“Mijn vader noemde zichzelf fier ‘neger’”

Het negerboek leverde Lawrence Hill de status van internationaal bestsellerschrijver op. In de nasleep van dat succes verschijnt zijn debuut Iets uitzonderlijk groots uit 1992 nu pas voor het eerst in het Nederlands. “Ooit ben ik als cynisch journalist gestart. Dankzij de taalstrijd tussen de Engelsen en Fransen heb ik mijn morele kompas gevonden.”

Jarenlang werkte de Canadese schrijver Lawrence Hill (1957) in de luwte aan zijn oeuvre. Als zoon van een zwarte vader en een blanke moeder die allebei vooraanstaande mensenrechtenactivisten waren, schreef hij vooral over verscheidene vormen van onrechtvaardigheid. Na twee romans en vier non-fictieboeken, scoorde hij in 2007 een gigantische internationale bestseller met zijn roman The Book of Negroes, vorig jaar vertaald als Het negerboek. Daarin vertelt hij aan de hand van de belevenissen van het Afrikaanse meisje Aminata Diallo, het verschrikkelijke verhaal van de 18e-eeuwse slavenhandel. “Het succes van Het negerboek was een bevreemdende ervaring”, zegt Hill bij een kop fairtrade koffie in zijn favoriete koffiehuis My dog Joe in Westdale, een rustige wijk in zijn thuisstad Hamilton. “Zeker omdat ik jarenlang boeken geschreven heb zonder beroemd te zijn. Ik zie mezelf nog altijd niet als de ‘internationale bestsellerschrijver’, ook al is dat nu wel zo. Thuis beschouwt niemand me als een celebrity. Dé vraag van alledag is en blijft: “Wie kookt vanavond? Jij of ik?” Dat is prima, want zo blijf ik met beide voeten op de grond.”

Dankzij het megasucces van Het negerboek ligt tien jaar na datum Hills uitstekende debuut Iets uitzonderlijk groots nu in Nederlandse vertaling in de boekhandel. Hoofdpersonage Mahatma Grafton studeert in 1983 aan de universiteit van Toronto af als master in de economie, heeft geen enkel doel of plan en neemt dan maar een job aan als reporter bij de krant The Winnipeg Herald. “Mahatma had over de journalistiek ontdekt dat dat het enige pseudoberoep ter wereld was waar nog nietsnutten werden aangenomen.” Mahatma schrijft nietszeggende stukjes over moord en doodslag, tot hij betrokken raakt bij de Engels-Franse taalstrijd in de provincie Manitoba.

Net als Mahatma Grafton startte Lawrence Hill begin jaren tachtig zijn carrière als correspondent bij een krant in Winnipeg, de hoofdstad van Manitoba. “Ik versloeg toen een politieke crisis die sterk geleek op die in Iets uitzonderlijk groots en die zijn oorsprong vond in spanningen tussen de Engels- en Franstalige gemeenschappen. Toch is mijn debuutroman geen autobiografie, al gebruikte ik als grondstof wel de onderwerpen die mij als jonge verslaggever boeiden.”

Rond 1990 nam u ontslag als journalist om uw eerste roman te schrijven. Was u het journalistenbestaan moe?

Lawrence Hill: “Helemaal niet, ik vond het juist fijn om journalist te zijn. Maar ik droomde er van mijn zesde al van om voltijds romanschrijver te worden, dus spaarde ik al die jaren dat ik bij de krant werkte als een hamster, tot ik mijn ontslag kon geven. Ik reisde vervolgens naar Spanje en heb daar een jaar lang elke dag aan mijn debuut gewerkt. De meeste ontwikkelingsromans handelen over jongens die op seksueel vlak man worden. Ik wou het verhaal vertellen van een apathische jongen die via zijn eerste job uitgroeit tot een sociaal geëngageerde man. Mahatma start als cynisch journalist, wordt na een tijd geraakt door het onrecht dat hij bovenspit en vindt zijn moreel kompas door een paar pijnlijke sociale thema’s te verslaan. Ik maakte als jonge reporter net hetzelfde mee.”

Waren jonge Canadezen in de jaren tachtig dan niet geïnteresseerd in sociale thema’s of politiek?

“De doorsnee Canadees van om het even welk geboortejaar is minder geëngageerd dan zijn Europese leeftijdsgenoot. Ik heb in Europa, Afrika en de Verenigde Staten gewoond en ik ben tot de vaststelling moeten komen dat de Canadese samenleving in veel opzichten een van de minst geëngageerde ter wereld is. Als jonge journalist was ik er getuige van hoe sommige mensen plots wel politiek zeer actief werden. Rustige, gewone mensen konden het niet langer verkroppen dat ze hun eigen taal niet mochten spreken en ontpopten zich tot vastberaden, passionele activisten. Als prille twintiger zag ik voor het eerst politiek engagement in mijn geboorteland. Mijn eerste roman moést daar dus wel over gaan.”

Waarom zijn Canadezen zo weinig geëngageerd?

“Veel Canadezen hebben wel nog idealen, maar de overgrote meerderheid is volstrekt a-politiek en gaat bijvoorbeeld nooit stemmen. Bij alle verkiezingen ligt de opkomst extreem laag. Er moet heel wat gebeuren vooraleer mijn landgenoten opgewonden raken over een bepaald thema. Wat wel heel gevoelig ligt, zijn alle onderwerpen die te maken hebben met identiteit. Een politicus die het aandurft om de vlag ter discussie te stellen, of de ene groep hoger dan de andere op de sociale hiërarchische ladder wil plaatsen, mag zich aan emotionele reacties en zelfs verzet verwachten. De talenkwestie waarbij de Franstalige minderheid zich in Manitoba in de tachtiger jaren in de verdrukking geplaatst voelde, is daar een illustratie van. De talencrisis was in de eerste plaats een sociale kwestie, waarbij de welvarende Engelstalige meerderheid de Franstalige minderheid ervan verdacht op hun economische macht te azen en hen daarom het recht wou ontzeggen hun eigen taal te spreken.”

Met taalproblemen hebben wij in België ook enige ervaring.

“De tegenstelling tussen taalgroepen is bij ons nooit zo extreem geweest als bij jullie en heeft het bestuur ook nooit verlamd. Sinds de jaren zeventig is er een bloeiende separatistenbeweging actief in de Franstalige provincie Québec. Soms staat ze sterk; op dit moment is ze relatief zwak. Net als bij jullie zullen spanningen rond taal altijd een onderdeel van ons politieke landschap vormen.”

“Het traditionele verhaal luidt dat Canada gebouwd is door de Britten en de Fransen. Alle andere groepen uit onze samenleving, waaronder Afrikaans-Canadezen en Aboriginals, worden in dat officiële discours vaak ‘vergeten’. Al klopt het natuurlijk wel dat het huidige Canada het resultaat is van een oorlog tussen Britten en Fransen die door de Britten werd gewonnen. Het Franssprekende deel van het land werd ‘overgenomen’ door de Engelsen, waarna de Fransen als minderheid moesten vechten voor hun rechten. Toen ik in Manitoba woonde en werkte, voelde ik veel sympathie voor die Franse taalstrijd. Vooral in de jaren tachtig raakten de gemoederen er danig door verhit, al ging het er niet zo gewelddadig aan toe zoals ik het in Iets uitzonderlijk groots beschreven heb. Het boek is in de eerste plaats een roman en geen non-fictie.”

In tegenstelling tot wat u schrijft, werd Winnipeg niet geleid door een communistische burgemeester?

“Nee, al had het wel heel goed gekund. De hoofdstad van Manitoba heeft een bijzonder interessante geschiedenis. In tegenstelling tot de meeste Canadese steden heeft Winnipeg een onvervalste ‘working class’-achtergrond. Jarenlang zetelde in de gemeenteraad de openlijk communistische Joe Zuken. Tot diep in de jaren tachtig was hij superpopulair bij de arbeiders. In steden als Toronto, Montreal, Ottawa of Vancouver was een communistisch gemeenteraadslid ondenkbaar. Zuken heeft het nooit tot burgemeester geschopt, maar het scheelde niet veel.”

Was de rest van Canada in die tijd echt zo in de ban van het anticommunisme zoals u het beschrijft?

“Aan het einde van de twintigste eeuw leefde in Canada de geest nog van Joseph McCarthy, de Amerikaanse communistenjager uit de jaren vijftig. Onze politici waren doodsbang voor het communisme. Halverwege de jaren tachtig werkte ik voor de Winnipeg Free Press als politiek verslaggever in de hoofdstad Ottawa. In 1984 verklaarde de toenmalige premier dat het communisme de grootste bedreiging voor Canada vormde. Mijn mond viel open van verbazing toen ik hem dat hoorde zeggen. ‘Wat dan met armoede?’, repliceerde ik. ‘Of met de milieuvervuiling?’ De anticommunistische retoriek van onze belangrijkste politieke leiders klonk als complete onzin in mijn oren.”

“Ook mijn stukken in de krant werden net als die van Mahatma herschreven en aangepast aan het anticommunistische discours van die tijd. Dat gebeurde op een weinig subtiele, barbaarse wijze. In de Engelstalige Canadese krantenwereld is het trouwens nog steeds de normaalste zaak van de wereld dat redacteurs artikels van startende journalisten herschrijven zodat ze in een bepaald kraam passen.”

Mahatma’s vader is zwart en heeft het voortdurend over ‘negers’. In de Verenigde Staten kreeg Het negerboek een andere titel, Someone Knows My Name, omdat de uitgever zwarten niet voor het hoofd wou stoten.

“Nu is het politiek niet correct om over ‘negers’ te spreken, maar in de vijftiger en zestiger jaren was het woord ‘neger’ heel gewoon. Het was het meest beleefde, respectvolle woord dat mensen gebruikten als ze het over zwarten hadden. Mijn vader Daniel Hill was een Afrikaan-Amerikaan die een Afrikaan-Canadees werd nadat hij in 1950 naar Toronto verhuisde. Hij noemde zichzelf fier ‘neger’. In de jaren zeventig leidde hij de Ontario Human Rights Commission (OHRC), een grote instelling die de mensenrechten in Ontario moest verdedigen. Toen vader in 1962 tot directeur van de OHRC benoemd werd, schreef de toonaangevende krant The Globe and Mail op haar voorpagina: ‘Human Rights Commission benoemt negervoorzitter’. Zo’n kop is nu totaal ondenkbaar, maar in die tijd was het normaal en helemaal niet onbeschoft of racistisch.”

Aan de blanke personages in Iets uitzonderlijk groots wordt nooit gevraagd: ‘Waar kom jij vandaan?’, de gekleurde Mahatma krijgt die vraag voortdurend voor de voeten geworpen.

“Veel blanke Canadezen gaan ervan uit dat niet-blanken wel van ‘elders’ moeten komen. Nog vóór Mahatma in levende lijve voor de journalistenjob komt solliciteren, organiseren zijn toekomstige collega’s al weddenschappen over waar hij vandaan komt, want ‘met een naam als Mahatma zal hij wel een Pakistani zijn’. Daarmee wou ik de draak steken met de vooroordelen die Canadezen hebben over hun landgenoten. Het wordt helemaal absurd als je bedenkt dat de voorouders van de meeste Canadezen, zeker de blanke, zelf migranten waren.”

Is het samenleven in Canada tussen al die verschillende culturen gelukt?

“Er is flink wat rassendiscriminatie en de verhouding tussen de politie en de zwarte gemeenschap ligt soms moeilijk. Toch vind ik dat het samenleven vrij goed lukt en dat Canada als ‘sociaal multicultureel experiment’ al bij al geslaagd is.”

“Canadezen wijzen graag met een beschuldigende vinger naar het morele falen van andere landen. We praten vol afschuw over het apartheidsverleden van Zuid-Afrika of over de slavernij in de VS, maar we vermijden het om gelijkaardige onderwerpen uit onze eigen geschiedenis aan te snijden. Er is een groot gebrek aan kennis over wie we zijn en waar we vandaan komen. Zo weten de meeste Canadezen niet dat ook in hun land slavernij bestaan heeft. In Het negerboek wou ik ook dat niet al te fraaie verhaal behandelen. Het schrijven van die roman was vijf jaar lang een pijnlijke ervaring. De research naar de slavenschepen en de collaboratie van Afrikanen aan de slavenhandel was emotioneel moeilijk en tijdens het schrijven werd ik voortdurend geplaagd door nachtmerries.”

Het was een opluchting toen die roman af was?

“Ja, want eigenlijk had ik de hoop bijna opgegeven het boek ooit af te kunnen werken. De bekroning met de Commonwealth Prize in 2008 was fantastisch, maar een bestseller werd Het negerboek pas door mond aan mond reclame. De Noord-Amerikaanse leesclubs hebben daar een niet te onderschatten rol in gespeeld. Bijna elke gestudeerde vrouw uit Canada of de VS boven dertig is tegenwoordig lid van zo’n club. De leesclubs worden bijna exclusief bevolkt door vrouwen en zijn uitgegroeid tot een belangrijk sociaal fenomeen. Honderdduizenden vrouwen investeren er hun kostbare vrije tijd in; sommigen zijn zelfs lid van twee of drie clubs. Als de leesclubvrouwen je boek goed vinden, is de kans dus zeer groot dat je een bestsellerschrijver wordt.”

Lawrence Hill, Iets uitzonderlijk groots (Some Great Thing) Vertaald door Ine Willems, Nieuw Amsterdam, 270 p., 18,95 euro

 

Tekst: © Jan Stevens

Foto: © Veerle Van Hoey

Scheiden was lijden

Het pas verschenen De geheime liefde van Mrs. Robinson brengt een van de allereerste Engelse echtscheidingsprocessen uit 1858 terug tot leven. In tegenstelling tot het victoriaanse Engeland, had het nog jonge België op dat moment al bijna dertig jaar een vooruitstrevende echtscheidingswet. Maar in de praktijk was scheiden ook hier lijden: wie een vlotte scheiding via de rechtbank wou afdwingen, was best getrouwd met een man met zeer losse handjes of met een vrouw die de kost verdiende als prostituee.

 

Londen, maandag 14 juni 1858. De drie rechters van het kersverse ‘Gerechtshof voor echtscheiding en huwelijkse zaken’ luisteren met rode oortjes naar de advocaat van Henry Robinson. Die citeert gretig uit het door Henry ontdekte dagboek van zijn vrouw Isabella Hamilton, waarin zij in geuren en kleuren verslag uitbrengt van haar passionele relatie met de tien jaar jongere getrouwde dokter Edward Lane. Zo schreef Isabella in oktober 1854 na een avondlijke tocht met haar minnaar in een koets: “Ik heb nog nooit zo’n gelukzaligheid beleefd als in dat uur, vol van een genot zo groot dat ik bereid was te sterven om nooit meer te ontwaken. Ik zal niet alles vertellen wat er gebeurde – laat me volstaan met te zeggen dat ik ten slotte in de armen lag van wie ik zo vaak had gedroomd.”

Het proces van het echtpaar Robinson was een van de allereerste officiële Engelse echtscheidingen. In haar intrigerende boek De geheime liefde van Mrs. Robinson laat de Britse journaliste Kate Summerscale het echtscheidingsproces van Henry en Isabella herleven en schetst ze een boeiend beeld van het huwelijk en de seksuele moraal in het victoriaanse Engeland halverwege de negentiende eeuw. Tot begin 1858 kon een huwelijk er alleen ontbonden worden door een individuele wet die aangenomen moest worden door het parlement, maar de financiële vergoeding daarvoor kon bijna niemand ophoesten. De burgerlijke rechtbank voor ‘echtscheiding en huwelijkse zaken’ was opgericht na de stemming van een nieuwe wet die echtscheiding eindelijk ook voor de doorsnee Engelse middenklasse mogelijk moest maken. Tot dan was het voor een getrouwde vrouw zelfs totaal onmogelijk om de echtelijke band met haar nukkige of tirannieke man te verbreken, want een vrouw kon geen gerechtelijke stappen zetten en mocht wat ze zelf verdiende niet bijhouden of naar eigen goeddunken spenderen. Dankzij de nieuwe echtscheidingswet konden vrouwen nu wel naar de rechtbank stappen, al bleef het voor hen toch een veel heikeler onderneming dan voor mannen. Als een man wilde scheiden, moest hij alleen de ontrouw van zijn vrouw aantonen. Als een vrouw wou scheiden, moest zij niet alleen de ontrouw van haar man bewijzen, maar ook dat hij schuldig was aan ‘kwaadwillige verlating, wreedheid, bigamie, incest, verkrachting, sodomie of bestialiteit.’ In het victoriaanse Engeland waren overspelige mannen minder in fout dan ontrouwe vrouwen. Op het moment van zijn echtscheiding had Henry Robinson zelf twee buitenechtelijke dochters; daar werd tijdens het proces met geen woord over gerept. Een ontrouwe vrouw als Isabella Hamilton vormde dan weer een regelrechte aanval op de fundamenten van de burgermaatschappij, want door haar overspel kon ze haar wettige man opzadelen met het kind van een ander, en zo alle zekerheden over erfopvolging en bloedverwantschap ondermijnen.

 

Madame Bovary

In 1857, een jaar vóór het echtscheidingsproces van de Robinsons, verscheen in Frankrijk Madame Bovary van Gustave Flaubert. Het zinderende verhaal over de overspelige doktersvrouw Emma Bovary die naar passie en romantiek smacht en, net als Isabella Hamilton, de liefde met haar minnaar in een rijtuig bedrijft, belandde in het preutse Engeland tot het einde van de 19e eeuw op de lijst van verboden boeken. De Franse publicatie verliep ook niet zonder slag of stoot, maar in plaats van vijftig jaar, duurde het in Frankrijk maar één maand vooraleer Flaubert van de rechter toestemming kreeg om zijn eerder in La Revue de Paris in feuilleton verschenen ‘schandaalroman’ in boekvorm uit te geven.

Die ‘lossere’ Franse moraal bleek ook uit het echtscheidingsrecht: dankzij de Code Civil, het vooruitstrevende burgerlijke wetboek geschreven onder Napoleon Bonaparte, werd het rond 1800 al mogelijk een huwelijk te ontbinden. De samenstellers van de Code Civil waren er zich van bewust dat het huwelijk niet altijd een paradijs op aarde was en soms kon ontaarden in de hel. Ze haalden het huwelijk van het sacrale voetstuk waarop de kerk het geplaatst had, en herleidden het tot een burgerlijk contract dat ofwel bij wederzijdse toestemming juridisch verbroken kon worden, ofwel op vraag van een van de echtgenoten. De Code Civil gold ook in geannexeerde gebieden zoals het huidige België en Nederland en bleef na 1813 van kracht in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Toen België in 1830 de onafhankelijkheid uitriep, veranderde er ondanks de hegemonie van de rooms-katholieke kerk niets aan de liberale echtscheidingswet. In Nederland daarentegen, verdween in 1836 de echtscheiding met wederzijdse toestemming uit het burgerlijk wetboek en werden de voorwaarden om te kunnen scheiden strenger.

 

Primaat van het huwelijk

“Over de allereerste echtscheidingszaken in België is jammer genoeg niets meer terug te vinden”, zegt professor Koen Matthijs van het Leuvense Centrum voor Sociologisch Onderzoek. Samen met zijn voormalige medewerker Carine Meulders voerde Matthijs wel onderzoek naar echtscheiding in de 19e eeuw aan de hand van concrete echtscheidingsprocessen in Brugge tussen 1865 en 1914. Ook al had België in die tijd in vergelijking met de meeste West-Europese landen een liberale echtscheidingswetgeving, toch werden er relatief weinig echtscheidingen aangevraagd. In 1830, het jaar van de onafhankelijkheid, waren er in België op 26.484 burgerlijke huwelijken welgeteld 4 echtscheidingen. Een jaar later waren er op 30.951 huwelijken 7 echtscheidingen en nog een jaar later strandden er slechts 3 huwelijken. In 1858, het jaar waarin de Robinsons voor het Britse ‘Gerechtshof voor echtscheiding en huwelijkse zaken’ verschenen, lieten 55 Belgische koppels zich uit de echt scheiden. Toen België in 1880 zijn vijftigjarig bestaan vierde, werden 38.926 huwelijken ingezegend en nam het aantal echtscheidingen toe tot 214. (Twee jaar geleden, in 2010, registreerde het Nationaal Instituut voor de Statistiek 42.159 huwelijken en 28.903 echtscheidingen.)

Het lage scheidingscijfer was niet alleen een gevolg van de hegemonie van de katholieke kerk, maar ook van de praktijk van de meer conservatieve rechters die het niet begrepen hadden op de vooruitstrevende echtscheidingswet. Tijdens de echtscheidingsprocedures trokken ze volop de kaart van de ‘verzoening’, in de hoop zo ‘het primaat van het huwelijk’ te herstellen.

Tussen 1865 en 1914 startten 372 koppels bij de Brugse rechtbank van eerste aanleg een echtscheidingsprocedure. In 103 zaken (28%) werd nooit een eindvonnis uitgesproken. Soms haakte de eisende partij af door een gebrek aan financiële middelen of gaf ze toe aan de intimidatie van de woedende partner. Heel af en toe verloren beide ruziënde echtelieden na verloop van tijd interesse in hun eigen scheiding en stuurden ze hun kat naar de rechtbank. Maar in de meeste gevallen verzoenden de koppels zich onder druk van de magistraten. Ondanks beledigingen en mishandelingen, ondanks overspel en publieke vernedering bleek het huwelijk uiteindelijk toch heilig: moegetergde echtgenotes schikten zich in hun lot en namen de klappen die hun partners uitdeelden er maar bij. Veel vrouwen werden in de loop van het proces ook bang om na een scheiding aan lager wal te geraken. De helft van de koppels die zich verzoende, behoorde tot de gegoede burgerij of tot de zelfstandige middenklasse van winkeliers, kooplui of kleine ondernemers. De noodzaak om het familiebedrijf draaiende te houden, hielp hen ‘kiezen’ voor de verzoening.

 

Zware belediging

Liberale echtscheidingswet of niet: rond 1860 was de weerstand bij de Belgische publieke opinie tegen scheiden zeer groot. De rechters deelden die aversie. In de rechtbank bekeken ze de aanvragers van een scheiding met veel argwaan. Een magistraat stond een echtscheiding alleen toe als het echtelijke leven ondraaglijk geworden was. Hij was altijd op zijn hoede voor ‘lichtzinnige’ of ‘onterechte’ vragen tot echtscheiding en ging doelbewust op zoek naar wie schuldig was en wie niet. Tezelfdertijd was het zijn taak om te verzoenen en probeerde hij echtgenoten weer dichter tot elkaar te brengen. De rechters bezaten absolute macht om te oordelen wie wel of niet ‘recht’ had op een scheiding. Zij bepaalden autonoom welke particuliere feiten al dan niet het karakter hadden van een ‘zware belediging’ en voldoende zwaar wogen om een echtscheiding te rechtvaardigen.

In de door Koen Matthijs en Carine Meulders onderzochte vonnissen van 1865 tot 1914 lieten nogal wat Brugse magistraten hun persoonlijke denkbeelden meespelen. Vaak gingen die radicaal in tegen de geest van de echtscheidingswet. Zo voerde de rechtbank van eerste aanleg te Brugge een extreem strenge koers bij het bepalen of het ‘verlaten van de woonst’ van een van de echtelieden al dan niet een ‘zware belediging’ was die een echtscheiding rechtvaardigde. In 1900 wees de rechtbank zo drie vragen tot echtscheiding resoluut af, ook al weigerden de wederhelften die het echtelijk dak verlaten hadden, naar hun echtgenoten terug te keren. Wie wou scheiden van een echtgenoot die met zijn minnares de benen genomen had, kon op dat moment maar beter in Gent wonen. In tegenstelling tot hun Brugse collega’s vonden de Gentse rechters het vertrek van een man of vrouw wel een zware belediging, en dus een gegronde reden om te scheiden.

 

Gruwelcatalogus

Van de 372 koppels die tussen 1865 en 1914 bij de Brugse rechtbank van eerste aanleg een echtscheidingsprocedure inzetten, haalden er 229 (62%) de eindmeet. 38 koppels (10%) kregen van de rechters te horen dat ze na hun lange en dure juridische strijd niet mochten scheiden en dus gedoemd waren de rest van hun dagen samen te slijten. Degenen die uiteindelijk wel toestemming tot scheiden kregen, hadden er al een zwaar gerechtelijk parcours opzitten en stonden vaak met een hele waslijst aan eerdere veroordelingen van hun wederhelft voor de rechter. De rechters hadden een voorkeur voor verzoeken tot echtscheiding die gestaafd waren met dergelijke vonnissen of andere ‘overtuigende’ officiële documenten, zoals een proces verbaal dat de vrouw jaren de kost verdiend had als prostituee. Hoe langer de lijst van wandaden begaan door een van de partners, hoe hoger de kansen op scheiding. De rechters hoefden dan geen getuigen op te roepen en geen uitgebreide debatten te voeren. Ze konden de eiser met een gerust geweten zijn of haar echtscheiding verlenen zonder dat ze hun rechtbank moesten omtimmeren tot een publieke schandaalarena. Veel verzoekschriften tot scheiding lazen dan ook als een gruwelcatalogus, zoals het verzoekschrift van een wanhopige vrouw uit het voorjaar van 1887:

“Dat zij slechts enige maanden gehuwd was, wanneer haar echtgenoot reeds begon met erge en wrede mishandelingen op haer te plegen. Dat hij op negenden november 1978 door de Correctionele Rechtbank van Brugge werd veroordeeld tot acht dagen gevangenzetting uit hoofde van slagen en verwondingen aan de vertoonster toegebracht (…), dat hij door dezelfde rechtbank werd veroordeeld:

1e op 17 december 1880 tot 21 dagen gevangenzitting uit hoofde van slagen en wonden aan de vertoonster toegebracht op 29 augustus 1880

2e op 19 april 1883 tot 8 dagen gevangenzitting uit hoofde van slagen en wonden aan de vertoonster toegebracht op 13 januari 1883

3e op 30 mei 1884 tot eene maand gevangenzetting uit hoofde van slagen en wonden aan de vertoonster toegebracht gedurende de maanden april en mei (…)

4e op 21 juni 1884 bij verstek, tot drie maanden gevangenzetting en vijftig francs boete uit hoofde van slagen en wonden aan de vertoonster en die haar eene onbekwaamheid op werken hebben veroorzaakt

5e op 3 october 1884 tot drie maanden gevangenzetting uit hoofde van slagen en wonden aan de vertoonster toegebracht in de loop der maand september 1994

6e op 30 augustus 1885, bij verstek, tot eene maand gevangenzitting uit hoofde van slagen en wonden aan de vertoonster toegebracht in de loop van de maand oogst van hetzelfde jaar.”

 

Kate Summerscale, De geheime liefde van Mrs. Robinson, Nieuw Amsterdam, 320 blz., 19,95 euro

 

© Jan Stevens

“De voorbije jaren hebben we lopen slaapwandelen”

Tot eind september is Antonio Munõz Molina op uitnodiging van het Nederlandse Letterenfonds writer-in-residence in Amsterdam. ’s Morgens wandelt hij er langs de grachten en denkt hij na; ’s avonds werkt hij aan een nieuw meesterwerk. “Niemand verplicht me hier een letter op papier te zetten, ik mag mijn Amsterdamse dagen ook doorbrengen in ledigheid. Maar zo zit ik niet ineen. Ik schrijf. Altijd en overal.”

 

Antonio Muñoz Molina (1956) is een van de meest vooraanstaande en toonaangevende hedendaagse Spaanse schrijvers. Met zijn roman Ruiter in de storm won hij in 1991 de prestigieuze literaire prijs Premio Planeta. Eind vorig jaar verscheen het magistrale De nacht der tijden en nu ligt Maanstorm in de boekhandel, een ontwikkelingsroman over een dertienjarige jongen in de zomer van 1969. In het Andalusische dorp Mágina maakt een hardwerkende boer zich zorgen over zijn zoon. Want in plaats van samen met vader op de akker te werken, zit zoonlief liever met het hoofd in de boeken. Bovendien lijkt de jongen wel geobsedeerd door de expeditie van de Amerikanen naar de maan. “Maanstorm is een autobiografie in vermomming”, zegt Antonio Muñoz Molina aan een tafeltje in Café Luxembourg op het Spui. “Door mijn jeugdervaringen te koppelen aan de maanvlucht van de Apollo 11, worden ze deel van het grotere geheel van de tijd waarin ze zich afspelen. In 1969 was ik geen kind meer, maar ook nog geen volwassene. Ik zat in no boy’s land en wist niets van de wereld. Mijn onwetendheid werd versterkt doordat ik opgroeide in het oerkatholieke Spanje tijdens de dictatuur.”

 

Maanstorm verscheen in Spanje in 2006, twee jaar nadat uw vader gestorven was.

Antonio Muñoz Molina: Dat is geen toeval. Na mijn vaders dood in maart 2004, verhuisde ik van Madrid naar New York om directeur te worden van het Cervantesinstituut. Het klinkt paradoxaal, maar ik moest wel zover reizen om eindelijk een beetje klaarheid te krijgen in mijn eigen verleden. Tijdens het schrijven van Maanstorm rouwde ik over de dood van mijn vader. Ik werd zelf vader toen ik nog vrij jong was, op mijn 27e. Een man begrijpt zijn eigen vader pas echt als hij zelf een kind krijgt.

Ik rouwde over mijn vader, en tezelfdertijd rouwde ik over het verlies van de jeugd van mijn eigen kinderen. Doordat ze adolescenten werden, verloor ik die bijna ‘dierlijke’ verbinding met hen. Onbewust had ik ook een pedagogisch motief om dit boek te schrijven: ik wou mijn kinderen uitleggen hoe Spanje in heel korte tijd veranderd is. In 1975, amper zes jaar na de gebeurtenissen in Maanstorm, stierf Franco en een paar jaar later waren er algemene verkiezingen en leefden we in een democratie. In die zomer van ’69 leek het voor mij nog alsof er nooit iets zou veranderen en alsof alles eeuwig zou blijven zoals het was.

 

Toch hing er ook toen al verandering in de lucht, denk maar aan uw ouders die hun centen bijeen schraapten en een televisie kochten waarop u rechtstreeks de beelden van de eerste mens op de maan kon zien.

Molina: Dat is juist. Een dictatuur lijkt op het eerste gezicht een grote zwarte massa waarin alles stagneert, maar dat is niet zo. Mensen slagen er min of meer in hun eigen levens te leiden, en ondanks Franco begonnen er in die tijd vooral in grote steden zoals Madrid of in de toeristische centra aan de kust veel dingen te veranderen. In het kleine Mágina leek de tijd iets langer stil te staan. Als jongen van dertien leefde ik in een landschap vol ruïnes, in een wereld die ontstaan was uit de Spaanse burgeroorlog. Ik was volop bezig met het ontdekken van de literatuur en ik las boeken van onder anderen Jules Verne, Mark Twain en Alexandre Dumas. In de zomer van ’69 ontdekte ik ook de popmuziek met liedjes van The Beatles en Simon and Garfunkel. Wij leven nu min of meer in dezelfde wereld als onze kinderen, maar eind jaren zestig betrad je een nieuw universum en werd je een vreemde voor je ouders op het moment dat je naar school ging of geïnteresseerd raakte in popmuziek. Mijn vader en ik leefden in totaal verschillende, van elkaar afgesloten werelden. Op het moment dat ik de keuze maakte om schrijver te worden, kuste ik hem definitief vaarwel, want ik stapte een voor hem totaal onbekende wereld binnen. Ik besefte pas hoe triest dat voor mijn vader geweest moet zijn toen ik jaren later in veel lichtere mate hetzelfde ervoer bij mijn eigen kinderen.

 

Uw vader wou dat u samen met hem op het land ging werken, toch is tussen de regels te lezen dat hij erg geïntrigeerd was door uw liefde voor boeken.

Molina: Mijn ouders waren het niet gewoon om mensen te zien lezen. Enerzijds wantrouwden ze boeken, anderzijds voelden ze diep respect voor het geschreven woord. Ze beseften heel goed dat een opleiding noodzakelijk was om de sociale ladder te kunnen beklimmen, tegelijkertijd ondervonden ze dat bijna alle gestudeerde mensen hen wilden bedriegen. Als jongen zag ik haarscherp de scheidslijn tussen ‘wij’ en ‘zij’: tussen boeren en arbeiders en degenen die de beslissingen mochten nemen omdat ze konden lezen en schrijven. De ambtenaren in het stadhuis gedroegen zich als kleine tirannen wanneer mijn ouders een formulier nodig hadden. Tijdens de dictatuur ontpopten mensen met een klein beetje macht zich tot mini-Franco’s tegenover de machtelozen. Vader en grootvader waren fiere, sterke, grote kerels. Van zodra ze een officieel gebouw binnenstapten, zag ik ze ineenkrimpen en veranderen in bange, gehoorzame, onzekere wezens.

Over advocaten of notarissen zei vader altijd: “Die kerels worden nooit nat als het regent.” Eigenlijk vond hij dat ze niet werkten. En dan zag hij zijn eigen zoon voortdurend met de neus in de boeken zitten. Dat mysterie kon hij niet vatten. Toch was mijn vader niet zoals de doorsnee vaders uit onze sociale klasse. Hij heeft me nooit geslagen, wat echt heel uitzonderlijk was, en hij schreeuwde ook niet tegen me. Pas veel later heb ik ontdekt dat vader er als jongen van droomde om ingenieur te worden en dat mijn moeder als meisje graag goed had leren lezen en schrijven. Maar dat was hen niet toegestaan, want als leden van de werkende klasse hadden ze de burgeroorlog verloren. Volgens Franco en zijn volgelingen hadden ze daardoor ook het recht op degelijk onderwijs verloren.

De jongen in Maanstorm is niet helemaal zoals ik. Net als mijn vader droomt hij er van om ingenieur te worden. Ik heb een kleine professor van hem gemaakt omdat ik de lof van de wetenschap en de rede wou zingen als reactie tegen het dode gewicht van de katholieke kerk. U hebt misschien ook een katholieke opvoeding gehad, maar u had het geluk om op te groeien in een land met een strikte scheiding tussen kerk en staat. In het Spanje van Franco vormden kerk en staat een geheel. De caudillo was nogal een luie donder: hij hield zich niet bezig met het creëren van zijn eigen fascistische ideologie, maar nam de ideologie van de kerk over.

 

De priesters deden het werk voor hem?

Molina: Zij waren zijn voetvolk. Op school kregen we ‘Vorming van de nationale geest’, waarin we onderricht kregen in de franquistische leer. Niemand nam dat vak serieus, zelfs de leraar niet. Religie daarentegen, was wel belangrijk. De kerk had zeggenschap over elk aspect van het leven. Zo was de kerkcensuur op films veel rigider dan die van de staat. Veel films die door de officiële censor goedgekeurd waren, belandden op de index van de kerk. Al wie het waagde om naar zo’n film te gaan kijken, beging een doodzonde. Achteraan in de kerk hingen de quoteringen uit: ‘III’ was gevaarlijk, ‘IV’ was extreem gevaarlijk. Hoe hoger het getal van de kerkcensor voor de film, hoe meer interesse wij hadden. (lacht)

 

Verloor u even snel uw geloof als de jongen in het boek?

Molina: Van het ene moment op het andere. Het grote voordeel van een dictatuur is dat je meteen van je geloof kunt afvallen. In een democratie kost het meer inspanningen om afstand te nemen van iets dat minder repressief gepresenteerd wordt dan in de dictatuur. Tijdens het Francobewind oefenden de priesters een wrede autoriteit uit. Al waren er eind jaren zestig ook ‘moderne priesters’ die je vriend wilden zijn en je op een heel gewiekste manier probeerden te overtuigen om zelf in te treden. Die ‘moderne priesters’ hadden één groot voordeel: ze sloegen je niet.

 

Hoe sterk leefde de burgeroorlog eind jaren zestig nog in kleine gemeenschappen zoals Mágina?

Molina: De oorlog was nog zeer alive and kicking. Het grote verschil tussen de Spaanse en de Amerikaanse burgeroorlogen, is dat in de VS na de oorlog een soort van verzoening plaatsvond terwijl in Spanje de fascisten tot aan de dood van de dictator wraak bleven nemen. In Amerika schudden de strijdende partijen elkaar de hand en werd er een nieuwe start genomen. In Spanje niet: na de oorlog bleven de fascisten zich als overwinnaars gedragen. De Britse historicus Paul Preston schreef daar het fascinerend boek The Politics of Revenge over. De franquisten planden hun regime als één grote wraakoefening op de verslagenen.

Onlangs zag ik in een documentaire een speech die Franco in 1966 gaf. Ik kreeg het koud toen ik de generalísimo hoorde zeggen: “Wij hebben de macht niet verkregen via de hypocrisie van verkiezingen, maar door de punten van onze bajonetten.” De westerse staten met democratisch verkozen regeringen legden hem geen strobreed in de weg. Iedereen wou vriendjes met Franco zijn en de toeristen bleven toestromen. Dankzij dat bloeiende toerisme kwam Spanje in de jaren zestig natuurlijk wel economisch tot ontwikkeling. In die tijd emigreerden ook veel Spanjaarden uit de arme gebieden van Andalusië naar België, Nederland en Duitsland. Zij stuurden geld naar hun families en droegen zo ook bij tot de economische welvaart. In 1957 kwam president Eisenhower officieel op bezoek en hij omhelsde Franco in het openbaar. Buitenlanders vragen me soms: “Hoe komt het dat de Spanjaarden zo lang een dictator hebben getolereerd?” Wij tolereerden Franco helemaal niet. Hij werd in het zadel gehouden door al die democratische staten die hem als een bondgenoot en vriend beschouwden.

 

Is de verzoening er na de dood van Franco gekomen?

Molina: Er is vooral veel tijd verloren. Vijf jaar geleden werd op het publieke forum volop gediscussieerd over het Francoregime. Iedereen was er op een obsessieve manier mee bezig waardoor we de echte problemen niet meer zagen. Vandaag bedraagt de werkloosheid officieel 25%; de jeugdwerkloosheid piekt boven 50%. Jonge mensen overleven dankzij het pensioen van hun ouders of grootouders. Jarenlang hebben we in een economische luchtspiegeling geleefd. In 2006 werden er in Spanje 800.000 huizen gebouwd en de toenmalige regering was supertrots op die waanzinnige groei. “Wij groeien sneller dan elk ander EU-land”, snoefde ze. “Binnen drie jaar halen we Duitsland in.” Het is onvoorstelbaar dat niemand toen aanvoelde dat die zeepbel ooit zou barsten. Dat kwam omdat op hetzelfde moment onze politici, intellectuelen en commentatoren in een andere bubbel zaten: die van de burgeroorlog, met discussies over wie 75 jaar geleden verantwoordelijk was voor wat. Links beschuldigde rechts ervan dat ze de erfgenamen waren van de fascisten die de burgeroorlog gewonnen hadden, wat helemaal niet zo is. Het echte probleem met de Spaanse rechterzijde is dat ze van doorsnee Europese conservatieve partij geëvolueerd is tot een kopie van de Amerikaanse Republikeinen. De hedendaagse Spaanse rechtse politici zijn gaan franquisten in vermomming, maar klonen van de Amerikaanse conservatieven. Ze willen de welvaartstaat ontmantelen en alles privatiseren, inclusief gezondheidszorg en onderwijs. De regering is daar nu mee van start gegaan en sluit onder andere ziekenhuizen, met als alibi dat ze door de crisis geen andere keuze heeft. Wat een leugen is, want in Spanje wordt ontzettend veel geld nodeloos over de balk gesmeten. Waarom schaffen ze de overbodige regionale tv-stations niet af? Die kosten veel meer dan de ziekenhuizen. Waarom snijden ze niet in de jobs van de regionale volksvertegenwoordigers in plaats van in die van de leraars?

De voorbije jaren waren we gewoon aan het slaapwandelen. Als schrijver heb ik dezelfde fout gemaakt door dit boek te schrijven en De nacht der tijden, waarin de burgeroorlog een prominente rol speelde. Nu wandel ik ’s ochtends door Amsterdam en pieker ik: “Waar zaten mijn gedachten? Waarom was ik niet in staat aandacht te schenken aan wat er werkelijk in de samenleving gebeurde? Hoe komt het dat ik zo afgeleid was?” Ik troost me met de gedachte dat we misschien allemaal wel met onze ogen half open, half slapend, door het leven wandelen.

 

Antonio Muñoz Molina, Maanstorm, De Geus (originele titel: El viento de la luna), 304 blz., 21,50 euro

 

© Jan Stevens

%d bloggers liken dit: