Moneyland

In zijn boek Moneyland gidst journalist Oliver Bullough ons door het wereldwijd vertakte land waar superrijken samen met dieven en andere oplichters hun foute geld stockeren en verbergen. “Een Moneylander kan zich àlles permitteren.”

 

Aan de overkant van het parlement in Londen staat een groepje anti-brexit-demonstranten te verkleumen. “Ik lag vroeger niet wakker van de EU, maar hoe dichter die vermaledijde brexit nadert, hoe meer heimwee ik naar Europa krijg”, zegt de Britse onderzoeksjournalist Oliver Bullough. “Behalve mijn schoonouders ken ik niemand die voor de brexit gestemd heeft. Nu wordt die nachtmerrie werkelijkheid.” We zijn op weg naar een koffiehuis een straat verder, om te praten over Bulloughs boek Moneyland. Daarin beschrijft hij de stichting en onstuitbare opkomst van een grensoverschrijdend ‘land’ waar rijken, superrijken en criminelen hun dubieuze geld uit handen van de fiscus houden en immuniteit voor zichzelf en hun dierbaren kopen.

Oliver Bullough: “De brexit is voor de inwoners van Moneyland uitstekend nieuws. Want het Verenigd Koninkrijk zal dan de status terugkrijgen van vóór de aansluiting bij de EU in 1973: die van piratenstaat. Het is niet voor niets dat een paar bankiers uit de Londense City aan de basis liggen van Moneyland. De toekomst lacht al degenen toe die zich specialiseren in het creëren van veilige havens voor vuil geld. Want een steeds groter deel van de rijkdom van de wereld wordt gestolen en verborgen.”

 

Gestolen en verborgen door wie?

“Je zou denken dat vooral ordinaire criminelen zich daarmee bezighouden, maar de inwoners van Moneyland zijn zeer divers. Met ‘Moneyland’ bedoel ik heel de structuur die faciliteiten biedt om geld te versluizen en verstoppen. Vandaag strekt Moneyland zich uit over al die plekken wereldwijd waar geld is. En ook al vind je het niet terug in een atlas of op Google Maps, toch krijgt Moneyland steeds meer de karakteristieken van een écht land. Het bezit ongeveer tien procent van al het geld dat wereldwijd in omloop is en anonimiteit is het voornaamste wat het zijn burgers te bieden heeft.

“Moneylanders zijn immuun voor de wet. Ze maken dankbaar gebruik van de exclusieve faciliteiten van hun nieuwe ‘vaderland’ om hun geld te laten stromen tot niemand er een spoor van terugvindt. Anno 2019 is er dus een globaal systeem dat het mogelijk maakt dat vermogende mensen hun geld kunnen sturen naar landen met de voor hen meest interessante belastingwetten.”

 

Dat klinkt als een samenzweringstheorie.

“Dat is het niet: Moneyland is organisch gegroeid, zonder dat er in het verborgene een verdorven meesterbrein aan sleutelt. Het zou makkelijker te bestrijden zijn als er wel een SPECTRE-achtige organisatie achter zou schuilgaan. Moneyland is gewoon een gevolg van het feit dat geld internationaal is, terwijl onze wetten dat niet zijn. Stel dat jij een Belgische ondernemer bent die zeer goed boert, maar liever wat minder belastingen zou betalen. De Zwitserse fiscale wetgeving lijkt je een interessanter alternatief dan de Belgische. Als Moneylander huur je dan een fiscaal expert in die je helpt om al dat zuurverdiende geld naar Zwitserland te versluizen. Wordt Zwitserland te link? Dan is Bermuda misschien een goed alternatief. Of Malta. Moneylanders weten dankzij hun royaal betaalde ‘vermogensbeheerders’ ook in welke steden ze onroerend goed moeten opkopen om zoveel mogelijk belastingen te drukken. Dat kan hier in Londen zijn, Brussel, Parijs of New York. Elk vrij en open land kan interessant zijn voor een inwoner van Moneyland: België, Groot-Brittannië, Nederland, Canada of de VS.

“Voor gewone burgers zijn landsgrenzen belangrijk. Kijk naar wat er nu hier in mijn land gebeurt: als de brexit echt plaatsvindt, heb ik binnenkort misschien een visum nodig voor de overtocht naar België. Voor geld zijn landsgrenzen totaal irrelevant: dan bestaan ze zelfs niet meer.”

 

Wie rijk genoeg is kan zelf kiezen in welk land hij geen belastingen wenst te betalen?

“Juist. Hij gaat dan op zoek naar dat land waar hij anoniem en in alle rust zwart geld kan witwassen, zijn reputatie kan laten opkalefateren en een paspoort kan kopen. Wie genoeg geld heeft om inwoner van Moneyland te worden, kan zich àlles permitteren.”

 

Uw zoektocht naar Moneyland start in Oekraïne, in 2014, vlak na de afzetting en vlucht van de Russisch gezinde president Viktor Janoekovitsj.

“In 1999 verhuisde ik naar Rusland, om er als journalist aan de slag te gaan. Ik versloeg er onder andere de oorlog in Tsjetsjenië. In 2006 keerde ik terug naar Londen, maar mijn interesse voor al die landen van de voormalige Sovjet-Unie bleef. Zo kwam ik na de Euromaidan-protesten in Oekraïne terecht. Vlak na de val van Viktor Janoekovitsj in februari 2014 bracht ik een bezoek aan het presidentiële paleis Mezhyhirya, ten noorden van Kiev. Ik wist dat Janoekovitsj corrupt was en er geen graten in zag om overheidsgeld achterover te drukken, maar wat ik in zijn paleis aantrof, tartte elke verbeelding. Het was net de grot van Ali Baba. Janoekovitsj en zijn vrienden vergaarden honderden miljoenen dollars, terwijl de levensstandaard van de modale Oekraïner er amper op vooruitging.

“Officieel verdiende president Viktor Janoekovitsj jaarlijks 100.000 dollar. Op het immense domein van zijn paleis had hij een fortuin gespendeerd aan watervallen, fonteinen, een golfterrein, twee landingsbanen voor helikopters, tennisterreinen, een jachthaven en een Griekse tempel. Ik zag een verzameling onbetaalbare iconen, antieke geweren en zwaarden, gouden kandelaars, marmeren beelden en in alle kamers hingen imposante portretten van hemzelf. De president had elf badkamers ter zijner beschikking en moet een problematische stoelgang gehad hebben: in zijn ruim bemeten presidentiële toilet hingen twee televisietoestellen op zithoogte. (lacht) Door Viktor Janoekovitsj raakte ik geïnteresseerd in het fenomeen corruptie. Een van de belangrijkste drijfveren van de Oekraïense revolutie was de onvoorstelbaar grote corruptie en kleptocratie: de machthebbers bestalen hun burgers.”

 

Corruptie komt in heel wat voormalige Oostbloklanden voor, niet alleen in Oekraïne.

“Zeker, en wij zijn snel geneigd om te denken dat corruptie op grote schaal typisch is voor die landen. Terwijl de kern van het probleem volgens mij niet de landen uit het Oostblok, het Midden-Oosten of Afrika zijn, maar al die plekken waar het corruptiegeld naar toevloeit. Dat zijn dan steden als Londen of Amsterdam. Jaarlijks zou wereldwijd meer dan 20 biljoen dollar op een of andere manier door Moneylanders aan belasting ontdoken of van burgers gestolen worden. Corruptie ondermijnt alles: gezondheidszorg, veiligheid, onderwijs… In Afghanistan is corruptie de voornaamste reden waarom het regime de terreur van de taliban niet onder controle krijgt. Waarom vluchten nu zoveel wanhopige mensen naar het westen? De grondoorzaak is: corruptie. Maar wie legaliseert het corruptiegeld van de rijke Afrikanen, Arabieren en Russen? ‘Wij’: de Britten, Belgen, Nederlanders, Duitsers, Zwitsers, Amerikanen. Hier in het westen wonen de helers. Zij tonen de weg naar Moneyland.”

 

In 2010 werd de verkiezingscampagne van Viktor Janoekovitsj geleid door de Amerikaanse politieke consultant Paul Manafort. Hij leidde ook de campagne van Donald Trump en zit nu in de gevangenis voor fraude. Manafort speelt een hoofdrol in het lopende onderzoek naar Russische inmenging.

“Manafort verdiende zijn sporen als campagneleider bij onder anderen Ronald Reagan en vader George Bush. In 2010 presenteerde hij Janoekovitsj aan de Oekraïners als de toekomstige president van de verstotenen en behoeftigen. Hij was zogezegd een man van het volk, tegen de elite. Manafort herhaalde in 2016 exact hetzelfde kunstje voor Donald Trump. Net als Trump later, won ook Janoekovitsj en Paul Manafort werd dik betaald, waarna hij zijn geld verborg in Moneyland. Hij ‘investeerde’ het in onroerend goed in de VS en in luxegoederen. Manafort is interessant omdat hij laat zien dat je geen Oekraïense gangster of Russische oligarch moet zijn om inwoner te worden van Moneyland. Als het geld binnenstroomt, wordt de verleiding soms te groot. Hij gebruikte exact dezelfde middelen van de oligarch en verborg zijn fortuin via het belastingparadijs St. Vincent en de Grenadines. Net als Viktor Janoekovitsj had hij een ‘shell company’, een lege vennootschap in Londen, en anonieme rekeningen in Cyprus.”

 

Eén van de poortwachters van Moneyland is de Zwitserse advocaat Christian Kälin. Welke diensten levert hij?

“Kälin is de voorzitter van het in Londen gevestigde Henley & Partners en verkoopt paspoorten van over de hele wereld. Zijn organisatie prijst zichzelf aan als: ‘global leader in residence and citizenship planning’. Christian Kälin vond de paspoortenverkoop niet uit, maar tilt hem wel op een ander niveau. Hij is handelaar in burgerschap van verschillende landen; zijn idee is dat een paspoort iets is dat je moet kunnen kopen zoals een pak koekjes. Vóór Kälin zijn business op poten zette, moest je als superrijke mens die staatsburger wou worden van een fatsoenlijk land of een belastingparadijs, eerst lange onderhandelingen voeren. Die procedure voor een nieuwe nationaliteit sleepte soms jaren aan. Kälin maakt daar komaf mee: als je bij hem op de juiste knoppen duwt en het gepaste bedrag neertelt, bezorgt hij je in twee maanden tijd het paspoort dat je wenst.

“Stel: je bent een Russische oligarch en je geld is veilig offshore. Het enige vervelende is dat visum dat je telkens weer nodig hebt om te reizen. Tot je dat netjes door mijnheer Kälin geregelde paspoort in handen krijgt waardoor je ook een gerespecteerd burger van Oostenrijk wordt. Voortaan reis je vrij in de Schengenzone rond.”

 

Voor de echt rijken onder ons zijn de grenzen dus altijd open?

“Ja. Voor hen zijn er geen grenzen meer, tenzij ze die grenzen zélf willen. Een Russische oligarch die hier een misdaad gepleegd heeft en naar Rusland vlucht, is net heel blij met de grens. Zeker als dankzij zijn uitstekende contacten met de clan rond Vladimir Poetin de politie in eigen land in zijn binnenzak zit. Voor onze rijke medemensen uit Moneyland is het allerbelangrijkste dat hun geld vrijelijk de wereld kan blijven rondreizen, zonder belemmeringen.”

 

Dat is niet altijd zo geweest?

“Nee. In 1944 tekenden alle geallieerde landen de akkoorden van Bretton Woods in het gelijknamige vakantiedorp in de Amerikaanse staat New Hampshire. In de jaren twintig en dertig waren er ook geen grenzen voor geld, met als gevolg: een financiële crisis die eindigde in het nazisme. Ik wil geen doemdenker zijn, maar onze tijd begint sterk te lijken op de jaren dertig. De financiële crisis van 2008 was óók het resultaat van vrij stromend speculatief geld. De gevolgen daarvan zijn nog lang niet verteerd.

“Bretton Woods schetste de economische architectuur die ongecontroleerde geldstromen aan banden legde. Er werden voor alle munten vaste wisselkoersen in verhouding tot de Amerikaanse dollar ingevoerd. Die dollar werd gekoppeld aan een vaste goudwaarde. Bretton Woods betekende de herinvoering van de goudstandaard. De ondertekenaars hoopten dat zo een einde zou komen aan de praktijken van sommige regeringen om handel als oorlogswapen te gebruiken. Ze wilden zo ook verhinderen dat bankiers nog winst maakten op de kap van de democratie. De Grote Depressie na de beurscrash van 1929 had de angst en de armoede gevoed. Dat zorgde voor een vruchtbare bodem voor het fascisme. Bretton Woods kwam er onder impuls van de beroemde Britse econoom John Maynard Keynes. Het ultieme doel was om ervoor te zorgen dat geld minder machtig werd dan regeringen. Het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank werden opgericht en kapitaalverkeer werd strikt gecontroleerd.”

 

Na Bretton Woods konden geld en goud enkel nog de grenzen overgesmokkeld worden, zoals in de James Bondfilm Goldfinger uit 1964?

“Precies. Vijf jaar eerder kwam de gelijknamige roman van Ian Fleming uit waarop die film gebaseerd is. James Bond gaat erin de strijd aan met de sjoemelende zakenman Auric Goldfinger. Via het chassis van zijn Rolls Royce smokkelt Goldfinger gigantische hoeveelheden goud van Engeland naar Zwitserland en ondermijnt zo het Britse muntsysteem. Vandaag lijkt dat verhaal complete nonsens: waarom goud smokkelen als je je geld met een muisklik van de ene uithoek van de planeet naar de andere kan verplaatsen? In die tijd ging het echt zo. Belastingen waren hoog, mensen stapelden hun auto’s vol zuurverdiende zwarte centen en reden er in het geniep mee naar Zwitserland. Iedereen was toen Auric Goldfinger. (lacht) In Zwitserland was het geld veilig voor de fiscus, alleen gebeurde er niets mee. Het zat er vast achter grenzen. Tot begin jaren zestig de ‘eurobonds’ ontwikkeld werden door de Schotse journalist-bankier Ian Fraser. Hij gaf geld opnieuw de vrijheid.”

 

Wie is Ian Fraser en wat zijn eurobonds?

“De in 2003 overleden Ian Fraser was bij leven en welzijn zeer invloedrijk in de Londense City. Tijdens WO II werd hij gedecoreerd als oorlogsheld. Daarna ging hij in het buitenland aan de slag als journalist bij het persbureau Reuters. In 1956 ruilde hij de journalistiek in voor de zakenbank Warburg. Daar ontwikkelde hij samen met zijn collega Peter Spira de eurobond. De opdracht van hun baas was: creëer een instrument waarmee controles en belastingen op internationaal rondreizend geld vleugellam gemaakt worden. Zorg er tezelfdertijd voor dat het rondreizend geld op de fiscaal meest interessante plek terechtkomt. Ongeveer 5 procent van alle geld zat op dat moment geblokkeerd in Zwitserland. Het positieve was dat je geen belastingen betaalde, het negatieve dat je er niets mee kon aanvangen. Rijke mensen wilden hun geld dolgraag activeren en bankiers in Londen droomden ervan om daar een graantje van mee te pikken. Dus verzonnen Fraser en Spira het principe van de eurobond: een obligatie die wordt uitgegeven in een andere munteenheid dan die van het land van uitgifte. Als Fraser zijn eurobonds in Groot-Brittannië uitgaf, moest hij een belasting van 4 procent betalen. Dus zette hij er als plaats van uitgifte de Nederlandse luchthaven Schiphol op. Als hij de intresten in Engeland liet uitbetalen, moest hij daar weer een andere belasting voor ophoesten, dus zorgde hij ervoor dat intresten uitbetaald werden in Luxemburg. En ook al werden de eurobonds niet in Groot-Brittannië uitgegeven, toch wist hij de Londense beurs ervan te overtuigen ze te aanvaarden. De gouverneurs van centrale banken van verschillende Europese landen maakten zich zorgen over de impact van die nieuwe obligaties, maar Fraser praatte ze allemaal onder tafel. Zijn eurobonds waren net magie: verborgen rijkdom die tot voor kort in Zwitserland lag te verkommeren, werd nieuw leven ingeblazen. De baasjes van al dat geld konden nu vellen papier kopen die ze overal mee naartoe konden nemen. Die eurobonds leverden belastingvrije intresten op en werden overal probleemloos ingewisseld. Dankzij Ian Fraser kreeg iedereen met geld toegang tot ‘offshore’. In zijn autobiografie schreef hij: ‘Het geheim van de eurobonds is dat ze totaal anoniem zijn, dat de coupons belastingvrij uitgekeerd worden en dat de ‘rijpe’ obligaties terugbetaald worden zonder vragen te stellen.’ Zo werden de controles op geldverkeer gesloopt en werd voor de inwoners van Moneyland alles mogelijk.”

 

Wat wil ‘offshore’ eigenlijk zeggen?

“Die term stamt uit de tijd van de piratenzenders. Die liep parallel met de creatie van de eurobonds. In de jaren zestig werd popmuziek steeds populairder bij tieners. Maar de BBC had daar geen oren naar. Alleen de staatszender mocht legaal in het VK uitzenden. De onvrede bij de jeugd groeide en een paar reders zagen daar brood in. Ze bouwden een boot om tot een zendstation, gingen buiten de Britse territoriale wateren voor anker, en zonden nieuwe opwindende popmuziek uit, afgewisseld met reclame. Aan de wal waren offshore radiostations even prominent aanwezig als de BBC, maar juridisch waren ze afwezig en moeilijk te bestrijden. Dat offshore-concept werd door de financiële wereld geadopteerd. Het staat voor: juridisch afwezig zijn, terwijl je fysiek wél aanwezig bent. ‘Waar mijn dubieuze transacties plaatsvinden, doet er niet toe, zolang het maar niet hier is.’ Offshore is: nergens. Van zodra geld nergens is, is het overal.”

 

U vindt de gevolgen van offshore desastreus?

“Offshore is de uitvinding die de wereld gebroken heeft. De schade is verschrikkelijk. Neem een land als Rusland: de 1 procent superrijke Russen bezitten 52 procent van de rijkdom van het hele land. Al hun geld is offshore. Als er morgen een revolutie uitbreekt en Vladimir Poetin aan de kant gezet wordt, verliest de nieuwe regering meteen meer dan de helft van ’s lands rijkdom. Want al dat offshore-geld van de oligarchen zal dan spoorloos verdwenen zijn. Offshore is een immens probleem, omdat geld niet langer meer onderworpen is aan democratisch toezicht.

“In 1999 werd in de Verenigde Staten de voormalige Oekraïense eerste-minister Pavlo Lazarenko gearresteerd. Hij stond internationaal geseind voor corruptie. Lazarenko werd in 2004 veroordeeld voor grootschalige diefstal, fraude en witwaspraktijken. Hij kreeg een miljoenenboete én een gevangenisstraf. In 2012 werd hij vrijgelaten, maar zijn fortuin dat geschat wordt op minstens 250 miljoen dollar, konden de Amerikaanse autoriteiten tot hiertoe niet recupereren. Twintig jaar na Lazarenko’s arrestatie, is al dat gestolen geld via belastingparadijzen nog steeds ‘veilig’ en onaantastbaar. Dat zegt iets over de kracht van Moneyland. Zelfs de machtige Verenigde Staten zijn niet in staat om die structuren te kraken.”

 

Zijn alle rijke mensen per definitie inwoners van Moneyland?

“Dat is toch waar velen naar streven. Alles hangt af van hoe sterk hun ethisch bewustzijn is. Ik twijfel er niet aan dat sommige superrijken wél belastingen betalen en niet geïnteresseerd zijn in een toegangsticket tot Moneyland. Maar het lijkt me niet makkelijk om te weerstaan aan die lokroep van totale immuniteit. Een Russische oligarch heeft eigenlijk geen andere keuze dan burger worden van Moneyland. Anders is hij zijn rijkdom snel weer kwijt. Hetzelfde geldt voor een rijke Nigeriaan. Hij moet wel gek zijn om zijn geld in eigen land te laten, want in een mum van tijd wordt het ingepikt door andere gulzigaards.”

 

U organiseert de ‘Londen Kleptocracy Tours’. Wat moet ik me daarbij voorstellen?

“Samen met mijn kompaan Roman Borisovich leg ik voor de geïnteresseerden bustours in Londen in langs de huizen van Russische oligarchen, prinsen en kroonprinsen uit het Midden-Oosten en Nigeriaanse politici. (lacht) De meeste Moneylanders dromen ervan om een huis te bezitten in West-Londen: Knightsbridge, St. James Wood, St. John’s Wood… Geen enkele doorsneeburger kan zich daar nog een huis permitteren. Je vindt er geen winkels of pubs meer en een sociaal leven is er onbestaande. Het zijn plekken geworden waar geld bewaard wordt, zogenaamde ‘investeringen’. Soms passeert de eigenaar er voor een week; eigenlijk zijn het niet meer dan walgelijk dure hotels. In Brussel zijn er waarschijnlijk ook zo’n wijken die in handen zijn van Moneylanders en waar de lokale gemeenschappen intussen uitgestorven zijn.

“Ook al die huizen zijn offshore; via officiële weg kom je niet te weten van wie ze zijn. Daar moet je enig opzoekingswerk in offshore-belastingparadijzen zoals Gibraltar, St. Kitts of Panama voor ondernemen. Iedereen weet dat een deel van het Londense patrimonium in overzeese, niet al te koosjere stinkend rijke handen is. Alleen heeft zo goed als niemand er echt zicht op.”

 

U bezocht een aantal van die belastingparadijzen.

“Wat je op die plaatsen zeker niet aantreft, is het geld van de Moneylanders. Het passeert er alleen maar. Mijn favoriete belastingparadijs is Nevis, een eiland in de Caribische Zee. De hoofdstad heet Charlestown en het eiland telt 11.000 zielen. In 1983 werd het samen met zustereiland St. Kitts onafhankelijk van Groot-Brittannië. Nevis is prachtig, schattig en klein. Je stapt van de boot rechtstreeks de kantoorgebouwen binnen waar je je schimmige zaakjes kan regelen. Tot hiertoe bleef Nevis uit de schijnwerpers als offshore-eiland. De bewindslui voelden de druk nog niet om te verbergen dat hun eiland een belastingparadijs is. In Jersey of Noord-Ierland wordt heel wat mist gespuid over ‘vermogensbeheer’, ‘risicokapitaal’ en ‘interessante beleggingen’. In Nevis laten ze voorlopig de bullshit achterwege. Zij produceren niets, maar verkopen enkel absolute geheimhouding en immuniteit. Elke dollar die daar passeert, blijft de waarde houden van een dollar, alleen wordt de herkomst er gewist.”

 

U sprak er met Heidi-Lynn Sutton, toezichter van de Nevis Financial Services Regulatory Commission.

“Zij moet erop toezien dat de structuren van het eiland niet misbruikt worden door criminelen. Een rapport uit 2017 van de Amerikaanse overheid noemt Nevis nochtans dé favoriete bestemming van criminelen die geld willen verbergen en witwassen. Sutton ontkent dat staalhard.

“Nevis erkent geen vonnissen van buitenlandse rechtbanken. Al wie een op Nevis gevestigd bedrijf wil aanklagen, moet dat doen via het hof van het eiland. Maar voor je begint te procederen, moet je eerst 100.000 dollar storten. Als het misdrijf een jaar oud is, wordt je klacht sowieso geseponeerd. Wie wil procederen tegen een rechtspersoon op Nevis, wens ik veel succes. De wetten in Nevis zijn geschreven door Amerikaanse advocaten. Rijke Amerikanen die van hun vrouw willen scheiden zonder haar uit te betalen, brengen hun bezittingen nu op papier onder in Nevis. Dan zijn ze safe en kan mevrouw naar de centen fluiten. De regering van Nevis bestaat uit de spreekwoordelijke drie man en een paardenkop. Zij accepteerden de door de advocaten voorgekauwde wetten met veel plezier. Het fiscale wetboek van Nevis is dus geschreven door Amerikaanse advocaten om rijke Amerikaanse burgers te ‘beschermen’ tegen de Amerikaanse justitie. Intussen maken ook rijke Russen, Saoedi’s en Oekraïners er dankbaar gebruik van. Alleen gaan zij nog iets meer in overdrive.”

 

Hoe kunnen we Moneyland aan banden leggen?

“Dat kan alleen op internationaal vlak. Sommigen klagen steen en been over de EU, maar de Europese instellingen waren wel altijd een belangrijk platform voor grensoverschrijdende resoluties. Al moeten we tezelfdertijd niet overdrijven: ook veel Europese landen hebben de voorbije decennia hun witwasschandalen gekend. Maar de EU onderneemt tenminste nog pogingen om basisregels voor ethisch geldverkeer vast te leggen. Zonder EU zouden alle Europese landen razendsnel transformeren in fullblown belastingparadijzen. Ik ben bang dat na de brexit Groot-Brittannië het Nevis van Europa zal worden.”

 

Oliver Bullough, Moneyland: Why Thieves And Crooks Now Rule The World And How To Take It Back, Profile, 20,99 euro – De Nederlandse vertaling verschijnt eind februari bij uitgeverij Tomas Rap.

(c) Jan Stevens

 

 

Advertenties

Eén eeuw herfsttij

Exact honderd jaar geleden verscheen Herfsttij der Middeleeuwen van de Nederlandse hoogleraar geschiedenis Johan Huizinga (1872-1945). Ter gelegenheid van dat eeuwfeest bezorgde Huizinga-kenner Anton van der Lem een nieuwe uitgave. ‘Het boek kreeg in 1919 cultstatus en wordt nog steeds gelezen.’ Al is dat niet meer door iedereen. ‘Mijn studenten gingen op hun achterste poten staan.’

 

Bij de voorstelling van de nieuwe editie van Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen, kreeg de Nederlandse minister-president Mark Rutte het eerste exemplaar overhandigd. ‘Dat illustreert meteen ook de status van dat boek in Nederland’, zegt Wim Blockmans, Belg en emeritus professor Middeleeuwse Geschiedenis aan de universiteit Leiden. ‘Herfsttij der Middeleeuwen is bij onze noorderburen een heus cultboek en auteur Johan Huizinga is er een beroemdheid. Verschillende instituten zijn naar hem genoemd. In de Verenigde Staten staat Herfsttij op de verplichte lectuurlijst voor historici in spe. Daar prijken maar twee geschiedenisauteurs uit de Lage Landen op: Huizinga en zijn Gentse tijdgenoot Henri Pirenne. Zij zijn de enigen van vier generaties Nederlandstalige historici. In de universiteitsbibliotheek van Leiden wordt tot vandaag elke snipper over of van Johan Huizinga verzameld.’

Verzamelaar van die snippers en bezorger van de nieuwe editie van Herfsttij der Middeleeuwen is Anton van der Lem, conservator oude drukken en bibliofiele uitgaven. ‘In alle boeken van Johan Huizinga voel je zijn betrokkenheid’, zegt hij. ‘Zeer veel historici schrijven zeer plichtsmatig over hun studieobject. Bij Huizinga is dat niet zo. Als lezer voel je meteen: deze man leeft zich in zijn onderwerp in. Natuurlijk blijft hij een academicus: hij heeft Herfsttij der Middeleeuwen dan ook tot in de puntjes gedocumenteerd. Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag heb ik driehonderd illustraties aan het boek toegevoegd. Johan Huizinga ging ervan uit dat iedereen al die schilderijen die aan bod kwamen ook kende. Ik schreef er ook nog de na- en voorgeschiedenis van Herfsttij bij. Woord voor woord vergeleek ik meerdere edities. Tussen 1945 en eind jaren negentig werd het boek telkens opnieuw bij de drukker gezet. Zo slopen er steeds meer kleine fouten in. Die heb ik er uitgefilterd. Het resultaat is de originele Herfsttij der Middeleeuwen in moderne spelling.’

 

Vlaamse Primitieven

In Herfsttij der Middeleeuwen beschrijft Johan Huizinga het rijke culturele leven aan het Bourgondische hof in de veertiende en vijftiende eeuw. Precies ook het hof dat Bart Van Loo onder de loep neemt in zijn gloednieuwe De Bourgondiërs, waar Knack vorige week aandacht aan schonk. ‘Het belang van de Nederlander Johan Huizinga en de Belg Henri Pirenne voor de Bourgondische studies kan moeilijk onderschat worden’, stelt Van Loo. ‘Vóór het begin van de twintigste eeuw was dat braakliggend terrein. Huizinga en Pirenne bliezen de Bourgondiërs nieuw leven in. Lang kregen de hertogen van Bourgondië het label van “slechteriken” opgeplakt. Ze werden afgeschilderd als vermaledijde kerels die de eigenheid van Holland, Brabant of Vlaanderen om zeep wilden helpen. In de 19e eeuw ontstonden de staten zoals wij ze nu kennen en de behoefte aan mythische basisverhalen was groot. De Gentse historicus Henri Pirenne las vervolgens de geschiedenis van de Bourgondiërs door een Belgische bril. Zijn werk is echt heel interessant, maar vooringenomen omdat hij via de Bourgondiërs het nog jonge België wou verantwoorden. Ook Herfsttij der Middeleeuwen van Johan Huizinga is indrukwekkend, en net zo vooringenomen, maar dan op een positieve, vernieuwende manier. Hij bekeek de late middeleeuwen in de Lage Landen en Frankrijk vooral door de bril van de culturele elite. De creatieve kiem voor zijn boek werd gelegd in 1902, toen hij in Brugge Les primitifs flamands bezocht, de grote overzichtstentoonstelling van de laatmiddeleeuwse schilders uit onze contreien. Hij raakte onder de indruk van het werk van onder anderen Rogier van der Weyden, Jan van Eyck, Hans Memling en Dirk Bouts. Al had hij soms bizarre voorkeuren. Dat hij nogal neerbuigend over Van Eyck schreef, heb ik nooit begrepen, alsof hij nooit echt de tijd genomen heeft om zijn oeuvre van dichtbij te bestuderen.’

 

Klassieker

Anton van der Lem noemt Herfsttij der Middeleeuwen zondermeer een klassieker. ‘Het boek bezit enorme zeggingskracht. Het is naast pure geschiedenis ook kunst- en mentaliteitsgeschiedenis, antropologie, etnologie… Al die verschillende stromingen verbindt Huizinga voortreffelijk. Daarom vind je er ook steeds nieuwe dingen in terug wanneer je het herleest. Later zijn er nog veel uitstekende boeken over de Bourgondische Nederlanden verschenen, maar in geen enkel werk worden de cultuurhistorische aspecten zo indringend beschreven als in Huizinga’s Herfsttij. Ze beschrijven vooral de politieke geschiedenis; die kennen we intussen voldoende. Een cultuurhistorische of mentaliteitsgeschiedenis zoals in de traditie van Huizinga, blijft uniek. Hij was de eerste. We kennen allemaal de schilderijen van de Vlaamse Primitieven. Maar we kennen niet de mentaliteit van de mensen die erop geportretteerd zijn of erachter schuilgaan. Net dat probeerde Johan Huizinga te traceren, aan de hand van de literatuur, godsdienstige geschriften en kronieken uit die tijd.’

Al die kroniekschrijvers werkten toch in opdracht van de hoge adel? Van der Lem: ‘Het klopt dat zij enkel oog hadden voor de elite en niet voor de dorpers. Ze schreven in opdracht of om in het gevlei te komen. Toen chroniqueur Martin le Franc ietwat negatief over een hertog berichtte, moest hij zijn werk overdoen. Huizinga beschreef dus inderdaad een elitecultuur. Meteen na de publicatie van zijn boek werd hem dat al kwalijk genomen. Hij kreeg het verwijt dat hij geen aandacht had voor de opkomende burgerij en de groeiende financiële centra. De kritiek luidde: “Die Huizinga las enkel wat kroniekjes.” Maar dat is onzin. Ik heb in mijn editie een literatuuropgave bijgevoegd van alles wat Johan Huizinga gebruikt heeft. Er stonden noten en referenties in Herfsttij der Middeleeuwen, maar hij heeft nooit zelf een literatuurlijst gemaakt. Huizinga’s archief is in ons bezit. Hij was als hoogleraar algemene geschiedenis verbonden aan de universiteit van Leiden en was hier in 1932-1933 zelfs even rector. Tijdens het schrijven van Herfsttij ontleende hij een heleboel boeken uit de universiteitsbibliotheek. In zijn archief vond ik daar twee lijsten van terug. Daar stonden niet alleen kronieken op. Zo raadpleegde hij nogal wat godsdienstige boeken, denk maar aan de werken van de 15e-eeuwse Vlaamse mysticus Dionysius de Karthuizer. Hij wou niet alleen in het hoofd van de elite van de late middeleeuwen kruipen, maar ook weten hoe de massa tot tranen toe beroerd kon worden door de opzwepende preken van monniken en priesters.’

 

Mooi & meeslepend

Marc Boone is professor Middeleeuwse Geschiedenis aan de universiteit Gent. ‘Herfsttij der Middeleeuwen blijft een belangrijk monument uit de Nederlandse geschiedschrijving’, vindt ook hij. ‘In 1919 was het vernieuwend en zeer ongewoon. De manier waarop Huizinga naar de geschiedenis keek, week af van wat gangbaar was. Tot dan werd geschiedenis feitelijk beschreven, positivistisch bijna. Er was vooral aandacht voor de grote gebeurtenissen, terwijl Huizinga zocht naar de mentaliteit van de mensen. Hij ging min of meer intuïtief te werk en probeerde in hun hoofden te kijken. Het zou nog meer dan een generatie duren voor ook andere geschiedschrijvers in zijn voetsporen traden. Volgens Huizinga moest een historicus gegrepen worden door “de historische sensatie”. Hij moest een persoonlijke band ontwikkelen met de periode die hij bestudeerde én met de mensen die erin leefden.’

Professor Wim Blockmans noemt Huizinga een ‘historische antropoloog’. ‘In 1919 was dat uniek en dat verklaarde mee zijn onmiddellijke succes. Daarenboven had hij ook een uitstekende pen. Herfsttij der Middeleeuwen is mooi en meeslepend geschreven. Na de eerste paragraaf wil je blijven lezen.’

Marc Boone: ‘Toch is het geen eenvoudige tekst. De taal is soms gezocht. Neem “herfsttij” uit de titel: dat is al iets heel bijzonder. Niemand gebruikt dat woord nu nog, maar ook vóór Huizinga had niemand het over “herfsttij”. Het is een neologisme dat hem in het oor gefluisterd werd door de dichteres Henriette Roland Holst-van der Schalk. “Herfsttij” zorgde voor vertalingsproblemen, al stonden die het internationale succes niet in de weg. In het Frans werd “herfsttij” eerst “le déclin”, later “l’automne”, wat niet precies hetzelfde is. We weten hoe lang hij aan dat boek gewerkt heeft, want er is veel briefwisseling uit die periode bewaard gebleven. Zo correspondeerde hij met Henri Pirenne. Hij begon al aan Herfsttij der Middeleeuwen te werken in de jaren 1913-1914. Hij zag de late middeleeuwen als een periode van verval, van geleidelijk afsterven van de samenleving. Die visie werd beïnvloed door de manier waarop hij zijn eigen tijd beleefde. De Eerste Wereldoorlog brak uit en ook al bleef Nederland neutraal, de oorlog zorgde voor een enorme schok. In Herfsttij der Middeleeuwen ligt de klemtoon heel sterk op dat afsterven, waardoor het boek een zeer pessimistische ondertoon krijgt.’

Wim Blockmans: ‘De leidende gedachte in het boek is: al die uiterlijke vormen van de Bourgondiërs, de pracht en praal, waren de laatste stuiptrekkingen van een ridderwereld in verval. Huizinga verloor jammer genoeg uit het oog dat de dynamiek in die samenleving niet enkel vanuit dat hof vertrok. Later zou hij toegeven dat hij zich te veel op de neergang gericht had, en te weinig oog had voor de opwaartse krachten in de laatmiddeleeuwse maatschappij.’

 

Beunhaas

Volgens professor Blockmans zijn kunsthistorici geen fan van Herfsttij der Middeleeuwen. ‘Toen Huizinga nog leefde, was dat al zo. Hij wordt door geen enkel groot kunsthistoricus van zijn generatie geciteerd. Dan heb ik het over internationaal toonaangevende specialisten van de laatmiddeleeuwse schilderkunst zoals Max Jakob Friedländer. Ik ken ook geen enkele belangrijke kunsthistoricus uit de Lage Landen die Huizinga citeert. Als het op kunstgeschiedenis aankwam, was Huizinga een beunhaas. Daar kwam bij dat hij heel beperkt beeldmateriaal gebruikte. Natuurlijk bezocht hij in 1902 die bewuste tentoonstelling in Brugge, maar daarna kreeg hij nog maar bitter weinig schilderijen onder ogen. Hij werkte met zwart-witfoto’s en reisde nauwelijks. Als verzachtende omstandigheid geldt dat reizen in die tijd heel moeilijk was; WO I woedde volop. Het gevolg was dat hij niet goed in de kunstgeschiedenis onderlegd was. Bovendien merk je dat hij de religie uit de late middeleeuwen beoordeelde als kleinzoon van een protestantse dominee uit het begin van de twintigste eeuw. Hij catalogeert het katholicisme uit de vijftiende eeuw als uiterlijke glorie. Hij zet de religieuze praktijken aan het hof op dezelfde lijn als die van de kerk en velt een zeer negatief oordeel over de liturgie. Hij beschrijft religie naar de vorm, maar niet naar de inhoud.’

 

Stille waters

Johan Huizinga werd op 7 december 1872 geboren in Groningen. ‘Een uithoek in het noorden van Nederland’, omschrijft Anton van der Lem die stad. ‘Eind 19e eeuw was je van daaruit een halve dag onderweg naar het centrum van het land. Huizinga stamde uit een familie van doopsgezinde predikanten. Maar zijn vader raakte het geloof kwijt, raakte verslingerd aan een “actrice” en kreeg syfilis. Johan Huizinga liet zich op zijn achttiende tóch dopen. Zijn leven lang bleef hij lid van de doopsgezinde kerk. Als scholier was hij al geïnteresseerd in Arabisch. Hij wou oosterse letteren studeren. Dat kon enkel in Leiden, maar dat zag zijn vader niet zitten. Te duur, oordeelde hij, en zonder toekomst. Waarna de jonge Huizinga Nederlandse letteren ging studeren, met bijzondere aandacht voor het Sanskriet. Daar promoveerde hij mee. Hij had veel belangstelling voor andere culturen, vooral voor het boeddhisme, hindoeïsme en de islam. Maar ook al was hij gefascineerd door oosterse godsdiensten, zijn leven lang beschouwde hij de christelijke zedenleer als het fundament van onze beschaving. Zeven jaar lang werkte hij als leraar geschiedenis in het atheneum in Haarlem. Die stad ligt dicht bij Leiden en stiekem hoopte hij om met zijn Sanskriet aan de universiteit een academische carrière te kunnen uitbouwen. In 1902 was er enkel in Utrecht een hoogleraarszetel Sanskriet beschikbaar; die ging aan zijn neus voorbij. Als ze hem daar wél hadden benoemd, was Herfsttij der Middeleeuwen er nooit gekomen. De historicus Petrus Johannes Blok was zijn mentor en adviseerde hem om zich te concentreren op de middeleeuwse geschiedenis. Waarna Huizinga een studie maakte over het stadsrecht van Haarlem. Met de hulp van Blok werd hij in 1905 de eerste hoogleraar “vaderlandse en algemene geschiedenis” in Groningen. Om in 1915 over te stappen naar Leiden.’

Wat voor een man was Johan Huizinga? Anton van der Lem: ‘Introvert. Maar u kent het gezegde: stille waters, diepe gronden. Hij kon zeer emotioneel zijn, alleen toonde hij dat nooit aan de buitenwereld.’

Verraadt Johan Huizinga’s werk dat geschiedenis eigenlijk zijn tweede keuze was? ‘Misschien wel’, knikt Marc Boone. ‘Op het einde van zijn leven schreef hij de autobiografische tekst Mijn weg tot de historie, waarin hij uitlegde hoe hij bij geschiedenis terechtkwam. Na Herfsttij der Middeleeuwen sloeg hij totaal andere richtingen in. In 1926 verscheen een bundel van hem vol essays over de Amerikaanse samenleving, Amerika levend en denkend. Veel later, in 1941, volgde nog een boek over de Nederlandse republiek, Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw. Het werk dat vandaag het meest geciteerd wordt, stamt uit 1938: Homo Ludens, een essay over “de spelende mens”. Vandaag zijn games ontzettend populair en Homo Ludens kun je daar een voorloper van noemen. In 1935 verscheen In de schaduwen van morgen. Daarin probeerde hij het onheil te voorspellen dat op de wereld aan het afkomen was. Het totalitarisme, met het fascisme, stalinisme en nazisme waren in opmars. De ondertitel van dat boek luidde: “Een diagnose van het geestelijk lijden van onze tijd”, en geeft perfect de toon weer. Moest hij nu leven, zou hij misschien iets gelijkaardigs schrijven. In de schaduwen van morgen werd door zijn tijdgenoten met veel aandacht gelezen en werd in verschillende talen vertaald. Er heerste op dat moment een ware cultus rond Johan Huizinga.’

 

Interne verbanning

In het academiejaar 1932-1933 was Johan Huizinga rector van de Leidense universiteit. Op dinsdag 11 april 1933 verbood hij de Duitse professor Johann von Leers de toegang tot zijn universiteit. Von Leers was een overtuigd nazi, biograaf van Adolf Hitler en schrijver van antisemitische pamfletten. Hij was op de universiteit te gast als leider van de Duitse delegatie op een conferentie van de International Student Service. De internationale beroering die ontstond na de beslissing van rector Huizinga zorgde ervoor dat het congres vervroegd uiteenging. Johann von Leers reisde woedend terug naar Duitsland en zinde op wraak. Marc Boone: ‘Toen de nazi’s in Nederland binnenvielen, werd Johan Huizinga meteen op non-actief geplaatst. Hij mocht geen les meer geven en werd intern verbannen, naar het oosten van Nederland. In 1945 stierf hij. Hij maakte net niet de bevrijding mee. Na zijn dood verscheen Geschonden wereld, een beschouwing over de kansen op herstel van onze beschaving. Dat had hij twee jaar eerder in zijn ballingsoord geschreven. Merkwaardig genoeg was de toon in Geschonden wereld toch iets optimistischer dan in Herfsttij der Middeleeuwen.’

Raden Marc Boone en Wim Blockmans Herfsttij der Middeleeuwen aan studenten geschiedenis aan?

Marc Boone: ‘Natuurlijk, want het is wel degelijk een klassieker. Ook in de Verenigde Staten wordt dat boek nog steeds terecht zo beschouwd.’

Wim Blockmans: ‘Aan Amerikaanse universiteiten is het boek zeker een bestseller. Toen ik professor in Leiden was, heb ik het één keer met mijn studenten van het tweede jaar helemaal doorgenomen. Maar ze stonden snel op hun achterste poten, wezen op de methodologische zwakheden én op Huizinga’s vooroordelen. Dat was niet voor herhaling vatbaar.’

 

Johan Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen, Samengesteld en van bibliografie voorzien door Anton van der Lem, Leiden University Press, 592 blz., 59,50 euro

 

(c) Jan Stevens

Kolonel Q

“Het gaat niet goed met het Belgische leger”, sms’t kolonel Q eind december. Het klinkt als een noodkreet en een week later zitten we in een donkere hoek van een café, ergens in een anonieme stad. “Onze generaals soigneren zichzelf, maar de kapotte toiletten in de kazernes laten herstellen, is iets te veel gevraagd.”

 

“Geen enkele militair durft zijn mond open te trekken”, zucht Kolonel Q. “Het ongenoegen is nochtans groot, zowel onder de gewone soldaten als aan de top. Toch blijft het oorverdovend stil, want iedereen is bang om zijn job te verliezen. Ik zou veel liever met open vizier praten, maar ik heb een gezin en kan me niet permitteren om ontslagen te worden. Het is niet gezond dat er in een organisatie op geen enkele manier kritiek getolereerd wordt. Alleen wanneer de problemen duidelijk benoemd worden, raken ze opgelost. Ik ben het ermee eens dat militairen moeten zwijgen als ze middenin een operatie zitten. Want dan luistert de vijand ook mee en op dat moment geldt: bevel is bevel. Maar wat ik niet begrijp is dat we doofstom moeten blijven wanneer het over ons gewone dagelijkse beroepsleven gaat. De media krijgen enkel de officiële goednieuwsberichten opgelepeld. Met als gevolg dat de Belgen slecht geïnformeerd zijn over defensie.”

Voor kolonel Q is de toestand in zijn geliefde leger intussen zo hopeloos dat hij het risico neemt van een interview met Humo. Op voorwaarde dat zijn anonimiteit bewaard wordt.

Kolonel Q: “Ik was nog een tiener toen ik halverwege de jaren tachtig in het leger kwam. De dienstplicht bestond nog en we waren met 100.000 militairen. Zo goed als elke stad had zijn kazerne; beroepsmilitairen konden bij wijze van spreken elke dag met de fiets van het werk naar huis. In die tijd leek het leger voor veel burgers nog een aantrekkelijke werkplek: iedereen kende wel een milicien of een beroepsmilitair. Een job bij het leger was voor het leven.”

 

Toen u dienst in het leger nam, deed ik als gewetensbezwaarde mijn burgerdienst. Van vrienden die wel milicien werden, hoorde ik gruwelverhalen. Er was vooral veel drankmisbruik en jonge dienstplichtigen werden soms tiranniek behandeld.

Kolonel Q: “De dienstplicht liep toen op zijn laatste benen. Op 31 december 1992 verscheen de wet waarin de afschaffing werd aangekondigd; de lichting van ‘94 moest niet meer opdraven. U hebt misschien negatieve ervaringen van uw vrienden gehoord, maar u mag niet vergeten dat het leger in die tijd echt wel een grote impact op het land had. Daarna volgden de jaren van herstructureringen: ontzettend veel basissen en kazernes gingen dicht. Zowel de lucht- als de landmacht moesten gebouwen en terreinen prijsgeven. Het aantal pantservoertuigen, vliegtuigen en schepen werd herleid tot een kwart. De aanwerving van nieuwe rekruten liet te wensen over waardoor het legerpersoneel in recordtempo verouderde. We verloren op te veel kritieke plaatsen te veel gekwalificeerde mensen. Technici, infanteristen, matrozen… Ze verdwenen en werden nooit meer vervangen.”

 

Wil dat dan zeggen dat door onderbezetting sommige plekken in het leger gevaarlijk of onveilig zijn?

Kolonel Q: “Gevaarlijk zou ik niet zeggen, want voorlopig trekken we nog ons plan. Al wordt het bij de gevechtseenheden van de landmacht wel kritiek: twee op de vijf posten zijn er niet ingevuld. De volgende jaren vertrekken er in het hele leger zeer veel mensen op pensioen waarvan velen waarschijnlijk niet vervangen zullen worden. De top van defensie weet dat al lang. Een jaar of tien geleden waarschuwde de dienst Human Resources er al voor dat we met het personeelsbestand in de problemen kwamen als er niets werd ondernomen. Op briefings werd erop gehamerd dat we meer moesten rekruteren. Een van de plannen was om een systeem op poten te zetten waarbij oudere militairen binnen het leger omgeschoold werden voor een job als burger. Ze bleven dan wel binnen het leger actief in bijvoorbeeld een administratieve burgerfunctie, waardoor er meer plaats vrijkwam voor jonge rekruten. De toenmalige minister van Defensie André Flahaut (PS) dokterde rond 2004 een plan uit. Zijn opvolger Pieter De Crem (CD&V) schafte dat weer netjes af. Daar betalen we nu de prijs voor. De jaren onder De Crem waren niet de beste voor defensie.”

 

Ik had nochtans de indruk dat Pieter De Crem zich erg in zijn nopjes voelde als minister van Defensie.

Kolonel Q: “Hij kon zichzelf goed verkopen als defensieminister. Bovendien streelde de functie zijn imago. Hij kickte op het militair ceremonieel, het machtsvertoon en de pracht en praal van de NAVO-hoogmissen. Maar er werd bijzonder weinig in personeel en materiaal geïnvesteerd. Amper de helft van onze normale behoefte aan jonge militairen werd onder zijn bewind aangeworven. Zijn investeringspercentage lag mijlenver onder wat een organisatie als defensie nodig heeft om gezond te blijven. Zo waren we op termijn gedoemd om de boeken definitief te moeten dichtdoen. Pieter De Crem heeft niets wezenlijks aan het leger bijgedragen. Acht jaar lang haalde hij zijn kaasschaaf boven om te bezuinigen. Kijk, ik ben niet tegen of voor Flahaut of De Crem, maar in tegenstelling tot wat veel mensen lijken te denken, was André Flahaut een sterke minister van Defensie. Hij verhoogde onze lonen en dacht ook constructief na over onze toekomst. Wat over zijn opvolger niet gezegd kan worden.”

 

Wat vond u van Steven Vandeput (N-VA) als minister van Defensie?

Kolonel Q: “Hij was vooral bezig met het materiële. Dat is goed hé, want na De Crem moést er in wapens en uitrusting geïnvesteerd worden, maar het personeel werd verwaarloosd. Vandeput was de koning van het ‘outsourcen’: privé-bewakingsfirma’s kregen contracten om militaire sites te bewaken. Zijn principe was: militairen moeten hun tijd niet verdoen met wachtlopen, zij moeten beschikbaar zijn om op missie te vertrekken. Dat klinkt zinvol, alleen is het Belgische leger geëvolueerd tot een te klein leger van vooral oudere militairen. Sommigen hebben bijvoorbeeld rugklachten en zijn echt niet fit genoeg meer om op zending gestuurd te worden. Voorlopig worden nog maar een viertal kwartieren door burgers bewaakt, maar snel worden dat er meer. Wat moeten al die oudere militairen die nu nog de wacht lopen dan gaan doen? Tegen betaling een hele dag op een stoel zitten suffen? De logistieke keten wordt op relatief korte termijn ook aan de privé uitbesteed. Dat gaat dan van de ontvangst en inventarisatie van goederen tot en met het transport. En ook de keukens worden geprivatiseerd. Opnieuw zijn de oudere militairen de dupe. U gelooft toch zelf niet dat iemand van vijftig die nu in de potten staat te roeren, volgend jaar enthousiast ergens op missie in de modder zal staan ploeteren?

“Vandeputs toekomstplan voor het leger, zijn zogenaamde ‘Strategische Visie’, was om bij te wenen. Het schrijven alleen al duurde twee jaar langer dan hij eerst zelf vooropgesteld had. Daarna slaagde hij er niet in om het politiek goedgekeurd te krijgen. Hij kreeg van de regering enkel wat materiële toezeggingen en mocht 5.000 jobs schrappen. De rest kreeg nooit de politieke zegen van zijn coalitiegenoten. Over de sluiting van de kazernes en ons pensioen kwam geen akkoord waardoor duizenden militairen en hun families verder in onzekerheid blijven leven. Dat is toch pijnlijk?”

 

Tien jaar geleden kwam in het nieuws dat het leger met een acuut tekort aan kogels kampte. Soldaten op missie in Afghanistan hadden amper munitie en tijdens oefeningen moesten soldaten “Pang! Pang!” roepen.

Kolonel Q: “Dat is voltooid verleden tijd. Vandaag is er materiaal genoeg voorhanden. Omdat er vooral onder Steven Vandeput zoveel personeel afgevloeid is, is er nu zelfs geld te veel om wapentuig te kopen.

“Ik vond het zeer bizar dat een N-VA’er minister van de Belgische Defensie werd. Als goede Vlaams-nationalist zag hij natuurlijk liefst zoveel mogelijk federale banen sneuvelen. In 2016 bepaalde Vandeput dat het maximale aantal militairen het jaar erop moest zakken tot 30.000. Tegen 2030 moet het leger zelfs afgeslankt zijn tot 25.000. Begin oktober 2018 maakte de VRT alarmerende cijfers bekend: het aantal militairen zou onder de voorziene 25.000 militairen gezakt zijn. Generaal-majoor Jean Marie Nulmans van Human Resources was er als de kippen bij om dat cijfer op Radio 1 te ‘nuanceren’. Volgens hem had de VRT enkel de ‘inzetbare militairen’ geteld en lag het totale aantal op meer dan 27.000. In 2016 verlieten 2.500 mensen het leger, terwijl er slechts 900 werden aangeworven. Veertig procent van alle manschappen gaat binnen acht jaar op pensioen. De gemiddelde leeftijd in het leger is 42 jaar, terwijl volgens het strategische plan de gemiddelde leeftijd 34 jaar zou moeten zijn. In onze buurlanden is de gemiddelde leeftijd 32. Omdat er de voorbije jaren amper aanwervingen waren, moeten er vanaf 2021 jaarlijks 2250 militairen gerekruteerd worden. Nulmans gaf toe dat er tekorten dreigen, maar beweerde dat die opgevangen konden worden met reservisten. Kent u veel burgers die reservist willen worden?”

 

Mijn schoonbroer nadert de zestig en is reservist. Tot voor kort trok hij af en toe met andere good ol’ boys naar de Ardennen om er een week oorlog te spelen. Vanwege knieproblemen moet hij nu afhaken.

Kolonel Q: “Uw schoonbroer zit bijna aan het einde van zijn beroepsleven, maar kent u ook jonge mensen die reservist willen worden? Wie een drukke job heeft, kan het zich gewoon niet permitteren om een paar weken per jaar zijn burgerplunje in te ruilen voor een uniform. De medewerkers van Human Resources bellen nu in paniek naar alle gepensioneerde militairen om te vragen of ze alsjeblieft terug willen komen werken. Het leger werft dus nu zijn eigen gepensioneerd personeel aan om de gaten te vullen.

“Sinds de IS-aanslagen worden we op straat ingezet en we waren nooit eerder zo vaak op buitenlandse missie als nu. De voorbije jaren kregen we een permanente taak toegewezen in binnen- en buitenland. De oorlogsgebieden in Syrië, Afghanistan, de Sahel zullen jammer genoeg niet snel verdwijnen. Nu de Amerikaanse president Donald Trump zijn troepen overal begint terug te trekken, zal Europa nóg meer moeten doen. Alleen vrees ik dat België dan noodgedwongen moet afhaken. Er zijn trouwens niet alleen de natuurlijke afvloeiingen; veel militairen verlaten na een paar jaar zélf het leger. Daar zijn ook officieren en onderofficieren tussen 25 en 35 bij; mensen die eigenlijk de ruggengraat van defensie vormen.”

 

Ik ken een twintiger die een paar jaar geleden beroepsmilitair werd. Hij was gestationeerd in Leopoldsburg. Na een paar jaar nam hij er gedegouteerd afscheid. In zijn compagnie werd veel drugs gebruikt; XTC was favoriet. Er werd nooit ingegrepen. Hij knapte daarop af.

Kolonel Q: “Ik dacht eerlijk gezegd dat het drugsprobleem binnen Defensie onder controle was. Want er gelden strenge straffen: wie op drugsgebruik betrapt wordt, vliegt eruit.”

 

En alcohol?

Kolonel Q: “In het begin van mijn carrière werd er stevig gedronken in de kazernes, vaak al tijdens de middagpauze. Op een bepaald moment werden daar strenge maatregelen tegen genomen. De oude generatie die graag tijdens de diensttijd te veel dronk, is inmiddels op pensioen. Het probleem van het drankmisbruik is bijna helemaal opgelost. Vandaag zijn we geëvolueerd naar een normaal bedrijf, waar de mensen écht werken. Natuurlijk zijn er nog een paar die een hele dag proberen niksen, zoals in elke onderneming, alleen zijn dat er steeds minder.”

 

Maar waarom nemen zoveel jonge rekruten na een paar jaar alweer ontgoocheld afscheid van het leger?

Kolonel Q: “Sommigen kiezen voor defensie omwille van het avontuur. Ze willen op missie naar het buitenland, maar eindigen op missie in de treinstations van Brussel. Er worden vandaag nog steeds te veel militairen in de straten ingezet. 500 militairen zijn constant in de weer met het ‘beveiligen’ van België. Dat is een groot probleem. In een stad als Londen, waar ook aanslagen waren, zie je geen militairen op straat. In stations en op luchthavens patrouilleren, is puur een taak voor de politie. Maar ook zij worstelen met een gebrek aan effectief inzetbare manschappen.

“Veel jonge militairen haken ook snel weer af omdat ze gechoqueerd zijn door de abominabele infrastructuur in de kazernes. In 2017 verlieten zo 600 jonge mensen het leger. Douches werken niet, de sportzalen zijn hopeloos verouderd, toiletten zijn voortdurend buiten dienst. En het wordt alleen maar erger. U moet eens op bezoek komen in de gebouwen van het defensiehoofdkwartier in Evere. In sommige departementen werkt de helft van de toiletten niet. Kantoren zijn totaal uitgeleefd en vensters zijn niet geïsoleerd. Dat is dan op het niveau van de staven, bij de hoge officieren. Probeer u maar eens voor te stellen wat dat betekent voor het voetvolk in de kazernes.”

 

U verwijt uw collega’s aan de top een gebrek aan visie?

Kolonel Q: “Ja. Er zijn zeer competente officieren met een goede visie die op een te lage plaats in de hiërarchie zitten. Op de hoge plaatsen zitten dan weer te veel officieren met een zeer beperkte visie. Ons leger wordt kleiner, dus moeten we ook een kleinere, beter georganiseerde generale staf hebben. Dat wil zeggen: minder generaals. Maar niemand durft dat luidop te opperen. Het Belgische leger telt momenteel ongeveer 35 generaals. Ze hebben pas nieuwe auto’s voor hen aangekocht: grote, dure luxehybrides van Volkswagen. Ik kan u een foto op mijn telefoon van zo’n auto op de parking van Evere laten zien. (toont foto van een flink uit de kluiten gewassen blinkende zwarte bolide aan een laadpaal – JS) Elke generaal heeft twee chauffeurs, want hij moet 24/7 rond gevoerd kunnen worden. ’s Morgens wordt de generaal aan zijn voordeur opgehaald. Dat kost jaarlijks meer dan 100.000 euro per generaal.”

 

Die chauffeurs zijn militairen?

Kolonel Q: “Ze hebben de graad van korporaal. Al die voltijdse chauffeurs kunnen niet voor nuttiger taken worden ingezet. De generaals zorgen heel goed voor zichzelf. De officiersmess is in alle kazernes afgeschaft; officieren en onderofficieren eten samen met de soldaten. Behalve onze generaals. Zij hebben nog steeds hun exclusieve speciale mess in Brussel waar geen andere militairen welkom zijn. Ze soigneren zichzelf, maar de kapotte toiletten in de kazernes laten herstellen, is iets te veel gevraagd. Ik vind dat om te huilen. We hebben overal soldaten te kort, maar zij zien er geen graten in om een heel eskadron dag en nacht als chauffeur voor hen te laten opdraven. ’s Avonds vind je de generaals vooral op feesten in de kazernes.”

 

Wordt er in het leger dan zo veel onder officieren gefeest?

Kolonel Q: “De generaals krijgen veel uitnodigingen. Minder dan vroeger, maar toch nog genoeg. Ze schuimen de traditionele recepties bij militaire plechtigheden en aanstellingen af, of de cocktails die in Brussel georganiseerd worden door de ambassades. Al is dat gefeest niet ons grootste probleem. Dat is de opperste leiding.”

 

De chef defensie Marc Compernol?

Kolonel Q: “Ja. Hij is de baas, the chief of defence, alleen merkt niemand daar voorlopig iets van.”

 

Hij is een viersterrengeneraal zonder macht?

Kolonel Q: “Ik vrees het. Defensie is pas nog maar eens gereorganiseerd waardoor de componenten land-, lucht- en zeemacht meer in de pap te brokkelen hebben dan tevoren. Vroeger stonden die drie componenten onder de operationele leiding van het Stafdepartement Operaties en Training (ACOS Ops & Training). Dat is nu opzijgeschoven en de componenten beschikken weer over alle macht in hun eigen afdeling. Marc Compernol zou hen in het gareel moeten houden; de toekomst zal uitwijzen of hij daar sterk genoeg voor is. Hij heeft alleszins weinig of geen invloed op de politieke besluitvorming. Zonder morren aanvaardde hij het schrappen van die 5.000 jobs.

“Het leger is kleiner geworden, wat wil zeggen dat ook de defensiestaf zou moeten inkrimpen. Maar dat gebeurt niet. Integendeel, er is nóg een nieuwe functie gecreëerd: die van adjunct van de chief of defence, ingenomen door admiraal Michel Hofman. Het aantal generaals blijft even groot, net als het aantal directies. Alleen spelen zij baas over steeds minder mensen.”

 

De land-, lucht- en zeemacht zijn drie aparte koninkrijkjes?

Kolonel Q: “Ze varen hun eigen koers. De officieren aan de top willen dat liefst zo houden. Daarnaast zijn er nog de directies Human Resources en Material Resources. Die hebben buitensporig veel macht en zijn niet te beroerd om die ook te misbruiken als het hen uitkomt.”

 

Hoe bedoelt u?

Kolonel Q: “Officieren die het tóch aandurven om intern hun mond open te trekken, worden verplaatst en naar minder interessante posities ‘verbannen’. Dat gebeurt meer dan u denkt. Hopelijk staat mij dat nu ook niet te wachten. (lacht) De legertop houdt niet van mensen die zelf nadenken of andere meningen hebben. Dat wil ze niet. Iedereen moet op hetzelfde door hen gebaande paadje blijven. Het resultaat van zoveel slaafse volgzaamheid is dat we nu met een acuut gebrek aan manschappen zitten, waardoor binnenkort onze kernopdrachten in gevaar komen. Binnen afzienbare tijd zijn we gewoon met te weinig om onze taak binnen de NAVO te vervullen, het grondgebied te verdedigen of de bevolking te helpen in geval van nood. De aanslagen van Zaventem en Maalbeek waren rampzalig, maar eigenlijk nog op kleine schaal. Als we ooit écht grote aanslagen te verwerken krijgen, kan het leger dat niet aan. Wie zal de bevolking dan komen helpen?

“Naast de lucht-, land- en zeemacht is er nog de medische component. Daar is de toestand rampzalig. Voor alle buitenlandse missies zijn er amper tien dokters, belachelijk weinig. Collega’s vertellen me dat de landen waar we op missie zijn, ons soms smeken om meer militairen. Wij moeten hen in de kou laten staan omdat er niet genoeg operationele militaire dokters beschikbaar zijn. Zonder fatsoenlijke medische bijstand is het onmogelijk om militairen te ontplooien. ‘Sorry, we kunnen jullie niet helpen want er is geen dokter in de zaal.’ Dat is toch een schande? Bij de zeemacht hebben we dan weer te weinig manschappen om alle schepen te bevolken.”

 

Het zijn varende spookschepen?

Kolonel Q: “Nog net niet. (lacht) Wat voor zin heeft het om handenvol geld in materiaal te investeren als er geen personeel is om het te bedienen of onderhouden? De logica is zoek. In kazernes hoor ik van collega’s en medewerkers altijd dezelfde klachten: het gebrek aan personeel, de belabberde infrastructuur én al die kwartieren die gesloten worden. Daar moeten we echt mee stoppen, want het wordt quasi onmogelijk om goede krachten uit de lokale bevolking aan te trekken. Voor basisjobs zoals soldaten hebben we locals nodig. Je kan niet iemand uit Aarlen rekruteren voor een job in Leopoldsburg. Human Resources probeert dat wel, maar zo goed als niemand is geïnteresseerd.

“Nieuwe soldaten krijgen een contract van beperkte duur. Ze mogen maximaal twaalf jaar bij het leger blijven, waarna ze omgeschoold worden voor een job in de burgermaatschappij. Is dat écht wat mensen willen? Een korte militaire loopbaan, waarna ze hun plan moeten trekken? Ik denk het niet, en de feiten geven me gelijk: zo goed als niemand wil nog in het leger.”

 

Wat moet er dan wel gebeuren?

Kolonel Q: “Er moet gesnoeid worden in de top, het departement Human Resources en het personeelsbeleid moeten compleet worden herzien. Nu worden de officieren jaarlijks benoemd door een ‘onafhankelijk’ comité, maar die benoemingen houden geen rekening met de plaatsen die werkelijk beschikbaar zijn. Het gevolg is dat je tot kolonel benoemd kunt worden, om achteraf op een vacante plaats voor majoor aangesteld te worden. Echt efficiënt is dat niet.”

 

Dat comité bestaat uit hoge officieren?

Kolonel Q: “Dat benoemingscomité is een verhaal apart. De benoemingsdossiers worden per categorie voorbereid door één man, de wapeninspecteur. De krijgsmachtonderdelen hebben elk hun wapeninspecteur, ook een kolonel trouwens.”

 

Zo’n wapeninspecteur heeft heel veel macht?

Kolonel Q: “Ja. Hij bekijkt alle dossiers van de officieren die voor bevordering in aanmerking komen, verzamelt de punten en overlegt dan met de generaals over hun voorkeuren. Dat laatste mag uiteraard niet volgens de wet, toch gebeurt het. In het verleden heeft de Raad van State de legerleiding meermaals op de vingers getikt omdat ze een compleet onwettige evaluatie ‘onder vrienden’ hield. Vroeger was daar een schriftelijke neerslag van; na de tussenkomsten van de Raad van State overleggen ze nu mondeling zodat er geen sporen meer zijn. Ik weet uit heel goede bron dat het zo verloopt; die bron heeft daar zelfs staalhard bewijs van.

“De wapeninspecteurs kiezen dus in geheim overleg met de generaals wie er op de lijst voor benoemingen belandt en hoeveel punten hij of zij zal krijgen. De inspecteurs bepalen het belang van de operaties waaraan kandidaten hebben deelgenomen en beoordelen hun leiderschapscapaciteiten. Ze moeten iets schrijven, hé. (lachje) Dat zou allemaal objectief moeten gebeuren, terwijl het gewoon gemanipuleerd wordt. De leden van het benoemingscomité hebben geen toegang tot de lijsten van de wapeninspecteurs. Zij bereiden hun eigen pro forma-lijst voor. Op de dag waarop het comité zetelt, worden de lijsten van de inspecteurs voorgesteld aan de minister. Dat duurt amper een paar minuten. De leden vergelijken dan in een rotvaart hun kandidatenlijst met die van de inspecteur. Intussen kijken de generaals en de minister hen op de vingers. Nooit durft iemand opmerkingen te maken. ‘Gaat iedereen akkoord met de lijst van de inspecteur? Ja? Tsjakka.’”

 

Dat wil dus zeggen dat veel hoge officieren de capaciteiten niet hebben voor hun job?

Kolonel Q: “Ja. Sommigen zijn wel bekwaam, maar durven geen risico’s nemen omdat ze toch zo graag generaal willen worden. Veel competente officieren raken nooit hogerop omdat ze geen jaknikkers zijn. Nogal wat officieren weten trouwens niet dat het benoemingssysteem zo werkt. Zij leven in de illusie dat het eerlijk verloopt.”

 

Hebt u ook van dat systeem van handjeklap geprofiteerd om hogerop te raken?

Kolonel Q: “Misschien. (stilte) Kijk, sommigen zullen na dit interview beweren dat ik een gefrustreerde officier ben. Ze vergissen zich, want als full-kolonel zit ik op de plaats waar ik altijd van gedroomd heb. Ik praat nu enkel met u omdat ik me zorgen maak over de toekomst van ons leger. Grote zorgen.”

 

 

Reactie van het leger: “De chef defensie behoudt het overzicht”

 

“De informatie die Humo nu verspreidt, is niet representatief voor het Belgische leger”, reageert Laetitia Gérard, woordvoerster van defensie. “De budgettaire beperkingen uit het verleden verplichtten ons tot het maken van keuzes. We wilden zoveel mogelijk voorrang geven aan onze kernopdracht: de operaties. Dat ging inderdaad ten koste van onderhoud en vernieuwing van de infrastructuur. Maar vandaag worden er acties ondernomen om die achterstand op te vangen en de infrastructuur ingrijpend te verbeteren. De verouderde infrastructuur is trouwens geen fundamenteel doorslaggevende reden waarom mensen beslissen om het leger te verlaten.

“Ons personeelsbestand krimpt, maar we zijn nog steeds met meer dan 25.000 werknemers, burgers en militairen, die werken in een speciale omgeving. Zo’n organisatie heeft dan ook behoefte aan specifieke sturing en leiding. De reorganisatie maakt het mogelijk dat de leidinggevende generaals het leger efficiënt en doelmatig kunnen laten functioneren. Die vernieuwingen zorgen er ook voor dat de chef defensie het overzicht behoudt en leiding geeft volgens de principes van goed bestuur.”

Op de stelling van kolonel Q dat bevorderingen en benoemingen van officieren gemanipuleerd worden, gaat Laetitia Gérard niet in.

 

 

© Jan Stevens

De Bourgondiërs

Eind 2014 scoorde Bart Van Loo een bestseller met zijn vuistdikke biografie over Napoleon. Vandaag legt hij daar een minstens even dikke kroniek van de Bourgondiërs naast. ‘Ze stonden op de eerste rij bij alle belangrijke Europese revoluties.’

 

Vier jaar lang werkte Bart Van Loo aan De Bourgondiërs. Duizend jaar Europese geschiedenis balde hij tot ruim 600 vaardig geschreven bladzijden. Met veel oog voor detail schildert hij het ontstaan van de Nederlanden in de vijftiende eeuw. ‘De Lage Landen zijn een Bourgondische uitvinding’, zegt hij. ‘Om dat verhaal goed uitgelegd te krijgen, moest ik ver teruggaan in de tijd.’

 

U begon in 406.

Bart Van Loo: De reconstructie van de eerste 990 jaar in 66 bladzijden kostte me maanden. Ik begin bij de inval van de barbaren uit het noorden. In december 406 vroor de Rijn in de buurt van Mainz dicht. De schijnbaar onoverbrugbare rivier veranderde in één grote uitnodigende brug. De barbaren uit het ruige Germanië kregen toegang tot het door de Romeinen bestuurde Gallië, het latere Frankrijk. Vandalen, Sueben en Alanen stroomden Gallië binnen. Wij hebben dat allemaal geleerd op de middelbare school. Maar wat niet in onze geschiedenislessen verteld werd, is dat er ook Bourgondiërs mee de Rijn overstaken.

 

Kwamen de Bourgondiërs dan niet oorspronkelijk uit het zuiden?

Van Loo: Helemaal niet. Zij hadden heel Oost-Europa doorkruist, van rivier naar rivier en stamden eigenlijk van het eiland Bornholm. Dat ligt in de Oostzee, tussen Denemarken en Polen. Vóór onze jaartelling heette het Burgundarholm. Die naam smokkelden ze via Oost-Europa mee naar de plek waar ze zich uiteindelijk vestigden: Bourgondië. Aan de hand van dat vergeten Germaanse volk, de Bourgondiërs, schets ik de middeleeuwen in het eerste deel van mijn boek. Clovis, de eerste koning der Franken, bekeerde zich tot het christendom onder grote invloed van zijn vrouw Clothilde, een Bourgondische katholieke prinses. In 911 werden de Noormannen bij Chartres tegengehouden door een leger onder leiding van Richard de Rechtsbrenger, de eerste hertog van Bourgondië.

 

De Bourgondiërs hielden de Vikingen tegen?

Van Loo: Jawel. De verslagen Vikingenleider Rollo kon zijn vege lijf redden door zich te laten dopen en werd verbannen. Het eerste stuk land dat hem als ballingsoord werd aangeboden, was Vlaanderen. Toen was dat nog moerasland. Rollo had geen zin om de rest van zijn dagen te zitten verpieteren in een zompig moeras. Hij weigerde en kreeg een ander gebied toegewezen dat we nu kennen als Normandië. Stel je voor dat hij akkoord was gegaan met Vlaanderen, dan leefden wij nu in Normandië. (lacht)

Het was niet vanzelfsprekend om dat eerste millennium opnieuw te vertellen aan de hand van de vergeten Bourgondiërs. Ik weet ook niet of iemand ooit de middeleeuwen ontsloten heeft op de manier waarop ik het heb aangepakt. Maar ik moést dat doen, want zij stonden telkens weer op de eerste rij bij alle belangrijke Europese revoluties.

 

Na dat millennium in 66 bladzijden, vertelt u de Bourgondische eeuw die liep van 1369 tot 1467 in 292 bladzijden. De verhoudingen lijken een beetje zoek.

Van Loo: Toch niet. Want na dat millennium in sneltreinvaart, staan de middeleeuwen in stelling en is de lezer helemaal klaar om te begrijpen wat zal volgen. Dan komt de eigenlijke start van de eenmaking van de Lage Landen, met op 19 juni 1369 het huwelijk in Gent van Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië met Margaretha van Male, de dochter van de graaf van Vlaanderen. Filips de Stoute legde de basis, zijn nazaten Jan zonder Vrees, Filips de Goede en Karel de Stoute bouwden de erfenis uit. Kleinzoon Filips de Goede gaf de onder zijn gezag verenigde landen aan de benedenloop van Rijn, Maas en Schelde voor het eerst een staatkundige dimensie. Hij zorgde voor een echt gevoel van eenheid met ‘de vierlander’, een munteenheid voor de hele Nederlanden. Vervolgens maakte hij werk van een representatieve vertegenwoordiging: op 9 januari 1464 riep hij de eerste Staten-Generaal van de Nederlanden in de gotische zaal van het stadhuis van Brugge samen. Vertegenwoordigers uit Artesië (vandaag het oostelijke en noordelijke deel van het huidige Franse departement Pas-de-Calais – JS), Vlaanderen, Frans-Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, Holland, Zeeland, Namen, Boulogne en Mechelen tekenden present. Die bijeenkomst markeert de officiële geboorteakte van de Lage Landen. Dat is nu exact 555 jaar geleden.

 

En daarom siert een portret van Filips de Goede de cover?

Van Loo: Ik vind dat een beeldschoon portret, naar een verloren origineel van Rogier van der Weyden. Het hangt in het Musée des Beaux-Arts van Dijon, meteen ook het vroegere paleis van de hertogen van Bourgondië. Filips de Goede is de man die de eenmaking écht geregeld heeft. Hij regeerde ook het langst, van 1419 tot 1467. Veel mensen kennen vandaag zijn naam, maar weten niet meer wie hij was of waar hij voor stond. Als ze mijn boek gelezen hebben, zullen ze voor eens en voor altijd weten dat hij onze aartsvader is. En dan zullen ze hem net als mijn vierjarige dochter Clémence overal meteen herkennen. Zij zat in mijn nek toen we door het Musée des Beaux-Arts kuierden. We passeerden dat schilderij en Clémence riep verrukt: ‘Filips de Goede!’ (lacht)

 

Wat voor een man was hij?

Van Loo: Zowel ascetisch als wellustig. Soms vaste hij als brave katholiek en soms was hij onwijs geil. Hij organiseerde uitzinnige feesten en had 26 bastaardkinderen bij 25 minnaressen. Aan de ene kant was hij een stoere ridder die op kruistocht wou, en aan de andere kant gaf hij bijvoorbeeld justitie een boost door rechtbanken te installeren. Hij creëerde financiële rekenkamers, waar ze behoefte hadden aan mensen met een goed ontwikkeld verstand. Dus moesten er opleidingen komen. Filips werd zo een van de drijvende krachten achter de universiteit van Leuven. Hij is ridder maar ook burger. Met de ene voet staat hij nog in de klassieke middeleeuwen en met de andere in de renaissance. De door hem opgerichte ridderorde van het Gulden Vlies illustreert die dubbelzinnigheid. Het was een religieuze broederschap van heldhaftige ridders die paraat stonden om op kruistocht te vertrekken. Tegelijkertijd was het ook een netwerk, een soort van businessclub. Filips kanselier Rolin was een slimme kerel die gestudeerd had, net als zijn allereerste minister van Financiën Bladelin. Lang voor de Franse revolutie kon wie van goede komaf was voor het eerst dankzij studie carrière maken. De rest van de adel miste de trein van het burgerschap. Zij bleven ronddwalen in hun Don Quichote-achtige ridderverhalen. Het hof van Filips de Goede was altijd onderweg. Een hoofdstad zoals wij die vandaag hebben, bestond nog niet.

 

De hofhouding van de hertog was voortdurend on the road?

Van Loo: Ze legden lange afstanden te paard af, door weer en wind. Wij kunnen ons dat niet voorstellen. Filips de Goede logeerde vaak op verschillende plekken. Hij had de Prinsenhoven in Gent en Brugge en zijn paleizen in Dijon en Rijsel. In Brussel bezat hij het paleis op de Koudenberg. Daar verbleef hij het meest, zeker in de laatste jaren van zijn leven. Je mag gerust stellen dat Brussel de feitelijke hoofdstad van het Bourgondische rijk werd. Zijn paleis op de Koudenberg stond op exact dezelfde plaats waar ons huidige koninklijk paleis staat. Je kan er zijn kelders nog bezoeken en dromen van de vaten Beaune die er lagen.

 

U beschrijft feesten georganiseerd door de hertogen van Bourgondië. Het lijken scènes uit een film van Fellini, of La Grande Bouffe in overtreffende trap. Vooral de zogeheten ‘entremets’ spreken tot de verbeelding.

Van Loo: De koks deden hun uiterste best om met die tussengerechten de gasten te verrassen. Ze decoreerden trapganzen met diamanten, hulden hazelhoenen in een gouden habijt of plaatsten een kippenkop op een konijnenlijf. De poten van een gegrilde pauw werden verguld, zijn staart en pluimen werden weer op zijn lijf geplakt en ze propten een in brandewijn gedrenkte lap stof in zijn bek. Ze staken de prop in brand en onder begeleiding van hoorngeschal werd de vuurspuwende pauw opgediend. De Bourgondiërs waren daar gek op. Jan Fabre zou dat vandaag feilloos georchestreerde performances noemen. Het vette en vrome leven van de hertogen van Bourgondië ging later via het werk van Bruegel en figuren als Lamme Goedzak tot de volksaard behoren. Als de hertogen van hun feestjes geen propagandistische kunstwerken hadden gemaakt, zouden we nu iemand die van lekkere gastronomie houdt, geen ‘bourgondiër’ noemen.

 

U citeert af en toe kroniekschrijvers. Maar kunnen we die zogenaamde ooggetuigenverslagen blindelings vertrouwen? Zij werkten toch vaak in opdracht van de machthebbers van die tijd?

Van Loo: Nee, ze zijn niet te vertrouwen, al ben ik als schrijver toch heel blij met hun verhalen. De gerenommeerde historicus Wim Blockmans was tijdens het schrijven van dit boek mijn klankbord. Academici zoals hij verrichten pionierswerk met het uitpluizen van het waarheidsgehalte van al die kronieken. Met de facturen in de hand gaan ze na wat juist is en wat verzinsel.

 

Want de Bourgondiërs waren uitstekende boekhouders?

Van Loo: Ze schreven graag facturen en hielden nauwgezet hun boekhouding bij. Die boekhoudingen zijn onmisbare bronnen vol hard cijfermateriaal. De kroniekschrijvers lieten zalige teksten vol anekdotiek na, maar met hun getuigenverslagen moet je goed oppassen. Als zij schrijven dat honderduizend mensen een veldslag uitvochten, neem je dat aantal best met een korrel zout.

 

Dat klinkt Trumpiaans. Na zijn inauguratie had de Amerikaanse president Donald Trump het over ‘de grootste menigte toeschouwers ooit’.

Van Loo: Dat is inderdaad een kopie van toen. Bij het huwelijk van Filips de Goede in 1430 telde een enthousiaste chroniqueur 5000 deelnemers aan de stoet. Een stoet van 5000 deelnemers? Komaan zeg. Een andere schreef over 150.000 toeschouwers. Natuurlijk vond Filips de Goede die aantallen in zijn kronieken fantastisch. Net zoals Trump jubelt over de opkomst op zijn politieke rally’s.

 

De hoge heren leefden zich op hun banketten uit als echte bourgondiërs, terwijl het voor het gewone volk verschrikkelijke tijden waren?

Van Loo: De vijftiende-eeuwse Franse kroniekschrijver Philippe de Commynes beschreef Bourgondië en de Lage Landen onder Filips de Goede als ‘de landen van belofte’. Met eten, drinken, feesten en rijkdom. Natuurlijk had De Commynes vooral oog voor de elite. Maar die lag hier wel dikker gezaaid dan elders. De levensstandaard in de zuidelijke Nederlanden bereikte op dat moment het hoogste peil ooit. Het zou daarna nog tot in de 19e eeuw duren vooraleer we daar terug bij aanknoopten. Wat niet wil zeggen dat er geen kommer en kwel was, integendeel. Maar binnen de buitengrenzen van het Bourgondische rijk heerste er vrede. Dat was al heel wat.

 

Behalve dan in de steden.

Van Loo: Dat klopt, de steden gingen met de regelmaat van de klok in het verweer. Gent speelde telkens weer de hoogste viool. Daar heerste een redelijk onwaarschijnlijke rebelse geest.

 

In de Bourgondische eeuw kreeg ‘de ontwakende individualisering van de westerse mens een kleine groeischeut’, schrijft u. Dat gebeurde op het moment dat ze het geloof in hun privésfeer toelieten. Zweefde het geloof daarvoor dan altijd boven hun hoofden?

Van Loo: Geloof was eerst elitair, met de kloosterorden in een glansrol. Vanuit het klooster van het Bourgondische Cluny oefende de Benedictijnerorde veel macht uit over de hele katholieke gemeenschap. In Cluny werd gebeden voor het zielenheil van de hele mensheid. De Benedictijnen groeiden uit tot een succesvolle religieuze multinational, met kloosters tot in Santiago De Compostella. Maar vanaf de 14e eeuw kwam daar verandering in door rondtrekkende predikers die met hun verhalen steeds meer volk lokten. Hun openbare preken groeiden uit tot heuse spektakels, inclusief stuntachtige verschijningen. Geloof werd iets heel zintuiglijk. Tegelijk veranderde ook de kunst: die verliet de kerk en het klooster. Gewone mensen wilden graag iets tastbaars van hun geloof. Als ze het zich konden veroorloven, kochten ze een gebedenboek of een brevier. Arme dompelaars hadden een paternoster of bouwden in een hoekje van hun huis een privékapelletje met een kruis of een primitieve afbeelding van Christus met een kaars ervoor. Uit die volksdevotie groeide een heuse industrie van niet al te beste kunst. Mozes en de andere heiligenbeelden verlieten de kerk en doken plots overal op. Het geloof werd ‘draagbaar’. Filips de Stoute, de grootvader van Filips de Goede, zat tijdens die evolutie op de eerste rij. Zijn kaarsen waren enorm, net als zijn brevieren. Zijn privékapelletje werd meteen een heel klooster. (lacht) Hij gaf opdracht tot de bouw van het tot de verbeelding sprekende kartuizerklooster van Champmol in Dijon. De kartuizers waren het strengst in het navolgen van de gelofte van armoede, terwijl Filips de Stoute de best geklede man was van zijn tijd.

 

Met Champmol wou hij zijn toekomst in het hiernamaals veilig stellen?

Van Loo: Natuurlijk. Zijn graf moest in dat klooster komen, waar vervolgens een hele orde dag en nacht voor zijn zielenheil kon bidden. In de Lage Landen rekruteerde hij kunstenaars. De belangrijkste was Klaas Sluter uit Haarlem. Niemand kent die man nu nog, maar ik vind hem de Michelangelo van de Lage Landen. Zijn werk is prachtig, je moet echt eens naar Dijon naar het praalgraf van Filips de Stoute gaan kijken. Sluter beeldhouwde de rouwstoet in albast en marmer. Je ziet iemand een traan wegpinken, iemand anders snuit zijn neus. De huidplooien en rimpels van die gebeeldhouwde mensen zijn levensecht. Die meesterwerken zijn gemaakt door iemand van bij ons. Of toch ongeveer: Klaas Sluter was een Haarlemmer die waarschijnlijk rond de markt van Brussel de stiel geleerd heeft. Jan van Eyck moet zeker het werk van Sluter in Dijon gezien hebben, want je vindt Sluters invloed terug in het Lam Gods in de Gentse Sint-Baafskathedraal.

Sluter wil zeggen: ‘sleuteldrager’. Klaas Sluter gaf Van Eyck de sleutels waarmee hij de deur van een nieuwe kunsteeuw kon ontsluiten. Daarom noem ik hem onze Michelangelo en geef ik hem met dit boek eindelijk de honneurs die hij verdient.

 

Had Sluter dan niet op de cover moeten staan?

Van Loo: We hebben geen beeld van hem. Toen hij in Dijon aan het werk was, draaide alles nog rond Filips de Stoute en niet rond de kunstenaar. De naam ‘Klaas Sluter’ kennen we eigenlijk alleen uit de Bourgondische boekhouding. Als de betalingen aan hem daar niet netjes in waren bijgehouden, hadden we zelfs nooit geweten wie die prachtige beelden gemaakt heeft.

 

Bart Van Loo

  • Geboren in Herentals in 1973.
  • Studeerde Romaanse filologie.
  • Gaf een aantal jaren Frans in het middelbaar onderwijs.
  • Werd in 2006 voltijds schrijver en conferencier. Debuteerde in dat jaar met de literaire reisgids voor Frankrijk Parijs retour.
  • Schreef o.a. Frankrijktrilogie (2011), Chanson(2011) en Napoleon (2014).
  • Is getrouwd met een Française uit Bourgondië.

 

Bart Van Loo, De Bourgondiërs. Aartsvaders van de Lage Landen, De Bezige Bij; 607 blz., 34,99 euro

 

(c) Jan Stevens

“Natuurlijk heeft Trump een supergroot ego. Daarom is hij ook president geworden”

Van 21 juli tot 31 juli 2017 was Anthony Scaramucci de communicatiedirecteur van president Donald Trump. Nadat hij in een interview Trumps toenmalige topmedewerkers Steve Bannon en Reince Priebus respectievelijk een ‘zelfpijper’ en een ‘paranoïde schizofreen’ noemde, werd hij ontslagen. Vandaag neemt ‘The Mooch’ daar geen woord van terug. Integendeel: “Bannon is een klootzak en Priebus een rat.”

 

Na amper elf dagen als communicatiedirecteur van president Donald Trump werd Anthony Scaramucci op de ochtend van maandag 1 augustus 2017 ontslagen. Aanleiding was een interview dat hij de woensdag daarvoor gaf aan een journalist van The New Yorker. Daarin noemde hij Trumps toenmalige stafchef Reince Priebus een “fucking paranoïde schizofreen.” Over Trumps belangrijkste adviseur zei hij: “Ik ben Steve Bannon niet, ik probeer mezelf niet te pijpen.” En over zijn medewerkers op de communicatiedienst: “Al degenen die informatie lekken, wil ik vermoorden.”

In zijn boek Trump, The Blue-Collar President, blikt Anthony ‘The Mooch’ Scaramucci terug op zijn blitzcarrière in het Witte Huis en zoekt hij verklaringen voor de verkiezing tot president van Donald Trump, de man die hij ook na zijn ontslag zijn beste vriend blijft noemen.

Anthony Scaramucci: “Ik sprak hem gisterenavond nog. Donald Trump is helemaal geen bully. De media stellen hem graag zo voor, maar dat klopt niet. Hij vindt het echt niet leuk om mensen aan de deur te zetten. Hij zoekt zelfs manieren om ontslagen medewerkers dicht bij hem te houden. Ikzelf ben daar een voorbeeld van, net als zijn voormalige campagnemanagers Corey Lewandowski en David Bossie, toevallig ook twee vrienden van mij. Ik heb dus een uitstekende verstandhouding met de president, alleen kon ik na dat zogenaamde ‘interview’ met The New Yorker onmogelijk communicatiedirecteur blijven. Zeker niet nadat hij Priebus ontslagen had en John Kelly tot stafchef benoemde. Als hij zijn voormalige economische adviseur Gary Cohn of zijn voormalige veiligheidsadviseur Dina Powell op die stoel had gezet, sprak je misschien nu nog steeds met Anthony Scaramucci, communicatiedirecteur van het Witte Huis. Want Cohn en Powell waren me goedgezind, maar Kelly had een bloedhekel aan me. Hij is een gepensioneerde generaal en gedraagt zich ook zo. Kelly houdt niet van Trump en daarom hield hij niet van mij.”

 

Ondertussen is ook John Kelly stafchef af.

Scaramucci: “Terecht. Als stafchef was hij uiterst ineffeciënt. In Europa bestaat misschien de indruk dat hij erin slaagde om de chaos in het Witte Huis te structuren, terwijl net het tegendeel waar was. Tijdens de midterm-verkiezingen heeft John Kelly geen poot uitgestoken. Als de president meer hulp gekregen had van zijn stafchef, had de Republikeinse Partij misschien nog de meerderheid in het Huis van Afgevaardigden. De Democraten doen nu alsof ze daar een monsteroverwinning behaald hebben, maar dat is je reinste onzin. Er is helemaal geen sprake van die zogenaamde ‘blue wave’. De Amerikaanse bevolking houdt van Trump. Onder sociale druk hoor je velen zeggen dat ze hem verafschuwen, terwijl ze in werkelijkheid juist dolblij zijn met hem.”

 

Niet lang na de presidentsverkiezingen van 2016 was ik in Washington DC. “Sorry voor Trump”, was het eerste wat de taxichauffeur in de luchthaven zei. Hij meende het.

Scaramucci: “Maar natuurlijk, die taxichauffeur leeft in Washington en daar haten ze allemaal Donald Trump. Dat is ook vanzelfsprekend; Trump komt er dat vreselijke moeras droogleggen. Hij verstoort het feestje van al die figuren die er jarenlang ongestoord hun eigen belangen dienden. Zowel de politici als de hoge ambtenaren zijn niet geïnteresseerd in de gewone mensen. Precies daarom stemde een meerderheid voor Donald Trump.”

 

Terwijl diezelfde Donald Trump al sinds zijn geboorte deel uitmaakt van het door het volk verfoeide establishment.

Scaramucci: “Maar net daarom ook heeft hij de verkiezingen gewonnen. Tot de komst van Trump faalde het populisme in de VS telkens weer. Te weinig rijken uit het establishment waren vroeger bereid om populistische kandidaten te steunen. De schatrijke geestesgenoot Donald Trump zagen ze wel zitten: in zijn campagne investeerden ze graag miljoenen dollars. In mijn boek beschrijf ik hoe hij in 2016 de hele basis van de Democratische Partij kaapte en naar de Republikeinen verscheepte. In Trump, The Blue-Collar President spaar ik niemand, inbegrepen mezelf.”

 

Ik vind dat u Donald Trump spaart.

Scaramucci: “Spaar ik hem? Mja, op sommige momenten misschien wel, maar toch niet altijd. Zo schrijf ik dat de manier waarop hij eerder als een manager dan als een politicus regeert, flink wat verwarring creëert. Het grootste probleem in dit land is dat onze politici altijd enkel aan zichzelf gedacht hebben, waardoor we nu op een puinhoop leven. Onze infrastructuur is versleten. De wegen in de VS zijn abominabel en de telefoon- en gsm-verbindingen lijken op die uit een derde wereldland. Onze politici zijn echt door en door slecht. President Trump legt zonder medelijden bloot wat voor een afschuwelijke individuën ze zijn.”

 

Waarom gaf u dat interview dat tot uw val leidde?

Scaramucci: “Ik dacht dat ik informeel, off the record, met een journalist aan het praten was. Ik had dat op voorhand niet uitdrukkelijk gezegd en dat kwam als een boemerang in mijn gezicht terug. Die woensdagavond had ik een paar personaliteiten van Fox News uitgenodigd voor een diner in het Witte Huis. De toenmalige stafchef Reince Priebus was daar niet van op de hoogte, maar zag me wel toen ik met die mensen op weg was naar de president. Een paar minuten later tweette Ryan Lizza van The New Yorker: ‘Scoop: Trump is dining tonight w/Sean Hannity, Bill Shine (former Fox News executive), & Anthony Scaramucci.’ Ik wist meteen wie er gelekt had. Na het diner belde ik Lizza. Ik heb me toen nogal kleurrijk over een paar individuen uitgedrukt. (lacht)”

 

De ene een ‘zelfpijper’ noemen en de andere een ‘paranoïde schizofreen’; erg diplomatisch was dat niet voor een communicatiedirecteur van het Witte Huis.

Scaramucci: “Ik ben dan ook geen diplomaat. Als je eens goed wil lachen, moet je naar Mooch kijken, een documentaire die Andrew J. Muscato onlangs over mij maakte. Op een bepaald moment zegt een of andere Britse kerel dat het onmogelijk is dat zo’n rijke, succesvolle ondernemer en investeerder zoals die Scaramucci geboren en getogen is in een arbeidersmilieu. ‘Een arbeidersjongen die in Harvard afstudeert? No way.’ In Mooch zie je het bescheiden huis in de arbeiderswijk in Long Island, New York, waar ik opgroeide. Natuurlijk snapt die Brit dat niet, want in zijn land raakt geen enkele jongen uit de arbeidersklasse op Eton of Oxford. Europeanen leven al duizenden jaren in aristocratieën waarin het quasi onmogelijk is om van de ene sociale klasse naar de andere over te stappen. In de VS is er geen aristocratie, daarom kon ik mijn arbeidersverleden van me af schudden. Ik vocht mezelf een weg naar de top. Eerst bij Goldman Sachs, later bouwde ik mijn eigen onderneming en zorgde ik ervoor dat ik financieel onafhankelijk werd. Ik maakte mijn familie welvarend en elke welmenende Amerikaan vindt dat fantastisch. Al hoor ik nu ook afgunstige mensen zeggen dat na mijn passage op het Witte Huis mijn 15 minutes of fame opgebruikt zijn. Ik verzeker je: mijn 15 minutes of fame zijn nog niet eens begonnen. (lacht)”

 

Hoe groot was de schok toen u ontslagen werd?

Scaramucci: “Dat was niet leuk. Ik had een fout gemaakt door een journalist te vertrouwen die ik niet had mogen vertrouwen. Dat is mijn eigen verantwoordelijkheid. I’m a big boy. Ik heb in mijn eigen succesvolle bedrijven zelf mensen ontslagen. Bij Goldman Sachs werd ik jaren geleden ook de laan uigestuurd. Mijn vel is ondertussen dik genoeg. Maar ik geef toe dat het een teleurstelling was. Als je in Washington in de politiek bedrijvig bent, weet je dat alles kan gebeuren. Mijn bestaan daverde dus niet op zijn grondvesten. De president had me eigenlijk aangenomen om grote schoonmaak te houden en medewerkers van de communicatiedienst te ontslaan. Ik was me er zeer goed van bewust dat er waarschijnlijk snel wraak genomen zou worden.”

 

In dat interview zei u dat u iedereen uit uw dienst op straat ging zetten. Dat was dus niet gelogen?

Scaramucci: “Het zouden er toch flink wat geweest zijn. In die korte tijd in het Witte Huis maakte ik veel fouten. De grootste was dat ik mijn job als communicatiedirecteur aanpakte als zakenman en niet als politicus. Ik zag veel medewerkers lekken naar de media. Ik riep hen bij me en zei: ‘Vanaf nu tolereer ik geen enkel lek meer.’ Er werd op mijn dienst een bittere strijd uitgevochten tussen degenen die loyaal waren aan de Republikeinse Partij en degenen die loyaal waren aan Trump. Ik zei: ‘Jongens, het is hoog tijd dat we aan hetzelfde zeel trekken. Zolang dat niet gebeurt en er gelekt wordt, ontsla ik mensen. Van zodra het lekken stopt, stop ook ik met ontslagbrieven te schrijven.’ Bij een fusie tussen ondernemingen helpt een ontslagronde altijd om de neuzen in dezelfde richting te krijgen. In het communicatieteam van het Witte Huis stonden ze ook met getrokken messen tegenover elkaar. Als ik meer tijd had gekregen, had ik ze ook op één lijn gekregen. Als ik nu nog directeur was geweest, had dat incident met CNN-correspondent Jim Acosta bijvoorbeeld, nooit zo’n proporties gekregen.”

 

Beschouwt u journalisten ook als ‘vijanden van het volk’?

Scaramucci: “Nee, ik vind dat president Trump zich daarin vergist. Ik was vast van plan om als communicatiedirecteur de plooien tussen het Witte Huis en de pers zo snel mogelijk glad te strijken. Ik wou dat conflict weg.”

 

U had de president daarover aangesproken?

Scaramucci: “Ja. Tot vandaag blijf ik hem zeggen dat zijn strategie tegen de pers een vergissing is. Je mag en kan de pers niet uitroepen tot ‘vijand van het volk’. Het gevolg van die strategie is dat het vitriool rijkelijk blijft vloeien tussen het Witte Huis en de journalisten.”

 

Was u als tiener een straatvechtertje?

Scaramucci: “Ik was een echte ‘Guido’, een working class Italian American uit de stad. Ik ben geboren in 1964 en leerde als scholier het klappen van de zweep op Main Street. Ik liep er in de zomer rond in mijn blote bast, een ketting rond de nek, mijn haar achterover geföhnd, met een ghettoblaster op mijn schouder. Heel de buurt kon meegenieten van Led Zeppelin, Foreigner en Billy Joel. (lacht) In wezen ben ik nog steeds zoals die jongen van toen: een man zonder angst. Net dat verontrust die kerels uit Washington. Achteraf beschouwd, verbaast het me helemaal niet dat ik door het gestook van een paar figuren na elf dagen als communicatiedirecteur ontslagen werd.”

 

Met die ‘figuren’ bedoelt u Steve Bannon en Reince Priebus?

Scaramucci: “Ja. Als dank voor bewezen diensten tijdens de verkiezingscampagne wou president Trump me in januari 2017 al benoemen tot hoofd van het Office of Public Liaison (OPL), de dienst die voor het Witte Huis de contacten met de buitenwereld verzorgt. Dat is best een prestigieuze job en ik was daar toen zeer blij mee. Alleen is het nooit zo ver gekomen: Priebus en Bannon staken daar een stokje voor. Om mijn handen vrij te hebben, wou ik mijn bedrijf SkyBridge aan een Chinese holding verkopen. Out of the blue verschenen er plots in grote kranten negatieve artikels over de deal die ik gesloten had. Ik had niets verkeerd gedaan, maar plots leek het alsof ik aan het meeheulen was met een buitenlandse vijand. Later kwam ik erachter dat Priebus en Bannon journalisten voorzien hadden van leugens om mijn Witte Huis-carrière in de kiem te smoren.”

 

Wat voor iemand is Steve Bannon?

Scaramucci: “Een rare man vol paradoxen. Hij doet zich voortdurend voor als iemand die hij niet is. Als er nu één relict van het establishment is, is hij het wel. Ook hij zat op Harvard en ook hij werkte bij Goldman Sachs. Daarna ging hij zich bezighouden met de productie van Hollywood-films. Vandaag doet hij alsof hij een witte nationalist is. Hij is vreselijk oneerlijk en niet te vertrouwen. Een lowlife. Hij gebruikt je. Tijdens de campagne had hij mijn hulp nodig. Toen was hij ontzettend charmant en vriendelijk. Dat veranderde radicaal op het moment dat duidelijk werd dat de president me wou voor het OPL. Toen werd Bannon zeer agressief. Het verbaast me trouwens niet dat fascisten en neonazi’s zo verzot op hem zijn. Hij is walgelijk. Gelukkig heeft God hem zo lelijk gemaakt dat niet al te veel mensen hem ernstig nemen.”

 

Donald Trump nam hem wel ernstig.

Scaramucci: “Dat hebben we te danken aan Robert Mercer en zijn dochter Rebekah. In augustus 2016 had Trump dringend miljoenen dollars nodig voor zijn campagne. De Mercers kwamen met geld over de brug én koppelden daar Steve Bannon aan. Robert Mercer was een gulle sponsor van Breitbart News waar Bannon de plak zwaaide. De president had niet veel keus. Bannon was zowat de belangrijkste bron voor Fire and Fury van Michael Wolff. Ik noem dat boek ‘Liar and Furious’, want Wolff is een leugenaar en Bannon is altijd woest. Na de publicatie van dat boek in januari 2018 zei president Trump exact hetzelfde als wat ik in juli 2017 al over Steve Bannon in The New Yorker had gezegd. Alleen iets minder ruw. Volgens de president had Bannon zijn verstand verloren en was zijn verdienste in de verkiezingsoverwinning van 2016 minimaal.

Onderschat ook niet de perfide rol van Reince Priebus. Hij is een echte rat; hij ziet er ook zo uit. Hij is het klassieke voorbeeld van een politieke slijmbal die je naar de mond praat, maar in werkelijkheid een sociopaat is. Hij is erger dan Steve Bannon. In tegenstelling tot Priebus doet Bannon geen moeite om te verbergen dat hij een klootzak is. Dat is tenminste eerlijk.”

 

Begin jaren negentig was u een van de golden boys bij Goldman Sachs. U verdiende er geld als slijk?

Scaramucci: “Ik boerde goed. De jongens die zoals ik in de financiële sector actief waren, gedroegen zich toen vrij agressief. Veel van de woede in de VS stamt uit die tijd. De verantwoordelijkheid voor de Amerikanen die zich in de steek gelaten voelen, ligt gedeeltelijk bij stinkend rijke bankiers die wankele hypotheken opkochten en verpakten tot giftige, zogenaamde collateralized debt obligations (CDO) waar niemand kop noch staart aan kreeg. Toen de huizenmarkt instortte, werden die CDO’s waardeloos. De bankiers klopten bij de overheid aan en hun banken werden overeind gehouden met belastinggeld.

25 jaar geleden was ik bij Goldman Sachs zowat de enige jongen uit een arbeidersgezin. Ik was indertijd ook zowat de enige uit mijn buurt die naar Harvard ging om er rechten te studeren. Mijn ouders wisten niet eens wat Harvard was; mijn moeder zei tegen haar vrienden: ‘Onze Anthony gaat naar Hartford.’ (lacht) Ik wou per se naar Harvard omdat dat goed stond op mijn cv. Al van heel vroeg wou ik een succesrijk ondernemer worden en Harvard kon daarbij helpen.”

 

Wanneer ontmoette u voor het eerst die andere grote ondernemer, Donald Trump?

Scaramucci: “In 1995, ik was toen 31. Die ontmoeting staat in mijn geheugen gegrift, maar ik denk niet dat Trump zich daar nog iets van herinnert. Ik zag hem in zijn kantoor op de 26e verdieping van de Trump Tower in New York. Ik had nog nooit een celebrity ontmoet en hij was op dat moment al wereldberoemd in Amerika. Ik was net op mezelf begonnen. Mijn oude baas bij Goldman Sachs had me mee gevraagd op visite bij Trump. Ik had zijn seller The Art of the Deal gelezen en ik was daar aardig van onder de indruk. Ik verheugde me erop dat ik later bij anderen kon gaan opscheppen dat ik samen met The Donald in een kamer gezeten had. (lacht)”

 

In de biografie Nooit genoeg beschrijft auteur Michael D’Antonio Donald Trump als autoritair, narcistisch en grofgebekt. D’Antonio sprak urenlang met The Donald, maar moest opkrassen toen Trump hoorde dat hij ook met critici sprak.

Scaramucci: “De president is een complexe persoonlijkheid. Biografen zoals D’Antonio spreken over hem zonder kennis van de context, of zonder nuance. Dat is erg unfair. En natuurlijk heeft hij een supergroot ego; daarom is hij ook president geworden.”

 

U vindt Trump niet autoritair?

Scaramucci: “Nee, zo komt hij helemaal niet over. Akkoord, soms gebruikt hij ruwe taal en soms windt hij zich nodeloos op. Als mensen hem te hard aanvallen, kan hij de neiging niet onderdrukken om in de tegenaanval te gaan. Maar autoritair? Biografen zoals D’Antonio pompen een paar eigenschappen van Trump extreem hard op om meer boeken te kunnen verkopen.”

 

President Trump lijkt toch een grote voorliefde te hebben voor autoritaire leiders? Hij is ondertussen een vriend van de Noord-Koreaanse dictator Kim Jong-un en is ook een bewonderaar van Ruslands sterke man Vladimir Poetin.

Scaramucci: “Als je Trump haat, begin je bijna automatisch te verkondigen dat hij een liefhebber is van autoritair leiderschap en dat hij verliefd is op dictators. Sommigen verkondigen zelfs dat hij zelf óók een dictator is. Als je hem persoonlijk kent, weet je wel beter. Hij probeert écht een deal te sluiten met de Noord-Koreanen. Hij ziet dat als een probleem dat quasi onbeheersbaar geworden is doordat zijn voorgangers dat 65 jaar lang hebben laten etteren. Trumps visie op de wereld verschilt dag en nacht van die van Poetin. Hij beschouwt de Russische kernmacht als een rechtstreekse bedreiging voor de VS. Maar wat jij als ‘bewondering’ interpreteert, is niet meer of minder dan een poging om de spanningen tussen twee wereldleiders te verminderen. Hij wil ook aftasten of hij samen met Poetin iets kan ondernemen tegen het terrorisme in het Midden-Oosten. Donald Trump is een groot voorstander van de Amerikaanse democratie en begrijpt heel goed hoe dat democratische proces werkt.”

 

De manier waarop hij bijvoorbeeld op Twitter de media, andere politici en zelfs rechters aanpakt, is toch niet echt ‘presidentieel’ te noemen? Dat lijkt eerder de taal van een bullebak die geen tegenspraak duldt.

Scaramucci: “Daar bewijst hij zichzelf inderdaad geen dienst mee. Met zijn vilaine tweets en forse uitspraken ondermijnt hij zijn eigen populariteit. Een meerderheid van de Amerikanen is het eens met zijn beleid, maar velen houden niet van zijn stijl. Die verschilt radicaal van de 44 voorgaande presidenten. Dat is een bewuste keuze. Hij is ervan overtuigd dat hij nooit president geworden was als hij zich tijdens de campagne presidentieel had gedragen.”

 

Vergroot hij met zijn gescheld niet vooral de al gigantische tegenstellingen in Amerika?

Scaramucci: “Ik vind het nog te vroeg om daar uitspraken over te doen. Vóór Harvard studeerde ik economie en toen heb ik geleerd dat een nieuw beleid pas na twee jaar vruchten begint af te werpen. Als zou blijken dat we door Trumps beleid en stijl op een fiasco afstevenen, zal ik niet aarzelen om bij hem op een bijsturing aan te dringen. Natuurlijk cirkelen er ja-knikkers rond de president, maar ik geloof niet in de heilzame werking van vleierij. Al dat gevlei dient maar één doel: de belangen van de pluimstrijker. Ik ben loyaal aan Donald Trump en dat impliceert dat ik ook eerlijk tegen hem ben. We worden met z’n allen alleen maar beter van de waarheid. Ik ben het levende bewijs van mijn eigen stelling: iets meer dan een jaar geleden werd ik door hem ontslagen, en we zijn vandaag nog steeds on speaking terms. Hij vertrouwt je meer wanneer je hem zegt waar het op staat dan wanneer je hem een bullshitverhaal voorschotelt.”

 

Heeft Donald Trump dan niet zelf een bijzonder lastige verhouding met de waarheid? Deelt u bijvoorbeeld zijn ‘overtuiging’ dat de klimaatverandering een natuurlijk fenomeen is dat vanzelf gekomen is en vanzelf zal verdwijnen?

Scaramucci: “Ik ben geen wetenschapper, maar vermoedelijk is 70 procent van de huidige klimaatverandering een gevolg van menselijke activiteit. We moeten dus inderdaad onze CO2-uitstoot drastisch naar beneden krijgen. Ik geloof dus wél in de klimaatverandering. Maar ik vind ook dat andere mensen het recht hebben om eraan te twijfelen, op voorwaarde dat ook zij bereid zijn om iets aan de vervuiling te doen. Want in een stad als Bejing stikken de kinderen in de uitlaatgassen.”

 

Op 1 juni 2017 trok president Trump de VS terug uit het klimaatakkoord van Parijs. Iets meer dan een maand later begon u voor hem te werken. U vond die terugtrekking geen vergissing, ook al maakt u zich zorgen over de klimaatverandering?

Scaramucci: “Die terugtrekking kwam er op aangeven van Steve Bannon. Maar hoe ‘hard’ is dat klimaatakkoord eigenlijk? Ik heb het gevoel dat het eerder ceremonieel is en dat er niet veel consequenties aan vasthangen. ‘We tekenen vlug dat akkoord, en dan vindt iedereen ons een groot voorvechter van een beter milieu.’ Zelfs diehard-ecologisten hebben grote twijfels over Parijs. Als er een eerlijke deal met ballen aan het lijf op tafel gelegen had, had Donald Trump die met open geest bekeken. Hij vond het verdrag oneerlijk voor de VS en trok zich daarom terug.”

 

In uw boek schrijft u over uw broer David die problemen had met alcohol en coke. Donald Trumps broer Fred was ook alcoholverslaafd en dronk zich dood. Sprak u met de president over jullie broers?

Scaramucci: “Natuurlijk. De president vertelde me dat hij van zijn oudere broer hield en naar hem op keek. Hij heeft een heilige schrik voor drugs en alcohol omdat hij veel kennissen die veel slimmer waren dan hem, tenonder heeft zien gaan aan die roesmiddelen. Mijn broer is niet de enige uit mijn familie met een alcoholverslaving. Verslaving zit in onze genen, maar David zag gelukkig op tijd in dat hij er iets aan moest doen. Ik ben het niet eens met mensen die beweren dat verslaving een eigen keuze is. Het is een ziekte en het gevecht ertegen is moeilijk en hard.”

 

Vlak na uw blitzpassage in het Witte Huis en zeker na dat interview in de New Yorker, zoemde het van de geruchten dat u zelf elf dagen high on coke was.

Scaramucci: “(stilte) Dat is belachelijk. Ik heb nog nooit drugs gebruikt. Van zodra je in Washington werkt, verklaren je vijanden je vogelvrij. Die beschuldiging dat ik aan de coke zou zitten, is fake news. Ik ben niet op mijn mond gevallen en bruis van de energie. Misschien denken ze daarom dat ik af en toe een lijn snuif.”

 

In Harvard speelde u basket met Barack Obama.

Scaramucci: “Ik ken hem goed. In 2009 was ik fondsenwerver voor zijn verkiezingscampagne.”

 

En nu zit u in het kamp van Trump, de compleet tegengestelde president.

Scaramucci: “Dat is zo. Ik werkte voor allebei en dat zegt misschien iets over wat voor een kerel ik ben.”

 

Dat u een opportunist bent?

Scaramucci: “That’s fine. Weet je wanneer een mens het gelukkigste is? Als hij die leeftijd bereikt heeft waarop hij zich niets meer aantrekt van wat anderen over hem vinden. Noem me gerust een opportunist, I couldn’t care less. Een paar oude vrienden van Harvard vroegen me om een handje bij Obama’s verkiezingscampagne toe te steken. Hij kwam toen bij me over als een politicus uit het centrum. Ik ben economisch rechts en sociaal zeer links. Ik heb daar ook nooit een geheim van gemaakt en voelde dus inderdaad sympathie voor presidentskandidaat Barack Obama. Wist je dat ik een voorvechter van homorechten ben?”

 

Bent u een feminist?

Scaramucci: “Ja. Vrouwen hebben evenveel rechten als mannen.”

 

Wat vindt u dan van de ‘Grab ‘m by the pussy-uitspraak’ van uw president?

Scaramucci: “Dat was toch alleen maar om te lachen? Mensen hebben veel te lange tenen. Kijk, ik ben niet politiek correct. Ik ben een politiek incorrecte feminist en ik weiger elke linkse censor te gehoorzamen. Die uitspraak was niet slim, misschien zelfs dom. Een verontschuldiging was waarschijnlijk op zijn plaats. Maar dan houdt het toch op? Mijn uitspraak over Bannon in The New Yorker was toch ook niet zo schokkend? Mijn tegenstanders hebben dat gebruikt om mijn ontslag te eisen. Dat is gelukt. De president gaf me de bons en ik legde me daarbij neer. Ik zet mijn vriendschap met hem niet op het spel omwille van dat ontslag. Ik ben geen baby.”

 

Anthony Scaramucci, Trump The Blue-Collar President, Hachette Book Group

 

(c) Jan Stevens

“In veel landgenoten huist een klein Hitlertje”

De haven van Zeebrugge is populair bij vluchtelingen die dromen van de grote oversteek naar Groot-Brittannië. Pastoor Fernand Maréchal geeft hen onderdak en kreeg daar deze zomer doodsbedreigingen voor. “Als de Catalaanse minister-president zijn land ontvlucht, wordt hij met open armen ontvangen. Een sukkelaar die uit de oorlog komt, wordt het leven moeilijk gemaakt. Voor mij is iedereen gelijk.”

 

Sinds 2015 zet pastoor Fernand Maréchal de deuren van zijn Sint-Donatuskerk open voor mensen op de vlucht. Ze krijgen er eten en drinken, een douche en een toilet en mogen er in de wintermaanden overnachten. Fernand Maréchals hulp aan vluchtelingen wordt niet door iedereen geapprecieerd. Onder anderen Carl Decaluwé, gouverneur van West-Vlaanderen met een CD&V-etiket, is geen fan van de Zeebrugse priester die in zijn kerk hongerige vluchtelingen spijst. “Al wie vluchtelingen voedsel geeft, trekt er nog meer aan”, stelde hij in 2016 op de radio. “Een heel merkwaardige uitspraak voor een christen-democraat”, vindt pastoor Maréchal. “De woorden van de gouverneur waren nog niet koud, of de media sprongen erop. Plots stonden reporters van alle mogelijke radio- en tv-stations uit heel Europa aan mijn voordeur. Drie ploegen uit Italië liepen elkaar voor de voeten. ‘Wel, waar zijn die vluchtelingen?’, vroegen ze. Ze geloofden echt dat het een overrompeling was. Terwijl het over hooguit dertig mensen ging. Ik zei: ‘Bij jullie in Italië komen er duizend per dag via de Middellandse Zee binnen en jullie reizen naar Zeebrugge om een pastoor te filmen die eten geeft aan dertig mensen?’ Weet u wat het grootste probleem is? De perceptie: de buitenwereld heeft een compleet vertekend beeld van wat er zich hier afspeelt. Op een bepaald moment kreeg ik verschillende anonieme telefoontjes en werd ik op straat toegeroepen: ‘We vinden je wel!’, ‘We maken je een kopje kleiner!’, ‘Je dagen zijn geteld!’ Ik vond dat niet fijn, maar er gaapt nog een grote kloof tussen dreigen en tot actie overgaan. Ik vertelde een paar van mijn vrijwilligers over die bedreigingen. Zij schrokken en lichtten hun advocaat in. Die stapte vervolgens naar de pers; dat was niet mijn bedoeling. Door de persaandacht zijn de doodsbedreigingen gelukkig wel gestopt.”

 

U bent 70. U zou eigenlijk van uw pensioen moeten genieten.

Fernand Maréchal: “Dat is zo. Ik was 26 jaar hoofdaalmoezenier in het AZ Sint-Jan in Brugge en was ingeschreven als bediende bij het OCMW. Op mijn 65e kon ik niet anders dan daar afscheid nemen, maar ik was nog tamelijk fit en zag het wel zitten om als parochiepriester een paar jaar te gaan uitbollen in Zeebrugge. Alleen kwam ik hier in een storm terecht. Maar ik kan deze plek nu niet zomaar in de steek laten. Zolang ik gezond ben, werk ik verder.”

 

Op het eerste gezicht lijkt de rust in uw parochie weergekeerd.

“Nu is de toestand ietwat gestabiliseerd, maar tijdens de gemeenteraadsverkiezingen probeerden bepaalde politieke partijen munt uit de vluchtelingenopvang te slaan. Ik hoef u niet te zeggen dewelke.”

 

N-VA en Vlaams Belang?

“Precies. N-VA’ers van buiten Brugge kwamen hier stoken. Ik overleefde intussen vier betogingen georganiseerd door Voorpost, N-VA en Vlaams Belang. Daar liepen niet veel mensen uit Zeebrugge tussen. De demonstranten kwamen vooral uit Antwerpen, Gent en Sint-Niklaas. Ze leggen daar elke keer speciaal een bus voor in. Ik kan me niet voorstellen dat N-VA’ers die vroeger tot de Volksunie behoorden, zo blij zijn met dat racistische gedachtengoed in hun huidige partij.

“Er wordt soms met stenen gegooid door gefrustreerde mensen van Zeebrugge. Of ze zetten plakkaten in mijn tuin. Mijn principe is: mensen die je kwaad doen, moet je met liefde behandelen. Ik zeg ze goeiendag en dan schrikken ze. Ik blijf vriendelijk tegen al wie mij niet genegen is. Dat is niet altijd even makkelijk maar er kruipt minder energie in dan in een uitputtend gevecht met tegenstanders. Ik heb hier al een paar critici over de vloer gehad die het gesprek met me wilden aangaan. Dat is prima. Ook zij hebben het recht om hun gedacht te zeggen. Er is persvrijheid maar ik heb soms het gevoel dat er geen godsdienstvrijheid meer is. Wie zijn godsdienst wil beleven, wordt geboycot.”

 

Hoe bedoelt u?

“Wanneer ik als priester en als christen mensen in nood probeer te helpen, word ik geboycot. Met dit werk beleef ik enkel mijn geloof, maar dat wordt niet aanvaard door een groepje met een bepaalde mentaliteit. Ik leef toch in een vrij land en mag mijn geloof toch beleven zoals het hoort?”

 

Met dat ‘groepje’ neemt u ook politici in het vizier zoals Carl Decaluwé en Renaat Landuyt, de bijna ex-burgemeester van Brugge?

“Ja. In 2016 kreeg ik de Prijs voor Mensenrechten in het stadhuis van Gent, waar toen ook een socialistische burgemeester aan de macht was. Daar werd ik gehuldigd en hier werd ik door de burgemeester belachelijk gemaakt en geboycot. Landuyt heeft bij veel Bruggelingen krediet verloren door zijn houding tegenover mij. Dat is zijn eigen keuze, ik ga hem niet proberen bekeren.”

 

U verschaft onderdak aan zogenaamde ‘transmigranten’. Wat vindt u van dat woord?

“Ik vind het een betere term dan ‘illegalen’. Zowel huidige als gewezen staatssecretarissen voor Migratie én partijvoorzitters nemen dat woord maar al te graag in de mond.

“De mensen die ik help, kwamen eerst uit Syrië, Irak en Iran. Daarna uit Eritrea, Somalië, Mali, Niger, Soedan. Echte oorlogsvluchtelingen die in zeer penibele omstandigheden leven. Er zijn zelden ‘gelukszoekers’ bij. Ik probeer me altijd in te leven in die mensen. Wanneer laat iemand alles achter en vlucht hij weg naar een ver land? Je moet toch al heel diep zitten vooraleer je aan zo’n risicovolle tocht begint?”

 

De meeste vluchtelingen die bij u over de vloer komen, willen dolgraag naar Engeland. Waar komt die rare illusie vandaan dat aan de overkant van het Kanaal het land van melk en honing ligt?

“Wij zeggen hen ook: ‘Engeland is niet zoals jij het je voorstelt. Je wordt er uitgebuit in het zwarte circuit.’ Maar een euro per uur is al massaal veel geld voor hen. In hun eigen land moeten ze daar een week of een maand voor werken. Met zo’n argumenten hou je ze niet tegen. Dat beeld van ‘beloofde land’ zit diep in hun hersenen ingebakken. Hoe dat komt, weet ik niet. Misschien omdat ze er relaties hebben. Ze horen verhalen van anderen die hen voorgingen en die het er goed stellen. Ik ken er een paar die er nu studeren aan de universiteit. Dat klinkt bij die jongens hier als muziek in de oren. Daar komt bij dat je er tamelijk anoniem kan leven.

“Ik probeer vluchtelingen er altijd van te overtuigen om hier asiel aan te vragen. Soms lukt dat, maar niet vaak. Ze vertrouwen ons systeem niet. ‘Als we hier na vier jaar ingeburgerd zijn, vliegen we toch terug’, zeggen ze. Ze kennen verhalen van gezinnen die na een jaar of zeven teruggestuurd worden, ook al hebben ze kinderen die hier geboren zijn.”

 

De bedoeling van dat harde terugkeerbeleid is misschien net ook: vluchtelingen en migranten ontraden om België als veilige haven te kiezen.

“Met al die harde maatregelen hou je die mensen tóch niet tegen. Geloof me vrij: ze zullen blijven komen. Het enige wat de nieuwe staatssecretaris voor Migratie Maggie De Block moet doen, is die mensen verzorgen. Geef hen bed, brood en bad. Pas dan weet je wie er hier rondloopt en kun je hen heroriënteren naar een andere plaats. Dat is veel menselijker en zorgt voor heel wat minder overlast. Al die razzia’s zijn verloren geld. Twee uur later worden ze toch weer vrijgelaten.”

 

Vinden er bij u razzia’s plaats?

“Ja. Met de zeevaartpolitie heb ik een goede band: soms sturen zij iemand in nood naar ons. Zo was er die door zijn werkgever zwaar uitgebuite vrachtwagenchauffeur uit Montenegro. Ze brachten die arme man naar hier en vroegen of we hem een dag of twee konden verzorgen. De agenten van de zeevaartpolitie respecteren wat ik doe. De federale politie is wat anders. Als er betogingen zijn, beschermen ze me. Daar mag ik niet over klagen. Maar ze houden met veel machtsvertoon hun razzia’s op momenten dat wij voedsel uitdelen. Dan zitten al die uitgehongerde mensen samen in de kerk en dan valt de politie binnen. Dat vind ik moreel onverantwoord.”

 

Er bestaat toch zoiets als kerkasiel?

“De federale politie beweert van niet.”

 

Hebt u nog contact met vluchtelingen die tot in Engeland geraakt zijn?

“Zeker. Ze zijn niet te tellen, al degenen die hier gepasseerd zijn en de overtocht gemaakt hebben. Het zijn er honderden.”

 

En zijn ze nu gelukkig?

“Ja.”

 

Of zeggen ze dat omdat ze niet willen toegeven dat ze van de regen in de drop beland zijn?

“Ik werk samen met een aantal vrijwilligers. Zij zitten op facebook en hebben regelmatig contact met vluchtelingen in Engeland. Ik zit niet op sociale media; Ik begrijp trouwens niet waar politici de tijd vandaan halen om te twitteren. Een paar vrijwilligers hebben ook mensen in Engeland opgezocht. Twee maanden geleden kwam zo’n jongen nog bij mij op bezoek. Hij had een doos pralines bij om me te bedanken.”

 

Bent u voorstander van open grenzen?

“Ja. De wereld is een dorp. Met het sluiten van de grenzen bereiken we niets. Vrijheid dragen we hoog in ons vaandel en dus moet elke mens ook vrij zijn om te gaan en staan waar hij wil. De multiculturele samenleving is een feit; we kunnen de klok niet meer terugdraaien. Sommige politici willen dat wel, maar dat is een zinloze strijd. Neem de vreemdelingen weg en onze economie stort als een kaartenhuisje ineen. Wij kunnen niet zonder die mensen, uit welk land ze ook komen.”

 

U ben niet bang dat het avondland door massa-immigratie ten onder zal gaan?

“Kijk, in de koloniale tijd hebben wij Afrika leeggezogen. Alle rijkdom is naar hier gebracht. Ik vind het niet meer dan normaal dat die mensen nu naar hier komen en zeggen: ‘Jullie hebben ons geplunderd, geef eens wat terug.’ Afrika wordt vandaag nog steeds geplunderd door multinationals. Natuurlijk zullen mensen minder geneigd zijn om te migreren als er ter plaatse een degelijk beleid gevoerd wordt. Maar de corrupte systemen in veel landen maken het vandaag onmogelijk om er degelijke maatschappijen op te bouwen.

“Als de Catalaanse minister-president zijn land ontvlucht, wordt hij met open armen ontvangen. Een sukkelaar die uit de oorlog komt, wordt het leven moeilijk gemaakt. Voor mij zijn alle mensen gelijk. Ik heb de indruk dat er in veel landgenoten een klein Hitlertje huist. Ze lijken vergeten te zijn wat er bij ons in de jaren dertig gebeurd is, toen duizenden Vlamingen naar Amerika en Canada trokken op zoek naar een beter leven. Ze herinneren zich ook de Eerste Wereldoorlog niet meer, toen honderduizenden mensen op de vlucht sloegen.”

 

Hoe komt het dat de vluchtelingen die u over de vloer krijgt bijna altijd jonge mannen zijn?

“Omdat de sterkste van de familie eerst wordt gezonden. Hij komt de weg banen voor de latere hereniging van het gezin. Al die nieuwkomers kunnen een positieve bijdrage leveren aan onze samenleving. Ik begrijp dat sommige Vlamingen daar bang voor zijn, maar hun angst werkt verlammend. Ze zien alleen nog het negatieve. Maar liefde opent en overwint.”

 

Staat de katholieke kerk achter u?

“Ja. Het bisdom Brugge zeker, al zijn er natuurlijk altijd individuen die het niet met me eens zijn. Het bisdom heeft ook geïnvesteerd in de container met twee douches en een toilet in mijn tuin. Toen die geplaatst werd, was er ook een hele hetze. Ze dachten dat door die container Zeebrugge het nieuwe Calais zou worden. Maar die mensen komen niet naar Zeebrugge omdat ze hier kunnen douchen of een kom soep krijgen. De bange blanke man weeft soms rare hersenspinsels. Ik help een paar mensen en ze denken meteen dat alle vluchtelingen uit Calais of Duinkerke naar hier zullen toestromen.”

 

Waarom bent u ooit priester geworden?

“Ik kom uit een sociaal geëngageerd gezin. Mijn moeder was verpleegkundige. In de jaren dertig mochten vrouwen na hun huwelijk geen verpleegster in een ziekenhuis meer zijn. Wij woonden in Assebroek en de zieke mensen uit de buurt kwamen naar ons huis. Mijn vader stond aan de wieg van het Wit-Gele Kruis en runde het secretariaat. Ik heb nog een grote ijzeren archiefkast vol fiches van toen. Als kind al zag ik veel kwetsbare mensen. Ik wou iets voor hen betekenen. Ik ben gelovig en wou dat als priester proberen. Tijdens mijn studies heb ik veel getwijfeld, maar ik heb die stap toch gezet. In 1974 ben ik tot priester gewijd.

“Ik haal veel inspiratie bij monseigneur Romero, de aartsbisschop van El Salvador die jammer genoeg vermoord is. Het is gemakkelijk om in een kerk te staan preken over God die liefde is. Ik vind dat je dat ook in daden moet omzetten. Geen woorden maar daden.”

 

De recente kerkgeschiedenis oogt niet zo fraai met al die verhalen over misbruik, denk ook maar aan Roger Vangheluwe, de vroegere bisschop van Brugge.

“Er zijn vreselijke dingen gebeurd waar ik echt niet goed van ben. De oorzaak is machtswellust. Of dat misbruik ook met het celibaat te maken heeft? Dat weet ik niet. Misbruik vind je ook elders.”

 

Wordt seks dan geen obsessie als het niet mag?

“Maar hoeveel misbruik is er niet in de sport? Die mensen hebben geen celibaatsplicht. Als ik gehuwd zou zijn, zou mijn huwelijk door mijn werk waarschijnlijk niet lang hebben standgehouden. Van mij mogen priesters gerust huwen en ik heb er ook niets op tegen dat vrouwen tot priester gewijd worden. In het Vaticaan lopen te veel hoge geestelijken rond die vasthouden aan de macht. Als ze ook voor dienstbaarheid en liefde hadden gekozen, stonden we nu veel verder.”

 

(c) Jan Stevens

“Weet u wat de perfecte moord in België is? Rij iemand dood”

22 Vlaamse verkeerspunten bezetten sinds 2002 ononderbroken een plaats op de officiële zwarte lijst. Vanaf 2016 is die lijst ‘dynamisch’ waardoor er nieuwe zwarte kruispunten bijkomen en andere weer afvallen. De ranking hangt af van hoeveel fietsers of voetgangers er jaarlijks de oversteek niet overleven. Zoals Nikita Everaert en Ludwine Louncke.

 

In 2002 stelde de Vlaamse overheid een allereerste lijst van 809 ‘zwarte verkeerspunten’ op, meestal kruispunten met een hallucinant palmares aan dodelijke ongevallen. Zestien jaar later blijven er van die ‘historische zwarte verkeerspunten’ nog 22 over. De complete lijst wordt sinds 2016 minutieus up-to-date gehouden op basis van een ingenieus puntensysteem. Enkel plekken langs gewestwegen waar de voorbije drie jaar minstens drie ongevallen plaatsvonden, maken kans. Voorwaarde is dat ze minstens 15 ongevallenpunten scoren. Een dodelijk slachtoffer telt voor vijf, een zwaargewond slachtoffer voor drie en een lichtgewonde scoort één punt. De dynamische zwarte punten-lijst van 2018 telde 213 gitzwarte verkeerslocaties.

Het kruispunt aan de Antwerpsesteenweg en de Orchideestraat in Oostakker prijkte al op de historische lijst van 2002. De overheid greep pas in augustus en september van dit jaar gedeeltelijk in, nadat de 16-jarige Nikita Everaert er op 19 februari werd doodgereden. Een ‘grondige heraanleg’ is beloofd voor het najaar van 2019.

Het kruispunt aan de Ringlaan en de Brugsesteenweg in Kuurne veroverde dit jaar een plek op de lijst, nadat de 64-jarige Ludwine Louncke er op 18 juli werd doodgereden. Een ‘grondige heraanleg’ is beloofd voor februari 2019. “In afwachting waren ze er even met een pot rode verf in de weer.”

 

Oostakker, Antwerpsesteenweg en Orchideestraat

Sinds maandag 19 februari staat de wereld stil voor Kathy Deweweire. Iets na tien uur die ochtend werd haar zestienjarige dochter Nikita Everaert door een vrachtwagen doodgereden op het kruispunt van de Antwerpsesteenweg en de Orchideestraat in Oostakker. “Ons gezin is kapot”, zegt Kathy. “We hebben nog drie kinderen. Onze oudste zoon Thoby is 18, Nikita werd op 12 oktober 17, Mila is 14 en Nina 9. Mijn man staat op instorten. Ik kan erover praten, maar voor hem is dat heel moeilijk, net als voor onze oudste zoon. De kinderen voelen zich schuldig omdat ze die maandagmorgen geen afscheid van hun zus genomen hebben. Nikita sliep nog toen zij vertrokken.

“Vroeger fietsten Thoby, Nikita en Mila elke dag samen naar school. In januari viel voor Nikita een les weg waardoor ze er op maandag pas om half elf moest zijn. Pas na Nikita’s dood kwamen we erachter dat de Antwerpsesteenweg en de Orchideestraat al zestien jaar een zwart kruispunt vormen. Thoby fietste van in het derde middelbaar langs dezelfde weg. Er is nog een landelijke weg binnendoor naar school, maar ik verbood mijn kinderen om langs daar te fietsen. De locals gebruiken die smalle straat zonder fietspaden als sluipweg. Op zaterdag is Lochristi een ramp en ik geef toe dat wij dan ook wel eens langs binnen rijden om de file te vermijden. Op de sluipweg wordt nooit gecontroleerd en sommigen rijden er als gekken. Ik beschouwde de Antwerpsesteenweg met zijn fietspaden als de veiligste manier om naar school te fietsen. Een vreselijke vergissing. Maanden na Nikita’s ongeval hebben ze de verkeerslichten aan dat kruispunt aangepast. Als de fietsers groen hebben, is het nu voor alle auto’s rood. De plannen om er een conflictvrij kruispunt van te maken, lagen al jaren op tafel. In het jaar van Nikita’s geboorte zijn ze daarover beginnen palaveren omdat er zoveel ongevallen gebeurden. Mijn dochter is niet het eerste dodelijke slachtoffer. Er is nog een jongen van dertien doodgereden die voor de eerste keer met de fiets naar school ging.”

 

Nikita is aangereden door een vrachtwagen?

Kathy Deweweire: “Het was geen dodehoekongeval. De trekker zonder aanhangwagen stond achter twee andere auto’s voor het rood licht. Het licht sprong op groen, de auto’s reden door, Nikita kwam aangefietst en wat deed die meneer? Hij sloeg gewoon af, zonder te vertragen, zonder te kijken. De man reed voor een bedrijf gespecialiseerd in hijswerkzaamheden. Achteraf kwamen we te weten dat ze met twee vrachtwagens onderweg waren. De andere stond al achter de hoek te wachten. Onze hypothese is dat de chauffeur snel zijn collega wou volgen en dat hij erop gokte dat hij Nikita nog kon voorbij steken.”

 

Dus moet hij haar gezien hebben?

Kathy: “Ja. Het parket heeft dat ook bevestigd en het is gefilmd. Hij heeft haar echt wel gezien. Een taxichauffeur die aan de overkant stond, legde een verklaring af. Hij is de enige; de rest reed gewoon door. Hij zei dat Nikita op een normaal tempo op het fietspad reed, dat ze niets verkeerd deed en dat die vrachtwagenchauffeur haar zag aankomen. Maar die man gaf volle gas. Een verpleegster van het Wit-Gele kruis stond te wachten voor het rood. Samen met nog iemand anders heeft zij Nikita proberen reanimeren. Te laat. De getuige aan de overkant had haar horen roepen. De chauffeur heeft zogezegd niets gehoord en dacht dat hij over een hobbel reed. Onbegrijpelijk.”

 

Heeft de chauffeur contact met jullie gezocht?

Kathy: “Nee. Geen spijt, geen brief, niets. Hij heeft de hulpdiensten niet gebeld, is niet naar Nikita gaan kijken maar belde wel zijn baas. Na vijftien dagen mocht hij terug zijn rijbewijs gaan halen. We hebben gehoord dat hij de dag nadien al terug aan het werk mocht in het magazijn van dat bedrijf. Hij heeft zelf kinderen en kleinkinderen.

“De dag na het ongeluk stapte iemand van slachtofferhulp hier binnen met de woorden: ‘De bedrijfsleider wil met je spreken omdat hij ook een dochter van die leeftijd heeft.’ Ik had net gehoord dat hij zijn chauffeur in dienst hield. Ik zei: ‘Zou hij die man ook in dienst houden als hij zijn dochter had doodgereden?’ Moest slachtofferhulp ons een jaar later gevraagd hebben of we die man wilden ontmoeten, had ik misschien anders gereageerd. Maar met zo’n voorstel kom je toch niet de dag nadien af? We hebben daarna nooit nog iets van slachtofferhulp vernomen. Geen woord.”

 

Hoe hoorde u die maandag wat uw dochter was overkomen?

Kathy: “Om twintig na elf belde een vriendin. ‘Er is een dodelijk ongeval gebeurd. Zijn al je kinderen op school?’, vroeg ze. ‘Ja.’ Nikita moest om half elf in de klas zijn en er had niemand gebeld. Ik was er dus vrij zeker van dat alles oké was. Voor alle zekerheid belde ik toch maar naar het schoolsecretariaat. Net op dat moment rinkelde de deurbel. Mijn man deed open. ‘Het is de politie’, zei hij. Ik ben beginnen roepen en ik viel neer met de telefoon nog in mijn hand.

“Mijn man wou Nikita zien omdat hij niet kon geloven dat het om zijn dochter ging. Met slachtofferhulp ging ik onze andere kinderen halen. Ik belde vrienden en familie; vandaag weet ik eigenlijk niet meer wie ik precies gebeld heb. Op een bepaald moment, ik was nog op school bij de andere kinderen, kwam er telefoon dat Nikita daar weg moest omdat het onderzoek was afgesloten. Dus moest er snel een begrafenisondernemer gezocht worden.”

 

Dat soort van beslissingen moesten jullie die maandagochtend nemen?

Kathy: “Ja, en zowat alles liep natuurlijk in het honderd. Zo hadden we ons trouwboekje nodig om het overlijden aan te geven, maar ik wist niet meer waar dat lag. Een paar weken later pas viel mijn frank: het lag hier gewoon in de kast. Gelukkig hadden we een uitstekende begrafenisondernemer die de juiste beslissingen nam in onze plaats.”

 

Hoe ging u verder met uw leven?

Kathy: “Niet. Nog steeds niet. Ons leven is gestopt die maandag. Ik kan niet meer functioneren. Ik sta op voor de andere kinderen terwijl ik liefst een hele dag in bed zou blijven liggen. We waren altijd zo voorzichtig. Als onze oudste kinderen uitgingen, brachten we ze en gingen we ze halen. Weet u wat me zo kwaad maakt? Dat er al zoveel ongelukken aan dat kruispunt geweest zijn. Jef Vermassen is onze advocaat. Wij willen iedereen die schuld heeft aan Nikita’s dood laten boeten. Zowel politici als overheidsdiensten zoals het Agentschap Wegen en Verkeer. Ze schuiven de schuld op elkaar af: Wegen en Verkeer steekt het op Gent, de stad steekt het op Wegen en Verkeer. De burgemeester van Destelbergen kwam ons condoleren. Hij zei: ‘Ik moest je ook het medeleven betuigen van de Gentse burgemeester Daniël Termont.’ Ik heb hem gezegd dat hij het mag teruggeven. Slechts één politicus stuurde ons een brief: schepen van Mobiliteit Filip Watteeuw. Van al de rest hoorden we niets, maar op 5 maart wilden ze wel allemaal naar de wake aan het kruispunt komen. Ze hebben zestien jaar tijd gehad om hun werk te doen; ik wou niet dat ze de schijnheilige kwamen spelen.

“Deze zomer hoorde ik minister van Mobiliteit Ben Weyts met een smile tot achter zijn oren verklaren dat de straf voor dierenmishandeling opgetrokken wordt tot zes maanden effectief. Ik was zo kwaad, want degenen die verantwoordelijk zijn voor de dood van mijn dochter wordt geen strobreed in de weg gelegd. Weet u wat de perfecte moord in België is? Rij iemand dood. Je wordt er toch niet voor bestraft. Ik mailde Ben Weyts met de vraag hoe zoiets mogelijk is. Op het einde van zijn antwoord stond: ‘We wensen je nog een fijne deugddoende vakantie.’ Hoe kan je zoiets schrijven? Ik ben mijn kind kwijt.”

 

Kuurne, Ringlaan en Brugsesteenweg

Op 2 september om vier uur stipt hielden 250 mensen twee minuten stilte op het kruispunt van de Ringlaan en de Brugsesteenweg in Kuurne, bijgenaamd het ‘kruispunt des doods’. Initiatiefnemer was verontwaardigde burger Christophe Vanderplancke. Aanleiding: het dodelijke ongeval op 18 juli van de 64-jarige fietsster Ludwine Louncke. Drie jaar eerder, op 23 april 2015, werd de toen 17-jarige fietser Joeri Verbeeck er ook gegrepen door een vrachtwagen. Hij overleefde, maar verloor een arm en een oog. Samen met zijn ouders Tony Verbeeck en Martine Demely woonde hij de stille wake bij, net als Ludwine Louncke’s nichtje Sanne Derveaux. “Het was de laatste keer dat ik aan dat kruispunt passeerde”, zegt zij. “Ik mijd het als de pest. Mijn moeder is vroeg gestorven en tante Ludwine was mijn tweede mama. Zij kon zelf geen kinderen krijgen en ontfermde zich over mij. Die bewuste 18e juli was ze ’s morgens met de fiets op weg naar het winkelcentrum Ring Shopping. Een paar uur voor haar dood had ik haar nog aan de telefoon. Mijn tante was voor haar leeftijd nog erg kwiek. Ze kwam tegen een stevig tempo aangefietst en de chauffeur kon haar niet zien. Ze zat in zijn dode hoek. Die man treft dan ook geen schuld.”

Christophe Vanderplancke: “Een half jaar na het ongeval van Joeri Verbeeck in 2015 organiseerde ik een benefiet. Bewindvoerders beloofden ons toen dat er snel aanpassingen aan het kruispunt doorgevoerd zouden worden. Joeri’s ouders Tony en Martine stonden er bij toen die beloftes gemaakt werden. Vandaag is er zo goed als niets gebeurd. De dag dat Sanne’s tante Ludwine verongelukte, was ik in de buurt van het kruispunt aan het werk. Er kwam toen heel wat woede bij mij naar boven. Ze zijn er even met een rode pot verf in de weer geweest, maar verder is er in al die jaren niets veranderd. Daarom hielden we op 2 september die wake. ”

 

Joeri, wat gebeurde er precies op 23 april 2015?

Joeri Verbeeck: “Ik was met mijn fiets gestopt voor het rode verkeerslicht. Het licht sprong op groen en ik wou rechtdoor rijden. Een vrachtwagenchauffeur had me niet gezien. Hij draaide rechtsaf, ik zag hem dichterbij komen en ik draaide mee. Tot ik geen plaats meer had, onder de vrachtwagen terechtkwam en zeshonderd meter werd meegesleurd. Ik ben niet boos op de chauffeur, maar als hij mij gezien zou hebben, was het waarschijnlijk anders gelopen. Ik denk vaak: als hij op tijd had kunnen remmen, was ik er niet zo gehavend uitgekomen. Al heeft dat gepieker geen zin; de tijd kunnen we toch niet terug draaien.”

 

Hoe lang heeft de revalidatie geduurd?

Joeri: “Die is nog steeds bezig. Ik ben een oog kwijt, een arm, en een paar vingers van mijn andere arm. Mijn pols staat scheef, maar dat was voor het ongeval ook al zo, van toen ik op mijn zestiende domme toeren uithaalde. (lacht) Toen was ik nog een tiener; nu ben ik twintig en heb ik de jaren van verstand.”

 

Tony en Martine, hoe herinneren jullie je die bewuste donderdag in de lente van 2015?

Tony Verbeeck: “We waren allebei thuis. De bel ging en er stonden twee agenten voor de deur. ‘Mogen we binnenkomen?’, vroegen ze. Ik vond dat raar, maar ze bleven aandringen. Toen vertelden ze dat Joeri betrokken was bij een dodehoekongeval. De grond zakte onder mijn voeten weg.”

Martine Demely: “Ik riep: ‘Ik wil Joeri niet kwijt!’”

Tony: “Ik bleef heel kalm; de weerbots kwam later. De agenten zeiden dat Joeri zijn rechterarm kwijt was en dat hij nog andere zware kwetsuren had. Ze vroegen of we onze zoon wilden zien. Diezelfde avond reden we naar de spoed in Kortrijk. Joeri was volledig omzwachteld. We mochten een tijdje aan zijn bed doorbrengen. Ze kregen het bloed niet gestelpt.”

Martine: “Joeri moest meteen overgebracht worden naar het UZ in Gent.”

Tony: “Daar stonden in het operatiekwartier een paar chirurgen klaar om zijn leven te redden. Zeventien uur duurde die operatie, tot vrijdagnamiddag vijf uur.”

Martine: “Toen mochten we hem vijf minuten zien.”

 

Werden jullie goed opgevangen?

Martine: “Zeker. De politie pakte alles heel professioneel aan en we kregen ook psychologische bijstand. De mevrouw van slachtofferhulp heeft ons enorm geholpen. De dag na Joeri’s operatie reed ze zelfs met ons naar Gent.”

Joeri: “Toen ik wakker werd, wist ik van niets. Ze mochten me niet alles in een keer vertellen. Eerst zeiden ze: ‘Je bent gevallen met de fiets.’ Een paar maanden later hoorde ik: ‘Het was toch een beetje erger. Je bent je oog kwijt.’ Dat kwam hard aan. Na verloop van tijd besloot ik terug te vechten. Ik dacht: ‘Ik kan toch niet blijven treuren?’ Ik heb toen ‘foert’ gezegd en nam mijn leven in handen. Ik wist dat de revalidatie moeilijk zou worden, maar er was geen alternatief. Ik heb aanvaard wat er gebeurd is.”

 

Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

Martine: “O ja, op sommige dagen zit Joeri in de put. Onze oudste zoon Stijn had het heel lastig met dat ongeval. Onze dochter Femke is drie jaar jonger dan Joeri; zij leek het makkelijker te verwerken.”

Tony: “Joeri zweefde 96 uur tussen leven en dood. Stijn ziet er nog steeds vreselijk van af, maar toen zei hij: ‘Mijn broer ligt in het ziekenhuis en de wereld draait door.’ Dat klinkt cru, al is het wel waar.”

Martine: “Na het ongeval bleef ik twee jaar thuis. Anderhalf jaar geleden begon ik terug te werken. Ons leven is compleet veranderd. De ochtendroutine draait nu helemaal rond Joeri. Elke dag komen er verpleegkundigen langs. De eerste vijf maanden mocht hij niet naar huis, daarna ging hij elke dag revalideren in Gent. Nu is dat nog drie keer per week.”

Joeri: “Voor mijn ongeval droomde ik ervan om zelfstandig meubelmaker te worden. Ik was ook een fervent voetballer. Twee jaar en een half kon ik niet naar school, al kreeg ik wel les in het ziekenhuis. Nu zit ik twee dagen per week terug op de schoolbanken. Als ik in het UZ in Gent ben, krijg ik ook nog een uur per dag les.”

 

Wat zijn je toekomstplannen?

Joeri: “Eerst stage lopen en dan ergens gaan werken. In mijn vrije tijd speel ik Playstation, of ga ik wandelen met mijn hond. Ik sluit me niet op en spreek vaak af met vrienden. Geen enkele vriend of vriendin heeft me laten vallen.”

 

Ga je naar een psycholoog?

Joeri: “Voorlopig niet meer. Er kwam lang een psychologe langs, maar ik heb het gevoel dat het nu zonder lukt.”

Tony: “Er is ook aan ons gevraagd of we psychologische hulp nodig hadden. We hebben dat vriendelijk afgewezen, want Martine en ik hebben enorm veel steun aan elkaar.”

Martine: “Sommige koppels gaan er aan ten onder als er iets ergs met een van hun kinderen gebeurt. Wij zijn er sterker uitgekomen.”

Tony: “We zaten op Joeri’s ziekenhuiskamer toen iemand van de sociale dienst langskwam. Haar eerste vraag was: ‘Komen jullie goed overeen?’ We keken haar verbaasd aan. ‘Natuurlijk.’ Ze zei: ‘Veel koppels gaan uit elkaar omdat ze het niet kunnen verwerken of er niet met elkaar over kunnen spreken.’”

 

Zocht de vrachtwagenchauffeur contact met jullie?

Tony: “Hij is ons een keer komen opzoeken. Hij is Franstalig en ons Frans is niet bijster goed; communiceren was niet vanzelfsprekend. Die mens zat in de zetel en zweeg, terwijl hij zag wat hij had aangericht.”

Martine: “Hij kwam langs op vraag van Joeri’s psychologe. Het is bij die ene keer gebleven. Alle latere verzoeken wees hij af.”

Tony: “Ik denk dat hij de confrontatie niet aankon. Ook de zaakvoerder van de transportfirma waar hij voor rijdt, is ons komen opzoeken. Ik vind het heel goed dat die mensen begrip tonen, alleen verandert het niets aan de aangerichte schade.”

Christophe Vanderplancke: “Voor die chauffeur moet het ook heel moeilijk zijn, want wie treft bij een dodehoekongeval schuld?”

 

Ja, wie?

Sanne Derveaux: “De infrastructuur. In het geval van Joeri en van mijn tante Ludwine zijn de schuldigen: de gemeente, het Vlaamse gewest en de provincie West-Vlaanderen. De Ringlaan is een gewestweg en de Brugsesteenweg een gemeenteweg.”

Tony: “De provincie zegt zus, het gewest zegt zo en de gemeente roept nog iets anders. Ondertussen gebeurt er niets. Waarom wordt de bevoegdheid over de wegen niet aan één instantie gegeven? Het is toch hartverscheurend dat er door dat jarenlange gekissebis zoveel slachtoffers moeten vallen?”

Christophe: “De regionale overheid schuift de hete aardappel door naar de lokale. Zij wijst op haar beurt met een beschuldigende vinger naar de eigenaar van een winkel die moeilijk doet over de onteigening van een paar parkeerplaatsen. Zo wimpelen onze politici hun verantwoordelijkheid af en schuiven ze alle schuld in de schoenen van die winkeleigenaar.”

Tony: “Weet u dat dit kruispunt des doods officieel pas sinds 18 juli erkend is als ‘zwart kruispunt’ terwijl er de voorbije vijf jaar meer dan 200 ongevallen plaatsvonden?”

Sanne: “Mijn tante moest er eerst doodgereden worden.”

 

Wat moet er gebeuren om dit kruispunt veiliger te maken?

Christophe: “Er zijn plannen om het fietspad te verleggen, met een apart verkeerslicht voor fietsers. Een echte oplossing is dat niet; de gevaarlijke punten worden dan verplaatst.”

Sanne: “In 1976 werden er al plannen gemaakt om dit kruispunt te overkappen.”

Christophe: “Daar is nooit iets van in huis gekomen en in plaats van de meest gevaarlijke kruispunten op de Ringlaan aan te pakken, zijn ze de relatief veilige stukken beginnen vernieuwen.”

Sanne: “Waarom wordt er niet voor gezorgd dat fietsers en voetgangers kunnen oversteken op het moment dat alle auto’s stilstaan? De meeste kruispunten in Nederland zijn conflictvrij, waarom lukt dat bij ons niet? Blijkbaar zijn zelfs die simpele ingrepen te duur en passen ze niet binnen het bestaande budget. Maar mijn tante is niet de enige dode. Waarom zijn budgetten belangrijker dan mensenlevens?”

Christophe: “Er zijn aan dit kruispunt werken voorzien voor februari 2019. Intussen kan er elk moment een nieuw slachtoffer vallen, want dagelijks passeren er honderden fietsers. Als er tegen maart niets veranderd is, volgen er nieuwe acties. Dan zal het geen stille wake zijn. ‘Minister van Mobiliteit Ben Weyts heeft zijn handtekening gezet’, hoor ik dan. Prima, maar ik kan ook veel papieren tekenen, hoor.”

 

(c) Jan Stevens