“Ik heb mijn echte vader nooit durven opzoeken”

Met zijn bestseller Het zevende kind schreef Erik Valeur niet alleen een spannende literaire thriller, maar ook een donkere politieke en filosofische roman. “Die hang naar het duistere hebben hedendaagse Deense schrijvers geërfd van hun grote voorvader: de sprookjesschrijver Hans Christian Andersen.”

 

De Denen van tegenwoordig maken niet alleen schitterende tv-series, ze schrijven ook fantastische romans. Een aantal schrijvers heeft de stiel geleerd in Forfatterskolen in Kopenhagen, de enige officieel erkende Deense schrijversschool waar alle docenten professionele schrijvers zijn en waar ultrastrenge toelatingsvoorwaarden gelden. Van de honderden die jaarlijks aan het ingangsexamen deelnemen, haalt slechts een tiental de eerste schooldag. Volgens succesauteur Erik Valeur is de huidige Deense literaire hoogconjunctuur vooral te danken aan de erfenis van de Deense ‘oerschrijver’ Hans Christian Andersen. “Wij zijn opgegroeid met zijn sprookjes en die zijn allemaal tezelfdertijd duister en licht. Onze huidige generatie romanschrijvers is geïnspireerd door Andersen: ze injecteren hun vaak zwaarmoedige verhalen met een flinke dosis licht.”

Toen Erik Valeurs debuut Het zevende kind in augustus 2011 in Denemarken verscheen, verwachtte niemand dat het vuistdikke boek een heuse bestseller zou worden. Ook de auteur zelf koesterde geen buitensporige verwachtingen over de verkoop van zijn roman. “Het was zo gigantisch dik geworden, dat ik ervan uitging dat het potentiële lezers gewoon zou afschrikken”, zegt hij. “Maar die omvang had ik nodig om de levensverhalen van mijn zeven hoofdpersonages goed te kunnen vertellen. Ze groeiden op in verschillende omgevingen en sociale klassen in de jaren zestig en zeventig, toen de Deense welvaartstaat ‘explodeerde’. Ik wou dat die evolutie er gedetailleerd inzat.”

Valeur was bang dat ook zijn uitgever af zou knappen op zo’n knoert van 700 bladzijden. “Gelukkig opperde hij niet teveel bezwaren. Ik kende niets van oplages en toen de uitgever me liet weten dat Het zevende kind op 3000 exemplaren gedrukt zou worden, was ik verontwaardigd. ‘Amper 3000 stuks?’ Hij zei: ‘Als je ze allemaal verkoopt, mag je je beide handjes kussen.’ Natuurlijk had hij gelijk en ik vond troost in de gedachte: ‘Als de bibliotheken Het zevende kind kopen, kan een paar geïnteresseerde Denen het binnen twintig jaar nog lezen.’”

Valeur was dan ook totaal verrast toen die 3000 exemplaren in een mum van tijd uitverkocht waren. “Ik dacht dat het kwam doordat ik met mijn verhalen bij de Denen een gevoelige snaar geraakt had. Maar toen het boek vervolgens ook in Nederland een bestseller werd, begreep ik er helemaal niets meer van.”

Erik Valeur construeerde zijn roman op gebeurtenissen die hij zelf (onbewust) heeft meegemaakt. De eerste twee jaar van zijn leven bracht hij door in kindertehuis Skodsborg. “Mijn moeder had me na mijn geboorte in 1955 naar daar gebracht voor adoptie. Toen twee jaar later een kinderloos echtpaar heel erg geïnteresseerd in mij raakte, besloot mama me te houden. Haar ouders boden aan om haar met mijn opvoeding te helpen. Mijn moeder was dertig toen ik geboren werd. Mijn biologische vader liet haar in de steek op het moment dat hij erachter kwam dat ze zwanger was. Dat bezorgde haar een zware depressie. Ze slikte een overdosis slaappillen en werd drie dagen na haar zelfmoordpoging gevonden. Direct na mijn geboorte werd ik ‘weggeschonken’ aan weeshuis Skodsborg dat gespecialiseerd was in het vinden van adoptieouders. In vergelijking met de meeste andere kinderen, duurde mijn verblijf er lang. Dat kwam omdat moeder die twee jaar lang bleef twijfelen. De oude juffrouwen die in het weeshuis werkten, vertelden me later dat mama me elke zondag kwam bezoeken.”

In Het zevende kind is Skodsborg herdoopt tot Kongslund. De roman start op 13 mei 1961, de dag waarop het kindertehuis zijn 25-jarig jubileum viert. Een kinderverzorgster vindt op de stoep een pasgeboren jongentje in een reiswieg. De eerste maanden slaapt hij samen met zes andere afgestane baby’s in de Olifantjeskamer van het tehuis. Het duurt niet lang voor ze geadopteerd worden. Alleen het misvormde meisje Marie wordt door niemand opgehaald, waarna de directrice van Kongslund haar adopteert.

47 jaar later, in de lente van 2008, ontvangt Orla Berntsen, kabinetschef van de minister van Nationale Zaken, een anonieme omslag met daarin onder andere een foto uit 1961 van de zeven baby’s in de Olifantjeskamer. Ook de ooit beloftevolle, maar nu totaal uitgerangeerde journalist Knud Tåsing krijgt zo’n omslag. Tåsing vermoedt dat Kongslund in de jaren zestig dienst deed als opvangtehuis voor de ‘bastaardjes van de voornaamste hoogwaardigheidsbekleders van het Rijk’ en trekt op onderzoek. De anonieme brief zorgt alvast voor angst bij de minister van Nationale Zaken: hij schakelt een voormalige politiecommissaris in om de afzender op te sporen.

Rond de millenniumwissel begon Erik Valeur aan Het zevende kind te schrijven. Hij was toen een gerenommeerde onderzoeksjournalist die een paar jaar eerder, in 1995, voor zijn spitwerk naar politiegeweld onderscheiden was met de Cavling-prijs, de meest prestigieuze Deense journalistenprijs. “Ik heb twaalf jaar aan de roman geschreven”; zegt hij. “Ik kon alleen in verlengde weekends of tijdens vakantieperiodes schrijven. Tussen de schrijfsessies door had ik dus tijd zat om goed na te denken over alle verhaallijnen.”

 

Het weeshuis Kongslund is gehuisvest in een prachtige grote villa, met zicht op zee. Lijkt het op het weeshuis waar jij verbleef?

Erik Valeur: Het is er een exacte kopie van. Mijn fictieve weeshuis staat ook op precies dezelfde plaats waar mijn vroegere weeshuis stond, een kilometer of dertig ten noorden van Kopenhagen. Elke Deen kent het originele weeshuis Skodsborg: het was beroemd en berucht. In de jaren vijftig en zestig waren er zo vijftig weeshuizen verspreid over heel Denemarken. Van anticonceptie was nog geen sprake en abortus was illegaal. Wij noemen die periode in Denemarken ‘Het Grote Adoptietijdperk’. Dat startte in 1945 en duurde tot 1973, toen abortus gelegaliseerd werd. In die paar decennia werden ongeveer 60.000 Deense pasgeborenen in de weeshuizen ter adoptie afgestaan. Tezelfdertijd waren er in die periode ook heel wat niet geregistreerde private adopties, met vrouwen die hun kinderen niet naar een weeshuis brachten, maar zelf op zoek gingen naar een familie om hun baby onder te brengen.

 

Wanneer heeft je moeder je vertelt dat ze je na je geboorte wou afstaan voor adoptie?

Valeur: Ze heeft daar nooit een geheim van gemaakt. Toen ik een jaar of vijf was, wist ik alles over mijn verblijf in Skodsborg. Eén keer per maand toonde moeder me ook een foto van mijn verwekker. “Dit is je echte vader”, zei ze dan. “Misschien zal je hem nooit ontmoeten, maar zo ziet hij eruit.” Mama werd zwanger toen ze als kantoorbediende in de Noorse hoofdstad Oslo werkte. Ik ben er niet zeker van of de man vandaag nog leeft, maar een jaar of twee geleden was hij nog alive and kicking. Moeder is een half jaar voor de publicatie van Het zevende kind gestorven. Ze kende iemand in Noorwegen die mijn biologische vader in het oog hield. Hij moet nu 86 zijn en woont in de stad Bergen waar hij als leraar gewerkt heeft. Mijn moeder deelde alle informatie met me die ze over hem kreeg. Ze zei dan: “Nu is hij leraar geworden. Nu is hij getrouwd.” Ik weet ook dat ik drie halfbroers heb.

 

Het is toch bizar dat je moeder die man zo bleef volgen?

Valeur: Zeker. Haar voornaamste informante was een vriendin die een hotel uitbaatte in het Noorse Lillehammer. Ik heb als volwassen man ook in dat hotel gelogeerd, maar ik heb nooit de moed gevonden om van daaruit mijn vader in Bergen te gaan opzoeken. Ik heb hem ook nooit gebeld. Ik durfde niet. Op mijn elfde hertrouwde mama met een Deen die ze had leren kennen op haar werk bij British Petroleum in Kopenhagen. Hij heeft me geadopteerd en goed voor me gezorgd. Hij leeft wel nog en verblijft in een ouderlingenhuis.

 

Heeft je moeder Het zevende kind gelezen voor ze stierf?

Valeur: Nee. Tijdens het schrijven werd ik steeds kwader over de dingen die me overkomen zijn. Als baby door je moeder twee jaar lang helemaal alleen in het donker achterlaten worden… zoiets moet toch sporen nalaten. Ik bleef daar maar over piekeren. In de laatste jaren dat ik aan het boek aan het schrijven was, overwoog ik haar over dat knagende verdriet en die groeiende woede in me te vertellen. Maar ik vond de juiste woorden niet en ik was bang dat ze zou instorten. Het lag natuurlijk allemaal in een ver verleden en ze kon er ook niets meer aan veranderen, dus heb ik dat verdriet en die woede voor mezelf gehouden. Toen het boek af was, dacht ik: ‘Als het gedrukt is, zal ze het kunnen lezen.’ Het stond gepland om te verschijnen in augustus 2011. In april van dat jaar stierf ze. Een half jaar eerder had ik haar wel gezegd dat ik een roman aan het schrijven was over kinderen die zoals ik na hun geboorte in een weeshuis terecht komen. Ze lachte en zei: ‘Dat is heel goed, want jij was zo gelukkig toen je daar was.’

 

Je zal waarschijnlijk wel nooit weten of je er ook echt gelukkig was.

Valeur. Mijn moeder nam me elk jaar mee naar Skodsborg; ook als tiener kwam ik er vaak. De oude juffrouwen die voor me gezorgd hadden, vertelden dezelfde gelukkige verhalen uit mijn babytijd. Het leek bijna een sprookje: de manier waarop mijn leven startte in een prachtig huis met zicht op zee. (lacht schamper)

Tijdens het schrijven heb ik met een aantal psychologen gesproken, experts in de leefwereld van baby’s. Zij zeggen dat kinderen die na de geboorte door hun moeder alleen gelaten worden, daar de rest van hun leven door getraumatiseerd zijn, ook als ze geadopteerd worden. Je bent je als volwassene niet meer bewust van wat er in je eerste levensjaren gebeurd is, maar onbewust blijven al die gebeurtenissen in je. Ze blijven diep in je ziel knagen.

 

Het prille levensverhaal van kabinetschef Orla Berntsen uit jouw boek lijkt sterk op dat van jou. Is hij ook voor de rest gemodelleerd naar Erik Valeur?

Valeur: Voor ik Het zevende kind ben beginnen schrijven, heb ik eerst geprobeerd een documentaire te draaien over mijn persoonlijke Skodsborg-verhaal. In dat weeshuis was echt een kamer met muren vol olifanten waar de verse aanwinsten een tijdje moesten acclimatiseren, en waar ook ik mijn leven begon. Maar het lukte me niet om de zes soortgenoten op te sporen die samen met mij in de Olifantenkamer gelegen hadden. Ik kon hun ‘nieuwe’ identiteiten nergens terugvinden. Dat was in die tijd een heel bewuste politiek: biologische ouders mochten onder geen beding de kinderen terugvinden die ze ooit voor adoptie hadden afgestaan. Ik vond mijn ‘makkers’ niet en op dat moment begon het idee te rijpen om een roman over ‘ons’ te schrijven. Een roman geeft vrijheid: ik kon zelf de personages en hun evolutie verzinnen. Als journalist kende ik nogal wat hoge piefen die voor ministers werkten en zo kreeg ik Orla Berntsen in het vizier. Als onderzoeksjournalist lag ik vaak in de clinch met politici en hun stafchefs. Het leek me interessant om dat hele wereldje een voorname plek in mijn roman te geven en om één baby uit de olifantenkamer op te laten groeien tot zo’n machtige cabinetard. Ik liet Orla in de leefwereld van mijn jeugd opgroeien. Wat niet wil zeggen dat ik ben zoals hij geworden is.

 

Orla werkt voor een heel eng ministerie: dat van Nationale Zaken.

Valeur: Die naam heb ik verzonnen. Als journalist was ik een aantal jaren gespecialiseerd in politieke vluchtelingen. Het debat in Denemarken verliep zeer grimmig, met asielzoekers die zonder pardon terug op transport naar hun thuisland gezet werden. Het ministerie dat verantwoordelijk was voor de vluchtelingenproblematiek, veranderde voortdurend van naam: telkens als er een nieuwe coalitie aan de macht kwam, werd het herdoopt. Tijdens het schrijven, dacht ik: “Laat ik het nu maar eens een nieuwe, enge naam geven die de lading helemaal dekt.”

 

De carrière van de ooit succesvolle onderzoeksjournalist Knud Tåsing is naar de haaien gegaan nadat hij zich in de doeken heeft laten doen door een kindermoordenaar. Is dat ook uit de werkelijkheid geplukt?

Valeur: Ja, een ooit zeer gerenommeerde collega stond model voor Tåsing. Hij heet ook Knud, is een beetje ouder dan ikzelf en heeft belangrijke prijzen gekregen voor zijn werk als onderzoeksjournalist. Net als mijn romanfiguur Knud slaagde hij er in 2001 in met zijn stukken een vermeende kindermoordenaar vrij te krijgen. Hij schreef toen voor de populairste Deense krant, Extra Bladet, en in een aantal artikels bewees hij zwart op wit dat een vermeende verkrachter en moordenaar onschuldig in de cel zat. Er was geen speld tussen te krijgen en de man werd vrijgelaten. Een paar maanden later schoot die kerel twee kleine kinderen op een strand dood. Knud had zich erin laten luizen. Ik heb naderhand ongelooflijk veel gesprekken met die collega gehad, en hij is nooit over die affaire heen geraakt. Hij zei: “Ik heb gedaan wat ik dacht dat juist was. Ik weet ook nu dat ik toen niet anders kon, want ik was er voor de volle honderd procent van overtuigd dat de moordenaar onschuldig was. Daardoor draag ik nu de schuld voor de moord op twee onschuldige jongens.”

 

Hebben je eigen kinderen je boek gelezen?

Valeur: Jij bent de eerste die me dat vraagt. (lacht) Mijn jongste zoon van 14 las de eerste honderd bladzijden uit een soort van plichtsbesef, denk ik: om zijn oude vader tevreden te stellen. Toen ik dat doorhad, heb ik hem meteen van zijn zware taak ontheven. Mijn dochter van 18 heeft het boek op haar nachtkastje liggen. Ze wacht om het te lezen tot ze er klaar voor is. De twee oudste wonen niet meer thuis, maar hebben het wel gelezen. Ik vind het moeilijk om er als vader met hen over te spreken. Een paar dagen geleden nog verwees mijn zoon van 21 in een alledaags gesprek op een bepaald moment naar een gebeurtenis in mijn roman en dat vond ik wel fijn, want dat bewees meteen dat hij het boek ook écht gelezen had.

 

 

Erik Valeur, Het zevende kind, Cargo (originele titel: Det syvende barn), 720 blz. € 24,90.

 

 

 

Driemaal Deens

 

Drie hedendaagse Deense auteurs die u, net als Erik Valeur, niet mag missen:

 

Kim Leine (1961). Hij is geboren in Noorwegen en verhuisde later naar Denemarken. Over zijn leven als zoon van een gewelddadige vader en over zijn seks- en drugsverslaving, schreef hij in 2007 de autobiografie Kalak. Vorig jaar verscheen zijn historische roman De profeten in de Eeuwigheidsfjord (uitgeverij De Arbeiderspers). Aan het einde van de 18e eeuw wordt de Noor Morten Pedersen door zijn vader naar de Deense hoofdstad Kopenhagen gestuurd om er theologie te gaan studeren. Daar ontdekt Morten het ‘echte leven’: de hoeren op straat en het rijkelijk vloeiende bier in de cafés. Hij wordt verliefd op de dochter van zijn kotbaas, en krijgt later een baan als dominee aangeboden. Langzaam maar zeker voelt hij hoe de ketenen van het burgerbestaan worden aangespannen. Op een dag verbrandt hij al zijn bruggen, en vertrekt als missionaris naar de onherbergzame Eeuwigheidsfjord in Groenland.

 

Lars Husum (1975). Hij werkte als copywriter en conceptontwikkelaar voor Lars von Trier. In 2008 debuteerde hij met het een jaar later in het Nederlands vertaalde Mijn vriendschap met Jezus (uitgeverij Nieuw Amsterdam). Na de plotse dood van hun ouders blijven de dertienjarige Nikolaj en zijn zeven jaar oudere zus Sanne samen in het ouderlijke huis wonen. Nikolaj is de zoon van Grith Okholm, de beroemdste zangeres van Denemarken, en van Allan, een postbode. Over geld hoeven beide kinderen zich geen zorgen te maken: Grith laat haar kroost miljoenen na. Onder druk van Nikolaj zonderen hij en Sanne zich van de buitenwereld af. Tussen hen beiden ontstaat een ongezonde broer-zus-verhouding. Nikolaj begint steeds meer trekjes te krijgen van die andere beroemde literaire psychopaten, Patrick Bateman uit American Psycho en Alex uit A Clockwork Orange.

 

Helle Helle (1965). Met Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden (uitgeverij Atlas-Contact) won Helle in 2012 de ‘Gyldne Laurbær’, de prijs van de Deense boekverkopers. Helle geldt als dé vertegenwoordigster van de Deense minimalistische roman. Geen ellenlange beschrijvingen bij haar, maar korte en bondige zinnen, afgewisseld met levendige dialogen. Haar achttienjarige hoofdpersonage Dorte is even no nonsense als haar schrijfstijl. In plaats van ijverig te studeren, slentert Dorte door de straten van Kopenhagen. Ze spendeert al haar spaargeld aan koffie en tweedehandskledij. Ze begint een affaire met de getrouwde Knut en droomt ervan schrijfster te worden. Als haar spaargeld opraakt en haar favoriete tante een zenuwinzinking krijgt, beseft Dorte dat het tijd wordt haar leven een andere wending te geven.

 

© Jan Stevens

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s