De oervader van de betaalparking

In 1950 zag de jonge Claude De Clercq voor het eerst in zijn leven in New York een overdekte autoparking. Acht jaar later bouwde hij de allereerste betaalparking in Brussel. “Iedereen verklaarde me gek. Er stonden amper 20 auto’s in. Maar ik heb nooit getwijfeld.” Vandaag is De Clercqs firma Interparking marktleider in België, en nummer drie in Europa.

Zijn leven lang is Claude De Clercq (84) de discretie zelve geweest. Vijftig jaar lang meed de stichter en huidige erevoorzitter van Interparking de schijnwerpers, maar bouwde hij onverdroten voort aan zijn Europese parkingimperium. Ter gelegenheid van het gouden jubileum van zijn onderneming wil hij voor het eerst uitgebreid praten over leven en werk. Plaats van afspraak is waar het ooit begon: Parking 58 aan de Bisschopsstraat in het hart van Brussel. Op de eerste verdieping van de parking bevindt zich het hoofdkwartier van Interparking. Claude De Clercq ontvangt me in de vergaderzaal. Zoals het een echte erevoorzitter betaamt, zit hij aan het hoofd van een majestueuze tafel. “Als je de top wil bereiken, moet je bereid zijn om keihard te werken”, zegt hij. “Ik heb in mijn actieve leven elke week 70 uur gewerkt. Daarenboven heb ik mijn eerste twaalf jaar als afgevaardigd bestuurder geen centiem geïncasseerd. Alles ging naar de ontwikkeling van de onderneming. In onze economie heb je aan de ene kant de kleine zelfstandigen die een restaurant uitbaten of een garage hebben, en aan de andere de grote maatschappijen. Tussen die twee in zit de middelmaat. De bedrijven uit het midden worden ofwel door de groten gegeten, of eten zelf de kleintjes op en worden groot. Interparking wou niet gegeten worden, maar wou zelf eten en groeien.

Parking 58
New York, 1950. De jonge Brusselaar Claude De Clercq zette voor een verblijf van een paar maanden voet aan wal in The Big Apple. Voor het eerst in zijn leven zag hij daar een overdekte parking, volgestouwd met auto’s. “Amerika is altijd het land van koning auto geweest”, zegt De Clercq. “De Amerikanen vertelden in die tijd het grapje: ‘Wat is een voetganger? Een man die drie dochters, één vrouw en slechts vier auto’s heeft.'”
Terug in België bleef het beeld van de New Yorkse autoparking in De Clercqs hoofd rondspoken. “Halverwege de vijftiger jaren reden er amper 600.000 auto’s in ons land rond. Er was gewoon geen behoefte aan immense parkeergarages. Toch droomde ik ervan om ooit zo’n parking in de Brusselse binnenstad te bouwen.”
In 1956 zag Claude De Clercq zijn kans schoon. “Met het oog op de wereldtentoonstelling van ’58 wou de jonge schepen Paul Vanden Boeynants een overdekte parking in het centrum laten bouwen. Hij had daarvoor een contract afgesloten met een Antwerpse bouwfirma. Het concept van zo’n autoparking in het centrum van de stad, was uniek voor Europa. Maar de Antwerpse aannemer ging failliet, en VDB zat met de handen in het haar. Hij vroeg raad aan ondernemer Armand Blaton, die op zijn beurt mij en mijn broer contacteerde. De expo zou voor een toevloed aan bezoekers en wagens zorgen, dus sprongen we vol overtuiging op die kar en zijn we begonnen aan de bouw van Parking 58.”

In 1957 opende Parking 58 haar slagbomen. Claude De Clercq: “Er was plaats voor 400 auto’s, maar dat eerste jaar bleven de meeste plekken leeg. Op sommige dagen stonden er amper 20 wagens. Of ik panikeerde? Nee. Natuurlijk moet elke onderneming die wil slagen een grote afzetmarkt voor haar product hebben. Onze parking stond er te vroeg, maar we zijn er altijd rotsvast van overtuigd gebleven dat het niet lang kon duren voor er genoeg klanten zouden komen opdagen. We runden de parking met een paar mensen: ik, een boekhouder en een controleur. De parkingbusiness was toen nog geen vak; we konden op geen enkele ervaring terugvallen. Alles gebeurde manueel. Je reed binnen, kreeg een ticketje, en als je buiten reed, betaalde je bij de man in het loket. Die man moest dan zeggen: ‘Dank u, mijnheer; merci beaucoup monsieur’, want beleefdheid vond ik zeer belangrijk.”

En toen kwam 1958, het magische jaar van de wereldtentoonstelling. “De Brusselaars waren ervan overtuigd dat hun stad overrompeld zou worden door de rest van de wereld.” Claude De Clercq zag zijn parking al afgeladen vol staan. Maar er gebeurde helemaal niets. “De Brusselaars , de Antwerpenaars, de Gentenaars en de buitenlanders zakten massaal af naar Expo ’58, maar het ellendige was dat ze de binnenstad met zijn restaurants en cafés links lieten liggen. Ze trokken liever naar Antwerpen of naar Parijs om zich te amuseren. In die jaren was Brussel een klein provinciestadje, waar bijna niets gebeurde. Onze parking bleef leeg. Die eerste twee jaar hebben we ons kapitaal noodgedwongen opgesoupeerd. Maar we zijn altijd onze engagementen tegenover de banken nagekomen. Altijd!”
Een jaar later kwam er eindelijk schot in de zaak. Claude De Clercq: “Er was toen nog amper tv en de bioscoop was erg populair. In ’59 raakte Parking 58 in het weekend eindelijk volzet. Mensen vonden het veiliger om hun auto in de parking te zetten dan hem op straat achter te laten.”

Expansie
In de jaren zestig ging Claude De Clercq op zoek naar uitbreiding in binnen- en buitenland. “De stad Berlijn gaf in die tijd uitzonderlijke fiscale voordelen. We hebben er ons geïnstalleerd, en heel snel werd het beheer van de parkings in die stad onze voornaamste activiteit. We baatten parkings uit aan de schouwburg en aan luxe hotels – met duizenden plaatsen. Met Berlijn als motor hebben we ons verder ontwikkeld in Nederland en België. Daarna zijn Frankrijk, Spanje, Italië en de rest van Duitsland gevolgd.”
“Ik heb in mijn carrière het geluk gehad dat ik altijd met schitterende zakenpartners heb kunnen samenwerken. De overleden Brusselse bouwtycoon Charlie De Pauw was een van hen. Charlie was een echte visionair. Hij liet zich nooit zien op onze Raad van Bestuur. Maar als ik ergens een nieuwe parking uit de grond wou stampen, hield ik eerst een brainstorm met hem. Charlie zei dan: ‘Claude, je hebt drie minuten.’ ‘Oké, Charlie, ik wil een parking bouwen op de Rooseveltplaats in Antwerpen.’ ‘Is ze goed gelegen?’ ‘Ja, heel goed.’ ‘Hoeveel auto’s denk je erin te kunnen onderbrengen?’ ‘400.’ ‘Hoeveel zal dat kosten en hoelang zal het duren voor ze klaar is? Bon, bonne chance, en wil je me nu verontschuldigen, want ik heb nog een andere afspraak.’ Het uitzonderlijke aan Interparking is dat de beslissingen altijd unaniem door de Raad van Bestuur genomen zijn. Oké, af en toe werd er een beetje bijgestuurd, of verfijnd, maar uiteindelijk was er eenstemmigheid. Geen geruzie. Ik heb erg goede herinneringen aan mijn partnership met Albert Frère. En na Frère kwamen er Amerikaanse investeerders. Zij hebben me ooit maar een ding gevraagd: ‘My dear Claude, what is the most important thing for you in parking business?’ Ik antwoordde: ‘Cash flow.’ En ze waren tevreden.”

Geniale Lipski
De meeste openbare parkings zijn nipt bemeten, met nauwelijks neembare bochten en minuscule parkeerplaatsen. Ook die van Interparking? Claude De Clercq schudt het hoofd. “Als je onze parkings vergelijkt met die van de concurrenten zijn wij heel braaf en wijs. Probeer je wagen maar eens te parkeren in de Parijse parkings Invalides of Georges V. De inritten daar zijn gruwelijk. Als je ze inrijdt, zie je overal de visitekaartjes van de klanten die je zijn voorgegaan. Onze inritten zijn ontworpen door ingenieurs en niet door architecten. Een parking als George V is geconstrueerd door betonboeren. Zij waren alleen geïnteresseerd in het storten van zoveel mogelijk beton – gebruiksgemak voor chauffeurs was wel het minste van hun zorgen. De voorbije jaren zijn de oude parkings in Parijs verfraaid, opgefleurd en geschilderd, maar ze kunnen nog steeds niet tippen aan het gebruiksgemak van onze Parking 58, want die is ontworpen door de geniale ingenieur Abraham Lipski. Hij was van joods-Poolse afkomst, is hier komen wonen, en heeft in 1950 de legendarische Preflexbalk ontwikkeld. Dat was een revolutionair constructie-element van staal en beton, waardoor nieuwe constructies mogelijk werden . De Preflexbalk maakte maximale overspanningen mogelijk met minimale hoogtes. De Zuidertoren is van Lipski’s hand. Hij heeft me op een uitzonderlijke wijze geholpen. Rond de site van parking Schildknaap stonden beschermde huizen uit de zestiende en zeventiende eeuw. Dagen en nachten heb ik gediscussieerd met Lipski over de constructie van de parking. Het was ongelooflijk moeilijk om tijdens de bouw aan alle voorwaarden en verplichtingen te voldoen. Maar dankzij hem is het gelukt. En voor de bouw van Parking Kruidtuin moesten we rekening houden met de operatiezaal van het ziekenhuis, een verdieping boven de parking. De chirurgen mochten tijdens hun operaties geen enkele trilling van het verkeer in de parking ondervinden. We hebben daarvoor beroep gedaan op specialisten in geluidsisolatie. Tussen de parking en het ziekenhuis zit een verdiep vol geluidsisolerende materialen, zodat zelfs de kleinste trilling niet naar boven geraakt.”
“De laatste twintig jaar is de business ingewikkelder geworden. Niet alleen door de technologie, maar ook door de steeds veeleisender wordende klanten. In mijn tijd was je blij als je in een hotel een kamer kreeg waar er handdoeken in de badkamer lagen, en waar er een toilet in de kamer was in plaats van op de gang. Nu willen de klanten alle comfort, zelfs in een Ibis. Onze parkings hadden indertijd een goeie infrastructuur, maar die zou nu niet meer volstaan. Mijn opvolgers hebben onze parkings aangepast aan de 21e eeuw. Het zijn nu echte vijfsterrenparkings.”

Koning auto
Steeds meer steden bannen de vervuilende auto’s uit de stad, en de roep om het openbaar vervoer te gebruiken, klinkt steeds luider. Vreest parkingkeizer Claude De Clercq de dag waarop koning auto van zijn troon gestoten wordt? “De auto is een belangrijk onderdeel van onze economie. In het weekend rijden gezinnen met de auto naar de Ardennen. Het openbaar vervoer is daar nu eenmaal minder ontwikkeld dan in de rest van het land. En denk eens aan de duizenden mensen die in de automobielsector tewerkgesteld zijn. Ban de auto uit alle steden, verplicht iedereen om het openbaar vervoer te gebruiken en wat zal het resultaat zijn? Massale werkloosheid! De auto is geen concurrent van de trein of de tram. Hij is aanvullend, met één groot voordeel: de snelweg zal nooit platliggen door een staking, in tegenstelling tot de trein of de metro.”
“Wat doet eens stad leven? De middenstand. De winkels in de Nieuwstraat of in de Kleerkopersstraat geven Brussel economische zuurstof. En de mensen die inkopen komen doen, gebruiken daarvoor hun auto. Je zal slechts zelden iemand met een pasgekochte tv op de metro zien zitten. Veel gemeentebesturen willen de auto uit de stad bannen. Maar dan volgen de winkeliers om zich ook buiten de stad in gigantische shoppingcentra te gaan vestigen. En dan bloedt de stad dood. Interparking stelt in Europa 1800 mensen tewerk en zorgt voor tientallen miljoenen BTW-inkomsten. En wij staken nooit. Als morgen iedereen met de trein reist, worden de syndicaten oppermachtig en kunnen ze naar behoeven de stad chanteren. Door de concurrentie van de auto wordt die chantage onmogelijk. Nee, onze parkings zijn levensnoodzakelijk voor de economie van de steden. Tot spijt van wie het benijdt.”

De man
– Claude De Clercq (84), erevoorzitter van Interparking, keizer van de openbare betaalparking
– Vriend en zakenpartner van beroemde en beruchte Brusselaars zoals VDB, Charlie De Pauw, Armand Blaton, Albert Frère

Claude De Clercq ziet de autoparkingtoekomst rooskleurig tegemoet. “Ik ben ervan overtuigd dat ondanks de stijgende brandstofprijzen de parkings in de steden zullen blijven groeien en bloeien. Het autogebruik is niet verminderd nadat de prijs van benzine boven 1 euro per liter gestegen is. Misschien verandert dat als hij 5 euro zal kosten. Ik maak me daar niet teveel zorgen over, want ik ben ervan overtuigd dat er tegen dan olievervangers zullen zijn. In Brazilië stoppen ze nu al suikerriet in hun tank. Formidabel, hé.”

Het bedrijf
– Interparking is marktleider in België, en bekleedt de derde plaats in Europa
– 471 parkings in België, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Nederland, Italië en Spanje met in totaal
231.500 parkeerplaatsen
– omzet 2006: 240 miljoen euro
– 1800 werknemers
– meer dan 50 miljoen klanten

© jan@janstevens.be

De man van 400 miljoen

Het persoonlijke fortuin van de Britse zakenman Peter Wilkinson bedraagt 400 miljoen euro. “Eerlijk verdiend door het ene bedrijf na het andere uit de grond te stampen.” Toch houdt Wilkinson er niet van om een serieel ondernemer genoemd te worden. “Dat lijkt iets teveel op ‘serial killer’.”

Ondernemen zit Peter Wilkinson (53) in het bloed. Als student zette hij al op de middelbare school een succesvolle frietbusiness op. “Ik zat op een internaat, waar het eten afgrijselijk was, dus begon ik frieten te bakken. Mijn medestudenten vonden ze lekker, en na een tijd baatte ik een enorme frietenonderneming uit met ‘personeel’ dat over de hele school bestellingen afleverde. Er stonden continu zes frietpotten te bakken. Ik verdiende flink wat geld.” Tot de directie zijn handeltje sloot. “Ze vonden dat het te hard stonk.” De frietzaak markeerde het begin van Peter Wilkinsons serieel ondernemerschap. Sindsdien startte, kocht en verkocht hij verschillende ondernemingen. Anno 2008 is hij vooral ceo van het internetservicebedrijf InTechnology. Zijn grootste angst is dat hij ooit zal moeten stoppen. “Ik wil niet met pensioen. Ik val liever gewoon dood. Het leven van gepensioneerden is toch gewoon voorbij?”

An ordinary bloke
Het hoofdkwartier van InTechnology ligt in het noorden van Engeland, in het rustige provinciestadje Harrogate, dertig kilometer boven Leeds. Ceo Peter Wilkinson prijkt op de 277e plaats van de Sunday Times Rich List – de lijst van duizend rijkste Britten. Hij schat zijn eigen fortuin op een kleine 400 miljoen euro. Toch ziet hij er heel gewoon uit in zijn doordeweekse hemd en jeans. Hij rookt geen sigaren, maar rolt zijn proletarische sigaretjes zelf. “Zie ik eruit als een rijke stinkerd?”, vraagt hij, terwijl hij zijn armen naar voor steekt. “Ik draag geen juwelen, en kan me zelfs geen horloge veroorloven. Ik ben een heel stille jongen en schuw de publiciteit. Ik doe normaal geen interviews zoals dit. Ik vind mezelf niet erg slim of zo. Ik heb gewoon hard gewerkt en een beetje geluk gehad. Veel mensen die wat geld verdienen, denken dat ze genieën zijn. De stumperds. Ik ben ‘an ordinary bloke’ en al millennia lang getrouwd met dezelfde vrouw. Dat komt omdat ik alleen maar tijd heb om te werken.”

Wilkinson begon zijn carrière in 1974 als programmeur bij de Leedse computerfirma Systime. “Ik had nog nooit een computer van dichtbij gezien”, grinnikt hij. “Na een mislukte schoolcarrière raakte ik via mijn vader bij Systime binnen. Ik vond de school oervervelend; ik hield meer van cricket. Na het middelbaar zat ik twee jaar op een polytechnisch instituut, een soort van universiteit voor dommeriken, waar ik me specialiseerde in meisjes, drugs en drinken. Na jaren op een internaat kreeg ik plots al die vrijheid… Het was fantastisch!”

Bij Systime raakte Wilkinson helemaal in de ban van computers. “Het programmeerwerk was verslavend. Ik werkte keihard, omdat ik een gekke kleine ambitie wou waarmaken: op mijn 25e wou ik een Ferrari bezitten. Ik ben er bijna in geslaagd, want ik heb mijn eerste Ferrari gekocht toen ik 26 was.”

Op zijn 26e schopte hij het ook tot internationaal directeur. “Systime was de tweede grootste computerfirma in Groot-Brittannië. Maar toen kwam er een nieuwe, gierige eigenaar en ik dacht: ‘Dit is belachelijk; ik kan meer geld verdienen als ik mijn eigen zaak uit de grond stamp.'”

Creatief met het internet
Peter Wilkinsons eerste bedrijfje heette STORM. “Ik runde het vanuit een klein kantoortje, en deed toen al wat InTechnology nu doet: het opslaan van data en computerbestanden van overheidsadministraties en bedrijven. Een paar jaar later richtte ik mijn tweede bedrijf op, Vdata, dat zich specialiseerde in beveiliging van computerdata. InTechnology is in 2000 ontstaan uit de fusie van STORM en Vdata. We stockeren op onze servers ongeveer 3 petabyte aan data. Eén petabyte komt overeen met een toren van 2 kilometer hoog gestapelde cd-romschijfjes.”

Wilkinson is een van de weinige Britse ondernemers die de dotcomhype met glans overleefde door op een slimme manier bedrijven op te starten en weer te verkopen. Zo begon hij in 1995 met de internetprovider Planet Online. “Drie jaar later verkocht ik die onderneming voor 115 miljoen euro aan elektriciteitsgigant Energis. Van bij de start-up van Planet dacht ik: ‘Er moet toch ook geld te verdienen zijn aan inhoud, en niet alleen aan het aanbieden van verbindingen?'”

Op een mooie dag in 1997 kreeg Wilkinson het lumineuze idee om geld te slaan uit de websites van voetbalclubs. Hij richtte Planetfootball op, bezocht alle grote clubs, en bood hen aan om hun websites gratis te beheren. “Ze waren blij dat ze ervan af waren, en ik had de alleenheerschappij over hun sites. Ik kocht een wedkantoor, waardoor ik knowhow over gokken op voetbalwedstrijden in handen kreeg, en legde op de voetbalsites links naar het wedkantoor. De Britten zijn dol op voetbal en wedden. Ik haat wedden. Op mijn zeventiende liet mijn grootmoeder me 2400 euro na. Ik heb het in een jaar vergokt. Die ervaring heeft me voorgoed genezen, en sindsdien heb ik nooit meer gewed. Planetfootball leverde me bakken geld op. Later transformeerde ik het bedrijf tot de Sports Internet Group en verkocht ik de hele handel aan de mediagroep Sky voor 400 miljoen euro.”

Na de verkoop van Planet Online richtte Wilkinson samen met de winkelketen Dixons Freeserve op, de allereerste gratis internetprovider. “Wie een pc bij Dixons kocht, kreeg er Freeserve gratis bovenop. Het was mijn idee om mensen een gratis internetverbinding aan te bieden. Want tien pond per maand voor internet was in die tijd veel geld voor gewone mensen. Door handig gebruik te maken van de toen gangbare telefoontarieven kon ik Freeserve gratis maken. Ik kreeg van Dixons een kleine commissie voor elke minuut die een klant op het Freeservenetwerk surfte. Allemaal samen surften de klanten talloos veel miljoenen minuten. Het hele Freeserve-avontuur heeft me dan ook een flinke stuiver opgeleverd.”

In 2002 ging Wilkinson op zoek naar een prooi buiten het internet, en kocht hij een voetbalploeg. “Een vriend werkte bij Leeds United, en ik had hem beloofd dat we ooit samen een voetbalclub zouden kopen. Toen Hull City in vereffening ging, begon hij me de oren van het hoofd te zeuren: ‘Het is het moment om die club te kopen, alsjeblieft Peter.’ Ik ben uiteindelijk overstag gegaan. We hebben Hull City in drie seizoenen van League Two naar League One tot in de Championship gebracht. Vorig jaar ben ik opnieuw langs de kassa gepasseerd, en heb ik Hull City verkocht voor 15 miljoen euro.”

Flop
Niet alle ondernemingen van Peter Wilkinson groeiden uit tot een succes. In 2001 richtte hij DITG op, een bedrijfje waarmee hij op de kar van interactieve digitale tv wou springen. “Het werd een ramp. De Sky-abonnees hadden op de afstandsbediening van hun tv een rode knop waarmee ze interactief konden gaan, om spelletjes te spelen. Sky is erg groot in het Verenigd Koninkrijk. Ze bereiken bijna 30 miljoen mensen. Met DITG zag ik kans om de Sky-kijkers af te leiden naar mijn wedkantoor. DITG mislukte, want niemand gebruikte de rode knop. Ik heb het bedrijf in 2004 voor een habbekrats verkocht. Ik was blij dat ik er vanaf was.”

Wilkinsons tweede grote flop was zijn investering in The Gadget Shop, een keten van geschenkwinkels. “De stichter Jon Elvidge is een vriend van me, en hij vroeg me om te participeren. Door mijn financiële inbreng groeide de keten pijlsnel van 40 tot 80 winkels. De kerels die de dagelijkse leiding hadden, maakten er een zootje van, waardoor de business naar de haaien dreigde te gaan. Ze hebben moedwillig een aantal kansen op redding laten liggen. Ik heb samen met Jon een van die gasten voor de rechter gedaagd, en geloof het of niet, we hebben onze rechtszaak vorig jaar grandioos verloren. Ik zal nooit begrijpen waarom, maar het heeft geen enkele zin om daarover te blijven piekeren, want het leven gaat door. Ik heb ondertussen voor Jon Elvidge de nieuwe geschenkenwinkelketen RED5 opgestart. Door die rechtszaak is Jon alles kwijt: zijn zaak, zijn geld, zijn huis, maar ook zijn lief en zijn kinderen lieten hem in de steek. Ik zorg nu voor hem.”

Bloody London
Waarom neemt serieel ondernemer Peter Wilkinson telkens weer risico’s? “Als jongen dacht ik dat mijn vader een miljonair was, maar in werkelijkheid is hij dat nooit geweest. Rond mijn negentiende besefte ik dat hij niets had. Mijn vader werkte als een kleine aannemer. Hij was een lieve man, maar leefde in een illusie. Toen ik 22 was, had hij geen werk en geen geld meer. Van dan af moest ik voor hem zorgen. Ik wilde niet eindigen zoals hij. Natuurlijk heb ik veel risico’s genomen. Toen ik in 1983 startte, was alles eigendom van de bank. In het begin kon ik de salarissen niet betalen, want we haalden niet genoeg omzet. Ik liep het risico om alles te verliezen. Maar ik was jong, en een beetje gek. Nu ben ik veel voorzichtiger, en heb ik een diep respect voor geld. Want het is lastig om het te verdienen, en als je niet oppast, raak je het gemakkelijk weer kwijt.”

Peter Wilkinson heeft al zijn ondernemingen altijd geleid vanuit Harrogate in het graafschap Yorkshire. Heeft hij er nooit aan gedacht om zijn hele handel naar Londen, het centrum van de economische en politieke macht, te verhuizen? “Ik haat bloody Londen”, lacht hij schamper. “De mensen uit het Zuiden beschouwen ons als dom. Ze denken dat de Noorderlingen nog de hele dag diep in de mijnen kolen zitten op te graven. Ik ben een diehard Yorkshireman. Ik hou niet van de Londense City. Ik heb InTechnology niet voor niets net van de beurs gehaald. In de City draait alles rond geld, en is moraliteit ver te zoeken. Zoveel mogelijk geld uit geld proberen halen, interesseert me niet. Waarom? Omdat we toch om zeep gaan. We have fucked the world. Ik lig echt wakker van de opwarming van de aarde. Het broeikaseffect is een gevolg van materialisme en kapitalisme. Er is slechts één god over in deze wereld, en die god heet geld.”

Zegt de man van 400 miljoen euro. Peter Wilkinson knikt. “Je hebt gelijk. Maar toch lig ik wakker van de wereldproblemen. De oceanen warmen op, de polen smelten. Hoe zal dat eindigen?”

Is het omwille van de opwarming van de aarde dat Wilkinson zijn verzameling Ferrari’s verkocht heeft? “Nee, omdat ik er te oud voor werd. Ik reed met Ferrari’s rond van mijn 26e tot mijn vijftigste. Toen schaamden mijn zonen zich om erin mee te rijden. ‘We gaan toch weer niet in die lelijke dingen rondkarren, pa?’ Dus heb ik mijn Ferrari’s verkocht. Nu rij ik gewoon in een Mercedes. Een S600. Die rijdt bijna even snel.”

Zelfs in zijn vrije tijd is Wilkinson ondernemer. “Ik bezit een enorm jacht van 50 meter lang; met permanent 14 voltijdse bemanningsleden aan boord. Ik geloof dat je alles uit het leven moet halen wat erin zit, en dat je er ten volle moet van genieten, dus ga ik vijf keer per jaar met de boot varen. Ik lig dan geen week op mijn rug op het dek, maar ik bezoek plaatsen waar niemand heen gaat: Montenegro, of Stromboli. Degenen die de boot huren, gaan meestal twee weken in de haven van Saint Tropez liggen. Ik vraag me af waarom ze al die moeite doen, maar ik ben blij met hun geld. Het jacht huren, kost 210.000 euro per week. Eten en brandstof niet inbegrepen. Ik ben ook nog eigenaar van twee restaurants en heb een landgoed van 6500 hectare, waar 50 mensen werken. Wie op mijn landgoed wil komen jagen, betaalt 20.000 euro per dag. Ik jaag zelf nooit. Ik vind het niet erg om af en toe een mens pijn te doen, maar ik zou nooit een beest kunnen afknallen.”

 

© jan@janstevens.be

%d bloggers liken dit: