Terug naar de middeleeuwen

Volgens Die Welt-journalist Alan Posener houdt Paus Benedictus niet van onze democratie. “Hij voert een kruistocht om de seculiere Europese samenleving te veranderen in iets wat heel sterk lijkt op een fundamentalistische islamitische theocratie.” Met de geschriften en toespraken van de paus als uitgangspunt schreef Posener een vlammend ‘J’accuse’.

De dag nadat Joseph Ratzinger op 19 april 2005 door zijn collega-kardinalen tot paus verkozen was, kopte Bild Zeitung ‘Wir sind Papst’. “De vreugde in Duitsland was totaal”, zegt de Brits-Duitse journalist Alan Posener. “De jaren daarvoor werd Ratzinger als ‘der Pantzerkardinal’ en als prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer door de Duitsers uiterst kritisch gevolgd. Hij gold als oerconservatief. Maar na de pausverkiezing verkondigde Kai Dieckmann, de vrome katholieke hoofdredacteur van Bild, te pas en te onpas dat het beeld dat de media van Ratzinger hadden opgehangen als reactionaire hardliner, totaal onjuist was. Vanaf die 19e april hoorde ik ook voortdurend dat Joseph Ratzinger zo’n groot denker was. ‘Er zit nu een filosoof op de troon van Sint-Petrus.’ Dat wou ik wel even checken.”

Dus verdiepte Alan Posener zich in de geschriften en toespraken van Joseph Ratzinger alias Benedictus XVI. Het resultaat is De kruistocht van Benedictus, een polemisch boek waarin Posener de paus verwijt doelgericht aan te sturen op een ‘benedettinische omwenteling’: het muilkorven van de democratie.

Ik ontmoet Alan Posener op een druilerige maandagmorgen in zijn huis in een buitenwijk van Berlijn. “Koffie kan ik helaas niet aanbieden”, verontschuldigt hij zich. “Ik ben in Londen geboren en weet alleen hoe ik thee moet zetten.” Posener is de zoon van een Duitse vader en een Schotse moeder. Hij werkt als journalist ‘politiek en maatschappij’ voor de krant Die Welt. “De kruistocht van Benedictus is niet uit woede geschreven”, zegt hij. “Ik ben niet boos op Benedictus. Als ik een katholiek zou zijn, zou ik daar wel alle redenen toe hebben. Maar dat ben ik dus niet. Net als Richard Dawkins noem ik mezelf een Anglicaanse atheïst. Het is een goeie Britse traditie dat je die twee kunt combineren. Paus Benedictus XVI is een symptoom van het oprukkende fundamentalisme van het denken dat je vandaag in alle religies aantreft. De pausnaam die Joseph Ratzinger koos, zegt genoeg. Hij noemde zichzelf Benedictus, naar Benedictus van Nursia, de stichter van de Benedictijner monnikenorde in de zesde eeuw. Tijdens zijn eerste audiëntie als paus legde Ratzinger uit waarom hij voor die naam gekozen had. Benedictus van Nursia behoorde tot een groep mannen die vond dat het geen zin had om het christelijke Roomse Rijk van toen te verdedigen. Van binnenuit bespeurde Benedictus overal het morele verval en van buitenaf werd het ‘Imperium Romanum’ aangevallen door de barbaren. De Benedictijnen namen afstand van het politieke leven en trokken zich terug binnen de kloostermuren. Daardoor legden ze volgens Ratzinger de basis voor een gouden millennium voor het christendom. In zijn visie vormden de kloosterorden gedurende heel die periode in Europa de wieg van de beschaving. Het verval werd volgens hem ingezet met de Renaissance en de Reformatie. Paus Benedictus vergelijkt het Europa van de eenentwintigste eeuw graag met het Rome van de vijfde eeuw waarin zijn grote voorbeeld Augustinus, de pessimist onder de kerkvaders, actief was. Net als Augustinus toen, ziet hij vandaag overal moreel verval. Het multiculturalisme, het protestantisme, het atheïsme, de Verlichting hebben volgens hem van Europa een nieuw Roomse Rijk gemaakt: vermolmd van binnen, met talloze vijanden aan de buitenkant. Onze moderne Europese samenleving is het volgens hem niet waard om verdedigd te worden. Hij wil terug naar 600, toen Benedictus van Nursia de grondslag legde voor de christelijke middeleeuwen.”

Staat het de opperste leider van de katholieke kerk niet vrij om zelf de koers van zijn eigen club te bepalen? Alan Posener: “Natuurlijk. Als niet-katholiek wens ik ook niet om een aantal toestanden binnen de katholieke kerk te bekritiseren. Als je lid van een club wil worden, lees je eerst de regels vooraleer je beslist of je ermee in zee wil of niet. Ik heb geen enkel probleem met de regels van de kerk voor haar eigen leden. Ik meng me niet in discussies over het celibaat of over het priesterschap voor vrouwen. Ik heb alleen een torenhoog probleem met wat paus Benedictus tegen de rest van de samenleving zegt. Ik lig er niet van wakker dat hij niet democratisch verkozen is. Maar ik maak me wel zorgen als hij stelt dat de katholieke kerk een model is voor de rest van de samenleving. Dat wil ik niet. Mijn voorkeur gaat uit naar de democratie, niet naar het model van de kerk. Ik wil niet in een theocratie leven. Benedictus noemt onze westerse democratie ‘een dictatuur van het relativisme’. Tot op zekere hoogte heeft hij gelijk: democratie is relativisme. Democraten doen niet alsof ze de waarheid kennen over leven of dood. In een democratie staat alles open voor debat. Het enige wat we van onze medeburgers verlangen, is dat ze de democratische spelregels eerbiedigen. Zo kunnen we niet toelaten dat aanhangers van het totalitarisme de democratie misbruiken om een dictatuur te installeren. Democraten gaan ervan uit dat ze iets kunnen bereiken door compromissen te sluiten. Een compromis kan je alleen maar sluiten als alle deelnemers bereid zijn om hun eigen positie te relativeren. Paus Benedictus XVI aanvaardt dat niet. Hij vindt dat de democratie voor sommige menselijke activiteiten zoals moraal of seksualiteit niet kan beoordelen wat goed en slecht is. Hij wil dat de kerk het recht krijgt om tussen te komen in dat soort van zaken en hij vindt dat de kerk moet bepalen welk moreel pad alle burgers moeten bewandelen. Benedictus stelt dat homoseksualiteit een ‘objectief waarneembare verstoring van de natuurlijke orde der dingen’ is. Hij wil dus dat de hele samenleving zich kant tegen die ‘objectief waarneembare verstoring’. Hij stelt dat seksualiteit volgens ‘de natuurlijke orde der dingen’ behoort tot het huwelijk en niet daarbuiten. Met dat soort van uitspraken geeft hij overduidelijk aan dat élke mens de regels van zijn kerk moet aanvaarden. Dat is onaanvaardbaar.”

In talloze geschriften en redevoeringen noemt paus Benedictus volgens Alan Posener de moderne, kapitalistische consumptiemaatschappij ‘de cultuur van de dood’. “Want wij westerlingen staan abortus toe en we laten condoomgebruik toe zodat veel baby’s zelfs niet verwekt kunnen worden. Daarnaast veroorzaakt consumentisme volgens Benedictus de dood van de ziel en de dood van het geloof. Hij is er rotsvast van overtuigd dat onze levensstijl ons regelrecht naar de dood leidt. Omdat we niet geloven, zullen we dan ook écht dood zijn: we zullen niet verrijzen en het paradijs niet binnentreden. Benedictus heeft in de radicale islam een objectieve bondgenoot gevonden. Hier in Duitsland zijn heel wat websites actief waar radicale katholieken en fundamentalistische moslims elkaar een forum bieden in hun strijd tegen de ‘cultuur van de dood’. Er was in 2008 ook een meeting tussen een officiële delegatie van het Vaticaan en een officiële delegatie van de islamitische republiek Iran. Op 1 mei van dat jaar publiceerden ze samen een verklaring. Niet over vrouwenrechten, niet over godsdienstvrijheid, maar wel over het thema ‘Geloof en rede’ met als belangrijkste boodschap: de bespotting van religie mag niet getolereerd worden. Wie nu in Iran de spot met religie drijft, riskeert de doodstraf. Als het Vaticaan zijn zin krijgt, wordt bespotting van religie ook in het westen verboden en kan er niet langer gelachen worden met zowel Mohammed als Jezus.”

Erger dan antisemitisme

De eerste drie jaar van zijn pontificaat genoot paus Benedictus XVI heel wat sympathie in Duitsland. Tijdens bezoeken aan zijn geboorteland kwamen massaal veel jonge mensen naar de missen die hij voorging. Even leek het er op dat hij in Duitsland net zo populair zou worden als zijn voorganger Johannes Paulus II in Polen. Maar sinds Benedictus’ laatste bezoek in 2006 is er veel veranderd. Alan Posener: “Toen ik aan De kruistocht van Benedictus begon te werken, was het moeilijk om een uitgever te vinden die een kritisch pausboek op de markt wou brengen. ‘We houden niet van het onderwerp’, hoorde ik telkens weer. Tot ik begin 2009 ergens op een skipiste in Oostenrijk telefoon kreeg van mijn agent: ‘Iedereen wil jouw boek uitgeven.’ ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik. ‘Heb je dan niet gehoord van bisschop Williamson en de Piusbroeders?’ vroeg hij.”

Op donderdag 21 januari 2009 maakte Benedictus de excommunicatie ongedaan van vier bisschoppen van de oerconservatieve ‘Priesterbroederschap Sint Pius X’, de Piusbroeders, van wijlen monseigneur Marcel Lefebvre. Onder hen de Britse bisschop én notoir Holocaustontkenner Richard Williamson. Diezelfde donderdagavond zond een Zweedse tv-zender een interview met Williamson uit waarin hij verklaarde dat in de Tweede Wereldoorlog geen enkele Jood in een gaskamer gestorven was, dat er nooit gaskamers bestaan hadden en dat er in plaats van zes miljoen Joden ‘hooguit’ driehonderdduizend in krijsgevangenschap stierven. “Door de rehabilitatie van revisionist Williamson door Benedictus sloeg het klimaat om”, zegt Posener. “Op dat moment viel Benedictus’ masker af en toonde hij zijn ware gelaat. Benedictus is niet zomaar een ongevaarlijke conservatief die de ‘ware leer’ en de rituelen van de kerk wil bewaren. Nee, hij is een politieke reactionair die de samenleving wil veranderen. Dat werd kristalhelder op het moment dat hij de Piusbroeders terug de kerk binnen leidde. Later zou hij verkondigen dat hij niet wist dat Williamson een negationist was. Flauwekul.”

Is Benedictus dan zelf een antisemiet? Posener: “Nee, maar hij begrijpt niet wat antisemitisme is en wat het nazisme was. In mei 2006 gaf hij een speech in Auschwitz die zowel Joden als niet-Joden boos maakte. In naam van alle Duitsers verontschuldigde hij zich voor ‘een kleine bende criminelen die het Duitse volk misbruikt had om zijn eigen misdadige agenda uit te voeren.’ Dat excuus gebruikten de Duitsers in de vijftiger jaren: ‘Wij waren zelf slachtoffers van de nazi’s.’ Nu weten we dat miljoenen heel bewust de nazi’s steunden en dat de kerk met het regime collaboreerde. De kerkleiding verwelkomde de rassenpolitiek van Hitler, omdat die ‘het thuisras en de thuiscultuur’ in haar ogen behoedde voor ‘ontaarding’. De geestelijken lieten de nazi’s hun kerkregisters raadplegen om na te gaan wie er gedoopt was en wie niet. Het antisemitisme tierde welig in de hele Duitse samenleving. Het is niet verwonderlijk dat mensen geshockeerd zijn als dan ruim zestig jaar later een Duitse paus in Auschwitz beweert dat het Duitse volk zelf slachtoffer was en dat de kerk geen greintje schuld treft. Benedictus stelde ook nog in zijn speech dat de nazi’s zoveel Joden vermoord hebben omdat ze de God van Israël wilden vernietigen. De God van Israël is natuurlijk ook die van de christenen. Met die stelling liet Benedictus uitschijnen dat de Holocaust eigenlijk om een aanval op Joden én christenen ging. Maar dat was niet zo. De Holocaust was helemaal geen theologische aanval, maar een aanval op een groep mensen, op een ‘ras’. Met zijn Auschwitzspeech poogde Benedictus de betekenis van de Holocaust te stelen van de Joden en deel te doen worden van de ‘glorieuze geschiedenis’ van de kerk.”

Ziet Benedictus de Joden dan nog steeds als de moordenaars van Jezus? Posener: “Hij heeft dat nooit zo verkondigd, maar de Piusbroeders wel. En die heeft hij terug de kerk binnengebracht. Benedictus heeft de volgelingen van Lefebvre ook nooit gevraagd om die stelling te laten vallen. Daar komt bij dat hij een onverbeterlijke Holocaustontkenner zoals Richard Williamson in volle eer en glorie in zijn positie als bisschop hersteld heeft. Dit is geen antisemitisme, maar veel erger: de Joden zijn totaal onbelangrijk voor paus Benedictus XVI.”

Aseksueel

Joseph Ratzinger zag in 1927 het levenslicht in Marktl am Inn, een klein stadje in Opper-Beieren, vlak aan de Oostenrijkse grens. Alan Posener: “Zijn vader was een extreem vrome politieman, zijn moeder een kokkin en een buitenechtelijk kind. Een journalist heeft Ratzinger ooit gevraagd of hij als kleine jongen ooit kwajongensstreken had uitgehaald. Misschien was hij ooit appels gaan stelen? Maar hij kon zich helemaal niet herinneren ooit iets mispeuterd te hebben. Niets. Toen de journalist hem vroeg welke avonturen hij als kind dan beleefd had, antwoordde hij: ‘Ik herinner me dat ik en mijn oudere broer Georg mis speelden.’ Vanaf zijn zevende levensjaar was dat zijn favoriete spel. Zijn moeder naaide kleine priesterkostuumpjes. Op zijn twaalfde – vóór de start van zijn puberteit – werd de kleine Joseph naar het internaat gestuurd waar hij voorbereid werd op het priesterschap. Nooit heeft hij laten uitschijnen dat seksualiteit een probleem voor hem was. In zijn memoires schrijft hij over alles en nog wat, maar er staat geen letter over seks. Er is een zeer kleine groep van aseksuele mensen die totaal niet kunnen begrijpen hoe normale seksueel actieve mensen functioneren. Er zijn heel sterke aanwijzingen dat Benedictus aseksueel is. Zijn leven lang lijkt seksualiteit op geen enkel moment ook maar enige rol gespeeld te hebben. Vanaf zijn twaalfde zat Ratzinger in het keurslijf van de katholieke kerk, werd hij getraind om een katholieke priester te worden en daarbuiten was er niets. Helemaal niets. Er is nooit iets anders in zijn leven geweest.”

In 1941 werd de veertienjarige Joseph Ratzinger lid van de Hitlerjugend. “Maar dat mag je hem niet aanwrijven”, zegt Posener. “In die tijd werd je als jonge Duitser quasi automatisch lid van de Hitlerjugend. De katholieken die de touwtjes in zijn internaat in Traunstein in handen hadden, probeerden het lidmaatschap van de Hitlerjugend af the houden. Niet omdat ze tegen de nazi’s waren, maar omdat de Hitlerjugend gemengd was en omdat er vooral soldaatje gespeeld werd en er niet veel van studeren in huis kwam. Wat je Ratzinger dan weer wel kunt aanwrijven, is dat hij nooit echt eerlijk geweest is over zijn activiteiten aan het eind van de oorlog. Hij heeft toen krijsgevangenen bewaakt die de Ostwall moesten bouwen, een beschermmuur tegen tankaanvallen. Hij heeft daar nooit over geschreven, waardoor er altijd iets van twijfel blijft hangen. Je kunt hem nooit oneerlijk noemen in wat hij over zichzelf schrijft, maar hij is ook nooit helemaal eerlijk. Hij zwijgt gewoon over heel veel dingen uit het verleden.”

Tijdens de studentenrevolte van 1968 was Ratzinger professor aan de prestigieuze universiteit van Tübingen. “Hij stond toen bekend als progressief theoloog en was een vriend van Hans Küng. Küng had ervoor gezorgd dat Ratzinger dat professoraat kreeg. Niet veel later zou Ratzinger een radicale ommezwaai in zijn denken maken, van progressief naar oerconservatief. Hij heeft dat altijd ontkend, beweerde dat hij dezelfde gebleven was, en dat al die progressieven zoals Küng radicaliseerden. Als prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer verbood hij Hans Küng les te geven. Vroeger werd de Congregatie de Inquisitie genoemd. Haar taak: toekijken op de zuiverheid van het geloof. Onder Ratzinger werden er niet langer mensen verbrand, maar werd het hen verboden katholieke theologie te doceren, of om met de pers te praten. Het beroepsverbod voor Hans Küng kwam niet na woord en wederwoord; hij kreeg gewoon een brief met de mededeling: stop met lesgeven. Zo gaat Ratzinger met alle problemen om: eerst administratieve actie. Nooit een discussie op voorhand.”

Als hoofd van de Congregatie voor Geloofsleer was Ratzinger ook verantwoordelijk voor de behandeling van alle pedofiliedossiers. Posener: “De manier waarop de kerk onder Ratzinger met pedofilie omging, was: ‘We behandelen alle pedofiliezaken binnen het instituut’. De wijze waarop de kerk in België met haar speciale commissie de pedofiliezaken aangepakt heeft, is volledig volgens de regels en richtlijnen van het Vaticaan. De kerk heeft zich altijd meer over de daders ontfermd dan over de slachtoffers. Als je op de hoogte bent van de misdaden van een pedofiel, moet je die man gewoon aangeven aan de politie. De katholieke kerk deed dat niet. Ze vindt dat haar eigen justitie de burgerlijke overvleugelt. Terwijl niemand boven de wet zou mogen staan. Niemand. Ook niet degenen die zich, zoals Ratzinger, ‘superieur’ voelen aan de democratie.”

Tekst: © Jan Stevens

Foto: ©Veerle Van Hoey

Alan Posener, De kruistocht van Benedictus, Van Halewyck/Ten Have, 210 blz., 19,90 euro, ISBN: 978-90-79001-19-4.

See no evil

Volgens de Italiaanse maffia-expert Francesco Forgione heeft de maffia-organisatie ‘ndrangheta vertakkingen tot in België. In zijn boek Maffia Export noemt hij naam en toenaam. De Belgische politie is niet onder de indruk: “Het is niet omdat een misdadiger familie is van een maffialid, dat hij zelf ook een maffioso is.” Zelfs niet als zijn biologische vader de baas van een maffiaclan is.

 

In het pas verschenen Maffia Export brengt maffia-expert Francesco Forgione de vertakkingen van de verschillende maffiaclans over de hele wereld in kaart. Zijn bijzondere aandacht gaat naar de ‘ndrangheta. “Ze heeft zich wereldwijd het sterkst geworteld”, stelt Forgione. “De laatste twintig jaar is ze uitgegroeid tot de belangrijkste handelaar in cocaïne. In het verleden was het uitzonderlijk dat een maffiabaas zich buiten de grenzen van Italië verplaatste. Nu is het meer regel dan uitzondering. Wie een carrière als internationale cocaïnehandelaar ambieert, moet op minimum twee plekken in Europa aanwezig zijn: Spanje en Nederland. Dat zijn de toegangshavens voor het Colombiaanse witte poeder. Als een topmaffioso in Amsterdam gearresteerd wordt, is dat niet omdat hij daar toevallig op vakantie is.”

Ook België is volgens Francesco Forgione een pleisterplaats voor leden van verschillende ‘ndranghetaclans. Zo leven er in Brussel leden van de Ascone en Belloco-clan, huizen er in Gent leden van de Strangio-Nirta-clan en is vooral Genk een ideaal woonoord voor ‘ndranghetisti. Professor Forgione is niet de eerste de beste: van 2006 tot 2008 was hij voorzitter van de Italiaanse parlementaire onderzoekscommissie naar de maffia, nu voert hij onderzoek naar de maffia aan de universiteit van Aquila. Anno 2010 is de ‘ndrangheta de machtigste maffia-organisatie ter wereld, met een geschatte jaaromzet van 40 miljard euro, waarvan de helft uit drugshandel. Ze stamt oorspronkelijk uit het stadje San Luca, in de Zuid-Italiaanse regio Calabrië. Ze ontstond in de negentiende eeuw, als burgerwacht die de families van San Luca bescherming bood. In de loop der jaren groeide ze uit tot een maffia-organisatie, gespecialiseerd in het innen van beschermingsgelden, het smokkelen van sigaretten en het ontvoeren van societyfiguren. “Vandaag is de ‘ndrangheta de Al-Qaida onder de maffia-organisaties”, zegt Forgione. “Ze controleert wereldwijd de cocaïnehandel en –distributie. In tegenstelling tot ‘zusterorganisaties’ zoals de camorra of de cosa nostra heeft zij jarenlang in stilte aan haar expansie gewerkt. In België, Duitsland en Nederland gedragen ‘ndranghetisti zich als gewone ondernemers die ongemerkt drugsgeld witwassen.” Volgens Forgione onderschatten de politiediensten van die landen de infiltratie van de ‘ndrangheta. “Zo zal de politie bijna nooit op zoek gaan naar wat er onderhuids in verdachte pizzeria’s gaande is”, zegt hij. “Dat is hypocriet. Noord-Europese landen gaan ervan uit dat er niets gebeurt omdat er niets te zien is, maar ondertussen profiteren die landen wel van het misdaadgeld dat de drugshandelaren in hun economie pompen.”

 

Eieren gooien

Op woensdagochtend, 15 augustus 2007, vond de Duitse politie vlakbij het centraal station van Duisburg de lijken van vijf geëxecuteerde Italianen. Een zesde slachtoffer overleed op weg naar het ziekenhuis. De politie kwam snel tot de conclusie dat het om een afrekening ging tussen twee ‘ndranghetaclans. Volgens haar presenteerde de Strangio-Nirtaclan met de moorden de afrekening aan de Pelle-Romeo-clan voor een vete uit 1991, toen op een carnavalsfeest in San Luca een onschuldig partijtje eierengooien eindigde met een vechtpartij. “De Duitse politie slaat de bal mis”, beweert Francesco Forgione. “De Duisburgmoorden waren niet het gevolg van een vendetta, maar pasten in een ‘geschil’ over de verdeling van het drugsterritorium. Dat is typisch voor de ‘ndrangheta: er worden territoria afgebakend en een lid van de ene clan mag geen drugs dealen in het gebied van een andere. In Duisburg hadden ze een zelfde soort verdeling gemaakt: de ene familie zat aan één kant van de Rijn, de andere aan de overkant.”

In november 2008 werd Giuseppe Nirta, een van de daders van de Duisburgmoorden, in Amsterdam gearresteerd. Een half jaar later, op 12 maart 2009, werd zijn mededader en schoonbroer Giovanni Strangio in Diemen bij Amsterdam in de boeien geslagen. Vlak na de aanslag in Duisburg maakte Giuseppe Nirta gebruik van zijn Belgische netwerk en verstopte hij zich een tijdje in Gent. Dat bleek uit het feit dat zijn vingerafdrukken en DNA-sporen in oktober 2007 in een in Gent achtergelaten Renault Clio gevonden werden. “De politie weet dat er achter de moorden in Duisburg een hele maffia-organisatie schuilgaat”, zegt maffiakenner Andreas Ulrich. Hij is onderzoeksjournalist bij het Duitse blad Der Spiegel en geldt als een autoriteit op het gebied van georganiseerde misdaad. “De mensen zijn gekend, de business is gekend, maar behalve de uitvoerders is niemand van de grotere Strangio-Nirtaclan gearresteerd. Geen enkel restaurant is gesloten, geen enkel huis in beslag genomen. De politie kent de criminelen en er gebeurt niets. Helemaal niets.” Omdat ze geen tastbare bewijzen boven hebben kunnen spitten? Ulrich: “Ik hoop uit de grond van mijn hart dat dat de reden is. Alle andere verklaringen zijn catastrofaal: stel je voor dat de ‘ndrangheta geïnfiltreerd is in de politieke wereld of bij de politie. Al zijn er aanwijzingen dat er meer aan de hand is. Een huiszoeking in een Italiaans restaurant in Erfurt heeft een paar jaar geleden aan het licht gebracht dat CDU-politicus Günther Oettinger, de toenmalige president van Baden-Württemberg, zich regelmatig liet betalen door Mario Lavorato, een ‘ndraghetista en drugsgeldwitwasser. Oettinger is nu in Brussel EU-commissaris voor Energie.”

 

“Hij was altijd thuis bij mij”

Een paar maanden na de Duisburgmoorden, vlak voor kerstmis 2007, veroordeelde de rechtbank van Tongeren zes vermoedelijke ‘ndraghetisti voor witwassen van drugsgeld. De feiten dateerden van zeven jaar eerder: tussen september 2000 en juni 2001 hadden de veroordeelden 18 miljoen euro afkomstig uit de internationale cocaïnehandel witgewassen via een Brussels wisselkantoor. De vier kopstukken zaten in cellen in Italië en Amsterdam en werden bij verstek tot acht jaar cel veroordeeld. De twee Genkenaars Michele Cannizzaro en Enrico Zupo die wel lijfelijk in de rechtbank aanwezig waren, kregen straffen van respectievelijk vier jaar en 36 maanden cel. Tot na de uitspraak bleven beiden ontkennen dat ze ook maar iets met de ‘ndrangheta te maken hadden. In Maffia Export noemt Francesco Forgione Michele Cannizzaro met naam en toenaam als lid van de maffia. “Hij heeft banden met de beruchte broers Sebastiano en Francesco Strangio, leden van de clan Strangio-Nirta uit San Luca”, schrijft Forgione. “Cannizzaro ging in 1980 als emigrant in Genk wonen en trad op als drugskoerier.”

Forgione schrijft ook dat de in Genk wonende en uit Bianco (Calabrië) afkomstige Eliseo Lazzarino in juli 1990 een bijeenkomst in Ardore Marina (Calabrië) bijwoonde om de export van heroïne vanuit Italië naar Canada te bespreken. “Niets van aan”, reageert Lazzarino’s vrouw (meisjesnaam Nirta) geprikkeld. “In de jaren tachtig had mijn man verkeerde vrienden. Hij heeft toen een tijdje in Duitsland en Italië in de gevangenis gezeten. Dat was niet voor drugshandel, maar voor vals geld. Van die bijeenkomst in Ardore Marina weet ik helemaal niets. Mijn man plaatst nu schotelantennes en leidt een heel ander leven dan vroeger. Drie jaar geleden is hij, net als zijn ouders, evangelist geworden. Hij heeft met niemand contact meer, behalve met zijn familie in Bianco. In San Luca gaan we misschien een keer per jaar bij mijn tante op bezoek. Ik weet niet wat mijn man vroeger uitgespookt heeft. Ik denk niets, want hij was altijd hier thuis bij mij.”

Een andere Genkse ‘ndranghetista is volgens Forgione de in 2006 gearresteerde Antonio Costadura. “Hij is geboren in Genk en woonde er tot zijn arrestatie. Hij is de biologische zoon van maffiabaas Salavatore Nirta uit San Luca en verzorgde voor zijn clan de drugshandel vanuit Noord-Europa naar Italië.” Ook de Calabrese politie linkt Costadura in een officieel document rechtstreeks aan de Nirtaclan en dus aan de ‘ndrangheta. Alleen de Belgische politie is het daar niet mee eens. “De namen die Forgione in zijn boek geeft, zijn bij ons inderdaad al verschillende jaren gekend”, zegt Tine Hollevoet, woordvoerster van de Directie Georganiseerde Misdaad van de Federale Politie. “Maar hij trekt voorbarige conclusies als hij hen catalogeert als leden van de Calabrese mafia. Wat wel met zekerheid gesteld kan worden, is dat ze familiale banden hebben met in Italië veroordeelde maffiosi. Ze hebben bovendien hand- en spandiensten verleend bij het aanleveren van onderduikadressen en bij zwendel in verdovende middelen. Maar het lidmaatschap aan een Italiaanse maffiaclan is aan strikte voorwaarden verbonden. Criminele samenwerking met maffialeden impliceert niet dat iemand per definitie tot die clan behoort. Tot nu hebben wij van de Italiaanse justitie geen informatie ontvangen dat die mensen lid zijn van de ‘ndrangheta. Uit een recente grote antimaffia-operatie van de Italiaanse politie in Calabrië blijkt inderdaad dat de ‘ndrangheta verschillende ‘filialen’ in het buitenland heeft opgericht, maar België wordt niet vernoemd als land waar een ‘ndrangheta-familie actief is. Het klopt dat Italiaanse georganiseerde criminaliteit bij ons niet op dezelfde prioritaire manier aangepakt wordt als in Italië. Maar daaruit besluiten dat er door de Belgische politie geen of onvoldoende aandacht aan gegeven wordt, is onjuist.”

 

Gouden driehoek

De laatste dag van februari, 2001. Het Hof van Beroep van Brussel veroordeelt drugskoerier Marcello Nirta uit Genk tot vijf jaar cel en een boete van 200.000 frank. De rechter is die dag in een goede bui en verleent Nirta uitstel van de straf die hij nog niet in voorhechtenis uitgezeten heeft. Nirta verlaat de zaal als een vrij man. Eind 1999 was hij betrapt bij het ophalen van vier kilo cocaïne in Zaventem. Tijdens het proces werd er gefluisterd dat hij lid zou zijn van de Italiaanse maffia. Hij hield de lippen stijf op elkaar. De rechters vroegen, net als de politie tijdens hun onderzoek, niet te hard door. Volgens Andreas Ulrich is er in de aanpak van de Belgische politie en justitie nog niet veel veranderd. “De politie heeft geen verhaal tegen de ‘ndrangheta en beweert dan maar dat ze niet of nauwelijks actief is. Door daders als geïsoleerde criminelen te beschouwen, zal ze er nooit in slagen om het netwerk bloot te leggen. Moderne ‘ndranghetisti hebben restaurants, exploiteren onroerend goed of importeren wijn en olie. Perfecte dekmantels voor het verhandelen van drugs en voor het witwassen van drugsgeld. De maffia is dol op landen waar de vrijheid van het individu goed beschermd wordt. Duitsland, Nederland en België vormen dan ook een gouden driehoek voor de ‘ndrangheta. Natuurlijk is het belachelijk om mensen van maffialidmaatschap te verdenken omwille van hun familienaam. Maar als zo iemand ooit met het gerecht in aanraking kwam én een link heeft met familie in San Luca, is het bijzonder waarschijnlijk dat hij een ‘ndranghetista is. De bakermat van de ‘ndrangheta is trouwens maar een heel klein stadje, met amper 5000 inwoners.”

 

In het meest recente rapport over de georganiseerde misdaad in België (2007) stelt de dienst Strafrechtelijk Beleid samen met de Federale Politie vast dat ‘de Italianen’ op de derde plaats prijken in dossiers van georganiseerde criminaliteit, na de Belgen en de Nederlanders. Vervolgens wordt er 150 bladzijden lang geen letter inkt aan de Italiaanse maffia in België verspild. “Daar kun je terecht kanttekeningen bij maken”, vindt professor Brice De Ruyver, specialist georganiseerde misdaad aan de Universiteit Gent. “De voorbije tien jaar werd de ‘ndrangheta gezien als folklore. Maar niets is minder waar. Ik heb analyses gelezen waaruit blijkt dat de ‘ndrangheta dankbaar misbruik gemaakt heeft van grote politie-operaties tegen andere maffiagroepen, zoals de camorra, om in stilte haar activiteiten wereldwijd drastisch op te voeren. De ‘ndrangheta haalt haar kracht uit de verspreiding over meerdere landen met een sterke Italiaanse gemeenschap. Dat maakt het zeer moeilijk om haar leden op te sporen. Italianen met maffiaconnecties zijn ongetwijfeld verstandig genoeg om zich in de schaduw op te houden. Het is niet door in beeld te komen dat je als crimineel je winst maximaliseert. De politie zou best wat meer aandacht aan de ‘ndrangheta in België mogen schenken. Maar blijkbaar moet ze keuzes maken en investeert ze meer in fenomenen zoals de bestrijding van rondtrekkende dadergroepen. Die criminelen hebben een veel grotere impact op ons subjectief onveiligheidgevoel. Want voor de doorsnee burger is de ‘ndrangheta een ver-van-zijn-bed-show. Je voelt of ziet ze toch niet.”

 

© Jan Stevens

Francesco Forgione, Maffia Export, Ambo, 326 blz.

%d bloggers liken dit: