“Misschien heb ik geen talent”

Het debuut In tijden van oorlog van Alexis Jenni werd in november 2011 meteen bekroond met de Prix Goncourt, de meest prestigieuze Franse literaire onderscheiding. “Die prijs was een fijne verrassing, maar blies me niet van mijn sokken”, zegt de auteur. “De torenhoge euforie had ik daarvoor al beleefd, toen ik na twintig jaar ploeteren eindelijk een uitgever vond.”

 

Officieel is het uitstekende In tijden van oorlog het debuut van biologieleraar Alexis Jenni (1963), terwijl het in werkelijkheid de bekroning van een twintigjarige schrijverscarrière is. Alleen raakten Jenni’s eerdere pennenvruchten nooit tot bij de drukker. “In die twintig jaar heb ik verschillende romans afgewerkt”, zegt hij. “Ze werden stuk voor stuk geweigerd door alle uitgevers die ik aanschreef. Waarom die manuscripten niet uitgegeven raakten? Misschien heb ik geen talent? (lacht) Ik weet het eigenlijk niet. Ik heb geprobeerd te begrijpen waarom ze niet goed genoeg waren. Ik vermoed dat ik jarenlang te hard mijn best deed om een uitstekende hedendaagse schrijver te zijn. Ik wou ultramoderne romans schrijven en daardoor waren ze waarschijnlijk ook ultrasaai. Ik ben met een totaal andere ingesteldheid aan In tijden van oorlog begonnen: ik wou deze keer niet alleen een literaire roman schrijven, maar tezelfdertijd ook een klassieke avonturenroman. Een echte roman met echte personages. Bij mijn vorige schrijfsels was de vorm veel belangrijker dan het verhaal of de karakters. Ik voelde me nu bevrijd van die dwang om iets ‘speciaals’ te creëren.”

Ook het manuscript van In tijden van oorlog stuurde Jenni zonder veel hoop naar zijn vaste kransje uitgevers. Maar tot zijn grote verbazing werd de roman wel geaccepteerd, en dan nog wel door de grote, gerenommeerde Franse uitgever Gallimard. “Toen ik dat nieuws kreeg, was mijn geluk onbeschrijfelijk. Ik had eindelijk gewonnen. In tijden van oorlog werd bijna meteen een succes bij het Franse publiek: vóór de uitreiking van de Prix Goncourt waren er al 50.000 exemplaren verkocht. Sommige vrienden zeiden: ‘Alexis, je gaat de Goncourt winnen.’ Ik lachte dat weg. Eerst stond ik op de longlist. Die werd kleiner en kleiner, toch bleef mijn naam er tot op het allerlaatste nippertje opstaan. Tot op hét moment zelf bleef ik ongelooflijk naïef en zag ik de bekroning niet aankomen.”

 

In tijden van oorlog start in januari 1991, op het moment dat de Amerikanen en hun bondgenoten voorbereidingen treffen om de Irakese dictator Saddam Hoessein een lesje te leren na zijn inval in Koeweit. Jenni’s verteller zit in een persoonlijke crisis: hij is zijn werk in een bedrijf in Lyon spuugzat, vervalst doktersbriefjes en brengt de dagen en nachten in het bed van zijn lief door. Tussen het vrijen door volgt hij op tv de bombardementen op Bagdad. Hij is er getuige van hoe “het grijze, vage silhouet van gebouwen trillend dichterbij kwam en explodeerde, van binnen volledig werd verwoest met iedereen die erin zat.” Hij ziet ook hoe jonge Franse soldaten afscheid van hun vrouwen nemen om in de woestijn te gaan vechten en hij raakt geïntrigeerd door de ‘moeder van alle oorlogen’. Alexis Jenni gebruikt de Golfoorlog als opstapje om het verhaal te vertellen van de oorlogen waarin Frankrijk in de tweede helft van de twintigste eeuw verwikkeld was. Hij doet dat aan de hand van het levensverhaal van de bejaarde schilder Victor Salagnon, die zowel vocht in WO II als in de vuile oorlogen in Indochina en Algerije. In ruil voor schilderlessen vertrouwt Salagnon de verteller toe hoe hij zich al die jaren liet meeslepen door de roes van het geweld.

 

“Die tv-beelden van de nachtelijke bombardementen op Bagdad in januari 1991 liggen voor altijd op mijn netvlies gebrand”, zegt Jenni. “In datzelfde jaar schreef ik ook mijn eerste roman die afgewezen werd. Een maand nadat de geallieerden Bagdad zijn beginnen bombarderen, is mijn zoon geboren. Het was een heel vreemde tijd. Het leek alsof de eerste Golfoorlog ‘de terugkeer van de oorlog’ inluidde. De jaren daarvoor, tijdens de Koude Oorlog, was het alsof de echte, warme oorlogen even van het schouwtoneel verdwenen waren. In de nacht van 16 op 17 januari 1991 begon het wapengekletter opnieuw. Het bijzondere was dat we de start van die oorlog live konden volgen: op onze televisieschermen leek het op een videogame. Toen werd ook voor de allereerste keer het Franse leger op tv voorgesteld. De jaren ervoor was dat nooit mogelijk geweest omdat toen in Frankrijk het leger totaal geen deel uitmaakte van de samenleving.”

 

Het vormde een staat binnen de staat?

Alexis Jenni: Nee, het stond helemaal buiten de maatschappij. In Amerika is het leger wel onderdeel van de samenleving; in Frankrijk niet. Bij ons vormt het een compleet andere wereld en is het een apart instituut, met eigen wetten en regels. De mensen die er deel van uitmaken, gaan ook volledig in die wereld op. Ook nu nog is een Franse militair door gewone burgers niet makkelijk te benaderen. Die strikte scheiding tussen leger en burgerbevolking komt voort uit een soort van rancune: het lijkt wel alsof er ooit iets gebeurd is waardoor het leger zich van de rest van de Franse samenleving afgekeerd heeft.

Tijdens de Golfoorlog zag ik ‘onze jongens’ op tv verschijnen en ik vroeg me af: waar zaten ze al die jaren daarvoor? Waarom hebben ze zich zolang op hun eiland terug getrokken? Wat is er precies gebeurd? Zo kwam ik bijna automatisch bij onze koloniale oorlogen uit.

 

Je hoofdpersonage Victor Salagnon was één van de strijders tijdens die vuile oorlogen. Is hij gebaseerd op echte koloniale soldaten?

Jenni: Tijdens de voorbereiding van mijn roman heb ik met geen enkele ex-soldaat gepraat. Achteraf wel. Nadat heel wat van die soldaten In tijden van Oorlog gelezen hadden, schreven ze me brieven: ze vroegen of ze mochten langskomen. ‘Het is zo merkwaardig wat u in uw boek neergeschreven heeft”, zeiden ze. ‘U vertelt precies wat wij hebben meegemaakt. Hoe hebt u dat gedaan? Wie heeft u dat allemaal verteld?’ Niemand had me dat verteld. ‘Dat kan niet’, reageerden ze stomverbaasd. (lacht) De reacties van die lezers die het zelf meemaakten, hebben me echt diep ontroerd. Dat was een illustratie van ‘de magie van de roman’.

Over de geschiedkundige feiten van onze oorlogen is alles bekend: die vind je in bibliotheken en op het internet. Tegen de achtergrond van heel die historische context heb ik geprobeerd te beschrijven wat gewone mensen zoals jij en ik ervaren als ze door omstandigheden in een ver land een oorlog moeten gaan uitvechten. Ik ben opgegroeid in een links milieu in Lyon waarin de soldaten uit het vreemdelingenlegioen die in Algerije gingen vechten, voorgesteld werden als het vuil van de straat. De mensen rondom mij klonken altijd heel categoriek: ‘Wij? Wij zouden zoiets nooit doen. We zouden weigeren om daar te gaan vechten.’ Ik vroeg me af: ‘Wat zou ik zelf doen als ik daar was? Zou ik meestappen in de gruwel?’ Dat was mijn vertrekpunt, en blijkbaar heb ik beschreven wat mensen van vlees en bloed er echt hebben meegemaakt. Tijdens het schrijven heb ik nooit gedacht: ‘Is het politiek verantwoord wat ik nu op papier zet?’ Want ook vandaag zit het debat over de koloniale oorlogen nog steeds geblokkeerd. Mijn beweegredenen waren niet om een historisch werk af te leveren, maar om een goede, stevige literaire roman te schrijven. Die supergeconcentreerde onbevangenheid heeft er op een of andere manier voor gezorgd dat ik via Victor Salagnon de rauwe realiteit van onze koloniale oorlogen heb kunnen reconstrueren.

 

De oorspronkelijke titel van je roman is ‘De Franse kunst van het oorlogvoeren’. Voert Frankrijk op een andere manier oorlog dan andere landen?

Jenni: Over Napoleon Bonaparte werd gezegd dat hij de belichaming was van ‘de kunst van het militaire’, met daarin impliciet de overtuiging dat hij zowat geniaal was in het oorlogvoeren. In de Chinese klassieker De kunst van het oorlogvoeren van Sun Tzu wordt uit de doeken gedaan hoe je op een ‘fatsoenlijke’, ‘verstandige’ manier ten strijde trekt en hoe je met een minimum aan verliezen de oorlog moet proberen winnen. De Franse kunst van het oorlogvoeren staat daar diametraal tegenover. Zelfs als er geen onoverbrugbare problemen zijn, beginnen we toch nog een robbertje te vechten, want dat is in onze ogen altijd beter. Het meest recente staaltje van die mentaliteit hebben we meegemaakt onder de vorige president Nicolas Sarkozy. Toen hij in 2007 aan de macht kwam, besloot hij al vrij snel dat er een debat moest komen over de nationale identiteit. Ik vond dat compleet absurd. ‘Er zijn spanningen? Weet je wat we zullen doen? Debatteren en zo de zaken nog wat meer op de spits drijven.’ Stel je voor dat er naar aanleiding van de spanningen tussen Vlamingen en Walen in Brussel een debat over de Belgische nationaliteit georganiseerd zou worden. Daarop kan iedereen dan komen vertellen wat hij slecht vindt bij de andere. Natuurlijk is er in Frankrijk een probleem met de voorsteden en met het statuut van vluchtelingen. Maar in plaats van naar oplossingen te zoeken maakte Sarkozy er op een hondsbrutale manier een politieke twist en een bokswedstrijd van. Hij goot olie op het vuur, dreef de spanningen op. De huidige president François Hollande heeft de verdienste dat hij de lont uit het vuur gehaald heeft en het heilloze pad van de ‘politieke discussie’ verlaten heeft, waardoor de spanningen wegebben. Natuurlijk blijven de sociale problemen in de voorsteden even acuut, maar de agressie is verdwenen. Nu de rust een beetje weergekeerd is, kunnen onze bewindvoerders misschien eens heel goed nadenken over hoe ze de problemen zullen oplossen.

 

In een Franse colère schieten en er met de botte bijl tegenaan gaan, is typisch voor jouw landgenoten?

Jenni: Ik denk het wel. We trekken niet alleen meteen met de wapens ten strijde, maar ook met onze mond. Politici discussiëren niet met elkaar; ze proberen de totale macht te grijpen. Als iemand van rechts iets zinnig voorstelt, schiet links dat meteen af als een idiotie en omgekeerd gebeurt net hetzelfde. We hebben ondertussen een hele traditie opgebouwd in het beledigen van elkaar. Tijdens onze koloniale oorlogen is er ook op politiek vlak nooit over iets gepraat of gediscussieerd. Je hoorde toen steeds dezelfde dooddoener die ook nu nog geldt: ‘We praten niet met terroristen.’ Het belangrijkste was om de sterkste te zijn en om die sterkte en overmacht ook voortdurend te tonen.

 

Eens de oorlog voorbij werd er niet terug gekeken?

Jenni: Nee. In 1962 eindigde de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog. President De Gaulle liet de kolonie tegen zijn zin gaan, maar de oorlog was gewoon niet meer te bekostigen: de strijd koste teveel op economisch, politiek en menselijk vlak. Vijf à zes miljoen mensen van verschillende pluimage hebben voor Frankrijk op een of andere manier aan die oorlog deelgenomen, dat was ongeveer tien procent van de totale bevolking. Zij vertegenwoordigden na afloop een belangrijke schat aan getuigenissen. Maar er is van overheidswege nooit een plan gemaakt om die mensen hun ervaringen te laten delen, of om er zelfs nog maar over na te denken. Van de ene dag op de andere was die oorlog voltooid verleden tijd. Onderhuids bleef hij voortleven als een massieve blok ellende. Zelfs nu weet niemand hoe erover gepraat moet worden. In tijden van oorlog heeft die ontstoken zenuw stevig geraakt.

 

 

Het goddelijke monster

 

Met bijna 700 bladzijden is In tijden van oorlog een zeer omvangrijke roman. Hoe houdt een schrijver zo’n goddelijk monster onder controle? “Dat is niet simpel”, zegt Alexis Jenni. “Ik schreef eerst verhalen die naar alle kanten uitwaaierden, zonder me veel zorgen te maken over de structuur of de onderlinge verbanden. Later ben ik beginnen organiseren en tekende ik op grote bladen papier schema’s uit, met pijltjes en fluostiften in verschillende kleuren. Als ik het gevoel had dat een verhaal niet goed zat of dat er een link ontbrak, zette ik me terug aan het schrijven. Een van de grootste tekortkomingen bij debuten is dat ze vaak een sterk eerste hoofdstuk hebben om daarna als een pudding ineen te zakken. Ik heb de boel overeind proberen houden, tot de allerlaatste bladzijde.”

 

 

Alexis Jenni, In tijden van oorlog, De Geus (originele titel: L’Art français de la guerre), vertaling: Jeanne Holierhoek en Henriëtte Gorthuis, 690 blz. 25 euro

 

© Jan Stevens

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s