In de VS kennen ze Ingrid Daubechies als een van de grootste wiskundigen van deze tijd. Bij ons herkennen sommige Limburgers haar achternaam als die van een uitkijkpost bovenop een toren. Terwijl het dankzij haar is dat u uw selfie vanop die toren op Facebook kunt plaatsen. Nastreven van macht, is aan haar niet besteed. “Ik wil geen verzuurde, wantrouwige prof worden en werk liever wereldwijd samen met anderen.”

 

Sinds het najaar van 2012 kunnen de inwoners van Houthalen-Helchteren vanop de hemelsblauwe toren van hun futuristische nieuw administratief centrum hun eigen woonplaats bewonderen. Het uitkijkpunt bovenop de toren heet ‘Het Oog van Daubechies’, als eerbetoon aan één van de nog levende beroemdste inwoners van de gemeente. Alleen weet zo goed als niemand in Houthalen-Helchteren en verre omstreken wie die illustere ‘Daubechies’ dan wel mag zijn. In de Verenigde Staten daarentegen kennen ze Ingrid Daubechies (62) als een van de grootste nog levende wiskundigen. Van 1991 tot nu is ze verbonden aan gerenommeerde Amerikaanse universiteiten: eerst Rutgers, dan Princeton en last but not least Duke university. De Amerikanen beschouwen haar al lang als one of them. Dankzij Daubechies’ vernuftige rekenwerk kunnen u en ik naar hartenlust Instagrammen en Netflixen. Haar belangrijkste verwezenlijking tot hiertoe is de ‘Daubechies wavelet’, een wiskundige beschrijving van een golfbeweging die gebruikt wordt voor beeldcompressie. Voor de nerds onder u: haar theoretische werk vormt de basis voor JPEG 2000. Die compressiestandaard voor digitale beelden zorgt ervoor dat het wereldwijde web niet fataal crasht onder het gewicht van de miljarden terrabytes aan foto’s die elke dag worden geüpload.

“Ook zonder mijn werk kun je hoogstwaarschijnlijk nog naar een reeks op Netflix kijken of foto’s via internet versturen”, zegt ze bescheiden. “Al klopt het wel dat voor beldcompressie meestal JPEG 2000 gebruikt wordt. Maar digitale beelden kunnen ook nog op andere manieren gecomprimeerd worden. Alleen bleek de methode die op mijn werk gebouwd is, de meest efficiënte te zijn. Ik vermoed dat andere wetenschappers me ‘invloedrijk’ vinden door mijn denkwerk over wavelets.”

 

Wat heeft u dan precies bedacht?

Ingrid Daubechies: “Ik heb een wiskundig kader uitgetekend om signalen en beelden te ontbinden. Dat klinkt theoretisch, maar die methode maakt wel zeer interessante toepassingen mogelijk, zoals die beeldcompressie voor het internet. Mijn verdienste is vooral dat pure wiskundige model, al verloor ik tijdens het denken en puzzelen nooit mogelijke praktische toepassingen uit het oog. Heel wat collega’s twijfelden eraan of mijn bevindingen verenigbaar waren met wat al bestond. Ik slaagde erin alles aan elkaar te koppelen en heb dat ook helemaal uitgewerkt. Ik was zo blij toen ik merkte dat ik op het juiste spoor zat; dat gaf me een echte kick.”

 

Had het iets verslavends?

Daubechies: “Wiskunde is altijd verslavend. (lacht) Na weken van steeds intenser puzzelen zie je plots tòch iets. Is dat niet fantastisch? Je vindt jezelf dan zo dom omdat je het niet eerder doorhad. Dat zorgt voor een zalige voldoening waar ik altijd lang van probeer te genieten.”

 

Voor een rekenkundige nitwit zoals ik lijkt wiskunde iets gigantisch abstracts.

Daubechies: “Dat is het ook. Iedereen, ook u, denkt abstract. We zijn daar zo aan gewend geraakt, dat we er niet meer bij stilstaan. Zo vinden wij het heel gewoon dat een getal nauwkeuriger wordt, naarmate we meer cijfers achter de komma schrijven. Griekse wiskundigen konden dat amper bevatten: zij vonden dat principe ongelooflijk moeilijk en abstract. Terwijl onze kinderen dat bij wijze van spreken al spelend leren op de lagere school. Wiskundigen zoals ik vinden kaders uit en bouwen verder op wat hun voorgangers ontwikkeld hebben. Heel wat van dat louter abstracte werk dient later als basis voor veel praktische zaken.”

 

Is wiskunde voor u ook een manier om zin in uw leven te brengen of er zin aan te geven?

Daubechies: “Iedereen wil zin aan zijn leven geven, maar ik weet niet of één welbepaalde discipline zoals de wiskunde daarvoor volstaat. Mijn werk is voor mij heel zinvol, maar niet alleen omdat ik er intellectueel voldoening uit haal. Ik vind het even zinvol om les te geven en doctoraatsstudenten te begeleiden en te helpen bij de uitbouw van hun carrière. Mijn leven is veel meer dan enkel dat theoretische onderzoek. Artikels schrijven vormt voor u toch ook niet de kern van uw bestaan? Het is toch enkel een manier om geld mee te verdienen? Ik verdien mijn brood met toegepaste wiskunde. Ik beleef ontzettend veel plezier aan mijn werk en ik word er nog voor betaald ook. Als ik er niet van zou kunnen leven, deed ik waarschijnlijk iets anders.”

 

U kunt zich dus een bestaan zonder wiskunde indenken?

Daubechies: “Dat nu ook weer niet. (lacht) Ik ben ondertussen al zo lang met wiskunde bezig, dat ik het best wel zal missen als het ooit stopt. Ik vraag me continu af hoe de dingen in elkaar zitten. Als ik merk dat er iets niet helemaal klopt, denk ik: ‘Tiens, hoe kan dat nu?’, waarna ik op zoek ga. Mijn vrienden en kinderen vinden dat ik daar een tikkeltje in overdrijf, maar zo zit ik nu eenmaal ineen.

“Of de wiskunde me gelukkig maakt? Het grootste deel van de tijd voel ik me momenteel gelukkig dankzij de medicatie. Ik kamp met chronische depressie, mijn leven verloopt daardoor niet altijd even voorspoedig. Ik mag blij zijn dat de dokters de antidepressiva gevonden hebben die mij helpen. Die medicatie zorgt voor een wereld van verschil. Maar ik ontdekte die pillen pas op mijn veertigste, want ik was opgevoed in de overtuiging dat depressie aan mezelf lag, aan mijn persoonlijkheid.”

 

Omdat u zogezegd een zwakkeling was?

Daubechies: “Precies. Dus begon ik laat aan medicatie, en enkel op voorwaarde dat ik er na een tijd mee kon stoppen. Twee jaar later was ik beter en bouwde ik onder begeleiding van de dokter de pillen af. Drie maanden nadat ik gestopt was, zat ik weer op de bodem van die gitzwarte put. Ik ben terug antidepressiva beginnen innemen en zei tegen mezelf: ‘Dit nooit meer.’ Sindsdien slik ik elke dag mijn pil. Ik praat vrijuit met mijn studenten over mijn depressie en wil hen zo sensibiliseren. Ik vertel hen dat ze een periode tegemoet gaan waarin ze keihard zullen werken, en dat het dan soms emotioneel lastig kan zijn. Want als je problemen probeert op te lossen en de oplossingen niet vindt, voel je je niet goed in je vel. Ik zeg tegen mijn studenten dat ze hulp moeten zoeken van zodra ze bij zichzelf merken dat er iets serieus aan het misgaan is. Ook dat is invloed uitoefenen.”

 

Is invloedrijk zijn in uw vakgebied hetzelfde als er macht in hebben?

Daubechies: “Ik vind dat toch heel verschillende dingen. Ik gebruik mijn invloed om mensen ervan te overtuigen dat wiskunde iets goed en nuttig is, en dat het belangrijk is dat kinderen het op school te leren krijgen. Vooral voor kansarmen kunnen de wetenschappen een opstap zijn naar een beter bestaan. Ook wie in de wetenschap niet tot de absolute top behoort, kan er goed zijn brood mee verdienen. Dat is toch anders in de wereld van de sport of het entertainment. Veel jonge mensen in de getto’s in Amerikaanse steden dromen van een carrière in het basket of op tv. Maar enkel de toppers boeren goed; voor alle anderen is het huilen met de pet op.

“Ik gebruik mijn invloed om het wiskundeniveau in het onderwijs in ontwikkelingslanden op te krikken. Alleen zo kunnen we vermijden dat de beste studenten wiskunde er door buitenlandse universiteiten weggeplukt worden. Want misschien groeien ze uit tot uitstekende wiskundeleraars die op hun beurt ingenieurs helpen opleiden die het land welvarender maken. Maar macht heb ik nooit nagestreefd en ik ben helemaal geen machtsmens. Ik leg niemand iets op; ik streef consensus na.”

 

Bent u ooit gevraagd door de Facebooks en Googles van deze wereld om bij hen te komen werken in ruil voor veel geld?

Daubechies: “Ik heb voorstellen van headhunters gekregen, maar ben daar nooit op ingegaan. Een aantal van mijn studenten werkt nu wel bij Google, Twitter én Facebook. Ik probeer al mijn studenten ertoe te bewegen om het beste uit zichzelf te halen. Ze zijn allemaal zo verschillend en sommigen hebben schitterende carrières uitgebouwd. (Trots:) Studenten van mij zijn nu prof aan de universiteiten van New York, Michigan, British Columbia, Austin, California. Op heel wat plaatsen zitten oud-studenten. Ik heb meer dan dertig doctoraatsstudenten begeleid. Dat is ook een vorm van invloed.”

 

Werkt u rechtstreeks samen met bedrijven?

Daubechies: “Ik heb daar geen bezwaar tegen, maar zelf ben ik niet actief als consultant. Ik verdien genoeg aan de universiteit en hoef dus niet te schnabbelen. Die paar keer dat ik me wel tot consulting heb laten verleiden, was puur uit interesse over het vraagstuk. Ik moet niet rijk zijn en wil niet gedreven worden door winstbejag. Ik heb nooit een patent op mijn vondsten genomen omdat ik nooit zelf van plan was om een bedrijf op te richten. Een patent is ideaal om je nieuwe idee te beschermen terwijl je een onderneming uit de grond aan het stampen bent. Maar ik heb nooit die ambitie gevoeld om als prof ook ondernemer of manager te worden, want dan volstaan niet langer enkel mijn ideeën, maar moet ik ook mensen aannemen en ontslaan. Ik kan niemand aan de deur zetten; ik kweek daar een maagzweer van.”

 

U hebt het patent niet links laten liggen uit ‘ideologische overwegingen’, omdat u vindt dat patenten een rem op de wetenschappelijke ontwikkeling zetten?

Daubechies: “In sommige gevallen remmen patenten zeker de wetenschap af, maar in de wiskunde hebben patenten sowieso niet veel zin omdat ze altijd wel te omzeilen zijn. Het is moeilijk om een patent op een wiskundig idee zo te schrijven dat heel dat idee integraal beschermd wordt. Er zijn collega’s die dat ooit geprobeerd hebben, maar ze kwamen zo goed als altijd van een kale reis terug. Ik wil niet de rest van mijn leven met haviksogen zitten toekijken of iemand mijn patent zonder betalen probeert te recupereren. Ik wil geen verzuurde, wantrouwige prof worden en werk liever wereldwijd samen met anderen. Dat is soms heel aangenaam, zeker als je elkaar wat beter leert kennen en het is gewoon ook veel efficiënter. Mensen denken op verschillende manieren en al die denkwijzen samen leveren vaak schitterende resultaten op.”

 

Een wiskundige bolleboos zoals u zit dus niet de hele dag opgesloten in zijn of haar eigen hoofd?

Daubechies: “Dat geldt zeker niet voor mij en ik merk dat ook jongere wiskundigen graag uit hun cocon breken. In het verleden was het zeker zo dat wiskundigen hun wetenschappelijke artikels in hun eentje schreven; vandaag zie ik steeds meer wiskundeartikels verschijnen ondertekend door meerdere auteurs. Bovendien is het mijn ervaring dat wiskundigen veel meer met elkaar praten en elkaars domein beter kennen dan humanisten. Een academicus die gespecialiseerd is in 17de-eeuwse Duitse poëzie weet totaal niks over 15de-eeuwse Duitse poëzie. In de wiskunde is zoiets onvoorstelbaar. Collega’s uit de letteren en wijsbegeerte zijn einzelgangers. Samenwerken vinden ze des duivels. Ze zeggen dan: ‘Wij leggen een persoonlijke intellectuele weg af.’ Tja, dat geldt ook voor ons: wij, wiskundigen, leggen ook ‘intellectuele wegen’ af. Natuurlijk loopt een deel van mijn weg door mijn hoofd, maar dat neemt niet weg dat ik erover kan praten met anderen.”

 

Zijn er nog veel mensen met wie u over de finesses van uw werk kunt praten? Want u zit op zo een hoog niveau dat ik me kan voorstellen dat niet alle collega’s nog met u mee zijn?

Daubechies: “Met mijn studenten kan ik er nog altijd over praten, hoor. In een gezelschap van niet-wiskundigen voel ik nooit de behoefte om over mijn werk te beginnen. Ik luister graag naar wat zij mij te vertellen hebben, dan leer ik nog iets bij. Wat ik weet, weet ik. Daar hoef ik niet meer over uit te wijden.”

 

Wordt het niet moeilijker om de lat steeds hoger te leggen?

Daubechies: “Ik leg de lat niet hoger; ik zoek gewoon andere problemen en leg nieuwe latten om over te springen. Op dit moment zoek ik wiskundige oplossingen voor verschillende problemen die soms heel praktisch van aard zijn. Zo werk ik samen met paleontologen aan een geautomatiseerde manier om beenderen en tanden met elkaar te vergelijken. In hun dagelijks werk verliezen die paleontologen veel tijd aan meten en berekenen. Als we erin slagen om hun saaie werk te automatiseren, hebben zij meer tijd vrij voor creatieve research. Ik werk ook nauw samen met kunsthistorici en museumconservatoren rond de analyse van oude schilderijen met digitale beeldverwerkingstechnieken. Ik investeer ook nog flink wat tijd in een paar zuiver wiskundige projecten, maar ik ben bang dat ik die niet uitgelegd krijg aan iemand die van wiskunde geen kaas gegeten heeft. (lacht)”

 

Wanneer wist u dat uw toekomst in de wiskunde lag?

Daubechies: “Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in hoe alles ineen steekt en in het maken van berekeningen. Zolang ik me kan herinneren, vraag ik me af waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Als kind redeneerde ik al door, en dat had niet altijd met wiskunde te maken.”

 

U redeneert door over alle aspecten van het leven?

Daubechies: “Ja, tenminste over die aspecten van het leven waarvan de feiten helder zijn. Mijn sociale intelligentie is iets minder dan gemiddeld, denk ik. Ik heb niet altijd door wat de drijfveren van mensen zijn als ze het niet zeggen.”

 

U merkt de verborgen agenda’s niet altijd?

Daubechies: “Nee. Voor iemand die in de academische wereld werkt, is dat soms heel vervelend. Want er is blijkbaar toch wel wat nijd en afgunst. Heel af en toe krijg ik in de gaten dat iemands bedoelingen niet helemaal koosjer zijn; dan stap ik meteen op om me met iets zinvols bezig te houden.”

 

Voelt u zich in Amerika als een vis in het water?

Daubechies: “Ik ben Amerikaans staatsburger en heb de dubbele nationaliteit. Ik breng hier ook mijn stem uit. Ik vind de Amerikaanse politiek erg belangrijk en tegenwoordig ook zeer verontrustend. Tijdens de laatste presidentsverkiezingen voerde ik actief campagne voor Hillary Clinton. Meer mensen stemden voor Hillary dan voor Donald Trump, en toch verloor ze. Weet u wat ik het stuitendste vond? Al die misprijzende en haatdragende taal die de hele tijd tijdens de campagne gespuid werd. Dat heeft mij diep geschokt, ik ben er nog altijd niet goed van.

“Ik ben opgegroeid in Houthalen en heb een andere ingesteldheid dan de Amerikanen die hier geboren en getogen zijn. Ik groeide op in een klein land dat geprangd ligt tussen een heleboel andere landen. Amerikanen zijn het gewoon om burger te zijn van een immens rijk. Hun ingesteldheid is anders. Soms mis ik het het gewone Belgisch dagelijkse leven en ik mis ook sommige vrienden. Mijn allereerste verblijf in de VS duurde twee jaar, om er te werken aan mijn postdoc. Toen ik naar België terugkeerde, beleefde ik een cultuurschok. Ik ontdekte dat het leven in Amerika me beter leek te bevallen dan het Belgische waarmee ik was opgegroeid. Ik voelde me niet echt meer thuis in mijn eigen land. Het leek alsof ik in de VS écht uit de baarmoeder gekropen was. Moest elke prille twintig voor een paar jaar naar een andere plek in de wereld verhuizen, zouden er nu een pak minder problemen zijn. Want mensen zouden zich veel makkelijker kunnen inleven in de situatie van iemand anders.”

 

Keert u ooit terug naar België?

Daubechies: “Ik denk het niet. Voorlopig stop ik niet met werken, want ik heb een grand die pas afloopt op mijn 67e. Mijn twee kinderen wonen hier, mijn zoon is pas getrouwd, mijn kleinkinderen zullen in Amerika leven, dus blijf ikzelf hoogstwaarschijnlijk ook. Mijn hart ligt bij mijn gezin en niet in een of ander land.”

 

(c) Jan Stevens

Sinds 2009 trekt de gepensioneerde Duitse dominee Renate Ellmenreich (67) zich het lot aan van Nigeriaanse vrouwen wier man vermoord is door Boko Haram. Met haar organisatie Widows Care bouwt ze huizen voor de weduwen en helpt ze hen met het opstarten van hun eigen zaak. “Ik kan de wereld niet veranderen, maar ik kan wel proberen iets voor hen te betekenen.”

renate el

Pfarrerin Renate Ellmenreich is net terug uit Nigeria. De dominee ontvangt ons in haar flat in het gerenoveerde Oberförstereigehöft, het grote oude boswachtershuis van het pittoreske dorp Joachimsthal. Het huis kijkt uit over het Grimnitzmeer. Zeventig kilometer zuidwaarts ligt Berlijn; dertig kilometer oostwaarts de Poolse grens. “Dit is een heel bijzondere plek”, zegt ze. “Vroeger woonde in dit huis de boswachter van de Duitse koningen en keizers. Na hen kwamen de presidenten en daarna Hitler en zijn trawanten. Rijksmaarschalk Hermann Göring jaagde hier regelmatig. Ten tijde van de DDR was deze streek ook het favoriete jachtterrein van de Stasi-bonzen. In de jaren voor Die Wende kwam Erster Sekretär Erich Honecker in de bossen rond Joachimsthal twee keer per week het wild afschieten. Vlakbij is een gedenkteken waarop geschreven staat: ‘Op 8 november 1989 schoot Erich Honecker hier zijn laatste hert.’ Dat was één dag voor de muur viel.”

Frau Ellmenreich lacht. Een gereserveerde lach, want het hele interview lang straalt de dominee droeve ernst uit, alsof ze een loodzware last torst. “De toestand in Nigeria is op dit moment verschrikkelijk”, zegt ze bijna verontschuldigend. Op haar bureau staat een klein zwart-witfotootje van een langharige, glimlachende jongeman. Op de vensterbank staat een grote kleurenfoto van een vriendelijk ogende veertiger met kort kastanjebruin haar. De twee mannen uit het leven van Renate Ellmenreich. “Als iemand weet wat het betekent om weduwe te zijn, ben ik het wel. Vandaar dat ik in 2009 de vraag om hulp van de Nigeriaanse weduwen niet kon weigeren.”

Renate’s eerste man Matthias Domaschk stierf op 12 april 1981 in de ondervragingsruimte van de Stasi in de Oost-Duitse stad Gera. “Matthias was pas 23. Hij is de vader van mijn dochter. In 1976 ondertekenden we allebei een petitie tegen de verbanning uit de DDR van protestzanger Wolf Biermann. We waren niet gekant tegen het socialisme, maar voerden vanuit onze christelijke overtuiging actie om de theorie met de werkelijkheid in overeenstemming te brengen. Dat werd door de communistische partijbonzen niet in dank aanvaard. Ze arresteerden Matthias op 10 april 1981 en beschuldigden hem ervan dat hij een partijbijeenkomst in Berlijn wou verstoren. Twee dagen later was hij dood. Volgens de Stasi pleegde hij zelfmoord. Iedereen die Matthias ooit gekend heeft, weet dat dat een leugen is. Ze hebben hem vermoord.”

Een jaar voor Matthias Domaschks dood vluchtte Renate Ellmenreich naar West-Duitsland, nadat hun dochtertje door de geheime politie was gekidnapt en in een weeshuis gedropt. Renate werd dominee in Mainz. In 1993 keerde ze naar Gera terug. Zes jaar lang doorploegde ze er de archieven van de Stasi, op zoek naar wat er die 12e april echt gebeurd was. “De documenten uit de Stasi-archieven zijn opgesmukt en vertellen nooit de waarheid”, zegt ze. “Er staat nooit zwart op wit: ‘Toen gaven we hem het genadeschot.’ Ik sprak met veel betrokkenen, maar iedereen zwijgt. Tot de dag van vandaag zoek ik verder en ik denk dat ik nu eindelijk iets op het spoor ben. Ik hoop tegen volgend jaar de waarheid te kunnen bovenspitten.”

 

Uw tweede man Gunnar Berndsen stierf in de woestijn van Nigeria.

Renate Ellmenreich: “Hij overleed er in mei 2004 als gevolg van een virale infectie. De foto op de vensterbank dateert van een week voor zijn dood. Hij was 48. Ik werkte samen met hem in Nigeria van 1999 tot 2004. We waren uitgestuurd door de Zwitserse evangelische ontwikkelingsorganisatie Mission 21. Ons actieterrein lag in de staat Borno in het noordoosten. Gunnar runde in de stad een open universiteit en ik werkte bij de vrouwen op het platteland. Ik begeleidde hen met de bouw en de opening van nieuwe scholen. In 2000 introduceerde de regering van de staat Borno de sharia. Nigeria heeft 36 staten: de zuidelijke zijn voornamelijk christelijk en de noordelijke moslim. Veel noordelijke staten voerden de sharia in nadat in 1999 de christen Olusegun Obasanjo president van het land werd. In tegenstelling tot zijn voorgangers kwam hij niet uit het leger en dat stond de noordelijke machthebbers niet aan. De meeste leerkrachten op de staatsscholen waren christenen en na de verkiezing van Obasanjo schaften de noordelijke staten de staatsscholen af. De gewone Nigerianen waren het daar niet mee eens. Zij wilden goede scholen voor hun kinderen en het kon hen echt niet schelen of de leerkrachten christelijk of islamitisch waren. In die tijd leefden in de dorpen christenen en moslims nog vreedzaam samen. Ik bouwde samen met hen private scholen waar alle kinderen welkom waren. We kregen geen steun van de overheid, maar het lukte ons toch om in Noord-Nigeria in minder dan vijf jaar vijftig basisscholen te bouwen.”

 

Vijftig?

“Jawel, vijftig. (glimlacht) Tot in de lente van 2004 het noodlot toesloeg en Gunnar stierf. De kerkleiding wou dat ik terugkeerde naar Duitsland, maar ik bleef contact houden met mijn mensen die ik had moeten achterlaten. Boko Haram is in 2002 opgericht in Maiduguri, de hoofdstad van Borno. Ik heb de terreurorganisatie weten ‘geboren’ worden. In 2009 was ik in Maiduguri en zag ik met eigen ogen de ellende die ze er had aangericht. Verschillende van mijn vroegere medewerkers klampten me aan en vertelden over de gruwel. ‘Help ons, Renate.’ De vallei waar ik gewerkt had, was bezet door Boko Haram en de overlevenden waren naar Maiduguri gevlucht. ‘Ze hebben al onze mannen vermoord.’”

 

Enkel de mannen?

“Ja. De vrouwen hadden ze nodig als seksslavin. In de Afrikaanse samenleving stellen weduwen niets voor. Ze hebben geen rechten en worden behandeld als paria’s. Eén uitspraak van een weduwe raakte me midscheeps: ‘Jij was ook weduwe in Afrika. Je weet hoe het is.’ Ze hadden gelijk: ja, ik wist het. Ik kon niet anders dan helpen. Ik weet niet hoeveel tijd me nog gegund is en daarom focus ik me enkel op de weduwen. Ik kan de wereld niet veranderen, maar ik kan wel proberen iets voor hen te betekenen.

“Terug in Duitsland begon ik geld in te zamelen. Ik was toen dominee in Mainz, maar ik was niet de enige: met tien vrouwelijke priesters vormden we één team voor de hele stad. Elke maand hielden we onze Stammtisch. (lacht) We vergaderden dan samen en dronken rode wijn. Tijdens zo’n vergadering kreeg ik telefoon uit Maiduguri. Ik hoorde het machinegeweervuur en de explosies, het was verschrikkelijk. De weduwe aan de andere kant van de lijn weende hartverscheurend. Meteen daarna hebben we de stichting Widows Care opgericht en vervolgens vroegen we de Boko Haram-weduwen zich bij ons te registreren.”

 

Dat zijn er ondertussen meer dan 2.000?

“2.120 om precies te zijn. Een groot deel is van Maiduguri gevlucht naar het duizend kilometer verder gelegen IDP-camp Gurku bij de Nigeriaanse hoofdstad Abuja, waar het relatief veilig is. IDP staat voor: Internally Displaced Persons. In Gurku worden binnenlandse oorlogsvluchtelingen opgevangen. Van elke weduwe weten we waar ze vandaan komt, wat er in haar dorp gebeurd is en hoeveel kinderen ze heeft. De vrouwen moesten toezien hoe hun man door leden van Boko Haram vermoord werd. Zelfs kinderen moesten toekijken hoe hun vader afgemaakt werd. Met één meisje voerde ik zeer lange gesprekken. Ze heet Patience, is pas negentien en is nu voor de tweede keer weduwe geworden. Haar dochter is geboren de dag nadat ze haar tweede man vermoord hebben. In Gurku ben ik de enige blanke die Hausa spreekt. Ik ben dan ook de enige die met de weduwen rechtstreeks kan converseren, want zij spreken geen Engels. Dat zorgt voor een sterke band.”

renate E.2

Hoe vergelijkbaar is Boko Haram met IS?

“De ‘ideologie’ van Boko Haram wortelt in het salafistische jihadisme waar ook IS zijn mosterd haalt, maar de Boko Haram-strijders zijn allemaal arme dompelaars. De meesten sluiten aan omwille van het geld. Boko Haram misbruikt religie om mensen te mobiliseren. In Nigeria raak je zonder religie nergens.”

 

De weduwen waar u voor zorgt, zijn allemaal christenen?

“Ja. In het begin sloten een paar moslimweduwen zich bij Widows Care aan, maar ze werden met de nek aangekeken door mensen uit hun eigen gemeenschap. Toen ik twee jaar geleden in Gurku op bezoek was, sprak een Nigeriaanse vriendin me aan: ‘We hebben vanavond geld nodig, want we kunnen een groot stuk land kopen vlak naast het vluchtelingenkamp. De boer wil ervan af: hij wil centen voor de bruidsschat van zijn zoon. Als wij het niet kopen, komt het in handen van een rijke politicus, een bouwspeculant of een legerofficier.’ Ik belde mijn vrienden in Duitsland, die schoten meteen in gang om geld in te zamelen en de volgende ochtend kochten we dat stuk land. Ik had één voorwaarde: het mocht alleen ten goede komen van de weduwen. We bouwden er zestien huizen. Elk huis kostte 2000 euro en heeft een keuken en een badkamer. We beginnen nu met de bouw van nog eens zestien ‘weduwenhuizen’. Het door ons gerunde vluchtelingenkamp Gurku is een buitenbeentje in Nigeria. Zowat alle IDP-camps hebben zwaar te lijden onder de alom verspreide corruptie. De meeste kampen zijn afgesloten van de buitenwereld uit angst voor een inval van Boko Haram. De inwoners kunnen er niet zomaar in of uit en zijn overgeleverd aan de goodwill van hulpverleners en officials. De meeste kampleidingen verkopen de hulpgoederen die ze van internationale NGO’s krijgen door op de zwarte markt. Op dit moment sterven er kinderen in de kampen van de honger of door gebrek aan zorg.”

 

Worden die kampen dan niet geleid of gecontroleerd door het Rode Kruis of het UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties?

“Nee, alle officiële vluchtelingenkampen zijn in handen van de door en door corrupte Nigeriaanse overheidsorganisatie National Emergency Management Agency (NEMA). NGO’s zoals Artsen Zonder Grenzen, Unicef of het Rode Kruis moeten allemaal via NEMA passeren. Ons vluchtelingenkamp Gurku houden we doelbewust buiten de officiële opvang. De administratie wordt er gevoerd door zowel moslims als christenen. Zo willen we laten zien dat vreedzaam samenleven tussen verschillende religies wél mogelijk is. Vandaag leven meer dan 1.400 mensen in het kamp. Er is een medische post, gebouwd door de Zwitserse ambassade, er is een kerk en een moskee en er is een school. Er is drinkwater, er zijn kleine winkels, het is een leefbare plek met een gloednieuw gastenverblijf. In het weduwenkamp vlak naast dat grote vluchtelingenkamp leven nu honderd vrouwen en kinderen.”

 

Waarom zijn de weduwen geïsoleerd van de rest?

“Omdat ze ’s avonds en ’s nachts geen man willen tegenkomen. Kunt u zich dat voorstellen? Ze hebben omheiningen van stromatten rond hun huizen gebouwd, want ze willen geen mannelijk pottenkijkers en verlangen naar privacy. De meeste weduwen hebben psychologische hulp nodig, maar die is er niet. Een paar oudere dames krijgen hun leven niet terug op de sporen. Ze zijn depressief en komen hun huis niet meer uit. Ze krijgen eten van de andere weduwen, maar hun depressie wordt niet verzorgd. Heel veel lagere schoolkinderen hebben ’s nachts zindelijkheidsproblemen, door de trauma’s die ze hebben meegemaakt. Hun moeders begrijpen het verband niet en reageren boos. Ik probeer hen uit te leggen wat er precies aan de hand is.”

 

De kinderen leven zonder vaders?

“De jongens en meisjes groeien op zonder vaderfiguren. Vooral de grotere jongens hebben het daar lastig mee. Ze worden opstandig, willen niet naar school. Opgroeien met enkel vrouwen is niet gezond. Ze krijgen een vertekend beeld van de samenleving, want natuurlijk zijn er ook goeie mannen in Nigeria én in het grote vluchtelingenkamp. Zo zijn er onder de vluchtelingen leraars die spontaan les beginnen geven in de openlucht, onder de bomen. Ze hebben geen boeken, pennen of papier, maar ze zingen, vertellen en gebruiken handen en voeten.

“De traditie in Nigeria wou dat een vrouw die weduwe werd, hertrouwde met de oudste broer van haar man. Met de aidsepidemie ging die traditie langzaam maar zeker op de schop. Na Boko Haram zijn er in het noorden te veel weduwen en te weinig mannen. Duizenden vrouwen verloren hun man; het zijn er veel meer dan onze registratiecijfers laten vermoeden. Een vrouw zonder man mag geen land bezitten, winkel uitbaten of een eigen zaak opzetten. Ze mag zelfs geen bankrekening openen. Maar doordat er zoveel mannen vermoord zijn, is het sociale weefsel drastisch aan het veranderen. Wij proberen de vrouwen ervan te overtuigen dat ze wel degelijk hun eigen zaakje mogen opstarten en geld mogen verdienen om hun kinderen te voeden en naar school te sturen. Jammer genoeg wantrouwen sommige vrouwen ons.”

 

Omdat het een compleet nieuwe manier van denken voor hen is?

“Ja. We zeggen nu tegen een weduwe die op het land van Widows Care komt wonen: ‘Als je een huis wil, moet je bereid zijn om ook je eigen zaak uit de grond te stampen. Je moet in je eigen levensonderhoud kunnen voorzien want er is niet genoeg land om te verbouwen.’ De Nigeriaanse vrouwen hadden traditioneel hun eigen lapje grond waar zij de gewassen op verbouwden. Dat is nu voltooid verleden tijd. De tweede voorwaarde voor een huis is dat al hun kinderen onderwijs moeten volgen. De weduwen doen echt hun best; het is soms ontroerend grappig. (lacht) Het nieuwe gasthuis in het grote kamp wordt beheerd door vrouwen. Slechts een van hen spreekt een klein beetje Engels. Zij moet het nu waarmaken, want zij is de guesthouse manager. Ze neemt haar taak zeer ernstig: ze heeft een boekje waarin ze nauwgezet bijhoudt wie er overnacht en wanneer er gekookt en gepoetst moet worden. Zo leert ze al doende de stiel van een echte hotelmanager. Een paar andere weduwen leggen zich toe op fish farming. Ze hebben twee vijvers gegraven en verdienden een aardige cent met hun eerste visoogst. Niet alle vrouwen zijn succesvol. We bekostigden een naaicursus voor een groep weduwen, maar hun onderneming draaide uit op een fiasco. De kleermaker waar ze voor werkten, ging er met het geld vandoor. Andere weduwen leerden verzorgende zalfjes maken voor gevoelige babyhuidjes.”

 

Uw project Widows Care emancipeert Nigeriaanse vrouwen?

“Eigenlijk wel.”

 

Wat vindt de rest van de samenleving daarvan?

“Ze kijken er vol nijd en afgunst naar. Sommigen zijn verrast dat de weduwengemeenschap zo goed functioneert. Ze vinden het eigenaardig dat er geen corruptie is. De weduwen zijn gelijkwaardig, niemand heeft macht, ze moeten alles zelf doen en voor de rest van de samenleving is dat moeilijk te vatten.”

 

Zien Nigeriaanse mannen hen als een bedreiging?

“Ik vrees van wel. De weduwen regelen dingen op een totaal andere manier dan de mannen. Zo hebben ze heel bijzondere afspraken gemaakt met de Fulani-nomaden. Die mensen leven van hun vee, trekken rond en hebben geen onderwijs genoten. Hun veestapel groeit, maar de beschikbare hoeveelheid land krimpt. Steden zoals Abuja groeien aan een ongekend tempo. Vanop de heuvel vlakbij ons kamp kun je heel goed zien hoe al het land volgebouwd raakt met huizen en hoe er steeds meer dorpen rond de stad groeien. De Fulani hebben niet genoeg plaats voor hun vee, raken gefrustreerd waardoor de criminaliteit stijgt. Ze vallen dorpen binnen en roven huizen leeg. De weduwen onderhandelden een overeenkomst met de Fulani. Wij hebben drie waterpompen op het land van de weduwen geïnstalleerd. Tegen de leiders van de Fulani zeiden ze: ‘Jullie kunnen gratis water voor jullie vee krijgen, maar raak ons niet aan.’ De Fulani gingen akkoord. ‘Op voorwaarde dat jullie geen dieren kweken.’ Dat was voor de vrouwen geen probleem. ‘Als we dan bij jullie vlees kunnen kopen.’ De deal was rond en werkt uitstekend. De weduwen hebben geen runderen, geiten of schapen. Hun vlees kopen ze van de Fulani die op hun beurt gebruik maken van de waterbronnen. De voorbije drie jaar was er geen enkel incident. De weduwen zijn christen, de Fulani moslim en ze leven samen in vrede.”

renate E.

De dorpen in het noorden waar de weduwen vandaan komen, zijn nog steeds in handen van Boko Haram?

“Ja. ‘Mijn’ dorp en alle dorpen errond zijn volledig verwoest. Het missionarishuis waar ik woonde, is zestien jaar geleden gebouwd. De stenen muren waren dik en massief, want het gebouw moest minstens een eeuw meegaan. Boko Haram heeft het compleet vernietigd. Rond het huis lag een mooie tuin. Alle bomen zijn gekapt en het groen is veranderd in woestijn. Zo willen de jihadisten laten zien dat daar nooit nog een christen zal leven. Het dorp waar ik leefde en werkte, was integraal christelijk. Er staat geen huis, school of kerk meer overeind. Het leger kon onlangs een paar oude mensen bevrijden die niet op tijd waren weggeraakt. Ik ben net terug uit Nigeria. Eerst bezocht ik Gurku nabij het relatief veilige Abuja en daarna vlogen we naar Maiduguri in het noorden. Het verschil is immens: de noordelijke stad kreunt onder de Boko Haram-terreur. Ik ontmoette de bevrijde oudjes en dat was heel ontroerend. De ene is blind, de andere steunt op een stok. Ze zijn alles kwijt. Ze vertelden me over het leven onder Boko Haram: een verschrikking. Het Nigeriaanse leger vecht zogezegd tegen de terroristen, maar nooit op volle kracht. Ik weet uit zeer goede bron dat de officieren hun manschappen bevelen om in de lucht te schieten om de strijders van Boko Haram te laten vluchten.”

 

Waarom?

“Zolang de oorlog blijft duren, krijgen de soldaten geld en hebben ze een goed leven. Het is in het belang van het leger dat Boko Haram blijft plunderen en roven, want zo blijft voor hen de kassa rinkelen. De Nigerianen zelf zijn zeer pessimistisch over hun toekomst. Veel mensen uit het noorden zijn gevlucht naar het zuiden, waar meer jobs zijn en grotere kansen op een beter leven. Maar de Zuid-Nigerianen houden niet van de noorderlingen. Op dit moment zijn er bewegingen actief die het hele land willen opsplitsen. In Igboland in het Zuidoosten, het vroegere Biafra, wordt nu net als in de jaren zestig gevochten voor onafhankelijkheid. De Yoruba in het Zuidoosten zijn relatief welvarend. Als zij zich afscheuren, gaat het noorden helemaal kopje onder. Want daar is geen onderwijs, geen industrie, geen economie. Behalve de sharia is er helemaal niets. 95% van de noorderlingen overleeft uitsluitend van het eigen schamele lapje grond. Het geld komt van verwanten in het buitenland, of van politici of ambtenaren van de eigen stam. Zelfs in de steden staat alles in het teken van overleven. Er wordt niets geproduceerd dat doorverkocht kan worden om geld mee te verdienen. Daar komen dan nog eens de gevolgen van de klimaatverandering bij: in Maiduguri zie je de woestijn naderen. Steeds meer mensen ontvluchten het land. Tot hiertoe hebben 200.000 Nigerianen geprobeerd om via Italië Europa binnen te komen. De economie in het zuiden is dan weer vooral gebaseerd op misdaad.”

 

Misdaad die gepaard gaat met geweld?

“Nee, het is een heel aparte vorm van misdaad, bekend als de Nigerian connection. De Nigeriaanse maffia verdient miljoenen met haar wereldwijde e-mailfraude. U kent dat wel, die phishing-berichten waarmee ze argeloze westerlingen ervan proberen te overtuigen hen een smak geld toe te sturen. Het ligt er altijd vingerdik op, maar blijkbaar zijn er hier nog genoeg goedgelovige zielen die er met open ogen intuinen.”

 

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

vorm van ruïnesEind 2012 keerde de Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez na zestien jaar Europese ‘ballingschap’ terug naar ‘zijn’ stad Bogotá. Zelf had hij daar niet zoveel zin in, maar vrouw en kinderen drongen aan. Gelukkig maar, want die terugkeer leverde opnieuw een meesterwerk op.

 

Juan Gabriel Vásquez groeide in de jaren tachtig op in de Colombiaanse hoofdstad Bogotá, op dat moment de meest gewelddadige stad ter wereld. Hij was amper 23 toen hij in 1996 zijn land vaarwel zei om in Parijs aan de Sorbonne Latijns-Amerikaanse literatuur te gaan studeren. In Europa wou hij zijn droom waarmaken: schrijver worden. Maar dat schrijverschap kwam niet meteen van de grond en hij belandde in een zware existentiële crisis. Een bevriend bejaard echtpaar nodigde hem uit voor een weekend op hun landgoed in de Belgische Ardennen. Het geplande weekend werden negen maanden en zijn eerste verhalen speelden zich af tijdens dat verblijf. In zijn nieuwe roman De vorm van ruïnes laat Vásquez een van zijn personages genadeloos afrekenen met die oude ‘brave’ Belgische verhalen. “Terwijl het thuisfront kampt met een burgeroorlog die meer dan twintigduizend doden per jaar eist, een terrorismeprobleem dat je nergens anders in Latijns-Amerika tegenkomt en een geschiedenis die van meet af aan wordt gekenmerkt door de moord op onze grote mannen, schrijft u over stelletjes in de Ardennen die uit elkaar gaan”, klinkt het verwijtend. Dat oordeel is ongenadig streng, want na zijn Belgische verhalen schreef Juan Gabriel Vásquez een aantal zeer indringende romans waarin zijn door drugs en geweld geteisterde geboorteland de hoofdrol speelt. Eerst vanuit Frankrijk, later vanuit Barcelona. Toen hij eind 2012 op verzoek van zijn vrouw en tweelingdochters samen met hen terugkeerde naar Bogotá, was dat ietwat tegen zijn zin. Hij was bang dat het gebrek aan afstand zijn vrije en vranke literaire stem over Colombia in de kiem zou smoren. De vorm van ruïnes schreef hij integraal in zijn geboorteland. Hij bewijst ermee dat zijn vrees om een voorzichtige, door de heimat geknechte schrijver te worden, totaal ongegrond was.

In De vorm van ruïnes duikt hij diep in het heart of darkness van zijn land, net zoals zijn grote idool Joseph Conrad hem dat voordeed in Congo. Vásquez reconstrueert twee politieke moorden die Colombia tot vandaag beroeren. De eerste is op Jorge Eliécer Gaitán, een beloftevol links-liberaal politicus die op 9 april 1948 doodgeschoten werd, de tweede op de linkse generaal en politicus Rafael Uribe Uribe die op 15 oktober 1914 met bijlslagen afgemaakt werd. De schrijver laat zich daarbij op sleeptouw nemen door de Kurtz-achtige Carlos Carballo, een hevig aanhanger van complottheorieën met een ongezonde obsessie voor het oeuvre van Vásquez.

Niemand schrijft soepeler en vloeiender dan Juan Gabriel Vásquez. De vorm van ruïnes is, alweer, een knap geconstrueerd meesterwerk en door de historische foto’s en de vele verwijzingen naar het persoonlijke leven van de schrijver bedrieglijk waarheidsgetrouw. Al is het boek wel degelijk een roman, bulkend van wat Vásquez zelf ‘poëtische waarheid’ noemt.

 

 

Juan Gabriel Vásquez

De lectuur van Honderd jaar eenzaamheid van zijn beroemde landgenoot Gabriel García Márquez ontstak bij Juan Gabriel Vásquez (1973) het heilige vuur om zelf ook schrijver te worden. Het magisch realisme liet hij achterwege. Hij debuteerde in 1997 met de novelle Persona. In 2004 schreef hij de biografie van zijn grote idool Joseph Conrad. Zijn grote internationale doorbraak beleefde hij in 2011 met Het geluid van vallende dingen waarmee hij de belangrijke Spaanse Premio Alfaguara won. Een jaar later werd de roman onderscheiden met de International IMPAC Dublin Literary Award.

 

Juan Gabriel Vásquez , De vorm van ruïnes, Signatuur, 520 blz. 24,99 euro

 

(c) Jan Stevens

De film Denial reconstrueert de geruchtmakende gerechtszaak die holocaustontkenner David Irving zeventien jaar geleden tegen Deborah Lipstadt aanspande. Irving wou de geschiedenisprofessor laten veroordelen wegens smaad maar beet zelf in het zand. Lipstadt is razend enthousiast over de film. ‘Denial laat zien wat voor een racistische leugenaar en vrouwenhater Irving is.’

 

Op 5 september 1996 viel bij de Amerikaanse professor geschiedenis Deborah Lipstadt een dagvaarding in de bus van de Britse zelfverklaarde historicus David Irving. Hij vervolgde haar voor laster en eerroof omdat ze hem in haar drie jaar eerder verschenen boek Denying the Holocaust omschreven had als ‘Hitler-adept’ en als ‘een gevaarlijke revisionist die historische feiten verdraait zodat ze bij zijn ideologische gedachtengoed passen.’ Het proces startte op 11 januari 2000 in het Hooggerechtshof in Londen en kreeg wereldwijde media-aandacht. Wat op het eerste gezicht een dispuut tussen twee ‘collega-historici’ leek, groeide uit tot ‘het proces van de eeuw’ over de historiciteit van de holocaust. De vraag was niet langer of Lipstadt de excentriek uitgedoste gentleman Irving beledigd had, maar of tijdens de holocaust werkelijk zes miljoen joden vermoord waren. De uitspraak van rechter Charles Gray drie maanden later werd een ijskoude douche voor David Irving. Gray nam geen blad voor de mond en noemde Irving ‘een holocaustontkenner, antisemiet, racist en een bondgenoot van rechtse extremisten die het neonazisme promoten. David Irving heeft voor eigen ideologische motieven aanhoudend en moedwillig historisch bewijs foutief voorgesteld en gemanipuleerd.’

In de uitstekende film Denial reconstrueert regisseur Mick Jackson het uitputtende juridische gevecht tussen Irving, vertolkt door Timothy Spall, en Deborah Lipstadt, vertolkt door Rachel Weisz. De inmiddels zeventigjarige Lipstadt is razend enthousiast over de manier waarop Weisz een zeventien jaar jongere versie van haarzelf neerzet. ‘Tijdens de voorbereiding van Denial heb ik lang met Rachel gepraat over hoe ik dat hele proces emotioneel beleefd heb’, zegt ze. ‘Zij brengt mijn emoties van toen op een wonderbaarlijke wijze op het witte doek weer tot leven. Ik hou zielsveel van de film. In minder dan twee uur slaagt Mick Jackson erin om duidelijk te maken op wat voor een perfide manier David Irving de feiten manipuleerde. Hij laat zien wat voor een racistische leugenaar en vrouwenhater die man is. Maar wat ik minstens even belangrijk vind: Denial vertelt niet enkel mijn persoonlijke verhaal.’

 

De film gaat eigenlijk ook over zeer actuele fenomenen zoals ‘alternatieve feiten’ of ‘nepnieuws’?

Deborah Lipstadt: ‘Zeer juist. De ‘alternatieve feiten’ van onze nieuwe president Donald Trump en zijn entourage zijn niets anders dan ordinaire leugens, even fabelachtig als het revisionisme van David Irving en zijn aanhangers. Sommigen vergelijken Trump nu met Irvings grote idool Adolf Hitler, maar dat vind ik overdreven. Het is niet omdat iemand zich slecht en gevaarlijk gedraagt, dat hij meteen een kloon van de Führer is. Zo is een vreselijke moordpartij ook niet automatisch een genocide. Het klinkt misschien cynisch, maar we moeten altijd de correcte verhoudingen in acht nemen. De belegering van Aleppo was verschrikkelijk: hospitalen, scholen en openbare markten werden door alle partijen en vooral door Assad gebombardeerd, maar dat wil nog niet zeggen dat het een genocide was. Een leider kan zich dus heel erg misdragen zonder Hitler naar de kroon te steken. Dat neemt niet weg dat Donald Trump zowel voor als tijdens zijn presidentschap uitspraken gedaan heeft waar ik me veel zorgen over maak. Zo hoorde ik hem alle problemen opnoemen waar Amerika volgens hem mee te maken heeft. Zijn conclusie luidde: “Ik ben de enige die ze kan oplossen.” Dat klonk als een echo van Mussolini, als onvervalste fascistische praat dus. Daar lig ik wakker van. Veel van de problemen die Trump in onze samenleving ontwaart, zijn trouwens eerder problemen in zijn eigen hoofd.’

 

President Donald Trump en holocaustontkenner David Irving staan voor u op één lijn?

Lipstadt: ‘Ja, samen met de complottheoretici, klimaatontkenners en brexiteers. Er zijn leugens, opinies en feiten. Ik kan u nu zeggen dat ik van mening ben dat de aarde plat is, waarna u zal opmerken dat ik geschift ben. Mijn repliek zal dan zijn: “Nee, ik voel heel sterk dat de aarde zo plat als een pannenkoek is.” (lacht) Onze president zit op die golflengte. Hij haalt zijn kennis bij Fox News en bij een figuur zoals die Steve Bannon die hem de meest gore onzin influistert. Trump is net als David Irving een leugenaar. “America First”, roept hij. Hij kent zijn geschiedenis niet, want hij lijkt nog nooit gehoord te hebben van het vooroorlogse The America First Committee met antisemiet Charles Lindbergh. Zéér beangstigend.’

 

Waarom begon David Irving tegen u te procederen? In uw boek had hij slechts een bijrol.

Lipstadt: ‘In november 1994 kwam hij naar het DeKalb College in Atlanta waar ik een lezing gaf over de ontkenning van de holocaust. Hij onderbrak me en zette een grote bek op. Ik wist niet waar ik het had. Tijdens de voorbereiding voor de film vroeg Rachel Weisz me: “Hoe was dat?” Ik antwoordde: “Ik voelde me als een hert gevangen in de koplampen van een auto.” De studenten wisten bitter weinig over de holocaust en plots stond daar iemand recht die riep dat alles wat ik vertelde onzin was. “Kijk, ze beginnen te bekvechten. Cool.” Ik stond daar bedremmeld en stil en Irving voelde zich de overwinnaar. Het was hem gelukt op dat kleine podium in die school, wat moest het dan wel niet worden op dat immense podium van het Hooggerechtshof in Londen?’

 

Het was een publiciteitsstunt?

Lipstadt: ‘Zonder twijfel. Hij zag hoe ik me liet intimideren en verwachtte niet dat ik zou terugvechten. “Die Amerikaanse jodin? Nee toch?” Hij wou bewijzen dat hij het slachtoffer was van een internationaal joods complot. Hij geloofde echt dat een stelletje joden van over de hele wereld rond de tafel was gaan zitten om de grote historicus David Irving te vernietigen. “Hoe gaan we dat aanpakken? Zullen we Deborah inschakelen?” Want ik, een vrouw, kon in de ogen van Irving natuurlijk nooit één van de samenzweerders zijn en was hooguit een marionet.

Toen zijn dagvaarding toekwam, voelde ik me verloren. Ik zei tegen vrienden: “David Irving heeft me gedagvaard”, en ze begonnen te schaterlachen. “Wie gelooft die kerel nu? Negeer dat gedoe.” Maar zo’n dagvaarding kun je niet negeren, ook al ben je ervan overtuigd dat je recht in je schoenen staat. Vlak voor het begin van de rechtszaak bood hij me een minnelijke schikking aan. Als ik vijfhonderd dollar zou geven aan een door hem gekozen liefdadigheidsorganisatie, me op papier verontschuldigde en hem erkende als bonafide holocaustontkenner, wou hij de zaak laten vallen. Ik moest ook alle nog niet verkochte exemplaren van mijn boek laten vernietigen. Mensen uit mijn omgeving drongen erop aan dat ik akkoord ging. Ze waren bang dat het slecht voor mij zou aflopen. Ik vond dat onzin.’

 

Waarom weigerde u een minnelijke schikking?

Lipstadt: ‘Dan had ik nooit nog een overlever in de ogen kunnen zien. Dan had ik ook nooit nog iemand die met de waarheid begaan is, durven aankijken. Ik had geen andere keuze dan dat juridische gevecht aangaan. Achteraf zeiden vrienden me: “Wat jij gedaan hebt, was heroïsch.” Maar ik ben geen held; ik had gewoon geen keuze. De dag na de uitspraak schreef de Britse historicus en journalist John Keegan: “Historici zijn nu aan het bibberen en beven. Want elke keer wanneer ze een fout maken, riskeren ze in een gerechtszaal te belanden.” Ik las dat artikel en ik dacht, zeventien jaar voor de film: “Die kerel leeft in La La-land.” (lacht) Want David Irving had mij vervolgd en ik niet hem. Ik geloof niet in het vervolgen van mensen die het niet nauw nemen met historische feiten. Ik geloof zelfs niet in wetten tegen negationisme.’

 

Sinds 1995 hebben wij zo een wet in België.

Lipstadt: ‘Dat is dan een vergissing. Ik ben tegen dat soort wetten omdat ik een groot verdediger van de vrijheid van meningsuiting ben. Free speech kan enkel gered worden door verstandige more speech. Een wet die negationisme verbiedt, maakt er alleen maar forbidden fruit van. Dan wordt al die onzin pas écht interessant. Mein Kampf was jaren niet te krijgen in Duitsland. Nu is er een heruitgave en is het een gigantisch succes. Ik wil niet dat politici beslissen wat ik wel of niet mag zeggen. Het is niet aan hen om te bepalen wat racistisch, antisemitisch of homofoob is.’

 

In België pleiten sommigen ervoor om het salafistische gedachtengoed te verbieden. Want als we te tolerant voor dat soort van denkbeelden zijn, nemen de intoleranten het misschien ooit over.

Lipstadt: ‘Er is een verschil tussen free speech en hate speech. Als salafistenleiders op een meeting verkondigen dat christenen ongelovige honden zijn wier hoofd afgehakt moet worden en een paar van de toehoorders wil dat in de praktijk brengen, moet er ingegrepen worden. Want dan wordt de wet overtreden.’

 

Zonder afgehakte hoofden kan er niet worden ingegrepen?

Lipstadt: ‘Van zodra er concrete plannen zijn, moet er worden ingegrepen. Daarom is het belangrijk dat de politie voldoende middelen en manschappen heeft om potentiële geweldplegers op tijd te stoppen. Als duidelijk is dat geradicaliseerde individuen van plan zijn om hoofden af te hakken, moeten ze meteen gearresteerd worden. Toch moeten we oppassen dat we niet islamofoob worden. Ik haat de salafisten, maar dat wil niet zeggen dat we daarom de islam moeten verketteren. Ik heb moslimvrienden en zij haten het salafisme even erg als ik.’

 

U plaatst antisemitisme en islamofobie op dezelfde lijn?

Lipstadt: ‘Antisemitisme, racisme, homofobie én islamofobie zijn uitingen van vooroordelen. Voor-oordeel: “Ik heb mijn oordeel geveld, breng me nu niet in verwarring met de feiten, alsjeblieft. Ik wéét dat joden niet deugen. Elke jood is een oplichter. Homo’s zijn ziek en zwarte Amerikanen zijn luie donders.” Er zit geen logica in vooroordelen. Ze zijn alleen maar dom.

Er zijn verschillen tussen islamofobie en antisemitisme. Veel gematigde moslims zijn antisemiet. “De joden zijn de satan.” Dat is een heel groot probleem. Gisteren zat ik in een taxi in Londen. De chauffeur was een moslim die al jaren in Engeland leeft. Een sympathieke kerel. Op een bepaald moment zei hij: “De joden hebben Jezus vermoord.” Ik dacht: “O my God, hier gaan we weer.” (lacht) Antisemitisme is eeuwenoud en de katholieke kerk draagt daar een grote verantwoordelijkheid voor. In de 18e en 19e eeuw gebruikten figuren zoals Voltaire en de Europese politici van die tijd het antisemitisme om hun eigen macht en invloed te vergroten. De nazi’s schakelden nog een paar versnellingen hoger. Kent u die mop van een nazi-bons die een grote groep mensen toespreekt? Hij buldert: “De joden deden dit, en de joden deden dat.” Waarop een man uit de menigte roept: “En de fietsers deden dit, en de fietsers deden dat.” De nazi kijkt verbaasd. “Wat is er mis met de fietsers?”, vraagt hij. “Wat is er mis met de joden?”, kaatst de man de bal terug.’

 

David Irving sleurde u in Londen voor het gerecht, terwijl u een Amerikaans staatsburger bent.

Lipstadt: ‘In Amerika had hij moeten bewijzen dat ik een leugenaar was; nu moest ík bewijzen dat ik de waarheid vertelde. Dat is een totaal ander vertrekpunt. In Amerika bestaat ook zoiets als de Public Figure Defence, wat wil zeggen dat een publieke figuur zoals een politicus, auteur, journalist of schrijver niet voor smaad vervolgd kan worden tijdens zijn publieke optreden, tenzij kwaadaardig opzet bewezen kan worden.

De aandacht van de wereldpers voor het proces was compleet geschift. Ik liep in Londen over straat en mensen riepen me toe: “Veel geluk!” In het begin schonken journalisten zeer veel aandacht aan wat Irving te vertellen had. Hij had nogal wat geschiedenisboeken geschreven en hij presenteerde zich ook als een degelijk historicus, gespecialiseerd in Adolf Hitler. Alleen had hij zich die titel van historicus ten onrechte toegeëigend, hij heeft er nooit voor gestudeerd. Het duurde een tijdje voor journalisten in de gaten kregen dat hij een charlatan was. Op een dag kwam een journalist naar me toe. “Ik moet je iets vertellen”, zei hij. “Ik zag daarnet hoe een vrouw tegen Irving zei: ‘Mijnheer, mijn moeder is vermoord in Auschwitz.’ Irving antwoordde: ‘Mevrouw, dan zal u blij zijn om te horen dat ze waarschijnlijk gestorven is aan de gevolgen van tyfus.’” De journalist was er niet goed van. “Waarom zou die vrouw blij moeten zijn dat haar moeder gecrepeerd is aan de tyfus? Waarom zat ze in Auschwitz? We weten toch dat ze zo goed als zeker vergast is? Wat voor een barbaar zegt nu zoiets?”’

 

U hebt het proces glansrijk gewonnen.

Lipstadt: ‘De uitspraak was fantastisch. Mijn enige probleem met de film is dat ik vind dat ze daar iets meer van hadden mogen laten zien. De rechter noemt Irving “een opzettelijke leugenaar, een vervalser van de geschiedenis, een fantast.” Hij zei: “Geen enkel redelijke mens kan eraan twijfelen dat er gaskamers in Auschwitz waren.” Tijdens het proces dineerde ik ergens in Londen bij vrienden en daar was een andere Britse rechter aanwezig. Hij had eerst toestemming aan het Hooggerechtshof moeten vragen of hij wel in mijn aanwezigheid mocht dineren. Ik vond dat hysterisch, want de man behandelde alleen faillissementen. (lacht) Tijdens het diner zei ik hem: “Ik wil die zaak winnen en Irving met de grond gelijk maken.” Hij zei: “Deborah, ik wil je niet teleurstellen, maar dat is niet de manier waarop wij, Britse rechters, oordelen. Wij zullen schrijven: ‘We vonden deze getuige niet behulpzaam.’ Elke Brit weet dat dit een eufemisme is voor: ‘Deze getuige is een leugenaar.’” Ik zei: “Dat is niet goed genoeg voor mij. Want Irving kan dan rondbazuinen: ‘Het is mijn job niet om behulpzaam te zijn.’ De rechter moet hem ronduit een leugenaar noemen.” Dat is gelukkig ook gebeurd. Ik kan me nog heel goed dat gevoel van pure vreugde voor de geest halen toen ik de uitspraak hoorde.’

 

Heeft het proces David Irving geruïneerd?

Lipstadt: ‘Compleet. Maar nu loopt hij rond te bazuinen dat duizenden mensen hem geschreven en gesteund hebben. “Ik leef in een huis met veertig kamers en rijd rond in een Rolls Royce.’ Een journalist vertelde me dat hij na een interview Irvings Rolls te zien kreeg. Ik adviseerde hem: ‘Ga volgende week nog eens onaangekondigd kijken. Wedden dat ‘zijn’ Rolls terug bij de verhuurder is?’ Een andere journalist vertelde me gisteren dat hij naar een van Irvings lezingen geweest was en dat er vier mensen in de zaal zaten, inclusief die journalist.’ (lacht)

 

U lijkt daar van te genieten, terwijl het toch iets zieligs heeft?

Lipstadt: ‘David Irving is helemaal niet zielig: hij is kwaadaardig. Weet u door wie hij na het proces het meest verketterd werd? Door andere holocaustontkenners. “Hij heeft de kans van zijn leven verknald om in de rechtbank brandhout van Lipstadt te maken.” Het stond in de sterren geschreven dat hij het zelf om zeep zou helpen. Onze strategie was om de bronnen uit te vlooien die hij vermelde in de voetnoten van zijn negationistische teksten. Irving schrijft: “Tijdens de Kristallnacht hoorde Hitler wat er aan het gebeuren was en werd hij woest. Hij verstuurde een telex: ‘Stop met de waanzin.’” In de voetnoot staat een verwijzing naar die telex. Wij snorden de originele telex op en lazen: “Stop het brandstichten”, want hele woonblokken stonden in de fik en de brandweerlui konden het niet meer aan. Er stond niet: “Stop met joden in elkaar te slaan”, of: “Stop met het vernielen van synagoges”, of: ‘Stop met joden uit de ramen te gooien.” Er stond alleen: “Stop met brandstichten.” Als je die telex citeert als “Stop met de waanzin”, geef je wel een heel ingrijpende draai aan de geschiedenis. David Irving doet dat continu. Veel mensen die zijn geschriften lazen, zagen de ellenlange voetnoten en vonden: “Hij heeft zich goed gedocumenteerd.” Door dat proces zagen wij ons genoodzaakt om àlle voetnoten te checken. Dat was bijzonder ontluisterend voor zijn geloofwaardigheid.’

 

Door u te dagvaarden, schoot Irving in eigen voet?

Lipstadt: ‘Ja. Op een bepaald moment tijdens het proces ondervroeg hij een getuige, want hij speelde zijn eigen advocaat. “Volgens dit document ging het zus en zo.” Tot de rechter hem onderbrak. “Mijnheer Irving, in dat document staat helemaal niet wat u daarnet zei.” Irving keek heel even verstoord en repliceerde: “O, dank u, your lordship.” Hij stelde de getuige een paar vragen en zei daarna opnieuw: “Volgens dit document…” En opnieuw werd hij onderbroken door de rechter. “Mijnheer Irving…” Zelfde scenario. De derde keer zei de rechter: “Mijnheer Irving, move on.” Tegen die stem van autoriteit kon Irving niet zomaar verder zijn leugens blijven herhalen. Tegen de rechter kon hij niet op.’

 

Had u toen niet een klein beetje medelijden met hem?

Lipstadt: ‘Geen sikkepit. Hij had het zelf gezocht. Hij dagvaardde me met opzet om me te vernietigen en hoopte zo zijn reputatie te vergroten. Hij koos mij uit om publiciteit te genereren en stal zes jaar van mijn leven. Geen medelijden. Mensen spreken me soms aan: “Deborah, heb je gelezen wat hij nu weer op zijn website over je geschreven heeft?” Nee, ik verspil geen tijd aan zijn onzin. Ik heb dat gevecht met Irving niet zelf gekozen. Het was als stappen in een hondendrol op straat. Dat stelt niets voor, tenzij je de stront je huis binnen brengt en je het tapijt naar de droogkuis moet brengen. Maar als je op tijd je schoen buiten uitdoet en proper en geduldig reinigt, is er niets aan de hand. De enige manier om kwaadaardige haters te bestrijden, is ervoor zorgen dat ze niet aan belang kunnen winnen.’

 

 

 

 

 

 

Deborah Lipstadt

1947 geboren in New York.

1976 studeert af aan de Brandeis University als doctor in de joodse geschiedenis en wordt geschiedenisprof aan verschillende universiteiten.

1993 publiceert Denying the Holocaust, The Growing Assault on Truth & Memory waarin ze ontkenners van de holocaust in kaart brengt.

1996 wordt samen met haar uitgever Penguin door David Irving voor het Britse Hooggerechtshof gedagvaard voor smaad.

2000 Irvings dagvaarding komt als een boemerang terug in zijn gezicht. De rechter noemt hem een leugenaar en een holocaustontkenner.

2005 schrijft History on Trial: My Day in Court with a Holocaust Denier, haar memoires over het proces.

 

 

(c) Jan Stevens

Begin maart maakte de Ierse overheid bekend dat in de riolering van een voormalig katholiek ‘opvangtehuis’ voor ongehuwde moeders in de stad Tuam een massagraf met kinderlijkjes ontdekt was. De lugubere vondst was een gevolg van de niet aflatende zoektocht die amateur-historica Catherine Corless jarenlang in haar eentje voerde. “Wreedheid was de regel.”

 

 

_DSC0068

Ierland is in shock nadat op 3 maart de door de regering aangestelde Mother and Baby Homes Commission of Investigation in een eerste rapport bekend maakte dat er op de plek waar in Tuam ooit het Bon Secours Mother and Baby Home stond, menselijke resten gevonden zijn in een ‘sceptische put en een ondergrondse structuur verdeeld in twintig kamers, vermoedelijk ooit de riolering’. Onderzoek wees uit dat het de resten zijn van baby’s en kinderen. Koolstofdatering linkt de resten aan de periode dat de katholieke nonnen van de Orde van Bon Secours het tehuis runden. Drie jaar nadat de plaatselijke amateur-historica Catherine Corless (62) internationale beroering veroorzaakte met haar stelling dat tussen 1925 en 1961 de nonnen 796 dode kinderen op hun terrein begraven hadden, kreeg ze begin deze maand ook ‘officieel’ gelijk. De Ierse overheid stelde de onderzoekscommissie in 2015 aan als reactie op haar speurwerk. “Forensische experts zoeken nu uit of er voldoende bewijsmateriaal is voor een moordonderzoek”, zegt ze. “Einde maart zal een nieuw rapport daarover hopelijk meer duidelijkheid zal verschaffen.”

In juni 2014 serveerden verschillende media bij ons Corless’ onderzoek nog af als platte sensatie. Toenmalig ombudsman Tom Naegels van De Standaard noemde het een ‘door en door verdacht verhaal’ en omschreef Corless ietwat denigrerend als: “Een amateur-heemkundige die geld zoekt voor een herdenkingsplakkaat.” Hoofdredacteur Geert De Kerpel van het Belgische katholieke magazine Tertio schreef: “De zusters deden wat ze konden, gedragen door hun geloof. De voorbije weken is er nog een drama bijgekomen: dat van vele media die hun deontologie dumpten in een fictief kerkelijk massagraf.”

Catherine Corless kijkt verbaasd als we Naegels en De Kerpel citeren. “Ik wist dat er in de Verenigde Staten scepsis over mijn bevindingen was, maar niet dat er ook in België aan getwijfeld werd”, zegt ze. “Ik was heel zeker over het materiaal dat ik verzameld had. Alles wat ik ooit over deze zaak gezegd heb, is stevig gedocumenteerd en onderbouwd. Ik heb de voorbije jaren ontzettend veel tijd in dat onderzoek geïnvesteerd. Niemand wist wat er met die dode baby’s en kinderen gebeurd was. Alles wat ik vond, wees maar in één richting: de waarheid zoals die nu door de onderzoekscommissie bevestigd is.”

_DSC0029

We zitten aan de keukentafel in Corless’ huis in Tuam. Buiten valt de regen in beken neer; binnen snort de Aga. Kopieën van oude kaarten, lijsten uit geboorteregisters en foto’s liggen op de tafel opeengestapeld. Haar onderzoek naar het ‘opvangtehuis voor moeders en kinderen’ begon heel onschuldig. “Ik ben inderdaad ‘amateur-heemkundige’”, zegt ze. “Ik verdiep me al jaren in de lokale geschiedenis en in 2012 stelde ik aan de leden van onze heemkundige kring The Old Tuam Society voor om me te verdiepen in de geschiedenis van ‘ons’ tehuis voor moeders en baby’s, The Home zoals de locals het noemen. Aan de hand van mijn research zou ik een essay schrijven voor het jaarlijks verschijnende tijdschrift van de kring. Ik leefde in de overtuiging dat mijn artikel vooral zou handelen over de geschiedenis van het werkhuis waarin het tehuis gevestigd was en over het werk van de nonnen. Maar al snel merkte ik dat er in de archieven van Tuam helemaal niets te vinden was. Geen verslagen van gemeenteraadszittingen waarop de werking van het tehuis ter sprake kwam, geen rapport, nothing at all.”

 

Terwijl de nonnen in dienst van de overheid werkten?

Catherine Corless: “Ja, waardoor het extra bizar was dat er geen enkel document bewaard gebleven is. Ik besloot om naar het hoofdkwartier van de Orde van Bon Secours in Cork te schrijven. De zusters zijn nog steeds zeer actief in Ierland en baten verschillende ziekenhuizen uit. Ik vroeg of er in hun archief documenten over het tehuis zaten. ‘Niets’, antwoordden ze. ‘We hebben alles aan het districtsraadkantoor van het graafschap Galway bezorgd.’ Dus nam ik contact op met de districtsraad. Maar de enige documenten die zij ooit van de nonnen kregen, zijn registers waarin genoteerd staat wanneer de ongehuwde moeders arriveerden, wanneer hun baby geboren werd en hoeveel hij woog. Meer niet.”

 

Het opvangtehuis voor moeders en baby’s was oorspronkelijk een ‘armenhuis’?

“Het is gebouwd in 1840. Het was een gigantisch complex, in de kamer hiernaast staat een maquette die ikzelf ineen geknutseld heb aan de hand van de originele plannen. De armenhuizen uit de 19e eeuw worden in Engeland en Ierland workhouses, werkhuizen, genoemd. Ze zijn in het victoriaanse tijdperk allemaal getekend door één en dezelfde Engelse architect: George Wilkinson. Ierland was eigendom van Engeland en op heel wat plaatsen openden de Engelsen hun werkhuizen, mastodontgebouwen waarin de armen gehuisvest werden en gratis moesten werken. Het was de tijd van The Great Famine, de grote hongersnood. Het menu van de arme Ier bestond ’s morgens, ’s middags en ’s avonds uitsluitend uit aardappelen. Maar toen brak de plaag uit die de complete aardappeloogst vernietigde. De armen stonden voor de keuze: ofwel sterven van de honger, ofwel in een werkhuis in ruil voor kost en inwoon hard labeuren. Na de Ierse onafhankelijkheid in 1922 werden de werkhuizen gesloten, waardoor die enorme gebouwen leeg kwamen te staan. De overheid richtte een aantal werkhuizen in als rust- en verzorgingstehuizen voor bejaarden, andere werden vertimmerd tot hospitaal. Het werkhuis van Tuam moest een ‘opvangtehuis voor moeders en baby’s’ worden. De staat riep de hulp in van de zusters van Bon Secours om het tehuis te leiden. De nonnen waren opgeleide verpleegsters. Ze herdoopten het werkhuis in St. Mary Orphanage, het weeshuis van de heilige Maria, wat al heel snel een bedrieglijke benaming bleek te zijn. In 1925 opende het ‘weeshuis’ zijn deuren; in 1961 gingen ze voorgoed dicht.”

_DSC0044

Het was geen weeshuis, maar een plek waar ongehuwde moeders en tienermoeders kwamen bevallen?

“Precies. De instelling werd volledig bekostigd en ‘gecontroleerd’ door de Ierse staat. In werkelijkheid deden de nonnen hun zin. Inspectieverslagen werden verticaal geklasseerd of gemanipuleerd. Niemand had zicht op wat er zich achter de hoge muren van het drie hectare grote domein afspeelde. Leveranciers geraakten niet verder dan de poort, bezoekers waren niet welkom. De moeders die er kwamen bevallen, moesten er een jaar lang blijven. Ze werkten dan gratis voor de nonnen en verzorgden hun baby. Na dat jaar werden ze weggestuurd en bleven de baby’s achter in het ‘weeshuis’. Van zodra de jongens vijf en de meisjes zeven jaar waren, werden ze naar school gestuurd.”

 

Het uiteindelijke doel was dat ze later geadopteerd zouden worden?

“Nee, het uiteindelijke doel was dat ze in pleeggezinnen terecht zouden komen. Er verschenen regelmatig advertenties in de kranten om pleegouders te ronselen. Die werden per maand betaald en kregen jaarlijks een extra toelage om kleren te kopen. Sommige pleegouders waren oké, maar er waren er jammer genoeg ook heel wat die het pleegouderschap in de eerste plaats als een interessante bijverdienste zagen. Ze incasseerden het geld, behandelden hun kind zeer slecht en lieten het keihard werken zodat het extra opbracht. Ik kan niet anders dan vaststellen dat veel Ieren in die periode zich zeer wreed gedroegen.”

 

U sprak zelf uitgebreid met kinderen uit het tehuis die bij pleegouders terecht kwamen?

“Ja, we noemen die mannen en vrouwen nog steeds de Home Babies. Het enige verzetje dat ze hadden, was de tocht van en naar school. Altijd onder begeleiding: er liep een non vooraan en één achteraan. Hun schooltijd duurde twee jaar. Ik zie sommigen met wie ik samen in de klas zat nog voor me. Ik was toen heel jong, een jaar of zes, maar ik herinner me hoe ze altijd later dan de rest van de leerlingen op school aankwamen en vroeger weer vertrokken. Ze mochten zeker niet vermengd raken met de ‘gewone’ kinderen.”

 

Het was een vorm van apartheid?

“Dat was het zeker. In de klas en op de speelplaats werden ze apart van de rest gehouden. De leerkrachten betrokken hen nooit in de les. De Home Babies zaten er achteraan bij als aliens en werden behandeld als minderwaardig. Onze onderwijzeressen waren ook nonnen, ze behoorden tot de congregatie van de Sisters of Mercy.”

 

Speelde u met die kinderen?

“Dat was verboden. Vermenging was echt des duivels. Ik stelde me daar rond 1960 als klein meisje geen vragen bij. Ik heb intussen met veel oudere stadsgenoten gesproken over hoe zij zich de Home Babies herinneren, en iedereen zegt: ‘Ze waren vel over been.’ Ik sprak ook met pleegouders die het goed met hen voorhadden. Ook zij getuigen dat het kind dat ze onder hun hoede kregen ondervoed was. Sommige kinderen waren zo verzwakt dat hun pleegouders een tijdlang voor hun leven vreesden. De nonnen gaven de kinderen te weinig te eten omdat ze enkel en alleen uit waren op het geld.”

 

Toch niet alle nonnen kunnen zo wreed geweest zijn?

“De verhalen over de eerste moeder-overste, Reverend Mother Hortense, vallen nog mee. Maar na haar vertrek werd wreedheid de regel. Het tehuis werd gerund door amper vijf nonnen. Het is niet zo dat ze de kinderen martelden of zich als sadisten gedroegen, maar ze verwaarloosden hen tot in het absurde. Zowel kleine peuters als grotere kinderen werden aan hun lot overgelaten. Ze hadden geen speelgoed, werden op geen enkele manier gestimuleerd. Herinnert u zich de beelden van die weeshuizen uit Roemenië, met extreem verwaarloosde kinderen die heen en weer zitten wiegen? Ik heb identieke verhalen gehoord over The Home. Pleegouders vertelden me hoe hun kind continu met het hoofd tegen het beddeneinde sloeg. De laatste generatie Home Babies zijn zestigers en zeventigers. Zelfs na al die tijd zijn ze nog beschadigd. Ze worden niet ernstig genomen en krijgen niet de informatie die ze vragen.”

 

Tot vandaag weigert de Orde van Bon Secours met hen te communiceren?

“De nonnen blijven doodstil. Van alle Home Babies die ik gesproken heb, is er geen enkele die financieel gecompenseerd wil worden. Ze willen alleen erkend worden als slachtoffer. Ze willen verontschuldigingen, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor hun moeders. Want die werden beschouwd als zondig, als uitschot. Een survivor zei me dat hij met die verontschuldiging naar het graf van zijn moeder wil om ze luidop voor te lezen.”

 

_DSC0030In 1975 vonden twee jongens van twaalf tijdens het spelen beenderen van kinderen op de site waar het tehuis stond. Toen werd er geen onderzoek opgestart?

“Na het vertrek van de nonnen in 1961 bleef het oude werkhuis tien jaar leegstaan tot het gesloopt werd. Het terrein rond The Home veranderde in een wildernis. In 1975 waren Franny Hopkins en Barry Sweeney twaalf. Een van hen opende tijdens het spelen op dat terrein het deksel van een sceptische put. Dat deksel was ongeveer zo groot als mijn keukentafel. Het volgende ogenblik zagen ze skeletten van kleine kinderen. Doodsbang vertelden ze hun ouders over hun ontdekking. Die lichtten op hun beurt de politie en de kerk in. De eensgezinde conclusie van de Garda en de clerus luidde meteen: het waren beenderen van slachtoffers van The Famine. Maar een paar locals die al jaren vlakbij The Home woonden, geloofden daar niets van. Zij vroegen aan de districtsraad om een muur te bouwen rond de vindplaats. De raad ging daar op in. De locals bouwden een kleine grot met een beeld van Maria. Ze wisten dat er iets gebeurd was, al hadden ze geen idee wat precies. De laatste veertig jaar onderhielden ze dat plekje op eigen kosten. Eén van de buren smeedde een hek met een kruis en hing het aan de ingang. In een hoek zetten ze een plakkaat met de tekst: ‘In loving memory of those buried here.’ Als de jongens toen die beenderen niet gevonden hadden en als de locals dat terreintje niet zo mooi hadden onderhouden, was heel dit verhaal compleet verdwenen in de mist van de geschiedenis.”

 

Het kerkhof van Tuam ligt aan de andere kant van de weg waar het tehuis stond. Waarom lieten de nonnen de kinderen daar niet begraven?

“Omdat ze uit ‘zonde’ geboren waren. De nonnen achtten de gestorven baby’s en kinderen van ongehuwde moeders niet waardig genoeg voor ‘gewijde grond’. Ze dumpten hen liever in de onderaardse gangen van de riolering onder het werkhuis. De kinderen waren allemaal gedoopt, maar toch bleven de nonnen hen als de vrucht van zonde zien. Rond 2012 zocht ik de oude grafdelver van het kerkhof van Tuam op. Hij vertelde me: ‘Er liggen kinderen onder The Home begraven. Niemand praat er over, maar sommigen wéten dat het zo is.’ Ik ging op zoek naar de plannen voor het werkhuis van architect George Wilkinson en zag meteen dat uitgebreide ondergrondse rioleringsstelsel. Vanuit The Home kon je daar indertijd in afdalen. Ik wou vervolgens weten hoeveel kinderen er tussen 1925 en 1961 in het tehuis gestorven zijn. Een behulpzame ambtenaar van het Registration Department Births, Deaths & Marriages in Galway dook in de overlijdensregisters. Ze belde me een paar weken later. ‘798 kinderen”, zei ze. Van twee kinderen vond ik begrafeniscertificaten terug, van de 796 anderen niet.”

 

_DSC0038Slechts twee hadden van de nonnen een officiële begrafenis gekregen?

“Die twee waren echte wezen en geen kinderen van een ongehuwde moeder. Met de hulp van een archivaris zocht ik uit of de kinderen niet op een ander kerkhof ergens in Ierland begraven konden liggen. Hun namen doken nergens op.

“In de jaren dertig werden rond The Home huizen gebouwd. Ik zocht contact met de oudere inwoners. Vanuit hun slaapkamerramen konden ze over de muren kijken. Iemand vertelde me dat hij ’s avonds laat graven had zien delven op het terrein waar nu een speeltuin is. Telkens wanneer dat gebeurde, zei zijn moeder: ‘Get down on your knees and say the rosary, boy. Er is weer een begrafenis in The Home.’

“Mary Moriarty vertelde me hoe ze als jonge twintiger in een onderaardse gang in doeken gewikkelde dode baby’s gestapeld zag liggen. Ze heeft dat verhaal nu onder ede bij de onderzoekscommissie herhaald. Zij woonde in de nieuwe wijk vlakbij het domein van The Home toen ze in 1975 het verhaal van de jongens hoorde. Zij ging samen met vrienden een kijkje nemen op de overwoekerde vindplaats. De bodem was niet stabiel, ze struikelde en viel in een put. Ze moet toen in een van de tunnels terechtgekomen zijn, want ze zag opgestapelde bundels, pakketjes met vermoedelijk de stoffelijke resten van dode baby’s. Haar vrienden hebben haar uit dat hol omhooggetrokken. De inmiddels overleden Julia Devaney die haar hele leven in het tehuis gewerkt heeft, vertelde in de jaren zeventig aan Mary dat een deel van haar werk eruit bestond om dode kinderen in de tunnels te dumpen. “Many a little one I put in there’, zei ze. Ook dat heeft Mary onder ede aan de commissie verklaard.

“Na mijn onderzoek kon ik alleen maar tot de conclusie komen dat de nonnen de rioleringstunnels gebruikten om er de dode kinderen in op te stapelen. Eerst begroeven ze kinderen op het terrein. Toen ze alle beschikbare plek hadden opgebruikt, begonnen ze met het vullen van de tunnels. Alles wat ik gevonden heb, is vorige week door onze minister voor Kinderwelzijn Katherine Zappone bevestigd. Dit is de lijst met alle doden en met hun leeftijden. Het is zo triest. De oudste is acht jaar. De meesten waren anderhalf. Ze stierven aan de gevolgen van grote verwaarlozing.”

 

Maar lag de kindersterfte in die periode in heel Ierland niet erg hoog?

“Natuurlijk waren er veel ziekten, zoals mazelen en difterie. Maar u moet eens op de doodsoorzaken letten die genoteerd werden. Heel vaak was dat buikgriep. Ik begrijp niet goed waarom zoveel kinderen daaraan moesten sterven. Buikgriep is heel besmettelijk, maar kan makkelijk gestopt worden door de zieke kinderen van de gezonde te isoleren. De nonnen waren verpleegsters en moeten dat toch geweten hebben?

“Er is ook nog het op band opgenomen getuigenis van wijlen Julia Deveney. Zij is geboren in 1916, kwam in 1925 als negenjarige bij de nonnen terecht en werkte haar leven lang gratis voor hen als hun dienstmeid en tuinier. Zij tekent een grim portret van hoe de nonnen de kinderen behandelden. Er was aan zelfgekweekte groenten geen gebrek en Julia kweekte ook kippen en varkens voor de nonnen. Zij getuigde dat de kinderen amper te eten kregen. Hun dieet bestond uit aardappelen, brood, melk en een walgelijke variant op pap. Julia zag de kinderen nooit vlees of groenten eten. Het tehuis werd gerund om zoveel mogelijk geld op te brengen.”

 

Waarom hadden de nonnen dat geld nodig?

“In 1945 openden ze een privéziekenhuis in Tuam dat gefinancierd zou zijn met de opbrengst van The Home. Omdat de kinderen in hun ogen toch niet deugden, mochten ze er een flinke stuiver aan verdienen. De nonnen zagen de ongehuwde moeders als gevallen vrouwen. Hoe meer ze afzagen, hoe beter. Over de mannen die de vrouwen bezwangerd hadden, werd met geen woord gerept. Terwijl sommige vrouwen waarschijnlijk verkracht waren of bevrucht door priesters. Ierse ongehuwde moeders hadden geen andere keuze dan in zo’n tehuis bevallen en hun kind afstaan. Ze kregen op geen enkele manier steun om hun baby zelf op te voeden en werden onder druk van de clerus door hun families verstoten.”

 

Heeft de leiding van de katholieke kerk contact met u gezocht?

“Nee, ik heb hen gecontacteerd. Michael Neary, de aartsbisschop van Tuam, heeft me in 2015 na veel aandringen ontvangen. Ik toonde hem mijn research en vroeg of hij met de nonnen wou gaan praten. Hij zei niet nee en niet ja en ik wist: deze man zal helemaal niets ondernemen. Op zondag 5 maart werd hij na de mis opgewacht door cameraploegen van alle nieuwsprogramma’s. Hij zei live hoe afschuwelijk het was. Dat was zijn allereerste blijk van medeleven.”

 

Bent u nog katholiek?

“Ik geloof in Jezus’ boodschap van liefde, maar de georganiseerde religie kunnen we missen als kiespijn. Als niemand het ziet, fluisteren sommige inwoners van Tuam me in het oor: ‘Great job, Catherine.’ Ze zijn nog steeds bang dat ze in de hel zullen branden als ze de kerk openlijk durven bekritiseren. Na al die eeuwen van katholieke indoctrinatie is schuld deel geworden van de Ierse ziel. Van de wieg tot het graf wordt er gedreigd met hel en verdoemenis. Er is nog steeds die innige verstrengeling tussen kerk, overheid én politie. Je moet hier leven om het te kunnen begrijpen.

“Ik heb de voorbije twee weken ontzettend veel brieven van Home Babies gekregen: ‘Catherine, thank you for what you’ve done.’ Als de zusters van Bon Secours in 2014 hun verontschuldigingen hadden aangeboden in plaats van alle verantwoordelijkheid af te wijzen, was het niet tot dit megaschandaal uitgegroeid. Maar op een sorry van de nonnen hoeven de survivors niet te rekenen. Ik vrees dat die er ook nooit zal komen.”

 

***

_DSC0064

Waar vroeger de sombere gebouwen van het Bon Secours Mother and Baby Home het straatbeeld van Dublin Road domineerden, staan nu huizen die dateren uit het midden van de jaren zeventig. De enige fysieke herinneringen aan The Home zijn een granieten muur en de met houten schuttingen afgezette plek waar twee jongens in 1975 kinderskeletten in een beerput vonden. Een groot bord maakt duidelijk dat de plek een ‘construction site’ geworden is waar onbevoegden niet welkom zijn. We klimmen op het muurtje, werpen een blik over de schutting en kijken recht op de grot met Mariabeeld die de locals voor de gestorven kinderen bouwden. Het gazon is vervangen door steenslag. Niet zo lang geleden is hier duchtig gegraven. Aan de schuttingwand hangen de namen van de 796 kinderen. Er liggen verse ruikers bloemen. Het speelpleintje ernaast ligt er verlaten bij. Daar is de graafmachine nog niet gepasseerd. Voor buurtbewoonster Maura Ryan mag dat zo blijven. “Laat de kinderen toch in vrede rusten”, zegt ze. Vanuit haar huis heeft ze zicht op de gruwelsite. “We wisten allemaal dat er hier ergens baby’s begraven waren. Het is een afschuwelijk verhaal, maar de survivors willen al dat gedoe niet. Ze weten nu wat er gebeurd is en verlangen naar rust.” Wat vindt Maura van het speurwerk van Catherine Corless? “Ze mag er mee ophouden, want volgens mij is ze vooral uit op eigen eer en glorie.”

 

© Tekst: Jan Stevens

© Foto’s: Veerle Van Hoey

Zeventig jaar na zijn dood klinkt Al Capone’s naam nog steeds als een klok. Deirdre Bair ging bij zijn nazaten op de koffie, schreef zijn ultieme biografie en schrok van de gelijkenissen tussen Capone en Donald Trump. ‘Net alsof de geschiedenis rondjes draait.’

 

Overal ter wereld kent iedereen maffiabaas Al Capone. Op 17 januari 1899 zag hij als Alphonse Gabriel Capone het levenslicht in Brooklyn, New York. De Amerikaanse gangster beleefde zijn gloriejaren tijdens de drooglegging eind jaren twintig. Eerst vanuit het Metropole Hotel en later vanuit het Lexington Hotel bouwde hij de stad Chicago om tot een voor hem uiterst lucratief rovershol. Capone controleerde er de illegale gokhallen, de prostitutie en de handel in alcohol en drugs. Hij draaide een winst van minstens 105 miljoen dollar cash per jaar en bouwde zijn misdaadsyndicaat uit tot een perfect geoliede onderneming. Op het toppunt van zijn roem gedroeg hij zich als een superster en gaf hij aan ‘bevriende’ journalisten interviews waarin hij een pocherige inkijk in de werking van zijn Chicago Outfit gaf. Zo vertelde hij dat hij 185 mensen op zijn persoonlijke loonlijst had staan die hij elk 300 tot 400 dollar per week betaalde. ‘Allemaal ex-gedetineerden en moordenaars, maar nu zijn het eerbare zakenlieden, even respectabel als de mensen die mijn spullen kopen en gokken in mijn speelhallen.’

Er zijn bibliotheken gevuld met boeken over het leven van Al Capone, maar aan geen enkele biografie werkten de nazaten van de mobster mee. Ze maakten een uitzondering voor Deirdre Bair, die op haar 81e geldt als de Grande Dame van de Amerikaanse biografie. ‘Ze gaven me voor het eerst vrije toegang tot het familiearchief.’ Het resultaat is het met veel oog voor detail geschreven Al Capone, leven, legende en nalatenschap.

 

Waar komt uw persoonlijke fascinatie voor de figuur Al Capone vandaan?

Deirdre Bair: Eerlijk gezegd was die er niet. (lacht) De jongeman Andy Capone ving in zijn familie geruchten op dat zijn grootvader een onwettig kind van Al Capone was. Hij wou weten of dat verhaal waar was en vroeg aan een gemeenschappelijke vriendin of zij hem dat kon helpen uitzoeken. Die vriendin werkte ooit bij een uitgeverij, kwam bij mij op de thee en vertelde over Andy’s verzoek. ‘Geen idee hoe ik hem kan helpen,’ zei ze. ‘Wat moet hij volgens jou doen?’ ’Een privédetective inhuren’, luidde mijn advies. Ikzelf wist zo goed als niets over Al Capone, behalve dan al die misdaadverhalen die elke doorsnee Amerikaan kent. Zowat elke levende ziel op deze planeet weet dat Capone een afschuwelijke gangster en een bloeddorstige killer was. De zoektocht van Andy naar mogelijke verwantschap met de beruchte maffiabaas triggerde mijn nieuwsgierigheid. Ik begon stapels boeken over Al te lezen. Toen pas raakte ik écht gefascineerd door de figuur en zocht ik contact met leden van zijn familie. Andy Capone weet intussen dat hij daar niet bij hoort. (lacht)

 

Waarna u besloot om Al Capone’s biografie te schrijven?

Bair: Ik wou de waarheid van de mythe scheiden. Een van mijn grote problemen was de overvloed aan informatie over de man. Elke hond met een hoed op schreef ooit over hem. Toen hij nog leefde, vond je in elke grote Amerikaanse stad stapels kranten en tijdschriften vol artikels over Al Capone. Iedereen had een mening over hem. Hij deed de kassa rinkelen en als ze geen nieuwe harde feiten naar boven konden spitten, verzonnen ze die zelf wel. ‘Gisterenavond at hij in het restaurant om de hoek.’ Neen hoor, want hij zat toen in een andere stad te dineren. (lacht) De familieleden van Al Capone schilderden hun illustere voorvader af als een liefhebbende, charmante en bezorgde kerel. Zijn kleindochters Diane, Barbara en Theresa schetsten een beeld van de typische Italiaans-Amerikaanse familieman. Hij was bijzonder genereus voor zijn eigen grote familie. Die complexe combinatie van gezapige, ultralieve familieman en wreedaardige killer intrigeerde me mateloos.

 

Al Capone werd geboren in Brooklyn, New York. Zijn ouders waren eerste generatiemigranten uit het Italiaanse Napels. Rond zijn twintigste verhuisde hij naar Chicago. Waarom?

Bair: Dat weten we niet precies. In Brooklyn stond hij bekend als een straatnozem. Op zijn veertiende was hij van school weggestuurd, toen hij in het laatste jaar van de basisschool zat. Hij gedroeg er zich als een pain in the ass. Het tragische is dat hij erg intelligent was en een heus rekenwonder. Maar rond 1910 lieten leerkrachten op school de immigrantenkinderen links liggen. Ze haalden hun neus op voor die jongens en meisjes uit Oost- en Zuid-Europa. Volgens hen deugden Slovaken, Hongaren en Italianen voor geen millimeter. ‘Waarom zouden we aan die etters onze energie verkwisten? Ze groeien toch op voor galg en rad.’ De verhuis van Al van Brooklyn naar Chicago was vermoedelijk een vlucht. Hij had de Ierse gangster Arthur Finnegan zwaar toegetakeld en volgens sommige bronnen zelfs gedood. Hij moest dus waarschijnlijk weg uit New York om zijn eigen vege lijf te redden, want de Ieren zinden op wraak.

 

Was hij lid van een New Yorkse gangsterbende?

Bair: Nee, maar eens in Chicago werkte hij wel voor maffiabaas Giovanni ‘Johnny’ Torrio, Papa Johnny voor de vrienden. Torrio leidde geen echte gang, maar had allerlei mensen ‘in dienst’ met elk hun specialiteit, zoals afpersing of de illegale gokindustrie. Al Capone was een van Johnny’s ‘bedienden’. Torrio zal wel gezegd hebben: ‘Waarom verhuis je niet voor een paar jaar naar Chicago tot alles afgekoeld is?’ Al beheerde geld voor Torrio, want hij kon vertrouwd worden en was slim met cijfertjes.

 

Hij was Torrio’s accountant?

Bair: Precies. In zijn hele leven heeft Al Capone maar één legale baan gehad, en dat was ook als boekhouder. Hij was misschien zelfs aan de juiste kant van de wet gebleven als zijn vader Gabriele niet zo jong gestorven was. Gabriele had een bloeiende kapperszaak en een kwakkelende gezondheid. Toen vader Capone in november 1919 aan een hartaanval bezweek, was Al net met het twee jaar oudere Ierse middenklassemeisje Mae getrouwd en zelf ook vader geworden. Hij had Mae leren kennen in de kartonfabriek waar hij werkte. Op zijn drie oudere broers Vincenzo, Raffaele en Salvatore kon hij niet rekenen om voor zijn moeder Teresa te zorgen. De weduwe zelf had nog vijf kinderen thuis. Van de ene dag op de andere werd Al de kostwinner voor zijn moeder, zijn broers en zussen en zijn eigen gezin. Dat was het moment waarop hij zijn boekhoudersbestaan vaarwel zei, in dienst kwam van Johnny Torrio en naar Chicago vertrok.

 

In New York had hij dan misschien wel een legale job, een koorknaap was hij toch niet? Op het moment dat hij Brooklyn verliet, noemde iedereen hem al ‘scarface’.

Bair: Hij haatte die bijnaam. Het litteken in zijn gezicht was een gevolg van een gevecht in een café. Hij maakte een jonge vrouw een compliment: ‘U hebt een fraaie kont, juffrouw.’ Haar broer kon daar niet mee lachen en ritste ofwel met een mes, ofwel met een gebroken fles over Capone’s gezicht. Later durfde niemand het aan om in zijn nabijheid het woord ‘scarface’ te laten vallen. Zijn kompanen wisten dat hij dan uiterst gewelddadig werd.

 

In Chicago maakte hij snel ‘carrière’?

Bair: Hij klom in een rotvaart op de ladder in Torrio’s organisatie. Hij verhuisde zijn hele familie naar Chicago en geen enkele Capone keerde ooit terug naar Brooklyn.

 

Echt lang duurde de carrière van Al Capone niet.

Bair: Nee, en dat was voor mij een grote verrassing. Op zijn 25e had hij de hele wereld in zijn zak en op zijn 29e was hij al op weg naar de cel. Amper vijf jaar lang was hij de koning van de onderwereld van Chicago. En toch is hij nu nog steeds the talk of the town.

 

Is dat omdat hij als killer een immens bloederig spoor achterliet?

Bair: Niet alleen daarom. Ik wik mijn woorden nu, maar hij was minstens even excentriek als onze kersverse president Donald Trump. Al Capone is de uitvinder van de ‘spin’, u kent dat wel: de kunst van het verzinnen van ‘alternatieve feiten’. Tot voor kort dacht ik dat Capone op eenzame hoogte stond, de voorbije weken heb ik dat jammer genoeg moeten herzien: Trump steekt hem naar de kroon. (lacht)

 

Donald Trumps grote leermeester was in de jaren zeventig wijlen Roy Cohn, de advocaat van beruchte New Yorkse maffiosi als Carmine Galante, Tony Salerno en John Gotti.

Bair: Dat is dan een extra verbinding tussen beiden. Net als Tump was Al Capone erg flashy, flamboyant en larger than life. Alle andere maffiosi leidden stille levens en meden de schijnwerpers, maar Capone zocht de aandacht op. Hij droeg absurde kledij, zoals banaangele en paarse kostuums en hij was verzot op gigantische diamanten ringen en dasspelden. Hij mengde zich onder de jetset en liet het geld rollen. Twee derde van de politie van Chicago stond op zijn loonlijst. Hij betaalde journalisten royaal om positieve verhalen over hem te schrijven en creëerde zo zijn twintigste-eeuwse variant van breitbart.com. De stennis die hij in zijn tijd schopte, houdt hem tot vandaag alive and kicking. De Bulgaarse maffia heeft de manier waarop Capone de Chicago Outfit leidde grondig bestudeerd en brengt dat nu zelf in de praktijk. De regering van Tadzjikistan heeft een postzegel laten drukken met zijn gezicht op. Ze zijn allemaal grote fans. Capone was een geslepen vos. Aan de businessschool van de universiteit van Harvard wordt een cursus gegeven waarin bestudeerd wordt hoe Al Capone zijn illegale zakenafdeling leidde. Hij had het zonder twijfel erg goed gedaan als ceo van een regulier miljoenenbedrijf.

 

Waren de late jaren twintig en de vroege jaren dertig van de twintigste eeuw even woelig als nu?

Bair: De Amerikaanse samenleving was toen net zo diep verdeeld als nu. Een kleine groep rijken werd niet geraakt door de Grote Depressie en bleef in het geld zwemmen; de rest van de Amerikanen had alles verloren en was straatarm. Al Capone beweerde dat hij voor de kleine man was, voor de gewone dompelaar. Hij presenteerde zich als een soort Robin Hood, organiseerde soepkeukens voor mensen die honger leden, deelde bankbiljetten uit en stuurde kinderen naar school. Tezelfdertijd maakte hij woekerwinsten met illegaal gestookte drank. In dat diep verdeelde Amerika was daar plots die figuur van Al Capone die zonder scrupules in het openbaar de wet aan zijn laars lapte en er nog mee weg geraakte ook. Hij was niet de enige die de wet overtrad: nog veel anderen stookten illegaal alcohol om door te verkopen. Maar zij leefden ondergedoken.

De droogleggingswet was ontsproten uit de koker van oerconservatieve rechtse scherpslijpers. Vandaag wordt ons land geleid door gelijkaardige politici. Het lijkt alsof de geschiedenis rondjes draait, vindt u niet? In de jaren twintig en dertig vergaapte het hele land zich aan Al Capone, net zoals iedereen nu zit te staren naar Donald Trump, die andere brulboei die vroeger hard bezig was met het opeenstapelen van geld. Iedereen vindt hem fantastisch en houdt van hem. Ze hielden ooit ook van Al Capone, tot ze zich op een bepaald moment massaal tegen hem keerden en hij in de cel eindigde. We leven dus nog op hoop. (diepe zucht)

 

De gelijkenissen tussen de tijd van Capone en de huidige tijd van Trump boezemen u angst in?

Bair: Heel erg veel zelfs. Ik demonstreer mee met de vrouwen en doneer geld voor progressieve goede doelen. Ik word doodsbang als ik zie wat er aan de top van het land gebeurt. Het enige hoopgevende is dat steeds meer Amerikanen tegen hun nieuwe regering in het verzet gaan. Natuurlijk was de crisis van de Grote Depressie veel ingrijpender dan de huidige. Tijdens de drooglegging probeerden mensen te overleven en hadden ze wat anders aan hun hoofd dan demonstreren tegen de overheid. In 1932 werd de progressieve president Franklin Roosevelt verkozen. Met zijn New Deal schonk hij ons een sociaal contract en introduceerde hij sociale zekerheidsprogramma’s. Toen begon de oorlog die ons helemaal uit de depressie trok. ‘Dankzij’ de oorlogsindustrie had iedereen tegen 1940 een job. Het afgrijselijke oorlogsscenario zorgde paradoxaal genoeg voor stabiliteit en bracht later terug welvaart in dit land. Maar op dit moment is er noch stabiliteit, noch welvaart. Dat is zeer onrustwekkend.

 

Hoeveel mensen heeft Al Capone eigenhandig vermoord?

Bair: Daar bestaat nog steeds geen overeenstemming over. Zowat alle boeken die tot hiertoe over Capone verschenen zijn, gebruiken dezelfde bronnen en toch komen ze tot uiteenlopende tellingen van de slachtoffers die hij eigenhandig gedood heeft. Er zijn twee uitersten: ofwel tussen 18 en 25, ofwel 500. Ik durf er geen cijfer op te plakken. U mag kiezen: een stuk of 20 of een stuk of 500. (lacht) Al was erg begaan over zijn public relations en deed er alles aan om niet het imago van massamoordenaar te krijgen. Het lijkt me daarom ook logischer dat hijzelf ‘maar’ 18 mensen omlegde in plaats van 500. ‘Uitbesteden aan onderaannemers’ lag meer in zijn aard. Toen hij op zijn veertiende de school vaarwel zei, kreeg hij van zijn vader een schoenpoetskistje cadeau. Pa Capone bracht zijn zoon naar een drukke straat in Brooklyn. De boodschap was duidelijk: ’Vanaf nu, zoon, verdien je je kostje maar als schoenpoetser.’ Al wou zijn handen niet vuil maken en hij verkocht zijn schoenpoetsdoos aan een andere jongen. Met de opbrengst huurde hij een groep straatjongens in die voor hem schoenpoetsertjes gingen afpersen. Wie geen problemen wilde, betaalde braaf zijn bijdrage aan Al Capone. Dat was het oerbegin van zijn leven als mobster.

 

Een van de beruchtste raids waar Al Capone verantwoordelijkheid voor draagt, is het bloedbad van Sint-Valentijn, waarbij zijn bendeleden in politie-uniform zes leden van een rivaliserende bende afmaakten. Capone zelf was toen niet in Chicago, maar op vakantie in Florida.

Bair: Hij genoot van de zon op het terras van zijn schitterende huis in Miami. Op 14 februari 1929 gaf hij er een groots feest voor alle lokale notabelen. De burgemeester, de commissarissen, hoofdredacteurs… ze waren er allemaal. De drank vloeide in beken. Al droeg zijn schitterende witte pak en ondertussen vond in Chicago de slachting plaats van zes leden van de concurrerende bende van de Ierse gangster George ‘Bugs’ Moran. Ze werden in een garage in koelen bloede met machinegeweren afgemaakt. Het afgrijzen over dat bloedbad was groot en betekende het begin van het einde van Al Capone. De andere bendeleiders van Chicago zeiden dat ze wisten dat Capone het meesterbrein achter de slachting was. Want: ‘Nobody kills like Al Capone.’ De publieke opinie keerde zich tegen hem. De federale overheid wou hem achter de tralies. Ze kregen hem niet te pakken voor de moordpartijen en zijn criminele activiteiten, maar wel voor belastingfraude: Al betaalde geen belastingen omdat hij naar eigen zeggen geen inkomen had. In 1931 werd hij gearresteerd.

 

Van Donald Trump wordt ook gezegd dat hij zijn belastingaangiften niet wil vrijgeven omdat dan zou blijken dat hij al jaren geen belastingen betaalt.

Bair: De gelijkenissen tussen die twee zijn echt griezelig. De Amerikaanse fiscus ging niet langer akkoord met Capone’s uitleg dat hij geen cent verdiende. ‘Hoe kunt u dan duizend dollar per week besteden aan delicatessen? Hoe betaalt u dan uw handgemaakt zijden ondergoed? Uw schitterend huis? Uw personeel? U leeft als een multimiljonair en toch beweert u geen dollarcent te verdienen.’

Belastingontduiking werd toen bestraft met 2,5 jaar; Al kreeg van zijn rechter elf jaar. De druk om hem op te sluiten was groot. Zijn proces was een aanfluiting: met wat aan bewijzen op tafel lag, had hij nooit zo’n zware straf mogen krijgen. Hij werd opgesloten in de gevangenis van Atlanta waar hij zich ontpopte tot voorbeeldgevangene in de hoop zo vervroegd vrij te komen. Na twee jaar werd hij overgebracht naar de nieuwgebouwde gevangenis op Alcatraz Island vlakbij San Francisco. Ze probeerden van Capone een afschrikwekkend voorbeeld te maken dat misdaad niet loont. Maar op dat moment was hij al volop aan het dementeren als gevolg van de syfilis die hij rond zijn 18e bij een hoertje had opgelopen. Hij gaf de ziekte toen ook door aan zijn vrouw Mae en zijn ongeboren zoon. In de gevangenis van Atlanta kreeg Al de eerste aanvallen. In Alcatraz had hij nog de verstandelijke vermogens van een tienjarige. De dementie werd zo erg dat ze hem vrijlieten. Hij trok zich terug in zijn huis in Miami waar hij als gevolg van de syfilis op zijn 48e overleed.

 

Bent u tijdens het schrijven van uw boek sympathie beginnen koesteren voor Al Capone?

Bair: Eigenlijk wel. Ik heb een uitgebreide studie gemaakt over immigranten uit Zuid- en Oost-Europa in de VS en zij kregen het uitzonderlijk hard te verduren. De miserie waarin de familie Capone ondergedompeld werd, geldt voor mij als verzachtende omstandigheid. Uit alle gesprekken die ik met zijn nog levende naaste familieleden had, komt Al naar voor als een liefhebbende echtgenoot, vader en grootvader. Zij vinden het lastig om de meedogenloze killer in hem te zien.

 

Zetten zijn nazaten zijn werk voort?

Bair: Geen enkele Capone is in de misdaad actief. Sommigen zijn ondernemer, anderen dokter, nog anderen verdienen hun dagelijkse brood aan de universiteit. De Capone’s vormen een hechte, warme familie, wat typisch is voor Italiaanse immigranten van de derde en vierde generatie. Ze hebben het gemaakt en uitstekende carrières uitgebouwd. Moest Al een halve eeuw later geboren zijn, zat hij nu niet als die mythische moordende scarface in ons collectieve geheugen.

 

Deirdre Bair, Al Capone. Leven, legende en nalatenschap, Spectrum, 454 blz., 29,99 euro

 

 

Deirdre Bair

1935: geboren in Pittsburgh, Philadelphia.

1957: studeert af aan de letterenfaculteit van de universiteit van Pennsylvania.

1957 – 1969: werkt als assistent-professor Engels aan dezelfde universiteit.

1976: wordt professor literatuur aan de universiteit van New York.

1990: publiceert haar biografie Samuel Beckett waar ze de National Book Award mee wint. In datzelfde jaar volgt ook nog Simone de Beauvoir: A Biography.

1995: haar biografie Anaïs Nin wordt door de New York Times verkozen tot ‘beste boek van het jaar’.

2003: Jung, A Biography verschijnt.

2012: in Saul Steinberg, A Biography, reconstrueert ze het leven van een van de meest vooraanstaande cartoonisten van het magazine The New Yorker.

 

 

© Jan Stevens

 

 

https://player.fm/series/interne-keuken-podcast/interne-keuken-25-maart-2017

 

sport der koningenEen ‘Great American Novel’ schrijven: niets meer of minder was de ambitie van de nog jonge Amerikaanse schrijfster C.E. Morgan. Met haar tweede roman Sport der Koningen komt ze héél dicht in de buurt.

 

 

Vijf jaar geleden schreef C. E. Morgan naar aanleiding van de heruitgave van Light in August van William Faulkner op nieuwssite The Daily Beast een lange beschouwing over The Great American Novel. Het ideaal van die grote, epische roman die à la Faulkner de Amerikaanse ziel weet te vatten, was voor de (post)moderne literatuurliefhebber a bit of an embarrassment geworden, schreef ze. ‘De Great American Novel wordt gekastijd als een mannelijke uitvinding, als een viering van de literaire diepte en breedte van het mannelijke brein ten koste van zijn vrouwelijke tegenhanger. Bijna iedereen lijkt het erover eens te zijn: de ‘grote Amerikaanse roman’ is rijp voor het pensioen, of is een literaire dinosaurus die we, met trots, als uitgestorven mogen beschouwen.’ Wat Morgan vervolgens in haar artikel te vuur en te zwaard bestreed. ‘De Great American Novel is helemaal niet dood’, besloot ze. ‘Ons land is niet dood. Tragedie is niet dood. Hilariteit is niet dood, net als geboorte, huwelijk, seks, misdaad, haat, waanzin, gebed.’ De daad bij het woord voegend, werkte ze in de jaren erna naarstig aan Sport der Koningen, haar vuistdikke ‘grote Amerikaanse roman’ waarin ze op Faulkneriaanse wijze het epos van de bijna mythische familie Forge schrijft.

Henry Forge groeit in de jaren vijftig van de twintigste eeuw op het platteland van Kentucky op. Zijn vader stamt uit een familie met een bloedlijn die teruggaat tot de Amerikaanse Burgeroorlog. Rijke voorvader Samuel Forge vond Virginia, de staat waar hij woonde, te druk en te dichtbevolkt, hij zadelde zijn paard, stak met zijn favoriete slaaf de bergen over en legde in Kentucky de fundamenten voor de boerderij en de landerijen van de familie Forge. Henry’s vader is minstens even streng als oervader Samuel en tuchtigt zijn zoon met de riem. Maar de wil van de eigenwijze Henry breekt hij niet. Integendeel, wanneer Henry het op de boerderij voor het zeggen krijgt, ruilt hij de tabakskweek in voor het fokken van paarden. Hij moet en zal het ultieme paard fokken en zo zijn vader eens en voorgoed overvleugelen. Hij werkt daarvoor samen met zijn dochter Henrietta. Dat loopt niet van een leien dakje, want Henrietta heeft een aartje naar haar vaartje en is minstens even eigenzinnig. De komst van de zwarte ex-gevangene Allmon Shaughnessy als stalknecht, zet het conflict tussen vader en dochter op scherp.

C.E. Morgan is als schrijfster minstens een even grote doordouwer als haar hoofdfiguur Henry. Haar ambitie om die grote Amerikaanse roman te schrijven, spat van elke bladzijde. Alle ingrediënten zijn ook ruim aanwezig, met veel aandacht voor het brede historische perspectief, met schitterende beelden, fraai gecomponeerde zinnen, uitzinnige vreugde en neerdrukkende tragiek. Slaven, moord, doodslag, geknetter van vuursteengeweren, onversneden racisme, incest… you name it, C.E’s got it. Alleen jammer genoeg soms iets té veel. Want na vierhonderd bladzijden weegt de zoveelste gedetailleerde natuurbeschrijving toch ietwat zwaar. Met een klein beetje dosering was Sport der koningen uitgegroeid tot een waarlijk grote Great American Novel.

 

 

C.E. Morgan

De in Kentucky opgegroeide Amerikaanse schrijfster C. E. Morgan (1947) debuteerde in 2009 met de bejubelde liefdesroman Alle levenden. De National Book Foundation riep haar in datzelfde jaar prompt uit tot een van de vijf meest belovende Amerikaanse auteurs onder de 35. Morgan studeerde literatuur en theologie en schuwt het bijbelse taalgebruik niet.

 

C.E. Morgan, Sport der koningen, De Bezige Bij, 672 blz. 24,99 euro

 

© Jan Stevens