorverkopen aan medekampbewoners.”

Worden veel van die informele economieën niet heel snel gedomineerd door afzetters en ritselaars?

“U onderschat het belang van het begrip ‘reputatie’. Veel mensen die op een informele manier in een vluchtelingenkamp handel beginnen drijven, worden zich snel bewust van hoe belangrijk het is een goede reputatie te hebben. Als andere kampbewoners hen niet vertrouwen, moeten ze hun handeltje snel opdoeken.

“Hulporganisaties houden niet van spontaan gegroeide informele economieën. Ik vind dat een grote vergissing. In elk nieuw vluchtelingenkamp groeien vanzelf voedselmarkten. Die worden best met rust gelaten, want al sinds het ontstaan van de beschaving verhandelen mensen voedsel. Ze weten goed genoeg wat er gezond is en wat niet. Toch willen die hulporganisaties zich altijd bemoeien en regels opleggen. Dat werkt volstrekt contraproductief. Al wil dat niet zeggen dat organisaties of overheden nooit mogen ingrijpen. In Zuid-Amerika zag ik de door illegale houtkap veroorzaakte ecologische rampen. Dat soort van praktijken moet zeer streng bestraft worden. Maar sommige markten verdienen de totale vrijheid. Ik denk dan aan voedsel, maar ook aan softdrugs. Wapenhandel moet dan weer totaal verboden worden.”

U noemt zichzelf een volgeling van de 17e-eeuwse Londense arts-anatoom William Harvey en de 19e-eeuwse Schotse ingenieur David Kirkaldy. Net als u waren ze gefascineerd door het extreme?

“Ja, en met hun fascinatie veranderden ze de koers van de wetenschap. Harvey geloofde dat extreme experimenten tot veel meer inzicht leiden dan braaf onderzoek. Hij kleurde als anatoom en arts voortdurend buiten de lijnen, en ontdekte zo de menselijke bloedsomloop. Dankzij bizarre onderzoeken van mens en dier kwam hij erachter dat ons hart het orgaan is dat bloed door het hele lichaam pompt én dat onze bloedsomloop een gesloten systeem is. Harvey’s tijdgenoten lachten hem uit, ze vonden zijn theorieën onzin, maar jaren later bleken ze te kloppen als een bus.

“David Kirkaldy was als ingenieur gespecialiseerd in de studie van druk op metalen. Hij geloofde dat het meeste vooruitgang geboekt kon worden uit onderzoek van de grootste rampen. In 1879 stortte in Schotland tijdens een storm een monumentale ijzeren spoorwegbrug in waarbij tientallen treinpassagiers het leven lieten. Kirkaldy werd erbij gehaald en dankzij zijn microscopisch onderzoek van honderden stukken ijzer werden de volgende generaties metalen spoorwegbruggen veel veiliger constructies.”

William Harvey en David Kirkaldy zijn vandaag geen klinkende namen meer.

“Dat is doodjammer, want Harvey is wellicht even belangrijk als Isaac Newton. Ik maakte kennis met leven en werk van Harvey toen ik geneeskunde studeerde. Halverwege die studies stapte ik over naar economie, maar de man is me altijd blijven fascineren.

“In 1928 blikte de Britse econoom John Maynard Keynes in The economic possibilities for our grandchildren vooruit hoe de wereld er zou uitzien in 2028. Hij ontwikkelde daarvoor zijn eigen methode. Eerst moet je volgens Keynes op zoek naar die trends in de samenleving die door veel mensen algemeen aanvaard zijn en nog heel lang gevolgd zullen worden. Om de toekomst te kunnen voorspellen, moet je vervolgens die levens onder de loep nemen van de mensen die zich op de meest extreme uiteinden van de trends bevinden. Volgens Keynes waren de langdurige tendenzen van 1928 de verhoging van de materiële welvaart en de vermindering van de arbeidstijd. Om te weten te komen hoe het er binnen honderd jaar aan toe zou gaan, moest dus volgens hem onderzocht worden hoe het tijdgenoten met de grootst mogelijke materiële welvaart en met de meeste vrije tijd verging. De mensen die aan de extremen van de tendenzen leefden, noemde Keynes ‘de voorhoede’. Moderne economen focussen zich zo goed als allemaal op de ‘homo economicus’, de gemiddelde mens, en vragen zich af wat het effect van een maatregel op hem is. Terwijl ik het interessanter vind om te onderzoeken hoe mensen reageren in zeer extreme omstandigheden.”

Omdat wij daar lessen uit kunnen trekken voor ons dagelijkse bestaan?

“Ja, en omdat we ons zo ook beter kunnen voorbereiden op de toekomst. Daarom ging ik na mijn uitstappen naar rampgebieden op zoek naar ‘de voorhoede’ van onze tijd. In de geest van Keynes zocht ik eerst die tendenzen die al een tijd bezig zijn en waarvan de impact alleen maar zal vergroten. Ik kwam uit bij vergrijzing, digitalisering en ongelijkheid. Die drie trends zullen onze economie in de toekomst zwaar op de proef stellen. Om die toekomst beter te doorgronden, moest ik dus die plekken gaan bezoeken waar ze op dit moment al extreem aanwezig zijn.”

Uw zoektocht naar een plek waar vergrijzing extreem toeslaat, bracht u naar Akita, een departement in het noordwesten van Japan.

“In Akita is meer dan de helft van de bevolking ouder dan 50 en meer dan een derde ouder dan 65. In de gelijknamige hoofdstad Akita zijn de treinbestuurders, loketbedienden, winkelende mensen, obers en taxichauffeurs allemaal grijs en oud. De gemiddelde leeftijd is er 53 (de gemiddelde leeftijd van de Belgische bevolking is 41 -J.S.).

“We zijn er ons allemaal van bewust dat de vergrijzing onstopbaar is. Het overkomt ons allemaal, voor de ene wat sneller dan de andere, maar de gestaag voortschrijdende tijd is onverbiddelijk. Vergrijzing is een collectieve schok die voor relatief nieuwe belangrijke debatten over betaalbare pensioenen en ouderenzorg zorgt. Maar vergrijzing heeft ook een compleet nieuwe markt doen ontstaan. Ik onmoette in Japan veel jonge mensen die een start-up runden gespecialiseerd in nieuwe hulpmiddelen voor bejaarden.”

Zoals?

“Gesofisticeerde golfclubs waarmee je makkelijker het balletje kan raken, speciale schoenen die de pijn in de heupen verzachten, computerspelletjes voor ouderlingen, gezelschapsrobots, makkelijker kauwbaar voedsel… de vergrijzingsindustrie is in heel Japan booming business.”

Om de digitale revolutie beter te doorgronden, reisde u naar Talinn, de hoofdstad van Estland.

“Ik onderzocht daar de gevolgen van de digitale technologie in de vorm van automatisering en machine learning, computeralgoritmes die zelfstandig bijleren door de input van data. Ik focuste me op de overheidsadministratie. In Estland wordt zowat àlles geautomatiseerd en verloopt zo goed als alles online. Zonder scrupules zetten ze er webcams en gezichtsherkenningssoftware in waarmee ze zelfs de emoties van de gebruikers lezen. 98 procent van de Estse overheidsdiensten is inmiddels gedigitalliseerd. De rest van de wereld zal binnen afzienbare tijd volgen. Op dit moment is in Downing Street, Londen, een kleine ploeg die totale automatisering voor Groot-Brittannië aan het voorbereiden.”

Volgens Oxford-wetenschappers Carl Frey en Michael Osborne zal door automatisering binnen twintig jaar de helft van de huidige jobs verdwenen zijn.

“Ik twijfel daaraan. Waarom zou de robotrevolutie verschillen van de industriële revolutie? Toen in 1779 James Hargreaves zijn spinmachine Spinning Jenny uitvond, werd er ook moord en brand geschreeuwd over de impact op de tewerkstelling. Want voortaan zouden een paar duizend arbeiders het werk kunnen doen van miljoenen thuiswevende ambachtslui. Maar in plaats van werk te vernietigen, creëerden al die Spinning Jenny’s juist extra werk. De weefindustrie werd een magneet voor betaalde arbeid. Landbouwers die in hun vrije tijd weefden om te kunnen overleven, stopten met de boerenstiel en trokken naar de fabriek om voltijds textielarbeider te worden. Waarom zou de automatisering geen nieuwe jobs kunnen opleveren?

“Door de vergrijzing zal de nood aan robots trouwens alleen maar toenemen. Want voor sommige jobs zullen er te weinig mensen zijn.”

Automatisering zal onze samenleving sowieso ingrijpend veranderen?

“Zeker. Een van de meer kwalijke gevolgen is dat mede door de vergrijzing de digitale kloof alleen maar vergroot tussen wie wel en niet online is. In wezen komt dat neer op de kloof tussen jonge hippe stedelingen en bejaarde plattelanders, de ‘outsiders’. In Estland is die kloof vandaag gigantisch.”

U leefde een tijdje in de Chileense hoofdstad Santiago om er die andere trend, de groeiende ongelijkheid te onderzoeken.

“Van de drie trends die ik onder de loep neem, vind ik ongelijkheid de meest verontrustende. Het economische model van landen als Chili, Nigeria, Peru en Maleisië is een kopie van dat van de VS. Het is gebaseerd op het neoliberalisme van de Chicago School of Economics. De denkbeelden van Chicago-economen als Milton Friedman hebben Santiago, Lagos, Lima en Kuala Lumpur vandaag herschapen in miljoenensteden met de grootste ongelijkheid ter wereld.

“Ik kwam aan in de luchthaven van Santiago en ik zei tegen de taxichauffeur: ‘Breng me naar de stad, alsjeblieft.’ Hij vroeg: ‘Welke stad? Santiago telt vijf verschillende steden.’ Je inkomen of vermogen bepaalt in welke stad je leeft. Solidariteit, samenwerking, vertrouwen zijn er zoek. Van sociale cohesie is er geen sprake. Terwijl dat net broodnodig is in tijden van extreme crisis, of wanneer een samenleving getroffen wordt door een grote ramp. Santiago staat haaks op Atjeh of Zaatari, waar mensen sámen hun bestaan terug leefbaarder proberen maken.”

In Santiago is het ieder voor zich?

“De rijkelui uit het noorden zullen nooit afzakken naar het zuiden waar de armere dompelaars wonen. De zuiderlingen trekken enkel naar het noorden om er villa’s te gaan poetsen of weelderige gazons te maaien. De ongelijkheid is stuitend en burgers haten elkaar. De straten van Santiago waren de voorbije maanden niet voor niets het decor voor rellen. Die groeiende ongelijkheid in de wereld is iets om ons écht grote zorgen over te maken.”

Richard Davies, Extreme economies, Black Swan, 416 blzn. 11,95 euro

Bio

Richard Davies

  • Studeerde filosofie en economie in Oxford en aan de London School of Economics
  • Werkte van 2006 tot 2012 als economist bij de Bank of England
  • Was van 2012 tot 2015 journalist economie bij The Economist
  • Was van 2015 tot 2016 economisch adviseur van de voormalige conservatieve minister van Financiën George Osborne
  • Is professor economie aan de London School of Economics en aan de universiteiten van Londen en Bristol

(c) Jan Stevens

‘Het regime in Wit-Rusland is ten dode opgeschreven’

Op 9 augustus 2020 kwamen de Wit-Russen in opstand tegen de zesde ‘verkiezing’ van Aleksandr Loekasjenko tot president. Een half jaar later zitten duizenden actievoerders in de cel en houdt de laatste dictator van Europa de teugels stevig in handen. ‘Wit-Rusland is de Sovjet-Unie op sterk water.’

Op de zonovergoten ochtend van zondag 9 augustus 2020 slenterde tv-maker Christophe Brackx (50) samen met de Wit-Russische jonge vrouw Valentina door de straten van Minsk. Het was de dag van de presidentsverkiezingen: de Wit-Russen konden stemmen op ofwel zittend president Aleksandr Loekasjenko, ofwel de belangrijkste oppositiekandidaat Svetlana Tichanovskaja ofwel een paar mindere goden. “Ik had daarvoor al veel bezoeken aan Wit-Rusland gebracht”, zegt Brackx. “Ik ben gefascineerd door Oost-Europa en enkele jaren geleden ontdekte ik via Valentina Wit-Rusland. Ik bezocht haar en haar vrienden regelmatig in Minsk. In het begin had ik niet door in wat voor een dictatuur ze leefden, ook al was ik in heel wat dictaturen geweest. Midden jaren 80 kwam ik voor het eerst in Moskou, en toen werd er gefluisterd dat de KGB ons continu volgde. In het modern ogende Minsk voelde ik me helemaal niet bespioneerd. Gaandeweg vertelden mijn Wit-Russische vrienden over het gebrek aan vrijheid. Toch bleef ik Wit-Rusland beschouwen als een ‘softe dictatuur’. Tot die avond van de verkiezingen: toen vielen de schellen van mijn ogen.”

In zijn boek De laatste dictator in Europa brengt Christophe Brackx naast de recente geschiedenis van Wit-Rusland, een uitvoerig gedocumenteerd ooggetuigenverslag van de opstand die volgde na de verkiezingen van 9 augustus. “Vijf dagen eerder was ik aangekomen in Minsk. Die zondagavond laat zat ik samen met vrienden in een appartement toen Lydia Yarmoshyna, de voorzitster van de kiescommissie, stralend op tv aankondigde dat Aleksandr Loekasjenko gewonnen had met meer dan 80 % van de stemmen. Het werd direct muisstil in de kamer.”

Een kwartier later begonnen de rellen. “We hoorden getoeter van auto’s, gegil, ontploffingen en schoten. We besloten de straat op te gaan. Valentina waarschuwde me: ‘Als wij roepen dat je moet rennen, ren je. Want het gevaar komt niet alleen van de geüniformeerde oproerpolitie OMON. Er zijn ook nog de tikhari, Loekasjenko’s niet-geüniformeerde knokploegen. Zij houden zich aan geen enkele wet en slaan je verrot.’ Ik zag de OMON-agenten chargeren, en besefte: zij takelen de demonstranten toe zoals in een harde dictatuur. Niet veel later kwamen al die vreselijke verhalen over martelingen en verkrachtingen naar buiten.”

Christophe Brackx bleef tot dinsdag, 11 augustus, tussen de demonstranten in Minsk. “Die 48 uur beleefde ik als in een roes. We sliepen amper en moesten ons vaak verschuilen. Valentina probeerde vermiste medestanders terug te vinden; ik volgde in haar kielzog.”

Brackx was één van de weinige westerse ooggetuigen. “Ik ging undercover en droeg geen pershesje”, zegt hij. “Ik ontmoette één Spaanse journalist. Een als journalist herkenbare Zwitserse vrouw met Wit-Russische roots werd neergeschoten met een rubberkogel. Ook een Amerikaan van Wit-Russische origine werd zwaar toegetakeld. Op een bepaald moment zette de OMON gericht de jacht op journalisten in. Ik heb toen een vlucht naar Warschau geboekt en ben vertrokken.”

Een half jaar later zit Aleksandr Loekasjenko alias de laatste dictator van Europa nog steeds in het zadel. Eind januari publiceerde Amnesty International (AI) haar rapport Belarus: ‘You are not human beings’. De internationale mensenrechtenorganisatie brengt daarin in kaart hoe sinds 9 augustus in Wit-Rusland duizenden mensen door de ordediensten willekeurig worden opgepakt, gefolterd en soms gedood. In de vier dagen na de verkiezing verdwenen volgens AI 6.700 mensen achter de tralies. In de maanden erna volgden nog duizenden arrestaties. 900 slachtoffers dienden formeel klacht in bij de Wit-Russische overheid. Tot hiertoe is er geen enkele onderzocht.

Jan Stasuk (33) kent de gevangenissen van Loekasjenko van binnenuit. Bij zijn eerste arrestatie was hij amper 15. Tijdens een protestactie in zijn geboortestad Brest droeg hij op straat een spandoek met de slogan: ‘Music against racism’. “Dat was mijn enige ‘misdaad’”, zegt hij. “Ze namen mijn vingerafdrukken en sloten me zes uur lang op. Mijn ouders werden niet ingelicht. Ik besefte: er is iets grondig mis in dit land.”

Stasuk was mensenrechtenactivist voor Amnesty International, het Helsinki Comittee for Human Rights en Human Rights Watch. “Talloze keren werd ik gearresteerd en soms mishandeld. Ik stond op de barricaden tijdens het protest tegen de vervalste presidentsverkiezingen van 2006. Met als gevolg dat ik op geen enkele universiteit in Wit-Rusland nog welkom was. Ik wou graag geschiedenis studeren, maar raakte nergens ingeschreven. Dus week ik uit naar Rzeszów in Polen, waar ik mijn diploma haalde.”

Vier jaar geleden vluchtte Jan Stasuk naar België waar hij politiek asiel kreeg. Over de aanleiding voor zijn vlucht wil hij niets kwijt. “Dan breng ik medestanders in Wit-Rusland in gevaar. Ik zet de strijd tegen Loekasjenko verder via sociale media.”

Jan Stasuk is erg onder de indruk van het aanhoudende protest tegen de dictator. “Ik had nooit verwacht dat zoveel mensen op straat zouden durven komen. Nog steeds protesteren ze elke zondag vreedzaam, ook al gedragen de OMON-agenten zich als SS’ers. Want zij hullen zich in sportkledij, infiltreren de betogingen en slaan ongewapende, vreedzame betogers in elkaar. Ze gaan zelfs argeloze voorbijgangers te lijf. De dictator en zijn kliek zijn bang om hun macht te verliezen, vandaar de meedogenloze repressie.”

Stasuk vindt dat de internationale gemeenschap zijn landgenoten in de steek laat. “De grote baas van de internationale ijshockeybond IFH René Fasel ging vijf weken geleden nog bij Loekasjenko op de koffie. Ze knuffelden elkaar en namen selfies alsof ze de beste vrienden zijn. Fasel zegde zijn volle steun aan Loekasjenko toe voor de organisatie van het WK ijshockey. Op dat moment zaten honderden mensen zonder vorm van proces gevangen. Pas twee weken geleden, nadat hoofdsponsor Skoda zich terugtrok, kondigde het IHF aan dat Wit-Rusland het wereldkampioenschap toch niet mocht organiseren. Een half jaar keiharde repressie maakte geen indruk op de organisatie. Alleen de taal van het grote geld bracht hen tot inzicht.”

Eugenia Andreyuk (31) nam eind augustus één keer deel aan een zondagse betoging in Minsk. “Ik was op bezoek bij mijn familie. Het was indrukwekkend om al die gewone Wit-Russen zo waardig door de straten van de hoofdstad te zien protesteren. Duizenden mensen die vóór 9 augustus nooit politiek actief waren, kwamen nu op straat. De politie stelde zich vrij terughoudend op en regelde het verkeer. Maar dat is radicaal veranderd: nu ontbinden ze al hun duivels. De laatste maand gaat de repressie in overdrive. Op 22 december 2020 werd het bestuur van de Press Club Belarus in Minsk aangehouden. Stichter en voorzitster Julia Slutskaya werd samen met haar directieleden door het regime van financieel gesjoemel beschuldigd. De Press Club was na 9 augustus uitgegroeid tot dé ontmoetingsplaats voor journalisten en burgers. Slutskaya en co. werden beschuldigd van het betalen van boetes van opgepakte journalisten. Een andere beschuldiging luidde dat ze ook de honoraria betaalden van de advocaten van die journalisten. De journalistenbond wordt dus door het regime vervolgd omdat ze haar leden bijstaat. Ook mensenrechtenorganisaties en NGO’s worden op exact dezelfde manier aangepakt. Het doel is de hele burgermaatschappij op de knieën krijgen.”

Eugenia Andreyuk woont sinds vorig jaar in Brussel waar ze als jurist aan de slag is voor de Russische mensenrechtenorganisatie Memorial. Net als Stasuk is zij geboren in Brest. “Mijn ouders leven er nu nog. Op mijn achttiende verhuisde ik naar Minsk, om er aan de universiteit te gaan studeren.”

Was Eugenia er zich tijdens haar jeugd van bewust dat ze in de laatste dictatuur van Europa leefde? “Zeker. Als jonge tiener was ik al geïnteresseerd in politiek. In 2006 zwaaide ik af aan de middelbare school en in datzelfde jaar waren er presidentsverkiezingen. Loekasjenko won met 82,5 % van de stemmen. Natuurlijk waren ook die vervalst en jonge mensen bouwden een protestkamp in het centrum van Minsk. Na een paar dagen werd dat kamp door de politie brutaal opgebroken. Veel jongeren belandden in de cel. Er werd een brief van een meisje van mijn leeftijd naar buiten gesmokkeld waarin ze beschreef hoe ze gemarteld werd. Ik was zwaar onder de indruk: ik besloot jurist te worden en me te specialiseren in mensenrechten.”

Na haar rechtenstudies werkte Eugenia Andreyuk in Minsk bij een NGO als advocaat voor vluchtelingen en asielzoekers. “Vooral Oekraïners en Afghanen. Ik kwam in contact met verschillende ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Ik kreeg de indruk dat sommigen onder hen heel normale mensen waren.” Tot ze zag hoe betogers in Minsk aangepakt werden tijdens protesten tegen de uitslag van de presidentsverkiezingen van 2010. “Toen besefte ik dat al die ‘normale ambtenaren’ ooit bewust ervoor gekozen hadden te collaboreren met het regime. In de dagelijkse omgang waren ze dan misschien geen monsters; ze maakten het wel mee mogelijk dat opposanten en mensenrechtenactivisten vernederd en gefolterd werden in de cellen van Loekasjenko.”

Volgens Eugenia Andreyuk telt Wit-Rusland minstens 100.000 ‘collaborerende’ ambtenaren. Ze maakt zich grote zorgen over hoe zij zich na de val van Loekasjenko zullen gedragen. “Ik vrees dat velen niet kunnen functioneren in een democratische rechtstaat. Die ambtenaren denken nog net als in de hoogdagen van de Sovjet-Unie. Ze volgen enkel bevelen op en nemen nooit initiatief. Als je wilt weten hoe het er tijdens het sovjetcommunisme aan toe ging, moét je Wit-Rusland bezoeken.”

Sovjet-Unie op sterk water

“Het huidige Wit-Rusland is er iets beter aan toe dan het Wit-Rusland uit mijn jeugd”, vindt schrijver Aleksandr Skorobogatov (57). “Vandaag kun je het land tenminste nog verlaten, dat was toen onmogelijk. Maar voor de rest is het huidige Wit-Rusland inderdaad de Sovjet-Unie op sterk water.”

Skorobogatov zag het levenslicht in 1963 in Grodno, een Wit-Russisch stadje niet ver van Polen en Litouwen. Na de middelbare school trok hij naar de hoofdstad Minsk, naar het theaterinstituut. Twee jaar later verhuisde hij naar Moskou, om er literatuur te gaan studeren. In 1992 verhuisde hij naar België. “Tijdens de Sovjet-Unie gebeurde er in Wit-Rusland helemaal niets: er was geen vrijheid en geen perspectief. Het was een moeras waar de mensen langzaam stierven.”

In Minsk raakte Skorobogatov bevriend met een dissident. “We voerden intense gesprekken en zo kreeg ik glimpen van hoe het er in het Westen aan toeging.”

Aleksandr Skorobogatov keerde na zijn verhuis naar België twee keer terug naar zijn geboorteland. “De laatste keer was in 2013, voor de begrafenis van mijn moeder. De volgende dag vertrok mijn nichtje terug naar Moskou en samen met mijn broer bracht ik haar naar het station van Grodno. Die plek heeft een emotionele waarde voor mij, ik had mijn fototoestel bij om er een paar foto’s te maken. Mijn moeder bezocht me af en toe in België en het station van Grodno was hét vertrekpunt voor haar reis: daar nam ze de trein naar Polen, het eerste tussenstation op weg naar haar zoon. Ik nam foto’s van ‘moeders trein’ en zag twee politieagenten passeren. Meteen kreeg ik een onaangenaam gevoel. Ik hoorde de ene tegen de andere zeggen: ‘Waarom neemt hij een foto van die trein?’ Ik voelde me teruggeslingerd in de tijd, alsof ik 30 jaar in Grodno had liggen slapen en pas ontwaakt was. De agenten hielden me tegen. ‘Hebt u een vergunning om die trein te fotograferen?’ Ik legde hen uit dat mijn moeder net gestorven was en hoe belangrijk die trein voor me was, maar ze waren onverbiddelijk: ik moest alle foto’s wissen.”

Neostalinist

De Sovjet-Unie stortte in 1991 in en drie jaar later kwam Aleksandr Loekasjenko in Wit-Rusland op democratische wijze aan de macht. “Het is zijn enige presidentsverkiezing die waarschijnlijk niet vervalst is”, zegt Christophe Brackx. “In ’91 vielen alle Sovjetstaten uit elkaar en werd Wit-Rusland onafhankelijk. Er volgden een paar woelige jaren, met westersgezinde politici die wilden breken met de oude Sovjetpolitiek en communistische hardliners zoals Loekasjenko. Tot 1986 was Wit-Rusland de meest welvarende van alle Sovjetrepublieken. Toen kwam de kernramp in Tsjernobyl in het naburige Oekraïene, en werd Wit-Rusland plots de armste der republieken. De Wit-Russen hadden het economisch heel slecht en stelden tot hun afgrijzen vast dat zelfs het traditioneel armere Oekraïne beter boerde. Ook alle naburige Baltische staten presteerden beter. Loekasjenko speelde daar in 1994 handig op in met een van populisme doordrenkte anti-corruptieretoriek. Zo raakte hij voor het eerst verkozen. Hij koos ervoor om in de jaren erna de desastreuze gevolgen van de kernramp van Tsjernobyl voor zijn land keihard te ontkennen.”

Olga* is geboren in het voorjaar van 1986 in het zuiden van Wit-Rusland, op een boogscheut van Tsjernobyl. Op 26 april van dat jaar explodeerde Reactor 4. Urenlang waren de omwonenden onwetend over wat er aan de hand was. Jaren later hoorde Olga van vrienden dat hun vaders tot de ‘liquidators’ behoorden, de groep die meteen na de explosie eropuit gestuurd werd om de branden rond de centrale te blussen en het radioactief materiaal op te ruimen. Een paar dagen na de ramp moesten duizenden families verplicht verhuizen. Olga’s gezin niet, tot jaren later duidelijk werd dat zij geïnfecteerd was. Vandaag is Olga actief in de oppositie tegen Loekasjenko. In de week voor publicatie laat ze weten dat ze toch niet met haar naam in de krant wil. Ze wil haar familie niet in problemen brengen.

Christophe Brackx ziet gelijkenissen tussen Aleksandr Loekasjenko en Donald Trump. “Ze zijn allebei extreem narcistisch en ijdel. Alleen kon Trump enkel van totalitaire macht dromen, terwijl Loekasjenko die al ruim een kwarteeuw in de praktijk brengt. Geen enkele andere Wit-Rus mag zich ‘president’ noemen, zelfs niet de voorzitters van de voetbal- of de hockeybond.”

Brackx noemt Loekasjenko een ‘neostalinist’. “Net als rond Stalin hangt ook rond hem een personencultus. Hij is een fan van show- en schijnprocessen en produceert aan de lopende band surrealistische wetten en draconische decreten. Net als Stalin zuivert hij ook graag mensen weg. Bij voorkeur maakt hij ze monddood. In Wit-Rusland ligt het aantal vermeende kinderpornomisdadigers ontzettend hoog. De politie vindt altijd kinderporno tijdens huiszoekingen bij oppositieleden, journalisten of mensenrechtenactivisten. Sommigen worden ‘gezelfmoord’ teruggevonden of verdwijnen voorgoed. Loekasjenko maakt er na elke verkiezing een spelletje van om burgers op te sluiten als ‘pasmunt’. Wanneer Europa dan met sancties komt, laat hij ze in ruil voor versoepelingen weer vrij.”

Voor Yuliya Miadzvetskaya (30) is Aleksandr Loekasjenko een windvaan. “Het ene moment is hij voor de onafhankelijkheid van Wit-Rusland, het andere wil hij een versmelting met Rusland. Het ene moment zingt hij de lof van de oude Sovjet-Unie, het andere zingt hij de lof van de Verenigde Staten.” Miadzvetskaya is juriste en werkt als onderzoekster aan het Centre for IT & IP Law (CiTiP) van de KULeuven. Ze is geboren in Vitebsk in het noorden van Wit-Rusland en verhuisde zes jaar geleden naar België om er te studeren en te werken. Ze vat Loekasjenko’s ideologie in één woord samen: “Eigenbelang. Hij is een lege politicus zonder overtuiging, behalve zichzelf. Ik vind het verbazingwekkend dat er nog steeds Wit-Russen zijn die hem steunen.”

Witte woede

Op 19 december 2010 liet Aleksandr Loekasjenko zich voor de vierde maal tot president kronen met de stalinistische score van 80 %. Yuliya Miadsvetskaya was er getuige van hoe ook toen dezelfde avond nog het volk in Minsk op straat kwam. “Ook toen werd de demonstrerende oppositie met veel geweld uiteen geranseld”, herinnert ze zich. “Toenmalig presidentskandidaat Andrei Sannikov en zijn vrouw, de journaliste Iryna Khalip, werden gemolesteerd. Honderden journalisten, mensenrechtenactivisten en vooraanstaande intellectuelen vlogen achter de tralies.”

Na een gevangenisstraf van twee jaar kreeg Sannikov van Loekasjenko gratie. Andrei Sannikov vertrouwde de dictator voor geen haar en vluchtte meteen naar Londen waar hij politiek asiel kreeg. Tot verbazing van velen begon Loekasjenko in eigen land de teugels te vieren. Hij sloot een soort van sociaal contract met de Wit-Russische burgers. Als charismatische populist presenteerde hij zich als één van hen. “Ik zorg voor jobs, pensioenen en sociale zekerheid. In ruil vraag ik dat jullie je niet bemoeien met de politiek.” De burgerij die nooit iets anders dan het sovjetcommunisme en Loekasjenko gekend had, stemde daar vlot mee in.

“Loekasjenko verzekerde zich het voorbije decennium zo van zijn populariteit bij veel oudere burgers”, zegt Eugenia Andreyuk. “Maar mijn generatie van kritische dertigers kon hij niet om de vinger winden. De voorbije zeven jaar gaf hij meer vrijheid waardoor de IT-industrie boomde. Zo groeide er een middenklasse. Stel je daar niet té veel van voor: in vergelijking met de Belgische middenklassers zijn Wit-Russen armoezaaiers. Maar toch, het leven is voor veel ondernemende dertigers en veertigers niet langer overleven. Zij pikken de onderdrukking niet meer en voeren sinds augustus het verzet aan.”

Het coronavirus gaf Loekasjenko de genadeslag. “Zijn advies om covid te lijf te gaan met wodka en de sauna choqueerde veel Wit-Russen”, zegt Jan Stasuk. “Zijn weigering om fatsoenlijke maatregelen tegen de epidemie te nemen, maakte voor velen duidelijk dat het lot van de bevolking hem geen zier kan schelen.”

Nogal wat nieuwe middenklassers ontvluchtten inmiddels het land, waaronder verschillende vrienden van Chistophe Brackx. “Zij werken als IT-er voor Amerikaanse en Canadese bedrijven en vertrokken met hun hebben en houden naar Cyprus, Oekraïne, Polen of Litouwen. Die braindrain is trouwens al langer bezig: meer dan 630.000 mensen zwaaiden de voorbije tien jaar Wit-Rusland vaarwel. In het buitenland verdienen ze tot acht keer meer en zijn ze vrij.”

Klopt de indruk dat de opstand tegen Loekasjenko vooral geleid wordt door jonge vrouwen zoals Eugenia, Olga en Yuliya? “De Wit-Russische jonge vrouwen nemen inderdaad het voortouw in deze strijd”, knikt een zichtbaar ontroerde Jan Stasuk, terwijl hij zich met de vuist op het hart klopt. “Die eerste dagen van de opstand zag ik toch vooral mannen”, relativeert Christophe Brackx. “In het begin was slechts één op tien demonstranten een vrouw. Vervolgens kwamen vrij snel in het wit gehulde vrouwen, met bloemen en guirlandes, massaal op straat. Toen werden ze niet gearresteerd, nu wel. Wit-Rusland is een redelijk matriarchale maatschappij; het is geen toeval dat de presidentskandidaat van de oppositie een vrouw is. Loekasjenko is extreem seksistisch en heeft een zeer lage dunk van vrouwen. Door de inmiddels naar Litouwen gevluchte Svetlana Tichanovskaja naar voor te schuiven, verzekerde de oppositie zich ervan dat haar kandidatuur niet geweigerd zou worden. In de ogen van de macho-dictator stelde zij niets voor. Hij noemde haar steevast ‘dat domme meisje’.”

Een fatsoenlijk man

Een half jaar na de verkiezingen is Loekasjenko nog steeds aan de macht. Heeft hij de strijd gewonnen? “Tactisch lijkt dat inderdaad zo”, antwoordt Yuliya Miadzvetskaya. “Met zijn keiharde repressie onderdrukte hij de opstand, maar op strategisch vlak verloor hij grandioos. Zijn meedogenloze optreden leverde hem geen enkele nieuwe supporter op. Integendeel, hij verliest nu ook de gedoogsteun van de ‘onverschilligen’, van degenen die geen fan van Loekasjenko zijn en de kandidaat van de oppositie ook maar niets vonden. Jarenlang slaagde hij erin om voor veel Wit-Russische burgers een schijn van normaliteit op te houden. ‘Hij lijkt toch een fatsoenlijk man?’ Dat imago ligt aan diggelen. Zijn regime is ten dode opgeschreven, alleen weten we niet wanneer dat zal zijn. Intussen verliezen we kostbare tijd. Hoe langer Loekasjenko blijft, hoe meer hij het land in een concentratiekamp verandert. 26 jaar dictatuur zorgt voor een loodzware erfenis. De democratisch verkozen regering die na hem komt, wacht een immense taak. Ik ben bang dat de Wit-Russen teleurgesteld zullen zijn en zich later misschien zullen laten verleiden door de sirenenzang van populisten. Kijk naar wat er in Oekraïne gebeurt, of zelfs naar landen als Hongarije en Bulgarije.”

Christophe Brackx koestert weinig hoop over een snelle machtsovergang. “Loekasjenko is al lang een luis in de pels van Rusland. Zij willen liefst van hem af, want hij is allesbehalve loyaal aan het Kremlin. Tezelfdertijd is hij een prima bliksemafleider voor Vladimir Poetin. De redenering is: hoe groter de problemen en de repressie in Wit-Rusland, hoe minder aandacht voor wat Poetin uitspookt in Rusland, zeker na de arrestatie van oppositieleider Alexei Navalny.”

Brackx vreest dat het nog lang zal duren vooraleer hij zijn Wit-Russische vriendin Valentina terug in Minsk kan opzoeken. Hij maakt zich zelfs zorgen over zijn eigen veiligheid in België. “De dictator heeft een lange arm. De Wit-Russische journalist Pavel Sheremet is de laatste die een kritische biografie over Aleksandr Loekasjenko schreef. In 2016 werd hij in zijn auto opgeblazen in de Oekraïense hoofdstad Kiev.”

*Olga is een schuilnaam

Christophe Brackx, De laatste dictator in Europa – De opstand tegen Loekasjenko, Kritak, 304 blzn., 22,99 euro

(c) Jan Stevens

‘Corona is de chaperonne van de 21e eeuw’

Filosoof Jan Drost zoekt doordachte antwoorden op prangende vragen over liefde. ‘Onze huidige smetvrees kan ontsporen waarbij aanraken iets weerzinwekkends wordt.

Drie jaar geleden begon relatiefilosoof Jan Drost in de Nederlandse krant Algemeen Dagblad (AD) vragen van lezers over liefde te beantwoorden. ‘Het format van mijn rubriek dwong me tot het schrijven van teksten van slechts 200 woorden’, zegt hij. ‘In het begin werd ik daar moedeloos van. Maar na een tijd leerde ik die vastomlijnde korte vorm te waarderen. Want doordat ik me geen overgewicht aan woorden kon permitteren, kwam ik veel sneller tot de kern van de zaak.’

De meest prikkelende vragen en antwoorden bundelde hij in hét boekje voor Valentijn Waarom is het dat de liefde zo is.

Is een relatiefilosoof ook een therapeut?

Jan Drost: Meestal wordt voor dit soort van rubrieken beroep gedaan op psychologen of seksuologen. Zij geven dan vaak praktische tips en leggen minder nadruk op nadenken waarover het precies gaat. Het AD wou óók een filosoof en dat charmeerde me. Ik had altijd al veel aandacht voor het relationele mensbeeld. ‘Relatiefilosoof’ dekt dus de lading, al hadden ze me ook ‘wij-geer’ kunnen noemen. (lacht)

De vragen worden gesteld door de AD-lezers?

Drost: De meeste wel. Sommige vragen werden me via mail verzonden, of ik pikte ze op een van mijn lezingen op. Bij zowat elke vraag die me gesteld wordt, schiet spontaan door mijn hoofd: waar gaat dit in wezen over? Je zou dat de ‘beroepsmisvorming’ van de filosoof kunnen noemen. Op dezelfde manier benaderde ik al die vragen over relaties en liefde.

Mensen hanteren zelden dezelfde betekenissen voor op het eerste gezicht eenvoudige begrippen. Zo was er die vrouw die haar nakende huwelijk niet wou laten doorgaan. Ze vertelde dat ze ontdekt had dat haar verloofde ontrouw was en al lang vreemdging. Hij stelde dan weer dat hij wél trouw was gebleven, al definieerde hij die als ‘emotioneel trouw’. Hij geloofde dus echt dat hij nooit ontrouw was, ook al had hij seks met vele andere vrouwen.

Welke filosofen zijn uw leidmeesters bij het beantwoorden van die vragen over liefde?

Drost: Vroeger stond ik erg onder de invloed van Sartre en Nietzsche. Ik geloofde toen al snel dat anderen me beperken in mijn vrijheid. Vandaag weet ik dat ik niemand ben zonder andere mensen in mijn leven. Dat inzicht heb ik te danken aan Emmanuel Levinas en Aristoteles. Zij zetten de bakens uit. In deze tijden van corona komen daar ook nog de stoïcijnen bij. Zij leren me dat ik op sommige gebeurtenissen totaal geen vat heb, maar dat ik wel mijn gedachten daarover enigszins onder controle kan houden.

Sommige vragen zijn zeer rechttoe-rechtaan, zoals: ‘Mijn vriend wil niet dat ik een vibrator gebruik. Dat maakt hem onzeker.’ Hoe geeft u daar een filosofisch antwoord op?

Drost: Mijn eerste gedachte was om die vraag door te schuiven naar de seksuoloog. Maar intussen weet ik dat dat soort vragen best interessante antwoorden kan opleveren. Zo zou die afkeer van de man voor haar vibrator best wel eens een uiting kunnen zijn van zijn vrees dat hij op seksueel gebied overbodig is. Mijn advies aan haar was om de vibrator een tijdje in zijn bijzijn achterwege te laten. Tot het voor allebei duidelijk is dat er een verschil is tussen masturbatie, of tijd voor jezelf, en vrijen, of tijd voor elkaar. Dan groeit wellicht ook het besef dat het ene geen bedreiging hoeft te vormen voor het andere. Na een tijd kunnen vriend en vibrator dan misschien samengaan.

De eerste vraag die u behandelt in Waarom is het dat de liefde zo is, is misschien wel de belangrijkste: wat is liefde?

Drost: Eigenlijk wel. Veel andere vragen over iets heel specifieks als ontrouw, liefdesverdriet of jaloezie zijn in werkelijkheid terug te voeren tot die ene vraag: is het liefde wat ik hier en nu beleef? Het subjectieve antwoord zou dan kunnen zijn: dat bepaal je zelf. Maar zo eenvoudig is het meestal niet.

Voor de meeste mensen moet liefde meer zijn dan vriendschap?

Drost: Ze delen hun vriendschapsrelaties in volgens een hiërarchie, met de geliefde aan de top van de piramide. De brede basis wordt dan gevormd door veel kennissen, met daarboven een kleiner aantal vrienden, daarboven beste vrienden en naaste familie, met als kroon op het werk: die ene geliefde. Meestal toch is dat er één.

Door de geliefde helemaal bovenaan de piramide te plaatsen, wordt de verwachting van exclusiviteit gekoesterd. Ook het idee van trouw volgt daaruit, net als wederkerigheid: ‘Jij bent de enige voor mij en ik de enige voor jou.’ We vinden het niet fijn als we ontdekken dat wij niet de top van de piramide voor de ander blijken te zijn. Of als die ander ontrouw is geweest. ‘Ik moet je iets bekennen: ik heb iets met iemand gedaan wat ik alleen maar met jou zou doen.’ Dat komt keihard aan.

Volgens de filosoof Arthur Schopenhauer is vriendschap de hoogste vorm van liefde.

Drost: Mensen met een romantisch beeld van de liefde doen vriendschap inderdaad oneer aan door haar lager in de piramide te plaatsen. Met zijn prikkelende uitspraak daagt Schopenhauer ons uit meer waarde toe te kennen aan onze vriendschapsrelaties. Is het wel zo wijs om liefde en vriendschap in onze hiërarchie zo ver uit elkaar te zetten? Misschien maken we onze liefdesrelaties net duurzamer door vriendschap hoger in te schatten.

Als je wilt trouwen, moet je je volgens Schopenhauer eerst afvragen waaraan je samen de meeste tijd zal besteden. Dat zal waarschijnlijk niet vrijen zijn, maar het voeren van gesprekken. ‘Daarom trouw je best met een man of vrouw met wie je goed bevriend bent’, concludeert de filosoof.

U hebt geen hoge pet op van ons romantisch beeld van de liefde?

Drost: Neem de romantische gedachte dat de een bij wijze van spreken al van voor de geboorte toegewezen is aan de ander. Zo scheppen we voor onszelf onrealistische, torenhoge verwachtingen. Toch hou ik er ook van dat we in staat zijn om iemand als een uniek, onvervangbaar persoon te beschouwen. Niet dat we dan heiligen voor elkaar worden, maar we beginnen elkaar wel te ‘heiligen’. Die ander wordt een ‘uitverkorene’.

Dat klinkt heel bijbels.

Drost: Ja, en dat komt natuurlijk ook omdat een liefdesrelatie sowieso iets zeer bijzonders is. De liefde intensifieert je blik en je gevoelens.

Ik krijg vaak de vraag: ‘Is monogamie gedoemd te verdwijnen?’ Ik geloof dat niet, net omdat liefde zo een bijzondere vorm is van naar elkaar kijken en met elkaar omgaan.

We horen toch heel vaak dat de mens van nature niet monogaam is?

Drost: Wat wordt er bedoeld met ‘van nature’? Dat we genetisch geprogrammeerd zijn om seks met veel verschillende mensen te hebben? Ik heb het daar eerlijk gezegd moeilijk mee. Want dat zou betekenen dat alle gedrag dat in de natuur voorkomt, gerechtvaardigd is. Iets is goed omdat het zo is. ‘Ik heb een lief, toch vrij ik met elke mogelijke andere partner en dat gaat vanzelf. Daarom mag ik dat gerust blijven doen.’ Ik heb de indruk dat het zoeken naar een fundament in onze natuur vaak niet meer is dan zoeken naar een vrijbrief. Wordt stelen dan ook aanvaard zodra wetenschappelijk is aangetoond dat mensen van nature hebzuchtig zijn? Mag ik jou slaan omdat ik gewelddadig van aard ben? Mag je geliefde met iedereen de koffer induiken omdat hij of zij geile genen heeft? Het is niet omdat iemand iets doet, dat het vanzelf goed is. Het is ook niet omdat monogamie niet in onze genen zou zitten dat gevoeligheden zoals jaloezie als sneeuw voor de zon verdwijnen. We hebben altijd een keuze.

Steeds meer geliefden vinden elkaar via datingapps. Ook daar krijgt u vragen over?

Drost: Mensen willen weten hoe verstandig zo’n datingapp is als ze op zoek zijn naar een serieuze liefdesrelatie. We hebben dan allemaal de neiging om in ons datingprofiel het fraaist mogelijke beeld van onszelf te borstelen. Ook tijdens chatsessies doen we vervolgens ons uiterste best om de grappigste, slimste en knapste versie van onszelf te zijn. Dat vergroot de romantiek, maar zorgt tegelijkertijd voor een vertekend beeld. Het beste is om zo snel mogelijk in levenden lijve af te spreken als je allebei denkt dat er een match is.

Ik heb meerdere vrijgezellenavonden meegemaakt van bruiden die hun bruidegom via een datingapp leerden kennen. Ze stopten allemaal met de app zodra hun liefde begon. Een datingapp kan dus de start zijn van iets moois. Maar zo’n app kan er natuurlijk nooit voor zorgen dat je liefdesrelatie uitgroeit tot een groot succes. Het is ook geen goed idee om na de start van een nieuwe relatie in het geniep te blijven shoppen op Tinder. Samen op hetzelfde moment die app van de telefoon verwijderen, zou wel eens kunnen uitgroeien tot hét liefdesritueel van de 21e eeuw.

Werkt een datingapp ook niet erg drempelverlagend om op zoek te gaan naar iemand anders als de relatie aan het slabakken is?

Drost: Zonder twijfel. Na een lezing vertelde een vrouw me hoe ze na de zoveelste ruzie met haar man ’s avonds mokkend in bed met de rug naar elkaar toelagen. ‘Ik had mijn telefoon bij me’, zei ze. ‘Ik hield die onder het kussen en opende de datingapp Happn.’

Veel daters lijken te verwachten dat er op hun eerste afspraak meteen een vonk overslaat. Dat valt mij toch op als ik naar het datingprogramma First Dates kijk. Terwijl liefde misschien beter langzaam groeit?

Drost: Natuurlijk moet liefde groeien, maar die overslaande vonk blijft vaak onze romantische eis nummer één. Zo wordt de druk tijdens een eerste ontmoeting stevig opgevoerd.

Een goede vriend werd lang geleden van zijn sokken geblazen door een meisje. Hun eerste afspraak was voor hem als een donderslag bij heldere hemel. Het draaide op niets uit, maar hij raakte niet meer van haar hersteld en heeft sindsdien geen ander lief gehad. Hij blijft die ervaring vergeefs zoeken en maakt zichzelf zo diepongelukkig. Die ene vonk van weleer bepaalt zijn hele werkelijkheid. Hij spreekt met niemand meer dan één keer af. Het moét meteen raak zijn.

Krijgt u nu veel door de lockdown beïnvloede vragen over de liefde?

Drost: Zeker. Een van die vragen is: ‘hoe voorkom ik dat ik mijn geliefde achter het behang plak?’ (lacht) Een andere: ‘Hoe vind ik iemand in deze tijd van afstand houden en smetvrees?’ Mijn raad is: ga naar buiten, al wandelend ontmoet je misschien nieuwe mensen. Dat is exact wat er nu aan het gebeuren is. Ik woon in Amsterdam en in de straten en parken is het drukker dan ooit. Een paar vrouwen lieten me weten dat ze zich minder onveilig voelen dan vroeger. Als onbekende mannen hen nu aanspreken, is er altijd die anderhalve meter sociale afstand. De angst voor het virus zorgt ervoor dat die heren hun handen thuishouden en zich beleefd gedragen. De dames vinden dat zeer fijn. Corona wordt zo de chaperonne van de 21e eeuw.

Maar ik wil deze tijd niet romantiseren, want voor jonge mensen is het afschuwelijk. Ik doceer filosofie aan de Hogeschool van Amsterdam. Tot half december vorig jaar had ik nog het geluk dat ik om de twee weken een paar uur in een lokaal kon lesgeven aan acht studenten. Het was hun enige uitstap in de week. Toen ik die ene keer ziek was, kreeg ik het ene teleurgestelde berichtje na het andere. Heel deze toestand waarin we aanbeland zijn, zal nog zware gevolgen hebben. In onze strijd tegen dat virus laten we alle wapens los. Tezelfdertijd vergeten we dat ons lichaam niet alleen besmet kan raken, maar ook aanraking nodig heeft. Lichamelijke affectie is óók goed voor onze gezondheid.

Zal corona onze samenleving fundamenteel veranderen?

Drost: Als het van onze politici afhangt niet, want van zodra het virus bedwongen is, willen zij liefst zo snel mogelijk terug naar business as usual. Ik ben bang dat de goedkope vliegtickets ons snel opnieuw om de oren zullen vliegen. Het verwoesten van de planeet wordt gewoon hervat.

Hoopgevend is dan weer dat veel mensen goede voornemens maken. Sommigen zijn blij met de lockdown, omdat ze zo verlost zijn van de druk en rust herontdekken. Een aantal onder hen zal na de pandemie zeker een nieuw, duurzamer leven trachten op te bouwen.

Volgens de Amerikaanse viroloog Anthony Fauci schudden we best nooit nog de handen. Onze viroloog Marc Van Ranst is het daarmee eens. Zijn we nu een permanente smetvrees voor elkaar aan het ontwikkelen?

Drost: In het verleden kreeg ik af en toe wel eens een handdruk die ik liever had vermeden. (lacht) Er zijn ook heel leuke, andere manieren om elkaar te begroeten, zoals bijvoorbeeld een boeddhistische buiging. Maar het klopt inderdaad dat onze huidige smetvrees kan ontsporen waarbij aanraken iets weerzinwekkends wordt. Wij zijn ons lichaam. We moeten dat goed verzorgen, of we gaan ten onder. Het coronavirus bedreigt ons lichaam, we moeten ons dus daartegen beschermen. Alleen dreigen we nu in de val van de complete isolatie te trappen. Dat zou zeer tragisch zijn.

Mensen die elkaar in deze tijd ontmoeten en verliefd worden, staan al meteen voor een barrière als ze voor het eerst willen kussen. Die eerste zoen is niet onbelangrijk en krijgt door het virus extra waarde en betekenis. Want hij houdt nóg meer dan vroeger de belofte van exclusiviteit in. Als je ook anderen gaat zoenen, vergroot het risico dat je je pas veroverde geliefde besmet.

Die eerste zoen kan een kus des doods zijn?

Drost: Net uit angst daarvoor wordt die eerste kus vaak uitgesteld. Of de kersverse geliefden spreken af om zich eerst te laten testen. Van zodra ze allebei een negatieve uitslag hebben, mogen alle remmen los.

Wat is de meest intrigerende vraag van de voorbije drie jaar?

Drost: Vorig jaar vroeg iemand: ‘Is het gezien de klimaatcrisis nog verantwoord om kinderen te krijgen?’ Drie maanden geleden bleek dat mijn vriendin zwanger was. Ik ben daar heel blij mee, maar merk ook bij mezelf dat ik door die vraag in de war ben. Ze drukt me met de neus op de werkelijkheid, ook al wil ik dolgraag vader worden. Als iemand die vraag uitspreekt, volgen er reacties als: ‘Dat vroegen ze zich tijdens de Tweede Wereldoorlog ook af. Het kwam toen toch goed?’ Terwijl deze crisis van een totaal andere orde is. Een oorlog gaat voorbij, maar de gevolgen van de klimaatverandering bedreigen de grondvesten van ons bestaan.

Liefde voor je kinderen staat niet los van liefde voor de aarde. Daarom moet je in elk geval proberen een leven te leiden dat zowel goed is voor je kind als voor de aarde. Alleen dan zal je later je kind in de ogen kunnen kijken als het vraagt: ‘Wat heb jij gedaan om ervoor te zorgen dat er een toekomst voor ons is?’

Jan Drost

– 1975: geboren in Vroomshoop, Nederland

– 2002: studeert af in filosofie en Nederlands aan de universiteit van Amsterdam

– 2005: werkt als docent filosofie aan de Hogeschool van Amsterdam, publiceert essays en geeft lezingen over de liefde

– 2011: debuteert met Het romantisch misverstand, in 2015 gevolgd door Denken helpt en in 2017 door Als de liefde voorbij is.

– Is verbonden aan The School of Life en schrijft voor verschillende media, waaronder Algemeen DagbladNRC Handelsblad, Trouwde Volkskrant en Filosofie Magazine.

Jan Drost, Waarom is het dat de liefde zo is, Querido, 88 blzn., 10 euro

(c) Jan Stevens