‘‘Dat is nu eenmaal je job’, krijgen onze verpleegkundigen te horen. Velen lijken niet te beseffen dat dit níét hun reguliere werk is’

De Zeno-reportage vanop intensieve zorg in AZ West in Veurne laat bij psychiater Peter Adriaenssens diepe indruk na. “Ze bulkt van de schrijnende voorbeelden van ‘moreel trauma’ bij zorgverleners.” Over de gevolgen maakt hij zich ernstige zorgen. “Ze zagen de angst in de ogen van de bejaarden die ze intubeerden.”

“Moreel trauma wordt zwaar onderschat”, zegt kinder- en jeugdpsychiater Peter Adriaenssens. “Mensen in de zorg zijn doordrongen van empathisch hulpverlenen. Dat komt de gezondheid van hun patiënten ten goede, maar ook hun eigen welbevinden.”

Sinds de start van de covidcrisis leven veel ziekenhuisartsen en verpleegkundigen onder voortdurende druk. “Ze moeten continu kiezen tussen de pest en de cholera. Als het operatiekwartier tot intensieve zorg vertimmerd wordt, wil dat zeggen dat een deel van de dringende niet-covid ingrepen uitgesteld wordt. Als de richtlijn bepaalt dat op intensieve zorg altijd een bed voor een covidpatiënt beschikbaar moet zijn, heeft dat als gevolg dat een andere patiënt er niet binnen mag. Als alle bedden op de crisisafdeling door covidpatiënten zijn ingenomen, worden ernstig suïcidale mensen naar huis gestuurd.”

Volgens Adriaenssens beletten al dat soort van dilemma’s zorgverleners om empathisch te handelen. “Ze vormen de bron voor moreel trauma, voor dat allesverterende gevoel bij hulpverleners dat ze grenzen hebben overtreden.”

Wat is het verschil tussen ‘moreel trauma’ en posttraumatische stressstoornis (PTSS)?

“PTSS is een gevolg van geweld dat jou door iemand anders is aangedaan, terwijl een moreel trauma het gevolg is van het overtreden van regels die je jezelf hebt opgelegd. Het begrip ‘moreel trauma’ stamt uit de wereld van de militairen. Tijdens de Vietnamoorlog kregen Amerikaanse soldaten de opdracht om als vergelding een dorp uit te moorden. Ze waren getraind om bevelen uit te voeren. Maar op dat moment voerden ze een bevel uit waar geen enkele logica meer achter zat. Die burgers waren totaal onschuldig. Jaren later kregen sommige militairen dan ook te kampen met mentale problemen.

“Verpleegkundigen en artsen zijn opgeleid om het goede te doen. Maar er is altijd dat grensdomein: in hun carrière komen er gegarandeerd momenten waarop ze hun beroep niet helemaal kunnen uitoefenen zoals het eigenlijk hoort. Ze hebben ervaring met de stress die veroorzaakt wordt door dat soort van conflictsituaties. Vandaag is het totaal anders: nu gaat het over zorgverleners die al een zeer lange periode geconfronteerd worden met de ene na de andere schending van wat ze ooit als de ‘juiste praktijk’ geleerd hebben.

“De gevolgen van dat moreel trauma kunnen zich vervolgens in de operatiezaal manifesteren. Waarbij artsen of verpleegkundigen tot de conclusie komen: ‘Met die collega valt niet meer te werken. Hij wil alles en iedereen controleren en bekritiseert ons continu. Wij kunnen nooit goed doen.’ Terwijl die man of vrouw in kwestie misschien een door covid gestorven patiënt op zijn tafel had, iemand die in normale omstandigheden niet had hoeven te sterven.”

Dat extreme controleren en bekritiseren van die ene collega is dan een gevolg van de grote traumatiserende ervaring van dat overbodige sterven?

“Precies. Als reactie daarop veranderde die collega in ‘een moeilijke mens’. De aanslepende coronacrisis zorgt ervoor dat nu zowat overal hulpverleners afhaken. Gemakshalve plakken we daar dan het etiket ‘burn-out’ of PTSS op.

“Het UZ Gent maakte bekend dat het zijn personeel tussen kerst en nieuwjaar een paar rustige dagen gunt. De zorgverleners mogen even ‘bekomen’. De overheersende terminologie is nu: ‘rusten’ en ‘bekomen’, dan komt het wel weer goed. Alleen gaan die sussende woorden voorbij aan de door covid veroorzaakte voortdurende conflicten die bij hulpverleners het geloof in hun beroep én hun eigen vaardigheden aantasten.”

Ik sprak een gepensioneerde verpleegster met een lekkende hartklep wier dringende operatie door de toevloed van covidpatiënten op intensieve zorg werd uitgesteld. Zij was vooral boos op de ongevaccineerden op intensieve. Haar dochter is actief als verpleegster en stelt zich daar ook torenhoge vragen over.

“Dat is een perfecte illustratie van zo’n conflict. ‘Die mevrouw heeft evenveel recht op haar operatie.’ In ziekenhuizen mocht en mag daar níet over gesproken worden. Al liet hier en daar wel een ziekenhuis weten: ‘Wij geven covidpatiënten geen voorrang meer.’”

Zoals UZ Gent?

“Ja, en meteen reageerden zowel de minister van Volksgezondheid als de Orde der artsen: ‘Dit kan niet.’ Het ziekenhuispersoneel mag dus niet langer ‘zijn gedacht zeggen’, terwijl alle anderen aan de toog wél nog flink van leer mogen trekken. Natuurlijk is er een groot verschil tussen de cafétoog en de praktijk aan het bed van een ongevaccineerde covidpatiënt. Vanzelfsprekend geef je die mens de allerbeste zorgen, zonder morren. Maar beeld het je toch maar eens in: wat doet het diep vanbinnen met je als je als verpleegkundige niet langer luidop mag zeggen dat jij vindt dat die mevrouw met haar lekkende hartklep niet het slachtoffer mag zijn van een ongevaccineerde op intensieve?

“Intensieve zorg is een erg uitdagende ziekenhuisafdeling. Dokters en verpleegkundigen kiezen er bewust voor om daar te gaan werken, en krijgen ook een kick als ze dankzij hun vaardigheden een mensenleven kunnen redden. De eerste lockdown verliep zéér dramatisch. Het heldenverhaal van intensieve zorg zorgde ervoor dat meer jongeren voor een studierichting in de zorg kozen. Tezelfdertijd vond er onder de waterlijn een gigantische crash plaats: want deze mensen die zo graag willen tonen wat ze in hun mars hebben, konden dat onder druk van corona niet meer.

“De verplichte quarantaine had als vreselijke gevolg dat mensen in eenzaamheid moesten sterven. Als je als patiënt geïntubeerd wordt, wil dat niet per se zeggen dat het einde nabij is. Maar soms wel. In volle covidcrisis was het quasi onmogelijk om vlak voor het intuberen mensen nog met hun naasten te laten spreken. Af en toe volgden er dan woeste reacties van familieleden: ‘Konden jullie niet één uur wachten?’”

Ook sommige familieleden raakten zo getraumatiseerd?

“Jawel. Sommigen kregen enkel nog een lijkzak te zien. Want zeker in de eerste lockdown verdween al wie aan covid overleed, onmiddellijk in een lijkzak. De angst voor besmetting was extreem groot.”

Overledenen werden bijna beschouwd als potentieel ‘gevaarlijk giftig afval’?

“Toch wel. Familieleden vroegen: ‘Heeft hij nog iets gezegd?’ Verpleegkundigen durfden niet te antwoorden dat er geen tijd meer was om iets te zeggen, terwijl net dat de realiteit was. De ‘normale’ zorg, met heel gewone gesprekken tussen familieleden en zorgverleners, viel volledig weg. Daar ontbrak de tijd voor. Er moest razendsnel beslist worden om te intuberen. Verpleegkundigen zagen de angst in de ogen van de bejaarden bij wie ze een buis in de luchtpijp aanbrachten.”

Want die patiënten beseften: ‘Misschien is dit mijn laatste beeld van de wereld?’

“Ja, en sommigen vroegen wellicht ook: ‘Maak ik nog een kans? Wat denkt u?’ Alleen kon die verpleger of verpleegster daar op dat moment geen zinnig antwoord op geven. Ze wisten het gewoon niet. Intussen speelden zorgverleners langzaamaan hun heldenpositie kwijt en kregen ze steeds vaker te horen: ‘Jullie moeten niet te moeilijk doen.’”

Tijdens die eerste lockdown werd er vaak gezegd dat wij ons in een soort van oorlogssituatie bevonden. Maar terwijl wij in de warme voorjaarszon met onze bubbel een deugddoende wandeling maakten, was intensieve zorg herschapen in een écht oorlogsfront?

“De dokters en verpleegkundigen op intensieve zorg waren inderdaad frontsoldaten. Ze werden met een resem bevelen de linie ingestuurd, maar wisten niet wat hen te wachten stond. Ze waren totaal onvoorbereid. Ook nu zijn er nog veel vraagtekens. Ze weten niet of de middelen die ze vandaag voorhanden hebben er morgen nog zullen zijn.

“Hulpverleners die hopen om geen besmetting mee naar huis te nemen: in Afrika hebben ze daar ervaring mee; in Europese landen is dat heel ongewoon. Precies dat speelt zich nu alle dagen bij ons af. Partners, kinderen of ouders vragen dan bezorgd: ‘Zou je daar wel blijven werken?’ Want hoe gevaarlijk is dat virus eigenlijk, die onzichtbare vijand?”

Zorgverleners die met een moreel trauma worstelen, zijn slachtoffers van ‘onzichtbaar geweld’?

“Ja. Een slachtoffer van lichamelijk geweld is geslagen of betast. Hij weet dat het die andere was, de dader, die de regels overschreed. Bij moreel trauma overschrijdt die ‘andere’, de patiënt, geen enkele regel. Integendeel, die vraagt enkel de beste zorgen. Als zorgverlener wil je niet anders dan de regels respecteren, maar de omstandigheden dwingen je tot handelingen die je nooit had denken te moeten verrichten. Ze voelen aan als schendingen, alsof je als frontsoldaat het bevel kreeg om op onschuldige burgers te schieten.”

Sommige artsen en verpleegkundigen worstelen daar op dit moment mee; anderen schuiven dat moreel trauma nog even voor zich uit?

“Iedereen heeft zijn eigen kwetsbaarheid en tempo. We kennen allemaal mensen die in het heetst van de strijd superkrachtig zijn, maar pas veel later mentaal instorten. Zorgverleners op intensieve zijn best wat gewoon. Ook ambulanciers kweekten een dik vel: ‘Ik hielp zwaargewonden uit hun auto bevrijden, maar na corona gaat het niet meer. Wat is er toch met mij aan de hand?’

“Het is belangrijk dat mensen zoals ik hen uitleggen dat ze moreel getraumatiseerd zijn en al onze steun verdienen. Ze mogen niet geboekstaafd worden als ambetante collega’s die plots alles en iedereen willen controleren. Of als die man of vrouw waarmee nog maar moeilijk valt samen te werken.”

Is die toename in ‘moeilijk gedrag’ van artsen en verpleegkundigen ook objectief vast te stellen?

“Uit gesprekken die ik met ziekenhuisdirecties voer, kan ik toch afleiden dat de groep kwetsbare personeelsleden aangroeit. Voor de ene medewerker moeten alle procedures plots zeer strikt verlopen, de andere is dan weer snel op zijn tenen getrapt. Daarnaast zijn er ook nog degenen die dichtklappen en in stilte een gevecht voeren met schuld en schaamte. Ze voelen zich niet langer bekwaam en vinden bijvoorbeeld dat ze niet langer het recht hebben om hoofdverpleegkundige te zijn. Ze crashen en slagen er niet in om overeind te krabbelen.”

Wat zijn de gevolgen op langere termijn van moreel trauma?

“Dat weten we niet. Moreel trauma wordt op dit moment nog volop onderzocht. Lang had dat een negatieve bijklank, omdat het voor het eerst beschreven werd bij militaire piloten die bommen gedropt hadden op onschuldige burgers, of vanop afstand drones met dodelijke raketten hadden bediend.

“Van zodra je in omstandigheden werkt waarbij je met je eigen standaarden in conflict raakt, riskeer je een moreel trauma. Wanneer je bazen vervolgens zeggen: ‘We weten dat het niet ideaal is, maar werk maar verder,’ komt daar nog een conflict bij. Vaak volgt dan ook nog het thuisfront: ‘Dat is toch niet meer normaal wat jij moet doen?’”

Wie met een moreel trauma te kampen krijgt, wordt heel eenzaam?

“Die klacht hoor je dan vaak. In ziekenhuizen voelen vooral degenen die de bevelen moeten doorgeven zich eenzaam, zoals de hoofdverpleegkundigen. Of degene die tegen de patiënt op de operatietafel op het laatste nippertje moet meedelen dat zijn operatie wordt uitgesteld. ‘Uw tumor kan nu niet verwijderd worden, want deze operatiezaal wordt een covidafdeling.’ De verpleegkundige die die boodschap moet overbrengen, is het daar wellicht totaal mee oneens; iemand anders gaf hem die opdracht. Dit is geen fictief voorbeeld, hé. Dat stond een paar weken geleden in de krant. Vroeg iemand zich toen ook af hoe het met die boodschapper van dat slechte nieuws gesteld is? Hoe is die ‘pineut’ eraan toe die in de ogen van de ander het ongeloof zag?”

Vergroot de maatschappelijke polarisering rond corona de impact van dat moreel trauma?

“We leven in een mondig land; polarisatie is niet te vermijden. Het zou misschien al helpen als we iets minder heisa over die polarisering zouden maken, want in een democratie moet je nu eenmaal leren omgaan met meningen die soms haaks op elkaar staan. Door het verkondigen van je mening vallen er geen doden. Op voorwaarde natuurlijk dat een meningsverschil niet in agressie ontaardt. Want dan durven mensen hun gedacht niet meer te zeggen, omdat ze bang zijn om klop te krijgen. Die toenemende angst is er wel degelijk, en dat is verontrustend.”

Mijn schoonbroer werd buschauffeur bij de Lijn omdat hij hield van sociaal contact. In het voorjaar van 2015 werd hij op een dag out of the blue door een passagier fysiek aangevallen. Mijn schoonbroer kreeg achteraf psychologische bijstand, maar bleef met dat incident worstelen. Hij durfde niet meer achter het stuur, nam uiteindelijk ontslag en ging iets totaal anders doen. Tot vandaag heeft hij last van dat voorval. Worstelt hij ook met een moreel trauma of eerder met PTSS?

“Er is niet altijd zomaar onderscheid tussen moreel trauma en PTSS te maken.  Maar wat we uit onderzoek wel weten, is dat een behandeling voor PTSS minder goed werkt wanneer moreel trauma de hoofdzaak is. Eerst moet het morele aangepakt worden: we moeten ervoor zorgen dat erkend wordt dat de terechte grenzen van mensen verkracht zijn. Uw schoonbroer oefende zijn job correct uit en zag en ervaarde hoe dat door een van zijn passagiers geschonden werd. Dus ja, vandaag zouden we dat moreel trauma noemen.

“Tijdens de rellen na de eerste coronabetoging in Brussel zag een politieman hoe een antivaxer een brandblusapparaat in de nek van een collega gooide. Het slachtoffer had serieuze medische zorg nodig. Die politieman begon zich vragen over zijn beroep te stellen. Hij had geleerd hoe hij de orde op een betoging moest handhaven, was ervaren en wist dat het er heftig aan toe kon gaan. Maar hij was er niet op voorbereid dat iemand met een brandblusser gericht een ander mens te lijf gaat. Hij vraagt zich nu vertwijfeld af ordehandhaven wel zijn beroep is. Net zoals uw schoonbroer niet meer achter het stuur durfde, worden Brusselse politieagenten ziek wanneer er een nieuwe betoging wordt aangekondigd. Ze blokkeren als gevolg van wat ze eerder meemaakten.”

Kunnen psychotherapeuten op de werkvloer morele trauma’s helpen vermijden?

“Daar is ondertussen de kennis en ervaring voor. Maar een lastig probleem is dat zorgverleners vanuit hun opleiding weten wat traumatische stress is. Vaak vinden ze het te lang normaal dat ze daar last van hebben. Verpleegkundigen leggen de lat voor zichzelf hoog: ‘Natuurlijk heb ik nachtmerries; slecht slapen hoort erbij.’ Zo walsen ze om de hete brij heen.

“Gesprekken achteraf, met de hele ploeg samen, helpen wel. Die debriefings vinden ook plaats, alleen moeten er dan meestal eerst een resem medische en technische problemen besproken worden, waarna er amper nog tijd overblijft. Daarom pleit ik voor debriefings met op de agenda als allereerste punt: ‘Hoe gaat het met jou?’

“De man of vrouw die dat gesprek leidt, zal ervoor moeten zorgen dat àlle deelnemende zorgverleners zich veilig voelen. Iedereen zal op dat moment zijn verdriet, schaamte, schuld en kwaadheid vrij mogen uiten. Zo ontdekken collega’s dat ze níet alleen zijn. Maar wat tijdens zo’n gesprek nooit gezegd mag worden, is: ‘Goh, daar hebben we allemaal toch mee te maken?’ Of: ‘Ik vind dat ook.’ Want dat soort van medeleven snoert de mond. Waarom zou jij dan nog uit je schelp kruipen? Je vindt geen troost door je beste collega Jos te horen beamen: ‘Ja, dat vind ik ook.’ Wat je écht nodig hebt, is iemand die je aanmoedigt om joúw verhaal te vertellen.

“De Amerikaanse psychiater Brett Litz voert wetenschappelijk onderzoek naar moreel trauma bij veteranen. Hij ontwikkelde een therapie voor mensen die door hun morele trauma karakterproblemen ontwikkelen. Hij laat hen in gedachten te rade gaan bij een moreel-ethisch aanspreekpunt, bij iemand die ze ooit gekend hebben en die ze een hoge morele standaard toekennen. Zoals die al lang gepensioneerde collega waar zowat iedereen met heimwee aan terugdenkt: ‘Hoe zou hij het hebben aangepakt?’”

Is het dan geen goed idee om voor hulpverleners moreel-ethische aanspreekpunten van vlees en bloed aan te stellen?

“Dat zou zeker kunnen helpen. Al heel wat ethici zijn gespecialiseerd in zorg en gezondheid. Sommigen publiceren zelfs regelmatig opiniestukken in kranten en tijdschriften. Jammer genoeg worden ze te weinig betrokken bij de praktijk. Want zij zijn inderdaad de geknipte personen om aan te schuiven bij nabesprekingen. Als buitenstaander slagen ze er wellicht beter in om zorgverleners écht te laten zeggen wat ze denken en voelen.”

Moeten we toch ook niet opletten dat we niet alles ‘psychiatriseren’?

“Natuurlijk moeten we onderscheid maken in hoe ernstig iets is. Een job uitoefenen, is niet altijd even plezierig. Het paradoxale is dat momenten van frustratie bij veel jobs bijdragen aan het arbeidsgeluk. Het kan even tegenzitten, maar als daarna alles lijkt te lukken, is de vreugde nog zo groot. Maar van zodra iets bittere ernst wordt, mogen we dat ook niet minimaliseren. Van zodra de buschauffeur niet meer achter het stuur durft, de politieagent tijdens demonstraties niet meer de straat op wil, of er met de arts op intensieve geen land meer te bezeilen valt, is er iets zeer ernstigs aan de hand. Zeker omdat het om beroepen gaat waarvan verondersteld wordt dat zij dat allemaal maar moeten kunnen incasseren.”

Hebt u als kinderpsychiater en hulpverlener ooit geworsteld met moreel trauma?

“Als ik op mijn carrière terugblik, herken ik dat bij mezelf ook, ja. Toen had ik dat niet door, nu wel. Zo stuurde een jongere me op een nacht een mail. ‘Ik zie het echt niet meer zitten. Wat ik meegemaakt heb, kan ik niet plaatsen.’ Toevallig zag ik dat bericht en ik antwoordde: ‘Morgenvroeg hebben we een afspraak. We raken er samen wel door.’ Een paar uur voor onze afspraak kreeg ik telefoon: die jongere was voor een trein gesprongen. Mijn wereld stortte in. Niemand nam toen het initiatief om het gesprek met mij aan te gaan. Nu denk ik elk jaar op die bewuste dag aan die jongere.”

De covidcrisis duurt nu bijna twee jaar, met een venijnige vierde golf. Is de toestand op covidafdelingen en intensieve zorgen nog even dramatisch als bij het begin?

“Een van de grote problemen vandaag is de grote ziekte-uitval bij het ziekenhuispersoneel, terwijl het werk hetzelfde blijft. Ziekenhuizen kampen niet meer met een tekort aan materiaal, maar met een tekort aan werkkracht. In het begin van de pandemie was de bereidheid bij artsen en verpleegkundigen van andere afdelingen zeer groot om bij te springen. De coronacrisis blijkt jammer genoeg zéér langdurig te zijn, waardoor het woord ‘trauma’ meer en meer op zijn plaats is.

“Zorgverleners werken inmiddels bijna twee jaar in uiterst moeilijke omstandigheden. Dat is écht niet gezond. Ziekenhuizen waarschuwen terecht voor de uitputting van hun personeel. Als verpleegkundigen op intensieve zorg uitvallen, vervang je die niet in een handomdraai door nieuwe kandidaten. Voor die job moet je goed opgeleid zijn. Zolang de pandemie in golven blijft toeslaan, zou er op intensieve gewerkt moeten worden met mobiele ploegen, samengesteld uit ervaren mensen. In rustigere tijden kunnen die dan op andere afdelingen ingezet worden. Alleen vraag ik me af: bestaat dat soort van ‘jojo-mensen’ eigenlijk wel?”

Wat wél duidelijk is, is dat we uit deze crisis lessen moeten trekken voor de geestelijke gezondheidszorg van zorgverleners?

“Deze covidcrisis drukt ons alleszins keihard met onze neus op de feiten: we zien nu niet alleen de mentale problemen bij verpleegkundigen, maar ook de morele trauma’s van politiemensen. We zijn er getuige van hoe buschauffeurs, ambulanciers en brandweerlui tijdens hun werk worden aangevallen. Maar ook hoe journalisten en persfotografen op betogingen worden afgedreigd. Niet één keer, maar meermaals.

“In de Verenigde Staten werd moreel trauma eerst afgewezen vanuit de redenering: ‘Een soldaat weet waar hij voor kiest.’ Hij leert met vuurwapens omgaan in het volle besef dat hij misschien ooit een mens zal doden. Een tijdlang vond men: ‘Die veteranen toch met hun onzin.’ Dat is gelukkig gekanteld.

“Onze verpleegkundigen krijgen nu dezelfde opmerking naar het hoofd geslingerd: ‘Dat is nu eenmaal je job.’ Velen lijken niet te beseffen dat dit níet hun reguliere werk is, maar dat ze bijna continu aan het front zitten. Noem hen alsjeblieft geen helden om hen zo de mond te snoeren: ‘Je bent een held, maar hang niet het slachtoffer uit.’ We tonen hen beter grote mildheid.”

Peter Adriaenssens

  • geboren op 3 september 1954 in Wilrijk
  • kinder- en jeugdpsychiater met een eigen praktijk in Antwerpen
  • tot eind 2019 hoofddocent aan de KU Leuven
  • directeur Vertrouwenscentrum kindermishandeling van Vlaams-Brabant
  • was voorzitter van de Commissie Seksueel Misbruik in een pastorale relatie
  • schreef meerdere succesvolle boeken over jongeren en opvoeding

© Jan Stevens

‘Waarom wordt een professor stukken beter betaald dan een kinderverzorger? Daar is toch geen enkele rechtvaardiging voor?’

De Belgisch-Indiase econoom Jean Drèze leefde een tijd in de sloppenwijken van New Delhi. Hij bedacht programma’s die miljoenen Indiërs uit de armoede trokken. Onlangs werd hij gelauwerd met de Burgerschapsprijs. “In de sloppenwijk was ik gelukkig.”

Aan het eind van elk jaar reikt de Stichting P&V haar Burgerschapsprijs uit aan iemand die zich inzet voor een open, democratische en tolerante samenleving. De laureaat van 2021 is de in Leuven geboren ontwikkelingseconoom Jean Drèze. Hij krijgt de prijs voor zijn strijd voor sociale gelijkheid in India, waar hij sinds 1979 woont. Jarenlang werkte hij nauw samen met econoom Amartya Sen, Nobelprijswinnaar en armoede-expert.

In 2002 werd Drèze doelbewust Indiaas staatsburger. “Vanaf dan werd ik een échte insider”, zegt hij. “Want als Indiër kon ik lid worden van sociale bewegingen, volop campagne voeren, de regering bekritiseren en me zo totaal engageren voor een beter leven voor mijn landgenoten.”

Spijt van zijn keuze voor die Indiase nationaliteit kreeg hij nooit. “Integendeel. Ik vind het best grappig dat iemand die al 42 jaar lang in een ver buitenland verblijft, nu die Belgische onderscheiding krijgt.”

Met de Burgerschapsprijs mag Jean Drèze een project naar keuze ondersteunen. “Ik kon kiezen tussen een standbeeld of een schenking”, lacht hij. “Dus koos ik voor Mobile Creches. Meer dan een halve eeuw zet die Indiase NGO zich in voor kinderen die uitgesloten worden van ontwikkeling en zorg. Ik ken die mensen erg goed; ik werk zelf geregeld met hen samen. Ze installeren onder andere crèches vlakbij bouwwerven voor de opvang van de kinderen van de bouwvakkers. Ze organiseren ook laagdrempelige buitenschoolse kinderopvang voor Indiase burgers die geen toegang hebben tot de door de overheid geleide reguliere crèches. Daarnaast komen ze op voor kinderrechten.”

U vindt het belangrijk om economische theorie om te zetten in de praktijk, want u bent eerst en vooral een activist?

“Ik hou niet zo van het woord ‘activist’, maar ik wil wel dingen in beweging zetten en ik streef naar verandering. De meeste mensen verlangen naar een betere wereld; ik heb de kans én de vrijheid om daar een flink deel van mijn tijd in te investeren. Dus ja, misschien ben ik op de eerste plaats wél een activist en op de tweede een econoom. (lacht)

“De voorbije twintig jaar werkte ik in India mee aan het opzetten van sociale programma’s die armoede helpen tegengaan. Ik ben heel trots op de National Rural Employment Guarantee Act (NREGA) uit 2005, waarvan ik één van de architecten ben. Dankzij die wet heeft elk plattelandsgezin automatisch recht op 100 dagen tewerkstelling in een publiek project, zoals de aanleg van een weg of het graven van een waterput. Ze hoeven niet te bewijzen dat ze werkloos zijn, een eenvoudige aanvraag volstaat. Die arbeid wordt vergoed met een minimumloon dat binnen de 15 dagen verplicht op hun bankrekening dient gestort te worden. Jaarlijks verdienen zo meer dan 50 miljoen Indiase gezinnen een inkomen.

“Wie in India zijn werk verliest, geraakt moeilijk aan een werkloosheidsuitkering. NREGA helpt de meeste werkloze Indiërs het hoofd boven water te houden. NREGA helpt ook veel Indiase plattelandsvrouwen aan een tijdelijke job, waardoor ze een eigen inkomen verwerven. Zo worden ze onafhankelijker van hun man. Er is nogal wat belangstelling van andere landen voor dit programma, zelfs van rijke staten met vrij makkelijk toegankelijke werkloosheidsuitkeringen. Werklozen betalen om thuis te zitten, kost sowieso handenvol geld. Dan is het misschien verstandiger om hen iets beter te vergoeden en in ruil te laten meewerken aan lokale publieke projecten.

“Ik ben ook heel trots op de National Food Security Act uit 2013, die onder andere bepaalt dat de 120 miljoen Indiase lagere schoolkinderen recht hebben op één warme maaltijd per dag. Maar ook dat zwangere vrouwen recht hebben op een uitkering en behoeftige gezinnen op door de staat gesubsidieerde voedselrantsoenen. Jaren van volgehouden onderzoek én sociale strijd gingen aan die National Security Act vooraf. Nu genieten 800 miljoen mensen daarvan, waardoor het één van de grootste sociale programma’s ter wereld is.”

Als econoom bent u verbonden aan de universiteit van Ranchi, in de staat Jharkhand in het noordoosten van India?

“Correctie: ik ben ‘een soort van econoom’. (lacht) Ik volgde een economische opleiding, maar ik verschil inmiddels een klein beetje van de doorsnee econoom aan de universiteit. Ik publiceer niet meer zoveel in wetenschappelijke tijdschriften.”

Betekent dat voor een econoom niet het begin van het einde? In academische middens geldt toch het adagium: ‘publish or perish’, publiceer of verdwijn?

“Voor wie aan de universiteit werkt, is publiceren inderdaad het allerbelangrijkste. Maar ik was eigenlijk nooit geïnteresseerd in een academische carrière of promotie. Ik begon economie te studeren omdat ik te weten wou komen hoe ik de wereld kon veranderen. Ontzettend veel zaken worden aangedreven door economie. Als je min of meer weet hoe economische systemen ineenzitten, sta je in publieke debatten beter je mannetje. Wie zoals ik voor sociale rechtvaardigheid en gelijkheid strijdt, krijgt van tegenstanders regelmatig economische argumenten voor de voeten geworpen. Vaak zijn die opposanten zelf ook economen.”

Die dan de zegeningen van de vrije markt bezingen?

“Precies. Ik schreef me indertijd als student trouwens niet meteen aan de faculteit economie in, maar volgde eerst politieke en sociale wetenschappen. Als jonge adolescent was ik eigenlijk niet zo geïnteresseerd in studeren en daarom ging ik op zoek naar de kortst mogelijke economische opleiding. Zo belandde ik van 1976 tot 1979 op de universiteit van het Britse Essex. Ik kon er mijn diploma in de wiskundige economie in drie jaar halen; in België was dat onmogelijk. Op de campus was vrijheid troef: ik kon er op mijn eigen tempo studeren en ik vond dat fantastisch. In 1979 vertrok ik naar India.”

Dat was ruim tien jaar na de roemruchte studentenrevoltes van 1968. Was u een hippie?

“Er hing nog flink wat flower power in de lucht, maar een echte hippie was ik niet. (lacht) Ik was wel zeer geïnteresseerd in de burgerrechtenbeweging die in de Verenigde Staten streed voor gelijkberechtiging van zwarte Amerikanen. Al van in de middelbare school in Waver was ik politiek actief, samen met de andere jongens uit mijn klas. Zes jaar lang discussieerden we ontzettend veel, onder het goedkeurend oog van uitstekende leerkrachten. Soms namen we ook deel aan betogingen. Van het neoliberalisme onder Margaret Thatcher en Ronald Reagan was er nog geen sprake. In de eerste helft van de jaren zeventig hing er zelfs optimisme in de lucht: het gevoel overheerste dat de wereld er alleen maar op vooruit kon gaan. Wij geloofden dat we deel zouden zijn van die verandering. Ik werd actief in de vredesbeweging en raakte erg geïnteresseerd in ontwikkelingssamenwerking.”

Op uw 20e kwam u als doctoraatstudent in New Delhi terecht. Was dat een cultuurschok, of voelde het eerder als thuiskomen?

“Het was geen thuiskomen, maar ook geen cultuurschok. Ik wou de wijde wereld ontdekken en werd tezelfdertijd door de mensen in mijn omgeving aangemoedigd om nog meer te studeren. Dat doctoraat aan het Indian Statistical Institute in New Delhi leek die twee ‘verlangens’ te verzoenen. Ik leefde op de campus, tussen andere studenten, in een veilige omgeving.

“De cultuurschok volgde ook later niet. Ik belandde in India zelf nooit in de goorste armoede. Een Indiase arme is er véél erger aan toe dan een Belgische. Armoede in India wil zeggen dat je niet genoeg te eten hebt en je in de winter niet kunt beschermen tegen de kou. Telkens wanneer ik in België kom, sta ik ervan te kijken hoe goed jullie allemaal leven.”

Denkt u dan: “Die Belgen maken zich druk over kleinigheden?”

“Toch niet, al is het natuurlijk wel zo dat door een Indiase lens de Belgische problemen niet zo belangrijk lijken. Ik geloof graag dat jullie het daar niet mee eens zijn. (lacht) Maar van hieruit bekeken, zijn die communautaire schermutselingen tussen Vlamingen en Walen bijvoorbeeld, toch zeer absurd. Tot mijn twaalfde leefde ik als Franstalige jongen in Leuven; ik had er geen enkele Nederlandstalige vriend. Het was alsof er een strikte scheiding liep tussen de Vlaamse en Franstalige Leuvenaars. India bulkt van de talen, religies en culturen. Ik zeg niet dat mijn landgenoten allemaal harmonieus samenleven, integendeel, maar toch is er aan de basis een algemene verdraagzaamheid waar de Belgen veel van kunnen leren.

“Toen ik in 1979 in India arriveerde, was het land getroffen door extreme droogte. Tot mijn grote verrassing waren er vrij goed werkende hulpprogramma’s die mensen hielpen overleven. Er brak geen grote hongersnood uit, zoals in die tijd in Afrika wel schering en inslag was. De productie stond onder druk, maar het werd geen gigantische ramp zoals in de Sahel. Om die Indiase hulpprogramma’s beter te kunnen analiseren, werkte ik voor mijn doctoraatsthesis de theorie van kosten-batenanalyse uit. In wezen komt het erop neer dat die theorie uitlegt hoe beperkte middelen ingezet moeten worden om maximaal te renderen.”

U werkte nauw samen met econoom, filosoof en Nobelprijswinnaar Amartya Sen. Hij was heel belangrijk voor u?

“Amartya was ontzettend belangrijk voor mijn intellectuele ontwikkeling. Hij hielp me de verbinding te maken tussen economie en het échte leven. In 1981 las ik zijn pas verschenen boek Poverty and famines. Dat sloot naadloos aan bij mijn interesse in droogte en hongersnood. Zijn boek ging niet over het voorkomen van hongersnood, maar over de oorzaken ervan. Ik begon met hem te corresponderen en hij nodigde me uit om mijn visie op de preventie van hongersnood op papier te zetten. Dat was meteen ook het begin van onze jarenlange samenwerking. Gaandeweg ontdekte ik zo hoe ik mijn kennis van economie kon inzetten voor échte verandering. Dankzij Amartya leerde ik ook eenvoudig en helder schrijven. Hij heeft een prachtige pen. Als ik nu mijn doctoraatsthesis van weleer herlees, schaam ik me diep. (lacht)

“Amartya Sen is een onafhankelijk denker die niet meesurft op de golven van intellectuele modes. Hij heeft sterke overtuigingen, maar is tezelfdertijd zeer begaan met het nastreven van wetenschappelijke objectiviteit. In academische middens overheerst de teneur dat je als wetenschapper neutraal moet zijn om objectief te kunnen blijven. Een academicus zou dus tijdens zijn werk aan de universiteit geen overtuigingen meer mogen hebben. Ik vind dat verkeerd.”

Niet lang na uw aankomst in India verhuisde u naar Timarpur, een sloppenwijk in Delhi, later ging u in een dorp als gewone Indiër tussen de andere gewone Indiërs wonen. Als professor had u ook in een villa in een residentiële wijk van de rust kunnen genieten?

“Door eenvoudig te leven, breng ik mijn idealen in de praktijk. Ik vind dat zéér belangrijk. Zo toon ik mijn solidariteit.

“Als student verrichtte ik samen met een paar vrienden vrijwilligerswerk in de sloppenwijken. Daar maakte ik snel nieuwe vrienden. De welvaartskloof tussen ons gaf me een ongemakkelijk gevoel. Zij mochten niet binnen op mijn comfortabele campus. Bewakingsagenten hielden hen aan de ingang tegen. Ik pakte mijn boeltje en verhuisde naar hun sloppenwijk. Daar voelde ik me veel gelukkiger.

“Ik heb nooit ontbering gekend. Al mijn basisbehoeften zijn bevredigd en dat is het allerbelangrijkste. Want zo blijf ik functioneren. Ik geloof niet in dat idee van Mahatma Gandhi dat je zoveel mogelijk moet opgeven. Natuurlijk mag je goed voor jezelf zorgen, alleen moet je er óók op letten dat je jezelf niet meer toe-eigent dan je verdient. In de economische leer is nergens een argument te vinden waarom de ene mens meer zou mogen verdienen dan de andere. Waarom wordt een professor stukken beter betaald dan een kinderverzorger? Daar is toch geen enkele rechtvaardiging voor?”

Misschien omdat die professor langer gestudeerd heeft, keihard werkt en als wetenschapsman belangrijke bijdragen aan de samenleving levert? Er zijn wel wat mensen die vinden dat een masterdiploma automatisch een hoger loon verdient dan pakweg een bachelor.

“De bevoorrechten proberen altijd hun privileges te rationaliseren. Niemand werkt zo hard als de riksjarijder. Rijke mensen zoeken voortdurend verhalen om hun manier van leven te rechtvaardigen.”

U noemt uzelf een ‘jholawala-econoom’. Voor conservatieve Indiase media is ‘jholawala’, Hindi voor ‘backpackers’, een spotnaam voor linkse activisten die opkomen voor de welvaartstaat. Beschouwt u zichzelf als een linkse revolutionair?

“Ik ben links, maar geen communist. Ik ijver voor sociale rechtvaardigheid en ben antikapitalist omdat ik gekant ben tegen het maken van winst. Die constante drang om uit alles winst te slaan, zet te veel druk op het milieu, maar ook op de mens.

“Net als in veel andere landen, groeit ook in India de ongelijkheid. De superrijken worden steeds rijker. In India worden ze continu gepamperd. Ze betalen amper belasting, maar ontvangen wel rijkelijk veel overheidssteun. Ze slagen er moeiteloos in om de Indiase regering naar hun hand te zetten zonder zelf politiek actief te zijn. Meer dan ooit is er nood aan een alternatief voor het kapitalisme.”

Is dat alternatief het socialisme?

“Ja, maar minstens even belangrijk is dat het een vrije samenleving wordt en geen kopie van de vroegere Sovjet-Unie. U mag het gerust libertair socialisme noemen, met als essentie: een maatschappij met gelijke, vrije burgers. De weg daarnaartoe is niet eenvoudig, maar we kunnen wel proberen om op kleinere schaal ruimtes te creëren die gebaseerd zijn op vrijheid en gelijkheid. Wat houdt ons tegen om onze werkplekken te herscheppen in democratische oases?”

U bent geen tegenstander van privé-initiatief, van mensen die hun eigen onderneming uit de grond stampen?

“Ik vind niet dat ondernemen een zonde is, nee. (lacht) Al moeten we ons ook niet te veel illusies maken over dat zogenaamde ‘vrije’ ondernemen. Er is heel wat regelgeving waar ondernemers zich aan dienen te houden, kijk maar naar uw eigen land, België. Er wordt ook heel wat overheidsgeld via subsidies geïnjecteerd in bedrijven. In werkelijkheid bestaat de ‘vrije markt’ dus niet, en als ze toch zou bestaan, was dat een regelrechte ramp. We hebben regelgeving nodig, net als overheidsinitiatief. Natuurlijk maken private ondernemingen deel uit van de samenleving, alleen mogen ze niet domineren zoals dat nu wel het geval is.”

Ecologische economen vinden dat er in deze tijden van klimaatverandering een rem moet komen op de groei. Op een eindige planeet is een economisch systeem gebaseerd op oneindige groei volgens hen waanzin. Vindt u dat ook?

“Geobsedeerd zijn door economische groei is gevaarlijk. Veel Indiase politici zijn in dat bedje ziek. Op de klimaattop in Glasgow sprak minister-president Narendra Modi mooie woorden over het reduceren van de Indiase CO2-uitstoot. Dat was louter toneel. Wat hij écht wil, is zoveel mogelijk steenkool opdelven om de economie te laten boomen. India kan niet zonder economische groei, omdat er nog steeds zoveel armoede is. Maar we mogen geen groei creëren die ten koste gaat van het leefmilieu, zoals nu het geval is. We zullen een lagere groei moeten leren accepteren.”

De strijd tegen de klimaatverandering staat nog niet hoog op de Indiase agenda?

“Tot hiertoe is daar inderdaad weinig animo voor. De algemene teneur is dat de klimaatverandering gecreëerd is door de rijke industrielanden: ‘Dat ze het zelf maar oplossen.’ Ik vind dat álle landen moeten bijdragen om de klimaatopwarming een halt toe te roepen. Maar ik vind ook dat de rijke landen beter hun best moeten doen, want zij hebben de middelen én creëerden inderdaad het probleem. Ik kan begrijpen dat een Indiase burger concludeert: ‘Waarom moeten wij de kastanjes uit het vuur halen als jullie het zelf vertikken om drastisch in te grijpen?’”

Worstelt India momenteel ook met een coronagolf?

“Op dit moment valt het heel goed mee, al is er veel onrust over de snel oprukkende omikron-variant. In maart en april van dit jaar werden we overspoeld door een verschrikkelijke golf die miljoenen slachtoffers eiste. Grootsteden als Delhi werden zwaar getroffen. Maar ook al lijkt de pandemie hier nu vrij goed onder controle, de door covid veroorzaakte economische crisis raast onverminderd verder. Ook de publieke dienstverlening hapert. In zeer veel staten zijn de lagere en middelbare scholen al bijna twee jaar continu gesloten. Door de angst voor omikron blijven ze voorlopig dicht. De meeste scholen bieden geen enkel online-alternatief aan. Ontzettend veel Indiase kinderen leren dus al twee jaar lang helemaal niets meer. Ze zullen de gemiste leerstof ook nooit inhalen, want de verschillende klasgroepen zijn gekoppeld aan leeftijd. Wie twee jaar geleden in klas 2 zat, begint in maart van volgend jaar in klas 5. Dan zal blijken dat die jongen of dat meisje helemaal niets meer weet. Hij of zij zal klas 5 binnenstappen met de halfvergane kennis van klas 1.”

Er is zo een grote leerachterstandsramp in de maak?

“Zonder twijfel, en dat net op een moment dat de geletterdheid onder de Indiase jeugd er al zo belabberd aan toe is. Wat ik vreselijk choquerend vind, is dat daar amper over gesproken wordt. Politici lijken er helemaal niet in geïnteresseerd. Die onverschilligheid is stuitend en heeft alles te maken met het oeroude Indiase kastensysteem dat ondanks vrije verkiezingen en een parlementaire democratie overeind blijft. De macht is nog steeds in handen van leden van de hoogste kaste. Zij hebben geen enkele interesse in het welzijn van de kastelozen, de dalits. Het lot van die arme kinderen zal hen worst wezen.”

Hebt u er ooit aan gedacht om zelf in de politiek te stappen?

“Op de keper beschouwd, zit ik volop in de politiek. Met mijn werk als activist en econoom heb ik in India toch al een paar veranderingen in gang helpen zetten. Maar als er zich ooit een kans zou voordoen om tot in het parlement te geraken, wuif ik die niet zomaar weg. Want als volksvertegenwoordiger kun je op een andere manier verandering helpen bewerkstelligen. Toch denk ik niet dat er meteen een parlementair leven voor mij in het verschiet ligt. Want dan moet ik me verkiesbaar stellen via een van de grote Indiase partijen. Daar heb ik geen zin in.”

Bio

– 1959 geboren in Leuven

– 1976‑1979 studeert economie aan de Universiteit van Essex

– 1979‑1983 doctoreert aan het Indian Statistical Institute in New Delhi

– 1989‑1990 geeft een jaar les aan de London School of Economics en verblijft intussen als kraker in Londen

– docent economie aan de New Delhi School of Economics (1993‑2002), de Universiteit van Allahabad (2002‑2012) en sinds 2012 aan de Universiteit van Ranchi

– is getrouwd met de mensenrechtenadvocate Bela Bhatia

© Jan Stevens

‘De oligarchenkliek rond Poetin kreeg het geregeld dat hun favoriete witwasser, Donald Trump, president werd’

In zijn boek Kleptopia waarschuwt journalist Tom Burgis voor een wereldrijk geregeerd door autoritaire plunderaars in maatpak. “Ook Belgische politici verkochten zich aan de kleptocraten.”

Vijf jaar lange werkte de Britse onderzoeksjournalist Tom Burgis aan het imposante Kleptopia, waarin hij een wereldwijd rijk in kaart brengt, gebouwd op corruptie en gefinancierd met gestolen gemeenschapsgeld. Met als hoofdrolspelers: dictators, fraudeurs, witwassers, ritselaars, malafide ondernemers, politici en democratisch verkozen staatshoofden. Zijn boek leverde Burgis, zijn krant The Financial Times en zijn uitgever HarperCollins een paar juridische veldslagen op met het van oorsprong Kazachse mijnconcern Eurasian Natural Resources Corporation (ENRC). “Ik kan en mag daar niets over kwijt”, zegt hij. “Elke opmerking over die rechtszaken wordt meteen door de tegenpartij opgepikt en tegen mij gebruikt.”

In Kleptopia lopen de drie miljardairs en stichters van het in Londen gebaseerde ENRC als een rode draad doorheen verhalen over grootschalige corruptie, fraude en zelfs moord. Hun namen: Alexander ‘Sasja’ Matsjkevitsj, Alijan Ibragimov en Patoch Sjodjev, alias ‘het Trio’.

De in Oezbekistan geboren Patoch Sjodjev, ook bekend als Patokh Chodiev, werd in 1997 Belgisch staatsburger op voorspraak van zijn buurman Serge Kubla, toenmalig MR-burgemeester van Waterloo. Sjodjev is een intimus van de Kazachse leider-voor-het-leven Noersoeltan Nazarbajev.

Eind 1999 openden het Belgische en Zwitserse gerecht een onderzoek naar steekpenningen die twee jaar eerder door het Frans-Belgische ingenieursbureau Tractebel zouden zijn betaald voor de uitbating van een 8.000 kilometer lange Kazachse gaspijplijn. Naar aanleiding van dat onderzoek werden Matsjkevitsj, Ibragimov en Sjodjev in verdenking gesteld voor witwassen. In de zomer van 2011 verdwenen alle klachten tegen ‘het Trio’ in de prullenmand, nadat Sjodjev een schikking van 522.500 euro onderhandelde. Hij ging de geschiedenisboeken in als de allereerste die gebruik maakte van onze verruimde wet op de minnelijke schikking.

De voorbije jaren publiceerde Tom Burgis in The Financial Times verschillende artikels over het wereldwijde schimmige wheeling and dealing van de drie ENCR-oligarchen. “Ik werd wee in mijn maag toen ik er via gerechtelijke procedures achter kwam dat ik in opdracht van het Trio geschaduwd was tijdens een ontmoeting met een informant in een Londense parkeergarage”, zegt hij. “Ik ben als internationaal actieve onderzoeksjournalist dit soort praktijken gewend in Nigeria of Kazachstan, maar niet in mijn woonplaats Londen. Ik kreeg intussen ook verschillende bedreigingen van andere mensen die in Kleptopia aan bod komen. Zo liet de advocaat van de Zimbabwaanse dubieuze zakenman Billy Rautenbach me weten dat hij me wil laten arresteren. Rautenbach was geldschieter van het bewind van wijlen Robert Mugabe. Na de val van Mobutu werd Laurent Kabila Congo’s nieuwe dictator. De Rwandezen vielen binnen en Kabila vroeg militaire steun aan Mugabe. In ruil beloofde hij de Zimbabwaanse president een deel van de opbrengst van de Congolese bodemschatten koper en kobalt. Billy Rautenbach alias ‘Mr Billy’ werd benoemd tot directeur van de Congolese staatsmijn en plunderde die vervolgens vakkundig leeg.”

De bedreigingen aan uw adres komen dus van mensen met macht en geld?

“Ja, en zo bezorgen ze me nu slapeloze nachten. Mijn onderzoek is gebouwd op zeer betrouwbare informanten en degelijk bronnenmateriaal van over de hele wereld. Blijkbaar zorgt dat voor zenuwachtigheid bij de door mij geportretteerde kleptocraten, de leiders en ondernemers voor wie macht gelijkstaat aan zelfverrijking. Het Trio wil nu via juridische weg te weten komen wie mijn bronnen zijn. Wij verzetten ons daar met man en macht tegen. Nooit zal ik hen mijn bronnen geven. Eén van die autocratische kleptocraten woont zelfs in België! Daar kunt u natuurlijk niets aan doen. (lacht)”

‘Onze’ Tractebel-affaire maakte deel uit van Kazachgate, een in een walm van corruptie afgesloten miljardendeal tussen de Franse president Sarkozy en zijn Kazachse collega Nazarbajev.

“Ook in Kazachgate speelde ‘het Trio’ de hoofdrol. Het land Kazachstan is veel minder machtig dan grote broer Rusland. De Kazachse ‘nomenklatoera’ hebben meer nood aan het uitbesteden van hun kleptocratische activiteiten aan buitenlanders dan hun Russische collega-oligarchen. Ook na de val van de Sovjet-Unie bleef Rusland een immens land met een fors militair apparaat, een stevig uit de kluiten gewassen inlichtingendienst en een industrie die volledig ten dienste bleef staan van de kleptocratische machthebbers. Tijdens de Sovjet-Unie was Kazachstan niet meer dan een buitenpost van het communistische imperium. Nazarbajev en zijn kompanen moesten van bij de start van hun wilde kapitalistische rijk in 1989 beroep doen op westerse hulp om hun nieuwe rijkdom veilig te stellen en te laten renderen. Ontzettend veel voormalige Westerse spionnen, onderzoekers en officieren bij inlichtingendiensten zagen daar brood in en boden hun diensten aan het grondstofrijke Kazachstan aan. Sommige politici in het westen verschaften de Kazachse dictator en zijn handlangers pseudo-legitimiteit. Ogen werden dichtgeknepen terwijl Nazarbajev de jacht inzette op zijn politieke vijanden.”

Die politici wisten met wie ze te maken hadden?

“O ja. We hebben het nu over mannen als ‘onze’ Tony Blair en de Duitse ex-kanselier Gerhard Schröder die vooral loopjongen speelde voor de Russen. Blair en Schröder golden als de toppolitici van hun generatie. Er gingen ook namen van Belgische politici over de tongen in het Kazachgate-schandaal, net als die van belangrijke ambtenaren. Ze verkochten zich allemaal aan de kleptocraten.”

De val van de Muur in 1989 en de instorting van de Sovjet-Unie zette een turbo op Kleptopia?

“Zeker. Toen ging de welvaart van een enorm rijk bij wijze van spreken in één oogwenk over van de staat in handen van een kleine groep individuen. De kapitalistische landen zagen dat als een buitenkans. ‘Tien minuten geleden konden we onmogelijk zakendoen met die kerels, want toen waren het nog KGB-officieren. Nu ze zichzelf businessmen noemen, is the sky the limit.’ Zo kregen machtige figuren uit het vermolmde en verdorven corrupte sovjetsysteem toegang tot ons financiële systeem met zijn aandelenbeurzen en zakenbanken. Het kapitalisme dat ze als opportunistische apparatsjiks altijd verfoeid hadden, werd onder Vladimir Poetin hun favoriete speeltuin.”

Maar het zijn niet de Russische oligarchen die aan de basis liggen van Kleptopia?

“Nee. Toen zij op het toneel verschenen, had het globale financiële systeem al heel wat ervaring in het bedienen van antidemocratische kleptocraten. De offshore-constructies om zwart geld of gestolen geld in belastingparadijzen te versluizen en verstoppen, dateren van lang voor de val van de Sovjet-Unie.

“Er is een lange traditie van rijke, democratische staten die autoritaire kleptocratische leiders tolereren zolang ze de westerse belangen dienen. Het duidelijkste voorbeeld zijn de oliestaten. Tot vandaag is olie de belangrijkste grondstof voor de wereldwijde economie. In de meeste sectoren wordt tenminste nog gedaan alsof iedereen die erin actief is zich aan de wet probeert te houden. Maar in de wereld van de olie behandelen we het tuig dat in een oliestaat de touwtjes in handen heeft, als geprivilegieerde, fatsoenlijke partners.

“Teodoro Obiang Nguema voert sinds 1979 een schrikbewind in Equatoriaal-Guinea. Hij is het schoolvoorbeeld van de moordzuchtige, hebzuchtige, criminele alleenheerser. Zijn onderdanen leven in de goorste armoede. Voor Exxon Mobil en andere oliemaatschappijen is dat al jaren geen bezwaar om lucratieve deals te sluiten met Obiang Nguema. Ze behandelen hem alsof hij de enige is die het recht heeft om de olie van Guinea te verkopen. Geen enkele weldenkende burger koopt een auto waarvan hij weet dat hij gestolen is. Maar gestolen olie kopen we probleemloos elke dag. We doen zaken met kroonprins Mohammed bin Salman van Saoedi-Arabië, de opdrachtgever voor de gruwelijke moord op de journalist Jamal Kashoggi. We kopen ook probleemloos olie uit Rusland, Kazachstan en al die andere plaatsen uit Kleptopia.”

Leverden toppolitici zoals Blair, Sarkozy en Schröder hand- en spandiensten aan buitenlandse dictators uit hebzucht?

“Dat is een interessante vraag die moeilijk te beantwoorden is. Ze begonnen allemaal hun politieke carrière als jonge mensen met idealen uit de Verlichting en eerbied voor de rechtstaat. Maar op een bepaald moment draaiden ze een knop om en werden ze slippendrager voor kleptocratische leiders. Daar verdienden ze inderdaad veel geld mee.

“Tony Blair vind ik een fascinerende en tezelfdertijd intrieste figuur. Hij is geen monster en was zeker in de beginjaren van zijn premierschap na de donkere jaren onder Thatcher een baken van hoop. Maar gaandeweg raakte zijn moreel kompas totaal op drift. Na zijn afscheid van de nationale politiek liet hij zich door de Kazachse dictator Nazarbajev miljoenen betalen voor ‘consultancyopdrachten’.”

Hij schreef ook speeches voor Nazarbajev?

“Op 16 december 2011 richtte de Kazachse politie in de oliestad Zjanaozen een bloedbad aan onder arbeiders die staakten voor meer loon en betere werkomstandigheden. De onrust sloeg over naar de rest van het land, maar Nazarbajev greep meedogenloos in. Er werden een twintigtal mensen opgepakt die ervan beschuldigd werden de aanstokers te zijn van de opstand. Ze werden gefolterd, er volgde een showproces en in juni 2012 werden de meesten veroordeeld tot jaren gevangenisstraf. Een maand later mocht Noersoeltan Nazarbajev een speech geven op de universiteit van Cambridge. Het publiek bestond uit Westerse intellectuelen. Zijn ghostwriter was inderdaad Tony Blair. Later lekte er een brief van Blair naar Nazarbajev uit. Onze ex-premier schreef: ‘Mijnheer de President, in de kwestie Zjanaozen lijkt het me de aangewezen weg om de koe bij de hoorns te vatten. U hebt al aanpassingen gedaan in de nasleep van de gebeurtenissen, maar het zou te betreuren zijn als dit incident, hoe tragisch ook, de enorme sprongen die Kazachstan heeft gemaakt in de schaduw zou stellen. De door mij voorgestelde benadering is toegesneden op de westerse media.’ Waarna Blair de Kazachse dictator leerde hoe hij zijn westerse ‘vrienden’ stroop om de mond moest smeren.”

Een van de meest intrigerende figuren uit uw boek vind ik de Russisch-Amerikaanse projectontwikkelaar Felix Sater, vriend en fixer van Donald Trump.

“Daar ben ik het helemaal mee eens. (lacht) Vóór Trump tot president verkozen werd, hield Felix Sater zich intensief bezig met het effenen van het pad voor de bouw van een Trump Tower in Moskou. Hij is in 1966 in de Russische hoofdstad geboren als zoon van een gangster. Hij werd projectontwikkelaar in New-York en ontpopte zich tot een gewelddadige fraudeur. In zijn jonge jaren deinsde hij er niet voor terug om in de kroegen van Manhattan tegenstanders toe te takelen met gebroken borrelglazen. Hij voorzag de FBI ook van informatie over de maffia van New York en hielp de CIA aan zeer waardevolle achtergrondinformatie over Osama bin Laden. Nogal wat Amerikaanse veiligheidsexperts hebben zeer sterke vermoedens dat Sater die kreeg van de Russische geheime dienst FSB.”

Felix Sater is een ‘dubbelspion’?

“Hij is niet in dienst van een Russische geheime dienst, maar kent er veel mensen en biedt hun graag zijn ‘diensten’ aan. Hij is een briljante navigator in de kleptocratie. Hij verleende hand- en spandiensten aan kleptocraten met het injecteren van een deel van hun verbrand fortuin in de Amerikaanse economie. Vastgoed is zijn specialiteit en hij werkte in New York zeer nauw samen met Tevfik Arif, de Kazachse oprichter van het vastgoedfonds Bayrock Group.”

Sater was een witwasser op grote schaal?

“Daar kwam het op neer, ja. Hij versaste geld vanuit de voormalige Sovjet-Unie naar de Amerikaanse rechtstaat en waste zo niet alleen de fortuinen van kleptocraten wit, maar poetste ook hun blazoen op en verschafte hen toegang tot de democratische bovenwereld.

“De New Yorkse vastgoedwereld is ideaal voor grootschalige witwasoperaties. Vastgoedmagnaat Donald Trump paste perfect in het plaatje. Want de westerlingen waar kleptocraten uit Azië of Afrika graag beroep op doen, moeten kwetsbare figuren zijn. Ideaal zijn de narcisten die er alles voor over hebben om door iedereen bejubeld te worden.

“Toen Sater en Trump elkaar in 2001 leerden kennen, zat Trump in zeer grote geldnood. Hij had de vastgoederfenis van zijn vader zo goed als verkwanseld en torste een miljardenschuld. Sater zorgde voor een toevloed van vuil geld van kleptocraten uit Kazachstan en Rusland. Donald Trump bouwde er wolkenkrabbers mee, sommige van zijn projecten gingen failliet, maar dat was geen probleem. Zolang hij maar roofbuit bleef omzetten in proper kapitaal. Een tijdlang mocht Felix Sater zich ‘senior advisor van Donald Trump’ noemen.”

Wist Trump dat zijn vastgoedprojecten gefinancierd werden met vuil geld uit de voormalige Sovjet-Unie?

“Hij heeft daar nooit vragen over gesteld. Dat systeem hield jaren stand. Trump werd intussen wereldberoemd in Amerika met zijn tv-programma The Apprentice, waarin hij de rol speelde van de succesvolle tycoon. Zo werd hij de verpersoonlijking van wat een kleptocraat is: een dief die zich vermomd als bonafide ondernemer of staatsman. En die er ook alles aan doet om zijn medemensen ervan te overtuigen dat zijn alternatieve wereld dé werkelijkheid is.

“Na Trumps eerste verkiezing tot president in 2016 zochten de media maandenlang intensief naar de smoking gun dat de Russen de verkiezingen in het voordeel van Trump had proberen beïnvloeden. Ik hield me daar toen ook intensief mee bezig.”

Tevergeefs?

“Toen leek dat zo, maar intussen weet ik beter. Want die link is er wel degelijk en wordt verpersoonlijkt door Felix Sater. In november 2015 voerde Trump campagne voor de Republikeinse nominatie. Sater zat toen in Moskou om het pad te effenen voor de Russische Trump Tower. Hij stuurde een mail naar Michael Cohen, de later in ongenade gevallen persoonlijke advocaat en manusje-van-alles van Trump. ‘Onze man kan president van de VS worden, buddy, en wij zitten aan de knoppen’, schreef Sater. ‘Ik zorg dat Poetins hele team hierachter staat, ik regel het van deze kant.’ In de handen van Sater werd presidentskandidaat Trump een speelbal van de Russische kleptocratie. Er werden geen KGB-spionnen ingeschakeld zoals ten tijde van de Koude Oorlog. De oligarchenkliek rond Poetin probeerden het via Sater zo te regelen dat hun favoriete witwasser president werd van de VS.”

Wat ook gelukt is.

“Precies. Toen Trump aan de macht kwam, regeerde hij als een autoritaire kleptocraat en vormde hij zelfs een wereldwijde alliantie van kleptocraten. Kijk maar naar wie zijn bondgenoten waren of wie hij het hof maakte: Kim Jong-un, Vladimir Poetin, Rodrigo Duterte, Viktor Orban, Jair Bolsonaro en niet te vergeten Mohammed bin Salman. Trump maakte de grootste democratie van deze wereld tot voorzitter van het ‘wereldverbond van kleptocraten’. De manier waarop hij de laatste verkiezingen probeerde te stelen, is typisch voor dictators uit Kleptopia. Want kleptocraten kúnnen geen verkiezingen verliezen. Denk maar aan Poetin.”

Kleptopia leest als een thriller van John Le Carré. U bent niet bang dat de literaire stijl de geloofwaardigheid van uw boek ondermijnt?

“Nee. Die keuze voor literaire non-fictie nam ik zeer bewust. Veel boeken en artikels over versluisd geld en corruptie zijn saaie verhandelingen over banken en zakenkantoren op de Maagdeneilanden, of over gecompliceerde offshoreconstructies en gesofisticeerde shellmaatschappijen. Het lijkt allemaal te ingewikkeld, waardoor mensen afhaken vooraleer ze tot de kern van de zaak komen: het stuitende onrecht dat kleptocraten hun medemensen aandoen. Journalisten zoals ik die daar op een bevattelijke wijze over proberen te schrijven, krijgen dan nog eens de duurste advocaten op hun dak. De enige bedoeling is: ons intimideren, zodat we onze mond houden. Maar ik zal blijven schrijven over wie die kleptocraten zijn, hun beweegredenen en de impact van hun daden.

“Ik was lang correspondent in Afrika. Ik bezocht landen zoals Equatoriaal-Guinea die leeggevreten zijn door de corruptie en waar de kinderen voor je ogen van de honger creperen. Ik interviewde dan soms de olieminister die miljoenen gemeenschapsgeld achterover had gedrukt. Ik herinner me dat ik aan de minister van Angola vroeg: ‘De armoede in uw land is toch stuitend?’ Hij antwoordde met een trillende stem: ‘O ja, die ellende breekt mijn hart.’ Alsof hij daar geen enkele verantwoordelijkheid voor droeg.”

Tom Burgis, Kleptopia, HarperCollins, 368 blzn, 22,99 euro

Bio

  • Geboren in 1982
  • Studeerde Engels en literatuur aan de universiteit van Londen
  • Was jarenlang correspondent voor de Financial Times in Zuid-Amerika en Afrika
  • Schrijft als onderzoeksjournalist voor The Financial Times over corruptie, terrorisme en vergeten conflicten
  • Schreef in 2015 het boek The Looting Machine over corruptie in Afrika

© Jan Stevens

Bernard Dewulf (1960-2021)

September 2014 – We zitten aan de lange ruwhouten tafel en drinken koffie. Het ochtendlicht valt door het openstaande raam naar binnen. Vogels tsjirpen in de tuin. Dit huis staat midden in de stad en toch is het hier stil. Dit huis is de thuis van dichter, columnist, essayist en toneelauteur Bernard Dewulf.

“We zitten hier in het interieur van je boek Kleine dagen”, merk ik op. Bernard Dewulf knikt. “Na het boek is een theatervoorstelling gevolgd. We hebben toen een exacte kopie van deze tafel laten maken.”

Kleine dagen verscheen in 2009 en bundelde een selectie van de stukjes die om de dag op de voorpagina van de krant De Morgen verschenen. De ene dag doopte Hugo Camps zijn pen in vitriool, de andere dag schreef Bernard Dewulf een poëzie ademend stukje over zijn opgroeiende kinderen of het binnenvallende ochtendlicht door het openstaande raam. Datzelfde jaar werd Dewulf na twintig jaar trouwe dienst bij De Morgen samen met twaalf collega’s ontslagen. “Na een lezing beginnen mensen nog regelmatig over dat ontslag”, zegt hij. “‘Mijnheer, ik vind dat zo jammer.’ Dat troost dan wel een beetje, maar ik mag er niet te lang bij stilstaan. Er gewoon over praten, is nog steeds moeilijk. Ik heb die krant ook nooit meer gelezen. De eerste maanden na het ontslag zat ze nog in de bus. Mijn kinderen hebben ze toen elke dag meteen de kelder ingegooid.” Hij glimlacht. “Ik had hen dat helemaal niet gevraagd, ze deden het uit eigen beweging.”

De tweede telefoon die Bernard Dewulf vlak na zijn ontslag bij De Morgen kreeg, was van acteur Wim Opbrouck. “Ik kende hem, maar hij was geen vriend. We hadden wel waardering voor elkaar omdat we allebei geïnteresseerd zijn in kunst. Datzelfde jaar zou hij aan het roer van NTGent komen. Hij zei: ‘Heb je zin om bij ons te komen werken?’ Hij zocht een dramaturg. Ik antwoordde: ‘Wim, ik ken niets van theater.’ Hij zei: ‘Zo iemand zoek ik. Ik wil een “oneigenlijk element” in mijn team.’ Ik ben Wim nog altijd heel dankbaar dat hij me toen gebeld heeft.”

Met Kleine Dagen won je in 2010 de Libris Literatuurprijs, goed voor 50.000 euro. Heeft die prijs je marktwaarde als dichter en schrijver de hoogte ingejaagd?

“Ik denk het niet. Het is wel zo dat ik toen voor de eerste en vermoedelijk ook de laatste keer beseft heb dat je met een boek geld kunt verdienen. Ik had daarvoor al dichtbundels en een paar essaybundels gepubliceerd, maar daar waren telkens maar een paar honderd exemplaren van verkocht. Ik was helemaal niet voorbereid op de Libris Literatuurprijs, want Kleine dagen was op het moment van de prijsuitreiking al een jaar uit. Er waren toen ongeveer 1.500 exemplaren over de toonbank gegaan, wat vrij behoorlijk was. Hier kenden lezers me van mijn dagelijkse column op de voorpagina van De Morgen; in Nederland was ik een illustere onbekende. En dan kreeg ik in mei 2010 die grote Nederlandse literaire prijs. In een paar maanden tijd explodeerde de verkoop van dat boek naar 50.000 exemplaren. Dat zal ik nooit meer meemaken. Als je in Vlaanderen 10.000 stuks van een boek verkoopt, heb je een stevige bestseller geschreven.”

Mensen beseffen niet hoe schraal het met de verkoop van boeken in Vlaanderen gesteld is?

“Nee, en je hebt gelijk: de boekenverkoop hier is soms schrijnend. Zowel uitgevers als schrijvers doen daar geheimzinnig over. De officiële cijfers moet je trouwens met een korrel zout nemen. Ooit heb ik een schrijver zien wenen omdat er na twee jaar maar tweehonderd exemplaren van zijn roman verkocht waren. Hij had nochtans goede recensies gekregen en was een paar keer over zijn boek geïnterviewd.”

Hoe kan een getalenteerde schrijver zich dan nog blijven oppeppen om toch verder te werken aan een nieuwe roman?

“Ik heb veel geluk dat ik al zo lang voor kranten schrijf, eerst twintig jaar voor De Morgen en dan vijf jaar voor De Standaard. Ik heb dus al een publiek en ik kan het alleen maar verprutsen. 300.000 mensen lezen De Standaard. Voor een schrijver die niet voor een krant werkt, is dat een natte droom. Het lezerspubliek van De Standaard is natuurlijk zeer heterogeen, als schrijver moet je dat publiek een beetje ‘bedienen’. Terwijl als je aan een roman werkt, is dat helemaal jouw boek, en wat de lezer van het eindresultaat vindt, is zijn zaak.”

Hou je in je wekelijkse columns in DS Weekblad dan altijd rekening met je lezers?

“Slechts een fractie van de krantenlezers zijn geoefende lezers. Dat kan ik afleiden uit de reacties van lezers die ik de voorbije jaren ontving. Ik schrijf natuurlijk ook voor de ‘geoefenden’ en zij zullen in mijn columns verwijzingen opmerken waar anderen overheen lezen. Maar ik schrijf ook voor al degenen die nooit een boek maar wel mijn stukje van 600 woorden in de krant lezen. Ik schrijf zowel voor mijn beste vriend die tien jaar aan Harvard gestudeerd heeft, als voor een leek. Elke week laveer ik tussen die uitersten. Ik vind dat veel uitdagender dan een artikel schrijven voor een kunstblad of een literair tijdschrift. Een stuk voor de krant is veel moeilijker want het moet helder geschreven zijn. Je mag nooit verwachten dat mensen je column nog eens zullen herlezen als ze het van de eerste keer niet helemaal gesnapt hebben. Ik wil duidelijk schrijven en er tezelfdertijd toch poëzie in leggen of een zin waarvan ik hoop dat hij lezers even doet nadenken. Vorige week werd ik door de eindredacteur van DS Weekblad gebeld. Hij zei: ‘Wat betekent je slotzin “vroeger dan zij wordt het niet”?’ Ik antwoordde: ‘Laat dat maar staan.’ Ik hoop dan dat er twee of drie mensen zijn die eerst verwonderd zeggen: ‘Wat staat daar nu?’ En het een paar seconden later snappen: Ha… ja!’ (lacht) Dat zinnetje had trouwens ook in een gedicht kunnen staan.”

Van jouw stukjes op de frontpagina van De Morgen werd gezegd dat ze ‘poëtisch’ waren.

“Ik heb me daar altijd tegen verzet. Het woord ‘poëtisch’ wekt ergernis in me op omdat ik dat met ‘flou artistique’ associeer. Dat vloekt met wat poëzie voor mij moet zijn: scherp, precies. Zelfs al lijkt een stukje van mij over mijn tuin of over het licht ietwat impressionistisch, ik probeer er toch altijd op te letten dat elk beeld klopt. Ik vind dat heel belangrijk.

In Kleine dagen begint een stukje over mijn dochter in haar vijfde levensjaar met de zin: ‘Een, twee, drie is ze vijf geworden.’ Die stukjes in De Morgen waren maximum 300 woorden lang. Ik dacht: ‘Hoe kan ik heel kort uitleggen dat ik mijn dochter razendsnel vijf heb zien worden.’ Van 0 jaar tot 5 lijkt één seconde in mijn hoofd. Plots vond ik dat heel precieze, op het eerste gezicht eenvoudige zinnetje: ‘Een, twee, drie is ze vijf geworden.’ Er zit een versnelling in die je ook terug hoort in het ritme. Daar hou ik van. Maar ik verwacht natuurlijk niet dat mijn lezers dat allemaal diepgaand zullen analyseren.”

Zit jij urenlang te tobben over die ene juiste zin?

“O ja. Mensen geloven dat niet, maar ik zit echt een hele dag te werken aan zo’n stukje. ‘Hij zit een halve dag op café en dan gaat hij naar huis’, denken ze. Als je de biografie van Simon Carmiggelt leest, zie je hoe ook hij zat te prutsen aan de ‘Kronkels’, de cursiefjes die hij voor Het Parool schreef. Ik heb intussen meer dan duizend stukjes geschreven, je zou dus kunnen veronderstellen dat het een routine geworden is, maar het tegendeel is waar. Nu ga ik elke week op zoek naar een andere manier om te zeggen wat ik allemaal al gezegd heb. Veel schrijvers doen dat. Hugo Claus maakte ook voortdurend variaties op hetzelfde thema, hij deed dat op een fantastische wijze.”

Was schrijver worden jouw jeugddroom?

“Ik heb gedichtjes liggen die ik geschreven heb toen ik een jaar of zeven was. Ik ben er altijd mee bezig geweest: als kind maakte ik echte boekjes, geplooide A4-tjes met nietjes in het midden. Maar een plan om schrijver te worden, heb ik nooit gehad. Als je me tien jaar geleden gezegd zou hebben: ‘Ooit ligt er een vuistdik boek in de boekhandel met al je beschouwende stukken over schoonheid in verzameld’, zou ik je gek verklaard hebben. Maar kijk: dat boek Toewijdingen is er nu.”

Heb je de ambitie om ooit een heuse roman te schrijven?

“De ambitie misschien wel, maar niet het talent. Ik kan dat echt niet. Na de derde druk van Kleine dagen heb ik aan de uitgever gevraagd om het woordje ‘novelle’ op de cover te zetten. Zo wou ik de critici een beetje jennen. (lacht) Maar ook omdat ik in mijn leven toch wel een novelle geschreven wou hebben. Ik vind het boek zelf een novelle, dus mag ik dat daar toch laten op zetten? Zo soeverein mag ik als schrijver toch zijn? Misschien vinden sommigen het een bundeling van stukjes, maar ik vind het een novelle.”

Hoe komt het dat jij uitblinkt in kleine stukken en in gedichten en niet in een grote roman? Je schrijft en bewerkt toneelstukken voor NTGent. Die zijn toch ook niet meteen ‘klein’ te noemen?

“Een toneelstuk is al snel 15.000 woorden, dat is inderdaad niet niks. En ik heb ook lange essays geschreven. Dat kan ik dan weer wel. Maar als ik een essay over een schilder als Edgar Degas schrijf, hoef ik zelf niets te verzinnen: zijn leven is daar, net als zijn werk. Ik kan daar dan boven gaan staan en met al dat materiaal dat voorhanden is mijn essay schrijven. Maar zelf iets bedenken met de spanwijdte van een roman… nee, ik kan dat echt niet. Dat heeft niet alleen te maken met de journalist in mij, maar ook met de dichter. Ik hou van de uitdaging van het compacte. Andere schrijvers hebben me trouwens al gezegd: ‘Sommige stukjes van jou zijn een hele roman.’ Als je een roman schrijft, moet je een paar jaar lang een raar soort innerlijke rust hebben, terwijl het leven ondertussen gewoon doorgaat. Ik kan me dat niet voorstellen.

Bij NTGent maak ik bewerkingen van toneelstukken zoals ik pas gedaan heb met Elektra. Zo’n bewerking maak ik in samenspraak met de regisseur van het stuk, maar in de taal ben ik vrij. Ik heb niet zoveel schroom om teksten van iemand anders rigoureus te bewerken. Alleen zo kun je je als schrijver voor toneel onderscheiden. De Elektra van NTGent moet natuurlijk ‘een Dewulf’ zijn, maar op verschillende niveaus verandert die tekst toch later weer: tijdens een uitvoering wordt hij uitgesproken door anderen in een welbepaald decor. Ik vind dat zeer fijn. Als je als schrijver je eigen teksten heilig vindt, werk je best niet voor theater.”

Ben je keihard als je een contract voor een nieuw boek met je uitgever moet onderhandelen?

“In onderhandelingen ben ik echt een eitje. Ik verkeer in de gelukkige positie dat ik het nog niet hoef te doen, maar misschien komt ooit de tijd dat ik moet onderhandelen over geld. Toewijdingen is 600 bladzijden dik, met 100 illustraties waarvan 32 in kleur. Een schilderij van Edward Hopper afdrukken, kost veel geld. Dat is dus een duur boek om te maken. Ik vind het wonderlijk dat een literaire uitgeverij zoals Atlas Contact dat toch nog doet. Voor alle duidelijkheid: ze gaven dat soort boeken van mij ook al uit voor ik de Libris Literatuurprijs gewonnen had. Zij hebben altijd in mij geloofd. Dat waardeer ik ten zeerste.”

© Jan Stevens

‘De nonnen lieten de baby’s creperen’

In 2014 werd de Ierse amateurhistorica Catherine Corless wereldnieuws met haar stelling dat de nonnen van Tuam 796 kinderen op hun domein begraven hadden. Ze werd afgeserveerd als ‘complotdenkster’, maar kreeg eerder dit jaar over de hele lijn gelijk. ‘Is er ooit gedegen onderzoek gevoerd naar wat er met al jullie zogezegd onwettige kinderen gebeurde?’

Op 25 mei 2014 kopte de Irish Mail on Sunday: ‘Massagraf voor 800 baby’s: ‘onwettige’ kinderen die in een door nonnen geleide instelling stierven, werden anoniem begraven’. Waarna de krant uitgebreid berichtte over het opzoekwerk van Catherine Corless naar de verdwenen kinderen van het westelijke Ierse stadje Tuam. ‘De nationale radio pikte diezelfde dag nog dat artikel op’, zegt ze. Niet veel later was Tuam wereldnieuws en de onvermoeibaar speurende Corless wereldberoemd.

We zitten in de keuken van Catherine Corless’ boerderij op tien kilometer van Dublin Road Estate, de plek waar de zusters van de Orde van Bon Secours veertig jaar lang 796 gestorven baby’s en kinderen van tienermoeders illegaal op hun domein en in het riool begroeven. ‘De voorbije uren stond ik doodsangsten uit’, bekent ze. ‘Sinds 2014 krijg ik cameraploegen en journalisten van over de hele wereld over de vloer. Je zou denken dat het went om geïnterviewd te worden, maar elke keer opnieuw moet ik opkomende paniekaanvallen verbijten.’

In haar pas verschenen memoires Belonging beschrijft Catherine Corless hoe ze op haar 36e voor het eerst met zo’n paniekaanval kreeg af te rekenen. ‘Het leek op een hartaanval. De psychiater concludeerde dat ik leed aan posttraumatische stress. De oorzaak situeert zich in mijn eigen kindertijd. Dat is denk ik ook de reden waarom ik me het lot van de 796 verdwenen kinderen van Tuam zo hard aantrek.’

U groeide zelf op in een liefdeloze omgeving?

Cahterine Corless: Mijn vader leed aan zware depressies en mijn moeder was extreem afstandelijk. Ze zorgde voor ons, maar er was geen intimiteit of liefde. Als ik haar te veel op de zenuwen werkte, gaf ze me een pak slaag. Ik was bang van haar. Vijftien jaar geleden kwam ik erachter dat zij een ‘onwettig’ kind was, net als de kinderen van Tuam. Ook zij zag het levenslicht in een katholiek tehuis en kwam later in een pleeggezin terecht. Ze had geen echte familie. Moeder stierf voor ik het er met haar over kon hebben, maar ik weet dat zij nooit geleerd heeft wat liefde is. Omdat ze de dochter van een ongehuwde tienermoeder was, werd ze als uitschot behandeld.

Op de basisschool zat ik samen met de meisjes die in het tehuis voor moeders en baby’s verbleven, The Home zoals de inwoners van Tuam het noemen. Vóór de nonnen van de orde van Bon Secours er in 1925 hun intrek namen, was het monumentale gebouw een workhouse, een armenhuis, gebouwd in 1840. In de 19e eeuw opende de Engelse bezetter in verschillende Ierse steden werkhuizen voor de armen. Na een mislukking van de aardappeloogst volgde in 1845 The Great Famine, de grote hongersnood. De armen hadden de keuze tussen ofwel de hongerdood, ofwel in een armenhuis in ruil voor kost en inwoon hard labeuren. Na de Ierse onafhankelijkheid in 1922 gingen de werkhuizen dicht. Een aantal werd door de overheid ingericht als rust- en verzorgingstehuis voor bejaarden, andere werden verbouwd tot hospitaal. Voor het werkhuis van Tuam riep de staat de hulp in van Bon Secours, een kloosterorde met nonnen opgeleid tot verpleegster. Zij herdoopten het werkhuis in St Mary Orphanage, het weeshuis van de heilige Maria, alleen leefden er geen wezen, maar baby’s en kinderen van ‘gevallen moeders’.

Was u bevriend met de kinderen van St Mary uit uw klas?

Corless: Contact met hen was verboden. Ze zaten achteraan en zagen er sjofel en ondervoed uit; iedereen noemde hen de Home Babies. Ze werden door de leerkrachten nooit bij de les betrokken en mochten niet met ons samenspelen. Ze durfden hun mond niet opendoen en we lazen de angst op hun gezicht. Er werd ons verteld dat ze wezen waren en wij geloofden dat, terwijl ze wel degelijk allemaal moeders hadden. Ik weet dat sommige vrouwen verwoede pogingen ondernomen hebben om hun kinderen terug te krijgen, alleen is dat nooit gelukt.

In St Mary kwamen ongehuwde moeders en tienermoeders bevallen?

Corless: Ja, maar niemand wist in die tijd wat er zich écht allemaal achter de hoge muren van het drie hectare grote domein afspeelde. De moeders die er kwamen bevallen, moesten een jaar blijven. Ze verzorgden hun baby en werkten gratis voor de nonnen. Als dat jaar voorbij was, werden ze onverbiddelijk weggestuurd. De baby’s bleven achter als zogenaamde ‘wezen’. De jongens werden vanaf hun vijfde naar school gestuurd; de meisjes vanaf hun zevende.

Het uiteindelijke doel was: adoptie?

Corless: Tot de jaren 1950 werden er nogal wat illegale adopties naar Amerika geregeld. Maar het voornaamste doel was toch de kinderen onderbrengen bij Ierse pleeggezinnen. Te veel pleegouders beschouwden dat als een lucratieve bijverdienste. De overheidstoelage staken ze op zak en het kind werd hun persoonlijke huisslaaf. Gelukkig waren er ook pleegouders die het goed meenden, alleen waren dat er niet zo veel. De Ieren konden in die tijd behoorlijk wreed zijn.

U werd lang als complotdenker afgeschilderd, ook in België. Zo schreef hoofdredacteur Geert De Kerpel van het katholieke magazine Tertio in juni 2014: ‘De zusters deden wat ze konden, gedragen door hun geloof. De voorbije weken is er nog een drama bijgekomen: dat van vele media die hun deontologie dumpten in een fictief kerkelijk massagraf.’ Schrijver Tom Naegels omschreef u in de krant De Standaard als: ‘Een amateur-heemkundige die geld zoekt voor een herdenkingsplakkaat.’

Corless: Ik ben me er erg van bewust dat ik wereldwijd door velen als complotdenker werd weggezet. De kritiek verstomde totaal toen op 3 maart 2017 de toenmalige Ierse minister voor Kinderen Katherine Zappone bekendmaakte dat koolstofanalyse had vastgesteld dat de lijkjes in het riool wel degelijk van kinderen uit het tehuis waren. De 796 gestorven baby’s van Tuam die tussen 1925 en 1961 door de nonnen begraven waren op hun domein en in de ondergrondse riooltunnels werden toen officieel teruggevonden. Vandaag liggen ze er nog steeds. Tot hiertoe liet de Ierse regering na om ze daar weg te halen. Ik vind dat stuitend.

Heeft dat te maken met de oeroude band tussen de kerk en de Ierse staat?

Corless: Ik ben bang van wel. Aan de archeologen die in 2017 stalen van de lijkjes namen, lag het niet: zij hielden hartstochtelijke pleidooien om de kinderen meteen op te graven. Want hoe langer ze in dat riool liggen, hoe meer bewijsmateriaal er verloren gaat. Maar de regering lijkt erg bang voor wat ze zal aantreffen.

In de Ierse politiek zijn dynastieën zeer belangrijk. Nogal wat vooraanstaande mannelijke politici zijn zonen, kleinzonen en achterkleinzonen van voormalige vooraanstaande mannelijke politici. De druk is groot om tijd te winnen en de putdeksels van The Home onaangeroerd te laten. Terwijl alleen forensisch onderzoek van alle stoffelijke overschotten aan het licht kan brengen wat er écht gebeurd is tussen 1925 en 1961. Volgens de huidige regering moet er eerst een nieuwe wet gestemd worden die opgravingen van de kinderlijkjes mogelijk maakt. Veel haast lijkt ze daarbij niet te hebben. ‘Corona gooit roet in het eten’, beweert. Haar laatste belofte is dat de opgraving in de lente van 2022 zal starten.

Tom Naegels heeft overigens gelijk: ik ben inderdaad ‘amateur-heemkundige’. Maar het was nooit mijn bedoeling om deze gruwel bloot te leggen. Als lid van de lokale heemkundige kring The Old Tuam Society wou ik in 2012 voor ons tijdschrift een essay schrijven over de geschiedenis van ‘ons’ tehuis voor moeders en baby’s. In de jaren zeventig werd St Mary afgebroken en kwam er een sociale woonwijk in de plaats. Het onderwerp van mijn essay was de geschiedenis van het armenhuis en het ‘goede werk’ van de nonnen van Bon Secours, alias ‘goede hulp’. Maar tot mijn grote verbazing vond ik in de officiële archieven van Tuam niets over het ‘weeshuis’. Geen enkel verslag van de gemeenteraadszittingen repte over de werking van het tehuis, terwijl de nonnen al die jaren in dienst van de overheid werkten. Ik begreep er niets van en zocht contact met het hoofdkwartier van de Bon Secours-orde in Cork. Ook in hun archief zat zogezegd niets over The Home. Ze lieten weten dat ze alle papierwerk aan de districtsraad van het graafschap Galway hadden bezorgd. Maar het enige wat die raad ooit van de nonnen kreeg, zijn registers met de aankomstdatums van de ongehuwde moeders en de geboortedatum en het gewicht van hun baby’s.

De nonnen hadden alle sporen gewist?

Corless: Daar leek het op. In de bibliotheek van de universiteit van Galway had ik meer geluk: daar vond ik plattegronden van The Home in 1925 en zo ontdekte ik afgesloten rioleringstunnels die een soort van ondergronds kelderlabyrint vormden. Ik ging praten met mensen die in het tehuis als ‘onwettig’ kind geboren waren en er een paar jaar hadden geleefd, tot ze in pleeggezinnen terecht kwamen. Die overlevers schetsten een zeer grimmig portret van hun behandeling door de nonnen.

In de jaren dertig werden rond The Home huizen gebouwd. Een van de oudere inwoners vertelde me hoe hij als kind vanuit zijn slaapkamerraam’s avonds laat verschillende keren graven had zien delven.

Er waren dus al veel eerder dan 2014 geruchten dat de nonnen dode kinderen begroeven?

Corless: Daar kwam ik toen achter, ja. Overlevers en bejaarde buurtbewoners lichtten tipjes van de sluier, maar iedereen zei: ‘Gebruik nooit mijn naam.’

De archivaris van de burgerlijke stand van Galway ging op zoek naar de volledige lijst van aangegeven geboorten en overlijdens van het tehuis van Tuam. Toen zij me belde, hoorde ik dat ze van slag was. ‘In totaal stierven er 798 kinderen’, zei ze. ‘Van twee vond ik begrafeniscertificaten terug, van de 796 anderen niet.’

Slechts twee kinderen waren door de nonnen officieel begraven?

Corless: Die twee waren échte wezen en geen buitenechtelijke kinderen van ongehuwde moeders. Het kerkhof van Tuam lag vlak naast The Home. Daar was geen spoor van de 796 dode kinderen te vinden. Met de hulp van Tuams officiële grafdelver John Mannion zocht ik uit of ze misschien op een ander kerkhof ergens in Ierland begraven lagen. Hun namen doken nergens op. Ook John vertelde me dat de nonnen op hun terrein gestorven home babies begroeven. Toen alle beschikbare ruimte was opgebruikt, begonnen ze met het vullen van de rioleringstunnels. De lijst met de namen van de doden en hun leeftijden is intriest. De oudste is acht jaar; de meesten waren één of twee. Ze stierven als gevolg van grove verwaarlozing.

Lag de kindersterfte zeker tot na WO II in heel Ierland niet erg hoog?

Corless: Natuurlijk waren er levensbedreigende ziekten, zoals difterie en mazelen en waren er nog geen antibiotica. Maar let eens op de genoteerde doodsoorzaken: heel vaak is dat buikgriep. De nonnen van Bon Secours waren gedpilomeerde verpleegsters. Ze kenden het belang van goede hygiëne en wisten perfect dat de zeer besmettelijke buikgriep makkelijk te stoppen is door zieke kinderen van gezonde te isoleren. Ze lieten de baby’s gewoon creperen en probeerden ze na hun dood van de aardbodem te wissen. Hoe moet ik het begraven in een riool en het laten verdwijnen van alle documenten anders omschrijven?

Wat dreef de nonnen?

Corless: Hebzucht en controle. Ongehuwde moeders beschouwden ze als gevallen vrouwen. Omdat de kinderen in hun ogen toch niet deugden, mochten ze er aan verdienen.

De in 1916 geboren Julia Deveney kwam in 1925 als negenjarig meisje bij de nonnen terecht. Haar leven lang was ze hun gratis dienstmeid en tuinier. Voor haar dood getuigde ze op band over het leven in The Home. Aan zelfgeteelde groenten was er geen gebrek en Julia kweekte kippen en varkens voor de nonnen. Maar de kinderen kregen amper te eten. Julia zag ze nooit vlees of groenten eten. Het tehuis moest zoveel mogelijk geld opbrengen. De werking werd gesubsidieerd door de staat en de nonnen ontvingen regelmatig grote sommen geld van de gemeente Tuam voor onderhoud van het gebouw. Adopties leverden altijd gulle giften op. Intussen kloegen pleegouders dat hun nieuwe pleegkind vel over been was.

Waren alle nonnen dan slecht?

Corless: Vooral de leiding deugde niet. De gewone nonnen legden hun eed van gehoorzaamheid af en hielden zich daar rigoureus aan. Ze luisterden braaf en gedwee naar Moeder Overste, meneer pastoor en de bisschoppen en aartsbisschoppen. Zo ging dat hier in Ierland. Er werd strikt op toegekeken dat jonge nonnen en moeders geen vriendinnen werden. ‘Wij staan boven die gevallen vrouwen.’

In 2014 noemde de leiding van de Orde van Bon Secours u een leugenaar.

Corless: Toen beweerden ze nog dat ze niets afwisten van kinderlijkjes. Ook de lokale politici vielen uit de lucht. Vandaag weten we met zekerheid dat het gemeentebestuur van Tuam er al heel lang van op de hoogte is dat kinderen in The Home van ontbering stierven én dat ze door de nonnen anoniem begraven werden. Het is geen toeval dat begin jaren zeventig een speelplein aangelegd werd op precies die plek waar de baby’s liggen. Het gemeentebestuur wou zo vermijden dat tijdens de bouw van de nieuwe woonwijk dode baby’s en kinderen aan de oppervlakte zouden komen.

Hebt u daar bewijs voor?

Corless: Zwart op wit. Ik vond de memo’s terug die gemeenteraadsleden begin jaren zeventig uitwisselden met de aannemer. Op het plan voor de wijk stond het terrein waar nu het speelplein is, aangeduid als: ‘Begraafplaats kinderen’. Iemand had erbij geschreven: ‘Wees heel voorzichtig met de aanleg van het speelplein: hier liggen kinderen begraven.’

‘Speelplein’ krijgt zo wel een heel cynische bijklank.

Corless: U zag die plek met eigen ogen. Het is onwaarschijnlijk. Dat plein is aangelegd opdat niemand ooit te weten zou komen dat er kinderen begraven liggen.

In 1975 vonden twee jongens van twaalf, Franny Hopkins en Barry Sweeney, er tijdens het spelen al beenderen van kinderen.

Corless: Franny en Barry openden vlak naast het speelplein een vrijgekomen deksel van een rioleringsput. In de diepte zagen ze skeletten van kleine kinderen en schoten in paniek. Ze vertelden hun ouders over hun ontdekking. Die lichtten de politie en de kerk in. De Garda en de clerus concludeerden meteen eensgezind: beenderen van slachtoffers van The Famine. Buurtbewoners bouwden met toestemming van de gemeente een muur rond de vindplaats en een kleine Maria-grot. Ze onderhielden de plek op eigen kosten.

U kunt zich echt niet voorstellen hoe machtig de katholieke kerk in Ierland tot ver in de jaren negentig nog was. Een ongehuwde jonge vrouw die zwanger werd, moést in het door nonnen gerund tehuis gaan bevallen. De priester kwam langs en dreigde met hel en verdoemenis als het meisje niet naar The Home vertrok. De meeste ouders durfden niet tegen hem ingaan. Als dat meisje dan een jaar later zonder haar baby terug naar huis kwam, stond de priester daar opnieuw. Tegen de ouders zei hij: ‘Stuur haar weg, want ze is een bedreiging voor de mannen.’

De jongemannen die de meisjes zwanger maakten, werden met rust gelaten?

Corless: Ja, tienerzwangerschappen werden ‘onbevlekte ontvangenissen’ genoemd. Heel af en toe trok een rijke vader van een zwanger meisje naar de rechtbank om onderhoudsgeld van de jongen te eisen. Sommige ouders keerden zich tegen de kerk, lieten hun dochter thuisbevallen en zorgden samen met haar voor het kind. Maar dat waren uitzonderingen, want ze werden uit de gemeenschap gezet en sociaal geïsoleerd. Het kind stond een vreselijke toekomst te wachten als ‘bastaard’.

Nadat uw verhaal internationale weerklank kreeg, werd door de overheid een onderzoekscommissie opgericht, de ‘Mother and Baby Homes Commission of Investigation’. In januari van dit jaar presenteerde die commissie haar eindrapport. Waarom duurde het zo lang?

Corless: Eerst was drie jaar vooropgesteld, maar die termijn bleek snel te optimistisch. Want de commissie moest niet enkel Tuam onderzoeken, maar àlle twintig Ierse katholieke tehuizen voor moeders en baby’s. Haar eindrapport was een slag in het gelaat van de overlevers van de tehuizen. Het was academisch, met weinig aandacht voor de vele mensen die voor de commissie hadden getuigd.

Maar het door de commissie verzamelde cijfermateriaal bevestigt toch uw stelling: onwettige baby’s en kinderen waren niet veilig in Ierse katholieke opvangtehuizen?

Corless: Dat klopt. De commissie stelde vast dat tussen 1922 en 1998 ongeveer 56.000 ongehuwde moeders in de twintig katholieke tehuizen bevallen waren. In diezelfde periode verbleven in diezelfde tehuizen 57.000 kinderen. Ze voegde eraan toe dat dat wellicht een onderschatting is en gaat ervan uit dat minstens 25.000 tienermoeders en evenzoveel kinderen níet geregistreerd werden. Officieel stierven in de tehuizen 9.000 kinderen. De conclusie van de commissie luidde bikkelhard: ‘Vóór de jaren 1960 vernietigden de tehuizen de levens van onwettige kinderen in plaats van ze te redden.’ Zo stierven er in de jaren 1945 en ’46 verhoudingsgewijs twee keer zoveel onwettige kinderen in de katholieke tehuizen als wettige in heel Ierland.

Zocht de kerk ooit contact met u?

Corless: Een dag na het artikel in de Irish Mail on Sunday in mei 2014 kreeg ik telefoon van een vrouw die zich voorstelde als zuster Mary Ryan, hoofd van de congregatie van Bon Secours. Ze klonk zeer defensief. ‘Wat is dat allemaal?’, zei ze. Ze klaagde dat ze continu gebeld werd door journalisten. ‘De rust van mijn oude medezusters is verstoord. Niemand weet iets over het tehuis van Tuam. We zijn daar al lang weg.’ Ze vroeg of ze me kon ontmoeten. We spraken af voor de week nadien in de lobby van een hotel in Galway. Dat werd een dovemansgesprek.

Ik zocht daarna zelf contact met Michael Neary, de aartsbisschop van Tuam. Na veel aandringen, ontving hij me in 2015. Ik presenteerde mijn research en bewijzen. Naast hem zat zijn ‘priester-historicus’ die verkondigde dat er in de kerkelijke archieven geen spoor te vinden was van problemen in Tuam. Ik vroeg Neary of hij met de zusters wou gaan praten. Hij antwoordde niet ja, maar ook niet nee. Hij zei alleen: ‘Zin in een kopje thee?’ Ik wist: dit is tijdverspilling.

In januari van dit jaar hebben de zusters van Bon Secours zich publiekelijk verontschuldigd.

Corless: Na het rapport van de onderzoekscommissie stonden ze met hun rug tegen de muur. Het raakte me diep toen hun verontschuldiging op de radio werd voorgelezen. Ze gaven toe dat de zusters van Bon Secours zich tussen 1925 en 1961 in Tuam allesbehalve christelijk gedroegen. ‘We waren deel van een systeem dat moeders en hun kinderen verschrikkelijk liet lijden.’ Ze gaven ook toe dat gestorven kinderen op een respectloze en onaanvaardbare manier begraven werden. De nonnen boden hun verontschuldigingen aan de vrouwen en kinderen van St Mary aan, aan de overlevers en bij uitbreiding aan alle Ieren. Overlever P. J. Haverty trok met die verontschuldiging naar het graf van zijn moeder om ze luidop voor te lezen.

Volstaat die verontschuldiging voor u?

Corless: Nee, ik vind dat de nonnen ook alle kosten van de opgraving en herbegraving moeten betalen. Naar schatting gaat dat over 13 miljoen euro; voor Bon Secours is dat een peulschil. Vandaag runnen ze met al hun ziekenhuizen een miljardenbedrijf. De overlevers azen niet op geld, maar willen enkel erkend worden als slachtoffer.

Het rapport van de onderzoekscommissie leert ons dat Tuam geen alleenstaand geval is. Maar ook Ierland is geen alleenstaand geval, denk maar aan de kinderlijkjes die eerder dit jaar in Canada bij katholieke kostscholen gevonden werden.

Ook bij ons gingen tot eind jaren 1980 tienermoeders en ongewenst zwangere vrouwen anoniem bevallen in kloosters in Noord-Frankrijk. Hun baby’s stonden ze af voor adoptie.

Corless: Dat klinkt griezelig herkenbaar. Is er ooit gedegen onderzoek gevoerd naar wat er met al jullie zogezegd onwettige kinderen gebeurd is?

Bent u nog katholiek?

Corless: Nee. Jarenlang ging ik elke week trouw naar de mis, zoals me dat was ingedrild. ‘Keer je nooit tegen de priester, want dan volgt de wraak van de Heer.’ Veel Ieren zijn nog steeds doordrongen van die angst voor de clerus.

Toen de stoffelijke resten in 2017 gevonden werden, had de kerk een unieke kans om aan boord te komen. Ik ontmoette toen bisschop Fintan Monahan op het speelplein en toonde hem waar de baby’s begraven waren. De nieuwsdienst van de Ierse openbare omroep filmde ons. Monahan zei: ‘De feiten zijn van lang geleden. Het waren andere tijden: we mogen over het verleden niet oordelen met maatstaven van nu. Laten we de kinderen gedenken in onze gebeden.’ Ik stond als aan de grond genageld. Want hij verknoeide een uitgelezen kans om de hand te reiken: ‘Wat kunnen we doen? Laat ons helpen de kinderen een fatsoenlijke begraafplaats te geven.’ Nee, hij wou alles met de mantel der liefde bedekken. Dat maakte me zo boos en die woede blijft mijn motor. Ik zal niet rusten voor alle kinderen geborgen zijn.

Catherine Corless, Belonging, Hachette Books, 470 blzn., 19,95 euro

Catherine Corless

– In 1954 geboren in Tuam

– Brak haar studies aan de kunstacademie na één jaar af

– Werkte eerst als bediende in een textielfabriek en werd later voltijds zelfstandige boerin

– Schreef zich in 2005 in voor een avondcursus heemkunde en werd lid van The Old Tuam Society

– Verdiepte zich vanaf 2012 in het onderzoek naar de 796 verdwenen kinderen van Tuam

– Kreeg voor haar werk eredoctoraten van de universiteit van Galway (2017), Trinity College Dublin (2018) en de universiteit van Dublin (2019)

– Werd in 2017 bekroond met de Bar of Ireland Human Rights Award

– Is getrouwd en heeft vier kinderen

– De Ierse acteur Liam Neesan werkt aan de verfilming van haar zoektocht

Tekst: © Jan Stevens

Foto’s: © Veerle Van Hoey

%d bloggers liken dit: