Sinds 1951 organiseert de Council for the Lindau Nobel Laureate Meetings jaarlijks in het Zuid-Duitse stadje Lindau een discrete ontmoeting tussen Nobelprijswinnaars en een select gezelschap van jonge wetenschappers van overal ter wereld. Er hangt een parfum van exclusiviteit rond de Lindau-meetings: voor ambitieuze jonge wetenschappers zou Lindau het equivalent zijn van wat Davos voor regeringsleiders, ondernemers en bankiers is. 

DSC02541

Zondagnamiddag in Lindau, een stadje op een eiland in het Bodenmeer waar Adolf Hitler van 1933 tot 2005 ereburger was. De zon schijnt uitbundig op de hoofden van de zwaarbewapende politieagenten voor de ingang van het Stadttheater. Hoog boven het stadscentrum cirkelt een helikopter. Binnen een paar minuten begint de openingsceremonie van de 67e Lindau Nobel Laureate Meeting in het bijzijn van Johanna Wanka, de Duitse minister van Onderwijs. Zij zal er 28 Nobelprijswinnaars en 420 jonge briljante wetenschappers van over de hele wereld verwelkomen die een week lang, van maandag 26 juni tot en met vrijdag 30 juni, met elkaar zullen ‘verbroederen’ op het ‘Davos van de wetenschap’. In de praktijk komt het erop neer dat de jonge wetenschappers elke voormiddag in het Stadttheater naar lezingen van de Nobelprijswinnaars zullen luisteren om in de namiddag op andere plekken in de stad met hen in dialoog te treden.

“De strenge politiebewaking is een gevolg van de terreurdreiging”, zegt Rebecca Henrichs, communicatiemedewerkster van de organiserende Council for the Lindau Nobel Laureate Meetings. “De overheid wil geen enkel risico nemen, zeker niet wanneer een minister en al die Nobelprijswinnaars en jonge knappe koppen zich samen in één ruimte bevinden.”

DSC02546De Lindau Nobel Laureate Meeting werd voor het eerst georganiseerd in 1951 door de lokale artsen Franz Karl Hein en Gustav Wilhelm Parade. Rebecca Henrichs: “Ze wilden na Wereldoorlog II de wetenschappelijke dialoog tussen Duitsland en de rest van de wereld herstellen. Ze hadden daarvoor geld nodig en klopten aan bij graaf Lennart Bernadotte af Wisborg, de kleinzoon van de Zweedse koning Gustaaf V en eigenaar van het naburige eiland Mainau. Dankzij zijn Zweedse roots had graaf Bernadotte connecties met de Zweedse vertegenwoordigers van het Nobelcomité in Stockholm. De jaarlijkse Lindau Nobel Laureate Meetings draaien nu rond natuurwetenschappen en economie. Deze week staat bijna volledig in het teken van chemie en in augustus organiseren we de zesde Lindau Meeting over economie.”

Graaf Lennart Bernadotte stierf in 2004 en kreeg een standbeeld voor het Lindause Stadttheater. Vandaag wordt de Council for the Lindau Nobel Laureate Meetings voorgezeten door zijn 43-jarige dochter gravin Bettina Bernadotte, ceo van Mainau GmbH. Via dat familiebedrijf beheert ze haar jaarlijks door miljoenen toeristen bezochte ‘bloemeneiland’ Mainau.

Alternative facts

Klokslag vier spreekt gravin Bernadotte op het podium van het op een grote pralinedoos lijkende Stadttheater haar openingsspeech uit. Op de eerste rijen voor haar zitten de 28 overwegend grijze en mannelijke Nobelprijswinnaars, geflankeerd door notabelen en sponsors. De rijen erna worden ingenomen door 420 jonge exacte wetenschappers uit meer dan 70 landen. Sommigen zijn masterstudenten, anderen werken aan hun doctoraat, nog anderen zijn als postdoc-researcher verbonden  aan een universiteit. Op het hoofd van de gravin staat een hoed zoals die door dames van haar stand gedragen wordt op de Royal Ascot paardenraces. Het duurt niet lang of haar speech krijgt een opvallend politieke toon. “Toen ik vorig jaar de Lindau Nobel Laureate Meeting opende, was de wereld een totaal andere plek”, zegt ze. “Het was vòòr de verkiezing van Donald Trump en vòòr de Hongaarse regering probeerde om de Central European University in Boedapest te sluiten. Jarenlang waren de Lindau Nobel Laureate Meetings een plek om over wetenschap te discussiëren. Wetenschap oversteeg de verschillen in nationaliteit, religie of geslacht. De reden daarvoor is dat wetenschap vertrouwt op bewezen, waarneembare feiten in plaats van op geloof en overtuiging. Wetenschappers stellen alles in vraag, inclusief zichzelf. Elke theorie is waar tot het tegendeel bewezen is.”

Gravin Bettina Bernadotte ontpopt zich in haar openingsspeech tot een voorvechtster van evidence based science. In juni 2013 droeg ze op een driedaags congres van de organisatie Homeopaten Zonder Grenzen in Berlijn dan weer een andere Ascot-pet. Toen prees ze in de programmaflyer de onbewezen alternatieve geneeswijze homeopathie aan als ‘een zachte methode die rekening houdt met de gehele, holistische mens’. Nu vraagt de gravin haar wetenschappelijke toehoorders om in het huidige post-truth-tijdperk in verweer te komen tegen de verspreiders van alternative facts. “Nonsens tot waarheid uitroepen en wetenschap als nonsens catalogeren is hetzelfde als de ogen sluiten voor de werkelijkheid”, zegt ze. “Onze Lindau-meetings waren altijd a-politiek. De bedoeling was om te onderwijzen, inspireren en verbinden. Deze Lindau Nobel Laureate Meeting handelt nog steeds over wetenschap, maar wetenschappers kunnen niet negeren wat er in de wereld gebeurt.” Dus roept Gravin Bernadotte op tot verzet tegen ‘wetenschapsnegationisme’ en verwijst ze naar een andere ‘politieke mijlpaal’ uit het verleden van de Lindau-meetings: “In 2015 ondertekenden 36 Nobellaureaten de Mainau-verklaring over de gevaren van de klimaatverandering.” Wat ze er niet bij vertelt, is dat van de 65 Nobelprijswinnaars die in 2015 in Lindau te gast waren, 29 de verklaring niet ondertekenden. Ze vergeet ook te vermelden dat een van haar gasten toen Nobelprijswinnaar en notoir klimaatontkenner Ivan Giaever was. Tijdens zijn op Youtube te bekijken Lindau-lezing Global Warming Revisited noemde hij de klimaatverandering een ‘non-problem’.

Op het einde van haar speech dankt gravin Bettina Bernadotte de grootste sponsors van de Lindau Nobel Laureate Meeting: Mars, Rolex, BASF en de vereniging van de Duitse scheikundige industrie VCI. Applaus op alle banken.

Posterboy

DSC02553De zaterdagavond voor de openingsceremonie waren veertig jonge wetenschappers door de Council uitgenodigd voor een ‘avant-diner’ met de Nobellaureaten. S. was één van hen. “In het midden van de zaal zaten de Nobelprijswinnaars samen met de sponsors”, vertelt ze. “Wij, young scientists, zaten aan tafels verspreid rond hen. Het was alsof we aan de kindertafel gezet werden, terwijl sommigen onder ons notabene hun eigen onderzoeksgroep leiden. Bij de start van de openingsceremonie op zondag moesten alle jonge wetenschappers via een achteringang binnenkomen terwijl de sponsors en de nobellaureaten langs de grote poort binnentraden. Het was raar om zo stiefmoederlijk behandeld te worden.”

In 2015 was onze Nobelprijswinnaar fysica François Englert ook te gast op de Lindau Nobel Laureate Meeting. Zijn handtekening prijkt niet op de Mainau-verklaring over klimaatverandering. Volgens Englert tellen bezoekende studenten een flinke smak geld neer. “Dat klopt, alleen worden alle deelnemende studenten gesponsord”, zegt Ivo Stassen, postdoctoraal onderzoeker van het FWO bij de KULeuven. “De vergoeding om als jonge wetenschapper een week lang te mogen deelnemen, bedraagt 5.000 euro. De helft van mijn verblijf wordt betaald door het FWO. De resterende 2.500 is gesponsord door een Duits wetenschapsfonds.” Hoe is Ivo geselecteerd geraakt? “Het FWO organiseerde een oproep voor jonge wetenschappers. Ik werd genomineerd en stuurde vervolgens mijn cv en motivatie naar Lindau. Ik moest ook een klein essay schrijven.” Welke selectiecriteria hanteert de Lindau Council? “Je moet wetenschappelijk ‘excellent’ zijn, of goede wetenschappelijke publicaties op je actief hebben. Maar ook je motivatie is belangrijk.”

Ivo wil op de Lindau-meeting zijn netwerk verder uitbouwen. “Ik ontmoet hier mensen van mijn generatie van over de hele wereld die de Lindau Council veelbelovend vindt. Ik hoop hier een paar collega’s tegen het lijf te lopen waar ik de rest van mijn professionele leven contact mee kan houden.”

Houdt de academische wereld meer rekening met een jonge wetenschapper die deelnam aan een Lindau-meeting? “Het is zeker een verdienste dat je hier terechtkwam en een poster mocht presenteren.” Wat bedoelt Ivo met ‘een poster presenteren’? “Een wetenschappelijke poster houdt het midden tussen een grafische samenvatting en een tekst over een bepaald project. Mijn poster is door de Council geselecteerd en hangt hier een hele week. Ik zal er later deze week ook naast gaan staan om vragen van andere jonge wetenschappers te beantwoorden of om in discussie te gaan. Dat lijkt me een boeiende manier om te praten over wetenschap.”

Buitenkans

Maandagnamiddag, halftwee. Sammy Verbruggen, post-docresearcher aan de Universiteit Antwerpen, drinkt een biertje op een zomers terras op een steenworp van het Stadttheater. “Ik vond de openingsspeech van Betinna Bernadotte best oké”, zegt hij. “Ook een wetenschapper mag een standpunt innemen, want wij bepalen mee het beleid. De gravin wist voor wie ze sprak: er zaten geen Trump-aanhangers in de zaal. Mijn Amerikaanse collega’s hier verontschuldigen zich voor hun regering. Het eerste wat de Britten zeggen, is: ‘Sorry voor de brexit.’”

Dankzij Steven Chu, Nobelprijswinnaar fysica 1997 en van 2009 tot 2013 minister van Energie onder Barack Obama, heeft Sammy tijd voor een biertje. Chu had normaal gezien daarnet een lezing moeten geven, maar hij keerde drie dagen geleden onverrichterzake naar de VS terug nadat zijn vrouw in Amsterdam haar been brak. Chu stond ook geprogrammeerd om te speechen na de openingsrede van gravin Bernadotte, maar was toen al van het toneel verdwenen. Zijn collega William Moerner, Nobelprijswinnaar scheikunde 2008, las Chu’s speech over ‘klimaatverandering en de rol van de wetenschap in het post-truth-tijdperk’ voor, nadat hij erop gewezen had dat ‘ik’ in de tekst stond voor Steven Chu.

Sammy Verbruggen is bio-ingenieur in katalytische technologie. “Ik heb me via het FWO kandidaat gesteld voor deze Lindau Nobel Laureate Meeting. Geen idee of dit nu goed zal ogen op mijn cv. Dat was alleszins niet mijn drijfveer. Het gebeurt zelden of nooit dat er op een wetenschappelijk congres een Nobelprijslaureaat uitgenodigd wordt, terwijl de Lindau-meeting uit bijna niets anders dan lezingen van Nobelprijswinnaars bestaat. Dit is dus een buitenkans.”

De voorbije ochtend kuierden toeristen door zonovergoten straten, terwijl 420 jonge wetenschappers in een verduisterde theaterzaal aandachtig luisterden naar lezingen van Nobelprijswinnaars. De Nederlandse professor Ben Feringa beet om negen uur stipt de spits af. Hij kreeg vorig jaar de Nobelprijs scheikunde voor zijn onderzoek naar moleculaire nanomachines. Met veel schwung vertelde de 66-jarige chemicus over zijn persoonlijke zoektocht naar wetenschappelijk geluk. “Ik heb genoten van Feringa’s lezing”, zegt Sammy. “De materie waarin hij zich verdiept, is fascinerend. Het is heel fijn om mijn grote voorbeelden aan het werk te zien. Contacten leggen met andere wetenschappers gaat ook verrassend makkelijk. We hebben allemaal dezelfde ingesteldheid: iedereen is open en enthousiast.”

Revolutie

Karen Stroobants werkt als post-docresearcher aan de universiteit van Cambridge, waar ze onderzoek voert naar ziekten zoals Alzheimer en Parkinson. “Ik heb een beurs van de Europese Commissie voor mijn onderzoek in Cambridge”, zegt ze. “De Commissie heeft me voor de Lindau-meeting voorgedragen.”

Was hier aanwezig zijn een van Karens dromen? “Eerlijk gezegd had ik nog nooit van de Lindau Nobel Laureate Meeting gehoord, al is het een speciale ervaring. Ik heb ondertussen een paar Nobellaureaten persoonlijk gesproken. Als jonge wetenschapper kom je hier veel rolmodellen tegen. Het is jammer dat het nog steeds vooral mannen zijn.”

Vooral bejaarde mannen, zoals de 79-jarige Tomas Lindahl, Nobelprijswinnaar scheikunde 2015, die op maandagmorgen een lezing geeft over zijn stokpaardje: DNA-instabiliteit. De professor is slecht te been en zijn lezing klinkt als een kurkdroge les chemie. Zijn 15 jaar oudere collega Rudolph Marcus (Nobelprijs chemie 1992) bestijgt een uur later het trapje naar het podium met kwieke tred, maar worstelt tijdens zijn lezing met de moderne technologie.

Ook Karen Stroobants vindt dat sommige lezingen voor verbetering vatbaar zijn. “Wetenschappers moeten beter leren communiceren, zelfs mensen van dit niveau.” Heeft Karen al verrassend nieuwe dingen gehoord? “Niet echt, maar Martin Chalfie (Nobelprijs scheikunde 2008) presenteerde wel onderzoek dat ik nog niet kende. Ben Feringa vond ik dan weer zeer inspirerend door zijn levensverhaal.” Feringa is een van de jongsten van de club. Karen Stroobants: “Vermoedelijk is hij daardoor ook degene die het best getraind is in communiceren. Bettine Bernadotte’s openingsspeech komt niet zomaar uit de lucht vallen: er zijn wel degelijk problemen in hoe de wetenschap met het grote publiek en met de politiek communiceert. De ongerustheid onder wetenschappers is groot. Wetenschap had lang de reputatie de brenger van waarheid te zijn. Het voorbije jaar zijn er serieuze pogingen ondernomen om die reputatie te ondermijnen. Mensen die zoals gravin Bernadotte wetenschapsevenementen organiseren en wetenschappers voelen zich daardoor gekwetst.”

Hebben sommige wetenschappers zelf geen boter op het hoofd? Er zijn er toch die knoeien met onderzoeksresultaten of –procedures? Denk maar aan topdokter Stefaan Van Gool. “Ik kan niet begrijpen waarom een wetenschapper zoiets doet”, zegt Karen. “Daar zijn geen verzachtende omstandigheden voor.” Een te hoge publicatiedruk misschien? “Daar schort inderdaad iets aan. Begrijp me niet verkeerd: publiceren is belangrijk. Maar grote tijdschriften als Nature en Science hebben een monopolie en oefenen zo macht uit over de carrière van onderzoekers. Een onderzoek duurt soms vijf jaar vooraleer er een publicatie uit voortvloeit. Op het moment dat wij onze resultaten willen publiceren, moeten wij die tijdschriften betalen voor het afdrukken van bijvoorbeeld figuren in kleur. Als een collega in het kantoor naast het mijne dat artikel vervolgens wil lezen, moet hij het tijdschrift betalen. Ikzelf verdien geen cent met mijn publicaties, maar Nature is wel uitgegroeid tot een zeer rijk bedrijf. Wie als wetenschapper vooruit wil, is zo goed als verplicht om in Nature of Science te publiceren. Die tijdschriften maken en kraken carrières.” Wordt daar met de Nobelprijswinnaars over gesproken? “Ja. Aaron Ciechanover (Nobelprijs scheikunde 2004) riep ons zelfs op om ons als jonge wetenschappers te verenigen en een vuist tegen de grote tijdschriften te maken.” Broeit er op de Lindau-meeting iets revolutionairs? “Er wordt alleszins veel over gepraat, alleen vrees ik dat het business as usual is van zodra we terug aan het werk zijn.”

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

“Waarom zovelen me invloedrijk vinden?” Lang moet professor François Englert daar niet over nadenken. “Misschien omdat ik de allereerste Belg ben die de Nobelprijs Fysica gewonnen heeft?” Volgens Englert vond Alfred Nobel himself dat de meest prestigieuze Nobelprijs. “Hij had de vijf prijzen gerangschikt naar belangrijkheid, en natuurkunde prijkte helemaal bovenaan.”

 

We zitten in het Spartaans ingerichte krappe kantoor van België’s meest vermaarde professor theoretische fysica op de campus van de Université Libre de Bruxelles (ULB). François Englert (85) gooit het raam open om frisse lucht binnen te laten. Op het bureau van de professor emeritus ligt een thesis uit 2011 over elementary particle models without any adjustable real parameters. Het bord aan de wand staat volgekalkt met intrigerende formules. ‘|R>=U|A>+|K>‘, leer ik.

François Englert heeft de in 2013 aan hem toegekende Nobelprijs te danken aan een theorie die hij 49 jaar eerder samen met zijn in 2011 overleden collega en vriend Robert Brout op papier zette. Toen al beschreven ze het pas in 2012 in de deeltjesversneller van het CERN nabij Genève voor het eerst waargenomen ‘Brout-Englert-Higss-bosondeeltje’. Zonder dat ene deeltje dat alle andere deeltjes massa geeft, bestaat er niets. Zonder dat ene deeltje dat Englert meer dan een halve eeuw geleden als allereerste samen met Brout bijeen redeneerde, is er geen aarde, geen tijd, zijn er geen atomen, geen sterren, geen mensen.

“Ik vind het jammer dat Robert die Nobelprijs niet samen met mij heeft kunnen winnen”, zegt de professor. “Zijn bijdrage aan de theorie was essentieel. Tot aan zijn dood waren we dichte vrienden. Hij woonde in Linkebeek en ik zag hem elke dag. Jarenlang werkten we nauw samen. Robert was van oordeel dat we veel interessanter onderzoekswerk verricht hebben dan dat ene onderdeel dat bekroond is met de Nobelprijs. Misschien heeft hij gelijk, misschien niet. Eén ding is zeker: we hebben een fantastische vriendschap beleefd.”

 

Hoe leerde u Robert Brout kennen?

François Englert: “In 1955 studeerde ik af als burgerlijk ingenieur. Tijdens die studies ontdekte dat ik veel meer geïnteresseerd was in de redenen waarom dingen zich gedragen zoals ze zich gedragen, dan in al die machines die met die kennis gebouwd worden. Ook al was ik dan burgerlijk ingenieur, toch voelde ik me intellectueel niet voldaan. Ik kon hier aan de ULB aan de slag als assistent bij een professor ingenieurskunde. Een fijne man, maar zijn vak interesseerde me niet. Datzelfde jaar kwam de befaamde Franse professor Pierre Aigrain gastlezingen geven. Vlak voor zijn komst liet hij weten dat hij een assistent nodig had. Mijn prof zei: ‘Ik denk dat monsieur Aigrain heel blij zal zijn met jou en dat jij gelukkiger wordt bij hem dan bij mij.’ Profetische woorden, zou later blijken.

“Pierre Aigrain doceerde over halfgeleiders. Vandaag is dat voor alle ingenieurs basiskennis; toen was dat zeer revolutionair. Tijdens mijn assistentschap begon ik fysica te studeren. Ik kon nooit naar de les, want ik moest Aigrains lezingen over halfgeleiders uitschrijven en dat was ook voor mij compleet nieuwe materie. Dus stuurde hij me eerst op zomercursus in Frankrijk. Vier jaar fysica legde ik in drie jaar af. Toen ik dat diploma in 1958 kreeg, wou ik onderzoek voeren, maar eerst moest ik nog in het leger en een doctoraat halen. Ik had geluk, want dankzij een commandant met liefde voor de wetenschap kon ik tijdens mijn legerdienst doctoreren. Rond die tijd werd mijn prof gecontacteerd door Robert Brout, een jonge Amerikaanse professor theoretische fysica van de Cornell University in de staat New York. Robert was op zoek naar een assistent en wou liefst een Europeaan. Op het lijstje van mijn prof stond ik op de tweede plaats. Bovenaan prijkte de naam van mijn Franse collega Pierre-Gilles de Gennes, die in 1991 ook de Nobelprijs Fysica zou winnen. De Gennes was niet beschikbaar, dus werd ik eind 1959 twee jaar lang Brouts assistent in Cornell. We werkten nauw samen en werden heel goede vrienden. Aan het einde van 1961 bood de universiteit van Cornell me een leerstoel aan. Ik weigerde, want ik wou terug naar Europa. Ik voelde me niet echt thuis in de VS. Ik kon aan de slag op de ULB en Brout kwam met mij mee. Hij had een beurs gekregen voor een verblijf in België en een paar jaar lang werkten we aan wat later bekroond zou worden met de Nobelprijs. Robert gaf zijn ontslag in het prestigieuze Cornell om ook hier aan de ULB als professor aan de slag te gaan. Samen leidden wij de fysicagroep. Hij kreeg de Belgische nationaliteit en verzaakte aan zijn Amerikaanse staatsburgerschap. Zijn dood was voor mij een erg zware klap. (stilte)”

 

Is uw invloed gegroeid dankzij de Nobelprijs? Wordt er nu meer naar u geluisterd dan vroeger?

Englert: “Jazeker. Maar het is niet omdat ik die Nobelprijs gewonnen heb, dat ik het recht heb om over vanalles en nog wat mijn mening te spuien. Jammer genoeg hebben veel mensen de neiging om werkelijk alles wat ik zeg zeer ernstig te nemen. Mijn uitspraken krijgen het gewicht alsof ze fundamentele kwesties behandelen. De ene vraagt me uitdrukkelijk om een petitie te tekenen; de andere vraagt me even uitdrukkelijk dat niet te doen. Daarom doe ik mijn uiterste best om helemaal niets te tekenen. Want ik wil niet gezien worden als die universele figuur die zijn eigen gedachtengoed het knapste ooit vindt. Mijn denkbeelden over politiek bijvoorbeeld, zijn niet beter of interessanter dan die van u.”

 

Sommigen zouden u liefst voor hun kar sparren?

Englert: “Ja, en ik wil niet gebruikt worden, voor niets en door niemand. Alleen over fundamentele wetenschap zeg ik dingen die het verschil maken. Van al de rest bewaar ik afstand. Ik ben geen orakel dat over vanalles en nog wat een mening heeft.”

 

Wat vond u als jongeman zo fascinerend aan fysica?

Englert: “Ik was eigenlijk niet zo jong meer toen ik er écht geïnteresseerd in raakte. Op de middelbare school had ik een boontje voor wiskunde. In het laatste jaar bestudeerde ik in mijn eentje de relativiteitstheorie van Einstein. Ik was daar helemaal weg van. Het is niet verwonderlijk dat Alfred Nobel in zijn testament de natuurkunde als eerste noemde voor de Nobelprijs. Tijdens de Italiaanse renaissance in de 16e eeuw vond een van de meest belangrijke intellectuele revoluties plaats: voor het eerst in de menselijke geschiedenis werd een poging ondernomen om de natuur te begrijpen aan de hand van alle waarneembare fenomenen. Het was geen zoektocht naar de zin van het leven, maar wel naar verklaringen voor wat mensen konden waarnemen. Er werd gezocht naar de wetten die daaraan ten grondslag liggen en geleerden begonnen het grote belang van wiskunde in te zien. Isaac Newton bracht dat later op een indrukwekkende manier in de praktijk. De belangrijkste man van de renaissance is voor mij Galileo Galilei. Hij had door dat de zon niet rond de aarde draaide, maar omgekeerd. Hij ontdekte ook dat de aarde in één etmaal helemaal rond zijn as draait aan een stevige snelheid van een paar honderd meter per seconde. Galilei vroeg zich af: ‘Waarom voelen we dat niet?’ Hij schreef daarover een nieuwe bewegingsleer die tot vandaag overeind blijft. Hij organiseerde allerlei wonderlijke experimenten met levende wezens en dode objecten om zijn theorie uit te testen.”

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog leefde u als kind ondergedoken.

Englert: “De Duitse bezetter beschouwde mij als een Jood, wat ik ook ben, maar er hangt veel verwarring over wat dat Joods zijn precies inhoudt. Ik ben totaal niet religieus, maar voel me wel deel van de culturele traditie. Ik heb nog heel sterke herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. U kunt het zich niet voorstellen hoe het was om te leven onder de barbarij. Niet alleen de Duitsers haatten de Joden; heel wat andere Europeanen gedroegen zich even antisemitisch. Gelukkig waren er ook nog veel aardige mensen. Camille en Louise Jourdan en hun dochter Yvonne waren zo dapper om mij als jongentje van negen onderdak te bezorgen in hun café-restaurant aan het station van Lustin, een plaatsje in de Ardennen. Camille en Louise behandelden me als hun eigen zoon. Mijn ouders en mijn oudere broer leefden elders ondergedoken; ik wist toen niet waar. Ze hadden me bij de Jourdans ondergebracht om mijn overlevingskansen te vergroten. Ik ben geboren in Brussel, als kind van een vader en moeder die in 1924 met hun eerstgeboren baby uit Polen gevlucht waren voor het steeds driester wordende antismetisme. Ik was zeven en een half toen de nazi’s in mei 1940 België binnenvielen. Ik kan me het geluid van de ronkende gevechtsvliegtuigen boven Brussel nog levendig voorstellen. Twee jaar na de invasie liep ik rond in een jasje met de gele ster en de letter J opgenaaid. Het zou niet lang meer duren voor de deportaties naar de vernietigingskampen op gang kwamen.”

 

Waar komt dat diep ingewortelde eeuwenoude antisemitisme vandaan?

Englert: “Aan de oorsprong ligt de vervolging door het christendom, want de Joden hadden volgens de christenen Jezus vermoord. Alleen leken ze niet door te hebben dat Jezus ook een Jood was. Ik herinner me dat in mijn oude agenda’s de eerste januari ‘besnijdingsdag’ genoemd werd. Besnijding gebeurt in de Joodse religie acht dagen na de geboorte. Jezus’ geboorte wordt gevierd op 25 december. Op Kerstmis is hij geboren en op 1 januari besneden: hij was dus een echte Jood. Nadat het christendom ‘geadopteerd’ was door de Romeinen, duurde het niet lang of de christenen keerden zich tegen die religie waaruit ze zelf stamden. Eeuwenlang werden de Joden daarna door christenen vervolgd.”

 

Adolf Hitler was geen christen.

Englert: “Neen, het christendom kon hem gestolen worden, maar hij merkte heel goed op hoe het antisemitisme in de hoofden van de mensen was ingesleten en exploiteerde dat gevoel.”

 

Sommigen horen vandaag echo’s uit de jaren dertig. U ook?

Englert: “Het antisemitisme is zeker niet dood. Maar ik werd tijdens de oorlog geholpen door mensen die waarschijnlijk zelf christenen waren. We kregen zelfs de hulp van een priester. Op een bepaald moment leek het alsof de Duitsers het verblijf van mijn ouders op het spoor waren. Mama, papa en mijn broer kwamen me halen in het café-restaurant en midden in de nacht vluchtten we naar het huis van Achille Moreels, een vriend van de Jourdans. De volgende morgen hoorden we dat de Gestapo de schuilplaats van mijn ouders overhoop had gehaald. De pastoor van het Ardeense dorp Annevoie, abbé Warnon, bezorgde ons gezin onderdak en mijn ouders valse paspoorten. Hij zorgde er ook voor dat ik in Dinant naar school kon. Hij werd een goede vriend van de familie. Veel mensen die ons hielpen, waren lid van het verzet, maar niet allemaal. Vaak ging het om gewone burgers. Ze liepen grote risico’s en ik vond dat als kind al heel opmerkelijk.”

 

Maar het was een minderheid die bereid was om mensen te helpen wier leven bedreigd was.

Englert: “Eigenlijk niet. Polen was militant katholiek en de bevolking was minder geneigd om Joden te helpen. De familie van mijn ouders zijn Polen; mijn broer is er geboren. Geen enkel individu van mijn Poolse familie heeft de oorlog overleefd. Wij hebben de holocaust wél overleefd, dankzij de hulp van heel gewone mensen. Hier zijn geen wouden of uitgestrekte bossen zoals in Frankrijk waar het verzet Joden kon verbergen. In België doken mensen onder met de hulp van de bevolking. In Polen werden burgers die Joden hielpen meteen geëxecuteerd. Hier gebeurde dat niet, maar toch namen al die mensen een groot risico. Dankzij hen werd in ons land de helft van alle geregistreerde Joden gered. In vergelijking met andere Europese landen is dat indrukwekkend veel. Ik weet dat ook vandaag het antisemitisme nog welig tiert, maar ikzelf heb dat nooit gevoeld, zelfs niet in de oorlog omdat ik omringd werd door hulpvaardige mensen. Ook later niet tijdens mijn studies.”

 

Ook niet tijdens uw carrière?

Englert: “Nooit. Antisemitisme heeft ook te maken met afgunst. In de middeleeuwen werden veel Joden bankier omdat ze geen enkel ander beroep mochten uitoefenen. Er zijn mensen die nog steeds geloven dat ‘de Joden’ zo rijk zijn als de zee diep is. De werkelijkheid is enigszins anders.

“Na de oorlog werd de Joodse identiteit voor mezelf totaal irrelevant. Ik wou er niets meer over horen, mijn leven in handen nemen en de gruwel van de holocaust vergeten. Voortaan was ik gewoon François Englert en dat Joods-zijn kon me gestolen worden. Veel overlevenden reageerden exact hetzelfde. Ze focusten zich op hun werk of hun passie en wilden niet meer praten over het verleden. Mijn ouders waren niet echt religieus, je zou hen seculiere Joden kunnen noemen. Ze volgden nog wel een paar grote feesten, maar niet fanatiek. Kerstmis was voor ons een belangrijker feest dan Pesach. Ze hadden misschien liever gezien dat hun kinderen wat meer aandacht schonken aan de Joodse tradities, toch legden ze zich erbij neer dat wij ons daar weinig van aantrokken.”

 

Waarom hebben zoveel geleerde mannen en vrouwen Joodse roots?

Englert: “Lang vroeg ik me dat niet af, tot ik naar de Verenigde Staten trok: daar ontmoette ik zeer veel slimme natuurkundigen en ontzettend veel van die bollebozen waren Joods. Ze waren niet religieus, maar droegen wel die hele culturele traditie van het Jodendom met zich mee. Ze volgden de shabbat niet, maar keken op een bepaalde manier naar de dingen en hadden een specifieke vorm van humor. Dat besefte ik voor het eerst in de VS. Al daagde dat besef misschien zelfs al iets eerder aan de ULB. Daar had ik ook een leven buiten de universiteit en nogal wat vrienden waren met allesbehalve academische zaken bezig. Zo was mijn beste vriend een houtbewerker.”

 

U was geen nerd?

Englert: “Nee, helemaal niet. Natuurlijk was ik erg sterk geïnteresseerd in de wetenschap, maar ik interesseerde me ook voor politiek. In 1957 ging ik bijvoorbeeld naar het Internationaal Jeugd- en Studentenfestival in Moskou, de hoofdstad van de toenmalige Sovjetunie.”

 

U was een communist?

Englert: “Ik was geen lid van de communistische partij, maar ik had wel sympathie voor het communisme. Als scholier bestudeerde ik naast Einstein ook Karl Marx. Ik las Het kapitaal op mijn zestiende. (glimlacht) Ik vind nog steeds dat sommige passages in dat boek niet helemaal onwaar zijn.

“Ik ben nogal individualistisch van aard en was nooit lid van een politieke partij. Al volgden ikzelf en mijn vrienden niet meteen een rechts spoor. We waren niet bereid om zomaar alles te slikken en we durfden op tafel te slaan. Er zaten veel Joden in die vriendenclub. Toen ik vervolgens naar de VS vertrok, zag ik al die mensen met Joodse roots die deel uitmaakten van de intelligentsia. Dat was alleen maar te verklaren door de traditie waartoe zij behoorden. Mijn ouders droegen die cultuur ook met zich mee en gaven die door aan hun kinderen. Zij waren helemaal geen intellectuelen en zaten in de textielhandel. Ze waren vanuit Polen naar België gevlucht en moésten wel iets vinden om te overleven.”

 

Hebt u in de jaren na de oorlog nog contact gezocht met de mensen die u hielpen onderduiken?

Englert: “Nee. Van zodra de oorlog voorbij was, wou ik er niet meer aan denken. Natuurlijk heb ik niet de gruwel van de deportatie of van een kamp moeten meemaken, maar ik beleefde wel de stress van het onderduiken. Elke dag konden we verraden worden; er was altijd die angst voor de klop op de deur. De dood loerde om de hoek. Ik was geïsoleerd van mijn ouders en wist lang niet hoe het hen verging. Daardoor ben ik razendsnel volwassen geworden. Ik probeerde alles te vergeten, inclusief de Jourdans, die aardige mensen die mijn leven hadden gered. Met ouder te worden, besefte ik dat ik niets voor hen gedaan had.”

 

U werd geplaagd door schuldgevoel?

Englert: “Op het einde wel. Ik wist dat ik iets moest doen. De Nobelprijs heeft die verandering in mijn geest mee bewerkstelligd. Het hoofd van de jury contacteerde me. Hij zei dat ik een kleine autobiografie moest schrijven voor de Nobelstichting. Dat was meteen erg confronterend, want ik had tegen niemand ooit over mijn oorlogsjaren gesproken. Ik vroeg: ‘Moet ik daar echt over schrijven?’ Het antwoord luidde: ‘U bent daar moreel toe verplicht. U draagt nu verantwoordelijkheid voor de hele mensheid. U moét uw oorlogsverhaal vertellen.’ Dat heb ik dan ook gedaan. Het voelde als een bevrijding. Ongeveer op hetzelfde moment zocht de kleindochter van de Jourdans contact met me. Claudine was nog niet geboren toen ik bij de familie woonde, maar ze had haar inmiddels gestorven moeder horen praten over een zekere François. ‘Zou dat dezelfde François zijn die de Nobelprijs krijgt?’ Ze sprak daarover met een vriend, die toevallig ook met mij bevriend is. Zo kwamen we in contact met elkaar. We ontmoeten elkaar nog regelmatig.

“Het Yad Vashem in Israël is de officiële staatsinstelling voor de herdenking van Joodse slachtoffers en hun redders. Ze nemen hun taak zeer ernstig: er wordt een grondig onderzoek gevoerd naar elke nieuwe redder die voorgedragen wordt. Wat waren zijn of haar motieven? Waren die puur menselijk of speelde geld een rol? Elke door Yad Vashem erkende redder wordt deel van wat zij ‘de rechtvaardigen onder de volkeren’ noemen. Hij of zij krijgt een diploma en zijn of haar naam wordt voor eeuwig bijgezet in de gedenktuin van de rechtvaardigen. Voor al die mensen die mij geholpen hebben, heb ik een heel gedetailleerde aanvraag voor erkenning bij Yad Vashem ingediend.”

 

Ze zijn dood.

Englert: “Ja, maar voor Yad Vashem maakt dat geen verschil. De nabestaanden krijgen het diploma en hun namen worden sowieso bijgezet in de gedenktuin. Het onderzoek heeft een jaar geduurd; alle namen die ik doorgaf, zijn erkend. Daardoor voel ik mezelf toch een klein beetje beter.”

 

De Nobelprijs winnen, werd een vorm van therapie voor u?

Englert: “Misschien wel, al denk ik dat het anders ook gebeurd was. Al maakte dat klein beetje extra druk van de Nobeljury het makkelijker voor mij om die stap te zetten.”

 

(c) Jan Stevens

In zijn boek Ons hart noemt Pedro Brugada, topcardioloog en hevig voorstander van verplichte hartscreening, zijn collega Hans Van Brabandt van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg een ‘gokker’. In 2015 adviseerde Van Brabandt de overheid in een rapport dat screening bij jonge sporters zinloos en soms zelfs gevaarlijk is. “Ons rapport is ernstig en allesbehalve een gok”, zegt Van Brabandt. “Het is pseudowetenschap”, houdt Brugada vol.

 

In Ons hart beschrijft de wereldvermaarde cardioloog Pedro Brugada de werking van ons meest vitale orgaan en hoe we het best onderhouden. Hij houdt een warm pleidooi om ons hart regelmatig te laten controleren. “Van zodra onze auto vier jaar oud is, moet hij naar de keuring. Net als een kudde schapen rijden we daar dan elk jaar braaf naartoe. Maar onze eigen motor laten we niet checken.” Professor Brugada is sinds jaar en dag ook voorvechter van een verplichte hartscreening bij amateursportertjes, en bij uitbreiding bij alle kinderen vanaf hun geboorte tot hun 24e. “De ene dag is zo’n kind aan het voetballen of fietsen, de volgende dag valt het dood neer”, zegt hij. “Als we kinderen vooraf screenen, vinden we misschien iets aan hun hart, kunnen we ze genezen en plotse dood voorkomen.”

Met zijn pleidooi voor verplichte hartscreening gaat Brugada lijnrecht in tegen een rapport van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) uit maart 2015. Daarin kwam de aan het Kenniscentrum verbonden cardioloog Hans Van Brabandt samen met een aantal collega’s tot de conclusie dat een verplichte hartscreening bij jonge amateursporters geen enkel voordeel heeft. De aanbeveling van het KCE voor de beleidsmakers was klaar en duidelijk: screening bij sporters van 14 tot 34 is zinloos en soms zelfs gevaarlijk.

Ook in Ons hart verdedigt Pedro Brugada hartscreening bij kinderen. Op het einde van zijn boek noemt hij Hans Van Brabandt en diens collega’s van het KCE ‘gokkers’. “Volgens het KCE is sportgerelateerde hartstilstand een te zeldzaam verschijnsel om met grootschalig preventief onderzoek aan te pakken”, schrijft hij. “In zijn rapport gokt het KCE dat er in preventie van hart- en vaatziekten in België jaarlijks tien gevallen zijn van plotse, sportgerelateerde hartstilstand bij jonge mensen. Dat cijfer komt van buitenlandse gegevens die op hun beurt niet betrouwbaar zijn en geëxtrapoleerd werden naar ons land. De waarheid is dat we niet weten hoe vaak dit drama voorkomt.”

“Wij zijn geen gokkers”, reageert Hans Van Brabandt. “Over één ding zijn we het met Pedro Brugada eens: in België weet niemand hoe de vork precies aan de steel zit. Er zijn geen harde cijfers van het aantal plotse doden bij jongeren. In 2015 hebben wij wel een ernstige poging ondernomen om te schatten hoeveel het er zijn. We zochten eerst naar landen en regio’s waar geteld is. Zo verzamelden we cijfers van plotse hartdoden bij recreatieve sporters van 10 tot 35 jaar in de Nederlandse provincie Noord-Holland, de Italiaanse regio Veneto, Denemarken, Frankrijk en de VS. Die data zijn gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. Uit al dat cijfermateriaal hebben wij volgens de regels van de kunst afgeleid wat dat voor ons land betekent. Van de 1 miljoen jongeren tussen 14 en 34 schatten wij het aantal plotse doden jaarlijks tussen vijf en tien, waarbij tien waarschijnlijk zelfs te veel is.”

Tien plotse hartdoden per jaar: dat is bijna één kind per maand. Er kunnen toch geen bezwaren zijn tegen een screening die tien mensenlevens redt? “Elk leven is voor ons even belangrijk”, knikt Van Brabandt. “Maar de vraag moet eigenlijk zijn: hoeveel van die overlijdens kunnen we met screening voorkomen? Dat weten we niet. Want er zijn geen goede studies uitgevoerd die aantonen dat we met screening levens redden. Voorstanders verwijzen altijd naar een Italiaanse studie uit 2006 van professor Domenico Corrado. Hij is net als Brugada een grote naam onder de cardiologen. In Italië is screening van alle sporters sinds 1978 bij wet verplicht. Maar Corrado’s studie behandelt slechts één regio: Veneto. In het begin van de verplichte screening werden in Veneto 4 plotse hartdoden per 100.000 per jaar geteld. Jaar na jaar daalde het aantal tot 0,87 dode per 100.000 jaar rond de millenniumwissel.”

Is dat niet het ultieme bewijs dat screening een goede maatregel is? Van Brabandt: “Nee. Stel: ik heb griep en veertig graden koorts. Ik neem antibiotica en mijn koorts daalt. Is dat dan dankzij die antibiotica? Natuurlijk niet, want griep is een virale aandoening waar antibiotica niet tegen helpen. Zonder antibiotica was de koorts ook gedaald. Zo kun je je ook afvragen of het aantal plotse doden in Veneto daalde dankzij de verplichte screening. Veneto is trouwens maar een klein stuk van Italië. Hoe beperkter het cijfermateriaal, hoe groter de impact als iemand bij het registreren een streepje in de verkeerde kolom zet. In de VS en Frankrijk wordt niet gescreend maar tellen ze van in de jaren negentig wel de plotse doden. Rond de millenniumwissel lag het aantal in de VS op 0,90 en in Frankrijk op 0,98; bijna evenveel als de 0,87 van Veneto. In eerste instantie gaf ik Domenico Corrado het voordeel van de twijfel. Ik mailde hem mijn opmerkingen en schreef er vorig jaar ook een artikel over in het British Medical Journal (BMJ). Hij reageerde met een boze brief en noemde ons ‘dommeriken’. Maar wij zijn niet de enigen met vragen over zijn studie. Zo vroeg de Britse minister van Volksgezondheid Jeremy Hunt aan zijn Italiaanse collega de follow-up. ‘Wat gebeurde er na 2004?’ Ook wij stelden die vraag meermaals aan Corrado. ‘We werken eraan’, zegt hij. Dat zegt hij nu al jaren. Ik vind dat verdacht. Want als screenen verplicht is, moeten die gegevens er toch zijn?”

 

Negationisme

Pedro Brugada blijft erbij: Hans Van Brabandt gokt er in zijn rapport maar wat op los. “Het KCE bezondigt zich aan pseudowetenschap”, zegt hij. “In zijn brief aan het BMJ schreef Domenico Corrado niet voor niets dat de mensen van het KCE van toeten noch blazen weten. Van Brabandt heeft van Corrado trouwens wél een bevredigend antwoord gekregen op zijn vraag naar cijfers. Domenico is een heel goede vriend van mij en zette me in cc. Hij antwoordde dat het wetenschappelijke cijfermateriaal op dat moment in de publicatiefase zat. Hij kon die data niet met Van Brabandt delen omdat ze toen nog confidentieel waren. Volgens mij zijn ze intussen gepubliceerd in het Giornale Italiano di Cardiologia. Het KCE voert zogezegd wetenschappelijk onderzoek op basis van publicaties van anderen, alleen hebben ze geen toegang tot de originele gegevens. Hoe weten zij dan dat de resultaten kloppen waar ze zich op baseren? Hoe vaak hebben we het in de geneeskunde al niet meegemaakt dat publicaties teruggetrokken moeten worden omdat ze vals bleken te zijn? Domenico Corrado heeft duidelijk aangetoond dat de mortaliteit bij sporters in Italië over bijna veertig jaar met tachtig procent gedaald is. Dat kan je toch niet negeren? Dat is hetzelfde als de holocaust ontkennen. Dat is puur negationisme. Hans Van Brabandt weet niet waarover hij spreekt.”

Het getal van het KCE van tien jonge plotse doden per jaar is volgens Brugada nattevingerwerk. “Het zijn er veel meer. De gegevens van onze noorderburen wijzen op 100 à 200 per jaar. In België zal het niet veel anders zijn. Screening zal ons veel leren omdat we de kinderen dan volgen. Het is heel gemakkelijk om te stellen: we weten het niet, dus een screening is niet nodig. Terwijl de conclusie eigenlijk zou moeten zijn: we weten het niet, dus moeten we wél screenen. Mijn plan is: screening bij de geboorte, op zes, twaalf, achttien en 24 jaar. Zo creëren we ook een grote gegevensbank.”

Wat houdt die screening in? Pedro Brugada: “Ze vertrekt vanuit een vragenlijst die de kinderen samen met hun ouders invullen. Dan zullen ze bijvoorbeeld ook horen dat opa aan longkanker gestorven is omdat hij een roker was. Als dokter kun je daar dan op inpikken, hen wijzen op wat slecht is en op basis van de familiegeschiedenis tonen wat de gevolgen kunnen zijn. Het gaat dus niet enkel over screening, maar ook over bewustmaking.”

In Ons hart vertelt Brugada over de plotse dood van zijn zus Nena in 2006. “Ze was pas vijftig”, zegt hij. “Ze had daarvoor nooit klachten. Ze ging drie keer per week naar de fitness. Ze had met haar man een etentje gepland en ging zich omkleden. Toen ze terug in de living kwam, viel ze dood neer.” In zijn boek schrijft hij: “En dat in een familie met vier hartspecialisten. Mijn moeder heeft ons dat flink onder de neus gewreven. Waarom hebben noch haar kleindochter, noch haar drie zoons, allemaal hartspecialisten, ooit iets gemerkt aan Nena?”

Volgens Hans Van Brabandt zal een verplichte screening in het beste geval zo goed als geen effect hebben. “Ongeveer vijftig verschillende ziekten liggen aan de basis van plotse dood”, zegt hij. “Die ziekten zijn allemaal zeldzaam. Meestal geven ze geen klachten, maar in heel zeldzame gevallen hebben ze als eerste en enige symptoom de plotse dood. De meest frequente ziekte bij sporters is hypertrofische cardiomyopathie, een verdikking van de hartspier. Ze komt voor bij 1000 op 1 miljoen en jaarlijks kost ze 1 sporter op 1 miljoen het leven. Er is geen consensus over hoe die ziekte bij klachtenvrije mensen behandeld moet worden. De therapie varieert van bètablokkers tot een operatie. Een operatie is ingrijpend en wordt meestal niet uitgevoerd omdat we niet goed weten of ze helpt. Als je 500 mensen behandelt, riskeer je door de behandeling één mens te verliezen. Een andere hartziekte die aan de basis van plotse dood ligt, is aangeboren kransslagaderafwijking. Dat kun je alleen maar met een lijkschouwing vaststellen. Screening is dus sowieso zinloos. Nog zo’n zeldzame ziekte is Wolff-Parkinson-White, een overtollige elektrische leiding in je hart. Pedro Brugada is daar een wereldexpert in. Hij brandt die leiding door en zijn patiënt kan weer verder. Ik geloof graag dat de mortaliteit tijdens behandeling bij Brugada nul is, maar dat geldt niet voor ‘gewone’ cardiologen. De kans dat een patiënt bij hen tijdens een behandeling sterft, is uiterst klein maar even groot als de kans dat hij onbehandeld dood neervalt.”

Verplichte screening zal er volgens Hans Van Brabandt ook toe leiden dat een grote groep kinderen ten onrechte vroegtijdig gecatalogeerd wordt als ‘hartpatiënt’. “Verplichte screening zal er in de praktijk op neerkomen dat 1 miljoen jonge mensen zal langsgaan bij een sportarts”, zegt hij. “Dat is meestal een huisarts die het minste geruis als verdacht zal beschouwen. Al die gevallen zal hij doorverwijzen naar de cardioloog. Met als gevolg dat ouders al op voorhand gealarmeerd zullen zijn. Duizenden sportieve kinderen die zich kiplekker voelen, zullen dan het sporten even vaarwel zeggen. De meerderheid zal door de cardioloog gerustgesteld worden, maar een klein deel zal toch onder de scanner moeten. Van de oorspronkelijke 1 miljoen zullen na screening uiteindelijk 5000 kinderen, of 0,5 procent, ziek verklaard worden zonder dat ook maar iemand weet of er iets aan hun lot kan veranderd worden. Dat cijfer is géén wilde gok maar op fatsoenlijke wijze beredeneerd. Van die 5000 zullen er jaarlijks mogelijk tien sterven. Dankzij zijn handigheid zal Brugada van die tien kinderen er misschien één kunnen redden, terwijl bij een collega er misschien één de behandeling niet zal overleven.”

 

Schandpaal

Van Brabandt onderschat zijn collega’s, vindt Brugada. “België heeft uitstekende centra met uitstekende cardiologen”, zegt hij. “Natuurlijk moeten specifieke behandelingen uitgevoerd worden door gespecialiseerde cardiologen. Ik plaats geen stents in kransslagaders. Ik heb dat ooit wel gedaan, maar nu niet meer omdat ik gespecialiseerd ben in de elektriciteit van het hart. Het zeer zeldzame Wolff-Parkinson-White behandel ik wel: dat is elektriciteit. Misschien moet Van Brabandt hier eens consultaties komen volgen. Ik begrijp niet hoe een arts tegen screening kan zijn. Een huisdokter die getraind is om een ecg te lezen, kan perfect screenen. Bij screening vind je iets of niets. Ik geef wel toe dat er iets kan zijn dat de dokter niet vindt, of dat de dokter iets vindt en er niets aan kan doen. Maar bij de meeste afwijkingen kunnen we wél iets ondernemen. Neem hypertrofische cardiomyopathie: dat is erfelijk en doodsoorzaak nummer één in Amerika bij sporters omdat er geen screening is. In Italië is dat geen oorzaak van plotse dood omdat er wél gescreend wordt. Als die afwijking bij een Italiaan wordt vastgesteld, mag hij niet meer sporten. Dat is toch perfect normaal? Als je een hypertrofische cardiomyopathie hebt, kan je tijdens het sporten plots overlijden. Dan sport je toch gewoon niet meer? Kinderen krijgen bij screening dus soms inderdaad de diagnose dat ze een hartpatiënt zijn. Bij een screening vinden we afwijkingen waardoor het niet verstandig is dat mensen verder blijven voetballen. Maar we zullen ook afwijkingen vinden die perfect te genezen zijn. Hoeveel sporters heb ik niet terug op de fiets of de grasmat gezet? Khalilou Fadiga kon dankzij zijn defibrillator terug voetballen, net als Anthony Van Loo. Die mensen waren eerst afgeschreven. Fadiga voetbalde van zijn 22e tot zijn 35e met een defibrillator. Toen ik die dertien jaar geleden inplantte, werd ik door mijn collega’s aan de schandpaal genageld. Ze verklaarden me zot. Nu is een defibrillator de regel.”

Sophie Gerkens, gezondheidseconoom bij het KCE, berekende dat screening elk jaar tussen de 66 en 95 miljoen euro zal kosten. Miljoenen die in de portemonnee van sportartsen, cardiologen en radiologen terecht komen? Hans Van Brabandt: “Ik bekijk screening vanuit het standpunt van het grote publiek en niet van de dokters. Maar u hebt gelijk: als screening er komt, zullen dokters daar bijna 100 miljoen extra mee verdienen.”

Pedro Brugada maakte zijn eigen berekening. “Reken op 50 euro per screening: 400.000 twaalfjarigen screenen kost dan 20 miljoen. That’s it. Natuurlijk zou het fantastisch zijn als de minister van Volksgezondheid zou beslissen om screening terug te betalen. Maar wat is 50 euro voor de gezondheid van je kind? Hoeveel kosten de schoolfoto’s elk jaar? Ouders betalen dat toch zonder verpinken? Waarom dan niet om de zes jaar 50 euro om hun kind te screenen? Daar moeten we toch niet voor gaan bedelen bij de overheid?”

 

 

Pedro Brugada, Ons hart, gebruiksaanwijzing en onderhoudsboekje, Lannoo, 288 blz., 22,50 euro

 

(c) Jan Stevens

“Een mens moet een beetje geluk hebben in zijn leven”, verklaart Luc Tuymans zijn succes. “Maar geluk alleen volstaat niet: je moet er ook nog iets mee doén.” Hijzelf vatte de koe bij de horens, stelde in 2004 als allereerste levende Belg tentoon in Tate Modern en verkocht een jaar later in New York een werk voor anderhalf miljoen dollar.

 

In zijn atelier aan de rand van de Antwerpse rosse buurt neemt Luc Tuymans (58) vriendelijk afscheid van een kunstenaar-in-wording. De jongen is zijn werk aan de meester zelf komen voorstellen en pakt nog ietwat starstruck zijn rugzak weer in. Onze meest succesvolle levende schilder trakteert ons op een kop uitstekend gezette espresso en steekt een sigaret op. “Natuurlijk streelt het mijn ego dat anderen me wereldwijd een van de meest invloedrijke Belgische kunstenaars vinden. Ik dank hen daarvoor”, zegt hij en hij schiet in een bulderlach. “Ach, dat soort zaken is altijd relatief. Al kan ook ikzelf er niet omheen dat ik intussen een internationaal parcours van meer dan dertig jaar heb afgelegd. Ik ben me ervan bewust dat ik in een land leef dat op cultureel vlak altijd zeer invloedrijk was. Dat lijkt vanzelfsprekend, terwijl het op de keper beschouwd verbijsterend is dat een kleine regio die zo vaak overspoeld werd door vreemde mogendheden, zo’n rijke culturele geschiedenis heeft. België roept wereldwijd bij iedereen meteen connotaties op met schilders als René Magritte en James Ensor.”

 

Onlangs was u nog curator van een grote Ensortentoonstelling in Londen.

Luc Tuymans: “Ik vond het hallucinant om toen te moeten vaststellen dat veel Britten Ensor niet kennen. In veel andere landen, zoals de Verenigde Staten, Duitsland en Frankrijk, is hij dan weer wel bekend. James Ensor wordt vaak gecatalogeerd als einzelganger of als grotesk en excentriek, terwijl hij als voorloper van het expressionisme een zeer belangrijk avant-gardekunstenaar was. U weet toch dat René Magritte géén surrealist is? Zijn meest bekende werk, La trahison des images, het schilderij met de pijp waaronder ‘Ceci n’est pas une pipe’ geschreven staat, is, in tegenstelling tot wat veel mensen denken, zeer reëel. Want het is geen pijp, maar de afbeelding van een pijp. ‘Ceci n’est pas une pipe’ is dus niets meer of minder dan de waarheid. Ik vind dat een conceptueel hoogstandje. Tijdens de verkiezing van ‘De Grootste Belg’ in 2005 vroegen de organisatoren me om een lans te breken voor Peter Paul Rubens, maar ik koos voor Jan Van Eyck. Want hij vertegenwoordigt voor mij de visuele kracht van schilderkunst. Deze regio kan putten uit een extreem groot kunstpotentieel, zowel uit het verleden als uit het heden. En dat zal ook zo blijven in de toekomst.”

 

Vergis ik me als ik zeg dat de inwoners van deze regio niet heel erg kunstminnend zijn?

Tuymans: “U vergist zich daar grandioos in. Ons land telt zeer veel gepassioneerde verzamelaars. Zij vormen de voedende kracht van het artistieke leven en u mag dat niet onderschatten. De overheid is dan weer een ander paar mouwen. Bij onze bewindslui heerst flink wat onwetendheid over wat cultuur eigenlijk is. Musea worden niet echt grondig gesubsidieerd en ook niet goed onderhouden. De politieke wereld verkeert in de waan dat kunst dood is, terwijl ze juist springlevend is. Want wij leven nu eenmaal in een extreem katholiek land waar veel belang gehecht wordt aan het visuele.”

 

U noemt België een ‘extreem katholiek land’?

Tuymans: “Ja, natuurlijk, dit land is nog steeds zeer katholiek. De Belgische ‘bovenbouw’ liep school bij de jezuïeten, Tom Barman van Deus zat daar ook. De katholieken pompten die aandacht voor het visuele er stevig in: ooit diende dat ‘beelddenken’ om het volk dom te houden. Rubens was de eerste die dat propageerde. Je mag hem gerust de allereerste grote filmmaker ooit noemen. Hij is geboren in het Duitse Siegen, waar zijn vader een affaire had met de vrouw van Willem van Oranje. Op het moment dat Rubens in Antwerpen aankwam, zetten de katholieken de contrareformatie in als reactie op de protestantse reformatie, waardoor alles van nul opnieuw ingevuld moest worden. Rubens greep zijn kans. De schilderijen die hij toen maakte, kwam je niet meteen in een huiskamer tegen. Het zijn monumentale werken die je van op grote afstand moet bekijken. Ze dienen een welbepaald doel: propaganda voeren voor de Roomskatholieke kerk. Rubens deed dat op een magistrale wijze. Ik hou niet zo van zijn werk, maar je kunt niet beweren dat hij geen groot kunstenaar was. Onze kleine regio is zo interessant omdat ze de kern vormt van tal van experimenten, en dan heb ik het niet alleen over kunst, maar ook over wetenschap. De Big Bang-theorie is niet toevallig uitgevonden door de Belgische priester Georges Lemaître.”

 

We moeten de jezuïeten dus dankbaar zijn?

Tuymans: “Zeker. Ze koesterden utopische gedachten met een snuifje humanisme, al hadden ze natuurlijk ook een verborgen agenda. Franciscus is de eerste jezuïet die paus geworden is, ik vind dat een razend interessant fenomeen. En dat op een moment dat de wereld zich in zeer woelig vaarwater bevindt. Ik had trouwens twee recente onrustwekkende gebeurtenissen op voorhand haarfijn voorspeld: de brexit en de verkiezing van Donald Trump. Ik hou mijn hart vast voor wat er verder in Europa nog te gebeuren staat.”

 

Zijn woelige tijden een zegen voor een kunstenaar?

Tuymans: “Dat wordt dikwijls gezegd, maar wat zich nu voor onze ogen voltrekt, vind ik verschrikkelijk. Onwetendheid en domheid is alom vertegenwoordigd en dat komt omdat de politiek zoveel decennia lang het populisme zwaar onderschat heeft. Onze politici lieten sommige kansarme bevolkingsgroepen links liggen. Die mensen kregen geen mogelijkheden om zich uit hun ellende op te werken en worden nu door de populisten zwaar misbruikt. Misschien worden het nog gevaarlijke tijden voor kunstenaars, maar ik ben er volledig klaar voor. (lacht) Wie als een volleerde struisvogel zijn kop in het zand steekt, reageert ook op wat er gebeurt in de wereld, ook al denkt hij dan van niet. Elke kunstenaar die nu een werk maakt, levert commentaar op wat er zich rondom ons afspeelt. Zelfs als hij zijn werk vol verwijzingen stopt naar het verleden, heeft hij het nog steeds over hier en nu. De toestand is ondertussen zo ernstig geworden dat niemand er nog onderuit kan. Ikzelf zal mijn uiterste best doen om voor mijn werk iets te vinden dat absoluut niets te maken heeft met Donald Trump. Want Trump met een klein geslachtsdeel schilderen, maakt toch geen zak uit. Het moet verder gaan dan dat, en dat vind ik een grote uitdaging. Kunst is geen propaganda, maar is ‘iets anders’. Nee, het is niet zo eenvoudig. Een kunstenaar moet nu eerst en vooral verder blijven werken. Perseverance, volharding, ongeacht wat er ook gebeurt. Dat lijkt immoreel, maar het is de enige juiste keuze.

“Je kan de kunstwereld niet loszien van de rest van de wereld. Als er in de grote buitenwereld iets verandert, volgt cultuur. Wij leven in een natiestaat en niet in een melting pot zoals de VS is, of beter gezegd: was. Wat ze hier nooit goed begrepen hebben, is dat het veel verstandiger is om de verschillen in de samenleving met elkaar te verbinden, in plaats van ze tegen elkaar uit te spelen. Al die verschillen zijn waardevol en door ze te combineren zorgen we ervoor dat het individu belangrijk wordt binnen die grote diversiteit. Als we daarin slagen, kunnen we misschien de angst voor de globalisering wegnemen en ervoor zorgen dat mensen zich niet langer vanuit een louter populistische reflex op zichzelf terugplooien.”

 

Het is toch niet te ontkennen dat de globalisering slachtoffers gemaakt heeft?

Tuymans: “Ja, de Grieken zijn er het slachtoffer van.”

 

Net als een deel van de Amerikanen die voor Donald Trump gestemd hebben omdat ze hun job als gevolg van die globalisering verloren hebben.

Tuymans: “Dat is zeker waar. Trump heeft ook heel bewust die ader aangeboord.”

 

De mensen die kunst kopen, hebben waarschijnlijk dan weer geprofiteerd van de globalisering.

Tuymans: “Zij stammen vermoedelijk uit die 1 procent die alles heeft. Vergis u niet: ook ik vind dat er een herverdeling van rijkdom moet komen; 25 jaar geleden wisten we dat trouwens al. Maar er is ook een andere kant aan het verhaal. Zeker in de States zorgen de superrijken ervoor dat kunst die vroeger voor de happy few was, nu toegankelijk is voor het grote publiek. Vanuit een vorm van altruïsme richten die 1 procenters stichtingen en foundations op, of geven geld aan musea. Zo is het beroemde MoMa in New York eigenlijk privé-initiatief. In 2013 stelde ik tentoon in de Menil Collection in Houston, Texas. De stichters van dat museum, John en Dominique de Menil, stamden ook uit de 1 procent. Hun collectie is voor iedereen gratis toegankelijk en aan het museum vertrekt een laan die langs culturele centra van de Afro-Amerikaanse gemeenschap loopt. Er zijn dus ook goede kanten aan het feit dat superrijken een deel van hun kapitaal in kunst investeren.”

 

Stijgt de invloed van een kunstenaar samen met de prijzen die wereldwijd voor zijn werken worden neergeteld?

Tuymans: “Een mens wordt geen kunstenaar om veel geld te verdienen. Als ik multimiljonair had willen worden, was ik het allang geweest en zaten wij hier nu niet met elkaar te praten. Dan was ik gewoon in zaken gegaan, want er schuilt wel degelijk een zakenman in mij. Dat is iets genetisch: mijn grootvader richtte indertijd het grootste bedrijf aan de Nederlandse grens op, een transportonderneming voor groenten en fruit. Een kunstenaar kan dus ook een zakenman zijn, maar een mens wordt nooit kunstenaar omwille van de centen die ermee te verdienen zijn. Een kunstenaar speelt het spel niet om te winnen, maar om op de juiste manier te verliezen. Want wat hij dan achterlaat, is een reusachtig symbolisch kapitaal. Michelangelo was bijna negentig toen hij stierf. Hij liet een volledige vervalste biografie na, had al die werken geproduceerd waar Leonardo Da Vinci alleen maar van kon dromen, tot en met de koepel van de Sint-Pietersbasiliek, de fantastische Piëta en het plafond van de Sixtijnse kapel. Na zijn dood was hij de rijkste kunstenaar ter wereld.”

 

Is hij een voorbeeld voor u?

Tuymans: “Nee, als voorbeeld is hij te megalomaan. Wat ik wil zeggen is dat het idee van ‘de kunstenaar als kunstenaar’ stamt uit de renaissance. Aan de ene kant van de tafel zaten de maffiosi en de warlords die illustere namen droegen als De Medici en Borgia, aan de andere kant zaten scheppers van cultuur en kunstenaars als Titiaan. Beiden vochten voor hun eigen privileges. Tussen beide partijen werd het geven en nemen en zo ontstond de kunst als kunst. Ik vind het wel iets hebben dat de kunstenaar zijn roots heeft in een bepaalde vorm van illegaliteit en criminaliteit. (lacht) Er hangt altijd iets subversiefs aan het begrip kunst. Eerlijkheidshalve moet ik eraan toevoegen dat de mensen op straat me voor het eerst met ‘mijnheer’ aanspraken toen in 2005 op een veiling in New York mijn werk The Sculpture anderhalf miljoen dollar opbracht. (lacht) Een hedendaagse kunstenaar wordt niet langer gezien als excentriek of gestoord van zodra zijn werk veel geld opbrengt. Vanaf dat moment betekent hij inderdaad ook echt iets.”

 

Voor u is het belangrijk wat er na uw dood van uw werk zal overblijven?

Tuymans: “Zeer zeker. Alleen is dat symbolisch kapitaal moeilijk om in te schatten. Vandaag moet een kunstenaar zich daar tijdens zijn leven al mee bezig houden, voor vorige generaties gold dat niet zo.”

 

Is dat geen vorm van hoogheidswaanzin?

Tuymans: “Nee, dat is verantwoordelijkheidszin. Dat is totaal iets anders dan hoogheidswaanzin. Alsof een kunstenaar die met zijn nalatenschap bezig is, niet nederig genoeg zou zijn. Nederig zijn, is een belachelijk idee.”

 

Hoe verklaart u uw eigen succes?

Tuymans: “Een mens moet een beetje geluk hebben in zijn leven. Maar geluk hebben alleen volstaat niet: je moet dat ook beseffen en er vervolgens iets mee doen. Talent en hard werken spelen ook een rol, net als de rotsvaste overtuiging dat je de juiste weg bewandelt op momenten dat anderen daaraan twijfelen of je werk totaal niet appreciëren.”

 

Koppigheid is een goede eigenschap voor wie het als kunstenaar wil maken?

Tuymans: “Overtuigd zijn. Dat is sowieso iets dat iedereen die in de culturele wereld werkt, moét hebben. Dat is ook de reden waarom creatievelingen moeilijk bazen tolereren en omwille van welke narcistische motieven ook voor zichzelf beginnen werken. Daarom is het altijd gevaarlijk om een kunstenaar of een kunstenares aan het hoofd van een regering te zetten, dat zou alleen maar kwalijke gevolgen hebben.”

 

Luc Tuymans als premier is geen goed idee?

Tuymans: “Nee, ik zou niet echt goed functioneren in de politiek, al hebben ze me wel verschillende keren gevraagd. Maar ik ben daar nooit op ingegaan omdat ik 24 uur op 24 kunstenaar ben. Een goed politicus kan niet anders dan ook 24 uur op 24 politicus zijn; kunst en politiek zijn in mijn geval niet te combineren. Het is ofwel het een of het ander.

“Ik heb als kunstenaar mijn geluk afgedwongen, door te volharden en keihard te werken. Maar voor hetzelfde geld was ik totaal mislukt. Voor een beginnende kunstenaar is het vandaag nog veel moeilijker dan vroeger. Een groot deel van de kunst- en galeriewereld is corporate geworden.”

 

Het zijn bedrijven?

Tuymans: “Het zijn gewoon machines geworden. Toen ik eind jaren zeventig begon, was de kunsthandel compleet anders georganiseerd. Begin jaren tachtig barstte het onder impuls van de Amerikanen uit zijn voegen. Een schilder als Julian Schnabel werd razend populair onder de jongens van Wall Street. Het was de tijd van ‘Greed is good’ en nadat een van Schnabels schilderijen aan de beurs gekoppeld werd, ontstond er een bubble. De eerste Golfoorlog in 1991 zorgde ervoor dat de zeepbel lichtjes implodeerde, maar het hele apparaat was ondertussen wel geïnstalleerd. Net op dat moment zette ik voet aan wal in de States. Ik werk langzaam en heb altijd voor langdurige samenwerking met galeristen gekozen. Frank Demaegd is hier in Antwerpen al ruim 26 jaar mijn galerist; Kiyoshi Wako verkoopt al twintig jaar mijn werk in Japan. Toen ik begin jaren negentig met David Zwirner in New York begon samen te werken, had hij welgeteld één assistente. Nu werkt in New York alleen al 200 man, in de afdeling in Londen 80 en binnen een jaar opent David een filiaal in Hongkong. Dat is een totaal andere schaal dan dertig jaar geleden. Ik kan me best voorstellen dat een jonge kunstenaar met enige mate van intelligentie niet staat te springen om met zo’n grote mastodont in zee te gaan, want het risico is niet denkbeeldig dat zijn werk tot een merk herleid wordt. Ik begon als jonge kunstenaar in zelfgekozen isolement dat in de loop der jaren geleidelijk omgebouwd is tot publiek isolement. Startende kunstenaars moeten ook niet echt rekenen op hulp van de cultuurtheoretici.”

 

Ze worden aan hun lot overgelaten door kunstpausen en curatoren?

Tuymans: “Ja. Academici trekken zich terug binnen de veilige muren van hun eigen wereldje. Mensen die nu een opleiding tot curator volgen, leren vooral hoe het er in de jaren tachtig aan toeging en hebben geen voeling met de huidige stand van zaken. Dat klinkt misschien allemaal nogal negatief, maar alleen door problemen duidelijk te benoemen, maken we ze meteen ook bespreekbaar.”

 

(c) Jan Stevens

Na zijn verplichte opruststelling aan de KULeuven is de wereldwijde invloed van econoom Paul De Grauwe alleen maar toegenomen. Aan de gerenommeerde London School of Economics and Political Sciences stoomt hij economen in spe klaar voor een internationale topcarrière. “Ik profiteer een beetje mee van het prestige van die instelling.”

 

Sinds februari 2012 doceert professor economie Paul De Grauwe (70) aan de London School of Economics and Political Sciences (LSE). Zijn studenten komen van heinde en ver. “Van de honderd studenten waaraan ik les geef, hebben er amper twintig de Britse nationaliteit”, zegt hij. Na hun studies weten de jongens en meisjes zich verzekerd van een topjob in de Londense City of een internationale instelling. De Grauwe is niet alleen sant in eigen land, maar wordt ook regelmatig door internationale media om zijn mening en inzichten gevraagd. “Ook toen ik nog economieprofessor aan de KULeuven was, had ik veel internationale contacten”, zegt hij. “Ik was vaak gastprof in het buitenland, onder andere in Michigan, Kiel, Berlijn en Amsterdam. Dat contact met de rest van de wereld is niet alleen voor een econoom, maar voor elke wetenschapper van levensbelang. Voor mij zijn er geen grenzen: ik voel me burger van de hele wereld. Natuurlijk heb ik Vlaamse roots, maar die bepalen niet wie Paul De Grauwe werkelijk is. In de eerste plaats ben ik wereldburger, vervolgens Europeaan, Belg, Vlaming en zo gaat het verder tot in mijn straat in Leuven. De Britse premier Theresa May vindt het begrip wereldburger verdacht. ‘If you believe you are a citizen of the world, you’re a citizen of nowhere’, hoorde ik haar vorig jaar verkondigen. Dat is toch een vreselijke uitspraak? Waarom mag een mens geen wereldburger zijn? Natuurlijk verbroeder ik met mijn buren en drinken we samen af en toe een pint, maar dat belet me niet om een even toffe relatie te onderhouden met een Japanner die ik ooit op een conferentie ontmoet heb.”

 

Is uw invloed als econoom drastisch toegenomen sinds u les geeft aan die prestigieuze LSE?

Paul De Grauwe: “Ik profiteer een beetje mee van de internationale uitstraling van die instelling. Wie in Harvard doceert, staat nog een trede hoger op de ladder, zo eenvoudig is dat. Dat grote prestige straalt zowel in Harvard als in de LSE af op de mensen die er werken.”

 

Zijn de studenten aan de LSE anders dan die aan de KULeuven?

De Grauwe: “Toch wel, om te beginnen al omdat ze zoveel meer betalen. (lacht) De psychologie van een student die veel centen moet neertellen, is anders dan die van zijn collega die niet zo diep in de buidel moet tasten. Hij zal meer eisen van de prof. De meeste LSE-studenten zijn van rijke komaf. Ze stammen niet allemaal af van multimiljonairs, maar komen toch uit een ‘bepaalde groep’ van de samenleving. Er zijn ook beurzen om mensen uit minder begoede families aan te trekken, maar ik vrees dat het succes daarvan nogal beperkt is. U moet nu niet denken dat het in ‘gewone universiteiten’ zoveel anders is. Ook daar ligt het aantal studenten uit gezinnen met lage inkomens laag. Bij de elitescholen is dat aantal alleen nòg veel lager.”

 

De democratisering van het onderwijs is dus niet echt gelukt?

De Grauwe: “Nee, en in de Angelsaksische landen minder dan bij ons. Ik vrees zelfs dat het hoger onderwijs er de ongelijkheid alleen maar aanwakkert. We zijn geneigd te geloven dat onderwijs de inkomensongelijkheid vermindert en dat alle hardwerkende, talentvolle kinderen er een plek verdienen, waar ze ook vandaan mogen komen. Dat is dus niet zo. Het hogere elite-onderwijs versterkt die ongelijkheid. Want de mensen met topinkomens sturen er hun kinderen naartoe en al die jongens en meisjes vormen aan die universiteiten bijna automatisch dezelfde netwerken als die van mama en papa.

“Ik groeide als prille econoom in de jaren zestig en zeventig op in een omgeving waarin de gedachte overheerste dat in een kapitalistische economie de toenemende ontwikkeling de ongelijkheid zou doen dalen. De Amerikaanse econoom Simon Kuznets had na observatie ontdekt dat de inkomensongelijkheid in een arm land steeg naarmate het zich economisch ontwikkelde en de welvaart begon toe te nemen. Maar vanaf een bepaald niveau begon volgens Kuznets die ongelijkheid weer te dalen. Zijn toen alom geroemde Kuznetscurve had zeer veel invloed, want ze vormde het ‘bewijs’ dat Karl Marx ongelijk had. Alleen zou jaren later blijken dat na verloop van tijd de ongelijkheid terug begint toe te nemen. Dat is niet zo lang geleden grondig gedocumenteerd door Thomas Piketty in zijn beroemde boek Kapitaal in de 21e eeuw. In de jaren zeventig en tachtig maakte de ideologie van het trickle down effect grote sier: door de rijken met rust te laten en ze steeds rijker te laten worden, zouden ook alle arme dompelaars het beter krijgen. Want die rijken waren dynamische mensen met initiatief die fabelachtige ondernemingen zouden gaan uitbouwen. Dat bleek een ferme overschatting te zijn.”

 

In de jaren tachtig stond u bekend als een aanhanger van Margaret Thatcher en Ronald Reagan, grote voorstanders van dat trickle down effect.

De Grauwe: “Oude ideeën verdwijnen op het kerkhof. Mensen hebben de neiging om zich tot aan hun dood aan hun oude denkbeelden vast te klampen. Feiten die in tegenspraak zijn met hun wereldbeeld negeren ze zodat dat wereldbeeld intact blijft. Psychologen noemen dat ‘cognitieve dissonantie’. Dat zit ingebakken in de menselijke natuur, maar wetenschappers moeten daartegenin durven gaan. Dat is niet makkelijk, maar ik heb dat wel gedaan. Met als gevolg dat sommigen me verwijten dat ik niet principieel ben. Ik antwoord dan altijd met die fameuze quote van econoom John Maynard Keynes: ‘When the facts change, I change my mind. What do you do, sir?

“Ik vind nog steeds dat je mensen vrij moet laten, maar het is onzin te geloven dat een miljardair zich voor dat extra miljard nog eens extra hard zal inzetten. Speelt de fantastische voetballer Eden Hazard zoveel beter dan Johan Cruyff indertijd? Ik dacht het niet, toch verdient hij misschien wel honderd keer meer. Op een bepaald moment heeft nòg meer inkomen voor superrijken geen maatschappelijk nut meer en zetten die mensen zich niet harder in. Velen zijn nu ontevreden omdat ze zien hoe sommigen zich schaamteloos verrijken terwijl zij ter plaatse blijven trappelen of slechts schoorvoetend vooruitgaan. Je hoort dan: ‘Die mensen zijn jaloers’, of: ‘We leven in een afgunstmaatschappij.’ Terwijl het veel dieper zit: het heeft te maken met een algemeen gevoel van oneerlijkheid en onrechtvaardigheid.”

 

Toen u op uw 65e aan de KULeuven op emeritaat moest, zag u dat niet zitten.

De Grauwe: “Nee, ik voelde me fysiek en mentaal nog goed en ik dacht: ‘Waarom kan ik niet gewoon voort blijven bollen?’ Toevallig werd ik in die periode gecontacteerd door de LSE. Op hetzelfde moment kreeg ik ook een aanbieding van het European University Institute in Florence. Dat was een contract voor vijf jaar en zou dus nu al afgelopen zijn. Florence leek me heel aantrekkelijk, maar uiteindelijk werd het de LSE. Londen is wat dichter bij mijn familie én de LSE heeft grotere faam.”

 

De LSE gaf een boost aan uw imago?

De Grauwe: “Als ik eerlijk ben wel, ja. Het is een instelling met reputatie en daar kon ik mee van profiteren. Maar de bereikbaarheid van mijn familie speelde echt ook een rol en Londen is een fantastische stad. De sfeer onder de Londense collega’s is vergelijkbaar met hoe het vroeger in Leuven was. Ik heb alleen maar goede herinneringen aan de KUL omdat sommige ex-collega’s echte vrienden geworden zijn. We gingen vaak samen lunchen en dan werd er aan tafel stevig gediscussieerd. In de LSE is dat iets minder. Het academische leven verloopt daar toch wat hectischer. Drie dagen per week verblijven ik en mijn vrouw nu in Londen. Heerlijk.”

 

Van zodra de brexit een feit is, zal uw identiteit strenger gecontroleerd worden telkens wanneer u op de Eurostar stapt.

De Grauwe: “Omdat Groot-Brittannië geen deel uitmaakt van Schengen gebeurt dat nu ook al. Ons grootste probleem zal zijn of wij na de brexit nog naar Londen zullen kunnen gaan werken. Op dit moment weten we daar totaal niets over. Wat zullen de afspraken zijn? Mijn vrouw werkt op het University College. Zullen mensen zoals wij mogen blijven? Er circuleren verschillende scenario’s; voorlopig is niets duidelijk.”

 

De brexit is niet de meest briljante zet van de Britten?

De Grauwe: “Nee, het is echt niet te begrijpen waarom ze zichzelf zo in de voet schieten. Neem de universiteiten: zij zijn één van de succesverhalen van Groot-Brittannië. Ze trekken massaal veel studenten aan vanuit de hele wereld. Driekwart van mijn vrouw haar studenten zijn Chinezen die elk 20.000 pond inschrijvingsgeld betalen. Die jongens en meisjes geven net als hun collega-studenten uit Europa en de rest van de wereld veel geld in Londen uit. Dat wordt nu allemaal op de helling gezet.”

 

Van 1991 tot 2003 zetelde u voor de VLD in het Belgische parlement. Wanneer had u het meest invloed: toen u in de politiek zat of als professor economie?

De Grauwe: “Misschien moeten we eerst eens definiëren wat invloed precies is. Is dat hetzelfde als macht of is dat de geesten beïnvloeden? Macht heb ik nooit gehad. Zelfs toen ik in de politiek zat, was ik machteloos. Als backbencher werd ik niet uitgenodigd in de kamers waar beslissingen werden genomen. Invloed is: ideeën formuleren, verspreiden en zo anderen beïnvloeden. Ik ben nu dus invloedrijker dan vroeger. Als je in de politiek zit, ben je sowieso verdacht. Mensen dachten vroeger: ‘Spreekt de partij of horen we De Grauwe?’ Dat was onvermijdelijk.”

 

Waarom bent u ooit in de politiek gestapt?

De Grauwe: “Ik vraag me dat soms ook af. (lacht) Het was rond mijn veertigste: misschien was het mijn midlifecrisis. Rik Daems vroeg of ik geïnteresseerd was. Je kon toen nog gecoöpteerd worden in de senaat. Voorwaarde was dat je minstens veertig was. Dat was de goeie ouwe tijd toen de senaat gezien werd als een kamer van relatief oude wijze mannen, geen vrouwen. Ik dacht: ‘Waarom niet?’ Na die vele jaren aan de universiteit had ik wel zin in iets nieuws. Dus hapte ik toe. Op dat moment had ik niet echt een hoge dunk van de politiek. Een prof vindt altijd dat hij het allemaal beter weet. Meestal vindt hij ook dat een politicus niet deugt. (lacht) Ik was aangenaam verrast toen ik ontdekte dat er toch nogal wat verstandige mensen in de politiek zitten. Mensen die écht met hun medeburgers begaan zijn, en natuurlijk zijn er profiteurs, maar vind je die niet overal? Politiek is een buitengewoon moeilijk vak; dat heeft vooral te maken met het feit dat er zoveel tegengestelde belangen zijn. Het drama in onze huidige tijd is dat velen niet lijken door te hebben dat democratie een manier is om die tegengestelde belangen en inzichten door compromissen met elkaar te verzoenen. Vandaag is het alsof iedereen zich verraden voelt. Het gevolg is het oprukkende populisme waarbij burgers in de fictie leven dat er een ‘stem van het volk’ is. Terwijl er alleen maar kakofonie te horen is. De populist beweert dat hij ‘de stem van het volk’ belichaamt en dat de elite blind is. Vreselijk. Ik las vanmorgen nog in de krant dat het milieubeleid niet mag overgelaten worden aan experts en wetenschappers. Aan wie dan? De man in de straat? Er zijn toch altijd problemen die je enkel met wetenschappelijke kennis kan doorgronden en oplossen? Dat wordt nu allemaal neergehaald. Het is een terugkeer naar de middeleeuwen. Nogal wat mensen zijn kwaad omdat ze vinden dat het systeem niet fair is.”

 

“Very unfair” om de Amerikaanse president Donald Trump te citeren.

De Grauwe: “Het kapitalisme heeft fantastische materiële welvaart gecreëerd en een dynamiek ontwikkeld die ongeëvenaard is in de geschiedenis. Technologische vernieuwing is alleen maar mogelijk in het kapitalisme. Communisme was stilstand. Als je instructies krijgt van bovenaf, voer je geen klap meer uit. Maar dat kapitalisme is ook verantwoordelijk voor veel verliezers. De ver doorgedreven bezuinigingspolitiek van de Europese Unie treft de slachtoffers van de globalisering een tweede keer. Die mensen zijn nu kwaad en zoeken hun heil bij degenen die roepen: ‘Weg met de elite!’ Ook de wetenschap hoort bij die verfoeilijke elite. Want de wetenschap heeft dat allemaal mogelijk gemaakt en de economische wetenschap heeft alles ondersteund.”

 

De Amerikaanse spindoctor Gerry Gunster is één van de architecten van de brexit. De elite heeft volgens hem onderschat dat burgers behoefte hebben aan identiteit, aan hun eigen wereldje. Britse arbeiders voelen zich bedreigd door veel goedkopere Poolse werkkrachten en stemden daarom voor ‘leave’.

De Grauwe: “Maar wat is ‘identiteit’? Mensen willen gerespecteerd worden, dat is veel fundamenteler. Je wil respect van degene met wie je leeft, van je familie, je vrienden, je land. ‘Identiteit’ wordt zo opgeblazen. Niemand kan dat definiëren. Ik zou wel eens graag willen weten wat dat is, die Vlaamse identiteit. In Groot-Brittannië hoor je nu in het parlement naar aanleiding van de brexit: ‘The people have spoken.’ Wie daar tegenin durft te gaan, krijgt het etiket ‘traitor‘ opgespeld. Wie niet van de brexit houdt, stelt zich op ‘tegen het volk’. Ik wantrouw die noties van ‘het volk’ en ‘hun identiteit’. Het zijn echo’s uit de jaren dertig en dat is zeer beangstigend.”

 

Hoe belangrijk is publiceren voor een wetenschapper die invloedrijk wil zijn?

De Grauwe: “De reputatie van een wetenschapper wordt gemaakt door zijn publicaties. Ik ben ooit aan de KUL begonnen als lector, werd later docent en daarna gewoon hoogleraar. Al die verschillende bevorderingen hadden niets te maken met mijn publicaties, maar alles met mijn voortschrijdende leeftijd. Toen ik van docent de stap zette naar gewoon hoogleraar, werd me niet gevraagd wat ik gepubliceerd had, maar hoe oud ik was. (lacht) Ik publiceerde graag en hield van het creatieve aspect van onderzoek, waardoor ik dat ook altijd ben blijven doen. Alleen was er nooit druk. Dat was niet echt een goed systeem, want te veel academici vertrouwden op hun anciënniteit en lieten het publiceren over aan anderen. Nu is de slinger in de andere richting doorgeslagen en is er een extreme publicatiedruk. Jonge mensen aan de universiteit lopen daaronder gebukt. Ik vrees dat startend academisch personeel aan de universiteit vandaag meer onder druk staat dan studiegenoten die in de privésector aan de slag gaan.

“De dwingende publicatiedruk zorgt ervoor dat wetenschappers opportunistisch worden. Ze richten hun aandacht op die kwesties waarvan ze vermoeden dat de kans op publicatie het grootst is. Ze gaan dus op zoek naar wat het best in de markt ligt en volgen braaf de platgetreden paadjes. Wie nu een nieuwe theorie wil publiceren, zal ervaren dat dat geen sinecure is. Want degenen die dat nieuwe idee moeten beoordelen, varen mee met de mainstream. In mijn eigen vakgebied merk ik dat de grote druk ervoor zorgt dat jonge economen niet deelnemen aan het maatschappelijk debat. Ik heb dat wel altijd gedaan, maar zij hebben daar geen tijd voor. Ze moéten publiceren in wetenschappelijke toptijdschriften. Waarom zouden ze dan nog tijd verliezen aan een opiniestuk voor een krant? Ik vond het altijd interessant én belangrijk om invloed te hebben in het publieke debat.”

 

Hoe ouder u wordt, hoe meer u uw echte stem kan laten horen? Hoe minder schrik dat later de afrekening volgt?

De Grauwe: “Ik heb me daar nooit echt veel van aangetrokken en had nooit schrik om tegen de algemeen heersende opvatting in te gaan. Dat is de luxe van een academische carrière. Er zijn wel een paar momenten geweest waarop ik iets te hard op andermans tenen trapte, al hoorde ik dat pas veel later. De eerste keer was rond 1980. Ik schreef dat de Belgische frank overgewaardeerd was en gedevalueerd zou moeten worden. Die devaluatie is er ook gekomen en nadien hoorde ik dat de toenmalige minister van financiën overwogen had om mij te laten vervolgen. Zijn collega’s raadden hem dat sterk af, toch een beetje jammer want dat zou mij fantastische publiciteit opgeleverd hebben. (lacht) Een tweede keer was in 1993. Ik had samen met andere proffen een manifest geschreven met daarin alweer een pleidooi voor een devaluatie. Dat maakte de toenmalige gouverneur van de Nationale Bank Fons Verplaetse razend. Hij belde naar de rector van de universiteit om te horen of ‘diene De Grauwe niet gestraft kon worden.’ Ook toen gebeurde er niets.”

 

Hoe lang blijft u nog in Londen les geven?

De Grauwe: “Zolang ik het leuk vind, dat is mijn enige criterium. De dag dat ik denk: ‘Oei, nu moet ik weer die trein op naar Londen’, stop ik ermee. Maar dat is nog niet het geval.”

 

Binnen tien jaar, rond uw tachtigste, staat u nog voor de klas in de LSE?

De Grauwe: “Als ik nog leef en me even goed voel als nu, is dat best mogelijk. Ik hou gewoon heel erg van die combinatie van onderzoek voeren en lesgeven. Op dit niveau verandert de inhoud voortdurend. Er zijn proffen die dertig jaar lang hetzelfde doceren, maar ik zou dat niet kunnen. Zo geef ik een cursus over de monetaire unie en om de twee jaar verschijnt een vernieuwde uitgave van het boek. Ik ben nu bezig aan de twaalfde editie.”

 

Hoe wil u na uw dood herinnerd worden?

De Grauwe: “Daar ben ik niet mee bezig. De economen die in mijn jeugd erg in trek waren en die net als ik boeken en artikels schreven en geciteerd werden, zijn vandaag vergeten. Natuurlijk zijn er een paar uitzonderingen. De naam Milton Friedman klinkt nog steeds als een klok. Maar als ik mijn studenten een lijst voorleg van tien economen die in mijn studententijd hot waren, kijken ze me vol verbazing aan. ‘Nooit van gehoord.’ Twintig jaar na mijn dood zullen mijn boeken ook vergeten zijn. Ik maak me daar geen enkele illusie over.”

 

(c) Jan Stevens

Vanaf 1 juli is België het eerste land in Europa waar voor zwangere vrouwen de NIP-test zo goed als gratis wordt. Vanaf dan wordt het een fluitje van een cent om vast te stellen of een ongeboren kind een chromosoomafwijking zoals het Downsyndroom heeft. Voor sommigen is het einde van het lijden van gehandicapte kinderen eindelijk in zicht, terwijl anderen de maatregel een vorm van eugenetica noemen, ‘vermomd in de schaapskleren van menslievendheid’.

 

15 miljoen euro trekt minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD) uit om jaarlijks 100.000 NIP-testen terug te betalen. NIPT is een niet-invasieve test om chromosomale afwijkingen bij een foetus op te sporen. De test wordt uitgevoerd op een bloedstaal en geeft 99,8 procent zekerheid of het ongeboren kind een zogenaamde ‘trisomie-afwijking’ heeft. “De bekendste afwijking is trisomie 21 of het Downsyndroom”, zegt Jean-Jacques Cassiman, wereldvermaard genetica-expert. “Trisomie 21 krijgt nu de meeste aandacht, maar NIPT spoort ook trisomie 18 of het Edwardssyndroom op en trisomie 13 of het Patausyndroom. Al twee jaar staat de test in onze acht genetische centra in België ter beschikking van zwangere vrouwen en nu krijgt iedereen er toegang toe. Dit is dus een belangrijke beslissing. NIPT is intussen ook geëvolueerd, waardoor er nog veel meer dan die drie chromosoomafwijkingen mee opgespoord kunnen worden. Een NIP-test brengt soms afwijkingen aan de oppervlakte waar in eerste instantie niet naar gezocht werd. Zo werd in het UZ-Leuven bij toeval dankzij NIPT in een vroeg stadium kanker bij een zwangere vrouw ontdekt.”

Dat klinkt als bijzonder goed nieuws, alleen wringt volgens Cassiman net daar het schoentje. “De focus ligt nu op het Downsyndroom, terwijl het over zoveel meer gaat. Meer dan ooit is het dus noodzakelijk dat iemand met kennis van zaken alle resultaten en mogelijke consequenties kan duiden. ‘Hoe ernstig is die chromosoomafwijking op korte of lange termijn?’ Dat moet heel goed aan toekomstige ouders uitgelegd worden. Die mensen moeten beseffen dat het niet is omdat een NIP-test negatief is dat hun kind gegarandeerd vrij zal zijn van alle mogelijke afwijkingen. NIPT is veel complexer dan een doorsnee vaderschaps- of dna-test. We moeten ons er ook van bewust zijn dat NIPT de eerste stap is in het opsporen van nog veel meer bij een ongeboren kind. De benadering van genetici was altijd: mensen zoveel mogelijk informatie geven zodat ze bewuste keuzes kunnen maken. Ouders moeten met kennis van zaken beslissen of ze een kind houden of de zwangerschap afbreken. Door de maatregel van minister De Block zal er nu een staal genomen worden dat naar een labo gestuurd wordt, waarna de behandelende huisarts of gynaecoloog het resultaat krijgt. De redenering is dat niet alleen de genetische centra, maar ook andere labo’s die test kunnen uitvoeren. Dat klopt, alleen zorgen zij niet voor de juiste omkadering. Er wordt van uitgegaan dat aan de hand van het resultaat van het labo de huisarts of gynaecoloog alles haarfijn uit de doeken kan doen. Het spijt me, maar bij de meeste huisartsen en gynaecologen is de kennis over dat soort zaken beperkt, net omdat het allemaal zo nieuw is. Ik heb het dan niet over Down, maar over alle andere opspoorbare afwijkingen. De meeste ervaring zit bij onze acht genetische centra. Zij verrichten uitstekend werk en hebben veel ervaring met NIPT. Nu wordt dat helemaal opengebroken. Dat is niet meer of minder dan spelen met de toekomst van kinderen. Want vandaag zijn er al ouders die geen kind willen met een hazenlip en hun toevlucht nemen tot abortus. Wat wordt de volgende stap?”

 

Weldaad

Hendrik Cammu, gynaecoloog en professor aan de VUB, vindt de gratis NIP-test een uitstekende zaak. “Voortaan kan elke vrouw haar ongeboren kind testen op het Downsyndroom. Dat is toch een heel sociale maatregel die de gelijkheid bevordert? Wie niet tot de risicogroep behoorde, betaalde tot nu 290 euro. Dat wordt vanaf 1 juli 8,68 euro en de risicopatiënten betalen niets. Mensen krijgen ook de kans om hun foetus met Down te laten aborteren. Ik vind dat ethisch verantwoord. Het Downsyndroom komt relatief vaak voor: de kans is 1 op 600. Jarenlang werden er in België ongeveer 50 kinderen met Down geboren. Nadat NIPT een paar jaar geleden voorzichtig zijn intrede deed, daalde het aantal tot 40 per jaar. In 2016 kwamen we uit op 30. De tendens is dus duidelijk. Nu de NIP-test voor iedereen toegankelijk wordt, eindigen we waarschijnlijk onder de tien pasgeboren baby’s met Down. In de nabije toekomst zullen enkel nog Down-kinderen geboren worden bij zwangere vrouwen die zich niet laten screenen. Of bij vrouwen die zich hebben laten testen en hun kind willen houden.”

Het syndroom van Down wordt dus iets zeer uitzonderlijks? “Ja. Het is niet ondenkbaar dat ouders met een Down-kind daardoor de afwijzing van de anderen zullen moeten ondergaan. Maar dat mogen we nooit tolereren, zelfs al zijn er maar twee gevallen per jaar. Integendeel, we moeten hen blijven steunen met aangepaste infrastructuur en sociale wetgeving.”

Ook moraalfilosoof Etienne Vermeersch heeft woorden van lof voor de gratis NIP-test. “De weldaden van de test zijn zo overweldigend dat mogelijke bijkomstige omstandigheden daar niet tegenop wegen”, vindt hij. “Voor de meeste mensen is het een zeer grote catastrofe als hun kind geboren wordt met het Downsyndroom. Natuurlijk zijn er verschillende gradaties, maar dat neemt niet weg dat die ziekte voor elke ouder een zwaar probleem is. Natuurlijk leren sommigen daarmee leven; vroeger hadden mensen geen keuze. Hun kind met Down kwam onverwacht en ze moesten er maar het beste van maken. Het is veel beter als je vooraf weet of je ongeboren kind Down heeft. Je kunt je dan perfect door je huisarts laten inlichten over de gevolgen. De meeste mensen gaan vervolgens over tot abortus.”

Etienne Vermeersch schat het aantal genetische ziekten op drie à vierduizend. “Die staan allemaal netjes opgelijst. Een belangrijk aantal is zeer zeldzaam, maar een ander deel is algemeen erkend als sterk nadelig voor het individu. Dat wil dus zeggen dat die ziekten ook sterk nadelig zijn voor de ouders die voor dat individu moeten zorgen. Het wegwerken van zaken die iedereen als een zware handicap beschouwt, is geen idealisering van het kind of het nastreven van een volmaakt kind. Het is niet meer of minder dan streven naar een normaal kind zonder zware handicap. Hoe vroeger we in de zwangerschap alle zware handicaps de wereld uithelpen, hoe beter. Natuurlijk kunnen we mensen daar niet toe dwingen, maar de mentaliteit zal evolueren. Ze zullen tot het besluit komen: ‘Laat die handicap aan mij en aan mijn kind voorbijgaan.’”

Er zullen dus steeds minder ouders een kind met Down krijgen? “Ja. Het is dan ook onvermijdelijk dat die ouders zich alleen zullen voelen. Maar zolang die ziekte bestaat, moeten ouders en hun kinderen geholpen worden. Hoe minder mensen met Down er zijn, hoe makkelijker het wordt om ze nog beter te helpen en begeleiden. We hopen dat ze uiteindelijk zullen uitsterven.”

 

Maatschappelijke druk

“Etienne Vermeersch weet niet wat het Downsyndroom inhoudt”, zegt Babs De Wacker, mama van Maxim, een jongen van acht met Down. “Misschien moet de professor eens langskomen op een van de bijeenkomsten van de vereniging Downsyndroom Vlaanderen, dan kan hij met eigen ogen zien tot wat onze kinderen in staat zijn. Mijn zoon Maxim is gelukkig en heeft plezier in het leven. Twee andere van onze kinderen zijn hoogbegaafd, net als Maxim vallen ook zij ‘buiten de norm’. Zijn zij wel welkom op de wereld omdat ze iets hoger scoren qua IQ en is Maxim dat niet omdat hij lager scoort? Wij zijn supertrots op àl onze kinderen. Maxim bezit een natuurlijke empathie waar iedereen veel van kan leren. Dat is toch belangrijker dan het juiste IQ?”

Babs was een twintiger toen ze zwanger was van Maxim. “Ik liet me testen met de klassieke combinatietest en alles leek in orde. Bij de geboorte bleek dat Maxim het syndroom van Down had. We raakten daar nooit door in zak en as. Zelfs als we het op voorhand hadden geweten, was Maxim welkom geweest.”

De gratis NIP-test vergroot volgens Babs De Wacker de maatschappelijke druk. “Zo goed als elke zwangere vrouw zal zekerheid willen of haar ongeboren kind Down heeft. Ik begrijp niet waarom die test gecommercialiseerd wordt en uit de universitaire centra is weggehaald. Van alle chromosomale afwijkingen die NIPT kan opsporen, is Down het minst erge. En toch ligt nu de nadruk op dat syndroom. Waarom wordt enkel daarop gefocust, terwijl trisomie 18 of 13 veel ernstiger zijn? Waarom wordt de spot gericht op kinderen die gelukkig en gezond zijn? Onze kinderen hebben veel capaciteiten en er is ondertussen zoveel medische vooruitgang geboekt dat de meeste mensen met Down gezond zijn. Sommigen hebben nog een hartafwijking, die perfect geopereerd kan worden. Buiten een licht mentale achterstand is er niks mis met Maxim. Hij is zeer zelfstandig. Ik beweer niet dat hij later ooit zijn belastingsbrief zal kunnen invullen, maar in Nederland halen jongvolwassenen met Down nu hun rijbewijs.”

 

Rassenhygiene

Willem Lemmens is hoogleraar ethiek aan de Universiteit Antwerpen. “Er is geen enkele reden om aan te nemen dat kinderen met Down ongelukkig zouden zijn”, zegt hij. “Toch hoor je soms beweren dat ze geen levenskwaliteit hebben. Ik vermoed dat wij eerder vanuit ons eigen perspectief aannemen dat ze lijden. Terwijl kinderen en volwassenen met Down vaak zeer gelukkig zijn.”

Professor Lemmens vindt het goed dat de NIP-test voortaan voor iedereen toegankelijk is. “Op voorwaarde dat er geïnvesteerd wordt in het verstrekken van degelijke informatie én in zorg voor kinderen met Down. We hebben dat al decennialang gedaan, het zou merkwaardig zijn als daar nu plots op bezuinigd wordt.” Toch maakt Willem Lemmens zich zorgen. “We willen ons tegen allerlei risico’s, onzekerheden of onvolmaaktheden indekken. Hebben we er eigenlijk al eens grondig over nagedacht wat dat op termijn betekent? Stel dat we in de nabije toekomst bij ongeborenen ook erfelijke aanleg voor mogelijke psychische afwijkingen of bepaalde vormen van kanker kunnen opsporen. Ik vrees dat we te weinig nadenken over wat we met die kennis dan zullen aanvangen. Zou jij een genetisch paspoort willen waarin een aantal voorspellingen over je medische toekomst staan? ‘De kans dat je binnen vijftien jaar longkanker krijgt, is 75 procent.’ De meeste volwassenen willen dat liever niet weten. Wil je dat als ouder wél weten over je kind dat nog geboren moet worden? Een kind krijgen is altijd een onzeker avontuur; dat maakt het net zo boeiend. Ondertussen proberen we via de wetenschap daar steeds meer controle over te krijgen. Maar het is een illusie om te geloven dat we ons tegen alle onzekerheden van het leven kunnen verzekeren. Meer nog: dat is een gevaarlijke gedachte waar we tegenin moeten durven gaan.”

Vindt professor Lemmens dat we op een hellend vlak zitten richting eugenitica, de ‘verbetering van de menselijke soort’? “Eugenetica is een zeer beladen begrip. In onze Westerse samenleving loopt op dit moment nergens zo’n programma. Al omschrijven sommigen het recht van ieder individu op het soort van kinderen dat hij of zij wil wel als ‘negatieve eugenetica’. De Australische filosoof, bioethicus en transhumanist Julian Savulescu vindt dat we een ‘plicht hebben tot genetische optimalisatie’. Als je daarover begint na te denken, is dat zeer griezelig. Savulescu zegt niet meer of minder dat we ons ertoe verplicht moeten voelen om alleen die kinderen op de wereld te zetten die genetisch optimaal zijn.”

Begint dat niet heel erg op de eugenetica of Rassenhygiene van de nazi’s te lijken? Willem Lemmens: “Het grote verschil is dat de nazi’s hun collectieve programma aan de burgers oplegden. Wij leven in een liberale samenleving en we hebben nog steeds ‘vrije keuze’. Al is er wel sociale druk. Ouders die er vandaag bewust voor kiezen om hun kind met Down toch geboren te laten worden, krijgen rare blikken toegeworpen.”

 

Eenheidsworst

De Nederlandse filosoof en politicoloog Gerard Adelaar windt er in zijn pas verschenen boek De onverbeterlijke mens geen doekjes rond: we zitten op een hellend vlak, maar hebben het niet door. “De uitvinders en producenten van de NIPT hebben er alle belang bij dat hun test gebruikt wordt”, zegt hij. “Als hij dan zoals bij jullie zo makkelijk beschikbaar gesteld wordt, volgt snel een maatschappelijke norm: de samenleving verwacht gewoon van elke zwangere vrouw dat ze zich laat testen. Hoe autonoom en vrij is haar keuze dan? Wie de test links laat liggen en een Down-kind krijgt, zou het in de toekomst wel eens zwaar te verduren kunnen krijgen. ‘Misschien wordt het tijd dat je zelf voor de kosten opdraait. Je wist toch wat de risico’s waren toen je je niet liet testen?’De twee andere aandoeningen die NIPT aan het licht brengt, zijn zeer ernstig. Een daarvan heb ik in mijn eigen familie gezien. Dat kindje was vanaf de eerste dag al niet levensvatbaar. Ik beweer dus niet bij voorbaat dat de test onzinnig is, alleen wordt er geen maatschappelijk debat over gevoerd. Dat vind ik verontrustend.”

Volgens Adelaar claimt de eugenetica, ‘vermomd in de schaapskleren van de menslievendheid’, een steeds prominentere plaats in onze samenleving. “In Nederland waren er al eerder discussies over andere tests voor het opsporen van erfelijke ziekten. Universitaire medische centra wilden daar graag mee aan de slag en toekomstige ouders konden vòòr de conceptie al testen op genetische risico’s. Op het eerste gezicht wordt zo voorkomen dat er gehandicapte kindjes op de wereld komen, terwijl het in werkelijkheid eugenetica is. Het is wellicht menslievend bedoeld, ook al spelen er economische belangen mee, maar door erfelijke ziekten gaandeweg te elimineren werken we hard aan de verbetering van ons ras. Op termijn filteren we zo de mens tot eenheidsworst. Wat ‘onwenselijk’ is, moet verdwijnen en we houden één type mens over. In Denemarken en IJsland is Down zo goed als verdwenen. Dat is een vorm van rasverbetering.”

 

Prediker in de woestijn

Wilfried Gyselaers, gynaecoloog en professor fysiologie aan de universiteit Hasselt, gelooft niet dat in het nieuwe NIPT-tijdperk het Downsyndroom ten dode opgeschreven is. “Er zullen nog altijd baby’s met Down geboren worden, omdat er altijd mensen zullen zijn die dergelijke testen niet willen ondergaan”, zegt hij. “We moeten daar respect voor hebben.”

Ook Gyselaers vindt de tijd meer dan rijp voor een stevig maatschappelijk debat. “Moest er helemaal niet gescreend worden, zouden er elk jaar meer baby’s met het Down-syndroom geboren worden. Dat komt omdat vrouwen op steeds latere leeftijd zwanger worden. Het Down-risico stijgt met de leeftijd van de moeder, net als het risico op vroeggeboorte. Als we gezonde baby’s willen, moeten we vrouwen ervan proberen te overtuigen om op veel jongere leeftijd voor kinderen te kiezen. Ik leg daar al jaren de nadruk op en breng dat op congressen ter sprake, maar voel me een prediker in de woestijn. Er wordt ontzettend veel geïnvesteerd in technologie om zwangerschapscomplicaties te behandelen, terwijl ze veel makkelijker voorkomen kunnen worden. Als vrouwen van de maatschappij de toelating krijgen om tussen twintig en dertig aan de uitbreiding van hun gezin te werken en daarna verder aan hun carrière, wordt dat een zegen voor de verloskunde en de babyzorg. Moeders die op jonge leeftijd zwanger worden, hebben het meeste kans op een gezonde baby. In de verloskunde wordt nu alles op alles gezet om vroeg in de zwangerschap zoveel mogelijk genetische afwijkingen op te sporen en te verhinderen dat die kinderen geboren zullen worden. Daartegenover staan alle inspanningen die momenteel geleverd worden om extreme vroeggeboorten tot een goed einde te brengen. Daar bespeur ik dan plots een andere houding waarbij veel technieken ingezet worden om zoveel mogelijk premature baby’s in leven te houden. De laatste decennia is er tot en met nu geen daling van aangeboren handicaps vastgesteld. Er is alleen een verschuiving: vroeger ging het vooral over Down, nu gaat het over aangeboren handicaps door vroeggeboorte.”

 

Recht op leven

Pierre Mertens is pleegvader van de 27-jarige Shana, een vrouw met het syndroom van Down. Pierre’s dochter Lies werd 38 jaar geleden geboren met spina bifida, open rug. Lies overleed op 11-jarige leeftijd aan de gevolgen van een medische blunder. Pierre Mertens is actief in de Vereniging voor Spina Bifida & Hydrocephalus. “Mijn pleegdochter Shana is een van de gelukkigste mensen die ik ken”, zegt hij. “Niemand kan beweren dat de kwaliteit van haar leven onvoldoende is of dat ze ondraaglijk lijdt. Ze is ook geen last voor ons. Integendeel: ze draagt bij tot de kwaliteit van ons leven. Shana is zeer zelfstandig, gaat alleen naar haar werk, neemt de bus en gaat soms iets drinken op café. Of ik me zorgen maak over hoe het later met haar verder moet als wij er niet meer zijn? Natuurlijk, maar ik maak me soms ook zorgen over mijn kinderen zonder handicap. Shana’s toekomst bereiden we goed voor. Ik ben er zeker van dat mensen die een kind met Down hebben laten aborteren, twee keer moeten slikken als ze Shana zien.”

Is Pierre Mertens een pro-lifeactivist? “Nee en ik ben ook niet katholiek. Ik spreek vanuit het mensenrechtenperspectief. Ook wie ‘anders’ is heeft recht op leven. Ik heb zeer veel respect voor vrije keuze. Maar je kunt pas vrij kiezen als je volledig geïnformeerd bent. Zo pleit ik er al lang voor om mensen met spina bifida of hun ouders te betrekken bij informatiegesprekken. De informatie die artsen over spina bifida geven, is vaak gekleurd. Het lijkt dan alsof de moeder een monstertje zonder levenskwaliteit zal baren, terwijl mensen met spina bifida hun leven best oké vinden. Het is positief dat de NIP-test gedemocratiseerd wordt, maar ouders zouden eigenlijk al voor hun zwangerschap moeten nadenken over wat ze zullen doen als er iets met hun kind is. Dat lijkt me verstandiger dan iedereen massaal te laten testen om te weten of alles in orde is. Want dan denkt niemand op voorhand écht na over wat er moet gebeuren bij een slechte uitslag.”

Babs De Wacker vreest dat zeer veel mensen foute beslissingen zullen nemen. “Uit onwetendheid. Nu iedereen gratis op Down mag testen, zal de overtuiging groeien dat het iets heel ernstig moet zijn. Ik merk bij ouders die een baby met Down krijgen dat hun toekomstbeeld eerst vertroebeld raakt. Ze komen er snel achter dat het niet slechter wordt, maar anders. Al die ouders zijn naderhand blij dat ze het niet op voorhand wisten. Ze zijn gelukkig met hun kind. Die kans op geluk wordt mensen nu ontnomen.”

 

(c) Jan Stevens

In de wereld van nerds en techneuten heeft computerwetenschapper Pattie Maes de allures van een rockster. Technologieblad FastCompany noemt haar “one of the most influential designers in the world” en volgens het World Economic Forum is ze een “Global Leader for Tomorrow”. Haar hele carrière staat in het teken van het verbeteren van de relatie tussen ons en onze computers. Ze wil onze smartphone nog slimmer maken zodat hij uitgroeit tot onze steun en toeverlaat. “Hij zal onze dromen helpen waarmaken.”

 

28 jaar geleden verhuisde Pattie Maes (55) naar Amerika, om er aan het befaamde Massachusetts Institute of Technology (MIT) onderzoek te gaan voeren naar artificiële intelligentie. Vandaag is ze er professor Ambient Intelligence en geldt ze als een wereldautoriteit in haar vakgebied. In 2009 demonstreerde ze tijdens een inmiddels 10 miljoen keer bekeken TED Talk het systeem SixthSense, haar prototype van de huidige augmented reality-brillen.

Op dit moment werkt ze met de jonge whizzkids van haar Fluid Interfaces Group in het MIT-Media Lab aan een nieuwe, verbeterde relatie tussen mens en smartphone, laptop of tablet. Ze wil onze digitale toestellen nòg slimmer maken zodat we ermee kunnen communiceren alsof ze onze beste vrienden zijn.

“Wij bouwen aan toestellen die rekening houden met de context van de gebruikers, die hun interesses kennen, weten wat de doelen zijn waaraan ze werken en wat ze in hun leven willen veranderen”, zegt ze. “In plaats van een smartphone zal je toestel een smart coach worden die je zal helpen je doelen te bereiken en die je begeleidt om nog meer uit te groeien tot de persoon die je graag zou willen zijn. Elke smart coach zal op het lijf gesneden zijn van elk individu. Want misschien heb ik een coach nodig die mij helpt te focussen, terwijl jij snakt naar een coach die je van je slechte gewoonten afhelpt. Iedere mens heeft wel iets waar hij of zij aan wil werken, of gedrag dat hij of zij wil afleren of veranderen. Vandaag kopen we een zelfhulpboek, maken we een afspraak bij de therapeut en gaan we te rade bij een vriend of vriendin. Onze personal devices zullen in de toekomst al die rollen overnemen. Zij zullen ons helpen datgene te bereiken waar we van dromen. Wil je een taal leren? Je smartphone zal elke dag jouw taalleraar zijn. Wil je beter leren communiceren met anderen? Je smartphone toont je hoe. Daar werken wij nu keihard aan in ons Media Lab.”

 

Ik vind uw onderzoek eerlijk gezegd een beetje griezelig.

Pattie Maes: “Echt? Ik vind de huidige toestand eigenlijk ook best griezelig, hoor. Ik heb drie zonen en zij zitten continu naar het scherm van hun smartphone te turen. Ze schenken geen aandacht meer aan hun omgeving en spreken amper nog met ons. Onze digitale toestellen zijn ontzettend belangrijk geworden in ons leven en ik heb daar geen enkel probleem mee, alleen de manier waarop we ze gebruiken, laat te wensen over. Ze leiden ons af waardoor we niet langer in harmonie zijn met onze omgeving en met de mensen om ons heen. Ik wil dat radicaal veranderen en zoek daarom naar een andere manier om met onze computers om te gaan. Want of we het nu willen of niet: ze zullen een centrale rol blijven spelen in ons leven. Ik wil ervoor zorgen dat ze dat niet langer op een disruptieve wijze doen en ons niet meer van de werkelijkheid afsnijden.”

 

De moderne mens is dus geen multitasker die tezelfdertijd zijn smartphone op berichten kan checken, zijn facebookaccount op zijn tablet kan bijwerken en de conversatie aan tafel levendig kan houden?

Maes: “Nee, dat is een ernstige misvatting. De huidige smartphones en tablets zorgen enkel voor verwarring. Je kent dat wel: je zit geconcentreerd te werken en daar komt een e-mail binnen of iemand stuurt een bericht via Skype. Daar gaat je concentratie. Of je aandacht wordt via een of andere app weer ergens anders naartoe gezogen. Voor veel mensen is die digitale verstoring in hun dagelijkse leven echt problematisch. Er zijn dan twee mogelijkheden: ofwel smijten we al onze devices in de vuilbak en keren we terug naar de tijd van voor de digitalisering, ofwel veranderen we de manier waarop we ermee omgaan. Maak je geen illusies: de jongere generaties zullen hun toestellen nooit bij het oud vuil zetten. De enige aanvaardbare oplossing is dus wat wij doen: een alternatief uitwerken. Ik wil de smartphone van de toekomst uitvinden. Hij zal meer weten over wat we doen en waar we mee bezig zijn, zodat hij slimmer kan reageren, ons minder zal onderbreken op de foute momenten en ons spontaan informatie zal geven op de juiste momenten.”

 

Mijn smartphone die weet waar ik mee bezig ben, daar ook op inspeelt en reageert op wat ik zeg of doe, klinkt nogal afschrikwekkend.

Maes: “Het hangt er natuurlijk van af hoe alles uitgewerkt wordt en hoe het gepresenteerd wordt aan de gebruikers. Ikzelf ben ervan overtuigd dat het een verbetering zal zijn. Stel: ik wil vermageren en minder suiker eten. Via een app kan mijn smart coach me dan in de supermarkt begeleiden bij het aankopen van de juiste producten. Niet dwingend, maar zachtjes sturend. En als dat niet lukt, kan hij me met emotionelere boodschappen tot verstandig winkelen proberen aanporren, of op andere vriendelijke manieren trachten om mijn gedrag bij te sturen.”

 

Ik kan me voorstellen dat bedrijven én politici heel erg geïnteresseerd zijn in uw onderzoek.

Maes: “Dat is zeker zo. Elke technologie kan misbruikt worden, maar kan ook gebruikt worden om het leven van mensen te verbeteren. Ik ben heel erg gehecht aan mijn onafhankelijkheid op de universiteit. Wij zijn eerst en vooral geïnteresseerd in de belangen van de gewone mensen. Daarom is het zeer belangrijk dat wij aan de MIT dit onderzoek naar communiceren met computers voeren en het niet enkel overlaten aan Google, Apple of Microsoft.”

 

Sinds 18 augustus 2016 staat uw collega Frank Dellaert, professor robotica, op de payroll van Facebook. Hij schortte zijn academische carrière tijdelijk op om bij Facebook aan de slag te gaan in het strengbeveiligde lab Building 8. Hij is ook één van de invloedrijkste Belgen en wou zelf graag geïnterviewd worden, maar mocht niet van zijn nieuwe broodheer.

Maes: “Dat is precies één van de redenen waarom ik zo honkvast op de universiteit blijf. Wij zijn volledig vrij én onafhankelijk.”

 

Hebben de internetmastodonten u ooit veel geld aangeboden om bij hen te komen werken?

Maes: “Zeker. Een bedrijf als Google probeert voortdurend de proffen op technische universiteiten zoals Stanford, MIT en Georgia Tech ervan te overtuigen om bij hen te komen werken. Zo was Sebastian Thrun ooit professor computerwetenschappen in Carnegie Mellon en Stanford tot hij er door Google werd weggekaapt om het beruchte Google X Lab te gaan leiden waar onder andere met zelfrijdende auto’s geëxperimenteerd werd. Ikzelf heb geen enkele interesse in een overstap naar het bedrijfsleven. Mijn onafhankelijkheid is heilig.

“Voor de universiteiten wordt het langzaamaan een probleem dat al hun knappe koppen door de internetgiganten met veel dollars verleid worden. Beloftevolle studenten krijgen meteen na hun bachelor riante salarissen aangeboden. Het draait natuurlijk niet alleen om geld: voor een net afgestudeerde computerwetenschapper is het een uitgelezen kans om een groot succesvol platform zoals Facebook of Google verder te helpen uitbouwen. Veel van onze masterstudenten komen tegenwoordig uit het buitenland, want alle Amerikanen trekken direct na hun bachelor naar een internetbedrijf.”

 

Facebooks geheime project Building 8 wordt geleid door Regina Dugan, ooit baas van een militair onderzoekscentrum. Eind april lichtte ze een tip van de sluier: de wetenschappers van Building 8 werken onder andere aan lasertechnologie die het mogelijk moet maken om mensen rechtstreeks vanuit hun hersenen zinnen te laten typen. Versmelt binnenkort de mens met de technologie?

Maes: “Facebook is niet enige bedrijf dat intens met dit soort van onderzoek bezig is. Dit wordt de technologie van de toekomst, of we dat nu leuk vinden of niet. Kijk naar de geschiedenis van de computer: die machine is steeds dichter naar ons toegekomen. Het begon in de jaren zestig en zeventig met een supercomputer ergens in een speciale gekoelde ruimte waar je naartoe moest reizen als je hem wou gebruiken. Dan was er de desktop. Die stond op een bureau in een aparte kamer in het huis. Daar moest je je ook voor verplaatsen. De laptop en de smartphone zorgen er nu voor dat de computer altijd bij ons is. Dankzij de wearables zoals de smartwatch, dragen we de computer op ons lijf. De volgende stap is dat we cyborgs worden en inderdaad met de technologie zullen ‘versmelten’. Volgens de Schotse filosoof Andy Clark is dat onze logische bestemming. Hij zegt dat we altijd al naar dat doel hebben toegewerkt en dat we van in het prille begin van onze geschiedenis nooit iets anders gedaan hebben dan ons te verbeteren met behulp van technologie. Het ligt nu eenmaal in onze aard om onszelf voortdurend te vervolmaken zodat we tot steeds meer in staat zijn. Daarom ontwikkelen en bouwen we al die toestellen die ons assisteren bij zowat alle aspecten van ons leven.”

 

Tesla-baas Elon Musk is van plan om zijn brein aan een computer aan te sluiten.

Maes: “Hij wordt gedreven door dezelfde motivatie als ik. Als onze computers rechtstreeks kunnen lezen wat we willen, moeten we er veel minder mee bezig zijn en hoeven ze onze aandacht niet meer op te eisen. Maar het zal nog wel even duren voor Musk zich rechtstreeks aan een computer kan koppelen, want we staan nog maar aan het begin van de brain computer interfaces. Dit soort van nieuwe technologieën verplicht ons er trouwens toe om heel goed na te denken over de verdeling van de taken en de verantwoordelijkheden tussen ons en onze computers. In de meeste gevallen zal de computer eerder de smart coach zijn die ons dingen aanleert en bijstaat, in plaats van ons alle taken uit handen te nemen waardoor we luie donders worden.”

 

Uzelf bent bereid om een chip te laten inplanten?

Maes: “Ik had dat als grap verteld in mijn TED-talk, maar iedereen lijkt dat ernstig te nemen. (lacht)”

 

Eind vorig jaar zagen een aantal personeelsleden van een Belgisch bedrijf er geen graten in dat hun baas hen een chip liet inplanten. In tijden van terreur en angst wordt het voor overheden misschien wel heel verleidelijk om al hun burgers te chippen?

Maes: “Aan zo’n toekomst wil ik echt niet meewerken. Het moet altijd de gebruiker zelf zijn die vrij kiest met welke technologie hij zichzelf wil verbeteren en met welke niet. Hij moet ook de controle blijven hebben over zijn gegevens en privacy en over hoe die systemen werken.”

 

Dat is de theorie, maar in de praktijk vegen de grote internetbedrijven nu toch al de vloer aan met privacy en gebruikerscontrole?

Maes: “Ja, maar er komen wel tegenbewegingen op gang die de gebruiker centraal stellen en hem de keuzevrijheid geven. In Europa misschien meer dan in de Verenigde Staten, maar toch werken ook Amerikaanse instellingen, zoals de Harvard Kennedy School, aan voorstellen voor wetgeving die onze privacy moet beschermen.

“Zelf ben ik als wetenschapper heel erg begaan met de ethische kant van mijn werk. In ons Media Lab loopt een AI Ethics and Governance Project, waarin we samen met filosofen nadenken over een beleid rond digitale toestellen, gegevens en privacy. Ons Media Lab sluit zich niet af van de wereld en is interdisciplinair, met designers, psychologen en filosofen. We zijn daar uniek in. Een van de grote problemen met Facebook en de producten die zij maken, is dat ze teveel ingenieurs in dienst hebben die niet genoeg nadenken over wat de invloed op de samenleving is van al die nieuwe creaties. Ze amuseren zich te pletter met ontwerpen en staan niet stil bij de gevolgen. Het is niet gezond om alle nieuwe digitale ontwikkelingen over te laten aan enkel de computerwetenschappers. Op dit moment hebben ze echt teveel invloed op onze wereld en hoe die vormgegeven wordt. Sociale media en digitaal nieuws zijn enorm belangrijk geworden en bepalen een deel van ons bestaan. De ellende is dat dat 90 procent van de ingenieurs die de boel draaiende houden, zich nooit vragen stelt over de impact van hun werk. Ze creëren een nieuw digitaal platform waar ethische kanttekeningen bij te maken zijn, zetten dat zonder verpinken online en laten iedereen op een trein springen waarvan niemand het eindstation kent. Er wordt onvoldoende nagedacht over de maatschappelijke gevolgen van ditigale technologieën.”

 

Een van die gevolgen is een Amerikaanse president die regeert via Twitter.

Maes: “Begin daar alsjeblieft niet over. (lacht) Dat is vreselijk, maar laten we het maar niet over politiek hebben. In Europa ziet het er trouwens niet veel beter uit. Hoopgevend is misschien dat Facebook na de verkiezingen wakker geworden is. Stilaan beginnen ze over de gevolgen van hun eigen impact na te denken. Wat rijkelijk laat is, want hun invloed is enorm.”

 

Kent u de roman De Cirkel? Daarin beschrijft Dave Eggers hoe een pas afgestudeerd meisje gelooft dat ze in het paradijs terechtkomt wanneer ze aan de slag kan bij het belangrijkste internetbedrijf ter wereld. Het ultieme doel van haar ‘bevlogen’ ceo’s is: complete ‘transparantie’. Het eindigt in een nachtmerrie.

Maes: “Ja, De Cirkel heb ik heel zeker gelezen. (lacht) Die roman is voor mijn studenten verplichte lectuur. Ze moeten ook naar een reeks als Black Mirror kijken. Wij denken over alle mogelijke kwalijke gevolgen heel goed na. Maar het brengt niets op om zoals een struisvogel je hoofd in het zand te steken en te roepen: ‘Ik doe hier niet aan mee.’ Het beste wat je kan doen, is meehelpen aan die vernieuwing en zo zelf de toekomst meecreëren. Met mijn onderzoek bepaal ik mee waar we naartoe evolueren. Ik kan nu ook heel goed volgen waar Facebook en Google mee bezig zijn en probeer hun vernieuwingen te beïnvloeden.

“Sinds een paar jaar is artificiële intelligentie of AI booming science, met de ontwikkeling van neural networks, kunstmatige zenuwnetwerken die kunnen ‘leren’ en daardoor tot dingen in staat zijn die nog niet zo lang geleden totaal onmogelijk waren. Eerst was er de angst dat die neural networks heel wat jobs overbodig zouden maken. Maar de laatste tijd groeit de concensus dat AI mensen bij hun werk kan helpen in plaats van het te vernietigen. Kent u het begrip human-in-the-loop artificial intelligence? Een mens en een AI-systeem werken dan samen. Denk aan een dokter die gebruik maakt van AI om een nog betere en preciezere diagnose te stellen.”

 

U bent niet bang dat onze omgeving door al die technologie kouder en onpersoonlijker wordt?

Maes: “Dat hoeft niet. Als die systemen zo ontworpen zijn dat de mens en de relatie met zijn medemens centraal staat, wordt het misschien minder koud dan vandaag. Nu zit iedereen op de trein of de bus op zijn eigen gsm te tokkelen. Stel dat je gsm zo ontworpen is dat hij je in contact brengt met iemand in jouw rijtuig die dezelfde interesses koestert. Zou dat niet fijn zijn? Het zou best wel eens kunnen dat al die nieuwe systemen muren tussen mensen slopen, waardoor we meer in harmonie raken met onze omgeving.”

 

Oxfordfilosoof Nick Bostrom geloofde ooit net als u dat AI en technologie de mens konden verbeteren. Nu waarschuwt hij voor machines die zo slim geworden zijn dat niemand ze nog onder controle kan houden. Met een superintelligente computer is de apocalyps volgens hem heel dichtbij.

Maes: “Wetenschappers die écht met AI bezig zijn en de materie door en door kennen, hebben daar geen schrik voor. Want AI-systemen zijn sterk begrensd in wat ze kunnen. In één welbepaald ding zijn ze uitzonderlijk goed, maar vraag ze niet om ook nog iets anders te ondernemen, want dan haken ze af. Een AI-systeem dat goed met de auto kan rijden, heeft geen kaas gegeten van het stellen van medische diagnoses. Ik geloof niet in dat schrikbeeld van superintelligente machines die zich tegen ons keren. Dat is onvervalste sciencefiction.”

 

Als computerwetenschapper bepaalt u nu mee de toekomst van de mensheid. Geeft u dat een gevoel van macht?

Maes: “Nee, ik ben helemaal niet hongerig naar macht. Ik vind het gewoon heel boeiend om over dat soort van problemen na te denken. In mijn omgeving wordt onze toekomst vooral uitgestippeld door mannelijke ingenieurs. Als vrouwelijke computerwetenschapper kijk ik misschien met een andere blik naar de digitalisering en kan ik ook andere ideeën in de groep gooien. De computerwetenschappen hebben dringend een grote feministische golf nodig. Ik wil niet veralgemenen, want er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen, maar meisjes en vrouwen denken volgens mij meer na over de invloed van de digitalisering op onze relaties en ons leven. Mannen zijn dan weer meer geïnteresseerd in de technologie en de gadgets. Het zou heel goed zijn als meer meisjes informatica zouden gaan studeren.”

 

Internetgoeroes stellen digitale disruptie vaak voor als iets positiefs, terwijl het bij veel mensen voor vervreemding zorgt.

Maes: “Zoals met alle technologieën zijn er aan de digitalisering enorme voordelen verbonden, maar ook serieuze nadelen. Sommige nadelen zijn gevolgen van verkeerde beslissingen uit het verleden. Die moeten we veranderen of verbeteren. Maar dankzij het internet en de smartphones is informatie nu voor iedereen op elk moment toegankelijk. Dat kan toch niet anders dan voor een enorm democratiserend effect zorgen? Het internet maakt het mogelijk om in landen waar geen persvrijheid heerst alternatieve stemmen aan bod te laten komen. En vandaag kan iedereen zijn creativiteit op datzelfde internet botvieren. Al wie dat wil, kan een film maken, een boek schrijven of muziek opnemen en dat wereldwijd met iedereen delen.”

 

Van wijlen Steve Jobs wordt gezegd dat zijn kinderen niet met een tablet mochten spelen. 

Maes: “Ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Mijn jongste zoon is twaalf en ik beperk zijn tabletgebruik ook. Hij mag enkel op een creatieve manier bezig zijn met een computer. Hij speelt geen spelletjes, maar maakt ze zelf. Ik leer hem aan om zelf dingen te creëren en beschikbaar te maken voor anderen, in plaats van als een passieve couch potato de creaties van anderen te consumeren.”

 

Volgens de Duitse psychiater Manfred Spitzer ontwikkelen kinderen die teveel met tablets bezig zijn een vorm van dementie.

Maes: “Dat soort van uitspraken neem ik met een flinke korrel zout. Toen de radio geïntroduceerd werd, dachten de ouderen ook dat het einde nabij was. Ik kan mij geen leven zonder computer meer voorstellen. Stel dat er morgen een bom valt die onze moderne infrastructuur vernietigt: kan u dan uw eigen groenten kweken, uw koeien slachten en uw kippen pluimen? Of zelf uw auto repareren? Ik dacht het niet. (lacht) We zijn afhankelijk van technologie: dat is precies wat ons tot mens maakt en onderscheidt van andere dieren. Technologie geeft ons meer vrijheid, zodat we niet langer 24 uur per dag bezig moeten zijn met het verzamelen en kweken van ons eigen voedsel.”

 

Waarom ging u in 1979 computerwetenschappen studeren? Computers waren toen allesbehalve hip.

Maes: “Per toeval. (lacht) Op mijn 18e kon ik niet beslissen wat ik wou studeren. In die periode woedde er een economische crisis in België en raakte zo goed als niemand na zijn studies aan werk. Eigenlijk twijfelde ik eerst tussen architectuur en biologie, twee totaal verschillende richtingen. De VUB startte op dat moment met de allereerste opleiding informatica in België. Ik was niet echt geïnteresseerd in computers, maar zag die richting als een springplank om misschien ooit andere dingen te gaan doen. Maar van zodra artificiële intelligentie ter sprake kwam en het over de relatie tussen mensen en computers ging, was ik verkocht. Die fascinatie is nooit meer verdwenen.”

 

(c) Jan Stevens