“Onder natuurkundigen overheerst snobisme”

Helen Czerski bestudeert oceaanbubbels, maakt en presenteert BBC-documentaires en schreef een boek over de fysica van het alledaagse leven. Aan filosoferen over wetenschap heeft ze een broertje dood. ‘Als je een hartklep bouwt, help je een medemens. Dat is veel zinvoller dan een namiddag naar het heelal te zitten staren en te mijmeren over het wezen van het bestaan.’

‘Veel volwassenen zijn het spelen verleerd’, zegt fysicus en oceanograaf Helen Czerski. ‘Het lijkt zelfs alsof ze ook hun nieuwsgierigheid zijn kwijtgeraakt.’ Speciaal voor hen schreef Czerski haar boek Ober, er zit natuurkunde in mijn soep, waarin ze op levendige wijze uitlegt wat de natuurkundige principes zijn achter koffievlekken, popcorn, ketchupflessen en andere alledaagse zaken.

We zitten in haar piepkleine kantoor in het departement Mechanical Engineering van het University College London, in het hart van de Britse hoofdstad. Het vrolijke gejoel van pas afgestudeerde studenten op de centrale binnenplaats dringt door tot op de vierde verdieping. ‘Dit kantoor is de ideale plek voor als u iets over het universum zou willen leren’, zegt ze uitdagend. ‘We hoeven daar echt niet voor naar de ruimte. De voorbije twintig jaar hebben nogal wat wetenschapsjournalisten en wetenschappers ernstige pogingen ondernomen om de natuurkunde tot bij het grote publiek te brengen. Denk maar aan de grote aandacht voor de deeltjesversnellers van het CERN in Genève, de vele artikelen over het higgsbosondeeltje en de Hubble-ruimtetelescoop. Heel spectaculair en spannend allemaal, alleen vergaten ze datgene waar het eigenlijk om zou moeten draaien: de eenvoudige dingen uit de fysica. Al is “eenvoudig” misschien niet het juiste woord. Want het universum in mijn kantoor is hetzelfde als het universum van de Hubble-telescoop in het heelal. Zowel hier als daar gelden exact dezelfde natuurwetten. Dit kantoor, uw woonkamer en mijn keuken zijn dus uitstekende plekken voor al wie iets over het universum wil leren. Ik ben een grote fan van “de fysica van het alledaagse” omdat ze de natuurkunde tastbaar en werkelijk maakt. In lessen over wetenschap wordt altijd eerst een fenomeen beschreven, waarna het verklaard wordt. Als je vanuit het alledaagse vertrekt, kan je het beschrijven gewoon weglaten. Want iedereen heeft ooit al gezien hoe de beboterde kant van een toast zo goed als altijd eerst op de grond beland. We weten allemaal dat gemorste koffie een bruine koffievlek nalaat. We zagen dat met onze eigen ogen, alleen gingen we nooit op zoek naar een verklaring. We vroegen het ons misschien even af, en lieten die gedachte razendsnel weer los. Dat hoort ook zo, want we zijn nu eenmaal “volwassen”. Kinderen daarentegen, mogen altijd aan mama of papa vragen: “Waarom?”’

 

In plaats van ons aan deeltjesversnellers en ruimtetelescopen te vergapen, concentreren we ons als we iets over natuurkunde willen te weten komen beter op onze eigen huis, tuin en keuken?

Helen Czerski: Op alles wat in ons eigen bestaan ons pad kruist. De natuurwetten van de fysica vormen het geraamte van ons leven. Daar wordt door natuurkundigen en andere wetenschappers nooit met een woord over gerept en dat is ook de hoofdreden waarom ik Ober, er zit natuurkunde in mijn soep geschreven heb. Oppervlaktespanning, viscositeit, zwaartekracht, rotatie, elektromagnetisme vind je niet enkel op onze planeet, maar ook op alle andere planeten in het heelal. Alleen bevinden wij ons op planeet aarde, we kunnen al die fenomenen dus net zo goed rustig hier bestuderen. Neem de koffievlek: als je koffie morst en het plasje laat drogen, blijft er alleen een bruine omtrek over. In het begin was die omtrek helemaal gevuld, maar tijdens het drogen verplaatste alle koffie zich naar de buitenste rand. Als je heel veel tijd zou hebben en vanaf het begin met een microscoop inzoomt op het plasje, zie je een verzameling watermoleculen die botsautootje spelen en grotere bolvormige bruine deeltjes koffie die doelloos rondzwerven. De watermoleculen trekken elkaar sterk aan. Een molecuul dat een klein stukje van het oppervlak omhooggaat, wordt onmiddellijk weer neer onder getrokken in het plasje. Het wateroppervlak gedraagt zich als een elastisch laken dat strak over het water getrokken is zodat het altijd glad is. Deze ogenschijnlijke elasticiteit van het oppervlak wordt in de fysica de ‘oppervlaktespanning’ genoemd. Door de warmte in de kamer ontsnapt er van tijd tot tijd een watermolecuul die wegzweeft als waterdamp. Dat noemen we ‘verdamping’. De koffiedeeltjes kunnen niet verdampen en zitten gevangen in het plasje. De watermoleculen verdampen sneller aan de rand dan in het midden, omdat ze daar meer blootgesteld zijn aan de lucht. Vloeibare koffie uit het midden stroomt naar de rand om het verdwenen water te vervangen. Als het water volledig verdwenen is, blijft er alleen nog een kring achtergebleven koffie over.

 

Zijn uw collega fysici even enthousiast over de manier waarop u de fysica met beide voeten op moeder aarde zet?

Czerski: Dat moet u hen vragen. (lacht) Mijn rechtstreekse collega’s van Mechanical Engineering begrijpen perfect waarover het gaat. Misschien omdat ik hier als zowat de enige natuurkundige tussen de ingenieurs zit. Zij zien de wereld als een bak vol gereedschap, als een grabbelton gevuld met manieren om problemen op te lossen. Hier achter de hoek zijn mensen bezig met het zoeken naar verbeterde echografietechnieken, met het op punt stellen van ventilatie in ziekenhuizen en met het bouwen van machines voor de toekomst. Zij vinden mijn boek fantastisch en houden van al die concrete verhalen. Ze zitten ook zo in elkaar: ‘Je wil een snellere motor? Oké, we maken die voor je.’ Wie de wereld als gereedschapskist ziet, moét de natuurwetten wel kennen, anders kan hij nooit problemen oplossen. Ingenieurs zijn geen snobs, en dat vind ik net geweldig.

 

Natuurkundigen zijn wel snobs?

Czerski: Onder natuurkundigen overheerst snobisme, ja. Te vaak hoor ik: ‘Die uitleg is niet slim genoeg.’ Dat is niet alleen pompeus maar ook monsterlijk verkeerd. Kosmologen focussen zich op zwaartekracht en mechanica en maken daarvoor gebruik van ‘maar’ twee types natuurkundewetten. Zij zijn de eersten om toe te geven dat de fysica van het alledaagse veel complexer is. Want in het doorsnee bestaan van alledag worden alle verschillende soorten natuurwetten voortdurend dooreen geschud, met als resultaat: onze gecompliceerde realiteit. Kosmologen kunnen een mooi, eenvoudig model van het universum tekenen, dat is echt poepsimpel. Maar als je zoals ik het oppervlak van de oceaan bestudeer, of zoals mijn collega-ingenieurs een nieuwe motor probeert te bouwen, moet je er voortdurend rekening mee houden dat àlles er een klein beetje toe doet. Wij moeten dus ook àlles kennen, zoals elektromagnetisme, zwaartekracht, oppervlaktespanning, viscositeit of de regels van de rotatie. Ik verspil mijn tijd niet aan de snobs, want waar zij zich mee bezighouden, is niet meer of minder dan een vorm van glamourfilosofie.

 

U vindt filosoferen een vorm van tijdverspilling voor wetenschappers?

Czerski: Natuurkunde was lang gedomineerd door mannen met veel aandacht voor al die grote wetten van het universum, terwijl vrouwen veel praktischer ingesteld zijn. Die ‘mannelijke overheersing’ in de fysica heeft ongemeen boeiende debatten opgeleverd over bijvoorbeeld ‘de aard van de materie’. Interessant hoor, alleen vind ik het niet meer dan een intellectueel spel. Is het niet verstandiger om ons als wetenschappers op het gefilosofeer te storten nadat we we de honger de wereld hebben uitgeholpen, alle ziektes hebben bestreden en iedereen een dak boven het hoofd hebben bezorgd? Er moeten eerst nog heel wat praktische problemen opgelost worden vooraleer we de luxe hebben om ons het hoofd te breken over ‘de filosofie van het universum’. Vrouwen zijn veel meer geïnteresseerd in praktische problemen dan mannen. Dat beginnen we hier aan het University College gelukkig eindelijk ook te merken. Biomedical engineering is vandaag zeer populair bij vrouwelijke studenten. Als je een hartklep bouwt, help je een medemens. Dat is veel zinvoller dan een namiddag naar het heelal te zitten staren en te mijmeren over het wezen van het bestaan. Ongetwijfeld een rustgevende bezigheid, alleen brengt ze geen zoden aan de dijk.

 

Waarom koos u er eind jaren negentig voor om fysica te gaan studeren?

Czerski: Ik was in zeer uiteenlopende onderwerpen geïnteresseerd. Ik hield van wiskunde en wetenschap, maar ik was ook dol op talen, boeken, geschiedenis én op sport. De beste wetenschappers van vandaag zijn geen nerds of geeks, maar lezen, luisteren naar muziek en tokkelen op hun iPone. Een wetenschapper kan zowel van een gelukt experiment genieten als van een schilderij of beeldhouwwerk. Wetenschap is gewoon deel van de samenleving. Weet u wat ik het toppunt van absurditeit vind? Iemand die via Twitter zeurt dat wetenschap een zinloze bezigheid is. Via Twitter. Heeft zo’n idioot dan niet door dat hij de wetenschap dood verklaard met behulp van een knap staaltje technologie dat hem toelaat om zijn mening met de rest van de wereld te delen? (lacht) Variëteit is wat de wereld zo boeiend maakt en als jonge vrouw was ik in ontzettend veel dingen geïnteresseerd. Maar ik koos uiteindelijk voor wiskunde en fysica omdat die vakken me toegang gaven tot oplossingen voor al die praktische problemen. Zeker fysica zou alle vragen beantwoordden waarmee ik worstelde.

 

Het was dus toch een soort van filosofische ontdekkingsreis, een manier om zin aan uw leven te geven?

Czerski: Niet echt, ik wou gewoon spelen. (lacht) Al moet ik dat misschien toch enigszins nuanceren en ging er inderdaad honger naar kennis over het leven achter schuil. Ik was verzot op boeken over melkweg- en zonnestelsels. Op mijn 17e gaf ik mijn allereerste publieke lezing. Het onderwerp was: het atoom. Ik ben heel praktisch ingesteld en wil ook iets doén met al die theorie. Praten over kwantummechanica is interessant, maar het wordt pas écht boeiend als er geëxperimenteerd en gebouwd wordt. Het spel om door te dringen tot de fysica van alles wat ons omringt, vond ik zo intrigerend.

 

Net wat u ook in uw boek doet.

Czerski: Ja, maar daarnaast wou ik ook tonen dat wetenschap niet iets is dat plaatsvindt in een laboratorium. Door mijn boek te lezen, word je geen fysicus, maar snap je wel het spel genaamd ‘wereld’. Want eindelijk ken je de natuurwetten, de regels. Je zal voortaan ook de juiste vragen kunnen stellen. Het is toch fantastisch om de regels van de rotatie te herkennen in het dagelijkse leven? Als ik met een lepeltje in mijn thee roer, ontstaat er een ‘kuil’ omdat elk deeltje vloeistof zich in een rechte lijn voort wil bewegen. De thee duwt tegen de wand van het kopje en gaat omhoog zodat er minder thee in het midden overblijft. Als ik ophoud met roeren, verdwijnt de kuil niet meteen omdat de vloeistof nog ronddraait. Wanneer ik de thee langzamer laat draaien, is er minder kracht nodig om hem te laten rondcirkelen, waardoor er minder thee ophoopt tegen de wand. Middenin de cirkels draaien de belletjes rond. Die plek in het midden is voor de kneusjes. In een glas bier bewegen de bellen naar boven omdat het bier zegeviert in de strijd wie het dichtst bij de bodem mag zitten. In een kop thee is dat ook zo. De thee zegeviert in de strijd wie er naar de zijkant mag. De bellen zijn altijd het slachtoffer. De vloeistof heeft een grotere dichtheid dan het gas, zodat het gas naar de ruimte drijft die overblijft. Onze samenleving zit vol dingen die ronddraaien: wasdrogers, discuswerpers en opgegooide pannenkoeken. De aarde zelf roteert terwijl hij om de zon draait. Rotatie kan reusachtige krachten en gigantisch veel energie vrijmaken, terwijl alles net op zijn plaats blijft zitten, zoals de thee in de kop. Je kunt een grote snelheid halen zonder echt ergens heen te gaan. Een mooi voorbeeld is het baanwielrennen. De steile piste zorgt ervoor dat de renners niet uit hun baan in een rechte lijn vooruitschieten terwijl ze tegen hoge snelheid rondjes draaien.

Ik toon de paralellen tussen dingen die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben. Volwassenen moeten dringend terug nieuwsgierig worden en opnieuw leren spelen. ‘We zijn volwassenen en horen ons te gedragen.’ Sod that. Ouders zeggen tegen hun kinderen dat ze zaadjes in potjes moeten planten en goed moeten observeren hoe ze uitgroeien tot plantjes. Wanneer hebben al die brave vaders en moeders dat zelf voor het laatst gedaan?

 

Hier aan de universiteit bestudeert u de luchtbellen in de oceaan.

Czerski: Ik onderzoek de bellen die zich vormen aan de oppervlakte van de oceaan, meestal zijn dat de luchtbellen onder de brekende golven. Ik reis daarvoor de wereld rond en heb een bijzondere interesse voor golven van gemiddeld tien meter hoog. De bubbels helpen de oceaan ademen. De oceanen ademen in de noordelijke Atlantische Oceaan en de Zuidelijke Oceaan in, en ademen uit aan de evenaar. De zee is geen organisme met een bewustzijn, maar is wel een ademende motor. De luchtbellen uit de oceaan zijn als de bubbels uit een fles frisdrank: als je de stop opendraait, spatten ze uit de fles en ‘prikken’ ze je neus. Het schuim in de branding laat op eenzelfde manier bellen opspatten in de lucht, waarna ze wegzweven en wolken vormen. Mijn eerstvolgende reis brengt me naar de Noordpool. Het is daar zeer zuiver en dat is ideaal voor het bestuderen van de inhoud van opspattende bubbels.

De klimaatverandering zorgt voor een veranderend weerpatroon en dat heeft een weerslag op de oceaanbellen. De oceanen warmen op waardoor het aantal stormen lijkt toe te nemen. De stormen lijken ook veel intenser te worden. Het aantal oceaanbubbels zal daardoor toenemen. Dat zien we nu al, maar het is onduidelijk wat de ultieme consequenties zijn voor die grote ademende motor die de zee is.

 

Bent u een pionier met uw bubbelonderzoek?

Czerski: Wereldwijd ken ikzelf nog zes andere wetenschappers die bubbels bestuderen. Op het eerste gezicht lijkt ons onderzoek misschien overbodig, maar dat is een misvatting. De oceanen geven hun warmte af aan de atmosfeer, ontvangen op hun beurt warmte van de zon en transporteren voedingsstoffen over de hele planeet. Het water uit de oceaan belandt via de wolken op de bergen en erodeert ze. Het is één groot systeem, waarin alles invloed heeft op alles. Het systeem bestaat uit zoveel verschillende puzzelstukjes dat het echt niet verwonderlijk is dat elk puzzelstuk slechts door een handvol wetenschappers kan bestudeerd worden. Er is ook dat eeuwige probleem van beperkte budgetten: met het weinige dat we hebben, doen we wat we kunnen. Maar we hebben altijd meer vragen dan er geld voorhanden is. Wetenschap is een onderneming op lange termijn. Maar in de huidige tijd van besparingen wordt er vooral aan de korte termijn gedacht en raakt het weidsere perspectief op de achtergrond. President Donald Trump heeft stevig gehakt in de budgetten voor onderzoek naar de klimaatverandering. Wetenschappelijke instellingen in sommige Europese landen roepen nu luidkeels naar Amerikaanse wetenschappers: ‘Als Trump jullie niet wil, zijn jullie bij ons van harte welkom. Frankrijk wil jullie! Wij hebben fondsen.’ Het grote drama is dat de Verenigde Staten traditiegetrouw al heel lang een stevige bijdrage leveren aan de wetenschap, en dan heb ik het niet alleen over wetenschappers, maar ook over infrastructuur. Zij hebben heel wat satellieten in het heelal die de aarde observeren en we maken ons zorgen dat ook die projecten op de schop zullen gaan. Trump zelf heeft als president niet zoveel macht: als de Republikeinen willen, stoppen ze hem, maar ze vertikken het. Wetenschappers hebben zich lang ver weg gehouden van de politiek, want het is net de job van een wetenschapper om objectief te zijn en geen persoonlijke opinie te hebben. Al zijn in het verleden wel wetenschappers in opstand gekomen tegen politici, denk maar aan de Pugwash Conference die in 1957 opgericht werd door de natuurkundige Joseph Rotblat. Tijdens WO II was hij betrokken bij het Manhattan Project voor de bouw van de atoombom, later tok hij ten strijde tegen de nucleaire wapenwedloop. Veel wetenschappers die aan de bom hadden meegewerkt, kregen wroeging na Hiroshima. Ze verzetten zich tegen het gebruik van de bom in Nagasaki en vroegen zich af of de president wel goed besefte waar hij mee bezig was. Rotblat kreeg in 1995 de Nobelprijs voor de Vrede. Sommige wetenschappers werden dus wel degelijk erg politiek, alleen wrong dat altijd met hun job. Nu zouden de wetenschappers die niets meer te verliezen hebben best hun mond opendoen en het verzet organiseren.

 

De Nobelprijswinnaars chemie en fysica bijvoorbeeld?

Czerski: Precies, want zij zijn onaantastbaar. Zij hebben bewezen wat ze waard zijn en niemand kan beweren dat hun opinie waardeloos is. Zij zouden een grote positieve invloed kunnen uitoefenen door zich als leiders te gedragen. Mensen luisteren naar hen, òòk politici. Zij kunnen het zich permitteren om tegen Trump en co in het verweer te gaan. De Pughwash Conference werd indertijd zeer ernstig genomen; het is hoog tijd dat er iets gelijkaardigs opgestart wordt. In vergelijking met vroeger hebben we één groot voordeel: onze mogelijkheden om te communiceren zijn eindeloos met Twitter, Facebook, Youtube en de rest van het internet.

 

U maakt documentaires over wetenschap voor de BBC.

Czerski: Ik wil daarmee de kijkers een klein beetje meer inzicht in wetenschap geven zodat ze beter begrijpen hoe het skelet van de wereld ineenzit. Ik wil de Britten ook tonen dat er zoiets als ‘een wetenschapper’ bestaat. Want voor veel landgenoten klinkt ‘wetenschapper’ als iets buitenaards, terwijl wij ook maar doodgewone mensen zijn.

 

Helen Czerski, Ober, er zit natuurkunde in mijn soep, Maven Publishing, 336 blz., 22 euro

(c) Jan Stevens

 

 

Advertenties

‘Macht interesseert me niet, impact wel’

Met de informatie die het Europees Milieuagentschap (EMA) onder leiding van Hans Bruyninckx verzamelt, stippelt Europa haar klimaat- en milieubeleid uit. Bruyninckx’ wereldwijde invloed zal de volgende jaren samen met de temperatuur enkel stijgen. Over de toekomst is hij niet al te pessimistisch. “Wie vijf jaar geleden zei dat met ontploffingsmotoren in auto’s dringend komaf gemaakt moet worden, werd gecatalogeerd als radicale zonderling. Nu klinkt dat als een realistische stap op weg naar een koolstofarme economie.”

_DSC0036

Vanuit het raam van zijn kantoor kijkt Hans Bruyninckx (53) uit over het ooit zo statige, maar nu tot een bouwput herschapen Kongens Nytorv-plein in het hart van Kopenhagen. Op zowat alle grote pleinen in de Deense hoofdstad zijn bulldozers duchtig aan het graven. “Ze bouwen aan een gesofisticeerd metronetwerk”, zegt de voormalige professor internationale milieupolitiek. “Onder dit plein komt een station. De Denen sparen kosten noch moeite om van Kopenhagen een leefbare, duurzame stad te maken. Koning auto heeft hier al jaren niet veel meer in de pap te brokkelen.”

Sinds juni 2013 is Hans Bruyninckx directeur van het in Kopenhagen gevestigde Europees Milieuagentschap (EMA). Onder zijn leiding verzamelen de tweehonderd medewerkers van het EMA wetenschappelijke kennis over de toestand van de planeet. Hun rapporten vormen de basis voor het Europese klimaat- en milieubeleid. “Dertig jaar geleden focuste dat beleid zich op proper water en schone lucht en werd vooral de industriële vervuiling geviseerd”, zegt hij. “Vandaag bepaalt het milieu – en klimaatbeleid mee hoe onze toekomstige samenleving eruit zal zien.”

 

De klimaatverandering heeft alles op scherp gezet?

Hans Bruyninckx: “Ja, maar ook het verlies aan biodiversiteit drukt ons met de neus op de feiten. Wereldwijd staat ons zogenaamde ‘natuurlijk kapitaal’ zwaar onder druk door de aantasting van de biodiversiteit en de ecosystemen. Die worden verder uitgeput en de kwaliteit van onze leefomgeving raakt steeds meer aangetast. Eén van de grootste bedreigingen is de oprukkende ‘versnippering’. Daarmee bedoel ik de aanleg van wegen, van een continu groeiende infrastructuur die dwars door natuurgebieden loopt, waardoor grote gebieden van elkaar losgekoppeld worden en versnipperd raken. De klimaatverandering is inderdaad een niet te onderschatten probleem, maar we vergissen ons als we ons enkel daarop zouden concentreren. Het gaat zowel over het klimaat als over de biodiversiteit, en over de link tussen die twee. Een mooi voorbeeld zijn de oceanen die een zeer belangrijke rol spelen in de klimaatregeling en tezelfdertijd erg gevoelig zijn voor klimaatveranderingen. Onze oceanen herbergen een enorme biodiversiteit waar we nog veel te weinig over begrijpen. Of neem de bossen: ze zijn van levensbelang voor de biodiversiteit en zijn minstens even belangrijk voor de koolstofkringloop en de klimaatregeling. Zowel het klimaat als de biodiversiteit hebben zwaar te lijden onder onze allesbehalve duurzame systemen van produceren en consumeren. De manier waarop we energie opwekken, ons hele voedselsysteem, onze mobiliteit, de inrichting van onze steden, de productie van onze kledij… We gebruiken teveel grondstoffen en houden ze daarna niet lang genoeg in de economische cyclus.”

 

We consumeren te veel op weinig doordachte wijze?

Bruyninckx: “Wereldwijd zal de consumptie alleen maar toenemen: binnenkort zijn we met tien miljard, allemaal mensen die net als wij òòk recht hebben op een goed leven. Dat is enkel mogelijk als we veel efficiënter omgaan met onze grondstoffen. Nu maken we een product, gebruiken dat heel even, gooien het weg en recycleren nauwelijks iets. Veel producten gaan niet lang mee, worden niet hersteld maar gedumpt. Kostbare grondstoffen verdwijnen zo uit de kringloop. Daar moet snel verandering inkomen: we moeten evolueren naar een circulaire economie met een gesloten kringloop. Hetzelfde geldt voor energie: we gebruiken te veel en er gaat ook veel verloren. Er is nog flink wat werk aan de winkel om onze energie-efficiëntie op te krikken.

“Onze huidige manieren van consumeren en produceren putten de kwantiteit en kwaliteit van de natuurlijke hulpbronnen verder uit. Gelukkig groeit de bewustwording snel, want milieubeleid gaat niet langer alleen over planten en dieren, maar over onze hele samenleving, inclusief de economie. Milieu en klimaat blijken ook de ‘harde sectoren’ te beïnvloeden en bepalen mee het totale beleid. Het is de taak van ons agentschap om het Europese beleid te onderbouwen met kennis over de toestand van het milieu.”

 

Waar halen jullie die kennis?

Bruyninckx: “Belangrijk voor ons zijn de waarnemingen in de verschillende Europese lidstaten over de kwaliteit van het water, de lucht en de bodem. We koppelen die aan gegevens over mobiliteit, energie en de gezondheid van de burgers. We krijgen onze informatie van officiële instanties die zich aan de Europese regelgeving houden. Maar ook van Eurostat, het Joint Research Center (JRC), universiteiten en semi-publieke organisaties zoals in Vlaanderen de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) en de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO).”

 

Werken jullie samen met actiegroepen zoals Greenpeace? 

Bruyninckx: “Wij werken in de eerste plaats nauw samen met ons Europese netwerk, met al die Europese instanties die vertegenwoordigd zijn in onze raad van bestuur: het Europese Parlement, de Europese Commissie en de lidstaten. Daarnaast onderhouden we contacten met de belangrijkste Europese milieuorganisaties, zoals The European Environmental Bureau (EEB), BirdLife International en Greenpeace Europe. Ik ontmoet hun afgevaardigden regelmatig op meetings in Brussel en ze vragen me soms om op hun jaarvergadering te spreken. Ik praat ook met vertegenwoordigers van de industriële koepels. Zo gaf ik voor de autosector lezingen over mobiliteit, voor de chemiesector over scheikundige vervuiling en voor de landbouwsector over ons voedselsysteem. Dat hoort bij mijn job.”

 

Mag u in uw positie nog klaar en duidelijk zeggen wat u zelf vindt over de toestand van het milieu?

Bruyninckx: “Ik heb bewust de overstap gemaakt van professor aan de universiteit naar directeur van het EMA en was me heel goed bewust van de consequenties, maar ik ben en blijf Hans Bruyninckx. Het was een lange sollicitatieprocedure in zeven rondes waarin alle mogelijke ideeën over het milieu aan bod kwamen, maar waarin ook gepraat werd over hoe een organisatie zoals deze geleid moet worden. Ze weten dus waarvoor ik sta.

“Een deel van de selectie gebeurde onder leiding van de Europese Commissie. De finale beslissing werd genomen door ons management board waar de lidstaten, het parlement en de commissie in zetelen. Ik had een interview met de twee commissarissen waar wij vooral mee samenwerken en moest voor het Europees Parlement verschijnen waar ik drie uur lang door de volksvertegenwoordigers op de rooster gelegd werd. Als ik daar de mist was ingegaan, had ik hier nu niet gezeten. Maar uiteraard ben ik nog steeds ‘mezelf’. Van zodra ik het gevoel heb dat ik zaken moet verkondigen waar ik niet achtersta, kan ik beter iets anders gaan doen.”

 

Waarom wou u deze job zo graag? 

Bruyninckx: “Omdat dit de beste plek ter wereld is om kennis tot bij de Europese beleidsmakers te brengen. Wat wij hen aan informatie aanbieden, vormt de basis voor het milieu- en klimaatbeleid dat zij uitstippelen. Voor 28 landen zijn die maatregelen en afspraken bindend. IJsland, Noorwegen, Zwitserland, Liechtenstein en Turkije zijn ook lid van EMA en de zes westelijke Balkanlanden werken met ons mee. Een netwerk zoals het onze bestaat nergens anders ter wereld, ook niet in Noord-Amerika of Azië.  Ik vind het een onwaarschijnlijk voorrecht dat ik deze functie mag uitoefenen. De tweehonderd mensen die hier werken, behoren allemaal in hun domein tot de top. Ze komen uit meer dan dertig landen. Als we hier ’s morgens binnenstappen, worden we Europeaan. Wij werken mee aan het meest geïntegreerde en meest vooruitstrevende milieu- en klimaatbeleid van de hele planeet. Dat is toch fantastisch?”

 

Zitten we in vergelijking met vier jaar geleden niet in een totaal ander Europa en in een andere wereld? Want ondertussen was er de brexit en de verkiezing van Donald Trump, een wereldleider die het klimaatbeleid niet zo heel erg genegen lijkt te zijn. 

Bruyninckx: “Dat laatste is een overstatement. (lacht) De wereld is in verandering, net als de context waarin wij werken. Europa gaat door een moeilijke periode en wordt geteisterd door verschillende crisissen. Wij voelen dat hier ook. Want doordat het moeilijkere tijden zijn, worden er politieke keuzes gemaakt. Zo moeten we elk jaar afscheid nemen van personeelsleden als gevolg van het Europese bezuiningingsbeleid.

“Tot hiertoe zijn het Verenigd Koninkrijk en Turkije nog steeds volledig lid van onze organisatie. Hoe de toekomst eruit zal zien, is onduidelijk; dat is nu eenmaal eigen aan werken in een politieke omgeving. Ook onder Trump blijven we regelmatig contact onderhouden met de collega’s van onze Amerikaanse zusterorganisatie het United States Environmental Protection Agency (USEPA). De omstandigheden zijn veranderd, waardoor het er niet makkelijker op wordt.”

 

Terwijl de toestand steeds ernstiger én hopelozer lijkt te worden?

Bruyninckx: “De toestand is ernstig, maar u mag niet onderschatten wat er intussen allemaal gebeurd is. Tien jaar geleden, in volle kredietcrisis, werden onze thema’s klimaat en milieu on hold gezet. ‘We hebben nu even andere katten te geselen.’ Sindsdien is er toch veel veranderd. Ik ben hier begonnen in 2013, en niet zoveel later was er het klimaatverdrag van Parijs en introduceerde de Europese Commissie haar plan voor een kringloopeconomie. Dat is zonder overdrijving een compleet nieuwe langetermijnvisie op duurzaam produceren en consumeren. Dan is er ook nog de verdere ontwikkeling van het Europese klimaatbeleid en zijn er de lange termijnplannen voor een Europese Energie-Unie die betaalbare, duurzame én klimaatvriendelijke energie mogelijk moeten maken. U mag ook de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties niet vergeten die tegen 2030 gerealiseerd moeten zijn. En dan is er ook nog het Zevende Milieuactieprogramma van Europa dat loopt tot 2020, met een sterke visie gericht op 2050. Ik wil maar zeggen dat er ondanks de moeilijke omstandigheden en de tegenwind toch voldoende politiek en intellectueel kapitaal in Europa voorhanden is om een ambitieus milieu- en klimaatbeleid uit te bouwen. De kennis die wij verzamelen, speelt daar een voorname rol in. ‘Op basis van onze informatie is er vooruitgang waar te nemen, maar de uitdagingen blijven zeer groot.’ Waarna het aan de beleidsmakers is om bij te sturen. U zou me niet zo enthousiast over mijn werk horen vertellen als ons agentschap getroffen zou zijn door een volledige shutdown en standstill.”

 

Niet zo lang geleden kwamen vertrouwelijke mails aan de oppervlakte waaruit blijkt dat chemiereus Monsanto een aantal wetenschappers heeft proberen te beïnvloeden in het onderzoek naar onkruidverdelger glyfosaat. Sommige academici waren niet ongevoelig voor de avances van de multinational. Hoe kunt u er zeker van zijn dat de informatie betrouwbaar is die u van allerlei instellingen krijgt?

Bruyninck: “In Europa wordt glyfosaat opgevolgd door twee gespecialiseerde agentschappen die met een heel netwerk van wetenschappers werken: het Europese Voedselagentschap in Parma en het European Chemicals Agency in Helsinki dat overigens ook geleid wordt door een Vlaming. In ons eigen Milieuagentschap wordt alle inkomende informatie grondig gecheckt. Onze dataspecialisten volgen daarvoor een handleiding die we Quality Checking and Quality Assures of QCQA gedoopt hebben. Ze laten algoritmen op de data los en merken het snel als er iets schort aan de kwaliteit. We werken intens samen met oficieel aangestelde specialisten uit de lidstaten die ons begeleiden met het opstellen en ijken van onderzoeks- en rapporteringsmethoden. Voor we een rapport publiceren, laten we het vaak nalezen door academici. Al onze rapporten kunnen door iedereen gelezen en gecontroleerd worden. We weten dat ze door veel wetenschappers gedownload worden. Zij gaan aan de slag met de door ons verzamelde informatie en als ze op fouten of twijfelachtige gegevens stoten, zullen ze ons dat heel snel laten weten. Last but not least is er de politieke controle. Alles wat ik in het openbaar zeg over een lidstaat, wordt aandachtig gevolgd. Bij de minste fout die ik maak, krijg ik meteen een reactie. ‘Wat u daar verkondigt, is fout mijnheer Bruyninckx. Wij hebben andere gegevens.’ In de vier jaar dat ik hier nu zit, is dat overigens nog nooit gebeurd. Dat komt net omdat wij zo uitermate zorgvuldig te werk gaan. We kunnen ons geen fouten of vergissingen permitteren. Want van zodra we de reputatie krijgen dat onze gegevens niet te vertrouwen zijn, is onze rol uitgespeeld. Onze basis wordt gevormd door de betrouwbaarheid van onze informatie. Als er onzekerheid over sommige gegevens bestaat, zullen we dat altijd meedelen. In de wetenschap komt dat trouwens vaak voor. ‘Op basis van die gegevens is dit de boven – en ondergrens van betrouwbaarheid’, staat er dan. Zo werkt wetenschap en zo werkt kennis. Ik kan er niet genoeg op hameren: voor ons is transparantie van levensbelang.”

 

Tegenwoordig zijn heel wat professoren aan universiteiten ook actief als ondernemer in start-ups, waardoor ze commerciële belangen krijgen.

Bruyninckx: “Daar doe ik liever geen uitspraken over. Er kan altijd een belangenconflict in de lucht hangen. Je weet nooit wat je medewerkers in hun vrije tijd uitspoken, met wie ze getrouwd zijn of waar ze in beleggen. Vandaar ook dat er bij ons strenge en duidelijke procedures van kracht zijn. Alles moet hier aangegeven worden; dat heeft het grote voordeel van de duidelijkheid. Ik heb zelf aan de KULeuven gewerkt en ik weet dat er een dienst is waar professoren hun consultancy-opdrachten aan moeten rapporteren. Ik stelde me aan de universiteit altijd compleet onafhankelijk op.”

 

Komen er vaak lobbyisten bij u over de vloer?

Bruyninckx: “Bijna nooit. Het EMA is een kennisinstelling en maakt het beleid niet. Hier in Kopenhagen zitten we trouwens veraf van de Brusselse scene, the Brussels bubble. (lacht) Wij stemmen over helemaal niks, waardoor wij niet interessant zijn voor lobbyisten. Als er dan toch al eens een lobbyist komt aankloppen, ben ik heel duidelijk: ‘Sorry, u zit op de verkeerde plek. Wij spreken de nieuwe normen niet af, daarvoor moet u bij de commissie in Brussel, of in het parlement zijn.'”

 

Krijgt u vaak politici op bezoek?

Bruyninckx: “Nogal wat Europarlementariërs, dat zijn dan mensen die rapporteur zijn over een bepaald thema. Wij bieden hen ondersteuning aan. Ik ben regelmatig in Brussel en dan ontmoet ik, uiteraard, mensen uit het beleid: politici, hoge ambtenaren en ook lobbyisten. Dat is nu eenmaal deel van mijn werk. Niet om mee beleidskeuzes te maken, maar om de nodige informatie te leveren. We zijn volstrekt neutraal en maken geen onderscheid in politieke kleur. Als iemand van om het even welke fractie beroep doet op kennis van onze experts, leveren we die.”

 

Wie het milieubeleid écht wil beïnvloeden, kan misschien beter proberen om de grondstof van dat beleid, de kennis, te beïnvloeden?

Bruyninckx: “Onze procedures en regels om die kennis op te bouwen, zijn superstreng, hoor. Het is niet zo dat om het even wie hier kan binnenstappen en een rapport op tafel kan gooien met de boodschap: ‘Goeiemiddag, ik heb wat nieuwe, “alternatieve” kennis voor jullie. Misschien kunnen jullie die ooit wel eens gebruiken in een rapport.’ Zo werkt het niet.”

 

Sinds de verkiezing van Donald Trump zijn de ‘alternatieve feiten’ aan een opmars bezig.

Bruyninckx: “Kennis is geen kwestie van geloof. Kennis is kennis.”

 

Het lijkt toch alsof er in de VS nu beleid wordt uitgestippeld op basis van onzin?

Bruyninckx: “Precies daarom is het zo een voorrecht om in een Europese context deze job te mogen doen. Onze collega’s van de USEPA zijn het al jaren gewoon om op dezelfde manier kennis te vergaren als wij. Nu worden zij geconfronteerd met een existentieel probleem. Gelukkig is het beleid in Europa sterk gelinkt aan kennis, evidence-based policy making heet dat in het jargon. Ik denk niet dat het hier snel zal veranderen.”

 

Niemand had ook verwacht dat de Britten vaarwel zouden zeggen aan Europa.

Bruyninckx: “Nee, dat klopt. Niemand weet of na de brexit het Verenigd Koninkrijk lid zal blijven van onze organisatie. Ik hoop van wel, al was het maar omdat de Britten in ons vakgebied heel belangrijk zijn als partner in het verzamelen van kennis.”

 

Heeft u in uw functie meer invloed dan een politicus? Uw werk hier bepaalt misschien meer het Europese beleid dan dat van een doorsnee Europarlementariër?

_DSC0028Bruyninckx: “Ik denk niet dat het veel zin heeft om precies te proberen bepalen wie het meeste invloed heeft. Beleid is het resultaat van veel verschillende vormen van informatie of overleg. Wij zijn een radertje in het grote geheel, maar we nemen ons werk wel heel serieus. Onze kennis is betrouwbaar en relevant. We kunnen ook goed inschatten wanneer we wat precies moeten aanleveren. Het is heel belangrijk dat je als kennisinstelling het ritme van de politiek en het beleid perfect kunt aanvoelen.”

 

U kent de bureaucratie op uw duimpje?

Bruyninckx: “We moeten niet alleen de bureaucratie goed kennen, maar ook de politieke cyclus aanvoelen. We moeten de kennis zo presenteren dat degene die ze kan gebruiken, onmiddellijk ziet waar de toepassingen zitten.”

 

U stuurt de politici dus eigenlijk een beetje met de manier waarop u hen uw kennis brengt?

Bruyninckx: “Natuurlijk. Als we met Europese topexperts over luchtkwaliteit praten, hebben we het over ppm’s, microgrammen en NOx en SOx. Als we met mensen praten die de grote beleidslijnen voor de volksgezondheid uitzetten, laten we NOx en SOx achterwege. We kunnen niet anders dan onze informatie framen in de taal en de context van de mensen waarmee we spreken. Daarom besteden wij zeer veel aandacht aan communicatie. Met framen bedoel ik dus niet: ‘verkopen’.

“Wetenschappers hebben er geen enkel probleem mee dat wij kennis framen. Integendeel, want onze teksten, lezingen, rapporten zijn altijd op solide wetenschappelijke waarnemingen gebaseerd. We krijgen lof omdat het ons lukt om onze informatie zo te verpakken dat iedereen naar ons luistert. Dat is toch heel belangrijk? Een paar weken geleden was er in Brussel een conferentie over geluid, wat een zeer complex probleem is. Als je daar technisch over begint te spreken en ingewikkelde grafieken projecteert, beland je meteen in een uiterst moeilijk debat en haken mensen af. Je moet die moeilijke materie dus vertalen in zinnen en beelden die iedereen begrijpt.”

 

Bent u een machtig man?

Bruyninckx: “Macht interesseert me niet, impact wel. Met de kennis die wij in Europa aanleveren, oefenen we behoorlijk wat invloed uit op een aantal processen. Wij streven die impact niet na vanuit de behoefte om de grootste en de sterkste te zijn. Dit werk is geen hobby waar we allemaal ontzettend veel lol aan beleven. Nee, wij werken hier rond zeer serieuze thema’s; onze mensen zijn zich daar heel goed van bewust.”

 

Want uiteindelijk gaat het over het redden van de planeet?

Bruyninckx: “Misschien eerder over het veilig stellen van ons ‘goede leven’ op lange termijn. Ik geloof sterk in ons agentschap en in de rol die wij spelen. Ik ben de voorzitter niet van de commissie of het hoofd van een belangrijke fractie in het Europees parlement. Ik ben hier directeur en het is mijn verantwoordelijkheid om vanuit deze functie zoveel mogelijk impact te hebben. Eerlijk gezegd vind ik dat we dat op dit moment behoorlijk goed doen. We krijgen goede reacties vanuit de Europese instellingen en de lidstaten, maar ook van anderen daarbuiten.”

 

Wordt u zelf nooit wanhopig van de onderzoeksresultaten die u binnenkrijgt? Denkt u nooit: ‘De apocalyps is nabij’?

Bruyninckx: “Een aantal tendensen zijn niet zo gunstig, maar ik heb dat nooit anders geweten. Ik werk al mijn hele loopbaan rond de milieuproblematiek. Sommigen raken daardoor verpletterd; anderen voelen het gewicht van de hele wereld op hun schouders rusten. In plaats van mij erdoor te laten ontmoedigen, zoek ik vanuit al die kennis naar hefbomen om de zaak positief te laten kantelen. Ik ben toch iets optimistischer dan vijf jaar geleden. Zo breekt hernieuwbare energie wereldwijd veel sneller door dan voorspeld was. Niet alleen in Europa, maar ook in een land als China, waar er gigantisch veel in geïnvesteerd wordt. Wie vijf jaar geleden zei dat met ontploffingsmotoren in auto’s dringend komaf gemaakt moet worden, werd gecatalogeerd als radicale zonderling. Nu klinkt dat als een realistische stap op weg naar een koolstofarme economie. Ook de financiële markten krijgen interesse in climate en green financing.”

 

Dat is dus niet hetzelfde als: terug naar de natuur en leve de geitenwollensokken?

Bruyninckx: “Bijlange niet. Voor alle duidelijkheid: ik heb nooit geitenwollensokken gehad en zal die ook nooit dragen. (lacht) Ik ben geen naïeve dromer. Het gaat niet over gerommel in de marge, maar over de kern van de zaak: over fundamentele transities in onze samenleving, zoals bijvoorbeeld een ander energiesysteem. Kopenhagen wil de eerste klimaatneutrale hoofdstad van de wereld worden en Zweden het eerste klimaatneutrale land. Dat visionaire spreekt mij enorm aan. Het gaat niet langer over het voorspellen van de toekomst maar over het vormgeven ervan, en dat op een realistische wijze. We weten dat we dringend de broeikasgasuitstoot moeten afbouwen en dat we de verdere afbraak van ecosystemen en biotopen een halt moeten toeroepen. Martin Luther King veranderde de VS niet door te jammeren: ‘I have a nightmare’, maar met: ‘I have a dream.’”

 

Moet er niet dringend een wereldmilieuagentschap komen?

Bruyninckx: “Er is internationaal al een grote samenwerking. Wij zijn gekoppeld aan het United Nations Environment Program (UNEP) en delen zo kennis met 54 landen in Europa. Energie- en voedselsystemen kennen een globale dynamiek. Wij hebben dus zeer veel aandacht voor globalisering. De voorbije twintig jaar heeft de mensheid geglobaliseerde systemen van produceren en consumeren ontwikkeld die allesbehalve duurzaam zijn. Wij onderzoeken hoe we kunnen vermijden dat we daarin vastgeklikt geraken, en hoe we het mogelijk kunnen maken dat we locked in geraken in duurzame systemen en processen. Het lokale is belangrijk, maar ons terugplooien op onszelf, zelfs al gaat het dan nog over het Europese continent, is niet verstandig. Vandaar ook het belang van het akkoord van Parijs.”

 

Uw mandaat loopt af in 2018. Stel dat het niet verlengd wordt, overweegt u dan een carrière in de politiek?

Bruyninckx: “Ik heb geen enkele ambitie om in de politiek te gaan. Je moet jezelf goed kunnen inschatten. Ik denk niet dat ik een goed politicus zou zijn. Ik was professor politieke wetenschappen en heb nu een functie die zeer dicht staat bij het beleid en de politiek. Mensen zeggen me vaak: ‘Als je spreekt, klink je zeer politiek zonder een politicus te zijn.’ Mijn hele loopbaan draait rond kennis. Dat is mijn roeping.”

 

Pendelt u vaak tussen Kopenhagen en Brussel?

Bruyninckx: “Ja. Deze job heeft een serieuze impact op mijn gezinsleven en voor ik eraan begon, heb ik daar met mijn vrouw afspraken over gemaakt. Als ik in het weekend in België ben, werk ik niet. Ik ben wel bereikbaar als het dak hier bij wijze van spreken instort of de comissaris me dringend nodig heeft, maar ik neem geen dossiers mee naar huis. Tijdens de week is dit een intense job die volledige toewijding vereist. Dit is geen baan voor mensen die niet stressbestendig zijn. Je kan door een golf overspoeld worden of je kan erop surfen. Meestal slaag ik erin om te surfen op de golf van wat er allemaal op me afkomt. Drie dagen per week ben ik hier in Kopenhagen, twee dagen vertoef ik elders in Europa. Je kan geen Europese functie uitvoeren als je in je kantoor blijft zitten. De lidstaten verwachten heel terecht dat ik regelmatig langskom en aandacht aan hen besteed.”

 

U heeft dus een stevige ecologische voetafdruk.

Bruyninckx: “Iedereen in de Europese Unie met dit soort functie heeft een grote ecologische voetafdruk. In vergelijking met mijn voorgangster heb ik het aantal reisdagen en kilometers zo goed als gehalveerd. Alle medewerkers van ons agentschap reizen een pak minder omdat ik een pleitbezorger ben van technologische communicatiemiddelen zoals conference calls. Elke kilometer die we vliegen compenseren we via de beste carbon offsetting-programma’s. Maar ik vlieg veel, dat is zeker waar, en dat wringt soms. Alleen raak je met de roeiboot of de fiets niet tot in Bulgarije, Malta, Portugal of IJsland.”

 

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

‘Soms lijkt het alsof we in een samenleving vol Calimero’s beland zijn’

‘Ik stoor me er aan dat het begrip geweld vandaag te pas en te onpas gebruikt wordt’, zegt filosoof Lode Lauwaert. ‘Door beledigen ook als geweld te beschouwen, vrees ik dat we vormen van geweld uit het oog verliezen die wél ernstige gevolgen hebben.’ In Filosofie van geweld zet hij samen met collega’s uit Vlaanderen en Nederland de puntjes op de i.

 

In de pas verschenen essaybundel Filosofie van geweld gaat filosoof Lode Lauwaert samen met onder anderen Maarten Boudry, Ignaas Devisch en Paul Cliteur op zoek naar de juiste betekenissen van geweld. ‘Geweld wordt te breed geïnterpreteerd en dekt te veel ladingen’, zegt de initiatiefnemer en “regisseur” van het boek. ‘Dat heeft gevolgen voor de manier waarop we samenleven. Daarom heb ik aan een aantal vakbroeders gevraagd om samen met mij over geweld na te denken en te zoeken naar een nauwkeurige omschrijving.’

Lode Lauwaerts persoonlijke ‘fascinatie’ voor geweld stamt uit de tijd dat hij zich verdiepte in leven en werk van de beruchte 18e-eeuwse Markies de Sade. Tijdens zijn doctoraalonderzoek bestudeerde hij vijf jaar lang de libertijnse levenswandel van de pornograaf en de ‘grondlegger’ van het sadisme. ‘Je vijf jaar in een figuur zoals De Sade onderdompelen lijkt ongezond lang, maar ik bestudeerde toen niet enkel de markies’, zegt hij. ‘Ik concentreerde me vooral op de Franse filosofie over De Sade die dateert van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Tussen 1947 en 1967 liet zowat elke belangrijke Franse filosoof zijn licht schijnen over Markies de Sade. Tijdens mijn onderzoek begon het me te dagen dat Europese filosofen nog niet zo heel erg lang intens nadenken over geweld.’

 

Terwijl dat fenomeen zo oud is als de mens zelf.

Lode Lauwaert: ‘Ja, dat vond ik ook zeer merkwaardig. Geweld bestaat al tienduizenden jaren en toch kwam dat thema in de westerse wijsbegeerte niet vaak ter sprake. Aristoteles, Thomas van Aquino, René Descartes en David Hume schreven over woede en haat; geweld raakten ze nauwelijks aan. Pas vanaf de twintigste eeuw begonnen filosofen erover na te denken.’

 

Als reactie op de gruwel van de Eerste Wereldoorlog?

Lauwaert: ‘De westerse pioniers die geweld onder de loep namen, schreven hun teksten inderdaad kort na WOI. De eerste was Sigmund Freud. Hij was geen filosoof, maar hij vertelde wel zinnige dingen over geweld. Een andere pionier is Walter Benjamin. In 1921 schreef hij Zur Kritik der Gewalt, De kritiek van het geweld. Die tekst was gegroeid uit de toestand in Duitsland in de nasleep van de Grote Oorlog. Vandaag is geweld een populair thema onder filosofen, denk maar aan het boek Geweld van Slavoj Žižek. Ook Italiaanse, Amerikaanse en Britse filosofen spitten dat onderwerp nu grondig uit.’

 

Volgens de Canadees-Amerikaanse psycholoog Steven Pinker leefden we nog nooit in veiliger tijden dan nu. Maar onze perceptie is toch enigszins anders: door de recente aanslagen lijkt het alsof de wereld in brand staat en het geweld steeds dichterbij komt.

Lauwaert: ‘Pinker wordt vaak verkeerd geïnterpreteerd. In zijn boek The Better Angels of Our Nature schrijft hij niet dat de hoeveelheid geweld afneemt. Dat zou ook niet kunnen kloppen, denk maar aan de twee wereldoorlogen en de talloze genocides van de voorbije eeuw. Wat hij wél schrijft, is dat de kans ontzettend klein is dat u en ik vermoord zullen worden. De kans dat iemand anders ons doodt, is één op honderdduizend. En dat risico wordt steeds kleiner.’

 

Op voorwaarde dat er in onze contreien geen oorlog uitbreekt.

Lauwaert: ‘Zelfs dan zijn onze overlevingskansen groot. Als je de evolutie van tienduizend jaar geleden tot nu bekijkt, is het onmiskenbaar zo dat steeds minder mensen sterven als gevolg van moord. Het aantal doden door moord bedraagt nu ongeveer 3 procent, terwijl dat bij de jager-verzamelaars rond 15 procent schommelde. Maar dat is nog geen doorslaggegevend argument voor de stelling dat het geweld afneemt. Want er bestaan veel meer vormen van geweld dan moord alleen. Ik kan straks op uw gezicht slaan, dat is dan een vorm van fysiek geweld maar geen moord. Geweld hoeft trouwens niet altijd fysiek te zijn. Ik kan u psychisch folteren, ook dat kan flink pijn doen.’

 

Zou het kunnen dat we gevoeliger geworden zijn?

Lauwaert: ‘Dat denk ik wel. We willen geweld een halt toeroepen, en dat is prima. Maar de keerzijde is dat we steeds meer dingen als geweld catalogeren. Zaken die vroeger nooit als geweld werden omschreven, vinden we nu wél gewelddadig. Zo plakken tegenwoordig nogal wat mensen het label ‘geweld’ op een handeling als ‘beledigen’. Duwen en trekken in een betoging wordt ook als geweld beschouwd. Vroeger niet. Echt geweld is per definitie ernstig, omdat het altijd gepaard gaat met schade, lichamelijk of geestelijk. Door beledigen ook als een vorm van geweld te beschouwen en ons daarop te focussen, vrees ik dat we vormen van geweld uit het oog verliezen die wel ernstige gevolgen hebben. Het is dus niet onzinnig om te onderzoeken wat we in ons doordeweekse taalgebruik verstaan onder geweld en om te bepalen wat er onder valt en wat niet. Filosofie van geweld vormt een bijdrage aan die discussie.’

 

Maar is dat door onze grotere gevoeligheid sowieso niet een erg moeilijke discussie geworden?

Lauwaert: ‘In het algemeen zijn we het er met zijn allen toch over eens wat geweld is en wat niet. Geweld is altijd een daad tegenover iets. De Engelsen zeggen: “It is something which is done.” Dat klinkt op het eerste gehoor misschien nogal onnozel, maar als er sprake is van geweld kan je niet zeggen dat het niet begaan werd. Het gebeurt ten opzichte van ‘iets’. Mijn ‘iets’ overkoepelt drie begrippen: objecten, dieren en personen. Ook dieren zijn slachtoffer van geweld: denk maar aan de gruwelijke beelden onlangs uit dat slachthuis. Er kan ook geweld uitgeoefend worden op objecten. Vandalisme dus, al is volgens sommigen niet elke vandalenstreek een daad van geweld. Als iemand een grafsteen vernietigt, is dat wel zo. Net als wat de IS in Palmyra heeft aangericht.’

 

Is het verscheuren van de koran ook een vorm van geweld?

Lauwaert: “Er is sprake van geweld op objecten als er een zekere ernst aan verbonden is. Als ik u een foto van mijn vrouw geef en u verscheurt die, zal ik me diep beledigd voelen, maar toch is dat geen daad van geweld. Uw actie zal mij veel pijn doen, maar niet alles wat pijn veroorzaakt, is gewelddadig. Ook niet elke vernietiging van een object is gewelddadig. Een garagist kan een auto demonteren zodat er enkel nog onderdelen overblijven. Hij heeft die auto vernietigd en heeft zich toch niet bezondigd aan geweld. Ik keur het verscheuren van de koran niet goed en beveel dat ook niet aan, maar of we het een vorm van geweld moeten noemen? Geweld gaat altijd om een oneigenlijke omgang, “niet overeenkomstig de bedoeling”, met een object, dier of persoon.’

 

Als wij het opblazen van historisch erfgoed in Palmyra door de IS als een vorm van geweld beschouwen, mogen moslims het vernietigen van hun heilige boek door bijvoorbeeld de Amerikaanse dominee Terry Jones toch ook als een vorm van geweld zien?

Lauwaert: ‘(Denkt na en knikt) U hebt gelijk, dat is ook een duidelijke vorm van geweld. Er wordt op een oneigenlijke manier met het object omgegaan en zo wordt er schade aangericht. Er is ook oneigenlijke omgang mogelijk zonder schadelijke gevolgen. U steekt ter begroeting uw hand naar mij uit; in plaats van uw hand te drukken, streel ik over uw arm. Ik verwar u zo heel even, maar schade richt ik niet aan.’

 

Als u me op mijn neus slaat in plaats van me een hand te geven, richt u wel schade aan.

Lauwaert: ‘Dan zitten we in het hoofdstuk geweld tegenover personen. De schade van de oneigenlijke handeling kan dan lichamelijk zijn, zoals een gebroken neus. Als ik u vervolgens ook nog folter, kan dat geweld u een psychisch trauma opleveren. Bij geweld op personen heeft de dader meestal de intentie om het slachtoffer te beschadigen. Ik sla u en u bloedt. Als u zich op tijd terugtrekt, hebt u geen pijn en ook geen lichamelijke schade, toch blijft het een gewelddaad. Bij geweld tegen objecten is er altijd schade, bij personen niet. Een bokser kan een slag incasseren zonder dat er schade veroorzaakt wordt. Al is op lange termijn boksen natuurlijk niet zo gezond voor de hersenen. (lacht)’

 

Leven we vandaag in een slachtoffercultuur, in een maatschappij waarin mensen zichzelf graag erkend willen zien als slachtoffer?

Lauwaert: ‘Soms lijkt het inderdaad alsof we in een samenleving vol Calimero’s beland zijn. (lacht) We voelen ons graag slachtoffer en dat heeft waarschijnlijk ook te maken met onze steeds breder wordende notie van wat geweld is. Sinds de jaren zeventig zijn we dat stelselmatig aan het oprekken: beledigen, onrecht aangedaan worden, duwen en trekken in betogingen: allemaal geweld. Anno 2017 is zo goed als alles een mogelijke bron van geweld en stellen we ons voortdurend als slachtoffer op. We zitten hier nu in een rustig koffiehuis waar alles vredig lijkt, maar zelfs deze lieflijke plek kan ontaarden in een oord vol geweld. Ik wil koffie, maar mijn favoriete bonensoort is er niet, terwijl ik vind dat ik daar recht op heb. Ik voel me dus onrecht aangedaan en word daar zeer boos en ongelukkig over. Ik trek het nu misschien een beetje in het belachelijke, maar ik wil enkel illustreren hoe ver we gaan in het oprekken van het geweldbegrip en in het cultiveren van onze slachtofferrol. Tezelfdertijd zien we iedereen als potentiële dader. Zo wordt het natuurlijk moeilijk om een samenleving op te bouwen. Elke buurt wordt onleefbaar als iedereen ofwel een mogelijk slachtoffer, ofwel een dader is. Meer dan ooit hebben we nood aan duidelijke definities van wat geweld is, en dat is net ook een van de taken van de filosoof. Je wilt je kinderen toch niet het mensbeeld meegeven dat we allemaal slachtoffers zijn, omringd door daders? Dat is toch een extreem negatieve invulling van wat het betekent om mens te zijn?’

 

Heeft onze overgevoeligheid voor geweld en ons ‘verlangen’ om slachtoffer te zijn en de anderen als dader te beschouwen, iets te maken met het verlies aan “grote verhalen”?

Lauwaert: ‘(Denkt diep na) Door de secularisering en individualisering liggen de grote verhalen inderdaad op apegapen. Zij hadden een soort van koepelfunctie en verenigden mensen rond een gedeeld wereldbeeld. De individualisering hoeft niet per se negatief te zijn: mensen nemen nu beslissingen op basis van hun eigen interesses en bevindingen, niet op wat de zuil hen voorschrijft. De grote verhalen verdwijnen en we leven in een steeds liberaler wordende cultuur. Vroeger werden allerlei vormen van agressie, ongemak, frustratie en angst gekanaliseerd en geabsorbeerd via het grote verhaal, door de zuil waartoe mensen behoorden. De frustratie en agressie die we allemaal wel eens voelen, raken we nu inderdaad steeds minder op collectieve wijze via bijvoorbeeld de vakbond kwijt. Uitingen van agressie worden geïndividualiseerd of diep vanbinnen opgepot. Je kan veel kritiek hebben op Sigmund Freud en de psychoanalyse, maar als er een ding is wat Freud ons geleerd heeft, is het dat frustratie en agressie een uitweg moeten vinden. De psychische gesteldheid van de burgers in onze samenleving doet vermoeden dat er inderdaad iets fout loopt. De spectaculaire toename van depressie en burn-out zou ook wel eens te maken kunnen hebben met agressie en frustratie die zich naar binnen richt.’

 

Er volgen vaak collectieve demonstraties op uitingen van ‘zinloos geweld’. Bestaat er dan ook zoiets als zinvol geweld?

Lauwaert: ‘De term “zinloos geweld” verwijst naar vormen van geweld waarbij de act van geweld niet gerechtvaardigd is en niet in verhouding tot het doel dat iemand wil bereiken. “Zinloos geweld” gaat altijd over kleine geweldsvormen en niet over grootschalig oorlogsgeweld. Denk aan de scholier Joe Van Holsbeeck die in 2006 op klaarlichte dag in Brussel door twee jongens werd doodgestoken, nadat hij geweigerd had om zijn mp3-speler af te geven. Het geweld op Van Holsbeeck was niet gerechtvaardigd en niet in proportie. Met de omschrijving “zinloos geweld” tonen mensen eerst en vooral hun afkeer. Terecht, vind ik.

Sommigen hebben een probleem met de term “zinvol geweld”. Ze vinden dat een rare constructie omdat ze ervan uitgaan dat geweld per definitie nooit gerechtvaardigd en altijd fout is. Filosofen spreken dat tegen. “Geweld is op het eerste gezicht fout, maar misschien niet op het tweede gezicht”, zeggen zij. Het is goed dat we schrikken bij een daad van geweld, maar het zou best wel eens kunnen dat er een goede reden voor was. Heel wat militaire interventies zijn vormen van geweld die gerechtvaardigd zijn.’

 

Of die op het eerste gezicht gerechtvaardigd lijken en op het tweede gezicht een zware vergissing zijn. Denk maar aan de invasie in Irak.

Lauwaert: ‘Die invasie was op leugens gebouwd; dat geldt niet voor alle militaire interventies. Je moet echt al een absolute pacifist zijn als je stelt dat alle interventies niet alleen op het eerste, maar ook op het tweede gezicht niet gerechtvaardigd zijn. Ik voer geen pleidooi voor geweld, maar ik vind het wel eigenaardig dat sommige mensen alle vormen van geweld altijd als fout beschouwen. Soms is geweld zo gerechtvaardigd dat het bijna immoreel is om het niet te gebruiken. Stel dat we in een dictatuur leven en dat ik zeker weet dat de dictator op het punt staat om veel tegenstanders over de kling te jagen. Dan is het gerechtvaardigd dat ik de despoot met een welgemikt schot het hoekje omhelp. Want zo zal ik de levens van zeer veel medemensen redden. Stel dat er in deze koffiebar zo meteen brand uitbreekt, dan is het gerechtvaardigd dat wij samen met fors geweld de deur inbeuken om ons leven en dat van de andere stamgasten te redden. Er bestaat trouwens ook zinvol geweld dat geen doel heeft en niet gebruikt wordt om bijvoorbeeld een onderdrukte minderheid te bevrijden. Sommige vormen van geweld lijken dwaas, wild, ongecoördineerd en worden op sociale media afgekeurd, maar hebben tòch zin. Ik heb het dan over die vormen van geweld die voortvloeien uit sociale of collectieve woede.’

 

Zoals we dat in november 2014 konden meemaken op een grote betoging in Brussel toen de auto van een elektricien door een groep demonstranten in brand gestoken werd?

Lauwaert: ‘Precies. Of die actie gerechtvaardigd was, doet er nu niet toe, maar dat doelloze geweld had wel een zekere zin. Er is geweld dat iets duidelijk wil maken, geweld dat gelezen moet worden als een soort van bijbeltekst. Als toeschouwer moet je dan onder het oppervlak kijken. Herinnert u zich de opstoot van geweld in oktober 2005 in de Parijse banlieues? Twee tienerjongens waren op de vlucht voor de politie, verstopten zich in een elektriciteitscabine en raakten geëlektrocuteerd. De politie werd daarvoor verantwoordelijk gehouden en niet veel later braken er onlusten uit. Er vonden confrontaties plaats tussen jongeren en de politie. Het geweld verspreidde zich vervolgens razendsnel over andere Franse steden, en ook over steden in België en Duitsland. De volgende twee weken gingen duizenden auto’s in vlammen op. In al dat geweld moet je de boodschap proberen lezen. Het was geen revolutionair geweld, maar had wel een signaalfunctie: “Er schort iets aan het systeem.”’

 

Dat soort van geweld is misschien ook een vorm van collectief stoom aflaten?

Lauwaert: ‘Dat geldt zeker als er een rechtstreeks verband is tussen woede en geweld. Ik kan diep vanbinnen kolken van woede en het kan zo erg worden dat ik in blinde razernij dat glas hier neem en het tegen de grond keil. Natuurlijk is dat stom en doelloos geweld waar ik niets mee bereik. Toch kan het zin hebben, al was het maar omdat ik zo stoom aflaat. Zelfs als ik alleen in een kamer ben en even met mijn vuist tegen de muur klop, kan dat een manier zijn om te kalmeren. Zo installeer ik afstand tussen mezelf en de woede. Die vorm van geweld kun je vergelijken met rouw. Je vriend of vriendin verlaat je en het lijkt alsof je wereld instort. Door in een brief je gevoelens neer te schrijven, creëer je afstand. Rouwrituelen hebben zin: ze helpen je verdriet op afstand te zetten. Met stom geweld zoals het smijten van een glas of het slaan tegen een muur, zet je ook woede op afstand.’

 

Maar geweld is toch van een andere orde dan rouw? Net als geweld kan rouw of liefdesverdriet escaleren, alleen is de rouwende daar dan zelf de dupe van. Bij escalerend geweld worden anderen de dupe. Neem kindermishandeling: een ouder slaat zijn kind de eerste keer misschien vanuit onmacht. Er volgt een tweede en een derde keer en gaandeweg wordt het kind de favoriete boksbal van de gefrustreerde vader of moeder.

Lauwaert: ‘Geweld kan escaleren, maar er leeft ook een mythe over de escalatie van geweld. We lezen in kranten en tijdschriften soms levendige verslagen over grote vechtpartijen in steden, terwijl die in werkelijkheid niet zoveel blijken voor te stellen. In werkelijkheid escaleert geweld niet zo vaak, behalve dan in oorlogssituaties. Militairen veroveren een dorp en doen er nog een schepje bovenop: ze vernietigen het. Ze hebben hun doel bereikt, maar gaan in overdrive en branden het dorp plat, verkrachten alle vrouwen, mishandelen de kinderen en zetten de mannen tegen de muur. Zo’n escalatie is zeldzaam en gebeurt vooral op die momenten waarop de geweldplegers ervan overtuigd zijn dat de tegenstander niet meer zal terugslaan. Nadat alle dorpen veroverd zijn, wordt dat laatste dorp met de grond gelijkgemaakt. Chimpansees vertonen exact hetzelfde gedrag. Ze maken een chimpansee kapot op het moment dat ze er zeker van zijn dat er geen andere chimpansees in de buurt zijn en de kans op represailles nihil is. Ook bij mensen is de kans op extreem geweld het grootst als de kust veilig lijkt.’

 

Lode Lauwaert (red.), Filosofie van geweld, Polis, 256 blz., 24,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Mensen zijn heel mak, en dat is gevaarlijk, want zo heeft het fascisme in Duitsland ingang gekregen’

In oktober 2015 ging Michaël Borremans’ werk Girl with duck bij Sotheby’s voor 2,7 miljoen euro over de toonbank. Zelf verdiende hij daar toen niet zo veel aan, maar het katapulteerde hem in één klap tot ‘duurste levende Belgische schilder’. “Al dat geld is collateral damage.”

 

Wereldwijd geldt Michaël Borremans (53) als een van de grootste nog levende Belgische kunstenaars. In zijn thuisstad Gent rijdt hij gewoon met de fiets rond en houdt niemand op straat hem tegen voor een selfie of een handtekening. We hebben afgesproken in zijn favoriete Italiaanse osteria in de schaduw van het oude RTT-gebouw. “Al duizend keer reed ik met de fiets naar dit restaurant, en toch slaagde ik er daarnet in om helemaal in gedachten verzonken verloren te rijden”, zegt hij terwijl het voorgerecht wordt opgediend. “Hoe is dat nu mogelijk? Al heeft het feit dat het mogelijk is ook iets zeer bevrijdends.”

 

Is dat ook niet een beetje verontrustend?

Michaël Borremans: “De code van mijn creditcard niet meer kunnen herinneren als ik wil betalen, dàt is verontrustend én vervelend. Maar verdwalen op een plek die ik goed ken, lijkt op de verwondering die ik als kind had. Eigenlijk is het toch een kwaliteit om verloren te lopen in een stad waar ik al 25 jaar woon? (lacht)”

 

Uw atelier is hier in de buurt?

Borremans: “Eén wel. Op dit moment gebruik ik drie verschillende ateliers. Vroeger had ik er maar één en als ik dan geen inspiratie had, niet verder kon met een werk of geblokkeerd zat, ging ik op de lappen of deed ik andere onverstandige dingen. Maar door ouder te worden besef ik dat mijn werk voor mezelf alleen maar boeiender wordt. Ik vind het steeds meer de moeite waard, en daarom wil ik er ook veel tijd in investeren. Eens de 50 gepasseerd, besef je dat je tijd opraakt. Dus moet je die zo nuttig mogelijk invullen. Ik leen een tweede atelier van een vriend. Als ik tijdens een werk blokkeer, verhuis ik naar dat andere atelier waar ik op een ander moment ook geblokkeerd zat. Daar weet ik dan een antwoord op, omdat ik uit een andere context kom en er met nieuwe ogen arriveer. Op dit moment heb ik drie werkplekken langs waar ik mijn tournee maak. Een tijdje geleden kocht ik zelfs een Porsche 911 om de afstanden sneller te kunnen overbruggen. Maar ik heb die auto weer verkocht, want dat was niks voor mij. (lacht) Ik wil alleen maar zeggen dat ik alles in mijn leven organiseer in functie van het werk.”

 

Wat misschien niet echt gezond is.

Borremans: “Dat is altijd zo geweest en wordt alleen maar erger. Ik ben daar zeer tevreden mee. Natuurlijk lijdt mijn sociaal leven daar onder. Als ik aan het werk ben, word ik soms een kluizenaar. Maar ik ben dan wel perfect gelukkig. Hou ouder ik word, hoe meer ik dat kluizenaarsschap apprecieer. Dat heeft ook te maken met slechte ervaringen met sommigen. De schrijver Gerard Reve had niet helemaal ongelijk toen hij zei: ‘Met de meeste mensen kun je beter niks te maken hebben.’ Ik ben geen misantroop, maar ik koester wel de momenten van splendid isolation.”

 

Streelt het uw ego dat u wereldwijd tot de meest invloedrijke Belgische kunstenaars behoort?

Borremans: “Als dat écht zo zou zijn, uiteraard wel. Er leeft een mythe dat ik bescheiden ben, maar dat is niet zo. Nee, voor mezelf ben ik de interessantste kunstenaar ter wereld. En elke kunstenaar die dat niet van zichzelf denkt, is slecht bezig of liegt. Je moét ervan overtuigd zijn dat je werk ertoe doet en relevant is. Anders ben je niet geloofwaardig.

“Het belang van een kunstenaar moet gemeten worden aan zijn invloed, niet aan zijn marktwaarde of aan de beoordelingen van experts. Alleen kun je die invloed alleen maar achteraf vaststellen. De Nederlandse modernistische kunstenaar Mondriaan heeft nog steeds een verpletterende invloed. Zijn beeldtaal drukte een stempel op de schilderkunst, maar ook op de vormgeving en de architectuur. Hij heeft voor verandering gezorgd, net als Marcel Duchamp, Pablo Picasso en Andy Warhol. Zij bestonden niet op zichzelf, maar hun kunstenaarschap werd gevoed door een grotere context.”

 

Moet elke kunstenaar die ambitie hebben om invloedrijk te worden?

Borremans: “Niet noodzakelijk. Als kunstenaar kun je daar niet bij stilstaan of rekening mee houden. Mijn werk ontstaat uit intuïtie, uit noodzaak om me te manifesteren in de taal die me ligt. Zonder kunst zou ik niet compleet zijn. Ik zou niet op het juiste spoor zitten en me verloren voelen, want ik ben tot niets anders in staat. Maar het hoeft niet de schilderkunst te zijn, ik had net zo goed voor televisie kunnen werken. Of een boek kunnen schrijven, of een slechte muzikant worden. (lacht) Dat laatste ben ik intussen trouwens ook. Ik speel elke dag gitaar omdat ik me alleen zo echt kan ontspannen. Ik heb onlangs een band opgericht samen met de fantastische gitarist Steven Janssens. Niet zo lang geleden speelden we voor het eerst voor publiek op de openingsavond van een groepstentoonstelling in het Zwitserse mondaine skidorp Gstaad. Ik vond mezelf niet zo goed, maar het publiek was zeer enthousiast. De andere muzikanten waren uitstekend, ook al hadden we niet veel gerepeteerd, maar professionals zoals zij don’t fuck up. Ik voel me een gerateerde rocker. Toen ik bijna dertig was, dacht ik: ‘Nu is het te laat, ik ben te oud om een rockband te beginnen.’ Op je vijftigste kan dat dan weer wel. (lacht)”

 

Was het als schilder een lange, lastige weg naar het internationale succes?

Borremans: “Nee, ik heb een beetje geluk gehad. Ik was al 37 toen ik als kunstenaar voluit naar buitenkwam. Daarvoor was ik leraar. Ik was wel bezig met mijn kunstenaarschap, maar op halve kracht. Daardoor had ik de tijd om mijn werk langzaam en in de schaduw tot ontwikkeling te laten komen. Toen ik debuteerde, was dat een instant succes en dankzij de samenwerking met galeriehouder Frank Demaegd ging het meteen snel.

“Het leraarschap is natuurlijk een engagement. Het is niet gemakkelijk om elke dag een goede leraar te zijn.”

 

Was u een goede leraar?

Borremans: “Op sommige dagen wel, al heb ik ook veel fouten gemaakt. Ik probeerde het lesgeven wel zeer ernstig te nemen: het is een heel complex, onderschat beroep. Het basisonderwijs zou veel hoger ingeschat moeten worden, beter betaald en de opleiding mag best uitgebreider. Ik vind dat de maatschappij constant in de inhoud van het onderwijs moet investeren. In Amerika hebben ze het basisonderwijs decennialang verwaarloosd en nu zitten ze opgescheept met Donald Trump als president. You reap what you sow.

“Als leraar in de humaniora merkte ik dat er jonge mensen afstudeerden die niet zonder fouten konden schrijven. In die tijd was dat waarschijnlijk nog maar een minor problem. Ik vrees dat de toestand ondertussen veel verslechterd is. Terwijl het zo ontzettend belangrijk is dat de liefde voor taal en cultuur via het onderwijs aan jongeren wordt meegegeven. Een vak als geschiedenis is ook van levensbelang: we moéten weten waar we vandaan komen. Eigenlijk zou elke scholier gestimuleerd moeten worden om In Europa van Geert Mak te lezen.”

 

Is kunstenaar zijn een job of een roeping?

Borremans: “Als het al een job is, is het geen kantoorjob omdat het nooit stopt. Je bent constant kunstenaar, zelfs als je slaapt of onder de douche staat. Het is net als pastoor zijn. In mijn geval is het zeker een roeping, omdat ik nooit een andere optie had. Mijn ouders wisten dat er niks aan te doen was: hun zoon Michaël moest en zou kunstenaar worden. Ik had geen uitzonderlijk talent, maar ik was er wel door bezeten. Die drive is zeer belangrijk.”

 

Hebben mensen met te veel talent de neiging om enkel daarop voort te dobberen?

Borremans: “Wat is talent? Ik zie veel kunstenaars die one trick ponies zijn en zichzelf blijven herhalen. Daarnaast zijn er anderen die constant experimenteren: tot die groep wil ik behoren.

“Je hebt mensen met veel talent én een drive. Rubens indertijd had wat te veel talent. (lacht) Van Gogh was gedreven, terwijl zijn talent in zekere zin beperkt was. Maar hij is toch de beste Van Gogh geworden die hij kón worden. Hij heeft tijdens zijn leven nooit enige vorm van erkenning gehad en is het type dat beantwoordt aan het romantische cliché van de arme miskende kunstenaar. In de 19de eeuw waren de meeste schilders welstellende salonartiesten.”

 

Is succesvol zijn een vloek of een zegen?

Borremans: “Succes hebben is soms moeilijk. Het isoleert, al is die isolatie bij mij een vrijwillige keuze. Als je succes hebt, gaan mensen je anders bekijken. Ze denken dan snel dat je naast je schoenen loopt. Dat is een heel vreemde ervaring. Als ze je contacteren, is het altijd omdat ze iets nodig hebben. Nooit komt iemand langs met de simpele vraag: ‘Hé, hoe is’t? Hoe voelt ge u?‘ Ik word vaak meer als instituut dan als persoon benaderd.”

 

Ook door vrienden?

Borremans: “Uiteraard niet, God forbid. Ik heb weinig echte vrienden, maar de vrienden die ik heb, zijn van onschatbare waarde. Succes is zowel een vloek als een zegen, maar geldt dat niet voor alles? Neem de technologische evolutie: die is sterk aanwezig in onze samenleving en kunnen we niet stoppen. Voor velen is ze een moderne religie. Mijn dochter van zeventien brengt de helft van haar leven door met staren naar een scherm. Ik zeg haar soms: ‘Meisje, zou je niet eens wat tijd investeren in een echt leven?'”

 

U bent geen fan van sociale media zoals Facebook of Twitter?

Borremans: “Nee, ze hebben een dwingend karakter, dus wantrouw ik ze. Ik zit niet op sociale media. Er bestaat wel een Facebook-pagina van mij, maar daar is iemand anders mee begonnen. Dat kan dus ook allemaal: de eerste, de beste kan zich zomaar uitgeven voor iemand anders. Ik vind het heel bizar dat niemand daar tegen revolteert. Mensen zijn heel mak, en dat is gevaarlijk, want zo heeft het fascisme in Duitsland ingang gekregen. De media die toen gebruikt werden, waren ook nieuw.”

 

Bent u nu binnen?

Borremans: “Het financiële is een niet onprettige bijkomstigheid. Het is bijzonder comfortabel om geld te hebben, dat geef ik grif toe. Ik weet ongeveer hoeveel ik bezit, maar ik heb geen flauw idee of dat genoeg is om van te rentenieren. Ik ga ervan uit dat ik honderd jaar word. Ik heb nog altijd een vrij sobere levensstijl, waardoor ik het waarschijnlijk wel tot mijn honderdste kan rekken. Ik heb watervrees, dus hoef ik al geen jacht te kopen. (lacht)

I was never in it for the money. Dat geld is collateral damage. Iets wat je te graag wil, zal nooit tot bij jou komen. Ik heb geen beleggingen en investeer zoveel mogelijk in mijn eigen werk. Ik ben niet zo geïnteresseerd in geld. Wat mij wel interesseert, is in mijn atelier op een boeiende manier met mijn werk bezig zijn. Op dit moment lukt dat vrij goed. Ik ben het gelukkigst als ik begeesterd ben en kan werken. Elke dag dat ik niet werk, is een verloren dag. Op dit moment loopt het redelijk goed en dat mag eeuwig zo blijven duren.”

 

Maar dat zal niet zo zijn.

Borremans: “Nee, het gaat met ups en downs. Nu amuseer ik me te pletter. Dit is een heel boeiende periode, omdat ik stout kan zijn in mijn werk en niet weet waar het zal eindigen. Nee, ik kan u niet zeggen waar ik mee bezig ben. Ik ben daar zeer bijgelovig in en moet er nu verder mijn bek over houden. Ik toon mijn werk zelfs niet aan mijn lief: het is top secret. Ook tegen verzamelaars uit Azië of Amerika die naar mijn atelier komen, zeg ik: ‘Sorry, ik kan jullie mijn nieuw werk niet laten zien. Ik zit in een fase dat het nog te embryonaal is. Ik vind het belangrijk dat ik het een tijdje voor mezelf kan houden.’ De meesten appreciëren dat wel. Al vinden sommigen het moeilijk, omdat ze van ver gekomen zijn. Ze hadden gehoopt op een preview.”

 

Komen er vaak kunstverzamelaars bij u op bezoek?

Borremans: “Af en toe, maar ik tracht dat te beperken en ik laat geen groepen toe. Ik verkoop zelf niets; alles gaat via de galerieën. Gelukkig maar, want ik zou een zeer slechte verkoper zijn. Voor ik met galeriehouders samenwerkte, gaf ik mijn werk cadeau. Ik ben geen commercant of marktkramer, maar een kunstenaar.”

 

Van sommige kunstenaars en galeriehouders wordt beweerd dat ze via stromannen zelf kunstwerken kopen om de prijs op te drijven, om zo de invloed en de marktwaarde van de kunstenaar in kwestie te vergroten.

Borremans: “Ik heb ook al gehoord dat op veilingen de prijzen soms kunstmatig opgedreven worden. Maar als er geen markt voor een werk bestaat en niemand erin geïnteresseerd is, krijg je het nooit verkocht. Prijzen opdrijven, is dus zinloos. De markt is de markt. In tegenstelling tot een paar decennia geleden is de kunstmarkt een vaste waarde geworden. Wie nu een werk van pakweg Donald Judd koopt, weet dat hij er nooit geld aan zal verliezen.”

 

Geldt dat ook voor een werk van Michaël Borremans?

Borremans: “Dat zit er aan te komen, hé. Het wordt wel steeds moeilijker om speculanten af te houden: zij kopen omdat ze rekenen op stijgende prijzen. Donald Judd is dood en ik ben een veel jongere kunstenaar. Ik ben nog in volle evolutie en ik hoop dat ik oud genoeg word om de best mogelijke weg te bewandelen. Ik moét oud worden: ik zou niet graag sterven voor ik uitverteld ben.”

 

Uw dochter zal er na uw dood wel bij varen.

Borremans: “Dat zal ervan afhangen of ze erft. Dat moeten we nog bekijken. Ik wil haar met niets opzadelen of haar van haar vrijheid beroven. Ik heb het er met haar al over gehad.”

 

Sting heeft zijn kinderen ook beloofd dat ze niets zullen erven. Volgens hem zal zijn rijkdom als een molensteen rond hun nek hangen en is het beter dat ze zelf werken voor hun geld.

Borremans: “Dat bericht van Sting in de krant was eigenlijk de aanleiding om het er met mijn dochter over te hebben. Ik liet haar het artikel lezen en zei: ‘Dit is ook een optie.’ Ze vond dat cool. (lacht)”

 

In 2014 had u een grote overzichtstentoonstelling in BOZART in Brussel waar een recordaantal bezoekers op afkwam. Was dat een soort van tijdelijke bekroning van uw kunstenaarschap?

Borremans: “Ik voelde me er alleszins zeer mee vereerd. Die tentoonstelling was nuttig voor mij omdat ik kon terugkijken op wat ik tot dan gedaan had. Ik werd gedwongen om zelf mijn oud werk te evalueren. Doordat ik er oog in oog mee stond, zag ik wat er me stoorde. Ik leerde toen wat voor verbetering vatbaar is en ik voelde me ertoe gedwongen om nieuw en beter werk te gaan maken. Ik heb toen ook ontdekt dat de manier waarop toeschouwers mijn werk becommentarieerden, me soms stoorde. Ik zocht de fouten vervolgens bij mezelf. ‘Misschien staat dat werk niet helemaal op punt. Misschien komt er niet altijd uit wat ik bedoeld heb.'”

 

U liep rond op uw eigen tentoonstelling, observeerde hoe mensen op uw werk reageerden en luisterde hun gesprekken af?

Borremans: “Nee, ik luisterde niemand af: ik werd er zelf veel over aangesproken. Ik ben er nauwelijks geweest omdat ik het niet kan verdragen om op mijn eigen tentoonstelling rond te lopen. Ik word ook niet graag gefotografeerd bij mijn werk. Het vergt van mij al een zeer groot engagement en een zware inspanning om het te maken, dan mag het stoppen. Ik wil het ook zelf niet analyseren; er zijn mensen die dat veel beter kunnen.”

 

U kreeg nogal wat kritiek toen de tentoonstelling naar Tel Aviv verhuisde.

Borremans: “Ik was daar zwaar door gechoqueerd. Ik wist toen niet goed hoe te reageren. Ik vond het pijnlijk om te horen en te lezen hoe sommigen zichzelf een soort morele superioriteit toedichtten, zonder er rekening mee te houden dat ik misschien een meer genuanceerde visie op Israël en de Palestijnse kwestie heb. Ik geloof dat in dit geval een culturele boycot gewoon averechts werkt. Israël is een jong land dat nood heeft aan meer cultuur. Een maatschappij kan alleen maar progressiever en zelfkritischer worden als er meer cultuur ontwikkeld wordt. De Israëlische nederzettingenpolitiek kan enkel van binnenuit veranderd worden. Het is en blijft een democratisch land. Een culturele boycot helpt geen sikkepit.”

 

Hoe belangrijk zijn kunstpausen en curatoren voor de reputatie of de invloed van een kunstenaar?

Borremans: “Curatoren, museumdirecteurs en galeriehouders hebben een niet te onderschatten invloed én verantwoordelijkheid. De ene curator houdt van je werk, de andere niet. Daar is niets mis mee, alleen zijn sommige curatoren nogal modieus waardoor ze voorspelbare tentoonstellingen maken. Ik hou meer van hun vakbroeders die afwijken van de norm en hun persoonlijke signatuur in hun selectie nalaten. Kunstenaars die het heel goed doen op de internationale kunstmarkt, worden door curatoren vaak gewantrouwd. Ze beschouwen hen als ‘commercieel’. Ik vind dat een bizarre redenering, want waarom zou inhoudelijk interessant werk geen commercieel succes mogen hebben?”

 

U wordt door een aantal curatoren ook beschouwd als een commercieel kunstenaar?

Borremans: “Op de ranking van de markt scoor ik hoog, dat is onmiskenbaar zo. Bij verschillende curatoren scoor ik dan weer iets minder. Ik vind dat niet erg; ik hoef niet door iedereen omarmd te worden. Het is goed dat mijn werk hier en daar weerstand oproept, dat is zelfs essentieel. Het cliché wil dat het dan interessanter wordt. (lacht)”

 

(c) Jan Stevens

‘Ceci n’est pas un peintre’

Vijftig jaar na de dood van onze grootste surrealistische schilder René Magritte blijven zijn gemaskerde appels, zwevende bolhoeden, wolkenvogels en pijpen die geen pijpen zijn tot de verbeelding spreken. Maar was hij wel een surrealist? En bovenal: was hij wel een schilder?

 

Op 15 augustus is het precies vijftig jaar geleden dat René Magritte stierf. 15 augustus wordt ook de dag waarop het boek Magritte ontsluierd van de in kunst gespecialiseerde journalist Eric Rinckhout verschijnt. ‘René Magritte was één van de eerste schilders waarmee ik als kleine jongen in aanraking kwam,’ zegt hij. ‘Ik keek gefascineerd naar zijn bolhoedmannetjes, naar de trein die uit de schoorsteenmantel kwam gereden en naar de man die zijn eigen achterhoofd in de spiegel zag. Al die intrigerende beelden waar je als toeschouwer aanvankelijk kop noch staart aan krijgt, vormen de charme van het merendeel van Magritte’s werk.’

Ook voor Bart Verschaffel, cultuurfilosoof en professor architectuurtheorie en -kritiek aan de UGent, waren de schilderijen van René Magritte zijn eerste kennismaking met de wereld van de kunst. ‘Eén van de eerste grote tentoonstellingen die ik zag, draaide rond zijn werk’, zegt hij. ‘Magritte schilderde niet alleen, maar schreef ook veel. Al zijn teksten zijn verzameld in een dik boek en getuigen van verstand en luciditeit. Zijn vrienden waren geen schilders, maar dichters, filosofen en intellectuelen. Hij moest niets hebben van kunstenaars die werkten vanuit hun buikgevoel.’

Kunstkenner Claude Blondeel dweepte in zijn jonge jaren met René Magritte, maar verloor later zijn interesse in diens werk. ‘Ik heb hem pas eind vorig jaar herontdekt met de grote retrospectieve “La trahison des images” in Centre Pompidou in Parijs. De tentoonstelling begon met zijn geschriften. Magritte correspondeerde met Michel Foucault die ook een boek over hem schreef. In Parijs ontdekte ik Magritte als filosoof. Wat een denkende schrijver met woorden doet, voerde hij met beelden uit. Hij is geen schilder in de zuivere zin van het woord. Echt grote schilders zijn figuren als Rembrandt en William Turner. Het is niet omdat je met een in verf gedoopt penseel over een canvas strijkt, dat je automatisch een goede schilder bent. Magritte is geen goede schilder, maar een denker. Hij zet ons aan het denken door voorwerpen naast elkaar te plaatsen die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Zo creëert hij een afgrond die ons verontrust, ons doet schrikken en dromen. Het voorbeeld bij uitstek is zijn afbeelding van de hyperrealistische pijp met daaronder Ceci n’est pas une pipe. Natuurlijk is het geen pijp, maar de afbeelding van een pijp. Het is belangrijk om te weten dat het werk “La trahison des images” heet. Magritte’s titels zijn van wezenlijk belang.’

‘Bij Magritte zijn beeld en titel als twee vuurstenen die vonken veroorzaken’, beaamt Bart Verschaffel. ‘Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en laten een raadselachtig schilderij ontstaan of een beeld dat het statuut heeft van een raadsel. Het schilderen zelf vond hij niet belangrijk. Daardoor lag zijn focus niet op het schildersambacht, maar op het beeld. Tezelfdertijd dacht hij na over wat kunst is. Die vraag vond haar oorsprong bij de twintigste-eeuwse Franse kunstenaar Marcel Duchamp en zijn urinoir ‘Fontein’. Wat is kunst en wat niet? En is iets kunst van zodra de kunstenaar zegt dat het kunst is?’

 

Gesluierd

Eric Rinckhout vindt de werken van Magritte “schilderkunstig” minder interessant. ‘Dat komt omdat hij zo accuraat mogelijk schilderde’, zegt hij. ‘Zijn werk is zeer precies. Zijn bijna fotografisch gereproduceerde werkelijkheid was tegelijkertijd een onmogelijke werkelijkheid. Hij speelde met de botsing tussen die twee. Hij heeft altijd geweigerd om zijn werk uit te leggen. Hij stelde: “Als ik het verklaar, vernietig ik het mysterie, terwijl ik net wil laten zien dat we in een mysterieuze wereld leven.” Elke biografische interpretatie ontweek hij.’

René Magritte was dertien toen zijn moeder zelfmoord pleegde. Eric Rinckhout: ‘Ze sprong in de Samber en verdronk. Volgens Georgette Magritte heeft haar man René daar zijn leven lang nooit iets over verteld. Maar het effect van die traumatische gebeurtenis kan niet onderschat worden. Ze moét zijn arsenaal aan beelden wel gevoed hebben. Gezichten ontbreken vaak of zijn gesluierd: waarschijnlijk zijn het verwijzingen naar de dood van zijn moeder. Dertien dagen na haar wanhoopsdaad werd ze met haar nachtkleed over haar hoofd uit de rivier opgevist. Ze lag opgebaard in het ouderlijke huis en dat kan niet anders dan een zeer grote indruk op die jongen van dertien hebben gemaakt.’

In de loop van zijn leven gaf René Magritte een paar lezingen over de fundamenten van zijn werk. ‘Hij vertelde toen dat hij met zijn schilderijen filosofische problemen wou onderzoeken’, zegt Eric Rinckhout. ‘In “Le viol”, De verkrachting, is het vrouwengezicht veranderd in een naakte vrouw: de ogen zijn borsten en de mond is het geslacht. Magritte wil daarmee zeggen: als een man naar een vrouw kijkt, ziet hij haar naakt. Met andere woorden: elke tien minuten denkt een man aan seks. Magritte onderzocht ook taal: Ceci n’est pas une pipe is daar een voorbeeld van. Het woord dat we aan een bepaald object verbinden, is niet meer dan een afspraak die we maken. Zo ondermijnt hij het schoolboek waarin staat: Ceci est une pipe. “Aap, noot, mies”, lezen we op de schoolbanken. Plots is er dan Magritte die zegt: “Dit is geen aap.”’

 

“Dit is geen surrealist”

Volgens Luc Tuymans, een van onze grootste hedendaagse schilders, is René Magritte geen surrealist. Om die stelling te onderbouwen, verwijst hij naar “La trahison des images”. ‘In tegenstelling tot wat veel mensen denken, is dat schilderij zeer reëel’, zegt hij. ‘Want het is geen pijp, maar de afbeelding van een pijp. Ceci nest pas une pipe is dus niets meer of minder dan de waarheid.’

‘Magritte vond zelf dat hij geen surrealist was”, zegt Bart Verschaffel. ‘Hij zit ook niet in de traditie die het droomachtige trachtte te stimuleren. Maar een aantal van zijn schilderijen van halverwege de jaren twintig haalden hun inspiratie wel uit de irrealiteit. Als het al een misverstand zou zijn dat hij als surrealist gecatalogeerd staat, is dat een begrijpelijk misverstand. Hij was zeer ironisch en gebruikte de surrealistische strategieën van spot en van het niet ernstig nemen van zaken die door de goegemeente wel ernstig genomen werden.’

Ook Claude Blondeel vindt Magritte geen diehard surrealist. ‘Het surrealisme was oorspronkelijk een Parijse historie, met André Breton op kop als schrijver van het in 1924 verschenen Manifest van het Surrealisme. In België waren ook surrealisten actief, alleen gedroegen zij zich veel anarchistischer dan hun Franse geestesgenoten. Breton noemde zichzelf de paus van het surrealisme, al paste “de ayatollah” beter bij hem. In het begin verdiende René Magritte zijn brood als reclametekenaar. Hij wou naar Parijs, want daar gebeurde het allemaal. De Franse dichter Paul Eluard bood aan om hem te introduceren bij André Breton. Magritte voelde zich vereerd en trok samen met zijn vrouw naar Parijs. Eluard haalde hen op en zag dat Georgette een gouden kruisje van haar plechtige communie droeg. Hij waarschuwde haar: “U weet toch dat André Breton antiklerikaal is en zelfs antigodsdienstig? U kan dat kruisje misschien beter afdoen.” Magritte reageerde meteen: “Geen sprake van.” Ze kwamen bij Breton en dronken koffie. Breton zag het kruisje en noemde Georgette een kwezel. René stond recht: “Georgette, nous partons.” En weg waren ze. René Magritte en zijn Belgische surrealistische vrienden waren kwajongens, plezante gasten die afspraken in het Brusselse café Het goudblommeke in papier waar nog altijd die grote foto hangt waar ze allemaal samen opstaan. De Belgische surrealisten waren veel minder doctrinair dan hun Franse ‘medebroeders’. De Franse surrealisten predikten de vrijheid, terwijl homoseksuelen bij hen niet welkom waren.’

 

Période Vache

In de vooroorlogse jaren bleef het grote commerciële succes voor René Magritte uit. ‘In de jaren twintig en dertig had hij wel wat werk verkocht, maar hij had het nooit erg breed’, zegt Eric Rinckhout. ‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij even uit het bezette België weg. Hij keerde terug en begon op een totaal andere, ‘wilde’ manier te schilderen: kleurrijk impressionistisch, met een surrealistische inslag. Zijn werk uit de periode vlak na WO II vind ik zeer boeiend. Hij baseerde zich op de thema’s en motieven van Renoir. Zijn verhouding met de Franse surrealisten raakte totaal vertroebeld en in zijn zogenaamde Période Vache ging hij helemaal loos en begon op een bijna karikaturale manier te schilderen. Hij stapte met les pieds dans le plat. Zijn tentoonstelling in Frankrijk was een complete ramp. Niemand begreep zijn werk. Ik kende die periode wel, maar wist niet dat de omslag zo groot was. Dat heb ik pas ontdekt door voor mijn boek dieper in zijn leven en werk te duiken.’

Bart Verschaffel: ‘Na WO II kon hij meermaals in Parijs tentoon stellen. Hij zal toen wel gehoopt hebben dat hij zo met het Parijse milieu kon aanknopen. Dat lukte niet en in zijn Période Vache zette hij al die mensen een neus. Op dat moment had hij zijn contracten met Amerika rond. Daar groeide hij uit tot een succesvol schilder dankzij de Griekse galeriehouder Alexander Iolas. Die introduceerde hem in de Verenigde Staten en begon er zijn werken te verkopen. Magritte is een van de eerste Belgische kunstenaars die succesrijk werd in de VS. Hij zag het land als zijn commercieel afzetgebied; de Amerikanen waren geen intellectuele sparringpartners. In Parijs raakten zijn werken niet verkocht, maar die stad bleef wel zijn intellectueel referentiepunt.’

Op aanraden van Alexander Iolas begon René Magritte terug op zijn klassieke manier te schilderen. Eric Rinckhout: ‘De tentoonstellingen die Iolas in de VS organiseerde, zorgden voor een oplaaiende interesse voor het surrealisme. Met frisse tegenzin keerde Margritte terug naar de stijl van voor de Période Vache. Hij heeft toen zeker nog zeer goede schilderijen gemaakt. Hij varieerde veel op dezelfde thema’s, maar verlegde tezelfdertijd grenzen. Hij schilderde verschillende versies van “l’Empire des Lumières”, Het rijk der lichten, het beroemde schilderij van de lantaarnpaal voor het huis, waarop het zowel dag als nacht is. Als je al die versies met elkaar vergelijkt, merk je evolutie. Zijn vierde of vijfde versies zijn vaak de beste.’

Zou hij uitgegroeid zijn tot een nòg interessantere schilder als hij Iolas niet had ontmoet en was blijven experimenteren? Rinckhout: ‘Zijn Période Vache vond hijzelf alvast surrealisme in het kwadraat: hij schilderde niet alleen surrealistisch, maar zette ook nog eens iedereen op het verkeerde been. Hij bracht toeschouwers in totale verwarring. André Breton trok toen definitief de deur dicht.’

 

Beeldenmaker

René Magritte schilderde snel en veel. ‘Er was een jaar waarin hij honderd schilderijen maakte’, zegt Claude Blondeel. ‘Zijn Brusselse vriendenkring kwam op vrijdagavond bij hem thuis in de Esseghemstraat in Jette. Magritte was een huismus en hing niet rond in salons of cafés. Op die vrijdagavonden toonde hij de schilderijen die hij de voorbije week gemaakt had. Dan mochten zijn vrienden titels voorstellen: de meest maffe won.’

Samen met zijn vrienden draaide hij verschillende amateurfilmpjes. ‘Margritte hield van foto’s en van film en was een begenadigd beeldenmaker’, zegt Eric Rinckhout. ‘Als hij nu zou leven, was hij misschien geen schilder maar maakte hij games, films of video’s.’

Bart Verschaffel werkte in de jaren negentig van de vorige eeuw samen met reportage- en documentairemaker Jef Cornelis aan twee documentaires over René Magritte. Verschaffel bekeek toen alle filmpjes die Magritte ooit gedraaid heeft. ‘De filmpjes dateren uit de jaren vijftig’, zegt hij. ‘Er zitten heel diverse dingen tussen. Magritte filmde en zijn vrienden reageerden op de camera en gedroegen zich kolderiek. Die filmpjes zijn interessant omdat ze zijn milieu tonen en je de mensen ziet die bij hem op bezoek komen. Zijn vrienden filmden hem ook. Zo ontdek je de vulgaire kant van René Magritte: hij maakte graag platte grappen. De middenklasse waartoe hij behoorde, had een stevige volkse ondergrond. Hij begon ook zijn eigen werk te filmen. Je ziet hoe de nog jonge schilder Marcel Mariën schilderijen naar de tuin brengt omdat daar meer licht is. Magritte filmt zijn doeken, zoomt in en uit. Aan de hand van die filmpjes konden we verschillende werken dateren. Hij ensceneerde ook filmpjes met vrienden als de schrijver Louis Scutenaire en diens vrouw Irène Hamoir. Op zijn verjaardag draaide hij Le loup rouge, een kortfilm in kleur over een tuba die verdwijnt en teruggevonden wordt. De tuba is een van de symbolen uit zijn schilderwerk uit de jaren twintig en staat voor de ingewanden van de vrouw. 25 jaar later spelen ze met die tuba tijdens de opname van dat filmpje.’

Aan het eind van zijn leven was Magritte van plan om zijn filmpjes tot een nieuwe film te monteren. Verschaffel: ‘In die tijd werden filmpjes verknipt en opnieuw aan elkaar geplakt of gemonteerd. Magritte had al zijn filmpjes verknipt maar niet meer aan elkaar geplakt. Al die stukken film lagen dooreen in dozen. Ik hielp Jef Cornelis bij het opnieuw ineen puzzelen. Het was een bijzondere ervaring om de kunstenaar en de mens Magritte op het witte doek te zien verschijnen. Louis Scutenaire’s weduwe Irène Hamoir leefde toen nog. Hoogstwaarschijnlijk was zij ook de maîtresse van René Magritte. We toonden haar de filmpjes. Ze wist niet dat ze nog bestonden en voor haar was het een confrontatie met haar dode geliefden. Ze zag die opnieuw herleven: haar man, René, Georgette en de kunstenaar Edouard Mesens.’

 

Steen

Veel werk van René Magritte werd al tijdens zijn leven gecommercialiseerd en op posters geprint. Volgens Claude Blondeel had de schilder daar geen enkel probleem mee. ‘Integendeel, hij vond dat heel tof en werkte er zelfs aan mee. Het is niet zo dat hij op geld uit was. Hij huurde lang een huis en kocht pas op het einde van zijn leven een villaatje. Hij heeft in zijn hele leven ook maar één auto gekocht. Na amper drie weken deed hij hem weer van de hand omdat hij er iets te veel mee gebotst had. Magritte genoot ervan dat zijn werk op posters werd uitgegeven. In de shop van het Magrittemuseum in Brussel kun je heel goed zien wat er allemaal met zijn werk gebeurd is. Na Walt Disney moet hij een van de meest gekopieerde artiesten ter wereld zijn. We komen René Magritte overal tegen: op koffiekoppen, kussens, dekbedovertrekken, kaartjes… Hij is een van de weinige kunstenaars die tijdens zijn leven een overzichtstentoonstelling kreeg in het New Yorkse MOMA. Popartkunstenaars zoals Robert Rauschenberg en Andy Warhol herkenden een geestesverwant in hem. Ook zij begonnen hun eigen werk te kopiëren.’

Een van de grote verdiensten van René Magritte is volgens Claude Blondeel dat hij kunst toegankelijk gemaakt heeft. ‘Terwijl zijn werk moeilijk blijft. Je staat oog in oog met een schilderij van hem, je vindt het bizar en aantrekkelijk. Vervolgens zie je de titel, begin je erover na te denken en stoot je op de intellectuele laag.’

Bart Verschaffel: ‘Schilderen was voor Magritte een vorm van nadenken; beelden maken een manier van mentale concentratie. Op het einde van zijn leven wordt dat nadenken bijna mediteren. In de jaren vijftig schilderde hij versteende stillevens, landschappen en interieurs. Alles veranderde in steen. In een van zijn laatste interviews werd hem gevraagd: “Wat betekent die steen?” Hij antwoordde: “La pierre ne pense pas.”’

 

(c) Jan Stevens

‘Bill Gates is een vriend en een geestverwant: we willen allebei hiv, polio en tbc voorgoed de wereld uit helpen’

Paul Stoffels is tweede in de pikorde van Johnson & Johnson, een van de grootste farmaceutische concerns ter wereld. Hij is de machtigste en invloedrijkste Belg in farmaland. “Ons ultieme doel is en blijft: voor de gezondheid van mensen wereldwijd het verschil maken.”

 

Als pas afgestudeerde dokter tropische geneeskunde ruilde Paul Stoffels (55) eind jaren tachtig de Kempen in voor Congo en Rwanda. “Ik wou van de wereld een betere plek maken”, zegt hij. Samen met invloedrijkste Belg Peter Piot voerde hij pioniersonderzoek naar HIV en aids. Vandaag is hij Chief Scientific Officer (CSO), Executive Vice President (EVP) en lid van het Executive Committee bij Johnson & Johnson (J&J). Vanuit het hoofdkwartier in New Brunswick in de Amerikaanse staat New Jersey stuurt Stoffels als CSO wereldwijd een team aan van 15.000 wetenschappers en beheert hij een budget van ruim 8 miljard euro. Als EVP draagt hij medeverantwoordelijkheid voor meer dan 40.000 personeelsleden verspreid over 150 landen. Zijn onderzoek lag mee aan de basis van drie aidsremmers en minstens vijftien nieuwe geneesmiddelen.

Paul Stoffels startte zijn carrière bij de legendarische dokter Paul Janssen, grondlegger van Janssen Pharmaceutica. Het was op diens vraag dat hij in Afrika op zoek ging naar een geneesmiddel tegen aids. Vandaag is Janssen Pharmaceutica onderdeel van J&J, het grootste farmaconcern ter wereld, en is het herdoopt tot Janssen: Pharmaceutical Companies of Johnson & Johnson.

“Toen wijlen Paul Jansen in 1953 zijn klein bedrijfje in de Kempen uit de grond stampte, werkten er amper een paar honderd mensen”, zegt Paul Stoffels. “Vandaag stellen we in België alleen al 4.500 mensen te werk. Onze invloed halen we uit de geneesmiddelen die we ontwikkelen en die impact hebben op het leven van ontzettend veel mensen, overal ter wereld. Wat voor ons écht telt is, om het in het Engels te zeggen: ‘Years of lives saved and years of quality of life generated.’ Hoeveel jaren helpen we mensen langer leven en hoeveel gezonde jaren kunnen we hen extra schenken? De kwaliteit van het leven staat vandaag in de hele geneeskunde bovenaan. Mensen langer én gezonder laten leven is ons ultieme doel.”

 

Het ultieme doel van een farmabedrijf is niet: zoveel mogelijk geld verdienen?

Paul Stoffels: “Als geld het belangrijkste wordt, is het einde snel in zicht. Elk bedrijf dat wil blijven bestaan, moet natuurlijk een return on investment halen. Maar ons ultieme doel is en blijft: voor de gezondheid van mensen wereldwijd het verschil maken. Dat is onze missie en wij werken daar gepassioneerd aan. Geldt dat trouwens niet voor de meeste grote belangrijke ondernemingen? Apple maakt ook iPhones om winst te maken, maar tegelijkertijd steken al die knappe koppen in dat bedrijf hun ziel in het superproduct waarmee ze de wereld veroverd hebben. Bij ons is dat niet anders: wij mobiliseren de beste wetenschappers, geneesheren, apothekers, ingenieurs en businesslui om samen aan dat nieuwe medicijn te werken waarmee we iedereen zullen verrassen. We moeten altijd opnieuw iets proberen brengen dat boven de rest uitspringt. Dat is ons al zeer vaak gelukt, waardoor wij nu belangrijke producten in de aanbieding hebben die wereldwijd mensen genezen. Het gevolg is dat ik nu als een invloedrijk persoon op deze planeet beschouwd word. (lacht) Terwijl invloedrijk worden, nooit mijn betrachting geweest is.”

 

De plaats waar u nu zit, was niet uw droom toen u geneeskunde begon te studeren?

Stoffels: “Helemaal niet. Ik wou als arts in Afrika gaan werken. Mijn allereerste droom was: muzikant worden. Klassieke muziek, orgel en piano. Maar vrij snel besefte ik dat muziek voor mij te beperkt was om mijn hele leven aan te wijden. Ik ben opgegroeid in Achtel, een klein gehucht ergens tussen Hoogstraten en Rijkevorsel, en was daar lang organist. Er staat een kapelletje waar mijn moeder nog steeds naar de mis gaat. Als ik thuis ben, vraagt ze altijd of ik daar op zondag wil komen spelen, wat ik dan ook vaak doe.”

 

U bent een gelovig mens?

Stoffels: “Ja, maar ik heb in de loop der jaren mijn eigen versie ontwikkeld. Ik geloof dat we allemaal samen aan een betere wereld moeten werken, met een goede gezondheidszorg voor iedereen. Dat is ook een van de redenen waarom ikzelf in dit vak verzeild geraakt ben. Als jongeman droomde ik van een betere wereld en zo kwam Afrika in het vizier. Tijdens mijn studies geneeskunde bracht ik elke vakantie op dat continent door. Ik raakte erdoor gefascineerd en zag ook wat ik er later als arts zou kunnen betekenen. Na mijn studies tropische geneeskunde ging ik er meteen aan de slag. Zo verbleef ik drie jaar in Congo en één jaar in Rwanda waar ik als geneesheer-researcher verbonden was aan een project voor onderzoek naar HIV en aids.”

 

U hebt de genocide in Rwanda meegemaakt?

Stoffels: “Begin oktober 1990 werden mijn vrouw en ik samen met onze kinderen geëvacueerd bij de eerste inval. Ik keerde later terug, terwijl mijn familie in België bleef. Ik werkte in Rwanda tot april 1994, toen de genocide plaatsvond. Ik heb toen veel vrienden verloren, waaronder mijn naaste medewerkers. Pas de voorbije zomer reisde ik voor het eerst na de genocide terug naar Rwanda. Dat was zeer emotioneel. Omdat er zoveel vrienden en kennissen van mij gedood zijn, was ik er niet eerder toe in staat. Maar dat land is intussen heropgestaan en ziet er anders uit dan toen. Alles is er tot in de puntjes georganiseerd en ze hebben de Franse taal ingeruild voor de Engelse. Er valt veel kritiek te leveren op het huidige bewind, maar Rwanda is wel terug stabiel en de mensen hebben er hun leven opnieuw in handen. Wat over een land als Congo niet gezegd kan worden.”

 

U bent een pionier in het aidsonderzoek?

Stoffels: “Jawel. We voerden ons veldonderzoek eind jaren tachtig, op het moment dat HIV in Afrika massaal doorbrak en iedereen met de handen in het haar zat. Na onze vlucht uit Rwanda vroeg Paul Janssen me om bij hem te komen werken. ‘We gaan samen een middel maken om HIV te genezen’, zei hij. Hij geloofde er heel sterk in dat we op een bepaalde dag één pil zouden ontwikkelen waarmee we aids eens en voorgoed de wereld konden uithelpen. Vandaag, iets meer dan een kwart eeuw later, maken we aidsremmers die wereldwijd de levensverwachting van seropositieve mensen spectaculair helpen stijgen. In samenwerking met onze collega’s van Gilead is het ons ook gelukt om die remmers samen in één pil te verenigen, en houden we zo het virus onder controle. Tijdens mijn onderzoek in Afrika raakte een van mijn goede vrienden, ook een arts, met HIV geïnfecteerd. Op dat moment werd de strijd tegen HIV voor mij zeer persoonlijk. Nadat dokter Janssen op pensioen ging, nam ik afscheid van Janssen Pharmaceutica en stapte ik over naar Tibotec in Mechelen. Halverwege de jaren negentig ontwikkelde ik samen met Rudi Pauwels drie middelen tegen HIV.”

 

In die periode werd u naast dokter en onderzoeker ook ondernemer? 

Stoffels: “Wie in Afrika als arts werkt, wordt automatisch ondernemer. Want daar moet je heel veel zelf organiseren en voortdurend initiatieven nemen. Door in Afrika een kliniek te runnen, leer je heel wat meer dan een student op de Harvard Business School. Samen met Rudi richtte ik in Mechelen in 1995 Virco op. Ik werd bedrijfsleider van Virco en voorzitter van de raad van bestuur van Tibotec. Onze twee bedrijven versmolten later tot Tibotec-Virco. We startten met vijf mensen en creëerden via ons bedrijvennetwerk minstens duizend nieuwe jobs. Toen brak de financiële crisis uit. J&J vroeg ons om onder hun vleugels verder te werken. Zij creëerden de juiste omstandigheden voor mezelf en mijn team om succesvol te worden.”

 

Verliet u in 1995 Janssen Pharmaceutica uit onvrede?

Stoffels: “Nee. Ik was er in die tijd sterk van overtuigd dat diagnostiek een heel belangrijke rol zou spelen in het HIV-onderzoek. Ik wou daarvoor de beste mensen ter wereld samenbrengen, maar dat lukte op dat moment niet bij Janssen. We hebben dan maar ons eigen bedrijf opgericht. Eerlijk gezegd was dat een van de beste beslissingen uit mijn leven. We brachten de allerbeste HIV-onderzoekers samen en gingen op zoek naar geld. Een op drie verkochte HIV-geneesmiddelen in de VS is ontwikkeld door mensen uit ons topteam van toen. Ik ben daar nog altijd heel erg fier op.”

 

Zou uw bedrijf ook zo succesvol geworden zijn als de HIV-besmetting enkel beperkt was gebleven tot Afrika en ‘maar’ de omvang van de Ebola-epidemie had aangenomen? Zat u vandaag dan op dezelfde stoel?

Stoffels: “We engageerden ons met ons team even hard in de strijd tegen Ebola als tegen aids. Het probleem met infecties zoals HIV, Ebola of Zika is dat ze nooit beperkt blijven tot de regio waar ze ontstaan. Door de manier waarop HIV zich van de ene mens op de andere overzet, via seksueel contact en via het bloed, is het per definitie een globale ziekte. Zika werd in de jaren vijftig ergens in een woud in Oeganda voor het eerst beschreven. Vervolgens verdween de besmetting om zestig jaar later aan de andere kant van de wereld weer op te duiken. Op een bepaald moment vond iemand de link met microcefalie, met baby’s die met een abnormaal klein hoofd geboren worden, en meteen was Zika een wereldprobleem. Het maakt niet uit of het virus in Zuid-Amerika of in Afrika woedt: de besmetting moet en zal uitgeroeid worden, net als Ebola. In mijn jonge jaren werkte ik in de Congolese stad Kikwit. Het Ebola-virus dat onlangs in West-Afrika woedde, stamt van de Kikwit-strain uit de jaren negentig. Waarschijnlijk is het virus via vleermuizen overgebracht naar andere delen van Afrika. We zijn ons zeer goed bewust van de mogelijke catastrofale gevolgen van de verspreiding van zo’n virus. Als Ebola in Kinshasa uitbreekt, een stad met tien miljoen mensen en een heel beperkte infrastructuur, groeit dat gegarandeerd uit tot een wereldramp. Als Ebola in Mumbai toeslaat, komt de wereld zelfs tot stilstand. Het is echt niet voor niets dat de VS, Europa en nog een paar andere landen vandaag intens samenwerken met de farmaindustrie. Ook wij dragen ons steentje bij in die zoektocht naar nieuwe vaccins voor ziektes die wereldwijd een bedreiging voor de volksgezondheid vormen.”

 

Vandaag woont en werkt u vooral in de VS?

Stoffels: “Meer dan de helft van de tijd werk ik in Amerika. Hier in New Brunswick in de staat New Jersey, maar ook aan de West Coast, in San Fransisco, San Diego, Boston, Seattle en Washington. Ik ben ook regelmatig in Londen en reis bijzonder veel: dit jaar was ik al in India en elk jaar kom ik een keer of drie in Afrika. Drie dagen per maand vertoef ik in België om er mijn kinderen en kleinkinderen te zien. Ik reis meestal samen met mijn vrouw omdat ons leven anders voorbijflitst zonder dat we samen dingen beleven. We zijn zoals de Bedoeïenen, en zwerven over de hele wereld. (lacht)”

 

Zelf onderzoek voeren is er niet meer bij?

Stoffels: “Ik maak nu onderzoek mogelijk en stuur een erg grote groep van wetenschappers aan. Binnen ons concern hebben we een netwerk van 150 biotechbedrijven uitgebouwd. Dat zijn stuk voor stuk onafhankelijke bedrijven die binnen onze grote onderneming plaats krijgen om te werken aan nieuwe wetenschap. We geven die start-ups alle kansen om in uitstekende omstandigheden heel interessante pistes verder te verkennen. Wij investeren zelf meer dan een miljard dollar in die bedrijfjes. Tom Heyman, de man die tot vorig jaar aan het hoofd stond van Janssen Pharmaceutica in Beerse, leidt nu als Global Head van de Johnson & Johnson Development Corporation (JJDC) dat hele netwerk in goede banen. Daarnaast werken we ook nog eens samen met meer dan 150 biotechbedrijven buiten de grote groep. In totaal hebben we zo 400 verschillende samenwerkingen lopen met start-ups, ondernemers en academische centra. Allemaal met de bedoeling om nieuwe wetenschap onder de loep te nemen. Van zodra daar iets positief uit opborrelt, brengen wij dat binnen in ons eigen bedrijf en proberen we dat zo snel mogelijk om te zetten en te ontwikkelen naar een product dat de geneeskunde ten goede komt. Binnen J&J werken ook veel onderzoekers. Zo runnen we immense researchlabs in Beerse, in San Diego in de Amerikaanse staat California en in Spring House in de staat Pennsylvania. Ons eerste doel is het vastleggen van de best mogelijke wetenschappelijke kennis, ons tweede doel: het ontwikkelen van een geneesmiddel. Wereldwijd werken 5000 mensen aan de ontwikkeling van onze producten en we organiseren klinische studies in 80 landen.”

 

U kent dus over de hele wereld zeer veel wetenschappers en farmaondernemers, waardoor u persoonlijk veel invloed kunt uitoefenen?

Stoffels: “Invloed krijg je enkel en alleen door de resultaten die je boekt. Janssen: Pharmaceutical Companies of Johnson & Johnson wordt algemeen erkend als een van de meest innovatieve farmaceutische bedrijven in de wereld. Daarom ook groeien we zo sterk: vandaag prijken we op de vierde plaats in de globale ranking van farmaondernemingen en staan we in de VS en Canada op de eerste plaats. En dat zonder ooit een echt grote overname te hebben gedaan. De meeste andere bedrijven uit onze sector zijn fusies van verschillende groepen. Dankzij het succes van onze onderneming ken ik inderdaad heel wat mensen. Ik span me ook erg in om ervoor te zorgen dat ik verbonden blijf met de National Institutes of Health, de nationale onderzoeskinstellingen in de VS, met de Gates Foundation, met de Europese overheden, met bedrijfsleiders… Ik ben altijd wel ergens met iets bezig. (lacht)”

 

Kent u Bill Gates persoonlijk?

Stoffels: “Ik ken hem zeer goed. Hij is een vriend en een geestesverwant: ook hij wil de geneeskunde erop vooruit helpen. Zijn Foundation steunt heel wat van onze projecten. Bill nodigt me dikwijls uit voor een gesprek: we willen allebei HIV, polio en tbc voorgoed de wereld uithelpen.”

 

Merkt u in uw contacten met Amerikaanse overheidsinstellingen iets van een nieuwe wind onder president Donald Trump?

Stoffels: “Nee. Misschien zal de nieuwe Amerikaanse regering andere klemtonen leggen die de omstandigheden waarin we werken beïnvloeden, maar aan het fundament van ons onderzoek wordt niet getornd. Wij werken aan het oplossen van immens grote problemen en die projecten lopen altijd over lange termijn. We focussen ons op dementie, diabetes, kanker, depressie, infectieziekten, ontstekingen, reuma en huidziekten zoals psoriasis. We voeren al 20 jaar onderzoek naar de ziekte van Alzheimer. We boeken vooruitgang, maar we zullen daar de volgende 20 jaar nog veel in moeten investeren in de hoop ooit met een geneesmiddel te eindigen.”

 

Hebt u goede contacten met politici wereldwijd?

Stoffels: “Ik spreek met weinig politici. Op het World Economic Forum in Davos ontmoet ik wel elk jaar de Belgische eerste minister en een aantal gezagsdragers. Af en toe praat ik met de eurocommissaris voor Onderzoek, Wetenschap en Technologie, want de grote wetenschappelijke onderzoeken in Europa vallen onder zijn bevoegdheid. De Europese Unie en de farmaindustrie hebben een groot samenwerkingsproject voor het onderzoek naar medicijnen lopen. Het Innovative Medicines Initiative (IMI) ondersteunt bedrijven en netwerken die koortsachtig op zoek zijn naar nieuwe geneesmiddelen. Ik heb vooral veel contact met mensen overal ter wereld die actief zijn in onderzoek en ontwikkeling. Ik werk al veertig jaar met Peter Piot samen. Hij is een echte geestesverwant. Paul Bulcke, de voorzitter van de raad van bestuur van Nestlé, ken ik ook al heel lang.

“Wereldwijde gezondheidszorg, global public health, is één van mijn grote bekommernissen in onze onderneming. Wat kunnen onze geneesmiddelen betekenen voor de planeet? Een van onze grootste verwezenlijkingen tot hiertoe is het nieuwe geneesmiddel voor tuberculose Sirturo. Het is ontwikkeld in Beerse, door het team van professor Koen Andries. Het was vijftig jaar geleden dat er nog een middel tegen tbc van dat formaat op de markt kwam. Het medicijn legt de energievoorziening van de tbc-bacterie plat en werkt daardoor totaal anders én vijf keer sterker dan alle voorgaande traditionele tbc-middelen. Koen won met zijn vondst in 2014 de European Inventor Award, de ‘oscar’ voor innovatie. Johan Van Hoof, het hoofd van onze vaccingroep, werkt al jarenlang samen met zijn team aan een vaccin voor HIV. Dit jaar testen we voor de eerste keer vierhonderd vrijwilligers voor dat nieuwe vaccin waarvan we hopen dat het een besmetting met HIV zal kunnen vermijden.”

 

U werkt ondertussen al decennialang bij hetzelfde bedrijf. Is de concurrentie nog nooit aan uw mouw komen trekken?

Stoffels: “Dat gebeurt af en toe bij iedereen op mijn niveau; ook bij mensen die voor mij werken. Als je goede resultaten boekt, zijn andere bedrijven altijd geïnteresseerd. Maar deze onderneming is uniek. We hebben hier de voorbije jaren keihard gewerkt en duizenden uitstekende medewerkers aangestuurd. Het zou bijna als een vorm van verraad aanvoelen om dan over te stappen naar de concurrentie. Het heeft jarenlang heel wat inspanningen gekost om de netwerken binnen en buiten het bedrijf te ontwikkelen en te laten bloeien. Ik heb zo met veel mensen lange, intense trajecten afgelegd. Dat gooi je niet zomaar overboord. Nogal wat wetenschappers blijven ons hun hele professionele leven trouw. Ze worden écht gedreven door onze missie om van deze wereld een gezondere plek voor iedereen te maken. Voor een farmabedrijf is jarenlange genegenheid en toewijding van medewerkers geen overbodige luxe. Want de zaden voor de oogst die we nu binnenhalen, zoals ons tbc-geneesmiddel, zijn twintig jaar geleden geplant.”

 

Bent u een machtig man?

Stoffels: “Neen. Een manager die macht als middel gebruikt om zijn bedrijf te leiden, is compleet verkeerd bezig. Invloed is veel belangrijker en die verwerf je door ervaring, door het opdoen van kennis. Ik gebruik mijn macht enkel als er een crisis in het bedrijf is, of als er een beslissing genomen moet worden over een overname of een belangrijke financiële investering.

“Ik ben een servant leader, een ‘dienende leider’. Mijn ‘macht’ bestaat uit het creëren van mogelijkheden voor anderen zodat ze hun job zo goed mogelijk kunnen uitoefenen. Ik zorg voor omstandigheden die het mogelijk maken dat andere leiders functioneren en floreren. Een machtig man aan de top die alle beslissingen in zijn eentje neemt, is voor een bedrijf het begin van het einde. Een bedrijfsleider moet heel goed weten wat hij niet weet. Beslissingen moeten genomen worden door mensen die weten waarover ze spreken. Wie last heeft in zijn schouder, stapt vandaag naar een gespecialiseerde orthopedist. Niet de huisarts, maar de specialist beslist wat er met die schouder moet gebeuren. In de wetenschap geldt net hetzelfde. Enkel mensen met kennis van zaken weten wat ze nodig hebben om geneesmiddelen te ontwikkelen. Dus schenk ik hen alle vertrouwen. Paul Janssen zei me lang geleden: ‘You take the risk, I take the blame.’ Dat breng ik nu zelf in de praktijk.”

 

(c) Jan Stevens

‘Het duurt minstens tien jaar voor een nieuw medicijn op de markt komt. ALS-patiënten hebben na de diagnose nog drie tot vijf jaar: voor hen komt de ontdekking dus te laat’

In 2014 werd Peter Carmeliet uitgeroepen tot een van de 400 meest invloedrijke biomedische wetenschappers ter wereld. Hij was geselecteerd uit een lijst waarop de namen van meer dan 15 miljoen collega’s prijkten. Wereldwijd is hij de tweede meest geciteerde wetenschapper in het domein van de bloedvatvorming of angiogenese. “Alleen als je geciteerd wordt, geloven ze je.”

 

Professor Peter Carmeliet (57) mag zichzelf ‘baron’ noemen. Aan de KULeuven leidt hij onder de vleugels van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) een onderzoeksgroep in het Center for Cancer Biology. Daar voert hij samen met superslimme wetenschappers en studenten van over de hele wereld onderzoek naar de werking van de bloedvaten. Hij stond mee aan de wieg voor de ontwikkeling van geneesmiddelen die kanker vertragen en boekte resultaten in het onderzoek naar de dodelijke spierziekte ALS. “Ik vind het een eer dat anderen me als invloedrijk beschouwen”, zegt hij. “Dat is een erkenning voor het werk dat wij hier in ons laboratorium verrichten. Dan heb ik het niet enkel over mezelf, maar over al mijn medewerkers. Als individu kan je goede ideeën hebben, maar als het eropaan komt, heb je een ploeg nodig die ze in de praktijk kan omzetten. Op dit niveau is dat geen sinecure: mensen die hier willen meedraaien, beschikken best over doorzettingsvermogen én een groot organisatietalent.”

 

Waarom is onderzoek naar de werking van de bloedvaten zo belangrijk?

Peter Carmeliet: “Bloedvaten transporteren zuurstof naar al onze cellen. Als die bloedvaten te hard groeien, zoals bijvoorbeeld bij kanker, helpen ze tumoren woekeren. Wanneer iemand een bloedvatentekort heeft, of wanneer zijn bloedvaten dichtslibben en ze de zuurstof niet meer op zijn plaats krijgen, riskeert hij een hart- of herseninfarct. Praktisch alle organen kunnen een ziekte ontwikkelen die te wijten is aan teveel of te weinig bloedvaten. Wij proberen te begrijpen hoe die bloedvaten groeien en wat de moleculaire basis daarvan is. Die kennis gebruiken we om geneesmiddelen te ontwikkelen. We richten ons voornamelijk op kanker en oogziekten. Op basis van ons onderzoek naar angiogenese, Grieks voor ‘vorming van bloedvaten’, zijn er ondertussen angiogeneseremmers ontwikkeld die kankertumoren zuurstof en voedsel ontnemen. In ons laboratorium hebben we ontdekt dat het eiwit VEGF, ‘Vasculaire Endotheliale GroeiFactor’, van het allergrootste belang is voor de bloedvatenvorming.”

 

De angiogeneseremmers regelen dan de toevoer van dat VEGF?

Carmeliet: “Nee, die remmers zijn antilichamen. Ze herkennen het eiwit VEGF en schakelen het uit. Wij lagen aan de basis van het in kaart brengen van de rol van VEGF in bloedvatvorming en de firma Roche heeft samen met haar dochterbedrijf Genentech het antilichaam ontwikkeld en gecommercialiseerd. We hebben ook het grondplan bestudeerd en uitgetekend van het eiwit PLGF, ‘Placentaire GroeiFactor’, een zustermolecule van VEGF. Daar hebben we samen met het Belgische biofarmaceutische bedrijf ThromboGenics een antilichaam tegen gemaakt. Die angiogeneseremmer wordt nu getest voor de behandeling van hersenkanker bij kinderen en voor de behandeling van oogziekten bij diabetespatiënten.”

 

Jullie voeren ook onderzoek naar ALS?

Carmeliet: “Dat is een gevolg van ons onderzoek naar de biologie van het eiwit VEGF. We gebruiken daarvoor zogenaamde ‘knock-out muizen’. We maken dus een muis waarvan een bepaald gen uitgeschakeld of veranderd is.”

 

Pardon, u ‘maakt’ een muis?

Carmeliet: “Ja, een transgene muis. We ‘maken’ een subtiele verandering in hun genetische code. In onze muizen brachten we een kleine verandering in het VEGF-gen aan met de bedoeling om zo ischemie of zuurstoftekort te kunnen bestuderen. Bloedvaten vervoeren zuurstof naar organen, maar als er een tekort aan zuurstof is, zetten de organen de bloedvaten ertoe aan om te groeien. Dat doen ze door VEGF aan te maken. Wij dachten: als het ons lukt om de VEGF-productie lam te leggen, krijgen we misschien meer inzicht in ischemische ziekten, zoals een infarct. Maar de eerste maanden bleven die muizen vrolijk rondhuppelen. Een half jaar later sloeg een student bio-ingenieur alarm. ‘Die muis doet zo raar’, zei hij. Toen hij haar oppakte, ging ze in een kramp en kreeg ze spasmen. Na een tijdje wisten we wat er aan de hand was: de muis had ALS. Vervolgens doken we in de ziektegeschiedenis van patiënten met ALS. Uit die studie bleek ook dat een verminderde VEGF-productie meer risico tot de ontwikkeling van de spierziekte gaf. Daarna dienden we onze transgene muizen het eiwit VEGF toe en daar kikkerden ze van op.”

 

Die link met ALS was dus puur toeval?

Carmeliet: “Ja, dat was totaal onverwacht. Ons onderzoek en deze ontdekking waren zo vernieuwend, dat andere wetenschappers ons eerst niet wilden geloven. Het heeft ons dan ook heel wat moeite gekost om onze bevindingen gepubliceerd te krijgen. Niemand had ooit bloedvaten en zuurstoftekort aan ALS gekoppeld. Maar als je er dieper over nadenkt, is dat best logisch. De zenuw die vanuit je ruggenmerg naar je kleine teen loopt, is gemakkelijk een meter lang. Hij heeft dus veel energie en zuurstof nodig. Een zenuw heeft weinig zelfherstellend vermogen, waardoor elk klein letsel of overbelasting er voor zorgt dat hij een klein beetje minder werkt. Na verloop van tijd zal die steeds slechter werkende zenuw verlamd raken.”

 

Hoe lang duurt het dan nog voordat er een middel is om ALS te vertragen, stoppen of genezen?

Carmeliet: “Genezen is voorlopig onmogelijk. Kanker en ALS zijn ‘multifactoriële ziekten’. Dat wil zeggen dat ze aan verschillende oorzaken te wijten zijn. Bij een klein percentage van de ALS-patiënten is een gemuteerd gen verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de ziekte. In veel andere gevallen weten we niet wat de oorzaak precies is. VEGF geeft sowieso bescherming tegen aftakeling, wat de ziekte ook mag getriggerd hebben. Bij ALS zal het eiwit de zenuw proberen te beschermen tegen aanvallen. VEGF zal het leven van de patiënt dus verlengen. Maar wanneer iemand voor het eerst komt klagen bij zijn huisdokter, is al 50 procent van de neuronen afgestorven. Daar kunnen we helemaal niks meer aan veranderen. Het eiwit kan enkel de andere zenuwen langer gezond houden waardoor de patiënt minder snel totaal verlamd zal raken. Toen de eerste berichten over ons ALS-onderzoek verschenen, kregen we verschrikkelijk veel telefoontjes van over de hele wereld.”

 

Wanhopige ALS-patiënten?

Carmeliet: “Ja. Zo kreeg ik eerst telefoon en dan een mail van een Mexicaanse mevrouw. ‘Ik moét die VEGF hebben, geef het mij!’ Ik antwoordde: ‘Ik mag dat niet. Het moet eerst grondig uitgetest worden in klinische trials.’ Ik hoorde een tijd niets meer van haar, tot er op een dag een nieuwe mail in mijn postvak zat. ‘Ik heb ergens VEGF kunnen bemachtigen.’ Ze had er online waarschijnlijk waanzinnig veel geld voor neergeteld en had het eiwit in haar arm ingespoten. Ze schreef: ‘Met mijn arm is het nu veel beter.’ Maar ze wist niet hoeveel ze moest inspuiten, of waar en hoe. Dat vond ik zo pijnlijk. Na onze studie duurt het nog minstens tien tot vijftien jaar voor er een medicament op de markt komt. ALS-patiënten leven na de diagnose gemiddeld drie tot vijf jaar. Wie nu het verdict krijgt, weet dat een mogelijk medicijn niet meer voor hem zal zijn. Dat geldt ook voor kankerpatiënten. Telkens wanneer wij met een studie in de krant of op tv komen, krijgen we mails en telefoons. We hebben er zelfs een speciale dienst voor opgericht. In de mate van het mogelijke probeer ik zelf te antwoorden, want die mensen zijn de wanhoop nabij.”

 

Was het altijd uw droom om onderzoeker te worden?

Carmeliet: “Als kind zat ik al gebiologeerd te kijken hoe mieren een nest bouwden. Ik bouwde dat nest dan in plaaster na om te begrijpen hoe ze samenleefden. Ik was mateloos geboeid door vissen in aquaria en door schedels van dode beesten. Uiteindelijk ging ik geneeskunde studeren met de ambitie om onderzoeker te worden.”

 

U wou geen dokter worden?

Carmeliet: “Ik vond het belangrijk en fijn om patiënten te helpen, maar mijn hart lag bij het fundamenteel onderzoek. Mijn vader is ook arts en professor; hij is nu op emeritaat. Hij was gespecialiseerd in elektrofysiologisch onderzoek van het hart. Af en toe ging ik mee naar zijn lab, daar stonden microscopen en zaten kikkertjes in bakken. Die levende wezentjes intrigeerden me.”

 

U werkt nu ook veel met levende wezens?

Carmeliet: “Met zebravissen en muizen. Een muis is geen mens natuurlijk, maar je moet ergens vertrekken om onderzoek op uit te voeren. We kunnen niet ontkennen dat we het genetisch materiaal van muizen manipuleren. Alleen hadden we zonder knock-out muis de link tussen VEGF en ALS nooit ontdekt. Met genetisch gemanipuleerde muizen maken we diermodellen van bepaalde ziekten waar we vervolgens medicijnen op uittesten. We gaan daar heel gewetensvol mee om: proefdieren zijn geen speelgoed en ze mogen niet mishandeld worden. We zijn zeer streng op het aantal muizen dat we houden; we willen ze niet onnodig gebruiken. Daarom houden we onze muizenpopulatie zo klein mogelijk.”

 

Zonder dierproeven lukt het niet?

Carmeliet: “Nee. Ik denk niet dat er zonder dierproeven ooit een behandeling tegen kanker of ALS ontwikkeld kan worden. Ons dierenlabo is aan zeer strenge regels onderworpen en we worden strikt gecontroleerd. We hebben iemand extra in dienst die een groot deel van zijn tijd bezig is met het welzijn van de dieren. Wij zullen nooit zomaar dieren vermassacreren. De controles zijn echt wel streng en moeten voorkomen dat er mensen zijn die het niet doen zoals het hoort. Vroeg of laat komt zoiets toch aan het licht.”

 

Een sadist onder uw medewerkers wordt snel ontmaskerd?

Carmeliet: “Dat is zo goed als onmogelijk, want onze mensen werken in team. Twee senior postdocstudenten samen met twee junior phd-studenten, bijvoorbeeld. Ze controleren elkaar, waardoor de kans op dierenmishandeling, fraude en fouten zo goed als uitgesloten is. De dierenproeven worden extra goed opgevolgd door een speciaal daarvoor opgeleide laboratoriumassistent.”

 

Hoe lastig was uw weg naar de top?

Carmeliet: “Je hoort soms dat dit wel een moeilijk parcours moét zijn. Ik heb dat waarschijnlijk te weinig beseft omdat ik veel te graag met mijn werk bezig was. Ik maakte me nooit zorgen over carrière of benoemingen en deed gewoon mijn ding. Ik ging er helemaal in op. Misschien heb ik ook wel geluk gehad. ‘Kwaliteit drijft’, zei mijn mentor professor Désiré Collen indertijd. Jonge mensen maken zich vandaag nogal veel zorgen, vind ik. ‘Zal ik benoemd worden? Krijg ik genoeg geld?’ Al klopt het wel dat het onderzoek veel competitiever geworden is. Dankzij al die moderne technieken en hulpmiddelen kan er sowieso sneller gewerkt worden. In mijn beginjaren was er geen internet, moesten we alle verslagen typen en figuurtjes en diagrammen knippen en plakken. (lacht) De tijd verliep toen veel trager.

“Wie aan de top wil meedraaien, moet eerst en vooral door zijn werk gepasioneerd zijn. Verstand alleen volstaat niet. Je moet ook goed kunnen organiseren, stressbestendig zijn, creatief, gemotiveerd en enorm optimistisch. 90 procent van ons werk bestaat uit failures. Het ene experiment werkt niet, het andere levert niet op wat je gehoopt had, dus moet je verder blijven zoeken.”

 

Moet je weten wat je zoekt?

Carmeliet: “Bepalen waar de lamp brandt, vind ik het moeilijkste. (lacht) In de strijd tegen kanker kwam er een jaar of zeven geleden op basis van ons onderzoek een antilichaam tegen VEGF op de markt, maar het werkte niet zoals we gehoopt hadden. Het verlengde en verbeterde het leven, maar bijlange niet zoals verwacht. Je kan daar dan in berusten en zeggen: ‘Oké, dan dienen we een VEGF-antilichaam toe en combineren dat met een PLGF-antilichaam en hopen vervolgens het beste.’ Maar kankercellen hebben zoveel honger naar zuurstof en suikers dat de ziekte vervolgens andere soorten eiwitten begint te produceren die de bloedvatengroei stimuleren. Die vaststelling vormde een stevige domper op ons enthousiasme. Tot we op het idee kwamen om de motor van de bloedvatenproductie uit te schakelen. Stel je voor dat het bloedvat een auto is, en VEGF de chauffeur. VEGF laat de auto rijden, maar als er andere chauffeurs klaarzitten om het stuur over te nemen, heeft het niet veel zin om VEGF uit te schakelen. Je moet dus de motor platleggen. Die motor was in dit geval de stofwisseling of het metabolisme. Dat klonk heel logisch, alleen namen we een heel groot risico omdat we totaal geen expertise in het complexe domein van het metabolisme hadden. We moesten zeer dure apparaten kopen, mensen opnieuw opleiden en naar andere labo’s uitsturen om technieken aan te leren. Vijf jaar aan een stuk hebben we geploeterd. In al die jaren moest ik de rust zelve blijven, op mijn kompas varen en tegen iedereen zeggen: ‘Daar brandt de lamp. Ik wil die motor uitschakelen en we zùllen hem stilleggen.’ Dat vond ik een grote uitdaging. Want als ik het toch verkeerd voor had, zou dat pas vijf jaar later blijken.”

 

De recente geschiedenis leert dat die druk ervoor zorgt dat collega’s van u soms in de verleiding komen om de resultaten van hun onderzoek te manipuleren.

Carmeliet: “Ja, en die geschiedenis zal zich spijtig genoeg nog herhalen. De echte druk in de biomedische wereld is niet om veel te publiceren, maar om als eerste vernieuwend onderzoek met impact uit te brengen. De concurrentie onder collega-topwetenschappers is internationaal zeer groot. Met die druk moet je als moderne wetenschapper omkunnen; dat geldt trouwens ook voor topsporters en -ondernemers.

“In de biomedische sector is publiceren een voorwaarde om aan fondsen te geraken. Hoe beter je publicaties, hoe makkelijker het is om geld te krijgen, mensen te vinden en te rekruteren, en prijzen en uitnodigingen binnen te halen. Als alles goed lukt, zit je in een positieve flow. Ik heb het geluk dat ik me sinds enkele jaren volledig kan concentreren op onderzoek. Dat is heel wat comfortabeler dan mijn collega’s in de kliniek die 90 procent van hun tijd patiënten behandelen, of dan de collega’s aan de universiteit met zware lesopdrachten.”

 

Mist u het lesgeven dan niet?

Carmeliet: “Ik geef meer les in het buitenland dan aan mijn eigen universiteit. Ik kom net van een meeting in Canada en ben regelmatig onderweg.”

 

Hebben ze u ooit gevraagd om in het buitenland te gaan werken?

Carmeliet: “Ja, door instellingen zoals Harvard, Yale, het Franse INSERM, het Duitse Max Planck en het Britse MRC. Toen ik hier in het begin werkte, werd ik enorm gesteund door professor Collen. Mede onder zijn impuls is het Vlaams Instituut voor Biotechnologie er gekomen. Ik ben hier heel graag, maar mijn werk is niet het enige dat telt. Ik vind het zalig om thuis te zijn, in de tuin te werken, om met vrouw en kinderen te genieten van de mooie dingen des levens.”

 

Het gebeurt maar zelden dat mensen aan de top zeggen dat ze hun kinderen en hun hof minstens even belangrijk vinden als hun job.

Carmeliet: “Ik haal veel voldoening uit mijn job en heb daardoor leren relativeren. Ik heb altijd keihard gewerkt, maar kinderen en familie blijven ontzettend belangrijk. Mijn vrouw is ook wetenschapper. We hebben elkaar leren kennen in hetzelfde labo en zij kent het klappen van de zweep. Ik merk bij jonge mensen dat ze dit werk op topniveau niet volhouden als het bij hen thuis niet goed draait. Ik werk hard, maar om half zes fiets ik naar huis. Soms werk ik dan thuis verder, maar ik ben geen afwezige vader. Er waren wel momenten dat ik op het punt stond een job in het buitenland aan te nemen. Die aanbiedingen waren soms zeer royaal. Zo kreeg ik een voorstel van een onderneming waarbij ik dacht dat er bij het salarisvoorstel zes nullen te veel stonden (lacht).”

 

Zes nullen?

Carmeliet: “Ja, dat was een hallucinant bedrag. Ik bezocht het bedrijf in Louisville in de Amerikaanse staat Kentucky. Op het moment dat het vliegtuig op die luchhaven landde, wist ik dat ik er nooit gelukkig zou worden. De man die de job uiteindelijk gekregen heeft, is er na twintig jaar trouwe dienst aan de deur gezet. Zijn afdeling werd gesloten, en van de ene dag op de andere stond hij op straat.”

 

Maar hij was wel binnen.

Carmeliet: “Zonder twijfel. (lacht) Geld was voor mij nooit een drijfveer, wel het plezier om iets te leren begrijpen en met iets vernieuwends bezig te zijn. Ik zie geen patiënten meer en heb me dikwijls afgevraagd of dat een goed idee was. ‘Je hebt al die jaren mogen studeren. Hoe betaal je dat ooit terug aan de samenleving?’ Maar als je met onderzoek één geneesmiddel kan vinden dat het verschil maakt, help je meteen duizenden mensen.”

 

Droomt u van de Nobelprijs?

Carmeliet: “Nee, dat houdt me niet bezig. Erkenning is aangenaam, maar daarvoor oefen ik dit vak niet uit. Ik zeg altijd tegen mijn studenten: ‘Je moét in toptijdschriften publiceren, niet om je naam gedrukt te zien staan, maar om geciteerd te worden, want alleen zo zullen ze je geloven.'”

 

Geciteerd worden is aan invloed winnen?

Carmeliet: “Precies. Dan heb je impact en geloven en appreciëren ze je werk. Voor een wetenschapper is dat de grootst mogelijke erkenning. De bekroningen en prijzen volgen dan vanzelf. (lacht)”

 

(c) Jan Stevens