vorm van ruïnesEind 2012 keerde de Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez na zestien jaar Europese ‘ballingschap’ terug naar ‘zijn’ stad Bogotá. Zelf had hij daar niet zoveel zin in, maar vrouw en kinderen drongen aan. Gelukkig maar, want die terugkeer leverde opnieuw een meesterwerk op.

 

Juan Gabriel Vásquez groeide in de jaren tachtig op in de Colombiaanse hoofdstad Bogotá, op dat moment de meest gewelddadige stad ter wereld. Hij was amper 23 toen hij in 1996 zijn land vaarwel zei om in Parijs aan de Sorbonne Latijns-Amerikaanse literatuur te gaan studeren. In Europa wou hij zijn droom waarmaken: schrijver worden. Maar dat schrijverschap kwam niet meteen van de grond en hij belandde in een zware existentiële crisis. Een bevriend bejaard echtpaar nodigde hem uit voor een weekend op hun landgoed in de Belgische Ardennen. Het geplande weekend werden negen maanden en zijn eerste verhalen speelden zich af tijdens dat verblijf. In zijn nieuwe roman De vorm van ruïnes laat Vásquez een van zijn personages genadeloos afrekenen met die oude ‘brave’ Belgische verhalen. “Terwijl het thuisfront kampt met een burgeroorlog die meer dan twintigduizend doden per jaar eist, een terrorismeprobleem dat je nergens anders in Latijns-Amerika tegenkomt en een geschiedenis die van meet af aan wordt gekenmerkt door de moord op onze grote mannen, schrijft u over stelletjes in de Ardennen die uit elkaar gaan”, klinkt het verwijtend. Dat oordeel is ongenadig streng, want na zijn Belgische verhalen schreef Juan Gabriel Vásquez een aantal zeer indringende romans waarin zijn door drugs en geweld geteisterde geboorteland de hoofdrol speelt. Eerst vanuit Frankrijk, later vanuit Barcelona. Toen hij eind 2012 op verzoek van zijn vrouw en tweelingdochters samen met hen terugkeerde naar Bogotá, was dat ietwat tegen zijn zin. Hij was bang dat het gebrek aan afstand zijn vrije en vranke literaire stem over Colombia in de kiem zou smoren. De vorm van ruïnes schreef hij integraal in zijn geboorteland. Hij bewijst ermee dat zijn vrees om een voorzichtige, door de heimat geknechte schrijver te worden, totaal ongegrond was.

In De vorm van ruïnes duikt hij diep in het heart of darkness van zijn land, net zoals zijn grote idool Joseph Conrad hem dat voordeed in Congo. Vásquez reconstrueert twee politieke moorden die Colombia tot vandaag beroeren. De eerste is op Jorge Eliécer Gaitán, een beloftevol links-liberaal politicus die op 9 april 1948 doodgeschoten werd, de tweede op de linkse generaal en politicus Rafael Uribe Uribe die op 15 oktober 1914 met bijlslagen afgemaakt werd. De schrijver laat zich daarbij op sleeptouw nemen door de Kurtz-achtige Carlos Carballo, een hevig aanhanger van complottheorieën met een ongezonde obsessie voor het oeuvre van Vásquez.

Niemand schrijft soepeler en vloeiender dan Juan Gabriel Vásquez. De vorm van ruïnes is, alweer, een knap geconstrueerd meesterwerk en door de historische foto’s en de vele verwijzingen naar het persoonlijke leven van de schrijver bedrieglijk waarheidsgetrouw. Al is het boek wel degelijk een roman, bulkend van wat Vásquez zelf ‘poëtische waarheid’ noemt.

 

 

Juan Gabriel Vásquez

De lectuur van Honderd jaar eenzaamheid van zijn beroemde landgenoot Gabriel García Márquez ontstak bij Juan Gabriel Vásquez (1973) het heilige vuur om zelf ook schrijver te worden. Het magisch realisme liet hij achterwege. Hij debuteerde in 1997 met de novelle Persona. In 2004 schreef hij de biografie van zijn grote idool Joseph Conrad. Zijn grote internationale doorbraak beleefde hij in 2011 met Het geluid van vallende dingen waarmee hij de belangrijke Spaanse Premio Alfaguara won. Een jaar later werd de roman onderscheiden met de International IMPAC Dublin Literary Award.

 

Juan Gabriel Vásquez , De vorm van ruïnes, Signatuur, 520 blz. 24,99 euro

 

(c) Jan Stevens

De film Denial reconstrueert de geruchtmakende gerechtszaak die holocaustontkenner David Irving zeventien jaar geleden tegen Deborah Lipstadt aanspande. Irving wou de geschiedenisprofessor laten veroordelen wegens smaad maar beet zelf in het zand. Lipstadt is razend enthousiast over de film. ‘Denial laat zien wat voor een racistische leugenaar en vrouwenhater Irving is.’

 

Op 5 september 1996 viel bij de Amerikaanse professor geschiedenis Deborah Lipstadt een dagvaarding in de bus van de Britse zelfverklaarde historicus David Irving. Hij vervolgde haar voor laster en eerroof omdat ze hem in haar drie jaar eerder verschenen boek Denying the Holocaust omschreven had als ‘Hitler-adept’ en als ‘een gevaarlijke revisionist die historische feiten verdraait zodat ze bij zijn ideologische gedachtengoed passen.’ Het proces startte op 11 januari 2000 in het Hooggerechtshof in Londen en kreeg wereldwijde media-aandacht. Wat op het eerste gezicht een dispuut tussen twee ‘collega-historici’ leek, groeide uit tot ‘het proces van de eeuw’ over de historiciteit van de holocaust. De vraag was niet langer of Lipstadt de excentriek uitgedoste gentleman Irving beledigd had, maar of tijdens de holocaust werkelijk zes miljoen joden vermoord waren. De uitspraak van rechter Charles Gray drie maanden later werd een ijskoude douche voor David Irving. Gray nam geen blad voor de mond en noemde Irving ‘een holocaustontkenner, antisemiet, racist en een bondgenoot van rechtse extremisten die het neonazisme promoten. David Irving heeft voor eigen ideologische motieven aanhoudend en moedwillig historisch bewijs foutief voorgesteld en gemanipuleerd.’

In de uitstekende film Denial reconstrueert regisseur Mick Jackson het uitputtende juridische gevecht tussen Irving, vertolkt door Timothy Spall, en Deborah Lipstadt, vertolkt door Rachel Weisz. De inmiddels zeventigjarige Lipstadt is razend enthousiast over de manier waarop Weisz een zeventien jaar jongere versie van haarzelf neerzet. ‘Tijdens de voorbereiding van Denial heb ik lang met Rachel gepraat over hoe ik dat hele proces emotioneel beleefd heb’, zegt ze. ‘Zij brengt mijn emoties van toen op een wonderbaarlijke wijze op het witte doek weer tot leven. Ik hou zielsveel van de film. In minder dan twee uur slaagt Mick Jackson erin om duidelijk te maken op wat voor een perfide manier David Irving de feiten manipuleerde. Hij laat zien wat voor een racistische leugenaar en vrouwenhater die man is. Maar wat ik minstens even belangrijk vind: Denial vertelt niet enkel mijn persoonlijke verhaal.’

 

De film gaat eigenlijk ook over zeer actuele fenomenen zoals ‘alternatieve feiten’ of ‘nepnieuws’?

Deborah Lipstadt: ‘Zeer juist. De ‘alternatieve feiten’ van onze nieuwe president Donald Trump en zijn entourage zijn niets anders dan ordinaire leugens, even fabelachtig als het revisionisme van David Irving en zijn aanhangers. Sommigen vergelijken Trump nu met Irvings grote idool Adolf Hitler, maar dat vind ik overdreven. Het is niet omdat iemand zich slecht en gevaarlijk gedraagt, dat hij meteen een kloon van de Führer is. Zo is een vreselijke moordpartij ook niet automatisch een genocide. Het klinkt misschien cynisch, maar we moeten altijd de correcte verhoudingen in acht nemen. De belegering van Aleppo was verschrikkelijk: hospitalen, scholen en openbare markten werden door alle partijen en vooral door Assad gebombardeerd, maar dat wil nog niet zeggen dat het een genocide was. Een leider kan zich dus heel erg misdragen zonder Hitler naar de kroon te steken. Dat neemt niet weg dat Donald Trump zowel voor als tijdens zijn presidentschap uitspraken gedaan heeft waar ik me veel zorgen over maak. Zo hoorde ik hem alle problemen opnoemen waar Amerika volgens hem mee te maken heeft. Zijn conclusie luidde: “Ik ben de enige die ze kan oplossen.” Dat klonk als een echo van Mussolini, als onvervalste fascistische praat dus. Daar lig ik wakker van. Veel van de problemen die Trump in onze samenleving ontwaart, zijn trouwens eerder problemen in zijn eigen hoofd.’

 

President Donald Trump en holocaustontkenner David Irving staan voor u op één lijn?

Lipstadt: ‘Ja, samen met de complottheoretici, klimaatontkenners en brexiteers. Er zijn leugens, opinies en feiten. Ik kan u nu zeggen dat ik van mening ben dat de aarde plat is, waarna u zal opmerken dat ik geschift ben. Mijn repliek zal dan zijn: “Nee, ik voel heel sterk dat de aarde zo plat als een pannenkoek is.” (lacht) Onze president zit op die golflengte. Hij haalt zijn kennis bij Fox News en bij een figuur zoals die Steve Bannon die hem de meest gore onzin influistert. Trump is net als David Irving een leugenaar. “America First”, roept hij. Hij kent zijn geschiedenis niet, want hij lijkt nog nooit gehoord te hebben van het vooroorlogse The America First Committee met antisemiet Charles Lindbergh. Zéér beangstigend.’

 

Waarom begon David Irving tegen u te procederen? In uw boek had hij slechts een bijrol.

Lipstadt: ‘In november 1994 kwam hij naar het DeKalb College in Atlanta waar ik een lezing gaf over de ontkenning van de holocaust. Hij onderbrak me en zette een grote bek op. Ik wist niet waar ik het had. Tijdens de voorbereiding voor de film vroeg Rachel Weisz me: “Hoe was dat?” Ik antwoordde: “Ik voelde me als een hert gevangen in de koplampen van een auto.” De studenten wisten bitter weinig over de holocaust en plots stond daar iemand recht die riep dat alles wat ik vertelde onzin was. “Kijk, ze beginnen te bekvechten. Cool.” Ik stond daar bedremmeld en stil en Irving voelde zich de overwinnaar. Het was hem gelukt op dat kleine podium in die school, wat moest het dan wel niet worden op dat immense podium van het Hooggerechtshof in Londen?’

 

Het was een publiciteitsstunt?

Lipstadt: ‘Zonder twijfel. Hij zag hoe ik me liet intimideren en verwachtte niet dat ik zou terugvechten. “Die Amerikaanse jodin? Nee toch?” Hij wou bewijzen dat hij het slachtoffer was van een internationaal joods complot. Hij geloofde echt dat een stelletje joden van over de hele wereld rond de tafel was gaan zitten om de grote historicus David Irving te vernietigen. “Hoe gaan we dat aanpakken? Zullen we Deborah inschakelen?” Want ik, een vrouw, kon in de ogen van Irving natuurlijk nooit één van de samenzweerders zijn en was hooguit een marionet.

Toen zijn dagvaarding toekwam, voelde ik me verloren. Ik zei tegen vrienden: “David Irving heeft me gedagvaard”, en ze begonnen te schaterlachen. “Wie gelooft die kerel nu? Negeer dat gedoe.” Maar zo’n dagvaarding kun je niet negeren, ook al ben je ervan overtuigd dat je recht in je schoenen staat. Vlak voor het begin van de rechtszaak bood hij me een minnelijke schikking aan. Als ik vijfhonderd dollar zou geven aan een door hem gekozen liefdadigheidsorganisatie, me op papier verontschuldigde en hem erkende als bonafide holocaustontkenner, wou hij de zaak laten vallen. Ik moest ook alle nog niet verkochte exemplaren van mijn boek laten vernietigen. Mensen uit mijn omgeving drongen erop aan dat ik akkoord ging. Ze waren bang dat het slecht voor mij zou aflopen. Ik vond dat onzin.’

 

Waarom weigerde u een minnelijke schikking?

Lipstadt: ‘Dan had ik nooit nog een overlever in de ogen kunnen zien. Dan had ik ook nooit nog iemand die met de waarheid begaan is, durven aankijken. Ik had geen andere keuze dan dat juridische gevecht aangaan. Achteraf zeiden vrienden me: “Wat jij gedaan hebt, was heroïsch.” Maar ik ben geen held; ik had gewoon geen keuze. De dag na de uitspraak schreef de Britse historicus en journalist John Keegan: “Historici zijn nu aan het bibberen en beven. Want elke keer wanneer ze een fout maken, riskeren ze in een gerechtszaal te belanden.” Ik las dat artikel en ik dacht, zeventien jaar voor de film: “Die kerel leeft in La La-land.” (lacht) Want David Irving had mij vervolgd en ik niet hem. Ik geloof niet in het vervolgen van mensen die het niet nauw nemen met historische feiten. Ik geloof zelfs niet in wetten tegen negationisme.’

 

Sinds 1995 hebben wij zo een wet in België.

Lipstadt: ‘Dat is dan een vergissing. Ik ben tegen dat soort wetten omdat ik een groot verdediger van de vrijheid van meningsuiting ben. Free speech kan enkel gered worden door verstandige more speech. Een wet die negationisme verbiedt, maakt er alleen maar forbidden fruit van. Dan wordt al die onzin pas écht interessant. Mein Kampf was jaren niet te krijgen in Duitsland. Nu is er een heruitgave en is het een gigantisch succes. Ik wil niet dat politici beslissen wat ik wel of niet mag zeggen. Het is niet aan hen om te bepalen wat racistisch, antisemitisch of homofoob is.’

 

In België pleiten sommigen ervoor om het salafistische gedachtengoed te verbieden. Want als we te tolerant voor dat soort van denkbeelden zijn, nemen de intoleranten het misschien ooit over.

Lipstadt: ‘Er is een verschil tussen free speech en hate speech. Als salafistenleiders op een meeting verkondigen dat christenen ongelovige honden zijn wier hoofd afgehakt moet worden en een paar van de toehoorders wil dat in de praktijk brengen, moet er ingegrepen worden. Want dan wordt de wet overtreden.’

 

Zonder afgehakte hoofden kan er niet worden ingegrepen?

Lipstadt: ‘Van zodra er concrete plannen zijn, moet er worden ingegrepen. Daarom is het belangrijk dat de politie voldoende middelen en manschappen heeft om potentiële geweldplegers op tijd te stoppen. Als duidelijk is dat geradicaliseerde individuen van plan zijn om hoofden af te hakken, moeten ze meteen gearresteerd worden. Toch moeten we oppassen dat we niet islamofoob worden. Ik haat de salafisten, maar dat wil niet zeggen dat we daarom de islam moeten verketteren. Ik heb moslimvrienden en zij haten het salafisme even erg als ik.’

 

U plaatst antisemitisme en islamofobie op dezelfde lijn?

Lipstadt: ‘Antisemitisme, racisme, homofobie én islamofobie zijn uitingen van vooroordelen. Voor-oordeel: “Ik heb mijn oordeel geveld, breng me nu niet in verwarring met de feiten, alsjeblieft. Ik wéét dat joden niet deugen. Elke jood is een oplichter. Homo’s zijn ziek en zwarte Amerikanen zijn luie donders.” Er zit geen logica in vooroordelen. Ze zijn alleen maar dom.

Er zijn verschillen tussen islamofobie en antisemitisme. Veel gematigde moslims zijn antisemiet. “De joden zijn de satan.” Dat is een heel groot probleem. Gisteren zat ik in een taxi in Londen. De chauffeur was een moslim die al jaren in Engeland leeft. Een sympathieke kerel. Op een bepaald moment zei hij: “De joden hebben Jezus vermoord.” Ik dacht: “O my God, hier gaan we weer.” (lacht) Antisemitisme is eeuwenoud en de katholieke kerk draagt daar een grote verantwoordelijkheid voor. In de 18e en 19e eeuw gebruikten figuren zoals Voltaire en de Europese politici van die tijd het antisemitisme om hun eigen macht en invloed te vergroten. De nazi’s schakelden nog een paar versnellingen hoger. Kent u die mop van een nazi-bons die een grote groep mensen toespreekt? Hij buldert: “De joden deden dit, en de joden deden dat.” Waarop een man uit de menigte roept: “En de fietsers deden dit, en de fietsers deden dat.” De nazi kijkt verbaasd. “Wat is er mis met de fietsers?”, vraagt hij. “Wat is er mis met de joden?”, kaatst de man de bal terug.’

 

David Irving sleurde u in Londen voor het gerecht, terwijl u een Amerikaans staatsburger bent.

Lipstadt: ‘In Amerika had hij moeten bewijzen dat ik een leugenaar was; nu moest ík bewijzen dat ik de waarheid vertelde. Dat is een totaal ander vertrekpunt. In Amerika bestaat ook zoiets als de Public Figure Defence, wat wil zeggen dat een publieke figuur zoals een politicus, auteur, journalist of schrijver niet voor smaad vervolgd kan worden tijdens zijn publieke optreden, tenzij kwaadaardig opzet bewezen kan worden.

De aandacht van de wereldpers voor het proces was compleet geschift. Ik liep in Londen over straat en mensen riepen me toe: “Veel geluk!” In het begin schonken journalisten zeer veel aandacht aan wat Irving te vertellen had. Hij had nogal wat geschiedenisboeken geschreven en hij presenteerde zich ook als een degelijk historicus, gespecialiseerd in Adolf Hitler. Alleen had hij zich die titel van historicus ten onrechte toegeëigend, hij heeft er nooit voor gestudeerd. Het duurde een tijdje voor journalisten in de gaten kregen dat hij een charlatan was. Op een dag kwam een journalist naar me toe. “Ik moet je iets vertellen”, zei hij. “Ik zag daarnet hoe een vrouw tegen Irving zei: ‘Mijnheer, mijn moeder is vermoord in Auschwitz.’ Irving antwoordde: ‘Mevrouw, dan zal u blij zijn om te horen dat ze waarschijnlijk gestorven is aan de gevolgen van tyfus.’” De journalist was er niet goed van. “Waarom zou die vrouw blij moeten zijn dat haar moeder gecrepeerd is aan de tyfus? Waarom zat ze in Auschwitz? We weten toch dat ze zo goed als zeker vergast is? Wat voor een barbaar zegt nu zoiets?”’

 

U hebt het proces glansrijk gewonnen.

Lipstadt: ‘De uitspraak was fantastisch. Mijn enige probleem met de film is dat ik vind dat ze daar iets meer van hadden mogen laten zien. De rechter noemt Irving “een opzettelijke leugenaar, een vervalser van de geschiedenis, een fantast.” Hij zei: “Geen enkel redelijke mens kan eraan twijfelen dat er gaskamers in Auschwitz waren.” Tijdens het proces dineerde ik ergens in Londen bij vrienden en daar was een andere Britse rechter aanwezig. Hij had eerst toestemming aan het Hooggerechtshof moeten vragen of hij wel in mijn aanwezigheid mocht dineren. Ik vond dat hysterisch, want de man behandelde alleen faillissementen. (lacht) Tijdens het diner zei ik hem: “Ik wil die zaak winnen en Irving met de grond gelijk maken.” Hij zei: “Deborah, ik wil je niet teleurstellen, maar dat is niet de manier waarop wij, Britse rechters, oordelen. Wij zullen schrijven: ‘We vonden deze getuige niet behulpzaam.’ Elke Brit weet dat dit een eufemisme is voor: ‘Deze getuige is een leugenaar.’” Ik zei: “Dat is niet goed genoeg voor mij. Want Irving kan dan rondbazuinen: ‘Het is mijn job niet om behulpzaam te zijn.’ De rechter moet hem ronduit een leugenaar noemen.” Dat is gelukkig ook gebeurd. Ik kan me nog heel goed dat gevoel van pure vreugde voor de geest halen toen ik de uitspraak hoorde.’

 

Heeft het proces David Irving geruïneerd?

Lipstadt: ‘Compleet. Maar nu loopt hij rond te bazuinen dat duizenden mensen hem geschreven en gesteund hebben. “Ik leef in een huis met veertig kamers en rijd rond in een Rolls Royce.’ Een journalist vertelde me dat hij na een interview Irvings Rolls te zien kreeg. Ik adviseerde hem: ‘Ga volgende week nog eens onaangekondigd kijken. Wedden dat ‘zijn’ Rolls terug bij de verhuurder is?’ Een andere journalist vertelde me gisteren dat hij naar een van Irvings lezingen geweest was en dat er vier mensen in de zaal zaten, inclusief die journalist.’ (lacht)

 

U lijkt daar van te genieten, terwijl het toch iets zieligs heeft?

Lipstadt: ‘David Irving is helemaal niet zielig: hij is kwaadaardig. Weet u door wie hij na het proces het meest verketterd werd? Door andere holocaustontkenners. “Hij heeft de kans van zijn leven verknald om in de rechtbank brandhout van Lipstadt te maken.” Het stond in de sterren geschreven dat hij het zelf om zeep zou helpen. Onze strategie was om de bronnen uit te vlooien die hij vermelde in de voetnoten van zijn negationistische teksten. Irving schrijft: “Tijdens de Kristallnacht hoorde Hitler wat er aan het gebeuren was en werd hij woest. Hij verstuurde een telex: ‘Stop met de waanzin.’” In de voetnoot staat een verwijzing naar die telex. Wij snorden de originele telex op en lazen: “Stop het brandstichten”, want hele woonblokken stonden in de fik en de brandweerlui konden het niet meer aan. Er stond niet: “Stop met joden in elkaar te slaan”, of: “Stop met het vernielen van synagoges”, of: ‘Stop met joden uit de ramen te gooien.” Er stond alleen: “Stop met brandstichten.” Als je die telex citeert als “Stop met de waanzin”, geef je wel een heel ingrijpende draai aan de geschiedenis. David Irving doet dat continu. Veel mensen die zijn geschriften lazen, zagen de ellenlange voetnoten en vonden: “Hij heeft zich goed gedocumenteerd.” Door dat proces zagen wij ons genoodzaakt om àlle voetnoten te checken. Dat was bijzonder ontluisterend voor zijn geloofwaardigheid.’

 

Door u te dagvaarden, schoot Irving in eigen voet?

Lipstadt: ‘Ja. Op een bepaald moment tijdens het proces ondervroeg hij een getuige, want hij speelde zijn eigen advocaat. “Volgens dit document ging het zus en zo.” Tot de rechter hem onderbrak. “Mijnheer Irving, in dat document staat helemaal niet wat u daarnet zei.” Irving keek heel even verstoord en repliceerde: “O, dank u, your lordship.” Hij stelde de getuige een paar vragen en zei daarna opnieuw: “Volgens dit document…” En opnieuw werd hij onderbroken door de rechter. “Mijnheer Irving…” Zelfde scenario. De derde keer zei de rechter: “Mijnheer Irving, move on.” Tegen die stem van autoriteit kon Irving niet zomaar verder zijn leugens blijven herhalen. Tegen de rechter kon hij niet op.’

 

Had u toen niet een klein beetje medelijden met hem?

Lipstadt: ‘Geen sikkepit. Hij had het zelf gezocht. Hij dagvaardde me met opzet om me te vernietigen en hoopte zo zijn reputatie te vergroten. Hij koos mij uit om publiciteit te genereren en stal zes jaar van mijn leven. Geen medelijden. Mensen spreken me soms aan: “Deborah, heb je gelezen wat hij nu weer op zijn website over je geschreven heeft?” Nee, ik verspil geen tijd aan zijn onzin. Ik heb dat gevecht met Irving niet zelf gekozen. Het was als stappen in een hondendrol op straat. Dat stelt niets voor, tenzij je de stront je huis binnen brengt en je het tapijt naar de droogkuis moet brengen. Maar als je op tijd je schoen buiten uitdoet en proper en geduldig reinigt, is er niets aan de hand. De enige manier om kwaadaardige haters te bestrijden, is ervoor zorgen dat ze niet aan belang kunnen winnen.’

 

 

 

 

 

 

Deborah Lipstadt

1947 geboren in New York.

1976 studeert af aan de Brandeis University als doctor in de joodse geschiedenis en wordt geschiedenisprof aan verschillende universiteiten.

1993 publiceert Denying the Holocaust, The Growing Assault on Truth & Memory waarin ze ontkenners van de holocaust in kaart brengt.

1996 wordt samen met haar uitgever Penguin door David Irving voor het Britse Hooggerechtshof gedagvaard voor smaad.

2000 Irvings dagvaarding komt als een boemerang terug in zijn gezicht. De rechter noemt hem een leugenaar en een holocaustontkenner.

2005 schrijft History on Trial: My Day in Court with a Holocaust Denier, haar memoires over het proces.

 

 

(c) Jan Stevens

Begin maart maakte de Ierse overheid bekend dat in de riolering van een voormalig katholiek ‘opvangtehuis’ voor ongehuwde moeders in de stad Tuam een massagraf met kinderlijkjes ontdekt was. De lugubere vondst was een gevolg van de niet aflatende zoektocht die amateur-historica Catherine Corless jarenlang in haar eentje voerde. “Wreedheid was de regel.”

 

 

_DSC0068

Ierland is in shock nadat op 3 maart de door de regering aangestelde Mother and Baby Homes Commission of Investigation in een eerste rapport bekend maakte dat er op de plek waar in Tuam ooit het Bon Secours Mother and Baby Home stond, menselijke resten gevonden zijn in een ‘sceptische put en een ondergrondse structuur verdeeld in twintig kamers, vermoedelijk ooit de riolering’. Onderzoek wees uit dat het de resten zijn van baby’s en kinderen. Koolstofdatering linkt de resten aan de periode dat de katholieke nonnen van de Orde van Bon Secours het tehuis runden. Drie jaar nadat de plaatselijke amateur-historica Catherine Corless (62) internationale beroering veroorzaakte met haar stelling dat tussen 1925 en 1961 de nonnen 796 dode kinderen op hun terrein begraven hadden, kreeg ze begin deze maand ook ‘officieel’ gelijk. De Ierse overheid stelde de onderzoekscommissie in 2015 aan als reactie op haar speurwerk. “Forensische experts zoeken nu uit of er voldoende bewijsmateriaal is voor een moordonderzoek”, zegt ze. “Einde maart zal een nieuw rapport daarover hopelijk meer duidelijkheid zal verschaffen.”

In juni 2014 serveerden verschillende media bij ons Corless’ onderzoek nog af als platte sensatie. Toenmalig ombudsman Tom Naegels van De Standaard noemde het een ‘door en door verdacht verhaal’ en omschreef Corless ietwat denigrerend als: “Een amateur-heemkundige die geld zoekt voor een herdenkingsplakkaat.” Hoofdredacteur Geert De Kerpel van het Belgische katholieke magazine Tertio schreef: “De zusters deden wat ze konden, gedragen door hun geloof. De voorbije weken is er nog een drama bijgekomen: dat van vele media die hun deontologie dumpten in een fictief kerkelijk massagraf.”

Catherine Corless kijkt verbaasd als we Naegels en De Kerpel citeren. “Ik wist dat er in de Verenigde Staten scepsis over mijn bevindingen was, maar niet dat er ook in België aan getwijfeld werd”, zegt ze. “Ik was heel zeker over het materiaal dat ik verzameld had. Alles wat ik ooit over deze zaak gezegd heb, is stevig gedocumenteerd en onderbouwd. Ik heb de voorbije jaren ontzettend veel tijd in dat onderzoek geïnvesteerd. Niemand wist wat er met die dode baby’s en kinderen gebeurd was. Alles wat ik vond, wees maar in één richting: de waarheid zoals die nu door de onderzoekscommissie bevestigd is.”

_DSC0029

We zitten aan de keukentafel in Corless’ huis in Tuam. Buiten valt de regen in beken neer; binnen snort de Aga. Kopieën van oude kaarten, lijsten uit geboorteregisters en foto’s liggen op de tafel opeengestapeld. Haar onderzoek naar het ‘opvangtehuis voor moeders en kinderen’ begon heel onschuldig. “Ik ben inderdaad ‘amateur-heemkundige’”, zegt ze. “Ik verdiep me al jaren in de lokale geschiedenis en in 2012 stelde ik aan de leden van onze heemkundige kring The Old Tuam Society voor om me te verdiepen in de geschiedenis van ‘ons’ tehuis voor moeders en baby’s, The Home zoals de locals het noemen. Aan de hand van mijn research zou ik een essay schrijven voor het jaarlijks verschijnende tijdschrift van de kring. Ik leefde in de overtuiging dat mijn artikel vooral zou handelen over de geschiedenis van het werkhuis waarin het tehuis gevestigd was en over het werk van de nonnen. Maar al snel merkte ik dat er in de archieven van Tuam helemaal niets te vinden was. Geen verslagen van gemeenteraadszittingen waarop de werking van het tehuis ter sprake kwam, geen rapport, nothing at all.”

 

Terwijl de nonnen in dienst van de overheid werkten?

Catherine Corless: “Ja, waardoor het extra bizar was dat er geen enkel document bewaard gebleven is. Ik besloot om naar het hoofdkwartier van de Orde van Bon Secours in Cork te schrijven. De zusters zijn nog steeds zeer actief in Ierland en baten verschillende ziekenhuizen uit. Ik vroeg of er in hun archief documenten over het tehuis zaten. ‘Niets’, antwoordden ze. ‘We hebben alles aan het districtsraadkantoor van het graafschap Galway bezorgd.’ Dus nam ik contact op met de districtsraad. Maar de enige documenten die zij ooit van de nonnen kregen, zijn registers waarin genoteerd staat wanneer de ongehuwde moeders arriveerden, wanneer hun baby geboren werd en hoeveel hij woog. Meer niet.”

 

Het opvangtehuis voor moeders en baby’s was oorspronkelijk een ‘armenhuis’?

“Het is gebouwd in 1840. Het was een gigantisch complex, in de kamer hiernaast staat een maquette die ikzelf ineen geknutseld heb aan de hand van de originele plannen. De armenhuizen uit de 19e eeuw worden in Engeland en Ierland workhouses, werkhuizen, genoemd. Ze zijn in het victoriaanse tijdperk allemaal getekend door één en dezelfde Engelse architect: George Wilkinson. Ierland was eigendom van Engeland en op heel wat plaatsen openden de Engelsen hun werkhuizen, mastodontgebouwen waarin de armen gehuisvest werden en gratis moesten werken. Het was de tijd van The Great Famine, de grote hongersnood. Het menu van de arme Ier bestond ’s morgens, ’s middags en ’s avonds uitsluitend uit aardappelen. Maar toen brak de plaag uit die de complete aardappeloogst vernietigde. De armen stonden voor de keuze: ofwel sterven van de honger, ofwel in een werkhuis in ruil voor kost en inwoon hard labeuren. Na de Ierse onafhankelijkheid in 1922 werden de werkhuizen gesloten, waardoor die enorme gebouwen leeg kwamen te staan. De overheid richtte een aantal werkhuizen in als rust- en verzorgingstehuizen voor bejaarden, andere werden vertimmerd tot hospitaal. Het werkhuis van Tuam moest een ‘opvangtehuis voor moeders en baby’s’ worden. De staat riep de hulp in van de zusters van Bon Secours om het tehuis te leiden. De nonnen waren opgeleide verpleegsters. Ze herdoopten het werkhuis in St. Mary Orphanage, het weeshuis van de heilige Maria, wat al heel snel een bedrieglijke benaming bleek te zijn. In 1925 opende het ‘weeshuis’ zijn deuren; in 1961 gingen ze voorgoed dicht.”

_DSC0044

Het was geen weeshuis, maar een plek waar ongehuwde moeders en tienermoeders kwamen bevallen?

“Precies. De instelling werd volledig bekostigd en ‘gecontroleerd’ door de Ierse staat. In werkelijkheid deden de nonnen hun zin. Inspectieverslagen werden verticaal geklasseerd of gemanipuleerd. Niemand had zicht op wat er zich achter de hoge muren van het drie hectare grote domein afspeelde. Leveranciers geraakten niet verder dan de poort, bezoekers waren niet welkom. De moeders die er kwamen bevallen, moesten er een jaar lang blijven. Ze werkten dan gratis voor de nonnen en verzorgden hun baby. Na dat jaar werden ze weggestuurd en bleven de baby’s achter in het ‘weeshuis’. Van zodra de jongens vijf en de meisjes zeven jaar waren, werden ze naar school gestuurd.”

 

Het uiteindelijke doel was dat ze later geadopteerd zouden worden?

“Nee, het uiteindelijke doel was dat ze in pleeggezinnen terecht zouden komen. Er verschenen regelmatig advertenties in de kranten om pleegouders te ronselen. Die werden per maand betaald en kregen jaarlijks een extra toelage om kleren te kopen. Sommige pleegouders waren oké, maar er waren er jammer genoeg ook heel wat die het pleegouderschap in de eerste plaats als een interessante bijverdienste zagen. Ze incasseerden het geld, behandelden hun kind zeer slecht en lieten het keihard werken zodat het extra opbracht. Ik kan niet anders dan vaststellen dat veel Ieren in die periode zich zeer wreed gedroegen.”

 

U sprak zelf uitgebreid met kinderen uit het tehuis die bij pleegouders terecht kwamen?

“Ja, we noemen die mannen en vrouwen nog steeds de Home Babies. Het enige verzetje dat ze hadden, was de tocht van en naar school. Altijd onder begeleiding: er liep een non vooraan en één achteraan. Hun schooltijd duurde twee jaar. Ik zie sommigen met wie ik samen in de klas zat nog voor me. Ik was toen heel jong, een jaar of zes, maar ik herinner me hoe ze altijd later dan de rest van de leerlingen op school aankwamen en vroeger weer vertrokken. Ze mochten zeker niet vermengd raken met de ‘gewone’ kinderen.”

 

Het was een vorm van apartheid?

“Dat was het zeker. In de klas en op de speelplaats werden ze apart van de rest gehouden. De leerkrachten betrokken hen nooit in de les. De Home Babies zaten er achteraan bij als aliens en werden behandeld als minderwaardig. Onze onderwijzeressen waren ook nonnen, ze behoorden tot de congregatie van de Sisters of Mercy.”

 

Speelde u met die kinderen?

“Dat was verboden. Vermenging was echt des duivels. Ik stelde me daar rond 1960 als klein meisje geen vragen bij. Ik heb intussen met veel oudere stadsgenoten gesproken over hoe zij zich de Home Babies herinneren, en iedereen zegt: ‘Ze waren vel over been.’ Ik sprak ook met pleegouders die het goed met hen voorhadden. Ook zij getuigen dat het kind dat ze onder hun hoede kregen ondervoed was. Sommige kinderen waren zo verzwakt dat hun pleegouders een tijdlang voor hun leven vreesden. De nonnen gaven de kinderen te weinig te eten omdat ze enkel en alleen uit waren op het geld.”

 

Toch niet alle nonnen kunnen zo wreed geweest zijn?

“De verhalen over de eerste moeder-overste, Reverend Mother Hortense, vallen nog mee. Maar na haar vertrek werd wreedheid de regel. Het tehuis werd gerund door amper vijf nonnen. Het is niet zo dat ze de kinderen martelden of zich als sadisten gedroegen, maar ze verwaarloosden hen tot in het absurde. Zowel kleine peuters als grotere kinderen werden aan hun lot overgelaten. Ze hadden geen speelgoed, werden op geen enkele manier gestimuleerd. Herinnert u zich de beelden van die weeshuizen uit Roemenië, met extreem verwaarloosde kinderen die heen en weer zitten wiegen? Ik heb identieke verhalen gehoord over The Home. Pleegouders vertelden me hoe hun kind continu met het hoofd tegen het beddeneinde sloeg. De laatste generatie Home Babies zijn zestigers en zeventigers. Zelfs na al die tijd zijn ze nog beschadigd. Ze worden niet ernstig genomen en krijgen niet de informatie die ze vragen.”

 

Tot vandaag weigert de Orde van Bon Secours met hen te communiceren?

“De nonnen blijven doodstil. Van alle Home Babies die ik gesproken heb, is er geen enkele die financieel gecompenseerd wil worden. Ze willen alleen erkend worden als slachtoffer. Ze willen verontschuldigingen, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor hun moeders. Want die werden beschouwd als zondig, als uitschot. Een survivor zei me dat hij met die verontschuldiging naar het graf van zijn moeder wil om ze luidop voor te lezen.”

 

_DSC0030In 1975 vonden twee jongens van twaalf tijdens het spelen beenderen van kinderen op de site waar het tehuis stond. Toen werd er geen onderzoek opgestart?

“Na het vertrek van de nonnen in 1961 bleef het oude werkhuis tien jaar leegstaan tot het gesloopt werd. Het terrein rond The Home veranderde in een wildernis. In 1975 waren Franny Hopkins en Barry Sweeney twaalf. Een van hen opende tijdens het spelen op dat terrein het deksel van een sceptische put. Dat deksel was ongeveer zo groot als mijn keukentafel. Het volgende ogenblik zagen ze skeletten van kleine kinderen. Doodsbang vertelden ze hun ouders over hun ontdekking. Die lichtten op hun beurt de politie en de kerk in. De eensgezinde conclusie van de Garda en de clerus luidde meteen: het waren beenderen van slachtoffers van The Famine. Maar een paar locals die al jaren vlakbij The Home woonden, geloofden daar niets van. Zij vroegen aan de districtsraad om een muur te bouwen rond de vindplaats. De raad ging daar op in. De locals bouwden een kleine grot met een beeld van Maria. Ze wisten dat er iets gebeurd was, al hadden ze geen idee wat precies. De laatste veertig jaar onderhielden ze dat plekje op eigen kosten. Eén van de buren smeedde een hek met een kruis en hing het aan de ingang. In een hoek zetten ze een plakkaat met de tekst: ‘In loving memory of those buried here.’ Als de jongens toen die beenderen niet gevonden hadden en als de locals dat terreintje niet zo mooi hadden onderhouden, was heel dit verhaal compleet verdwenen in de mist van de geschiedenis.”

 

Het kerkhof van Tuam ligt aan de andere kant van de weg waar het tehuis stond. Waarom lieten de nonnen de kinderen daar niet begraven?

“Omdat ze uit ‘zonde’ geboren waren. De nonnen achtten de gestorven baby’s en kinderen van ongehuwde moeders niet waardig genoeg voor ‘gewijde grond’. Ze dumpten hen liever in de onderaardse gangen van de riolering onder het werkhuis. De kinderen waren allemaal gedoopt, maar toch bleven de nonnen hen als de vrucht van zonde zien. Rond 2012 zocht ik de oude grafdelver van het kerkhof van Tuam op. Hij vertelde me: ‘Er liggen kinderen onder The Home begraven. Niemand praat er over, maar sommigen wéten dat het zo is.’ Ik ging op zoek naar de plannen voor het werkhuis van architect George Wilkinson en zag meteen dat uitgebreide ondergrondse rioleringsstelsel. Vanuit The Home kon je daar indertijd in afdalen. Ik wou vervolgens weten hoeveel kinderen er tussen 1925 en 1961 in het tehuis gestorven zijn. Een behulpzame ambtenaar van het Registration Department Births, Deaths & Marriages in Galway dook in de overlijdensregisters. Ze belde me een paar weken later. ‘798 kinderen”, zei ze. Van twee kinderen vond ik begrafeniscertificaten terug, van de 796 anderen niet.”

 

_DSC0038Slechts twee hadden van de nonnen een officiële begrafenis gekregen?

“Die twee waren echte wezen en geen kinderen van een ongehuwde moeder. Met de hulp van een archivaris zocht ik uit of de kinderen niet op een ander kerkhof ergens in Ierland begraven konden liggen. Hun namen doken nergens op.

“In de jaren dertig werden rond The Home huizen gebouwd. Ik zocht contact met de oudere inwoners. Vanuit hun slaapkamerramen konden ze over de muren kijken. Iemand vertelde me dat hij ’s avonds laat graven had zien delven op het terrein waar nu een speeltuin is. Telkens wanneer dat gebeurde, zei zijn moeder: ‘Get down on your knees and say the rosary, boy. Er is weer een begrafenis in The Home.’

“Mary Moriarty vertelde me hoe ze als jonge twintiger in een onderaardse gang in doeken gewikkelde dode baby’s gestapeld zag liggen. Ze heeft dat verhaal nu onder ede bij de onderzoekscommissie herhaald. Zij woonde in de nieuwe wijk vlakbij het domein van The Home toen ze in 1975 het verhaal van de jongens hoorde. Zij ging samen met vrienden een kijkje nemen op de overwoekerde vindplaats. De bodem was niet stabiel, ze struikelde en viel in een put. Ze moet toen in een van de tunnels terechtgekomen zijn, want ze zag opgestapelde bundels, pakketjes met vermoedelijk de stoffelijke resten van dode baby’s. Haar vrienden hebben haar uit dat hol omhooggetrokken. De inmiddels overleden Julia Devaney die haar hele leven in het tehuis gewerkt heeft, vertelde in de jaren zeventig aan Mary dat een deel van haar werk eruit bestond om dode kinderen in de tunnels te dumpen. “Many a little one I put in there’, zei ze. Ook dat heeft Mary onder ede aan de commissie verklaard.

“Na mijn onderzoek kon ik alleen maar tot de conclusie komen dat de nonnen de rioleringstunnels gebruikten om er de dode kinderen in op te stapelen. Eerst begroeven ze kinderen op het terrein. Toen ze alle beschikbare plek hadden opgebruikt, begonnen ze met het vullen van de tunnels. Alles wat ik gevonden heb, is vorige week door onze minister voor Kinderwelzijn Katherine Zappone bevestigd. Dit is de lijst met alle doden en met hun leeftijden. Het is zo triest. De oudste is acht jaar. De meesten waren anderhalf. Ze stierven aan de gevolgen van grote verwaarlozing.”

 

Maar lag de kindersterfte in die periode in heel Ierland niet erg hoog?

“Natuurlijk waren er veel ziekten, zoals mazelen en difterie. Maar u moet eens op de doodsoorzaken letten die genoteerd werden. Heel vaak was dat buikgriep. Ik begrijp niet goed waarom zoveel kinderen daaraan moesten sterven. Buikgriep is heel besmettelijk, maar kan makkelijk gestopt worden door de zieke kinderen van de gezonde te isoleren. De nonnen waren verpleegsters en moeten dat toch geweten hebben?

“Er is ook nog het op band opgenomen getuigenis van wijlen Julia Deveney. Zij is geboren in 1916, kwam in 1925 als negenjarige bij de nonnen terecht en werkte haar leven lang gratis voor hen als hun dienstmeid en tuinier. Zij tekent een grim portret van hoe de nonnen de kinderen behandelden. Er was aan zelfgekweekte groenten geen gebrek en Julia kweekte ook kippen en varkens voor de nonnen. Zij getuigde dat de kinderen amper te eten kregen. Hun dieet bestond uit aardappelen, brood, melk en een walgelijke variant op pap. Julia zag de kinderen nooit vlees of groenten eten. Het tehuis werd gerund om zoveel mogelijk geld op te brengen.”

 

Waarom hadden de nonnen dat geld nodig?

“In 1945 openden ze een privéziekenhuis in Tuam dat gefinancierd zou zijn met de opbrengst van The Home. Omdat de kinderen in hun ogen toch niet deugden, mochten ze er een flinke stuiver aan verdienen. De nonnen zagen de ongehuwde moeders als gevallen vrouwen. Hoe meer ze afzagen, hoe beter. Over de mannen die de vrouwen bezwangerd hadden, werd met geen woord gerept. Terwijl sommige vrouwen waarschijnlijk verkracht waren of bevrucht door priesters. Ierse ongehuwde moeders hadden geen andere keuze dan in zo’n tehuis bevallen en hun kind afstaan. Ze kregen op geen enkele manier steun om hun baby zelf op te voeden en werden onder druk van de clerus door hun families verstoten.”

 

Heeft de leiding van de katholieke kerk contact met u gezocht?

“Nee, ik heb hen gecontacteerd. Michael Neary, de aartsbisschop van Tuam, heeft me in 2015 na veel aandringen ontvangen. Ik toonde hem mijn research en vroeg of hij met de nonnen wou gaan praten. Hij zei niet nee en niet ja en ik wist: deze man zal helemaal niets ondernemen. Op zondag 5 maart werd hij na de mis opgewacht door cameraploegen van alle nieuwsprogramma’s. Hij zei live hoe afschuwelijk het was. Dat was zijn allereerste blijk van medeleven.”

 

Bent u nog katholiek?

“Ik geloof in Jezus’ boodschap van liefde, maar de georganiseerde religie kunnen we missen als kiespijn. Als niemand het ziet, fluisteren sommige inwoners van Tuam me in het oor: ‘Great job, Catherine.’ Ze zijn nog steeds bang dat ze in de hel zullen branden als ze de kerk openlijk durven bekritiseren. Na al die eeuwen van katholieke indoctrinatie is schuld deel geworden van de Ierse ziel. Van de wieg tot het graf wordt er gedreigd met hel en verdoemenis. Er is nog steeds die innige verstrengeling tussen kerk, overheid én politie. Je moet hier leven om het te kunnen begrijpen.

“Ik heb de voorbije twee weken ontzettend veel brieven van Home Babies gekregen: ‘Catherine, thank you for what you’ve done.’ Als de zusters van Bon Secours in 2014 hun verontschuldigingen hadden aangeboden in plaats van alle verantwoordelijkheid af te wijzen, was het niet tot dit megaschandaal uitgegroeid. Maar op een sorry van de nonnen hoeven de survivors niet te rekenen. Ik vrees dat die er ook nooit zal komen.”

 

***

_DSC0064

Waar vroeger de sombere gebouwen van het Bon Secours Mother and Baby Home het straatbeeld van Dublin Road domineerden, staan nu huizen die dateren uit het midden van de jaren zeventig. De enige fysieke herinneringen aan The Home zijn een granieten muur en de met houten schuttingen afgezette plek waar twee jongens in 1975 kinderskeletten in een beerput vonden. Een groot bord maakt duidelijk dat de plek een ‘construction site’ geworden is waar onbevoegden niet welkom zijn. We klimmen op het muurtje, werpen een blik over de schutting en kijken recht op de grot met Mariabeeld die de locals voor de gestorven kinderen bouwden. Het gazon is vervangen door steenslag. Niet zo lang geleden is hier duchtig gegraven. Aan de schuttingwand hangen de namen van de 796 kinderen. Er liggen verse ruikers bloemen. Het speelpleintje ernaast ligt er verlaten bij. Daar is de graafmachine nog niet gepasseerd. Voor buurtbewoonster Maura Ryan mag dat zo blijven. “Laat de kinderen toch in vrede rusten”, zegt ze. Vanuit haar huis heeft ze zicht op de gruwelsite. “We wisten allemaal dat er hier ergens baby’s begraven waren. Het is een afschuwelijk verhaal, maar de survivors willen al dat gedoe niet. Ze weten nu wat er gebeurd is en verlangen naar rust.” Wat vindt Maura van het speurwerk van Catherine Corless? “Ze mag er mee ophouden, want volgens mij is ze vooral uit op eigen eer en glorie.”

 

© Tekst: Jan Stevens

© Foto’s: Veerle Van Hoey

Zeventig jaar na zijn dood klinkt Al Capone’s naam nog steeds als een klok. Deirdre Bair ging bij zijn nazaten op de koffie, schreef zijn ultieme biografie en schrok van de gelijkenissen tussen Capone en Donald Trump. ‘Net alsof de geschiedenis rondjes draait.’

 

Overal ter wereld kent iedereen maffiabaas Al Capone. Op 17 januari 1899 zag hij als Alphonse Gabriel Capone het levenslicht in Brooklyn, New York. De Amerikaanse gangster beleefde zijn gloriejaren tijdens de drooglegging eind jaren twintig. Eerst vanuit het Metropole Hotel en later vanuit het Lexington Hotel bouwde hij de stad Chicago om tot een voor hem uiterst lucratief rovershol. Capone controleerde er de illegale gokhallen, de prostitutie en de handel in alcohol en drugs. Hij draaide een winst van minstens 105 miljoen dollar cash per jaar en bouwde zijn misdaadsyndicaat uit tot een perfect geoliede onderneming. Op het toppunt van zijn roem gedroeg hij zich als een superster en gaf hij aan ‘bevriende’ journalisten interviews waarin hij een pocherige inkijk in de werking van zijn Chicago Outfit gaf. Zo vertelde hij dat hij 185 mensen op zijn persoonlijke loonlijst had staan die hij elk 300 tot 400 dollar per week betaalde. ‘Allemaal ex-gedetineerden en moordenaars, maar nu zijn het eerbare zakenlieden, even respectabel als de mensen die mijn spullen kopen en gokken in mijn speelhallen.’

Er zijn bibliotheken gevuld met boeken over het leven van Al Capone, maar aan geen enkele biografie werkten de nazaten van de mobster mee. Ze maakten een uitzondering voor Deirdre Bair, die op haar 81e geldt als de Grande Dame van de Amerikaanse biografie. ‘Ze gaven me voor het eerst vrije toegang tot het familiearchief.’ Het resultaat is het met veel oog voor detail geschreven Al Capone, leven, legende en nalatenschap.

 

Waar komt uw persoonlijke fascinatie voor de figuur Al Capone vandaan?

Deirdre Bair: Eerlijk gezegd was die er niet. (lacht) De jongeman Andy Capone ving in zijn familie geruchten op dat zijn grootvader een onwettig kind van Al Capone was. Hij wou weten of dat verhaal waar was en vroeg aan een gemeenschappelijke vriendin of zij hem dat kon helpen uitzoeken. Die vriendin werkte ooit bij een uitgeverij, kwam bij mij op de thee en vertelde over Andy’s verzoek. ‘Geen idee hoe ik hem kan helpen,’ zei ze. ‘Wat moet hij volgens jou doen?’ ’Een privédetective inhuren’, luidde mijn advies. Ikzelf wist zo goed als niets over Al Capone, behalve dan al die misdaadverhalen die elke doorsnee Amerikaan kent. Zowat elke levende ziel op deze planeet weet dat Capone een afschuwelijke gangster en een bloeddorstige killer was. De zoektocht van Andy naar mogelijke verwantschap met de beruchte maffiabaas triggerde mijn nieuwsgierigheid. Ik begon stapels boeken over Al te lezen. Toen pas raakte ik écht gefascineerd door de figuur en zocht ik contact met leden van zijn familie. Andy Capone weet intussen dat hij daar niet bij hoort. (lacht)

 

Waarna u besloot om Al Capone’s biografie te schrijven?

Bair: Ik wou de waarheid van de mythe scheiden. Een van mijn grote problemen was de overvloed aan informatie over de man. Elke hond met een hoed op schreef ooit over hem. Toen hij nog leefde, vond je in elke grote Amerikaanse stad stapels kranten en tijdschriften vol artikels over Al Capone. Iedereen had een mening over hem. Hij deed de kassa rinkelen en als ze geen nieuwe harde feiten naar boven konden spitten, verzonnen ze die zelf wel. ‘Gisterenavond at hij in het restaurant om de hoek.’ Neen hoor, want hij zat toen in een andere stad te dineren. (lacht) De familieleden van Al Capone schilderden hun illustere voorvader af als een liefhebbende, charmante en bezorgde kerel. Zijn kleindochters Diane, Barbara en Theresa schetsten een beeld van de typische Italiaans-Amerikaanse familieman. Hij was bijzonder genereus voor zijn eigen grote familie. Die complexe combinatie van gezapige, ultralieve familieman en wreedaardige killer intrigeerde me mateloos.

 

Al Capone werd geboren in Brooklyn, New York. Zijn ouders waren eerste generatiemigranten uit het Italiaanse Napels. Rond zijn twintigste verhuisde hij naar Chicago. Waarom?

Bair: Dat weten we niet precies. In Brooklyn stond hij bekend als een straatnozem. Op zijn veertiende was hij van school weggestuurd, toen hij in het laatste jaar van de basisschool zat. Hij gedroeg er zich als een pain in the ass. Het tragische is dat hij erg intelligent was en een heus rekenwonder. Maar rond 1910 lieten leerkrachten op school de immigrantenkinderen links liggen. Ze haalden hun neus op voor die jongens en meisjes uit Oost- en Zuid-Europa. Volgens hen deugden Slovaken, Hongaren en Italianen voor geen millimeter. ‘Waarom zouden we aan die etters onze energie verkwisten? Ze groeien toch op voor galg en rad.’ De verhuis van Al van Brooklyn naar Chicago was vermoedelijk een vlucht. Hij had de Ierse gangster Arthur Finnegan zwaar toegetakeld en volgens sommige bronnen zelfs gedood. Hij moest dus waarschijnlijk weg uit New York om zijn eigen vege lijf te redden, want de Ieren zinden op wraak.

 

Was hij lid van een New Yorkse gangsterbende?

Bair: Nee, maar eens in Chicago werkte hij wel voor maffiabaas Giovanni ‘Johnny’ Torrio, Papa Johnny voor de vrienden. Torrio leidde geen echte gang, maar had allerlei mensen ‘in dienst’ met elk hun specialiteit, zoals afpersing of de illegale gokindustrie. Al Capone was een van Johnny’s ‘bedienden’. Torrio zal wel gezegd hebben: ‘Waarom verhuis je niet voor een paar jaar naar Chicago tot alles afgekoeld is?’ Al beheerde geld voor Torrio, want hij kon vertrouwd worden en was slim met cijfertjes.

 

Hij was Torrio’s accountant?

Bair: Precies. In zijn hele leven heeft Al Capone maar één legale baan gehad, en dat was ook als boekhouder. Hij was misschien zelfs aan de juiste kant van de wet gebleven als zijn vader Gabriele niet zo jong gestorven was. Gabriele had een bloeiende kapperszaak en een kwakkelende gezondheid. Toen vader Capone in november 1919 aan een hartaanval bezweek, was Al net met het twee jaar oudere Ierse middenklassemeisje Mae getrouwd en zelf ook vader geworden. Hij had Mae leren kennen in de kartonfabriek waar hij werkte. Op zijn drie oudere broers Vincenzo, Raffaele en Salvatore kon hij niet rekenen om voor zijn moeder Teresa te zorgen. De weduwe zelf had nog vijf kinderen thuis. Van de ene dag op de andere werd Al de kostwinner voor zijn moeder, zijn broers en zussen en zijn eigen gezin. Dat was het moment waarop hij zijn boekhoudersbestaan vaarwel zei, in dienst kwam van Johnny Torrio en naar Chicago vertrok.

 

In New York had hij dan misschien wel een legale job, een koorknaap was hij toch niet? Op het moment dat hij Brooklyn verliet, noemde iedereen hem al ‘scarface’.

Bair: Hij haatte die bijnaam. Het litteken in zijn gezicht was een gevolg van een gevecht in een café. Hij maakte een jonge vrouw een compliment: ‘U hebt een fraaie kont, juffrouw.’ Haar broer kon daar niet mee lachen en ritste ofwel met een mes, ofwel met een gebroken fles over Capone’s gezicht. Later durfde niemand het aan om in zijn nabijheid het woord ‘scarface’ te laten vallen. Zijn kompanen wisten dat hij dan uiterst gewelddadig werd.

 

In Chicago maakte hij snel ‘carrière’?

Bair: Hij klom in een rotvaart op de ladder in Torrio’s organisatie. Hij verhuisde zijn hele familie naar Chicago en geen enkele Capone keerde ooit terug naar Brooklyn.

 

Echt lang duurde de carrière van Al Capone niet.

Bair: Nee, en dat was voor mij een grote verrassing. Op zijn 25e had hij de hele wereld in zijn zak en op zijn 29e was hij al op weg naar de cel. Amper vijf jaar lang was hij de koning van de onderwereld van Chicago. En toch is hij nu nog steeds the talk of the town.

 

Is dat omdat hij als killer een immens bloederig spoor achterliet?

Bair: Niet alleen daarom. Ik wik mijn woorden nu, maar hij was minstens even excentriek als onze kersverse president Donald Trump. Al Capone is de uitvinder van de ‘spin’, u kent dat wel: de kunst van het verzinnen van ‘alternatieve feiten’. Tot voor kort dacht ik dat Capone op eenzame hoogte stond, de voorbije weken heb ik dat jammer genoeg moeten herzien: Trump steekt hem naar de kroon. (lacht)

 

Donald Trumps grote leermeester was in de jaren zeventig wijlen Roy Cohn, de advocaat van beruchte New Yorkse maffiosi als Carmine Galante, Tony Salerno en John Gotti.

Bair: Dat is dan een extra verbinding tussen beiden. Net als Tump was Al Capone erg flashy, flamboyant en larger than life. Alle andere maffiosi leidden stille levens en meden de schijnwerpers, maar Capone zocht de aandacht op. Hij droeg absurde kledij, zoals banaangele en paarse kostuums en hij was verzot op gigantische diamanten ringen en dasspelden. Hij mengde zich onder de jetset en liet het geld rollen. Twee derde van de politie van Chicago stond op zijn loonlijst. Hij betaalde journalisten royaal om positieve verhalen over hem te schrijven en creëerde zo zijn twintigste-eeuwse variant van breitbart.com. De stennis die hij in zijn tijd schopte, houdt hem tot vandaag alive and kicking. De Bulgaarse maffia heeft de manier waarop Capone de Chicago Outfit leidde grondig bestudeerd en brengt dat nu zelf in de praktijk. De regering van Tadzjikistan heeft een postzegel laten drukken met zijn gezicht op. Ze zijn allemaal grote fans. Capone was een geslepen vos. Aan de businessschool van de universiteit van Harvard wordt een cursus gegeven waarin bestudeerd wordt hoe Al Capone zijn illegale zakenafdeling leidde. Hij had het zonder twijfel erg goed gedaan als ceo van een regulier miljoenenbedrijf.

 

Waren de late jaren twintig en de vroege jaren dertig van de twintigste eeuw even woelig als nu?

Bair: De Amerikaanse samenleving was toen net zo diep verdeeld als nu. Een kleine groep rijken werd niet geraakt door de Grote Depressie en bleef in het geld zwemmen; de rest van de Amerikanen had alles verloren en was straatarm. Al Capone beweerde dat hij voor de kleine man was, voor de gewone dompelaar. Hij presenteerde zich als een soort Robin Hood, organiseerde soepkeukens voor mensen die honger leden, deelde bankbiljetten uit en stuurde kinderen naar school. Tezelfdertijd maakte hij woekerwinsten met illegaal gestookte drank. In dat diep verdeelde Amerika was daar plots die figuur van Al Capone die zonder scrupules in het openbaar de wet aan zijn laars lapte en er nog mee weg geraakte ook. Hij was niet de enige die de wet overtrad: nog veel anderen stookten illegaal alcohol om door te verkopen. Maar zij leefden ondergedoken.

De droogleggingswet was ontsproten uit de koker van oerconservatieve rechtse scherpslijpers. Vandaag wordt ons land geleid door gelijkaardige politici. Het lijkt alsof de geschiedenis rondjes draait, vindt u niet? In de jaren twintig en dertig vergaapte het hele land zich aan Al Capone, net zoals iedereen nu zit te staren naar Donald Trump, die andere brulboei die vroeger hard bezig was met het opeenstapelen van geld. Iedereen vindt hem fantastisch en houdt van hem. Ze hielden ooit ook van Al Capone, tot ze zich op een bepaald moment massaal tegen hem keerden en hij in de cel eindigde. We leven dus nog op hoop. (diepe zucht)

 

De gelijkenissen tussen de tijd van Capone en de huidige tijd van Trump boezemen u angst in?

Bair: Heel erg veel zelfs. Ik demonstreer mee met de vrouwen en doneer geld voor progressieve goede doelen. Ik word doodsbang als ik zie wat er aan de top van het land gebeurt. Het enige hoopgevende is dat steeds meer Amerikanen tegen hun nieuwe regering in het verzet gaan. Natuurlijk was de crisis van de Grote Depressie veel ingrijpender dan de huidige. Tijdens de drooglegging probeerden mensen te overleven en hadden ze wat anders aan hun hoofd dan demonstreren tegen de overheid. In 1932 werd de progressieve president Franklin Roosevelt verkozen. Met zijn New Deal schonk hij ons een sociaal contract en introduceerde hij sociale zekerheidsprogramma’s. Toen begon de oorlog die ons helemaal uit de depressie trok. ‘Dankzij’ de oorlogsindustrie had iedereen tegen 1940 een job. Het afgrijselijke oorlogsscenario zorgde paradoxaal genoeg voor stabiliteit en bracht later terug welvaart in dit land. Maar op dit moment is er noch stabiliteit, noch welvaart. Dat is zeer onrustwekkend.

 

Hoeveel mensen heeft Al Capone eigenhandig vermoord?

Bair: Daar bestaat nog steeds geen overeenstemming over. Zowat alle boeken die tot hiertoe over Capone verschenen zijn, gebruiken dezelfde bronnen en toch komen ze tot uiteenlopende tellingen van de slachtoffers die hij eigenhandig gedood heeft. Er zijn twee uitersten: ofwel tussen 18 en 25, ofwel 500. Ik durf er geen cijfer op te plakken. U mag kiezen: een stuk of 20 of een stuk of 500. (lacht) Al was erg begaan over zijn public relations en deed er alles aan om niet het imago van massamoordenaar te krijgen. Het lijkt me daarom ook logischer dat hijzelf ‘maar’ 18 mensen omlegde in plaats van 500. ‘Uitbesteden aan onderaannemers’ lag meer in zijn aard. Toen hij op zijn veertiende de school vaarwel zei, kreeg hij van zijn vader een schoenpoetskistje cadeau. Pa Capone bracht zijn zoon naar een drukke straat in Brooklyn. De boodschap was duidelijk: ’Vanaf nu, zoon, verdien je je kostje maar als schoenpoetser.’ Al wou zijn handen niet vuil maken en hij verkocht zijn schoenpoetsdoos aan een andere jongen. Met de opbrengst huurde hij een groep straatjongens in die voor hem schoenpoetsertjes gingen afpersen. Wie geen problemen wilde, betaalde braaf zijn bijdrage aan Al Capone. Dat was het oerbegin van zijn leven als mobster.

 

Een van de beruchtste raids waar Al Capone verantwoordelijkheid voor draagt, is het bloedbad van Sint-Valentijn, waarbij zijn bendeleden in politie-uniform zes leden van een rivaliserende bende afmaakten. Capone zelf was toen niet in Chicago, maar op vakantie in Florida.

Bair: Hij genoot van de zon op het terras van zijn schitterende huis in Miami. Op 14 februari 1929 gaf hij er een groots feest voor alle lokale notabelen. De burgemeester, de commissarissen, hoofdredacteurs… ze waren er allemaal. De drank vloeide in beken. Al droeg zijn schitterende witte pak en ondertussen vond in Chicago de slachting plaats van zes leden van de concurrerende bende van de Ierse gangster George ‘Bugs’ Moran. Ze werden in een garage in koelen bloede met machinegeweren afgemaakt. Het afgrijzen over dat bloedbad was groot en betekende het begin van het einde van Al Capone. De andere bendeleiders van Chicago zeiden dat ze wisten dat Capone het meesterbrein achter de slachting was. Want: ‘Nobody kills like Al Capone.’ De publieke opinie keerde zich tegen hem. De federale overheid wou hem achter de tralies. Ze kregen hem niet te pakken voor de moordpartijen en zijn criminele activiteiten, maar wel voor belastingfraude: Al betaalde geen belastingen omdat hij naar eigen zeggen geen inkomen had. In 1931 werd hij gearresteerd.

 

Van Donald Trump wordt ook gezegd dat hij zijn belastingaangiften niet wil vrijgeven omdat dan zou blijken dat hij al jaren geen belastingen betaalt.

Bair: De gelijkenissen tussen die twee zijn echt griezelig. De Amerikaanse fiscus ging niet langer akkoord met Capone’s uitleg dat hij geen cent verdiende. ‘Hoe kunt u dan duizend dollar per week besteden aan delicatessen? Hoe betaalt u dan uw handgemaakt zijden ondergoed? Uw schitterend huis? Uw personeel? U leeft als een multimiljonair en toch beweert u geen dollarcent te verdienen.’

Belastingontduiking werd toen bestraft met 2,5 jaar; Al kreeg van zijn rechter elf jaar. De druk om hem op te sluiten was groot. Zijn proces was een aanfluiting: met wat aan bewijzen op tafel lag, had hij nooit zo’n zware straf mogen krijgen. Hij werd opgesloten in de gevangenis van Atlanta waar hij zich ontpopte tot voorbeeldgevangene in de hoop zo vervroegd vrij te komen. Na twee jaar werd hij overgebracht naar de nieuwgebouwde gevangenis op Alcatraz Island vlakbij San Francisco. Ze probeerden van Capone een afschrikwekkend voorbeeld te maken dat misdaad niet loont. Maar op dat moment was hij al volop aan het dementeren als gevolg van de syfilis die hij rond zijn 18e bij een hoertje had opgelopen. Hij gaf de ziekte toen ook door aan zijn vrouw Mae en zijn ongeboren zoon. In de gevangenis van Atlanta kreeg Al de eerste aanvallen. In Alcatraz had hij nog de verstandelijke vermogens van een tienjarige. De dementie werd zo erg dat ze hem vrijlieten. Hij trok zich terug in zijn huis in Miami waar hij als gevolg van de syfilis op zijn 48e overleed.

 

Bent u tijdens het schrijven van uw boek sympathie beginnen koesteren voor Al Capone?

Bair: Eigenlijk wel. Ik heb een uitgebreide studie gemaakt over immigranten uit Zuid- en Oost-Europa in de VS en zij kregen het uitzonderlijk hard te verduren. De miserie waarin de familie Capone ondergedompeld werd, geldt voor mij als verzachtende omstandigheid. Uit alle gesprekken die ik met zijn nog levende naaste familieleden had, komt Al naar voor als een liefhebbende echtgenoot, vader en grootvader. Zij vinden het lastig om de meedogenloze killer in hem te zien.

 

Zetten zijn nazaten zijn werk voort?

Bair: Geen enkele Capone is in de misdaad actief. Sommigen zijn ondernemer, anderen dokter, nog anderen verdienen hun dagelijkse brood aan de universiteit. De Capone’s vormen een hechte, warme familie, wat typisch is voor Italiaanse immigranten van de derde en vierde generatie. Ze hebben het gemaakt en uitstekende carrières uitgebouwd. Moest Al een halve eeuw later geboren zijn, zat hij nu niet als die mythische moordende scarface in ons collectieve geheugen.

 

Deirdre Bair, Al Capone. Leven, legende en nalatenschap, Spectrum, 454 blz., 29,99 euro

 

 

Deirdre Bair

1935: geboren in Pittsburgh, Philadelphia.

1957: studeert af aan de letterenfaculteit van de universiteit van Pennsylvania.

1957 – 1969: werkt als assistent-professor Engels aan dezelfde universiteit.

1976: wordt professor literatuur aan de universiteit van New York.

1990: publiceert haar biografie Samuel Beckett waar ze de National Book Award mee wint. In datzelfde jaar volgt ook nog Simone de Beauvoir: A Biography.

1995: haar biografie Anaïs Nin wordt door de New York Times verkozen tot ‘beste boek van het jaar’.

2003: Jung, A Biography verschijnt.

2012: in Saul Steinberg, A Biography, reconstrueert ze het leven van een van de meest vooraanstaande cartoonisten van het magazine The New Yorker.

 

 

© Jan Stevens

 

 

https://player.fm/series/interne-keuken-podcast/interne-keuken-25-maart-2017

 

sport der koningenEen ‘Great American Novel’ schrijven: niets meer of minder was de ambitie van de nog jonge Amerikaanse schrijfster C.E. Morgan. Met haar tweede roman Sport der Koningen komt ze héél dicht in de buurt.

 

 

Vijf jaar geleden schreef C. E. Morgan naar aanleiding van de heruitgave van Light in August van William Faulkner op nieuwssite The Daily Beast een lange beschouwing over The Great American Novel. Het ideaal van die grote, epische roman die à la Faulkner de Amerikaanse ziel weet te vatten, was voor de (post)moderne literatuurliefhebber a bit of an embarrassment geworden, schreef ze. ‘De Great American Novel wordt gekastijd als een mannelijke uitvinding, als een viering van de literaire diepte en breedte van het mannelijke brein ten koste van zijn vrouwelijke tegenhanger. Bijna iedereen lijkt het erover eens te zijn: de ‘grote Amerikaanse roman’ is rijp voor het pensioen, of is een literaire dinosaurus die we, met trots, als uitgestorven mogen beschouwen.’ Wat Morgan vervolgens in haar artikel te vuur en te zwaard bestreed. ‘De Great American Novel is helemaal niet dood’, besloot ze. ‘Ons land is niet dood. Tragedie is niet dood. Hilariteit is niet dood, net als geboorte, huwelijk, seks, misdaad, haat, waanzin, gebed.’ De daad bij het woord voegend, werkte ze in de jaren erna naarstig aan Sport der Koningen, haar vuistdikke ‘grote Amerikaanse roman’ waarin ze op Faulkneriaanse wijze het epos van de bijna mythische familie Forge schrijft.

Henry Forge groeit in de jaren vijftig van de twintigste eeuw op het platteland van Kentucky op. Zijn vader stamt uit een familie met een bloedlijn die teruggaat tot de Amerikaanse Burgeroorlog. Rijke voorvader Samuel Forge vond Virginia, de staat waar hij woonde, te druk en te dichtbevolkt, hij zadelde zijn paard, stak met zijn favoriete slaaf de bergen over en legde in Kentucky de fundamenten voor de boerderij en de landerijen van de familie Forge. Henry’s vader is minstens even streng als oervader Samuel en tuchtigt zijn zoon met de riem. Maar de wil van de eigenwijze Henry breekt hij niet. Integendeel, wanneer Henry het op de boerderij voor het zeggen krijgt, ruilt hij de tabakskweek in voor het fokken van paarden. Hij moet en zal het ultieme paard fokken en zo zijn vader eens en voorgoed overvleugelen. Hij werkt daarvoor samen met zijn dochter Henrietta. Dat loopt niet van een leien dakje, want Henrietta heeft een aartje naar haar vaartje en is minstens even eigenzinnig. De komst van de zwarte ex-gevangene Allmon Shaughnessy als stalknecht, zet het conflict tussen vader en dochter op scherp.

C.E. Morgan is als schrijfster minstens een even grote doordouwer als haar hoofdfiguur Henry. Haar ambitie om die grote Amerikaanse roman te schrijven, spat van elke bladzijde. Alle ingrediënten zijn ook ruim aanwezig, met veel aandacht voor het brede historische perspectief, met schitterende beelden, fraai gecomponeerde zinnen, uitzinnige vreugde en neerdrukkende tragiek. Slaven, moord, doodslag, geknetter van vuursteengeweren, onversneden racisme, incest… you name it, C.E’s got it. Alleen jammer genoeg soms iets té veel. Want na vierhonderd bladzijden weegt de zoveelste gedetailleerde natuurbeschrijving toch ietwat zwaar. Met een klein beetje dosering was Sport der koningen uitgegroeid tot een waarlijk grote Great American Novel.

 

 

C.E. Morgan

De in Kentucky opgegroeide Amerikaanse schrijfster C. E. Morgan (1947) debuteerde in 2009 met de bejubelde liefdesroman Alle levenden. De National Book Foundation riep haar in datzelfde jaar prompt uit tot een van de vijf meest belovende Amerikaanse auteurs onder de 35. Morgan studeerde literatuur en theologie en schuwt het bijbelse taalgebruik niet.

 

C.E. Morgan, Sport der koningen, De Bezige Bij, 672 blz. 24,99 euro

 

© Jan Stevens

Twee keer per jaar reist Agnes Steenssens naar de Amerikaanse staat Texas. Niet om er van het natuurschoon te genieten, maar om gevangenen op death row te bezoeken. “Van zodra een terdoodveroordeelde daar belandt, wordt hij niet langer als een mens beschouwd.”

In 1992 las Agnes Steenssens (64) in een nieuwsbrief van Amnesty International een wanhopige oproep van een terdoodveroordeelde jonge zwarte man in de Amerikaanse staat Georgia. “Als er ook maar iemand is die mijn menselijkheid ziet, wil die me dan alsjeblieft een kaartje sturen?” Agnes werd diep geraakt en schreef de man een brief. “Ik was niet de enige. Samen met nog andere briefschrijvers richtte ik inside-outside op. Onze vereniging brengt Amerikaanse terdoodveroordeelden en levenslang gestraften in contact met gewone burgers die met hen willen corresponderen. Het duurde niet lang of ik schreef brieven naar verschillende gevangenen verspreid over de hele VS. Dat waren doorsneebrieven zoals pennenvrienden die schrijven. Tot in 1999 alles veranderde.”

Hoezo?

Agnes Steenssens: “Toen leerde ik David L. Goff kennen. Ik correspondeerde eerst met zijn buurman op death row in Texas. Die man overleed aan de gevolgen van een niet verzorgde hartaanval. David wist hoe gehecht zijn buur geraakt was aan onze briefwisseling. Hij schreef me: ‘Ik ken je niet, maar ik weet hoeveel mijn buurman van je hield. Hij is gestorven en niemand zal je dat laten weten.’ En inderdaad, mijn brieven kwamen ongeopend terug. Return to sender. Ik begon toen naar David te schrijven en ik ging regelmatig bij hem op bezoek. In 2001 is hij geëxecuteerd. Te laat is bewezen dat hij onschuldig was. Hij was zelfs niet op de plaats van de moord. In Texas en in veel andere staten moet je zelf je onschuld bewijzen en je onderzoek voeren. David was arm en zwart en had een pro deo advocaat die niks ondernam. Na zijn dood hebben wij ervoor gezorgd dat hij gerehabiliteerd is. Maar we hebben nooit een verontschuldiging van de Texaanse justitie gekregen.”

U was aanwezig bij zijn executie?

Steenssens: “Hij vroeg of ik erbij wou zijn. Hij zei: ‘Ik zat hier 10 jaar met enkel mensen die me haten. Blijf bij me als ik moet sterven.’ Die executie was een vreselijk moment. Gelukkig verliep het bij David zonder technische mankementen. Hij was een heel bijzondere man. In die tijd ging mijn man nog mee naar death row. David zag ons als zijn ouders. Hij had een aparte plek in mijn hart omdat hij onschuldig zat. Nu weet ik dat onschuldig of schuldig geen verschil uitmaakt. De doodstraf is altijd een flagrante schending van de mensenrechten. Zo goed als alle mensen die ik bezoek hebben geen eigen advocaat. Ze leven 23 uur op 24 in volledig isolement. Van zodra ze op death row belanden, worden ze niet langer als mensen beschouwd.”

Dan zitten ze in de wachtkamer van de dood?

Steenssens: “Ja, en dat kan jaren duren. De mensen die ik pas bezocht heb, zitten er tussen de 16 en 25 jaar. Vóór hun executie hebben ze er dus al een quasi levenslange gevangenisstraf opzitten. Een van mijn vrienden is een Mexicaan die illegaal in de VS was op het moment van zijn arrestatie. Daarom heeft hij veel te laat een advocaat gekregen. Hij zit er al 22 jaar en is nu doodziek. Hij heeft prostaatkanker, maar wordt op geen enkele manier verzorgd. Zijn familie heeft hij in al die jaren niet gezien. Ik ben zijn enige contact met de buitenwereld.”

De bezoeken zijn achter glas?

Steenssens: “Altijd. We spreken met elkaar via de telefoon, vier uur lang. We praten over alles. Zij zeggen dat ik hun ogen op de wereld ben. Ze kennen de kleinkinderen en zijn dolgelukkig als ik hen vraag hoe het met hen gaat. Elke brief is voor hen een feest. Veel terdoodveroordeelde mannen zijn diepgelovig geworden. Voor wie zich enkel aan het materiële hecht, is death row de absolute hel.”

De executie is dan een verlossing?

Steenssens: “Velen zeggen: ‘I’m going to a better place.’ Ik bewonder hun moed. Ze zijn in staat om zichzelf te vergeven en vragen ook vergiffenis aan God. De executie is voor hen een spirituele verlossing. Maar hoe je het draait of keert, het is en blijft onmenselijk. Opsluiten met enkel perspectief op de dood is barbaars. Ik ben ook actief in de VZW Within-Without-Walls die pleit voor herstelgerichte straffen. Ons strafrecht moét evolueren naar herstelrecht. Alleen zo kan er uit straf nog iets goeds voortkomen. Bij ons bestaat de doodstraf gelukkig niet, al weerklinkt de roep soms heel erg luid. Herinnert u zich de woedende commentaren toen Michel Martin vrijkwam? Als straf niets meer is dan wraak of revanche, heeft ze geen enkele zin. Tegenover het kwaad staan we soms machteloos, maar we staan nooit machteloos tegenover het goede. Ik praat soms met slachtoffers die een moordaanslag overleefd hebben. Ze zeggen dan: ‘Geen wraak, maar dialoog met de dader heeft me geholpen mijn leven terug op het spoor te krijgen.”

© Jan Stevens

4321Wat als Hillary Clinton de Amerikaanse presidentsverkiezingen gewonnen had? Wat als Donald Trump zonder haarlak valt? Wat als uw kat een koe is? In 4 3 2 1 daagt Paul Auster het toeval uit en verkent hij mogelijke variaties op één mensenleven.

 

Het scheelde geen haar of Archibald Isaac Ferguson, het hoofdpersonage uit Paul Austers nieuwe roman 4 3 2 1, had Archibald Rockefeller geheten. Tenminste, dat leert de familieoverlevering. In 1900 voer Fergusons Russische grootvader Isaac Reznikov via Hamburg naar New York. In afwachting van zijn ondervraging door de immigratiedienst sloeg Reznikov een praatje met een andere Rus. ‘Met jouw naam raak je hier nergens”, zei die. ‘Zeg straks dat je Rockefeller bent.’ Toen Isaac Reznikov een paar uur later eindelijk bij de immigratiebeambte kwam, was hij zijn nieuwe naam alweer vergeten. Op de vraag hoe hij heette, antwoordde hij in het Jiddisch: ‘Ich hob fargesn.’ De beambte noteerde: ‘Ichabod Ferguson’.

De legende over opa Ferguson ging over van vader op zoon, vormt de start van 4 3 2 1 en van de mogelijke levens van Archibald ‘Archie’ Ferguson, het enige kind van Stanley en Rose.

Op 3 maart 1947 ziet Archie twee weken te vroeg het levenslicht in een materniteit in Newark, New Jersey. Niet toevallig een maand nadat Paul Auster op exact dezelfde plek geboren werd. Wat volgt zijn vier variaties van het verdere leven van Ferguson en zijn geliefden. Net alsof vanuit de oer-Archibald nog drie identieke Archibalds in hetzelfde universum een parallel bestaan uitbouwen. Alle vier worden ze verliefd op dezelfde vrouw, met telkens een andere afloop. Alle vier ervaren ze hetzelfde Amerikaanse stuk hedendaagse geschiedenis, telkens vanuit een totaal ander perspectief.

Voor een niet-gewaarschuwd lezer is het verwarring troef wanneer vader Stanley in het ene hoofdstuk gruwelijk aan zijn einde komt, om in het volgende hoofdstuk vervolgens verder vrolijk door het leven te huppelen. Maar het procedé went, werkt en zet een lezer aan tot mijmeren over het eigen levenspad. Om misschien uiteindelijk te besluiten dat dat al bij al nog niet zo rampzalig verliep, net zoals Auster op het einde van zijn roman, wanneer hij de betekenis van de titel 4 3 2 1 uitlegt.

Toeval is Paul Austers handelsmerk. Net als sterfelijkheid, New York, honkbal en identiteit. Met die thema’s vulde hij ettelijke, relatief dunne romans waarmee hij sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw een trouw publiek bereikt. Drie jaar werkte hij aan 4 3 2 1. Met de erg on-Austeriaanse dikte van 944 bladzijden lijkt het alsof dit zijn magnum opus moet worden. In de Angelsaksische wereld wordt het boek niet door iedereen even enthousiast ontvangen. “Paul Auster schreef een roman zo groot als zijn ego”, kopte een Britse recensent. Ietwat overdreven, want 4 3 2 1 is met veel zorg en toewijding geschreven vintage Auster, met deze keer zelfs vier romans voor de prijs van één.

 

Paul Auster

Na zijn studies verhuisde de Amerikaanse auteur Paul Auster (1947) begin jaren zeventig voor een paar jaar naar Frankrijk. Hij verdiende er zijn brood met het vertalen van Franse schrijvers. Terug in het door hem geliefde New York schreef hij een vooral in Europa erg gesmaakt oeuvre bijeen met ingenieus gecomponeerde romans waarin toeval en sterfelijkheid centraal staan, zoals The New York Trilogy (1985-1987), Moon Palace (1989) The Music of Chance (1990) en Leviathan (1992). Auster draagt 4 3 2 1 op aan zijn vrouw, schrijfster Siri Hustvedt.

 

Paul Auster, 4 3 2 1, De Bezige Bij, 944 blz. 34,99 euro

 

© Jan Stevens