Stijl is alles

In 1985 zorgde de toen twintigjarige Bret Easton Ellis met zijn debuut Less than Zero voor een kleine aardschok. Nu verschijnt het vervolg Imperial Bedrooms of De Figuranten, meteen ook de neerslag van zijn midlifecrisis. “Sommigen verwijten me dat ik een nihilist ben. Ze mogen me een nihilist noemen, een vrouwenhater, ze doen maar. Zolang ze maar niet roepen dat ik een dikzak ben.”

Vijfentwintig jaar geleden beschreef Bret Easton Ellis (1964) in zijn debuut Less than Zero in een onderkoelde stijl hoe rijke teenagers uit Los Angeles hun dagen vulden met snuiven, zuipen en neuken. Recensenten riepen Ellis uit tot chroniqueur van de ‘lusteloze’ generatie X die na 1960 het levenslicht zag. Tijdens de promotour voor Less than Zero gedroeg hij zich als zijn hoofdpersonage Clay, door rijkelijk met wodka overgoten interviews in de exclusiefste restaurants van Hollywood te geven. Vijf jaar later verscheen zijn meest beruchte roman American Psycho. Overdag bezoekt Wall Streetbankier Patrick Bateman dure restaurants en brengt hij zijn lichaam in perfecte conditie. ’s Nachts moordt hij, omdat hij alleen tijdens het hakken en snijden in vrouwen, daklozen en collega’s vaag ‘iets’ voelt. Nadat in december 1990 Time schokkende fragmenten uit American Psycho had voorgepubliceerd, wou uitgeverij Simon & Schuster het boek niet langer uitgeven, ook al hadden ze Ellis 300.000 dollar voorschot betaald. Het concurrerende Random House was er als de kippen bij om de ‘schandaalroman’ toch op de markt te brengen. Zo goed als alle Amerikaanse critici boorden het boek van de ‘shop-and-chop-writer’ de grond in. Feministes riepen op tot een boycot. Ellis werd met de dood bedreigd en American Psycho werd wereldwijd een megaseller.

Een kwart eeuw na Less than Zero komt Bret Easton Ellis met het vervolg Imperial Bedrooms, in het Nederlands vertaald als De figuranten. Het hoofdpersonage Clay uit Less than Zero is 25 jaar ouder en een succesrijk filmscenarist. Rond de kerstperiode laat hij zijn flat in New York achter om zijn intrek te nemen in zijn loft in Los Angeles. Hij zal er meehelpen bij de casting voor de film The Listeners, waarvan hij medeproducent is en waarvoor hij het scenario schreef. In LA ontmoet hij zijn oude vrienden uit Less than Zero, ontvangt hij dreigende sms’jes, drinkt hij teveel dan goed voor hem is en wordt hij achtervolgd door een blauwe jeep met donkere ramen. Hij begint een affaire met de bloedmooie maar talentloze actrice Rain Turner. Zij gebruikt Clay om aan een rol in de film te geraken, hij maakt daar dankbaar misbruik van, tot hij écht verliefd op haar wordt.

Costello & Chandler

Toen ik Bret Easton Ellis vijf jaar geleden over zijn vorige roman Lunar Park interviewde, ontving hij me in een trainingspak met daarover een badjas. Nu draagt hij een T-shirt, jeans, een hoodie, een basketpet en een bril. “Na het verschijnen van elk nieuw boek kies ik een welbepaalde outfit die ik een hele promotietournee lang blijf dragen”, zegt hij. “Zo voel ik me echt en authentiek. Hoe ik bepaal welk kostuum ik zal aantrekken? Dat is geen berekende zet; dat voel ik gewoon.”

Less than Zero is de titel van een antifascismesong uit de debuutplaat van Elvis Costello. Imperial Bedrooms verwijst naar Costello’s zesde plaat Imperial Bedroom. Waar komt die fascinatie voor Costello vandaan?

Bret Easton Ellis: Alleen blanke, geprivilegieerde jongens uit de Amerikaanse middenklasse luisterden rond 1980 naar de platen van Elvis Costello. Zijn poppy muziek betekende veel voor mij en mijn vrienden. Hij leek ook erg slim. Nu vind ik zijn teksten niet meer zo fantastisch. Hij speelt veel en graag met woorden en dat maakt zijn songs vaak nogal vermoeiend. Al houdt hij het soms ook heel puur en simpel, zoals in de lyrics van Alison, waardoor dat een heel emotioneel liedje geworden is. Zijn slimheid in zijn teksten was iets wat me als jonge schrijver erg fascineerde. Als je rond je zeventiende geraakt wordt door een muzikant, neem je hem en zijn muziek waarschijnlijk de rest van je leven met je mee. Toen ik aan Less than Zero aan het werken was, hield ik van die song. ‘Less than Zero’ klonk sowieso als een uiterst geschikte titel voor het boek. Voor een sequel moést ik wel een andere Elvis Costello-titel gebruiken. Ik vind het heel bizar dat de Nederlandse vertaling als titel De figuranten gekregen heeft, en niet Imperial Bedrooms. Ik heb er mijn Nederlandse uitgever over aangesproken. Hij gaf me een lange, ingewikkelde uitleg, ik snap er nog steeds niets van. (lacht)

Voorafgaand aan Imperial Bedrooms alias De figuranten heb ik Less than Zero herlezen en het viel me op dat het boek na al die jaren nauwelijks gedateerd is. Hebt u daar een verklaring voor?

Ellis: Ik heb Less than Zero voor het eerst met een bang hart herlezen in 2000. Ik wou er uit citeren in Lunar Park, de roman die toen op stapel stond. Ik moest mezelf dwingen: “Lees dat stom ding. Het duurt een paar uur, hoe erg kan dat nu zijn?” Maar het probleem is dat ik tijdens het herlezen altijd wil beginnen herschrijven. Daar word ik gek van. Ik heb me kunnen bedwingen, ik las het boek en het was oké. Ik had hetzelfde gevoel als jij. Less than Zero heeft een neutraliteit waardoor de roman niet gedateerd is. Dat heeft veel te maken met de stijl: het boek is geschreven in een neutrale, vlakke toon. En het is allesbehalve sentimenteel: het is een boek over jongelui waarin niemand met de vinger gewezen wordt. Het is niet de fout van de overheid, de school of van de ouders. Nee, die kids gedragen zich gewoon zoals ze zijn. Het zijn geen slachtoffers. Ik vind dat cool. In de meeste romans worden jonge mensen het leven zuur gemaakt door de stoute leraar, de lastige ouder of de strenge autoriteiten. Dat gemoraliseer is totaal afwezig in Less than Zero. Waarschijnlijk zullen veel lezers er van uitgaan dat de Clay uit Less than Zero dezelfde is als de Clay uit Imperial Bedrooms, omdat de stijl van dat laatste boek in het verlengde van zijn voorganger ligt. Hét grote verschil is dat de passieve jongen Clay de actieve man Clay geworden is. In Less than Zero belt Clay de politie niet als de jongens dat meisje van twaalf verkrachten. Hij houdt zijn beste vriend niet tegen wanneer die zich prostitueert aan de zakenman. Er zijn verschillende kleine misdaden doorheen heel Less than Zero die Clay ziet en laat passeren. Tijdens het schrijven vroeg ik me toen af: is hij zo passief omdat passiviteit een manier is om hemzelf te beschermen, of wordt hij door die passiviteit juist een deelnemer aan de criminele actie? In Imperial Bedrooms is Clay een actieve crimineel. De 19-jarige jongen is een 42-jarige, succesvolle, narcistische man geworden. Elke romanscène in Imperial Bedrooms is net als een scène voor een film; alle dialogen zijn volgens de regels van het scenarioschrijven gecomponeerd. Ik had nog nooit op die manier een roman geschreven. Het was een interessante ervaring, al was ze geboren uit noodzaak. Ik moést Imperial Bedrooms wel schrijven. Ik zat in de miserie, voelde me slecht, schreef zelf scenario’s en leek in die periode erg sterk op het hoofdpersonage Clay. Ik las toen veel van Raymond Chandler, waardoor ik ook een ‘roman noir’ wou schrijven. Chandlers karakter Philip Marlowe is een man in een losgeslagen wereld, die probeert vast te houden aan zijn eigen moraliteit terwijl iedereen hem beliegt en bedriegt. Zijn beste vrienden worden vijanden en sexy vrouwen veranderen in moordenaars. Toch geeft Marlowe niet op. De boeken van Chandler zijn stuk voor stuk existentiële triomfen. Ondanks alle tegenspoed ploetert het hoofdpersonage verder. Toen ik vier jaar geleden mijn drugsvrienden in New York ontvluchtte en terug naar LA verhuisde, begon ik Chandler te herlezen. Ik was toen ook de contouren voor Imperial Bedrooms aan het uittekenen. Raymond Chandler is een groot stylist. Je leest hem niet omwille van de plot. Op de momenten dat hij zwaar in de drank zat, wist hij volgens mij zelf niet meer wie welke moord pleegde. Dat maakt zijn boeken alleen maar interessanter.

Stijl is belangrijk?

Ellis: Stijl is alles. Stijl is gevoeligheid, stijl is bewustzijn. Plot niet. Wat voor een verhaal er verteld wordt, is niet belangrijk. Het gaat er om hoe het verteld wordt. Wat zou het resultaat zijn als je iemand Lolita laat herschrijven? Waarschijnlijk wordt het een totaal oninteressant boek. Dankzij Nabokovs poëzie is Lolita een van de best geschreven romans ooit. Laat iemand anders The Great Gatsby herschrijven. Wedden dat het een draak van een boek oplevert? De elegante stijl van Scott Fitzgerald kun je niet verbeteren.

Wat vindt u van het verwijt dat uw romans niets meer zijn dan amorele, nihilistische stijloefeningen? Lege dozen in een fraaie verpakking?

Ellis: Geen moraliteit, geen oordelen en neutraliteit zorgen voor Grote Kunst. Ik weet dat sommigen niet van mijn boeken houden en er zelfs door geshockeerd zijn. Jammer voor hen. Ik leef met hen mee. (grijnst) Ik schrijf niet voor een publiek of voor een lezer. Elke vijf jaar schrijf ik een boek omdat ik door een pijnlijke fase in mijn leven moet. Een roman schrijven is mijn manier om af te rekenen met mijn fucked up life. Ik worstel met een onbeantwoorde liefde aan de universiteit: Rules of Attraction! Ik ben een geïsoleerde eenzame jongen in de late jaren tachtig in Manhattan die het haat om volwassen te moeten worden: American Psycho! Ik lig in de knoop door de relatie met mijn vader, ik moet die klootzak vergeven, want ik kan niet verder blijven leven met de woede die ik tegenover hem voel: Lunar Park! Ik zit in Los Angeles, werk mee aan een film. Alles valt uiteen, het is afschuwelijk, ik drink teveel, zit in een relatie met een totaal geschift persoon en voel me depressief: Imperial Bedrooms! Al mijn boeken ontstaan uit pijn. In mijn fictie verken ik die pijn. Ik kan niet anders. En dan verwijten sommigen me dat ik een nihilist ben. Ze mogen me een nihilist noemen, een vrouwenhater, ze doen maar. Zolang ze maar niet roepen dat ik een dikzak ben. (lacht)

Midlifecrisis

U bent Imperial Bedrooms beginnen schrijven om uw midlifecrisis de baas te kunnen?

Ellis: Ja. De emotionele pijn manifesteerde zich fysiek. Ik werd ’s ochtends wakker met pijn in mijn borst. Ik probeerde die pijn te bestrijden door pillen te slikken en sloten alcohol naar binnen te gieten. Dat hielp heel even, maar de volgende dag zat ik niet alleen met die pijn, maar ook met een kater. Ik dronk echt veel. Na drie jaar was ik op het punt aanbeland waarop mijn vrienden zich zorgen begonnen te maken. Zelf had ik eigenlijk niet door dat ik zoveel zoop, maar het is beangstigend als vrienden die zelf regelmatig heel diep in het glas kijken, je zeggen dat je teveel drinkt. Ik was wanhopig en ging in therapie. Ik zat inderdaad middenin mijn midlifecrisis. Ik had erover gehoord, en ik dacht: “De midlifecrisis is voor vrouwen.” Maar nee, de midlifecrisis is voor mannen. Niemand praat er over. Er worden stapels boeken geproduceerd over de menopauze; aan de mannelijke midlifecrisis wordt geen druppel inkt gespendeerd. Terwijl het verschrikkelijk is.

Een motorfiets en een nieuw lief hielpen niet?

Ellis: Ik heb het allemaal geprobeerd. Een Porsche gekocht, vrouwen geneukt die half zo oud waren als ik. Niets hielp. Behalve dit boek schrijven. Imperial Bedrooms heeft me er doorheen gesleurd. Ik stond oog in oog met dat deel van mezelf waar ik me het meeste voor schaamde. Ik keek in de spiegel en schreef neer wat ik zag: de duivel. Deze roman schrijven was voor mij de beste therapie. Net zoals Lunar Park dé manier was om af te rekenen met mijn vader. Hij voelde zich mislukt in zijn leven en reageerde dat op mij af. Als kind kreeg ik flink wat klappen van hem. Bijna tien jaar na zijn dood was ik nog steeds boos op hem. Toen ik Lunar Park aan het afwerken was, voelde ik de opluchting: “Ik vergeef hem. Ik laat hem gaan.” Ik zal nooit vergeten hoe het was om de laatste zinnen van die roman te schrijven. Dat gevoel: het is weg. Imperial Bedrooms was vergelijkbaar: het was een manier om mezelf doorheen die crisis te loodsen.

Tezelfdertijd geeft u zo natuurlijk ook een deel van uw eigen ‘ziel’ weg aan het publiek, aan die lezer ‘waar u niet voor schrijft’.

Ellis: Daar lig ik niet wakker van. Er zo gewoon met jou over praten, dát is vreemd. Ik heb zo een slechte periode achter de rug. Ik weet nog altijd niet of ik uit het dal geklommen ben of alles gewoon aanvaard heb. Misschien ben ik gewoon de vriend geworden van mijn midlifecrisis, net zoals ik een vriend geworden ben van de dood. In plaats van te blijven vechten tegen zo’n crisis, is het beter om handjes te schudden. Wat kun je anders doen? Het is als vechten tegen een muur, en het kan de muur toch geen zak schelen. Ik vocht tegen mezelf. Van zodra ik dat aanvaard had, begon het te verminderen, en kon ik weer functioneren.

In Imperial Bedrooms wordt Clay verliefd op de actrice Rain. Kan liefde helpen?

Ellis: Liefde tussen twee mensen is prachtig en zorgt ervoor dat de wereld er als een betere plek uit ziet. Dus misschien is liefde het antwoord, maar het kan ook de dood van alles zijn. Onbeantwoorde liefde is het ergste wat een mens kan overkomen. Dat wil ik echt niet meer meemaken. It’s scary as shit. Als je verliefd bent op iemand die niets voor jou voelt, ga je helemaal door het lint. Je wilt dat zij je pijn voelt. Maar zij voelt helemaal niets. Geen sikkepit. Dus begin je haar te stalken. De technologie maakt dat nu zeer gemakkelijk. Ik stalkte iemand op Facebook. Ik werd gesnapt. Ik werd geblokkeerd, en kon helemaal niets meer van haar zien. Geen strandfoto’s meer! Geen foto’s meer van haar in bikini, terwijl ze lag te zonnen op het strand! Terwijl al haar andere vriendjes haar wel nog konden zien! De eikels! Maar het gaat nu beter met me, hoor. Echt waar.

© Jan Stevens

Bret Easton Ellis, De figuranten, Anthos, 175 blz., 18,95 euro, ISBN 978-90-414-1634-6.

Koude rillingen

De zomer van het oorlogsjaar 1944. Het is tropisch warm in het stadje Newark, vlakbij New York. Nadat in juni in de Italiaanse wijk een eerste geval van kinderverlamming is vastgesteld, lijkt de besmetting snel uitbreiding te nemen. Er bestaat nog geen vaccin tegen polio en geen enkel medicijn brengt soelaas. Bij de volwassenen is de herinnering aan de grote epidemie uit 1916 springlevend. Meer dan 360 kinderen uit Newark overleefden toen de ziekte niet, veel anderen bleven voor de rest van hun leven misvormd. Tegen die dreigende achtergrond start Nemesis, de nieuwe roman van de productieve Amerikaanse schrijver Philip Roth. De 23-jarige gymnastiekleraar Bucky Cantor houdt tijdens de zomervakantie een oogje in het zeil op de speelplaats waar de kinderen uit de buurt dagelijks komen spelen. Bucky is extreem bijziend, draagt een bril met confituurglazen en is daardoor een van de weinige jonge mannen uit Newark die niet onder de wapens is. De bijna altijd goed geluimde Bucky is als speelplaatsleider erg populair. Zijn verloofde Marcia smeekt hem de stad te ontvluchten als de poliobesmetting ook slachtoffers maakt onder de kinderen op het speelplein. Ze wil dat hij een job als watersportinstructeur in een zomerkamp in de bergen aanneemt. Bucky wil ‘zijn kinderen’ niet in de steek laten. Maar uiteindelijk verruilt hij het broeierige, muffe Newark toch voor het frisse, ongerepte Indian Hill in het Poconosgebergte. Na een tijd krijgt Bucky last van gewetenswroeging.

Met Nemesis schreef Philip Roth een sober, aangrijpend verhaal over de nietsontziende tirannie van het noodlot. Het échte leven, zo leert de inmiddels 77-jarige Roth ons, is oneerlijk, wreed en onvoorspelbaar. Ook voor door en door goede zielen als Bucky Cantor. De lectuur van Nemesis zorgt voor koude rillingen.

 

© Jan Stevens

 

Philip Roth, Nemesis, De Bezige Bij, 263 blz., 19,90 euro, ISBN 978-90-234-5929-3

De beulen van Breendonk

Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikte de SS het fort van Breendonk als doorvoerkamp voor ‘dissidenten’. In De beulen van Breendonk reconstrueert professor Mark Van den Wijngaert samen met andere historici de gruwelen die er begaan werden door Duitse en Vlaamse kampbewakers. “In rechtse Vlaamse kringen is altijd vergoelijkend gesproken over de collaboratie. Terwijl folteren en moorden bij het nazisme hoorden. Wie als volwassene collaboreerde, had dat kunnen weten.”

Op 10 mei 1940 viel Nazi-Duitsland België binnen. Achttien dagen later capituleerde het Belgische leger. Het bevel over België kwam in handen van generaal Alexander von Falkenhausen. Het was zijn taak om met ijzeren hand Ordnung und Ruhe in het bezette gebied af te dwingen. In juli 1940 kreeg hij daarvoor ‘hulp’ van de SS. Mark Van den Wijngaert: “De Sicherheitspolizei-Sicherheitsdienst (Sipo-SD), de politiedienst van de SS, wou haar eigen Belgische gevangenis hebben. De keuze viel op het leegstaande fort van Breendonk. De SS wou een Auffanglager om van daaruit gevangenen door te sturen naar concentratiekampen in Duitsland, Oostenrijk of Polen. In totaal hebben er iets meer dan 3.000 mensen gevangen gezeten in Breendonk.”

Wie waren dat?

Mark Van den Wijngaert: In Breendonk kwamen voornamelijk mensen te recht die zich op een of andere manier tegen de nazi’s verzetten of die om raciale redenen werden vervolgd. Aanvankelijk werden er ook Joden opgesloten, maar hun aantal verminderderde van zodra de Dossinkazerne in Mechelen als doorvoerkamp werd gebruikt. De gevangenen kregen een nummer en werden nooit meer met hun naam aangesproken. Ze werden kaalgeschoren, droegen een oud Belgisch legeruniform, kregen amper te eten en moesten verschrikkelijk hard werden. Het fort was bedekt met een grote hoeveelheid aarde om het tegen bombardementen te beschermen. De uitgehongerde gevangenen moesten die aarde er weer afhalen. Totaal zinloos werk dat jaren duurde. Heel veel mensen zijn in Breendonk van ontbering omgekomen.

Niet alleen Duitse bewakers zwaaiden er de plak?

Van den Wijngaert: Nee. De Sipo-SD heeft lokale mensen gerekruteerd, waaronder een aantal Vlamingen in SS-uniform. Ze hebben mee gefolterd, mishandeld en gemoord. Hun uniform gaf hen de macht om met de weerloze gevangenen te doen waar ze zin in hadden. Van in het begin is in Breendonk door de nazi’s de toon gezet dat alles er toegelaten was. Er waren wel reglementen, maar niemand controleerde die. Dus werd er gemarteld en gemoord. De waanzin regeerde. Sommige bewakers hielden weddenschappen om een fles cognac wie in de komende dagen de eerstvolgende gevangene zou doden. Tientallen gevangenen zijn zonder enige aanleiding door bewakers afgemaakt.

Het proces van Mechelen

Na de bevrijding ging op 5 maart 1946 in Mechelen het proces tegen de beulen van Breendonk van start. Mark van den Wijngaert: “Er stonden voornamelijk Vlaamse SS’ers en een paar kameroversten – gevangenen die medegevangenen gefolterd hadden – terecht. De meeste Duitsers waren ontsnapt. Een aantal van hen is ook aan een veroordeling ontsnapt: het Duitse gerecht heeft nooit veel moeite gedaan om die SS’ers te berechten. In Mechelen kwamen 23 beklaagden voor de krijgsraad. Het proces duurde twee maanden. Zestien werden ter dood veroordeeld, vier kregen levenslang, één kreeg een gevangenis van twintig jaar, één van 15 jaar en een verdachte werd vrijgesproken. Een jaar later werden veertien ter dood veroordeelden ook daadwerkelijk gefusilleerd. Het proces was in ’46 groot nieuws. Niet lang ervoor waren de kampen door de Amerikanen en de Russen bevrijd en men begon toen pas echt te beseffen hoe gruwelijk de nazi’s tewerk waren gegaan. De bevolking riep luid om wraak. De rechters hebben de regels van het krijgsrecht strikt gevolgd: wie in het uniform van de vijand had rondgelopen en misdaden had gepleegd, werd veroordeeld tot de dood met de kogel.”

Was er op het proces enig schuldbesef bij de beulen van Breendonk?

Van den Wijngaert: Nee. Ze hebben geprobeerd om de schuld in de schoenen van de afwezige Duitsers te schuiven. Sommigen zeiden: ‘Befehl ist Befehl’, anderen ontkenden wat ze gedaan hadden, terwijl de bewijslast verpletterend was. De Vlaamse Beweging zit met Breendonk in haar maag. In rechtse Vlaamse kringen is altijd vergoelijkend gesproken over collaboratie. Maar het folteren en moorden in Breendonk hoorde bij het nazisme. Wie collaboreerde, had kunnen weten wat het nazisme inhield en tot wat het in staat was. Want in de jaren dertig had het Hitlerregime in Duitsland al concentratiekampen opgericht en tijdens de Kristallnacht in ‘38 waren er honderd Joden gelyncht. Wie wetens en willens met het naziregime meewerkte, kon achteraf moeilijk zeggen: ‘Ich habe es nicht gewusst.’

© Jan Stevens

M. Van den Wijngaert, P. Nefors, O. Van der Wilt, T. Jorissen, D. Roden, Beulen van Breendonk, Standaard Uitgeverij, 320 blz., 19,95 euro, ISBN: 978-90-02-23956-4

Van 26 oktober tot en met 5 december loopt in het Fort van Breendonk een tentoonstelling over het proces tegen de beulen van Breendonk.

Hartstikke goed

“Het boek van de eeuw”, jubelde de kunstrecensent van The Guardian over Vrijheid van Jonathan Franzen. “Een meesterwerk”, oordeelde de New York Times. Time zette Franzen op de cover en riep hem uit tot dé ‘Great American Novelist’. ‘Hype, hype, hoera?’ Of is Vrijheid echt zo geniaal?

2001 was voor de Amerikaanse auteur Jonathan Franzen het jaar van de waarheid. Na twee lauw ontvangen romans brak hij internationaal door met het fel bejubelde De correcties. Franzens sprankelende satire over het ontwrichte Amerikaans middenklassegezin Lambert leverde hem de National Book Award, een nominatie voor de Pulitzer Prize en een miljoenenverkoop op. Waardoor de druk op zijn schouders om met een volgende boek het succes van De correcties te evenaren, gigantisch werd. Zelden waren de verwachtingen voor de release van een nieuwe roman zo hoog gespannen als bij de nakende publicatie van Vrijheid. In augustus schakelde de hype in een hogere versnelling toen een paar weken vóór het boek in de boekhandel lag, er al jubelende recensies verschenen in onder andere Time, The Guardian en de New York Times. ‘Nog rijker en dieper dan De correcties!’ ‘Een verslavend boek!’ ‘Jonathan Franzen is een literair genie!’ De hype was compleet toen ook nog bekend raakte dat Obama als vakantielectuur een voorafexemplaar van Vrijheid van zijn boekhandelaar ontvangen had, en dat de president het een ‘onderhoudend’ boek vond.

Net als in De correcties vertelt Jonathan Franzen in Vrijheid het verhaal van een disfunctioneel Amerikaans middenklassegezin. Eind jaren tachtig leven Walter en Patty Berglund samen met hun kinderen Jessica en Joey in een door henzelf gerestaureerd victoriaans huis in de wijk Ramsey Hill, in de stad St. Paul, Minnesota. Vrijheid neemt een ijzersterke, vliegende start met de proloog ‘Goede buren’, waarin Franzen op magistrale wijze de Berglunds door de ogen van hun buren situeert en fileert, met rake, dodelijke zinnen zoals: “Volgens (buurman) Seth Paulsen, die het naar de smaak van zijn vrouw net iets te vaak over Patty had, waren de Berglunds schoolvoorbeelden van het zich schuldig voelende soort progressievelingen die alles en iedereen van alles vergaven om zich niet zo bezwaard te hoeven voelen over hun eigen bevoorrechtheid.” Waarna Franzen zijn familie-epos echt in gang zet met de autobiografie van Patty Berglund – ‘geschreven op aanraden van haar therapeute’. Het navelstarende, basket spelende burgerwicht Patty vertelt daarin hoe ze met haar ogen wijd open telkens weer de foute keuzes maakt, strandt in een tot mislukken gedoemd huwelijk met ‘brave’ groene jongen Walter en zich in de armen stort van Walters jeugdvriend Richard Katz, womanizer, Khadafi-lookalike en rockster.

Vrijheid is niet alleen het tragikomische verhaal van de Berglunds, want doorheen hun armzalige leven weeft Jonathan Franzen de waanzinnige geschiedenis van de Verenigde Staten – the land of the free – van de voorbije twintig jaar. Het resultaat is een meesterlijke, bittere kroniek van ‘het leven zoals het is’ in het Amerika van vandaag.

Of Vrijheid hét ultieme meesterwerk van Jonathan Franzen is? Niet helemaal, daarvoor leest het boek soms iets teveel als een soap en gluurt tijdens de lectuur van de 600 bladzijden heel af en toe zelfs de verveling om de hoek. Bijzonder storend in de Nederlandse vertaling is het ‘Hollands’ dat vooral in de dialogen uit de mond van de personages rolt. Patty en Walter klinken niet als doorsnee inwoners van een Amerikaans stadje, maar als trotse bezitters van een doorzonwoning in een Rotterdamse ‘Vinexwijk’. Hun ‘hartstikkes’ zijn niet te turven.

Vrijheid ‘het boek van de eeuw’ noemen, is een beetje kort door de bocht, maar één van de boeken van het najaar is het zeker. Met Vrijheid bewijst Jonathan Franzen alleszins dat hij als genadeloos chroniqueur van het kleinburgerlijke Amerika de ware literaire erfgenaam is van wijlen John Updike. Vrijheid is kortom een hartstikke goed boek.

Jonathan Franzen, Vrijheid, vertaald door Peter Abelsen, Prometheus, Amsterdam, 592 blz., 19,95 euro, ISBN: 978-90-446-1439-8

© Jan Stevens

%d bloggers liken dit: