“Hij is nog steeds een jihadist”

De Noorse schrijver Demian Vitanza leerde eind 2015 in de gevangenis de teruggekeerde Syriëstrijder Ishaq Ahmed kennen. Hij herdoopte Ishaq tot Tariq en kneedde zijn verhaal tot een indringende roman. “Ik vroeg meermaals: ‘Waarom vertrok je naar Syrië?’ In het begin antwoordde hij: ‘Om tegen Assad te vechten.’ Op het einde zei hij: ‘Omdat ik wou sterven.’”

 

Meer dan een jaar lang bezocht de Noorse schrijver Demian Vitanza twee keer per week een teruggekeerde Syriëstrijder in een van de meest beveiligde gevangenissen van Noorwegen. Die urenlange gesprekken vormden de basis voor Vitanza’s roman In dit leven of het volgende. “Ik nam geen enkel gesprek op”, zegt hij. “Ik wou geen materiaal verzamelen dat compromitterend voor mijn gesprekspartner zou kunnen zijn. We hielden er rekening mee dat we in de bezoekersruimte van de gevangenis afgeluisterd werden. Telkens wanneer hij me iets wou toevertrouwen dat de politie niet mocht weten, schreef hij dat op, liet het me lezen en at daarna het velletje papier op.”

In In dit leven of het volgende vertelt Tariq, een Noor met Pakistaanse roots, hoe hij als tiener op het slechte pad geraakte en een drugsdealer werd, tot hij als twintiger de islam omarmde. Via het internet en onder invloed van radicale geloofsgenoten raakte hij in de greep van het salafisme. In september 2013 vertrok hij met een vriend met Tsjetsjeense roots in een bestelauto naar Syrië om er als jihadist te gaan vechten tegen Assad. Begin 2014 kreeg hij een kogel in het been, stak de Syrische grens terug over en zocht in Turkije hulp in de Noorse ambassade. Een jaar na zijn terugkeer in Noorwegen werd hij gearresteerd en in juli 2015 werd hij veroordeeld tot acht jaar gevangenschap voor lidmaatschap van een terreurorganisatie.

“Ik ontmoette hem toen ik eind 2015 een week schrijfcursus aan gedetineerden gaf in de zwaarbeveiligde gevangenis in mijn thuisstad Halden”, zegt Demian Vitanza. “Op de vierde dag kwam die jongen naar me toe. ‘Ik heb een verhaal’, zei hij. ‘Ik heb je hulp nodig om het naar buiten te brengen.’ Ik ben een roman- en toneelschrijver en zijn verzoek stond haaks op wat ik doe: ik schrijf niet iemand anders verhaal. Op mijn schrijfcursussen gebruik ik literatuur als werkmiddel voor de cursisten om zichzelf beter te leren uiten. Maar hij bleef aandringen. ‘Waarover gaat het?’ vroeg ik. ‘Ik vocht in Syrië’, antwoordde hij. Dat prikkelde mijn nieuwsgierigheid. Niet veel jongemannen die naar Syrië trokken, zijn bereid om hun verhaal te delen met de rest van de wereld. De teruggekeerden willen geen problemen voor hun familie, vrezen wraakacties van andere jihadisten of hebben geen zin in extra ondervragingen. Medegevangenen houden sowieso niet van ‘verklikkers’. Ze hebben dus weinig te winnen met het openbaar maken van hun verhaal.”

 

Hij wou dat u zijn verhaal als roman verpakte?

Demia Vitanza: “Nee, ik heb er een roman van gemaakt omdat ik zo meer vrijheid kreeg, maar ook om hem te beschermen. Sommige dingen die hij me vertelde, stigmatiseerden zijn familie of creëerden ernstige problemen voor zijn radicale moslimvrienden in Noorwegen.”

 

Mensen die hem kennen, weten na lezing van In dit leven of het volgende toch perfect wie ‘Tariq’ in werkelijkheid is?

“Zeker. Eind 2015 zaten er zeven Syriëstrijders in Noorse cellen, nu zijn het er negen. Het was niet zo moeilijk voor de Noorse media om de identiteit van mijn hoofdpersonage te achterhalen. We waren ons er zeer goed van bewust dat zijn naam snel bekend zou raken. In de eerste recensie in een Noorse krant stond zijn echte naam Ishaq Ahmed meteen netjes gespeld. (lacht) De aanpassingen van de realiteit in mijn roman waren voor ons een spel. We verplaatsten de jonge Ishaq alias Tariq van Fredrikstad naar Halden. Zijn thuisstad ligt op dertig kilometer van de mijne en door ‘zijn’ Fredrikstad in te ruilen voor ‘mijn’ Halden kon ik meteen ook alle kennis over mijn eigen stad in zijn verhaal integreren. Door Fredrisktad te vervangen door Halden vermeden we ook dat mensen uit zijn omgeving gestigmatiseerd raakten. In het begin had Ishaq het lastig met die laag fictie, maar na verloop van tijd zag hij er de voordelen van in. Hij begreep dat fictie soms meer waarheid vertelt dan non-fictie. Soms vroeg ik hem: ‘Ishaq, is het wel verstandig om dit te vertellen?’ Waarna hij me aankeek en zei: ‘Het is een roman.’ (lacht)”

 

U beschrijft heel mooi hoe Tariq alias Ishaq van kleine drugsdealer evolueert naar devote moslim. Hoe hij de leegte van een bestaan vol geld, drugs en gangsterrap inruilt voor het gebed.

“Ik ben blij dat u dat zegt, want het vinden van de islam was voor hem inderdaad iets heel moois. Voor veel mensen eindigt het daar ook: ze omarmen op een bepaald moment hun geloof en volgen daarna een vredevol levenspad. Maar bij Ishaq waren de frustraties zo hoog dat het intens beleven van een spirituele islam niet volstond. Hij was op dat moment al een aanhanger van complottheorieën, zoals die over de duistere genootschappen van de illuminati die het universum regeren. Daar kwam nog eens de toestand in de wereld bij, met onder andere de oorlogen in het Midden-Oosten.”

 

Ishaq werd salafist onder invloed van de Britse bekeerling Abdurraheem Green. Als je naar de website van Greens organisatie IERA surft, krijg je de indruk dat de man een boodschap van liefde verspreidt. Toch wordt zijn organisatie gelinkt aan de ‘Portsmouth Jihadis’, zes jonge moslims die zich aansloten bij IS. Hij is een wolf in schaapsvacht?

“Laat me eerst duidelijk stellen dat ikzelf areligieus ben en heel erg sceptisch sta tegenover het salafistische gedachtegoed. Toch wil ik het onderscheid maken tussen salafisme en extremisme. Extremisten zijn bereid om geweld te gebruiken om zo hun doel te bereiken. Dat is meteen ook de definitie van extremisme volgens de Noorse staatsveiligheid. Abdurraheem Green beschouw ik niet als zo’n extremist. Hij is een salafist, maar roept niet op tot geweld of terreur. Ik gebruik de term extremist enkel voor gelovigen die tot geweld willen overgaan. De anderen zijn salafisten, of geschifte kerels. (lacht) Mijn indruk is dat Green geweld afwijst, al durf ik er mijn hand niet voor in het vuur te steken.

“De interesse van Ishaq voor het salafisme werd zeker in het begin serieus aangewakkerd door het internet. Eerst kwam hij terecht bij de zeer devote tablighi die je kan vergelijken met de evangelische christenen. Op het internet ging hij op zoek naar vragen waarmee hij worstelde, zag salafistische video’s en werd erdoor aangesproken. De salafistische ideologie is helder als pompwater: door je strikt aan alle regels te houden, word je een goede moslim. Salafisme is een handleiding voor het leven. Als je op het internet begint te zoeken, leiden de achterliggende algoritmes je op basis van je zoekgeschiedenis en surfgedrag verder in één welbepaalde richting. Zo werd Ishaq als vanzelf de salafistische tunnel ingezogen, richting jihadisme.

“In Noorwegen bestaat er een organisatie die Islam Net heet. Zij organiseren elk jaar een conferentie en focussen zich op studenten. Officieel zijn ze niet salafistisch, in de praktijk wel. Ishaq raakte in 2012 gecharmeerd door hen en bezocht hun conferentie. Daar leerde hij de echte extremisten en jihadisten kennen van Profetens Ummah, onze variant van jullie Sharia4Belgium. ‘Het is onze plicht om in Syrië te gaan vechten’, vonden zij, terwijl ze door Islam Net werden tegengesproken. ‘Nee dat moeten we niet doen. We moeten helpen met gebed, geld of het inzamelen van kleding.’ Maar Ishaq raakte steeds meer in de ban van de oproep tot jihad van Profetens Ummah. De meer gematigden van islam Net vond hij huichelaars, bezorgd over hun eigen imago.”

 

Dus vertrok Ishaq in september 2013 naar Syrië om er tegen de dictator te gaan vechten. U gelooft hem wanneer hij beweert nooit lid van IS te zijn geweest?

“Hij vertrok op een moment dat IS net op het slagveld verschenen was. Het zou nog bijna een jaar duren voor ze hun kalifaat uitriepen, toen was Ishaq al terug thuis met een kogel in zijn been. Een van zijn opties was aansluiten bij Jabhat al-Nusra, de jihadisten van Al-Qaida, of bij het door Tsjetsjenen gedomineerde JMA, Jaish al-Muhajireen wal-Ansar. Uiteindelijk koos hij voor JMA, maar net voor hij contact met hen zocht, viel die groep uiteen. Sommige leden stapten over naar IS; andere vormden een nieuwe militie. Het was een zootje en Ishaq vertelde me dat hij niet meer wist bij wie hij terecht kon. Misschien heeft hij me over zijn periode in Syrië niet de hele waarheid verteld, al ben ik toch geneigd hem te geloven als hij zegt dat hij nooit bij IS gevochten heeft. Uiteindelijk kwam hij bij een groep terecht die niet op een terreurlijst stond, maar in werkelijkheid wel onder de vleugels van Al-Qaida opereerde. Hij wou vechten tegen de dictator Assad, dat was zijn hoofdmotivatie. Al valt niet te ontkennen dat het idee van een Islamitische staat in Syrië en Irak toen al furore maakte en dat hij daarin sterk geïnteresseerd was.”

 

De reis van Ishaq met zijn Tsjetsjeense kompaan in een bestelauto van Noorwegen via Turkije naar Syrië lijkt op een vaudeville. Er waren ontzettend veel momenten onderweg waarop iemand hen had kunnen tegenhouden, maar iedereen kneep een oog dicht.

“Veel mensen denken dat de geheime uittocht van de Syriëstrijders met militaire precisie voorbereid werd, maar niets is minder waar. Het waren gewoon een stel jongens die op een waanzinnige roadtrip vertrokken. Ze wisten niet precies hoe ze moesten rijden, en verzonnen onderweg de meest idiote smoezen. Toen Ishaq afreisde, waren de politiediensten van verschillende landen bijlange nog niet zo alert als nu voor het fenomeen van de foreign fighters. Vermoedelijk waren er ook mensen die dachten: ‘Laat ze maar sneuvelen in Syrië. Dan is dat probleem opgelost.’

“Hij zegt dat hijzelf geen mensen gedood heeft en ik geloof hem. Hij hield de wacht en haalde aan het front de gewonden op en verzorgde ze.”

 

Het merkwaardige is dat alle teruggekeerde Syriëstrijders hetzelfde verhaal vertellen: ze waren allemaal ziekenbroeder.

“U hebt gelijk. Of we zijn verhaal aan het front dan moeten geloven of niet? Misschien wel, al zegt mijn intuïtie eerder van niet.”

 

Doordat hij gewond raakte, overleefde hij zijn Syrië-avontuur.

“Het was net als in de Eerste Wereldoorlog: degenen die een kogel in het been kregen, waren toen ook de gelukkigen. Zij mochten naar huis en overleefden. In een verslag uit die tijd las ik dat soldaten weenden van vreugde toen ze in hun been geraakt werden. Ishaq weende niet van vreugde, want door zijn kogelwonde miste hij als martelaar zijn afspraak met het paradijs.”

 

Het is toch onbegrijpelijk dat een jongen van 22 zo graag dood wil?

“Ik denk niet dat hij dood wou, maar eerder dat hij niet wou leven. Veel jonge mensen van begin twintig hebben het moeilijk met het leven, omdat het in hun ogen zinloos lijkt. Ze plegen geen zelfmoord, maar zien ook weinig toekomst. Dat is de enige manier waarop ik de keuze van jonge Syriëstrijders voor het martelaarschap kan begrijpen. Het jihadisme weet die staat van zijn van jonge mensen op een krachtige manier te exploiteren. Hij geeft het niet graag toe, maar in de gesprekken die ik met Ishaq voerde, bespeurde ik af en toe toch twijfel over de echtheid van dat martelaarschap. Een vriend van hem vertelde in zijn rechtszaak hoe hij zijn steun aan IS opgaf toen hij op een keer merkte dat lijken van IS-strijders aan het ontbinden waren en uren in de wind stonken.”

 

Terwijl de mythe van het martelaarschap net wil dat de lijken van martelaars naar musk ruiken?

“Precies. Op het moment dat die geur van verrotting in de neus van die jongen binnendrong, besefte hij dat het door IS voorgespiegelde martelaarschap bullshit is. Ishaq zelf vertelde me dat hij aan gesneuvelde vrienden gesnuffeld had. ‘Ze roken lekker’, beweerde hij.”

 

Gelooft hij nog in de jihad?

“Hij blijft de strijd tegen Assad vanuit religieus oogpunt gerechtvaardigd vinden. Dus ja, eigenlijk is hij nog steeds een jihadist. Maar IS steunt hij niet meer. Hij heeft nooit problemen gehad met de manier waarop het kalifaat functioneerde, of met de sharia. Ik heb hem gevraagd wat hij van de executies van homo’s vond, en hij antwoordde: ‘Ik weet niet wat Allah wil. Thuis mag je homo zijn, maar toon het dan niet op straat.’

“Hij zal nog minstens drie jaar in de gevangenis moeten doorbrengen en studeert automechanica. Hij verlangt naar een eenvoudig leven en hoopt dat zijn moeder hem zal helpen een vrouw voor hem te vinden.”

 

Ishaqs vader Hassan Ahmed werd in augustus 2016 in een Noorse rechtbank veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf. Een half jaar nadat zijn zoon uit Syrië teruggekeerd was, maakte hij de omgekeerde beweging en sloot zich aan bij IS. In uw boek wordt daar met geen woord over gerept en verdwijnt Ishaqs ‘afwezige vader met een crimineel verleden’ al snel spoorloos uit beeld.

“Hassan Ahmed had lang totaal geen interesse in de islam. Hij heeft een gangsterverleden en zat in de bak toen Ishaq nog klein was. Hij maakte zich grote zorgen over de radicalisering van zijn zoon en was woest op de islamisten die Ishaq inspireerden om naar Syrië te gaan. Het kwam als een totale verrassing toen hij in de zomer van 2014 zelf naar het kalifaat afreisde.

“Ik mocht van Ishaq niet over Hassans reis naar Syrië schrijven. Hij was ontzettend bang dat hij zijn vader en de rest van zijn familie daardoor nog meer in de shit zou brengen. Hij had niet echt ongelijk, want de kans bestond dat stukken uit het boek later op het proces van de vader gebruikt zouden worden. Mijn roman is trouwens ook als bewijsmateriaal opgevoerd in een zaak van een vriend van Ishaq. Toch vond ik het zonde om die fascinerende link tussen vader en zoon zomaar te moeten laten liggen. Maar telkens ik erover begon, werd Ishaq bleek van angst. Hij sloeg dan helemaal dicht. Op een bepaald moment wou hij me zelfs niet meer zien en overwoog hij om te kappen met het boek. Tot ik hem na een paar weken van absolute stilte dan maar zelf voorstelde om zijn vader helemaal weg te schrijven. Zo kon ik het boek redden.”

 

Is Ishaq een vriend geworden?

“Ja. Ik geloof niet dat hij me ziet als een vuile kafir of ongelovige, want dan was dit boek er nooit gekomen. Als ik een journalist geweest was, had ik een kritische afstand gehouden. Maar ik ben een literaire schrijver die de kritische nabijheid opzoekt. Ik ben veel kritischer tegen mijn vrienden dan tegen mensen die ik niet zo goed ken. Ik heb hem in al die uren die we samenzaten, meermaals gevraagd: ‘Waarom vertrok je naar Syrië?’ In het begin antwoordde hij: ‘Om tegen Assad te vechten.’ Op het einde zei hij: ‘Omdat ik wou sterven.’”

 

Demian Vitanza, In dit leven of het volgende, Manteau, 320 p., 21,99 euro

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

“Met liefde alleen redden ze het niet”

Adoptie kan een kind ernstige trauma’s opleveren, zeker als die adoptie het gevolg is van fraude. Professor Nicole Vliegen behandelt al jaren adoptiekinderen met traumatische ervaringen. “Kinderen met een moeilijke achtergrond die zo goed als geen aandacht vragen, zijn even zorgwekkend als kinderen met ernstige gedragsproblemen. Kinderen die vallen, opstaan en verder wandelen zonder te huilen. Zij hebben geleerd om geen troost of hulp meer te vragen.”

 

In ‘Wanneer adoptie zwendel wordt’ getuigde de in 1986 door Vlaamse ouders in Sri Lanka geadopteerde Suleika Van der Jeugdt hoe ze tien jaar geleden op haar rootsreis van de ene verrassing in de andere viel. Haar officiële geboorteakte stond vol fouten, haar adoptie was geregeld door een fixer die er grof geld aan verdiend had en haar geboortemoeder bleek na een dag haar echte moeder niet te zijn. Die echte moeder vond Suleika uiteindelijk toch. Behalve wat kleren en schoenen had zij geen cent verdiend aan het onder dwang afstaan van haar dochter. Interlandelijke adoptie was diep in de jaren tachtig in Vlaanderen de speeltuin van advocaten, idealisten, sjoemelaars en al dan niet goed menende hobbyisten. Dat blijkt ook uit de reeks Adoptie zonder Grenzen die eerder deze maand in Humo liep. “Interlandelijke adoptie is ingewikkelde materie”, zegt professor Nicole Vliegen, hoofddocent klinische psychologie aan de KU Leuven. “Hoe een kind opgroeit, hangt in grote mate af van hoe een kind in het land van herkomst verzorgd werd en hoe het hier opgevangen werd. Het moet zeker schrikken zijn als je ontdekt dat je adoptie indertijd niet al te koosjer verlopen is. De eerste levensperiode is ontzettend belangrijk. Hoe slechter je ervaringen in die eerste fase, hoe groter het risico dat je later minder weerbaar zal zijn.”

Samen met haar collega Patrick Luyten leidt Nicole Vliegen de Leuvense Adoptiestudie (LAS), de tien jaar geleden opgestarte eerste langlopende studie naar de ontwikkeling van adoptiekinderen in Vlaanderen. In het universitaire praktijkcentrum PraxisP in het hart van Leuven behandelt ze samen met twaalf gespecialiseerde therapeuten kinderen die worstelen met onder andere ontwikkelings- of gedragsproblemen. “Wij werken veel met adoptie- en pleegkinderen”, zegt ze. “In de loop der jaren hebben we de reputatie opgebouwd dat we met die jongens en meisjes iets kunnen bereiken.” In oktober publiceert ze samen met Eileen Tang en Patrick Meurs het boek ‘Van kwetsuur naar litteken, hulpverlening aan kinderen met een complex trauma’. Op 20 en 21 oktober vindt rond hetzelfde thema in Leuven een congres plaats.

 

De eerste levensperiode is ontzettend belangrijk, zegt u. Suleika Van der Jeugdt was dertien dagen oud op het moment van haar adoptie. Heel veel kan er in die korte periode toch niet misgelopen zijn?

Nicole Vliegen: “Geadopteerd worden op de leeftijd van dertien dagen, is een behoorlijk goede omstandigheid. Wat niet wil zeggen dat dat helemaal niets is. Adoptie is er ooit gekomen om kinderen die in moeilijke omstandigheden geboren zijn, toch een goed nest te bezorgen. Het moet hard aankomen om als volwassene te ontdekken dat er fraude rond je adoptie hing.”

 

In de jaren tachtig werd er heel wat gefraudeerd bij interlandelijke adoptie, en niet alleen in Sri Lanka.

“Het internationale Adoptieverdrag van Den Haag dat kinderen en hun families tegen de risico’s van illegale adopties naar het buitenland beschermt, dateert van 1993. Dat verdrag vormt een breekpunt met het tijdperk van de minder goed geregelde adopties dat eraan voorafging. In de tachtiger jaren verliepen adopties snel; na het Haags Adoptieverdrag moeten adoptieouders vaak lang wachten omdat er eerst een gedegen onderzoek gevoerd wordt. Dat wachten duurt zelfs zo lang dat sommigen zich luidop afvragen: ‘Waarom mogen kinderen in nood niet sneller gered worden?’ Maar het Haags verdrag is er net gekomen om kwaadaardige praktijken als kinderhandel en adoptiezwendel de wereld uit te helpen. Landen die het verdrag ondertekend hebben, moeten eerst onderzoeken of er in het land van herkomst een oplossing voor het kind voorhanden is. Er moet ook nagegaan worden of de adoptie niet plaatsvindt tegen de wil van de biologische ouders in. In de jaren tachtig werd wellicht niet altijd gezien dat er vaak druk uitgeoefend werd op moeders: ‘Je kind zal in het Westen een veel betere toekomst hebben dan hier.’ Het Adoptieverdrag van Den Haag is een zeer goede zaak en beschermt ook adoptieouders. Want nu kunnen ze een kind in nood een veilige plek geven, zonder ongewild en onbewust mee te werken aan een vorm van mensenhandel.”

 

De kinderen die hier bij u over de vloer komen, worstelen met hun adoptie?

“De overgrote meerderheid waarmee wij werken, worstelt daar inderdaad mee. Sommige adoptiekinderen brachten hun eerste levensmaanden in slechte omstandigheden door, waardoor ze van bij de start ernstig getraumatiseerd raakten. Soms heeft een kind echt honger gekend, of kreeg het te weinig aandacht. Of bleken kinderen bij aankomst veel ouder te zijn dan eerst werd aangenomen. Zij beseften heel goed wat er aan het gebeuren was op het moment dat ze voor adoptie werden afgestaan, maar hun entourage had dat niet in de gaten. Een adoptiekind heeft veel meer onaangename ervaringen in zijn mandje liggen dan een biologisch kind. Natuurlijk kan een biologisch kind òòk anders starten aan zijn ontwikkeling door bijvoorbeeld een genetische aandoening of zuurstoftekort bij de geboorte, maar het risico is kleiner. Elke ouder die een kind krijgt, verwacht dat het gezond zal zijn. Als dat niet zo is, doorprikt dat je verwachtingspatroon. Je verwacht ook dat je biologische kind iets van jezelf zal hebben, liefst een paar van je goede eigenschappen. (lacht) Bij adoptie is dat helemaal niet zo.”

 

Je weet niet waar je kind vandaan komt, of wat er gebeurd is bij de geboorte?

“Je hebt geen genetische informatie. Misschien was een van de ouders mentaal beperkt of had de moeder een alcoholprobleem waardoor haar baby moest afkicken na de geboorte. Die dingen bepalen mee de ontwikkeling van een kind. Wij krijgen de meest gekwetste kinderen in onze praktijk, waardoor mijn beeld zeker gekleurd is. Natuurlijk hebben niet alle kinderen problemen. Er is ook een groot verschil met vroeger: adoptie- en pleegouders zijn nu goed voorbereid waardoor ze zich meer bewust zijn van mogelijke ontwikkelingsproblemen.”

 

Misschien meer dan biologische ouders?

“Misschien wel, ja. Het Adoptieverdrag van Den Haag zorgde bij ons ook voor verstrengde wetgeving rond adoptie. De vereisten waaraan adoptieouders moeten voldoen, liggen nu vrij hoog. Ouders worden op voorhand geëvalueerd en goed voorbereid. Vroeger waren potentiële adoptieouders er zich niet van bewust dat hun kind misschien wel een rugzak vol moeilijke bagage met zich meedroeg; ze verwachtten dat het in de eerste plaats behoefte had aan een warme plek om te wonen. Er was veel minder kennis over wat er al in het rugzakje van adoptiekinderen zat. Vandaag weten ouders dat wel. Ze zijn alerter en zullen ook sneller op consultatie komen als ze signalen opvangen dat de ontwikkeling anders verloopt.

“Een van de moeilijkste aspecten van onze hulpverlening is dat alle kinderen hun adoptie op een verschillende manier ervaren. Er zijn geen wetmatigheden. We kunnen gedrag uit het heden wel begrijpen vanuit vroegere ervaringen, maar we kunnen nooit voorspellen hoe het actuele gedrag verder zal evolueren. We helpen ouders het gedrag van hun kind interpreteren: welke signalen wijzen op een gezonde ontwikkeling? Hoe zien we dat er iets fout loopt? Wat is er nodig om een verstoorde ontwikkeling terug op het juiste spoor te krijgen?”

 

Adoptie- en pleegouders worden gescreend en voorbereid; biologische ouders niet.

“Een Duitse collega zegt soms: ‘Als je een hond wil, moet je naar de hondenschool. Als je een baby wil, vraagt niemand je of je weet hoe je met dat kind moet omgaan.’ Adoptie- en pleegouders zijn inderdaad beter voorbereid op dat nieuwe kind in huis. Pleegouders worden nadien verder begeleid en gecoacht, adoptieouders niet. Van zodra het adoptiekind er is, volgt er wel nog een nazorggesprek, maar daarna valt de omkadering weg.”

 

Zou het kunnen dat mensen met een kinderwens vaak niet goed inschatten wat hen te wachten staat?

“Zeker. Niet iedereen denkt daar even hard over na. Of er dan een soort van cursus zou moeten komen voor toekomstige ouders? Misschien is het belangrijker dat er plekken bestaan waar ouders terecht kunnen, zoals de ‘Huizen van het Kind’. Ouders durven nu wel sneller dan vroeger aangeven dat de opvoeding van hun kind niet van een leien dakje loopt. Maar er is nog werk aan de winkel. Te veel mensen blijven er jammer genoeg van overtuigd dat problemen met hun kinderen binnenshuis gehouden moeten worden.”

 

Waaruit bestaat de screening van adoptieouders?

“Ze worden onder andere gescreend op hun ‘reflectief vermogen’: of ze in staat zijn om te kunnen blijven nadenken over de redenen waarom een kind bepaald gedrag stelt. ‘Waarom doet mijn kind zoiets? Wat is het achterliggende motief? Hoe kunnen we ons kind helpen zodat het dat soort van gedrag kan loslaten en nieuw gedrag zal durven uitproberen?’ Dat is totaal anders dan de klassieke actie-reactie: ‘Je misdraagt je en daarom straf ik je’, want zo beland je in een systeem van straffen en belonen en dat is bij de meeste kwetsbare adoptiekinderen niet altijd even verstandig. Onderzoek heeft aangetoond dat kinderen met een trauma-rugzakje minder gevoelig zijn voor straffen en belonen. Een woede-uitbarsting bij een adoptiekind kan een uiting zijn van angst: ‘Als iemand achter mijn rug zijn handen op mijn schouders legt, interpreteer ik dat als gevaar en dan sla ik erop.’ Het is dan veel zinvoller om met dat kind op zoek te gaan naar wat er precies gebeurd is. ‘Hoe kunnen we die uitbarsting begrijpen? Hoe zorgen we ervoor dat je de volgende keer niet meer begint te slaan, maar anders reageert?’ Van adoptieouders wordt dus eigenlijk zeer veel gevraagd.”

 

Bij een gezin met adoptiekinderen uit mijn omgeving zag ik dat die ouders op een bepaald moment stevige verwijten van een van hun kinderen moesten incasseren.

“Wanneer kinderen in hun leven ooit op traumatische wijze gekwetst werden, zoeken ze een kapstok voor hun kwetsuren. Vaak krijgen dan de mensen die bij hen blijven de volle laag. Degenen die hen diep gekwetst hebben, zijn er niet meer. Het kan dus een goed teken zijn als je kind zijn boosheid op je richt, maar makkelijk is dat niet. Het wijst er wel op dat je kind zich veilig genoeg voelt om te tonen hoe boos het is, al maken dat soort van woede-uitbarstingen het gezinsleven soms complex en zwaar.

“Het is niet leuk om als ouder te moeten horen: ‘Je zorgt niet goed voor mij’, of als er ook nog een biologisch kind is: ‘Je houdt meer van hem dan van mij.’ Adoptiekinderen gaan soms tegen de leerkracht op school vertellen: ‘Ik krijg van mijn ouders geen woordenboek.’ Of ze zeggen als ze op schoolreis zijn tegen de juf of de meester: ‘Ik heb nog nooit een speeltuin gezien.’ Op het eerstvolgende oudercontact krijgen ouders dan te horen: ‘Jullie kind krijgt dit niet en mag dat niet.’ Waarna die ouders verbaasd reageren: ‘Maar hij mag dat wel.’ Op zo’n momenten is het goed dat je weet dat je kind in werkelijkheid op zoek is naar kapstokken voor ervaringen uit het verleden. Tijdens de therapie hoorde ik een kind zeggen: ‘Ik krijg thuis geen kleren.’ Waarop ik repliceerde: ‘Maar wat je nu toevallig vandaag aanhebt, is heel mooi.’ ‘O ja, dat heb ik wel nog gekregen.’ (lacht) We moeten die kinderen vaak heel erg helpen nadenken over ervaringen uit hun geschiedenis die voortdurend als dia’s voor alle andere beelden schuiven, waardoor ze concluderen: ‘Ze zien die andere liever.’ Die gedachten zitten geworteld in een gevoel dat ze ooit tekort gedaan zijn.”

 

Dat gevoel van tekort gedaan zijn, dateert uit hun babytijd?

“Ja. Kinderen die op dit moment voor adoptie afgestaan worden, zijn doorgaans veel ouder dan de dertien dagen van Suleika. Twee en een half jaar geldt nu zelfs al als behoorlijk jong. Soms zijn kinderen vier jaar of ouder. Hun ervaringen van ‘tekort’ kunnen immens zijn. Elk tekort is een ‘te veel’ voor hun stresssysteem. Vroeger leefde de overtuiging dat die tekorten teniet gedaan konden worden door die kinderen veel liefde te schenken. Maar zo werkt het niet. Een van onze kinderen hier kon jaren niet gaan slapen als er geen eten op zijn nachtkastje lag. ‘Als ik wakker word, moet er eten klaarstaan, anders sla ik in paniek.’ Hij kon ook nergens heen zonder dat er een appel in zijn zak zat. Soms vertellen ouders me over hun adoptiekind: ‘In het begin schrokte hij zijn eigen bord leeg en begon daarna onder tafel de kruimels van de vloer te rapen.’ Sommige kinderen dragen dat gevoel van tekort fundamenteel in hun lijf en hun systeem mee en dat kan zeer lang hun gedrag bepalen.”

 

Hoe los je zoiets op?

“We helpen kinderen dat bij zichzelf te herkennen. Het gaat meestal niet weg. De titel van ons boek, Van kwetsuur naar litteken, is niet toevallig gekozen. De kwetsuren uit het verleden blijven littekens, gevoeligheden voor de rest van hun leven. Als je geleerd hebt om op tijd bij jezelf te voelen wanneer die oude kwetsuren weer de kop dreigen op te steken, zal het je beter lukken om te vermijden dat je in je gedrag weer helemaal door het lint zal gaan. Dan lukt het misschien ook beter om niet opnieuw je omgeving in je ontregeling mee te sleuren.

“Een jongen zei me: ‘Ik stop met school. Er is niets goeds aan.’ Toen ik vroeg wat voor vakken hij kreeg, antwoordde hij: ‘O, maar dat ene vak vind ik tof en dat andere ook.’ Hij was nieuw op die school en in zijn klas zat een jongen uit hetzelfde land van herkomst. In de refter had die jongen hem meteen een high five gegeven. Ik zei al lachend: ‘Goh, dat klinkt inderdaad als een heel slechte school. Nieuwe vrienden, toffe vakken…’ Op dat moment drong tot hem door: ‘Ai, daar ga ik weer.’ Het feit dat hij dat moment herkende, is hoopvol. Want van zodra je als kind daar vat op krijgt, kan je je eigen gedrag bijsturen.”

 

Helpt medicatie?

“Bij deze kinderen zijn geneesmiddelen zoals antidepressiva, antipsychotica of angstremmers soms nodig. Sommigen hebben het in hun leven zeer lastig en worstelen met ernstige problemen. Als pillen helpen vermijden dat je binnenwereld geregeld zo overspoeld wordt dat het lijkt alsof je gek wordt, zijn ze verantwoord. Ook als ze helpen vermijden dat je door je ontregelde gedrag vijf keer na elkaar van school gestuurd wordt. Afgezien daarvan vind ik wel dat kinderen in het algemeen te snel medicijnen slikken.”

 

Van biologische ouders wordt gezegd dat ze van bij de geboorte van hun kind onvoorwaardelijke liefde voelen. Ervaren adoptieouders hetzelfde als ze hun kind gaan ophalen?

“Heel vaak wel. Er zijn best wel wat gezinnen waar vanuit die grote onvoorwaardelijke liefde zeer lang heel moeilijke dingen gedragen worden. Soms gaat dat over zaken waarvan ik denk: in een gewoon gezin was dat kind al lang opgenomen. Veel ouders geven niet op. Als er al biologische kinderen zijn en er wordt een kind geadopteerd omdat er nog plaats in het gezin is, kan het jammer genoeg knap lastig worden. Want als het dan misgaat, krijgen ouders soms het gevoel: ‘We kunnen amper nog goede ouders zijn voor onze biologische kinderen.’ Dat knaagt dan aan die onvoorwaardelijke liefde.”

 

Zou het adoptieouders helpen als ze net als pleegouders hun ouderlijke carrière lang begeleid worden?

“Dat denk ik wel. Een adoptiekind opvoeden is anders. Geadopteerd worden zorgt altijd voor een breuk in je levensverhaal, zelfs als je op je dertiende levensdag door je adoptieouders afgehaald wordt en in een zorgzaam gezin terechtkomt.”

 

Suleika Van der Jeugdt trok op rootsreis, op zoek naar haar biologische moeder. Ze kwam bij een vrouw terecht die na een dag niet haar biologische moeder bleek te zijn. Zo’n ervaringen moeten toch zeer ingrijpend zijn?

“Zonder twijfel. Wie vanuit het buitenland geadopteerd is, weet nooit waar hij tijdens een rootsreis op zal stoten. Het is sowieso al moeilijk om onder ogen te zien dat je biologische ouders je hebben afgestaan. Al kan dat wel voor een deel gecorrigeerd worden als je in een gezin terechtgekomen bent waar ze je net heel graag wensten.

“Ik vraag me af waarom de biologische moeder zo snel uit beeld verdween. Misschien om te vermijden dat ze van adoptie zou afzien? Bij binnenlandse adoptie krijgen biologische ouders twee maanden bedenktijd. Een kind gaat dan eerst naar een pleeggezin of naar het adoptiegezin. De adoptieouders zijn er zich dan wel van bewust dat de kans bestaat dat ze het kind terug zullen moeten geven als de biologische ouders zich bedenken. Dat is heel hard, maar het geeft afstandsouders wel de kans om niet meteen na de bevalling een onomkeerbare beslissing te moeten nemen.”

 

We zien kinderen doorgaans als weerloze, onschuldige wezens. Zou het toch niet kunnen dat er af en toe ook gewoon echte ettertjes tussen zitten?

“(lacht) Ze worden soms ettertjes, want soms is de omgeving manipuleren de enige manier om voor zichzelf veiligheid te creëren. Kinderen hebben dan geleerd: ‘Als ik het zo aanpak, krijg ik mijn zin. Als ik braaf blijf zitten, heb ik niets.’ Alle kinderen worden geboren met een verschil in temperament. Er zijn hevige duiveltjes en rustige jongens en meisjes. De heftigere temperamenten lopen iets meer risico om in slechte omstandigheden uit te groeien tot moeilijke kinderen.”

 

De brave kindertjes lopen dan weer misschien het risico dat ze in hun kindertijd alles lijdzaam ondergaan en daar op latere leeftijd mentaal een prijs voor betalen.

“Dat klopt. De kinderen met een moeilijke achtergrond die het minst aandacht vragen, vind ik minstens even zorgwekkend. Een kind waarvan de ouders zeggen: ‘Hij is zo gemakkelijk.’ Kinderen die vallen en opstaan en verder wandelen zonder te huilen. Zij hebben geleerd om geen troost of hulp meer te vragen. Ze hebben elk contact met zichzelf verloren, weten niet meer wat ze interessant vinden en zijn daardoor soms extra vatbaar voor depressie. Als je niet als baby of peuter geleerd hebt om te tonen wat je nodig hebt, zal je in de lagere school bijvoorbeeld niet zo makkelijk gepassioneerd raken door hobby’s. Ze beginnen aan hun puberteit zonder te weten wat ze willen en raken afgesloten van hun eigen gevoelswereld. Die kinderen zullen niet zo snel vanwege wangedrag op school worden buiten gegooid omdat ze onder de radar blijven.”

 

(c) Jan Stevens

Eenzame wolf

Sinds 9/11 zit het fenomeen van de lone wolf-terrorist in de lift. “Het wordt er niet beter op”, voorspellen experts Mark Hamm en Ramon Spaaij. “Aanslagen plegen wordt steeds laagdrempeliger. Vroeger moest je nog een bom ineen knutselen. Nu volstaan een auto of een mes.”

 

De Amerikaanse criminoloog Mark Hamm en de Nederlandse socioloog Ramon Spaaij delen een passie: lone wolf-terrorisme. Samen legden ze er de grootste databank ter wereld over aan en ze schreven er ook samen het intrigerende boek ‘The Age of Lone Wolf Terrorism’ over. Ter voorbereiding voerde Hamm lange face to face-gesprekken met veroordeelde lone wolf-terroristen. “Dat was geen piece of cake”, zegt hij. “Het is gemakkelijker voor een gevangene om uit een Amerikaanse gevangenis te ontsnappen dan voor een criminoloog om er binnen te raken. (lacht) Mijn verzoek moest eerst via een paar ethische commissies passeren, vervolgens moest een heel leger advocaten er zijn zegen over geven. Het heeft me twee jaar gekost om toestemming te krijgen voor het interviewen van vijf gearresteerde lone wolves.”

 

Eén van die eenzame wolven is Oscar Ramiro Ortega-Hernandez, de man die in november 2011 een klungelige poging ondernam om de familie Obama in het Witte Huis om te brengen. Ik zag een filmpje op Youtube waarin hij een maand voor zijn mislukte aanslag zichzelf voorstelt als Jezus en op zijn knieën Oprah Winfrey smeekt om hem in haar show uit te nodigen.

Mark Hamm: “Onwaarschijnlijk, hé? De inmiddels 27-jarige Oscar Ortega-Hernandez is hét prototype van de lone wolf-terrorist. Als je hem ontmoet en met hem spreekt, krijg je het gevoel dat hij van een andere planeet komt. Af en toe leek het alsof hij waanbeelden zag. Er kwamen zinnen uit zijn mond die kant noch wal raakten. Zijn religieuze en politieke denkbeelden zijn compleet van de pot gerukt. De man gelooft écht dat hij de reïncarnatie van Jezus is. Net als bij zowat alle lone wolves heeft hij zijn emoties niet onder controle. Ortega-Hernandez kwam bij mij over als een raaskallende gek, al is dat misschien niet de juiste terminologie die een criminoloog in de mond moet nemen. (lacht)”

 

Hij hoort dus eigenlijk niet thuis in een gevangenis, maar eerder in een psychiatrische instelling?

Hamm: “Vermoedelijk wel, maar bij mijn weten is hij nooit psychiatrisch onderzocht. Wij hebben alvast geen enkel onderzoek teruggevonden. Ik interview terroristen in de gevangenis sinds de vroege jaren negentig en ze gedragen zich allemaal erg bizar. Ze koesteren heftige denkbeelden en uiten die ook op een ‘bevlogen’ wijze. Ze praten graag als orakels. Vaak zitten ze zwaar onder de pillen en moet je als ondervrager door die verdoving proberen door te dringen.”

 

Waar komt jullie fascinatie voor eenzame wolven vandaan?

Ramon Spaaij: “Lone wolves is zowat het enige dat Mark en ik gemeen hebben; Mark is een oude hippie en kon mijn vader zijn. (lacht) Geweld boeit mij mateloos. Mijn proefschrift ging over voetbalhooligans. Ik was zelf slachtoffer van geweld: op mijn achttiende werd ik door een jeugdbende zwaar mishandeld. Ze braken mijn armen en sloegen mijn tanden uit. Tot vandaag draag ik daar de littekens van. Ik ben een pacifist en heb een hartsgrondige hekel aan geweld, maar toch wil ik het begrijpen. Ik doceer sportsociologie aan de universiteiten van Melbourne en Amsterdam en raakte in 2007 ook betrokken bij Europees terrorisme-onderzoek. Toen het werk verdeeld werd en aan alle wetenschappers in de zaal gevraagd werd wie de lone wolf-terroristen wou onderzoeken, bleef het stil. Dat fenomeen interesseerde tien jaar geleden niemand in Europa. We kenden Unabomber Theodore Kaczynski en Olympic Park Bomber Eric Rudolph; verder reikte onze kennis niet. Lone wolf-terrorisme was iets typisch voor de VS en ver weg van ons bed. Ik was er wel door geïntrigeerd en dus stak ik mijn hand op.”

Hamm: “Net als Ramon heb ik een hekel aan geweld. Een paar collega’s aan de universiteit van Indiana voeren onderzoek naar seriemoordenaars en gaan die kerels in de gevangenis interviewen. Ik zou dat niet kunnen. Het geweld van lone wolves is meestal politiek of ideologisch gekleurd; dat lijkt toch anders dan moorden uit puur sadisme. Na mijn studies criminologie ging ik begin jaren zeventig uit idealisme aan de slag als cipier. Ik geloofde in rehabilitatie en re-integratie van gevangenen. Vrij snel kwam ik erachter dat het systeem zo niet werkt. Ik gaf mijn ontslag en keerde terug naar de universiteit. Voor mijn doctoraal onderzocht ik haatmisdrijven. Mijn interesse in lone wolf terrorisme dateert van de bomaanslag in Oklahoma City op 19 april 1995. Timothy McVeigh blies toen met een truck vol explosieven de Alfred P. Murrah Federal Building op en doodde 168 mensen.”

 

Was McVeigh een echte eenzame wolf? Hij kreeg bij de voorbereiding van zijn aanslag toch hulp van twee handlangers, Terry Nichols en Michael Fortier?

Hamm: “Ik heb twee boeken over de Oklahoma City Bombing geschreven. In het eerste nam ik de stelling van de overheid over dat McVeigh een onvervalste lone wolf was. In mijn tweede boek kwam ik daar op terug omdat toen duidelijk geworden was dat hij inderdaad hulp gekregen had.”

Spaaij: “Mark heeft in McVeighs rechtszaak getuigt als deskundige en heeft toen als allereerste geopperd dat het niet anders kon dan dat de man een handlanger gehad moest hebben. Dat bleek later te kloppen.”

 

Volgens voormalig FBI-directeur James Comey zouden we het beter over ‘lone rats’ hebben in plaats van over ‘lone wolves’.

Hamm: “(lacht) Comey is de enige die hen ooit zo genoemd heeft; wij verkiezen toch ‘lone wolves’. Lang bestond er onduidelijkheid over de definitie van wat een lone wolf-terrorist precies is. Moet hij echt in zijn eentje handelen? Kan het geen duo zijn of misschien zelfs een trio? Wij hebben ons daar ook lang het hoofd over gebroken en zijn net daarom verschillende zaken met vermeende lone wolves beginnen onderzoeken. Volgens onze definitie zijn het mensen die politiek geweld plegen zonder hulp van een tweede of derde partij. Ze zijn geen lid van een terreurgroep en ze zijn niet onderworpen aan een leider of hiërarchie. Ze handelen in hun eentje. Alle gevallen die beschreven staan in ‘The Age of Lone Wolf Terrorism’ passen in die definitie.”

 

Ze handelen dan misschien alleen, maar laten zich toch inspireren door anderen?

Hamm: “Dat is een zeer belangrijke nuance. Die kerels leven niet ergens in een grot in totale sociale afzondering. Ze hebben toegang tot boeken, films, internet en kunnen zo geïnspireerd raken door Al-Qaida, IS of de Ku Klux Klan. Achteraf blijkt heel vaak dat ze jarenlang karrevrachten materiaal downloadden van extremistische groeperingen. Er zijn ook heel wat lone wolves die materiaal verzamelden over de eenzame wolven die hen voorgingen. ‘Inspiratie’ is echt wel het sleutelwoord als je het fenomeen van het lone wolf-terrorisme wilt doorgronden. Hun grote voorbeelden zijn niet altijd tijdgenoten, maar kunnen ook historische figuren zijn, zoals Adolf Hitler. De planning en voorbereiding van hun acties doen ze altijd in hun eentje. Ze verzamelen hun wapens of materiaal om explosieven te maken alleen, ze observeren hun doelwit alleen en ze voeren hun aanslag ook alleen uit.”

Spaaij: “Een eenzame wolf handelt alleen, maar zijn omgeving oefent inderdaad grote invloed op hem uit. In het in 2006 verschenen boek ‘In iedereen schuilt een terrorist’ beschrijft psycholoog Roel Meertens hoe elke mens, ook jij en ik, kan uitgroeien tot terrorist. Alles hangt af van de omstandigheden waarin we terechtkomen. Als je bij een afgesloten sektarische club belandt waar een sterke groepsdynamiek heerst, is de kans extreem groot dat je radicaliseert. Dat klinkt zeer aannemelijk, maar hoe zit dat dan bij een eenzame wolf? Want hij is geen lid van een sekte of organisatie. Je kan de eenling nooit begrijpen als je zijn context niet kent. Dat vind ik best paradoxaal.”

 

Is James Alex Fields, de neonazi die op 12 augustus in Charlottesville een vrouw doodreed, een lone wolf-terrorist?

Spaaij: “We moeten altijd voorzichtig blijven en niet te snel labels op daders plakken, al zijn er in dit geval wel sterke aanwijzingen dat het om een lone wolf gaat. De aanslag in Charlottesville illustreert dat een eenzame wolf in een context opereert. Fields is een uitvergroting, een karikatuur bijna, van de bredere radicaal-rechtse beweging die allesbehalve gematigd is. Uit die brede beweging haalt de eenzame wolf zijn ideeën, om op een bepaald moment in zijn eentje een dodelijke raid uit te voeren. De aanslag in Charlottesville is geen toeval. Alt-right bloeit en zorgt voor een stevige voedingsbodem. In de jaren tachtig stond de pro life-beweging sterk; het was ook de periode waarin lone wolves aanslagen pleegden op abortusdokters en instellingen waar abortussen uitgevoerd werden. In de jaren zestig viseerden lone wolves Afro-Amerikanen. De lone wolf is een product van zijn tijd. Ook dat is paradoxaal: lone wolves zijn eenlingen, maar hun daden weerspiegelen verdomde goed de politiek-maatschappelijke conflicten van dat moment. Momenteel neemt de lone wolf-terreur onder impuls van IS in het Westen toe. Het is moeilijk te voorspellen hoe het verder zal evolueren, maar de aanslagen worden alleszins steeds laagdrempeliger. Een bom ineen knutselen of wapens kopen, hoeft niet meer. Een auto of een mes volstaan.”

 

Jullie hebben een database aangelegd van alle Amerikaanse lone wolf terroristen van 1940 tot halverwege 2016. Waarom alleen Amerikanen?

Spaaij: “Omdat het een opdracht was van het Amerikaanse National Institute of Justice. Timothy McVeigh zit er trouwens niét in omdat hij handlangers had. We waren héél strikt in wie er wel of niet in mocht.”

Hamm: “Onze database is de grootste ter wereld met 123 gevallen verspreid over 21 verschillende categorieën. We hebben er twee jaar intensief aan gewerkt. We zochten eerst naar gemeenschappelijke eigenschappen van lone wolves. We brachten alles in kaart: hun leeftijd, geslacht, opleiding, beroep, strafblad. Maar ook de tactieken die ze bij hun aanslag gebruikten, hun geestesgesteldheid, het soort wapens en hoe ze aan hun einde kwamen of gearresteerd werden. We draaiden elke steen om. Lone wolf-terrorisme blijkt vooral een mannenzaak te zijn; er zaten slechts vijf vrouwen tussen. Als je de internationale statistieken van lone wolf-terroristen erop naslaat, zal je merken dat Amerika sinds jaar en dag met vlag en wimpel aan de top staat. Dat neemt niet weg dat we voor ons boek ook een paar notoire buitenlandse gevallen onder de loep genomen hebben, zoals Anders Breivik. Europese eenzame wolven gedragen zich echt niet anders dan die van ons.”

Spaaij: “Het is gewoon een feit: de VS zijn wereldleider in lone wolf-terrorisme. De inval van de FBI in 1993 bij de Branch Davidians-sekte in Waco heeft daar een serieuze rol in gespeeld. McVeighs bomaanslag was een wraakactie voor die FBI-raid waarbij 76 sekteleden de dood vonden. Bij veel extremisten groeide nadien ‘het besef’ dat ze beter gedecentraliseerd te werk konden gaan. De in veiligheid gespecialiseerde denktank RAND Corporation omschrijft dat als ‘swarming on the battlefield’: net als bijen zwermen de lone wolves uit. Ze kunnen je van verschillende kanten aanvallen en je weet nooit welke bij zal steken. Je kan misschien één bij van je afslaan; alle andere blijven rondzoemen. In een hiërarchisch georganiseerde terreurgroep kunnen de veiligheidsdiensten infiltreren. Dat wordt al heel wat moeilijker bij een netwerkstructuur met allemaal los van elkaar staande cellen met als ‘summum’: de eenzame wolf.”

 

Heeft de overvloed aan eenzame wolven in de VS ook iets te maken met de liberale wapenwet?

Hamm: “Sure. Onze wapencultuur speelt een zeer grote rol. Het is opvallend dat sinds 9/11 zo goed als alle aanslagen uitgevoerd zijn met wapens en niet met explosieven. Het meest populaire wapen is de 9 mm Glock. In de VS kan iedereen overal wapens kopen. Het tweede amendement uit onze grondwet liegt er niet om: ‘The right of the people to keep and bear arms, shall not be infringed’. Dat is nu eenmaal Amerika: het land waar iedereen recht heeft op het dragen van een wapen. Dat recht geldt zelfs voor wie op een terreurlijst staat en door de politie en de inlichtingendiensten in de gaten wordt gehouden. De knotsgekke redenering van onze verkozen politici in het Congres is dat terreursympathisanten en –verdachten illegaal een wapen zullen kopen als het niet legaal kan. Waarom zou je hen dan verhinderen om er een te kopen in een wapenwinkel? Die totaal geschifte filosofie zorgt al jaren voor massaal veel bloedvergieten met schietpartijen op scholen, familiedrama’s en dodelijke raids. Ook ons ver doorgeslagen individualisme speelt een rol. Zelf je zaken oplossen en je plan trekken, behoort tot de kern van de Amerikaanse ziel. Onze Founding Fathers worden afgeschilderd als loners. Amerikanen stammen uit verschillende culturen en hebben samen de mythe gecreëerd van de eenling die zijn weg naar het succes baant. In zijn in 2000 verschenen boek ‘Bowling Alone’ beschrijft politicoloog Robert Putnam hoe het grove individualisme altijd al deel uitmaakte van wat het betekent om Amerikaan te zijn. Daar komt bij dat er in de VS een celebrity-cultuur heerst: we verafgoden outlaws. We bewonderen en bewieroken mensen die de wet aan hun laars lappen. We schrijven boeken over hen, verfilmen hun leven, maken er rocknummers over en verheffen hen zo tot iconen. Sinds 9/11 is er het Amerikaanse agressieve buitenlandse beleid bijgekomen waardoor we heel wat moslims tegen ons in het harnas gejaagd hebben. Onze bombardementen op moslimland en Abu Ghraib en Guantanamo hebben onze reputatie in de Arabische wereld een flinke knauw gegeven. Ook dat heeft het lone wolf-terrorisme een boost gegeven.”

Spaaij: “Eenzame wolven willen naam en faam maken. De Britse neonazi David Copeland ging de geschiedenis in als de London Nail Bomber. In april 1999 plaatste hij drie weekends achter elkaar zelfgemaakte spijkerbommen. Hij verwees daarbij naar zijn voorganger en inspiratiebron Eric Rudolph die in 1996 een bomaanslag pleegde bij de Olympische Spelen van Atlanta. Copeland voelde zich uitgesloten en een loser en zocht betekenis en zingeving. Toen hij zag hoeveel media-aandacht Rudolph met zijn aanslag kreeg, dacht hij: ‘Hé, ik woon hier vlakbij Brixton Market. Misschien kan ik daar een bommetje leggen, dan kom ik ook in de krant.’ Eenzame wolven vertonen vaak copycatgedrag. Abortusarts George Tiller werd twee keer slachtoffer van een aanslag door een lone wolf. De eerste aanslag in 1993 mislukte: toen vuurde Shelley Shannon een paar kogels door zijn armen. De tweede aanslag in 2009 overleefde Tiller niet: Scott Roeder joeg hem een kogel door het hoofd. Roeders inspiratiebron was Shelley Shannon. Copycatgedrag mag je echt niet onderschatten. Ik voer daar soms zeer interessante discussies met journalisten over, want hoe schrijf je over zo’n aanslag als je weet dat sommigen zich daardoor laten inspireren?”

Hamm: “Lone wolves willen hun bedoelingen kenbaar maken aan zoveel mogelijk mensen. Vroeger schreven ze brieven of e-mails. Nu posten ze hun intenties op Facebook of maken ze een Youtube-filmpje. Sommigen lichten op voorhand hun familie of vrienden in van hun plannen. In alle gevallen is er sprake van een gebeurtenis waardoor ze getriggerd worden om tot actie over te gaan.”

 

Die gebeurtenissen zijn soms zeer triviaal?

Hamm: “O ja. In het geval van Richard Poplawski was dat op 4 april 2009 zijn hond die in de woonkamer op de vloer geplast had. Hij werd ’s morgens wakker en zijn moeder begon tegen hem te zeuren over zijn plassende pitbull. Zij riep tegen hem, hij schreeuwde terug. De woordenwisseling werd heel bits en zijn moeder belde de politie. De agenten stapten het huis binnen in de veronderstelling dat ze zouden moeten bemiddelen in een huiselijke ruzie. Poplawski kwam gehuld in een kogelvrij vest en gewapend met een AK-47, een geweer en een revolver uit zijn slaapkamer en schoot drie agenten dood en verwondde drie anderen.”

 

Jullie maken een onderscheid tussen lone wolves vòòr en na 9/11.

Hamm: “De mega-aanslagen op de Twin Towers waren niet alleen een keerpunt voor de VS, maar voor het hele Westen. Sindsdien is terrorisme een groter probleem dan ooit tevoren, met ook veel meer slachtoffers dan ooit tevoren. Bomaanslagen zoals die in de jaren 80 en 90 gepleegd werden door Theodore Kaczynski of door Eric Rudolph werden na 9/11 zeldzamer. Het wapentuig werd gediversifieerd en lone wolves richtten hun aanslagen steeds meer op politieagenten en militairen. Wat nog opvalt: ze worden steeds jonger. Vòòr 9/11 waren er geen tieners onder de eenzame wolven. In 2002 boorde de 15-jarige Al-Qaida-sympathisant Charles Bishop zich met een sportvliegtuigje in het gebouw van de Bank of America in Tampa, Florida. In 2006 trok de 18-jarige neonazi Jacob Robida van staat tot staat en verwondde en vermoordde verschillende mensen. In 2013 probeerde de 17-jarige neonazi Derek Shrout een hogeschool op te blazen en in 2015 stak de 18-jarige IS-sympathisant Faisal Mohammad vier studenten neer op de universiteit van California.”

 

Hoe zit het met hun opleidingsniveau? Gaat dat ook in dalende lijn?

Hamm: “Er zijn er heel wat die hun middelbare schooldiploma gehaald hebben, maar er zijn ook veel drop-outs. Sommigen studeerden aan de universiteit. Unabomber Kaczynsky is een wiskundige en doceerde een paar jaar aan de universiteit van California. Nidal Hasan, de Fort Hood-schutter die in 2009 dertien militairen doodschoot en 30 anderen verwondde, was een psychiater. 40 % van alle lone wolf terroristen heeft in min of meerdere mate psychische problemen.”

 

Lone wolves hebben zeer uiteenlopende ideologieën. Sommigen zijn extreemrechts, anderen extreemlinks en nog anderen zijn jihadisten. Wat hebben ze met elkaar gemeen?

Hamm: “Het proces van radicalisering. Een van de belangrijkste kwesties die we bestudeerd hebben, is: hoe raakt iemand geradicaliseerd? Waarom omhelst hij extreme overtuigingen? Waarom besluit hij om tot actie over te gaan en om andere mensen in naam van zijn overtuiging te vermoorden? Aan de basis ligt vaak een mix van persoonlijke en politieke verbittering. Op een bepaald moment duiken er dan een of meerdere enablers op, ‘aanmoedigers’ die het pad effenen. Een van de meest beruchte enablers voor jihadistische lone wolves is Al-Qaida-ideoloog Anwar al-Awlaki. Hij is geboren in Amerika en oefende met zijn internetpreken zeer veel invloed uit op jonge radicaliserende moslims. Eind september 2011 werd hij in Jemen gedood door een Amerikaanse drone. Geen enkele lone wolf heeft Awlaki ooit in levende lijve ontmoet. Ze bezochten zijn moskeeën niet in Viriginia of San Diego waar hij rond de millenniumwissel imam was. Ze zijn hem ook nooit in Jemen gaan opzoeken toen hij daar leefde, maar hij beïnvloedde hen op zeer sterke wijze.

“Ik heb in de gevangenis lange gesprekken gevoerd met Quazi Nafis, de allereerste would-be-zelfmoordterrorist in de VS. Hij had in de zomer van 2012 plannen om zichzelf in naam van Al-Qaida op te blazen in de Federal Reserve Bank in New York, maar werd op tijd ontmaskerd door een undercoveragent van de FBI. Hij straalde één al depressie uit. Hij voelde zich een complete loser omdat zijn plan mislukt was. Hij had naar de preken van Awlaki over de dood en het hiernamaals geluisterd. De imam had hem het paradijs in vooruitzicht gesteld als hij zichzelf opblies.”

 

Hij voelt zich nu schuldig omdat hij dat moment gemist heeft?

Hamm: “Toch niet. In de gevangenis leerde Nafis redelijke moslims kennen: gevangenen die de islam op een doorsnee manier beleven. Door dagelijks met die mensen te praten, is hij beginnen inzien dat hij door Awlaki gehersenspoeld was.”

 

In Europa worden jihadisten in gevangenissen geïsoleerd gehouden vanwege het gevaar dat ze medegevangenen zouden radicaliseren.

Hamm: “Wij hebben in de VS ook drie gevangenissen waar jihadisten in isolement zitten uit angst voor besmetting. Maar dat is niet overal zo. Amerika telt 2,3 miljoen gevangenen in zeer uiteenlopende soorten gevangenissen. Een groot deel van die gevangenen hangt radicale ideologieën of religies aan. Het is bijna niet te doen om ze in elke gevangenis te segregeren van de rest. Nafis is nu een van die veroordeelde jihadistische terroristen die tussen de ‘gewone’ gevangenen leeft. Wat hem zo interessant maakt, is dat zijn medegevangenen hem hebben laten inzien dat hij gehersenspoeld was. Ik heb al veel conferenties over radicalisering en terreur overal ter wereld bijgewoond en telkens weer worden dan dure deradicaliseringsprogramma’s voorgesteld waarvan niemand weet of ze werken. Misschien loont het de moeite om eens wat dieper onderzoek te voeren naar het effect van gevangenen met een doorsnee moslimgeloof op jihadistische celgenoten zoals Nafis.”

 

Hebt u door met gevangen lone wolves te praten ook sympathie voor hen gekregen?

Hamm: “Sommigen hebben ontzettend veel berouw over wat ze gedaan hebben. Quazi Nafis is daar één van. Maar de meesten zijn nog steeds zeer gewelddadig en zitten vol woede. Ze voelen zich een slachtoffer omdat ze de rest van hun leven in een cel van drie op vijf meter moeten doorbrengen. Vaak zijn ze nog geen dertig en beseffen ze dat hun leven over is. Die existentiële angst kunnen wij ons niet voorstellen. Dat besef voedt alleen maar hun woede, walg en haat.”

 

Een van de grote voorbeelden van Sharia4Belgium, kweekvijver van piepjonge jihadisten en Syriëstrijders, was de Britse haatprediker Anjem Choudary. De man ronselde voor IS, maar was zo glad als een paling en wist lang uit de klauwen van justitie te blijven.

Spaaij: “Choudary is het typevoorbeeld van de enabler. Vaak wassen de aanmoedigers hun handen in onschuld: ‘Er is toch geen directe link tussen mijn preken en de actie van de dader? Ik predik haat en geen geweld.’ (lacht) Ondertussen voeden ze zonder scrupules het extremistische discours en schrijven zo het cultural script uit voor de lone wolf. Extreemrechts heeft ook zo zijn enablers, denk maar aan Richard Spencer van de white supremacist-denktank National Policy Institute en David Duke van de KKK. Heel belangrijk in de VS was de in 1978 verschenen roman The Turner Diaries van white supremacist en neonazi William Pierce. Maar er zijn ook mainstreamfiguren die zeer invloedrijk zijn zoals Alex Jones, een radicaalrechtse radio- en filmmaker en aanhanger van complottheorieën.”

 

Het internet bulkt van de samenzweringstheorieën.

Spaaij: “Eenzame wolven zijn er dol op. De verkiezing van Barack Obama tot president in 2008 was voor white nationalists de bevestiging van de samenzweringstheorie dat de overheid erop uit is om hun grondrecht op wapenbezit in te trekken. Ze zagen het ook als hét bewijs dat het blanke ras onderdrukt wordt. Richard Poplawski was zo iemand. Hij begon nog meer wapens in te slaan én grote voorraden munitie omdat hij verwachtte dat de politie zijn geweren in beslag zou komen nemen. Een plas hondenpis zorgde vervolgens voor een bloedbad. Een aanslag is het resultaat van de combinatie van motief, gelegenheid en middel. Het internet heeft dat allemaal enorm vergemakkelijkt. Neem het middel: op het internet vind je gemakkelijk handleidingen om met huis- tuin- en keukenapparatuur een bom in elkaar te knutselen. Geradicaliseerde jongeren vinden jihadistische inspiratie in onlinetijdschriften van IS zoals Dabiq en Rumiyah of in Inspire van Al-Qaida. De ideologische informatie die lone wolves op het internet vinden, werkt als een echokamer. Ze fixeren zich op hun favoriete samenzweringstheorieën en horen geen alternatieve geluiden meer.”

 

Mogen we president Donald Trump ook een enabler noemen? Hij was toch een van de ‘vooraanstaande’ figuren binnen de birther-beweging die beweerde dat Obama niet in Hawaï geboren was, maar in Kenia en daarom geen recht had op het Amerikaanse presidentschap?

Spaaij: “Zonder twijfel. De birther-beweging ondermijnde zo niet alleen de legitimiteit van Obama, maar van de hele Amerikaanse overheid. Trump speelde dat spel zonder scrupules mee.”

 

Mark Hamm & Ramon Spaaij, The Age of Lone Wolf Terrorism, Columbia University Press

 

(c) Jan Stevens

Wanneer adoptie zwendel wordt

Het Nederlandse onderzoeksprogramma Zembla bracht twee weken geleden een ophefmakende reportage over adoptiefraude vanuit Sri Lanka naar Nederland. Boosdoener was het in 2010 ter ziele gegane adoptiebureau Stichting FLASH. De Sri Lankaanse minister van Volksgezondheid bevestigde in de reportage het bestaan van babyfarms, kweekboerderijen voor adoptiekinderen. Een van de Sri Lankaanse contactpersonen van Stichting FLASH bemiddelde ook voor het Vlaamse adoptiebureau Ray of Hope en organiseert rootsreizen voor hen. “De alarmbellen hadden bij Ray of Hope al veel eerder moeten afgaan.”

 

In mei onthulde het onderzoeksprogramma Zembla op de Nederlandse openbare omroep een grootschalige adoptiefraude: van de duizenden baby’s die in de jaren tachtig vanuit Sri Lanka naar Nederland werden geadopteerd, bleek 70 % van de papieren vervalst te zijn. Grote spin in het fraudeweb was het in 2010 ter ziele gegane adoptiebureau Stichting FLASH. Hun plaatselijke contactpersonen hadden handenvol geld verdiend met de handel in kinderen. Over de redenen voor adoptie logen ze schaamteloos, de afstandsmoeders bleken niet de echte biologische moeders te zijn en geboortedata waren gewijzigd. Twee weken geleden zond Zembla het vervolg ‘Adoptiefraude 2’ uit, waarin journalisten Erwin Otten en Norbert Reintjens op onderzoek trokken naar Sri Lanka. In een ziekenhuis in de zuidwestelijke stad Matugama hoorden ze van verpleegkundigen dat er in de jaren tachtig pasgeboren kinderen verkocht werden voor adoptie. Een moeder wier baby volgens de artsen kort na de geboorte was overleden, vertelde hen dat een familielid had gezien hoe een dokter het kindje levend het ziekenhuis uitdroeg. Pasgeborenen werden bij hun moeders weg geroofd of voor een habbekrats gekocht en door valse afstandsmoeders of ‘acting mothers’ afgestaan voor adoptie. Een voormalige acting mother verklaarde dat ze voor haar diensten als nepafstandsmoeder door het ziekenhuis beloond werd met 2000 roepi (10 euro). De Sri Lankaanse minister van Volksgezondheid Rajitha Senaratne gaf voor de Zembla-camera voor het eerst het bestaan toe van babyfarms, plaatsen waar baby’s voor adoptie ‘gekweekt’ werden. Hij beloofde een diepgaand onderzoek en de oprichting van een bureau waar ouders en kinderen hun DNA kunnen laten testen. “Zo kunnen we makkelijk vaststellen of de moeder echt of nep is.”

Hardnekkige geruchten over babyfarms in Sri Lanka doen al sinds de jaren tachtig de ronde, maar werden door de overheid altijd staalhard ontkend. Een politie-inval in zo’n farm in de Sri Lankaanse hoofdstad Colombo eind januari 1987 zorgde er volgens minister Senaratne voor dat adoptie door buitenlanders tijdelijk verboden werd. De politie trof toen op een ommuurd domein 20 zuigelingen en 22 vrouwen aan. De vrouwen hadden hun baby’s voor een peulschil verkocht en werden door een kinderhandelaar in gevangenschap gehouden tot de adopties geregeld waren. De Zembla-reportage bracht ook aan het licht dat de adoptiefraude georganiseerd werd door een kleine groep van advocaten, dokters, verpleegkundigen en ambtenaren van de Sri Lankaanse kinderbescherming. Ze werkten nauw samen met Westerse adoptiebureaus en verdienden zo handenvol geld.

“In totaal gaat het om 11.000 kinderen die in de jaren tachtig door westerse koppels geadopteerd zijn”, zegt Zembla-onderzoeksjournalist Norbert Reintjens. “Daarvan kwamen er ongeveer 4000 in Nederland terecht. De rest ging naar Groot-Brittannië, Zweden en Duitsland.” Niet naar België? “Toch wel, alleen hebben wij daar geen cijfers over. Wij concentreerden ons tijdens ons onderzoek in de eerste plaats op Nederland. Al stootten we wel een paar keer op het Belgische adoptiebureau Ray of Hope.”

 

Touroperator

Ray of Hope (RoH) is een van de drie door de Vlaamse overheid erkende diensten voor buitenlandse adoptie. Als enige bureau regelde het tussen 1997 en 2011 adopties uit Sri Lanka, in totaal gaat het om 49 kinderen. Topjaren waren 2002 en 2003, toen RoH telkens 7 Sri Lankaanse kinderen liet adopteren. “De afgelopen vijf jaar waren er geen adopties uit Sri Lanka meer”, zegt coördinator Erika Van Beek. “Maar we hebben daar wel nog een contactpersoon voor eventuele nazorg of vragen over rootsreizen. De Sri Lankaanse overheid heeft zelf de procedure voor adoptie beëindigd omdat er voldoende mogelijkheden waren voor inlandse adoptie. De adopties die in Zembla ter sprake komen, dateren van voor de jaren negentig, toen RoH nog niet actief was. Wij zijn pas vanuit Sri Lanka beginnen adopteren van zodra in 1991 alles via de overheid verliep. Dat is toch compleet anders dan wat er in de jaren tachtig in Nederland gebeurde; toen verliep alles via advocaten. Babyfarms dateren ook van voor 1991. Die bestaan nu niet meer. Eind 2001 ondertekende Sri Lanka het internationale Adoptieverdrag van Den Haag en sindsdien werken ze helemaal volgens de regels.”

Over adoptiefraude of kinderhandel vanuit Sri Lanka weet Erika Van Beek naar eigen zeggen niets. Al schrok ze wel toen ze in mei de eerste Zembla-reportage over de grootschalige adoptiezwendel naar Nederland zag. “Ik belde toen onze contactpersoon in Sri Lanka; ik wou weten of er risico bestond voor onze adopties. Hij verzekerde me dat alles oké was.”

De contactpersoon van Ray of Hope in Sri Lanka is Sunil Wijewardena. “Hij is touroperator”, zegt Erika Van Beek. “Hij begeleidt mensen op rootsreizen en was onze tussenpersoon bij de adopties. De overheid wees kindjes toe en hij begeleidde de adoptieouders als ze ter plaatse kwamen. Hij haalde ze op in het hotel, reed met hen naar het weeshuis en hielp de papieren in orde brengen.”

De adopties regelde RoH rechtstreeks met de Sri Lankaanse overheid? Erika Van Beek: “Sunil ging daarvoor langs bij de overheid; de papieren die hij kreeg waren officieel.”

Sunil Wijewardena en zijn broer Gamini werkten al van in de jaren tachtig voor de in opspraak gekomen Nederlandse Stichting FLASH. “In de aflevering van Adoptiefraude uit mei van dit jaar zit een stukje van een oude reportage uit de actualiteitenrubriek Tros Aktua die uitgezonden werd op 4 januari 1983”, zegt Norbert Reintjens. “In de oorspronkelijke Tros Aktua-reportage zie je de nog jonge Sunil samen met zijn broer Gamini aan het werk voor FLASH. Wij wilden de gebroeders in Sri Lanka voor de tweede aflevering van Adoptiefraude opzoeken, maar ze gaven niet thuis. De namen van Sunil en Gamini komen vaak voor in adoptiedossiers die wij hebben gezien. Ze zijn allebei al lang betrokken bij adopties. Sunil richtte samen met de Nederlander Erik Kuiken de nog maar onlangs opgedoekte Stichting Santhosa op die rootsreizen organiseerde naar Sri Lanka. Kuiken was van 2004 tot 2009 voorzitter van Stichting FLASH.”

De alarmbellen hadden al veel eerder bij Ray of Hope moeten afgaan? Norbert Reintjens: “Zonder twijfel.”

“Sunil heeft voor de stichting Santhosa mensen op rootsreis begeleid”, bevestigt Erika Van Beek. “Maar ik weet niet of hij ooit voor Stichting FLASH gewerkt heeft.”

Sunil Wijewardena is volgens de man aan de andere kant van de lijn in Sri Lanka niet thuis. “Over Stichting FLASH of Ray of Hope weet ik niet veel, Sir. Ik vraag Sunil om u terug te bellen.” Wanneer is hij te bereiken? “Hij is een tijdje weg, Sir, maar ik beloof u: ooit belt hij u terug.”

De vzw Ray of Hope werd in 1994 als Children’s Welfare Adoption opgericht. In juli 2003 schreef het magazine Knack dat RoH van in het begin de ene negatieve evaluatie na de andere opstapelde. Na een reportage op Telefacts over door RoH geregelde adopties in Vietnam, verloor de organisatie in december 2002 haar erkenning. RoH trok naar de Raad van State en kreeg in maart 2004 gelijk. “Dat dateert van ver voor mijn tijd”, zegt Katrien Schryvers, sinds 2014 voorzitter van de raad van bestuur van Ray of Hope. Schryvers is daarnaast ook Vlaams parlementslid voor CD&V en ondervoorzitter van de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. “De betrouwbaarheid van plaatselijke contactpersonen is essentieel als het over adoptie gaat”, zegt ze. “Voor een adoptiebureau is het lastig om daar van hieruit 100 procent zekerheid over te krijgen. Buitenlandse Zaken zou daarom ook initiatief voor die screening moeten nemen. Ik heb dat onlangs voorgesteld aan het parlement. Ik zal nu aan de andere leden van de raad van bestuur vragen om een onderzoek in te stellen naar de contactpersoon in Sri Lanka, want het kan niet dat hij nog rootsreizen voor adoptiekinderen organiseert als er twijfel bestaat over zijn integriteit.”

 

Babyboerderij

Volgens de Zweedse antropoloog met Sri Lankaanse roots Daniel Cidrelius werden er tussen 1964 en 1994 welgeteld 281 kinderen door Belgen geadopteerd. Dat cijfer kreeg hij in 2013 van het Sri Lankaanse ‘Department of Probation and Child Care Services’. In maart 1982 verscheen in het Britse tijdschrift New Internationalist een van de eerste artikels over babyfarms in Sri Lanka. Volgens de Sri Lankaanse auteur T.B. Peramunetilleke waren van de 642 baby’s die een jaar eerder door buitenlanders geadopteerd waren, slechts negen adopties op een koosjere manier verlopen. “Adoptieouders betalen 5000 dollar voor hun baby, waarvan de moeder 50 dollar overhoudt. De rest gaat naar de ‘bemiddelaars’, professionals met uitstekende connecties met buitenlanders, waarvan sommigen moeders inhuren voor de productie van baby’s.” Peramunetilleke wees met een beschuldigende vinger naar verplegers en dokters in ziekenhuizen: “Zij spelen go-between tussen de kopers en de moeders.” Hij somde ook de landen op die ‘gekweekte’ baby’s aankochten: “Zweden, Nederland, Noorwegen, Italië, de VS, Canada en België.”

Suleika Van der Jeugdt werd eind 1986 als baby uit Sri Lanka geadopteerd door Vlaamse ouders. Tien jaar geleden reisde ze terug naar haar geboorteland, op zoek naar haar biologische mama. “Mijn officiële geboorteakte bevatte foute informatie”, zegt ze. “Sommige dingen waren slecht in het Engels vertaald, maar er stonden ook feiten op die gewoon niet klopten, zoals de naam van mijn biologische mama.”

In Sri Lanka klopte Suleika eerst bij de overheid aan voor hulp om haar moeder te vinden. “Dat draaide op niets uit. Dus reisde ik door naar de regio waar ik volgens mijn geboorteakte vandaan kwam. Ik sprak er lokale mensen waarvan ik hoopte dat ze zich nog iets konden herinneren van de jaren tachtig. Ik ging eerst langs in het kleine ziekenhuis van Kiriella, een klein dorp in de jungle.” Kiriella ligt 45 km. ten noorden van Matugama, de stad waar Zembla getuigenissen over adoptiefraude verzamelde. “De directie verwees me door naar een man die in de jaren tachtig de adopties regelde. Ik zocht hem op in zijn huis diep in de jungle. Hij beweerde dat hij mijn biologische moeder niet kende en dat hij niets over adopties wist. Na veel omwegen ontmoette ik eindelijk een vrouw van wie ik dacht dat zij mijn mama was. Dat was een emotioneel ‘weerzien’, maar na een dag samen, was het voor mij duidelijk dat zij mijn biologische moeder niet kòn zijn.”

Geloofde die vrouw eerst echt dat Suleika haar dochter was, of speelde ze toneel? Suleika Van der Jeugdt: “Ze had een kind afgestaan in dezelfde periode. Ik keerde terug naar het ziekenhuis, waar ze me opnieuw naar de man diep in de jungle verwezen. Ook andere contacten verzekerden me dat hij degene was die adopties geregeld had. Ik zocht hem een tweede keer op en uiteindelijk gaf hij dik tegen zijn zin toe dat hij indertijd de fixer was.” De naam van de man mag niet in de krant. “Alle Sri Lankanen weten dat adoptie in de jaren tachtig een louche affaire was. Het zijn trotse mensen die het verschrikkelijk vinden dat moeders hun kinderen moesten afstaan. Die man verdiende grof geld met adoptie en wil nu anoniem blijven, omdat hij bang is dat families wraak op hem zullen nemen. Mijn adoptie was indertijd geregeld door het bureau National and International Adoption Organisation (NIAO). Dat verliep niet al te vlot. Mijn adoptieouders werden eind november 1986 door NIAO verwittigd dat er een boorling op hen lag te wachten in Sri Lanka. Ze vertrokken spoorslags en bij aankomst kregen ze een kind van twee jaar en een half aangeboden. Mijn mama schrok en protesteerde, waarna ze op zoek gingen naar een boorling. Dat was ik dus; ik was maar dertien dagen oud. Tijdens haar zwangerschap woonde mijn biologische mama bij het gezin van de man in de jungle. Daar is ze ver van haar familie bevallen. Een paar dagen later werd haar gevraagd of ze mij wou afstaan. Zij heeft daar geen cent voor gekregen; alles verdween in de zakken van de adoptiefixer. Mijn adoptiemama heeft mijn biologische mama op het moment van mijn overdracht ontmoet en haar kleren en schoenen gegeven. Via de fixer heb ook ik haar uiteindelijk gezien. Ze spreekt geen Engels, waardoor het nu moeilijk is om van op afstand contact te blijven onderhouden.”

Suleika Van der Jeugdt is een van de weinige adoptiekinderen uit de jaren tachtig met Sri Lankaanse roots die op zoek ging naar haar afstandsmoeder. “Voor wie via een weeshuis geadopteerd is, is het sowieso een onmogelijke opdracht, want veel officiële documenten zijn verdwenen of nooit ingevuld. Op mijn geboorteakte stond dan wel een foute naam van mijn biologische mama; ik had tenminste toch iets als aanknopingspunt.”

Het adoptiebureau National and International Adoption Organization was opgericht in september 1983 en gevestigd aan de Kortrijksesteenweg in Gent. Suleika Van der Jeugdt: “Het is een tijd na mijn adoptie in duistere omstandigheden verdwenen.” Volgens het boekje ‘Adoptie, een praktische handleiding’ van uitgeverij Die Keure uit 1990 was NIAO gespecialiseerd in adopties uit Guatemala, Haïti, India, Columbia, Brazilië, Costa Rica, El Salvador, Nicaragua en Sri Lanka. De te adopteren kinderen zouden allemaal uit weeshuizen stammen en hun leeftijd zou variëren van 7 maanden tot 10 jaar. Een adoptiedossier opstarten, kostte 45.000 frank (1.115 euro). Adoptieouders die ‘niet geselecteerd’ werden, waren dat geld sowieso kwijt. Aan een Sri Lankaans adoptiekind hing een bijkomend prijskaartje van 250.0000 frank (6.200 euro) met daarnaast alle bijkomende kosten voor ‘onderzoeken’ en ‘reis en procedure herkomstland’. Het gsm-nummer van de vroegere directrice van NIAO is afgesloten; verzoeken via mail voor meer informatie blijven onbeantwoord.

 

(c) Jan Stevens

‘We mogen het belang van voeding niet overdrijven’

Met de net aan het grote publiek voorgestelde nieuwe voedingsdriehoek trokken we naar de Nederlandse professor Sander Kersten, topexpert in voeding en gezondheid. ‘Jammer dat er geen rekening mee gehouden wordt dat mensen ook nog mogen genieten.’

 

Twintig jaar lang gold de actieve voedingsdriehoek van het ‘Het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie en Ziektepreventie’ (VIGeZ) als de solide basis voor elk voedingsadvies. De voedingsdriehoek gaf weer wat elke Vlaming ouder dan zes dagelijks zou moeten eten om gezond door het leven te gaan. Tezelfdertijd toonde de actieve driehoek ook hoeveel beweging we per dag minimaal nodig hebben. Sinds 6 september staat VIGeZ voor het vlotter bekkende ‘Vlaams Instituut Gezond Leven’ en op 19 september presenteerde het een remake en update van zijn klassieker. De actieve voedingsdriehoek bestaat voortaan uit twee: de voedings- en de bewegingsdriehoek. Terwijl de oude actieve voedingsdriehoek vooral als educatief hulpmiddel bedoeld was voor gezondheidsprofessionals, richten de nieuwe driehoeken zich op alle Vlamingen. De nieuwe voedingsdriehoek staat op zijn kop, met de punt wijzend naar beneden, en rangschikt alles wat we eten volgens het effect op onze gezondheid. Hoe hoger een voedingsmiddel in de driehoek prijkt, hoe belangrijker het is. Bij de actieve voedingsdriehoek was dat net omgekeerd. In de aparte bewegingsdriehoek is veel aandacht voor het sedentaire, zittende bestaan van de moderne mens. Hij geeft weer hoeveel, hoe vaak en hoe intens we best dagelijks en wekelijks bewegen en port lange stilzitters ertoe aan om elk half uur de benen te strekken.

Het VIGeZ ging voor de samenstelling van zijn nieuwe voedings- en bewegingsdriehoek naar eigen zeggen niet over één nacht ijs en consulteerde een uitgebreide groep Vlaamse experts gezonde voeding, beweging en sedentair gedrag. Daarnaast werden de driehoeken uitgebreid getest bij een panel van 300 Vlamingen.

Knack trok met de kersverse voedings- en bewegingsdriehoek naar de universiteit van het Nederlandse Wageningen en legde ze ter beoordeling voor aan Sander Kersten, professor moleculaire voeding en specialist in eten en gezondheid. ‘In Nederland werken we met een schijf in plaats van met een driehoek’, zegt hij. ‘We hebben die “de schijf van vijf” gedoopt. De vorm is anders, maar de inhoud en de boodschap zijn ongeveer hetzelfde. Zowat elk land heeft zijn versie, vaak is dat een cirkel, maar ook heel vaak een piramide of driehoek, of een omgekeerde driehoek zoals bij jullie. De nieuwe Vlaamse voedingsdriehoek is eenvoudig en helder, wat je niet van bijvoorbeeld de Engelse Food Pyramid kan zeggen: die zie er best ingewikkeld uit. Op jullie voedingsdriehoek zie ik in één oogopslag wat ik best “meer” en “minder” eet. De symbooltjes weerspiegelen heel goed de klasse van voedingsmiddelen waar ze voor staan. En dan is er die rode cirkel buiten de driehoek met alle voedingsmiddelen die we best zo weinig mogelijk nuttigen.’

 

Zitten er fouten of vergissingen in?

Kersten: Nee, de voedingsdriehoek is correct. Er staan geen voedingsmiddelen op verkeerde plekken en er zijn er ook geen vergeten. Voor Vlamingen is het natuurlijk bijzonder jammer dat de frietjes, de wijn en het bier in de rode cirkel staan, maar dat is nu eenmaal de weerspiegeling van de realiteit. (lacht)

 

Vroeger konden een of twee glazen alcohol per dag nochtans geen kwaad.

Kersten: Het idee dat we alcohol met mate mogen consumeren, is achterhaald. Want wat is ‘met mate’? Voor de een is dat een half pilsje, voor de ander zijn dat drie sherry’s in de namiddag. Bovendien strookt matig alcoholgebruik niet met de wetenschappelijke kennis. Eigenlijk is alcohol puur vergif. Lang gold ‘een klein beetje alcohol’ als het uitverkoren scenario: 1 à 2 glazen was ideaal. Nu weten we dat dat niet zo is. De statistieken die ‘bewijzen’ dat 1 of 2 glazen gezond zijn, zijn vertekend. Er wordt dan vergeleken met mensen die helemaal niets drinken, maar geheelonthouders drinken vaak niet omdat ze een drankprobleem hebben en bij de AA zijn. Die mensen sterven iets eerder dan gematigde drinkers, niet omdat ze geen alcohol meer drinken, maar omdat ze een voorgeschiedenis van drankmisbruik hebben.

 

Toch adviseren veel huisartsen nog vaak aan hun patiënten dat een glas rode wijn per dag gezond is.

Kersten: Gezond is het niet, maar een glas drinken, kan wel aangenaam zijn. Alle aanbevelingen van de voedingsdriehoek vertrekken vanuit de volksgezondheid op lange termijn, terwijl het eigenlijk ook zou moeten gaan over ons leven op de korte termijn. Dus niet alleen over zo gezond mogelijk oud worden, maar ook over hoe we ons hier en nu voelen. De voedingsdriehoek laat dat perspectief los. Dat is begrijpelijk, maar ook gevaarlijk, want voeding is meer dan alleen het consumeren van producten die ervoor zorgen dat je oud en gezond wordt. Voeding is ook genot.

 

Daar is in de voedingsdriehoek geen spoor van terug te vinden?

Kersten: Nee, en daar maak ik me zorgen over. De balans tussen genot op korte termijn en gezondheid op lange termijn is niet in evenwicht. Het is een euvel waar alle soortgelijke piramides, driehoeken en schijven aan lijden: ze focussen zich enkel op die lange termijn. Bovenaan staat nu prominent: ‘Drink vooral water’, maar wat is er saaier dan water? Door bier, wijn, koekjes, chips en friet apart in een rode cirkel te plaatsen met als tekst: ‘Zo weinig mogelijk’, straalt de driehoek een streng ontmoedigingsbeleid uit. Terwijl dat nu net die middelen zijn die mensen vaak samen consumeren en die hen plezier bezorgen. Dat is zéér belangrijk voor onze mentale gezondheid.

 

Naast de voedingsdriehoek is er ook de bewegingsdriehoek waarin uitgebeeld staat hoe vaak en intens we moeten bewegen.

Kersten: Met de boodschap dat zoveel mogelijk bewegen goed is, is niets mis. Maar nu staat zeer expliciet en mathematisch uitgebeeld hoe je elke dag moet bewegen en hoe vaak. Ik vind dat nogal betuttelend.

 

Waarschijnlijk is dat een reactie op de waarschuwing van sommige wetenschappers dat stilzitten het nieuwe roken is?

Kersten: Die waarschuwing is overdreven. Het effect van roken is véél groter dan het effect van stilzitten. Natuurlijk is bewegen goed voor je bottensysteem en voor je hart- en vaatstelsel. Vroeger werd er vooral de nadruk op gelegd dat we meer moesten sporten, nu ligt de nadruk op bewegen en op onderbreken van het zitten, of op ‘breaking sedentary time’. Sommige collega’s van mijn departement hebben een bureau waaraan ze rechtstaand werken. Ikzelf niet: ik vind dat niet prettig en kan me dan niet goed concentreren. Mijn collega’s geven toe dat rechtstaand werken niet altijd vanzelfsprekend is. E-mails lezen en beantwoorden, lukt nog, maar als ze echt ergens diep moeten induiken, verlangen ze naar een stoel. De collega’s met een verhoogd bureau zijn ook degenen die al twaalf uur per week intensief sporten en dat dus eigenlijk niet nodig hebben. (lacht)

Ik vraag me af hoe sterk jullie nieuwe bewegingsdriehoek wetenschappelijk onderbouwd én getoetst is. Ik vrees dat dat niet het geval is, maar dat er naar een praktische en toegankelijke vertaling gezocht is van de literatuur die rond bewegen bestaat. Het gedrag van mensen veranderen, is trouwens heel erg moeilijk. In brede zin weten we perfect wat gezond eten is. Er zijn een paar kleine nuances waar vooral in populaire media zwaar over geredetwist wordt, maar over de algemene principes zijn we het eens. Het is alleen een hele uitdaging om vooral die medeburgers te overtuigen voor wie een gedragsverandering heilzaam is. Hoe bereik je met je voedings- en bewegingsdriehoek de mensen die in de supermarkt hun karretje enkel volgooien met frisdrank, bier, worst en chips? Die kom je misschien niet meteen tegen in het rijke, hippe deel van de stad, maar ze zijn er wel. Stel dat jij tot een subcultuur behoort waar een dagelijks dieet op basis van producten uit de rode cirkel gemeengoed is. De dag dat je besluit om enkel nog gezond te eten, ben je de snob van het gezelschap. Van zodra je dan op een feestje wortels, broccoli en selderstengels serveert in plaats van chips en zoute pinda’s, krijg je gegarandeerd tonnen gezeik over je heen. Dat doe je daarna nooit meer. (lacht) Sociale druk is immens. Mijn collega’s zijn heel bewust met voeding en gezondheid bezig. Toch betwijfel ik of ze enthousiast zullen zijn als ik ze op mijn verjaardag trakteer met selderstengels, bloemkoolroosjes, wortelreepjes en radijsjes.

 

De makers van de nieuwe voedingsdriehoek stellen dat ze niet alleen rekening gehouden hebben met onze gezondheid, maar ook met milieuaspecten.

Kersten: Duurzaamheid staat tegenwoordig centraal. Een gezond leven is een duurzaam leven, maar het is heel moeilijk om in de hele berekening de impact op het milieu mee te nemen. Er wordt steeds meer onderzoek naar gevoerd, maar dat loopt niet van een leien dakje. Want wat eten we het beste als we de aarde willen sparen?

 

Rood vlees alvast niet: dat staat helemaal onderaan.

Kersten: Er is berekend hoeveel energie er nodig is om één kilo rundvlees te produceren. Een entrecote komt daar inderdaad zeer ongunstig uit, gehakt rundsvlees scoort dan weer beduidend beter. Op de plaatjes wordt altijd de entrecote getoond, want die spant de kroon. Koeien scoren extreem slecht, maar wist je dat de productie van een krop sla veel meer energie vreet dan die van een stronk broccoli? Als je de milieuaspecten echt goed in rekening wil brengen, moet je naast energie ook naar onder andere landgebruik en pesticiden kijken. Dan wordt het een zeer ingewikkelde berekening.

 

Het zou dus wel eens kunnen dat als we die duurzaamheidsberekening echt goed maken, we de nu zo geprezen appel en peer een vak moeten laten zakken omdat de boer te veel pesticiden gebruikt?

Kersten: Ik denk inderdaad niet dat dat soort van details in deze driehoek verwerkt zijn. Het uitgangspunt is ‘plant based’: ‘De productie van plantaardige voeding kost sowieso minder energie dan dierlijke.’ Maar het zou me echt verwonderen dat er ook rekening gehouden is met bijvoorbeeld pesticiden, om de eenvoudige reden dat de verzamelde kennis daarover nog pril is.

 

Hoe zit het met vis? Op de driehoek staat hij in het midden, maar hoort hij daar wel als we alle milieuaspecten in rekening brengen?

Kersten: Vis is lastig, omdat het een product van extremen is. Als we het leegvissen van de zeeën in rekening brengen, blijft er qua duurzaamheid niet veel over. De gezondheidsdriehoek kan dus niet anders dan enkel kweekvis propageren. Voor onze gezondheid is het consumeren van vis in het algemeen gunstig. Alle gezonde diëten bevatten vis in kleinere hoeveelheden, denk maar aan het geroemde ‘Mediterranean diet’. Op deze driehoek wordt vis herleid tot een soort eenheidsworst en wordt er geen link gelegd met hoe de vissoorten geproduceerd worden. Er staat maar één visje.

 

Er zijn toch ook grote problemen met kweekvis? Pangasius wordt in Azië in niet al te hygiënische omstandigheden gekweekt, tilapia staat stijf van het toegediende testosteron en gekweekte zalm van de antibiotica.

Kersten: Dat klopt, en er wordt vaak ook water bijgespoten om het gewicht op te drijven. Dat gebeurt trouwens ook bij andere dieren. Ken je de plofkip? Dat is een kuiken dat in een paar weken kunstmatig wordt vetgemest tot een vleeshomp van een paar kilo. Het zou me verbazen dat de voedingsdriehoek rekening houdt met al die uitwassen van onze industriële vlees- en groenteproductie.

De driehoek beveelt aan om dierlijk voedsel zoveel mogelijk in te ruilen voor plantaardig, zoals groenten, fruit, volle granen, peulvruchten en noten. Dat advies is zeer algemeen en niet geïndividualiseerd. Het vertrekpunt is: welke voeding levert de Vlaamse bevolking in het algemeen op lange termijn het minste kans op chronische ziektes zoals hart- en vaatziekten en kanker op? Terwijl de keuze van voeding tegenwoordig steeds meer gepersonaliseerd wordt. Als je allergisch bent aan noten, laat je die best links liggen. Als je volle granen slecht verteert en er hevige buikpijn van krijgt, is het onverstandig om ze gretig te consumeren. Ook daar houdt de voedingswijzer geen rekening mee en dat is voor veel mensen best lastig. Ze hebben het gevoel dat de overheid hen regeltjes opdringt: ‘U moet dit, u moet dat.’ We vinden dat niet prettig omdat we in een vrije samenleving leven waarin we zelf mogen beslissen wat we willen. De voedingsdriehoek gaat daar tegenin, ook al is hij dan vrijblijvend. We lezen hem als een ‘verplichting’ en voelen de weerstand opborrelen. ‘Daar komen ze weer vertellen wat ik moet doen.’

 

Boter wordt in de nieuwe voedingsdriehoek helemaal naar onderen verbannen, bij het rode vlees. Plantaardige olie staat bovenaan, bij de gezondste producten. In de vorige driehoek werden boter en plantaardige olie nog in één groep afgebeeld. Is boter terecht gedegradeerd?

Kersten: De laatste jaren is er flink wat oppositie gevoerd tegen de status van boter als ongezond product. Toch blijft het merendeel van de wetenschappers ervan overtuigd dat plantaardige olie beter is: onverzadigde vetten zijn gezonder dan boter met zijn verzadigde vetten. Die gedachte blijft overeind. Al zijn er vandaag heel wat journalisten die ervan overtuigd zijn dat boter ondertussen gerehabiliteerd is en daar ook zo over schrijven. Ik lees die artikels en denk: hoe komen ze erbij?

 

Het VIGeZ schrijft in haar toelichting: ‘De voedingsdriehoek geeft de voorkeur aan voeding die weinig of niet bewerkt is, zoals vers fruit in plaats van fruitsap of volkoren brood in plaats van wit brood. Voedingsmiddelen die overbodig zijn en in sommige gevallen zelfs bewezen ongunstig voor de gezondheid worden expliciet buiten de driehoek in de rode bol geplaatst. Het gaat vaak om zogenaamde “ultrabewerkte” producten rijk aan toegevoegde suiker, vet of zout.’

Kersten: Bewerkte voeding is een hot item, al wordt de discussie vaak zwart/wit gevoerd. De voedingswaarde van producten die de fabriek uitkomen, is zelden verbeterd. Neem melk: daar wordt kaas van gemaakt, heel lekker, maar daar is wel een hele sloot zout aan toegevoegd. Neem brood: daarvan denken we ook dat het niet bewerkt is. Maar ook daar wordt bij het gezonde bestanddeel graan een fikse hoeveelheid zout toegevoegd. En dat terwijl we sowieso al veel te veel zout naar binnen krijgen. Als je thuis tomatensaus maakt, zijn dat pure tomaten. Als je die in blik of een bokaal in de winkel koopt, krijg je er flink wat zout én suiker bovenop. Heel vaak komen er bij voedingsmiddelen die de fabriek passeren, ingrediënten bij die je kunt missen als kiespijn, en verdwijnen er noodzakelijke bestanddelen zoals vezels. Ondertussen is er een tegenbeweging op gang gekomen die terug wil naar de goede oude tijd van het onbewerkte voedsel. Ze telen zelf hun aardappelen en shoppen in de biowinkel. Voedseltechnologen kijken daar toch ietwat meewarig naar. “Dankzij Louis Pasteur bewerken we ons voedsel al 150 jaar”, zeggen zij. Het proces van pasteuriseren maakte het inderdaad mogelijk om voedsel langer te bewaren. Een wereld zònder bewerkt voedsel is een illusie, tenzij je ergens op het platteland woont en een grote moestuin hebt. Maar een inwoner van Londen of Singapore heeft daar geen boodschap aan.

De makers van de voedingsdriehoek verwijzen naar de ‘ultrabewerkte’ producten. Ze zeggen: ‘Vermijd ze. Ze zijn overbodig en slecht voor je gezondheid als je er te veel van eet.’ Maar zijn die zogenaamde ‘ultra-pocessed foods’ echt minderwaardig? Voor frisdrank is het duidelijk: dat bevat bijna uitsluitend suiker. Aan een shot pure suiker heeft niemand behoefte, behalve misschien als je net de marathon gelopen hebt. Dorst lessen kan met water, dus frisdrank hoort terecht thuis in de rode cirkel. Maar wat met een koekje, ook één van die zogenaamde ultra-processed foods? Je kan onbewerkte havermout kopen, er wat onbewerkte honing en een beetje plantaardige olie aan toevoegen en zelf je koekjes bakken. Zijn dat dan ook ultra-processed foods? Of geldt dat alleen voor bijna identieke koekjes die keurig verpakt uit de fabriek komen?

 

In de fabriek worden koekjes volgepompt met E-nummers.

Kersten: Wetenschappers maken zich in tegenstelling tot de rest van de samenleving niet zoveel zorgen over die E-nummers. Ze zijn veilig, net daarom zijn ze toegelaten. Toch vertrouwen veel burgers ze al dertig jaar niet. ‘E300’ klinkt bedreigend en gevaarlijk, terwijl het gewoon vitamine C is. Zet ‘vitamine C’ op de verpakking en plots is het gezond.

 

Melk wordt in deze voedingsdriehoek nog steeds beschouwd als een witte motor. Terecht? Sommigen noemen melk een witte sloper.

Kersten: Melk is een volwaardige drank, rijk aan calcium, vitaminen en eiwit. Een aantal mensen staan argwanend tegenover melk, omdat ze het gevoel hebben dat die drank door belangenorganisaties gepusht wordt. In Nederland krijgen kinderen op school melk en veel mensen vermoeden daar een verborgen agenda van de zuivelindustrie achter. Maar wat komt er in de plaats als je de schoolmelk afschaft? Vruchtensap en frisdrank in allerlei vormen en maten die enkel uit suiker bestaan. Dan is melk toch geen foute keuze?

Je kan ook zeggen: weg met die melk en drink water. Daar zijn goede argumenten voor. Overgewicht is een groot probleem in onze samenleving. De oorzaak is heel simpel: mensen eten te veel en krijgen te veel energie binnen. Suikerrijke dranken leveren daar onevenredig toe bij omdat ze zo makkelijk naar binnen te gieten zijn. Je kan als gezond alternatief appels naar voor schuiven, maar dan moeten mensen kauwen en daar zien ze tegenop. Water is dan een verstandig alternatief. Op sommige scholen worden leerlingen ertoe aangezet om enkel nog water te drinken. Dat zorgt soms voor verzet van ouders die zich in de krant boos afvragen: ‘Wat is er mis met een brikje vruchtensap?’ Dat doet mij denken aan de inmiddels totaal achterhaalde discussie die vroeger gevoerd werd over roken op school. En ja, wie weet, wordt het binnen afzienbare tijd heel gewoon om op school in plaats van melk of frisdrank enkel nog water te drinken. Nu denken we: ‘Bizar, die balk bovenaan de voedingsdriehoek met dat opschrift: “Drink vooral water.”’ We voelen weerstand, maar net als aan het rookverbod in cafés zullen we wellicht ook daaraan wennen.

 

Dreigen we toch niet in een samenleving terecht te komen waarin iemand die een vettige hamburger eet, net als een roker met een scheef oog bekeken wordt?

Kersten: Misschien wel. Dat geldt zeker voor alcohol: het zou best kunnen dat een glas bier of wijn binnen een paar jaar de status krijgt van een sigaret. Ikzelf vind het een eng vooruitzicht om bij het nuttigen van een pilsje als paria bekeken te worden. Het is echt niet zo dat we allemaal vlot honderd zullen worden als we onze voedings- en bewegingsgewoonten volledig afstemmen op de twee driehoeken. We kunnen nu wel doen alsof voeding zo ontzettend belangrijk is, maar veel dingen overkomen ons zonder dat we er vat op hebben. We moeten oppassen dat we het belang van voeding niet overdrijven. Het heeft geen zin om als je kanker krijgt, te beginnen jammeren: ‘Waarom heb ik in mijn tienerjaren de alcohol niet laten staan?’ Het had toch niets uitgemaakt. Een voedingsdriehoek dringt mensen op een of andere manier een schuldgevoel op: ‘Mijn gezondheid hangt af van wat ik in mijn mond stop.’ Natuurlijk staat dat nergens expliciet, maar het is wel de onderliggende boodschap.

 

Zouden we hem dan beter niet publiceren?

Kersten: Nee, want het is belangrijk dat we mensen informeren over gezonde keuzes en hen zo in een bepaalde richting duwen. Dat is niet hetzelfde als opdringen, want ze blijven vrij. Het is goed dat die informatie gebaseerd is op de laatste stand van de wetenschap en dat we mensen niet in de waan laten dat een paar glazen alcohol bijvoorbeeld geen kwaad kunnen, want dat is niet zo. Deze voedingsdriehoek is eerlijk en stuurt mensen niet met een kluitje in het riet. Maar van mij mag je best elke dag wijn drinken, zolang je jezelf maar niet wijsmaakt dat het gezond is. Drink omdat het lekker is. Dat is ook belangrijk.

 

 

Sander Kersten

 

1971 geboren in Elst, Nederland

1993 studeerde cum laude af in voeding en gezondheid aan de universiteit van Wageningen

1997 promoveerde aan Cornell University in de Verenigde Staten waar hij nog steeds adjunct-professor is

2011 professor moleculaire voeding aan Wageningen University

2014 benoemd tot hoofd van de onderzoeksgroep ‘Nutrition, Metabolism and Genomics’

2015 verzorgt de allereerste ‘online videocursus voeding en gezondheid voor de hele wereld’

 

 

 

 

Het VIGeZ reageert:

‘Het is niet onze ambitie om het gedrag van elke Vlaming te veranderen’

 

Loes Neven, voedingsexpert bij het VIGeZ: Met de voedingsdriehoek brengen we de stand van zaken rond gezond eten objectief in kaart. Dat zorgt voor een rationeel beeld en ik kan begrijpen dat professor Kersten de factor genieten mist. Voor wie gezond wil eten zijn de voedingsmiddelen in de rode bol in principe overbodig, maar we verbieden ze niet. Mensen consumeren er wel best zo weinig mogelijk van. We houden rekening met de realiteit en hebben daarom ook een aantal tips opgelijst over hoe je best gezond eet. Een van die tips is: geniet van wat je eet. Het is niet onze ambitie om met deze driehoek het gedrag van elke Vlaming te veranderen. Zo naïef zijn we niet.

 

Sander Kersten vraagt zich ook af of jullie milieuaspecten zoals pesticiden in rekening brengen.

Loes Neven: Er is een duidelijke link tussen gezond eten en duurzaam leven. Maar het is moeilijk om de duurzaamheid van elk voedingsmiddel te bepalen: een inlandse tomaat is niet altijd duurzamer dan een ingevoerde. Pesticiden zijn inderdaad nog onderbelicht. We focussen ons op een algemene vorm van duurzaamheid die vasthangt aan het voedingspatroon. Vandaar ook ons pleidooi voor meer plantaardig in plaats van dierlijk. Wie de producten uit de rode bol vermijdt, wint twee keer: zowel zijn gezondheid zal erop vooruitgaan, als het milieu. Want je eet dan niet langer dingen die nergens toe dienen.

 

Professor Kersten stelt zich ook vragen bij de wetenschappelijke onderbouw van de nieuwe bewegingsdriehoek.

Ragnar Van Acker, bewegingsexpert bij het VIGeZ: Dat is een terechte bekommernis, want we hebben tijdens ons eigen voorbereidend onderzoek vastgesteld dat veel bewegingsmodellen uit het buitenland niet getest zijn. Onze op wetenschappelijke literatuur gebaseerde bewegingsdriehoek is gemaakt in samenwerking met bewegingsexperten die internationaal aan de top staan. Daarnaast hebben we hem ook uitgebreid getest bij 300 Vlamingen, waardoor hij uniek is.

 

(c) Jan Stevens

“Onder natuurkundigen overheerst snobisme”

Helen Czerski bestudeert oceaanbubbels, maakt en presenteert BBC-documentaires en schreef een boek over de fysica van het alledaagse leven. Aan filosoferen over wetenschap heeft ze een broertje dood. ‘Als je een hartklep bouwt, help je een medemens. Dat is veel zinvoller dan een namiddag naar het heelal te zitten staren en te mijmeren over het wezen van het bestaan.’

‘Veel volwassenen zijn het spelen verleerd’, zegt fysicus en oceanograaf Helen Czerski. ‘Het lijkt zelfs alsof ze ook hun nieuwsgierigheid zijn kwijtgeraakt.’ Speciaal voor hen schreef Czerski haar boek Ober, er zit natuurkunde in mijn soep, waarin ze op levendige wijze uitlegt wat de natuurkundige principes zijn achter koffievlekken, popcorn, ketchupflessen en andere alledaagse zaken.

We zitten in haar piepkleine kantoor in het departement Mechanical Engineering van het University College London, in het hart van de Britse hoofdstad. Het vrolijke gejoel van pas afgestudeerde studenten op de centrale binnenplaats dringt door tot op de vierde verdieping. ‘Dit kantoor is de ideale plek voor als u iets over het universum zou willen leren’, zegt ze uitdagend. ‘We hoeven daar echt niet voor naar de ruimte. De voorbije twintig jaar hebben nogal wat wetenschapsjournalisten en wetenschappers ernstige pogingen ondernomen om de natuurkunde tot bij het grote publiek te brengen. Denk maar aan de grote aandacht voor de deeltjesversnellers van het CERN in Genève, de vele artikelen over het higgsbosondeeltje en de Hubble-ruimtetelescoop. Heel spectaculair en spannend allemaal, alleen vergaten ze datgene waar het eigenlijk om zou moeten draaien: de eenvoudige dingen uit de fysica. Al is “eenvoudig” misschien niet het juiste woord. Want het universum in mijn kantoor is hetzelfde als het universum van de Hubble-telescoop in het heelal. Zowel hier als daar gelden exact dezelfde natuurwetten. Dit kantoor, uw woonkamer en mijn keuken zijn dus uitstekende plekken voor al wie iets over het universum wil leren. Ik ben een grote fan van “de fysica van het alledaagse” omdat ze de natuurkunde tastbaar en werkelijk maakt. In lessen over wetenschap wordt altijd eerst een fenomeen beschreven, waarna het verklaard wordt. Als je vanuit het alledaagse vertrekt, kan je het beschrijven gewoon weglaten. Want iedereen heeft ooit al gezien hoe de beboterde kant van een toast zo goed als altijd eerst op de grond beland. We weten allemaal dat gemorste koffie een bruine koffievlek nalaat. We zagen dat met onze eigen ogen, alleen gingen we nooit op zoek naar een verklaring. We vroegen het ons misschien even af, en lieten die gedachte razendsnel weer los. Dat hoort ook zo, want we zijn nu eenmaal “volwassen”. Kinderen daarentegen, mogen altijd aan mama of papa vragen: “Waarom?”’

 

In plaats van ons aan deeltjesversnellers en ruimtetelescopen te vergapen, concentreren we ons als we iets over natuurkunde willen te weten komen beter op onze eigen huis, tuin en keuken?

Helen Czerski: Op alles wat in ons eigen bestaan ons pad kruist. De natuurwetten van de fysica vormen het geraamte van ons leven. Daar wordt door natuurkundigen en andere wetenschappers nooit met een woord over gerept en dat is ook de hoofdreden waarom ik Ober, er zit natuurkunde in mijn soep geschreven heb. Oppervlaktespanning, viscositeit, zwaartekracht, rotatie, elektromagnetisme vind je niet enkel op onze planeet, maar ook op alle andere planeten in het heelal. Alleen bevinden wij ons op planeet aarde, we kunnen al die fenomenen dus net zo goed rustig hier bestuderen. Neem de koffievlek: als je koffie morst en het plasje laat drogen, blijft er alleen een bruine omtrek over. In het begin was die omtrek helemaal gevuld, maar tijdens het drogen verplaatste alle koffie zich naar de buitenste rand. Als je heel veel tijd zou hebben en vanaf het begin met een microscoop inzoomt op het plasje, zie je een verzameling watermoleculen die botsautootje spelen en grotere bolvormige bruine deeltjes koffie die doelloos rondzwerven. De watermoleculen trekken elkaar sterk aan. Een molecuul dat een klein stukje van het oppervlak omhooggaat, wordt onmiddellijk weer neer onder getrokken in het plasje. Het wateroppervlak gedraagt zich als een elastisch laken dat strak over het water getrokken is zodat het altijd glad is. Deze ogenschijnlijke elasticiteit van het oppervlak wordt in de fysica de ‘oppervlaktespanning’ genoemd. Door de warmte in de kamer ontsnapt er van tijd tot tijd een watermolecuul die wegzweeft als waterdamp. Dat noemen we ‘verdamping’. De koffiedeeltjes kunnen niet verdampen en zitten gevangen in het plasje. De watermoleculen verdampen sneller aan de rand dan in het midden, omdat ze daar meer blootgesteld zijn aan de lucht. Vloeibare koffie uit het midden stroomt naar de rand om het verdwenen water te vervangen. Als het water volledig verdwenen is, blijft er alleen nog een kring achtergebleven koffie over.

 

Zijn uw collega fysici even enthousiast over de manier waarop u de fysica met beide voeten op moeder aarde zet?

Czerski: Dat moet u hen vragen. (lacht) Mijn rechtstreekse collega’s van Mechanical Engineering begrijpen perfect waarover het gaat. Misschien omdat ik hier als zowat de enige natuurkundige tussen de ingenieurs zit. Zij zien de wereld als een bak vol gereedschap, als een grabbelton gevuld met manieren om problemen op te lossen. Hier achter de hoek zijn mensen bezig met het zoeken naar verbeterde echografietechnieken, met het op punt stellen van ventilatie in ziekenhuizen en met het bouwen van machines voor de toekomst. Zij vinden mijn boek fantastisch en houden van al die concrete verhalen. Ze zitten ook zo in elkaar: ‘Je wil een snellere motor? Oké, we maken die voor je.’ Wie de wereld als gereedschapskist ziet, moét de natuurwetten wel kennen, anders kan hij nooit problemen oplossen. Ingenieurs zijn geen snobs, en dat vind ik net geweldig.

 

Natuurkundigen zijn wel snobs?

Czerski: Onder natuurkundigen overheerst snobisme, ja. Te vaak hoor ik: ‘Die uitleg is niet slim genoeg.’ Dat is niet alleen pompeus maar ook monsterlijk verkeerd. Kosmologen focussen zich op zwaartekracht en mechanica en maken daarvoor gebruik van ‘maar’ twee types natuurkundewetten. Zij zijn de eersten om toe te geven dat de fysica van het alledaagse veel complexer is. Want in het doorsnee bestaan van alledag worden alle verschillende soorten natuurwetten voortdurend dooreen geschud, met als resultaat: onze gecompliceerde realiteit. Kosmologen kunnen een mooi, eenvoudig model van het universum tekenen, dat is echt poepsimpel. Maar als je zoals ik het oppervlak van de oceaan bestudeer, of zoals mijn collega-ingenieurs een nieuwe motor probeert te bouwen, moet je er voortdurend rekening mee houden dat àlles er een klein beetje toe doet. Wij moeten dus ook àlles kennen, zoals elektromagnetisme, zwaartekracht, oppervlaktespanning, viscositeit of de regels van de rotatie. Ik verspil mijn tijd niet aan de snobs, want waar zij zich mee bezighouden, is niet meer of minder dan een vorm van glamourfilosofie.

 

U vindt filosoferen een vorm van tijdverspilling voor wetenschappers?

Czerski: Natuurkunde was lang gedomineerd door mannen met veel aandacht voor al die grote wetten van het universum, terwijl vrouwen veel praktischer ingesteld zijn. Die ‘mannelijke overheersing’ in de fysica heeft ongemeen boeiende debatten opgeleverd over bijvoorbeeld ‘de aard van de materie’. Interessant hoor, alleen vind ik het niet meer dan een intellectueel spel. Is het niet verstandiger om ons als wetenschappers op het gefilosofeer te storten nadat we we de honger de wereld hebben uitgeholpen, alle ziektes hebben bestreden en iedereen een dak boven het hoofd hebben bezorgd? Er moeten eerst nog heel wat praktische problemen opgelost worden vooraleer we de luxe hebben om ons het hoofd te breken over ‘de filosofie van het universum’. Vrouwen zijn veel meer geïnteresseerd in praktische problemen dan mannen. Dat beginnen we hier aan het University College gelukkig eindelijk ook te merken. Biomedical engineering is vandaag zeer populair bij vrouwelijke studenten. Als je een hartklep bouwt, help je een medemens. Dat is veel zinvoller dan een namiddag naar het heelal te zitten staren en te mijmeren over het wezen van het bestaan. Ongetwijfeld een rustgevende bezigheid, alleen brengt ze geen zoden aan de dijk.

 

Waarom koos u er eind jaren negentig voor om fysica te gaan studeren?

Czerski: Ik was in zeer uiteenlopende onderwerpen geïnteresseerd. Ik hield van wiskunde en wetenschap, maar ik was ook dol op talen, boeken, geschiedenis én op sport. De beste wetenschappers van vandaag zijn geen nerds of geeks, maar lezen, luisteren naar muziek en tokkelen op hun iPone. Een wetenschapper kan zowel van een gelukt experiment genieten als van een schilderij of beeldhouwwerk. Wetenschap is gewoon deel van de samenleving. Weet u wat ik het toppunt van absurditeit vind? Iemand die via Twitter zeurt dat wetenschap een zinloze bezigheid is. Via Twitter. Heeft zo’n idioot dan niet door dat hij de wetenschap dood verklaard met behulp van een knap staaltje technologie dat hem toelaat om zijn mening met de rest van de wereld te delen? (lacht) Variëteit is wat de wereld zo boeiend maakt en als jonge vrouw was ik in ontzettend veel dingen geïnteresseerd. Maar ik koos uiteindelijk voor wiskunde en fysica omdat die vakken me toegang gaven tot oplossingen voor al die praktische problemen. Zeker fysica zou alle vragen beantwoordden waarmee ik worstelde.

 

Het was dus toch een soort van filosofische ontdekkingsreis, een manier om zin aan uw leven te geven?

Czerski: Niet echt, ik wou gewoon spelen. (lacht) Al moet ik dat misschien toch enigszins nuanceren en ging er inderdaad honger naar kennis over het leven achter schuil. Ik was verzot op boeken over melkweg- en zonnestelsels. Op mijn 17e gaf ik mijn allereerste publieke lezing. Het onderwerp was: het atoom. Ik ben heel praktisch ingesteld en wil ook iets doén met al die theorie. Praten over kwantummechanica is interessant, maar het wordt pas écht boeiend als er geëxperimenteerd en gebouwd wordt. Het spel om door te dringen tot de fysica van alles wat ons omringt, vond ik zo intrigerend.

 

Net wat u ook in uw boek doet.

Czerski: Ja, maar daarnaast wou ik ook tonen dat wetenschap niet iets is dat plaatsvindt in een laboratorium. Door mijn boek te lezen, word je geen fysicus, maar snap je wel het spel genaamd ‘wereld’. Want eindelijk ken je de natuurwetten, de regels. Je zal voortaan ook de juiste vragen kunnen stellen. Het is toch fantastisch om de regels van de rotatie te herkennen in het dagelijkse leven? Als ik met een lepeltje in mijn thee roer, ontstaat er een ‘kuil’ omdat elk deeltje vloeistof zich in een rechte lijn voort wil bewegen. De thee duwt tegen de wand van het kopje en gaat omhoog zodat er minder thee in het midden overblijft. Als ik ophoud met roeren, verdwijnt de kuil niet meteen omdat de vloeistof nog ronddraait. Wanneer ik de thee langzamer laat draaien, is er minder kracht nodig om hem te laten rondcirkelen, waardoor er minder thee ophoopt tegen de wand. Middenin de cirkels draaien de belletjes rond. Die plek in het midden is voor de kneusjes. In een glas bier bewegen de bellen naar boven omdat het bier zegeviert in de strijd wie het dichtst bij de bodem mag zitten. In een kop thee is dat ook zo. De thee zegeviert in de strijd wie er naar de zijkant mag. De bellen zijn altijd het slachtoffer. De vloeistof heeft een grotere dichtheid dan het gas, zodat het gas naar de ruimte drijft die overblijft. Onze samenleving zit vol dingen die ronddraaien: wasdrogers, discuswerpers en opgegooide pannenkoeken. De aarde zelf roteert terwijl hij om de zon draait. Rotatie kan reusachtige krachten en gigantisch veel energie vrijmaken, terwijl alles net op zijn plaats blijft zitten, zoals de thee in de kop. Je kunt een grote snelheid halen zonder echt ergens heen te gaan. Een mooi voorbeeld is het baanwielrennen. De steile piste zorgt ervoor dat de renners niet uit hun baan in een rechte lijn vooruitschieten terwijl ze tegen hoge snelheid rondjes draaien.

Ik toon de paralellen tussen dingen die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben. Volwassenen moeten dringend terug nieuwsgierig worden en opnieuw leren spelen. ‘We zijn volwassenen en horen ons te gedragen.’ Sod that. Ouders zeggen tegen hun kinderen dat ze zaadjes in potjes moeten planten en goed moeten observeren hoe ze uitgroeien tot plantjes. Wanneer hebben al die brave vaders en moeders dat zelf voor het laatst gedaan?

 

Hier aan de universiteit bestudeert u de luchtbellen in de oceaan.

Czerski: Ik onderzoek de bellen die zich vormen aan de oppervlakte van de oceaan, meestal zijn dat de luchtbellen onder de brekende golven. Ik reis daarvoor de wereld rond en heb een bijzondere interesse voor golven van gemiddeld tien meter hoog. De bubbels helpen de oceaan ademen. De oceanen ademen in de noordelijke Atlantische Oceaan en de Zuidelijke Oceaan in, en ademen uit aan de evenaar. De zee is geen organisme met een bewustzijn, maar is wel een ademende motor. De luchtbellen uit de oceaan zijn als de bubbels uit een fles frisdrank: als je de stop opendraait, spatten ze uit de fles en ‘prikken’ ze je neus. Het schuim in de branding laat op eenzelfde manier bellen opspatten in de lucht, waarna ze wegzweven en wolken vormen. Mijn eerstvolgende reis brengt me naar de Noordpool. Het is daar zeer zuiver en dat is ideaal voor het bestuderen van de inhoud van opspattende bubbels.

De klimaatverandering zorgt voor een veranderend weerpatroon en dat heeft een weerslag op de oceaanbellen. De oceanen warmen op waardoor het aantal stormen lijkt toe te nemen. De stormen lijken ook veel intenser te worden. Het aantal oceaanbubbels zal daardoor toenemen. Dat zien we nu al, maar het is onduidelijk wat de ultieme consequenties zijn voor die grote ademende motor die de zee is.

 

Bent u een pionier met uw bubbelonderzoek?

Czerski: Wereldwijd ken ikzelf nog zes andere wetenschappers die bubbels bestuderen. Op het eerste gezicht lijkt ons onderzoek misschien overbodig, maar dat is een misvatting. De oceanen geven hun warmte af aan de atmosfeer, ontvangen op hun beurt warmte van de zon en transporteren voedingsstoffen over de hele planeet. Het water uit de oceaan belandt via de wolken op de bergen en erodeert ze. Het is één groot systeem, waarin alles invloed heeft op alles. Het systeem bestaat uit zoveel verschillende puzzelstukjes dat het echt niet verwonderlijk is dat elk puzzelstuk slechts door een handvol wetenschappers kan bestudeerd worden. Er is ook dat eeuwige probleem van beperkte budgetten: met het weinige dat we hebben, doen we wat we kunnen. Maar we hebben altijd meer vragen dan er geld voorhanden is. Wetenschap is een onderneming op lange termijn. Maar in de huidige tijd van besparingen wordt er vooral aan de korte termijn gedacht en raakt het weidsere perspectief op de achtergrond. President Donald Trump heeft stevig gehakt in de budgetten voor onderzoek naar de klimaatverandering. Wetenschappelijke instellingen in sommige Europese landen roepen nu luidkeels naar Amerikaanse wetenschappers: ‘Als Trump jullie niet wil, zijn jullie bij ons van harte welkom. Frankrijk wil jullie! Wij hebben fondsen.’ Het grote drama is dat de Verenigde Staten traditiegetrouw al heel lang een stevige bijdrage leveren aan de wetenschap, en dan heb ik het niet alleen over wetenschappers, maar ook over infrastructuur. Zij hebben heel wat satellieten in het heelal die de aarde observeren en we maken ons zorgen dat ook die projecten op de schop zullen gaan. Trump zelf heeft als president niet zoveel macht: als de Republikeinen willen, stoppen ze hem, maar ze vertikken het. Wetenschappers hebben zich lang ver weg gehouden van de politiek, want het is net de job van een wetenschapper om objectief te zijn en geen persoonlijke opinie te hebben. Al zijn in het verleden wel wetenschappers in opstand gekomen tegen politici, denk maar aan de Pugwash Conference die in 1957 opgericht werd door de natuurkundige Joseph Rotblat. Tijdens WO II was hij betrokken bij het Manhattan Project voor de bouw van de atoombom, later tok hij ten strijde tegen de nucleaire wapenwedloop. Veel wetenschappers die aan de bom hadden meegewerkt, kregen wroeging na Hiroshima. Ze verzetten zich tegen het gebruik van de bom in Nagasaki en vroegen zich af of de president wel goed besefte waar hij mee bezig was. Rotblat kreeg in 1995 de Nobelprijs voor de Vrede. Sommige wetenschappers werden dus wel degelijk erg politiek, alleen wrong dat altijd met hun job. Nu zouden de wetenschappers die niets meer te verliezen hebben best hun mond opendoen en het verzet organiseren.

 

De Nobelprijswinnaars chemie en fysica bijvoorbeeld?

Czerski: Precies, want zij zijn onaantastbaar. Zij hebben bewezen wat ze waard zijn en niemand kan beweren dat hun opinie waardeloos is. Zij zouden een grote positieve invloed kunnen uitoefenen door zich als leiders te gedragen. Mensen luisteren naar hen, òòk politici. Zij kunnen het zich permitteren om tegen Trump en co in het verweer te gaan. De Pughwash Conference werd indertijd zeer ernstig genomen; het is hoog tijd dat er iets gelijkaardigs opgestart wordt. In vergelijking met vroeger hebben we één groot voordeel: onze mogelijkheden om te communiceren zijn eindeloos met Twitter, Facebook, Youtube en de rest van het internet.

 

U maakt documentaires over wetenschap voor de BBC.

Czerski: Ik wil daarmee de kijkers een klein beetje meer inzicht in wetenschap geven zodat ze beter begrijpen hoe het skelet van de wereld ineenzit. Ik wil de Britten ook tonen dat er zoiets als ‘een wetenschapper’ bestaat. Want voor veel landgenoten klinkt ‘wetenschapper’ als iets buitenaards, terwijl wij ook maar doodgewone mensen zijn.

 

Helen Czerski, Ober, er zit natuurkunde in mijn soep, Maven Publishing, 336 blz., 22 euro

(c) Jan Stevens

 

 

‘Macht interesseert me niet, impact wel’

Met de informatie die het Europees Milieuagentschap (EMA) onder leiding van Hans Bruyninckx verzamelt, stippelt Europa haar klimaat- en milieubeleid uit. Bruyninckx’ wereldwijde invloed zal de volgende jaren samen met de temperatuur enkel stijgen. Over de toekomst is hij niet al te pessimistisch. “Wie vijf jaar geleden zei dat met ontploffingsmotoren in auto’s dringend komaf gemaakt moet worden, werd gecatalogeerd als radicale zonderling. Nu klinkt dat als een realistische stap op weg naar een koolstofarme economie.”

_DSC0036

Vanuit het raam van zijn kantoor kijkt Hans Bruyninckx (53) uit over het ooit zo statige, maar nu tot een bouwput herschapen Kongens Nytorv-plein in het hart van Kopenhagen. Op zowat alle grote pleinen in de Deense hoofdstad zijn bulldozers duchtig aan het graven. “Ze bouwen aan een gesofisticeerd metronetwerk”, zegt de voormalige professor internationale milieupolitiek. “Onder dit plein komt een station. De Denen sparen kosten noch moeite om van Kopenhagen een leefbare, duurzame stad te maken. Koning auto heeft hier al jaren niet veel meer in de pap te brokkelen.”

Sinds juni 2013 is Hans Bruyninckx directeur van het in Kopenhagen gevestigde Europees Milieuagentschap (EMA). Onder zijn leiding verzamelen de tweehonderd medewerkers van het EMA wetenschappelijke kennis over de toestand van de planeet. Hun rapporten vormen de basis voor het Europese klimaat- en milieubeleid. “Dertig jaar geleden focuste dat beleid zich op proper water en schone lucht en werd vooral de industriële vervuiling geviseerd”, zegt hij. “Vandaag bepaalt het milieu – en klimaatbeleid mee hoe onze toekomstige samenleving eruit zal zien.”

 

De klimaatverandering heeft alles op scherp gezet?

Hans Bruyninckx: “Ja, maar ook het verlies aan biodiversiteit drukt ons met de neus op de feiten. Wereldwijd staat ons zogenaamde ‘natuurlijk kapitaal’ zwaar onder druk door de aantasting van de biodiversiteit en de ecosystemen. Die worden verder uitgeput en de kwaliteit van onze leefomgeving raakt steeds meer aangetast. Eén van de grootste bedreigingen is de oprukkende ‘versnippering’. Daarmee bedoel ik de aanleg van wegen, van een continu groeiende infrastructuur die dwars door natuurgebieden loopt, waardoor grote gebieden van elkaar losgekoppeld worden en versnipperd raken. De klimaatverandering is inderdaad een niet te onderschatten probleem, maar we vergissen ons als we ons enkel daarop zouden concentreren. Het gaat zowel over het klimaat als over de biodiversiteit, en over de link tussen die twee. Een mooi voorbeeld zijn de oceanen die een zeer belangrijke rol spelen in de klimaatregeling en tezelfdertijd erg gevoelig zijn voor klimaatveranderingen. Onze oceanen herbergen een enorme biodiversiteit waar we nog veel te weinig over begrijpen. Of neem de bossen: ze zijn van levensbelang voor de biodiversiteit en zijn minstens even belangrijk voor de koolstofkringloop en de klimaatregeling. Zowel het klimaat als de biodiversiteit hebben zwaar te lijden onder onze allesbehalve duurzame systemen van produceren en consumeren. De manier waarop we energie opwekken, ons hele voedselsysteem, onze mobiliteit, de inrichting van onze steden, de productie van onze kledij… We gebruiken teveel grondstoffen en houden ze daarna niet lang genoeg in de economische cyclus.”

 

We consumeren te veel op weinig doordachte wijze?

Bruyninckx: “Wereldwijd zal de consumptie alleen maar toenemen: binnenkort zijn we met tien miljard, allemaal mensen die net als wij òòk recht hebben op een goed leven. Dat is enkel mogelijk als we veel efficiënter omgaan met onze grondstoffen. Nu maken we een product, gebruiken dat heel even, gooien het weg en recycleren nauwelijks iets. Veel producten gaan niet lang mee, worden niet hersteld maar gedumpt. Kostbare grondstoffen verdwijnen zo uit de kringloop. Daar moet snel verandering inkomen: we moeten evolueren naar een circulaire economie met een gesloten kringloop. Hetzelfde geldt voor energie: we gebruiken te veel en er gaat ook veel verloren. Er is nog flink wat werk aan de winkel om onze energie-efficiëntie op te krikken.

“Onze huidige manieren van consumeren en produceren putten de kwantiteit en kwaliteit van de natuurlijke hulpbronnen verder uit. Gelukkig groeit de bewustwording snel, want milieubeleid gaat niet langer alleen over planten en dieren, maar over onze hele samenleving, inclusief de economie. Milieu en klimaat blijken ook de ‘harde sectoren’ te beïnvloeden en bepalen mee het totale beleid. Het is de taak van ons agentschap om het Europese beleid te onderbouwen met kennis over de toestand van het milieu.”

 

Waar halen jullie die kennis?

Bruyninckx: “Belangrijk voor ons zijn de waarnemingen in de verschillende Europese lidstaten over de kwaliteit van het water, de lucht en de bodem. We koppelen die aan gegevens over mobiliteit, energie en de gezondheid van de burgers. We krijgen onze informatie van officiële instanties die zich aan de Europese regelgeving houden. Maar ook van Eurostat, het Joint Research Center (JRC), universiteiten en semi-publieke organisaties zoals in Vlaanderen de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) en de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO).”

 

Werken jullie samen met actiegroepen zoals Greenpeace? 

Bruyninckx: “Wij werken in de eerste plaats nauw samen met ons Europese netwerk, met al die Europese instanties die vertegenwoordigd zijn in onze raad van bestuur: het Europese Parlement, de Europese Commissie en de lidstaten. Daarnaast onderhouden we contacten met de belangrijkste Europese milieuorganisaties, zoals The European Environmental Bureau (EEB), BirdLife International en Greenpeace Europe. Ik ontmoet hun afgevaardigden regelmatig op meetings in Brussel en ze vragen me soms om op hun jaarvergadering te spreken. Ik praat ook met vertegenwoordigers van de industriële koepels. Zo gaf ik voor de autosector lezingen over mobiliteit, voor de chemiesector over scheikundige vervuiling en voor de landbouwsector over ons voedselsysteem. Dat hoort bij mijn job.”

 

Mag u in uw positie nog klaar en duidelijk zeggen wat u zelf vindt over de toestand van het milieu?

Bruyninckx: “Ik heb bewust de overstap gemaakt van professor aan de universiteit naar directeur van het EMA en was me heel goed bewust van de consequenties, maar ik ben en blijf Hans Bruyninckx. Het was een lange sollicitatieprocedure in zeven rondes waarin alle mogelijke ideeën over het milieu aan bod kwamen, maar waarin ook gepraat werd over hoe een organisatie zoals deze geleid moet worden. Ze weten dus waarvoor ik sta.

“Een deel van de selectie gebeurde onder leiding van de Europese Commissie. De finale beslissing werd genomen door ons management board waar de lidstaten, het parlement en de commissie in zetelen. Ik had een interview met de twee commissarissen waar wij vooral mee samenwerken en moest voor het Europees Parlement verschijnen waar ik drie uur lang door de volksvertegenwoordigers op de rooster gelegd werd. Als ik daar de mist was ingegaan, had ik hier nu niet gezeten. Maar uiteraard ben ik nog steeds ‘mezelf’. Van zodra ik het gevoel heb dat ik zaken moet verkondigen waar ik niet achtersta, kan ik beter iets anders gaan doen.”

 

Waarom wou u deze job zo graag? 

Bruyninckx: “Omdat dit de beste plek ter wereld is om kennis tot bij de Europese beleidsmakers te brengen. Wat wij hen aan informatie aanbieden, vormt de basis voor het milieu- en klimaatbeleid dat zij uitstippelen. Voor 28 landen zijn die maatregelen en afspraken bindend. IJsland, Noorwegen, Zwitserland, Liechtenstein en Turkije zijn ook lid van EMA en de zes westelijke Balkanlanden werken met ons mee. Een netwerk zoals het onze bestaat nergens anders ter wereld, ook niet in Noord-Amerika of Azië.  Ik vind het een onwaarschijnlijk voorrecht dat ik deze functie mag uitoefenen. De tweehonderd mensen die hier werken, behoren allemaal in hun domein tot de top. Ze komen uit meer dan dertig landen. Als we hier ’s morgens binnenstappen, worden we Europeaan. Wij werken mee aan het meest geïntegreerde en meest vooruitstrevende milieu- en klimaatbeleid van de hele planeet. Dat is toch fantastisch?”

 

Zitten we in vergelijking met vier jaar geleden niet in een totaal ander Europa en in een andere wereld? Want ondertussen was er de brexit en de verkiezing van Donald Trump, een wereldleider die het klimaatbeleid niet zo heel erg genegen lijkt te zijn. 

Bruyninckx: “Dat laatste is een overstatement. (lacht) De wereld is in verandering, net als de context waarin wij werken. Europa gaat door een moeilijke periode en wordt geteisterd door verschillende crisissen. Wij voelen dat hier ook. Want doordat het moeilijkere tijden zijn, worden er politieke keuzes gemaakt. Zo moeten we elk jaar afscheid nemen van personeelsleden als gevolg van het Europese bezuiningingsbeleid.

“Tot hiertoe zijn het Verenigd Koninkrijk en Turkije nog steeds volledig lid van onze organisatie. Hoe de toekomst eruit zal zien, is onduidelijk; dat is nu eenmaal eigen aan werken in een politieke omgeving. Ook onder Trump blijven we regelmatig contact onderhouden met de collega’s van onze Amerikaanse zusterorganisatie het United States Environmental Protection Agency (USEPA). De omstandigheden zijn veranderd, waardoor het er niet makkelijker op wordt.”

 

Terwijl de toestand steeds ernstiger én hopelozer lijkt te worden?

Bruyninckx: “De toestand is ernstig, maar u mag niet onderschatten wat er intussen allemaal gebeurd is. Tien jaar geleden, in volle kredietcrisis, werden onze thema’s klimaat en milieu on hold gezet. ‘We hebben nu even andere katten te geselen.’ Sindsdien is er toch veel veranderd. Ik ben hier begonnen in 2013, en niet zoveel later was er het klimaatverdrag van Parijs en introduceerde de Europese Commissie haar plan voor een kringloopeconomie. Dat is zonder overdrijving een compleet nieuwe langetermijnvisie op duurzaam produceren en consumeren. Dan is er ook nog de verdere ontwikkeling van het Europese klimaatbeleid en zijn er de lange termijnplannen voor een Europese Energie-Unie die betaalbare, duurzame én klimaatvriendelijke energie mogelijk moeten maken. U mag ook de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties niet vergeten die tegen 2030 gerealiseerd moeten zijn. En dan is er ook nog het Zevende Milieuactieprogramma van Europa dat loopt tot 2020, met een sterke visie gericht op 2050. Ik wil maar zeggen dat er ondanks de moeilijke omstandigheden en de tegenwind toch voldoende politiek en intellectueel kapitaal in Europa voorhanden is om een ambitieus milieu- en klimaatbeleid uit te bouwen. De kennis die wij verzamelen, speelt daar een voorname rol in. ‘Op basis van onze informatie is er vooruitgang waar te nemen, maar de uitdagingen blijven zeer groot.’ Waarna het aan de beleidsmakers is om bij te sturen. U zou me niet zo enthousiast over mijn werk horen vertellen als ons agentschap getroffen zou zijn door een volledige shutdown en standstill.”

 

Niet zo lang geleden kwamen vertrouwelijke mails aan de oppervlakte waaruit blijkt dat chemiereus Monsanto een aantal wetenschappers heeft proberen te beïnvloeden in het onderzoek naar onkruidverdelger glyfosaat. Sommige academici waren niet ongevoelig voor de avances van de multinational. Hoe kunt u er zeker van zijn dat de informatie betrouwbaar is die u van allerlei instellingen krijgt?

Bruyninck: “In Europa wordt glyfosaat opgevolgd door twee gespecialiseerde agentschappen die met een heel netwerk van wetenschappers werken: het Europese Voedselagentschap in Parma en het European Chemicals Agency in Helsinki dat overigens ook geleid wordt door een Vlaming. In ons eigen Milieuagentschap wordt alle inkomende informatie grondig gecheckt. Onze dataspecialisten volgen daarvoor een handleiding die we Quality Checking and Quality Assures of QCQA gedoopt hebben. Ze laten algoritmen op de data los en merken het snel als er iets schort aan de kwaliteit. We werken intens samen met oficieel aangestelde specialisten uit de lidstaten die ons begeleiden met het opstellen en ijken van onderzoeks- en rapporteringsmethoden. Voor we een rapport publiceren, laten we het vaak nalezen door academici. Al onze rapporten kunnen door iedereen gelezen en gecontroleerd worden. We weten dat ze door veel wetenschappers gedownload worden. Zij gaan aan de slag met de door ons verzamelde informatie en als ze op fouten of twijfelachtige gegevens stoten, zullen ze ons dat heel snel laten weten. Last but not least is er de politieke controle. Alles wat ik in het openbaar zeg over een lidstaat, wordt aandachtig gevolgd. Bij de minste fout die ik maak, krijg ik meteen een reactie. ‘Wat u daar verkondigt, is fout mijnheer Bruyninckx. Wij hebben andere gegevens.’ In de vier jaar dat ik hier nu zit, is dat overigens nog nooit gebeurd. Dat komt net omdat wij zo uitermate zorgvuldig te werk gaan. We kunnen ons geen fouten of vergissingen permitteren. Want van zodra we de reputatie krijgen dat onze gegevens niet te vertrouwen zijn, is onze rol uitgespeeld. Onze basis wordt gevormd door de betrouwbaarheid van onze informatie. Als er onzekerheid over sommige gegevens bestaat, zullen we dat altijd meedelen. In de wetenschap komt dat trouwens vaak voor. ‘Op basis van die gegevens is dit de boven – en ondergrens van betrouwbaarheid’, staat er dan. Zo werkt wetenschap en zo werkt kennis. Ik kan er niet genoeg op hameren: voor ons is transparantie van levensbelang.”

 

Tegenwoordig zijn heel wat professoren aan universiteiten ook actief als ondernemer in start-ups, waardoor ze commerciële belangen krijgen.

Bruyninckx: “Daar doe ik liever geen uitspraken over. Er kan altijd een belangenconflict in de lucht hangen. Je weet nooit wat je medewerkers in hun vrije tijd uitspoken, met wie ze getrouwd zijn of waar ze in beleggen. Vandaar ook dat er bij ons strenge en duidelijke procedures van kracht zijn. Alles moet hier aangegeven worden; dat heeft het grote voordeel van de duidelijkheid. Ik heb zelf aan de KULeuven gewerkt en ik weet dat er een dienst is waar professoren hun consultancy-opdrachten aan moeten rapporteren. Ik stelde me aan de universiteit altijd compleet onafhankelijk op.”

 

Komen er vaak lobbyisten bij u over de vloer?

Bruyninckx: “Bijna nooit. Het EMA is een kennisinstelling en maakt het beleid niet. Hier in Kopenhagen zitten we trouwens veraf van de Brusselse scene, the Brussels bubble. (lacht) Wij stemmen over helemaal niks, waardoor wij niet interessant zijn voor lobbyisten. Als er dan toch al eens een lobbyist komt aankloppen, ben ik heel duidelijk: ‘Sorry, u zit op de verkeerde plek. Wij spreken de nieuwe normen niet af, daarvoor moet u bij de commissie in Brussel, of in het parlement zijn.'”

 

Krijgt u vaak politici op bezoek?

Bruyninckx: “Nogal wat Europarlementariërs, dat zijn dan mensen die rapporteur zijn over een bepaald thema. Wij bieden hen ondersteuning aan. Ik ben regelmatig in Brussel en dan ontmoet ik, uiteraard, mensen uit het beleid: politici, hoge ambtenaren en ook lobbyisten. Dat is nu eenmaal deel van mijn werk. Niet om mee beleidskeuzes te maken, maar om de nodige informatie te leveren. We zijn volstrekt neutraal en maken geen onderscheid in politieke kleur. Als iemand van om het even welke fractie beroep doet op kennis van onze experts, leveren we die.”

 

Wie het milieubeleid écht wil beïnvloeden, kan misschien beter proberen om de grondstof van dat beleid, de kennis, te beïnvloeden?

Bruyninckx: “Onze procedures en regels om die kennis op te bouwen, zijn superstreng, hoor. Het is niet zo dat om het even wie hier kan binnenstappen en een rapport op tafel kan gooien met de boodschap: ‘Goeiemiddag, ik heb wat nieuwe, “alternatieve” kennis voor jullie. Misschien kunnen jullie die ooit wel eens gebruiken in een rapport.’ Zo werkt het niet.”

 

Sinds de verkiezing van Donald Trump zijn de ‘alternatieve feiten’ aan een opmars bezig.

Bruyninckx: “Kennis is geen kwestie van geloof. Kennis is kennis.”

 

Het lijkt toch alsof er in de VS nu beleid wordt uitgestippeld op basis van onzin?

Bruyninckx: “Precies daarom is het zo een voorrecht om in een Europese context deze job te mogen doen. Onze collega’s van de USEPA zijn het al jaren gewoon om op dezelfde manier kennis te vergaren als wij. Nu worden zij geconfronteerd met een existentieel probleem. Gelukkig is het beleid in Europa sterk gelinkt aan kennis, evidence-based policy making heet dat in het jargon. Ik denk niet dat het hier snel zal veranderen.”

 

Niemand had ook verwacht dat de Britten vaarwel zouden zeggen aan Europa.

Bruyninckx: “Nee, dat klopt. Niemand weet of na de brexit het Verenigd Koninkrijk lid zal blijven van onze organisatie. Ik hoop van wel, al was het maar omdat de Britten in ons vakgebied heel belangrijk zijn als partner in het verzamelen van kennis.”

 

Heeft u in uw functie meer invloed dan een politicus? Uw werk hier bepaalt misschien meer het Europese beleid dan dat van een doorsnee Europarlementariër?

_DSC0028Bruyninckx: “Ik denk niet dat het veel zin heeft om precies te proberen bepalen wie het meeste invloed heeft. Beleid is het resultaat van veel verschillende vormen van informatie of overleg. Wij zijn een radertje in het grote geheel, maar we nemen ons werk wel heel serieus. Onze kennis is betrouwbaar en relevant. We kunnen ook goed inschatten wanneer we wat precies moeten aanleveren. Het is heel belangrijk dat je als kennisinstelling het ritme van de politiek en het beleid perfect kunt aanvoelen.”

 

U kent de bureaucratie op uw duimpje?

Bruyninckx: “We moeten niet alleen de bureaucratie goed kennen, maar ook de politieke cyclus aanvoelen. We moeten de kennis zo presenteren dat degene die ze kan gebruiken, onmiddellijk ziet waar de toepassingen zitten.”

 

U stuurt de politici dus eigenlijk een beetje met de manier waarop u hen uw kennis brengt?

Bruyninckx: “Natuurlijk. Als we met Europese topexperts over luchtkwaliteit praten, hebben we het over ppm’s, microgrammen en NOx en SOx. Als we met mensen praten die de grote beleidslijnen voor de volksgezondheid uitzetten, laten we NOx en SOx achterwege. We kunnen niet anders dan onze informatie framen in de taal en de context van de mensen waarmee we spreken. Daarom besteden wij zeer veel aandacht aan communicatie. Met framen bedoel ik dus niet: ‘verkopen’.

“Wetenschappers hebben er geen enkel probleem mee dat wij kennis framen. Integendeel, want onze teksten, lezingen, rapporten zijn altijd op solide wetenschappelijke waarnemingen gebaseerd. We krijgen lof omdat het ons lukt om onze informatie zo te verpakken dat iedereen naar ons luistert. Dat is toch heel belangrijk? Een paar weken geleden was er in Brussel een conferentie over geluid, wat een zeer complex probleem is. Als je daar technisch over begint te spreken en ingewikkelde grafieken projecteert, beland je meteen in een uiterst moeilijk debat en haken mensen af. Je moet die moeilijke materie dus vertalen in zinnen en beelden die iedereen begrijpt.”

 

Bent u een machtig man?

Bruyninckx: “Macht interesseert me niet, impact wel. Met de kennis die wij in Europa aanleveren, oefenen we behoorlijk wat invloed uit op een aantal processen. Wij streven die impact niet na vanuit de behoefte om de grootste en de sterkste te zijn. Dit werk is geen hobby waar we allemaal ontzettend veel lol aan beleven. Nee, wij werken hier rond zeer serieuze thema’s; onze mensen zijn zich daar heel goed van bewust.”

 

Want uiteindelijk gaat het over het redden van de planeet?

Bruyninckx: “Misschien eerder over het veilig stellen van ons ‘goede leven’ op lange termijn. Ik geloof sterk in ons agentschap en in de rol die wij spelen. Ik ben de voorzitter niet van de commissie of het hoofd van een belangrijke fractie in het Europees parlement. Ik ben hier directeur en het is mijn verantwoordelijkheid om vanuit deze functie zoveel mogelijk impact te hebben. Eerlijk gezegd vind ik dat we dat op dit moment behoorlijk goed doen. We krijgen goede reacties vanuit de Europese instellingen en de lidstaten, maar ook van anderen daarbuiten.”

 

Wordt u zelf nooit wanhopig van de onderzoeksresultaten die u binnenkrijgt? Denkt u nooit: ‘De apocalyps is nabij’?

Bruyninckx: “Een aantal tendensen zijn niet zo gunstig, maar ik heb dat nooit anders geweten. Ik werk al mijn hele loopbaan rond de milieuproblematiek. Sommigen raken daardoor verpletterd; anderen voelen het gewicht van de hele wereld op hun schouders rusten. In plaats van mij erdoor te laten ontmoedigen, zoek ik vanuit al die kennis naar hefbomen om de zaak positief te laten kantelen. Ik ben toch iets optimistischer dan vijf jaar geleden. Zo breekt hernieuwbare energie wereldwijd veel sneller door dan voorspeld was. Niet alleen in Europa, maar ook in een land als China, waar er gigantisch veel in geïnvesteerd wordt. Wie vijf jaar geleden zei dat met ontploffingsmotoren in auto’s dringend komaf gemaakt moet worden, werd gecatalogeerd als radicale zonderling. Nu klinkt dat als een realistische stap op weg naar een koolstofarme economie. Ook de financiële markten krijgen interesse in climate en green financing.”

 

Dat is dus niet hetzelfde als: terug naar de natuur en leve de geitenwollensokken?

Bruyninckx: “Bijlange niet. Voor alle duidelijkheid: ik heb nooit geitenwollensokken gehad en zal die ook nooit dragen. (lacht) Ik ben geen naïeve dromer. Het gaat niet over gerommel in de marge, maar over de kern van de zaak: over fundamentele transities in onze samenleving, zoals bijvoorbeeld een ander energiesysteem. Kopenhagen wil de eerste klimaatneutrale hoofdstad van de wereld worden en Zweden het eerste klimaatneutrale land. Dat visionaire spreekt mij enorm aan. Het gaat niet langer over het voorspellen van de toekomst maar over het vormgeven ervan, en dat op een realistische wijze. We weten dat we dringend de broeikasgasuitstoot moeten afbouwen en dat we de verdere afbraak van ecosystemen en biotopen een halt moeten toeroepen. Martin Luther King veranderde de VS niet door te jammeren: ‘I have a nightmare’, maar met: ‘I have a dream.’”

 

Moet er niet dringend een wereldmilieuagentschap komen?

Bruyninckx: “Er is internationaal al een grote samenwerking. Wij zijn gekoppeld aan het United Nations Environment Program (UNEP) en delen zo kennis met 54 landen in Europa. Energie- en voedselsystemen kennen een globale dynamiek. Wij hebben dus zeer veel aandacht voor globalisering. De voorbije twintig jaar heeft de mensheid geglobaliseerde systemen van produceren en consumeren ontwikkeld die allesbehalve duurzaam zijn. Wij onderzoeken hoe we kunnen vermijden dat we daarin vastgeklikt geraken, en hoe we het mogelijk kunnen maken dat we locked in geraken in duurzame systemen en processen. Het lokale is belangrijk, maar ons terugplooien op onszelf, zelfs al gaat het dan nog over het Europese continent, is niet verstandig. Vandaar ook het belang van het akkoord van Parijs.”

 

Uw mandaat loopt af in 2018. Stel dat het niet verlengd wordt, overweegt u dan een carrière in de politiek?

Bruyninckx: “Ik heb geen enkele ambitie om in de politiek te gaan. Je moet jezelf goed kunnen inschatten. Ik denk niet dat ik een goed politicus zou zijn. Ik was professor politieke wetenschappen en heb nu een functie die zeer dicht staat bij het beleid en de politiek. Mensen zeggen me vaak: ‘Als je spreekt, klink je zeer politiek zonder een politicus te zijn.’ Mijn hele loopbaan draait rond kennis. Dat is mijn roeping.”

 

Pendelt u vaak tussen Kopenhagen en Brussel?

Bruyninckx: “Ja. Deze job heeft een serieuze impact op mijn gezinsleven en voor ik eraan begon, heb ik daar met mijn vrouw afspraken over gemaakt. Als ik in het weekend in België ben, werk ik niet. Ik ben wel bereikbaar als het dak hier bij wijze van spreken instort of de comissaris me dringend nodig heeft, maar ik neem geen dossiers mee naar huis. Tijdens de week is dit een intense job die volledige toewijding vereist. Dit is geen baan voor mensen die niet stressbestendig zijn. Je kan door een golf overspoeld worden of je kan erop surfen. Meestal slaag ik erin om te surfen op de golf van wat er allemaal op me afkomt. Drie dagen per week ben ik hier in Kopenhagen, twee dagen vertoef ik elders in Europa. Je kan geen Europese functie uitvoeren als je in je kantoor blijft zitten. De lidstaten verwachten heel terecht dat ik regelmatig langskom en aandacht aan hen besteed.”

 

U heeft dus een stevige ecologische voetafdruk.

Bruyninckx: “Iedereen in de Europese Unie met dit soort functie heeft een grote ecologische voetafdruk. In vergelijking met mijn voorgangster heb ik het aantal reisdagen en kilometers zo goed als gehalveerd. Alle medewerkers van ons agentschap reizen een pak minder omdat ik een pleitbezorger ben van technologische communicatiemiddelen zoals conference calls. Elke kilometer die we vliegen compenseren we via de beste carbon offsetting-programma’s. Maar ik vlieg veel, dat is zeker waar, en dat wringt soms. Alleen raak je met de roeiboot of de fiets niet tot in Bulgarije, Malta, Portugal of IJsland.”

 

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey