Stekene, groene oase

Ik woon in Stekene, ooit door een vorig gemeentebestuur in een vlaag van cynische zinsverbijstering ‘groene oase’ gedoopt. Niet ver van de straat waar ik woon, ligt een oude zandgroeve middenin natuur- en recreatiegebied, bijgenaamd ‘de Bekaf’. Jarenlang gebeurde daar helemaal niets en de groeve was door de natuur herschapen tot een grote vijver in weelderig groen. Tot er drie jaar geleden bijna dagelijks vrachtwagens tonnen zand kwamen aanvoeren met als doel: die vijver zo snel mogelijk dempen. Firma van dienst was Vagaetrans BVBA, in 2005 veroordeeld tot zware straffen voor het jarenlang illegaal storten van afval en vervuilde grond. https://www.standaard.be/cnt/gj9chvig
In de lente van vorig jaar vroeg Vagaetrans een omgevingsvergunning aan om de bosdreven rond de zandgroeve te asfalteren. De buurtbewoners, waaronder ondergetekende, kwamen daartegen in verzet, dienden massaal bezwaarschriften in en Vagaetrans trok zijn aanvraag snel weer in. In die periode, op 6 mei 2019, gingen we met onze zorgen over de Bekaf op de koffie bij burgemeester Stany De Rechter. Hij beweerde de reputatie van Vagaetrans niet te kennen en leek oprecht geschrokken toen hij de krantenberichten van weleer onder ogen kreeg. Hij beloofde dat hij er zijn milieuambtenaar over zou aanspreken. Hij zei ook er zeker van te zijn dat het storten in de Bekaf grondig gecontroleerd werd door de Vlaamse Gemeenschap, al wist hij niet meteen hoeveel grondstalen er sinds 2016 genomen waren.
Sinds vanmorgen weet ik dat wel: geen. 0. Zero.
De milieuambtenaar van Stekene wist het eerst ook niet en moest het navragen bij ‘de toezichthoudende overheid’, in dit geval ‘de omgevingsinspectie van de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving in Gent’. Toezichthouder Wilfried V.V. mailde het volgende: “Aangezien ik pas eind vorig jaar het dossier heb overgenomen, heb ik onze databank moeten raadplegen. Ik stel vast dat er al monsters werden genomen, doch deze dateren van de periode toen Aswebo nog vergunninghouder was. Sinds 2016 zijn er geen monsternames meer geweest. Ik kan wel meedelen dat ik dit jaar monsternemingen heb gepland. Ook ben ik al tweemaal langs geweest om een visuele en organoleptische controle (of: datgene wat men met neus en oog kan waarnemen – JS) te doen van de aangevoerde gronden. De laatste inspectie dateert van 12 december 2019. Toen konden geen zaken worden vastgesteld die doen vermoeden dat de aangevoerde grond niet conform zou zijn (geen afval vastgesteld, geen aanwijzingen verontreiniging). Ik zal deze controles ook dit jaar verderzetten. Ten gepaste tijde zal ik ook overgaan tot monsterneming van de aangevoerde grond. Ook het register zal nog worden gecontroleerd. Ik heb eveneens in onze databank gemerkt dat de exploitant op verzoek van mijn voorganger, met pensioen, documenten heeft doorgestuurd zoals uittreksels uit de registers, afvoerbewijzen…

Maandag 24 februari 2020 organiseert het gemeentebestuur van Stekene om 8 uur ’s avonds een infoavond in het Boskafeeke http://www.boskafeeke.be/ over haar plannen voor de Bekaf. Ik kan daar jammer genoeg niet bij zijn, maar ik heb alvast voor onze bewindvoerders een gouden tip: zorg er alsjeblieft voor dat er stante pede grondige stalen genomen worden van de grond die er door Vagaetrans dagelijks gestort wordt.

“Niet iedereen heeft het geluk op deze manier te kunnen sterven”

Sinds 30 augustus vorig jaar weet dokter en PVDA-politicus Dirk Van Duppen (63) dat hij terminaal is. In Zo verliep de tijd die mij toegemeten was maakt hij de balans op van leven en werk. 

 

In de woonkamer van doktersechtpaar Dirk Van Duppen en Lieve Seuntjens in Deurne staat een wiegje voor als hun eerste kleinkind Louis op bezoek is. “Hij is geboren op 30 december”, zegt Dirk. “Onze oudste zoon Ward had het er moeilijk mee dat Louis zijn opa niet zal leren kennen. Ward had een uitstekende band met zijn opa, mijn in 2009 overleden vader Louis. Mijn boek Zo verliep de tijd die mij toegemeten was is daarom ook bedoeld voor mijn kleinkind dat ik nooit zal zien opgroeien. Zo leert hij later de betekenis van het leven van zijn opa kennen.”

PVDA-dokter Dirk Van Duppen raakte de voorbije veertig jaar bij het grote publiek bekend als boegbeeld van Geneeskunde voor het Volk (GVHV) en als onvermoeibaar strijder tegen de farma-industrie en het fijnstof in Antwerpen. Samen met actievoerders zoals Wim Van Hees en Manu Claeys hield hij de bouw van de Lange Wapper tegen. Tot voor kort was Van Duppen een stevig gebouwde man met een weelderige haardos. Vandaag oogt hij mager en frêle en is hij bijna kaal. Zijn lichaam takelt snel af, maar zijn geest blijft alert.

“Na de verkiezingen van mei vorig jaar was ik moe”, zegt hij. “We hadden hard campagne gevoerd en die vermoeidheid leek een logisch gevolg. Maar ik voelde me ook down en dat vond ik raar, want de PVDA behaalde een uitstekende uitslag. (lachje) Mijn suikerwaarden waren hoog. Ik had overgewicht en we dachten aan diabetes type 2. Dus nam ik medicatie, ging ik op dieet en begon ik stevig te fietsen, tien weken lang. Na afloop was ik tien kilo kwijt, maar mijn suikerwaarden bleven hoog.

“Er werd een CT-scan gemaakt. Op vrijdag 30 augustus zat ik hier in de zetel op telefoon van de radioloog te wachten. Die kwam maar niet. Ik belde naar het ziekenhuis en kreeg niemand te pakken. Ik werd steeds ongeruster. Als dokter heb ik toegang tot mijn eigen medisch dossier. Ik klapte mijn laptop open en las: ‘terminale pancreaskanker’. Ik wist meteen: dit is het einde.”

 

Het lijkt me verschrikkelijk om zo uw doodvonnis te moeten lezen.

“Het was alsof iemand met een voorhamer op mijn hoofd sloeg. Ik belde Lieve. Zij liet alles op de groepspraktijk vallen en kwam meteen naar huis. We zaten hier samen te huilen. ’s Anderendaags lichtten we onze drie kinderen en hun partners in. Dat was zwaar. Iemand opperde om allemaal samen een weekend weg te gaan, naar een vakantiepark in Limburg. Daar hebben we veel gepraat. Dat deed deugd. Geen enkele vraag gingen we uit de weg en er werd niets verdoezeld. Er was groot verdriet, maar ook verbondenheid.”

 

Er is geen behandeling mogelijk?

“Nee. Er wordt weinig onderzoek gevoerd naar de behandeling van pancreaskanker. Big pharma is daar niet in geïnteresseerd. De tumor is te complex en er zijn te weinig zieken. De chemotherapie die ik nu krijg, is al meer dan 25 jaar dezelfde. Ze remt de groei van kankercellen en vernietigt ze, maar ze maakt geen onderscheid tussen gezonde en zieke cellen.”

 

Een groot deel van uw leven streed u net tegen die Big Pharma.

“Ja, dat komt nu op een bizarre manier naar me terug, net als mijn strijd tegen luchtvervuiling. Ik sprak met de oncoloog over de mogelijke oorzaken van pancreaskanker: roken, morbide obesitas, alcoholisme, weerkerende alvleesklierontstekingen en familiale vatbaarheid. Geen enkele risicofactor geldt voor mij. Toen zei hij: ‘Er is ook nog luchtvervuiling.’ Wie binnen vijfhonderd meter van een snelweg woont, krijgt de meeste vervuiling te slikken. De ring ligt vlakbij en er razen een paar honderdduizend voertuigen per dag voorbij. In Antwerpen ligt het aantal kankers en hartinfarcten niet voor niets significant hoger dan in de rest van Vlaanderen.”

 

Als dokter weet u zeer goed hoe de ziekte evolueert. Alle illusies waren van in het begin weg?

“Zeker. Oncologen waren voorzichtig en probeerden niet al te pessimistisch te klinken. Maar ik kende mijn mediane overleving (maanden of jaren die 50 % van de mensen na diagnose of behandeling nog in leven zijn – red.) Met chemo is dat acht maanden, zonder vier.”

 

U koos voor chemo, met alle daarbijhorende ongemakken.

“Vier maanden vond ik nog de moeite. (lacht) Met die chemo begon inderdaad ook de aftakeling. Ze zorgt voor extreme vermoeidheid die door veel rust of slaap niet verdwijnt.

“Lieve bleef thuis. Dat zette nogal wat druk op de groepspraktijk, want er vielen zo twee dokters van de tien weg. Eerst werd aan de patiënten meegedeeld: ‘Dirk heeft een ernstige ziekte.’ Dat zorgde voor vragen zoals: ‘Komt hij nog terug?’ of: ‘Mogen we hem bezoeken?’ Waarna we in ons patiëntenkrantje duidelijk communiceerden wat er met mij aan de hand is. Dat gaf rust: onze patiënten begrepen het, leefden mee en de druk viel weg. Ze kwamen kaartjes afgeven. Daarna zetten we het op Facebook. Mensen reageerden opnieuw massaal. Ook Bart De Wever. Dat vond ik fijn. Hij schreef samen met het schepencollege een schoon kaartje. In oktober gaf ik een afscheidsinterview aan Humo en daar kwamen nog meer aanmoedigende reacties op.”

 

U zei daarnet dat uw zoon een uitstekende relatie had met zijn opa, uw vader. Dat is ook de man waar u als kind harde klappen van kreeg.

“Tegenover zijn kleinkinderen was vader totaal anders: een heel lieve opa. Veel generatiegenoten die nu op bezoek komen, vertellen gelijkaardige verhalen over hun gewelddadige vaders.”

 

Uw vader was onderwijzer. Was hij op school ook zo streng?

“Zeker. In zo goed als heel de basisschool was geweld de norm. Slechts een paar onderwijzers sloegen niet. Ik was vijftien toen het ophield. Mijn jongste broer Piet gaf een verjaardagsfeestje. Vader haalde uit naar mij, maar ik duwde hem en hij viel op de grond. Piets vriendjes zagen die strenge meester Van Duppen vallen. Na dat incident heeft vader ons nooit meer aangeraakt. Hij veranderde en er kwam een vorm van respect. Daarom voel ik geen rancune tegenover hem. Op de middelbare school politiseerde ik.”

 

Dat wil zeggen: u werd communist en lid van AMADA of ‘Alle Macht Aan De Arbeiders’, de voorganger van de PVDA.

“Precies. Vader liet me doen, ook al spijbelde ik om aan poorten van andere scholen pamfletten uit te delen. Hij kreeg bezoek van de BOB, de bijzondere opsporingsbrigade van de rijkswacht. ‘Uw minderjarige zoon verkoopt opruiende taal. Bent u daarvan op de hoogte?’ Vader werd toen niet boos op mij, maar wel op de BOB’ers.”

 

Eind jaren tachtig nam een vriend me mee naar een lezing van wijlen Ludo Martens, op dat moment voorzitter van de PVDA. Ik hoorde die man de lof van Jozef Stalin zingen. Hij verdedigde de Stalinistische zuiveringen en vond zelfs dat er te weinig ‘reactionairen’ waren weggezuiverd. Ik vond dat schokkend.

“Zoiets heb ik nooit gehoord. Er woedde in de partij wel een hevig debat over het stalinisme. Dat is in 2008 definitief afgesloten. Ludo Martens schreef indertijd het boek Een andere kijk op Stalin. Veel van wat daarin staat, is niet per se verkeerd. Zo schreef hij dat tijdens het bewind van Stalin de Sovjet-Unie veel wetenschappers en ingenieurs telde, en dat voor een land dat net uit de feodale tijd kwam. Maar het boek was eenzijdig en selectief. De repressie onder Stalin was misdadig.”

 

De Sovjet-Unie draaide uit op een compleet fiasco en China en Noord-Korea zijn niet meteen toonbeelden van staten waar de mensenrechten geëerbiedigd worden. De praktische uitvoering van het communisme is geen groot succes.

“Alles hangt af van welke inhoud je aan het begrip communisme geeft. In De meeste mensen deugen beschrijft Rutger Bregman hoe in het middelbaar een leraar vertelde: ‘Communisme is: iedereen naargelang zijn behoeften en capaciteiten.’ Ik had ook een leraar in het middelbaar die net hetzelfde zei, dertig jaar voor Bregman. Die leraar raadde mij aan Het communistisch manifest van Karl Marx te lezen. Dat sprak mij aan. Ik ben een overtuigd marxist en geen stalinist. Op mijn kamer hing een affiche met een uitspraak van bevrijdingstheoloog Don Helder Camara: ‘Als ik de armen eten geef ben ik een heilige. Vraag ik waarom ze arm zijn, dan ben ik een communist.’ Dat is voor mij de essentie.

“Wij hebben goede banden met de Cubanen. Wat niet wil zeggen dat we Cuba als blauwdruk zien. Maar daar werken we wel concreet aan gezondheidsprojecten in de oude wijken van Havana. We kennen de gezondheidszorg in Cuba inmiddels goed. We hebben daar dingen zien gebeuren die zeer mooi zijn.”

 

Er zitten in Cuba mensen in de gevangenis omwille van hun overtuiging.

“Niet zoveel meer. U moet een onderscheid maken tussen propaganda en de realiteit.”

 

Elke mens die omwille van zijn overtuiging in de cel gestopt wordt, is er toch één te veel?

“De les die wij geleerd hebben, is om zoiets niet te verdedigen en om te stoppen met het dogmatisch kopiëren van buitenlandse voorbeelden. Haar grootste crisis beleefde mijn partij in 2003 na de deelname aan de federale verkiezingen als Resist met Dyab Abou Jahjah.”

 

De verkiezingsuitslag viel toen lelijk tegen en Resist werd een mislukte verruimingsoperatie?

“Een verruimingsoperatie zou ik dat niet noemen, eerder een geval van tunnelvisie. In maart 2003 brak de golfoorlog uit en wij waren actief in het verzet. Maar het was een vergissing om dat terechte verzet te koppelen aan de provocatieve stijl van Abou Jahjah. De mensen vonden dat er ver over. Ik voelde dat heel goed in onze dokterspraktijk. Ik hoorde en zag: met Resist gaan we de boot in. In diezelfde periode schreef ik De cholesteroloorlog, een aanklacht tegen de geldhonger van de farma-industrie. Het patent op een cholesterolverlager was vervallen en ik vroeg aan het RIZIV een terugbetaling voor een generiek middel, identiek aan het origineel, maar 40 % goedkoper. Die aanvraag werd geweigerd. Blijkbaar golden de nieuwe soepele voorwaarden voor de generieken enkel voor het origineel. Ik begon dieper te graven en dat onderzoek resulteerde in De cholesteroloorlog. Mijn boek verscheen in 2004 en sloeg in als een bom. Het ACV en het ziekenfonds CM steunden mij, wat toen heel bijzonder was. Want de PVDA werd nog beschouwd als een sektaire communistische club. Maar nu betoogden die grote katholieke organisaties samen met ons. Ik heb toen geleerd dat we rond heel concrete projecten moeten werken.”

 

U was lang voorzitter van de groepspraktijken van GVHV. Jarenlang werden ze verketterd door de Orde van Geneesheren. In juni vorig jaar keerde de Orde op haar stappen terug. Ondervoorzitter Michel Deneyer zei zelfs dat hij vond dat GVHV kwalitatief sterk werk levert.

“Michel Bafort is de voormalige voorzitter van de Orde van Geneesheren Oost-Vlaanderen. Hij las mijn afscheidsinterview in Humo en stuurde me een pakkende mail. Hij schreef dat ik de geneeskunde in dit land blijvend veranderd heb en menselijker heb gemaakt. ‘De universiteit van Gent zegt: durf te denken. Jij zegt: durf ook iets te doen.’ Dat was heel speciaal, want het conflict met de Orde was veertig jaar oud. Al die tijd betaalde ik geen lidgeld; dit jaar was de eerste keer. Jarenlang stond de Orde onder invloed van het reactionaire artsensyndicaat BVAS van Marc Moens. De codex van de Orde bulkte van het corporatisme en draaide vooral rond de eer en de waardigheid van het beroep. In 2015 bood Michel Bafort tijdens een speech zijn excuses aan GVHV aan. Jarenlang was Bafort een hardliner. In 2014 sleurde hij onze artsen in Zelzate nog voor de rechter. Hij sloeg compleet om. Ik schreef een opiniestuk in de krant tegen de prestatiegeneeskunde. ‘Doe beroep op de motivatie van binnenuit van de artsen.’ Michel Bafort was het met me eens en wou met me praten. Hij vertelde toen dat in zijn provincie de prestatiegeneeskunde een aantal specialisten tot zelfmoord had gedreven. De ziekenhuisdirecties zweepten dokters op om zoveel mogelijk patiënten de revue te laten passeren. Ze knapten daarop af. Sommigen vluchtten weg in de drank of kregen een burn-out, anderen pleegden zelfmoord. Bafort richtte Arts in Nood op, een organisatie die collega’s met psychische problemen bijstaat. Ik vind dat een heel mooi initiatief. We vonden elkaar: de codex van de Orde werd in samenspraak met ons herschreven en de strijdbijl begraven.”

 

Uw broer Jan was in zijn jonge jaren ook lid van Amada. Vandaag heeft hij oor voor Theodore Dalrymple, de Britse oerconservatieve psychiater die vindt dat het de ‘onderklasse’ aan wilskracht ontbreekt.

“Dalrymple is onwaarschijnlijk rechts en dat is dan nog vriendelijk gezegd. Ja, het verliep merkwaardig. Wij zijn nu net zoals Bruno en Bart De Wever.”

 

Een dubbelinterview met uw broer zag u niet zitten.

“Nee, niet op het einde van mijn leven. Jan is oprecht bezorgd over mij en komt zoveel mogelijk langs. Onze broederband is hersteld.”

 

Als jullie samen zijn, spreken jullie niet over politiek?

“Dat heeft moeder ons op haar sterfbed gevraagd. Daarvoor hadden we een paar keer klinkende ruzie. Dat was niet slim van mij. In april 2009 kwam Tine Van Rompuy, de zus van CD&V-politici Herman en Eric, op voor de PVDA. Ondanks hun politieke meningsverschillen, praatten de broers altijd met veel respect over hun zus én omgekeerd. Dat had het voorbeeld voor mij moeten zijn. Al tijdens onze studies groeiden Jan en ik ideologisch uit elkaar. Hij werd in 1999 Vlaams parlementslid voor de sp.a. Hij kreeg ruzie met Patrick Janssens en Steve Stevaert en nam verbitterd afscheid. De laatste tien jaar van zijn carrière werkte hij als huisarts in een achterstandswijk in Rotterdam.”

 

In uw boek schrijft u: ‘Er leven twee opvattingen over de aard van de mens. De eerste luidt: de mens is van nature goed maar in staat tot het kwade. De tweede zegt precies het omgekeerde: de mens is van nature kwaad maar in staat tot het goede.’ U koos voor de eerste opvatting; uw broer voor de tweede?

“Ja, we kozen een verschillend mensbeeld. Volgens sommigen is onze beschaving een dun laagje vernis. Van zodra je eraan begint te krabben, komt de ware, zelfzuchtige aard van de mens naar boven. Die theorie floreerde lang, maar werd de laatste jaren bedolven onder wetenschappelijk bewijs dat de mens vanaf de geboorte de neiging heeft tot empathie, hulpgedrag en samenwerking. De mens is van nature solidair en behulpzaam. Ik schreef daar in 2016 samen met moleculair bioloog Johan Hoebeke De supersamenwerker over. Ik ben heel trots op dat boek en beschouw het als het sluitstuk van mijn levensengagement.”

 

Als dokter kunt uzelf goed inschatten hoe lang u nog heeft?

“Dat zijn niet veel maanden meer, eerder weken. Stilaan raak ik daarmee verzoend. Ik ben blij dat de euthanasiewet bestaat. Want een natuurlijk einde met pancreaskanker is creperen. Nu houd ik de pijn nog met morfine onder controle, maar dat blijft niet duren. Alles is uitgesproken, of toch bijna alles. Ik voerde de voorbije weken ontzettend veel gesprekken. Niet iedereen heeft het geluk op deze manier te kunnen sterven.”

 

Dirk Van Duppen en Thomas Blommaert, Zo verliep de tijd die mij toegemeten was, EPO, 122 blz., 15 euro

(c) Jan Stevens

‘Ik gunde die Duitsers het plezier niet om mij kapot te maken’

Het joodse meisje Selma Velleman was zeventien toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Ze dook onder en sloot zich aan bij het verzet als de niet-joodse Marga van der Kuit. Ze werd gearresteerd, maar overleefde. Op haar 97e brengt ze in Mijn naam is Selma het relaas van haar bewogen oorlogsjaren. “Ik dacht aldoor: ‘Ik gun die Duitsers het plezier niet om mij kapot te maken.’”

 

“Houd ik mijn jasje aan of trek ik het uit?”, vraagt ze aan de fotograaf. “Lach ik of kijk ik ernstig?” Op 7 juni van dit jaar viert Selma van de Perre, geboren Velleman, haar 98e verjaardag, maar ze lijkt minstens twintig jaar jonger. Ze woont in Londen; voor de voorstelling van haar boek Mijn naam is Selma is ze even in Nederland, in haar geboortestad Amsterdam. Daar zag ze in 1922 het levenslicht als dochter van acteur Barend Velleman en hoedenmaakster Fem Spier. Er waren al twee zonen, Louis en David, en later zou nog een dochter volgen, Clara. Bij de geboorte van Selma woonde de joodse familie Velleman-Spier op de Prinsengracht. Later verhuisden ze naar de wijk De Pijp. Toen WO II uitbrak, was Selma zeventien. In 1942 sloot ze zich onder de naam Margareta, ‘Marga’, van der Kuit als niet-joodse aan bij het verzet. Ze vervalste documenten en koerierde over heel Nederland. In 1944 werd ze door de nazi’s opgepakt en na een verblijf in kamp Vught op transport gezet naar het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück. Haar ouders en zus Clara overleefden de gruwel niet. Tot aan haar bevrijding wist niemand dat Selma joods was. Na de oorlog verhuisde ze naar Engeland waar ze buitenlandcorrespondent werd voor de Nederlandse omroep AVRO en verschillende Belgische kranten. In Londen leerde ze de inmiddels overleden Belgische buitenlandcorrespondent Hugo van de Perre kennen. “Er was maar een smalle gang tussen onze kantoren bij de BBC. We spraken allebei Nederlands en dat schepte een band. Hugo was de enige Vlaamse journalist in die dagen; de anderen waren allemaal Franssprekend. Dus gingen we vaak samen lunchen. Na een paar jaar trouwden we en kregen we een zoon. Hugo’s vader Alfons was volksvertegenwoordiger en stond aan de wieg van de krant De Standaard.”

 

Waarom hebt u zo lang gewacht om dit boek te schrijven?

“Mijn neven zijn in de zeventig. Meer dan tien jaar geleden zeiden ze al: ‘Selma, jij bent de enige van papa’s generatie die nog in leven is. Schrijf je ervaringen op.’ Ze bleven maar zeuren. (lacht) Rond 2004 begon ik dan maar aantekeningen te maken. Maar dat lukte niet zo goed, want ik leidde een druk leven met lesgeven, schilderen en golven. Het was ook niet makkelijk om me die periode opnieuw voor de geest te halen. Ik had die verdrongen.”

 

U was bang voor uw herinneringen?

“Ja. Op een bepaald ogenblik zei mijn neef die professor is: ‘Selma, je moét een boek schrijven. Aantekeningen zijn niet genoeg.’ Hij bleef maar zeuren: ‘Hoe ver ben je?’ Ik had dus geen andere keuze.”

 

In wat voor gezin groeide u op?

“Mijn vader was een heel liberale jood en wij hadden ontzettend veel niet-joodse vrienden. Mijn vriendinnetjes waren bijna allemaal katholiek of protestants. Ik was niet in het geloof opgevoed, niet naar inhoud en ook niet naar vorm. Toen we vanaf 3 mei 1942 als joden de ster moesten dragen, was dat een afschuwelijke ervaring. We mochten geen gebruik meer maken van openbaar vervoer, theaters, hotels, bioscopen, restaurants en zwembaden.”

 

De Amsterdamse joden hadden pas laat door hoe ernstig de toestand was?

“Inderdaad. Lang waren ze ervan overtuigd dat er alleen maar werkkampen waren. Ik herinner me heel goed hoe ze met violen en gitaren in stoet naar het station trokken. Niemand wist dat de nazi’s intussen een machinerie in gang gezet hadden om de joden te vernietigen. De bezetters waren heel slim en deden er alles aan om opstanden te vermijden. Ze richtten een ‘Joodsche Raad’ op en er werden fantasieverhalen de wereld ingestuurd over die werkkampen voor joden.”

 

Uw vader trok nietsvermoedend naar zo’n kamp.

“Wij kregen geen kranten meer, maar wel elke week ‘Het Joodsche Weekblad’, het officiële blad van de Joodsche Raad waarin alle Duitse verordeningen voor de joden werden gepubliceerd. Daar stond in dat vrouw en kinderen vrij zouden zijn als de man ging werken in een kamp in Drenthe. De avond van zijn aankomst werd vader naar doorgangskamp Westerbork gestuurd. Alle vrouwen en kinderen werden opgehaald en op transport gezet. Wij konden de dans toen gelukkig ontspringen. We doken toen ook meteen onder, mijn moeder, mijn zusje en ikzelf. Al wie onderdook, kreeg een nieuw persoonsbewijs dat gestolen was, gevonden of geschonken. Foto’s werden veranderd en er werd een stempel op je eigen foto gezet. In het begin kreeg ik de identiteit van Wilhelmina Buter, een Amerikaanse studente die na de inval van de Duitsers met de laatste boot naar Amerika was vertrokken.”

 

Hoe reageerden uw niet-joodse buren?

“Veel niet-joodse Nederlanders sloten zich aan bij het verzet, maar niet genoeg. In vergelijking met Denemarken en België, zijn er in Nederland té weinig joden gered. Ik bood mezelf bij het verzet aan, om zo anderen te helpen. Ze vroegen me of ik proefkonijn wou zijn voor een nieuw persoonsbewijs. Toen werd ik de niet-joodse Marga van der Kuit.”

 

U was 20 toen u bij het verzet aansloot. Dat is toch heel jong?

“Ik was nog een kind en ontzettend naïef. Ik besefte niet altijd even goed hoe gevaarlijk het was. Zo liep ik gewoon op straat op het moment dat de Duitsers joodse meisjes van mijn leeftijd aan het oppakken waren. Ik heb vaak ontzettend veel geluk gehad. Ook veel oudere verzetslui waren naïef en schatten het gevaar verkeerd in. Nu kennen we de geschiedenis en weten we wat de risico’s waren. Maar op dat moment hadden we daar geen zicht op.”

 

Wat hield uw verzetswerk in?

“In het begin stopte ik verzetsblaadjes in enveloppen. Niet veel later vroegen ze me om koffers vol met pakken met verzetsbladen met de trein naar andere grote steden te brengen. Het ene ondergrondse blad was De Vonk en het andere Trouw.”

 

Als de Duitsers je daarmee oppakten, hing je leven aan een zijden draadje?

“Zeker, maar ik had dat niet door. Ik geloofde in die tijd nog dat alles me kon lukken. De allereerste keer dat ik met een koffer vol verzetsbladen op stap ging, werd ik al aangehouden. Er was controle aan de uitgang van het station van Leiden. Een SS’er vroeg: ‘Wat zit er in die koffer?’ Ik zei: ‘Ondergoed.’ Toen riep hij: ‘Openmaken!’ Ik schrok me dood. In de koffer zaten vijf pakken vol verzetsbladen. Hij keek ernaar en zei: ‘Oké, dichtmaken en doorgaan.’”

 

In juni 1944 werd u gearresteerd.

“Voor ons verzetswerk hadden we onder andere vingerafdrukdoosjes, stempelinktkussentjes en gereedschap om foto’s op de persoonsbewijzen vast te maken. Gevaarlijk materiaal dat ik in een koffer onder mijn bed bewaarde. Verzetsmakker Frans Gerritsen was handig en had me boekenplanken met geheime laatjes voor mijn vervalsingsmateriaal beloofd. Ik ging die ophalen in het huis van Bob Jesse, een andere verzetsmakker. Maar die dag werd Bob gearresteerd door twee agenten van de Grüne Polizei. Ze pakten mij meteen ook op. Ik deed alsof ik enkel op bezoek was. Dat hadden we op voorhand zo afgesproken.”

 

Geloofden ze u?

“Die twee agenten wel. Het waren hele dikke Duitsers. Op weg naar de gevangenis zat ik tussen hen in en ik kon bijna niet bewegen. (lacht) Eerst was ik bang, maar omdat ik zag dat ze me geloofden, verdween de angst. Tot ik ’s anderendaags voor Willy Lages, het hoofd van de Sicherheitsdienst in Nederland moest verschijnen. ‘Was ist das?’, blafte hij. De Duitser die me begeleidde, antwoordde: ‘O, das Mädchen hat nicht damit zu tun.’ Ik voelde meteen een enorme opluchting. Maar Lages zei: ‘Glaub ich nicht.’ De moed zonk me in de schoenen. Ik moest gaan zitten en toch bleef ik glimlachen. Mijn tas werd meegenomen. Ik lachte schaapachtig naar de jongens in militair uniform. Vanbinnen stierf ik. Toen brachten ze mijn tas terug: mijn papieren met mijn niet-joodse identiteit van Marga van der Kuit bleken in orde. Godzijdank. Want het waren echte gemeentedocumenten die we gekregen hadden van ambtenaren die clandestien met ons samenwerkten. De Duitsers stuurden me naar Vught. Mijn kleren werden afgenomen, ik werd in bad gestopt, kreeg een blauwe overal en een blauw hoofddoekje met witte stippen.”

 

U werd beschouwd als politiek gevangene?

“Ja. Ze hebben gelukkig nooit ontdekt dat ik joods ben. Vanuit Vught werden we op transport gezet naar het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück. In vergelijking met Ravensbrück was Vught een sanatorium, terwijl daar ook mensen gemarteld en doodgeschoten werden. Maar in Vught kon je tenminste af en toe douchen en kreeg je eten. Ravensbrück was de hel. We werden ingeschakeld in de oorlogsindustrie, werkten ons te pletter en werden mishandeld. Negen maanden lang probeerde ik te overleven. Ik dacht aldoor: ‘Ik gun die Duitsers het plezier niet om mij kapot te maken.’

“Op 23 april 1945 moesten alle Nederlandse en Belgische vrouwen na het dagelijkse appel naar de hoofdstraat wandelen. We dachten dat ons laatste uur geslagen was. Tot er in de verte een sportauto kwam aanrijden. Een jongeman opende het portier en zei dat hij ons kwam bevrijden. ‘Ik kom uit Zweden’, zei hij. Dat was een surrealistisch tafereel. Hij gaf me een sigaret en een dag later werden we in veiligheid gebracht.”

 

Wanneer wist u wat er met uw familie was gebeurd?

“Van mijn moeder en zusje wist ik het vrij vlug. Ik vond hun namen op de lijsten van vermoorde mensen aan de muur van het gemeentehuis. Mijn broers waren in veiligheid in Engeland en van vader had ik geen nieuws. Ik verhuisde ook naar Engeland en hoopte dat papa door de Russen bevrijd was. Maar een half jaar later kreeg ik bericht van het Rode Kruis dat hij op 7 december 1942 al vermoord was in Auschwitz.”

 

Volgens sommigen leven we terug in de jaren dertig. Vindt u dat ook?

“Dat is iets te sterk. Natuurlijk zijn er opnieuw autoritaire leiders en is het vooral in het Midden-Oosten heel gevaarlijk. Toch hoop ik dat de mensheid haar lesje geleerd heeft. Het enige wat ons kan redden, is tolerantie. Niet voor de volle honderd procent, want heel sterke intolerantie mag je nooit tolereren. Maar we moeten wel zo verdraagzaam mogelijk zijn. Zelfs als je het met iemand oneens bent, moet je toch proberen even in zijn schoenen te gaan staan. En als je er dan toch niet uit raakt, laat je elkaar best met rust. Leven en laten leven, daar geloof ik in.”

 

Selma van de Perre, Mijn naam is Selma, Uitgeverij Thomas Rap, 256 blz., 19,99 euro

(c) Jan Stevens

‘Schrijven is voor mij hetzelfde als geluk’

Met Nachttrein naar Lissabon scoorde romancier Pascal Mercier begin deze eeuw een internationale megaseller. Na meer dan tien jaar doorbreekt hij zijn oorverdovende stilte met een nieuwe roman: Het gewicht van de woorden. “Ik ben een ouderwetse man die altijd ouderwetse boeken geschreven heeft.”

_DSC0004

In 1995 debuteerde de Duits-Zwitserse filosoof Peter Bieri op zijn 45e als romanschrijver onder de schuilnaam Pascal Mercier. “Ik werkte aan de universiteit van Berlijn als professor analytische filosofie”, zegt hij. “Dat is de hardste en strengste tak uit de filosofie. Ik publiceerde mijn debuutroman Perlmanns zwijgen als Pascal Mercier om mezelf te beschermen. Want ik was bang voor het schandaal wanneer mijn collega’s zouden ontdekken dat ik het had aangedurfd mijn verbeelding te gebruiken. Het boek werd een succes en mijn ware identiteit raakte bekend, met als gevolg dat sommige collega’s aan de universiteit jaloers werden op het geld en de roem. De Duitse academische wereld wordt bevolkt door haaien, alleen konden ze mij niet verslinden.”

We zitten in Pascal Merciers schrijfkamer in zijn huis in een groene buitenwijk van Berlijn. De muren zijn bekleed met boeken. “Voor het schrijven van Het gewicht van de woorden zat ik de drie jaar lang op deze stoel”, zegt hij. “De eerste honderd bladzijden schreef ik met de hand, om alle finesses te doorgronden. Daarna schakelde ik over op tekstverwerker. Tijdens het schrijven vloog de tijd van de buitenwereld voorbij. Uren, dagen, maanden. Maar dat telde niet. Het enige wat ertoe deed, waren de uren die ik doorbracht in het rijk van de verbeelding. Het mooiste aan schrijven, is dat je je eigen poëtische tijd creëert, die exclusief van jou is.”

Het gewicht van de woorden vertelt het verhaal van de zestiger Simon Leyland. Hij krijgt te horen dat hij nog maar een paar maanden te leven heeft, verkoopt zijn bloeiende uitgeverij in het Italiaanse Triëste en verhuist naar Londen, de stad waar hij volwassen werd en zijn vrouw Livia leerde kennen. Zij stierf tien jaar eerder. Leyland probeert zich met zijn levenseinde te verzoenen en herleest de brieven die hij in de loop der jaren aan zijn overleden vrouw schreef. Wanneer blijkt dat zijn medische dossier verwisseld is met dat van een andere man, krijgt hij terug een toekomst en moet hij zijn leven heruitvinden.

 

Waarom duurde het zo lang om Het gewicht van de woorden te schrijven? Uw laatste roman dateert van 2007.

Pascal Mercier: “Tussen die twee romans in schreef ik nog een filosofisch boek over menselijke waardigheid. Daar kroop al snel vier jaar van mijn leven in. Het gewicht van woorden spookte ongeveer tien jaar lang in mijn hoofd. Het was heel moeilijk om de juiste architectuur te vinden. Deze roman vertelt het levensverhaal van iemand die op zoek is naar zijn eigen stem. Niet alleen naar zijn letterlijke stem met zijn eigen woorden, maar ook naar zijn emoties en zijn fantasieën. Ik wou zowel de buitenkant als het innerlijk van Simon Leyland vatten. Technisch is het echt niet eenvoudig om die twee perspectieven te combineren. Want ik schreef niet vanuit de ‘ik-persoon’, maar vanuit ‘hij’. Tot ik op het idee kwam om hem brieven te laten schrijven naar zijn dode vrouw. Heel het schrijfproces was een lange ontdekkingsreis naar wie die Simon Leyland écht is. Bij de start had ik totaal geen idee. Al schrijvende leerde ik hem steeds beter kennen.”

 

_DSC0052Leyland is niet alleen uitgever, maar ook vertaler en later schrijver. Op het einde van de roman vraagt zijn dochter: “Hoe dicht sta je bij je personages? Zijn ze familie geworden?” Wat zou u daarop antwoorden?

“Ze staan heel dicht bij mij. Als schrijver kun je een personage pas goed ontwikkelen wanneer je je ermee kunt identificeren. Je moet hun innerlijke wereld kennen. Dat geldt zeker voor het hoofdpersonage Simon Leyland. Wat niet wil zeggen dat hij een kopie is van mezelf. Maar ik begrijp zijn emoties zeer goed. Ik voel me ook verwant met zijn gestorven vrouw Livia en hun twee kinderen, en met zijn Londense buurman en vriend Kenneth Burke. Dan is er nog die ene prachtige figuur waar ik ontzettend van hou, de Russische gevangene Andrej Koezmin. Eigenlijk heb ik aan geen enkel door mij verzonnen personage in deze roman een hartsgrondige hekel. (lacht)”

 

Ik heb het gevoel dat u graag namen verzint, zoals Simon Leyland en Andrej Koezmin, maar ook Raimund Gregorius uit Nachttrein naar Lissabon en uw eigen pseudoniem, Pascal Mercier.

“Dat voelt u goed aan. Namen verzinnen is een fascinerende en zeer ingewikkelde activiteit. Het kostte me meer dan een half jaar om Leyland te vinden. Ik trof die naam uiteindelijk aan in een dik boek met enkel Britse familienamen. Ik doorploegde die lijst met in het achterhoofd de vraag welke naam paste bij het innerlijk beeld dat ik van dat personage had. Ik kan geen boek schrijven zonder dat ik ervan overtuigd ben dat ik de correcte namen voor de karakters gevonden heb. Ik ben bezig aan een nieuwe roman en zit in de ondraaglijke fase van het vinden van namen. Schrijven is voor mij hetzelfde als geluk. Als de juiste zinnen, namen en metaforen komen, ben ik perfect gelukkig. Maar als ik een valse start neem of het verhaal de verkeerde kant uitstuur, verpest dat soms maanden van mijn leven.”

 

Probeert u al schrijvende te ontsnappen aan de gruwel van de echte wereld?

“Misschien wel. De wereld die ik gecreëerd heb, is zeker minder lelijk en minder wreed. Mijn schepsels hebben meer begrip voor elkaar dan de mensen van vlees en bloed die je hier in Berlijn op straat tegenkomt. Maar toch is dat maar de halve waarheid. Want ik ontvlucht niet alleen de echte wereld, ik creëer ook een nieuwe.”

 

Die lijkt in deze roman uit het verleden te stammen, want hij wordt vooral bevolkt door uitgevers, schrijvers, dichters en vertalers. Terwijl de wereld van nu toch vooral beheerst wordt door beelden.

“U hebt gelijk, hoor. Mijn boek gaat over oude tijden en is ‘old fashioned’. Ik ben een ouderwetse man die altijd ouderwetse boeken geschreven heeft. (lacht) ‘Ouderwets’ heeft niets met het conservatisme uit de politiek te maken. Het wil gewoon zeggen dat ik vasthou aan een bepaalde manier van leven waar ik geen afstand van wil nemen. Ik weersta aan alle veranderingen die me door welke media ook worden opgelegd. Daarom schreef ik een roman over een minnaar van woorden, over iemand wiens hele leven bepaald wordt door zijn liefde voor poëzie.”

 

Er wordt heel wat afgepaft in uw roman. Uw personages lurken continu aan sigaretten. Erg politiek correct is dat niet.

“Tijdens het schrijven denk ik nooit in politiek correcte termen. Niet omdat ik per se politiek incorrect wil zijn, maar omdat dat gewoon niet in me opkomt. In Nachttrein naar Lissabon wil Raimund Gregorius om zes uur in de ochtend weten wanneer een bepaalde trein vertrekt. Hij neemt de telefoon en belt naar de spoorwegen, maar het is nog veel te vroeg en hij blijft op zijn honger zitten. Op een lezing vroeg iemand uit het publiek: ‘Meneer Mercier, waarom zocht hij die informatie niet op internet?’ Ik antwoordde: ‘Gregorius weet niet eens dat er internet is.’ (lacht)”

 

In Het gewicht van de woorden speelt de dood een prominente rol. U bent 75. Dat thema begint u te achtervolgen?

“Ja, ik denk heel vaak aan de dood. Zo dwing ik mezelf onderscheid te maken tussen wat nog belangrijk is in mijn leven en wat niet. Net als Simon Leyland die te horen krijgt dat hij een hersentumor heeft. Zijn dagen zijn geteld en in het licht daarvan neemt hij ingrijpende beslissingen. Tot blijkt dat hij het slachtoffer is van een verkeerde diagnose en iemand anders die tumor heeft. De poorten van de toekomst gaan opnieuw open. Intussen communiceert hij bijna constant met zijn dode vrouw Livia. De dood wordt voor hem poëzie. Ik weet het, Het gewicht van de woorden is zwaar en soms donker. Tezelfdertijd is het ook een optimistisch en positief boek. Mensen veranderen en vinden een nieuwe toekomst. Voor Leyland geldt dat wel heel letterlijk, op het moment dat hij te horen krijgt dat zijn tumor in werkelijkheid enkel een zware vorm van migraine is.”

 

In de maand tussen zijn doodvonnis en zijn heropstanding verkoopt hij zijn uitgeverij om de laatste maanden van zijn leven vrij te zijn. Nam hij toen ook ‘de nachttrein naar Lissabon’?

“Hij startte compleet opnieuw, ja. Net als andere personages, zoals zijn dochter Sofia die haar opleiding geneeskunde wel afmaakt, maar na die foute diagnose zweert nooit dokter te worden.”

 

Net als in Nachttrein naar Lissabon horen we nu opnieuw de filosoof Peter Bieri die stelt dat je bereid moet zijn je schepen achter je te verbranden van zodra je je ware roeping in het leven gevonden hebt?

“Ja. In Nachttrein naar Lissabon zei Raimund Gregorius van de ene dag op de andere zijn gemakkelijke bestaan als leraar vaarwel. En hij nam de nachttrein naar Lissabon, op zoek naar de Portugese schrijver die hem tot die ingrijpende beslissing inspireerde. Als professor filosofie aan de universiteit van Berlijn schreef ik nogal wat technische filosofische boeken. Mijn eerste filosofische werk voor een breed publiek verscheen in het begin van deze eeuw en heette Het handwerk van de vrijheid, met als belangrijke ondertitel: Over de ontdekking van de eigen wil. Dat filosofische werk zit door heel Het gewicht van de woorden geweven. Dat kon gewoon niet anders, want het vlechtwerk van vrijheid, tijd, de dood, een open toekomst en zelfbeschikkingsrecht vormt nu eenmaal de kern van mijn denken.”

 

Zoals ook het recht dat elke mens heeft om zijn eigen dood te kiezen of om iemand te assisteren bij zijn zelfgekozen dood?

“U verwijst naar de man die in mijn boek zijn vrouw doodt omdat ze ondraaglijk lijdt? Ik laat Simon Leyland op een bepaald moment zeggen: ‘In een cultuur die echt aandacht heeft voor het menselijke zou men het vanzelfsprekend vinden dat iemand hulp wil krijgen om te sterven.’ In mijn geboorteland Zwitserland helpen verenigingen zoals Dignitas en Exit uitzichtloos lijdende mensen zelfmoord plegen. Net als de Nederlanders hebben jullie een euthanasiewet. Dat is een fantastische verwezenlijking. Hier in Duitsland is dat onbespreekbaar. Die discussie wordt zwaar bezoedeld door het verleden, door wat er gebeurd is tijdens de Tweede Wereldoorlog. Elke keer wanneer het woord euthanasie valt, associëren sommige Duitsers dat automatisch met ‘concentratiekamp’. Zo wordt elk broodnodig ethisch debat over een zelfgekozen levenseinde telkens weer vakkundig de nek omgedraaid.”

_DSC0017

De autobiografie Dear Tom, letters from home van de Britse acteur Tom Courtenay loopt als een rode draad door uw boek. Waarom?

“Omdat ik erg van die man hou. Ik hield al van hem, lang voor ik hem ontmoette. Ik hield van zijn manier van acteren, van hoe hij zijn rollen ontwikkelde. In 1962 was hij amper 25 toen hij een glansprestatie neerzette in de film The loneliness of the long distance runner. Hij speelde ook mee in de verfilming door de Deense regisseur Bille August van Nachttrein naar Lissabon. In 2012 ontmoette ik hem in een hotel waar alle acteurs aanwezig waren om de film voor het eerst integraal te bekijken. We hebben een uur gepraat. Tom is erg gevoelig en hij raakte me diep. Hij vertelde me over zijn autobiografie uit 2000 waarin hij alle brieven van zijn moeder had opgenomen. Ik zei dat ik zijn boek graag wou lezen. Een week later zat het hier in de bus. ‘Peter, het was fijn om je te leren kennen’, had hij er ingeschreven. Die band die ik met Courtenay heb, vond zijn weg in mijn roman.”

 

Weet hij dat?

“Ik denk het niet. Maar hij moést er gewoon in. (lacht)”

 

Simon Leyland leerde alle talen rond de Middellandse Zee. Net als Peter Bieri alias Pascal Mercier.

“Ja, dat is uit mijn leven gegrepen, zowel die talen, als de Middellandse Zee. Het was de eerste zee die ik als kind van zeven zag. Zwitserse gezinnen gingen in de jaren vijftig altijd op vakantie naar de Middellandse Zee. We reisden met de trein naar de Ligurische kust in Italië. In Zwitserland was alles grijs en conventioneel. In de Alpen doken we de tunnel in, en van zodra we eruit kwamen, was er fel licht en lawaai. De ijsjes proefden anders. Wat nog opviel: elke Italiaan gooide zijn sigarettenpeuk op de grond. Voor een tot in de puntjes gestructureerde Zwitser was dat een ramp. Italië was pure chaos en ik was daar dol op.

“Als scholier al studeerde ik veel talen, zoals Latijn, Grieks, Sanskriet en Oud-Hebreeuws. Ik had er liever nog veel meer geleerd. Zo is het me tot nu niet gelukt om Arabisch te spreken. Ik kan het wel lezen, maar ik heb vreselijk veel moeite met de keelklanken. Ik hou van grammaticaboeken en vocabulaires en lees er regelmatig in. Die wand daar staat vol met dat soort boeken. Ik ben gepassioneerd door woorden en wil er steeds meer kennen.”

 

Volgt u Twitter?

“Nee, ik weet amper wat dat is.”

 

Moderne mensen sturen er continu kleine berichten cyberspace in. Soms zijn die boodschappen niet meer dan giftige scheldpartijen.

“Ach, in deze digitale tijden zijn mensen vergeten wat woorden zijn en wat taal is. Poëzie is een zeldzaamheid geworden. Dat maakt me enorm triest. Mijn roman komt daartegen in opstand en wil woorden en poëzie revalideren.”

 

U bent somber over de huidige digitale tijd, maar uw boeken worden wel bestsellers. Van Nachttrein naar Lissabon gingen wereldwijd miljoenen exemplaren over de toonbank. Hebt u daar een verklaring voor?

“Ik vraag mijn lezers soms waarom ze zo verzot zijn op mijn boeken. Altijd komen er twee dingen bovendrijven: de existentiële diepte en de poëtische taal. Ik probeer existentiële poëtische boeken te schrijven die vol spanning zitten. Maar dan niet op de wijze van Alfred Hitchcock. Want er wordt niemand vermoord.”

 

En er zit ook niet veel seks in.

“Geen. (lacht) Lezers willen weten hoe het Simon Leyland, die minnaar van woorden, zal vergaan. Ze willen niet dat hij sterft of zelfmoord pleegt. Daar zit de spanning in, en niet in geweld.”

 

De stad Londen speelt ook een hoofdrol. U woonde daar een tijdje?

“Als student werd ik verliefd op een meisje uit Bern. Zij wist dat niet. Ze ging als au pair in Londen werken. Ik volgde haar op een soort van kamikazemissie. In Londen maakte ik lastige momenten mee, maar ik beschouw mijn verblijf daar nog steeds als mijn toegang tot het echte leven. De wereld ging er voor mij open. In de monumentale bioscopen mocht je gewoon zitten roken. Zalig. Na een jaar keerde ik terug naar huis. Mijn vader wachtte me op het treinstation van Bern op. Toen ik hem zag, besefte ik meteen dat ik onmogelijk nog kon terugkeren. Dus moest ik hem en moeder ervan overtuigen me te laten gaan. Ik trok naar de universiteit van Heidelberg. Dat was toen de allerbeste filosofische universiteit van de hele wereld. Daar werd ik professor filosofie. Maar alles begon met die onmogelijke liefde in Londen.”

 

Pascal Mercier, Het gewicht van woorden, Werelbibliotheek, 448 blz., 24,99 euro

 

 

Bio

_DSC0053Pascal Mercier alias Peter Bieri

        • Geboren in 1944 in Bern
        • Studeerde filosofie aan de universiteit van Heidelberg
        • Professor emeritus analytische filosofie aan de Freie Universität Berlin
        • Scoorde in 2004 een internationale megaseller met Nachttrein naar Lissabon

 

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

‘Het rookhok is ons anti-stresskot’

In Nederland zijn sinds eind vorig jaar alle rookruimtes in de horeca op rechterlijk bevel dicht. Ziekenhuizen en bedrijven volgen en sluiten hun rookhok. Kom op tegen Kanker wil ook bij ons een verbod en trok naar de rechter. Giert er naast nicotine nu ook paniek door de aders van de rookhokrokers? “Het lijkt soms op een heksenjacht.”

 

Eind september vorig jaar verklaarde de Hoge Raad, het hooggerechtshof van Nederland, het gerechtelijk vonnis definitief van kracht dat de onmiddellijke sluiting van alle rookruimtes in de horeca oplegde. Het arrest van de Raad vormde het juridische sluitstuk van jarenlang procederen door de antirooklobby Clean Air Nederland (CAN). De Nederlandse staatssecretaris van Volksgezondheid Paul Blokhuis reageerde verheugd op het verbod. Hij is een fervent tegenstander van roken: als het van hem afhangt, kost een pakje sigaretten morgen minstens 20 euro en worden alle terrassen meteen rookvrij. De 7000 horecazaken met rookruimte kregen van Blokhuis nog een maand om hun rokende klandizie richting stoep te begeleiden. Het vonnis werd door horeca-uitbaters op boe-geroep onthaald, maar inspireerde ook heel wat bedrijven om vanaf januari 2020 hun rookruimtes te sluiten. Zo moeten vanaf nieuwjaarsdag de medewerkers van het ABN Amro-hoofdkantoor in Amsterdam een blokje om als ze een sigaret willen opsteken. Zelfs roken op het binnenplein is er voortaan verboden. Achmea, een van de grootse Nederlandse verzekeraars, verwijderde vlak voor nieuwjaar resoluut alle rookruimtes uit alle kantoren. Verwacht wordt dat binnen afzienbare tijd de rest van de Nederlandse ondernemingen al dan niet gedwongen zal volgen. Want na de horecarookhokken richt CAN haar pijlen op de rookruimtes op het werk. Het ultieme doel is de roker compleet uit beeld te laten verdwijnen. Zien roken, doet immers roken. Het enige wat daartegen helpt, is volgens CAN de sigaret overal verbannen.

Het succes van CAN inspireerde Kom op tegen Kanker. Meteen na het arrest van de Hoge Raad kondigde de organisatie aan dat ze ook bij ons via de rechter een verbod op aparte rookruimtes in cafés en restaurants wil afdwingen. Later volgen wellicht de rookhokken in onze bedrijven. Bij DPG Media, het moederhuis van deze krant, is dat nu al het geval: in het gloednieuwe kantoorgebouw in Antwerpen zijn rookruimtes taboe.

 

De laatste roker

In De Koekenfabriek in Merksem zijn ze hun tijd nóg verder vooruit. Ooit werden er Antwerpse koekjes gebakken, nu is het een hip complex waar freelancers, zelfstandig ondernemers en satellietwerkers co-worken. “We hebben geen rookruimte nodig omdat er geen rokers meer zijn”, zegt coördinator Katrien bijna verontschuldigend. “De laatste roker veranderde onlangs van werk. Hier staat dus zelfs nooit nog iemand op straat een sigaret te roken.”

In Het huis van Parein, een ander tot kantorencentrum omgebouwd voormalig Antwerps koekjesimperium, werken wel nog rokers maar is geen rookhok. “Enkel een asbak aan de voordeur”, zegt de vriendelijke coördinator Sergio. “U mag er gerust een tijd naast komen staan om met rokende collega’s te praten.” De asbak van Parein zit vol en stinkt als de pest, maar op een kille donkere dag in januari lijkt zelfs de meest verstokte roker er zijn verslaving de baas.

Het Justitiepaleis aan de overkant van de straat heeft een rustgevende binnentuin die dienst doet als rookruimte voor het personeel. Rechters, advocaten, procureurs, zaalwachters en griffiers verbroederen en verzusteren er tijdens hun pauzes terwijl ze hun longen vol rook en nicotine zuigen. Dé plek om te peilen naar de moraal van de geviseerde rookruimteroker. Maar de behulpzame receptionist heeft slecht nieuws: “Onze voorzitter zegt neen.” We bedanken vriendelijk en wandelen richting Museum voor Schone Kunsten. Want in de grote Delhaize-supermarkt vlakbij mag het personeel naar hartenlust dampen in de halfopen rookruimte vlak aan de straat.

 

Anti-stresskot

“Het zou een ramp zijn moest dit fijn rokershok verdwijnen”, zegt Delhaize-medewerkster Candy (37). “We zijn met flink wat rokers en hebben de gewoonte aangekweekt om elk kwartier pauze twee sigaretten te roken. Vervolgens moeten we er weer twee uur tegen kunnen. Toen deze plek er nog niet was, stonden we in de zomer op straat te roken. Sommige buurtbewoners vonden dat niet zo leuk. Heel begrijpelijk. Dit rookhok is ideaal. Aan de ene kant van het hek is de overdekte fietsenstalling voor de klanten; aan de andere kant kunnen wij overdekt een sigaretje roken. Die bank staat hier nog niet zolang. De rookpauze is het enige moment dat wij even kunnen zitten. Zalig. Niet-rokende collega’s komen hier soms ook kletsen, zeker in de zomer.”

Is het niet te koud in de winter? “Toch wel. Ziet u de buitenunits van de airco? In de zomer blazen die warme en in de winter koude lucht. In de zomer wordt het in dit hok soms té warm en staan we op de rooster op het trottoir te roken. Daarom ligt die vol peuken. Niet al mijn collega’s zijn even proper. Er hangt een asbak, maar voor sommigen kost het blijkbaar te veel moeite om hun sigaretten daarin te doven.”

Krijgt Candy soms opmerkingen van voorbijgangers? “Nee, maar af en toe beginnen klanten die hun fiets aan het stallen zijn demonstratief te kuchen.”

Denkt ze aan stoppen met roken? “Vaak. Delhaize biedt ook ondersteuning aan om te stoppen. Ik heb tot hiertoe één poging ondernomen met Champix, maar dat ging fout. Ik was continu misselijk: van ’s morgens tot ’s avonds voelde ik me net zwanger. Nu durf ik stoppen bijna niet meer aan. Ik ben ook bang dat ik te veel kilo’s zal bijkomen. Of ik spijt heb dat ik ooit ben beginnen roken? Nee, want ik geniet nog steeds van elke sigaret. Alleen kost het een klein fortuin. Als ik met niet-rokende vrienden een stapje in de wereld zet, schaam ik me soms voor mijn gewoonte. Want dan sta ik daar alleen met mijn sigaret te stinken.”

Candy’s kwartier is om. “Ik moet dringend prikken.” Tien minuten later stapt Sophie (54) de rookruimte binnen, sigaret in de aanslag. “Dit is een ideale plek voor sociaal contact”, zegt ze. “In de rustzaal binnen is dat anders: daar zit iedereen te tokkelen op zijn telefoon. De rokers zijn minder aan hun smartphone verslaafd en praten met elkaar. Soms komen ook mensen uit de buurt een sigaretje meeroken. Vaak is dit ons anti-stresskot. Met sommige collega’s rook ik liever dan met andere. We proberen onze pauzes aan elkaar te koppelen; het is toch logisch dat het met de ene mens beter klikt dan met de andere?”

Hoe lang rookt Sophie? “Van mijn achttiende. Ik stopte voor mijn eerste zwangerschap en negen jaar lang was ik niet-roker. Door mijn echtscheiding ben ik terug begonnen, een pakje per dag. Of ik nu nog wil stoppen? Mijn vriend rookt ook, dat maakt het extra moeilijk. In de zomer roken we op ons terras; in de winter klikken we het dakvenster een beetje open. Ik heb spijt dat ik ooit ben beginnen roken, maar voorlopig ben ik niet van plan ermee te kappen.”

Roken haar kinderen? “Mijn dochter is radicaal tegen. Als ik met haar op stap ben, rook ik zeer weinig. Mijn zoon rookt af en toe tijdens het uitgaan. Het probleem is dat ik elke sigaret nog altijd even lekker vind. Ik heb een paar maanden de e-sigaret geprobeerd, maar dat is niet hetzelfde.”

Dreigt er een rokersopstand als ook in België alle rookruimtes dicht moeten? Sophie: “Nee, rokers zullen dat braaf ondergaan, net als die nieuwe vreselijke zwarte sigarettenverpakkingen.” Ze vist een pakje uit haar schort. “Gruwelijk. Vroeger was mijn pakje tenminste nog groen omdat ik mentholsigaretten rook.” Vanaf 20 mei 2020 zijn die toch in heel Europa verboden omdat ze roken te aantrekkelijk maken? “Ik weet het”, zucht ze. “Dat wordt voor mij een enorm probleem.”

 

Smokers inside the hospital doors

Zestiger Luc werkt als vrijwilliger aan het onthaal van ziekenhuis AZ Nikolaas in Sint-Niklaas. Hij heeft pauze en geniet van een sigaret in de rokersruimte buiten, vlakbij de ingang. “Je vindt me hier altijd tijdens mijn pauzes”, zegt hij. “Ik heb er nog nooit een opmerking over gekregen. Ik zou het vreselijk vinden als dit rokerskot wordt afgeschaft. Zowel personeel, als bezoekers en patiënten moeten toch de kans krijgen om een sigaretje te roken? U zegt dat roken niet gezond is?” Hij wrijft zich over de borst. “Dit is gerookt vlees en dat blijft lang goed.” Staan hier ook soms dokters te paffen? “Nooit. Het is een groot mysterie waar zij hun sigaretten opsteken.”

Luc wil niet op de foto, net als de verpleegster die op een bankje plaatsneemt en haar sigaret aansteekt. “Sorry, maar ik wil niet in de problemen komen. Ik ben nu aan het werk. Geen commentaar.”

Luc neemt ons mee naar binnen. “Dit ziekenhuis heeft ook een knus verwarmd intern rokershok”, zegt hij. “Het zit daar altijd stampvol.” De rokerskamer van AZ Nikolaas ziet blauw van de rook. De muren zijn gelig; het is niet duidelijk of het verf of teer is. Op de stoelen zitten vijf patiënten en één personeelslid te roken en te hoesten. De patiënten zijn te herkennen aan hun kamerjassen, verbanden en/of infuusstandaarden, het personeelslid aan haar zwart t-shirt met het logo van het ziekenhuis. Ze draagt een haarnetje en werkt in de cafetaria. Ze heeft geen zin in een gesprek. De anderen wel. Een vrouw in peignoir klemt haar ene hand rond haar infuusstandaard; de middelvinger en wijsvinger van haar andere hand liefkozen een sigaret. “Waar moeten wij dan gaan roken als net als in Nederland alle rokerskoten afgeschaft worden?”, vraagt ze vertwijfeld. “Buiten voor de hospitaaldeuren”, antwoordt Nashota West, transvrouw en professioneel singer/songwriter van countrymuziek. “Met als gevolg dat zeker in de winter nóg meer mensen ziek zullen worden.” Nashota (55) zit hand in hand met haar transvrouw Jenny (57). In hun andere handen balanceren sigaretten.

Nashota: “Natuurlijk is roken ongezond, toch vind ik dat er zowel in bedrijven als in ziekenhuizen altijd plekken moeten zijn waar je een sigaret kan opsteken.”

Jenny: “Hoe je het draait of keert, roken is een sociale bezigheid. Natuurlijk betaal je daar ooit een prijs voor.”

Jenny is ziek en toch rookt ze dapper door. “Haar ziekte heeft niets met het roken te maken”, sust Nashota. “Jenny had een abces op een tand en dat liep door naar haar hersenen.”

Jenny: “Mijn linkerkant viel uit. Ik ben hier sinds 2 december. Vrijdag mag ik eindelijk naar huis.”

Nashota: “Door de druk op de hersenen kon ze niet meer lezen en schrijven. Dat komt nu langzaam terug. Jenny heeft ook niet veel longcapaciteit meer, maar dat heeft niets met haar rookgewoonten te maken.”

Eigenlijk zou Jenny niet meer mogen roken? Jenny: “Inderdaad. Ik probeer het tot twee sigaretten per dag te beperken in de plaats van twintig.”

Nashota: “Wil je er nog eentje, schat? Kijk, het enige dat we met zekerheid over roken weten, is dat het genezingsproces erdoor vertraagt. Voor de rest is het voor elk individu verschillend. De ene roker krijgt op zijn 35e kanker, de andere wordt probleemloos 90.”

Hoe lang roken Nashota en Jenny? Nashota: “Jenny begon op haar zestiende; ik op mijn 33e. Mijn relatie ging voor de zoveelste keer om zeep. Uit balorigheid greep ik naar de sigaret, want mijn toenmalige vrouw zei altijd: ‘Begin daar nooit mee.’”

Hoeveel pogingen hebben beide dames ondernomen om te stoppen? Nashota: “Allebei nog maar één. Ik schakelde toen over naar de e-sigaret. Maar elke trek deed verschrikkelijk pijn in luchtwegen en longen. Dat was geen goed idee. Het plan is om binnenkort definitief te stoppen, maar zelfs dan zullen we nog naar het rokerskot komen. Het is hier veel te gezellig.”

 

Derderangsburgers

“Ze hebben vannacht gaatjes in mijn stembanden gemaakt”, zegt Marielle (52) met hese stem terwijl ze uit een pakje Elixyr een sigaret opdelft. “Niemand kent dit merk.” Over haar keel zit een verband. Is het verstandig om nu te roken? Ze reageert als door een wesp gestoken: “Meneer, u moet niet lullen, u zit hier tussen rokers. Ja, het doet een beetje pijn; het zijn open wonden. U vraagt of ik mag roken, terwijl we hier allemaal verslaafd zijn aan nicotine. Een patiënt met een zwaar drankprobleem zal ook zijn uiterste best doen om aan alcohol te geraken. Mijn kinderen zijn twintigers. Ze zijn geboren met een keizersnede. Weet u wat de verpleegster zei? ‘Rokers die in de kliniek terecht komen, zijn veel sneller te been dan niet-rokers.’ Weet u waarom? Omdat ze zo snel mogelijk hun drang naar nicotine willen bevredigen. Een niet-roker laat zich liever bedienen.”

Een rokende vrouw in een rolstoel roept: “We zijn derderangsburgers!” Marielle knikt. “De overheid is helemaal niet bezorgd over onze gezondheid. Moesten ze daarmee inzitten, waren er geen sigaretten meer te koop. Denken ze nu echt dat er door die zwarte verpakkingen minder gerookt zal worden? Ik overweeg in de toekomst mijn rookwaar in het buitenland te kopen. Met het geld dat je hier voor vier sloffen sigaretten neertelt, koop je er in Luxemburg vijf.” Ze haalt haar pakje Elixyr opnieuw tevoorschijn. “Neem er ook een”, zegt ze.

Nadia (63) lurkt liever aan haar e-sigaret. Ze komt vanuit het verre Helchteren in Limburg voor een behandeling naar Sint-Niklaas. Het is haar eerste dag. “Nog negen te gaan. Een tijd geleden lag ik in het ziekenhuis in Genk. Ze hebben nooit gemerkt dat ik in het geniep onder de lakens elektrisch lag te roken. Vier jaar geleden ruilde ik de sigaret voor de vaper in. Mijn favoriete smaak is tabak en er zit 18 mg nicotine in een capsule. Als mijn zoon of dochter aan mijn e-sigaret trekken, krijgen ze een hoestbui.” Waarom schakelde ze over? “Omdat mijn man astma heeft. Ik moest kiezen: buiten roken of de e-sigaret. Ik heb sindsdien geen enkele ouderwetse sigaret meer aangeraakt.”

 

Obsessie

In biljartcafé Enjoy onder de kerktoren van het Oost-Vlaamse dorp Oordegem heeft het rokershok een prominente plaats vooraan. “Met zicht op de Grand Place.” Het is de favoriete plek van stamgasten Rudy (53) en Eric (52). “Een verbod op rokersruimtes is een ramp voor mijn café”, zegt waard Peter Rosschaert. “Ik heb veel geïnvesteerd in dat hok. Het afzuigsysteem alleen al kost 4000 euro. De mensen uit de buurt zullen het me niet in dank afnemen als mijn cliënteel buiten staat te roken.”

Rudy verlangt naar de goede oude tijd van voor het rookverbod op café. “Weet u dat ik sinds dan meer ben beginnen roken? Vroeger dacht ik niet zo vaak aan die sigaret, maar dat rookkot werkt als een magneet. Om de zoveel tijd moét ik er daar eentje gaan opsteken. Als ik Eric naar het rookkot zie stappen, volg ik automatisch.”

Het rookkot is een obsessie geworden? Rudy: “Ja. Eens ik daar zit, rook ik de ene na de andere sigaret.”

Wil hij ervan af? “Liever niet. Vorig jaar ben ik ook beginnen vapen. Ik vind die smaakjes wel lekker. Nu is het dubbelop.”

Eric is een fan van de rookruimte. “Ik voel die drang niet om er zoals Rudy continu te gaan zitten paffen. Moest er geen rookverbod in deze ruimte zijn, stond ik hier nu wel met een sigaret tussen de vingers.”

Rudy: “Soms zitten er in de rookruimte ook niet-rokers. Ze trekken zich daar dan terug om in het ‘geheim’ over iets te beraadslagen. Op café hebben de meeste niet-rokers trouwens niets tegen rokers. De grootste ambetanteriken zijn de ex-rokers. Ik vermoed dat ze niet volledig van hun verslaving af zijn en ons daarom graag de les lezen.”

Eric: “Rokers, niet-rokers en ex-rokers moeten respect hebben voor elkaar.”

Rudy: “Precies. Als morgen alle rokers beslissen om te stoppen, zit de overheid met een gigantisch inkomstenprobleem. Al die gederfde taksen zullen moeten gecompenseerd worden. Ook al die niet-rokers die zo graag op de kap van de rokers zitten, zullen die dan mee mogen ophoesten. Dat ze daar maar eens goed over nadenken.”

 

Heksenjacht

Johan (70) is een gepensioneerde politieagent en liefhebber van Cubaanse sigaren. De rookkamer van cocktailbar La Bodeguita del Medio in Kortrijk is zijn favoriete pleisterplaats. “De tolerantie tegenover het roken van sigaren is gelukkig groter dan tegenover sigaretten”, zegt hij. Liefdevol jaagt hij het vuur door een Cohiba van 30 euro. “Ik rook een sigaar of drie per dag. Ik denk niet dat ik verslaafd ben. Ik inhaleer niet en geniet van het aroma vooraan in mijn mond.”

Sommigen omschrijven het aroma van sigaren als pure stank. Johan: “Als sigarenroker vind ik dat sigaretten ook stinken. Toen ik nog werkte, mocht er zowat overal gerookt worden. Ik zat vaak op kantoor en iedereen pafte gewoon aan zijn bureau. Op restaurant vroeg ik altijd eerst of het niet stoorde dat ik een sigaar opstak. Nu moeten alle rokers naar buiten.”

Rokers zijn paria’s geworden? “Misschien wel. Het lijkt soms op een heksenjacht. In deze stad krijg je een gasboete als je een peuk op de grond gooit. Er worden steeds zwaardere maatregelen tegen rokers genomen. Terwijl kleine kinderen die nooit gerookt hebben, ook aan kanker sterven.”

 

© Jan Stevens

‘Het was een pure horroshow’

In De Russische klus reconstrueert Douglas Smith hoe Amerika begin twintigste eeuw tijdens de hongersnood in de Sovjet-Unie ingreep. ‘Zo behoedden we de communistische dictatuur van de ondergang.’

 

De Amerikaanse historicus Douglas Smith blaast in zijn fascinerende boek De Russische klus het stof van een compleet vergeten geschiedenis. Na jaren van revolutie en oorlog was rond 1920 de hongersnood in de prille Sovjet-Unie zo extreem, dat sommigen wanhopig hun toevlucht namen tot kannibalisme. Vladimir Lenin, de leider van de bolsjewistische partij, zag geen andere uitweg dan de aangeboden hulp van kapitalistische aartsvijand Amerika te aanvaarden. In het vroege najaar van 1921 trok een kleine groep Amerikaanse hulpverleners de op instorten staande communistische heilstaat in. De reddingsactie van de American Relief Administration (ARA) onder leiding van de latere Amerikaanse president Herbert Hoover redde miljoenen Russen van de hongerdood. Voor miljoenen anderen kwam alle hulp te laat. Twee jaar lang voedde ARA dagelijks 11 miljoen Russische burgers. Na het stopzetten van de operatie op 15 juni 1923 veegden zowel de Sovjets als de Amerikanen de succesvolle Russische klus zo snel mogelijk onder het tapijt.

 

Het ligt voor de hand dat Lenin de ‘vernederende’ Amerikaanse hulp wou vergeten, maar waarom verdween die geschiedenis ook uit het Amerikaanse collectieve geheugen?

Douglas Smith: ARA-baas Herbert Hoover profiteerde eerst van de populariteit die hij in Rusland als Master of Emergencies had opgebouwd. Daarom won hij 1928 met een overgrote meerderheid de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Maar een jaar later crashte de beurs en brak de Grote Depressie uit. De ‘Meester van Noodgevallen’ slaagde er niet in zijn eigen verpauperde bevolking uit de armoede te tillen en donderde van zijn sokkel. De sloppenwijken in de steden werden ‘Hoovervilles’ genoemd, de oude kranten waaronder de daklozen sliepen ‘Hooverdekens’, en karton om gaten in afgedragen schoenen dicht te stoppen, heette ‘Hooverleer’. Een tweede ambtsermijn zat er voor Herbert Hoover niet meer in. In die donkere jaren voor WO II verdween ‘de Russische klus’ dan ook razendsnel uit de Amerikaanse herinnering.

De ARA-reddingsactie werd in de Sovjet-Unie door Lenin meteen na afloop al op de zwarte lijst gezet. Russische ARA-medewerkers werden gebrandmerkt als spionnen en de operatie werd integraal uit de Sovjetgeschiedenisboeken gegomd. Later verschenen er een paar wetenschappelijke werken over, maar voor het grote publiek bleef de Amerikaanse reddingsoperatie in Rusland tot nu een groot mysterie.

 

De Russische revolutie was nog heel pril toen de Amerikanen de Sovjets te hulp snelden.

Smith: De bolsjewieken grepen in november 1917 de macht. Daarna volgde een burgeroorlog die duurde tot halverwege 1920 en die de Russische bevolking decimeerde. In de jaren 1919 en 1920 waren de Verenigde Staten in de ban van de ‘Rode Schrik’. Na WO I was er heel wat onrust onder arbeiders, met stakingen en oproer. Onder Amerikaanse politici was de angst groot dat de bolsjewisten hun revolutie naar het Westen zouden exporteren. Achter elke straathoek bespeurden ze een bolsjewist die de regering omver wou werpen. De Amerikaanse Senaat stelde zelfs een commissie aan die de dreiging van het ‘Rode Gevaar’ in kaart moest brengen. De ‘Rode Schrik’ van toen is het equivalent van islamofobie vandaag, en van onze niet altijd even rationele angst voor jihadistische terreur.

 

Waren er in die tijd bolsjewistische terroristen actief in Amerika?

Smith: In de lente van 1919 pleegden anarchisten een reeks bomaanslagen op belangrijke politici, topambtenaren en ondernemers. Op 16 september ontplofte op Wall Street zelfs een bom die 38 mensen het leven kostte. De terreurdreiging zat dus niet helemaal tussen de oren van de burgers, maar ze mondde wel uit in een vorm van massahysterie. Die paranoia was wijdverspreid.

 

De grote hongersnood in de Sovjet-Unie was in de eerste plaats een gevolg van jaren burgeroorlog?

Smith: Jawel, zeven jaar van ononderbroken oorlog tussen het Rode leger van de bolsjewieken en het Witte Leger van de grootgrondbezitters en de adel eiste een loodzware tol. Niet enkel de Roden verspreidden terreur, ook de Witten lieten zich niet onbetuigd. Ze stalen het graan van de boeren die op hun beurt de productie drastisch terugschroefden en enkel nog graan voor eigen gebruik teelden. De wanhopige boeren verstopten het onder de vloer, in putten, tussen de rieten daken of achter schijnmuren. De extreme droogte van 1920 en ’21 was de spreekwoordelijke druppel. Twee jaar lang viel er zo goed als geen regen in zowat de hele vallei rond de rivier de Wolga. De oogsten mislukten, er was geen voedseloverschot en tegen de lente van 1921 was de ramp compleet.

 

Was het Westen zich bewust van de omvang van de Russische hongersnood?

Smith: De Amerikanen wisten dat er ernstige bevoorradingsproblemen waren, maar de ware omvang van de hongersnood drong door nadat de ARA-reddingsoperatie van start ging. Pas dan begonnen kranten en tijdschriften er aandacht aan te besteden. Zelfs de Amerikaanse hulpverleners hadden bij hun vertrek nog niet in de gaten hoe erg het was. De meesten hadden gevochten in de Eerste Wereldoorlog en vreselijke dingen gezien. Maar de toestand in de Sovjet-Unie overtrof alles. Het was een pure horrorshow. De hulpverleners waren daar niet op voorbereid. Na de revolutie was Rusland jarenlang afgesneden van de rest van de wereld. Slechts weinig westerlingen waren er zich van bewust hoe hard de oorlog het land had verwoest. De infrastructuur was vernietigd, net als de landbouw, en de steden lagen in puin. Het was alsof de Apocalyps had plaatsgevonden, met overal stapels uitgemergelde lijken.

 

In uw boek lees ik dat Vladimir Lenin minstens even meedogenloos was als zijn opvolger Jozef Stalin. Zo gaf hij in augustus 1918 het bevel om boeren die te weinig graan produceerden te ontvoeren en terecht te stellen: ‘Knoop minstens 100 rijke klootzakken op. Publiceer hun namen. Neem ze hun graan af. (…) Doe dat allemaal zodat mensen kilometers verderop het zien, het begrijpen, beven.’

Smith: Veel mensen zien Lenin nog steeds als een progressieve humanist, terwijl hij in werkelijkheid uitermate wreed was. De laatste twintig jaar werden steeds meer archieven in Rusland toegankelijk en dat leverde nieuw materiaal over de eerste leider van de Sovjet-Unie op. Recente biografieën tonen aan dat ‘vadertje Stalin’ geen verdorven tegenpool van Lenin was, maar een logische voortzetting. Vladimir Lenin was bereid tot alles om de macht te behouden. Om zijn bolsjewistische experiment te redden, liet hij Amerika, de duivel zelf, binnen. Tegen de lente van 1921 was hij doodsbang dat hij de controle over het land ging verliezen. In februari en maart kwam de marine in de militaire vestingstad Kronstadt tegen de communistische regering in opstand. Ze noemden Lenin de nieuwe tsaar Nikolaas. Dat was heel pijnlijk, want de matrozen hadden de bolsjewieken van in het begin gesteund. Arbeiders staakten massaal in Sint-Petersburg, Moskou en andere grote steden, en boeren kwamen in opstand tegen de inbeslagnames van hun graan. De problemen van de boeren konden Lenin niet veel schelen, maar hij maakte zich wel grote zorgen over de bevoorrading van de steden. Hij was doodsbang dat hij de controle helemaal zou verliezen als de marine en de soldaten van het Rode Leger honger zouden lijden. Hij vertrouwde Herbert Hoover en zijn ARA voor geen haar, maar hij had geen andere keuze dan hun hulp te aanvaarden. Hij zorgde er wel voor dat de organisatie op de voet gevolgd werd door agenten van de geheime dienst Tsjeka.

 

Wat voor iemand was Herbert Hoover?

Smith: Hij was een Republikein, maar als hij vandaag zou leven denk ik niet dat hij lid zou zijn van de Republikeinse Partij. Hij zou zich diep schamen voor wat Donald Trump met de Grand Old Party heeft aangericht. Herbert Hoover was een briljante ingenieur en zakenman die rijk werd in de wereld van de internationale mijnbouw.

 

Ook in Rusland?

Smith: Ja, al verkocht hij zijn Russische mijnconcessies vlak voor de start van de Eerste Wereldoorlog. Hij had het Rusland van de tsaren een paar keer bezocht en was geschokt door de repressie, de stuitende ongelijkheid en het gebrek aan democratie. Hij was ervan overtuigd dat die cocktail ooit zou ontploffen. Hoover groeide op als Quaker, The Religious Society of Friends. Die kerkgemeenschap voert het helpen van de medemens hoog in het vaandel. De Amerikaanse Quakers vochten van in het begin tegen de slavernij. Herbert Hoover had als veertiger fortuin vergaard en wou voortaan als een echte Quaker verder met zijn leven. Tijdens WO I stortte hij zich in de liefdadigheid.

 

Met zijn ‘Comittee for Relief of Belgium’ (CRB) kocht Herbert Hoover vanaf 1914 wereldwijd voedsel aan dat hij vervolgens naar het bezette België en Noord-Frankrijk liet brengen. Hoovers CRB verdeelde twee miljoen ton voedsel onder zeven miljoen Belgen en twee miljoen Fransen. Vóór Rusland redde Hoover België van de hongerdood?

Smith: U hebt gelijk, daar had ik zelf niet eens aan gedacht. (lacht) Hoover staat inderdaad ook bekend als de redder van België. Zijn uw landgenoten zich daar nog van bewust?

 

Ik denk het niet, ook al hebben we dan in verschillende gemeenten Herbert Hooverstraten en -pleinen.

Smith: Na WO I hielp Hoover bij de opstart van de American Relief Administration, of ARA. Hij nam eerst als Amerikaans adviseur deel aan de vredesonderhandelingen in Versailles en was geschokt en triest door de miserie en verwoesting die hij overal in Europa zag. Hij kreeg geld van het Amerikaanse Congres om ARA op te richten en zo de grootste noden van de Europeanen te helpen lenigen. Hij vond dat een flink deel van het geld naar Duitsland en Oostenrijk moest vloeien omdat ook zij geleden hadden. Maar de Amerikaanse overheid zinde in de eerste plaats op wraak en stak daar een stokje voor.

 

Boden de Amerikanen in 1921 hulp aan de Sovjets aan, of werden ze gevraagd?

Smith: In de zomer van 1921 schreef de beroemde Russische schrijver Maxim Gorki een brief om hulp aan de wereld. Het Europese Rode Kruis en de Noorse ontdekkingsreiziger Fridtjof Nansen organiseerden de eerste hulpacties. Maar Europa had in die tijd niet de middelen omdat het continent nog moest herstellen van de gruwel van de wereldoorlog. De Amerikanen hadden wel geld in overvloed, waardoor zij snel verantwoordelijk waren voor 90 procent van alle hulp aan Rusland.

In het begin stond Lenin erg sceptisch tegenover ARA. Hij sprak zeer cynisch over Hoover, maar dat veranderde toen hij zag hoe efficiënt de Amerikanen te werk gingen. Het duurde niet lang of Lenin vond Herbert Hoover een geweldige kerel. ‘We hebben Hoover en zijn manschappen broodnodig’, verkondigde hij aan al wie het horen wou. Jozef Stalin heeft de Amerikanen nooit vertrouwd. Sommigen binnen de Tsjeka probeerden de operatie te dwarsbomen. Het bizarre is dat Feliks Dzerzjinski, het toenmalige nietsontziende hoofd van de Tsjeka, de Amerikanen wél gunstig gezind was.

 

Dzerzjinski alias ‘IJzeren Felix’, had toch een zeer slechte reputatie?

Smith: De Amerikanen hadden de Russische spoorwegen nodig om voedsel over het land te transporteren. Als hoofd van het Volkscommissariaat van het Vervoer had de machtige Dzerzjinski alles te zeggen over de treinen. William Haskell leidde de ARA-operatie en ontmoette Dzerjinski meermaals. Bij problemen liet IJzeren Felix spoorwegbeambten koudweg executeren. Haskell zei daarover: ‘Ik weet dat Dzerjinski’s handen druipen van het bloed, maar dat is oké want hij zorgt ervoor dat onze goederentreinen rijden.’

 

Een van de sleutelfiguren in de ARA-reddingsoperatie is de Amerikaanse diplomaat en gesjeesde schrijver James Rives Childs. Hij was in de eerste plaats een avonturier?

Smith: Childs was een merkwaardig man. Zijn schrijverschap kwam nooit van de grond, maar hij gold wel als een van ’s werelds grootste kenners van Giacomo Casanova. Dat zegt misschien veel over hemzelf. (lacht) Childs was inderdaad een avonturier, maar ook een idealist. Amerika vond hij te saai en te normaal. Hij had gevochten in WO I en was geheim agent geweest. Als student op Harvard ging hij naar een lezing van John Reed, een radicale Amerikaanse journalist die de Russische revolutie had meegemaakt. De jonge Childs werd op slag socialist en wou het arbeidersparadijs in de Sovjet-Unie met eigen ogen aanschouwen. Hij geloofde in de waarden van de revolutie en had het hart op de juiste plaats. Hij wou zijn Russische broeders helpen. Maar hij schrok van wat hij in Rusland aantrof.

 

Een andere schilderachtige figuur is Henry Wolfe. U volgt hem op zijn kannibalenjacht.

Smith: Wolfe was leraar geschiedenis in de staat Ohio en verveelde zich te pletter. Dus sloot hij zich aan bij ARA en vertrok op avontuur naar Russisch hongergebied. Hij zocht actie en opwinding. Veel Russen konden niet begrijpen waarom jongemannen zoals Wolfe uit een rustig, stabiel land aan de andere kant van de wereld, de chaos en de gruwel opzochten. Henry Wolfe ving geruchten op dat wanhopige Russen hun gestorven medeburgers opaten. Zo was er het verhaal van twaalf uitgehongerde mannen en vrouwen die het lijk van een recent overleden man op een kerkhof hadden opgegraven en er zijn rauwe vlees meteen hadden verslonden. Er was ook het sensationele verhaal van een dode man die door een restaurantuitbater versneden was tot koteletten en gehakt. Henry Wolfe wou die kannibalen ontmoeten en dat lukte hem uiteindelijk ook. Er is een foto bewaard gebleven waarop hij poseert met de resten van een kannibalenmaal: twee opengekliefde vrouwenhoofden, een deel van een ribbenkast, een hand en de schedel van een kind. De Sovjetautoriteiten wisten niet goed hoe ze met hun kannibalen moesten omgaan. Want meestal waren het wanhopige mensen en geen criminelen.

 

ARA heeft de Russen daadwerkelijk helpen overleven?

Smith: Zonder twijfel. In het begin van de operatie dachten de Amerikanen dat ze grofweg een miljoen mensen per dag zouden moeten voeden. Op het toppunt een jaar later gaven ze elf miljoen mensen te eten. Daarnaast verscheepten ze tonnen medisch materiaal, knapten ze ziekenhuizen op en herstelden ze vernielde wegen in dorpen en steden. Ze brachten kleding en schoenen mee en zetten zelfs een speciaal programma op om de hoogopgeleide Russische wetenschappers, dokters en academici terug aan de bak te helpen.

 

De Amerikanen hebben de Russische revolutie gered?

Smith: Een Amerikaans recensent merkte op dat zonder ARA de Sovjet-Unie in elkaar gezakt zou zijn en we de terreur van Stalin nooit hadden moeten meemaken. Misschien heeft hij gelijk, toch vind ik het onze morele plicht om mensen die in de shit zitten altijd te helpen. In 1921 kon niemand de latere capriolen van dictator Stalin voorspellen. Veel Amerikaanse hulpverleners geloofden dat door ARA de Russen wel zouden inzien dat communisme een vergissing was. Dat bleek een illusie te zijn.

 

Is in het huidige Amerika een reddingsactie zoals ‘de Russische klus’ nog mogelijk?

Smith: De ARA-redding van Rusland staat haaks op wat er nu in mijn land plaatsvindt. De VS isoleren zich in sneltreinvaart van de rest van de wereld. Ik begon dit boek te schrijven vóór Trump president werd en ‘America First’ de kop opstak. Ik hoop dat De Russische klus sommige landgenoten laat inzien dat het als welvarende samenleving onze verdomde plicht is mensen in nood te helpen. Voor een échte Republikein zou niet Donald Trump de gids mogen zijn, maar Herbert Hoover uit 1921.

 

Douglas Smith, De Russische klus, Spectrum, 328 blz., 27,99 euro

 

Douglas Smith

  • 1962 geboren in Minnesota
  • Studie Russisch aan de universiteit van Vermont en geschiedenis aan de universiteit van Californië
  • Schrijft verschillende historische werken over Rusland
  • 2012 debuteert als schrijver van populair-wetenschappellijke boeken over Rusland met Verloren adel, de laatste dagen van de Russische aristocratie

 

 

© Jan Stevens

‘De nonnen namen hun geheimen mee in het graf’

In het najaar van 1966 beviel Jeanine Ogiers anoniem in een rijhuis in Rijsel en stond haar kind af voor adoptie. Sindsdien is ze wanhopig op zoek naar haar verdwenen dochter. ‘De mensen zien me nog altijd als een paria omdat ik mijn kind afstond.’

 

Bijna haar leven lang is de inmiddels tachtigjarige Jeanine Ogiers uit Wetteren op zoek naar haar ‘verdwenen dochter’. In oktober 1966 beviel ze anoniem in Frankrijk. ‘Dat was zo geregeld door de blauwe zusters van Gent.’ Haar baby moest ze meteen na de geboorte afgeven. ‘Ik mocht haar niet vastpakken, maar diezelfde nacht nog sloop ik uit mijn bed om haar te knuffelen. Ik noemde haar Regina; ik vond dat een heel mooie naam. Ik heb haar nooit meer gezien.’

Jeanine’s zoon John Verstraeten maakte in oktober 2017 de Facebook-pagina ‘Op zoek naar mijn verloren zus’ aan. ‘Ik zette er foto’s op van ons, haar broers en zussen, en van moeder toen ze nog jong was. Die pagina werd meer dan duizend keer gedeeld en ik hoopte dat mijn verdwenen zus ons zo misschien op het spoor zou komen. Tot hiertoe is dat niet gebeurd. Ik heb intussen bij de Franse overheid een verzoek ingediend om de anonimiteit van moeder op te heffen. Zo komt mijn zus tenminste de naam van haar biologische moeder te weten, als ze op zoek zou zijn. Mijn moeder werd er indertijd door haar moeder van beschuldigd haar kind verkocht te hebben aan de Zusters Kindsheid Jesu, de blauwe zusters in de volksmond. Grootmoeder legde toen ook klacht neer bij de rijkswacht, zonder gevolg.’

 

In de jaren zestig gingen vooral ongehuwde meisjes anoniem in een kliniek in Frankrijk bevallen. Mevrouw Ogiers, u was 27 en had al drie kinderen.

Jeanine Ogiers: Ik kwam bij die nonnen terecht omdat ik materieel en emotioneel volledig aan de grond zat. Mijn toenmalige man had een zwaar drankprobleem en mishandelde ons. Op een nacht gooide hij de bedjes om waarin John en zijn oudere broer en zus lagen te slapen. Toen was de maat vol. Ik vluchtte met de kinderen naar mijn ouders, maar daar waren we niet welkom. Ik stond op straat met drie kleine kinderen, zonder inkomen. Mijn man betaalde het onderhoudsgeld niet en ik kreeg geen kindergeld. Ik wist van geen hout pijlen maken en moest dringend werk vinden. De kinderen werden in een home in Heusden geplaatst en ik vond een job bij de pas geopende Volvo-fabriek in Gent, aan de lopende band.

John Verstraeten: Op mijn 56e heb ik nog steeds vreselijke beelden van die paar maanden in dat tehuis. Ze stopten ons in de kelder omdat onze ouders de rekeningen niet betaalden. Toen ik drie jaar oud was, werden we geplaatst bij onze grootouders.

Ogiers: Mijn vader en moeder aasden eerst en vooral op het geld dat ze daarvoor kregen.

Verstraeten: Dat is jammer genoeg waar. Met die centen kochten ze een nieuwe salon en tv. Wij krikten hun materiële welstand op en in ruil gaven ze ons slaag. Ik hoor mijn grootmoeder nog schreeuwen: ‘Je moeder is een hoer. Ze liet je in de steek. Trap het maar af als het je niet aanstaat.’

 

Dat klinkt alsof u opgroeide aan de zelfkant van de samenleving.

Verstraeten: Toch niet. Mijn grootvader was buschauffeur en verdiende goed zijn boterham. Maar mijn grootouders waren allebei zeer gewelddadig tegenover hun kinderen en kleinkinderen. Ik zie nog hoe opa mijn zus met een stok afranselde. Als de woede uit zijn ogen verdwenen was, zei hij tegen haar: ‘Hier heb je 500 frank.’ De huisdokter speelde een smerige rol in heel ons verhaal. Elke maand kwam hij controleren of mijn veertienjarige zus nog maagd was. Toen ik veertien was, ging hij ook bij mij over tot seksueel grensoverschrijdend gedrag. ‘Dan kan ik je beter onderzoeken’, beweerde hij. Onlangs zat ik in het vliegtuig naast een vriendelijk oud heertje. ‘Waar komt u vandaan?’, vroeg hij. ‘Wetteren’, antwoordde ik. Hij zei: ‘Dat is toevallig, ik woon in de buurt, in Oordegem. Ik ben dokter D.W., aangename kennismaking.’ Ik voelde me misselijk worden; het was onze huisdokter van toen. Ik kon geen woord meer uitbrengen.

 

Mevrouw Ogiers, in 1966 raakte u ongewenst zwanger.

Ogiers: Mijn zes jaar oudere ploegbaas bij Volvo toonde zich erg bezorgd over mijn situatie. Hij troostte me en van het een kwam het ander. Hij was getrouwd en had kinderen. Er wordt vaak gezegd: ‘Een getrouwde kerel verleiden, deugt niet.’ Terwijl ik geen seks zocht, maar warmte, genegenheid en vriendschap. Maar dat beseffen al die mensen niet die met het vingertje staan te zwaaien. Zijn vrouw heeft nooit iets van onze relatie geweten. Toen ik zwanger was, vroeg hij niet of hij kon helpen. Hij heeft later ook nooit naar ons kind gevraagd.

Verstraeten: Ik kan begrijpen dat je in die man zijn armen belandde, want jij zat in de miserie. Maar hij maakte misbruik van je, want jij was de zwakkere partij. Hij was je baas, getrouwd, met kinderen. Als hij je echt graag had gezien, zou hij zijn verantwoordelijkheid genomen hebben en had hij een fatsoenlijke regeling uitgewerkt.

Ogiers: Toen ik wist dat ik zwanger was, raakte ik in paniek. Ik zat er compleet onderdoor, kon geen nieuwe baby aan en zocht hulp in het Bijlokehospitaal in Gent. Zij verwezen me door naar het klooster van de blauwe nonnen in de Nederpolder. Ik tekende een contract dat ik mijn kind afstond. Toen de weeën begonnen, voerden de zusters me met een auto naar Rijsel om te gaan bevallen.

 

Naar een ziekenhuis?

Ogiers: Nee, naar een huis in de rij, bij een vroedvrouw. Ik was niet de enige die daar kwam bevallen; er was nog een hoogzwanger meisje. Zij kwam uit Schellebelle. Ook haar kind, een jongen, werd zonder boe of ba meegenomen, net als mijn dochter. Ik mocht haar zelfs niet even vasthouden. Die nonnen waren keihard. ’s Anderendaags voerden ze me terug naar huis. Op het moment van ons vertrek zag ik een non een andere auto instappen, met mijn pasgeboren baby in haar armen. Ik was murw en alles gebeurde buiten mij om. Ik weet zelfs niet meer waar ze me toen in Gent hebben afgezet. Vannacht lag ik daar urenlang over te piekeren, maar heel die tocht van Rijsel naar Gent is een zwart gat. Die reis is al jaren uit mijn geheugen gewist.

 

Werd u door de zusters onder druk gezet om uw kind af te staan?

Ogiers: Nee. Ik zat diep in de shit en zag geen andere uitweg. Maar zowat meteen na de geboorte stak een overweldigend schuldgevoel op. Een paar maanden later klopte ik opnieuw bij de blauwe zusters aan. Ik wou weten waar mijn kind was. Hun reactie was ijskoud: ‘Daar heb je geen zaken mee.’ Ik had mijn kind definitief afgestaan, was dus geen moeder meer en kon maar beter opkrassen. Ze werden boos omdat ik het lef had naar mijn dochter te vragen. Jaren later hoorde ik dat de non die zich met de ongewenste zwangerschappen bezighield, bijna al haar dossiers verbrand had. ‘Ik neem mijn geheimen mee in het graf’, zei ze. Ook het dossier van mijn dochter ging in vlammen op.

 

Toch wist u dat u uw kind voor adoptie had afgestaan?

Ogiers: Natuurlijk, maar ik kreeg daar zeer snel spijt van. De kinderen werden alleen verkocht aan adoptieouders die er warmpjes inzaten. Dat zeiden de zusters me toen ik dat contract tekende. De handel in baby’s van ‘gevallen vrouwen’ bracht in die tijd een aardige stuiver op.

Verstraeten: In werkelijkheid was het mensenhandel, die dan nog eens netjes geregeld was tussen kerk en staat. Want anoniem bevallen in Frankrijk was volkomen normaal. Ik begrijp de hardheid van die nonnen niet die mijn moeder een paar maanden na de bevalling wegstuurden.

Ogiers: Op school leerde ik dat we respect moesten hebben voor dokters, advocaten, pastoors en nonnen. Sorry, maar vandaag heb ik voor geen enkele geestelijke nog respect. Ik geloof in iets dat ons overstijgt, maar het instituut de kerk kan me gestolen worden. Weet u dat ik het er zeer moeilijk mee heb om mijn verhaal aan u te vertellen? Want ook al is de maatschappij veranderd en is de kerk haar greep kwijt, toch blijft er veel schaamte. Ik word nog altijd als een paria bekeken omdat ik mijn kind heb afgestaan.

 

Mijnheer Verstraeten, wanneer zag u uw moeder voor het eerst terug?

Verstraeten: Op de begrafenis van mijn grootmoeder. Ik was toen veertien. Ik was boos op moeder, want ze had ons in de steek gelaten. Het heeft dertig jaar geduurd voor ik hier over de vloer kwam. Ik kon het woord ‘moeder’ niet uitspreken. Toch raapte ik op een dag al mijn moed bijeen en belde aan. Grootmoeder had bij leven en welzijn de wildste verhalen over mijn moeders handel en wandel verteld. Ik wou haar versie van de feiten horen en heb haar intussen ook vergeven. Ik kan niet oordelen over wat zij indertijd meemaakte.

Ogiers: Mijn moeder zei dikwijls dat ze me liever kwijt dan rijk was. Tegen mijn vader riep ze: ‘Sla Jeanine dood, dan zijn we tenminste van haar verlost.’ Ik was een ongewenst kind en dat heeft me voor de rest van mijn leven getekend. Net als mijn zoektocht naar mijn verdwenen dochter.

 

Zoekt u niet naar een naald in een hooiberg?

Ogiers: Daar lijkt het op, ja. Want weet zij dat ze in Frankrijk geboren is? Niemand heeft zicht op wat die nonnen indertijd aan de adoptieouders wijsmaakten. Wat wisten die mensen over haar afkomst?

Verstraeten: We hopen dat ze ooit onze Facebook-pagina ‘Op zoek naar mijn verloren zus’ bezoekt, al die foto’s van haar broers, zussen, moeder en grootouders ziet en zichzelf daarin herkent.

Ogiers: Ik heb via een website een DNA-staal laten nemen in de hoop dat er ergens een match is met haar. Waarschijnlijk heeft zij intussen kinderen en heb ik zo ook nog kleinkinderen die ik niet ken. Veel jaren resten me niet meer om haar te vinden.

 

Het zou ook kunnen dat ze heel kwaad is op u.

Ogiers: Daar hou ik rekening mee. Ik wil haar heel graag vinden, maar tezelfdertijd ben ik bang voor die eerste ontmoeting. Het kan best dat ze me nooit meer wil zien.

 

U hebt vijf kinderen. Hebben zij allemaal evenveel begrip voor uw zoektocht naar uw verdwenen dochter?

Ogiers: Ik heb zes kinderen, want ik tel mijn verdwenen dochter altijd mee. Drie zonen en drie dochters. Mijn verdwenen dochter was lang een geheim. Veertig jaar lang verzweeg ik haar, nu weten ze het allemaal. Op een bepaald moment was ik niet meer aanspreekbaar. Bij het minste schoot ik uit mijn krammen. Tot mijn dochter Tanja zei: ‘Moeder, het is hoog tijd dat je er iets aan doet, want zo kan het niet verder.’ Ik ging in therapie en dat hielp. Mijn leven was een aaneenschakeling van ellende. De gelukkigste jaren maak ik nu mee, maar elke dag denk ik aan mijn verdwenen kind.

 

 

Anoniem bevallen, het laatste mysterie

 

Met haar vzw Mater Matuta verdedigt Marleen Adriaens onder andere de belangen van slachtoffers van anonieme bevallingen. Zij voerde lang onderzoek naar adopties van de Kindsheid Jesu en weet wel wat er met de dossiers gebeurde. ‘Eind jaren tachtig zijn ze allemaal verbrand. De kloosterordes die zich met anoniem bevallen bezighielden, wisten dat er rond adoptie een strengere wetgeving in de lucht hing en hielden preventief grote kuis. Van begin jaren zestig tot eind jaren tachtig was anoniem bevallen in Frankrijk courante praktijk. Dat stopte pas definitief met die nieuwe adoptiewet van 1989. Vooral de congregatie van de Kindsheid Jesu, met kloosters in Gent en Lommel, was erin gespecialiseerd. Maar ook het seculiere adoptiebureau ‘Thérèse Wante’ uit Schoten hielp vrouwen anoniem bevallen. Wante is inmiddels dood, maar haar adoptiedienst bestaat nog en is nu gevestigd in het Waalse Ottignies. Ook Thérèse Wante stak alle dossiers in de fik.

De meeste anonieme bevallingen waren tienermeisjes in nood. De familie bracht hen naar het klooster, want de nonnen zorgden ervoor dat ze konden bevallen zonder dat iemand het wist. De baby’s werden vervolgens doorverkocht aan adoptieouders.’

 

Was het onvervalste kinderhandel?

Marleen Adriaens: Zonder twijfel, al wordt dat nog steeds ontkend. Adoptieouders moesten zogezegd niet betalen voor hun kind, maar ‘giften’ aan de kloosterorde waren wel verplicht. De nonnen stelden zich ook altijd keihard op tegen vrouwen die later wilden weten wat er met hun kind gebeurd was. Omdat alle papieren sporen gewist zijn, weet nu niemand hoeveel vrouwen er anoniem in Frankrijk gingen bevallen en hoeveel kinderen er ter adoptie werden aangeboden.

 

Is er dan niets terug te vinden in bevolkingsregisters en archieven van gemeenten?

Adriaens: Zelden. Onlangs werd ik gebeld door een vrouw van 58. Zij had nog maar pas ontdekt dat ze geadopteerd was. Niemand had begin jaren zestig haar moeder zwanger gezien en tóch was zij bevallen van een dochter. De vrouw stond geregistreerd als het biologische kind van mensen die in feite haar adoptieouders waren. Die volstrekt illegale praktijk van ‘onderschuivingen’ van kinderen kwam bij anoniem bevallen regelmatig voor. Ziekenhuizen, dokters en verpleegkundigen waren medeplichtig. Sommige veertigers en vijftigers weten vandaag dus nog altijd niet dat ze ooit geadopteerd zijn.

 

© Jan Stevens