Chinezen krijgen tien keer vaker asiel dan Syriërs

Een Chinees die in België asiel aanvraagt, maakt vier keer zoveel kans op erkenning als een Afghaan, en bijna tien keer zoveel als een Syriër. Uit cijfers van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen blijkt dat in de eerste negen maanden van dit jaar 88,4% van de Chinezen het vluchtelingenstatuut kreeg. Bijna alle Chinese asielaanvragers hebben ‘het Tibetaans profiel’, waardoor ze vlot in aanmerking komen voor erkenning. Ook als ze nooit een voet in China gezet hebben.

 

Van de 1.707 behandelde vluchtelingendossiers van Afghanen, werden er dit jaar door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen 375 of 22% gehonoreerd, van de 1.034 Syriërs slechts 96 of 9,3%. Van de 189 Chinezen kregen er 167 of maar liefst 88,4% asiel. China staat al jaren bovenaan in de top tien van landen met de meest succesvolle asielaanvragen. Terwijl het gemiddelde erkenningspercentage van de meeste andere landen tussen 10 en 20 % schommelt, haalt China steevast vlot 90%.

“Nogal wat Afghanen en Syriërs krijgen subsidiaire bescherming”, zegt Els Cleemput, woordvoerster van staatssecretaris voor Asiel en Migratie Maggie De Block. “Omwille van het geweld in hun land mogen ze tijdelijk blijven. Om de twee jaar wordt dat geëvalueerd. Wij bepalen niet wie erkend wordt als vluchteling: dat is een onafhankelijke beslissing van het Commissariaat-Generaal.”

“De meeste Chinese asielaanvragers zijn Tibetanen die afkomstig zijn uit China”, zegt vluchtelingencommissaris Dirk Van Den Bulck. “Ze krijgen de vluchtelingenstatus omdat ze vervolgd worden voor hun etnische afkomst. Slechts weinig andere Chinezen dienen een asielaanvraag in. De meesten verdwijnen in de illegaliteit.”

Krijgt elke Tibetaan automatisch asiel? “Nee. Elk individueel dossier wordt grondig onderzocht. Het is wel zo dat de meeste Tibetanen een gegronde vrees voor China kunnen aantonen.”

 

Migratie

Niet alle Tibetanen die in België asiel vragen en krijgen, komen uit China. Ze verbleven jarenlang in India, Nepal of Bhutan. Sommigen zijn zelfs niet eens in China geboren en hebben het land nooit bezocht, maar krijgen toch het felbegeerde vluchtelingenstatuut. “We hebben ook vastgesteld dat sommige Tibetanen in India of een ander land geboren en getogen zijn”, geeft Dirk Van Den Bulck toe. “Daarom willen we in de toekomst nagaan of die mensen de reële mogelijkheid hebben om veilig en zonder risico terug naar dat eerste land van asiel te keren. Dat wordt nu pas mogelijk voor ons omdat de wet eind september is aangepast.”

Sommige Tibetanen hebben het vluchtelingenstatuut gekregen, ook al waren ze in de eerste plaats economische vluchtelingen? Dirk Van Den Bulck: “Het klopt dat Tibetanen om economische redenen naar Europa migreren, terwijl ze in India een alternatief hebben. Maar dat geldt zeker niet voor alle Tibetanen. Ons onderzoek is nog niet helemaal rond.”

 

Schuldgevoel

Vandaag heeft België in Europa na Zwitserland de grootste Tibetaanse gemeenschap. Volgens Inge Hermans, voorzitster van de belangenvereniging Vrienden van Tibet, is de welwillende houding van het Vluchtelingencommissariaat misschien te verklaren door het schuldgevoel van Belgische politici. “Een man als de Dalai Lama is nu eenmaal zeer populair”, zegt ze. “Nogal wat politici zijn het geweldloze verzet van de Tibetanen in China genegen. Maar omwille van de lucratieve handelscontracten durven ze de Chinese overheid niet onder druk zetten. Op al die handelsmissies wordt amper over mensenrechten gesproken. Ik kan me voorstellen dat het tolerante asielbeleid dat gebrek aan politieke moed moet compenseren.”

Dirk Van Den Bulck ontkent alle politieke inmenging. “Voor ons telt maar één ding: het echte risico dat een individu loopt in zijn land van herkomst, rekening houdend met wat er in de wet is vastgelegd. Al de rest is van geen belang.”

 

© Jan Stevens

Hooligans, alive and kicking

Meer dan 300 agenten stonden gisteren in en rond het Constant Vandenstockstadion paraat om de hooligans van Paris Saint-Germain en Anderlecht uit elkaar te houden. “Van bij de loting wisten we dat dit een risicowedstrijd zou worden”, zegt Jo Vanhecke van de Voetbalcel. Was het hooliganisme de wereld dan niet uit? Nog niet helemaal.

 

Tot voor kort leek het voetbalhooliganisme zo goed als verdwenen. “Dat is ook zo, maar alleen in landen waar hard aan de bestrijding ervan gewerkt is”, zegt voetbalexpert en –publicist Raf Willems. “Groot-Brittannië en Duitsland kampten van de jaren zeventig tot en met de jaren negentig met gigantische geweldproblemen op en naast het voetbalveld. Hun antwoord was keiharde repressie in combinatie met grote investeringen in heropvoedingsprogramma’s voor gewelddadige supporters.”

Twintig jaar geleden pakte de Duitse politie het hooliganisme met harde hand en veel machtsvertoon aan; tezelfdertijd introduceerden alle professionele clubs het veel softere ‘Fanprojekt’. Raf Willems: “Ze namen elk een paar maatschappelijk werkers aan die jongeren weghielden van het supportersgeweld. Die aanpak rendeert: Duitsland is zo goed als hooliganvrij. Ook het Italiaanse voetbal werd eind vorige eeuw geteisterd door hooliganisme. Daar lieten de clubs en de overheden alles op hun beloop. Het gevolg is dat het geweld en het racisme in en rond het voetbalveld er uitstekend gedijen. Dat geldt zeker voor Oost-Europa, waar het ultragewelddadige hooliganisme alive and kicking is.”

 

Heizeldrama

De allereerste opstoot van ‘modern supportersgeweld’ dateert van 1972. Na de finale van de Beker voor Bekerwinnaars tussen Glasgow Rangers en Dynamo Moscou stormen supporters van de Schotse club het veld op en slaan alles kort en klein. “Dat was meteen ook de start van het Britse hooliganisme”, zegt Raf Willems. “Het Heizeldrama in 1985 zorgde voor een schokeffect bij de Britten. De maatregelen die naar aanleiding daarvan genomen zijn, gaven het Engelse hooliganisme midden jaren negentig de genadeslag. De Britten introduceerden Football in the Community en wisten zo de negatieve vereenzelviging van de hooligan met zijn club, om te zetten in een positieve.”

De eerste generatie hooligans stamde uit de sociaal zwakste groepen in de samenleving. “Ze hadden geen perspectief en maakten onder invloed van extreemrechtse bewegingen amok op en rond het voetbalveld. De Britse hooligans werden aangevuurd door de National Party, de Duitsers door de neonazi’s en de Italianen door neofascisten. ‘Onze’ hooligans volgden hetzelfde traject als dat van hun Britse voorbeelden, maar met vijf jaar vertraging. Ook hier speelde extreemrechts een belangrijke rol, zo infiltreerde het toenmalige Vlaams Blok bij Beerschot en Club Brugge.”

Eind jaren tachtig kwam daar met de opkomst van ‘de casuals’ verandering in. Raf Willems: “Die jongens zagen er uit als keurige heertjes. Het extreemrechtse gedachtengoed interesseerde hen niet. Ze kickten alleen op geweld, hadden geld, droegen merkkledij en snoven coke om scherp te staan tijdens de gevechten. De leiders hielden zich vooral met drugs- en wapenhandel bezig. Daarom is het ook niet meer dan terecht dat er keihard repressief tegen hen werd opgetreden. De Voetbalcel van het ministerie van Binnenlandse Zaken pakte dat op een uitstekende manier aan. Het heropvoedingsaspect kreeg iets minder aandacht, al is dat in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de Belgische voetbalbond.”

Jo Vanhecke is directeur van de Voetbalcel. “Tot 2005 was het hooliganisme sterk aanwezig”, zegt hij. “Daarna evolueerde het tot een fenomeen in de marge. Het positieve gevolg is dat de voorbije 10 jaar het aantal toeschouwers in eerste klasse gestegen is met 25%. We hebben het hooliganisme terug gedrongen door onder andere snelle en harde sancties tegen norm-overschrijdend gedrag tijdens voetbalwedstrijden, door de inzet van gespecialiseerde politiemensen en informatie-uitwisseling over risicosupporters. Nogal wat jonge supporters vinden nu aansluiting bij bewegingen die hun ploeg met positieve acties ondersteunen.”

 

Wachtebeke

Twee weken geleden verbood de burgemeester van Wachtebeke de match tussen SK Wachtebeke en Yellow Blue Beveren, twee ploegen uit derde provinciale. Aanleiding waren aanzwellende geruchten dat de hooligans van eersteklasser Sporting Lokeren en de Nederlandse profclub NAC Breda afgesproken hadden om hun oude vete met de harde kern van Beveren te komen uitvechten op de zondagse Wachtebeekse voetbalwedstrijd. “De echt zware jongens hebben een stadionverbod en raken op geen enkele profwedstrijd meer binnen”, zegt Raf Willems. “Daarom gaan ze op zoek naar ‘alternatieven’ zoals zo’n provinciale match. Soms spreken ze ook af op een parking om elkaar daar te lijf te gaan.”

“Veel verhalen over die free fights zijn overdreven”, vindt Jo Vanhecke. “Dat fenomeen is overgewaaid uit Oost-Europa en Rusland, maar komt hier amper voor. Hooligans van het eerste uur beschouwen het bij gebrek aan voetbalwedstrijd trouwens niet als echt hooliganisme.”

 

 

 

 

De hooligans van België

 

Jo Vanhecke: “België telt 4200 risicosupporters. Daar zitten ook de ‘meelopers’ in, mensen die ooit eenmalig bij een incident betrokken waren. Er zijn nog zo’n 250 à 300 échte hooligans, met een stadionverbod en geldboetes die oplopen tot een paar duizend euro. Jaarlijks legt de Voetbalcel 900 à 1000 personen een stadionverbod op en wordt voor 400.000 à 500.000 euro aan geldboetes geïnd.”

 

 

 

 

 

 

Paris Saint-Germain: altijd in voor een stevige knokpartij

 

In 2011 kocht de Qatar Investment Authority voor 40 miljoen euro het kwakkelende Paris Saint-Germain (PSG) over van de Franse overheid, waardoor PSG het persoonlijke speeltje werd van de steenrijke emir van Qatar. “De emir heeft PSG met zijn vele geld kunstmatig opgefokt”, zegt Raf Willems. “Vanaf volgend jaar geldt voor de Europese clubs het Financial Fair Play Plan van de UEFA. PSG kan daar nooit aan beantwoorden. Eigenlijk zou die club gewoon niet mogen deelnemen aan de Champions League, maar toch laten de voetbalbonzen dat toe. PSG heeft zowel een extreemrechtse supportersachterban, als een antisemitische achterban vol fanatieke moslims. Ze hebben een kwalijke reputatie: als ze niet tegen supporters van andere ploegen aan het vechten zijn, staan ze elkaar naar het leven.”

De rivaliteit tussen de supporters van PSG en die van Anderlecht gaat terug tot november 1992. Anderlecht verloor toen in Parijs van PSG in de achtste finales van de UEFA-cup, waarna er na de wedstrijd zware rellen uitbraken. Raf Willems: “In die tijd was Anderlecht ook een club met een van de zwaarste harde hooligankernen, de O-side, geïnfiltreerd door het Front National. De huidige harde kern van Anderlecht, de Brussels Casual Service, zijn 150 man sterk en niet te onderschatten.”

De afgelopen dagen hebben verscheidene Parijse hooligangroepen via sociale media oproepen gelanceerd om in Brussel een stevig robbertje te gaan vechten. “Dat is geen verrassing voor ons”, zegt Jo Vanhecke. “De beide clubs, de politiediensten en de overheden hebben al verschillende malen samengezeten en houden al dagenlang contact om de situatie op de voet op te volgen en gepaste maatregelen te nemen.”

 

 

Clubs met anno 2013 een fervente hooliganaanhang

 

  1. Glasgow Rangers – De Italiaanse ex-voetballer Marco Negri noemt zijn vroegere Schotse club onomwonden: “Een rechtse club met rechtse supporters. De liedjes die ze tijdens wedstrijden zongen, maakten me misselijk.”
  2. Millwall – De supporters van de Zuid-Londense club gaan er prat op radicaalrechtse relschoppers te zijn. Op wedstrijden zingen ze uit volle borst: “No one likes us, we don’t care”, op de tonen van Rod Stewarts We are sailing.
  3. Palermo – Na de ‘Siciliaanse derby’ Catania-Palermo in 2007 voerden de supporters hun zoveelste veldslag waarbij een agent het leven liet.
  4. Partizan Belgrado – De Servische hooligans hebben een zweer kwalijke reputatie. In 2009 werden 14 leden van de harde supporterskern van Partizan Belgrado tot jarenlange gevangenisstraffen veroordeeld voor hun aandeel in een raid met honkbalknuppels op Franse supporters in een café, waarbij een dode viel.

 

© Jan Stevens

Een gehucht in een moeras

gehucht in een moerasMarc Didden, met foto’s van Johan Jacobs, Luster, 220 blz., 19,95 euro.

 

“Het is hier gewoon voor mijn deur gebeurd.”

 

 

Eind jaren veertig trok pa Didden vanuit het landelijke Hamont naar de grote stad Brussel. Hij huurde er een kamer en trok er op verkenning. “Hij wou zichzelf ervan vergewissen of het wel een goede plaats was om kinderen in los te laten”, schrijft zoon Marc Didden in zijn fraai uitgegeven Brusselboek Een gehucht in een moeras. Pa Didden werkte bij de douane en wou weg uit het kneuterige Limburg. Zo weigerde hij een betrekking in Hasselt omdat de inwoners er volgens hem “teveel stront aan hun gat” hadden hangen. Brussel moest en zou het worden en hij ging aan de slag in het goederenstation Turn & Taxis. Als zoon Marc daar nu op de bus voorbij rijdt, zegt hij nog altijd stil in zijn hoofd: “Dag papa.” Tot vandaag blijft Marc ook de verkenningstochten van zijn vader herhalen. In Een gehucht in een moeras neemt hij de lezer mee op die kilometerslange eigenzinnige wandelingen door Brusselse wijken en kwartieren. Het resultaat is veel meer dan een stadsgids vol interessante inside tips. Het is in de eerste plaats een vriendelijke uitnodiging van een volbloed ketje aan al wie bang is van de boze grote stad om alle vooroordelen opzij te zetten. Maar Didden is geen naïeveling: hij is er zich zeer goed van bewust dat Brussel een moeilijk lief is en geen sprookjesstad zoals Amsterdam of Brugge. “Je moet goed zoeken om er iets te vinden naar je meug, niets waait je hier zomaar toe, in your face.” Wat meteen ook dé reden is waarom hij zo van zijn stad houdt.

 

© Jan Stevens

“Wat is er eigenlijk mis met kneuterigheid?”

Volgens de conservatieve denker Thierry Baudet koesteren de West-Europese elites een diepe, instinctieve aversie tegenover de plaats waar ze leven. Ze lijden aan ‘oikofobie’, het tegengestelde van xenofobie. “Ze zijn enthousiast over alles wat het eigene verzwakt.”

 

In zijn pas verschenen provocerende boek Oikofobie zet de Nederlandse conservatieve denker en jurist Thierry Baudet de aanval in tegen de Westerse intellectuelen die hun ‘thuis’ liefst van al van de kaart zouden vegen. Het modernisme in de kunsten, het multiculturalisme en de Europese eenmaking ziet Baudet als symptomen van hun ‘pathologische drang naar vervreemding en ontworteling’. Het neologisme ‘oikofobie’ leende hij van de Britse conservatieve filosoof Roger Scruton. “Oikofobie is een fase die iedereen in zijn puberteit doormaakt”, zegt hij. “Dan zetten we ons af tegen onze thuis en breken we los. In normale omstandigheden gaat dat na een tijdje weer over. Maar hier in het Westen is die puberale houding, dat schoppen tegen thuis, blijven hangen. Daar zitten we nu in vast.”

 

Wanneer is die oikofobie ontstaan?

Thierry Baudet: De Eerste Wereldoorlog vormt het beginpunt. Al kun je het ook al eerder situeren, met culturele elites die het modernisme in de kunsten omarmden om zich zo te onderscheiden van de opkomende middenklasse die een meer traditionele smaak had. Maar pas in de jaren twintig en dertig zette het modernisme in de kunsten zich echt door. Tezelfdertijd verschenen er politici op het voorplan die het Europa van de natiestaten wilden verlaten en een groot rijk wilden uitbouwen, denk maar aan Mussolini, Hitler, Jean Monnet, Altiero Spinelli. De Tweede Wereldoorlog versterkte de oikofobie, die vervolgens door de babyboomers in 1968 in politiek beleid vertaald werd. De wereldoorlogen zijn dus de grootste oorzaak: zij veroorzaakten het trauma dat de Westerse intelligentsia deed vervreemden van haar eigen cultuur.

 

Wat is dat dan, die eigen cultuur?

Baudet: Bij oikofobie van pubers gaat het over hun thuis en hun familiesituatie. We begrijpen allemaal wat er in die omstandigheden met ‘thuis’ bedoeld wordt, maar toch is het lastig om dat begrip precies te definiëren. Stel dat wij broers zouden zijn, dan begrepen we allebei perfect wat ‘thuis’ is, maar we zouden er wel een verschillende omschrijving aan geven. Dat geldt ook voor het begrip ‘Westerse traditie’. Het is moeilijk om dat precies af te bakenen, maar we weten wel allemaal wat ermee bedoeld wordt. Die Westerse cultuur wordt ondermijnd. Het thuisgevoel, de geborgenheid wordt bedreigd door de moderne architectuur met haar anonieme gebouwen. Ook de massale immigratie vormt een inbreuk op ‘thuis’.

 

Ik krijg het gevoel dat ‘thuis’ iets kneuterigs is: voor Vlaanderen gesymboliseerd door de fermette, voor Nederland door de doorzonwoning en voor ons beiden door bloemkool met worst.

Baudet: Voor veel mensen is het leven natuurlijk ook kneuterig. Wat is daar eigenlijk mis mee? Een kneuterig ‘thuis’ hoeft niet gesloten en onaangenaam zijn. Je kunt je toch ook een open en dynamische thuis voorstellen waar nieuwkomers welkom zijn, waar verandering mogelijk is, terwijl het toch vertrouwd blijft? Ik ben een groot voorstander van dynamische oikofilie.

De Duitse schrijver Oswald Spengler schreef rond 1920 Der Untergang des Abendlandes. In zijn kielzog volgden vele andere denkers, waaronder de Britse historicus Arnold Toynbee. Zij stelden dat de westerse cultuur voltooid en verdord was. “Kijk naar de Eerste Wereldoorlog, blijkbaar hebben we niets anders meer te doen dan oorlogvoeren en elkaar afslachten.” Het modernisme probeerde daar een radicaal antwoord op te formuleren door te breken met de traditie. Het doordrenkte de kunst, de Europese Unie werd opgericht, de immigratie kwam op gang, de grenzen werden opengegooid. Zowel het cultuurpessimisme van Spengler als het modernistische antwoord daarop, waren allebei puberale reacties op het reële probleem van de Eerste Wereldoorlog. Maar ze brachten en brengen natuurlijk geen zoden aan de dijk: cultuurpessimisme verlamt en het modernisme is onbevredigend, dat zien we elke dag. Het landschap wordt verpest door verschrikkelijke gebouwen. Kijk naar Brussel: in de gebouwen van de EU zie je waar het huwelijk tussen het modernisme in de esthetiek en in de politiek toe leidt. Brussel is een belegerde stad, met enorme getto’s vol migranten. Ja, de stad heeft een prachtig historisch centrum, maar daaromheen liggen kilometerslang EU-kantoren en moslimwijken met no go-zones. In Brussel zie je alles samenkomen: het modernisme in de politiek, het modernisme in de esthetiek en de gettovorming als gevolg van de massale migratie.

 

Het beeld dat u van Brussel schetst, is de karikatuur die bij veel Vlamingen leeft. Vaak zijn die mensen er nog nooit geweest. Hebt u de stad ooit al eens verkend?

Baudet: Dat oude centrum is natuurlijk leuk, daar kun je lekker eten. Ik ben er regelmatig geweest en ik heb vrienden en vriendinnen die me vertellen dat er bepaalde wijken zijn waar je niet in je eentje doorheen kunt lopen. Door wat je in steden als Brussel ziet gebeuren, raken mensen vervreemd. Het politieke effect is dat de democratische rechtstaat uiteen valt. Als je geen sociale cohesie hebt die voldoende sterk is om die structuur te dragen, valt alles uiteen. We dreigen ook spiritueel ontheemd te raken als er geen betekenisvolle relatie meer is tussen het individu en de wereld rond hem. Anonieme gebouwen hebben een vervreemdend effect waardoor mensen in een roman van Michel Houellebecq terechtkomen. Dat is allemaal het gevolg van oikofobie. De oikos, onze thuis, verdwijnt.

 

Waardoor we volgens u met zijn allen op weg zijn naar een remake van de middeleeuwen?

Baudet: Exact. Waar we naartoe aan het gaan zijn, lijkt heel sterk op de middeleeuwen. De centrale staatsmacht raakt uitgehold en wordt vervangen door overlappende jurisdicties. Een nieuwe standenmaatschappij ontstaat. In de middeleeuwen zag je net als nu een vorm van multiculturalisme waarbij je rechten en plichten afhankelijk waren van je persoonlijke status: ofwel was je edelman, ofwel boer. Je rechten en plichten werden bepaald door je afkomst, niet door je nationaliteit. Een quasi-erfelijke aristocratie is aan het terugkeren in de vorm van de kosmopolitische ‘eurofiele’ elites, ze noemen zichzelf de ‘hoogopgeleiden’, en sluiten via subtiele stijlconventies de nieuwe horigen, waaronder de gastarbeiders, buiten. Ook het keizerlijk gezag, dat in de middeleeuwen over heel Europa heerste, is terug in de vorm van de Europese decreten uit Brussel. In de middeleeuwen had je de paus, nu heb je het Europese Hof voor de Rechten van de Mens; toen had je de keizer, nu heb je de Europese Unie. In de middeleeuwen had je ook nog het christendom, een sterk spiritueel stelsel dat betekenis gaf. We hebben nu alleen maar bureaucratie.

 

Draagt de kerk zelf niet de grootste verantwoordelijkheid voor het feit dat ze het grootste deel van haar aanhang in het Westen verloren is?

Baudet: Ja. De grote nadruk op het geloven heeft het christendom de das omgedaan. “Het is allemaal écht gebeurd.” Natuurlijk is het niet echt gebeurd, natuurlijk is het niet waar. Alsof dat het punt zou zijn. Het jodendom heeft een andere evolutie gekend, waar wij nog iets van kunnen leren. Veel joden geloven geen woord meer van de Thora maar voelen zich toch verbonden met de traditie. Ook seculiere joden vieren Pesach en de sabbat. Ik vind dat een heel mooi model. Wij zijn dat jammer genoeg kwijtgeraakt omdat de kerk zo vasthoudt aan de orthodoxie. Begrijp me niet verkeerd, ik pleit er niet voor dat het enige aanknopingspunt voor de oikos de religie zou zijn. Er is immers zoveel meer: denk maar aan de nationale geschiedenis, aan de taal, maar ook aan de esthetiek.

 

U schrijft: “De vervreemdende klanken van de atonale muziek; de onbegrijpelijke stellages en kleurstrepen in moderne musea; de afschrikwekkende bouwsels die in elke stad verrijzen – alle komen evenzeer voort uit een vijandschap met de oikos als het multiculturalisme en het Europese project.” In uw kritiek op moderne kunst lijken er echo’s te weerklinken van het nazidiscours over ontaarde kunst.

Baudet: Het feit dat ook de nazi’s moderne kunst op de korrel namen, wil natuurlijk niet zeggen dat alle critici van het modernisme nazi’s zijn. Wie traditie boven modernisme verkiest, is niet per definitie voor een statisch vasthouden aan wat er altijd geweest is. Dan ben je niet automatisch voorstander van uitsluitend stillevens in de 17e-eeuwse stijl. Traditie betekent ‘doorgeven’, en dat verloopt altijd dynamisch. Dé vraag is: wil je een traditie die voort blijft gaan, of wil je daar radicaal mee breken? Het modernisme is zo een radicale breuk met het verleden. Vandaag focussen kunstopleidingen uitsluitend op het modernisme, op abstracte ‘conceptkunst’, en gaan subsidies bijna integraal naar modernistische kunstuitingen. In Nederland kun je bij het Fonds voor de Podiumkunsten subsidie aanvragen voor reeds geschreven stukken. De Nederlandse componist Ed de Boer stuurde na veel afgewezen subsidieaanvragen voor ernstige, luisterbare muziek de atonale compositie Bubbles in. Alleen had hij de noten nu niet zelf bedacht, maar door zijn zoontjes van 5 en 10 willekeurig op een elektrisch keyboard bijeen laten rammen. Zijn subsidieaanvraag werd gehonoreerd. De commissies die het stuk moesten beoordelen, hanteerden ‘de compositorische kwaliteit’ als belangrijkste criterium. In de toewijzingsbrief concludeerde het fonds: ‘Beide commissies waren over dit werk positief gestemd. Zij waren van mening dat de relatief korte compositie vakkundig is gemaakt en deze qua idioom het reguliere werk van uw hand overstijgt.’ Dit is het modernisme in actie. Een schande.

 

Dienen subsidies niet in de eerste plaats om moeilijk toegankelijke kunstuitingen ook een kans te geven?

Baudet: Ik ben niet tegen subsidies, alleen is het hele systeem door een bepaalde ideologische groep gekaapt, door een culturele elite die oikofoob is. Zij wil kunst, muziek en architectuur die mensen vervreemdt en ontwortelt.

 

Het is een groot links complot?

Baudet: Dat zegt iedereen altijd. (lacht) Natuurlijk is er geen complot: er is geen bewuste afspraak tussen mensen. Er is wel een tijdsgeest. Net zoals we het tijdperk van de romantiek gekend hebben, zitten we nu in het tijdperk van de oikofobie. Maar er hangt verandering in de lucht: er is een nieuwe generatie aan het opstaan die de vraag ‘wat delen we met elkaar?’ belangrijk vindt. Dat merk je aan de populariteit van biologische markten, aan een fenomeen zoals crowdfunding en aan de nadruk op de buurt en op lokale betrokkenheid. Mensen organiseren steeds meer initiatieven die de oikos, het gemeenschappelijke, centraal stellen. Tezelfdertijd zie je wrok bij de mensen bij wie dat ‘thuisgevoel’ verloren is gegaan, en dat vertaalt zich in steun aan populistische anti-establishmentspartijen en in een algehele afkeer van het maatschappelijke. Ze trekken zich helemaal terug in hun eigen leventje, raken verbitterd en keren zich af van de politiek.

 

Zie je die zoektocht naar betrokkenheid niet vooral bij linkse jongeren en zijn het niet vooral de meer rechtse oudere mopperkonten die de maatschappij de rug toekeren?

Baudet: Dat zie ik niet zo, nee. Ik beschouw mezelf niet meteen als links, toch reken ik me bij die betrokken mensen die de biologische markt opzoeken en het gemeenschappelijke willen herwaarderen. Natuurlijk is er nog die elite die vooral haar wortels heeft in de jaren zestig. Ik heb het dan niet alleen over politici, maar ook over hoogleraren, over de hoofdredacteuren van de kranten, over rechters en onderwijzers – over het hele establishment. Zij zijn groot geworden met De avonden van Gerard Reve en met andere romans waarin de benauwdheid van thuis prominent naar voor kwam. Ze hebben die hele bevrijdingsbeweging meegemaakt en sommige aspecten daarvan waren ook goed. Het is alleen doorgeschoten waardoor we nu in een fase zitten waarin belangrijke vragen gesteld worden als: “Wat delen we nog met elkaar? Wat is onze gemeenschap? Is een stad juist niet heel erg mooi als ze kronkelende steegjes heeft met architectuur op menselijke maat? Wat hebben we over die Europese Unie eigenlijk te zeggen? Zou het niet beter zijn als we terug het heft in eigen nationale handen zouden nemen?” De volgende dertig jaar zullen in het teken staan van werken aan een open, tolerant nationalisme, waarin autochtonen én allochtonen dezelfde kar duwen en investeren in hetzelfde nationale project, in kleinschaligheid, schoonheid en harmonie.

 

De islam vormt volgens u een van de grote bedreigingen voor onze ‘thuis’. In Oikofobie schrijft u dat het noodzakelijk is om een generalistisch beeld van de islam uit te tekenen als we erover willen discussiëren, waarna u uw algemeen beeld van die religie op papier zet. Schetst u niet vooral het portret van de fundamentalistische islam?

Baudet: Je moet zien hoe ik daartoe kom. Ten eerste: in de islam is de Koran het woord van God zelf. Beweren alleen fundamentalistische moslims dat? Nee. Geen enkele moslim zal dat ontkennen. Het Nieuwe Testament daarentegen, is niet het woord van God, maar een getuigenis over de gebeurtenissen rondom Jezus. Ten tweede: de kernfiguur van de islam is een krijgsheer, maar de kernfiguur van het christendom is een pacifist. Het derde en belangrijkste verschil: in het Nieuwe Testament staat: ‘Geef aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt’, wat de theologische grondslag vormt voor de scheiding tussen kerk en staat. In de islam worden religie en politiek juist aan elkaar gekoppeld via het rechtssysteem sharia. Het is buitengewoon lastig om de Koran te lezen zonder die koppeling met het shariarecht te maken. Dat heeft niets te maken met fundamentalisme, het ís gewoon de islam.

 

Er zijn in onze samenleving toch heel wat gematigde moslims die probleemloos de scheiding tussen kerk en staat maken?

Baudet: Dat zegt dan meer over die mensen dan over de islam. Hun behoefte om bij het Westen te horen is blijkbaar sterker dan wat de Koran gebiedt. De islam is en blijft een rechtssysteem. Ik zeg niet dat het in de toekomst niet zou kunnen veranderen, alleen stel ik vast dat het op dit moment niet zo is. Het is niet vanzelfsprekend om de islam in het Westen in te passen. Zowel oorspronkelijke Europeanen als nieuwkomers zullen daar op een heel serieuze manier mee moeten omgaan. Dat het mis kan gaan, weten we. Denk maar aan het Midden-Oosten, of aan wat er in Joegoslavië gebeurd is. De inzet is hoog.

 

Hoe moeten we daar dan mee omgaan?

Baudet: Wat ik heel belangrijk vind, is bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Dat gebeurt nu absoluut niet.

 

Daarom schenkt u in uw boek zoveel aandacht aan het proces in 2010 tegen Geert Wilders, toen hij terecht stond voor een hele rist uitspraken over immigratie, de islam en de Koran?

Baudet: Ja, volgens mij was dat een ontzettend belangrijk moment in de recente Nederlandse geschiedenis. De manier waarop dat proces gevoerd werd, gaf het sterke signaal dat vrijheid van meningsuiting niet beschermd wordt door onze politieke en juridische elites. Dat proces markeerde ook een kantelpunt in de publieke opinie. In het begin hoorde je: “Moet die Wilders dat nu allemaal wel zeggen?” En dan begon dat proces en werd de rechtszaal beveiligd met gepantserde auto’s en gewapende mannen, waardoor mensen zich vragen begonnen te stellen: wie moest hier tegen wie beschermd worden? Het was overduidelijk een omgekeerde wereld, waardoor de mening bij de publieke opinie kantelde: “Waarom mag die vent dat gewoon niet zeggen?”

Als je niet vrij je kritiek kunt geven en het debat over de islam kan voeren, ben je sowieso verloren. Niet alleen omdat je dan niet op hervormingen binnen de islam kan aansturen, maar ook omdat mensen verbitterd raken. We moeten leren aanvaarden dat Europa veranderd is en we moeten daarmee leren omgaan. Alleen maak je die aanvaarding onmogelijk als mensen het gevoel hebben dat ze niet meer mogen zeggen wat ze willen.

 

Moet er dan niet vooral op gelet worden dat de kritiek zich richt op de islam, op de ideologie en op de religie, en niet op ‘de moslims’?

Baudet: Waarom mag je de moslims niet bekritiseren?

 

Ontaardt die kritiek niet snel in een ordinaire scheldpartij?

Baudet: Mag je dan niet schelden? Dat je zo mensen pijn doet, vind ik niet belangrijk. Dat is absoluut geen criterium om een rechtsstaat op te bouwen.

 

Racisme moet ook kunnen?

Baudet: Zeker.

 

België heeft een antiracismewet waardoor mensen veroordeeld kunnen worden als ze discrimineren op grond van nationaliteit, ‘ras’, huidskleur, afkomst of etnische afstamming.

Baudet: Dus je mag niet zeggen: “Ik vind negers heel erg aantrekkelijk.” Dat mag wel? Oké, maar je mag niet zeggen: “Ik vind negers niet zo aantrekkelijk”, want dan word je veroordeeld? Dat is toch belachelijk? Natuurlijk mag je geen geweld gebruiken, maar al het andere zou toegestaan moeten zijn. Het debat is vrij. Als we er echt zo van overtuigd zijn dat onze standpunten de juiste zijn, kunnen we toch vertrouwen op de argumenten die die standpunten onderbouwen?

 

Wordt het debat de laatste jaren niet steeds ruwer waardoor een consensus moeilijker wordt?

Baudet: Ik ben niet voor consensus. Dat is de dood in de pot van het intellectuele debat. Ik vind niet dat het ruwer wordt of ontaardt. Wel merk ik dat er veel angst voor moslims is en die angst zorgt voor zelfcensuur. Dan hebben we het over ‘religies die in algemene zin problemen veroorzaken’. Religies? Wanneer heb je voor het laatst een zenboeddhist zich zien opblazen? Het gaat gewoon over moslims: de islam is het probleem. Als een man zoals Wilders dat dan benoemt, wordt hij er nog eens strafrechtelijk voor vervolgd ook. Dat is toch absurd? Als we echt dat nieuwe multiculturele nationalisme een kans willen geven, zullen we eerst zonder vrees het debat moeten voeren.

 

 

Thierry Baudet

Geboren in Heemstede in 1983.

Studeerde rechten en geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

Is als onderzoeker verbonden aan de faculty of humanities van de Tilburg University.

Publiceerde samen met Michiel Visser Conservatieve vooruitgang (2010) en Revolutionair verval (2012), essaybundels waarin ze samen met hedendaagse conservatieve filosofen als Roger Scruton en Theodore Dalrymple portretten borstelen van illustere voorgangers als Edmund Burke en Ludwig Wittgenstein.

Baarde vorig jaar opzien met zijn boek Aanval op de Natiestaat, waarin hij de maat nam van de Europese Unie en van instellingen als de Wereldhandelsorganisatie en het Internationaal Strafhof, en een pleidooi hield voor rehabilitatie van de natiestaat.

 

 

Thierry Baudet, Oikofobie, Bert Bakker, 248 blz., 14,95 euro

 

© Jan Stevens

Maria Keuken

Gisteren verscheen de vermeende ETA-terroriste Maria Espina voor de Gentse raadkamer, die over haar uitwijzing naar Spanje besliste. De voorbije tien jaar verzorgde Espina als Maria Sukalde de catering op feestjes van heel wat begoede Gentenaars. “Maria betrokken bij de moord op zes mensen? Onvoorstelbaar. Zo een sympathieke madam.”

De arrestatie vorige week dinsdag van de 55-jarige Maria Natividad Jauregui Espina in het centrum van Gent liet de meeste Gentenaars onverschillig. Tot het een paar dagen later bij een aantal onder hen begon te dagen dat die vermeende terroriste van de Baskische afscheidingsbeweging ETA niemand minder was dan Maria Sukalde, de goedlachse kokkin-aan-huis die met haar overheerlijke tapas elk familiefeest tot een succes maakte. “Ze verkeerde graag in de ‘betere’ Gentse kringen”, zegt K., een van haar kennissen. “Ze kookte voor kunstenaars en logebroeders, meestal in het zwart. Sommigen wisten dat haar man in Mexico opgepakt was voor zijn ETA-sympathieën, maar niemand had een vermoeden dat ze zelf bij zware feiten betrokken was. Het enige wat ik niet van haar geloofde, was haar leeftijd: ze beweerde begin veertig te zijn, maar leek veel ouder. Dat blijkt nu ook te kloppen.”

Maria ‘Sukalde’ (Baskisch voor ‘keuken’) alias ‘Jaione’ bouwde de voorbije tien jaar vanuit haar flatje aan de Bernard Spaelaan een ijzersterke reputatie als kok op. “Ze verzorgde niet alleen de catering op feestjes, maar werkte ook in verschillende Gentse restaurants”, zegt L., een juriste die af en toe van Maria’s diensten gebruik maakte. “Ze volgde ook regelmatig culinaire vervolmakingscursussen. In 2009 was ze als ‘Jaione’ een van de gezichten van het bekroonde kookboek Een vree(md) Gents kookboek. Ik heb Maria leren kennen via een collega. Wie een feest organiseert, is niet bezig met de identiteit van degene die in de keuken staat. Iemand zegt: ‘Ik ken een goede kok’, en zo trok Maria van de ene Gentse familie naar de andere.”

Volgens de Spaanse autoriteiten was Maria Espina tussen januari en juli 1981 lid van het ‘Viczaya-commando’ van de ETA en pleegde ze bloederige aanslagen waarbij zes doden vielen. Zo zou ze verantwoording dragen voor een aanslag in maart 1981 waarbij een officier het leven liet en een politie-inspecteur met een nekschot werd afgemaakt. Een maand later zou ze betrokken geweest zijn bij een hinderlaag waarbij een agent gedood werd en twee anderen zwaargewond raakten. Nog een maand later zou ze een bom hebben helpen leggen die twee officieren van de Guardia Civil fataal werd. In juni ’81 zou ze samen met haar kompanen verschillende agenten beschoten en ernstig verwond hebben en een maand later zou ze samen met twee medestanders een luitenant vermoord hebben. “Mijn cliënte is nooit veroordeeld”, reageert haar advocaat Paul Bekaert. “Ze geniet nog steeds het vermoeden van onschuld. Je moet de gebeurtenissen ook in hun tijd kaderen: Maria was amper 23, en ook al was Franco al een paar jaar dood, de geest van de dictator waarde nog door het land. Baskenland was toen bezet oorlogsgebied. De slachtoffers van de aanslagen waren trouwens allemaal militairen.”

Une femme du monde

“Maria was een talentvolle kok, heel sociaal en goed geïntegreerd”, zegt D., een Gentse bedrijfsleider die Maria Sukalde regelmatig voor familiefeestjes inhuurde. “Ik sprak haar aan als Jaione en wist alleen dat ze rond 2002 van Mexico naar België gekomen was. Ik ben zelf gepassioneerd door koken en praatte met haar vooral over de Baskische keuken. Over haar politieke engagement zweeg ze in alle talen, al kan ik me nu wel voorstellen dat ze op een of andere manier bij de ETA betrokken was. Ze verstopte zich niet, integendeel. Ze was een temperamentvolle Spaanse madam die ooit in Gent verzeild geraakt was en er haar leven opnieuw had opgebouwd. Ik sta er van te kijken dat ze nu pas gearresteerd wordt. Haar inmiddels afgesloten publieke facebookaccount stond vol foto’s, ik kan me niet voorstellen dat de autoriteiten haar nooit eerder hebben opgemerkt.”

Ook advocaat Bekaert heeft bedenkingen bij haar arrestatie. “Er wordt verteld dat de politie in de nasleep van een ander onderzoek ‘toevallig’ bij haar terecht kwam. Ik geloof dat niet. Het Europees aanhoudingsmandaat tegen haar dateert al van 2004. Ik ben ook advocaat van een Baskisch Europees parlementslid die afluisterapparatuur vond in zijn flat in Brussel. We weten heel zeker dat hij afgeluisterd werd door de Spaanse inlichtingendiensten. Ze zijn dus goed op de hoogte. In 1984 vluchtte Maria naar Frankrijk en in ’88 vluchtte ze verder naar Mexico. Samen met haar echtgenoot runde ze er tot 2002 een Baskisch restaurant. De Spaanse autoriteiten hebben haar man daar toen laten oppakken. Daarna is ze naar België gekomen.”

Was Maria ingeschreven in het Gentse bevolkingsregister? Paul Bekaert: “Nee. Een Europees staatsburger vestigt zich binnen de Europese Unie waar hij wil. Maria is een vrouw met klasse, une femme du monde. In Madrid zal ze verschijnen voor een uitzonderingsrechtbank, de Audiencia Nacional, speciaal opgericht om ETA-militanten te vonnissen. Basken worden ver van huis in de cel gezet, op de Canarische Eilanden of in de Spaanse enclave Melilla in Marokko. Ze is dan ook erg bang om uitgeleverd te worden.”

“Ik draag Maria nog steeds een warm hart toe”, zegt L. “Ik zou haar meteen willen bezoeken in de gevangenis. Ik kan me voorstellen dat ze zich als jonge vrouw op sleeptouw liet nemen en dingen deed die ze nu verafschuwt. Ik vind het jammer dat ze daar dertig jaar later voor afgerekend wordt. Mensen kunnen veranderen.”

© Jan Stevens