Sean French: ‘Samen schrijven ís onze relatie’ – Nicci Gerrard: ‘Sorry Sean, maar ik ben het daar niet mee eens’

In hun gloednieuwe literaire thriller Huis vol leugens verkent het bijna dertig jaar lang gehuwde schrijversechtpaar Nicci French de diepe krochten van een lang huwelijk. “Huis vol leugens, dat zijn wij.”

 

In de nazomer van 1996 hoorde ik voor het eerst over het schrijversechtpaar Nicci French. Ik werkte voor het Belgische bijhuis van hun Nederlandse uitgeverij en woonde een vergadering bij in het hoofdkwartier aan de Keizersgracht in Amsterdam. Met veel zwier stelde (de inmiddels legendarische) uitgever Robbert Ammerlaan zijn nieuwe vondst Het geheugenspel voor, de in februari 1997 te verschijnen allereerste literaire thriller ooit. Op de stijlvolle zwart-witcover prijkte het beeld van een engel op een grafzerk. Op de achterflap stond een pasfotootje van de debuterende schrijfster Nicci French, ‘journalist en woonachtig in Londen.’ Ammerlaan vertrouwde ons toe dat de illustere mevrouw Nicci French eigenlijk een echtpaar was, maar dat mijnheer French verkoos in de luwte te blijven. Hij vroeg ons dat stil te houden.

23 jaar later zit ik samen met het inmiddels wereldberoemde schrijvende koppel Sean French en Nicci Gerrard in de bar van een Amsterdams hotel. Op tafel ligt hun nieuwste thriller Huis vol leugens. Op de cover ditmaal geen marmeren wraakengel, maar hun schrijversnaam in grote witte letters. Van op de zijflap glimlachen ze hun miljoenen lezers in kleur toe. “Ga je schrijven dat je ons al heel lang kent?”, vraagt Nicci. “Maar natuurlijk”, zegt Sean. “Schrijf: ‘Ik was met die twee op stap toen ze nog niets voorstelden.’”

In de jaren na het overdonderende succes van hun debuut voerde ik Nicci en Sean naar inmiddels ter ziele gegane literaire festivals in Vlaanderen. Tijdens signeersessies op de Antwerpse Boekenbeurs schreef ik hen in drukletters de namen voor van hun Vlaamse fans die rijen dik stonden aan te schuiven. We ontdekten een gedeelde liefde voor de muziek van Elliott Smith en praatten over onze opgroeiende kinderen. Nadat ik de boekenwereld voor de journalistiek inruilde, verloren we elkaar uit het oog, al las ik wel trouw elke nieuwe thriller die sindsdien verscheen.

 

Hoe lang waren jullie samen toen jullie debuut uitkwam?

Sean French: “We werden een koppel in 1990. Op 1 januari 1995 begonnen we Het geheugenspel te schrijven. We werkten allebei als journalist en hadden op dat moment zelfs nog geen uitgever. Of het boek ooit gepubliceerd zou worden, was niet onze eerste bekommernis.”

Nicci Gerrard: “Het geheugenspel was niet meer dan een spel voor ons, een experiment: we wilden uittesten of we samen een roman tot een goed einde konden brengen.”

 

Was het ook een relatietest?

Nicci: “Dat werd het uiteindelijk toch wel.”

Sean: “We kennen een paar andere koppels die ook samen hebben proberen schrijven. Hun relaties zijn er niet op gestrand, maar het is hen nooit gelukt om een boek af te werken. In je eentje schrijven is hard labeur; met twee kan het nog erger worden. Want die andere sleutelt dan aan jouw vondsten en knoeit met jouw zinnen. Schrijvers ervaren zoiets als zeer ingrijpend en dat kan alleen als je elkaar blind vertrouwt. Samen schrijven mag nooit een strijd om controle worden of ontaarden in een gevecht om macht.”

Nicci: “Door samen te schrijven kregen we ook inzage in elkaars verbeelding. Dat is soms heel bizar.”

 

Dat moet dan zeker gelden voor Huis vol leugens, een boek dat bulkt van het overspel.

Nicci: “Huis vol leugens is niet enkel een thriller; het is ook een portret van een huwelijk, met een man en een vrouw die al heel lang getrouwd zijn. De vragen komen dan vanzelf: hoe kun je zolang samenblijven? Hoe slaag je erin om al die jaren zowel vrij als loyaal te zijn?”

Sean: “In vergelijking met de meeste andere echtparen brachten wij de voorbije jaren ontzettend veel tijd samen door. Niet alleen naast elkaar, maar ook in elkaars hoofd. We zijn zo beginnen geloven dat we elkaar vanbinnen en -buiten kennen. Huis vol leugens zette ons met beide voeten terug op de grond. Want tijdens het schrijven van dit boek kwamen we erachter dat we wel degelijk allebei nog onontgonnen innerlijk terrein hebben. Hebben we trouwens niet allemaal onze geheimen, zelfs voor de mensen die het dichtst bij ons staan?”

Nicci: “De hoofdpersonages uit Huis vol leugens, vijftigers Neve en Fletcher, zijn al hun hele volwassen leven samen en zijn té gewend aan elkaar geraakt. Neve wordt door anderen gezien als: ‘de goede moeder’, ‘goede vrouw’, ‘goede vriendin’, ‘goede werknemer’… Zelf wil ze dat ook heel graag zijn en ze voelt zich ook verantwoordelijk voor het welzijn van anderen. Maar onder die laag van voorbeeldige echtgenote zit een andere Neve verborgen: de vrouw die avonturen wil beleven en het juk van die verantwoordelijkheden wil afwerpen. Als je als vrouw lang met iemand getrouwd bent en kinderen hebt, is de kans groot dat je je net als Neve gaat voelen.”

Sean: “Zeker als je man net zoals ik constant in huis rondhangt. Dan bega je als vrouw vanzelf een misdaad. (lacht)”

Nicci: “Ons vertrekpunt voor Huis vol leugens was: wat zou deze ‘goede vrouw’ Neve doen als ze het lichaam van haar vermoorde minnaar in hun afspraakflat vindt?”

 

De politie bellen?

Nicci: “Omdat het een Nicci French-thriller is, belt ze die net niet.”

Sean: “Nee, ze begint als een gek de flat te poetsen.”

Nicci: “In dit boek wordt heel wat afgepoetst. Het is een huishoudelijke thriller geworden, vol poetsen, koken, eten en drinken. (lacht) Voor Neve’s kennissen en vrienden lijkt haar leven gewoon verder te gaan, terwijl ze in werkelijkheid van de ene in de andere crisis belandt. Ze is voortdurend bang om ontmaskerd te worden als de minnares die de plaats delict een grondige poetsbeurt gaf. Tijdens het schrijven raakten we ons er gaandeweg van bewust dat we ook die kroniek van een lang huwelijk aan het optekenen waren.”

Sean: “Vóór dit boek schreven we jarenlang over psychotherapeute Frieda Klein, een vrouw die mijlenver van ons verwijderd stond. Huis vol leugens, dat zijn wij.”

 

Neve en Fletcher zijn Nicci en Sean?

Sean: “Toch niet, maar dit boek is wel de wereld waarin wij leven. Dat mag je heel letterlijk nemen: de flat waar Neve het lichaam van haar minnaar Saul vindt, was onze flat in de Londense wijk Covent Garden. Intussen hebben we die verkocht en zijn we verhuisd naar Islington.”

Nicci: “Onze flat in Covent Garden lag in een andere straat, maar de indeling is exact zoals in het boek.”

Sean: “Onze kinderen waren in alle staten toen ze ontdekten dat we die flat als decor voor overspel en moord gebruikten. Neve en Fletcher wonen in Clapton, de buurt waar de kinderen nu wonen. Neve’s fietstocht van Clapton naar het centrum van Londen kennen zij als hun broekzak.”

 

Jullie kinderen vinden het niet fijn dat jullie delen van hun leven in jullie boeken verwerken?

Sean: “Toen jij ons voor het eerst ontmoette, zaten ze op de lagere schoolbanken. In die tijd gebruikten we in onze fictie ook al plekken en gebeurtenissen uit hun en ons bestaan. Toen beseften ze dat niet, nu wel. Intussen zijn ze onze eerste lezers geworden. Ze beginnen altijd heel nerveus aan een nieuw boek: ‘Wat hebben onze oudjes nu weer uitgespookt?’ We hebben een paar boeken vol donkere seksuele obsessies geschreven waarvan ik me afvraag wat ik als kind ervan gevonden zou hebben als ze van mijn ouders kwamen. Ik vermoed dat ik met schaamrood op de wangen ‘O my god’ gepreveld zou hebben. Nicci is ervan overtuigd dat er één boek is dat onze kinderen niet willen lezen omdat ze bang zijn er door getraumatiseerd te raken.”

 

Welk boek?

Sean: “Bezeten van mij, over een jonge vrouw die meegesleurd wordt in een allesverzengende liefdesaffaire met een volslagen vreemde.”

Nicci: “Misschien is het maar best dat ze dat boek nooit lezen.”

Sean: “Maar het zijn intussen dertigers, Nicci.”

 

Spraken jullie tijdens het schrijven van Huis vol leugens vaak over trouw en ontrouw?

Sean: “De hele tijd.”

Nicci: “We kennen koppels die getrouwd blijven omdat ze nu eenmaal getrouwd zijn. Ze blijven samen omdat ze niet uiteengaan. Er zit geen enkele positieve dynamiek in hun relatie. Ze zitten in een uitzichtloze situatie waar ze nooit meer uit geraken. Ik mag er niet aan denken dat ons huwelijk ooit zo deprimerend wordt. We praten er dus vaak over hoe we elkaar de mogelijkheid kunnen geven om te veranderen, om open te staan voor de wereld terwijl we elkaars veilige haven blijven.”

 

Om Sting te citeren: ‘If you love somebody, set them free’?

Nicci: “Ja, maar dan vrij om jezelf te zijn, niet vrij om een affaire te hebben. Vrij om op eigen benen te staan en niet het bezit van een ander te worden.”

Sean: “Neve rijdt geen scheve schaats enkel voor de lol of omdat ze geen geweten heeft. Ze schrikt van haar eigen overspel, want ze vindt zichzelf helemaal niet het prototype van de ontrouwe partner. De voornaamste reden waarom ze de politie niet belt, is omdat ze haar gezin wil sparen. Ze voelt zich schuldig en wil niet dat haar man en kinderen omwille van haar daden de vernieling ingaan.”

Nicci: “Ze is zich bewust van de schade die ze haar gezin zou berokkenen, maar ook van hoe de mensen over haar zouden denken. Ze voelde zich gevangen in haar leven en die affaire was een manier om los te breken. Ze vindt het oneerlijk om gestraft te worden omdat ze het lijk van haar minnaar vindt.”

 

Heeft bijna 25 jaar samen schrijven jullie relatie veranderd?

Sean: “Samen schrijven ís onze relatie. Het is als een klimpant die zich rond een boom slingert: na jaren kun je die twee ook niet meer uit elkaar halen. Bijna elke dag merkt een van ons op: ‘Zit daar geen verhaal in?’”

Nicci: “Sorry Sean, maar ik ben het er niet mee eens dat schrijven onze relatie is. Er zijn ook nog andere dingen. Ik aanvaard dat niet.”

Sean: “Maar het samen schrijven kan toch niet losgezien worden van onze relatie?”

Nicci: “Het klopt dat het moeilijk is om die twee te ontwarren, maar onze relatie is toch veel meer dan al die gezamenlijke boeken? Door samen te schrijven hebben we elkaar wel leren kennen zoals dat op geen enkele andere manier mogelijk geweest zou zijn. We zijn dingen van elkaar te weten gekomen die we anders nooit hadden ontdekt.”

 

Zoals?

Nicci: “Hoe vreemd Sean is. (lacht) Ik heb toegang gekregen tot de rare kronkels in zijn brein. Ik vind ons gezamenlijk schrijven met alles wat eraan vasthangt, heel fijn. We hebben samen succes en gaan samen ook de mist in. We kunnen niet meer aan elkaar ontsnappen, maar dat weegt niet op tegen het gelijkwaardige, kameraadschappelijke plezier dat we beleven aan het samen creëren van fictie.”

Sean: “Het is alsof we samen voortdurend een nieuw huis aan het bouwen zijn. ‘Het dak ligt er bijna op. Oei, waar komt dat lek vandaan? Probeer jij het te dichten of doe ik het?’”

 

Jullie schrijven nooit samen aan dezelfde tafel?

Sean: “Nee. Zelfs als een redacteur ons vraagt om een woord te vervangen, zullen we dat nooit samen doen. Een van ons beiden trekt zicht dan terug, denkt na en beslist.”

Nicci: “Tijdens het schrijven moet je je zelfbewustzijn verliezen; dat lukt enkel als je alleen bent.”

 

Net als in jullie Frieda Klein-reeks speelt Londen opnieuw een belangrijke rol. Jullie houden van die stad?

Nicci: “We hebben een haat-liefdeverhouding met Londen. De helft van de tijd wonen we in de stad en de andere helft in een dorp in Suffolk.”

Sean: “Als baby leefde ik al in Londen. (lacht) Rond ons veertigste kregen we een midlifecrisis en trokken we met de kinderen naar dat dorp op het platteland. Een paar jaar lang zetten we bijna geen voet meer in Londen. Tot we terug te veel heimwee naar de stad kregen en de flat in Covent Garden kochten. Weet je wat zo raar was? Van zodra we in dat dorp woonden, begonnen we te verlangen naar Londen.”

 

Londen is een personage in dit boek.

Sean: “Ja, en dat was de stad ook al in de Frieda Klein-thrillers. Eigenlijk zijn we geobsedeerd door Londen. Ondanks de gruwelijke en walgelijke kanten van die stad.”

 

Welke ‘gruwelijke en walgelijke kanten’?

Nicci: “Ze telt tien miljoen inwoners en is overbevolkt. Je vindt er de meest afstotelijke rijkdom en goorste armoede. Neve en al haar vrienden zijn geen armoezaaiers. Ze hebben misschien niet veel geld op de bank staan, maar ze wonen wel in hun eigen huizen. Wie eigenaar is van een huis in een gegeerde Londense wijk, is rijk.”

Sean: “Vandaag zijn er veel vijftigers zoals Neve die in de jaren tachtig een Londens huis gekocht hebben toen het nog betaalbaar was.”

Nicci: “Onze kinderen kunnen zich geen huis in Londen permitteren. Voor wie in armoede leeft, is de stad ongenadig en hard. Er leven ontzettend veel arme mensen. Tezelfdertijd is het een superdiverse, opwindende plek. In tegenstelling tot wat er zich nu in ons land afspeelt, blijft Londen verwelkomend en gastvrij. Ongeacht waar je vandaan komt: in Londen vind je een thuis.”

 

En toch verlieten jullie met jullie vier kinderen die stad. Omdat jullie niet wilden dat ze daar opgroeiden?

Nicci: “Helemaal niet. De oudste was toen al bijna elf.”

Sean: “Hun tienerjaren brachten ze door in dat dorp. Daarna gingen ze naar de universiteit en dachten we: ‘Ze zullen nu wel uitzwermen over Groot-Brittannië naar prachtige steden als Manchester. Maar ze trokken alle vier terug naar Londen. Daar beleven ze nu de tijd van hun leven, ook al huren ze hun appartementen. Een van onze dochters is dokter en verdient goed haar boterham. Toch lukt het ook haar niet om huiseigenaar te worden. Dat is enkel weggelegd voor bankiers uit de City en Russische oligarchen.”

 

In Huis vol leugens kwam ik maar één keer het woord ‘brexit’ tegen.

Nicci: “Oei, staat dat erin? Waar precies?”

 

Bladzijde 93.

Nicci: “Dat was niet de bedoeling, ook al vergiftigt ‘brexit’ nu alle Britse conversaties.”

Sean: “We schrijven doelbewust nooit over politiek, want dan is een boek snel gedateerd. Dat ‘brexit’ er nu toch één keer ingeslopen is, komt waarschijnlijk doordat het all over the place is.”

 

Misschien ook omdat hij onafwendbaar is?

Sean: “Bijlange niet.”

Nicci: “Niemand weet wat er zal gebeuren. Er raakt gewoon geen enkele brexit-deal door het parlement.”

 

Als Boris Johnson premier wordt, komt er een no deal-brexit.

Nicci: “Een ‘no deal’ komt er enkel als Johnson als premier geen poot meer uitsteekt en alles op zijn beloop laat. Niemand wil dat. Als hij voor een no deal gaat en de hele boel laat crashen, verlaat hij het pad van de democratie. Ach, ik weet het niet. Wij hopen nog steeds dat er iets gebeurt waardoor er geen brexit komt, al is dat wellicht wishful thinking.”

Sean: “Groot-Brittannië, en zeker Engeland, zijn in twee gesplitst. De ene helft is internationaal en kijkt met open blik naar de rest van de wereld, de andere helft kruipt in zijn schulp en verlangt naar de 19e eeuw. De wereld waarin onze verhalen zich afspelen, wordt bevolkt door mensen die openstaan voor outsiders en ze ook verwelkomt. In onze boeken vind je Engeland zoals het bedoeld was te zijn.”

 

Ooit was Boris Johnson de razend populaire burgemeester van Londen.

Sean: “Boris is het vleesgeworden opportunisme. Toen hij nog journalist bij The Telegraph was, zoog hij het ene na het andere eurofobische verhaal uit zijn duim. Om toch maar burgemeester van Londen te kunnen worden, mat hij zich een tof stedelijk imago aan. Plots hield hij van homo’s en lesbiennes én van vreemdelingen. ‘Oh, they’re so great!’”

Nicci: “Wij houden niet van hem. Hij is verwerpelijk.”

Sean: “Nu hij de stemmen van al die oude leden van de Conservatieve Partij nodig heeft, valt hij vreemdelingen en moslims aan.”

Nicci: “Vrouwen die niqabs dragen, noemt hij brievenbussen en reduceert hij zo tot objecten. Er is niets goeds over die man te zeggen. Daarom vernoemen we hem ook niet in ons boek. (lacht)”

 

Hebben jullie ooit overwogen om samen een compleet andere roman dan een thriller te schrijven?

Sean: “Dan zou het geen Nicci French zijn. Die naam staat voor dit soort van psychologische thrillers. Dit is onze core business.”

Nicci: “Ik ben het daar niet mee eens. Ik zeg niet dat we nu een andere roman zullen schrijven, maar ik sluit ook niet uit dat het ooit gebeurt.”

 

Was de reeks rond Frieda Klein een poging om het over een andere boeg te gooien?

Nicci: “Dat was meer dan een poging; we hebben het acht boeken lang volgehouden. Als we het juiste personage vinden, gebeurt dat misschien nog wel eens opnieuw.”

Sean: “We voelen ons geen gijzelaars van ons genre. Er zijn onwaarschijnlijk veel invalshoeken om een psychologische thriller te schrijven. In onze boeken over Frieda Klein hebben we ook heel wat geëxperimenteerd. We zijn nu de laatste hand aan het leggen aan een thriller waarin we weer compleet nieuwe paden verkennen.”

 

Huis vol leugens ligt nog maar pas in de winkel en de volgende is al af?

Sean: “Ik schat dat we er nog zes uur werk aan hebben. Op de trein terug naar huis werken we dat boek definitief af.”

 

Is het hoofdpersonage opnieuw een sterke vrouw, zoals in al jullie boeken?

Nicci: “Het zijn niet altijd sterke vrouwen.”

Sean: “Maar het zijn wel altijd vrouwen die soms een sterkte in zichzelf ontdekken.”

Nicci: “Frieda Klein was een bijzondere vrouw, maar de meeste andere vrouwen uit ons oeuvre zijn heel gewoon. En oké, vaak zijn ze sterk, maar het zouden je vriendinnen kunnen zijn.”

 

Is het denkbaar dat een toekomstig hoofdpersonage een man is?

Nicci: “Alleen als er een goede reden voor is.”

Sean: “Nu vindt iedereen het vanzelfsprekend en zelfs toe te juichen dat de vrouwelijke ‘Nicci French’ altijd een vrouw als belangrijkste personage heeft. Maar zou er evenveel lof gekomen zijn als ik onder mijn mannelijke alter ego Sean French al die boeken solo geschreven zou hebben? ‘Waarom schrijft die kerel constant over vrouwen? Is hij geobsedeerd? Waarom steelt die patriarch al die vrouwelijke eigenschappen?’ Als deel van het Nicci French-duo kan ik nu als man vanuit een vrouwelijk perspectief schrijven zonder dat iemand daar vragen over stelt. Ik vind dat fantastisch. Eigenlijk is dat heel toevallig zo gegroeid. Het verhaal van onze eersteling Het geheugenspel kon alleen maar verteld worden door een vrouw. Als ons eerste idee geschreeuwd had om een man als hoofdpersonage, denk ik dat al onze thrillers er anders hadden uitgezien.”

Nicci: “Het was toch van in het begin vrij duidelijk dat de auteur ‘Nicci French’ meer vrouw dan man zou worden?”

Sean: “Misschien omdat ik meer in vrouwen geïnteresseerd ben dan jij in mannen? (lacht)”

Nicci: “Nee Sean, we wilden van meet af aan de vrouwelijke stem in het thrillergenre laten doorklinken. Want we vonden dat die al te lang verdrongen was. Dus waarom zouden we dan voor ons debuut een mannenstem gecreëerd hebben? De hele literatuur bulkt van de kerels.”

Sean: “Ja, je hebt gelijk. Zeker in onze beginperiode was een vrouwelijk tegenwicht nodig, al is dat intussen veranderd.”

Nicci: “Vind je? Hoe krachtig vrouwen nu ook zijn, ze staan nog steeds aan de zijlijn. Hoe zwak mannen ook zijn, zij blijven het centrum bezetten.”

 

Saul, de dode vijftiger in Huis vol leugens, hopte van de ene minnares naar de andere. Voor Neve was Saul haar eerste minnaar.

Nicci: “We wilden dat ze verliefd werd op een sleazebag, een immorele, corrupte vent. Een charmante praatjesmaker die haar zegt dat hij haar graag ziet, maar enkel met haar van bil wil gaan. Ze mocht niet verliefd worden op een held. De Sauls van deze wereld delen nog steeds de lakens uit in bedrijven en regeringen.”

Sean: “Op veel terreinen in de Britse samenleving brengen vrouwen het er veel beter vanaf dan mannen. Aan de richting geneeskunde studeren meer vrouwen af dan mannen. Binnen een paar jaar zijn al onze dokters vrouwen. Vrouwen overklassen mannen op de maatschappelijke ladder en toch is er zoiets als de MeToo-beweging. De top van de grote ondernemingen in Groot-Brittannië wordt nog steeds gedomineerd door mannen. Ook al doen vrouwen het veel beter dan mannen, als het op ‘leiderschap’ aankomt, vallen ze meestal uit de boot. Kijk naar de zich op gang trekkende presidentscampagne in Amerika. Bij de Democraten werpen vervelende oude mannen als Joe Biden en Bernie Sanders zich in de race. Ze worden uitgedaagd door dynamische jongere vrouwen als Kamala Harris en Elizabeth Warren. Toch hoor je mensen klagen: ‘Ik weet het niet hoor, die Warren heeft een vreselijk irritante stem.’”

Nicci: “Of: ‘We vinden haar te bazig.’”

Sean: “Of ze vragen: ‘Hoe zal u uw politieke leven combineren met de opvang van de kleinkinderen?’ Zo’n Joe Biden heeft een geheugen als gatenkaas en ziet eruit als een zielenpoot. Toch wordt hij opgehemeld tot ‘sterke kandidaat’.”

 

Jullie hebben pas de drempel van 60 overschreden. Lonkt het pensioen?

Nicci: “Zolang mensen ons willen lezen, blijven we samen schrijven. Van in het begin hebben we een afspraak gemaakt: we stoppen ermee als een van beiden vindt dat het schrijven een opdracht wordt, begint te vervelen, of in een formule ontaardt. We zijn niet bang dat de ideeën ooit opdrogen. Want die halen we uit het leven zelf.”

Sean: “We zien wel vrienden van ons op pensioen gaan. Sommigen zijn blij dat ze eindelijk van hun strontjob verlost zijn en kunnen gaan vissen. Voor mij was schrijven van meetafaan mijn droomjob. Ik heb geen enkele behoefte om ermee op te houden. Ik bezoek graag kunstgalerieën en lees graag boeken van anderen, maar daar heb ik geen pensioen voor nodig.”

 

Is schrijven dan geen uitputtende geestelijke inspanning?

Nicci: “Toch wel. Het is zeer vermoeiend. Maar een van de voordelen van ouder worden, is dat je een leeftijd bereikt waarop je niets meer hoeft te bewijzen. Ik ben niet meer ambitieus; ik doe gewoon mijn zin.”

Sean: “Toneelauteur Noel Coward zei: ‘Work is much more fun than fun.’ Hij heeft gelijk. Mijn grootste momenten van geluk zijn die waarop ik tijdens het schrijven in een flow geraak. Want het is zalig om amper bewust van de rest van de wereld, de woorden van een tekst in elkaar te zien passen.”

 

Nicci French, Huis vol leugens, Ambo/Anthos, 400 blz., 21,99 euro

 

Bio

 

Nicci Gerrard

  • Geboren in 1958 in Worcestershire.
  • Studeerde Engelse literatuur aan de universiteit van Oxford.
  • Werkte als journalist voor The New Statesman toen ze Sean French ontmoette.
  • In 2003 verscheen haar solodebuut De onderstroom.

 

Sean French

  • Geboren in 1959 in Bristol.
  • Studeerde Engelse literatuur aan de universiteit van Oxford.
  • Werkte als columnist voor The New Statesman toen hij Nicci Gerrard ontmoette.
  • In 2004 verscheen zijn solodebuut Dit is het begin.

 

Nicci French

  • Samen schreven Nicci en Sean sinds 1997 21 thrillers en een handvol novelles.
  • In Vlaanderen en Nederland alleen al verkochten ze meer dan zes miljoen boeken.
  • Hun bekendste werk is de achtdelige Frieda Klein-reeks.
  • Omwille van hun gigantische succes in de Lage Landen verschijnt Huis vol leugens eerst in het Nederlands. De Engelse editie komt pas uit in oktober.

(c) Jan Stevens

Advertenties

‘Er hangt een grote schietschijf op de rug van journalisten’

Jim Acosta, Witte Huiscorrespondent voor CNN, werd als eerste journalist ooit door president Donald Trump ‘vijand van het volk’ genoemd. In zijn boek ‘Vijand van het volk’ beschrijft Acosta de gevolgen van Trumps aanvallen op de pers. “Fans van de president posten doodsbedreigingen zoals: ‘Ik zou je heel graag in de ogen kijken terwijl ik het laatste restje lucht uit je strot knijp.’”

 

De Amerikaanse president Donald Trump trapte dinsdagavond in Florida zijn verkiezingscampagne voor zijn tweede termijn af. Al vroeg in zijn toespraak wees hij naar de journalisten achteraan in de zaal. “Dat is veel nepnieuws daar. Veel nepnieuws.” Waarna 20.000 Trump-supporters in koor scandeerden: “CNN sucks.”

Witte Huisverslaggever Jim Acosta herinnert zich nog haarscherp wanneer Donald Trump hem en zijn zender CNN voor het allereerst ‘nepnieuws’ en ‘vijand van het volk’ noemde. “Het was op een persconferentie die Trump gaf vlak voor hij in januari 2017 ingezworen zou worden. Ik kan u verzekeren: dat kwam keihard aan. Ik wens geen enkele Europese collega toe dat zijn premier of president hem ‘vijand van het volk’, ‘nepnieuws’, ‘tuig’, ‘verrader’, ‘onderkruiper’, ‘dief’, ‘ergste van het ergste’, ‘walgelijk’ of ‘oneerlijk’ noemt.”

Trump slingerde het de voorbije jaren allemaal naar Jim Acosta’s hoofd. Op 7 november 2018 werd Acosta zelf even wereldnieuws toen zijn perskaart werd ingetrokken en hij tien dagen lang persona non grata was op het Witte Huis.

Jim Acosta: “De ochtend na de tussentijdse verkiezingen gaf Trump een persconferentie. Dat was het moment waarop een stagiaire van het Witte Huis probeerde de microfoon af te pakken terwijl ik de president vragen aan het stellen was. Hij noemde me toen ‘een heel onbeschoft iemand’. Zijn persverantwoordelijke Sarah Sanders beweerde dat ik de stagiaire een ‘karateslag’ had toegediend en postte een door de schimmige website Infowars gemanipuleerd filmpje. Mijn perskaart voor het Witte Huis werd ingetrokken en Sanders stuurde een van de pot gerukte tweet de wereld in: ‘President Trump is voorstander van een vrije pers en juicht moeilijke vragen over hem en zijn regering toe. We zullen echter nooit tolereren dat een verslaggever met zijn handen aan een jonge vrouw zit.’ Iedereen die de niet gemanipuleerde beelden gezien heeft, weet dat dit volslagen onzin is. Gelukkig troffen we een rechter die de persvrijheid hoog in het vaandel voert en het Witte Huis verplichtte me mijn perskaart terug te geven.”

 

Sarah Sanders neemt eind deze maand afscheid van het Witte Huis. Zal u haar missen?

“Niet echt. Toen ze nog als campagneleider voor diverse andere politici werkte, kon ze het goed met de pers vinden. Ze dronk graag borrels met ons. Maar van zodra ze voor Donald Trump begon te werken, ging het mis. Op persbriefings stond ze vaak regelrecht te liegen en had ze de gewoonte dat te vergoelijken door te zeggen dat ze ‘de beste informatie verschafte die ze had’. Tijdens persconferenties negeerde ze bij voorkeur journalisten van CNN, net als haar baas.”

 

De ondertitel van uw boek ‘Vijand van het volk’ luidt: ‘Een gevaarlijke tijd om de waarheid te vertellen’. Is de persvrijheid in Amerika in gevaar?

“Ja. We zijn in een situatie aanbeland waarin het bijna dagelijkse kost is dat de Amerikaanse president leden van de pers brandmerkt als ‘vijanden van het volk’. U kunt zich echt niet voorstellen wat dat aanricht. Ontzettend veel supporters van Trump hebben die vijandigheid tegenover de pers overgenomen. Ik heb dat zelf aan den lijve ervaren tijdens die Trump-rally’s voor de tussentijdse verkiezingen. Ik was op dat moment al heel wat gewoon, want er werden doodsbedreigingen op mijn Facebook-account gepost zoals: ‘Ik zou je heel graag in de ogen kijken terwijl ik het laatste restje lucht uit je strot knijp.’ Tijdens de campagne van 2018 werd die haat levensecht. Een van de eerste rally’s die ik bijwoonde, vond plaats in Nashville, Tennessee. President Donald Trump was in ‘bloedvorm’. Hij had het over ‘Crooked Hillary’ en noemde ons ‘nepnieuws’. Naast het persvak stond een man continu ‘uitschot’ en ‘klootzak’ naar me te schreeuwen. Een half uur lang. Tot een collega van de New York Times hem vroeg ermee op te houden. Toen begon hij tegen haar te schreeuwen.”

 

Amerika wordt een gevaarlijke plek voor journalisten?

“Zonder twijfel. U herinnert zich ongetwijfeld nog de fanatieke Trump-aanhanger Cesar Sayoc die in oktober 2018 dertien pakketjes met pijpbommen stuurde naar CNN en verschillende Democratische doelwitten. Dat was een rechtstreeks gevolg van de vileine aanvallen van Trump op de pers en op zijn opposanten. Op Sayocs witte bestelbusje plakte een sticker met de geliefde kreet van Trump-supporters: ‘CNN sucks’. De man had me ook rechtstreeks op Twitter bedreigd: ‘Jij bent de volgende.’ Hij stuurde me een foto van een onthoofde geit en haar afgehakte kop. In plaats van olie op de golven te gieten, wakkerde Trump het vuur verder aan. Vijf dagen nadat de pijnbommen bij CNN waren toegekomen, tweette hij: ‘Er heerst grote woede in ons Land die gedeeltelijk wordt veroorzaakt door onzorgvuldige, en zelfs bedrieglijke verslaggeving. De Nepnieuwsmedia, de ware Vijand van het Volk, moeten stoppen met hun openlijke & duidelijke vijandigheid en het nieuws zorgvuldig & eerlijk verslaan. Dat zal enorm helpen de vlam te doven.’”

 

Creëert Trump die vijandigheid doelbewust?

“Het is een soort toneelstuk dat hij opvoert. Hij denkt dat hij nog steeds zijn programma The Apprentice aan het presenteren is. De pers beschouwt hij als onderdeel van zijn reality-tv-presidentschap. Door ons ‘de walgelijke, oneerlijke nieuwsmedia’ te noemen, probeert hij ons te controleren en in de mand te sturen als hij vindt dat dat nodig is. Maar het grote probleem is dat zijn fans niet doorhebben dat Trump de ster speelt in zijn nieuwste televisieshow. Zijn nepnieuwsretoriek is geëscaleerd en ik vrees dat hij er zich niet van bewust is dat zijn voortdurende uithalen naar de pers afschuwelijke consequenties kunnen hebben.”

 

U noemt het een uit de hand gelopen toneelstuk, maar de bedenker van het etiket ‘vijand van het volk’ is toch Trumps voormalige oerconservatieve topstrateeg Steve Bannon?

“Ik heb Steve Bannon voor mijn boek geïnterviewd en hij vertelde me dat hij in de eerste weken van de regering vaak met Trump discussieerde over de media. Ze waren diep ongelukkig over de berichtgeving van sommige zenders en kranten. ‘Speciaal voor zenders als CNN en kranten als de New York Times bedachten wij toen tijdens het brainstormen samen ‘vijand van het volk’’, zei Bannon me. Verschillende goedgeplaatste bronnen binnen het Witte Huis vertrouwden me later toe dat de term ‘vijand van het volk’ integraal uit de koker komt van Steve Bannon.

“Waar Bannon wel zelf alle eer voor wil opstrijken, is de strategie om de pers als ‘dé oppositiepartij’ te labelen. Niet lang na zijn eerste grote persconferentie, tweette de pas geïnstalleerde president Trump: ‘De nepnieuwsmedia (falende @nytimes, @nbcnews, @abc, @cbs, @cnn) zijn niet mijn vijand, ze zijn de vijand van het Amerikaanse volk!’ Die demonisering van de pers als te bashen ‘oppositie’, is copy/paste van de vreselijkste dictaturen. Er hangt nu een grote schietschijf op de rug van journalisten. Te veel collega’s hebben dat nog niet door. Ze beschouwen het als wat jennen en trollen op Twitter, maar zien niet dat sommigen dat spelletje heel serieus nemen.”

 

U voelt zich bedreigd?

“Ja, en ik had nooit gedacht dat het in dit land zo ver zou komen. De Verenigde Staten waren altijd een baken van democratie voor de rest van de wereld. De vrije pers was essentieel. Maar hoe kunnen wij nu nog een democratisch voorbeeld zijn met een president die journalisten ‘vijanden van het volk’ noemt?”

 

Vijandschap tegenover de pers is toch niet iets typisch Amerikaans? In België worden de zogenaamde ‘mainstreammedia’ gelabeld als ‘leugenpers’, voornamelijk door extreemrechts. Ook in de rest van Europa gonst het van ‘Lügenpresse’ en ‘fake news media’.

“Dat is juist. Bij ons in de VS heeft een ultranationalistische beweging via Trump de macht gegrepen. Dat model wordt nu over de hele wereld gekopieerd. Populisten zien Trumps beleid als een ticket naar succes, terwijl het volgens mij een enkeltje naar de hel is. In maart hield Jair Bolsonaro, de nieuwe president van Brazilië, samen met Trump een persconferentie in de Rose Garden van het Witte Huis. Hij bestempelde toen alle verhalen waar hij niet van houdt ook als nepnieuws. Het is als een virus dat zich over heel onze planeet verspreidt. Maar is dit de weg die we met z’n allen willen inslaan? Ik heb al aan heel wat vooraanstaande Republikeinse en Democratische politici gevraagd: ‘Is dit de samenleving die jullie willen achterlaten voor jullie kinderen en kleinkinderen?’ Geen enkele burger verdient het om door zijn politieke leiders vogelvrij verklaard te worden en uitgeroepen tot volksvijand.”

 

De manier waarop Donald Trump Amerika leidt en de pers aanpakt, verandert het land fundamenteel?

“Als ik met buitenlanders praat, zeg ik altijd: ‘Blijf alsjeblieft vertrouwen hebben in de VS.’ Want we hebben natuurlijk nog steeds een parlement met democratisch verkozen vertegenwoordigers van het volk. In ons politiek systeem zijn checks and balances ingebouwd. We hebben onze grondwet en elke vier jaar zijn er verkiezingen. Het blijft wel degelijk mogelijk om dingen te corrigeren als het te veel uit de hand loopt.”

 

Vlak na Trumps overwinning werd ook al sussend gezegd: “Hij kan niet zomaar zijn zin doen.” Maar ik denk dat velen de voorbije twee jaar vol verbazing naar zijn capriolen hebben staan kijken.

“Het is de voorbije jaren zeker flink misgegaan en ik begrijp uw vrees dat het nog meer de dieperik zal induiken. Trumps presidentschap is alleszins een stresstest voor onze democratie. Ik vraag me af of deze neerwaartse spiraal zal stoppen als Trump niet herverkozen raakt.

“Donald Trump richt zijn giftige pijlen op CNN, NBC, de New York Times, de Washington Post, maar conservatieve media zoals Fox News bejubelt hij. Behalve dan rechtgeaarde Fox-journalisten zoals Shepard Smith en Bret Baier die het aandurven om zijn beleid kritisch onder de loep te nemen. Ook ultranationalistische websites zoals Breitbart, de Daily Caller of het Christian Broadcasting Network liggen in zijn bovenste schuif. Bij sommige Fox-collega’s merk ik nu een lichte vorm van angst: ze maken zich zorgen over een mogelijke machtsovername door de Democraten in 2020. Ze zijn bang dat een Democratische president ‘the Donald’ zal imiteren en de conservatieve media op hun beurt zal uitroepen tot vijanden van het volk. Voor alle duidelijkheid: ik zou dat niet toejuichen, integendeel. Al vraag ik me wel af hoe figuren als Sean Hannity en Tucker Carlson dan zullen reageren als ze bij wijze van spreken in mijn schoenen staan. Zij maken op Fox News louter propaganda voor Trump.”

 

U acht het mogelijk dat de eventuele Democratische opvolger van Trump wraak neemt op Fox News?

“Ik hoop dat geen enkele volgende president, Democraat of Republikein, de pers in het vizier zal nemen. Er zijn trouwens ook heel wat Republikeinen die het totaal oneens zijn met de manier waarop Trump ons viseert. Alleen durven de meesten hun mond niet open te doen. En dat is jammer.”

 

Is er solidariteit onder Witte Huis-journalisten?

“Die is toch groter dan ik dacht. Het is niet vanzelfsprekend om een collega ter hulp te springen als hij op een persconferentie door de president himself met de grond gelijk wordt gemaakt. Maar er waren best wel wat momenten waarop collega’s het voor me opnamen. Toen mijn perskaart werd afgenomen, stonden zelfs de Fox News-journalisten achter mij.”

 

President Trump neemt graag een loopje met de waarheid. Hoe lastig is het om als journalist daar voortdurend tegenin te moeten gaan?

“Trumps tactiek is: liegen of het gedrukt staat. De factcheckers van de Washington Post turfden tienduizend onjuiste of leugenachtige uitspraken in de eerste twee jaar van zijn presidentschap. Tezelfdertijd valt hij iedereen frontaal aan die hem op zijn leugens wijst, in de eerste plaats dus de pers. Journalisten zijn uren kwijt aan het controleren van zijn ‘alternatieve feiten’. Dat vindt hij niet fijn, waardoor hij nog wat meer begint te schelden. Ook zijn supporters vinden ons journalistieke werk een ware schande. Maar wat moeten we dan in godsnaam doen? Al die leugens en halve waarheden gewoon blauwblauw laten? Dat kan toch niet? Veel Amerikanen lijken dit politieke leugenpaleis geaccepteerd te hebben. Ik vind dat onbegrijpelijk.”

 

Is Trump een pathologische leugenaar of maken de vele leugens ook deel uit van het toneelstuk dat hij opvoert?

“Ik ben geen psychiater en kan geen diagnose stellen over hoe het mentaal met hem gesteld is. Maar op een dag ging ik iets drinken met een hoge functionaris uit het Witte Huis. Hij was vreselijk gefrustreerd en zei op een bepaald moment: ‘De president is gek.’ Ik vroeg hem wat hij daarmee bedoelde. Hij zei: ‘Trump begrijpt niet hoe onze grondwet ineen zit. Hij weet niet hoelang een minister kan aanblijven en kent de regels niet voor het benoemen van een kabinetslid. Hij weet van toeten noch blazen.’ Maar hij is niet zo geschift dat hij zelf niet meer weet wat hij doet. ‘Hij is crazy like a fox. Hij weet wel degelijk waar hij mee bezig is.’ Ik praatte met een andere hoge pief uit het Witte Huis. ‘De president regeert door middel van instabiliteit’, zei hij. ‘Trump wint door alles om hem heen instabiel te maken. Zo beheerst hij de chaos.’ Dat is iets anders dan een compleet gestoorde idioot die willens nillens de boel in de war stuurt.”

 

Dat is misschien nog veel verontrustender?

“Dat vinden sommige van zijn eigen mensen in het Witte Huis ook. Om tegenwicht te bieden, lekken ze doelgericht naar de pers, of proberen ze al dan niet subtiel het presidentiële beleid een beetje bij te sturen. Zelfs Trumps trouwste vazallen maken zich soms zorgen over hun president. Zijn adviseur Kellyanne Conway vertelde me dat ze niet gelukkig is met zijn uitdrukking ‘vijand van het volk’. Ze gaf zelfs toe dat die retoriek gevaarlijk is. Ze was het ook niet eens met zijn maatregel om aan de grens kinderen te scheiden van hun ouders. Ik vind het veelzeggend dat ze me dat on the record toevertrouwde.”

 

Iedereen kent Kellyanne Conway, maar Trumps belangrijkste binnenlandse adviseur Stephen Miller blijft in de schaduw, terwijl zijn invloed op de president niet te onderschatten is?

“Zonder twijfel. Miller is de architect van de moslimban en de inspirator van het beeld van Amerika dat overspoeld wordt door illegale Mexicaanse criminelen en verkrachters. Hij is een van de anciens en staat Trump bij sinds de campagne. Tijdens de verkiezingsrally’s was Miller zijn publieksopwarmer. In opruiende speeches introduceerde hij hem. Hij schreef ook de van doom and gloom doortrokken inauguratiespeech. Ze zijn zeer close en delen hetzelfde uiterst rechtse en ultraconservatieve gedachtengoed. Amerika is een land gebouwd op immigratie en hun denkbeelden gaan daar lijnrecht tegenin.”

 

U bent zelf de zoon van een Cubaanse immigrant.

“Daarom raakt de afschuwelijke retoriek van de president over migranten me recht in het hart. Mijn vader ontvluchtte als kind samen met zijn moeder de communistische dictatuur van Fidel Castro. Toen ze in de staat Virginia aankwamen, werden ze niet opgewacht door een vijandige menigte of een president die hen uitschold voor het vuil van de straat. Ze werden warm ontvangen door een plaatselijke kerkgemeenschap en ontmoetten vooral vriendelijkheid en gastvrijheid.”

 

Zijn Miller en Trump fascisten?

“De feiten spreken voor zich. Luister naar wat ze vertellen en hoe ze over mensen spreken. Kijk naar waar ze in geloven, en naar wat ze beslissen. Hoe ze Amerikaanse burgers opzetten tegen elkaar. Dat staat allemaal haaks op de waarden van de Verenigde Staten.”

 

 

Bio

  • Geboren op 17 april 1971 in Washington DC
  • Studeerde communicatiewetenschappen
  • Volgde voor CNN de presidentscampagnes van Barack Obama, Hillary Clinton, Mitt Romney en Donald Trump
  • Is sinds januari 2018 hoofdcorrespondent Witte Huis voor CNN

 

Jim Acosta, Vijand van het volk, HarperCollins, 336 blz, 21,99 euro

(c) Jan Stevens

‘Ik ben tegen excuses aan Congo’

In zijn boek Mijn drie levens haalt Etienne Davignon herinneringen op aan zijn leven als diplomaat, eurocommissaris en zakenman. “Ik zeg gewoon wat ik denk. Ik ben daar intussen oud genoeg voor.”

 

Op zijn 86e houdt graaf Etienne Davignon kantoor op de 13e verdieping van het hoofdkwartier van energiereus Engie in de Brusselse Noordwijk. Vanuit zijn bureaustoel heeft hij zicht op het Atomium, het koninklijk kasteel van Laken en op de Onze-Lieve-Vrouwekerk waar koning Boudewijn begraven ligt. Met de huidige koning Filip heeft de machtigste man van België naar eigen zeggen een uitstekende band. Die werd gesmeed op de jaarlijkse ‘geheime’ bijeenkomsten van de gecontesteerde Bilderberg-groep waar Davignon erevoorzitter van is. Met Filips oom Boudewijn was die band iets minder innig. In zijn pas verschenen herinneringenboek Mijn drie levens beschrijft Davignon hoe hij in april 1975 samen met Boudewijn naar de Sovjet-Unie reisde. Hij was toen politiek directeur van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Renaat Van Elslande (CVP), die hij langs zijn neus weg ‘ontzettend lui’ noemt. “Boudewijn wilde absoluut Leonid Brezjnev ontmoeten, maar we hadden hem gezegd dat dit onmogelijk was”, schrijft hij. “De koning sputterde tegen, maar hield zich uiteindelijk aan het protocol.” Zonder dat Boudewijn het wist, ging Davignon vervolgens met de hulp van een hooggeplaatste vriend uit de communistische partij zelf bij Brezjnev in het Kremlin op audiëntie. “Brezjnev en ik hadden elkaar niets bijzonders te vertellen. In de auto zei ik achteraf tegen mijn vriend: ‘Je kunt mijn carrière kelderen als je zegt dat ik Brezjnev heb ontmoet terwijl de koning hier op bezoek was.’ Maar hij heeft er nooit over gerept en niemand heeft het ooit geweten.” Tot nu dus.

In Mijn drie levens verhaalt graaf Etienne Davignon hoe hij van WO II tot vandaag al dan niet discreet zijn stempel drukte op beslissende momenten in België en de rest van de wereld. Zo onderhandelde hij mee over de onafhankelijkheid van de Belgische kolonie Congo. Auteur Ludo De Witte wees in zijn in 2014 verschenen boek Huurlingen, geheim agenten en diplomaten Davignon aan als een van de medeverantwoordelijken voor de moord op de Congolese eerste premier Patrice Lumumba. “Ik ontken mijn betrokkenheid totaal”, reageert Etienne Davignon. “Ik weet wat ik toen wel of niet gedaan heb. Dit zat er niet bij. Veel mensen hebben het er moeilijk mee om te begrijpen dat dit een zaak was tussen Congolezen. Ze waren bang van Lumumba. Jacques Brassinne heeft de moord uitgebreid onderzocht en zijn conclusie is: het is een Congolese affaire. Natuurlijk heeft misschien hier en daar een Belg een rol gespeeld. Maar dan enkel als individu en niet als vertegenwoordiger van de Belgische staat.”

 

Schreef u Mijn drie levens om een aantal misvattingen over uw macht en invloed recht te zetten?

Etienne Davignon: “Nee. Ik heb dit boek geschreven omdat mijn kinderen en kleinkinderen meer wilden weten over wat ik als immer afwezige vader en grootvader uitspookte. Toen ze klein waren, was ik aan het werk en maakte ik geen deel uit van hun geschiedenis. Ze hoorden soms namen vallen en dat maakte hen nieuwsgierig. Mijn boek staat vol souvenirs voor mijn kinderen en kleinkinderen.”

 

Wat vonden ze ervan?

“Ze hebben het nog niet gelezen. Ik zal u dat later vertellen. (lacht)”

 

Zij komen in uw boek niet voor.

“Dat is precies zoals ik het wou. Er heeft altijd een hoge, stevige muur gestaan tussen mijn beroeps- en privéleven. Mijn kinderen wilden er ook zelf nooit bij betrokken worden. Op een bepaald moment stond ik op de hitlist van de Italiaanse terreurgroep Rode Brigades. Ik moest beveiligd worden, want de dreiging was zeer ernstig. Mijn kinderen werden toen naar school gevoerd met mijn auto. Ze vonden dat allesbehalve prettig. Ze wilden niet dat de auto voor de schoolpoort parkeerde, en vroegen om het blokje om te rijden. Zo konden ze gewoon hun school binnenwandelen. Ze hadden overschot van gelijk.”

 

Over uw plaats op de hitlist van de Rode Brigades lees ik niets in uw boek.

“Niet alles wat er in mijn leven gebeurde, staat erin.”

 

De Rode Brigades waren in 1978 de koelbloedige moordenaars van de Italiaanse ex-premier Aldo Moro. Dat moet toch zeer beangstigend voor u geweest zijn?

“Dat is het verleden. Van zodra de bedreiging wegebt, vergeet je zoiets snel. Ik ben een geboren optimist. Ik besefte dat ik voorzichtig moest zijn, maar ik was er ook van overtuigd dat ik de dans zou ontspringen.”

 

U bent nooit in de Belgische politiek gestapt omdat u dan in de clinch zou geraakt zijn met uw vrouw Antoinette Spaak, ‘de ster van het FDF’ zoals u haar noemt. Was u premier van België geworden als uw vrouw niet politiek actief was geweest?

“Dat is koffiedik kijken; misschien was mijn politieke carrière dan wel uitgedraaid op een totale mislukking. Ik ben geen liefhebber van ‘wat als’-vragen. In de politiek bewerkstellig je in je eentje zo goed als niets. Dat is altijd het werk van een ploeg. Halverwege de jaren tachtig bevond ik me bij de PSC, de voorloper van het huidige CdH, in het gezelschap van Gérard Deprez, Melchior Wathelet sr. en Philippe Maystadt. Mijn tweede mandaat als Europees commissaris liep ten einde en ik werd door Deprez en Wathelet uitgenodigd om een belangrijke rol te spelen in de Belgische verkiezingen. Maar Maystadt wou onafhankelijk blijven en geen positie over mij innemen. Ik had toen niet het gevoel dat ik door een hecht team gesteund werd en heb geweigerd. Ach, zelfs met de steun van Maystadt had ik het nog niet gedaan. Want het zou inderdaad een slechte invloed gehad hebben op mijn persoonlijke leven.”

 

In 1936 werd uw vader Jacques Davignon Belgisch ambassadeur in Berlijn. U was toen vier jaar oud.

“Ik was veel te klein om iets te begrijpen van de ideologie van de nazi’s, maar ik was wel onder de indruk van hun propaganda. Berlijn hing vol grote banieren met swastika’s. ’s Avonds werden die verlicht en ik stond daar met open mond naar te kijken.

“Bij mijn vader merkte ik angst voor de toekomst. Hij geloofde niet in het scenario van België als neutrale staat. Hij was er zeker van dat Adolf Hitler zich niet zou laten tegenhouden door wat voor wet ook over de neutraliteit van België. Mijn vader wist: op het moment dat Hitler écht beslist om oorlog te gaan voeren, ziet het er voor ons land slecht uit. Hij was er zeker van dat er oorlog zou komen. Hij zette dat ook op papier en dat werd hem niet in dank afgenomen. Wie slecht nieuws brengt, is nooit populair.”

 

Tijdens de oorlog groeide u samen met uw oudere broer op in Zwitserland.

“Eind juni 1941 zou mijn vader ambassadeur in Londen worden. Maar toen de oorlog in mei 1940 uitbrak, werden we met de trein uit Berlijn geëvacueerd. Op dat moment had mijn vader geen adres in België waar hij ons kon huisvesten. Er was toen ook nog geen Belgische regering in ballingschap in Londen. Vader wist niet waar hij met ons naartoe moest. We belandden uiteindelijk in Vichy, waar de meeste Belgische ministers naartoe gevlucht waren. Koning Leopold III vroeg vader om terug te keren naar Brussel en hij gehoorzaamde.”

 

Dat had hij misschien beter niet gedaan.

“U hebt gelijk. Maar jammer genoeg kunnen we de geschiedenis niet terugdraaien. Vader was inderdaad beter naar Londen uitgeweken in plaats van naar Brussel. Dan had hij nooit tegen zijn zin Leopold moeten vergezellen naar een onderhoud met Hitler in Berchtesgaden. Vader was niet voor niets ambassadeur van de koning en vond dus dat hij loyaal moest zijn aan Leopold III. Toen hij in 1940 naar Brussel vertrok, liet hij me met mijn broer achter in Zwitserland. Hij beloofde dat hij ons snel zou komen halen. Het zou tot 1945 duren voor we naar België konden terugkeren.”

 

In Zwitserland werd u opgevoed door een Britse nanny. Was u toen eenzaam?

“Nee, ik heb daar een mooie kindertijd beleefd. We woonden in een klein dorp en ik was kind onder de andere kinderen. Ik werd niet naar de internationale school gestuurd, maar naar de dorpsschool. In de vakantie bracht ik samen met mijn vriendjes de koeien naar de alpenweide en plukte ik abrikozen. Mijn ambitie was: skileraar worden. (lacht)”

 

Je hoort vaak dat onze huidige tijd op de jaren dertig lijkt. Vindt u dat ook?

“Misschien is het goed dat we ons er bewust van zijn dat dictators zoals Hitler en Mussolini via democratische weg aan de macht gekomen zijn. Wat in het verleden gebeurd is, kan zich herhalen, al hoeft dat niet per se zo te zijn. Maar vandaag zijn de risico’s groter. Van het Vlaams Belang kennen we de origine en we mogen ook niet vergeten dat de PVDA in wezen een traditionele communistische partij is. Tegenwoordig staan veel mensen wantrouwig tegenover de representatieve democratie. Ze stemmen een aantal politici in het parlement waar ze quasi meteen ontevreden over zijn. Dat fenomeen is niet typisch Belgisch; het heeft zich verspreid over heel Europa.”

 

Dat verontrust u?

“Jawel. In plaats van representatieve democratie, willen burgers een vorm van rechtstreekse democratie, alleen werkt dat niet. Kijk maar naar wat het Brexit-referendum ons aan ellende oplevert. Hoe legitiem is zo’n uitslag van 49% tegenover 51% eigenlijk?”

 

In de jaren vijftig kwam u in de diplomatie terecht. U wou bewust in de voetsporen van uw vader Jacques Davignon treden?

“In mijn familie is er een lange traditie van begaan zijn met publieke zaken, de ‘res publica’. Mijn overgrootvader Gilles schreef in 1830 mee aan de grondwet van het nieuwe België. Grootvader Julien was minister van Buitenlandse zaken en vader Jacques was diplomaat. Er is dus die lijn van publieke dienstverlening. Mijn vader vond dat zeer belangrijk, maar mijn oudere broer was daar niet in geïnteresseerd. Ik zag hoe vader worstelde met depressies. Ik had niet veel zin om diplomaat te worden, maar wou omwille van hem toch proberen de traditie in ere te houden.”

 

Als jonge diplomaat speelde u een belangrijke rol bij de onafhankelijkheid van Congo. U was ambitieus?

“Dat was per ongeluk. Op 13 januari 1959 kondigde koning Boudewijn de nakende onafhankelijkheid van Congo aan. Er werd een Belgisch-Congolese rondetafelconferentie samengeroepen. Het was eerst onduidelijk wie daar als Congolese vertegenwoordigers in zouden zetelen. Uiteindelijk werd dat een mix van deelnemers met verschillende achtergronden, met vooral mensen die in de verschillende regio’s politiek actief waren. Onder anderen Joseph Kasavubu, Patrice Lumumba en Joseph-Désiré Mobutu zaten aan de tafel. De Belgische delegatie werd voorgezeten door vice-premier Albert Lilar. Er moest ook een vertegenwoordiger van minister van Buitenlandse Zaken Pierre Wigny in zetelen en die taak kreeg ik op mijn bord. Op dat moment was ik nog een eenvoudige stagiair. Met mijn benoeming wilde Wigny duidelijk maken dat hij als voormalig minister van Koloniën niets met de onafhankelijkheid te maken wilde hebben. Daarom stuurde hij zijn laagste ambtenaar, al had hij nog veel liever de conciërge gestuurd. Ik had dat eerst niet door en leefde in de overtuiging dat ik uitverkoren was omwille van mijn talenten. (lacht) Zo leerde ik de eerste generatie Colonese leiders goed kennen.”

 

Schatte de Belgische regering het Congolese onafhankelijkheidsstreven totaal verkeerd in?

“Ze was veel te optimistisch en maakte de foute gok dat ze snel afscheid van de kolonie kon nemen. Terwijl er een lange periode van onrust en ontevredenheid in Congo aan die conferentie voorafging. De redenering van de Belgische overheid was: ‘We laten Congo los en de technische ambtenaren blijven als raadgevers. Zo zal het wel lukken.’ Niet dus. Ik geloof niet dat het ooit had kunnen lukken. De infrastructuur was goed, de scholen werkten uitstekend, alleen had geen enkele Congolees ervaring met het opnemen van publieke verantwoordelijkheid.”

 

Ze hadden geen inspraak in het beleid?

“Nee. Dat was niet hun fout. In minder dan zes maanden moesten er verkiezingen georganiseerd worden. De nieuw verkozenen hadden geen ervaring. ‘Ze zullen zich laten bijstaan door de Belgische raadgevers.’ Onzin natuurlijk. Als je aan de macht komt, wil je die ook uitoefenen en niet van iemand anders afhangen. Na de verkiezingen brak er muiterij uit in de Force Publique, het Congolese leger. Toen was het hek van de dam. Die opstand richtte zich niet tegen de Belgen, maar tegen de kersverse premier Patrice Lumumba, die ook minister van Defensie was.”

 

Op 23 juni 1960 werd Lumumba de eerste premier van Congo en op 4 september van datzelfde jaar werd hij door president Kasavubu ontslagen. U was daar blij mee. U schrijft: ‘Je kunt moeilijk ongelukkig zijn als je een eerste minister ziet vertrekken die een vijandig beleid voert ten opzichte van je land.’ Had u een hekel aan Lumumba?

“In mijn portret van hem schilder ik toch ook zijn kwaliteiten? Hij wou voor heel Congo zorgen, en niet alleen voor zijn eigen regio. Hij had ambitie en talent. Hij was geen communist, maar een nationalist. Alleen kon hij niet opboksen tegen de omstandigheden. Samen met de onzekerheid kwam de onrust. Op een bepaald moment besliste de Belgische regering in paniek om troepen naar Congo te sturen. Zij moesten de orde handhaven en Belgen evacueren, maar de regering vergat om de Belgische ambassadeur in Congo te verwittigen. Waardoor hij niet op voorhand Lumumba kon geruststellen.”

 

De Congolese regering zag de Belgische invasie terecht als een daad van agressie?

“Eigenlijk wel, ook al was dat niet onze intentie. De Congolezen gingen klagen bij de Verenigde Naties, waarna zij beslisten om een veiligheidstroepenmacht op te richten. Zo groeide Congo uit tot een internationaal conflict en was de chaos compleet.”

 

Moet België zich verontschuldigen voor wat er tijdens de kolonisatie gebeurd is?

“Ik ben tegen excuses. De Congolese bevolking heeft geen slecht gevoel over België. Enkele maanden geleden opende in Katanga een herinneringspark; daar staat een standbeeld van Leopold II.”

 

De man die in ‘zijn’ Congo Vrijstaat handen liet afhakken.

“U ziet meteen hoe ingewikkeld het is. Het is verkeerd om met de waarden van vandaag te oordelen over feiten van honderd jaar geleden. Natuurlijk hebben we vergissingen begaan; godzijdank hebben we ook zaken verwezenlijkt die wél goed zijn. Alleen wil ik het verleden niet beoordelen door de bril van vandaag.”

 

Wijlen Renaat Van Elslande (CVP) was van 1973 tot 1977 minister van Buitenlandse Zaken. U was zijn politiek directeur. In uw boek noemt u hem ‘ontzettend lui’.

“Renaat Van Elslande leeft niet meer en het is makkelijk om zaken te vertellen over mensen die zich niet meer kunnen verdedigen.”

 

Maar u schrijft het wel.

“Ik wou gewoon uitleggen dat mijn situatie op Buitenlandse Zaken niet houdbaar was. Van Elslande was heel intelligent en had al een mooie politieke carrière achter de rug. Maar hij nam zijn portefeuille niet ernstig en daarom overlegden buitenlandse gesprekspartners liever met mij dan met hem. Zoiets blijft nooit duren: een ambtenaar kan niet de plaats innemen van zijn minister. De toenmalige eerste minister Leo Tindemans heeft mij gered door me naar de Europese Commissie te sturen.”

 

U noemt Paul Vanden Boeynants dan weer ‘een uitstekende eerste minister’. Ik vermoed dat niet iedereen het daarmee eens is.

“Ik zeg gewoon wat ik denk; ik ben daar intussen oud genoeg voor. Dat wil nog niet zeggen dat alles wat ik zeg ook altijd correct is.” (lacht)

 

We zitten hier 13 hoog in de met kantoortorens bezaaide Brusselse Noordwijk. Vroeger was dit een levendige buurt met cafés, cinema’s en winkels, waar 12.000 mensen woonden. Onder impuls van Vanden Boeynants is dat met de grond gelijk gemaakt.

“Ik ken zijn fouten, maar toen hij verantwoordelijkheid had over de staat, was hij een staatsman. In de jaren dat hij premier was, heeft hij het land goed geleid.”

 

Van 1977 tot 1985 was u Europees commissaris, waarvan de eerste vier jaar onder de Britse voorzitter Roy Jenkins. De nakende Brexit stemt u droevig?

“De Brexit heeft niet veel met Europa te maken, maar vooral met de lamentabele toestand van de Britse Conservatieve Partij. David Cameron schreef indertijd het referendum uit om zijn partij te redden. Het was niet de bedoeling dat Leave een meerderheid zou halen. Het plan was: de Brexit wordt weggestemd en dat betekent meteen het einde van de verdeeldheid onder de conservatieven. Dat werd een totale mislukking.

“Europa is broodnodig, alleen heeft het project de voorbije jaren aan populariteit ingeboet. Europa werd steeds meer een kwestie van management, waardoor het politieke perspectief vervaagde. Als je twee bladzijden nodig hebt om uit te leggen waarom Europa nodig is, zit je met een probleem. Want een paar paragrafen zouden moeten volstaan: Europa waarborgt ons een betere toekomst en is een baken van zekerheid in een veranderende wereld.

“De regeringen van verschillende lidstaten klagen: ‘Europa verplicht ons vervelende maatregelen te nemen.’ Ze vergeten er bij te vertellen dat ze daartoe verplicht zijn omdat ze daar zelf ooit hun zegen over gegeven hebben. Europa kan geen beslissingen nemen zonder het akkoord van de lidstaten. In Brussel knikken ze braaf ja, maar thuis maken ze hun burgers wijs dat ze door Europa onder druk gezet worden.”

 

Zoals de Hongaarse premier Viktor Orban?

“Ik ben in Boedapest geboren en had eerlijk gezegd nooit gedacht dat een regime zoals dat van Orban mogelijk zou worden. Na de val van de muur kregen de Europese landen die al die jaren onder het communistische juk leefden, de kans zichzelf heruit te vinden. West-Europa had toen ook kunnen zeggen: ‘Trek jullie plan.’ Gelukkig deden we dat niet en aanvaardden we onze politieke verantwoordelijkheid. Maar we hadden nooit gedacht dat dat zou leiden tot verkeerde interpretaties. Die landen in ontwikkeling kregen veel financiële steun van Europa. Terecht, want we willen iedereen op het hoogste niveau tillen. Alleen staat in de verdragen niet geschreven dat we die landen moeten opvolgen. Daarom kan Orban twee registers blijven bespelen. Aan de ene kant bazuint hij rond dat hij niets moet weten van de Europese bemoeienis, aan de andere kant kan hij met het geld dat hij van Europa krijgt in eigen land economisch succes boeken.”

 

In 1988 werd u benoemd tot voorzitter van de Generale Maatschappij. Volgens sommigen organiseerde u in die functie de uitverkoop van België.

“Dat weet ik.”

 

Begin vorig jaar tweette Geert Noels: ‘Etienne Davignon verkocht telkens strategische Belgische activa en werd Minister Van Staat. #saynomore’.

“Ik heb Noels voorgesteld om daarover in debat te gaan. Hij wou niet. De Generale Maatschappij had geen stabiel aandeelhouderschap. Daarom kon de Italiaanse zakenman Carlo de Benedetti begin 1988 een bod op 35% van de Generale Maatschappij uitbrengen. Daarmee zou hij meteen ook de controle verwerven, want het aandeel van de vaste aandeelhouders bedroeg slechts 10%. Precies daarom bood ik de Belgische regering een belang van 20% aan in het kapitaal van de Generale. De regering was in lopende zaken en Jean-Luc Dehaene voerde onderhandelingen over de samenstelling van de regering Martens VIII. Ik voel veel vriendschap en respect voor wijlen Jean-Luc. Hij zei: ‘Zo’n beslissing kan niet in lopende zaken.’ De toenmalige staatsbank ASLK was nochtans bereid om dat belang te nemen. Toch ging het niet door en België liet een grote kans liggen. Want dan zou het Franse Suez nooit de enige aandeelhouder van de Generale Maatschappij geworden zijn, zoals nu wel gebeurde. Sterker nog: misschien hadden wij ooit Suez overgenomen.”

 

Electrabel kwam ook voor 100 % in handen van Suez. Hoe gezond is het dat onze stroomvoorziening gecontroleerd wordt door een buurland?

“Dat wou ik ook niet. Toch moeten we correct blijven: hebben die Franse overnames gevolgen gehad voor de tewerkstelling in België? Zijn al die overgenomen ondernemingen in waarde gezakt? Nee, ze bleven succesrijk. Ik minimaliseer niet dat het beslissingscentrum niet meer voor honderd procent in België ligt. Maar over de toekomst van al die bedrijven wordt toch vooral hier nagedacht. De gevolgen voor de Belgische economie en tewerkstelling zijn bijna nihil.”

 

U schrijft dat de grootste fout uit uw carrière was om in volle bankencrisis voorzitter te worden van de raad van bestuur van Fortis.

“Maurice Lippens had ontslag genomen en ze kwamen me vragen of ik hem wou opvolgen. Ik had toen nee moeten zeggen, ook al was ik in theorie capabel voor die functie. De aandeelhouders die de waarde van hun aandelen hadden zien kelderen, stemden me begin december 2018 weg op de bijzondere aandeelhoudersvergadering op de Heizel in Brussel. Ze zagen me als een man van het verleden. Maurice Lippens is een vriend en ik was niet bereid om hem tot vijand uit te roepen. Voor al die gedupeerde aandeelhouders was hij boosdoener nummer 1 en ik deelde in de klappen. Ik vond Lippens zijn beleid niet goed, maar dat wil niet zeggen dat je niet bevriend kan blijven. Figuren als Mischaël Modrikamen zweepten de gemoederen op.”

 

Er werden door woedende aandeelhouders schoenen naar u gegooid.

“Ik heb wel meer pijnlijke algemene vergaderingen meegemaakt, hoor. Alleen kon ik in de Heizel door het door Modrikamen aangevuurde kabaal niet eens iets zeggen. In Nederland had ik op de algemene vergadering een nipte meerderheid gehaald, in Brussel haalde ik die net niet. Achteraf beschouwd was die stemming een zegen. Ik stond gewoon niet in de juiste positie om het vertrouwen te winnen van de mensen die slachtoffer waren van de hele situatie. Dat had ik op voorhand beter moeten inschatten.”

 

Eind 2018 besloot het Brusselse gerecht om niemand van de verantwoordelijken voor het Fortis-débacle te vervolgen. Klopt de perceptie dat de topbankiers de dans ontspringen, terwijl de kleine aandeelhouders berooid achterblijven?

“De rechtbank heeft beslist. Moesten er geen gerechtelijke onderzoeken geweest zijn, sneed uw opmerking hout. Nu niet. Er is ook een minnelijke schikking getroffen.”

 

U staat op goede voet met koning Filip. Is hij na de verkiezingsuitslag van 26 mei in paniek? 43% van de Vlamingen stemde voor separatistische partijen.

“Koning Filip is niet snel in paniek. Hij wil zijn job goed uitoefenen en hij pakt de zaken uitstekend aan. Zijn beslissing om twee informateurs in te schakelen, is verstandig. Ik geloof trouwens niet dat er aan Vlaamse kant bijna een meerderheid is voor Vlaamse onafhankelijkheid. Onder de uitslag van 26 mei schuilt een andere werkelijkheid. Onderzoek van de Universiteit Antwerpen, KU Leuven, VUB, ULB en UCL laat zien dat de publieke opinies in Vlaanderen, Brussel en Wallonië opvallend gelijklopen. Het enige waarover ze verschillen, is migratie.

“Toen Filip nog kroonprins was, heb ik hem geïntroduceerd bij de Bilderberggroep. Ik had gezien hoe belangrijk Bilderberg was voor de vorming van de Nederlandse prinses Beatrix, toen zij samen met haar vader prins Claus de eerste bijeenkomsten bijwoonde. Ze leerde er veel mensen kennen. Tussen 1992 en 2012 is Filip een tiental keer op mijn uitnodiging langsgekomen. Zo leerden we elkaar kennen en respecteren.”

 

Volgens sommigen is de Bilderberg-conferentie dé plek waar de machtigen der aarde en het grootkapitaal duistere complotten smeden.

“Complottheorieën zijn van alle tijden. Als het klopt dat de Bilderberg-groep de wereld leidt, moet ze onmiddellijk ontslag nemen, want het eindresultaat is niet fameus.”

 

U bent 86 en houdt kantoor op deze 13e verdieping. Het pensioen lonkt nog niet?

“Ik was altijd onafhankelijk en heb nooit het statuut van bediende gehad. Er staat bijgevolg geen datum op mijn pensioen.”

 

Wilt u sterven in het harnas?

“Nee, ik wil nog niet zo vlug dood. U mag er zeker van zijn dat ik zal sterven op het moment dat ik geen professionele activiteit meer uitoefen. Ik bouw af. In vergelijking met drie jaar geleden, doe ik nu minder. Mijn voorzitterschap van de raad van bestuur van BOZAR telt niet mee, want dat is vrijwilligerswerk. Ik zit nog in de raad van bestuur van Brussels Airlines en heb ervoor gezorgd dat vanaf 9 juli ook Jan Smets toetreedt.”

 

De voormalige gouverneur van de Nationale Bank wordt daar uw opvolger?

“In al mijn activiteiten heb ik mijn opvolging voorbereid. Daarom werk ik nu minder dan vroeger. Ooit wordt dat nul.”

 

Etienne Davignon, Mijn drie levens, Lannoo, 280 blz, 25,99 euro

(c) Jan Stevens

‘Ze hebben mijn leven gestolen’

In november 1987 werd de pasgeboren Coline Fanon in een ziekenhuis in Guatemala geroofd voor adoptie. Haar moeder kreeg te horen dat haar baby dood was. Via het inmiddels opgedoekte Hacer Puente kwam Coline in België terecht. “Ze hebben mijn leven gestolen en twee families in de ellende gestort.”

 

Op maandag 13 mei kondigde Unicef België aan dat ze haar pas aangestelde nieuwe directeur Bernard Sintobin alweer wandelen stuurde. Aanleiding was een reeks welgemikte tweets van tv-maker Eric Goens naar aanleiding van Sintobins benoeming. ‘Bernard Sintobin is jarenlang penningmeester geweest van Hacer Puente, de Belgische adoptievereniging die in Guatemala tientallen kinderen heeft verhandeld. Euhm?’ Gevolgd door een tweet met een foto van twee jonge vrouwen. ‘Dit zijn Coline en Sophie: dertig jaar geleden als baby verhandeld in Guatemala, door toedoen van de Belgische adoptievereniging Hacer Puente. De voormalige penningmeester van Hacer Puente is vandaag voorzitter van @UNICEFBELGIE.’

In januari van dit jaar getuigden de Franstalige dames Coline Fanon en Sophie Villers over hun malafide adopties in de reeks Bargoens op Eén. Eric Goens reisde met hen naar Guatemala, onder andere naar de residentie van wijlen Ofelia Rosal de Gamas, regelaar van adopties voor Hacer Puente en schoonzus van Oscar Humberto Mejía Victores, dictator van Guatemala van 1983 tot 1986. In De Morgen van 13 mei ontkende Sintobin ooit meegewerkt te hebben aan frauduleuze adopties. “Het enige wat we deden, was adoptiebemiddeling”, zei hij. “We rekenden zelfs geen administratiekosten aan.” De samenwerking met Ofelia Rosal de Gamas gaf hij wel toe. “Zij zorgde ervoor dat de dossiers op het juiste adres terechtkwamen. Maar het is niet omdat iemand een dictator is, dat de rest van zijn familie ook corrupt is.”

Coline Fanon richtte samen met Sophie Villers Racines Perdues op, een organisatie die in Guatemala op zoek gaat naar de verloren roots van adoptiekinderen. Over Sintobin en Unicef wil Coline het liever niet hebben. Wel over hoe zij als baby door Ofelia de Gamas & co geroofd werd.

Coline Fanon: “Mijn Belgische ouders wilden een kind adopteren en stapten naar het Office de la Naissance et de l’Enfance (ONE), de Franstalige tegenhanger van Kind en Gezin. Ze wilden weten welke adoptiedienst hen het beste kon helpen en werden doorverwezen naar Hacer Puente uit Doornik. Die organisatie werd geleid door Michèle Boucq en was gespecialiseerd in adopties uit Guatemala. Boucq had samen met haar man zelf ook Guatemalteekse kinderen geadopteerd. Mijn ouders doorliepen feilloos alle toen gangbare formaliteiten voor adoptie en in november 1986 kregen ze het bericht dat er in Guatemala een klein meisje op hen lag te wachten. Een maand later liet Hacer Puente weten dat hun baby jammer genoeg gestorven was. Dat nieuws kwam hard aan.”

 

Tot ze in februari ’87 hoorden dat u hun dochter zou worden.

Fanon: “Hun hoop flakkerde op. Mijn ouders vroegen meteen een visum aan voor mij, wat ze trouwens eerder al hadden gedaan voor de eerste baby. Die procedure verliep via Ofelia Rosal de Gamas. Mijn ouders moesten haar voor haar diensten rechtstreeks betalen. Dat werd hen meegedeeld door Hacer Puente. Het geld diende zogezegd om haar kosten te dekken die zij in Guatemala maakte en moest gestort worden op een rekening in de Verenigde Staten.”

 

Op wiens naam stond die rekening?

Fanon: “Ofelia Rosal de Gamas. Van andere kinderen die via dezelfde organisatie geadopteerd zijn, weet ik dat zij niet altijd de rechtstreeks begunstigde was. Soms moest het geld overgeschreven worden naar rekeningen van advocaten in de VS.”

 

Hoeveel betaalden uw ouders?

Fanon: “Dat mag ik niet zeggen; mijn ouders willen dat niet. Niet alle Belgische adoptieouders betaalden evenveel. De bedragen schommelden en er zat geen systeem in. Het kon best dat het ene koppel voor twee Guatemalteekse kinderen vijf keer minder moest neertellen dan een ander koppel voor één kind. Maar altijd ging het over duizenden franken.

“Niet lang nadat mijn ouders het geld hadden overgeschreven, kregen ze van Hacer Puente een brief dat er problemen waren in Guatemala. Alle lopende adopties waren geblokkeerd. Reden: de Guatemalteekse justitie had zware vermoedens over kinderhandel. In de brief stond ook dat er arrestaties verricht waren.”

 

In april van dit jaar schreef het Amerikaanse maandblad Harper’s Magazine dat Ofelia de Gamas twee keer in Guatemala gearresteerd werd voor kinderhandel: een keer in 1983 en een keer in 1987. Ze werd nooit veroordeeld; niemand weet of ze vrijkwam door politieke druk of door het betalen van smeergeld. Toen uw ouders die brief kregen, was dat vermoedelijk nadat De Gamas in ’87 was opgepakt?

Fanon: “Dat zou kunnen. Andere adoptieouders hadden niet veel eerder een brief van Hacer Puente in de bus gevonden met het verzoek om positieve verhalen over de organisatie te delen. ‘Momenteel hebben de negatieve geruchten een hoogtepunt bereikt’, stond erin. ‘De adopties worden sterk in twijfel getrokken. De kinderen zouden niet geadopteerd worden, maar verkocht. Enkel adoptieouders kunnen bewijzen dat die beschuldigingen totaal ongegrond zijn. U mag vermelden dat u Ofelia de Gamas dankbaar bent om wat ze voor uw kind gedaan heeft.’

“Mijn ouders schrokken zeer erg toen ze lazen dat hun adoptiekind voorlopig niet naar België kon komen. Ze schreven naar de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Leo Tindemans en vroegen hem om diplomatieke hulp. ‘Wij hebben alle adoptieregels strikt gevolgd en willen ons kind bij ons.’ Hun verzoek kwam niet uit de lucht vallen: Frankrijk had eerder al in adoptiedossiers diplomaten ingeschakeld. Ze schreven ook naar de Belgische ambassadeur in Guatemala, maar die heeft nooit gereageerd.”

 

Wisten ze waar u ergens in Guatemala was?

Fanon: “Hacer Puente had hen wijsgemaakt dat ik ondergebracht was bij het Rode Kruis. Daarom schreven mijn ouders ook naar prins Albert, onze latere koning. Hij was voorzitter van het Belgische Rode Kruis en zij vroegen hem of hij meer te weten kon komen over de omstandigheden waarin ik was ondergebracht.”

 

Hoe oud was u toen?

Fanon: “Een maand of drie, vier. Mijn ouders kregen antwoord van de stafchef van Albert: ‘De prins heeft uw verzoek doorgestuurd naar de algemene directie van het Rode Kruis België. Hij vraagt hen uw zaak te onderzoeken en u indien mogelijk te helpen.’ Vervolgens gebeurde er een hele tijd niets. Mijn vader en moeder wachtten, maar kregen intussen wel een factuur van Hacer Puente toegestuurd die ze netjes betaalden. De organisatie rekende hen de kosten aan voor mijn verzorging, voeding en kledij, en voor mijn babysitters.”

 

Was u op dat moment ook veilig ondergebracht bij het Rode Kruis?

Fanon: “Nee. Er zijn sporen van mij teruggevonden in Guatemala City in een clandestien huis waar adoptiekinderen verzameld werden. Ze hebben toen ook foto’s van mij genomen, onder andere één waarop mijn voeten zijn samengebonden. Maar waar ik precies al die tijd verbleef, weet ik nog steeds niet. Waar ik wel zeker van ben, is dat ik eind juli 1987 nog opgesloten zat, terwijl mijn adoptiedossier in gang gezet was in november ’86.”

 

Uw biologische moeder had u toen afgestaan voor adoptie?

Fanon: “Nee, op geen enkel moment. Niet lang na mijn geboorte kreeg ik hevige koorts en mijn mama keerde met mij terug naar het ziekenhuis waar ze bevallen was. ‘Mijn pasgeboren baby is ziek’, zei ze. Twee dagen later vertelden ze haar in het hospitaal dat ik gestorven was. In werkelijkheid hadden ze me overgebracht naar een ander ziekenhuis.”

 

U bent dus ontvoerd door dokters en verplegers?

Fanon: “Vermoedelijk wel. Of ze waren op zijn minst medeplichtig.”

 

In de jaren zeventig en tachtig gebeurde net hetzelfde in Sri Lanka. Daar werden ook baby’s in ziekenhuizen door verplegend personeel geroofd.

Fanon: “In India ook. Mijn moeder vroeg aan de dokter: ‘Mag ik mijn dochtertje zien?’ Hij zei: ‘Nee, dat kan niet. We moesten haar begraven. Ze ligt in een massagraf.’ Mijn Guatemalteekse mama heeft later ter nagedachtenis aan mij een grafsteen op het kerkhof geplaatst.”

 

Wat vertelden de mensen van Hacer Puente aan uw adoptieouders?

Fanon: “Dat een straatarme vrouw haar baby tegen betaling had afgestaan. Mijn biologische ouders waren niet arm. Mijn biologische vader zat in het Guatemalteekse leger op het moment van mijn geboorte. Ze hadden samen al een zoon. Toen mijn moeder zwanger was van mij, zijn ze gescheiden. Maar ze bleven in contact met elkaar. Mijn vader heeft altijd voor zijn zoon gezorgd; hij liet mijn moeder niet aan haar lot over. Nadat ze in het hospitaal te horen gekregen had dat ik gestorven was, zakte ze een tijdje weg in een depressie. Later hertrouwde ze en kreeg ze nog andere kinderen.”

 

In oktober 1987 vertrokken uw adoptieouders naar Guatemala om u eindelijk te gaan ophalen.

Fanon: “Die reis werd georganiseerd door Hacer Puente-voorzitster Michèle Boucq. Op de luchthaven stond Ofelia Rosal de Gamas hen met haar chauffeur op te wachten. Mijn ouders werden naar een hotel gebracht dat vol bleek te zitten met andere adoptieouders. Er waren zo twee hotels in Guatemala City, gespecialiseerd in het te slapen leggen van buitenlanders die hun nieuwe kinderen kwamen ophalen. Tik op Google de naam in van het hotel waar mijn ouders verbleven, en één van de eerste foto’s die je te zien krijgt, is van een witte mevrouw met een bruine baby op de arm.”

 

Hoe heette dat hotel?

Fanon: “Casa Grande in Guatemala City. De avond van hun aankomst bracht Ofelia mij naar het hotel. Vijf dagen later kwam ze terug om samen met mijn ouders de administratie af te werken. Vader en moeder spraken geen woord Spaans, dus regelde zij alles. Ze toonde foto’s van het huis in de krottenwijk waar mijn biologische moeder zou geleefd hebben. ‘Kijk eens in wat voor vreselijke armoedige omstandigheden de moeder van jullie dochtertje probeert te overleven.’ Nu moet u weten, mijn biologische moeder heeft nooit op die plek gewoond. Sterker nog, de foto van datzelfde krot zit ook in een totaal ander adoptiedossier.

“Ofelia de Gamas nam mijn adoptieouders mee op uitstap naar haar residentie in de stad Antigua, waar ze hen voorstelde aan haar schoonbroer. ‘Hij is een gepensioneerde officier.’ Mijn ouders waren er zich op dat moment totaal niet van bewust dat ze met ex-dictator en notoir schender van de mensenrechten Óscar Humberto Mejía Victores gezellig koffie zaten te drinken. Toen ik hen een jaar geleden een foto van die man liet zien, schrokken ze: ‘Maar dat is die vriendelijke mijnheer van toen.’”

 

Wanneer besloot u uw eigen verleden uit te spitten?

Fanon: “Ik was twintig. Daarvoor had ik me ook al vragen gesteld over mijn verleden, zeker in mijn puberteit. Het verschil met veel andere geadopteerden, is dat je het aan mij niet echt ziet. Ik bedoel: ik val hier op straat niet op. Ik kan best Spaanse of Marokkaanse roots hebben, zoals ontzettend veel andere Belgen. Heel af en toe vroeg wel eens iemand: ‘Waar kom jij vandaan?’ ‘Uit Latijns-Amerika.’ En daar hield het dan mee op.

“Ik heb een zus die ook geadopteerd is. Onze ouders hebben al heel lang uitstekend contact met haar biologische familie. We hebben echt fantastische adoptieouders. Ze deden nooit geheimzinnig over onze adopties. Ik was achttien toen ik hen vroeg of ik mijn dossier mocht inkijken. Geen probleem, alleen was dat dossier flinterdun.

“Ik heb intussen zelf twee kinderen, een meisje en een jongen. Toen ze nog heel klein waren, had ik geen tijd meer om op zoek te gaan. Binnenkort wordt mijn dochter zeven. Toen zij zei: ‘Mama, ik wil het eigenlijk wel eens weten’, wou ik dat ook.”

 

Dus ging u op zoek naar ouders waarvan u overtuigd was dat ze u ooit weggegeven hadden?

Fanon: “Ik had er nooit aan getwijfeld dat zij me gedumpt hadden. Toch wou ik weten hoe ze eruitzagen.”

 

Was u boos op hen?

Fanon: “Nee, dat ben ik nooit geweest. Ik kon begrijpen dat mijn moeder me uit armoede had weggegeven. Mijn adoptiemoeder hield me altijd voor: ‘Ze heeft dat waarschijnlijk gedaan omdat ze geen andere keuze had.’ Dat leek ook zo uit mijn dossier: ze stond me af om mij een betere toekomst te garanderen. Ik was terechtgekomen in een warm nest, met liefhebbende ouders. Ik leidde een zalig leven, en ben trouwens nog steeds gelukkig met wat ik heb. Ik hou van mijn adoptieouders en zij van mij. Zij hebben het zeer moeilijk met wat er nu allemaal boven water komt. (stilte)

“In december 2017 begon ik mijn dossier zeer nauwgezet uit te pluizen. Ik tikte de naam ‘Hacer Puente’ in op het internet en kwam terecht bij het getuigenis van de bekende Franse zangeres Carmen Maria Vega. In 2011 had zij ontdekt dat haar adoptie in 1984 via Hacer Puente allesbehalve fatsoenlijk verlopen was. Ik belde haar. ‘Ofelia Rosal de Gamas regelde mijn adoptie.’ Ze zei: ‘Je weet toch dat Rosal de Gamas handel dreef in kinderen?’ Het was alsof de grond onder mijn voeten wegzonk. Toen wou ik àlles over Hacer Puente en mijn adoptie te weten komen. Ik ging zelfs Spaans studeren om alle paperassen goed te kunnen begrijpen en met Guatemalteken te kunnen communiceren.”

 

Hoe vond u uw biologische ouders?

Fanon: “Ik speurde het internet af en kwam zo bij de Guatamalteekse onderzoeksjournalist Sebastiàn Escalón terecht. In 2015 legde hij samen met zijn collega Pilar Crespo een netwerk in kinderhandel uit de jaren zeventig en tachtig bloot. Eén van de spillen was de advocaat Edmond Mulet, die het inmiddels geschopt had tot hoge pief bij de Verenigde Naties. Ik mailde Sebastiàn: ‘Ik ben geadopteerd in 1987 via bemiddeling door Ofelia de Gamas’. Hij antwoordde direct: ‘Dan ziet het er niet goed uit.’ Hij bracht me in contact met Marco Garavito van La Liga Guatemalteca de Higiene Mental. Marco voert onderzoek naar de verdwenen kinderen van Guatemala.”

 

Zijn er dan zoveel kinderen spoorloos verdwenen?

Fanon: “Guatemala heeft een bijzonder kwalijke adoptiereputatie. Dat begon in 1954, toen een staatsgreep de eerste van een lange reeks militaire dictators aan de macht bracht. Burgers gingen in verzet en de dictators en hun doodseskaders traden keihard op. Volgens een onderzoekscommissie van de VN werden tussen 1954 en 1996 minstens tweehonderdduizend mensen vermoord. Bij klaarlichte dag werden ze door militairen, agenten of huurlingen van de straat geplukt, in busjes afgevoerd, gefolterd, afgemaakt en in massagraven gedumpt. Kinderen werden massaal gestolen, in staatsweeshuizen ondergebracht en met vervalste papieren ter adoptie aangeboden. Die grote kinderrroof wordt nu als een oorlogsmisdaad beschouwd. Het is tegen die achtergrond dat Ofelia de Gamas actief was. La Liga van Marco Garavito helpt ouders met het opsporen van hun verdwenen kinderen. Mijn eerste echte brief in het Spaans schreef ik naar Marco. (lacht) Sebastiàn Escalón gaf me intussen een snelcursus in online-onderzoekstechnieken. Met hun hulp vond ik mijn Guatemalteekse ouders en familie terug. Negen dagen en negen nachten bracht ik continu door op het internet.

“Uiteindelijk vond ik hen op Facebook. Ik durfde mijn biologische moeder niet aan te spreken. Op haar profiel stond elke zevende november van elk jaar een gebedje naast een foto van een baby.”

 

Dat was ter nagedachtenis aan u, haar gestorven dochtertje?

Fanon: “Ja. Volgens de papieren van Hacer Puentes die ik in mijn bezit heb, ben ik geboren op 7 november. Toen mijn adoptieouders me kwamen halen, was mijn geboortedatum op de officiële documenten veranderd in 4 november. ‘Het was oorlog en er was chaos’, zeggen mama en papa. ‘Die verkeerde datum was gewoon een vergissing.’ Dat is best mogelijk. Mijn ouders waren in ‘87 trouwens erg bang om naar Guatemala te vertrekken. Het zijn gewone mensen en geen avonturiers, militairen of oorlogsjournalisten. (lacht)”

 

U stuurde eerst een van uw gloednieuwe zussen een bericht via Facebook?

Fanon: “Zij dacht dat ik een gekkin of een oplichtster was. Later belden we en ze ratelde zo snel in het Spaans dat ik haar nauwelijks kon volgen. Een andere zus vroeg: ‘Welke informatie heb je over je adoptie?’ Ik stuurde haar alles wat ik had. Meteen daarna reageerde ze: ‘Hoe is het mogelijk dat je nog leeft?’ Toen zag ik een vriendschapsverzoek van mijn mama. (stilte) Vervolgens stuurde ze een bericht dat ik niet meteen durfde te openen. ‘Dag mijn mooi lief meisje, mijn schat’, schreef ze. ‘Ik geloof dat ik je mama ben.’”

 

Haar dertig jaar dode dochter was plots springlevend.

Fanon: “Al die jaren was ze er rotsvast van overtuigd dat ik dood was. Daar heeft ze nooit aan getwijfeld. Elk jaar brandde ze een kaarsje op mijn verjaardag. Mijn biologische mama had me Mariela Sindy genoemd. Mijn biologische papa noemde zijn eerste dochter die na mij geboren is, Mariela en zijn tweede dochter Cindy.”

 

Wanneer ontmoette u uw moeder in levende lijve?

Fanon: “In januari 2018, anderhalve maand na ons eerste contact. Ik moést haar zien en nam in mijn eentje het vliegtuig naar Guatemala. Heel de familie stond me op de luchthaven op te wachten.

“Ik vond mijn mama zo mooi. Ze rende naar me toe en nam me in haar armen. Ze was zacht en rook zo lekker. Haar geur vergeet ik nooit meer.”

 

Uw biologische vader ontmoette u later samen met Eric Goens voor Bargoens?

Fanon: “Papa woont in de Verenigde Staten. Hij is een succesrijk ondernemer en kwam speciaal voor ons over naar Guatemala. Mijn biologische mama is mijn adoptieouders ontzettend dankbaar. Ze kan niet ophouden met hen te bedanken omdat ze al die jaren zo goed voor haar dochter gezorgd hebben. Mijn beide mama’s hebben elkaar gesproken, en zouden graag samen tijd doorbrengen met mij. Maar ik kan dat op dit moment emotioneel niet aan. Zij kijken daar heel erg naar uit; voor mij lukt dat voorlopig niet.”

 

U zit nu met uw identiteit zwaar in de knoop?

Fanon: “Het is ingewikkeld. Als ik daar ben, zien de mensen me als één van hen. Ik ben dan ook één van hen, want op die momenten werken de toeristen me even hard op de zenuwen. (lacht) Daar ben ik thuis, maar hier ben ik ook thuis. Dat is zo raar. Als ik hier geen gezin had, was ik al lang weg naar Guatemala. Daar ben ik zeker van. Ik had de oversteek eerlijk gezegd bijna geregeld. Ik had zelfs een school gevonden waar de kinderen ook Frans konden blijven spreken. Mijn Guatemalteekse mama wil zo graag dat ik terugkom. Maar mijn man ziet een verhuis niet zitten. Mijn Guatemalteekse papa zou liefst hebben dat ik naar de VS verhuis. Maar ik raak dat land niet binnen omdat mijn papieren vervalst zijn. Officieel woon ik nog steeds in Guatemala.

“Ik ben verdrietig over wat mijn vaders en moeders moesten meemaken. Ik ben ook kwaad over wat er gebeurd is. Ze hebben mijn leven gestolen en twee families in de ellende gestort. Ik was amper een paar dagen oud toen ze me roofden. Het federaal parket voert nu sinds enkele maanden een onderzoek naar alle adopties van Hacer Puente. Ik hoop dat duidelijk zal worden wie in België verantwoordelijk was.”

 

Kwam dat gerechtelijk onderzoek er door u of door uw organisatie Racines Perdues?

Fanon: “Nee, het kwam er na een klacht van een slachtoffer uit Vlaanderen. Zij stapte met haar adoptieverhaal naar de politie. Via Racines Perdues heb ik contact met alle geadopteerden van Hacer Puente. Ook met de Vlaamse vrouw Dolores Maria Preat die in 2014 voor een stevig schandaal zorgde in Guatemala. Ook zij had ontdekt dat haar moeder haar niet uit armoede had afgestaan, maar dat ze was ontvoerd. Haar kidnapster gaf zichzelf uit voor haar biologische moeder. Die vrouw is daar in Guatemala voor veroordeeld.”

 

Preats adoptie verliep via Hacer Puente?

Fanon: “Ja. Ik zeg niet dat er een geurtje hangt aan alle adopties die Hacer Puente ooit regelde. Maar de lijst van onregelmatigheden die we via Racines Perdues in Guatemala verzamelden, oogt indrukwekkend. Met nummers van identiteitskaarten van biologische ouders die niet kloppen, mannen die vrouwen blijken te zijn, enzoverder… Het was één knoeiboel.”

 

In Vlaanderen is er op dit moment ook flink wat heisa over interlandelijke adoptie. Er bestaan ernstige vermoedens van fraude over adopties uit onder andere Sri Lanka, Ethiopië en Congo.

Fanon: “Franstalige en Nederlandstalige adoptiekinderen staan nu in nauw contact met elkaar. Want interlandelijke adoptiefraude is geen communautaire materie: in heel dit land liep het vaak grondig fout. Daarom is het meer dan de hoogste tijd voor een landelijke waarheidscommissie over adoptie. Álles moet op tafel komen. Zonder taboes.

“Sophie Villers en ikzelf willen graag als vertegenwoordigers van Racines Perdues door de toekomstige premier van België ontvangen worden. Want omdat we als baby ontvoerd zijn, raken wij nu de VS niet binnen. Daar beschouwen ze ons nog steeds als Guatemalteken. We zouden graag hebben dat onze toestand via diplomatieke weg geregulariseerd wordt. Dan kan ik mijn biologische papa bij hem thuis opzoeken. De nieuwe Belgische regering moet ook werk maken van een DNA-bank waar alle geadopteerden terechtkunnen.”

 

Heeft Michèle Boucq van Hacer Puente intussen contact met u gezocht?

Fanon: “Nee. In 2016 belde ik haar omdat ik meer informatie wou over mijn dossier. ‘Wij regelden enkel de overhandiging’, zei ze. ‘Ik heb geen archief.’”

 

(c) Jan Stevens

Stella Goldschlag, de Joodse vrouw die haar vrienden naar de gaskamer stuurde

In Stella brengt de Duitse schrijver Takis Würger de Joodse ‘Greifer’ Stella Goldschlag opnieuw tot leven. Tijdens WO II assisteerde zij in Berlijn de Gestapo bij het opsporen van Joodse onderduikers. ‘Schandaalroman’ Stella zette de voorbije maanden Duitsland op stelten. “Iemand vroeg zelfs een verbod. Al die heisa deed verschrikkelijk veel pijn. Na lectuur van de zoveelste vernietigende commentaar in de krant zat ik soms een potje te wenen.”

 

Begin dit jaar verscheen in Duitsland Takis Würgers tweede roman Stella. Zijn debuut Der Club leverde hem in 2017 niets dan lovende recensies op. “Mijn eersteling werd de meest succesvolle debuutroman van dat jaar”, herinnert hij zich. “‘De nieuwe Hemingway is opgestaan’, jubelden de laaiend enthousiaste recensenten in koor.”

De historische figuur Stella Goldschlag speelt de hoofdrol in Würgers nieuweling Stella. Ze werd geboren in 1922 in Berlijn als het enige kind van Gerhard en Toni Goldschlag. Als Joods meisje ervoer ze in de jaren dertig het oprukkende antisemitisme aan den lijve. Vanwege haar afkomst werd ze van de openbare school gestuurd. In augustus 1943 werd ze samen met haar ouders door de Gestapo opgepakt. Stella werd eerst gefolterd en later gerekruteerd voor de Jüdischer Fahnungsdienst, de Joodse Opsporingsdienst. Voortaan ging ze door het leven als ‘Greifer’, als ‘vanger van Joden’. In ruil voor elke Joodse onderduiker die ze verlinkte, kreeg ze 200 Rijksmark. De Gestapo beloofde haar ook dat haar ouders niet naar een kamp op transport gezet zouden worden. Niet veel later werden ze toch naar Theresienstadt gedeporteerd. Maar ook daarna bleef Stella als Greifer actief. De nazi’s gaven haar als koosnaampje ‘het blonde gif’ en na de oorlog werd ze in de Duitse pers opgevoerd als ‘de Jodin die al haar vrienden naar de gaskamer stuurde.’

Meteen na publicatie van Stella op 11 januari in Duitsland, verschenen ook de eerste recensies. De Süddeutsche Zeitung kopte: ‘Een verschrikking, een belediging en een overtreding’, en catalogeerde het boek als: ‘verraad aan de geschiedenis en de herinnering’. De Frankfurter Allgemeine vroeg zich af: ‘Waarom dit nazi-verhaal voor dummies?’ De recensent van Die Zeit vatte een dag later Stella samen tot: ‘Gruwel in kinderboekenstijl.’ De openbare omroep Deutschlandfunk noemde Würgers roman ‘holocaust-kitsch’.

Takis Würger: “Gelukkig waren er ook tegengeluiden, zo riep de Duitse televisiezender NDR op hetzelfde moment Stella uit tot boek van de maand. Omdat mijn tweede roman over de holocaust gaat, volstaat dat voor de Duitse critici om mij met de grond gelijk te maken. Na mijn succesvolle debuut had ik dit scenario perfect kunnen voorspellen en me kunnen voorbereiden op die storm, maar toch was ik er niet klaar voor. De negatieve kritieken kwamen keihard binnen, zeker in het begin. Ik moest op zoek naar een manier om ermee om te gaan. Als romanschrijver heb je geen andere keuze dan ze gewoon aanvaarden. Critici zijn er om boeken te bekritiseren. Punt. Daniel Kehlmann is momenteel in Duitsland dé topauteur. Hij mailde me om me een hart onder de riem te steken, net als nog veel andere succesvolle Duitse schrijvers. “Die kritiek is normaal”, schreven ze. “Wen eraan.” Ze hebben gelijk, alleen gingen de hardheid en de wreedheid bij Stella in overtreffende trap.”

 

Kwam dat door de gevoeligheid van het onderwerp: de holocaust?

“Nee. Het was heel persoonlijk. U hebt mijn boek gelezen. Vindt u het ook zo schokkend dat het de gemoederen tot een kookpunt kan drijven? Nee, toch? Natuurlijk geeft Stella stof om over na te denken. Maar om daar dan compleet hysterisch over te worden? Er bestaan ook nog échte schandaalboeken. Ik heb niets nieuws verzonnen. Stella is een liefdesverhaal dat zich afspeelt tijdens de holocaust, met een vrouw in de hoofdrol die gebaseerd is op een historische controversiële figuur.”

 

Misschien is het meest choquerende dat Greifer Stella Goldschlag in uw roman sympathiek, begeerlijk, slim en kunstzinnig is.

“Ik kan me voorstellen dat sommigen dat over the top vinden, alleen is daar merkwaardig genoeg nooit een opmerking over gemaakt. De voornaamste kritiek luidt: ‘Mag die Würger wel zo’n roman schrijven?’ Waarom niet? Kunst is vrij; àlles mag geschreven worden. We gaan toch geen boeken verbannen? Weet u dat iemand me juridisch vervolgde voor mijn roman? De Berlijnse advocaat Karl Alich sleepte me voor de rechter en wou Stella uit de rekken.”

 

Waarom?

“Omdat ik ‘de doden verstoorde’. Volgens mij verstoor je de doden als je op het kerkhof een lijk opgraaft en vervolgens met de beenderen begint te spelen. De rechter stuurde Alich wandelen. Meteen nadat die man me aangeklaagd had, stonden de kranten weer vol: ‘Aanklacht tegen Takis Würger’. Wie wil, kan tegenwoordig om het even wie voor om het even wat voor de rechter slepen.

“Ik heb een vreselijk bizar voorjaar achter de rug. Ik ben nu writer in residence aan de universiteit van New York en ben blij dat er die fysieke afstand is tussen mij en Duitsland. Een paar dagen geleden landde ik op de luchthaven van Schiphol en ik dacht: ‘O nee, nu krijg ik die shit opnieuw over me heen.’ Maar iedereen is hier heel meelevend. Mensen vragen voorzichtig: ‘Wat is er aan de hand in Duitsland?’ Stella verscheen gelijktijdig in Duitsland en Italië. Mijn boek werd ook gerecenseerd door de grote Italiaanse bladen. Ze hielden er allemaal van en niemand riep op tot een verbod. Ach, misschien is het wel goed dat de Duitsers de herinnering aan de holocaust en hun nazi-verleden zo onder de microscoop leggen. Al deed de heisa rond Stella me verschrikkelijk veel pijn en zat ik vaak te wenen na lectuur van de zoveelste vernietigende recensie.”

 

Boekhandelaars verdedigden u. Eind februari schreven ze in een open brief in hun vakblad Börsenblatt dat ze uw roman ondanks alles graag en van harte wilden verkopen.

“Ik ben hen zeer dankbaar. Intussen is Stella uitgegroeid tot de meest succesvolle roman van het voorjaar. Op de laatste bladzijde staat mijn e-mailadres. Ik ontving duizenden mails, die ik allemaal beantwoord heb. De overgrote meerderheid is positief. Niet dat al mijn lezers me de hemel in prijzen, maar ze laten me weten dat mijn boek hen aan het denken zet. Sinds de publicatie van Stella gaf ik in Duitsland zowat vijftig lezingen, voor telkens vijfhonderd mensen. Het was hallucinant. Op een van die lezingen begonnen ze tegen elkaar te roepen. In normale omstandigheden komen enkel fans naar hun favoriete schrijver luisteren. Nu verschijnen er ook fervente tegenstanders van Stella op mijn lezingen. Dat zorgt voor een rare sfeer. De eerste keren schrok ik, intussen vind ik dat niet zo erg meer. Natuurlijk wil je dat mensen van je werk houden, maar misschien is het nog belangrijker dat je boek een debat aanvuurt. De discussie gaat nu over hoe we ons de holocaust en de misdaden van de nazi’s willen herinneren.

“Toen ik voor het eerst over Stella Goldschlag hoorde, besefte ik dat ik haar keuzes niet kon beoordelen. Ik heb nog steeds geen idee wat ik in haar plaats gedaan zou hebben. Ik durf geen oordeel vellen over hoe schuldig ze is. Open vragen zijn een goed vertrekpunt voor een roman. Ik las alles wat ik over haar kon vinden. Haar leven is vrij uitgebreid gedocumenteerd. Ik ben geen historicus gespecialiseerd in de holocaust.”

 

U bent journalist en werkt deeltijds voor Der Spiegel.

“Precies. Ik wou niet als journalist over Stella schrijven, maar als romancier. Langzaamaan groeide het idee om haar leven in Berlijn te beschrijven via de fictieve jongeman Friedrich.”

 

Hij is stinkend rijk en afkomstig uit Zwitserland. Waarom dat land?

“Ik had een reden nodig waarom Stella precies hem als minnaar zou willen. Die reden is zijn Zwitserse paspoort: dat gaf haar de mogelijkheid om als zijn echtgenote nazi-Duitsland te ontvluchten. Hun relatie startte op een moment dat het voor haar nog mogelijk was om Berlijn te verlaten. Zwitserland zou een ideale bestemming geweest zijn. Zij raakt pas in Friedrich geïnteresseerd op het moment dat ze doorheeft dat hij Zwitser is.”

 

Was de echte Stella Goldschlag ook een opportuniste?

“Ik denk het wel. Ze was tot alles bereid om te kunnen overleven. Als Joodse in Duitsland had ze natuurlijk niet veel keuze.”

 

Uw roman speelt zich af in 1942. Uw fictieve Stella is op dat moment actief als Greifer. De echte Stella begon pas joden te verlinken vanaf 1943.

“Dat klopt, maar u mag niet uit het oog verliezen dat mijn Stella geïnspireerd is op de historische Stella Goldschlag. In tegenstelling tot mijn Stella, was zij in 1942 een getrouwde vrouw. Toch zijn de gelijkenissen tussen beide Stella’s frappant: ze collaboreerden allebei met de nazi’s, waren allebei blond, slim en mooi en zongen allebei in een jazzband. De Jodin Stella Goldschlag was het prototype van het Arische ideaal en zette zo de rassenleer van de nazi’s een neus. De meeste Joden die erin slaagden om de Tweede Wereldoorlog in Berlijn te overleven, waren blond en leken totaal niet op het clichébeeld dat de nazi’s van hen schilderden. Ik koos voor 1942 omdat het in dat jaar nog perfect mogelijk was om naar Berlijn te reizen. In januari ’43 zou dat complete waanzin geweest zijn. Want dan kwam de oorlog naar Duitsland.”

 

Volgens uw roman was Berlijn in ’42 een behoorlijk swingende stad.

“De meeste mensen hebben een totaal vertekend beeld van Berlijn tijdens WO II. Ze zien een verwoeste, platgebombardeerde stad, maar dat is het Berlijn van 1944 en ’45 uit de film Der Untergang. Ik las stapels historische boeken over Berlijn in de jaren veertig en tijdens het schrijven ging ik te rade bij drie historici. De Amerikaanse radiojournalist William Shirer leefde in het begin van de oorlog in Berlijn. Hij hield een dagboek bij en schreef over feestjes en over de illegale jazzclubs die hij bezocht.”

 

Een van uw hoofdpersonages, de in luxe levende dandy Tristan van Appen, zou in 1942 een levensechte Berliner geweest kunnen zijn?

“Zeker. Tristan is gemodelleerd naar Gestapo-baas Reinhard Heydrich. Tristan staat symbool voor het feit dat cultuur je niet beschermt tegen slechtheid. Net als Tristan was Reinhard Heydrich de zoon van een componist. Heydrich weende makkelijk tijdens het luisteren naar klassieke muziek, tezelfdertijd plande hij aan de Wannsee nauwgezet de moord op de Europese Joden. Mijn personage Tristan von Appen houdt ook van muziek, is een gastronoom en lijkt een aardige kerel. Later zal blijken dat hij Obersturmbannführer bij de SS is. Duitse lezers schrikken als ze dat halverwege de roman te weten komen. Wij Duitsers lijken nog steeds te geloven dat het nazisme in 1933 door buitenaardse wezens in Duitsland geïnstalleerd is. We vergeten dat de nazi’s Duitsers waren en de Duitsers nazi’s. Niet alle nationaalsocialisten waren domme bruten. Sommigen waren professor, historicus, componist, muzikant, vader, beste vriend, drinkebroer… Mensen zoals u en ik.”

 

De Belgische historicus Herman Van Goethem schreef een boek over 1942. Onze huidige tijd doet hem sterk denken aan de jaren dertig.

“Ik heb professor Van Goethem ontmoet en was onder de indruk. Maar met die stelling ben ik het niet eens. De NSDAP, de nazi-partij, was diep in de kern antidemocratisch. Dat geldt niet voor de huidige rechtspopulistische partijen. Ik maak me zorgen over hun opkomst, maar zolang ze de democratie niet aanvallen en er deel van uitmaken, moéten we ze aanvaarden. Een groot verschil met 1933 is dat er op dit moment geen enkele betekenisvolle antisemitische partij actief is. Al maak ik me wel zorgen over antisemitische bewegingen in Duitsland en Frankrijk. Toch is het niet juist om onze huidige tijd te vergelijken met de jaren dertig.”

 

Volgens historicus Wolfgang Benz, voormalig directeur van het Berlijnse Instituut voor Antisemitisme, is islamofobie de huidige variant van het 19e en 20e-eeuwse antisemitisme.

“Ook daar ben ik het niet mee eens. Islamofobie op dezelfde lijn plaatsen als antisemitisme is waanzin. Sommigen koesteren ongetwijfeld vooroordelen tegenover de islam, maar er bestaan geen vernietigingskampen voor moslims en er worden ook geen plannen voor gesmeed. De georganiseerde vernietiging van een heel volk door de nazi’s is een unieke misdaad. Intolerantie tegenover moslims is fout en moeten we veroordelen. Van mij mag je een hele dag bidden, zolang je de mensenrechten eerbiedigt.”

 

De historische Stella Goldschlag verklikte Joden om haar ouders te redden. Volgens sommige schattingen droeg ze 3000 mensen bij de nazi’s over.

“Die schattingen zijn overdreven. Het zullen er een paar honderd geweest zijn.”

 

Ze wist wat die mensen te wachten stond?

“Ze probeerde te vermijden dat haar vader en moeder naar de kampen op transport gezet werden. Ze moet dus inderdaad geweten hebben dat er mensen vermoord werden.”

 

Maar ook na de deportatie van haar ouders blijft ze als Greifer actief.

“We weten niet waarom ze mensen bleef verklikken. Misschien om haar eigen hachje te redden? Volgens sommige historici kickte ze op de macht om over andermans lot te beschikken. Maar was dat echt zo? Het enige waarover we zekerheid hebben, is dat ze zowel dader als slachtoffer was.”

 

Na de oorlog werd ze door de Sovjets veroordeeld tot tien jaar gevangenschap. Na haar vrijlating verhuisde ze naar West-Berlijn waar ze opnieuw tot tien jaar veroordeeld werd.

“Omdat ze al tien jaar cel achter de rug had, moest ze toen niet nog eens naar de gevangenis.”

 

Ze hertrouwde vijf keer en sprong in 1994 uit het raam van haar flat in Freiburg. Weet u waarom ze zelfmoord pleegde?

“Nee. Ze liet geen afscheidsbrief achter en sprak er op voorhand met niemand over. De historische Stella Goldschlag was, net als mijn Stella, een vrouw vol geheimen. Eigenlijk weten we niet hoe ze over zichzelf dacht, of hoe ze met schuldgevoelens omging, in de veronderstelling dat ze die had.”

 

Wat wel zeker is: ze werd samen met haar ouders gearresteerd en door de nazi’s gefolterd.

“Ja. Na die foltersessie werd ze Greifer. Haar ouders waren in levensgevaar, maar hoe ze daarover dacht of wat ze daarvan vond, weten we niet. Elk hoofdstuk begin ik met een kroniek van die tijd. Alles wat daarin beschreven staat, is hard feitenmateriaal, inclusief de 10 geboden voor iedere nationaalsocialist van Joseph Goebbels, nazi-minister van Volksvoorlichting en Propaganda. Als je als Duitser over de Tweede Wereldoorlog wil schrijven, zelfs in een roman, moét je de feiten juist hebben. Mijn eigen grootvader diende als soldaat in de Wehrmacht en mijn grootmoeder gaf voordrachten over de superioriteit van het Arische ras.”

 

Zij was een overtuigde nazi?

“Zonder twijfel. Over de Wehrmacht-soldaten werd tot lang na de oorlog gezegd: ‘Zij waren de good guys; ze hielden zich aan de regels.’ Onzin, denk maar aan wat de Duitse Wehrmacht in Rusland heeft aangericht. Ze maakten er zich schuldig aan de ene misdaad na de andere. Ter voorbereiding van dit boek was ik drie maanden in Tel Aviv en sprak ik zowat dagelijks met Auschwitz-overlevende Noah Klieger. Hij stierf in december vorig jaar en heeft nog een tijd in België gewoond. Hij was 92 toen ik hem ontmoette. Hij vertelde me hoe het was om als jood onder de nazi’s te leven. Hij zei: ‘Die oorlog was compleet verkeerd. Polen binnenvallen omdat je gelooft dat je meer Lebensraum nodig hebt: dat was toch waanzin?’ Hij had gelijk, en het was niet zo dat de soldaten van de Wehrmacht zich tegen die inval verzetten. Integendeel.”

 

Sprak u ooit met uw grootouders over hun oorlogsjaren?

“Mijn grootvader stierf voor mijn geboorte. Mijn grootmoeder heb ik wel nog gekend. Zij groeide op in een klein dorp in Pruisen en wou nooit veel over haar rol in de oorlog kwijt. Ik moest dus op zoek naar andere getuigen.”

 

U sprak ook met nazi’s?

“Als je in Duitsland leeft, is de kans vrij groot dat je af en toe met een nazi spreekt. (lacht) Ik ging inderdaad ook met een paar stokoude nazi’s praten. Ik wou de Berlijnse atmosfeer van die eerste oorlogsjaren zo getrouw mogelijk reconstrueren. Mijn hoofdpersonage Friedrich vertelt hoe de stad ruikt: ‘Berlijn rook naar kolen, naar harszeep, naar de geur van verplaatsbare houtgaskachels, boenwas en gekookte bieten.’ Dat was de authentieke geur. Het heeft me vreselijk veel moeite gekost om daarachter te komen, want de meeste inwoners van Berlijn uit 1942 zijn dood. Uiteindelijk vond ik een vrouw die zich de geur nog levendig kon herinneren. De journalist in mij wil al die feiten juist hebben.”

 

Doorheen uw boek staan getuigenissen over de verklikacties van Stella Goldschlag.

“Die zijn authentiek en heb ik geput uit de processtukken die bewaard worden in het Landesarchiv Berlin. Ze vormen een tegenwicht voor mijn sympathieke Stella. Haar verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van een man die dolverliefd is op haar. Ze brengt Friedrichs hoofd op hol. De getuigenissen over mensen die door Stella verlinkt zijn en in Auschwitz vermoord werden, zetten de lezer weer met beide voeten op de grond.”

 

Die Friedrich is zeer naïef, vind ik.

“Dat is een bewuste keuze. Kijk, wij weten nu wat er gebeurd is. Friedrich wist dat niet. Hij stond er middenin en stelde zich niet al die vragen waarvan wij vinden dat hij ze zich had moeten stellen. Ik vind dat zeer aannemelijk, wat niet wil zeggen dat ik hem als vriend zou willen. Liever niet.”

 

In 1945 kreeg Stella Goldschlag een dochter, Yvonne. Zij leeft nog. Hebt u haar ontmoet?

“Nee. Toen Stella in de gevangenis zat, werd Yvonne geadopteerd. Zij werd verpleegster en verhuisde naar Tel Aviv. Yvonne heeft altijd tegen beter weten in verkondigd dat Stella Goldschlag niet haar biologische moeder is. Haar leven lang voert Yvonne Meissl een strijd om zich te bevrijden van Stella. Met de hulp van een Israëlische journalist kon ik haar in Tel Aviv opsporen. Maar op het laatste nippertje besloot ik haar met rust te laten. Ze wil niet aan Stella gelinkt worden en ik vind dat ik dat moet respecteren.”

 

Is dat toch geen gemiste kans?

“Vanuit journalistiek oogpunt wel. Maar het is toch ook belangrijk dat je iemands wil respecteert? Ik wil Yvonne niet kwetsen. Voor Stella geldt dat argument niet: zij is 25 jaar dood.”

 

Bio

 

  • Geboren in 1985
  • Studeerde journalistiek
  • Redacteur bij Der Spiegel
  • Werkte als oorlogsjournalist in Afghanistan, Libië en Irak
  • Werd in 2010 genomineerd als een van de dertig Duitse topjournalisten onder de dertig
  • Debuteerde in 2017 met Der Club als romanschrijver

 

Takis Würger, Stella, Signatuur, 192 blz, 17,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Gebruik de dreigende klimaatramp om de economie te hervormen’

‘We hebben niets geleerd uit de kredietcrisis’, zegt topeconome Mariana Mazzucato. ‘Integendeel. In 2018 werd het bedje nog wat meer gespreid voor de volgende crisis.’

 

Na een korte promotour door Australië voor haar nieuwe boek ‘De waarde van alles’, is de Italiaans-Amerikaanse econome Mariana Mazzucato terug thuis in Londen. ‘Tijd om te crashen op de bank was er niet, want onze tweeling werd de dag na mijn aankomst veertien’, zegt ze. ‘Dat moest gevierd worden.’

Sinds de publicatie in 2013 van haar bestseller ‘De ondernemende staat’ reist Mazzucato de wereld rond. Ze adviseert regeringen, politici en ceo’s over economische innovatie en duurzaam ondernemen, geeft lezingen en doceert tussendoor economie aan de universiteit van Londen.

Melania Mazzucato: ‘Mijn ‘ondernemende staat’ is: een investerende en innoverende overheid. Die is onontbeerlijk voor slimme, duurzame groei. Zonder de jarenlange investeringen van de Amerikaanse overheid in fundamenteel onderzoek konden Apple, Google en Microsoft nooit zo’n belangrijke ondernemingen worden. Dankzij overheidsinvesteringen is er nu het internet en de smartphone.’

 

In ‘De waarde van alles’ wil u het begrip ‘waarde’ terug ‘de invulling geven die het echt verdient’. Wat is ‘waarde’ dan precies?

Mazzucato: De essentie van ‘waarde’ is dat het moet gaan om het voortbrengen van nieuwe goederen en diensten. De kernvragen zijn: hoe worden die goederen en diensten geproduceerd, hoe worden ze verdeeld en wat gebeurt er met de winsten die ze opbrengen? Een product wordt pas écht waardevol als het ook nuttig is. Voegt het iets toe aan de mensheid of schaadt het ons? Zorgt het met andere woorden voor waardecreatie of is het volstrekt waardeloos? Een nieuwe fabriek bijvoorbeeld kan vanuit economisch standpunt zeer waardevol zijn, maar verliest aan waarde wanneer ze tijdens de productie de omgeving te veel vervuilt.

 

Volgens u bezondigen bankiers, durfkapitalisten en vermogensbeheerders zich eerder aan waardeonttrekking dan aan waardecreatie?

Mazzucato: Vaak behoren zij tot de ‘pakkers’ of ‘graaiers’. Ze produceren zo goed als niets en toch belonen ze zichzelf met riante commissies, zelfs als de adviezen aan hun cliënten compleet de mist ingaan. Ze komen daar ook probleemloos mee weg.

In 2009 verklaarde Lloyd Blankfein, de ceo van Goldman Sachs: ‘Onze mensen zijn de productiefste ter wereld.’ Terwijl Goldman Sachs amper een jaar eerder de hoofdrol gespeeld had in de zwaarste financiële crisis in tachtig jaar. De Amerikaanse belastingbetalers moesten 700 miljard dollar ophoesten om de bank van de ondergang te redden. Toch gingen Goldman Sachs en andere zakenbanken later lustig door met speculeren tegen de door henzelf uitgevonden derivaten die tot zoveel ellende hadden geleid. Tussen 2009 en 2016 boekte Goldman Sachs een nettowinst van 63 miljard dollar op een netto-omzet van 250 miljard. In 2009 haalde het bedrijf zelfs een recordwinst van 13,4 miljard. En hoewel de bank een jaar eerder door de Amerikaanse overheid met geld van belastingbetalers gered was, durfde de regering het niet aan om daar later een faire vergoeding voor te vragen. Ze was al lang blij dat het geld werd terugbetaald.

 

Hebben we dan niets uit de kredietcrisis geleerd?

Mazzucato: Nee, totaal niets. In 2018 werd het bedje nog wat meer gespreid voor de volgende crisis. In veel landen dreigt een economische kladderadatsch. Nogal wat economische statistieken tonen verontrustende cijfers. De verhouding tussen particuliere schulden en beschikbare inkomens ligt terug op het niveau van voor de financiële crisis van tien jaar geleden. In de VS worden weer volop leningen aan huishoudens en bedrijven verstrekt die ze niet kunnen dragen. Banken verstrekken opnieuw hoge hypotheken aan mensen met een te laag inkomen om ze kunnen afbetalen.

Er kwam ook geen belasting op financiële transacties, waardoor financiering op korte termijn beloond wordt, in plaats van financiering op lange termijn. Veel winsten van industriële ondernemingen worden niet in de bedrijven geherinvesteerd, maar in het terugkopen van aandelen om zo aandelenprijzen en -opties kunstmatig een boost te geven. De huishoudens zagen de voorbije jaren geen andere keuze dan steeds meer leningen aan te gaan om hun levensstandaard op peil te houden. Al die dingen samen vormen een bijzonder explosieve cocktail.

 

En dat op het moment dat de gevolgen van de klimaatverandering steeds tastbaarder worden.

Mazzucato: Precies. Als je alle immense problemen die met de klimaatverandering gepaard gaan daarbij telt, begint het pas echt te duizelen. Ik heb het meest recente IPCC-rapport gelezen en dat windt er geen doekjes om: we hebben nog twaalf jaar om ons voor een regelrechte globale catastrofe te behoeden. Misschien is nu hét moment aangebroken om de dreiging van de klimaatverandering als breekijzer te gebruiken voor noodzakelijke economische hervormingen. Laat de klimaatramp die boven ons hoofd hangt de stok achter de deur zijn om al die slecht aangewende winsten nieuwe, werkelijk zinvolle bestemmingen te geven.

Het klimaat is trouwens niet onze enige uitdaging: in veel landen deugen de zorgsystemen niet of staat de sociale zekerheid zwaar onder druk. Een nieuw economisch raamwerk is daarom ook nodig als we de welvaartstaat niet compleet ten onder willen zien gaan. Het hele systeem moet dringend doelbewuster aangestuurd worden, in het belang van ons allemaal.

 

Hoe moet dat dan concreet gebeuren?

Mazzucato: Ik roep onze bewindvoerders op om eerst en vooral gebruik te maken van het hele scala aan middelen waarmee zij de maatschappij kunnen sturen. De prijzen-, loon- en belastingpolitiek moeten zo georganiseerd worden dat die organisaties en ondernemingen beloond worden die de grote uitdagingen durven tackelen die op ons afkomen. Het uiteindelijke doel is: meer duurzame groei stimuleren.

De Europese Commissie heeft mij ingehuurd om te onderzoeken hoe grote collectieve problemen zoals klimaatverandering, ziektes, armoede en vergrijzing op een innovatie manier aangepakt kunnen worden. Ik vind dat de EU zichzelf best meer doelen stelt en ‘missies’ uittekent. Ze kan zich daarbij richten op de duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN. Een van mijn adviezen luidt: creëer honderd CO2-neutrale steden in de EU. Overheden moeten dat soort van doelen dúrven stellen en zelf helpen verwezenlijken door in duurzame projecten te investeren. Ik pleit dus niet meer of minder dan voor een groene New Deal.

 

Is de nieuwe generatie populistische politici die wereldwijd aan een opmars bezig is, ook geïnteresseerd in wat u te vertellen heeft?

Mazzucato: Kent u Alexandria Ocasio-Cortez? Ze is een Democratische politica uit New York en kersvers lid van het Huis van Afgevaardigden. Met haar 29 jaar is ze de jongste Amerikaanse volksvertegenwoordiger ooit. Zij is erg geïnteresseerd in een groene New Deal en ik begeleid haar daarbij. Ik werkte ook nauw samen met de Oostenrijkse sociaaldemocraat Christian Kern, tot hij in 2017 de verkiezingen in zijn land verloor. Ik adviseer ook vooraanstaande Britse politici, ook al is het vandaag niet vanzelfsprekend om in het Verenigd Koninkrijk over goed beleid na te denken, met die obsessie voor de brexit. En in de VS is er natuurlijk die grote schaduw van president Donald Trump. Maar toch zijn er lichtpunten: zo rebelleren de staat Californië en de stad New York openlijk tegen Trump. En waarom praten we niet meer over een land als Denemarken dat al behoorlijk ver staat in de groene transitie? De Denen zijn intussen de belangrijkste leveranciers geworden van duurzame high tech-diensten aan China. Onderschat die Chinezen trouwens niet: zij spenderen 1,7 triljoen dollar in het duurzaam maken van hun economie. Er vinden dus best wel positieve dingen plaats.

 

China is niet langer de grote vervuiler?

Mazzucato: Het milieu wordt er nog steeds op grote schaal vervuild, maar de overheid beseft intussen heel goed dat het zo niet verder kan. Ze maken van de immense vervuilingsproblematiek de motor voor innovatie. De Chinese overheid wil de complete economie vergroenen. Ik vind dat zeer interessant.

 

In China bepaalt de autoritaire staat de richting van de economie. Onze overheden moeten ook meer ingrijpen?

Mazzucato: Onze overheden moeten meer geld in duurzame projecten investeren, en tezelfdertijd ophouden met het verkwisten van belastinggeld. Ontzettend veel geld wordt vermorst met subsidiëringen of zogezegd gerichte belastingverlagingen die op het einde van de rit geen verschil maken. Bedrijven maken dankbaar gebruik van al die overheidssubsidies om hun winsten nóg te vergroten, terwijl die vaak al de pan uit swingen.

 

Zo vergroten overheden al dan niet ongewild de kloof tussen rijk en arm?

Mazzucato: Ja, maar ik hou niet van die formulering. Ik vind ze nogal onvolwassen. Wat wil dat zeggen: ‘De kloof vergroten tussen rijk en arm’? Niets. Want over wie hebt u het dan? Wie zijn ‘degenen die alles hebben’ en ‘degenen die niets hebben’? De échte kern van de zaak is: hoe kan een overheid duurzame investeringen stimuleren?

 

U hebt geen boodschap aan de Occupy-slogan: ‘de 99 procent tegen de 1 procent’?

Mazzucato: Studenten mogen die slogans hanteren, maar niet adviseurs zoals ik die regeringen assisteren in hun transitie naar meer duurzaamheid. Ik ben het eens met de ideologie die erachter schuilgaat, maar niet met het sloganeske simplisme. Ik ben heel specifiek in wat ik tegen regeringsleiders zeg: ‘Als die bepaalde subsidie of belastingverlaging niet het gewenste effect heeft, is het een verkwisting van belastinggeld.’ Want het grote probleem met niet-functionerende belastingvoordelen is dat ze elders gecompenseerd moeten worden. Als bedrijven zo’n belastingverlaging niét gebruiken om een vervuilende activiteit af te bouwen, verliezen we twee keer. De kwaliteit van onze leefomgeving zal even belabberd blijven én iemand anders moet de rekening van die belastingverlaging oprapen. Misschien wordt er dan beknibbeld op het budget voor onderwijs of cultuur. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?

 

De Europese Commissie en de Britse, Oostenrijkse of Duitse bewindvoerders nemen uw adviezen misschien wel ter harte, maar hoe zit dat met de vele regimes die gebukt gaan onder corruptie?

Mazzucato: Maak u geen illusies: bijna elke regering heeft te maken met corruptie. Groot-Brittannië, het land waar ik leef, kent zelfs ontzettend veel corruptie. Zo overtuigden de grote farmaceutisch bedrijven de Britse regering ervan om een ontzettend domme taxcut te introduceren: de Patent Box. De bedoeling was zogezegd om R&D-afdelingen van farmabedrijven naar het VK te lokken, terwijl die belastingverlaging in werkelijkheid voor geen enkele innovatie zorgt. De Patent Box kwam er na intensief gelobby van de farma-industrie; voor mij is dat corruptie. In een democratie nemen de mensen die door het volk verkozen zijn de beslissingen, niet de grote ondernemingen of belangengroepen.

 

Dat is toch nog iets anders dan de corruptie in landen als pakweg Rusland of Congo?

Mazzucato: In bijvoorbeeld mijn geboorteland Italië of sommige Afrikaanse landen is de corruptie inderdaad zo hard doorgeslagen dat fatsoenlijk regeren er quasi onmogelijk is. Als antwoord op die corruptie werd in Italië de openbare sector drastisch hervormd. Die hervorming kwam eigenlijk neer in kortwieken, waardoor de overheid nóg zwakker werd. Italiaanse ambtenaren belandden van de regen in de drop, waardoor ze nu meer dan ooit gevoelig zijn voor corruptie.

 

U maakt zich grote zorgen over de brexit?

Mazzucato: Ja, dat wordt een regelrechte ramp. Alleen niet voor de usual suspects als Price Waterhouse Coopers (PWC), Ernst & Young, Deloitte… Zij werden door de regering ingehuurd en zijn vandaag de feitelijke Brexit-planners. De chaos groeide de regering boven het hoofd en daarom ging ze te rade bij PWC en co. De uitkomst van het brexit-avontuur is zeer onzeker, maar dat maakt voor de consultants geen verschil, want zij verdienen er sowieso handenvol geld aan. De brexit werd voorgesteld als dé manier voor het VK om geld te besparen; de ironie wil dat de Britse overheid nog nooit zoveel consultancyhonoraria uitbetaald heeft als nu. (lacht)

 

De brexit wordt een ramp voor zowel Groot-Brittannië als Europa?

Mazzucato: Het wordt in de eerste plaats een ramp voor Groot-Brittannië. Voor de EU zal het wel meevallen. Kwetsbare Britse burgers die zich door de campagne van de brexiteers hebben laten misleiden, worden nóg kwetsbaarder. Hun lonen zullen nog meer de dieperik in duiken. En dat in een tijd waarin zelfs een land als China volledig afscheid genomen heeft van een lagelonenpolitiek. De Chinese machthebbers bouwen vandaag aan wat ik een ondernemende staat noem, terwijl een president als Trump de Amerikaanse ondernemende staat volledig aan het uitkleden is.

 

Trump presenteert zichzelf net als dé president-ondernemer.

Mazzucato: Hij verkoopt zichzelf graag als het prototype van de ondernemer, maar dat is hij niet. Het enige wat hij doet, is de boel uitverkopen aan zijn collega-superrijken. Met zijn kruistocht voor steenkool, keert hij zelfs terug naar de jaren vijftig. Zijn beleid staat haaks op innovatie en duurzaamheid. Zijn voorganger Barack Obama had wel oren naar een groene New Deal. Het besef dat de staat een rol moet spelen in een duurzame transitie is in de VS nu helemaal weg.

Het klimaatakkoord van Parijs was voor mij een teken van hoop omdat eindelijk een grote groep landen gezamenlijke doelen vooropstelde. Intussen smelt die hoop als sneeuw voor de zon. Gelukkig zijn er steeds meer grote bedrijven die tonen hoe het wel moet. Het Sustainable Living Plan van Paul Polman, ceo van Unilever, is daar een uitstekend voorbeeld van. In dat plan legt Polman de onderneming een aantal duurzame doelstellingen op. De omzet moet omhoog, maar tegelijkertijd moet de belasting voor het milieu drastisch omlaag. Ik put ook hoop uit het duurzame beleid van gouverneur Jerry Brown in Californië. En uit wat landen als Denemarken, Duitsland en China de voorbije jaren hebben proberen verwezenlijken. We mogen ook Brazilië niet vergeten: de sociaaldemocratische president Lula zette de economische koers van zijn land zonder overdrijven op het pad van de duurzaamheid. Hij trok miljoenen mensen uit de armoede.

 

Lula zit nu in de gevangenis voor corruptie en de nieuwe radicaal-rechtse president Jair Bolsonaro werd door Donald Trump enthousiast onthaald.

Mazzucato: Wat alleen maar aantoont hoe fragiel onze democratie is. Er vinden vandaag inderdaad zeer veel deprimerende gebeurtenissen plaats, maar wil dat zeggen dat we collectief depressief moeten worden? Nee, want zo raken we van de regen in de drop.

 

 

Mariana Mazzucato

  • 1968 geboren in Rome
  • 2013 boek The Entrepreneurial State (in 2015 vertaald als De ondernemende staat)
  • 2015 wordt adviseur van Labour-leider Jeremy Corbyn
  • Sinds 2017 Professor economie aan de Universiteit van Londen en directeur van het Institute for Innovation and Public Purpose

 

Mariana Mazzucato, De waarde van alles, Nieuw Amsterdam, 384 blz., 27,99 euro

 

(c) Jan Stevens

“Te vaak is internationale adoptie vermomde kinderhandel”

“Onder het mom van adoptie werd ik in 1980 als baby in India ontvoerd”, zegt Rani T’Kindt. Opdrachtgever was adoptiebureau De Vreugdezaaiers. In 2011 verloor die organisatie haar erkenning; een half jaar later nam het nu in opspraak gekomen Ray of Hope alle dossiers over. “Zolang er met adoptie geld te verdienen valt, zál er gefraudeerd worden.”

 

“Ik ben illegaal geadopteerd en heb dus ook op een illegale manier verblijfspapieren gekregen”, stelt Rani T’Kindt (40). “Toch riep niemand tot hiertoe op om mij uit te wijzen, zelfs het Vlaams Belang niet.”

Op 5 juli 1980 kwam de toen anderhalf jaar oude Rani met het vliegtuig vanuit India in België aan. “Mijn biologische ouders behoorden tot de laagste kaste in de stad Puducherry”, vertelt ze. “Mijn moeder beviel van een meisje en mijn vader was daar niet gelukkig mee. Hij liet haar in de steek. Mama stond met haar pasgeboren dochter op straat en wist van geen hout pijlen maken. De nonnen van het katholieke weeshuis boden haar een job als kokkin aan. Als kleine baby groeide ik op tussen de weesjes. ‘s Nachts moest mama op straat slapen; ik kreeg een bedje tussen de andere kinderen. Mijn Indiaase moeder kon niet lezen of schrijven, maar net als veel andere analfabeten kon ze wel haar naam op papier zetten. De nonnen lieten haar formulieren tekenen waardoor ze zonder het te beseffen mij afstond. Op een ochtend kwam ze in het weeshuis aan en was ik verdwenen. Ik ben nu zelf mama; ik kan me niet voorstellen dat ik mijn dochter van anderhalf zonder morren aan een paar nonnen zou hebben afgestaan. Mijn mama was in paniek. ‘Je hebt zelf getekend’, zeiden de nonnen. ‘Maak je geen zorgen: je dochter is in Parijs. Daar zal ze geneeskunde studeren. Later komt ze terug als dokter.’ Niet lang na mijn ontvoering, keerde mijn biologische vader terug naar zijn vrouw. Zijn geweten knaagde omdat hij mij in de steek had gelaten. Maar ik was verdwenen. Hij was razend. Mijn ouders werden bij de nonnen ontboden en kregen te horen dat ik gestorven was.”

 

Zaaiers van vreugde

Het katholieke weeshuis van Puducherry leverde tegen vergoeding kinderen aan de Gentse adoptiedienst De Vreugdezaaiers. Die organisatie werd eind jaren 50 opgericht door Franciscaner-pater Eugène Delooz. Hij specialiseerde zich in vakanties voor kinderen uit de Parijse bidonvilles bij Nederlandse en Belgische gezinnen. Eind jaren zestig schakelde hij over op adopties van Indiase weeskinderen. Hij sloot een deal met de weeshuizen van Moeder Theresa en op Kerstmis 1970 verscheepte de pater zijn eerste lading Indiase adoptiekinderen. De vraag van kinderloze Belgische en Nederlandse echtparen steeg en de pater legde contacten met andere Indiase weeshuizen, waaronder dat van Puducherry. “Ik heb een foto uit 1980 waarop ik als meisje van anderhalf tussen de weesjes poseer”, zegt Rani. “Pontificaal in het midden zit zuster Blanche met een baby op haar schoot. Ik zit naast haar op de schoot van een meisje met een witte haarband. Die foto diende om in Nederland en België promotie te maken voor het kinderaanbod van De Vreugdezaaiers. Zuster Blanche was een van de daders die mij in samenspraak met De Vreugdezaaiers ontvoerd en verkocht heeft. Die non werd later naar België uitgenodigd om er gevierd te worden als grote weldoenster.”

In november 2011 trok Kind en Gezin de erkenning van De Vreugdezaaiers in. Reden: ze plaatsten te weinig kinderen. Vandaag is de organisatie nog steeds actief als fondsenwerver voor Indiase schoolkinderen. De lopende adoptiedossiers werden in april 2012 overgenomen door het deze week in opspraak gekomen adoptiebureau Ray of Hope (DM 02/05).

 

Uit de doden opgestaan

In België groeide de jonge Rani op in een warm nest. “Ik heb een innige band met mijn Belgische ouders”, zegt ze. “Mijn papa is gestorven op zijn 65e; hij was net op pensioen. Datzelfde jaar is mijn dochter geboren. Ik herinner me dat ik tien was en in bad zat. Ik vroeg mijn mama: ‘Waarom gaat dat bruin niet van mijn lijf?’ Ze antwoordde: ‘Omdat je in India op de wereld gekomen bent. Je Indiase mama was arm en kon niet voor je zorgen. Daarom stuurde ze je naar hier.’”

Op haar negentiende vertrok Rani met haar toenmalige vriend voor een rondreis van een jaar door India. “Van onze trip wilden we een boek maken. ‘Zullen we op zoek gaan naar je biologische mama?’, suggereerde mijn vriend. Tot dan had ik in de veronderstelling geleefd dat ik als baby was gedumpt door een vrouw die niets om me gaf. En toch wou ik haar vinden. In mijn adoptiedossier stond enkel haar voornaam: Mary. De Vreugdezaaiers kwamen te weten dat ik haar in India aan het zoeken was. Ze namen contact op met mijn Belgische mama: ‘Er is niemand meer in Puducherry. Rani’s vader is lang dood en haar moeder stierf onlangs.’ Ik was helemaal van slag. Eerst overwoog ik die stad links te laten liggen. Toch bleven we zoeken en zo ontdekte ik dat mijn beide ouders nog in leven waren. Een non van dat weeshuis kreeg medelijden en hielp me.”

In 1998 ontmoette Rani voor het allereerst haar biologische ouders. “Dat was hartverscheurend en hakte er zowel bij hen als bij mij diep in. Hun kind was uit de doden opgestaan. Zij wisten niet dat ik geadopteerd was. Mijn mama weende en raakte me constant aan, van top tot teen. Ze wilde dat kind voelen dat ze ooit op de wereld gezet had. Ik worstelde daarmee: een vreemde vrouw die op mij leek, kon niet van me afblijven. Ik was haar enig kind. Nadat ik uit haar leven verdween, was haar verdriet zo groot dat ze geen andere kinderen meer wou. Ze smeekte me om voorgoed te blijven, trof zelfs voorbereidingen voor een huwelijksfeest en ging op zoek naar een bruidegom. Ze maakte kennis met mijn Belgische mama en dat was ontzettend moeilijk. Je hoopt om het ontbrekende puzzelstukje van je leven te vinden, maar dat blijkt toch niet zo goed te passen.”

In 2008 bezocht Rani haar biologische ouders opnieuw. Ze organiseerde toen ook een benefiet voor hen in het Gentse. “Ik gaf een interview in een krant waarin ik kritiek uitte op De Vreugdezaaiers, zonder de organisatie bij naam te noemen. Een paar dagen later zat er een anonieme dreigbrief in de brievenbus van mijn ouders. ‘Wij weten waar jullie mee bezig zijn. Let op, of wij treffen maatregelen!’ Het interview zat erbij, met de passages over de Vreugdezaaiers aangeduid in fluo.”

 

Aanklacht tegen kinderhandel

In oktober vorig jaar zag Rani T’Kindt haar moeder in India voor het laatst. “Vier weken geleden is ze gestorven. Ze was 62. Ik ben blij dat ik haar samen met mijn dochter van zeven nog ben gaan opzoeken. In de lente van vorig jaar liet een Indiase neef me weten dat ze ernstig ziek was. Ik wou dat ze voor haar dood haar enige kleinkind zag. In oktober hielden mijn dochter June en mijn mama Mary elkaars handen vast. Dat laatste bezoek aan mijn Indiase moeder heb ik gefilmd, want ik wil een documentaire maken, een aanklacht tegen kinderhandel. Te vaak is internationale adoptie vermomde handel in kinderen. Er moét een waarheidscommissie komen die alle internationale adopties onderzoekt, én een meldpunt. Het getuigenis vorige week van dat Ethiopische meisje over haar frauduleuze adoptie uit 2009, illustreert dat er bitter weinig veranderd is. Ondanks alle regels en wetten. Want zolang er met adoptie geld te verdienen valt, zál er gefraudeerd worden.”

 

(c) Jan Stevens