Gen voor geluk

Stel dat geluk een kwestie is van genetica. Stel dat er iemand op aarde rondloopt wiens gen voor geluk optimaal ontwikkeld is. Stel dat een wetenschapper erin slaagt om aan de hand van zijn of haar DNA de ultieme gelukspil te ontwikkelen. Zou u die pil dan slikken? Auteur Richard Powers denkt van niet: “We zijn niet in de eerste plaats op zoek naar geluk, wel naar zingeving.”

In zijn briljante roman Een gen voor geluk duikt de Amerikaanse auteur Richard Powers (52) diep in onze genenpoel. Hij vraagt zich af wat er zal gebeuren als er ooit een wetenschapper opstaat die beweert dat hij de genetische basis voor geluk ontsluierd heeft. In schitterend proza stelt Powers pertinente vragen over onze verwachtingen en over de rol van wetenschappers in onze queeste naar geluk. In Een gen voor geluk gaat Powers ook op zoek naar de zin of onzin van het schrijverschap. En passant geeft hij bikkelharde kritiek op de ranzige manier waarop al dan niet anonieme bloggers de persoonlijke levenssfeer van individuen op het net te grabbel gooien. “We zijn op een punt aanbeland waarop het persoonlijke en het publieke totaal in de war geraakt zijn. Het lijkt steeds meer alsof privacy een anachronisme geworden is.”

Miss Generosity

In Een gen voor geluk vertelt Richard Powers het verhaal van de tweeëndertigjarige mislukte schrijver Russell Stone. Stone werkt als eindredacteur voor een ‘zelfhulptijdschrift’ waarvan alle teksten geleverd worden door de abonnees. Toen hij pas als master in de kunst afgestudeerd was, leek het even alsof hij een succesvol schrijver zou worden. In een paar weken tijd slaagde hij erin om drie essays over bestaande mensen aan evenveel gerenommeerde tijdschriften te verkopen. Maar nadat zijn hoofdpersonages zich tegen hem keerden en een van hen zelfs een mislukte zelfmoordpoging ondernam, kreeg hij geen beklijvende zin meer op papier.

Op een dag krijgt Russell Stone het aanbod om tijdelijk aan de universiteit van Chicago een avondcursus ‘creatieve non-fictie’ te doceren. In die cursus maakt hij kennis met de jonge Algerijnse vluchtelinge Thassa Amzwar. Ondanks alle gruwelen die ze in haar geboorteland meegemaakt heeft, straalt Thassa van levensvreugde. Haar medestudenten raken in de ban van haar gelukzaligheid en noemen haar Miss Generosity – Miss Mildheid. Russell maakt zich zorgen over Thassa’s permanente opgewektheid. Hij vraagt zich af of ze aan een vorm van posttraumatische stress lijdt en gaat te rade bij de universiteitspsychologe Candace Weld. Ook zij laat zich overrompelen door Thassa’s levensvreugde.

De befaamde geneticus en gehaaide zakenman Thomas Kurton is al geruime tijd op zoek naar het gen voor geluk. Als hij hoort over het immer gelukkige Algerijnse meisje, wil hij haar genetisch materiaal onderzoeken. Zij gaat ermee akkoord, waarna Kurton fier aan de wereld laat weten dat hij het geluksgen op het spoor is. Russell en Candace moeten daarna lijdzaam toezien hoe Thassa vermalen lijkt te worden in een steeds hysterischer wordende mediahype.

Depressiegen

Richard Powers heeft een ijzersterke reputatie als het op het verweven van wetenschap in literatuur aankomt. In 1991 schreef hij The Gold Bug Variations, een eerste roman waarin genetica centraal stond. “Ik wou dolgraag dat onderwerp nu opnieuw behandelen”, zegt hij. “Want achttien jaar is een eeuwigheid in de genetica. Begin jaren negentig dachten we dat de mens over ontelbaar veel genen beschikt en dat elk gen één proteïne synthetiseert. We wilden de genendoos openen in de hoop een deterministisch model te ontdekken. Nu die doos voor ons open ligt, is genetica geëvolueerd naar genomica, de studie van genomen. We zijn geëvolueerd van een geloof dat we erfelijkheid kunnen begrijpen aan de hand van individueel gecodeerde genen, naar het besef dat we te maken hebben met een complex genenkluwen. De wetenschappers zijn erachter gekomen dat genetica allesbehalve eenvoudig en voorspelbaar is. Ze weten nu dat er veel turbulentie is die veroorzaakt wordt door massale prikkels van buitenaf.”

Een paar jaar geleden hebt u uw eigen genoom in kaart laten brengen.

“Ik ben de negende persoon op aarde die zijn genoom heeft laten sequencen. Eén van de conclusies was dat ik drager ben van het in 2003 door wetenschappers ontdekte depressiegen. Uit hun onderzoek bleek dat de werking van een bepaald gen het risico op depressie serieus vergroot. Nadat ik dat te horen kreeg, begon ik mezelf voortdurend te observeren en in vraag te stellen. Ik raakte er zelfs van overtuigd dat ik al heel mijn leven min of meer depressief was, maar dat ik het nooit zo had durven benoemen. Ik begon ook te geloven dat mijn schrijverschap een poging was om die donkere wolk te verdrijven. Tijdens het schrijven van mijn vorige roman, De echomaker, werd ik me bij mezelf bewust van een verlangen naar duisternis. Een gen voor geluk ben ik als een vorm van therapie beginnen schrijven. Toen dit boek in Amerika in de zomer van 2009 gedrukt werd, verscheen een nieuwe gezaghebbende studie die alle voorgaande studies over het depressiegen naar de prullenbak verwees. Ze stelde dat het veel te vroeg was om het betreffende gen aan depressie te koppelen. Van de ene op de andere dag voelde ik me stukken beter. (lacht) Op het einde van Een gen voor geluk komt Russell Stone tot een gelijkaardige conclusie: ‘Had Thassa Amzwar eigenlijk wel iets uitzonderlijks in haar genen waardoor ze steeds zo vrolijk door het leven huppelde? Of was haar eigen wil er misschien verantwoordelijk voor dat ze de stress uit haar omgeving het hoofd kon bieden?’ Het is nog veel te vroeg om te geloven dat gemoed en temperament gevat kunnen worden in een of andere genetische formule. De relatie tussen nature (aanleg) en nurture (opvoeding) is en blijft ongelooflijk gecompliceerd.

“De wetenschap levert fantastisch werk: we hebben ongelooflijke dingen bereikt in het ontrafelen en begrijpen van het menselijke genoom. Maar het probleem is dat onze vrije markteconomie ervoor gezorgd heeft dat wetenschap gezien wordt als de zoveelste competitieve business. Om subsidies en fondsen los te weken, moeten wetenschappers telkens weer de nadruk leggen op de potentiële commerciële toepassingen van hun nieuwe ontdekkingen. Wetenschappelijk onderzoek moet passen in ons geloof dat we ons probleem wel zullen kunnen oplossen als we maar de juiste pil nemen of op het juiste knopje drukken. Toeval moet uitgeschakeld worden en ‘kans’ moet vervangen worden door ‘keuze’.

“Ik zeg niet dat de wetenschap niet langer mag zoeken naar middelen om het geluksgevoel van mensen op te vijzelen. Wie met een depressie kampt, vindt vaak heil bij een pil. Maar ik vind wel dat we de leugen moeten doorprikken dat de wetenschap ons tegen betaling voortdurend middelen kan bieden om onze levensvreugde op te krikken. Door het model van ‘geluk-op-basis-van-producten’ te omarmen, vergeten we dat we in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor ons welbevinden. Teveel mensen leven nu in de veronderstelling dat wetenschap de zinsgevingsvragen voor hen zal oplossen. Prozac kan je depressie helpen verdrijven, maar daarnaast weet je ook dat je om een zinvol leven te leiden, genereus moet blijven tegenover andere mensen. Je moet zelf betekenis proberen geven aan elke dag op aarde. Een pil zal dat niet voor jou doen.”

Creatieve non-fictie

Een gen voor geluk begint in een heel bijzondere stijl. U zoomt in en uit op de hoofdpersoon Russell Stone tijdens zijn rit in de metro op weg naar zijn allereerste college creatieve non-fictie. Het moet geen sinecure geweest zijn om op die manier te schrijven?

“Dat is ook niet van de eerste keer gelukt. Ik ben dit verhaal beginnen schrijven op een veel realistischer manier. Rechttoe, rechtaan, in opeenvolgende conventionele scènes. Hoe dieper ik in het boek geraakte, hoe duizeliger ik werd van de gedachte van op welk soort wereld we aan het afstevenen zijn. Ik ervoer steeds meer de nood aan een nieuwe vorm van vertellen die de dingen telkens weer vanuit een ander perspectief bekijkt. Ik besloot de aanpak van mijn roman helemaal te herzien en creëerde een focustechniek om de vorm van het boek meer te laten aansluiten bij de inhoud.”

Voor zijn schrijfcursus gebruikt Russell Stone als leidraad het door u verzonnen boek Make your writing come alive van ene Frederick P. Harmon.

“Ik heb veel plezier beleefd aan het verzinnen van een boek dat de draak steekt met de schrijfindustrie. Creatief schrijven en je eigen boeken uitgeven, is in de VS een hype. Het lijkt op zelfhulp: ‘Hoe kun je een betere schrijver worden?’ Stone had voor zijn cursus creatieve non-fictie een cursusboek nodig, dus heb ik er zelf een verzonnen. Aan de ene kant is het werk van Harmon een parodie op het genre, aan de andere kant zitten er natuurlijk ook bruikbare tips in. In het geval van Russell Stone krijgt die schrijvershandleiding een bijzonder ironische bijklank. Hij heeft zijn schrijverschap aan de wilgen gehangen omdat zijn schrijven echt tot leven kwam, op zo een manier dat hij er bang van werd. Ooit was hij een begenadigd schrijver, maar nu werkt hij als eindredacteur bij een tijdschrift, waar hij ghostwriter is voor amateurs die amper een woord op papier kunnen zetten. Dat is zijn boetedoening voor zijn eigen mislukte schrijverscarrière. Hij wordt verliefd op de psychologe Candace Weld. Zij laat hem inzien wat er van hem geworden is. Dankzij haar neemt hij het drastische besluit om zijn leven een andere wending te geven.”

Waar staat de term creatieve non-fictie voor?

“Het is een vrij nieuwe ‘industrie’. Het staat voor essayistisch schrijven met een sterke verteller. Het creëert non-fictie die aanvoelt als een verhaal. Ken je dat oude boek Zen en de kunst van het motoronderhoud? Het is op het eerste gezicht een verhaal van een vader en zijn zoon, verteld in de derde persoon, terwijl het eigenlijk een meditatie over filosofie is. Het idee is dat je zelf als schrijver kan deelnemen aan een onderwerp waarbij in ‘normale omstandigheden’ de schrijver verborgen blijft. Creatieve non-fictie leest als een verhaal, terwijl het over feiten gaat. Die hele verhouding tussen feit en fictie is hot in de VS, met auteurs als James Frey en JT LeRoy en drukbezochte cursussen creatieve non-fictie aan de universiteiten.”

De zogezegd feitelijke verhalen waarmee Frey en LeRoy furore maakten, bleken tot op zekere hoogte verzonnen te zijn.

“Ja, hun verhalen leggen meteen ook de donkere kant van creatieve non-fictie bloot, want het genre wordt totaal onbetrouwbaar als het creatieve de werkelijkheid overwoekert. Je merkt hetzelfde in de media: er komt steeds meer persoonlijke bemoeienis van de journalist in de stukken die hij schrijft of in de reportages die hij voor tv draait. In het begin van Een gen voor geluk tobt Russell erover of het genre van memoir, het persoonlijke verhaal, op hol geslagen is. Hij heeft daar, net als ik, zeer tegenstrijdige gevoelens over. Het persoonlijke en het publieke worden vermengd. Kijk naar wat er gebeurt met Thassa: eerst is ze een anonieme deelneemster aan een wetenschappelijke studie, waarna ze plots het onderwerp wordt van bloggers. Zij raken door haar geobsedeerd en geloven dat haar private verhaal tot het publieke domein behoort. Wat Thassa overkomt, zie je nu voortdurend op het internet gebeuren, over de hele wereld. Vaak zijn die bloggers anoniem, of doen ze zich in commentaren voor als iemand anders. Ze verstoppen zich achter andere karakters, waardoor ze niet getraceerd kunnen worden. Er zijn in de VS heel wat bekende blogs waarin de blogger zich verschuilt achter een fictief personage en zo zijn vitriool rondstuurt. Iedereen verwijst naar dat fictieve personage en citeert hem, zonder dat de man of vrouw in kwestie rekenschap moet afleggen over wat hij of zij schrijft. Ik houd dat soort van bloggers verantwoordelijk voor de grote toename van wrok en haat in onze samenleving. Via hun anonieme karakters verkondigen ze hatelijke boodschappen die ze nooit openlijk in iemands gezicht zouden durven slingeren. De agressieve ondertoon van die berichten sijpelt door naar andere media en naar alledaagse conversaties tussen mensen. Je mag er vergif op innemen dat mensen daardoor binnenkort posters van Obama met Hitlersnor zullen meebrengen naar doordeweekse vergaderingen in achterafzaaltjes.”

Thassa Amzwar heeft afschuwelijke jeugdjaren meegemaakt in Algerije. Waarom Algerije?

“Veel mensen in Noord-Amerika en Europa kennen amper de recente gewelddadige geschiedenis van Algerije. Omwille van die relatieve onbekendheid heb ik Thassa daar ‘geplaatst’. Ik had ook een andere, bekendere brandhaard in de wereld kunnen kiezen, maar dan was het risico te groot dat lezers haar een politieke of religieuze stempel op het hoofd zouden drukken. Mijn vrouw heeft twintig jaar lang in Noord-Afrika geleefd. Haar ervaringen en contacten hebben me geholpen om meer te weten te komen over Algerije en de rest van Noord-Afrika. Ik heb Algerije zelf niet bezocht. Het land is niet echt veilig. Het lijkt alsof het er rustiger geworden is, maar in de periode dat ik het boek aan het schrijven was, hoorde ik van nieuwe incidenten. Het is altijd lastig om te beoordelen of de toestand in zo’n land verbeterd is, of dat de pers gewoon haar belangstelling verloren heeft.”

Ondanks haar afschuwelijke verleden straalt Thassa geluk uit. Mensen uit haar omgeving vinden dat vreemd. Ik vond dat eerlijk gezegd ook.

“Russells eerste indruk is dat ze last heeft van een soort van manische posttraumatische stress en dat ze elk moment kan instorten. Miljoenen zelfhulpboeken proberen ons te leren hoe we in een altijddurende, gelukzalige euforie kunnen geraken. Als we in werkelijkheid zo iemand ontmoeten, denken we meteen: daar moet iets mis mee zijn. Toch noemt driekwart van de mensheid zichzelf gelukkiger dan gemiddeld, wat statistisch gezien natuurlijk onmogelijk is. De meeste mensen denken dat ze gelukkig zijn, maar toch zijn ze niet tevreden. We willen gewoon nog een klein beetje gelukkiger worden dan we al zijn. Dat zal altijd zo blijven, het maakt niet uit of onze geluksbaseline op 5, 7 of op 9 op 10 ligt. Degene met baseline 9 streeft sowieso naar 9,1.

“Herinner je je de scène in de keuken, waar Candace voor Russell twee grafieken op het bedompte keukenraam tekent? Het zijn grafieken die het leven weergeven van de geboorte tot de dood. De ene grafiek start met 10% welbevinden en eindigt met 80%: de levensloop van een ongelukkig kind dat langzaam uitgroeit tot een relatief tevreden oudje. De tweede grafiek start op 90% en eindigt op 90%: ze geeft het leven weer van een uiterst gelukkige pasgeborene die uiterst gelukkig blijft tot in het graf. Onderzoek heeft vastgesteld dat de meeste mensen resoluut kiezen voor de levenslijn die de eerste grafiek weergeeft. Waaruit blijkt dat we niet in de eerste plaats geluk nastreven, maar wel op zoek zijn naar een zinvol bestaan. De eerste grafiek vertelt een zinvol verhaal. De tweede grafiek is de weergave van een vlak mensenleven zonder zin.”

Bent u een gelukkig man?

“Ik ben zonder enige twijfel gelukkiger dan het gemiddelde. (lacht)”

Een gen voor geluk. Vertaald door Jan Pieter van der Sterre. Contact. 397 p., 34,95 euro

 

 ©Jan Stevens

1 reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s