“Ik creëer mijn eigen artistieke rampen”

tc bisDe inkt van T.C. Boyle’s 24e roman is nog niet droog of er ligt al een nieuwe verzameling kortverhalen in de boekhandel. “En de 25e roman is bijna af.” Knack Focus ging op bezoek bij de man die sneller schrijft dan zijn schaduw, maar daarbij nooit aan kwaliteit inboet. Integendeel.

 

De zwarte schapendoes komt ons vrolijk tegemoet gehuppeld. “Manieren kent hij nog niet. Ik heb de hond amper acht weken”, zegt de 64-jarige schrijver T.C. Boyle, terwijl hij ons voorgaat naar de voordeur van zijn door de beroemde architect Frank Lloyd Wright ontworpen huis in Santa Barbara, Californië. Tom Coraghesson Boyle, auteur van 24 fantastische romans en honderden verrassende verhalen, draagt helrode gympen en een Ray-Ban. “Die zonnebril behoort niet tot mijn dagelijkse outfit”, verontschuldigt hij zich. “Zo blasé ben ik nu ook weer niet. Maar ik moest vanmorgen een klein gezwel vlak naast mijn rechteroog laten wegbranden. Het rook als een steak op de grill.”

De tafel in de veranda staat gedekt met stokbrood, kaas en fruit. Er ligt ook een vuistdikke drukproef van T.C. Boyle Stories II, een verzameling kortverhalen. “Het échte boek verschijnt in oktober”, glundert de auteur. “Naast heel wat eerder verschenen verhalen zitten er ook veertien gloednieuwe in. Ze zijn geschreven vanuit elk mogelijk perspectief. Ik kan mezelf niet inperken en wil alles uitproberen. Alleen zo blijf ik fris en vermijd ik een writer’s block.”

Op weg naar de veranda stoot ik in de living mijn hoofd tegen een balk. Boyle schaterlacht. “Als jij hier zou blijven wonen, zou je een natuurlijke reflex moeten ontwikkelen om op tijd je hoofd in te trekken. Ik loop niet tegen die balk, hij schuurt enkel mijn haar plat. Al zijn er twee plaatsen in dit huis waar ik mezelf een paar keer bijna buiten westen heb geslagen toen ik hier twintig jaar geleden pas woonde. Op tijd bukken is ondertussen een automatisme geworden.”

 

De grote architect heeft hier een paar serieuze kemels geschoten?

T.C. Boyle: Ik weet zo nog niet of het fouten van Frank Lloyd Wright zijn. De grote architect was in werkelijkheid een kleine man die van knusse gesloten ruimtes hield. Op de plek waar jij je hoofd stootte, staat de open haard. Als je daar in de winter zit en naar het vuur staart, voel je je echt wel geborgen. Vlak ernaast ligt de grote kamer waar je metershoog naar boven kunt kijken en de hemel kan zien.

 

Was het een lang gekoesterde droom van je om in een legendarisch huis als dit te wonen?

Boyle: Niet echt, maar we houden niet van nieuwe huizen, want die hebben geen karakter. Dit huis kwam toevallig vrij. Ik verlang naar de wilde frisheid van de natuur, daarom ook heb ik nooit lang in een stad gewoond. Ik groeide op in een voorstad van New York, op een plek waar nog bomen groeiden. Santa Barbara is een kleine stad met veel bomen, en ik leef hier in het groen, maar toch voel ik me ook hier niet helemaal op mijn gemak. Daarom huur ik een huisje op een berg in het Sequoia National Park. Meestal is er elektriciteit en als de lampen ‘s avonds branden, werk ik er. ‘s Morgens stap ik naar buiten en zit ik middenin de echte, woeste natuur. Ik zie daar in het woud nooit iemand passeren. Dat is schitterend. Dat is het échte Wilde Westen.

 

Je romans gaan vaak over dat verlangen van mensen naar absolute vrijheid in de wildernis.

Boyle: Europeanen kennen dat niet meer, maar in Amerika is die oude droom ‘Going West’ springlevend. Voor veel Amerikanen is het een aantrekkelijk idee om geen wetten meer te moeten volgen, om zelf alles in handen te hebben, primitief te kunnen leven, dichtbij de natuur. In mijn laatste roman San Miguel vertel ik hoe twee families naar het onbewoonde eiland San Miguel varen om daar in pure vrijheid te gaan leven.

 

Dat eiland ligt niet zo ver van Santa Barbara vandaan?

Boyle: Ja, en vandaag leeft er niemand meer want het is een nationaal park. Mijn vorige roman, Na de barbarij, speelde zich af op het grotere eiland Santa Cruz. Toen ik daarvoor aan het researchen was, ontdekte ik drie dagboeken van historische bewoners van San Miguel. Dat eiland ligt op een punt waar de noordelijke stroming vanuit San Francisco en de zuidelijke stroming vanuit San Diego samenkomen. De zee is er dan ook bijzonder ruw. De schapen hebben San Miguel volledig kaalgevreten, waardoor het eigenlijk niets meer dan een verzameling zandduinen is. Nu is het ecosysteem terug een beetje aan het herstellen, en groeien er zelfs twee palmbomen die iemand er een paar jaar geleden geplant heeft, maar andere bomen vind je er niet.

 

Waarom willen mensen per se op zo’n woeste, onherbergzame plek wonen?

Boyle: Ik vertel het verhaal van die families met de stem van de vrouwen. Zij waren verbonden aan hun man, en die mannen waren ambitieus en hadden een plan: ze wilden onafhankelijk worden van de rest van de wereld. Als Amerikaan kun je niet westelijker gaan dan naar dat eiland voor de kust van Californië. In de jaren 1880 en 1930 woonde één familie op San Miguel die die plaats ook bezat. Voor ons, bewoners van een overbevolkte planeet, is het fascinerend dat het nog niet zo lang geleden mogelijk was om de droom van onafhankelijkheid écht na te streven. Die drang naar het bezitten van ons eigen koninkrijkje zit in ieder van ons, maar misschien toch iets meer in de Amerikanen. Dit is een jonge natie die zich losgescheurd heeft van de oude koloniale machten. Misschien is dat ook de onderliggende reden waarom zoveel landgenoten tijdens de vakantie in gigantische camping cars het land verkennen en willen ze zo dat ‘Going West’-gevoel nog even beleven.

Tc

Alle Amerikanen willen vrij en onafhankelijk zijn, maar toch vind je hier overal bordjes met waarschuwingen: ‘Don’t do this, don’t do that. It’s the law!’

Boyle: De roman waar ik nu aan werk, The harder they come, is bijna af en handelt daarover. Het verhaal speelt zich in het hier en nu af, in Noord-Californië. Het gaat over Amerikaans geweld dat voortkomt uit ons verlangen om absoluut vrij te zijn en geen enkele wet te gehoorzamen. Ken je de Sovereign Citizen Movement? Dat zijn kerels die opzettelijk uit de maatschappij gestapt zijn. Ze weigeren om een rijbewijs te hebben of om belastingen te betalen. Mijn nieuwe roman is een logisch vervolg op Na de barbarij en San Miguel. Ik blijf die thema’s van verlangen naar vrijheid uitwerken, en ze leveren me telkens nieuwe scenario’s op.

 

Je bent niet bang om in herhaling te vervallen?

Boyle: Ik probeer elke roman anders aan te pakken, om te vermijden dat ik mezelf zou gaan herhalen. San Miguel is het allereerste boek waarin ik rechttoe, rechtaan schrijf, zonder dubbele bodems, zonder sarcasme, humor of satire. Ik wou ontdekken of ik realistisch kon schrijven. De roman waaraan ik nu werk, heeft drie stemmen die erg van elkaar verschillen. Het ene karakter is een schizofreen, en dat laat me toe om als schrijver weer nieuwe paden te betreden. Mijn personages willen totaal uit de samenleving losbreken. Ze willen geen regels opgelegd krijgen en trekken naar de wildernis.

 

Zoals de dichter-natuuronderzoeker Henry Thoreau die halverwege de 19e eeuw zijn hut in Walden bouwde om van bossen en bessen te leven?

Boyle: Ja, maar dan op een gevaarlijke, gestoorde en criminele manier. (lacht) Met wapens.

 

Wat natuurlijk ook erg Amerikaans is.

Boyle: Vergeet niet dat het hier anders is dan in Europa of in New York: het is hier het Wilde Westen, met échte cowboys. Op mijn berg ben ik intiem bevriend met kerels met wie ik in Santa Barbara nooit vriendschap zou sluiten. Ze hebben niet gestudeerd, zijn extreemrechts, rijden op zware motoren en bezitten een flinke verzameling wapens. Toch zijn het mijn vrienden. We leven samen in een kleine gemeenschap; zij respecteren mijn visie en ik die van hen. Hun denkbeelden verschillen radicaal van die van de mensen bij wie ik opgroeide. Ik ben geboren in een uiterst linkse buurt in New York. Als kind zat ik tussen anarchisten en communisten met roots in de jaren dertig en veertig, die hun ‘idealen’ verloren toen ze erachter kwamen wat hun grote idool Stalin allemaal had uitgespookt. Ik woon nu 35 jaar in Californië en voel me hier nog steeds een vis op het droge. Mijn perspectief is lichtjes anders dan dat van de inboorlingen. Dat is een groot voordeel voor het schrijven van romans en verhalen die zich hier afspelen. Als outsider die hier al lang woont, zie ik dingen die de locals niet zien en mis ik de vooroordelen die de insiders hebben.

 

Je hebt nogal wat historische romans op je actief en voert daar nauwgezette research voor uit. Moet je soms de neiging onderdrukken om de zwarte gaten met al te veel fantasie in te vullen?

Boyle: Niet noodzakelijk. Voor het schrijven van historische romans zijn er geen beperkingen. Ik heb over Kellogg, de uitvinder van de cornflake, geschreven, en over de architect die ervoor gezorgd heeft dat jij daarnet je hoofd stootte. Ik ben gefascineerd door de details van hun levens en beschrijf die zeer accuraat. En toch zijn er geen regels. Ik had Kellogg eigenlijk alles kunnen laten doen: ik had hem een tweede hoofd kunnen laten groeien, ik had hem de ruimte kunnen in katapulteren, hem op zijn derde levensjaar laten sterven… In een roman is alles mogelijk. Maar tot hiertoe ben ik niet geïnteresseerd in al dat ‘buitenissige’. Mijn interesse gaat uit naar het vinden en uitpluizen van een historisch gegeven waar ik helemaal gek van ben, om dat vervolgens aan jou te geven. Het boek dat ik nu aan het schrijven ben, is gebaseerd op een paar krantenartikels, op zo goed als niets dus. Ik verzin het van de eerste tot de laatste zin.

 

In Desperados under the Eaves zingt Warren Zevon: “And if California slides into the ocean, like the mystics and statistics say it will, I predict this motel will be standing until I pay my bill.” Volgens sommigen kan het niet lang meer duren of het ‘zonnige zorgeloze’ Californië wordt verwoest door een grote aardbeving. Ben jij bang voor de grote kladaradatsch?

Boyle: Ik denk niet dat we vanavond de oceaan zullen inglijden. (lacht) Natuurlijk hangt hier altijd de dreiging van een aardbeving, maar de laatste jaren wordt die overstemd door de globale dreiging van de klimaatverandering en de overbevolking, waar ik bijna obsessief over geschreven heb. Het spijt me voor onze vrienden de Nederlanders, maar binnen afzienbare tijd zullen zij verzwolgen worden door de Noordzee en leef jij in een gezellig kuststadje. Een paar jaar geleden heeft de plaatselijke overheid hier bordjes op het strand gezet met de waarschuwing: tsunami-gevaar. Klinkt misschien belachelijk, maar het klopt wel dat door de klimaatverandering ook het lieflijke Santa Barbara een risicozone geworden is.

 

Vind je dat politici drastischer moeten ingrijpen en mensen verplichten om hun ecologische voetafdruk te verkleinen?

Boyle: Geloof jij dat we het kunnen tegenhouden? Nee, er is niets dat we nog kunnen doen. Je kunt alleen maar wachten op de ramp die zich zal voltrekken, of kunst beginnen maken zoals ik. Ik creëer mijn eigen artistieke rampen. Dat maakt mijn lezers gelukkig: zo kunnen ze een ramp beleven zonder af te zien. Met mijn kunst wil ik ook niemand waarschuwen. Kunst gaat niet over boodschappen, maar over communicatie en entertainment.

 

Kunst kan de wereld dus niet redden?

Boyle: O, maar natuurlijk zitten er ongelooflijke slimme boodschappen diep verborgen in mijn werk. Over mijn boeken kunnen honderden thesissen geschreven worden. Ik kan er zelf ook een thesis over schrijven. (lacht) Maar dat is niet wat kunstenaars moeten doen. In tegenstelling tot veel tijdgenoten ben ik erg geïnteresseerd in het ecologische en het sociale. Dat vind je in heel mijn oeuvre. Toch vind ik niet dat kunst moet corrigeren of mensen moet zeggen hoe ze zich best gedragen. Natuurlijk heb ik een boodschap. Maar het is aan de lezer om er iets mee aan te vangen: hij mag ze bediscussiëren, propageren of gewoon negeren.

 

 

 

tc3Drie briljante boeken van T.C. Boyle

 

Talk Talk

Slimme, spannende roman over communicatie, taal en identiteit. Een jonge dove lerares wordt na een lichte verkeersovertreding gearresteerd op verdenking van fraude, autodiefstal, drugsbezit en poging tot doodslag. Al snel blijkt dat ze het slachtoffer is van identiteitsdiefstal. Samen met haar geliefde gaat ze op zoek naar degene die haar identiteit gestolen heeft en haar leven verpest.

 

Verloren nachten

Satirische reis door de hippiecultuur van de jaren zeventig. Star en Ronnie wonen in de Californische hippiecommune Drop City. Iedereen doet het met iedereen en de bewoners van de commune dwalen dag en nacht stoned rond. Wanneer de gemeente met bulldozers aan komt zetten, besluit communeleider Norm te verhuizen naar de ongerepte natuur van het bitterkoude Alaska.

 

De ingewijden

Grappige én liefdevolle historische roman over Alfred C. Kinsey, de man die halverwege de twintigste eeuw met zijn Kinsey Reports het denken van de Amerikanen over seks definitief veranderde. De naïeve jongeman John Milk krijgt een baantje als assistent van Alfred Kinsey. Als lid van Kinseys kring van ingewijden wordt Milk verzocht deel te nemen aan steeds bizardere seksuele experimenten.

 

Tekst: © Jan Stevens

Foto’s © Veerle Van Hoey

 

Op de kaart

op de kaartOp de kaart. Hoe de wereld in kaart werd gebracht

Simon Garfield, Podium/Luster (originele titel: On the map. Why the world looks the way it does), 496 blz., 25 euro.

“In december 2010 publiceerde Facebook een even verbazingwekkende als mooie nieuwe wereldkaart.”

Zijn leven lang al is de Brit Peter Bellerby gefascineerd door tollende ballen. Daarom solliciteerde hij ooit bij een bowlingbaan in Londen. Hij begon er zijn carrière als onderhoudstechnicus voor de houten banen en schopte het snel tot manager. Toen zijn vader tachtig werd, ging hij op zoek naar een origineel tollend cadeau: een met de hand vervaardigde wereldbol. Hij trok van winkel naar winkel, surfte rond op het internet, maar vond alleen peperdure antieke globes of fabriekswereldbollen, made in China. “In veel globes zat zelfs een lamp!” Dus besloot hij zelf een wereldbol voor zijn vader te maken. Toen hij daaraan bezig was, merkte hij dat nog veel andere mensen geïnteresseerd waren in kunstig vervaardigde globes. Hij zei zijn baan bij de bowlingbaan op en ging in 2008 van start als ambachtelijk globemaker. Drie jaar later had hij een wachtlijst van 25 klanten voor elk formaat globe. De ‘moderne’ wereldbolfanaat Peter Bellerby is een van de vele gepassioneerde en gedreven kaartenmakers die de even gepassioneerde en gedreven journalist Simon Garfield portretteert in het uitstekende Op de kaart. Van Ptolemeus tot Google Maps, van de tweede tot de 21e eeuw: de op het eerste gezicht gortdroge geschiedenis van de cartografie wordt dankzij de zwierige pen van Garfield een plezier om te lezen.

© Jan Stevens

De appel valt nooit ver van de boom

dierbaarIn Dierbaar legt de Noorse auteur Linn Ullmann met een fijn scalpel alle onderhuidse spanningen en ergernissen in een moderne familie bloot. Net als haar illustere papa, filmregisseur Ingmar Bergman, daalt Ullman af tot in de diepste krochten van de menselijke ziel. Alleen doet zij dat met veel mededogen én gevoel voor humor.

 

Drie jongens vinden een lijk in een bos. Eigenlijk zijn ze op zoek naar een door henzelf begraven schat, maar hun interne gps laat hen in de steek en ze stuiten op de stoffelijke overblijfselen van het twee jaar eerder verdwenen meisje Mille in plaats van op een melkbus vol waardeloze kostbaarheden.

Dit lijkt de klassieke start van een spannende thriller, maar is het onheilspellende begin van de uitstekende familieroman Dierbaar van de Noorse schrijfster Linn Ullmann. Vlak voor haar mysterieuze verdwijning in juli 2008 werkte Mille als au pair bij Jon en Siri Dreyer en hun twee dochters, de ietwat vreemde Alma van twaalf en de altijd vrolijke Liv van vijf. Ooit was Jon een begenadigd schrijver met twee succesvolle romans op zijn palmares; nu worstelt hij al jaren met een writer’s block en zoekt hij troost in drank en serieel overspel. Siri houdt het gezin financieel overeind en baat twee visrestaurants uit: één in Oslo en één in een oude bakkerij op het platteland, vlakbij het houten landhuis van haar moeder Jenny Brodal. Daar brengt het gezin Dreyer traditiegetrouw ook jaarlijks de zomervakanties door.

In de zomer van Mille’s verdwijning wordt Jenny Brodal 75. Om dat te vieren wil Siri een groot tuinfeest organiseren. “Vijftig gasten, Spaanse speenvarkens, lange tafels in de tuin, lantaarns in de bomen.” Meer dan twintig jaar eerder raakte de alcoholverslaafde Jenny haar laatste glas aan. Op de ochtend van haar grote verjaardagsfeest ontkurkt ze na jaren van drooglegging een fles rode wijn, terwijl ze ‘zeg nooit nooit’ declameert. Een paar uur later, als de eerste gasten toekomen, is Jenny ladderzat.

Jenny Brodals verjaardagsfeest vormt een van de vele hoogtepunten in Dierbaar en roept qua sfeer herinneringen op aan de film Festen van de Deense regisseur Thomas Vinterberg. De koppigheid waarmee Siri haar moeder met een groots feest wil eren, staat in schril contrast met wat die moeder voor haar dochter lijkt te voelen: namelijk helemaal niets. Want Jenny houdt haar inmiddels veertigjarige dochter nog steeds verantwoordelijk voor de dood van haar zoontje. De vierjarige Syven verdronk in het ven toen zijn zesjarige zusje Siri even niet oplette.

Linn Ullmann is de dochter van de grote Zweedse toneel- en filmregisseur Ingmar Bergman en zijn muze, de Noorse actrice en regisseur Liv Ullmann. Met Dierbaar illustreert Linn het gezegde dat de appel niet ver van de boom valt. Net als haar vader heeft ze een voorliefde voor zware thema’s zoals verknipte gezinnen en ontspoorde relaties, alleen is haar toon duizendmaal lichter en vaak ook onweerstaanbaar grappig. Ze verhaalt de soms intrieste gebeurtenissen vanuit verschillende standpunten, toont alle verborgen hoeken en kanten en geeft haar roman zo diepgang en perspectief. Ullmanns personages spreken met levensechte stemmen, waardoor je als lezer steeds meer begrip kunt opbrengen voor hun op het eerste gezicht niet al te koosjere handelingen.

 

 

© Jan Stevens

 

 

 

Linn Ullmann

Geboren in Oslo op 9 augustus 1966 als Karin Beate Ullmann. Ze studeerde Engelse literatuur aan de universiteit van New York en ging daarna in Noorwegen aan de slag als journalist en literatuurrecensent. Ze debuteerde in 1998 met Voor je gaat slapen. Haar derde roman Genade werd in 2002 een bestseller in Noorwegen en leverde haar den norske leserprisen, de prijs van de Noorse lezers op. In 2007 werd haar literair werk onderscheiden met de belangrijke Noorse Amalie Skram-prisen en haar journalistiek werk voor de krant Aftenposten met de Gullpennen (de Gouden Pen). Dierbaar is Ullmanns vijfde roman. Haar werk is vertaald in meer dan dertig talen.

 

Dierbaar

Linn Ullmann, De Bezige Bij Antwerpen (originele titel: Det dyrebare), 301 blz. € 22,50.

“Wij bouwen aan de toekomst van de journalistiek”

xavier dammanIn 2009 trok Xavier Damman naar San Francisco om er zijn droom te verwezenlijken: een succesvol internetondernemer worden. Vier jaar en 3,5 miljoen dollar later krijgt zijn internetplatform Storify maandelijks 20 miljoen bezoekers over de vloer. “Nu wordt het tijd dat we er ook geld mee gaan verdienen.” Dus verkocht hij het een paar weken na dit interview voor een onbekend bedrag aan sectorgenoot Livefyre.

 

San Francisco, de Soma-wijk. Op de hoek van Mission Street en 9th Street zit een groep junkies wezenloos voor zich uit te staren. Een paar huizen verder duwt een dakloze een winkelkar voort met zijn schaarse bezittingen in. Aan een kruispunt zit een druk gesticulerende man te spuwen naar de voorbijgangers. Hier huurt Xavier Damman, de jonge CEO van dotcombedrijf Storify, een tot ruim kantoor omgebouwde loft. “Niet zo heel lang geleden was deze buurt écht verloederd”, zegt Xavier bijna verontschuldigend. “Maar sinds Twitter hier zijn hoofdkantoor heeft, vinden steeds meer hippe internetbedrijfjes de weg naar dit gedeelte van de stad waardoor het hier ook begint op te leven.”

Vier jaar eerder, in de zomer van 2009, nam de toen 25-jarige veelbelovende informatica-ingenieur in Zaventem afscheid van vrienden en verwanten om zijn geluk te gaan beproeven in San Francisco, de bakermat van de digitale technologie. Xaviers plan: van Storify een groot internetplatform maken waar individuen, organisaties en bedrijven hun verhalen zouden kunnen delen met de rest van de wereld. “Ik wou mijn platform bovenop de bestaande sociale netwerken bouwen, wat in die tijd een gloednieuw idee was”, zegt hij. “Ik had geprobeerd om voor mijn onderneming investeerders in Brussel en Parijs te vinden, maar dat bleek een onmogelijke opdracht. Als jonge internetondernemer krijg je bij de banken geen cent los en Europese durfkapitalisten investeren liefst in businessmodellen die bewezen hebben wat ze waard zijn. Als je bij hen op de koffie komt, willen ze dat je zwart op wit aantoont dat je dankzij je activiteit op korte termijn elke euro zal verdubbelen. Ze zijn bang om risico’s te nemen.”

 

U was nog erg jong. Misschien vonden ze u iets te groen achter de oren?

Xavier Damman: Dat kan, al denk ik dat ze me vooral afwezen omdat mijn plannen innovatief waren. Ik begrijp wel dat potentiële investeerders daar huiverachtig tegenover stonden, want ik wist zelf ook niet of Storify ooit rendabel zou kunnen worden. Velen hadden ook slechte herinneringen aan mislukkingen zoals Lernout & Hauspie waardoor er zowel in België als Frankrijk geen geld te vinden was. “Het zei zo”, dacht ik, ik vulde mijn rugzak en vertrok samen met mijn vriendin naar San Francisco. Indertijd trokken onze ouders van het platteland naar Brussel om daar te gaan werken of een bedrijf uit de grond te stampen; mijn generatie doet net hetzelfde maar dan internationaal. Als je wereldwijd een onderneming wilt uitbouwen, moet je naar de hoofdstad van jouw industrie trekken. In mijn geval was dat toevallig San Francisco.

 

Stonden ze u met open armen op te wachten toen u hier met uw rugzak arriveerde?

Damman: Nee, niemand stond ons op te wachten. (lacht) Ik kende hier niemand en moest van nul beginnen. Ik liep zielsverwant en landgenoot Jeremy Le Van tegen het lijf; hij studeerde design en is nu in New York ceo van zijn eigen softwarebedrijf Sunrise. De eerste weken mochten we op Jeremy’s sofa slapen. Na tien dagen had ik een kamer gevonden: de maandelijkse huur bedroeg 1100 dollar voor één slaapkamer in een driekamerappartement. We deelden de badkamer met vijf anderen. In 2007 en 2008 werkte ik als expat in Londen en dat had me gelukkig een beetje spaargeld opgeleverd.

Als je in San Francisco gelijkgestemde ondernemende mensen wilt ontmoeten, moet je in de koffiehuizen zijn. Je vindt er software-ontwikkelaars, marketeers en journalisten die op zoek zijn naar vernieuwende dingen. Het fantastische aan San Francisco is dat je hier probleemloos gepassioneerde mensen ontmoet die écht willen ondernemen. Bezoek om het even welk café en je treft er groepjes mensen achter laptops aan die samen aan hun projecten aan het werken zijn.

 

Is het café ook de plek waar je de investeerders vindt?

xav dammanDamman: Nee, je vindt er de mensen die hun eigen start-up uit de grond aan het stampen zijn. Als je in België vertelt dat je plannen hebt om je eigen internetbedrijfje op te starten, krijg je gegarandeerd als reactie: “Je bent gek. Zoek toch een fatsoenlijke job.” Hier is het compleet tegengesteld. Als je hier zegt: “Ik heb een stabiele job in een groot gerenommeerd bedrijf”, kijken ze je verwonderd aan. “Waarom ga je niet bij een start-up werken? Waarom begin je zelf niet met iets nieuws? Zoek toch een fatsoenlijke job.” (lacht) Het is hier ook geen schande om failliet te gaan. Als het misgaat, is dat spijtig en heb je hopelijk iets bijgeleerd.

Een beginneling die op een meeting in een café geholpen wordt door anderen, kan hen niet bedanken, want hij heeft er de middelen niet voor. Vaak kan hij zelfs niet eens met de lunch trakteren of zijn helpers in contact brengen met talenten in zijn netwerk, want hij heeft amper een netwerk. Dat is ook niet nodig. De mensen die je helpen, zeggen dan: “Geen dank. Van zodra jouw onderneming begint te groeien en succes heeft, moet ook jij de nieuwkomers helpen.” Die ongeschreven ‘code’ maakt het voor beginnelingen makkelijk om mensen te leren kennen die succesvol geworden zijn. Ik heb zo vrij snel een Franse ondernemer ontmoet die drie jaar eerder naar Silicon Valley verhuisd was. Hij werd de eerste adviseur voor Storify. Een paar weken na mijn aankomst ontmoette ik mijn eerste business angel, mijn eerste potentiële investeerder. Hij keek me meewarig aan en zei: “Je zou beter terugkeren naar België. Hier is geen markt voor jou.”

 

Dat was een koude douche?

Damman: Helemaal niet: een betere motivatie kon ik me niet dromen. Als iemand zegt dat iets niet zal lukken, schakel ik een versnelling hoger om het tegendeel te bewijzen. Al duurde het nog even eer ik eindelijk een investeerder vond: in december 2010 haalde ik twee miljoen dollar op bij één man: Vinod Khosla, de medeoprichter van Sun Microsystems.

 

Was twee miljoen dollar veel geld om een bedrijf zoals het uwe op te starten?

Damman: Voor een beginnend bedrijf was twee miljoen misschien te vroeg en te veel. Als we minder startgeld hadden gehad, hadden we ook minder beginnersfouten gemaakt, daar ben ik nu zeker van. We waren beter van start gegaan met de helft van dat bedrag en hadden in het dagelijkse beleid hulp moeten krijgen van geslaagde ondernemers. Vinod Khosla is een volbloed durfkapitalist die in veel jonge bedrijven investeert en niet de tijd heeft om starters bij te staan. Van de ene op de andere dag zaten we op een berg geld die snel moest uitgegeven worden, want het was niet de bedoeling dat we er een spaarpotje mee aanlegden. Investeringsgeld moet razendsnel gespendeerd worden, in de hoop dat het ook razendsnel zal renderen. Dat was niet simpel. Op dat moment werd mijn verleden als Belg een handicap: ik had hier niet gestudeerd en wist niet wie ik best kon aannemen. Ik heb toen nogal wat ‘verkeerde’ mensen aangeworven. Sommigen waren gewoon ongeschikt, anderen hadden het dan weer lastig met de bedrijfscultuur van een start-up. We moesten alles voor het eerst definiëren en uitproberen. Werkelijk alles: van het product, over de technologie tot het design. Om onnodige extra stress te vermijden, kun je dan best je vrienden aanwerven: mensen die je goed kent en vertrouwt.

 

Hoe hebt u Khosla ervan kunnen overtuigen om twee miljoen dollar in Storify te investeren?

Damman: Hij heeft nooit een businessplan gevraagd. Zo’n durfkapitalist investeert per definitie in innovatie: hij beseft dus heel goed dat het product waarin hij zijn geld stopt ultranieuw is en dat de ontwikkelaars bij de start nog geen flauw idee hebben of ze er iets mee zullen gaan verdienen. Wij hadden wel een poging ondernomen om een businessplan in PowerPoint te presenteren, maar de medewerkers van Khosla blokten dat meteen af. “Bullshit”, zeiden ze. Het enige wat ze wilden weten, was of er een markt voor het product is. Dus heb ik mijn verhaal meteen bijgestuurd. “Mensen zullen op sociale netwerken zoals Facebook en Twitter blijven delen wat er op de planeet gebeurt”, zei ik. “Storify wordt hét informatienetwerk voor de 21e eeuw. Journalisten verslaan het nieuws nu al via sociale media op een ‘andere manier’, met Storify wordt dat nog eenvoudiger. Wij willen het grootste platform bouwen dat zin zal geven aan wat mensen op verschillende netwerken posten. Storify wordt big.” En dat verhaal sloeg aan.

 

99% van wat mensen op sociale netwerken posten, is toch gewoon flauwekul?

Damman: Ja, maar dat ene overblijvende procent is heel interessant, denk maar aan de verhalen van mensen uit Syrië of Egypte. Elk nieuwsagentschap kan niet op elke hoek van elke straat in Palestina of Syrië een journalist zetten. Op dit moment registreren veel gewone mensen in conflictgebieden de gebeurtenissen via sociale media. Ze nemen een foto met hun smartphone en delen die met de rest van de wereld. Vandaag vertellen niet langer een paar duizend journalisten ons wat er gebeurt, maar krijgen we de verhalen uit eerste hand, van de mensen die op die plaatsen leven en alles live meemaken. Storify is een soort van Wikipedia over de wereldwijde actualiteit. Dankzij de technologie is iedereen nu een potentiële verslaggever, maar niet iedereen is een journalist. Meer dan ooit hebben we journalisten nodig om al die verslagen zinnig te maken. Het zal hun taak zijn om op sociale netwerken te zoeken naar interessante posts en om context toe te voegen zodat lezers ze kunnen begrijpen. Al Jazeera maakt niet voor niets gebruik van Storify om de Arabische Lente te verslaan. Ik spreek geen Arabisch, begrijp niets van wat de mensen ter plaatse verzameld hebben, maar de journalisten van Al Jazeera kunnen die informatie wel interpreteren. Ze gebruiken Storify om de verslagen te filteren en er verhalen in het Engels van te brouwen zodat wij allemaal kunnen begrijpen wat er aan de hand is. Wij bouwen hier en nu aan de toekomst van de journalistiek.

Drie maanden geleden zijn we begonnen met een deel van het platform betalend te maken. Tot dan was alles gratis. Nu hebben we een aantal betalende circuits ingevoerd die het mogelijk maken dat organisaties upgrades kunnen doorvoeren waardoor hun journalisten makkelijker het platform kunnen gebruiken.

 

Tot drie maanden geleden had Storify helemaal geen inkomsten maar teerde u op die twee miljoen dollar?

Damman: Ja, en eigenlijk hebben we ondertussen 3,5 miljoen dollar opgesoupeerd. (lacht) Een jaar geleden hebben we nog eens anderhalf miljoen dollar opgehaald.

 

Dat geld is allemaal op?

Damman: Ja. Daarom zijn we nu gestart met betalende diensten. Of het moment van de waarheid voor Storify aangebroken is? Misschien, ja. Maar ondertussen hebben we wel dat hele platform gebouwd en maken de belangrijkste nieuwssites gebruik van ons: CNN, The New York Times, The Washington Post, BBC, The Guardian, Bild, De Tijd, Le Soir, Le Monde… Alle grote nieuwsorganisaties wereldwijd gebruiken Storify, net als organisaties zoals de Verenigde Naties en het Witte Huis.

 

Tot hiertoe was dat gratis. Zullen ze bereid zijn om er geld voor neer te tellen?

Damman: Ze hoeven niet te betalen, maar als ze de toegang en het gebruik makkelijker voor hun journalisten willen maken, nemen ze best een abonnement. Als ze het gratis blijven gebruiken, zullen er advertenties in hun verhalen opduiken. Wie geen advertenties wil, zal zijn portefeuille moeten boven halen.

 

De media zitten in een grote crisis. Een krant als The Guardian stapelt de verliezen op. Zullen ze bereid zijn extra te betalen voor Storify?

Damman: 90% van onze klanten komt niet uit de mediasector: het zijn organisaties en merken waarvan ik zeker ben dat ze bereid zijn voor Storify te betalen. Ons doel is om de toekomst van de journalistiek te bouwen, niet om geld uit een armlastige industrie te zuigen. Het ideale scenario is dat we in een situatie terechtkomen waarbij wij geld kunnen geven aan de uitgevers. Hoe we dat zullen verwezenlijken? Steeds meer merken willen aan content marketing doen, op voorwaarde dat ze daarvoor de tools van journalisten kunnen gebruiken. Grote merken als Microsoft, Dell en HBO gebruiken Storify nu al om verhalen te creëren. Merken hebben wél geld maar kunnen hun boodschap niet distribueren. Uitgevers hebben die distributiekanalen wel, maar geen geld. Wij brengen die twee samen. De merken betalen ons en zo onrechtstreeks ook de uitgevers.

 

Bij ouderwetse kranten en tijdschriften is er een Chinese muur tussen redactie en reclame. Bij Storify wordt alles gemixt?

Damman: Ja. Die evolutie kun je niet tegenhouden. Zolang onze lezers duidelijk weten wat redactioneel is en wat reclame, is er toch geen vuiltje aan de lucht? Bij Storify zal het bijvoorbeeld mogelijk worden dat een automerk betaalt om een Instagramfoto van een van zijn modellen in een reportage over het autosalon in Brussel te integreren. Natuurlijk mix je zo reclame en journalistiek, maar het zal altijd duidelijk zijn waar die reclame vandaan komt.

Ik vind transparantie in de journalistiek trouwens belangrijker dan objectiviteit. Die veelgeroemde objectiviteit bestaat gewoon niet: iedereen bekijkt de realiteit door zijn eigen bril. Het is veel belangrijker om te weten wie wat geschreven heeft. Wat mij in de ouderwetse journalistiek stoort, is dat journalisten citaten van mensen uit hun verband rukken of inkorten zodat er vitale informatie verloren gaat. Als je op Storify iemand citeert, kun je dat als lezer meteen checken door te klikken en rechtstreeks in contact te komen met de geciteerde. Dat kan niet in een gedrukte krant.

 

Hoeveel betalende klanten heeft Storify?

Damman: We hebben nu 150 betalende klanten en meer dan 800.000 geregistreerde gebruikers die verhalen creëren. Elke maand krijgen we 20 miljoen unieke lezers over de vloer. Die 20 miljoen zijn belangrijk voor adverteerders, al moeten we die poot nog helemaal beginnen uitbouwen. We zijn een piepjong bedrijf: ons product is amper twee en een half jaar geleden opgestart. Vanaf nu concentreren we ons op het verder betalend maken van diensten en op het onderhandelen met merken over publiciteit.

 

Hebt u in tussentijd extra investeringsgeld nodig?

Damman: Dat is op dit moment niet noodzakelijk, maar het zou best kunnen dat we binnenkort toch geld proberen op te halen. Alles hangt af van hoe snel we kunnen gaan met de uitbouw van betaaldiensten en het aantrekken van publiciteit.

 

Het geld dat u tot hiertoe gebruikt hebt, zal toch ooit moeten renderen.

Damman: De voornaamste reden waarom we misschien extra geld zullen aantrekken, is om meer mensen te kunnen aanwerven, om zo de evolutie naar rendabiliteit te versnellen. Op dit moment werken hier acht mensen, maar als we een team van zes verkopers in dienst nemen, kunnen we ons betalend klantenbestand hopelijk optrekken van 150 tot 1500.

 

Slaapt u goed ’s nachts?

Damman: De laatste tijd niet, want we hebben een baby van zes maanden. (lacht) Deze job is niet altijd even makkelijk. Het bedrijf dat we hier aan het opbouwen zijn, is zo uniek dat we ook weinig vergelijkingsmateriaal hebben. Elke dag is er wel een probleem waar we zelf een oplossing voor moeten verzinnen. Het is moeilijk in te schatten of we echt goed bezig zijn. We moeten dus snel bijleren en corrigeren. Het ene moment voel ik me de koning te rijk als Barack Obama Storify omarmt, het andere moment zit ik in het diepste dal omdat diezelfde Obama ermee dreigt de draad met Storify weer door te knippen omdat er een virus op de site zit. De voorbije jaren was mijn leven net een rollercoaster met grote hoogtes en diepe dalen.

xavier damman bis

 

© Tekst: Jan Stevens

© Foto’s: Veerle Van Hoey

 

“Geld is geen virus dat ons doodt”

Volgens Felix Martin, econoom en fondsmanager in Londen, heeft niemand in de financiële sector nog enig benul wat geld precies is. “Dat stuitende gebrek aan kennis veroorzaakte mee de financiële crisis.” Dus ging hij in zijn originele biografie Geld op zoek naar de roots van het slijk der aarde.

 

In 1903 zette de Amerikaanse dokter, avonturier, etnograaf en ontdekkingsreiziger William Henry Furness III voet aan wal op het ogenschijnlijk paradijselijke eiland Yap in de Stille Zuidzee. Hij had er net een paar langere expedities naar de primitieve koppensnellers van Borneo opzitten en was gewend geraakt aan hun leven in armoede. Maar toen hij kennis maakte met de levensomstandigheden van het Wa’ab-volk op Yap, leek Borneo meteen een welvarende tuin van Eden. De hele economie van Yap draaide rond de handel in drie producten: vis, kokosnoten en zeekomkommers. Meer viel er niet te verhandelen, en toch maakten de duizend eilandbewoners tot stomme verbazing van Furness gebruik van een soort geld. Hun munteenheid heette de ‘fei’: één fei was een gigantische ronde steen van 3,5 meter doorsnee. Daarnaast hadden de Wa’ab ook een gesofisticeerd systeem van kredietmanagement ontwikkeld. In 1910 verscheen The Island of Stone Money, Furness’ verslag van zijn maandenlange verblijf op Yap. Naar verluidt haalde John Maynard Keynes daarin inspiratie voor zijn eigen ideeën over geld en vond hij dat de zogenaamde moderne Amerikanen en Europeanen nog iets konden leren van het monetaire inzicht van het Wa’ab-volk. Ook de Britse economist en fondsmanager Felix Martin zocht inspiratie bij de Wa’ab voor zijn boek Geld. De ongeautoriseerde biografie. Hij gebruikt de ontdekking van de fei op Yab om brandhout te maken van de algemeen verspreide theorie dat geld geëvolueerd is uit samenlevingen waar mensen gefrustreerd zouden geraakt zijn door de beperkingen van ruilhandel. Want als er nu één samenleving was waar ruilen geen enkele frustratie op had kunnen leveren, was het wel Yab met zijn duizend bewoners en drie producten. “Steeds meer antropologen raken het erover eens dat de piste van het ontstaan van geld uit ruilhandel geen steek houdt”, zegt Martin. “Niet alle economisten zijn overtuigd en voor velen onder hen geldt mijn theorie, die overigens ook door een gigant als Keynes onderschreven werd, als rebels. De conventionele consensus over het ontstaan van geld gaat ervan uit dat samenlevingen ooit in een soort van ruileconomie zaten, waarbij het ene goed ingeruild werd voor het andere. Volgens die theorie zorgde die ruilhandel na verloop van tijd voor ruzie en frustratie, omdat de ene ruiler niet altijd op het juiste moment exact dat product in voorraad had wat de andere wou. Dus zou op een bepaald moment iemand het lumineuze idee gekregen hebben een ‘ding’ te benoemen tot ruilmiddel. Dat ‘ding’ werd dan volgens de klassieke theorie meestal gefabriceerd uit goud of zilver omdat dat duurzame materialen zijn. En een tijd nadat geld uitgevonden was, zouden mensen ook overgegaan zijn tot het uitlenen van dat geld: op dat moment werd volgens de brave theoretici het krediet ‘uitgevonden’. In de middeleeuwen zou dan iemand met een mercantiele geest de inval gekregen hebben om een bedrijf op te richten dat zich specialiseerde in het uitbouwen van kredietstructuren rond geld: de bank was geboren. Die theorie is complete nonsens.”

 

Toch klinkt ze heel logisch.

Felix Martin: Zeker, terwijl het in werkelijkheid is als door de verkeerde kant van de telescoop naar het heelal staren. Geld is niet gestart bij zilveren of gouden muntstukken, waar vervolgens de theorie van krediet op werd gebouwd. De waarheid is dat geld van bij de start een verzameling van drie ideeën was. Het gaat dus niet over nikkelgeld maar over filosofie. Het eerste idee draait rond het economische concept van universele waarde. Het is niet zo dat doorheen de geschiedenis alle samenlevingen hetzelfde dachten over wat het begrip waarde precies inhoudt. Er waren wel verschillende vormen van waarde die in verschillende omstandigheden toepasbaar waren. Het tweede idee is dat tegelijkertijd een systeem gecreëerd wordt dat het gangbare waardebegrip kan meten, waardoor krediet kan aangerekend worden. Daaruit volgt automatisch de mogelijkheid tot lenen en schuld. Het derde idee is dan dat ik mijn schuld die ik bij jou heb, kan doorgeven aan iemand anders.

 

Wat dan met het papier en met de muntstukken die wij geld noemen?

Martin: Die zijn niets meer dan een teken. Munten en biljetten zijn symbolen van de onderliggende kredietrelaties. Het is belangrijk om langs de juiste kant door de telescoop te kijken, want alleen zo kun je begrijpen hoe het monetair systeem écht werkt. In wezen is geld niets meer dan ‘een relatie’, een systeem van overdraagbaar krediet. De waarde van geld hangt dus niet af van de hoeveelheid tekens, muntstukken of briefjes.

 

Waar hangt de waarde dan wel van af?

Martin: Ken je het verschijnsel bitcoin? Dat is elektronisch geld dat je kan opslaan op je computer in een walletbestand, of dat je kan laten beheren door een externe partij. Bitcoinadepten betalen elkaar in bitcoins op het net. De aanhangers zijn er lyrisch over. ‘Dit is een heel unieke vorm van geld’, zeggen ze. ‘Bij ons gaat het niet over munten of bankbiljetten, maar over virtueel geld!’ Terwijl dat helemaal niet uniek is, want alle geld is virtueel, ook als het van papier is of van koper. ‘De bitcoin is ook nog op een andere manier uniek’, zeggen de fans. ‘Het is een privaat initiatief en is in tegenstelling tot ponden of euro’s niet in handen van de staat.’ Het klopt dat de meest succesvolle soorten geld doorheen de geschiedenis uitgegeven zijn door de staat, maar er zijn ook altijd vormen van privaat geld geweest. Ze bestaan nu ook nog: het private geld dat gebruikt wordt door ruilcirkels of de lets-systemen waarbij ruilers elkaar belonen met ruilpunten. Dat soort van geld werkt alleen maar onder gelijkgestemden, met mensen die dezelfde ‘ideologie’ delen. Bitcoinaanhangers laten zich daar niet door van de wijs brengen. ‘Oké’, zullen ze dan zeggen, ‘misschien heb je gelijk, maar staten die geld uitgeven, kunnen vaak niet aan de verleiding weerstaan om hun gelddrukkerijen op volle toeren te laten draaien: ze drukken miljarden dollars of ponden en lopen zo altijd het risico om hyperinflatie te veroorzaken. Iedereen weet toch dat iets waardeloos wordt als je er teveel van produceert en het voor iedereen te grabbel gooit? Bitcoins daarentegen hebben een strikte limiet: er zal nooit meer dan 21 miljoen bitcoin beschikbaar zijn. Daarom zal ons geld altijd zijn waarde behouden.’ Het geloof van bitcoinfanaten illustreert waarom het fout is geld niet als een set van ideeën te beschouwen, maar puur als een ding. Geld is geen ding: het is niets meer dan de belofte dat je zal betalen. De waarde van elke belofte wordt bepaald door de betrouwbaarheid van degene die belooft. Bij een belofte hangt alles dus af van vertrouwen.

 

Zijn we dat vertrouwen nu door de financiële crisis verloren?

Martin: Ja. Mensen zijn bang, hebben geen vertrouwen in ondernemen en klampen zich vast aan hun geld als aan hun moeder. De staat drukte geld bij, toch kwam er geen hyperinflatie, waardoor de mensen steeds meer wilden. Tezelfdertijd zijn ze niet gelukkig met de manier waarop geld hun levens bepaalt. Als je geld bekijkt op de ‘alternatieve’, ‘rebelse’ manier zoals ik, en het niet langer ziet als een ding, wind je je er automatisch minder in op. Want ‘dingen’ zoals deze tafel, deze stoel en dit biljet van tien pond zijn neutraal: je kan er geen eigenschappen zoals goed of kwaad aan toedichten en kan ze dus eigenlijk ook niets kwalijk nemen. Alleen als je geld als een set van ideeën ziet, kan je het bekritiseren, want ideeën kunnen wel degelijk goed of slecht zijn. Maar geld is geen virus dat ons doodt.

 

Wakkert het dan niet de hebzucht in de mens aan?

Martin: De Oude Grieken beseften al dat geld een ongelooflijke bron van bevrijding kan zijn: ze zagen het als een middel dat het individu kon helpen zelfstandig te worden waardoor het zich op een goede manier kon losmaken van familiebanden. Tezelfdertijd maakten ze er zich ook zorgen over, omdat ze merkten dat geld hebzucht in de mens aanwakkert. De neiging vandaag is groot om geld als iets vies te beschouwen. De uitvinder van Wikipedia, Jimmy Wales, heeft een nieuw plan: hij wil op het internet een giften-economie creëren. Dat is een economie die niet gebaseerd is op betalingen, maar op giften. De economie van de Oude Grieken in de Bronstijd was gelijkaardig. ‘Als jij mijn dak herstelt, zal ik je gras maaien.’ Volgens Wales zal het internet zo’n giften-economie op grote schaal mogelijk maken. Ik vind dat hij zich vergist door geld af te wijzen. Er is niets mis met geld en bankieren, op voorwaarde dat ze op een juiste manier begrepen worden en op een correcte manier werken. We zijn van de juiste weg afgedwaald en daarom zijn we geëindigd in de shit waarin we nu zitten. Pas als we ervoor zorgen dat heel de financiële sector back to basics gaat, zullen we uit de crisis geraken. Maar doen alsof we in de Griekse Bronstijd leven, is belachelijk en zinloos.

Ik heb economie in Oxford gestudeerd, aan een van de meest orthodoxe economierichtingen ter wereld. Toen ik aan die studie begon, was ik er, net als de meeste mensen, heilig van overtuigd dat we vooral het fenomeen ‘geld’ zouden bestuderen. Tot mijn verbazing moest ik ontdekken dat geld bijna nooit opdook in economische analyses. Echt waar: de meeste macro-economische modellen lijken volledig voorbij te gaan aan geld. Ik begreep dat niet. Ook de studie van banken was herleid tot het absolute minimum. Nadat ik in 2005 afstudeerde, hebben ze de cursus ‘Geld en banken’ zelfs volledig afgeschaft, want er was niemand in geïnteresseerd. In de plaats daarvan doceren business schools nu ‘Academic Finance’. Typisch voor de theorieën van de ‘Academic Finance’ is dat ze geld en banken totaal negeren.

Een jaar na de start van de crisis in 2008 werd de koningin uitgenodigd naar de London School of Economics voor de opening van een nieuw gebouw. De belangrijkste economisten van Groot-Brittannië waren daar ook. Zij vroeg hen: ‘Waarom heeft niemand van jullie deze crisis zien aankomen?’ De geleerde heren stonden met hun mond vol tanden. Natuurlijk stelde de koningin de juiste vraag. Tot op de dag van vandaag is er trouwens nog geen eenduidig antwoord. Volgens mij is dat een gevolg van die grote lacune in onze economische theorieën: we zijn het afgeleerd om na te denken over geld, of over de essentie van bankieren.

 

Ook uw collega’s uit de financiële sector weten eigenlijk niet wat geld is en hoe ze verstandig moeten bankieren?

Martin: De zogenaamde experts begrijpen zelf niet meer hoe geld werkt, en dat stuitende gebrek aan kennis heeft ervoor gezorgd dat ze rampzalige producten verzonnen die ze zelf niet meer begrepen en dat ze totaal onverantwoorde beslissingen namen. Je hoort vaak beweren dat het zo fout is kunnen lopen omdat de meeste belangrijke economische adviseurs gelinkt zijn aan grote financiële instellingen en er zo alles aan proberen doen om regelgeving tot een minimum te beperken. Dat is ook de stelling van de documentaire Inside Job uit 2010 van de Amerikaan Charles Ferguson. Volgens hem waren economen zelfs na 2008 nog tegen hervormingen van de financiële sector gekant, omdat ze werkten voor bedrijven zoals KPMG die de crisis analyseerden, en tezelfdertijd banken adviseerden die de crisis veroorzaakten. Ferguson heeft gelijk, en Inside Job is een film die iedereen moet zien, maar belangenvermenging is niet de enige verklaring. Het grootste probleem is dat de meeste bankiers en financiële whizzkids in de Londense City eigenlijk amper weten waarmee ze bezig zijn.

 

Felix Martin, Geld. De ongeautoriseerde biografie, business contact, 400 blzn. 34,95 euro

 

© Jan Stevens

%d bloggers liken dit: