Free as a bird (the end?)

Koning Albert heeft het genadeverzoek van de recidiverende pedofiele jeugdschrijver Gie Laenen (65) verworpen. Zijn gevangenisbriefje is dinsdagavond verstuurd. Binnen een paar dagen zal hij zijn straf moeten gaan uitzitten. De slachtoffers reageren opgelucht. Laenen zelf weigert elke commentaar.

 

Tussen 1978 en 2002 randde jeugdauteur en ex-VRT-medewerker Gie Laenen minstens 25 jongens tussen de elf en zestien jaar oud aan. Jongens die interesse hadden in een toneelcarrière, nodigde hij op woensdagnamiddag bij hem thuis uit. Tijdens die sessies verplichtte hij zijn slachtoffers tot seks. Een jaar geleden werd hij door het Hof van Beroep van Brussel definitief veroordeeld tot 4 jaar effectief. Het Brusselse parket-generaal, dat opdracht moest geven tot uitvoering van de straf, liet Laenens eerste oproepingsbrief verloren gaan. Hij profiteerde daarvan om een genadeverzoek in te dienen. Het parket-generaal besloot dan maar om Laenen ongemoeid te laten zolang zijn genadeverzoek liep.

“Dinsdag hebben we vernomen dat Laenens verzoek verworpen is”, zegt advocaat-generaal Jacques De Lentdecker van het parket-generaal. “Ik heb dezelfde avond nog de procedure in gang gezet zodat mijnheer Laenen zijn gevangenisstraf binnenkort kan gaan uitzitten.”

Wanneer is binnenkort? Binnen een paar dagen? De Lentdecker: “Het zal zoiets zijn, ja. Het dossier wordt nu administratief in orde gemaakt en meteen ook uitgevoerd.”

 

Opluchting

“We zijn nog niet op de hoogte gesteld dat het genadeverzoek verworpen is”, reageert Laenens advocaat Ludo Kools. “Ik vind het bizar dat journalisten eerder geïnformeerd worden. U zegt dat mijnheer Laenen binnen een paar dagen zijn straf zal moeten gaan uitzitten, maar ik heb daar geen zicht op. Ik vind het hoogst merkwaardig dat naar aanleiding van de berichtgeving in De Morgen iedereen hier op gesprongen is. Ik heb er alle begrip voor dat deze zaak gevoelig ligt, maar waarom moest dit zo aangepakt worden? Of ik mijnheer Laenen al gesproken heb? Dat is mijn probleem, niet het uwe.”

“De slachtoffers zijn zeer blij met dit nieuws”, zegt hun advocaat Dirk De Maeseneer. “Voor hen is het een grote opluchting dat Laenen na al die jaren eindelijk achter de tralies verdwijnt.”

Gie Laenen werd in de jaren zeventig al eens veroordeeld voor pedofiele feiten. Als recidivist zal hij minstens tweederde van zijn straf moeten uitzitten. Dirk De Maeseneer: “De slachtoffers zullen een flinke vinger in de pap hebben bij het verdere verloop. Want als Laenen een verzoek tot vervroegde invrijheidsstelling indient, worden zij door de strafuitvoeringsrechtbank gehoord.”

“Ik zal het pas echt geloven op het moment dat Laenen effectief in de cel zit”, zegt een van zijn slachtoffers. “Het is onbegrijpelijk dat ze hem zolang vrij hebben laten rondlopen en dat er eerst een artikel in de krant moest verschijnen. Je begint je af te vragen of hij op de een of de andere manier bescherming genoot. Maar nu leef ik op hoop.”

 Gie Laenen zelf wil geen commentaar geven.

©jan@janstevens.be

Fabrieksmeisjes

fabrieksmeisjesDrie jaar lang volgde de Amerikaanse journaliste Leslie Chang twee Chinese fabrieksmeisjes op de voet. “Ik wou niet het zoveelste verhaal van uitbuiting en misbruik brengen, maar een relaas van het échte leven van de migrantenarbeidsters in de snel veranderende Chinese maatschappij.”

 

Wedden dat de Nike-loopschoenen waarop u vanmorgen bent gaan joggen gemaakt zijn door de fabrieksmeisjes van de Yue Yuen-fabriek in de Chinese industriestad Dongguan? En dat uw hypergesofisticeerde draadloze telefoon rechtstreeks geïmporteerd is uit de VTech-fabriek? Donggguan in de Parelrivierdelta in Zuidoost-China geldt als de bakermat van de explosieve en ongecontroleerde Chinese industriële ontwikkeling. In het najaar van 1978 opende de Taiping handtassenfabriek uit Hongkong er een fabriek. Taiping leverde het eerste jaar meteen al een winst op van één miljoen Hongkong dollars, en werd een lichtend voorbeeld voor de duizenden fabrieken die nog zouden volgen.

“Dongguan is de meest afschuwelijke stad die je je kunt voorstellen”, zegt de Amerikaanse journaliste Leslie Chang. “Rij er over een willekeurige weg, en je ziet fabrieken, fabrieken en nog eens fabrieken. Lage, fantasieloze buildings. Dongguan is China op zijn slechtst: lawaaierig, vol afval, met daartussen een wriemelende mensenmassa.”

Leslie Chang was jarenlang correspondente in China voor de Wall Street Journal. Van 2004 tot 2007 bracht ze het grootste deel van haar tijd door in Dongguan. Ze raakte er bevriend met twee fabrieksmeisjes, de tiener Min en de twintiger Chunming, volgde hun doen en laten en schreef hun belevenissen neer in het fascinerende ‘Fabrieksmeisjes’.

“De aanleiding voor mijn boek waren de schokkende verhalen die ik in veel Amerikaanse kranten las over uitbuiting en misbruik van Chinese migrantenarbeiders”, zegt Chang. “Ik wou het echte leven van de fabrieksarbeiders leren kennen, weg van de sensatie. Ik vroeg me af hoe het zou zijn om als jong meisje van het Chinese platteland te verhuizen naar een grote industriestad.”

 

Min & Chunming

Dongguan telt 1,7 miljoen ‘autochtone’ inwoners en 7 miljoen migranten van het platteland, waarvan 70% vrouwen. Leslie Chang: “Ik ontmoette de zestienjarige Min op mijn tweede dag in de stad. Ze had het jaar ervoor haar dorp in de centrale provincie Hubei verlaten. In haar dorp leefden 90 gezinnen die rijst, koolzaad en katoen verbouwden op kleine lapjes grond. Mins familie bezat een vijfde hectare, en de oogst was net voldoende om in hun eigen behoeften te voorzien. De aankomst in Dongguan is voor plattelandsmeisjes zoals Min een traumatische ervaring. Ze kennen er niemand, werken twaalf uur per dag in de fabriek, slapen in een zaal tussen een dozijn vreemdelingen en weten niet wie te vertrouwen is. De eerste weken waren voor Min zeer vervreemdend. Maar net als alle andere meisjes leerde ze snel haar weg te vinden, en ontdekte ze welke fabrieken betere condities boden. Uiteindelijk slaagde ze er zelfs in om op te klimmen tot klerk, de laagste sport op de bediendenladder.”

Was Min onder druk van haar ouders naar de grote stad verhuisd? Chang: “Fabrieksmeisjes worden niet door hun familie uitgezonden. In het dorp van Min is het doodgewoon dat 16-jarigen hun dorp verlaten om te gaan werken in de stad. De meeste migranten behoren tot de intellectuele elite van hun dorp. Ze hebben hun lager middelbaar achter de rug, maar vallen door het Chinese onderwijssysteem af. Scholieren moeten een nationaal examen afleggen om toegelaten te worden tot de bovenbouw van het middelbaar onderwijs. Min zakte voor die test en besloot om haar geluk te gaan beproeven in Dongguan.”

 

Chunming migreerde voor het eerst in de zomer van 1992 van haar dorp in de zuidelijke provincie Hunan naar Guangdong. Ze was pas zeventien en vond werk in een verffabriek. Ze werd er ziek van de chemicaliën en keerde een paar maanden later berooid naar huis terug. Een jaar later waagde ze opnieuw haar kans. “Migratie was toen nog een hachelijke onderneming”, zegt Leslie Chang. “De straten van Dongguan krioelden van de migranten van het platteland op zoek naar werk. Ze sliepen in busstations en onder bruggen. Chunming vond uiteindelijk werk in een speelgoedfabriek. Ze verdiende er 100 yuan (10 euro) per maand. Stap voor stap heeft ze zich ‘opgewerkt’. Chunming wil nooit meer terug naar haar dorp. Ze is getrouwd, heeft een kind. Onlangs hebben ze een tweedehands Buick gekocht. Binnen een paar jaar zullen ze een flat kopen. Als je de fabrieksmeisjes naar hun grote droom vraagt, reageren ze heel ontwijkend. De meesten willen geld sparen om ooit hun eigen zaakje te kunnen beginnen. Ze dromen ervan om met iemand te kunnen trouwen die hen materieel en financieel hoger kan tillen. Chunming stelt zich nu steeds meer vragen: ze beseft dat geld niet alles, en dat er ook nog ‘iets anders’ is. Ze is er nog niet helemaal achter wat dat ‘iets anders’ precies inhoudt. Is het Engels leren? Gezonder gaan leven? Naar het buitenland gaan? Ze is op zoek naar iets wat haar gelukkig kan maken en zin zal geven aan haar leven.”

 

Prostitutie

In Dongguan primeert de wet van de sterkste en wordt de communistische ideologie alleen met de lippen bedreven. Leslie Chang: “Wild kapitalisme regeert. De lokale overheidsmensen zijn vooral geïnteresseerd in ‘business opportunities’. Het gaat er hard aan toe, met corruptie en omkoping. Zolang je in China geen politieke partij opricht, of kritiek uit op de regering, geniet je van een ongebreidelde vrijheid, en kun je doen wat je wil. Niemand zal je erop wijzen dat je niet mag vervuilen, of niet in openbare ruimtes mag roken. Er heerst extreme vrijheid en extreem kapitalisme. Ik bezocht een bordeel om in contact te komen met de lokale ‘businessmen’. De fabrieksbazen stikken in het geld, waardoor Dongguan een van de grootste prostitutiecentra van China is. Ik stelde me de ondernemers voor als slijmerige, achterbakse ritselaars; uiteindelijk bleken ze vrij sympathiek te zijn. Natuurlijk zijn ze corrupt, maar ze zijn ook heel direct en hebben het hart op de tong, in tegenstelling tot veel hoogopgeleide Chinezen. De fabrieksbazen hebben bescheiden achtergronden, hebben zichzelf opgewerkt, en zijn daardoor ook meedogenloos en keihard geworden. Het stereotype wil dat de prostituees allemaal slachtoffers zijn; dat ze onder dwang en tegen hun wil in het wereldje terecht gekomen zijn. Maar dat is niet zo. Hun uitleg was vaak: ‘Mijn vriendin doet dit ook en ze vertelde me dat het een goeie job is.’ Het thuisfront op het platteland weet daar niets van. Ze liegen en maken hun familie wijs dat ze in de fabriek werken, of dat ze aan de receptie zitten in een hotel. De prostituees stammen uit rijkere families dan de fabrieksmeisjes. Ze groeiden niet op een boerderij op, maar in een klein stadje. Daarom ook komen ze in de prostitutie terecht: ze hebben geen zin in een vervelende, slecht betaalde job in een fabriek. Ze willen mooie kleren en een gemakkelijk leven. Ze houden van het geld, maar ze gruwen van hun cliënteel.”

 

Leve de migratie

Volgens officiële cijfers zouden er in China 130 miljoen migrantenarbeiders zijn. “Er wordt vaak een miserabel beeld van de migranten geschetst”, zegt Leslie Chang. “Ten onrechte. Min is typisch voor de Chinese fabrieksmeisjes van haar leeftijd: ze is vrolijk, optimistisch, met veel gevoel voor humor. Ze is nog een kind, maar heel gedreven en erg dapper. Ze aarzelt niet om tegen haar bazen in te gaan. Vroeger maakte de overheid binnenlandse migratie erg moeilijk, maar dat beleid is drastisch veranderd. De regering is er nu van overtuigd dat migratie goed is voor de steden en voor de economie. Ze wordt niet aangemoedigd, maar wel getolereerd. Tussen 1995 en 2000 zijn er in China veel studies over verschenen. Allemaal concludeerden ze dat migratie voor plattelandsmeisjes nieuwe kansen schept. Die studies hebben veel invloed gehad op het beleid. In de jaren negentig ging de overheid ervan uit dat migranten verantwoordelijk waren voor de misdaad in de steden, een stereotiep beeld dat je ook in de VS en in Europa hoort verkondigen. Terwijl migrantenarbeiders in werkelijkheid een beter leven trachten uit te bouwen, sparen en geld opsturen naar huis. De fabrieksmeisjes zijn geen moderne slaven. Ze leiden een hard leven, maar kiezen daar zelf voor. Natuurlijk zijn hun keuzemogelijkheden beperkt, toch gaan ze werken in de stad omdat dat beter is dan het leven op het platteland. De Chinese toppolitici zijn het er nu over eens dat migratie de stabiliteit in de hand werkt, en heel positief is.”

Volgens schattingen zouden in de laatste maanden 20 miljoen migrantenarbeiders hun werk verloren hebben. Chang: “Door de crisis staan heel wat migrantenarbeiders in de kou, maar dat is slechts tijdelijk en verandert niets aan de essentie van het verhaal. Na de Aziatische financiële crisis in 1997 vertraagde de economie een paar jaar. Veel migranten zijn toen voor een tijdje naar huis teruggekeerd tot de economie zich herpakte. De fabrieksmeisjes en -jongens weten hoe ze moeten omgaan met ups en downs. Er zit veel meer veerkracht in het systeem dan outsiders denken. Het dorp is een groot veiligheidsnet. Als de fabriek dichtgaat, keren de arbeiders terug naar huis. Ze hangen daar een paar maanden rond, zien hun vrienden en familie, spelen mahjong en kijken tv. Hoopvol wachtend op betere tijden.”

 

 

 

 

Een werkdag uit het leven van een doorsnee fabrieksmeisje in de Yue Yuen schoenfabriek

 

–          7u: De 56.000 fabrieksmeisjes en 14.000 fabrieksjongens in de slaapzalen staan op, ontbijten in de fabriekskantines en maken zich klaar voor het werk.

–          8u tot 12u: de stikkers, zoolmakers, assembleurs en afwerkers produceren aan de lopende band sportschoenen.

–          12u tot 13u30 uur: lunch in de kantines, gevolgd door een half uur siësta op de slaapzalen.

–          13u30 tot 17u30: werken.

–          17u30 tot 18u30: diner in de kantines.

–          18u30 tot 21u30: werken.

 

In de Yue Yuen schoenfabriek duurt een werkdag maximum 11 uur, met elke zondag vrij. De werknemers slapen met tienen in één kamer met stapelbedden. Een job aan de lopende band levert netto 55 euro per maand op. 80% zijn vrouwen, fabrieksmeisjes tussen 18 en 25.

 

Fabrieksmeisjes, Leslie Chang, Artemis & co, 398 blz., 19,95 euro

 

©jan@janstevens.be

D-Day

D-Day%20inset6 juni 1944. In de vroege ochtend gaan de geallieerden onder luchtdekking aan wal op de stranden van Normandië. D-Day zal het begin markeren van het einde van de Duitse bezetting. De Britse historicus Antony Beevor schreef er hét ultieme boek over. “Niet iedereen zal er even gelukkig mee zijn”, voorspelt hij.

 

Antony Beevor is een van de meest succesvolle Britse geschiedschrijvers over de Tweede Wereldoorlog. Zijn vlot geschreven, uitstekend gedocumenteerde boeken over de slag om Stalingrad en over de verovering van Berlijn werden internationale bestsellers. Ze leverden hem roem, een flink gevulde bankrekening en een dito portie afgunst op.

Eind mei verschijnt D-Day, Beevors vuistdikke verslag van de landing in Normandië. Aanleiding voor een gesprek met de auteur over de ‘Moeder aller Invasies’ en over het geheim van een goed geschreven geschiedenisboek.

 

Pophistoricus

Ik ontmoet Antony Beevor in zijn schitterende 18e-eeuwse landhuis op een boogscheut van Canterbury. “Ik ben in deze streek geboren en getogen”, zegt hij. “Na mijn legertijd heb ik jaren in Londen gewoond. Met de opbrengst van de miljoenenverkoop van mijn boek Stalingrad hebben we een paar jaar geleden dit huis gekocht. Mijn vrienden noemen het ‘Schloss Stalingrad’.”

 

Niet iedereen is even enthousiast over uw succes. Sommigen noemen u een ‘pophistoricus’: ze verwijten u dat uw geschiedenisboeken te vlot en te literair zijn.

BEEVOR: Het probleem met veel historische oorlogsboeken uit de tweede helft van de 20e eeuw is dat ze geschreven zijn vanuit het standpunt van de generaals. Toen ik halverwege de jaren negentig aan Stalingrad werkte, raakte ik er steeds meer van overtuigd dat je geen goede geschiedenis kunt schrijven als je alleen maar rekening houdt met de visie van de officieren. Ik heb Stalingrad op een manier geschreven waarop ik zelf graag geschiedenis lees: met als uitvalsbasis de mens te midden van het gewoel. Het zijn vooral Europese academici die last hebben met mijn manier van schrijven. De Engelsen hebben een traditie van meer literaire, verhalende geschiedschrijving, die start bij het werk van de 18e-eeuwse auteur Edward Gibbon. Ik zat ooit op een congres in Zweden waar ik de stelling verdedigde dat geschiedenis nooit wetenschap kan zijn, maar alleen een tak uit de literatuur. Ik kreeg de hele zaal over me heen. Een vriendelijke oudere Zweedse professor stapte achteraf naar me toe en fluisterde: “Ik ben het helemaal met u eens, mijnheer Beevor, maar u moet voorzichtig zijn. In dit land worden uw uitspraken als ketterij beschouwd.” (lacht)

 

Met de boeken die over D-Day verschenen zijn, kan een hele bibliotheek gevuld worden. U hebt er nu nog een bijgeschreven. Wat maakt dit boek anders dan de andere?

BEEVOR: Er is in het verleden al veel over D-Day gepubliceerd, maar er is er nog nooit een boek verschenen dat het verhaal behandelt van de invasie in Normandië op 6 juni 1944 tot de bevrijding van Parijs op 25 augustus 1944. Daar komt bij dat er de laatste jaren nogal wat nieuw materiaal openbaar geworden is. Er zijn veel dagboeken en brievencollecties van ooggetuigen boven water gekomen. Vlak voor mensen sterven, schenken ze vaak hun papieren aan musea. Zo is het Mémorial de Caen, het grote museum in Caen, de voorbije jaren in het bezit gekomen van een gigantische collectie. Ik reisde er tijdens de voorbereiding van het boek naartoe in de veronderstelling dat ik alles in twee weken ging kunnen verwerken, maar uiteindelijk heb ik een aantal maanden heen en weer gependeld. Dagboeken bevatten altijd het beste materiaal. Veel soldaten verborgen de gruwel die ze meemaakten voor hun families en repten er met geen woord over in de brieven naar huis.

In tegenstelling tot brieven zijn dagboeken altijd waardevolle informatiebronnen. De meeste boeken over D-Day zijn gebaseerd op interviews die lang na de gebeurtenissen afgenomen zijn. De herinneringen van de overlevenden zijn gekleurd door de tijd en gefilterd door alles wat ze naderhand over de Tweede Wereldoorlog gelezen hebben. Mensen schrijven een dagboek niet met het oog op publicatie; ze schrijven het voor zichzelf en omdat ze willen getuigen. De beste dagboeken zijn trouwens geschreven door vrouwen. Zij noteerden werkelijk elk detail. Dagboeken maken het voor een historicus mogelijk om het materiaal te verwerken in de stijl van een roman, zonder dat hij moet fantaseren. Dagboeken staan vol informatie over het weer, de sfeer… Ze hebben het ook over de geruchten. Die zijn erg belangrijk. Teveel academici houden te weinig rekening met geruchten. Als je over een bepaalde periode schrijft, moet je de angst van de mensen kennen en weten welk gerucht ze op dat moment voor feit aanzien.

 

Veel boeken over D-Day hebben het over de inval en de strategie, maar schenken amper aandacht aan het lijden van de burgerbevolking. U doet dat wel.

BEEVOR: Ik probeer de landing in Normandië vanuit ieders standpunt te beschrijven: de geallieerden en de Duitse bezetter, met de Franse burgerbevolking in het midden. Je kunt niet over de strijd in Normandië schrijven zonder oog te hebben voor het lijden van de burgers. Ik was geshockeerd toen ik ontdekte dat er meer Franse burgers gedood zijn door Britse en Amerikaanse bommen, dan dat er Britten gedood zijn door de Luftwaffe. De Britten praten altijd over de grote offers die ze gebracht hebben in Normandië, maar vergeten dat ook de Fransen hun duit in het zakje gedaan hebben. Het wordt algemeen aanvaard – ook door Franse historici – dat de landing in Normandië Frankrijk gered heeft. De inwoners van Normandië waren de martelaars voor de rest van het land.

Vanaf de zomer van 1944 lag de relatie tussen Frankrijk en Amerika erg moeilijk. Dat had te maken met die immense offers van de burgerbevolking. Ze hebben de transatlantische verhoudingen voor jaren verzuurd. De Amerikanen beschouwden een land dat door de vijand bezet was bijna als een vijandig land. Ze vertrouwden de Fransen niet. Na de capitulatie konden de Amerikanen en de Duitsers erg goed met elkaar overweg – vooral omdat de Duitsers met hun hielen tegen elkaar klakten, gehoorzaam “Yes Sir!” riepen, en deden wat hen opgedragen werd. De Amerikanen hoorden die Fransen alleen maar zeuren: ze wilden meer kolen, ze wilden meer geld, meer brandstof… en daarenboven waren de Fransen alleen maar bezig met overwinningsparades tot meerdere eer en glorie van Frankrijk, terwijl het net de geallieerden waren die hen gered hadden. In ’45 hadden Engeland en Frankrijk eigenlijk al hun grandeur verloren. De twee nieuwe supermachten waren Amerika en de Sovjetunie. Het idee dat de Franse politiek door die twee buitenlandse machten bepaald zou worden, was heel moeilijk voor de Fransen om te aanvaarden. Geen enkel land houdt trouwens van zijn bevrijder.

 

Het boterde niet tussen de Fransen en de Amerikanen, maar ook tussen de Amerikanen en de Britten was de liefde niet altijd even groot?

BEEVOR: Op strategisch vlak was er zeker een groot wantrouwen tussen de geallieerden. De Amerikanen wantrouwden de Britten omdat ze ervan overtuigd waren dat Groot-Brittannië eerst en vooral zijn politieke invloed in Europa wilde behouden. De Amerikanen propageerden zichzelf als anti-imperialisten; gemakshalve vergaten ze hun bemoeienis met de Filippijnen en met andere landen. De Britten wantrouwden de Amerikanen niet echt, maar waren wel bang dat de Amerikanen na Pearl Harbor vooral geïnteresseerd waren in het oosten, en dat ze de oorlog in Europa zo snel mogelijk wilden afhaspelen. En dan was er Stalin. Na de verschrikkelijke schok van de Duitse invasie in 1941 was Stalin vastbesloten om via satellietstaten een zo groot mogelijk cordon sanitaire aan te leggen, opdat de Sovjetunie nooit nog het slachtoffer zou worden van een verrassingsaanval. Hij was oorspronkelijk niet van plan om heel Europa te gaan inpalmen. Maar Stalin was net als een rijke vrek die steeds meer geld wil. Stel dat D-Day een mislukking geworden was, dan was Stalin misschien wel veel verder Europa binnengedrongen, en had het beeld van Europa na WO II er totaal anders uitgezien.

 

Massale slachtpartij

De landing vond plaats op 6 juni 1944, maar eigenlijk wilden de geallieerden al veel eerder Normandië binnenvallen.

BEEVOR: De invasie was eerst gepland voor begin mei. Maar de geallieerden hadden niet genoeg landingsmateriaal en moesten de hele operatie uitstellen tot 5 juni. Die dag was het slecht weer en werd de invasie opnieuw uitgesteld tot ’s anderendaags. Het is een mirakel dat ze die 6e juni de oversteek over het Kanaal konden wagen. Ze profiteerden van een lichte, tijdelijke verbetering van het weer. De Duitsers hadden die weersverbetering niet zien aankomen, en hadden de inval niet op die dag verwacht. Daarom ook konden de geallieerde mijnenvegers hun job doen zonder dat er onder hen slachtoffers vielen. De Britse admiraal Bertram Ramsay had op voorhand laten berekenen hoeveel slachtoffers er gingen vallen. Zijn schatting was 10.000 op de eerste dag. Op het einde van die 6e juni waren het er 4.400, dus viel dat wat hem betrof nog goed mee. Er waren meer Franse burgers gestorven dan Amerikanen op Omaha en Utah Beach.

De Duitsers slaagden er op D-Day niet in om op tijd versterkingen aan te voeren, en Hitler weigerde tot laat in de namiddag om zijn pantserdivisies te verplaatsen. Dat betaalde hij de volgende dag cash: veel tanks werden op weg naar het front de lucht in geblazen door de geallieerde luchtmacht. De Führer weigerde te luisteren naar zijn generaals Von Rundstedt en Rommel. Op neonaziwebsites kun je de legende lezen van de Dolchstoss, het ‘mes in de rug’. Neonazi’s argumenteren dat Hitler de 6e juni ’s morgens vroeg klaarwakker was. Dat is niet waar – de getuigenissen van Albert Speer en anderen op de Berghof spreken dat tegen. Niemand durfde het aan om Hitler wakker te maken, zonder dat ze de precieze details over de invasie hadden. De neonaziwebsites beweren dat generaal Hans Speidel de pantserdivisies in de verkeerde richting liet rijden. Speidel zou een maand later een sleutelfiguur worden in het complot om Hitler uit de weg te ruimen. Het verlies van de Duitsers wordt door neonazi’s verklaard als een gevolg van verraad. Wat nonsens is. De Führer was gewoon niet op tijd uit zijn bed, en nam domweg de verkeerde beslissingen.

De invasie werd aan geallieerde kant geleid door officieren met een enorm gebrek aan verbeelding. Vlak voor ze aan land gingen, zeiden ze tegen hun soldaten: “Kijk naar de man links van je, kijk naar de man rechts van je. Een van jullie drie zal dit niet overleven.” Eigenlijk vertelden ze hun manschappen dat 30% van hun divisie in mootjes gehakt zou worden. Wat me niet direct de beste manier lijkt om het moraal van je mannen op te krikken als je ten strijde trekt.

 

Maar ze kwamen natuurlijk wel terecht in een massale slachtpartij.

BEEVOR: Zeker. De slag in Normandië was een wredere oorlog dan mensen nu geloven. Je hoort vaak beweren dat Normandië minder erg was dan het Oostfront. Dat is niet waar. Normandië was veel erger dan het Oostfront. Het aantal gesneuvelden per Duitse en per geallieerde divisie lag in Normandië twee keer zo hoog als aan het Oostfront. In totaal sneuvelden er aan beide kanten meer dan 425.000 soldaten. Het aantal burgerslachtoffers wordt geschat op 20.000. De slag in Normandië werd beheerst door een vicieuze cirkel van wraak. De SS-divisies schoten hun gevangenen dood. Dat leidde aan de andere kant evenzeer tot het executeren van gevangenen. De Amerikaanse paratroopers en tanktroepen namen zeer weinig Duitsers gevangen. Vaak maakten ze hun gevangenen om praktische redenen af, omdat ze niet genoeg manschappen hadden om hen te bewaken. De Franse burgers waren geschokt toen ze dat zagen gebeuren. Het doden van gevangenen was veel meer verspreid dan iemand zich nu durft voorstellen. Daarnaast zijn ook ontzettend veel mensen gedood door ‘friendly fire’. De Russische invasie in Berlijn was de enige operatie uit de Tweede Wereldoorlog met nog meer ‘collatoral damage’. De Britten hadden een tekort aan manschappen. Alles wat de levens van kostbare soldaten kon sparen, was welkom voor de Britse generaal Bernard Montgomery. Hij omarmde het idee dat de Duitsers konden verslagen worden met gerichte bombardementen. Maar die verliepen allesbehalve gericht, en eigenlijk had de Britse generale staf dat op voorhand kunnen weten. Veel missers waren een gevolg van de rivaliteit tussen de Britse luchtmacht en de landmacht. De Royal Air Force (RAF) voelde zich niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk verheven boven de rest en claimde altijd veel meer successen dan ze in werkelijkheid behaalde. Twintig procent van de bommen die de RAF dropte, kwamen op huizen van onschuldige burgers terecht.

Sommige dingen die ik schrijf zullen me niet populairder maken. De zoon van Bernard Montgomery is zeer ongelukkig met dit boek. Generaal Montgomery nam soms goeie beslissingen, maar zat er vaak ook totaal naast. Zeker in zijn relaties met de Amerikanen. Hij was gewoon niet eerlijk over de stand van zaken op het terrein. Hij was te ijdel om zijn mislukkingen toe te geven. Dat zorgde voor ontzettend veel wrevel bij de Amerikaanse generaal Eisenhower.

 

D-Day zelf was een meevaller voor de geallieerden, maar daarna begon de ellende pas goed?

BEEVOR: De echte gruwel begon na 6 juni, toen de geallieerden de Bocage, het typische Normandische landschap van hagen en aarden wallen, binnentrokken. De Duitse soldaten waren briljant in camouflage, en ze hadden in Rusland alle vuile trucs geleerd om zich te verdedigen. Duitse sluipschutters bonden zich boven in de bomen vast, en schoten naar iedereen die in hun vizier kwam.

De Britse en Amerikaanse soldaten leden enorm onder oorlogsstress – meer dan 30.000 soldaten hadden psychologische problemen. Een soldaat die er onderdoor gaat, kun je met rust en therapie nog oplappen, maar als hij een tweede keer flipt, is hij rijp voor de psychiatrie. De Duitsers daarentegen kraakten niet. De Amerikaanse en Britse psychiaters begrepen niet hoe het kon dat slechts zo weinig gevangen Duitsers last hadden van gevechtsmoeheid, terwijl ze toch zoveel meer artillerievuur en bombardementen te verwerken hadden gekregen. Voor het Duitse leger bestond gevechtsmoeheid gewoon niet. Ze noemden dat lafheid. Je werd neergeschoten als je met dat soort van klachten op de proppen kwam.

 

Waarom was de landing in Normandië geen jaren eerder gepland?

BEEVOR: De Amerikanen beloofden Stalin in 1942 al een invasie over het Kanaal. Maar dat was waanzin: ze beschikten niet over het benodigde landingsmateriaal en hadden geen enkele strategie. De Britten wisten dat en hielden de boot af. De Amerikanen leerden wel erg snel – veel sneller dan de Britten. In Noord-Afrika was de slag bij Kasserine een ramp geweest voor het Amerikaanse leger. Hun onervaren soldaten gingen er op de loop. De Amerikaanse generale staf leerde daaruit dat de ‘groene soldaten’ eerst ontgroend moesten worden, dat er bloed aan hun handen moest kleven voor ze aan het ‘serieuzere werk’ konden beginnen.

De Britten kregen in de loop van de oorlog heel wat nederlagen te verwerken. Montgomery had gelijk om eerst in Noord-Afrika alles op alles te zetten en de slag bij El Alamein te winnen. De Britten konden zich psychologisch niet nog eens een nederlaag veroorloven. Dat gold zeker voor de invasie in Normandië. Want als die in ’42 of in ’43 mislukt was, hadden de Duitsers de geallieerden verpletterd. 6 juni 1944 was dus echt wel het juiste moment.

 

 

Wie is Antony Beevor?

-Antony Beevor, °1946, gehuwd, drie kinderen

-Hij studeerde militaire geschiedenis aan de prestigieuze Koninklijke Militaire Academie Sandhurst. Hij diende vijf jaar als officier in het leger. Hij schreef zijn eerste roman uit verveling. Beevor: “Mijn legercarrière is een belangrijke bron voor mijn boeken. Ik heb in tanks gezeten en ken het claustrofobische gevoel. Wij moesten onze behoefte doen in plastic zakken. De Amerikanen gebruikten tijdens de invasie hun helmen. Een dokter schreef: ‘Ze kookten erin en ze kakten erin.’ Laat ons hopen dat ze ze tussen twee gangen door ook uitwasten.”

-Beevor schreef vier romans en acht non-fictiewerken.

-Stalingrad (1998) betekende zijn grote doorbraak. Hij won er de Samuel Johnson Prize mee.

 

D-Day, Antony Beevor, Ambo, 496 BLZ., 29,95 euro

 

©jan@janstevens.be

Mobbing

In haar roman Als jij goud zegt, is het goud tekent de Duitse schrijfster Annette Pehnt een haarscherp portret van een man die door zijn collega’s en zijn chef op subtiele wijze weggepest wordt. Pehnt weet waarover ze schrijft: “Mijn man heeft net hetzelfde meegemaakt.”

 

Een zomerse voorjaarsdag in Freiburg im Breisgau, een gezapig universiteitsstadje aan de voet van het Zwarte Woud. In de kraaknette straten wandelen en fietsen shiny happy people. Ik heb een afspraak met schrijfster Annette Pehnt in het Theatercafé, vlak naast de schouwburg. Ze is met de fiets. “Iedereen fietst hier”, zegt ze. Freiburg etaleert zich als een ecologische stad. Een paar jaar geleden zorgden de inwoners zelfs voor een primeur: ze kozen de allereerste groene burgemeester van een Duitse grootstad. Annette Pehnt woont zelf in een ecologische wijk. “Onze huizen halen hun elektriciteit uit zonne-energie en auto’s zijn er taboe.” De Freiburgers koketteren graag met hun groene imago. Pehnt: “Het is hier allesbehalve typisch Duits. Mijn stadsgenoten zitten er warmpjes in. Ze hebben het geld om ecologisch verantwoord te leven, om hun eten te kopen in dure biowinkels. De Freiburgers vinden dat heel Duitsland moet leven zoals zij, maar ze vergeten dat de meeste Duitsers zich dat niet kunnen permitteren. We voelen ons een beetje beter dan de rest. We leven in de illusie dat we ‘forever young’ zijn, met onze blitse fietsen en onze onbespoten groenten.”

Maar achter de witgekalkte Freiburgse gevels borrelt en gist het, net als overal elders. In haar beklijvende roman Als jij goud zegt, is het goud schetst Annette Pehnt het verhaal van een Freiburgs modelgezinnetje dat langzaam maar zeker naar de haaien gaat. Jo is gelukkig getrouwd en heeft twee kinderen. Hij werkt al jaren bij een overheidsdienst; zijn vrouw is thuisgebleven omwille van de kinderen. Jo vindt zichzelf goed in zijn werk, en is ervan overtuigd dat zijn collega’s hem waarderen. Maar op het moment dat er een nieuwe, vrouwelijke chef aangesteld wordt, kantelt de sfeer. Er wordt over hem geroddeld en hij wordt op een venijnige manier gepest en tegengewerkt. Vier jaar lang. Tot hij op staande voet ontslagen wordt. “Onterecht”, zegt hij zelf. Zijn vrouw gelooft hem. Ze moet wel – ze vindt dat ze geen andere keuze heeft. Het ontslag zorgt even voor opluchting in Jo’s gezin. Maar het duurt niet lang of de spanning is terug om te snijden. Zwaar gefrustreerd gaat Jo op zoek naar eerherstel, terwijl zijn vrouw zich zorgen maakt over de toekomst.

 

Annette Pehnt weet waarover ze schrijft. Haar man werkte jarenlang bij een openbare dienst in Freiburg. Tot er een nieuwe baas kwam die hem liever kwijt dan rijk was en er een verdoken spel begon van verdachtmakingen en pesterijen. Collega’s die ooit vrienden waren, speelden dat spel maar al te gretig mee. Pehnts man werd gemobd: hij werd vernederd, uitgesloten en uiteindelijk ook ontslagen. Nu is hij huisman en zorgt hij voor de kinderen.

“Normaal gezien schrijf ik geen autobiografische romans”, zegt ze. “Ik schrijf liefst over identiteit en over hoe persoonlijkheden ineen zitten. Maar de mobbingervaring van mijn man paste daar wonderwel in. Het was zo afschuwelijk en interessant tezelfdertijd, dat ik dit materiaal gewoon niet kon laten liggen. Ik heb met mijn eigen ogen gezien hoe pesten een mens totaal kan desoriënteren. Ik heb het boek geschreven toen mijn man middenin zijn ontslagprocedure zat.”

Als jij goud zegt, is het goud verscheen in Duitsland onder de titel Mobbing in de herfst van 2007. De roman raakte bij veel lezers een gevoelige snaar, en Annette Pehnt ontving talloze uitnodigingen om lezingen over mobbing te geven. “Sinds de publicatie ben ik op een eindeloze lezingentournee geweest, waardoor het schrijven in de verdrukking geraakt is. Dit boek heeft ongelooflijk veel mensen aangesproken. Mobbing, het subtiel en systematisch vernederen van iemand, is blijkbaar alomtegenwoordig. Ik was me er eerlijk gezegd niet van bewust dat zoveel mensen die afschuwelijke ervaring meegemaakt hebben.”

 

Het was niet uw voornaamste bedoeling om een aanklacht te schrijven tegen mobbing in de samenleving?

“Ik wou in de eerste plaats het verhaal van Jo en zijn vrouw schrijven. Maar in mijn achterhoofd zat wel de gedachte dat hun verhaal relevant is voor wat er in de samenleving gebeurt. Ik vertrek als schrijver altijd vanuit een kleine microkosmos en ik zie dan wel waarheen die me leidt. Ik heb geen boodschap. Ik heb het thema pesten gebruikt om mezelf te definiëren: wie ben ik en wat gebeurt er als ik alles verlies waaraan ik gehecht ben? Wat blijft er dan nog over? Of wat blijft er niet over? En wat heeft dat voor invloed op mijn relaties met anderen?”

 

Er zit dus veel Annette Pehnt in deze roman?

“Het materiaal komt misschien wel van bij mij aan de keukentafel, toch ben ik niet Jo’s vrouw uit wiens perspectief het boek geschreven is. Het gezin uit de roman is anders georganiseerd dan het onze. In tegenstelling tot de vertelster, werk ik wel. Ik haat de denkbeelden die zij heeft over veiligheid en financiële zekerheid. Ze denkt: ‘Ik zit hier thuis. Mijn man moet voor het geld zorgen, zoals hij altijd al gedaan heeft.’ Zo zit ik niet ineen. Veel thuiswerkende vrouwen wel. Ze zijn totaal van de kaart als er een kink in de kabel komt. ‘We hebben het recht om voor gezorgd te worden. Wat gebeurt er toch? Waarom is het leven zo onredelijk?’ Het leven is noch redelijk, noch onredelijk. Het gaat gewoon voorbij. De wereld van mijn vrouwelijke hoofdpersonage stort helemaal in. Dat zou mij niet overkomen.”

 

Tijdens het lezen heb ik me vaak afgevraagd: hoe betrouwbaar is Jo in wat hij zijn vrouw vertelt over wat er op het werk gebeurt? Misschien hebben zijn collega’s wel gelijk en is hij een ramp om mee samen te werken?

“Dat is een terechte vraag. Misschien is Jo wel paranoïde. Een lezer kan niet anders dan de versie van zijn vrouw volgen, en zij volgt Jo in alles wat hij haar vertelt. Daardoor krijg je natuurlijk nooit vat op ‘de waarheid’; je raakt nooit tot de kern van de zaak. Dat is een bewuste keuze van mij als schrijfster, omdat ik denk dat er geen kern van de zaak is. Alles is mistig, je ziet op geen enkel moment wat er echt aan de hand is. Misschien was Jo wel ziek in zijn hoofd, of verbeeldde hij zich het gepest alleen maar. Misschien hadden zijn collega’s gelijk. Zijn vrouw weet het niet, en wij ook niet. Ik als auteur niet, en jij als lezer ook niet. (lacht) Dat effect wilde ik bereiken: dat je als lezer net als mijn hoofdpersonages compleet gedesoriënteerd raakt.”

 

De werkomgeving die u koos voor Als jij goud zegt, is het goud is bijna ‘ouderwets’ te noemen: een ‘veilige’ bureaucratische overheidsdienst waar in normale omstandigheden niemand aan de deur gezet wordt. Maakt mobbing daar meer kans?

“In een bedrijf in een vrije, concurrentiële marktomgeving zou dit verhaal zeker niet zo’n proporties aangenomen hebben: Jo zou er al veel eerder aan de deur gezet zijn. In ‘veilige’ overheidsdiensten zit iedereen aan zijn job vastgeklonken voor een carrière van veertig jaar. Intriges blijven er jarenlang borrelen en broeien. Op mijn lezingen vertellen mensen me zeer gelijklopende verhalen. Heel bizar. Vaak voel ik me dan een psycholoog of een priester die de biecht afneemt. In het boek beschrijf ik een scène op een speelplein waar kinderen een ander kind niet willen laten meespelen. Dat is zo archetypisch: hoe een groep zijn identiteit bepaalt door iemand tot zwart schaap te bombarderen en uit te sluiten. Dat verschijnsel is niet nieuw, alleen hebben we er nu het modieuze woord ‘mobbing’ voor verzonnen. De ervaring is zo oud als de mensheid. Er is nooit een goede reden voor mobbing. Jo wil geen outsider zijn. Hij wil zijn werk gewoon goed doen, misschien wel te goed. Er is geen duidelijke, aanwijsbare reden waarom het pesten begint. We gaan altijd op zoek naar verklaringen, we zijn het gewoon om op zoek te gaan naar oorzaak en gevolg. Wat mobbing zo interessant maakt, is dat er geen oorzaak is. Er zijn geen psychologische verklaringen voor. Mobben kan beginnen omdat de pestkop niet op je gezicht kan, of omdat hij je neus belachelijk vindt. In het begin denk je dan: ‘Ik zal wel iets verkeerd gedaan hebben, dus zal ik proberen om mijn gedrag aan te passen. Dan zal het wel weer beter gaan.’ Maar dat is een illusie. Je mag om het even wat ondernemen, het zal altijd verkeerd zijn. De pestkoppen willen gewoon niet dat je er bent – om wat voor reden ook. In mobbingsituaties vallen alle morele grenzen weg en wordt werkelijk alles mogelijk.”

 

De nieuwe chef waarmee Jo problemen krijgt, is een vrouw. Ze is een ongelooflijke bitch.

“Je mag haar van mij gerust een klootzak noemen. (lacht) Tegenwoordig zijn het niet alleen mannelijke bazen die zich als psychopathische ellendelingen gedragen. Ook vrouwen doen hun duit in het zakje. Ik heb voor een vrouw gekozen omdat mijn man af te rekenen had met een vrouwelijke chef. Ik denk dat het voor een man vernederender is om gepest te worden door een vrouwelijke baas dan door een mannelijke. Ik vond het belangrijk dat ze in het boek nooit in levende lijve naar voor komt. Op het moment dat de vertelster naar de chef toe stapt om haar ‘de waarheid’ in het gezicht te slingeren, is ze er ‘toevallig’ niet.”

 

Waarom is de chef nooit te bereiken? Omdat ze te laf is?

“Omdat ze zo machtig is dat ze het zich kan permitteren om zich niet te laten zien. Want de echt machtigen, de top van de hiërarchie, krijg je nooit te zien. De collega’s van Jo – A. en T. – zijn de echte lafaards. Zij staan voor de laffe rotzakken die je op elk werk vindt. De dames en heren die overal hun eigen voordeeltje uit trachten te halen. Ik heb ze bewust geen naam gegeven. Die hadden ze niet nodig. Iedereen kent wel een paar eikels zoals zij.”

 

A. en T. zijn de opportunisten.

“Degenen die hun vlag naar de wind zetten, ja. Ze zijn laag-bij-de-gronds en gemeen: ze verspreiden geruchten en hebben de sterkste wapens in handen om iemand kapot te maken. De bazin haar voornaamste wapen is haar macht en haar positie aan de top, maar deze rotzakken kennen subtielere manieren om Jo om zeep te helpen. Ze praten achter zijn rug en ondernemen kleine kwaadaardige acties. Ze pikken werk van hem in, zwijgen als vermoord als hij het kantoor binnenkomt, terwijl hij weet en voelt dat ze het over hem hadden… A. en T. zijn zo bedreven in kleine, wreedaardige dingetjes die een mens helemaal kunnen kraken. Die hebben meer effect dan de idiote regels van een bazin. Daar kun je nog kwaad over worden, maar die kleine dingen zijn zo subtiel dat je jezelf er niet tegen kunt verdedigen.”

 

Vindt Jo zijn werk niet te belangrijk? Waarom wil hij zijn job per se houden? Kan hij zijn energie niet beter investeren in een nieuwe baan?

“Stel je voor dat jij geen journalist meer kon zijn. Wat zou er dan nog overblijven van je persoonlijkheid? Werk is intens verbonden met wie we zijn. Karl Marx wist het al: werk is een expressie van onszelf. Het is naïef om ons werk los te zien van onszelf, en om te geloven dat we alleen maar onszelf kunnen zijn in onze vrije tijd. Als ze mij zouden verbieden om nog te schrijven, zou ik niet meer weten wie ik ben. Ik zou een moeder zijn en een vrouw, maar veel van mezelf zou weggenomen zijn.”

 

De vertelster in het boek heeft haar werk opgegeven voor haar gezin.

“In Freiburg is dat nog steeds de gewoonte. Als de kinderen klein zijn, kiest een van de partners ervoor om te stoppen met werken, meestal de vrouw. Ach, misschien heb je wel gelijk en is het niet verstandig om je in je leven te sterk met een aspect te vereenzelvigen. Jo definieert zichzelf helemaal door zijn werk, en zij definieert zichzelf helemaal door haar gezin. Dat is natuurlijk niet gezond. Als Jo nog andere interesses had gehad of zij een job, was de hele boel waarschijnlijk niet in elkaar gestuikt.”

 

Er is geen interactie tussen Jo en zijn vrouw. De schaarse momenten waarop die interactie er wel is, krijgen ze ruzie.

“Ze voeren een oorlog. Hetzelfde soort oorlog voert Jo ook buiten zijn gezin. Hij zet zijn hoogstpersoonlijke oorlog tegen de chef en zijn collega’s verder in zijn gezin. Dat is ook normaal: moeilijkheden met je werk neem je altijd mee naar huis. Alle aspecten van eenieders leven versmelten tot een geheel: je kunt daarin geen schotten optrekken en je gezin beschouwen als een veilige thuishaven waarin alles perfect verloopt. Jo verwacht dat zijn vrouw hem zal opvangen en beschermen, en dat de slechte wereld buiten de veilige familiecocon blijft. Haar rol is erg moeilijk in heel dit proces. Op de een of andere manier is zij ook een slachtoffer. Hij is een vechter, en misschien een slachtoffer, maar zij ook.”

 

Ze gaan niet in therapie. Het woord ‘therapie’ valt nochtans veel.

“Ze gaan niet in therapie omdat ze allebei strijders zijn – zeker Jo. Als je jezelf als een strijder ziet, ga je niet in therapie. Natuurlijk had hij het beter wel gedaan, maar hij wil niet inbinden. Hij is een soort van vrijheidsstrijder, hij vecht voor rechtvaardigheid. Hij wil niet in therapie, hij wil winnen! Hij wil dat ‘de waarheid’ zegeviert. Wat hem niet lukt. Als je in therapie gaat, geef je toe dat je zwak bent en dat je hulp nodig hebt. Zo zit hij niet ineen.”

 

Vriendin Katrin zegt op het einde van het boek tegen de vertelster: “Je bent alleen gefixeerd op je eigen problemen en je ziet die van mij niet.” Hebt u dezelfde ervaring met uw vrienden gehad?

“Katrin is niet te vertrouwen en zit vol zelfbeklag. Dat is typisch voor de manier waarop mensen reageren rond een koppel in crisis. Ze willen wel voor een tijdje helpen, maar het mag niet te lang duren, want dan gaat het op hun zenuwen werken. Dan krijg je opmerkingen als: ‘Herpak je’, of: ‘Neem een nieuwe start.’ Die helpen je geen centimeter vooruit. Integendeel, ze vervreemden je van de mensen rond je.”

“Bij ons duurde het pesten vijf jaar. Dat is lang. Na een jaar worden kennissen en oppervlakkige vrienden dat verhaal moe. Ze willen graag eens over iets anders praten, maar weten niet meteen wat. Ze begonnen ons te mijden om het toch maar weer niet over hetzelfde te moeten hebben. Al was het bij ons niet zo erg als in het boek.”

“Mobbing heeft een serieuze invloed op de relaties van mensen. Dat maakt het voor mij als schrijfster tot fantastisch materiaal. De interactie tussen mensen vind ik een goudmijn, maar dan zonder de psychologische flauwekul die iedereen er te pas en te onpas omheen weeft. Als mensen over zichzelf praten doen ze dat altijd met een beladen psychologische woordenschat. In een ‘Sigmund-Freud-voor-dummies’-stijl hebben ze het over hun relaties met anderen, hun kindertijd, hun relatie met hun moeder…. In elke talkshow op tv zie je die damesbladenpsychologie opduiken. Ik ben geïnteresseerd in relaties, maar dan zonder die woordenschat, en zonder teveel uitleg en verklaringen. Ik hou afstand van de karakters in mijn boeken. Ik wil het bijzondere, het vreemde in elke mens bewaren. Psychologie doet juist het tegengestelde, en dringt binnen in de geesten van mensen. Ik geloof niet dat ik anderen als een open boek kan lezen. Er zijn teveel bladzijden die ik nooit zal ontdekken; ik doe er zelfs geen moeite voor.”

 

Ook niet om de verborgen bladzijden van uw eigen man te lezen?

“Die zeker niet. Hoe beter je je man denkt te kennen, hoe verrassender al die vreemde aspecten zijn die je nooit in hem had vermoed. Dat wordt heel duidelijk in een crisissituatie. Wat je dan bij je partner ziet, is soms beangstigend. Ik vind het fascinerend om door anderen verrast te worden. Dat is misschien wel de belangrijkste reden waarom ik schrijf. Maar ik wil niet alles van de menselijke geest tot op het bot uitspitten. Laat het mysterie alsjeblief nog een beetje bestaan.”

 

 

 

 

Wie is Annette Pehnt?

 

– Annette Pehnt (°1967) studeerde anglistiek en keltologie.

– Pehnts ster fonkelt steeds harder aan het Duitse literaire firmament. Haar uitgebeende stijl is haar handelsmerk. “Schrappen is belangrijk. Ik werk erg hard aan het inkorten, het condenseren van mijn teksten. Ik probeer geen woorden te verspillen. Er wordt in de dagelijkse communicatie tussen mensen al genoeg geleuterd en lawaai gemaakt.”

– Kafka is haar grote voorbeeld. “Ik zal nooit zo goed als hem kunnen schrijven. Maar ik heb wel dezelfde attitude tegenover taal: focus op je beeld en schrap al het overbodige.”

– Ze debuteerde met een biografie van John Steinbeck. “Dat was alleen maar voor het geld. Hij schreef 35 romans. Ik heb ze allemaal moeten lezen. De meeste zijn verschrikkelijk. Hij maakte voortdurend ruzie met zijn vrouwen, hij trouwde de ene na de andere. Ik haatte hem.”

 

©jan@janstevens.be

Free as a bird (bis)

Het zal nog een tijdje duren vooraleer de pedofiele jeugdschrijver Gie Laenen zijn celstraf zal moeten gaan uitzitten. “Ik ben niet van plan om hem naar aanleiding van uw berichtgeving te laten oppakken”, zegt advocaat-generaal Bob Ruys van het Brusselse Hof van Beroep. “Dat zou een beetje belachelijk zijn.”

 

Op 30 juni 2008 werd de recidiverende pedofiel Gie Laenen door het Hof van Beroep van Brussel definitief veroordeeld tot 4 jaar effectief. Advocaat-generaal Bob Ruys liet hem toen vrijuit gaan. “Laenen had alle zittingen bijgewoond, waardoor ik niet de indruk had dat hij op de vlucht zou slaan.” Ruys maakte vlak na het proces wel een gevangenisbriefje klaar om Laenen te laten oppakken.”Dat document is verloren gegaan. Wat er precies fout is gelopen, moet ik nog laten uitzoeken. In augustus diende Laenen een genadeverzoek in. Zijn dossier ligt nu op de Dienst Genade in afwachting van behandeling. Bij een genadeverzoek wacht ik meestal met de uitvoering van de straf. Want het is altijd mogelijk dat door het verzoek een effectieve gevangenisstraf omgezet wordt in effectief met uitstel.”

Ook bij Laenen? “Ik heb zelf negatief voor Laenens genadeverzoek geadviseerd. Het zou me verwonderen dat de koning daar tegenin zou gaan. Ik ga ervan uit dat het verzoek verworpen wordt en dan verstuur ik onmiddellijk Laenens oproepingsbrief.”

Bij effectieve straffen van vier jaar worden de meeste veroordeelden die een genadeverzoek indienen opgesloten vooraleer er een beslissing is. Zo vloog Michel Nihoul in 2004 de gevangenis in om zijn straf van vijf jaar voor drugshandel uit te zitten, terwijl zijn genadeverzoek nog liep. Waarom gebeurt niet hetzelfde met een recidiverende pedofiel? “De straf zal sowieso uitgevoerd worden, eenmaal Laenens genadeverzoek verworpen is. Dit is gewoon uitstel van executie. Door de berichtgeving in De Morgen zal dat verzoek nu misschien bovenaan de stapel gelegd worden. Ik vind dat goed, en heb daar trouwens al voor gebeld. De Dienst Genade liet me weten dat het dossier in afwachting lag om behandeld te worden. Ik ben nu van plan om hen binnenkort nog eens achter hun veren te zitten. Eerlijk gezegd had ik iets sneller dan vandaag hun beslissing verwacht. Ik heb gelezen dat Laenen zelf vragende partij is om vlug de cel in te gaan. Dan had hij natuurlijk consequent moeten zijn en geen genadeverzoek moeten indienen.”

Kan Ruys hem dan nu niet laten oppakken? “Dat zou een beetje belachelijk zijn. (lacht) Van zodra de Dienst Genade haar werk gedaan heeft, krijgt hij zijn gevangenisbriefje.”

 

©jan@janstevens.be

%d bloggers liken dit: