Levenslang vechten tegen de haat

De Joods-Tsjechische concertpianiste Alice Herz-Sommer werd deze maand 104. Als jong meisje wandelde ze met huisvriend Franz Kafka door Praag, als jonge vrouw beleefde ze concerttriomfen en als jonge moeder werd ze gedeporteerd naar Theresienstadt. Ze verloor haar man en haar moeder in de holocaust. “Toch haat ik niemand.” Een gesprek met Kafka’s laatst levende vriendin.

Een zonnige donderdagmiddag in het residentiële Belsize Grove in het noorden van Londen. Een paar straten verder bewonderen toeristen van op Primrose Hill de skyline van Londen en liggen jonge koppeltjes op het gazon van Regent’s Park te genieten van de najaarszon. Klokslag twee bel ik aan. “Perfect op tijd”, begroet de bijna 104-jarige Alice Herz-Sommer me als ze de deur van haar eenkamerflat opent. “Je komt helemaal uit België om over mijn leven te praten? Wat is er zo speciaal aan mijn bestaan? Mijn carrière als pianiste? Er zijn honderdduizenden muzikanten in de wereld; ik ben niet de enige.” Terwijl ze thee inschenkt en koekjes voorschotelt, vraagt ze: “Hoe oud ben je? 43? Dan ben je nog een baby.”

Alice Sommers bescheidenheid siert haar, maar zij is niet zomaar ‘een van die honderdduizenden andere muzikanten’. In de jaren voor, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog wandelde ze samen met Franz Kafka door de straten van Praag, en in de twintiger jaren beleefde ze triomfen als concertpianiste. De Tweede Wereldoorlog maakte een abrupt einde aan haar carrière. Samen met haar man Leopold en hun zoontje Raphael werd ze in 1943 op transport gezet naar Theresienstadt, ‘modelgetto’ in het noorden van Tsjechië en doorvoerhaven naar vernietigingskampen als Dachau en Auschwitz. Haar man stierf in Dachau; zij en haar zoon overleefden de gruwel. In 1949 emigreerde ze naar Israël. Alice werd hoofd van het conservatorium van Jeruzalem; Raphael Sommer werd een wereldberoemd cellist met Londen als uitvalsbasis. Op haar 84e verhuisde ook Alice naar Londen. In 2001 stierf haar zoon.

Kafka
Alice Herz zag in 1903 als jongste van een tweeling het levenslicht in Praag – een stad die toen tot het Habsburgse Oostenrijk behoorde. Haar vader Friedrich Herz was fabrieksdirecteur en zeer down-to-earth. In tegenstelling tot haar moeder Sofie Schulz, die gepassioneerd was door literatuur en van ’s morgens tot ’s avonds Bach op de piano speelde. “Mijn ouders hadden geen gelukkig huwelijk”, zegt Alice. “Het was gearrangeerd. Dat was de norm in die tijd bij Joodse families. Vader was geobsedeerd door werk – nu zou hij een workaholic genoemd worden. Om zes uur ’s morgens zat hij al in zijn kantoor. In die tijd bestond er nog geen typemachine; hij schreef alles met de hand in de boeken in. Om zes uur ’s avonds kwam hij terug naar huis. Wij, de vijf kinderen, zaten dan rond de tafel, en mama gaf papa de volle laag: ‘Je had dit moeten doen. Je hebt dat verkeerd gedaan.’ Bijna elke avond maakten ze ruzie. Na afloop van hun geruzie zei ik soms: ‘Mama, je zou papa beter eens vastnemen en hem een kus geven.'”

De kinderen Herz kregen geen religieuze opvoeding. De meeste Praagse Joden hadden lak aan religie en leidden een vrijzinnig leven. Alice Herz-Sommer: “Zelfs mijn grootouders hadden het geloof al afgezworen. Een keer per jaar – op Jom Kipoer – ging mijn vader naar de synagoge. Dat was alles. Ik herinner me dat ik naar mijn moeder toe stapte en haar vroeg: ‘Wat zijn wij eigenlijk? Op school spelen we met Duitse, Tsjechische en Joodse kinderen. Zijn wij Duitsers, Tsjechen of Joden?’ ‘Ik weet het niet’, antwoordde ze.”

Alice’ oudere zus Irma werd verliefd op de filosoof Felix Weltsch. Via Weltsch leerde de familie Herz Franz Kafka kennen. “Felix bracht Franz mee naar de tennisclub”, herinnert Alice zich. “Hij was een waardeloze speler.” Franz Kafka liep de deur van de familie Herz plat. Alice Sommer: “Kafka werkte bij een verzekeringsfirma. Mijn zus Irma ergerde zich mateloos aan zijn gewoonte om zich voortdurend te verontschuldigen. Voor alles vroeg hij vergiffenis: voor zijn te laat zijn, voor zijn aanwezigheid, voor zijn afwezigheid… We maakten ons erg vrolijk over zijn geëxcuseer. Kafka was dol op mijn moeder, en hij sprak met haar over zijn geschriften. Wij als kinderen begrepen niet veel van wat hij vertelde, maar we waren erg onder de indruk. In de omgang was Franz Kafka een moeilijk man. Als je zijn verhalen leest, merk je een eigenaardige vorm van humor. Die hanteerde hij ook in zijn conversaties. Het leek wel alsof die humor hem door dit harde bestaan moest leiden. Het dagelijks leven was een zware strijd voor hem. Zijn besluiteloosheid was legendarisch. Hij kon nooit beslissen wat zijn volgende stap in het leven zou zijn. Hij twijfelde over alles en nog wat. Ik denk dat hij voortdurend worstelde met het geloof. Zijn vader was niet religieus, maar zijn moeder was ultra gelovig. Dat zorgde voor veel spanningen in het gezin Kafka. Als kind is hij getuige geweest van zwaar geruzie tussen zijn vader en moeder over haar fanatieke, orthodoxe geloof. Dat heeft Franz getekend voor de rest van zijn leven. Na de Eerste Wereldoorlog kwamen er veel orthodoxe Joden vanuit Polen naar Praag. Op een keer nam hij mijn tweelingzus en mij mee door de oude stad, en we kwamen een hele groep van die orthodoxe Joden tegen. Ik herinner me dat hij hen aansprak en hen zei: ‘Ik behoor tot jullie.'”

Anno 2007 is Alice Herz-Sommer de laatst levende mens die Kafka persoonlijk gekend heeft. “Daardoor krijg ik studenten van over de hele wereld op bezoek”, zegt ze. “Jonge mensen uit Zuid-Amerika of Japan die aan een doctoraal over Kafka werken. Ze willen weten wat voor iemand hij was, en hoe zijn relatie was met zijn latere biograaf en onze gezamenlijke vriend Max Brod. Ik heb urenlang gewandeld met Kafka. Hij vertelde mij en mijn zus dan de meest waanzinnige dierenverhalen. Maar in het algemeen was hij erg somber. Hij was een geboren pessimist. Ik hou nog altijd niet van Kafka als schrijver. Hij zag de schoonheid in het leven niet. Ja, het leven is mooi. Kijk naar buiten, naar de straten van Londen, het leven is toch fantastisch? Londen is prachtig, net als Praag.”

Discipline
Van jongs af was Alice gefascineerd door de piano. “Als kind kreeg ik aandacht als ik een stukje op de piano speelde. Ik had talent, maar talent alleen is niet voldoende als je een carrière in de muziek ambieert. De meest getalenteerde mensen halen het niet zonder discipline. Ik las graag biografieën, en leerde daaruit hoe Schubert elke dag van zeven tot twaalf zat te componeren, ook al had hij geen inspiratie. Balzac, de grote Franse schrijver, zat elke avond van 8 tot 8 uur ’s morgens achter zijn bureau te schrijven. Ik heb mezelf gedisciplineerd door piano te studeren. Ik speelde negen tot tien uur per dag. Als ik concerten had, ging ik zelfs niet slapen. Een van mijn broers was een excellente violist. Hij had een grote carrière kunnen uitbouwen, maar hij had niet zoveel energie als ik. Ik ben geboren in een tijd toen er spanningen waren tussen Tsjechen, Duitsers en Joden. Dat had zijn goede kanten. Buitengewone Joodse muzikanten zoals ik moesten gewoonweg beter zijn dan de anderen. Typisch voor Joodse mensen is dat ze willen laten zien hoe goed ze wel zijn. Ze hebben gelijk, want als je iets erg goed kunt en beheerst, is het leven gemakkelijker. Maar als je middelmatig bent, is het leven moeilijk. Zeker jonge mensen hebben het lastig als ze niet boven de middelmaat uitstijgen.”

In de twintiger jaren beleefde Alice triomf na triomf. ’s Ochtends studeerde ze vier uur piano, ’s middags gaf ze les en ’s avonds speelde ze concerten.

Chopin
In 1925 ontmoette Alice de handelsvertegenwoordiger Leopold Sommer. In het voorjaar van 1931 traden ze in het huwelijk; zes jaar later werd hun zoontje Raphael geboren. “We waren perfect gelukkig.” Aan dat geluk kwam abrupt een einde toen Hitlers troepen op 15 maart 1939 Praag binnentrokken en in het hart van de stad op de Wenzelsplatz massaal werden toegejuicht.

“We moesten de gele ster dragen, alsof het een schande was om Jood te zijn”, zegt Alice Sommer wrang. “We mochten geen telefoon of radio meer hebben, Leopold verloor zijn werk en ik mocht niet langer lesgeven aan niet-Joden. In het begin hadden we geluk dat we onze kleine flat niet moesten verlaten. Andere Joden werden naar een getto gestuurd, wij nog niet. Boven ons leefde een nazi, zijn naam was Hermann. Raphael speelde met zijn zoon. Dat kon, want tot hun zesde moesten Joodse kinderen geen ster dragen.”

Op 5 juli 1943 werd het gezin Sommer op transport naar het getto van Theresienstadt gezet. Alice Sommer: “Mijn moeder was een jaar eerder gedeporteerd. Dat was een verschrikkelijke schok voor mij. Het afscheid van haar is het grootste dieptepunt uit mijn leven. Moeder was oud, 72, ziek, en had alleen een rugzak als bagage. Op 13 juli 1942 is ze naar Theresienstadt gedeporteerd. In oktober van datzelfde jaar is ze naar het vernietigingskamp Treblinka overgebracht. Daar is ze vermoord. Na het afscheid van moeder raakte ik in een zware depressie. Ik herinner me nog als de dag van gisteren de plaats en het moment waarop de wanhoop het grootst was. 24 juli 1942. Ik was op weg naar huis en ik kon niet verder. Een innerlijke stem zei: ‘Nu kan niemand je nog helpen. Niet je man, niet de dokters, niet je fantastische kind. Je staat er helemaal alleen voor.’ Elke pianist speelt in zijn repertoire zes of zeven wonderbaarlijke etudes van Frédéric Chopin. Ik besloot om ze alle vierentwintig te leren spelen, tegen de wanhoop in. Een concert van meer dan twee uur. Wie dat kan, heeft het allerhoogste bereikt, want de etudes zijn aartsmoeilijk. Ik kwam thuis en begon te spelen, van de ochtend tot de avond. Op een keer was ik aan het spelen, en ik hoorde geklop boven mij. Ik dacht: ‘Oei, Herr Hermann maakt zich druk.’ Als Joodse mocht ik geen piano hebben. Toen ik dat gebons hoorde, stopte ik met spelen. Joden mochten slechts een half uur per dag naar de winkels gaan. De vrouw die instond voor het onderhoud van het trappenhuis bracht ons soms iets, en we waren daar blij mee. We moesten haar woekerprijzen betalen, maar dat maakte toen niet uit. En daar stond ze in het deurgat. ‘Frau Sommer, Herr Hermann vroeg me of u gedeporteerd bent, want u bent gestopt met spelen.’ Ze zei dat ik verder kon spelen, want de nazi genoot van de muziek.”

“De avond voor we naar Theresienstadt gedeporteerd werden, zaten ik en Leopold in onze verduisterde kamer. We wilden dat ons kind zijn laatste nacht thuis in een knus, warm bed doorbracht. De deur stond een beetje open, en er kwamen Tsjechen – goede vrienden van ons – binnen. Ze spraken geen woord, maar namen alles mee wat ze konden dragen, terwijl wij daar zaten. Zelfs nu kan ik dat nog altijd niet begrijpen. Diezelfde avond kwam mijnheer Hermann langs. Hij zei: ‘Mevrouw Sommer, ik hoor dat u op transport gezet zal worden. Ik wens u het allerbeste. Ik kom uit een muzikale familie en heb grote bewondering voor uw pianospel. Ik dank u voor die mooie muziek die u gespeeld hebt.’ Hij was een mens. Die Tsjechen niet.”

Theresienstadt
Theresienstadt was oorspronkelijk een garnizoensstad. Alice Sommer: “Er stonden grote barakken waar ooit soldaten gelegerd waren. De oorspronkelijke bewoners moesten er weg toen het een getto voor de Joden werd. In die kleine plaats leefden normaal 9000 zielen, onder Hitler werden er tot 300.000 Joden van over heel Europa samengebracht.”

Het getto werd bewaakt door de SS en de Tsjechische politie. Theresienstadt was een tussenstation in de doorvoer van Joden naar de vernietigingskampen. Eind 1943 gaven de nazi’s aan een onderzoekscommissie van het Internationale Rode Kruis toestemming voor een bezoek aan de stad, om de wereld te laten zien dat de Joden goed behandeld werden. Maar eerst werd er schoon schip gehouden en werd de overbevolking opgelost door het aantal transporten naar Auschwitz op te drijven. De nazi’s bouwden nepwinkels, een café, een kleuterschool en een lagere school. De huizen werden met bloemen getooid. De delegatie van het Rode Kruis tuinde er met haar ogen wijd open in. De nazi’s gaven een aantal inwoners het bevel een propagandafilm te draaien – ‘De Führer schenkt de Joden een stad’. Naderhand werden alle medewerkers aan de film op transport naar Auschwitz gezet.

De interne gang van zaken in het getto werd geregeld door een Raad van Ouderen. De Joodse leiders organiseerden het werk, regelden de voedselverdeling en de huisvesting, organiseerden concerten en toneelopvoeringen en stelden zelf de lijsten samen voor de deportaties. Alice Sommer: “Ons eten bestond ’s ochtends uit zwart water, ‘koffie’, ’s middags uit wit water, ‘soep’, en ’s avonds terug uit zwart water. Mijn zoon huilde vaak van de honger. Niet in staat zijn om je kind iets te geven, is hard voor een moeder. Twee jaar lang sliep ik met mijn zoon op een matras. Dat was goed voor hem. Hij voelde zijn moeder dichtbij. Dat gaf hem veiligheid. Hij werd geselecteerd om mee te zingen in de voorbereidingen voor de kinderopera Brundibár. Daar was ik erg blij mee, want ik wist dat er niets met hem kon gebeuren als hij daar was, en hij raakte er altijd in een goede stemming. Het was hard. We werden verplicht om concerten te spelen. Ik had vijf of zes programma’s, en er was een organisatie die dat regelde: de Freizeitgestaltung. Ik kreeg opdracht om op zondag, woensdag en vrijdag te spelen. De concerten waren in het gemeentehuis, er was plaats voor 150 mensen. Oude, vereenzaamde, hongerige mensen. En toch kwamen ze naar die concerten! Muziek was ons geestelijk voedsel. Theresienstadt was propaganda voor Hitler, maar de muziek hield ons in leven.”

Was Alice Sommer zich toen bewust van wat er met de Joden in de kampen gebeurde? “Op dat moment niet. Na een jaar in Theresienstadt, werden duizend mannen op transport gezet, waaronder mijn man. Hij wist wat hem te wachten stond, en vlak voor hij naar Dachau gevoerd werd, zei hij: ‘Probeer om hier te blijven. Luister niet als ze een oproep doen aan de achtergebleven vrouwen om hun mannen te vervoegen. Doe het niet.’ Drie dagen later werd er weer een transport van duizend mensen georganiseerd onder het motto: ‘Kinderen en vrouwen volgen hun vaders en mannen’. Iedereen wou mee. Ik bleef achter met Raphael. Leopold heeft onze levens gered. Niemand kwam terug. Mijn man stierf in Dachau. Hij stond erg dicht bij onze zoon. Het was een schok voor Raphael, toen zijn vader weg moest uit Theresien. Vanaf die dag vroeg ik me af hoe ik hem zonder haat kon laten opgroeien. Want haat brengt alleen maar haat voort. Ik wou niet dat mijn jongen de rest van zijn leven zou haten. Ik heb met Raphael nooit over Theresienstadt of over de holocaust gesproken. Natuurlijk wist hij wat er gebeurd was. Hij was als cellist erg populair in Duitsland, hij speelde er zeer veel. Hij verweet de Duitsers niets. Een paar jaar voor zijn dood heeft hij een autobiografie geschreven waarin hij me expliciet dankt dat ik hem geen haat opgelepeld heb. Nee, ik haat niet. Ik heb nooit een woord van haat tegenover het naziregime geuit. Geen woord. We komen half goed, half slecht uit de buik van onze moeder. Ik hou van mensen met zowel het slechte als het goede. Ik kijk naar het goede, en ik vergeet het slechte. Spinoza zegt: ‘We kiezen zelf om het goede, of het slechte te doen.’ Ik lees veel, en ik ga naar de Universiteit voor de Derde Leeftijd. Op dinsdag volg ik filosofie; Spinoza is mijn favoriete filosoof. Voor hem is alles god, zijn wij god. Goed en kwaad zijn god. Ja, ook het kwaad. Ik heb geen religie nodig, maar misschien zit er wel een stukje god in alles.”

Democratie
Na de bevrijding keerde Alice met haar zoon terug naar Praag. “We trokken in bij mijn broer. Hij was getrouwd met een niet-Joodse, zij heeft hem beschermd. Na twee maanden kregen we van de Joodse gemeenschap een kleine flat toegewezen, en een beetje geld. Ik begon terug pianolessen te geven. Tot Stalin na de staatsgreep van ’48 Praag helemaal inpalmde. Ik heb anderhalf jaar onder het communistische juk geleefd. Ik verzeker je, de mensen hier in Engeland en in de rest van Europa beseffen niet hoe kostbaar democratie is. Onder de dictatuur van het communisme waren we bang om iets te zeggen – zelfs tegen goede vrienden. Je kon niemand vertrouwen. Na Hitler en Stalin ben ik naar Israël vertrokken. Daar was er geen dag zonder spanning, maar hadden we wel democratie. Je kon er zeggen en lezen wat je wou. Je kon je kind opvoeden zoals jij wou, niet zoals zij het wilden. Democratie. Je kent de negende van Beethoven met Schillers ‘Alle Menschen werden Brüder’?” Alice Sommer neuriet zachtjes. Dan zegt ze: “We leven in een slechte tijd. Een heel slechte tijd. Er is zoveel haat. Het is zelfs nog veel erger dan in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Maar het wordt beter. Misschien moet het eerst nog wat slechter gaan, maar dan wordt het weer beter. Want vanuit het slechte groeit het goede.”

Jarenlang stond Alice Herz-Sommer aan het hoofd van het conservatorium van Jeruzalem. “Daar heb ik honderden leerlingen onder mijn hoede gehad. Ook veel Arabieren. Ze schrijven nu nog naar mij, van over de hele wereld. Fantastische mensen. In Israël heb ik de mooiste tijd van mijn leven beleefd.”

Op haar 84e verhuisde ze naar Londen. “Ik wou bij mijn zoon en mijn kleinkinderen zijn. Raphael is dood, maar een van mijn kleinkinderen leeft en werkt hier. Of ik nog plannen maak voor de toekomst? Nee. Ik kan elk moment sterven. Als er iets gebeurt, bel ik mijn kleinzoon en in vijf minuten is hij hier. Maar ik speel nog alle dagen piano, met acht vingers – mijn twee wijsvingers willen niet meer mee. Discipline!”

Hoe kijkt Alice Herz-Sommer terug op haar leven? “Ik heb er een erg goed gevoel over. De vrienden van mijn generatie zijn dood. Maar hun kinderen komen mij nog altijd opzoeken. Max Brod was een levenslange vriend. Op de dag dat Wereldoorlog II uitbrak, is hij samen met mijn zus en Felix Weltsch op de laatste trein naar Israël gestapt. Mijn leven was moeilijk. Maar dat komt ook deels voort uit mijn karakter. Veel jonge Engelse journalisten hebben gezeten waar jij nu zit. In het begin vroeg ik hen: ‘Waarom komen jullie? Wat willen jullie van mij?’ ‘Wij willen schrijven over hoe het leven is als een mens zo oud is als u.’ Ik wou daar eerst niet op ingaan, want ik wilde niet dat die jonge mensen bang werden. Maar het inspireerde me. Als ze nu komen, zeg ik altijd: ‘De ouderdom is de mooiste periode uit ons leven.’ Alleen als je zo oud bent als ik, raak je echt doordrongen van de schoonheid van het bestaan.”

Etudes van troost, de biografie van Alice Herz-Sommer, is geschreven door Melissa Müller en Reinhard Piechocki en uitgegeven door Artemis & co.

© jan@janstevens.be

Ondertussen in Burcht…

Van zijn vijfde tot zijn zestiende was Marcel Van Der Vloet het favoriete speeltje van Burchtse pedofielen. Op zijn zeventiende verwekte hij een kind bij een getrouwde vrouw. Achttien jaar later kwam de toen achttienjarige Oscar Segers bij hem inwonen. Vanuit hun huis ‘soigneert’ gigolo en worstelkampioen Oscar de vrouwtjes. “Toch denkt heel Burcht en omstreken dat wij een homokoppel zijn. Ze moesten eens weten.”

Een zwoele herfstochtend. Marcel Van Der Vloet (65) en Oscar Segers (47) zitten broederlijk naast elkaar in de gelagzaal annex living van hun huis Den Yzer in de Kloosterstraat in Burcht: een jonggepensioneerde naast een (niet meer zo) jonge blonde oppergod. Marcel Van Der Vloet was in een vorig leven nationaal secretaris van wijlen de libertijnse partij ROSSEM; Oscar Segers was ooit wereldkampioen worstelen en is nu bodybuilder, stripper en gigolo – “bekend van Jambers en Goedele”. In de hal staan paletten vol boeken. Tweeduizend exemplaren van Marcels autobiografie Het bloot van toen; het relaas van de eerste negentien jaren van zijn bewogen leven in Burcht. “Zoals ik het beschreven heb, was het”, zegt Marcel. “Alleen sommige namen heb ik veranderd.”

Schoon jongetje

Een rijhuis in de binnenstad van Antwerpen, juni 1947. “De dikke, vriendelijke mijnheer had me uitgekleed. Ik stond bloot in het midden van de kamer. Er schenen lichten. Gele, groene en rode. Een man vroeg me om naar daar en daar te kijken. Ik zag vanuit mijn ooghoek hoe hij in een bruin peertje aan een draad kneep. Ik mocht van alles doen. Met mijn handjes in mijn nekje, mijn vuistjes in mijn zij. Ik mocht zelfs mijn fluitje vasthouden. Met een handje en dan met beide. Het enige wat niet mocht was met mijn rug naar die meneer gaan staan. Dan kneep hij niet in zijn bruine peer.” – uit: Het bloot van toen.

In 1947 sloot de moeder van de toen vijfjarige Marcel Van Der Vloet een deal met een paar ‘Amerikanen’ van een ‘reclamebureau’. Van Der Vloet: “Ik had vlasblonde krullen en een fijn gezichtje. Iedereen noemde me een ‘schoon jongetje’. Moeder paradeerde graag rond met mij, maar ik vond dat niet leuk. Op een dag stonden die kerels in onze bakkerij in Burcht. Ze draaiden moeder rond hun vinger en maakten haar wijs dat ze veel geld aan mij kon verdienen. ‘Reclamefotografie is dé toekomst!’ In ruil voor centen wilden ze me in nieuwe kleren stoppen en reclamefoto’s van me nemen. We zijn maar één keer moeten gaan – voor ‘proefopnames’. Ik weet niet meer waar die fotostudio precies was; ik weet wel dat we met de bus door de tunnel – de konijnenpijp – reden. Dat vond ik fantastisch. Al die ronde oranje lichten tegen de muur. Na de fotosessie hebben ze ons nog blikken koekendozen bezorgd waar een ‘reclamefoto’ van mij op gedrukt stond. Een foto met mijn kleren aan. De naaktfoto’s trokken ze snel voor mijn moeder terug binnen kwam. Ze stond in de gang; ik kon de hele tijd haar stem horen.”

Het strand van het Galgenweel op Linkeroever, juli 1954. “De onderpastoor ging rechtop zitten. Hij drukte met de hand op de kont van mijn elfjarige vriend Luc, nam met de andere een handvol wit, fijn zand en liet het tussen Lucs billen vloeien. Het duurde eeuwen voor zijn hand leeg was. Dan plaatste hij zijn grote wijsvinger in het midden van het hoopje zand en duwde zijn vinger traag in Luc zijn kontgaatje. Nog eens en nog eens. ‘Het zand is de Calvarieberg’, sprak de onderpastoor plechtig. ‘Nu brengen we de Calvarieberg, waarop de zoon van god geleden heeft en gestorven is, diep in je lichaam. Opdat je ook deel zou uitmaken van het lijden van de heer.'” – uit: Het bloot van toen.

Van 149 tot 1960 was Frans De Meersman (1911-1994) onderpastoor van Burcht. Van 1967 tot 1977 was hij er pastoor. E.H. De Meersman was wild van jonge jongetjes. Hoeveel Burchtse jongens als Luc heeft hij in zijn carrière gemolesteerd? Van Der Vloet: “Dat weet ik niet. Ik weet wel dat hij zijn interesse in jongens verloor na hun plechtige communie. Wij durfden thuis niets te zeggen, ook al was mijnheer de onderpastoor een sadist. Later, toen ik volwassen was, heb ik vaak gedacht: ‘Waarom heb ik dat toen niet naar buiten gebracht?’ Nu, na Dutroux, pikt niemand dat nog. Maar toen… 85% van de mensen stemden op de CVP. Het woord van de pastoor was wet. Hij dirigeerde al die grote vrome katholieke huishoudens. Op zeker moment is die onderpastoor uit mijn gezichtsveld verdwenen, en ik heb er verder geen onderzoek naar gedaan. Misschien omdat ik bang was van hem.”

Burcht, december 1954. “Ik mocht op vakantie bij pa Jean, de schoonvader van mijn zus.(…) Pa Jean zelf had mij naar boven gebracht. ‘Ik kom bij je liggen’, fluisterde hij. ‘Het bed is toch veel te groot voor zo’n kleine jongen. Wat ben je toch zacht. Niet één haartje staat er op je schitterende lijfje. Schoon is dat.'” – uit: Het bloot van toen.

Marcel Van Der Vloet: “Mijn zus heeft altijd geweten dat haar schoonvader niet met zijn fikken van de jongens kon blijven. Ik ben haar gaan opzoeken toen mijn boek bijna af was. ‘Pa Jean heeft me als jongetje van twaalf misbruikt’, zei ik haar. ‘Ja, wij wisten dat hij zot was van jongetjes’, repliceerde ze. Het was alsof ik het in Keulen hoorde donderen. Hoe kun je nu een kleine jongen willens wetens op vakantie sturen bij een pedofiel?

Ik zin niet op wraak. Waarom zou ik? Wat brengt dat op? Stel je voor dat ik een groot schandaal over die pastoor ontketen. Wie heeft daar baat bij? Het kwaad dat die kerels aangericht hebben, kun je toch niet meer herstellen. Ik vraag me wel af waarom ik dat allemaal moest meemaken? Want pa Jean en de onderpastoor waren niet de enigen.”

De verloren zoon

Burcht, feestmarkt 1960. “Die 10e januari 1960. Een dag die 38 weken of 267 dagen vooraf ging aan die andere datum, die mij opzettelijk niet werd meegedeeld. Pas jaren later zou ik die te weten komen.” – uit: Het bloot van toen.

De eerste zondag na Driekoningen is het feest in Burcht. Dan staat het marktplein afgeladen vol met markt- en foorkramen. Op de kermis van 1960 raakte de zeventienjarige Marcel Van Der Vloet aan de praat met de pasgetrouwde, vijf jaar oudere Maria. Ze vertelde over haar man – een beroepsmilitair met losse handjes, en zocht troost in de armen van Marcel. Van Der Vloet: “Van het een kwam het ander. Een half jaar later zag ik haar terug in een winkel. Ze zag er onverzorgd en moe uit. Ik vroeg of ze ziek was. Toen pas zag ik haar dikke buik. Ze was zwanger. Ik vroeg of het kind van mij was. ‘Ik weet het niet’, zei ze. ‘Ik weet alleen dat ik getrouwd ben en dat niemand het hoeft te weten. Het is beter dat we erover zwijgen.'”

Marcel Van Der Vloet verloor Maria uit het oog. Een paar jaar later trouwde hij met iemand anders. Samen kregen ze een zoon. De Van Der Vloets leidden het leven van een doorsnee gezin. Tot in 1978 Oscar Segers – Maria’s oudste zoon – radeloos op hun drempel stond. Oscar Segers: “Ik had voortdurend ruzie met mijn ‘officiële’ vader. Hij was een ongelooflijk gewelddadige alcoholist. Als mijn broer slechte punten had, sleurde hij hem mee naar de slaapkamer om hem af te rossen met zijn riem. Dan stampte ik de deur in, want ik kon dat niet verdragen. Als hij mijn moeder sloeg, brulde ik de hele buurt bijeen. Ik heb altijd geprotesteerd. Vanaf mijn tiende ben ik beginnen worstelen. Ik was een natuurtalent, en werd ontzettend sterk. Als hij weer eens door het lint ging, sloeg ik gewoon mijn armen om hem heen en hield hem in bedwang tot hij uitgeraasd was. Dat kon hij niet verkroppen.
“Op mijn achttiende ben ik weggegaan. Mijn moeder was bang dat vader me kapot ging maken en heeft me toen aangeraden om bij Marcel onderdak te zoeken. Vader was woest omdat ik moeder verdedigd had. Op een dag hoorde ik haar kelen. Hij zat met zijn knie op haar. Ik heb hem toen in de zetel gesmeten en afgedreigd: ‘Waag het niet om dat nog eens te doen!’ Toen vloog ik eruit. Vorig jaar is hij gestorven. Hij heeft zich letterlijk dood gezopen.”

Marcel Van Der Vloet: “Toen Oscar bij ons kwam, kreeg hij direct een ander leven. Hij kon zijn capaciteiten als worstelaar ontwikkelen en de hele wereld afreizen. Hij is 34 keer kampioen van België geweest, twee keer wereldkampioen en één keer tweede. We koesteren schitterende herinneringen aan Madrid, Boedapest, Amerika… Oscar won alles; het was plezant om hem zo te zien winnen.”

U was zijn manager?
Marcel Van Der Vloet: “Zijn coach, ja. Rond mijn veertiende heb ik ook een tijdje geworsteld. Ik was vrij goed, maar vocht nooit graag wedstrijden. Oscar heeft nooit anders gekend. Hij was al kampioen van België op zijn elfde en heeft die titel nooit meer afgegeven.”

Wat vonden de inwoners van Burcht ervan dat Oscar bij u kwam wonen?
Marcel: “Die vonden dat erg verdacht. Zelfs nu nog worden er indianenverhalen over ons verteld. Na mijn scheiding in ’88 is het roddelcircuit pas echt op gang gekomen: ‘Die twee venten zijn toch geen familie?’ Jaren lang hebben ze achter onze rug gefluisterd dat we een homokoppel waren. Dat gebeurt nu trouwens nog.”
Oscar Segers: “Eigenlijk had ik al lang dood moeten zijn, want vijftien jaar geleden ging als een lopend vuurtje rond dat ik aids had.”
Marcel: “Het feit dat Oscar vrouwen ontvangt en dat hij daar op tv bij Jambers rond voor uitkwam, heeft aan al dat geroddel geen deugd gedaan. Toen hoorden we voor het eerst dat de goegemeente ons als een homokoppel bestempelde.”

Terwijl jullie eigenlijk vader en zoon zijn. Want Marcel is Oscars ‘officieuze’ vader?
Marcel: “Dat zeg jij. Wie mijn boek leest, en een en ander narekent, kan zelf zijn conclusies trekken.”
Oscar: “We willen daar eigenlijk niet mee te koop lopen. Ik heb daar nog nooit tegen iemand iets over gezegd. Ik wist dat niet toen ik hier in ’78 voor de deur stond. Natuurlijk waren er tijdens de ruzies tussen mijn ouders wel uitspraken, bedekte toespelingen.”
Marcel: “Ik had daar toen ook geen vermoeden van. Maar in de loop van de jaren merk je aan sommige details… Ach, laat ons maar niet teveel in dat potje roeren. Ik wil Maria niet kwetsen.”

Waarom is Oscar dames beginnen ontvangen?
Oscar: “Uit noodzaak. Ik zat middenin die worstelcarrière, moest altijd maar trainen en kon me geen vaste relatie veroorloven. We zijn eerst begonnen met ladies nights. ”
Marcel: “Eigenlijk hadden we dat beter ook stilgehouden, in plaats van er in Jambers mee uit te pakken. Sommige mannen weten immers niet dat hun vrouw naast de pot pist. Het is echt niet onze bedoeling om huishoudens uiteen te trekken, integendeel! Wij lossen hun seksproblemen op.”
Oscar: “Eigenlijk zijn die damesbezoeken een heel goeie oplossing. No strings attached. Ik ben trouwens heel kieskeurig.”
Marcel: “Ja, eerst maken we kennis met het potentiële clientèle. Daarom ook heeft Oscar nooit escort willen doen, want dan word je opgebeld, en wat er achter de deur staat, moet je pakken. Dat heeft hij nooit gewild. Eerst maakt hij hier een afspraak: een beetje blabla met een tasje koffie en een stukje vla. En als het hem aanstaat, wordt het boemboem.”

Was eerwaarde Frans De Meersman een grote kindervriend?

In Het Bloot van toen getuigt Marcel Van Der Vloet dat onderpastoor Frans De Meersman (in zijn boek geeft hij hem het pseudoniem ‘Meerschout’) in de jaren vijftig graag jonge jongetjes molesteerde. Volgens kanunnik-archivaris Ludo Collin van het bisdom van Gent is er bij het bisdom nooit een klacht over De Meersman geweest. “Waarmee ik niet wil zeggen dat er niets gebeurd zou zijn. In 1960 werd De Meersman pastoor in Doel, en in ’67 keerde hij terug naar Burcht, als pastoor. Als er in die tijd klachten over kindermisbruik binnenkwamen, werd de priester in kwestie overgeplaatst naar een klooster in een verre uithoek van het bisdom. Er is niets in De Meersmans carrière dat erop wijst dat er ooit een klacht tegen hem is ingediend. Integendeel, het feit dat hij later pastoor geworden is in hetzelfde Burcht, wijst erop dat hij toen een vlekkeloze reputatie genoot.”

© jan@janstevens.be

%d bloggers liken dit: