“Het beest in ons zit altijd klaar”

In De bekentenis van Adrià vertelt de Catalaanse schrijver Jaume Cabré niet alleen de geschiedenis van zijn leeftijds- en stadsgenoot Adrià, maar ook van vijfhonderd jaar door mensen veroorzaakte gruwel. “Toch geloof ik dat de mensheid uit haar fouten leert: ‘verbetering’ is onze natuurlijke weg.”

 

Winter in Barcelona. De in de 19e eeuw gebouwde wijk Eixample baadt in het warme, heldere zonlicht. De straten vormen een groot schaakbordpatroon, waardoor een vreemdeling het soms lastig heeft zich te oriënteren. Gelukkig staan er verspreid over de wijk monumentale herkenningspunten zoals de tot de verbeelding sprekende Sagrada Família van de wereldberoemde architect Antoni Gaudí (1852-1926). Rond de eeuwwisseling was Gaudí als vooraanstaand vertegenwoordiger van de modernista, de Catalaanse variant van de art nouveau, meteen ook het boegbeeld van de steeds sterker wordende Catalaanse nationalisten. Schrijver Jaume Cabré (1947) is een van de hedendaagse culturele uithangborden van dat meer dan ooit springlevende nationalisme. Ik ontmoet Cabré in de flat van zijn literaire agente aan de Carrer de Bailén, de straat waar Gaudí op 7 juni 1926 omver gereden werd door een tram, om drie dagen later in een ziekenhuis aan zijn verwondingen te bezwijken. In Jaume Cabré’s uitstekende nieuwe roman De bekentenis van Adrià is er van Gaudí of het Catalaanse nationalisme geen spoor, maar spelen de wijk Eixample en de stad Barcelona wel een voorname rol. De kleine, ietwat wereldvreemde Adrià Ardèvol groeit in de jaren vijftig op in een liefdeloos gezin. Zijn vader Fèlix is een succesvolle, meedogenloze antiekverzamelaar en –handelaar; zijn veel jongere moeder Carme is de dochter van een universiteitsprofessor. Vader en moeder Ardèvol dromen van een carrière als topviolist voor hun enige zoon. Tegen zijn zin volgt Adrià vioollessen bij contactgestoorde privéleraars. Hij zoekt troost bij sheriff Carson en indiaan Zwarte Adelaar, twee ingebeelde vriendjes, en bij Bernat, een leeftijdsgenoot die wel muzikaal talent heeft. Adrià’s vader bewaart in zijn brandkast een kostbare achttiende-eeuwse viool van de beroemde vioolbouwer Storioni, die op een niet al te koosjere manier in zijn bezit gekomen is. Op een dag ruilt Adrià zijn eigen oefenviool stiekem voor de Storioni om ze aan Bernat te laten zien. Diezelfde dag wordt Fèlix Ardèvol vermoord.

 

Adrià Ardèvol heeft uw leeftijd en is een stadsgenoot. Lijkt hij ook in andere opzichten op Jaume Cabré?

Jaume Cabré: “Heel sterk. Al mijn frustraties zitten in Adrià verenigd: je zou hem een veredeld model van mezelf kunnen noemen. Zo praat hij vlot tien talen, en dat is iets wat ik zelf dolgraag ook zou willen kunnen, maar wat me niet lukt. Ik praat Catalaans, Spaans, Frans en begrijp Italiaans en Portugees. Het Engels heb ik nooit geleerd en dat blijf ik jammer vinden. Net als Adrià groeide ik op in Eixample. In mijn kindertijd leefde de kleine burgerij hier en waren rijke families zoals die van Adrià uitzonderlijk. Hij groeide op als rijkeluiszoon; mijn ouders hadden geen cent. Nu wonen hier wel mensen met geld, maar in de jaren vijftig en zestig huisden de rijke burgers vooral in San Gervasi. Eixample was het ‘doodnormale’ hart van Barcelona. Ik woon hier nu nog steeds: mijn eigen flat is op een paar minuten hier vandaan. Het huis van Adrià is een kopie van het mijne, alleen is het drie keer zo groot. (lacht)”

 

De bekentenis van Adrià is een complexe roman, waarin naast het hoofdverhaal van de Ardèvols nog verschillende verhalen dooreen lopen en waarin u tot vijfhonderd jaar terug in de tijd gaat. Het moet bijzonder lastig geweest zijn om daar als schrijver controle over te blijven houden?

“Als ik aan een roman begin te schrijven, weet ik niet hoe hij zich zal ontwikkelen. Ik start nooit met een masterplan. Het is bijna een noodzaak voor mij om al schrijvende te scheppen. Terwijl ik personages beschrijf, praat ik met hen. Tijdens dat schrijfproces dienen de verhalen zich aan. Ik schrijf een roman nooit van voor naar achter: hoofdstuk 24 was het eerste wat ik voor De bekentenis van Adrià geschreven heb. De allereerste zin luidde: ‘Lang geleden, toen de aarde plat was en reizigers vermetel waren – aan het eind van de wereld zouden ze op koude nevel stuiten of in een donkere afgrond storten – was er een eerbiedwaardige man, die besloot zijn leven aan Onze-Lieve-Heer te wijden.’ Dat was het begin van een verhaal van een bladzijde of twintig waarin ik de geschiedenis van de katholieke inquisiteur en folteraar Nicolau Eimeric vermengde met de geschiedenis van de niets of niemand ontziende SS’er Rudolf Höss. Intuïtief voelde ik de parallellen tussen de inquisitie en de Holocaust, waardoor ik automatisch begon te switchen tussen de gruwel begaan door de ene, en de folteringen van de andere. Na Eimeric en Höss volgden nog een aantal personages en uiteindelijk kwam ik bij Adrià terecht, die later mijn hoofdpersonage zou worden: een man van mijn leeftijd, die in mijn wijk woont, sterk op me gelijkt, maar ook weer niet helemaal.”

 

Voelt u zich als schrijver een god?

“Ja, als een god die geen medelijden heeft. Op een bepaald moment besefte ik dat de Ardèvols hun zoon vooral als een project zagen waarmee ze anderen konden overtroeven: Adrià moest en zou de allerbeste violist van de wereld worden. Voor de jongen was dat een catastrofe. Er is een groot leeftijdsverschil tussen vader en moeder. Na de eerste periode van verblinding komt het koppel er achter dat hun leefwerelden ver uiteen liggen, maar ze verkeren in de onmogelijkheid om hun gevoelens te uiten. De kleine jongen Adrià ervaart die liefdeloosheid en zoekt steun bij Zwarte Adelaar en sheriff Carson. Toen ik de mogelijkheid zag om de vader te doden, heb ik niet geaarzeld. (lacht) Op momenten dat er beslist moet worden, moet je als schrijver koelbloedig blijven. Het is waar, ik ben een alwetende god, maar dat statuut bezorgt me ook veel problemen en twijfels.”

 

Waardoor u misschien meer een menselijke god bent?

“Precies. Ik twijfel voortdurend, want schrijven is twijfelen. Zolang het papier wit is, blijft alles mogelijk. De twijfel begon van bij de start: zal het hoofdpersonage een zoon of een dochter zijn? Na een paar dagen vol getob, besliste ik dan dat het een zoon moest zijn. Waarna ik na een week weer begon te twijfelen: ‘Zou het toch niet beter een meisje zijn? Nee, een jongen.’ Onlangs stond ik op een ochtend op met de gedachte: ‘Had ik toch niet beter voor een dochter gekozen?’”

 

Het ene moment is Adrià een ik-figuur, het andere moment schrijft u over hem in de derde persoon. Die wissels in perspectief gebeuren soms in één zin. Zijn ze ook een gevolg van uw eeuwig getwijfel?

“Ik heb dat procedé voor het eerst toegepast in een roman uit 1996, L’ombra de l’eunuc, die nog niet in het Nederlands vertaald is. Ik had het verhaal eerst geschreven in de derde persoon: ‘hij’. Toen ik het manuscript aan een vriend liet lezen, zei hij: ‘Jaume, het is een verhaal in de eerste persoon. Je moet het hoofdpersonage zijn verhaal laten vertellen.’ Ik vond dat hij ongelijk had: ‘Nee, het verhaal is in de derde persoon.’ Het werd een pittige discussie en achteraf dacht ik: ‘Misschien heeft mijn vriend toch gelijk.’ Dus begon ik de roman te herschrijven, waarna de twijfel inderdaad weer toesloeg: ‘Misschien ik, maar misschien ook hij.’ Het resultaat was dat ‘ik’ ‘hij’ werd en ‘hij’ ‘ik’, waardoor de roman een dissonante, expressieve toon kreeg. Ik had het gevoel dat die stijl ook kon werken bij Adrià.”

 

Uw gevoel heeft u niet bedrogen.

“Deze keer heb ik niet alleen met perspectiefwisselingen gespeeld, maar ben ik nog verder gegaan door verschillende gebeurtenissen uit verschillende tijden met elkaar te vervlechten en personen en plaatsen in elkaar te laten overvloeien. Als schrijver is dat amusant maar ook moeilijk. Af en toe wist ik niet meer waar ik was. Ik hoop dat het voor de lezer een plezier is om te lezen; het zorgt er alleszins voor dat hij alert blijft. De lezer weet trouwens van in het begin waaraan hij zich kan verwachten. In de allereerste bladzijden sluit ik een soort van contract met hem. Ofwel tekent hij en leest hij verder tot het einde, ofwel zoekt hij een ander boek.”

 

Adrià’s vader volgde een priesteropleiding, maar ontdekte de lust en de liefde en zweerde zijn geloof af. Zijn zoon Adrià liet hij niet dopen. Was dat eigenlijk wel mogelijk tijdens de dictatuur onder Franco, toen het ultraconservatieve katholicisme staatsgodsdienst was?

“Dat lag inderdaad niet voor de hand. De jaren onder Franco waren van lood. Er heerste een algehele mentale depressie en de kerk en de dictator vormden twee handen op een buik. Als je je kind niet liet dopen, stelde je een illegale daad. Vader Ardèvol wil zijn zoon uit de klauwen van de kerk houden. Dus laat hij hem niet dopen en stuurt hem naar een jezuïetenschool. In die tijd werden de jezuïeten wereldwijd door extreemrechts hard aangepakt; in Nicaragua werden ze zelfs vermoord. Zij hielden niet van Franco en zijn trawanten en hadden begrip voor ongelovigen. Ik heb ook op één van hun scholen gezeten en mocht dat zelf ervaren, vandaar dat ik de kleine Adrià naar dezelfde jezuïetenschool stuur. ‘De arme drommel is niet gedoopt? Oké, het zij zo.’ In een staatsschool zou dat halverwege de jaren vijftig niet mogelijk geweest zijn, maar de privéscholen van de jezuïeten waren eilanden van vrijheid.”

 

Tijdens de dictatuur was het verboden om Catalaans te spreken.

“Kun je je voorstellen dat je niet meer in je moedertaal mag spreken? Er mochten ook geen boeken in het Catalaans uitgegeven worden. Dat werd omzeild door op de eerste bladzijde als plaats van uitgave niet Barcelona, maar Mexico te zetten. (lacht) Ik ben zelf als schrijver gecensureerd en dat heeft me toen diep geraakt. Ik weet nog altijd niet zeker of die censuur un honneur, een eer, of une horreur, een gruwel, was. Mijn debuut kwam uit in 1974, het jaar voor Franco stierf. Toen het manuscript terug kwam van de censor, was een paragraaf geschrapt. Ik snapte het niet, want zo wereldschokkend waren die vier regels nu ook weer niet. Ik was woest op de censor: ‘Wie ben jij om tegen mij te zeggen wat ik mag schrijven of niet?’”

 

U strijdt voor Catalaanse onafhankelijkheid. Vindt u het huidige Spanje een product van de dictatuur?

“Het huidige Spanje is democratisch, laat daar geen twijfel over bestaan. Maar tezelfdertijd is de partij die nu aan de macht is, de conservatieve Partido Popular (PP), ook de directe erfgenaam van het franquisme. Een aantal van de stichters van de PP waren minister onder Franco. Ze zijn dood nu, maar het zegt toch iets over hoe rechts de PP is. De partij is extreem centralistisch en beschouwt Spanje voor eeuwig als één en ondeelbaar. Iedereen weet dat ik separatist ben. Als publieke figuur word ik daar ook altijd op aangesproken, en hier in Catalonië vertolk ik niet meer dan de algemeen geldende opinie. In september vorig jaar was er een betoging voor onafhankelijkheid waar anderhalf miljoen mensen aan deelnamen. Bij degenen die naar onafhankelijkheid streven, vind je alle politieke overtuigingen terug, behalve die van de PP. De Catalaanse onafhankelijkheidsstrijd is geen kwestie van links of rechts, al is ze historisch gezien toch eerder gelinkt aan het socialisme. Het is heel jammer dat in Vlaanderen het streven naar onafhankelijkheid bezoedeld is door extreemrechts.

Opboksen tegen Spanje is geen lachertje. Het klinkt misschien bizar, maar de Britse centrale regering heeft meer begrip voor het onafhankelijkheidsstreven van haar deelstaten dan de Spaanse. Premier Cameron wil volgend jaar een referendum over Schotse onafhankelijkheid organiseren en heeft beloofd dat hij de uitslag zal respecteren. Ik zie het de Spaanse premier niet doen: de kans dat Rajoy ooit een referendum over onafhankelijkheid laat plaatsvinden, is nihil.”

 

In De bekentenis van Adrià beschrijft u de horror van de voorbije vijfhonderd jaar menselijke geschiedenis via de inquisitie, het nazisme en de Francodictatuur. Veel lijken we vandaag niet geleerd te hebben.

“Toch geloof ik dat de mensheid uit haar fouten leert en zelfs ‘verbetert’. Ik ben er van overtuigd dat verbetering onze natuurlijke weg is. ‘En de Holocaust dan?’ hoor ik. ‘De Killing Fields in Cambodja? De genocide in Rwanda?’ Dat is waar, maar op alle momenten in de geschiedenis vonden er rampen plaats. De oude Romeinen hanteerden een vrij drastische vorm van geboortebeperking: als ze vonden dat ze voldoende kinderen hadden, gooiden ze de nieuwe pasgeborenen in de vuilbak. Dat stadium hebben we achter ons gelaten: van dat kwaad hebben we afstand kunnen nemen.”

 

Misschien zijn we meer gesofisticeerd geworden in de manier waarop we kwaad aanrichten?

“Daar hebt u gelijk in, kijk maar naar de ellende die de banken hebben aangericht. Toch blijf ik geloven in vooruitgang. Al die nieuwe medicijnen die gevonden worden in de strijd tegen ziektes: dat is toch fantastisch? Goede technologische uitvindingen kun je toch niet zomaar onder de mat vegen? Samen gaan we erop vooruit, wat niet wegneemt dat individuen zich soms als losgeslagen beesten gedragen. Dat is nu eenmaal onze natuur: het beest in ons zit altijd klaar.”

 

Jaume Cabré, De bekentenis van Adrià, Singnatuur, vertaling: Pieter Lamberts en Joan Garrit, 688 blz., 29,95 euro (t.e.m. 30 april 25 euro)

 

© Jan Stevens

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s