“Is het leven niet een groot misverstand?”

Met Het grote huis schreef Nicole Krauss een roman om op een lange winteravond in een ruk uit te lezen bij het knetterende haardvuur. “Als je het boek blijft neerleggen, verlies je misschien de weg”, vindt ze zelf. “Maar als je het in een lange, intense sessie leest, geeft het boek al zijn geheimen prijs.”

In haar nieuwe roman Het grote huis verweeft de Amerikaanse auteur Nicole Krauss op ingenieuze wijze de levens van totaal verschillende mensen tot een fascinerend geheel. De New Yorkse schrijfster Nadia werkt al jarenlang aan een bureau dat ze in de jaren zeventig gekregen heeft van de jonge Chileense dichter Daniel Varsky. Hij wou terug naar zijn thuisland, schonk zijn inboedel aan Nadia en eindigde in de folterkamers van de Chileense dictator Augusto Pinochet. Op een dag wordt het bureau opgeëist door een jonge vrouw die beweert dat ze Varsky’s dochter is. Vanaf dat moment verliest Nadia de greep op haar eigen leven. Rond dezelfde tijd ontdekt een oudere Londenaar die getrouwd is met een dementerende schrijfster dat zijn vrouw haar hele leven lang een geheim voor hem verborgen heeft gehouden. Ook hij raakt daardoor in een diepe crisis. In Oxford wordt een studente literatuurwetenschap wanhopig verliefd op Joav Weisz, de zoon van een antiekhandelaar. Vader Weisz is voortdurend op reis en Joav leeft in een niet al te gezonde, bijna incestueuze relatie met zijn zus Lea. En dan is er het schrijnende verhaal van een Israëlische vader die een van zijn zonen haat. Een haat die haar wortels heeft in de Jom Kippoeroorlog uit 1973. Hét bindmiddel tussen al die verhalen en al die mensen is het imposante bureau met vele laden dat ooit aan Daniel Varsky toebehoorde.

 

Het leven: een groot misverstand

In juni 2010 publiceerde The New Yorker een lijst met twintig Amerikaanse schrijvers onder de 40, die we volgens het gerenommeerde tijdschrift in het oog moeten houden. Die ’20 under 40’-lijst werd door uitgevers aandachtig bestudeerd, want The New Yorker bewees in het verleden al een neus te hebben voor nieuw literair talent. Op de ’20 under 40’-lijst prijken auteurs die nog alles moeten bewijzen, maar ook bekende schrijvers zoals Nicole Krauss en haar man Jonathan Safran Foer. “Dat was een hele eer”, zegt Krauss. “Alleen weet ik niet hoe betekenisvol dat soort van lijstjes is. Als ik er niet op had gestaan, had ik mezelf waarschijnlijk wijsgemaakt dat niemand daarvan wakker ligt. Net als alle literaire prijzen of onderscheidingen zijn zo’n lijsten toch een beetje een loterij. Dat geldt ook voor goeie of slechte recensies: ook daarin moet je geluk hebben, want de recensent moet openstaan voor jouw denkwereld. Ik probeer dus niet teveel aandacht aan al die dingen te schenken, niet aan de slechte en ook niet aan de goeie. Al voel ik me echt wel triest als ik een vernietigende recensie over een van mijn boeken lees. Maar dat blijft niet lang hangen. Het raakt me even, en verdwijnt dan weer. Want ik weet dat er ergens in de wereld wel een recensent zal zijn die op mijn golflengte zit, die begrijpt waarmee ik bezig ben en die mijn romans geen verkeerde intenties zal toedichten. Verkeerde interpretaties zijn het meest pijnlijke. Maar dan nog: is het leven niet een groot misverstand?”

 

Er wordt nogal wat geschreven door de personages in Het grote huis. Zit er veel in van uzelf als schrijver?

Nicole Krauss: Mijn werk is altijd heel persoonlijk. Toch is er een strikt onderscheid tussen het autobiografische en het persoonlijke. Het autobiografische put uit mijn eigen leven en ervaringen, terwijl het persoonlijke van mijn romankarakters geen enkele overeenkomst heeft met mijn leven. Al geef ik grif toe dat elke auteur sowieso veel van zichzelf in zijn karakters giet. Alle sensaties van wat leven voor een schrijver betekent, zal hij geruisloos in zijn personages laten doorsijpelen. Het is dus onvermijdelijk dat Het grote huis hier en daar uit momenten uit mijn leven put. Toch is het overgrote deel fantasie. Ik voer geen mensen op die ik zelf ken.

 

Zit er dan niet veel van uzelf in de manier waarop u Nadia als schrijfster portretteert?

Krauss: Op veel gebieden is zij veel extremer. Op de meest cruciale momenten in haar schrijverscarrière neemt zij beslissingen die ik nooit genomen zou hebben. Ik heb een gezin en ben moeder van twee kleine jongens, zij koos voor het tegengestelde. Ze maakte de radicale keuze om weerstand te bieden aan alle verleidingen die haar van haar werk zouden kunnen afhouden. Ik vond dat erg fascinerend, maar ik zou dat zelf nooit gedaan hebben, want dan was mijn leven als schrijver een marteling geworden. Uiteindelijk wordt ze een heel tragische figuur, maar dat wist ik nog niet toen ik over haar begon te schrijven. Het is natuurlijk mijn eigen fout dat ik haar zo gemaakt heb.

Zelfs als ik geen gezin zou hebben, zou ik niet geëindigd zijn zoals zij. Wie schrijver wil worden, moet heel meelevend zijn. Het is onmogelijk om dit werk te doen als je geen empathie kan voelen. Ik kan beslissingen nemen die mezelf en dat van anderen ten goede komen. Nadia niet. Ik veroordeel haar niet, ik veroordeel niemand van mijn personages, maar zij leeft alleen in functie van haar schrijverschap, en zij gelooft daar ook rotsvast in. Ik zou dat niet kunnen. Omdat ik teveel om anderen geef, maar ook omdat anderen soms belangrijker zijn dan mijn werk.

 

Raakt u dan niet net als Nadia tijdens het schrijven totaal geobsedeerd door de roman waaraan u werkt?

Krauss: Ja, maar niet meer zo overheersend als vroeger. Ik herinner me nog heel goed de tijd dat ik niet wist wat voor dag van de week het was, omdat elke dag een schrijfdag was. Ik was toen meester van mijn eigen tijd, dat is nu niet meer het geval.

 

Ook al bent u getrouwd met Jonathan Safran Foer, een andere schrijver?

Krauss: Dat heeft niet zoveel invloed op ons gezinsleven. Net als in zoveel andere gezinnen zijn wij twee werkende ouders. We werken op kantooruren, en als het slecht uitkomt, regelen we een babysit. Al is er wel een periode geweest dat ik bang was om mijn ambitie te verliezen. Want als er op een bepaald moment een persoon in je leven komt die er meer toe doet dan jezelf, vermindert de ambitie om te schrijven. Tot ik ontdekte dat het niet of/of was, maar en/en. Nu leven die twee ambities naast elkaar. Nadia daarentegen koos voluit voor haar schrijverschap.

Ik weet trouwens niet of het leven van twee schrijvers samen zo speciaal is. Ik kan ons leven niet van buitenaf beoordelen. Ik zie het alleen van binnenuit. Aan het ontbijt hebben we het niet over schrijven, maar over het klaarmaken van de lunch voor de kinderen. Ik laat Jonathan mijn werk niet lezen terwijl ik eraan bezig ben, niemand krijgt het dan te zien. Wel op het einde, maar nooit als ik er middenin zit. Dan is het veel te kwetsbaar. Sommige schrijvers vinden het fantastisch om over een boek in wording te praten, ze spreken erover met hun man of vrouw en vragen naar oplossingen voor moeilijke situaties. Ik niet. Als ik middenin een boek zit, klap ik helemaal dicht. Dat komt omdat de roman nog niet helemaal gevormd is in mijn geest, de woorden zijn er dan nog niet. Ik weet dat uiteindelijk alles in orde komt, maar ik kan er dan nog niets over kwijt. Ik ben bang dat ik mijn zelfvertrouwen zal verliezen als ik er teveel over vertel. Ik spreek met Jonathan wel over mijn geestesgesteldheid tijdens het schrijven. ‘Het ging niet zo goed vandaag. Het wordt een sof.’ Of: ‘Ik denk dat ik op het juiste spoor zit.’ Meer niet. Als het boek bijna af is, mag hij mijn eerste lezer zijn. En ik ben zijn eerste lezer. Denk ik toch. (lacht)

 

Het grote huis lijkt op het eerste gezicht samengesteld te zijn uit vier totaal onafhankelijke verhalen. Uiteindelijk komen ze allemaal samen. Hoe lastig was het om tijdens het schrijven de draad niet te verliezen?

Krauss: Het zal je misschien verbazen, maar ik maak nooit een grote constructie voor ik aan een roman begin. Het schrijven gebeurt heel intuïtief. Voor ik aan een boek begin, wil ik eerst en vooral verdwaald raken. Ik hou ervan om veel werelden te creëren waarin ik verloren kan lopen. Op een bepaald moment begin ik me dan zorgen te maken hoe al die werelden uiteindelijk zullen samenkomen. Ze moéten ook één worden, dat kan niet anders, want ze zijn allemaal ontsproten uit dezelfde geest. Als schrijver is het mijn job om de coherentie tussen die verhalen te ontdekken en om de structuur van de roman, het huis, te vinden. Mijn romans worden gebouwd van binnenuit. Het zijn geen vooraf bedachte ideeën die ik uitwerk. Neem het verhaal over de Londenaar die ontdekt dat zijn vrouw haar hele leven lang een geheim voor hem verborgen hield. Ik wou in eerste instantie schrijven over de zwemvijvers in Hampstead Heath. Ik heb een paar jaar in de buurt van die vijvers gewoond. Het is een traditie van sommige oude Londenaars om ongeacht het weer, elke dag een duik te nemen in de zwemvijvers van Hampstead Heath. Ik was verzot op de Heath en ging er vaak rondwandelen. Ik wou er in mijn gedachten terug naartoe om die plek opnieuw tot leven te brengen. Ik schreef een scène en de karakters waren er alleen maar om de scène te stofferen: een man met zijn dementerende vrouw. Onbewust schreef ik vanuit het perspectief van de man die ziet hoe zijn vrouw elke dag een beetje meer ‘verdwijnt’. Slechts na veel bladzijden besefte ik dat ik aan het schrijven was over een man die het gevoel heeft dat hij met een mysterie getrouwd is. Toen pas begon ikzelf te begrijpen hoe heel hun verhaal echt ineen zat.

Soms vervloek ik mezelf dat ik geen gemakkelijkere manier van schrijven gekozen heb. Maar ik weet het dan niet zo spannend zou zijn voor mezelf en niet zo betekenisvol. Tijdens het schrijven word ik even kwetsbaar als mijn karakters. Net als hen weet ik niet waar of hoe het zal eindigen. Als schrijver loop ik vaak verloren in een immens woud. Maar ik zet me ook altijd in een positie dat ik iets kan leren van mijn personages, over de wereld en over mezelf. Dat vind ik fantastisch. En dan is er die sensatie die veel, veel later komt: wanneer ik besef dat het me gelukt is, dat ik een stabiele structuur uit al die verhaallijnen, ervaringen, gedachten, observaties en karakters heb kunnen puren. Wanneer ik zie dat ik vanuit mezelf een compleet huis heb opgebouwd.

 

Plaats van de verbeelding

Wat hebt u met Chili? Het land speelde al een voorname rol in uw vorige roman De geschiedenis van de liefde en krijgt nu opnieuw een prominente rol via de figuur van de Chileense dichter Daniel Varsky.

Krauss: Mijn interesse in Chili begon heel instinctief, tijdens het schrijven van De geschiedenis van de liefde. Natuurlijk schrijf ik vooral over de plekken die me vertrouwd zijn: New York, Londen, Israël. Dat zijn de plaatsen waar mijn ouders opgegroeid zijn en die ik heel goed ken. In De geschiedenis van de liefde was Chili de ‘vierde plaats’, de plaats van de verbeelding. Ik was nog nooit in dat lange, smalle land aan het einde van de wereld geweest. Ik wou Chili ook niet bezoeken, want het leek als het ideale land waar een verhaal verzonnen kon worden. Ik wist alleen dat Valparaiso een stad aan zee was, en dat volstond voor die roman. Na de publicatie van De geschiedenis van de liefde werd Chili plots heel reëel. Ik werd er als jurylid voor een literaire prijs uitgenodigd. Rond die tijd was ik zwanger. Ik begon geobsedeerd te lezen over het Pinochetregime, over al die verdwenen mensen. Ik las elk detail, het leek bijna op zelfkwelling. Het was als een nachtmerrie, en toch bleef ik aan de gruwel denken en doorlezen. Ik wist niet waarom. Nu ik er op terugkijk, denk ik dat het iets te maken had met feit dat ik een zoon ging baren. Misschien besefte ik dat mijn geluk helemaal zou afhangen van zijn veiligheid, van zijn welbevinden. Ik voelde me zo kwetsbaar. De enige manier om daar iets aan te doen, was me verdiepen in Chili. Ik dacht er toen aan om een hele roman over die periode te gaan schrijven. Maar dat is dus niet gebeurd. Al mijn angst heb ik geabsorbeerd in het karakter van Daniel Varsky, die het hele boek door blijft spoken. Varsky zegt doorheen Het grote huis geen woord, maar op een of andere manier draagt hij de duisternis van de hele Pinochetperiode doorheen het hele verhaal.

 

Kon u de horror nog voelen toen u Chili bezocht?

Krauss: Ja, en dat kwam omdat ik er zoveel over gelezen had. Ik kon elke gevangenis situeren. Toen ik door Santiago wandelde, wist ik: ‘Op deze plaats werd gefolterd.’ Chili is een prachtig land. De Chilenen zijn warme mensen, maar ze zijn nog altijd niet in het reine met hun verleden.

De coup van Pinochet vond plaats in september 1973. Ik associeerde die datum bijna spontaan met de Jom Kippoeroorlog in Israël in oktober van datzelfde jaar. Die twee gebeurtenissen vonden zo goed als simultaan plaats, er lagen amper een paar weken tussen. Tijdens de voorbereiding van Het grote huis maalden die twee historische tragedies door mijn hoofd. Ze werden allebei heel belangrijk voor mij. Al zal de lezer dat waarschijnlijk niet direct merken. Waarom ze zo belangrijk zijn? Dat heeft te maken met mijn ‘obsessie’ met het begrip ‘metafoor’. Een metafoor brengt twee totaal verschillende ideeën samen, creëert een onverwachte brug en geeft je een gevoel van eenheid. Ik denk dat we allemaal van metaforen houden omwille van de illusie die ze ons geven dat de wereld verbonden is, dat het zin heeft. Zoals die twee historische, op het eerste gezicht totaal aparte gebeurtenissen die bijna op hetzelfde moment plaatsvonden.

 

Duidt het beeld van het steeds opduikende bureau van Varsky met al die verschillende laden op hetzelfde? In de ene lade zit dit, in de andere iets anders, maar toch zijn ze door het grotere bureau onderling met elkaar verbonden?

Krauss: Ja, al was dat niet zo gepland. Naarmate de roman vorderde begon het bureau steeds meer betekenis te krijgen. Al kan ik niet zomaar zeggen wat die betekenis juist is. (lacht) Het betekent zoveel dingen tegelijkertijd, zoals zoveel beelden in dit boek. Neem het steeds weerkerende beeld van een steen die door een raam vliegt. Dat idee zat van in het begin in mijn hoofd: wat als iemand een steen door een raam gooit, terwijl in het huis een Joodse familie zit? Het is 1944 en de Gestapo staat op het punt hen te arresteren. Het leven zoals zij het kennen, zal dan voor altijd eindigen. Op het moment dat die steen de lucht ingaat, zitten ze in hun oude leven. Maar van zodra de steen valt, verandert hun leven voorgoed. Die scène schreef ik pas op het einde, maar doorheen het hele boek duikt die ‘vliegende steen’ op. Eigenlijk besefte ik pas nadat ik al een heel eind gevorderd was, dat die steen een vooraankondiging was van een tragedie.

 

Israël speelt een belangrijke rol in Het grote huis. Hoe belangrijk is dat land voor u?

Krauss: Ik ben niet opgegroeid in Israël, maar ik ken er veel mensen. Je kunt je het effect van de jarenlange dreiging, van al die oorlogen niet voorstellen. Dat duurt nu al decennia lang. Het leven met geweld is overgegaan van ouders op kinderen, van de ene naar de andere generatie. Het is een deel van het volk geworden, waardoor Israëli’s nu een heel aparte ‘tak’ vormen binnen het Jodendom. Ik wil zelf nooit in Israël gaan leven, omdat ik het niet eens ben met de regering die er aan de macht is. Ik vind het al lastig genoeg om in Amerika te wonen. De jaren onder Bush waren een verschrikking. Ik vind het niet leuk om onder een regime te leven dat ik verafschuw en dat mijn waarden niet deelt.

 

Hoe is het dan nu onder Obama?

Krauss: We zijn er geweldig op vooruit gegaan. Ik wou dat mijn medeburgers hem niet zo bekritiseerden. De catastrofe die hij geërfd heeft, is immens. Niemand zou ooit kunnen doen wat Obama tot hiertoe gedaan heeft om die rotzooi op te ruimen. We moeten hem tijd geven. Hij heeft ons uit de goorste diepten van de recessie getrokken. Desalniettemin vind ik het afschuwelijk dat ik in een land leef waar een fenomeen als de Tea Party mogelijk is. In Amerika wonen is voor mij al niet zo vanzelfsprekend, maar leven in Israël is andere koek. Ik heb er vaak over nagedacht om naar Europa te verhuizen. Maar als je kinderen hebt, wil je dat ze dicht bij hun familie zijn. Dan blijf je, for better and for worse.

 

© Jan Stevens

Nicole Krauss, het grote huis, Anthos, Amsterdam, 342 blz., 21,95 euro, ISBN 978-90-414-1661-2

 

Nicole Krauss

Geboren op 18 augustus 1974 in New York City

Debuteerde in 2002 met Man komt kamer binnen

Scoorde in 2005 een gigantische bestseller met De geschiedenis van de liefde en stond met die roman op de shortlist voor de Orange Prize

Het grote huis is haar derde roman

In 2004 trouwde ze met Jonathan Safran Foer. Het schrijverspaar heeft twee kinderen en woont in Brooklyn, New York.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s