‘De Wehrmacht was net zo schuldig als de SS’

In Ondankbaar België reconstrueert historicus Dimitri Roden de Duitse repressie van verzetslui in België tijdens WO II. ‘De Duitse militaire gouverneur Alexander von Falkenhausen beweerde na de oorlog dat hij de levens van veel Belgen gered had. Dat klopt, alleen was dat niet uit medelijden, maar om zijn eigen hachje te redden.’

 

73 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog presenteert historicus en Breendonk-conservator Dimitri Roden in zijn boek Ondankbaar België nieuwe inzichten over de veroordelingen van politieke gevangenen. ‘Dat “nieuwe” lijkt verrassend’, zegt hij, ‘maar is het niet als je weet dat onderzoek naar het gedrag van Duitse militairen tijdens WO II lange tijd vooral een Duitse aangelegenheid was. Daardoor bleven veel feiten onderbelicht. Want in het naoorlogse Duitsland leefde de overtuiging dat vooral de nazi’s van de SS zich misdragen hadden. “Onze militairen van de Wehrmacht daarentegen hielden zich aan het internationaal recht.” De Duitsers raakten daarmee weg omdat net op dat moment de koude oorlog uitbrak. De geallieerden konden de expertise van figuren zoals een Wernher von Braun goed gebruiken. Daarom waren ze zeer tegemoetkomend in het bepalen van wie een oorlogsmisdadiger was en wie nog ‘bruikbaar’ was. Als ze veel strenger waren geweest, had zo goed als geen Duitser aan hun kant kunnen gaan staan. Natuurlijk ontsprongen de echt grote oorlogsmisdadigers de dans niet. Maar tot de jaren tachtig bleef het adagium overeind dat de militairen van het Duitse leger niet waren zoals die wreedaards van de SS. De van stad naar stad reizende tentoonstelling “Vernietigingsoorlog: misdaden van de Wehrmacht 1941-1945” maakte daar voorgoed een eind aan. Ze toonde foto’s van soldaten van de “saubere” Wehrmacht die zich aan het Oostfront te buiten gingen aan oorlogsmisdaden. Er ging toen een schokgolf door de Duitse samenleving en sindsdien brengen historici aan het licht dat Hitlers Wehrmacht net zo schuldig was als de rest.’

 

Zo ook in bezet België.

Dimitri Roden: Precies. Tijdens de oorlogsjaren was de situatie in bezet Frankrijk vergelijkbaar met de Belgische. Ook daar werd het grondgebied 4 jaar lang bestuurd door militairen, al moesten de Fransen in 1942 wel een SS-generaal dulden die de ordehandhaving naar zich toetrok. Maar het veiligheidsbeleid was zowel in Noord-Frankrijk als in België in handen van militairen van de Wehrmacht die hun eigen verordeningen en wetten uitvaardigden. Belgische overtreders werden door de politiediensten van de bezetter opgespoord. Een aantal gearresteerden werden zonder vonnis naar een concentratiekamp gestuurd; anderen stonden in bezet gebied terecht voor een Duitse militaire rechtbank. Tijdens de bezetting kwamen naar schatting enkele tienduizenden burgers in aanraking met het Duitse krijgsgerecht. Minstens 900 van hen werden ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.

Na de oorlog beschreven vooral advocaten de geschiedenis van het Duitse krijgsgerecht in bezet België. Zij hadden zelf landgenoten voor een krijgsraad verdedigd. Zo brachten de Luikse strafpleiters Cassian Lohest en Gaston Kreit in 1945 een boek uit over de strafzaken die zij hadden gepleit. Een paar jaar later zette ook de Brusselse advocaat Frédéric Eickhoff zijn ervaringen op papier. Maar getuigenissen van veroordeelden waren veel zeldzamer. Vermoedelijk is dat ook de reden waarom collega-historici er jarenlang bijzonder weinig oog voor hadden. Sommigen onderzochten wel aspecten van de Duitse veiligheidspolitiek in ons land, maar nooit vanuit de invalshoek van het Duitse krijgsgerecht. De eerste studie over de vervolging van verzetsfeiten die gebruik maakt van primaire bronnen, dateert pas van 2004. Historica Tamara Altman voerde toen haar onderzoek aan de hand van vonnissen die bewaard zijn gebleven in de Duitse opsluitingsdossiers van de gevangenis van Sint-Gillis. Maar een overzichtswerk over het Duitse krijgsgerecht in heel bezet België was er niet.

 

Met Ondankbaar België wil u dat hiaat wegwerken?

Roden: Zeker. België is eigenlijk een heel interessant onderwerp omdat wij het enige bezette West-Europese land waren waar de militairen écht vier jaar lang de ordehandhaving in handen hadden. Hier kwam geen SS-generaal langs die de ordehandhaving naar zich toe trok. Adolf Hitler wist niet goed wat hij met ons moest aanvangen. Hij beschouwde ons als een Germaans broedervolk en dubde over onze toekomst: België annexeren of ‘germaniseren’? Hij kon geen beslissing nemen, met als gevolg dat het militaire bestuur gewoon op post bleef. Daardoor is België het land bij uitstek om te onderzoeken of de Wehrmacht in West-Europa altijd wel zo correct handelde als de Duitsers zelf beweerden. Ook Alexander von Falkenhausen, de militaire gouverneur die hier verantwoordelijk was voor de ordehandhaving, hield die mythe tot aan zijn dood in 1966 hoog. Zo huwde hij na de oorlog met de Belgische verzetsvrouw Cécile Vent, hoofd van de sector Verviers van het inlichtingennetwerk Tégal. In zijn memoires schreef Von Falkenhausen dat hij de Belgen altijd goed behandeld had.

 

Maar wordt het stilaan geen onmogelijk opgave om meer dan 70 jaar na datum nog te onderzoeken hoe de Duitse militairen zich tegenover gearresteerde verzetslui gedroegen? De laatste getuigen zijn aan het verdwijnen.

Roden: Het is heel spijtig dat die laatste getuigen verdwijnen; binnenkort zullen we hen geen rechtstreekse vragen meer kunnen stellen. Al hebben de voorbije jaren een aantal mensen wel veel moeite gedaan om zoveel mogelijk materiaal te verzamelen. Mijn collega’s van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (CEGESOMA) namen ontzettend veel getuigenissen af en je mag ook de interviews van de legendarische onderzoeksjournalist Maurice De Wilde niet vergeten. Maar voor een historicus die zoals ik in kaart wil brengen hoe de Duitse veiligheidspolitiek in bezet België écht functioneerde, is het grote probleem inderdaad de schaarsheid aan bronnenmateriaal. Veel archieven werden vlak voor de bevrijding vernietigd, of gingen tijdens de geallieerde bombardementen in vlammen op. Gelukkig kon ik de hand leggen op ongeveer 10.000 originele Duitse opsluitingsdossiers die kort na de oorlog door verbindingsofficieren van het Belgisch Commissariaat der Repatriëring uit verschillende strafinrichtingen in Duitsland werden meegebracht. Die zogenaamde Personalakten hebben heel lang stof liggen vergaren, terwijl ze een schat aan informatie bevatten, zoals gegevens over de aanhouding en opsluiting van veroordeelden, gemotiveerde vonnissen, aktes van beschuldiging of correspondentie tussen gerechtelijke instanties en de gevangenisdirecties. Die opsluitingsdossiers vormen echt wel een solide basis om de gerechtelijke vervolging in bezet België te bestuderen. Ik kon zo ook het soms ingewikkelde strafuitvoeringssysteem reconstrueren. Dat is in die tijd nooit op papier gezet en evolueerde mee met hoe de oorlog verliep. Tot de zomer van ’41 besliste Alexander von Falkenhausen dat alle veroordeelde politieke gevangenen hun straf in een Belgische gevangenis moesten uitzitten. De Duitse militaire overheid eiste daar een paar vleugels in de gevangenissen van Sint-Gillis, Gent en Brugge voor op. De ‘zware gevallen’ werden uitzonderlijk naar Duitsland gedeporteerd. In oktober 1941 voerde de bezetter de maatregel in dat alle mannelijke en vrouwelijke politieke gevangenen die tot drie jaar of meer veroordeeld waren, hun straf moesten gaan uitzitten in Duitse gevangenissen. Voor straffen onder drie jaar werden de mannen naar Leuven of Merksplas gestuurd en de vrouwen naar Vorst. Hoe slechter het met de oorlog ging en hoe actiever het verzet werd, hoe sneller het Duitse bewind onder leiding van Von Falkenhausen veroordeelden naar Duitsland stuurde.

 

Aan de basis van de titel van uw boek, ‘ondankbaar België’, ligt een uitspraak van Alexander von Falkenhausen.

Roden: Toen Von Falkenhausen in maart 1951 door de Belgische overheid het land werd uitgezet, waren zijn laatste woorden: ‘Ingrata Belgia, non possidebis ossa mea. Ondankbaar België, gij zult mijn beenderen niet bezitten.’ Of vrij vertaald: ‘Ondankbare Belgen, jullie veroordelen mij terwijl net ik jullie uit handen van de SS heb gehouden.’ Daar zit een kern van waarheid in.

 

Omdat de SS qua wreedheid onovertroffen was?

Roden: De SS werkte buitengerechtelijk. Als je als verzetslid door SS’ers gearresteerd werd, betekende dat deportatie naar de concentratiekampen zonder enige vorm van proces. Onder Von Falkenhausen werd van in 1940 de nadruk gelegd op juridische vervolging, wat wil zeggen dat verzetslui voor krijgsraden verschenen. De redenering was dat die processen op termijn het verzet tot bezinning zou brengen. Wat niet wil zeggen dat Von Falkenhausen nooit maatregelen nam die vanuit juridisch standpunt onaanvaardbaar waren, of ver over de schreef gingen. Door in te zetten op juridische bestraffing, kon hij wel claimen dat hij binnen het kader van het internationaal recht bleef. Maar de druk vanuit Berlijn om dat pad te verlaten en keihard tegen het verzet op te treden, werd steeds groter. Heel bezet West-Europa kreeg draconische maatregelen opgelegd, zoals het deporteren van verdachten zonder hun familie op de hoogte te stellen. Von Falkenhausen ging daar tegenin: ‘Als wij doen wat jullie in Berlijn vragen, maken we het verzet in België veel groter dan het is.’ Om weerstand aan de druk vanuit Berlijn te kunnen blijven bieden, ging hij steeds verder in het zoeken naar manieren om zijn krijgsraden in stand te houden. In de praktijk kwam het erop neer dat de strafrechtspraak zienderogen verstrengde.

 

Alexander von Falkenhausen installeerde in België zijn eigen rechtssysteem?

Roden: Binnen de mate van het mogelijke koos hij inderdaad voor een gerechtelijke aanpak van het verzet, maar natuurlijk kon hij de bevelen vanuit Berlijn niet blijven negeren.Op 7 december 1941 vaardigde Adolf Hitler het beruchte Nacht und Nebel-decreet uit. Dat schreef voor dat de Duitse krijgsraden in bezet gebied nog enkel verzetslui voor zware feiten mochten vervolgen wanneer hun veroordeling en executie binnen de week na hun aanhouding kon plaatsvinden. In alle andere gevallen moesten de gearresteerden in het grootste geheim naar Duitsland overgebracht worden. Daar kwamen ze dan meestal in tuchthuizen of strafkampen terecht waar ze soms in vreselijke omstandigheden ingeschakeld werden in de oorlogsindustrie. De familie mocht daar niet over ingelicht worden, zodat het leek alsof de verdachte ‘in nacht en nevel’ verdwenen was. Met die maatregel wou Hitler zowel de bevolking in de bezette gebieden als het verzet de stuipen op het lijf jagen. De uiteindelijke beslissing over de heimelijke deportatie of ‘Abgabe ins Reich’ van een verdachte lag bij de hoogste Gerichtsherr in het ambtsgebied. In België was dat dus generaal von Falkenhausen. Na de oorlog beweerde hij dat hij zich tegen dat vreselijke decreet verzet had. Dat klopt, maar niet omdat hij inzat met het lijden van de gearresteerden. Eerst en vooral wou hij zijn eigen militaire bestuur handhaven. Want hij vreesde dat er hier net als in Nederland een burgerlijk bestuur geïnstalleerd zou worden, met de SS als ordehandhaver. Hij stuurde ondergeschikten naar Berlijn om daar voorzichtig bezwaren te gaan uiten. Zo liet hij via-via weten dat de executieplaats in Beverlo niet geschikt was om er mensen binnen de week te executeren.

 

Von Falkenhausen wou geen Belgische mensenlevens redden, maar zijn eigen positie veilig stellen?

Roden: Ja. Na de oorlog beweerde hij dat hij gehandeld had in het belang van de Belgen, terwijl hij eerst en vooral zijn eigen militaire bestuur wou handhaven. Hij was een real-politiker. Aan de ene kant moest hij het verzet in toom houden en aan de andere kant moest hij Berlijn laten zien dat hij de zaak meester was en op bepaalde momenten keihard kon optreden. Wat hij trouwens ook deed. Zo aarzelde hij niet om tussen december 1942 en januari 1943 zestig gijzelaars te laten executeren, om op die manier een aanslagengolf van het verzet halt toe te roepen. Met succes: als gevolg van de harde represailles staakte het verzet zijn aanslagen tegen Duitsers en richtte het zijn pijlen voortaan op Belgische collaborateurs. Volledigheidshalve moet ik eraan toevoegen dat Von Falkenhausen meteen stopte met het executeren van gijzelaars van zodra het geweld tegen Duitse militairen ophield.

 

Probeerde hij het Nacht und Nebel-decreet te ondermijnen door zo weing mogelijk gearresteerde verzetslui bij nacht en ontij naar Duitsland te deporteren?

Roden: Hij deed exact het tegendeel en stuurde zowat iedereen naar Duitsland. Het gevolg was dat hij een vlammende brief uit Berlijn kreeg waarin stond dat dat niet geapprecieerd werd en dat hij dringend werk moest maken van een correcte toepassing van het decreet. Toch bleef hij massaal mensen naar Duitsland sturen. Na de oorlog verklaarde hij dan weer dat hij het aantal Nacht und Nebel-deportaties teruggeschroefd had omdat hij wist dat het lot van de gevangenen in de kampen afschuwelijk was en hij ze zo wou beschermen. Maar de cijfers vertellen een ander verhaal: van de 4500 zaken tegen vermeende verzetslui die hem tijdens de oorlog werden voorgelegd, stuurde hij bijna 3000 personen naar Duitsland. Dat is meer dan 85 procent. Het merkwaardige is dat hij zo levens gered heeft, want Duitsland kon die instroom niet aan. Gearresteerden die hier in principe binnen de week terechtgesteld hadden moeten worden, kwamen door Von Falkenhausens beleid in een Duits kamp terecht waar het maanden en zelfs jaren duurde eer ze voor een rechter verschenen.

 

Misschien is er begrip mogelijk voor dat beleid van Alexander von Falkenhausen?

Roden: ‘Begrip’ is in deze kwestie heel moeilijk. Al kan niet ontkend worden dat hij dingen gedaan heeft die een deel van de Belgische bevolking ten goede kwamen. In de periode’40-‘42 stond hij inderdaad op de rem, maar daarna verloor zijn bewind steeds meer controle. Vanaf 1943 is er nog maar weinig goeds over Von Falkenhausen en consorten te vertellen. Willekeurige arrestaties, deporteren zonder proces en executies werden de standaard. We moeten ook oppassen dat we het lijden niet minimaliseren van de families van alle mensen die tussen ’40 en ’42 terechtgesteld zijn. In 1943 besefte Alexander von Falkenhausen dat de Duitsers de oorlog gingen verliezen, waarna hij zich concentreerde op de redding van zijn eigen hachje.

 

Hij was geen volbloednazi?

Roden: Nee, hij is echt een intrigerende man. Op indirecte wijze was Von Falkenhausen betrokken bij het verzet tegen Hitler. Niet actief, maar hij had wel contacten met de plegers van de mislukte aanslag van 20 juli 1944 op de Führer. Zijn jongere broer Hans-Joachim werd in 1934 om het leven gebracht door de SS tijdens de fameuze Röhm-Putsch, de Nacht van de Lange Messen. Meteen daarna vluchtte Alexander weg uit Duitsland, naar China. Daar werkte hij als militair adviseur van Tsjang Kai-Sjek. Nadat in 1937 de Chinees-Japanse oorlog uitbrak, kwam Von Falkenhausen in een lastig parket te zitten. Het naziregime eiste dat hij meteen ophield met het trainen van de Chinese troepen, want zij trokken ten strijde tegen een mogelijke Duitse bondgenoot, het Japanse keizerrijk. Een jaar later keerde hij terug naar Duitsland en door een speling van het lot werd hij in mei 1940 aangesteld tot Militärbefehlshaber van bezet België. Hij trad zo in de voetsporen van zijn oom Ludwig Freiherr von Falkenhausen, die hier tijdens de Eerste Wereldoorlog gouverneur-generaal was. Alexander von Falkenhausen was dus geen diehard nazi, maar eerder een vertegenwoordiger van de Pruisische conservatieve militaire klasse. Hij was een aanhanger van de Pruisische ‘Kriegsnotwendigkeit’. Volgens dat principe had een natie in tijden van oorlog het recht om met alle middelen, zowel wettige als onwettige, haar voortbestaan te verzekeren. Die mentaliteit sijpelde door in alle beslissingen die hij als militaire gouverneur nam.

 

Dimitri Roden

  • Geboren in 1982.
  • Studeerde geschiedenis aan de KULeuven.
  • Werkt sinds 2005 als historicus in het Breendonk Memoriaal.
  • Promoveerde in 2015 In 2015 tot doctor in de geschiedenis (UGent) en doctor in de sociale en militaire wetenschappen (KMS).
  • Werd in 2018 conservator van het Fort van Breendonk.

 

Dimitri Roden, Ondankbaar België, De Duitse repressie in de Tweede Wereldoorlog, AUP, 356 blz., 29,99 euro

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

Groene leugens

Gelooft u dat u meehelpt aan de redding van de zeeën met uw uit oceaanplastic gerecycleerd jasje ontworpen door Pharrell Williams? Volgens de Duitse journaliste Kathrin Hartmann heeft Skateboard P u dan goed liggen. In haar boek Groene leugens ontmaskert ze groene Pinokkios zoals Pharrell. “De grootste groene leugen is dat alles business as usual kan blijven, op voorwaarde dat we een paar kleine dingen bijsturen en zogezegd ‘duurzaam maken’. Onzin.”

 

Ik maak me graag vrolijk over brave Amerikanen die in het nepnieuws van Fox en Breitbart tuinen. Liefst onder het genot van een heerlijk kopje duurzame Nespresso, of terwijl ik de file trotseer achter het stuur van mijn CO2-arme hybride, onderweg naar een interview met ecojournaliste en -activiste Kathrin Hartmann. “Nespresso en een hybride? Typische voorbeelden van greenwashing”, zegt ze. “Goed boerende en welmenende salonecologisten trappen graag met hun ogen wijd open in groen fake news. Daarom ook bekwamen steeds meer bedrijven en marketeers zich in het ten onrechte aanprijzen van hun producten als ‘duurzaam’, ‘recycleerbaar’ of ‘CO2-neutraal’.”

Samen met de Oostenrijkse documentairemaker Werner Boote draaide Hartmann vorig jaar The Green Lie, waarin ze samen op zoek gaan naar de groene leugens van grote merken en producenten. In haar pas verschenen boek Groene leugens laat Kathrin Hartmann geen spaander heel van algemeen aanvaarde duurzame alternatieven zoals elektrische auto’s.

Kathrin Hartmann: “De lithium-ionenaccu van de ‘mobiele hoop voor de toekomst’ verslindt bergen kobalt. De Europese Unie heeft dat niet geboekstaafd als conflictmineraal, terwijl het vooral gedolven wordt in Congo, een land vol bloedige conflicten. Kinderarbeid is er aan de orde van de dag en in de mijnstreek in het oosten maken gewapende milities de dienst uit. Toch is er volgens de EU-verordening over conflictmineralen uit 2017 voor kobalt niets aan de hand. Allemaal om die toekomstige heilige koe, de elektrische auto, geen strobreed in de weg te leggen. Ik noem dat een vorm van politieke greenwashing. Toen onze documentaire The Green Lie in Duitsland en Oostenrijk uitkwam, dachten velen: ‘Richten Hartmann en Boote hun pijlen op de groene partij?’ Nee, onze film en mijn boek zijn niet meer of minder dan aanklachten tegen duurzaamheid als marketingtruc. De grootste groene leugen is dat alles business as usual kan blijven, op voorwaarde dat we een paar kleine dingen bijsturen en zogezegd ‘duurzaam maken’. Bullshit.”

 

In uw boek veegt u de vloer aan met onder anderen de Duitse chemieprofessor Michael Braungart. Terwijl hij als uitvinder van het cradle-to-cradle-principe voor sommigen geldt als goeroe van de recyclage. Zijn redenering is: afval bestaat niet, alles wat een mens produceert, moet kunnen dienen als grondstof voor een nieuw product. Ik heb hem ooit geïnterviewd en ik vond hem best interessant.

Hartmann: “Braungart is populair bij veel journalisten. Hij is minzaam en vriendelijk, maar voert volgens mij gewoon een show op. Zijn theorie klinkt inderdaad solide, terwijl ze op de keper beschouwd een regelrechte ramp is voor het milieu. Hij beweert dat consumeren geen probleem is voor de mensheid, zolang we er maar voor zorgen dat de producten die we maken terug in de kringloop opgenomen worden. Is dat niet net hetzelfde als een perpetuum mobile, een eeuwig werkende machine? Onzin, dus?

‘Weg met dat schuldgevoel’, sust Braungart tegen de hyperconsumerende westerling die zich een beetje zorgen begint te maken over zijn extreem grote ecologische voetafdruk. ‘Alles is in orde. Er is niets mis met ons economische systeem van ongebreidelde groei, dat mag gerust blijven bestaan.’ Ik vind die boodschap zéér problematisch. Braungart heeft ooit, helemaal in de lijn met zijn van de pot gerukte cradle-to-cradle-filosofie, eetbare bekleding ontwikkeld voor vliegtuigstoelen. Dat is toch een grap? Volgens dezelfde cradle-to-cradl-nonsens biedt de goedkope modeketen C&A een composteerbaar t-shirt van biokatoen aan, dat je na een paar keer dragen in de compostbak kan mikken. C&A wil zo aantonen dat ‘massaconsumptie duurzaam kan zijn’. Hun zogezegde ‘duurzaamste t-shirt ter wereld’ mag je volgens hen met een zuiver geweten tot het einde der tijden wegflikkeren en opnieuw kopen. En dat voor amper 7 euro. Waanzin, want zelfs productie van biokatoen ligt moeilijk: slechts één procent van alle katoen ter wereld wordt op een ecologisch verantwoorde manier verbouwd. Daar komt bij dat ik die weggooifilosofie uiterst onethisch vind.”

 

De populaire zanger Pharrell Williams ontwerpt voor het Nederlandse modehuis G-Star de lijn Raw for the Oceans, de allereerste jeanscollectie van gerecycleerd plastic uit de Stille Oceaan. Ook een fraai staaltje van greenwashing?

Hartmann: “Plastic in de oceaan was lang een onderschat probleem. Plastic is ook de rode draad door het leven van medefilmmaker Werner Boote. In de jaren zestig was zijn grootvader de grote baas van Interplastik Deutschland. Met zijn bekroonde documentaire Plastic Planet uit 2009 zette Werner het thema van de plasticvervuiling en de ‘plasticsoep’ prominent op de agenda. Recyclage van plastic uit zee kan best zinvol zijn. Werner en ik wilden voor onze The Green Lie-documentaire graag spreken met de mensen achter Bionic Yarn, het bedrijf dat afval uit zee omzet in kunststofgaren en dat mede-eigendom is van Pharrell Williams. Wie kiest voor een door Williams ontworpen Raw for the Oceans-broek of jasje, vist volgens de marketeers van G-Star eigenhandig zeven plastic flessen uit zee. Hoe meer artikelen geweven uit Bionic Yarn-garen er over de toonbank gaan, hoe properder onze oceanen worden. G-Star claimt dat het zo negen van de honderdveertig miljoen ton plastic uit zee wil halen en meteen ook dertig procent katoen zal besparen.

Wij gaven G-Star, Bionic Yarn en Pharrell Williams het voordeel van de twijfel, maar het lukte ons niet om iemand achter de recyclageonderneming te pakken te krijgen. Maandenlang probeerden we contact te leggen, maar niemand wou ons ontvangen.”

 

Zeiden ze ook waarom ze jullie niet wilden spreken?

Hartmann: “Nee, we werden botweg geweigerd, zonder uitleg. We vonden het adres van Bionic Yarn in Piermont, New York en besloten het bedrijf zonder afspraak met een bezoek te vereren. We dachten eerst dat we op een industrieterrein terecht zouden komen, in een hypermoderne fabriek waar plastic flessen omgezet worden in textielvezels. Dat viel tegen, want we strandden op de oprit van een mooie houten villa. De voordeur werd geopend door Tim Coombs, mede-eigenaar van Bionic Yarn. Hij schrok en wilde ons liever niet binnenlaten. ‘Stuur me een e-mail’, zei hij. ‘Dan spreken we af om te Skypen.’ Hij sloot de deur en liet weken later weten dat hij liever niet met journalisten praatte.”

 

Wat niet erg slims is, want zo voedt hij toch alleen maar jullie verdenking van groene marketing?

Hartmann: “Precies. Bionic Yarn liet ons weten dat ze niet aan onze documentaire wilden meewerken, omdat er al een film over hun oceaankleren bestaat. Daarmee bedoelen ze de reclamespot die zij zelf lieten draaien. (lacht) Ik denk niet dat ze het procédé van de gerecyleerde plastic integraal uit hun duim zuigen, maar ik stel me wel grote vragen bij het hele verhaal dat ze errond spinnen. Intussen sprong ook Adidas op de plastickar van Pharrell Williams. De multinational in sportkleding wil uit gerecycleerd zeeplastic nu een miljoen sportschoenen en massaal veel voetbalshirts vervaardigen. Adidas kreeg de zegen van de Verenigde Naties voor zijn zeehardloopschoen, die vervaardigd zal worden uit ‘plastic van diepzeevisnetten die achterbleven in de oceaan rond de Zuidpool’.”

 

Als het procédé om oceaanplastic tot garen te recycleren echt werkt, kunnen we dat toch alleen maar toejuichen?

Hartmann: “Niet echt, want het gerecycleerde plasticgaren in kledij en schoenen van vandaag, wordt het zeeafval van morgen. De marketingverhalen van G-Star, Adidas en C&A over gerycleerd en duurzaam textiel, zijn bliksemafleiders voor de kern van het probleem: de moderne kledingindustrie met haar ‘fast fashion’-strategie. Marktleiders H&M en Zara bieden jaarlijks tot vierentwintig nieuwe collecties aan. Om de twee weken moeten de winkels volgehangen worden met andere jassen, broeken, jurken en t-shirts. Vroeger duurde het twee tot drie maanden voordat een nieuw ontworpen kledingstuk in de winkel lag. De spotgoedkope productie in lageloonlanden draait nu overuren. Onderbetaalde naaisters werken er in afschuwelijke omstandigheden. Een keten als Primark draagt een verpletterende verantwoordelijkheid voor deze race naar de diepste bodem. Volgens Greenpeace is er meer kleding in omloop dan de wereldbevolking ooit aan kan. Die fast fashion is trouwens alleen maar mogelijk door het massale gebruik van plastic. Twee derde van al onze kleren wordt geweven in polyester, een in overvloed geproduceerd goedkoop kunststofgaren. Tussen 2000 en 2016 steeg het wereldwijde gebruik van polyester voor textiel van acht naar eenentwintig miljoen ton. Dat maakte meteen ook de groei mogelijk van fast fashion-ketens als H&M en Primark. Voor de oceanen is dat een catastrofe, want bij elke wasbeurt spoelen micropartikeltjes uit de kunststofvezels en zo komen kilo’s microplastics in zee terecht.”

 

Ons oerprobleem is ons op grenzeloze groei gebaseerde economisch systeem?

Hartmann: “Precies. Daardoor produceren we te veel troep die niemand nodig heeft. Om al die nieuwe producten te kunnen kopen, moeten we eerst onze oude spullen dumpen en zo verhogen we de afvalberg. Ondertussen proberen bedrijven ons met hun greenwashingtechnieken een rad voor de ogen te draaien. Soms is het lachwekkend, terwijl het eigenlijk intriest is. Zo maakt oliemaatschappij Shell reclame met windmolens. Monsanto stelt zijn genetisch gemanipuleerde zaden en pesticides dan weer voor als hun bijdrage aan de bestrijding van de honger. In hun zogenaamde ‘duurzaamheidsrapport’ noemen ze zichzelf zelfs grote voorvechters van de VN-werelddoelen om van de wereld een gezondere en leefbaardere plek te maken. Het zal wel. (lacht)”

 

In een door Nespresso geproduceerd filmpje van eind vorig jaar praat acteur George Clooney op een ‘ongedwongen wijze’ over hoe duurzaam zijn favoriete kopje koffie is. ‘Het duurzaamheidsprogramma van Nespresso is onovertroffen, niemand ter wereld kan daaraan tippen’, zegt hij. Lult hij uit zijn nek?

Hartmann: “De reclamefilmpjes die Clooney voor Nespresso maakt, missen hun doel niet. Zeer veel mensen die het goed met het milieu menen, zijn verslingerd aan Nespresso. De Nespresso-capsules zijn een wereldsucces. Van 2006 tot nu steeg het aantal verkochte capsules van drie naar tien miljard. Nespresso is verantwoordelijk voor vier procent van de complete omzet van tachtig miljard euro van moederbedrijf Nestlé, het grootste levensmiddelenconcern ter wereld. De lege aluminiumcapsules van Nespresso zorgen jaarlijks dan weer voor een afvalberg van achtduizend ton.”

 

Is die aluminiumberg het grootste probleem?

Hartmann: “Ja. Nespresso beweert dat al dat aluminium netjes gerecycleerd wordt, maar dat is helemaal niet zo. Ze geven je een groene zak om de gebruikte capsules te verzamelen, en niemand weet wat er verder mee gebeurt. Het is een groot mysterie hoeveel aluminium er gerecycleerd wordt en of Nespresso zelf met gerecycleerd aluminium werkt. De fabricage van nieuw aluminium is sowieso een ramp voor het milieu. Het wordt gemaakt van bauxiet, en om die grondstof te ontginnen worden in onder andere Brazilië en Indonesië regenwouden gerooid. Bij de productie van een ton aluminium uit bauxiet wordt acht ton CO2 uitgestoten. De aluminiumproductie gaat aan de haal met drie procent van het wereldwijde elektriciteitsgebruik. Nespresso is ook walgelijk duur: een kilo koffie in capsules kost tachtig euro. Het is misschien wel de duurste koffie ter wereld.”

 

Het is wel lekkere koffie.

Hartmann: “Zeker, maar smaakt een kopje Nespresso dan zoveel beter dan gewone espresso? Nespresso heeft in samenwerking met de Amerikaanse NGO Rainforest Alliance zijn eigen programma voor ‘duurzame koffie’ ontwikkeld. Rainforest Alliance heeft een kwalijke reputatie als leverancier van keurmerken voor problematische bedrijven als Chiquita, Dole, Lidl, McDonald’s en dus ook Nespresso. Het zogenaamde Nespresso AAA Sustainable Quality™ Program is allesbehalve transparant. Het gaat helemaal niet om biologisch verbouwde of via fair trade verhandelde koffie, al lijkt dat wel zo. Hun grootste verkooptruc is en blijft George Clooney: hij geeft het merk een kwaliteits- en duurzaamheidslabel dat het niet verdient.”

 

George Clooney is geen naïeve ziel, maar bewust medeplichtig aan greenwashing?

Hartmann: “Dat is een moeilijke vraag. Voor de marketeers achter Nespresso is hij goud waard, want hij heeft dat aura van degelijkheid en betrouwbaarheid. Een uitstekende acteur, progressief, ex-vredesambassadeur voor de VN en getrouwd met een vooraanstaande mensenrechtenadvocate. Het doelpubliek van Nespresso, de goedverdienende, min of meer ecologisch bewuste en aan lifestyle verslingerde middenklasser is dol op hem. Nespresso-drinkers herkennen zichzelf in hem, of spiegelen zich naar hem. ‘George zit op onze golflengte.’ De reclamefilmpjes met Clooney zijn ook uitstekend gemaakt. En af en toe lijkt hij niet ironisch te acteren, maar zichzelf te zijn, zoals in dat filmpje waar je naar verwees. ‘Nespresso verricht uitstekend werk voor de koffieboeren.’ Vervolgens plant hij zelf een koffieboompje in Costa Rica, omringd door koffieboeren. Dan kijkt hij recht in de camera en zegt: ‘Nespresso zorgt ervoor dat al deze mensen het goed hebben. Ik ben trots deel uit te maken van dit bedrijf.’ Hij speelt het zo goed dat ik mezelf soms ook afvraag: ‘Gelooft hij het of zegt hij dit omdat hij er de voorbije jaren 26 miljoen dollar voor gekregen heeft?’”

 

Hebt u het hem proberen vragen?

Hartmann: “Nee, en nu je het zegt, misschien had ik dat beter wel gedaan. De man is een miljonair en leeft in een bubbel. De arme Costa Ricaanse boeren zijn dolblij dat de beroemde George Clooney hen een schouderklopje komt geven. ‘O wat een lieve miljonair.’ (lacht)”

 

Tijdens het maken van de documentaire reed u rond in een Tesla. Uit een studie van het Zweedse milieuonderzoeksbureau IVL van vorig jaar blijkt dat voor de productie van een kleine elektrische auto al 5,3 ton extra CO2 is uitgestoten voordat er nog maar een kilometer mee gereden is. Daarvoor kun je bijna drie jaar in een benzineauto rijden.

Hartmann: “Tesla is inderdaad niet zo ecologisch verantwoord als Elon Musk ons graag wil doen geloven. Daarom ook reden we met een Tesla naar Garzweiler, een van de grootste sites in Duitsland waar bruinkool wordt gedolven. We wilden al die goedmenende Duitse Tesla-rijders laten zien met wat voor een smerige troep de elektriciteit voor hun zogenaamd ecologisch verantwoorde bolides wordt opgewekt. Onze regeringen propageren nu volop de elektrische auto als ‘schoon’ alternatief. Terwijl hier net hetzelfde geldt als bij de gerecycleerde plastickleren van Pharrell Williams en consorten: de afvalberg wordt er niet kleiner door. Diesel en benzine worden vervangen door elektriciteit, maar de grondstoffenrooftocht gaat intussen onverminderd door. Het echte debat zou moeten gaan over het feit dat het onhoudbaar is dat elk individu met zijn eigen voertuig rond blijft snorren. Die discussie durft niemand aan. We focussen ons liever op een nieuwe, zogezegd schonere technologie. Greenwashing is heel goed in het ogenschijnlijk verzoenen van tegenstellingen die in werkelijkheid onverzoenbaar zijn. De zogenaamde duurzaamheid ligt er soms zo vingerdik op, dat ik gewoon niet kan vatten dat consumenten er intuinen. We willen toch zo graag geloven dat we alles bij het oude kunnen laten en als God in Frankrijk kunnen blijven leven. Het enige wat we moeten doen, is onze dieselslurper inruilen voor een hybride of een elektrische auto. O ja, en we mogen ook niet vergeten om onze koffiecapsules in die groene zak te keilen in plaats van in de vuilbak. Dan komt het allemaal wel goed.”

 

U richt uw pijlen ook op de grote multinational Unilever. U beschuldigt hen ervan grootmeesters te zijn in greenwashing van de ontginning van palmolie.

Hartmann: “Met zestig miljoen ton per jaar is palmolie het meest gebruikte plantaardige vet ter wereld. De reden voor dat ‘succes’: het is het goedkoopste. Je vindt het in de helft van zowat alle supermarktproducten: in pakjessoep, ijs, margarine, diepvriespizza, chocola, poetsproducten en cosmetica. Unilever-CEO Paul Polman noemt zijn bedrijf zonder verpinken ‘de grootste NGO ter wereld.’ Unilever gebruikt meer palmolie dan welke andere producent van consumptiegoederen ook: anderhalf miljoen ton per jaar, of 2,6 procent van de wereldwijde oogst.

Indonesië produceert de helft van alle palmolie. De gevolgen voor de regenwouden zijn desastreus. Sinds 1990 heeft Indonesië door houtkap en branden een bosoppervlak verloren van 310.000 vierkante kilometer regenwoud. Dat is groter dan Italië. De helft is vervangen door palmolieplantages. Bij zijn aantreden in 2010 stelde Polman het Unilever Sustainable Living Plan voor. Daarin beloofde Unilever dat het tegen 2020 al het zelf geproduceerde afval, het waterverbruik en de uitstoot van broeikasgassen zou halveren, de mensenrechten zou beschermen, en enkel nog honderd procent ‘duurzame’ agrarische producten zou inkopen. In diezelfde periode moest de omzet verdubbelen naar tachtig miljard euro. Ik heb de voorbije jaren heel wat onderzoek naar palmolie gevoerd en ik kan je verzekeren: duurzame palmolie bestaat niet. Het Unilever Sustainable Living Plan is een schoolvoorbeeld van greenwashing: het stelt zogezegd duurzame doelen voor die op geen enkele manier te behalen zijn, tenzij Unilever radicaal afscheid neemt van palmolie en stopt met de productie van Calvé-pindakaas of Knorr-soep in pakjes. Ik schat de kans niet hoog in dat dat zal gebeuren.”

 

Ook de Europese Unie is niet vies van greenwashing van palmolie?

Hartmann: “In 2006 besliste ze dat vijf procent van de benzine van plantaardige origine en dus biobenzine moest zijn. Vandaag is de EU de op twee na grootste importeur van palmolie. In 2010 importeerden we 456.000 ton, nu 3,2 miljoen ton. Indertijd was de redenering dat biobenzine de CO2-uitstoot zou terugdringen. Want bij de verbranding van plantaardige brandstof zou slechts evenveel CO2 in de lucht komen als de plant voorheen gebruikt had. Je reinste greenwashing, want als je de klimaatschade als gevolg van boskap mee in rekening brengt, produceert biodiesel uit palmolie drie keer zoveel uitstoot als fossiele diesel.”

 

Een eerbiedwaardige instelling als het Wereldnatuurfonds (WWF) assisteert volgens u grote multinationals bij hun greenwashing.

Hartmann: “Het WWF is niet vanuit de basis gegroeid, maar werd in 1961 opgericht door edellieden, jagers op groot wild, ondernemers, industriëlen en miljonairs. De eerste voorzitter was de Nederlandse prins Bernhardt. Het voornaamste doel van het WWF was om natuurreservaten te creëren en beschermen waar diezelfde rijken zich konden uitleven.”

 

Anno 2018 is het WWF toch een compleet andere organisatie?

Hartmann: “De geest van toen is niet verdwenen. Vandaag zit het WWF op een kapitaal van meer dan driehonderd miljoen dollar. Met 905.000 medewerkers en vijf miljoen donateurs is het één van de grootste natuurbeschermingsorganisaties ter wereld. Vier procent van de inkomsten van WWF International komt van ondernemingen. De NGO steekt niet onder stoelen of banken dat ze samenwerkt met de industrie. Het kan niet anders dan dat de partnerships met grote multinationals invloed hebben op haar beleid. Ook al beweert de organisatie dat ze ondanks die samenwerkingsverbanden onafhankelijk blijft.”

 

Hebt u zichzelf er nog nooit op betrapt dat u een groene leugen voor waar aannam?

Hartmann: “Ik doe mijn best om greenwash-valstrikken te vermijden. Ik rij met de fiets, neem de trein en vermijd vliegtuigen. Onze elektriciteit komt van een kleine coöperatieve die haar stroom enkel op duurzame wijze opwekt. Al ben je ook dan nooit zeker. We hebben een veertig jaar oude BMW die hooguit tien keer per jaar uit de garage komt. En we letten goed op bij de aankoop van onze voedingswaren. Ik ben al dertig jaar vegetariër. Bioproducten zijn goed, maar ze zijn nog steeds de uitzondering en daarom ook duur. Met als gevolg dat niet iedereen ze zich kan permitteren.”

 

Wie garandeert ons dat al die zogenaamde biolabels geen greenwashing zijn?

Hartmann: “Veel voedingsproducten krijgen zeker een ‘groene’ marketingbehandeling. Maar de officiële biolabels worden gecontroleerd en zijn geen verzinsels van de industrie. Voor voeding kan je de greenwashing nog een hak zetten, maar voor kledij is het zeer lastig. En voor computers en smartphones is het zo goed als onmogelijk. Er is de Nederlandse Fairphone waarvan de meeste onderdelen vervangbaar zijn. Het idee van de bedenkers van die telefoon is dat je hem zo lang mogelijk moet kunnen gebruiken eer je hem dumpt. Dat is prima, alleen moeten ook zij hun grondstoffen kopen bij leveranciers die er minder ethische standaarden op nahouden.”

 

Hoeveel proceszaken van grote merken wegens smaad en laster lopen er nu tegen u?

Hartmann: “Geen enkele; ze hullen zich allemaal in stilzwijgen. Voor de film namen we een paar shots op in vestigingen van de Oostenrijkse supermarktketen Billa. Zij vroegen ons of ze de film voor de release te zien konden krijgen. Wij weigerden, waarna ze een grote reclamecampagne startten. Ze hebben hun eigen biomerk en beloofden dat ze naar aanleiding van onze film al hun eigen biologische producten met palmolie zouden schrappen. Het leek alsof ze bereid waren om tienduizenden euro’s te verliezen, om toch maar clean te kunnen zijn. Nu moet je weten: er zat maar één product met palmolie in hun oorspronkelijke biogamma. (lacht)”

 

Ze gebruikten jullie documentaire over greenwashing om zichzelf groen te wassen?

Hartmann: “Inderdaad. En ze vroegen aan Werner Boote of hij hun persoonlijke George Clooney in hun reclamefilm wou spelen. Hij heeft daar vriendelijk voor bedankt. (lacht)”

 

Kathrin Hartmann, Groene leugens, atlas contact

(c) Jan Stevens

‘Net als in de hoogdagen van het communisme, houden de Hongaren elkaar terug in de gaten’

Meer dan een kwart eeuw na de val van het communisme ontdekte de Hongaarse schrijver András Forgách dat zijn moeder Bruria van 1975 tot haar dood in 1985 informant voor de geheime dienst was. Ze hield niet alleen buren en vrienden in de gaten, maar ook haar eigen kinderen. In De akte van mijn moeder doet Forgách een boekje open over zijn moeder-spion. ‘Omdat ik haar zoon ben, vind ik niet dat ze me verraden heeft.’

 

In de herfst van 2013 kreeg András Forgách telefoon van een oude kennis uit zijn jeugd. Die had tijdens opzoekingswerk in het archief van de geheime dienst in Boedapest ontdekt dat een van Forgáchs familieleden jarenlang tijdens het communisme als informant voor de geheime dienst had gewerkt. ‘Hij noemde geen namen tijdens dat gesprek’, zegt András Forgach. ‘Maar ik voelde instinctief over wie het ging. We spraken af in een koffiehuis waar mijn vermoeden bevestigd werd: mijn in 1985 overleden moeder Bruria had decennialang een dubbelleven als informant geleid.’

 

Was dat een schok?

András Forgách: Zeker, maar toch ook niet helemaal. Toen ik die kerel in dat café sprak, viel het laatste stuk van de puzzel op zijn plaats. Plots begreep ik waarom ze zich op bepaalde momenten tijdens haar leven zo bizar had gedragen. Haar foute keuzes kregen betekenis, en veel vragen een antwoord.

 

Na de val van de muur in 1989 werd in Duitsland de Gauck-Behörde opgericht, een soort Waarheidscommissie belast met het beheer, onderzoek en openbaar maken van de Oost-Duitse Stasi-archieven. U hoorde pas in 2013 over het informantenverleden van uw moeder. Was er in Hongarije dan nooit een gelijkaardig initiatief?

Forgách: Nee, en voor Hongarije is dat een tragedie. Na bijna dertig jaar zal er ook niets meer veranderen. Jonge Hongaren zijn niet geïnteresseerd in dat verleden en historici hebben weinig aandacht voor die archieven. Al moet ik dat misschien toch nuanceren: de jaren veertig, vijftig en zestig worden wel goed onderzocht. Maar zeventig en tachtig zijn zo goed als onontgonnen terrein.

 

Hoe komt dat?

Forgách: Omdat veel van onze huidige politici in die periode als informant voor die geheime dienst actief waren. Zij hebben liever niet dat hun namen aan de oppervlakte komen en houden die doos van Pandora dus liever dicht. Ook veel artiesten waren informant en willen niet met hun verleden geconfronteerd worden. Politieke partijen zijn het eens met dat grote stilzwijgen, uit schrik dat ze anders leden zouden kunnen verliezen. Maar doen alsof er niets gebeurd is, is zeer ongezond voor een samenleving. Een van de redenen waarom ik dit boek geschreven heb, is om die samenzwering van de stilte te doorbreken. In De akte van mijn moeder schrijf ik zonder censuur over haar informantenwerk en leg haar dossier open en bloot op tafel. Ook al is het dan een ‘roman’, de inhoud is authentiek, met de echte namen van agenten, contactpersonen, figuranten. Ik wil dat er in Hongarije over die periode tenminste gepraat wordt.

 

Bent u boos op uw moeder?

Forgách: Nee. Onlangs hoorde ik op de radio een interview met Rebekka Hermán Mostert, zij vertaalde mijn boek naar het Nederlands. Ze zei dat mijn moeder me verraden heeft. Ik schrok daarvan, want ik heb dat nooit zo aangevoeld. Ik twijfel er geen moment aan dat Rebekka een uitstekende vertaalster is, maar haar interpretatie dat mijn moeder een verraadster zou zijn, vind ik zeer eenzijdig. In De akte van mijn moeder probeer ik net te analyseren waarom iemand informant wordt. Mijn moeder was lid van de partij en een overtuigde communist.

 

Meer nog: ze was stalinist.

Forgách: Dat klopt, maar tezelfdertijd was ze écht een trouwe goede communist, met uitstekende kwaliteiten. De agenten van de geheime dienst maakten overal aantekeningen van en hielden tot in de puntjes uitgeschreven verslagen van ontmoetingen met informanten bij. Mijn moeder komt uit haar dossier naar voor als een kameraad onder de kameraden. Als ze met haar contactpersonen overleg pleegde, was dat onder geestesgenoten. In haar dossier wordt ze omschreven als patriot.

 

Ze was geen informant omwille van het geld?

Forgách: Helemaal niet. Niet voor het geld en niet voor de macht. Enkel uit idealisme. Maar misschien toch ook weer niet helemaal, want als informant mocht ze regelmatig naar haar familie in Israël reizen. Dat kan je als een vergoeding beschouwen. Maar het is niet zo dat ze een vorm van verraad pleegde door informant te zijn. Nee, ze werd informant door haar overtuiging. ‘Bruria verraadde haar zoon András’, hoorde ik vertaalster Rebekka zeggen. Dat klopt ook niet. Rebekka’s uitspraken verrasten me, nadat ik de voorbije maanden urenlang met haar over mijn boek gepraat heb.

 

U bent Bruria’s zoon, en daarom misschien ook loyaal aan haar?

Forgách: Natuurlijk, maar dat wil nog niet zeggen dat mijn blik daardoor vertroebeld is. Ik heb in mijn boek geprobeerd om de context waarin zij leefde te reconstrueren.

 

Begin jaren tachtig biedt u in uw appartement in Boedapest onderdak aan de dissidente dichter György Petri. Wanneer de geheime dienst aan uw moeder vraagt om hen zonder uw medeweten toegang tot uw appartement te verschaffen, gaat ze daarop in. Is dat geen vorm van verraad?

Forgách: Verraad is niet het juiste woord. Ook niet als ze bij wijze van spreken later mijn hoofd aan de geheime dienst zal offreren. Want dat deed ze: ze droeg mij zonder dat ik het wist bij de Hongaarse Veiligheidsdienst voor als haar opvolger. Daar is gelukkig nooit iets van in huis gekomen, maar zelfs dat feit past in haar geloof dat ze een dienares van de communistische zaak is. Ze is er heilig van overtuigd dat ze zo meehelpt aan een betere wereld. Ik vermoed dat ze wel wist dat ze door mij ‘over te leveren’ een grens overschreed, alleen moest die kennis maar wijken voor de ‘goede zaak’. En natuurlijk heeft ze net als elke andere informant van de geheime dienst informatie over buren verzameld die die mensen soms in een lastig parket bracht. Maar doordat er in Hongarije een gebrek aan historisch onderzoek naar de communistische Veiligheidsdienst is, worden alle informanten over dezelfde kam gescheerd. ‘Ze deden het allemaal voor het geld of uit jaloezie.’ Er is geen enkel eerbaar motief mogelijk en er rest enkel zwart-wit.

 

Wat voor reacties kreeg u in uw thuisland op uw boek?

Forgách: Meestal positief, al probeerden sommigen mijn geloofwaardigheid in twijfel te trekken. Ze vonden dat ik de nagedachtenis van mijn moeder besmeurde. Alsof ik een andere keuze had.

Volgens de Hongaarse letter van de wet is het archief open en toegankelijk en mag er vrijelijk uit geciteerd worden. Het Stasi-archief is gedigitaliseerd en elke inwoner van de voormalige DDR kan online op zoek naar zijn eigen naam. Slechts een klein deel van het archief van de Hongaarse Veiligheidsdienst is digitaal raadpleegbaar. Als je als Hongaar iets wil opzoeken, moet je beroep doen op een researcher die voor jou in dozen en dossiermappen zal wroeten. In de praktijk is dat archief dus log en moeilijk toegankelijk. Niet lang na de publicatie in Hongarije van De akte van mijn moeder, vond ik in dat archief een dossier van een bladzijde of tien over mijn vader. Dat is nu opgenomen in de Nederlandse versie en de kans is groot dat ik in de toekomst nóg documenten vind.

 

Uw vader begon als eerste te werken voor de geheime dienst?

Forgách: Hij was journalist en werd gerekruteerd toen hij eind jaren vijftig correspondent in Londen werd. Ook hij geloofde heel sterk in de communistische zaak. Maar het spionnenwerk ondermijnde zijn persoonlijkheid, waardoor hij ten onder ging aan paranoia. Elke Hongaarse journalist die in de jaren zeventig en tachtig naar het Westen reisde, moest een document tekenen dat hem tot informant van de geheime dienst maakte.

 

Álle Hongaarse journalisten die tijdens het communisme als verslaggever naar het Westen kwamen, waren spionnen?

Forgách: Alle journalisten die voor de staat werkten. Mijn vader was in dienst van het officiële Hongaarse persbureau. Een correspondent raakte nooit aan een reispas als hij of zij niet eerst ook informant werd. De man die mijn vader in Londen opvolgde, was ook een agent, net als degene die erna kwam. Dat sloot naadloos aan bij de journalistiek zoals die door de grote kameraden van de Sovjet-Unie beleden werd.

Mijn vader leed onder aanvallen van paranoia en stortte begin jaren zestig helemaal in. Hij had wat men toen een zenuwinzinking noemde. Zijn laatste werk als Londense agent waren verslagen over Italiaanse en Joodse kranten. Hip spionnenwerk kan je dat niet noemen. Mijn ouders waren Joods, spraken Hebreeuws en waren gekant tegen de staat Israël. Niet veel Hongaarse Joden waren antizionisten, waardoor vader en moeder interessante agenten waren voor de geheime dienst. Toen vader te ziek werd om te kunnen functioneren, rekruteerden ze mijn moeder. Zij wist dat haar man een agent was en stond daar volledig achter.

 

Ze nam ook de codenaam van haar man over: ‘Papái’, Hongaars voor paus.

Forgách: Die naam was een vondst van vaders overste bij de veiligheidsdienst. Mijn vader was een ongelovige Jood. ‘Een Jood verberg je het best door er een katholiek sausje over te gieten’, vond luitenant Takács, de officier in kwestie. ‘Vanaf nu wordt kameraad Forgách: Papái, de paus’. De luitenant was daar naar het schijnt erg over in zijn nopjes. Toen moeder haar man als informant opvolgde, werd zij ‘mevrouw Papái’. Ze rekruteerden haar trouwens op een slinkse manier. Op geen enkel moment is haar meegedeeld: ‘Vanaf nu bent u geheim agent.’ Nee, op een bepaald moment vroegen ze: ‘Mevrouw, kunt u deze week eens een paar kranten voor ons bekijken?’ Later vroegen ze: ‘Wat zou u denken van een bezoek aan het Zionistisch Wereldcongres in Jeruzalem?’

 

Ze werd er langzaam ingesleurd?

Forgách: Ja, langzaam maar zeker maakten ze haar tot deel van het systeem. Ze hanteerden een goed uitgekiende, gedisciplineerde methode om mensen tot informant te kneden. In haar dossier vond ik een bijzonder intrigerend stukje tekst: ‘Aangezien het slechts een formaliteit is om mevrouw Papái tot officiële geheim medewerker te verklaren, zullen we haar hiervan niet speciaal op de hoogte brengen.’ Ze hebben haar dus nooit expliciet gezegd dat ze agent van de veiligheidsdienst was. De expert die samen met mij het dossier van moeder onderzocht, vertelde me dat dat heel typisch was. Blijkbaar wilden ze mensen die om ideologische redenen informatie doorgaven, niet het vieze gevoel geven dat ze verklikkers waren. Mama voerde ook vaak discussies met de officieren waarmee ze rechtsreeks in contact stond. Ze verdedigde mij en mijn dissidente vriend, de dichter Petri, ook al had ze eerder agenten in mijn appartement binnengelaten om afluisterapparatuur te installeren. ‘György Petri is een uitstekende dichter’, zei ze. Ze vond het fout dat hij geen reispas van het regime kreeg. ‘Als het systeem geen kritiek verdraagt, radicaliseren getalenteerde mensen’, zei ze tegen haar officier van de geheime dienst. Oké, ze was communist, maar uit de gesprekken met haar kameraden komt ze naar voor als een vrouw met een open geest. Tenminste, voor een stalinist was ze erg open, al moet u zich daar ook niet té veel van voorstellen. Het stalinisme is nu eenmaal zeer rigide.

 

Was ze op de hoogte van de ‘zuiveringen’ en de Goelag-kampen in de Sovjet-Unie onder Stalin?

Forgách: Jawel. Mijn ouders wisten dat, maar ze wilden de gruwel gewoon niet geloven. Moeder was een intelligente, belezen vrouw. Het stalinistische denkkader had haar geest vervormd. Haar leven lang klampte ze zich krampachtig vast aan die starre ideologie. Lang na de dood van Stalin bleef zij stalinist, net als haar man. Hun huwelijk was grote chaos. Ik herinner me mijn jeugd als een vreselijk chaotische periode, met wildvreemden die ons appartement binnen en buiten liepen. Mijn ouders spraken continu Hebreeuws met elkaar, zodat wij niet konden meevolgen. Net als mijn broer en zus wist ik van jongs af aan dat ze geheimen met zich meedroegen. Ik denk dat het rigide stalinisme hun manier was om de chaos te bedwingen. Informant zijn, zorgde voor zin in hun door partij en staat gedomineerde bestaan.

 

Uw moeder ging als informant toch heel ver, daar ook haar kinderen te bespioneren?

Forgách: Nee, echt niet. Integendeel, ze verdedigde en beschermde ons. Als jonge twintigers waren wij zeer actief tegen de communistische partij. Zij zette ons soms uit de wind. Akkoord, er waren een paar momenten waarop ze dicht bij dat ‘verraad’ van mijn vertaalster stond. Maar ik ben haar zoon en u moet begrijpen dat ik daarom vind dat zij mij niet verraden heeft. (stilte) Mijn zus Susan zat tot over haar oren in de oppositie en verhuisde vroeg naar New York. Toen mijn moeder haar daar wou gaan bezoeken, roken de officieren bij de geheime dienst hun kans om via mevrouw Papái de Hongaarse dissidenten in de VS in kaart te brengen. Ze is toen niet vertrokken, want mijn zus wou niet dat ze kwam. Dat was ook een van die momenten waarop ‘verraad’ in de lucht hing. God zij dank is mama toen in Boedapest gebleven. En god zij dank werd ik niet haar opvolger bij de geheime dienst. De zaden van verraad zijn gelukkig nooit beginnen kiemen.

 

Uw zus is niet erg blij met uw boek.

Forgách: ‘Niet erg blij’ is een eufemistische omschrijving. Volgens haar is het informantendossier van mijn moeder fake. ‘Het zijn nepdocumenten’, zegt ze. ‘Iemand heeft ze gefabriceerd om onze familie te chanteren.’

 

Wie is ‘iemand’?

Forgách: Het huidige regime: Viktor Orbán en zijn vrienden. Ik verafschuw Orbán en zijn ‘illiberale democratie’ die in werkelijkheid een zachte dictatuur is, maar de theorie van mijn zus is grotesk. Mijn moeders dossier is authentiek. Ik herken alle omstandigheden en details die erin beschreven staan. Ik begrijp dat mijn zus het er moeilijk mee heeft; het gaat tenslotte ook over haar moeder. Ik heb het er tot vandaag ook lastig mee. Ik voel me er fysiek niet goed door en ik vrees dat ik me nog lang slecht zal voelen. Vrienden jubelen: ‘András, je boek is een groot succes. Fantastisch!’ Nee, niet fantastisch, dit is een dagelijkse strijd voor de waarheid. Ik begrijp de woede van mijn zus, alleen gaf zij het verkeerde antwoord en ik het juiste. Ik moést hier wel over schrijven. Als ik dat niet had gedaan, waren al mijn andere boeken halve leugens. Mijn eerder verschenen roman Zehuse heeft als grondstof de briefwisseling tussen mijn moeder en haar geëmigreerde dochter. Toen ik dat boek schreef, wist ik niets over Bruria’s carrière als geheim agent. Dat moést rechtgezet worden.

 

U noemt de regering van Viktor Orbán een ‘zachte dictatuur’. Inclusief geheime dienst die de eigen bevolking in de gaten houdt?

Forgách: Ja, daar ben ik honderd procent zeker van. Net als in de hoogdagen van de communistische dictator Janos Kádár houden mensen elkaar nu in scholen, overheidsinstellingen en bedrijven in de gaten. Ze moeten aan de overheid over zowat àlles rapporteren. Het op verklikking gebaseerde informatiesysteem van de communisten is opnieuw uitgerold. Wie zoals ik in de jaren zeventig met dissidenten optrok, werd standaard afgeluisterd. We hadden toen de gewoonte om middenin een telefoongesprek te zeggen: ‘Hé, kameraad-sergeant, hoe gaat het met u? Bent u nog niet ingedommeld? Luistert u nog mee?’ Vrienden die nu in de oppositie actief zijn, vertellen me dat ze een echo van zichzelf horen als ze met hun smartphone aan het bellen zijn. Voortdurend. Een teken dat er iemand meeluistert. Ze maken dan soms dat grapje van toen: ‘Hé luistervink, luister je nog mee?’ (lacht) Eigenlijk is dat niet grappig, maar intriest.

 

 

András Forgách

  • Geboren in 1952 in Boedapest.
  • Schrijver, vertaler, acteur en dramaturg.
  • Was in de jaren zeventig en tachtig actief in het Hongaarse verzet tegen de Sovjet-Unie.

 

 

András Forgách, De akte van mijn moeder, Cossee, 320 blz., 24,99 euro

 

(c) Jan Stevens

Het kalifaatmeisje

In het boek Laura H., het kalifaatmeisje uit Zoetermeer, reconstrueert de Nederlandse journalist Thomas Rueb de belevenissen van Nederlands bekendste Syriëreizigster. Vader Eugène H. betaalde 10.000 euro aan een schimmige organisatie om zijn dochter te redden uit het kalifaat. “Ik blijf geloven dat ze Laura écht hielpen ontsnappen. Alleen hebben zij liever dat iedereen gelooft dat ze alles verzinnen.”

 

Op 12 juli 2016 troffen de Koerdische Peshmerga aan de frontlinie tussen het kalifaat van Islamitische Staat en Iraaks Koerdistan een jonge vrouw aan. Ze dwaalde door de woestijn met een peuter en een baby. Dezelfde dag nog verklaarde ze op de Koerdische tv dat ze Laura heette, in Den Haag geboren was en afkomstig uit ‘Sweet Lake City’. Ze was ontsnapt uit IS-gebied en wou naar huis, naar Zoetermeer, waar haar vader Eugène op haar wachtte.

“Bij aankomst op Schiphol werd Laura gearresteerd en opgesloten in de zwaarbeveiligde terroristenafdeling van de gevangenis van Vught”, vertelt Eugène H. aan de eettafel in zijn doorzonwoning. Eugène is vooraan in de vijftig en HR-manager bij een grote sociale onderneming. Jaren geleden scheidde hij van de moeder van Laura. Hij hertrouwde en leeft vandaag met zijn vrouw en hun achtjarige dochter in een buitenwijk van Zoetermeer. “Laura zat in Vught naast Mohammed Bouyeri, de moordenaar van Theo Van Gogh”, zegt Eugène. “Justitie dacht dat ze door IS naar Nederland gestuurd was om hier een aanslag te plegen, net zoals Nicholas Brody in de serie Homeland. Volslagen onzin.”

Vandaag leeft de pas 23 geworden Laura H. met dochter en zoontje terug in Zoetermeer. “Op straat herkent niemand haar zonder hoofddoek”, zegt vader Eugène. “Dat is prima. We komen liever niet met ons gezicht of onze familienaam in de media. We zijn voorzichtig.”

 

Omwille van doodsbedreigingen?

Eugène H.: “Nee, maar we willen liefst snel in de luwte verdwijnen. Dat is beter voor Laura en de kinderen. Nu is er dit boek van Thomas Rueb, daarna houdt het op.”

 

Wat vindt u van het boek?

“Ik ben diep onder de indruk. Maar ik ben ook erg geschrokken, want een aantal zaken wist ik niet. Jaren geleden moest ik op de middelbare school Christiane F. lezen. Dat boek raakte me midscheeps. Tijdens de lectuur van Laura H. bekroop me hetzelfde gevoel. Niet zo lang geleden was ik razend op de manier waarop het Openbaar Ministerie mijn dochter aangepakt heeft en op de wijze waarop haar proces werd gevoerd. Maar dankzij het boek begrijp ik beter waarom er zoveel verwarring was. Wat niet wil zeggen dat ik begrip heb voor hoe ze Laura behandeld hebben. Haar opsluiting in Vught was buitensporig en heeft haar voor het leven beschadigd.”

 

Hoe gaat het nu met haar?

“Uitstekend. Ik ben heel trots op haar. Gisteren was haar verjaardag; het was fantastisch. Ik heb twee blije kleinkinderen en Laura is een mooie, stevige moeder. Ze staat als een huis. Ze volgt een opleiding en zit vol toekomstplannen. Later wil ze meisjes begeleiden die hetzelfde meegemaakt hebben.

Laura is geboren in 1995 en was een vrolijk kind. Een dromertje, maar verder was er niets op haar aan te merken. Ze was dol op Ingmar, haar twee jaar jongere broertje. Hij was ernstig ziek, kreeg daardoor een groeiachterstand en is op 3 mei 2014 overleden.

Door dit boek weet ik nu hoe heftig haar tienerjaren waren. Natuurlijk wisten we dat er veel misliep, maar dat het zo erg was, is nieuw voor mij. Ze had als meisje van dertien al problemen met haar identiteit en ik maakte me daar veel zorgen over. Ze had het vooral lastig met de ziekte van Ingmar en de aandacht en zorg die daar naartoe ging. De levensbedreigende ziekte van onze zoon zette ook druk op de relatie met mijn ex-vrouw. Ons hele gezin begon te wankelen.

Alles draaide rond Ingmar en bijna krampachtig probeerden we om het tussen onze kinderen weer gelijk te trekken. Als hij een cadeautje kreeg, kreeg zij er ook een. Maar als we op straat een bekende tegenkwamen, vroeg die altijd: ‘Hoe is het met Ingmar?’ In de kleine Laura leek niemand geïnteresseerd. Ze verweet Ingmar niet dat de wereld rond hem draaide, maar ze ging wel op zoek naar liefde en aandacht. Daar is de kiem gelegd. Op de middelbare school raakte ze zo op het verkeerde spoor en kreeg ze te vroeg seksueel contact.”

 

Met jongens van Marokkaanse origine.

“Dat waren de jongens waar zij op viel en die achter haar aan gingen.”

 

Zij beschouwden haar rond haar dertiende en veertiende als een hoertje.

“Dat klinkt heel cru, maar het is waar. In het boek las ik voor het eerst hoe het er echt aan toe ging. Dat was erg schrikken. Ik wist wel dat er problemen op school waren. Er waren verschillende gesprekken met leerkrachten, maar ook zij zagen een aantal cruciale dingen niet. Op school zou er echt veel meer aandacht voor sommige subculturen moeten zijn. Laura was veertien toen ze haar naam veranderde in het islamitische Lamyae en in de klas een hidjab begon te dragen. Thuis zag ze er toen nog heel gewoon uit. Maar op school stelde niemand zich daar vragen over.”

 

Lang voor Laura ook maar een woord uit de Koran las, droeg ze een hoofddoek en at ze halal. De uiterlijke kenmerken van de islam leken haar meer te interesseren dan het inhoudelijke?

“Je mag gerust stellen dat ze de islam inhoudelijk nooit helemaal omarmd heeft. Moslima worden, was haar manier om aan te sluiten bij de rest van de groep. Je kan zelfs stellen dat ze nooit echt geradicaliseerd is. Ze wou alleen maar zo graag bij de jongeren uit haar klas horen.”

 

Op een dag kwam ze met haar hoofddoek thuis. Hoe reageerde u?

“Enorme discussies vloeiden daaruit voort. Twee jaar eerder was ze op een vreselijke manier door een paar van die jongens mishandeld, het was een soort verkrachting. Ik kwam daar toevallig achter en nam haar mee naar het politiebureau om aangifte te doen, maar zij wou niet meewerken. Toen ze met haar hoofddoek thuiskwam, zei ik: ‘Maar Laura toch, voor de jongens die jou indertijd zoiets hebben aangedaan, draag jij nu een hoofddoek?’ Ze antwoordde: ‘Wie heeft dat meegemaakt? Jij of ik?’ Toen waren we uitgepraat.”

 

Als ze haar hoofddoek opzette en haar naam veranderde, verdween Laura met al haar problemen, en kwam de ‘zuivere’ Lamyae in de plaats?

“Precies. Ze worstelde met een knoert van een identiteitscrisis en in haar zoektocht naar liefde botste ze telkens weer op de verkeerde kerels. Door het boek ken ik nu al die gasten en het maakt me zo verdrietig dat er geen geschikte jongen tussen zat die haar écht wou helpen.”

 

Met Ibrahim, de meest gewelddadige, vertrok ze naar het kalifaat.

“Dat is het meest schokkende. Zij geloofde in eerste instantie dat ze niet naar het kalifaat trok, maar naar ‘Sham’, naar moslimland waar ze volgens de wetten van de islam kon leven. Dan zou alles goed komen. Ze wilde hier weg en Turkije en Egypte stonden op haar verlanglijst. Ibrahim mishandelde haar zwaar en veelvuldig.”

 

Hebt u daar ooit iets van gemerkt?

“Eén keer. We hebben toen ook aangifte gedaan. Ze was achttien, had een dochtertje uit een vorige problematische relatie en was zwanger van haar zoontje. We kwamen bij Veilig Thuis terecht, het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling. De politie, Jeugdzorg, thuishulp en talloze andere diensten zijn daarin actief. Samen met Laura zat ik met die mensen rond tafel en toen kwam hij binnen. Iemand zei: ‘Als Ibrahim je weer in elkaar slaat, bestaat de kans dat we de kinderen bij je weghalen.’ Dat was het laatste duwtje dat ze nodig had om te vertrekken. Hij maakte haar wijs: ‘In Sham mag ik je niet meer slaan, want daar is alles mooi en islamitisch.’”

 

Ibrahim kwam zelf uit een gewelddadig milieu en werd zwaar mishandeld door zijn vader.

“Zeker, maar is dat een excuus om later je vrouw op regelmatige basis in elkaar te slaan? Hij had veel meegemaakt, was daar behoorlijk verknipt door geraakt en was ook écht geradicaliseerd. Hij wou doelbewust naar het IS-kalifaat. Eerder deze week zei Laura me: ‘Door te doen wat Allah vroeg, hoopte ik dat het goed zou komen.’”

 

Ze boekten een all inclusive strandvakantie in het Turkse Alanya. Van daaruit vertrokken ze met hun twee kleine kinderen via de grensstad Gaziantep naar Manbij in Syrië, IS-gebied. Wanneer hoorde u dat uw dochter in het kalifaat zat?

“Ibrahims oudste zus Eva belde me midden september 2015. Het was anderhalf jaar nadat Ingmar was overleden. Het nieuws dat mijn dochter samen met haar kindjes in het kalifaat zat, kon ik bizar genoeg moeilijker plaatsen dan het definitieve einde van mijn zoon. Ik snap dat gevoel zelf niet, maar het was er. (stilte) Na dat telefoontje van Eva kon ik niet meer praten.

Ik ging naar de politie en die rechercheur zei: ‘Wacht nog even af. Uw dochter zoekt binnen een paar weken contact met u. Ze zal zeggen: “Ik ben veilig. Het is hier goed en het is mijn eigen keuze.”’ Ik begon Laura te bestoken met berichtjes, en het bleef stil. Tot zij me contacteerde via Whatsapp, net zoals die politieman voorspeld had. Ze leefden eerst in Raqqa, de hoofdstad van het kalifaat, waar het een zootje was. In hun propagandafilmpjes stelde IS het leven in het kalifaat voor als een paradijs, maar in werkelijkheid was het doffe ellende. Niet veel later verhuisden ze naar Mosoel in Irak. Daar was het niet veel beter.

Na dat eerste appje werd het wekenlang stil. Tot kerstavond, 2015. Toen kreeg ik een tekstbericht van Piet, een man uit Den Haag die ik niet kende. ‘Je dochter heeft contact met mijn dochter’, las ik. Ik belde hem meteen. Piet bleek de vader van een bekeerd meisje dat ook naar het kalifaat was afgereisd en in Mosoel was beland. Daar was ze Laura tegen het lijf gelopen. ‘Mijn dochter wil naar huis,’ zei Piet. ‘Ze zegt dat Laura dat ook wil.’ Ik was zo blij. Niet veel later dacht ik: ‘Wat nu, Laura? Hoe krijgen we je daar weg?’ Begin januari probeerden de twee meisjes samen via een smokkelaar te ontsnappen, maar dat mislukte. Want de vermeende smokkelaar bleek een taxichauffeur te zijn die enkel op geld uit was. We waren terug bij af.”

 

Toen maakte u kennis met Daniël Köhler?

“We werden bijgestaan door Familiesteunpunt Radicalisering, intussen omgedoopt tot Landelijk Steunpunt Extremisme. Niet lang na Laura’s mislukte ontsnapping wezen zij me een nieuwe casemanager toe. Die vrouw bracht me in contact met de Duitse radicaliseringsexpert Daniël Köhler. Volgens haar had hij overal contacten. Google Daniël en je zal zien dat hij als directeur van het German Institute on Radicalization and De-radicalization Studies (GIRDS) inderdaad betrouwbaar oogt. Het Familiesteunpunt huurde hem in om trainingen te geven. Ik mailde Daniël met een verzoek om hulp. Een paar dagen later antwoordde hij dat hij zijn ‘team on the ground’ ging inschakelen om Laura te redden. Dat zou me 10.000 euro kosten, wat ik ook betaald heb.”

 

Een paar maanden geleden vertelde Fatima Ezzarhouni, moeder van een Antwerpse Syriëstrijder, in een interview met Knack dat zij lezingen gevolgd had van die Daniël Köhler. “Vroeger werkte hij met families van neonazi’s, nu ook met families van jihadi’s”, zei ze. Na lezing van het boek van Thomas Rueb kan ik me niet van de indruk ontdoen dat Köhler u opgelicht heeft.

“Ik blijf voorzichtig met mijn oordeel. Mijn advocaat zei ook: ‘Er klopt niets van die man zijn verhaal’. Maar ik weet vrij zeker dat de Britten uit zijn team veel ondernomen hebben.”

 

Hebt u het dan over Gavin Kirkum, heftruckchauffeur uit Essex en ex-buitenwipper van discotheek The Pink Toothbrush? Hij is de man naar wie u op Köhlers verzoek 10.000 euro overschreef. Kirkum vertelde later aan de politie dat hij geen enkele militaire of operationele ervaring had, maar wel ooit bij de Britse spionagedienst gesolliciteerd had.

“Nee, ik heb het over W., de man achter Kirkum.”

 

Auteur Thomas Rueb ontmoette de illustere ‘spion W.’ Het beeld dat hij van die man schetst, is niet al te fraai. Een James Bond met overgewicht die vooral gespecialiseerd lijkt in cowboyverhalen.

“Ik weet dat Thomas zijn twijfels heeft, maar ik ken W. intussen echt goed. Ik heb vaak contact met hem gehad en W. is geen fantast. Ik kan me niet voorstellen dat zijn bedoelingen slecht waren of dat hij de interventies van zijn team in IS-gebied verzon.”

 

Dat wil dus zeggen dat er een geheime gespecialiseerde groep actief is die de voorbije jaren verschillende Syriëgangers op gevaar voor eigen leven ging terughalen?

“Daar ben ik vrij zeker van. Alleen is het een voorzichtige organisatie die liever heeft dat iedereen gelooft dat ze alles verzinnen.”

 

Rueb reisde naar Irak en sprak daar met iedereen die iets weet over de ontsnapping van uw dochter. De conclusie is: in geen velden of wegen waren speciale agenten te bekennen. Uw dochter en haar kinderen hadden veel geluk dat ze de ontsnapping overleefden. Met uw 10.000 euro is niets ondernomen.

“Dat weet ik niet. Het is wel zo dat Köhler het verhaal heeft aangedikt. Met hem heb ik naderhand geen contact meer gehad. Tijdens het gerechtelijk onderzoek legde hij verklaringen af die leken te bevestigen dat Laura dubbel spel speelde. In een verhoor in december 2016 noemde hij Laura’s vluchtverhaal ‘merkwaardig’ en ‘niet geloofwaardig’. Hij sloot ook niet uit dat ze nog geradicaliseerd was en een aanslag wou plegen. Dat neem ik hem kwalijk. Maar of het nu cowboyverhalen zijn of niet: als mensen zoals Köhler en W. er niet waren geweest, hadden we Laura er nooit van kunnen overtuigen om te ontsnappen. Dan hadden we die actie nooit aangedurfd. Ze is nu terug thuis met de kinderen en dat is me die 10.000 euro meer dan waard, wat W. of Köhler er ook mee hebben aangevangen. (lacht)

Het is niet toevallig dat ze tijdens haar vlucht aan de frontlinie niet werd neergeschoten. Ze kwam recht uit IS-gebied en de Koerden hadden haar net zo goed als een zelfmoordterrorist kunnen zien. Maar nee, ze namen haar gevangen en lieten haar interviewen voor de Koerdische tv. Ik geloof dat het dankzij de scherpte van het team is dat ze vrij is. Misschien is dat dom van mij en wil ik dat alleen graag geloven. Maar wat niet te ontkennen valt, is dat het dankzij W. is dat Laura erin slaagde om Ibrahim zo te manipuleren dat ook hij wou ontsnappen. Want enkel met haar man kon ze Mosoel verlaten. W. gaf mij instructies die ik vervolgens via Whatsapp aan Laura doorgaf. Dat lukte wonderwel. Via Laura maakten we Ibrahim wijs dat ze beter naar een land zoals Turkije zouden ontsnappen, zodat hij vandaar aanslagen kon plegen. Hij tuinde daar met ogen wijd open in.

Het plan was dat ze in hun gammele Toyota tot aan de frontlinie met de Koerden zouden rijden, waar het speciale team Ibrahim zou uitschakelen en Laura en de kinderen veilig naar het Nederlandse consulaat in Erbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan zou overbrengen.”

 

Maar het liep anders: aan de frontlinie werden ze door IS beschoten en raakte Ibrahim zwaargewond; Laura en de kinderen werden door Koerdische Peshmerga opgepakt. Daniël Köhler liet u dezelfde dag nog weten dat de ontsnapping mislukt was en dat zijn speciale team zich terugtrok.

“Ik dacht: ‘Mijn god, het is helemaal fout gelopen. Hoe moet ik dit aan mijn ex-vrouw en mijn moeder vertellen?’ Ik ging met mijn buurman naar de Gamma hier in Zoetermeer. Ik snap zelf niet waarom ik die plek uitkoos, een andere vader was misschien een café ingelopen om de schok met drank te verdoven. Ik trok naar de Gamma. (lacht) Daar kreeg ik telefoon van mijn vrouw. ‘Je moeder is gebeld door RTL.’ Ik keerde terug naar huis en kreeg die journalist aan de lijn. ‘Proficiat met de ontsnapping van je dochter’, zei hij. ‘Ik zie haar op dit moment geïnterviewd worden op de Koerdische tv.’ Ik surfte meteen naar de site van Kurdistan24. Ik zag Laura en ze zei: ‘I was born in Den Haag and I lived in Sweet Lake City.’ (lacht) Dat was een grapje dat ik altijd tegen haar maakte toen ze nog een kind was: ‘We live in Sweet Lake City.’”

 

De Koerdische militairen die haar in niemandsland oppikten, vroegen haar of de zwaargewonde Ibrahim bij haar hoorde. “Laat hem maar liggen”, zei ze. Zo tekende ze zijn doodvonnis?

“Ja. Ik had haar dat voor het vertrek ook geadviseerd. Hij had wapens en was gevaarlijk. Het team wist dat. ‘Wat er ook gebeurt, Laura, maak dat je wegkomt.’ Ze heeft het daar achteraf moeilijk mee gehad, nu nog. We weten niet of Ibrahim toen gestorven is. Er zijn vermoedens van niet.

Ik zag Laura voor het eerst terug in Vught. Ik stond ook lang op de verdachtenlijst. Ze hebben me nooit formeel ‘verdachte’ genoemd, maar mijn advocaat zei op een bepaald moment: ‘Vermoedelijk pakken ze je deze week op.’ Ik had dat geld overgemaakt en zij dachten dat ik IS betaald had. Ze geloofden ons niet. Als ik een vader met Marokkaanse roots was geweest, hadden ze me waarschijnlijk gearresteerd. Ze stopten me niet in de cel omdat ik een witte Nederlander ben, jurist van opleiding en HR-manager.

Ik vind het logisch dat justitie je een tik op de vingers geeft wanneer je als Nederlander een tijd in het kalifaat bent gaan wonen. Ik had geen ballonnen op Schiphol voor Laura verwacht, maar ik had ook niet verwacht dat ze op die zwaarbewaakte afdeling in Vught terecht zou komen.”

 

Een jaar lang zat ze er opgesloten?

“Dat was heel moeilijk. De dag nadat Laura ontsnapt was, zat hier een rechercheur. Ik gaf hem meteen mijn smartphone zodat hij hem kon uitlezen. Ik dacht: ‘Dan hebben ze het hele verhaal.’ Al die appjes van en naar mijn dochter lezen als een boek. Daar kwam bij dat mijn telefoon maandenlang werd afgetapt; ze wisten dus alles. Ook dat Laura intussen haar geloof had afgezworen. Ik was ervan overtuigd dat alle betrokkenen van alles op de hoogte waren. Tot het Openbaar Ministerie aan zet was en zij deden alsof ze van niets wisten. Nu ik dat boek gelezen heb, snap ik beter waar het fout liep. Want het probleem is dat de geheime dienst geen informatie mag delen met het Openbaar Ministerie. Toch blijf ik het er moeilijk mee hebben.”

 

Er kwam een proces en op 13 november 2017 werd uw dochter als eerste vrouwelijke Syriëganger in Nederland veroordeeld tot twee jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk.

“Ze werd schuldig bevonden aan het plegen van voorbereidingshandelingen met een terroristisch oogmerk, maar vrijgesproken van deelname aan een terroristische organisatie. Laura was volgens de rechtbank geen lid van IS, maar door zich vrijwillig in het kalifaat te vestigen, had ze wel bijgedragen aan de doelstelling van de terreurgroep. Ze was erg aangeslagen door dat vonnis. Omdat ze al een jaar in de cel gezeten had, kwam ze vrij. Ook al zijn we het niet eens met het vonnis, toch besloten we niet in beroep te gaan. In nog een paar jaar onzekerheid hadden we echt geen zin meer.”

 

De Belgische regering staat zeer weigerachtig tegenover het terughalen van kinderen van Syriëstrijders die nu met hun moeders in Koerdische kampen verblijven. Het standpunt is: “Kinderen onder tien kunnen terugkomen, alleen gaan we ze niet actief ophalen.” Het resultaat is dat ze er gewoon blijven zitten. Wat vindt u daarvan?

“In Nederland is het net hetzelfde. Mijn kleinkinderen hebben nog nooit iemand kwaad gedaan; het zijn schatjes. Waarom zouden zij in ’s hemelsnaam een gevaar vormen voor de samenleving? Ze zijn echt niet gedrild of getraind om zichzelf op te blazen. Dat de ouders gescreend en gestraft worden, is terecht. Maar die kinderen zijn onschuldig en veroordelen we zo goed als ter dood door ze in die kampen te laten zitten. Het gemak waarmee een man als onze premier Rutte zich daarvan afmaakt, vind ik stuitend. Een grote schande is het.”

 

Thomas Rueb, Laura H., het kalifaatmeisje uit Zoetermeer, Das Mag, 538 blz., 25,99 euro

(c) Jan Stevens

‘Ik zocht vooral relaties met mannen die me vernederden. Dat gaf me een extra kick’

Erica Garza raakte op haar twaalfde verslaafd aan porno. De volgende twintig jaar stond haar leven in het teken van masturberen, neuken en kijken naar hardcoreporno. “Schaamte was de motor van mijn verslaving. Ik kon niet genieten zonder me ook slecht te voelen.”

 

De vroege lente van 2008. De pas afgestudeerde Erica Garza leeft in New York samen met een tien jaar oudere succesvolle filmmaker die aan het afkicken is van een drankprobleem. Hij is stapelgek op haar; zij voelt vooral jaloezie. “Hij ging soms twee keer per dag naar een meeting van de Anonieme Alcoholisten (AA) en ik dacht dat hij een affaire had”, vertelt ze. “Veel later pas zou ik beseffen dat hij mijn gedrag ontvluchtte. Bij onze split verweet hij me dat ik een seksjunk was. ‘Dat zeg je omdat je me niet genoeg kan neuken’, beet ik hem toe. Terwijl ik diep vanbinnen wist dat hij volkomen gelijk had.”

In haar niets verhullende memoir ‘Getting Off’ beschrijft de inmiddels 35-jarige freelancejournaliste en schrijfster hoe ze vanaf haar twaalfde worstelde met porno en seks.

Erica Garza: “Dit boek schrijven, was een opluchting. Maar toen het ook uitgegeven zou worden, begon het nagelbijten. (lacht) Het schrijven was een vorm van therapie: ik hoopte dat ik mezelf zo beter zou begrijpen. Na publicatie was ik doodsbang voor de reacties van mijn dierbaren, zoals mijn ouders en vrienden die niets afwisten van mijn verslaving.”

 

U had uw ouders niet op voorhand verwittigd dat ‘Getting Off’ op stapel stond?

Garza: “Nee. Ik wachtte tot op het allerlaatste nippertje om hen in te lichten. ‘Mama en papa, er komt binnenkort een boek van mij over mijn nogal losbandige leven uit.’ Mijn moeder suste: ‘Liefje, we hebben je essays gelezen.’ Dat kwam voor mij als een complete verrassing. Er hadden al een paar essays van mijn hand over mijn uitspattingen online gestaan. Ik was ervan overtuigd dat mijn ouders niet eens wisten dat die artikels bestonden. Dat bleek dus een vergissing te zijn.”

 

Ze wisten dus al een poos dat u vanaf uw twaalfde een seksjunkie was, maar hadden daar nooit iets tegen u over durven zeggen?

Garza: “Precies. Ik denk dat ze het iets te onkies vonden. Mijn ouders zijn heel gewone mensen die erg van hun kinderen houden. Als het over seksverslaafde vrouwen gaat, denkt de goegemeente altijd dat die vrouwen als kind misbruikt zijn door een gezins- of familielid. Of dat ze verwaarloosd werden of slaag kregen. ‘Die arme vrouwen moéten wel getraumatiseerd zijn.’ Toch zijn er veel meer seksverslaafde vrouwen zonder zo’n bewaard verleden dan je zou denken. Ik kom uit een stabiel gezin en had een veilige kindertijd. Ik ging naar een privéschool en werd met veel zorg omringd. Ik kwam nooit iets te kort. Mijn trauma’s waren banaal: zo kreeg ik op mijn twaalfde de diagnose scoliose, mijn ruggengraat groeide krom. Dat is niet echt uitzonderlijk. Ik had wel een vrij ernstige vorm en moest dag en nacht een harnas dragen. Ik werd daarom uitgelachen op school en kreeg last van een minderwaardigheidscomplex. Ik vermoed dat het gepest de bron van mijn verslaving is. Ik ging die negatieve gevoelens te lijf met seks en masturbeerde me suf. Veel mensen zijn gechoqueerd wanneer ze horen over een twaalfjarig masturberend meisje. Maar niemand valt van zijn stoel als het gaat over jongens van twaalf die met hun flieter spelen. Vrouwen praten nooit over hun seksbeleving als jong meisje. Wat overblijft, is stilte en schaamte. Meisjes worden niet verondersteld hun lichaam seksueel te verkennen; dat is jongensterrein. Tenminste, dat kreeg ik als tiener te horen. Volwassenen deden alsof wij seksloze wezens waren. Misschien moet ik er eerlijkheidshalve aan toevoegen dat ik opgroeide in een katholiek gezin. Ik zat ook op een katholieke school waar het onderwerp seks taboe was. Ik masturbeerde echt ontzettend veel en omdat seks in de ideale wereld niet leek te bestaan, begon ik te geloven dat ik gestoord was.”

 

Wij kregen te horen dat je van masturberen blind of doof werd én een pijnlijke rug kreeg.

Garza: “Echt? Ons maakten ze wijs dat er haar op je handpalmen groeide als je niet van je poesje kon afblijven. (lacht) Wat jij over die pijnlijke rug zegt, vind ik wel grappig. Want ik vreesde dat ik scoliose gekregen had door te veel met mezelf te spelen. Ik masturbeerde het liefst in een heet bad, met de douchestraal op mijn vagina gericht. Ik maakte me grote zorgen dat mijn ruggengraat misvormd geraakt was door genotzuchtig languit in dat bad te liggen. Een paar jaar lang droeg ik dat korset, en daarna werd ik geopereerd. Ik was bang dat de dokters op de röntgenfoto’s van mijn rug zouden kunnen zien dat masturberen mijn favoriete tijdverdrijf was. Het angstweet brak me uit bij de gedachte dat ze mijn ouders zouden inlichten. Ik raakte toen echt in paniek.”

 

U schaamde zich te pletter?

Garza: “Ja, schaamte vormde lang een rode draad in mijn seksbeleving. Ze was de motor van mijn verslaving. Ik kon niet genieten zonder me ook slecht te voelen.”

 

Ik was zestien in 1979; u was zestien in 1999. Voor porno moest ik op zoek naar een vies blaadje. U vond uw gerief met een muisklik op het ontluikende internet.

Garza: “O ja, het was poepsimpel om porno te vinden. Ik maakte als twaalfjarige kennis met softcoreporno via de kabeltelevisie. Ik wachtte tot mijn ouders sliepen en sloop dan uit bed om te kijken naar copulerende koppels. Ik kon zelf geen beelden kiezen, maar moest vrede nemen met wat er geprogrammeerd was. Ik genoot van de spanning. Niet veel later kreeg ik dankzij het internet toegang tot chatkamers. In die tijd moest je nog inbellen via de vaste telefoon. Ik had virtuele seks met complete vreemden. ‘Wat draag je?’ vroeg dan iemand. ‘Een kanten string’, loog ik. ‘Wat is je bh-maat?’ ‘36D.’ ‘Wat wil ik je dat ik met je doe?’ ‘Alles.’ Ik loog altijd over mijn leeftijd, tikte meestal dat ik zestien was, en had cyberseks met kerels die mijn vader, grootvader of overgrootvader hadden kunnen zijn. Zo was er de 32-jarige Jeff die het fijn vond om zichzelf op zijn kantoor af te rukken terwijl hij met mij aan het chatten was. Mijn woordenschat groeide zienderogen en ik maakte kennis met ‘vaktermen’ als ‘pik’ en ‘blowjob’. We hadden één computer en die stond in de woonkamer. Alle gezinsleden gebruikten die en dus moest ik er op letten dat ik al mijn sporen meteen wiste. Ik werd heel vaardig in het minimaliseren van beelden en in het gebruik van de escape-knop. Ik begon ook pornografische afbeeldingen van het internet te downloaden en lette er na afloop op dat ik de geschiedenis verwijderde.”

 

Hoe oud was u toen?

Garza: “Nog steeds twaalf. Er is heel wat gebeurd in dat ene levensjaar. (lacht) De volgende jaren werd het internet sneller, gesofisticeerder én een snoeptrommel voor pornoliefhebbers. Na de foto’s, volgden de video’s en het livestreamen. Telkens wanneer ik dacht: ‘Nu heb ik het wel ongeveer gehad met seks op het internet’, kwam er iets nieuws. Nachtenlang bracht ik voor dat computerscherm door, masturberend. Het werkte als een drug. Van zodra ik me emotioneel ietwat gedestabiliseerd voelde, zocht ik troost in internetseks, logde ik in een chatroom in en was ik weg van de wereld. Nadat ik klaargekomen was, voelde ik heel even verlossing, maar meteen daarna voelde ik me terug ellendig, en vluchtte ik snel weer weg in cyberseks. Zo evolueerde ik pijlsnel naar dwangmatige masturbatie. Ik masturbeerde wanneer ik thuiskwam van school, voor het avondeten, na het avondeten, in de toiletten op school, voor de lunch, na de lunch… Ik moest het masturberen soms uitstellen omdat er praktische bezwaren in de weg stonden. Op die momenten nam de geilheid in mijn lichaam immense proporties aan. Wanneer ik dan eindelijk op mijn slaapkamer of in de badkamer belandde, beleefde ik waanzinnige orgasmes waarbij het leek alsof mijn hoofd explodeerde. Ik vingerde mezelf soms uren aan een stuk.”

 

Hoe ging het ondertussen met uw studies?

Garza: “Uitstekend. Tijdens de lessen focuste ik me op mijn schoolwerk en thuis op mijn vagina en virtuele porno. Ik had niet veel vrienden en ik denk dat ik nogal een asociale indruk op mijn klasgenoten gemaakt moet hebben. Ik had de neiging mezelf te isoleren van de rest van de groep. Ik voelde me nooit op mijn gemak tussen leeftijdsgenoten en klapte soms dicht als iemand me aansprak. Communiceren en sociaal zijn was voor mij een kwelling.”

 

Op uw veertiende werd u geopereerd aan uw rug en was u bevrijd van dat harnas. Dat was geen bevrijding uit uw sociale isolement?

Garza: “Het ging daarna wel beter, maar dat emotionele trauma veroorzaakt door de pestkoppen uit mijn klas, zat er nog steeds. Ik vertrouwde mensen niet helemaal en bleef op mijn hoede. Mijn ouders hadden nooit echt in de gaten dat er iets ernstig mis was met mij. Ik denk wel dat ze doorhadden dat ik gepest werd. Want toen ik met dat harnas rondliep, vroeg ik hen vaak of ik school een dagje mocht overslaan. Ze moeten ook wel gezien hebben dat er bijna geen klasvriendjes meer langskwamen van zodra ik dat ding droeg. Een paar dagen voor de operatie vroegen ze of ik van school wou veranderen. Als ik ja zei, zou ik naar mijn gevoel meteen ook toegeven dat er iets met mij aan de hand was, dus zei ik: ‘Nee, hoor.’ Ik verzekerde hen dat alles oké was.”

 

Uw ouders hebben u nooit betrapt tijdens het kijken naar porno?

Garza: “Nooit. Dat was ook mijn grootste nachtmerrie. Die angst maakte me erg paranoïde. Ik stond vaak aan de deur te luisteren of er iemand op komst was. Toen ik een laptop had, trok ik me ermee terug op de wc als mijn ouders sliepen.”

 

In cyberspace neukte u er als twaalfjarig meisje stevig op los, maar in het echte leven verloor u uw maagdelijkheid op uw zeventiende, wat niet uitzonderlijk jong is.

Garza: “Nee, dat is zo. Ik geloofde dat ik in één klap van mijn verslaving aan cyberseks verlost zou zijn als ik kennis gemaakt had met the real stuff. Vanaf dan zou ik een ‘normaal’, gezond meisje worden. Mijn ontmaagding door een tien jaar oudere Mexicaanse autotechnieker stelde niet veel voor. Alleen ruilde ik vanaf dan de ene man in voor de andere. Ik bleef even vaak porno kijken en even hard masturberen. De interessante denkbeelden van de mannen interesseerden me niet; wel hun vaardigheden in bed. Virtuele seks en soloseks kregen er een nieuwe dwangmatige variant bij: neuken met zoveel mogelijk kerels. Mijn hele leven draaide rond seks. Ik kickte erop om keihard, tot bloedens toe geneukt te worden. Elke man die me wou, kon me krijgen.”

 

Hoe overwin je een verslaving aan een menselijke basisbehoefte: seks?

Garza: “Dat heeft ontzettend lang geduurd en kon pas vanaf het moment dat ik in staat was om de waarheid te vertellen. Eerst moest ik afstand nemen van al mijn leugens en bereid zijn om me kwetsbaar op te stellen. Ik was jaren in therapie, maar heb toen nooit verteld dat ik aan seks verslaafd was. Ik lag met mezelf mentaal en emotioneel in de knoop en praatte daar over met mijn therapeut; over de échte oorzaak had ik het nooit.

“Als seksverslaafde had ik continu het gevoel dat ik geen controle had over mezelf. Ik had geen macht over mijn eigen leven en slaagde er niet in om iets dat zo vernietigend was stil te leggen. Ik had continu onveilige seks met wildvreemden. Ik zocht vooral relaties met mannen die me vernederden of waarbij ik het gevoel kreeg dat ik gebruikt werd. Dat gaf me een extra kick. Ik gebruikte zelf ook mijn partners; intimiteit of liefde waren ver zoek. Niet dat ik afkerig stond van liefde. Integendeel, ik had altijd gehoopt dat ik liefde en geborgenheid zou ervaren tijdens het neuken. Maar het waren louter mechanische bewegingen, gericht op dat zoveelste orgasme, zonder emotionele band met degene met wie ik aan het rampetampen was. Tijdens mijn ‘nuchtere’ momenten voelde ik me vooral eenzaam en het niet waard om geliefd te worden. Ik besefte dan dat mijn seksverslaving mijn ondergang betekende, maar ik kon er niet mee stoppen. Want een deel van mezelf genoot ervan. Ik voelde de adrenaline door mijn lijf pompen. Het was spannend en opwindend en tijdens het vrijen vergat ik de rest van de wereld.”

 

Wat was uw meest beschamende ervaring?

Garza: “Ach, er waren er zoveel. Alleen ervaarde ik dat op het moment zelf niet zo. Een jaar of acht geleden was ik met mijn toenmalige lief op vakantie in Europa. Hij kwam er bij toeval achter dat ik me in Barcelona had laten vingeren door een Colombiaan. Mijn vriend was er het hart van in en in plaats van de brokken te proberen lijmen, dook ik met een Franse kelner in bed die me neukte als een wild beest. Ik genoot. Meteen daarna dook ik met nog een andere Franse kelner de koffer in. Hij nam me mee naar het huis van een vriend, want zijn vrouw zat thuis op hem te wachten. Diezelfde week neukte ik nog met twee Spanjaarden en een Duitser. Telkens zonder condoom. Romantische etentjes en geflirt waren aan mij niet besteed. Eén oogopslag was voldoende.

“Marathonseks met wildvreemden was mijn permanente poging om te ontsnappen aan mijn angsten en onzekerheden. Intussen masturbeerde ik me ook nog eens lamme vingers terwijl ik porno keek. Meer dan twintig jaar lang. In mijn meest favoriete pornovideo aller tijden figureren twee zwetende vrouwen die zich in alle mogelijke standjes laten berijden door vijftig bronstige heren. Ik was totaal losgeslagen en het leek quasi onmogelijk om te stoppen. Ik durfde er met niemand over praten en had nooit andere vrouwen horen vertellen over hun problematische omgang met seks. Er is geen betere brandstof voor verslaving denkbaar dan schaamte en stilte. Ik geloof echt dat ik een ander pad gekozen zou hebben als ik verhalen van vrouwen gehoord had over hun gevecht met hun seksverslaving. Dat is een van de redenen waarom ik mijn boek geschreven heb.”

 

Promiscuë mannen worden gezien als viriele kerels, terwijl promiscuë vrouwen het label ‘manziek’ krijgen opgekleefd?

Garza: “Ja. Het is voor mannen sowieso makkelijker om over hun seksleven te praten, op wat voor manier dan ook. Maar het wordt als onnatuurlijk beschouwd als een vrouw durft te zeggen dat ze veel behoefte aan seks heeft. Kranten houden van sensationele titels en maken van een vrouw met een grote seksdrive vaak een karikatuur. Ze noemen haar dan een ‘nymfomane’, terwijl mannen en vrouwen niet zo heel erg van elkaar verschillen als het op seks aankomt. Toen mijn eerste essay over mijn verslaving verscheen, kreeg ik veel reacties van zowel vrouwen als mannen. Ook nu na dit boek stromen de reacties binnen. Ze vertellen allemaal dezelfde verhalen, over het gebrek aan controle en schaamte.”

 

Wanneer besloot u om uw seksverslaving aan te pakken?

Garza: “Toen ik vlak voor mijn dertigste verjaardag voor de zoveelste keer door mijn sekshonger een relatie om zeep hielp.”

 

Want bij sommige van uw sekspartners speelde liefde wel een rol?

Garza: “Ja. Van zodra ikzelf een prille vorm van liefde voelde, bij mijn partners of bij mezelf, blies ik de relatie op. Ik had daar een heilige schrik voor. Maar die keer dat ik op het einde van mijn 29e levensjaar opnieuw een ontluikende liefdesrelatie opblies, was de keer te veel. Nadien crashte ik totaal. Bijna twee decennia lang kon ik het stemmetje in mijn hoofd onderdrukken dat zei: ‘Je hebt een probleem.’ In het voorjaar van 2012 begon het zo hard te roepen dat ik het niet langer kon negeren.

“Ik las ‘Eat, pray, love’ van Elizabeth Gilbert. In dat boek vertelt ze hoe ze als dertigjarige succesvolle schrijfster haar ogenschijnlijk gelukkige huwelijk opbreekt en aan een spirituele zoektocht naar zichzelf begint. Ze komt zo op het Indonesische eiland Bali terecht. Daar reisde ik na mijn crash ook heen en begon ik mezelf te verzorgen. Ik mediteerde er in de rijstvelden van Ubud en beoefende er elke dag yoga. Geleidelijk aan leerde ik mijn gedachten te focussen op andere dingen dan seks. Een yogalerares hielp me mijn hoofd vrij te krijgen en na te denken over mijn verleden. Hoe was het mogelijk dat ik zo extreem eenzaam geworden was, wegvluchtend in neuken en porno?

“Tijdens een yogasessie ontmoette ik de Australische jazzmuzikant Willow Neilson, de man die ik in mijn boek River noem en op wie ik verliefd werd. We trouwden later en hebben nu samen een dochter. Klinkt dat alsof ik als hulpeloos vrouwtje gered ben door een sterke man? (lacht) Zo was het echt niet, maar hij was wel de eerste bij wie ik me voldoende veilig voelde om àlles te vertellen, ongecensureerd en onopgesmukt. Tot mijn grote verbazing zette hij het niet op een lopen. Misschien was ik dan toch geen monster dat de liefde niet waard was. Terug in de VS ging ik naar meetings van de anonieme seksverslaafden. Net als de alcoholverslaafden van de Anonieme Alcoholisten streven zij via een twaalf stappenplan ‘nuchterheid’ na.”

 

Een anonieme alcoholist weet dat hij een leven lang de drank links moet laten liggen. Moet een anonieme seksverslaafde levenslang lust en seks afzweren?

Garza: “Goh, dat is een lastige kwestie. Elke anonieme seksverslaafde volgt zijn unieke weg naar herstel. In het begin ging ik driemaal per week naar de twaalf stappen-meetings van de Sex and Love Addicts Anonymous (SLAA). Zij adviseren om de prikkels tot een minimum te herleiden. Ik nam me voor om nooit meer naar porno te kijken en om enkel seks te hebben met mijn man. Ik beloofde om voortaan monogaam door het leven te gaan en legde mezelf strikte regels op. Dat was goed voor een tijdje, omdat ik zo mijn vastgeroeste patroon kon doorbreken. De regels zorgden voor rust, waardoor ik terug kon ademhalen en meer grip kreeg op mijn bestaan. Maar na verloop van tijd begon dat keurige leven onecht aan te voelen. Ik verlangde naar authenticiteit en wou achterhalen of ik het me kon permitteren de vrouw te zijn zoals ik me voelde: experimenteel en open van geest. Zou dat mogelijk zijn zonder te liegen tegen mijn geliefden en zonder een spoor van vernieling achter te laten? Intussen ben ik een andere richting ingeslagen dan die van de SLAA. Van mijn twaalfde tot mijn dertigste volgde ik mijn genotzuchtige pad, zonder compromissen, enkel gericht op mijn eigen bevrediging. Daarna volgde ik het pad van de absolute onthouding. Nu probeer ik een weg tussenin te vinden. Ik denk dat ik dat op mijn 35e wel aankan.

“Af en toe kijk ik terug porno. Niet omdat dat moét, maar omdat ik het leuk vind. Mijn man en ik hebben net een korte vakantie achter de rug op een ‘clothing optional resort’, een feminisme voor een vakantiedomein voor swingers. (lacht) Ik hoor sommigen nu denken: ‘Maar zij is een seksverslaafde, dan moet ze haar vakantie toch niet doorbrengen in een parenclub of naar porno kijken?’ Het grote verschil met vroeger is dat ik nu niet met andere mannen de liefde bedrijf uit schaamte of zelfvernietigingsdrang, maar omdat ik dat als gezonde volwassen vrouw samen met mijn man nu eenmaal graag wil. Ik ben ervan overtuigd dat een plek in het midden mogelijk is, tussen de allesvernietigende genotzucht en de totale onthouding in. Ik geloof echt dat het kan om op een verantwoorde manier porno te kijken, zoals het ook kan om op een verantwoorde manier alcohol te drinken.”

 

Alleen is porno door het mobiele internet nu altijd en overal.

Garza: “Dat kun je het internet toch niet kwalijk nemen? Alles hangt af van de motivatie van de gebruiker. Voedsel is ook alomtegenwoordig: de motieven van elk individu bepalen of iemand gezond eet of obesitas krijgt. Het is trouwens ook niet omdat je veel porno kijkt, dat je seksverslaafd wordt. Misschien heb je gewoon een stevig ontwikkeld libido. Porno is niet slecht of problematisch. Mensen kunnen zowat alles op een ongezonde manier gebruiken.”

 

U beschouwt zichzelf als genezen?

Garza: “Ja. Een van de redenen waarom ik afscheid nam van de SLAA, is omdat ik bij het begin van elke meeting moest zeggen: ‘Ik ben seksverslaafd en sta daar machteloos tegenover.’ Ik beschouw mezelf helemaal niet als een willoos slachtoffer van mijn seksverslaving. Ik geloof ook niet dat ik er voor de rest van mijn leven machteloos tegenover sta. Ik heb in het verleden zwaar met mijn seksverslaving geworsteld, maar nu is dat voorbij. Ik ben gezond.”

 

U bent niet bang dat u door uw boek de rest van uw leven het stigma van seksverslaafde zal dragen?

Garza: “Ik zie dat niet als een ‘stigma’. Ik schaam er ook niet meer voor. Niemand kan me ooit meer vernederen dan ik mezelf vernederd heb. Ik ben de schaamte voorbij. Het is toch goed dat ik door met mijn verhaal in de openbaarheid te treden, anderen kan helpen? Ik beschouw dit boek als mijn bijdrage aan een betere wereld. Ik ben heel fier dat ik het aangedurfd heb om een groot probleem aan te kaarten waar iedereen over zwijgt. Seksverslaving is veel meer verspreid dan algemeen wordt aangenomen. De medische wereld draagt een grote verantwoordelijkheid, want veel dokters betwijfelen dat het een geestelijke ziekte is. Seksuele verslaving staat niet meer in de officiële handleiding voor psychische stoornissen. Veel lotgenoten blijven zo in de kou staan.”

 

Erica Garza, Getting Off, Simon & Schuster

 

(c) Jan Stevens

“Osama is de meest beleefde mens die ik ooit ontmoet heb”

Jarenlang vocht de Libiër Noman Benotman aan de zijde van Al Qaida. Als oprichter en leider van Al-Jama’a al-Islamiyyah al-Muqatilah bi-Libya, a.k.a. Libyan Islamic Fighting Group (LIFG), onderhield hij nauwe contacten met strijdmakker Osama bin Laden. Na 9/11 sloeg de twijfel toe en een tijd later zei Benotman de radicale islam vaarwel. Vandaag leeft hij in Londen, waar hij voorzitter is van de antiradicaliseringsdenktank Quilliam. “Osama was een lichtgewicht. Het drong niet tot hem door dat je maar beter het machtige Amerika te vriend houdt als je je vijanden in het Midden-Oosten wil verslaan.”

 

Afspreken met Noman Benotman (51) is als afspreken met een Russische spion op Novitsjok-missie. “Wacht om drie uur aan de uitgang van metrostation Piccadilly Circus”, mailt Benotmans assistent een dag voor het interview. Waarna onze man ter plaatse op de dag van afspraak moet vaststellen dat er metro-uitgangen zijn op zowat elke hoek van het immense Piccadilly. Klokslag drie rinkelt de telefoon. “Steek uw hand op. Dan zie ik aan welke metro-uitgang u staat.” Een paar minuten later kom Benotman out of the blue te voorschijn, een pikzwarte iPhone X tegen zijn oor aandrukkend. “Een straat verder is een boekhandel met een koffiebar. Daar kunnen we rustig praten. Volg me”, zegt hij en zet er meteen stevig de pas in op zijn wijnrode handmade shoes uit Savile Row.

Het interview is nog maar een paar minuten bezig wanneer een jonge vrouw op handen en voeten onder ons tafeltje kruipt. Benotman veert als een duivel uit een wijwatervat recht en stoot het melkkannetje om. “Kan ik u ergens mee helpen?”, bijt hij de vrouw toe. “Ik werk hier en check gewoon iets”, antwoordt ze verschrikt. “U wil ons toch niet opblazen?” vraagt hij dreigend. Ze schudt het hoofd, verontschuldigd zich en duikt demonstratief onder het tafeltje van de buren.

 

Bent u bang voor een aanslag op uw leven?

Noman Benotman: “Ik heb bewijzen dat er mensen tegen mij aan het samenzweren zijn. Gelukkig leven zij buiten Groot-Brittannië. Als ik naar het buitenland ga, heb ik lijfwachten in dienst. Ik heb daar ondertussen mee leren leven. Alleen gun ik de terroristen die mij uit de weg willen ruimen liever niet te veel aandacht. Ik wil ze mijn bestaan niet laten binnendringen en ik wil niet dat ze mijn doen en laten bepalen, want dat is net hun doel. Ik wandel door de straten van steden over de hele wereld; niemand zal dat verhinderen. Maar ik moet altijd voorzichtig zijn, waakzaam en alert.”

 

Als voorzitter van Quilliam onderzoekt en bestrijdt u het jihadisme. Ooit was u nochtans zelf een jihadi. Zo voerde u in de jaren tachtig mee de heilige oorlog tegen de sovjets in Afghanistan.

Benotman: “Dat is wel heel lang geleden, vindt u niet? Ik heb trouwens een probleem met uw interpretatie van ‘heilige oorlog’. Dat is een westerse, christelijke term. U mag die niet zomaar verplaatsen naar het Midden-Oosten, want de culturele context is daar totaal anders. Noem de jihad nooit een heilige oorlog, want dat is het niet. Wat dan wel? U moet erover lezen om het te kunnen begrijpen. Noem het gewoon ‘jihad’ en niets anders. Als u Arabisch sprak, zou u de betekenis misschien makkelijker kunnen vatten.”

 

Blijft het feit dat u als jonge man de jihad ging voeren. Waarom?

Benotman: “Op 24 december 1979 viel de Sovjet-Unie Afghanistan binnen. De jihad die daarop volgde, had niet alleen met de islam te maken. Ik kan u een pak toespraken van de leiders van het vrije westen bezorgen waarin zij ons hun steun betuigden. Afgevaardigden van de Amerikaanse regering voerden aan de Afghaanse grens gesprekken met de moedjahedien, de geallieerde moslimstrijders die vochten tegen de Russen.”

 

Ze werden ook gefinancierd door de Amerikanen.

Benotman: “Ja, en dat was prima. De VS zouden daar vandaag fier op moeten zijn, in plaats van ons te verketteren. Want íemand moest het vuile werk opknappen; íemand moest het communisme stoppen.”

 

U beschouwt uzelf als een vrijheidsstrijder?

Benotman: “Nee, ik was een volbloed islamist. De Amerikanen wisten heel goed dat ze geen vrijheidsstrijders financierden, maar radicale moslims. En ook al bestrijd ik nu de radicale islam, toch aanvaard ik niet dat er nog maar gesuggereerd wordt dat de steun aan de moejahedien een vergissing was. De Amerikaanse president Ronald Reagan had honderd procent gelijk. Osama bin Laden was degene die later gek werd en in een maniak transformeerde, niet Reagan of de Britse premier Margaret Thatcher. Middenin de koude oorlog leidden de VS de coalitie tussen het westen en hun moslimbondgenoten tegen het rijk van het kwade, de Sovjet-Unie. Want vergis u niet: het communisme was in die tijd dé bron van het kwaad. Ik vind Rusland een fantastisch land, maar ik haat de communistische ideologie. Ik ben er dan ook heel fier op dat ik ze heb helpen vernietigen. Het communisme heeft honderden miljoenen doden op zijn geweten. Ik nam deel aan de jihad omdat ik net als zoveel andere generatiegenoten wou strijden tegen die goddeloze leer. Ik vocht dus niet in Afghanistan om er de democratie te helpen installeren. 35 jaar geleden wisten de Afghanen niet eens wat democratie betekende. Ze hebben er trouwens nog steeds geen kaas van gegeten. (lacht)”

 

Trok u ook naar het front omdat het een groot avontuur leek?

Benotman: “Ik was geen avonturier. Ik ben niet zoals de meesten, weet u. Ik stam niet uit zomaar een doorsnee milieu, maar uit een familie van aristocraten. Libië was vroeger een koninkrijk en mijn ooms, grootooms én grootvader waren gouverneur of minister. Ze bekleedden niet het eerste, het beste ministerpostje, maar waren minister van Justitie of Defensie. Ik was altijd het buitenbeentje. Mijn broers, neven, ooms zeiden: ‘Wat is dat toch met Noman?’ (lacht) Ik ben de enige Benotman in de hele geschiedenis die ooit eigenhandig de wapens opgenomen heeft én is gaan vechten tegen the powers that be. Ik stam af van ondernemers en businessmen. Wij zijn niet een of andere clan, maar de meest vooraanstaande familie van Tripoli.”

 

En toch raakte u geradicaliseerd.

Benotman: “Ja, op mijn 18e omarmde ik zeer extreme denkbeelden. Gedeeltelijk kwam dat omdat ik hunkerde naar kennis. Maar mijn pad naar radicalisering heeft óók veel te maken met kolonel Khadafi. Ik leefde in Libië toen die gek begon met het uitrollen van zijn totaal gestoord wereldbeeld. U herinnert zich misschien nog wel zijn afschuwelijke Groene Boekje uit 1975. Daarin beschrijft hij zijn denkbeelden die sterk aanleunden bij het communisme.

“Mijn familie heeft zwaar geleden onder het bewind van de zogenaamde ‘Broeder Leider’. In 1969 kwam hij via een staatsgreep aan de macht. De eerste 24 uur van zijn bewind werd mijn grootvader in de gevangenis gegooid. Opa was toen 73 en bleef meer dan vier jaar lang opgesloten. Een deel van ons fortuin werd door Kadhafi’s dievenbende aangeslagen. Hij maakte elk Libisch gezin totaal afhankelijk van de staat. Kunt u zich dat voorstellen? Vóór ‘69 was Libië een koninkrijk met een kapitalistische economie. In een paar jaar tijd vernietigde de geschifte kolonel de welvaart van elke Libische burger. Een ondernemer was in zijn ogen een crimineel. Een businessman vloog meteen in de cel, want die was per definitie hebzuchtig en ‘tegen het volk’. (lacht schamper) Daarom haat ik het communisme. Extreem socialisme is anti-menselijk. Als jongeman zag ik hoe mijn familie het slachtoffer werd van die ideologie. Dat zette een turbo op mijn persoonlijke radicalisering.

“Vanaf de eerste dag op de middelbare school kregen we militaire training. We moesten paraat zijn om het land te dienen. Op mijn dertiende paradeerde ik in een militair uniform over straat. De school was georganiseerd zoals het leger, met leerkrachten die zich gedroegen als officieren. De eerste keer dat ik met een Kalasjnikov vuurde, was niet in Afghanistan, maar in Tripoli. Als jongen van 14 leerde ik alle finesses van de handgranaat en werd ik een meester in het bedienen van de RPG-7, een draagbaar antitankwapen. We namen deel aan militaire maneuvers en op ons 18e waren we klaar voor de gewapende strijd. Ik vond én vind die militaire training fantastisch. (grijnst)”

 

Na het middelbaar was u meteen ook klaar voor de oorlog in Afghanistan?

Benotman: “Eigenlijk wel. Kadhafi propageerde het volksleger, net als in China. Hij heeft zo mijn generatie Libische jihadi’s gratis en voor niets helpen klaarstomen voor het slagveld.

“In 1984 wou ik aan de universiteit van Tripoli politieke wetenschappen gaan studeren. Op een dag kreeg ik van de decaan te horen dat ik geschrapt was. Vandaag weet ik wie daarachter zat: Abdel Hadi, de neef van Kadhafi. Die klootzak leeft nu in ballingschap in Egypte. Hij was ook student aan de universiteit en vond dat een jongen zoals ik uit een ‘antirevolutionaire, imperialistische familie’ geen recht had om politicologie te studeren. Die uitsluiting was dé trigger voor mijn allesverterende woede. Tot vandaag ben ik daar woest over. Die boeren van de Kadhafi-clan stalen eerst onze stad en schopten mij daarna van onze universiteit, terwijl mijn familie Tripoli is. Wíj bouwden die stad! Begrijpt u mijn woede? (stilte) Ik praat hier niet graag over, ik vertel u dat alleen maar omdat u ernaar vraagt.”

 

Heeft uw radicalisering ook te maken met uw temperament? Met alle respect, maar u lijkt me licht ontvlambaar.

Benotman: “Misschien wel. (lacht) Mijn ouders waren geen religieuze scherpslijpers. Af en toe nam mijn vader me wel eens mee naar de moskee. Meer niet. Ik was gek van de muziek van Pink Floyd en Led Zeppelin en reed rond op een prachtige motorfiets. Ik lag graag op het strand en reisde vanaf mijn 14e elke zomer voor drie maanden naar Londen. Ik kende het westen vanbinnen en vanbuiten.

“Na het debacle aan de universiteit stuurde mijn vader me naar de Spaanse hoofdstad Madrid, waar hij een bedrijf had. Hij wou me het land uit, tot mijn woede bekoeld was. ‘Kom terug als je weet wat je met je leven wil aanvangen’, zei hij. ‘Probeer om net als ik ook ondernemer te worden.’ Twee jaar lang leefde ik op zijn kosten in Madrid. Ik dook in het nachtleven en amuseerde me te pletter.”

 

Met alcohol, drugs en seks?

Benotman: “Dat zegt u. Laat ik het diplomatisch houden: it was too much fun. Terug in Libië herviel ik snel in mijn oude woede. Ik haatte het tuig dat er de lakens uitdeelde. In die periode begon ik te bidden. Het was een soort meditatie. In Tripoli opende ik onder de vleugels van vader een bakkerij met exclusieve gebakjes. De zaak was gevestigd in de meest chique buurt en groeide uit tot een groot succes. Een jaar later reed ik rond in de duurste BMW. Ik rookte, dronk en lag nog vaak aan het strand, maar begon tezelfdertijd ook te lezen over de islam. Een paar van mijn beste vrienden omarmden het salafisme. Het was de tijd van Al–Sahwa Al-Islamiyya, ‘Islamitisch ontwaken’. Die conservatief islamitische beweging startte in Saoedi-Arabië en trok als een wervelwind over het hele Midden-Oosten. Steeds meer jonge mensen raakten van Al-Sahwa in de ban. Ze begonnen te bidden, gingen naar de moskee en luisterden naar cassettebandjes met preken van alom gerespecteerde Saoedische geleerden. Het was een vreedzame salafistische organisatie die niet opriep tot geweld of terreur. Sjeik Safar Al-Hawali was zeer populair bij jonge Libiërs zoals ik. Hij zit nu in de gevangenis in Saoedi-Arabië omdat hij zich tegen het koningshuis keerde. Ook ik begon naar zijn preken te luisteren. Niet veel later ontdekte ik de geschriften van Said Qutb. Die trokken me gaandeweg het islamisme in.”

 

De in 1966 geëxecuteerde Qutb was huisideoloog van de Egyptische moslimbroederschap en gold als een van de belangrijkste inspirators van Al Qaida-leiders Osama bin Laden en Ayman al-Zawahiri.

Benotman: “Qutb inspireerde ook mij. Ik heb elk woord gelezen dat hij ooit op papier gezet heeft. Ik las zelfs de teksten en gedichten die hij in de jaren twintig en dertig schreef als seculiere liberaal, vóór hij islamist werd. Ik begon anderen twee maal per week te onderwijzen in zijn geschriften, in geheime bijeenkomsten. Ik heb dus zelf ook verschillende mensen geradicaliseerd. Said Qutb is de Karl Marx van het islamisme: zijn klassenstrijd is religieus geïnspireerd. Net als Marx voerde Qutb een internationale strijd, zonder compromissen en zonder nuances. Alles is zwart-wit, strijd staat centraal en op het einde verslaat de ene groep de andere. Qutb gaf betekenis aan mijn leven in die geschifte socialistische samenleving die Libië toen was.”

 

U doopte uzelf tot Aboe Mohammed al-Libi en richtte Al-Jama’a al-Islamiyyah al-Muqatilah bi-Libya op, of de Libyan Islamic Fighting Group (LIFG). Het doel was de oprichting van een islamitische staat in Libië. Vlak na 9/11 werd LIFG als Al Qaidafiliaal door de VN op de terroristenlijst gezet en wereldwijd verboden.

Benotman: “Ten onrechte. Ikzelf en mijn organisatie waren nooit lid van Al Qaida. LIFG was altijd onafhankelijk.”

 

U had toch rechtstreeks contact met Al Qaidaleiders Osama bin Laden en Ayman al-Zawahiri?

Benotman: “Natuurlijk. Ik had contact met al die verguisde namen waar nu waarschijnlijk aan denkt. Niet alleen met Bin Laden of Zawahiri, maar ook met Taliban-leider Mullah Omar én met alle leiders van de Afghaanse jihad. We vormden een alliantie zoals de NAVO. Vanaf 1992 begonnen de moedjahedien zich uit Afghanistan terug te trekken. Ik bleef er als een van de laatsten. Wij, Libiërs, runden de militaire trainingskampen en verblijfplaatsen in Pakistan en Afghanistan voor de Arabische jihadi’s. We hadden een dure, loodzware satelliettelefoon en werden gebeld door bijvoorbeeld een sjeik uit Tadjikistan: ‘Kunnen jullie de broeders onderdak verlenen en wat tactiek bijbrengen?’ We ontvingen ze dan eerst in Pakistan en transporteerden ze na een paar dagen naar ons trainingskamp in Afghanistan. Daar bleven ze soms een paar maanden. Zo’n trainingskamp uitbaten, kostte flink wat geld. Als we slechts een man of tien van onze eigen club konden trainen, belden we naar Al Qaida. ‘Zeg jongens, hebben jullie in de nabije toekomst opleidingen gepland? Waarom sturen jullie de broeders niet naar ons? Dan delen we de kosten.’ Een week later waren ze er. Zo ging het voortdurend. Dus ja, u hebt gelijk: we werkten samen met Al Qaida. Maar we stonden nooit onder het bevel van Bin Laden en waren dus geen filiaal.”

 

U deelde wel zijn ideeën?

Benotman: “Maar nee. LIFG was nooit betrokken in een internationale terroristische aanslag. We waren daar tegen en Bin Laden wist dat. Een grote aanval tegen Amerika vonden wij een waanzinnig idee.”

 

Klopt het dat u in de zomer van 2000 op een Al Qaida-meeting in de Afghaanse stad Kandahar zelf van Bin Laden over de nakende aanslagen van 11 september 2001 hoorde?

Benotman: “We kunnen het over gebeurtenissen hebben, maar liever niet over specifieke tijdstippen. Het is nog te vroeg voor mijn autobiografie.”

 

Toch vertelde u in 2005 al aan de Amerikaanse journalist Peter Bergen over die meeting in Kandahar. Osama bin Laden zou u toen toevertrouwd hebben dat er een immense actie op het getouw stond, waarna hij ‘met pensioen’ zou gaan.

Benotman: “Dat is juist, maar die uitspraak van Bin Laden was een reactie op mijn vraag: ‘Waarom maak je het de Taliban en de rest van de wereld zo moeilijk met je zinloze aanslagen tegen Amerika?’ In 1998 had hij al bomaanslagen laten plegen op de Amerikaanse ambassades in Tanzania en Kenia. Dat werkte contraproductief, want zo kregen wij allemaal de Amerikanen op ons dak. Ik vond dat Bin Laden in eigen voet geschoten had, maar de idioten en ja-knikkers rond hem waren dolenthousiast over zijn strategie om de jihad te internationaliseren. ‘Amerika provoceren is heel goed!’ Ik zei: ‘Wat winnen moslims daarmee? Geef me één voordeel van wat een aanslag op een Amerikaans doelwit oplevert.’”

 

9/11 heeft van Osama bin Laden een mythische figuur gemaakt.

Benotman: “Van het kaliber van Adolf Hitler, ja. Ik ben nog steeds moslim en Arabier, maar geen jihadist meer. Al Qaida en IS zitten op de golflengte van de nazi’s. Ze zijn misschien nog slechter, want ze slachten hun eigen mensen af. En dat enkel en alleen omdat ze er rotsvast van overtuigd zijn dat ze verkondigers zijn van de absolute waarheid. De man die tegenover u zit, vocht jarenlang aan de frontlinie. Jarenlang.”

 

En doodde daar veel andere mensen?

Benotman: “(stilte) Okay. Sommigen vuurde naar mij en ik vuurde terug. Ik zat in een oorlog, maar ik viel geen burgers aan in een stad. Ik reageerde op de acties van militairen die Scud-raketten naar onze stellingen lanceerden.”

 

De doden komen u nu niet opzoeken in uw slaap?

Benotman: “Nee, ik ben geen crimineel die burgers gedood heeft. Ik was een heel dapper soldaat. Het is nooit in mij opgekomen om een burger neer te schieten.”

 

U was dus nooit een terrorist?

Benotman: “Nee, en dat is ook de reden waarom ik nu tegen hen strijdt. Terroristen zijn gekken en moéten geëlimineerd worden. Osama bin Laden is het meesterbrein achter die immense golf van terreur. De mensen rond hem die nu nog leven, blijven ervan overtuigd dat hij het bij het rechte eind had. Terwijl de essentie van zijn boodschap was: ‘Dood al wie het niet met je eens is, inclusief vrouwen en kinderen.’ In augustus 1996 verklaarde Bin Laden in een fatwa de oorlog aan Amerika en in februari 1998 vaardigde hij de fatwa uit dat elke Amerikaan en elke bondgenoot van Amerika gedood moest worden. Elke individuele Amerikaan! De reden: ‘Omdat ze belasting betalen, collaboreren ze met het Amerikaanse regime.’ Later zei ik tegen hem: ‘Jij, idioot…’”

 

U noemde Bin Laden in zijn gezicht een idioot?

Benotman: “Jazeker, of nee, okay, ik noemde hem geen idioot, maar ik zei wel dat hij zich vergiste en dat hij ook vanuit religieus oogpunt de bal missloeg. Kijk, die meeting waar u daarnet naar verwees, duurde zeven dagen. Sjeik Mahfouz Ould al-Walid, alias Aboe Hafs al-Mauritani, hield er een minutieus verslag van bij. Hij werd later door de Amerikanen gearresteerd omdat hij geboekstaafd stond als religieus leider van Al Qaida. Maar hij was onschuldig, want ik weet heel goed dat ook hij zich op die meeting verzette tegen Bin Ladens plannen. Sjeik Mahfouz was heel blij toen ik het aandurfde om tegen Osama en Ayman al-Zawahiri in het verweer te gaan. Hij leeft nog en woont als een vrij man in Mauritanië. Na jaren van ondervraging hebben de Amerikanen zijn naam gezuiverd. Hij heeft nooit deelgenomen aan een complot om burgers aan te vallen en is hoofdgetuige van die zeven dagen durende meeting. Al zijn notities sloeg de sjeik op in zijn laptop en hij stuurde alle deelnemers een kopie. Er bestaat dus bewijs van mijn interventies. Bin Ladens plannen om burgers aan te vallen gingen zelfs in tegen de religieuze visie van de Taliban. Ik zei tegen hem: ‘Volgens jou mag ik morgen om het even welke supermarkt in Amerika binnenvallen en alle vrouwen en kinderen die voor mijn loop komen, afknallen? Mijn beloning zal dan zijn dat ik rechtstreeks naar het paradijs ga, ook als ik moslims dood?’ Bin Laden antwoordde: ‘Ik geef alleen de context. Belastingbetalers zijn medeplichtig aan de misdaden van hun westerse regimes.’ Ik zei: ‘Stel dat 50 % van de zeven miljoen moslims in de VS belastingen betalen, wil dat dan zeggen dat jij de helft van de Amerikaanse moslims mag uitroeien? Weet je eigenlijk wel dat al degenen die in het westen geen belasting betalen, beschouwd worden als grote criminelen? Zij bestelen de staat; dat is daar erger dan dealen van drugs.’ Osama was gechoqueerd. Ach, hij was een lichtgewicht. Het drong niet tot hem door dat je maar beter het machtige Amerika te vriend houdt als je je vijanden in het Midden-Oosten wil verslaan. Anders riskeer je dat het de bondgenoot wordt van je vijanden.”

 

Naar het schijnt was Osama een vriendelijke man met een zoetgevooisde stem.

Benotman: “Hij is de meest beleefde mens die ik ooit ontmoet heb. Ik herinner me die keer dat ik al discussiërend vreselijk kwaad werd. Tijdens de theepauze nam een andere Libiër me apart: ‘Noman, wat is er met je aan de hand? Je hebt daarnet een rode lijn overschreden door hier in Osama’s huis tegen hem te brullen. Je moet hem met respect behandelen; we zijn bij hem te gast.’ Bin Laden liet zich nooit provoceren, maar bleef zijn beminnelijke zelf. Altijd glimlachend, ook al ging je vierkant tegen hem in het verweer. Hij verhief nooit zijn stem. Een beleefde, vriendelijke, minzame man. Maar als we over aanvallen spraken, raakte hij op dreef. Hoe meer doden, hoe lyrischer hij werd. Hij vond al die bloedige aanslagen terechte vergeldingen voor wat het westen volgens hem aanrichtte in de moslimwereld.”

 

Kent u de Britse haatprediker Anjem Choudary, de grote inspirator achter ‘onze’ Fouad Belkacem? Ook hij vindt de aanslagen van Al Qaida en IS terechte vergeldingsacties voor de westerse bemoeienis in landen als Irak en Afghanistan.

Benotman: “U zet Choudary toch niet op dezelfde lijn als Osama bin Laden? Hoeveel jaren heeft die man het intussen over de jihad als weg naar het paradijs? Waarom is hij dan nooit zelf vertrokken? Osama zat aan het front, in miserabele omstandigheden. Ik heb met eigen ogen gezien hoe hij in Afghanistan leefde. Hij had geen elektriciteit; er was helemaal niets. ‘Ik kan niet tezelfdertijd oorlog voeren en mezelf blootstellen aan de verlokkingen van de westerse samenleving’, zei hij. ‘Mijn mensen moéten leven zonder beïnvloeding door het westen.’ Dat ging erg ver: ze mochten geen ijskast of airco hebben. In de zomer werd het er bijna 50 graden. Ik zei: ‘Je zal hier levend koken. Denk aan de kinderen.’ Het krioelde er van de kleuters en peuters. ‘Nee, geen airco. Luxeproducten maken ons zwak.’ Ook in Soedan, waar hij in 1992 naartoe vluchtte, zag zijn huis er aan de buitenkant prima uit, maar binnen was er niets.

“Ach, ik kan me zo opwinden over schertsfiguren als Anjem Choudary. Jarenlang leuteren ze over de oorlog terwijl ze nooit een voet op het slagveld gezet hebben. Ik zal ze pas ernstig nemen als ze zelf het vuur op de vijand geopend hebben en zelf beschoten zijn. Pas dan mogen ze praten over de jihad. Ik vind het onaanvaardbaar dat Choudary en zijn poulain Belkacem zichzelf op hetzelfde niveau plaatsen als de echte strijders. Alleen mensen die net als ik de oorlog meegemaakt hebben, zijn geloofwaardig.”

 

Osama bin Laden was dus ook geloofwaardig?

Benotman: “Ja, want hij was de miljonair die was gaan leven zoals een doorsnee Afghaan. Zijn kleine kinderen waren niet te onderscheiden van de Afghaanse. Ik zag ze blootsvoets met de anderen spelen in hun lompenkleren. Mensen geloofden in Osama omwille van zijn authentieke verhaal. Maar luister naar zijn toespraken en je ontdekt geen uitzonderlijk groot intellectueel. Ik heb hem nooit iets horen verkondigen waarvan ik dacht: ‘Wauw, wat een denker!’ Op religieus vlak was hij zwak. Bin Ladens opvolger Ayman al-Zawahiri is dan weer andere koek. Hij is helemaal geen charismatische leider, maar wel zeer slim. Ook hem ken ik heel goed. Hij is superieur aan Bin Laden. Big time.”

 

Is Zawahiri de echte architect van 9/11?

Benotman: “Nee, dat was toch Bin Laden. De bedenker van de aanslagen was de Pakistaan Khalid Sheikh Mohammed die nu in Guantanamo gevangen zit. Toen Mohammed zijn plan aan Osama ontvouwde, zei die: ‘Klinkt goed. Ik kan het laten gebeuren.’ Khalid Sheikh Mohammed had in 1993 samen met zijn neefje Ramzi Yousef al eens geprobeerd om het World Trade Center in New York op te blazen. De aanslag mislukte omdat het ontstekingsmechanisme niet in overeenstemming was met de hoeveelheid TNT.”

 

De aanslagen van 9/11 waren het ontstekingsmechanisme voor uw deradicalisering?

Benotman: “Het besef dat er iets mis was met de radicale islam kwam niet van de ene dag op de andere. Dat was een geleidelijk proces. Ik ben nu heel fier op mijn werk als voorzitter van Quilliam. Wij strijden tegen die radicale islam. We praten op mensen in, bieden deradicaliseringsprogramma’s aan maar aarzelen ook niet om keihard tegen de islamisten op te treden. We mogen nooit toestaan dat zij onze democratische samenleving infiltreren. We moeten ze compromisloos bestrijden.”

 

Hebt u spijt van uw eigen jihad?

Benotman: “Nee, waarom zou ik? Ik vocht tegen het communisme. Denkt u dat Ronald Reagan zich in zijn graf ligt te schamen voor zijn strijd tegen het communisme? Voor het feit dat hij de moedjahedien in Afghanistan geld toestopte? Ik geloof nooit dat hij daar ook maar één moment spijt van gehad heeft. Waarom moet ik mij dan schamen? Ik ben een mens en geen engel. Misschien zijn er dingen die beter anders verlopen waren, maar veranderen kan ik ze toch niet. Wat voor zin heeft het dan om daar nog over te piekeren?”

 

(c) Jan Stevens

“Nieuws maakt mensen pessimistischer. Hun drive om mee te helpen aan een betere wereld, kwijnt weg”

De Correspondent blaast vijf kaarsjes uit. Om dat te vieren, ligt binnenkort ‘Dit was het nieuws niet’ in de boekhandel, een bundeling reportages en verhalen. Intussen werkt oprichter en hoofdredacteur Rob Wijnberg vanuit New York met The Correspondent aan de verovering van de rest van de wereld. “Als het niet lukt, ben ik gauw weer thuis.”

 

Vijf jaar geleden, op 30 september 2013, ging decorrespondent.nl van start. Een half jaar eerder had filosoof en journalist Rob Wijnberg (36) in het Nederlandse praatprogramma ‘De wereld draait door’ de crowdfunding voor zijn journalistieke droom aangekondigd. Samen met mede-oprichter Ernst-Jan Pfauth zocht hij 15.000 mensen die minstens zestig euro wilden investeren in een nieuw, advertentievrij, digitaal journalistiek medium. Een maand later klokte de uiterst succesvolle geldinzamelactie af op 18.933 ‘leden’, of betalende abonnees. Vandaag telt De Correspondent 60.000 leden die in ruil voor 70 euro lidgeld onbeperkt toegang hebben tot de artikels, video’s en podcasts van onder anderen Rutger Bregman, David Van Reybrouck en sinds kort ook Joris Luyendijk. De avontuurlijke start-up groeide uit tot een middelgroot mediabedrijf met 51 werknemers, waaronder 21 voltijdse journalisten.

“Vijf jaar geleden was Joris Luyendijk een van onze grote inspiratiebronnen”, zegt Rob Wijnberg. “Hij is dan ook onze gedroomde correspondent. Veel collega’s op de redactie kijken naar hem op; hij is echt een intellectuele mastodont. Hij werkte in Londen bij The Guardian, maar wou om familiale redenen terug naar Nederland. Ik vroeg hem of hij zin had om bij ons te komen werken. Daar moest hij geen twee keer over nadenken.”

Eind vorig jaar verhuisde Wijnberg naar New York, waar hij samen met Ernst-Jan Pfauth werkt aan de opstart van de Engelstalige The Correspondent.

Rob Wijnberg: “We wonen hier nu tien maanden, maar zijn eigenlijk al meer dan een jaar bezig met het uitbouwen van een netwerk en met het smeden van plannen. We hebben een Engelstalig boekje gedrukt met onze ‘Ten Founding Principles for independent, inclusive, and ad-free journalism’. We drinken sloten koffie met geïnteresseerden en praten met hen over ons manifest. We letten er wel goed op dat we dat woord niet gebruiken, anders bestempelen ze ons als communist. We noemen het onze ‘grondwet’, dat snappen ze wel.”

 

Wie zijn die ‘geïnteresseerden’?

“Journalisten, activisten, mediacritici, wetenschappers… We leggen hen onze journalistiek uit en proberen hen als ambassadeurs te strikken. De lijst groeit gestaag. Onder anderen Rosanne Cash, de dochter van Johnny, en Alan Rusbridger, oud-hoofdredacteur van The Guardian, helpen nu bij de verspreiding van ons evangelie.”

 

Waarom willen jullie per se vanuit New York in het Engels aan de slag?

“Amerika heeft een grote markt voor journalistiek en er loopt zeer veel talent rond. We kunnen hier ook nauw met een van onze grote inspirators samenwerken: Jay Rosen, professor journalistiek aan de universiteit van New York. Hij voert onderzoek naar internetjournalistiek en naar de rol van lezers bij journalistieke projecten. Eigenlijk is het ook gewoon heel leuk om in deze stad te wonen en werken. New York is geen must, maar de Engelse taal wel. Het is niet onze bedoeling om De Correspondent te kopiëren naar de VS, wel om ons project uit te breiden naar het enorme Engelse taalgebied. Onze journalistiek richt zich niet op de waan van de dag, maar op grote structurele en fundamentele ontwikkelingen die de wereld vorm geven. Wij hebben aandacht voor thema’s als klimaatverandering, belastingontduiking, onderwijs en mobiliteit. Onze artikels en reportages hebben alle baat bij een wereldtaal.

Reacties van lezers zijn heel belangrijk voor ons. We betrekken hen bij alles wat we schrijven en vragen hen om hun kennis en ervaringen met ons te delen. Van zodra dat in het Engels kan, zullen ontzettend veel mensen van over de hele wereld hun wijsheid op ons platform delen. Onze journalistiek kan daar alleen maar beter van worden.”

 

U bent niet bang om zeurpieten en complottheoretici uit de vier windstreken aan te trekken?

“De commentaarsecties op de nieuwssites van klassieke journalistieke media hebben een slechte naam met hun complottheorieën en scheldpartijen. Maar misschien ligt een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor al die ontspoorde onzin bij de sites zelf. Want er volgt geen enkele consequentie, zowel positief als negatief, op de commentaar die iemand levert. De journalist die het oorspronkelijke stuk geschreven heeft, doet er helemaal niets mee. Het gevolg is dat die commentaren ontsporen. Dat is doodjammer. Door onze lezers ernstig te nemen en in ons werk te betrekken, hebben wij ervaren dat zij vaak een grote bron van kennis zijn. Bijna 50 % van het werk van De Correspondent-journalisten bestaat uit dialogeren met de leden. Ze beantwoorden vragen, en stellen er ook. Onze leden delen hun expertise met ons, die wij vervolgens gebruiken voor nieuwe verhalen. Er is een cultuur gegroeid waarin de meeste mensen die reageren ook écht iets weten. Onze voedselcorrespondent krijgt altijd meteen interessante reacties van boeren en melkveehouders; onze onderwijscorrespondent communiceert met leraars, leerlingen en schooldirecteurs. De reacties op onze artikels zijn geen ‘comments’, maar ‘bijdragen’. Dat verschil lijkt subtiel, maar toont wel hoe wij met onze leden communiceren. Anonieme reacties zijn niet toegestaan. Dat zorgt ervoor dat mensen niet snel complottheorieën delen.”

 

Wanneer gaat The Correspondent de lucht in?

“Dat weten we nog niet. We organiseren eerst een ledencampagne via crowdfunding, net als vijf jaar geleden in Nederland. Wanneer die precies van start gaat, is koffiedik kijken.”

 

Klopt het dat jullie met een oorlogskas van 1,8 miljoen dollar naar New York vertrokken zijn?

“Die 1,8 miljoen dollar is het startkapitaal om onze crowdfunding te financieren. We hebben een paar maanden geleden Zainab Shah in dienst genomen als onze Operations Lead. Zij komt over van BuzzFeed. We werken samen met Blue State Digital, het bureau achter beide digitale presidentiële campagnes van Barack Obama. Dat kost ook geld. We bouwen alles op van nul in de hoop dat we zo tienduizenden mensen kunnen overtuigen om lid te worden van iets dat ze niet kennen. Als het niet lukt, ben ik gauw weer thuis.”

 

In het voorwoord van ‘Dit was het nieuws niet’ schrijft u: “Vergeet nepnieuws. Echt nieuws is minstens zo misleidend.”

“Daar voeg ik meteen ook aan toe: ‘Ik realiseer me dat dat een boude stelling is.’ (lacht) Met ‘nieuws’ bedoel ik niet ‘journalistiek’, want dat begrip dekt veel ladingen. Niet alle kunst is een schilderij. Nieuws bestaat uit sensationele, uitzonderlijke, negatieve, recente gebeurtenissen. Het journaal zal eerder openen met: ‘Er is een bom ontploft’, dan met: ‘Vandaag zijn er in dat land weer mensen onderdrukt.’ Want dat laatste is geen uitzonderlijke, sensationele en recente gebeurtenis, maar vindt elke dag plaats. Er wordt gezegd: als je nieuws volgt, weet je wat er in de wereld aan de hand is. Maar dat is níet zo, omdat nieuws net gaat over dat uitzonderlijke. Je krijgt nooit de regel te zien, altijd de uitzondering. Terwijl de dingen die elke dag gebeuren net veel invloedrijker zijn. Iedereen denkt dat de financiële crisis in 2008 begon omdat er zich toen iets spectaculairs en uitzonderlijks voltrok: een grote bank, Lehman Brothers, ging overkop. De aanloop was geen nieuws, want verliep te traag en te structureel. De opgestapelde risico’s die banken namen, leidden tot de crisis, maar bleven onder de nieuwsradar.

Door naar structuren te kijken, ontdek je paradoxaal genoeg dat het veel beter met de wereld gaat dan het nieuws laat uitschijnen. In Amerika zeggen ze: ‘If it bleeds, it leads.’ Als het bloedt, haalt het de voorpagina. Terwijl je nooit iets ziet over wat goed gaat. Elke dag vertrekken tien miljoen Nederlanders naar hun werk. Pas als iemand een ongeluk krijgt, is het nieuws. Al die andere mensen die veilig aankomen, zijn geen berichtje waard.

Wie op een andere manier naar de werkelijkheid kijkt en op zoek gaat naar structuren en patronen, wordt misschien wel optimistischer en positiever dan wie enkel het nieuws volgt. Nieuws maakt mensen pessimistischer: ze krijgen minder vertrouwen in hun medemens en worden cynisch. Hun drive om mee te helpen aan een betere wereld, kwijnt weg.”

 

Is dat niet vooral te wijten aan sociale media? Kranten en tijdschriften brachten en brengen nog steeds achtergrondverhalen. Is het drama niet dat krant en magazine ingeruild worden voor Facebook, Instagram of Twitter?

“Door het internet is de laatste decennia nieuws zeker invloedrijker geworden. Vroeger werden we er een paar keer per dag mee geconfronteerd: ’s morgens als de krant op de mat viel, ’s middags als we naar het journaal op de radio luisterden en ’s avonds als we voor de tv gingen zitten. Nu is het nieuws alomtegenwoordig. Vroeger lieten we ons stemgedrag bepalen door onze ideologie, nu door het nieuws. Wat een paar weken voor de verkiezingen in het nieuws komt, is doorslaggevend voor wie onze stem wel of niet zal krijgen. Kijk, de meeste journalisten zijn links…”

 

Dat wordt gezegd.

“Dat wordt niet alleen gezegd, dat is ook onderzocht. Twee derde van de Engelse journalisten stemt links, maar het nieuws is rechts. Als je aan een links persoon vraagt wat de grondoorzaak van criminaliteit is, zal hij op structuren wijzen en antwoorden: ‘Armoede, ongelijkheid, opvoeding, gebroken families.’ Vraag het aan een rechts persoon en hij zal antwoorden: ‘Het is de individuele keuze van die man of vrouw om het verkeerde pad te kiezen.’ Daarom vinden rechtse mensen zwaardere straffen een logische manier om criminaliteit te bestrijden. Rechts denken heeft een individuele moraal en links denken een structurele. Bijna alle nieuws is een bevestiging van rechts filosofisch denken. Sluit iemand op in een kamer en laat hem een jaar lang enkel naar het journaal kijken. Ik durf er alles op verwedden dat hij rechtser uit die kamer komt dan hij erin ging. Hij zal pleidooien houden voor zwaardere straffen en meer politie op straat. Je zal hem niet horen zeggen: ’99 procent van de mensen zijn te vertrouwen’, of: ‘Armoede is een structureel probleem.’ Nieuws maakt conservatief, want het toont enkel slechte veranderingen.”

 

Conservatieve politici hebben er dus alle belang bij dat mensen het nieuws volgen en achtergrond en duiding links laten liggen? N-VA-voorzitter Bart De Wever weigert interviews aan magazines en kranten van de kwaliteitspers. In de populaire pers maakt hij dan weer wel graag zijn opwachting. Dat is onderdeel van een bewuste strategie?

“De Wever is niet de enige conservatieve politicus met die strategie. Er is geen betere reclamespot voor zijn wereldbeeld denkbaar dan het nieuws. Er is ook niets meer naast de waarheid dan een rechts populistische conservatief die beweert dat de media zijn wereldbeeld niet in beeld brengen. Sterker nog: zijn wereldbeeld is zowat ontleend aan wat je in het nieuws ziet.

Nieuws is een geprofessionaliseerde vorm van geroddel. Als het afgeschaft wordt, ontstaat het vanzelf terug. ‘Zeg Jan, heb je gehoord dat het huis van de buurman afgebrand is?’ ‘Is het echt? Heb ik je al verteld dat achter de hoek twee auto’s op elkaar zijn ingereden?’ Mensen willen nu eenmaal weten wat er aan gevaar dreigt. Als je die neiging tot roddelen professionaliseert, heb je nieuws. Het wordt problematisch van zodra je dat professioneel geroddel beschouwt als het venster op wat er écht gebeurt in de wereld. Dan krijg je een extreem eenzijdige visie op de werkelijkheid. Het zorgwekkende is dat het politieke beleid op dat eenzijdige wereldbeeld gebaseerd wordt. 80 procent van alle vragen in het Nederlandse parlement komen voort uit nieuwsberichten. Afgelopen jaren zijn er acht keer zoveel vragen gesteld over geweldincidenten op straat. Straatgeweld groeide uit tot een obsessie en er werden veel maatregelen tegen getroffen. In werkelijkheid nam ondertussen het geweld op straat alleen maar af. Met De Correspondent gaan we daar lijnrecht tegenin: wij willen medicijn zijn tegen die waan van de dag.”

 

De Correspondent-journalist Jesse Frederik zei eerder dit jaar in een interview met het Nederlandse journalistenvakblad Villamedia dat hij het jammer vond dat zijn stukken nooit opgepikt werden door de klassieke media.

“Ik snap dat Jesse dat niet leuk vindt, want hij schrijft fantastische artikels over grote, vaak onbesproken problemen. Zo heeft hij naar voor gebracht dat de armoede in Nederland veel groter is dan de officiële cijfers doen vermoeden. Want schulden worden niet in die cijfers verwerkt. Volgens de statistiek kan je dus rijk zijn, terwijl je tot over je oren in de schuld zit. Jesse schrijft daar schitterende verhalen over, alleen zit er geen haakje aan om ze hier en nu op de frontpagina van de klassieke krant te zetten. Misschien moeten we daar in de toekomst beter op letten.”

 

Frederik zei in datzelfde interview: “Collega-journalisten vinden ons toontje stomvervelend. Zelf word ik ook gek van dat borstklopperige gedoe.” U ook?

“Misschien zit er soms een betweterig toontje in onze titels, maar in de klassieke media zit veel betweterigheid in de mentaliteit. De traditionele cultuur in de journalistiek is al jarenlang: ‘Wij bepalen wat belangrijk is. Wij presenteren het en lezers mogen het vervolgens consumeren. Klaar.’ Wie dat voorgekauwde nieuws niet volgt, is geen goede burger, want hij is apathisch. Terwijl een journalist zich zou moeten afvragen: ‘Waarom volgen ze ons niet? Wat kunnen we verbeteren?’ Tegen al die mensen uit de klassieke media die vinden dat wij wijsneuzerig zijn, zeg ik dat wij onze lezers wél zeer serieus nemen.”

(c) Jan Stevens