En de pacemaker, hij tikt maar door

Marcel Van Hoey en Armanda Oufflen waren oud en versleten en verlangden allebei naar de dood, maar hun pacemaker hield hen tot het bittere einde in leven. “De cardiologen wilden dat apparaat niet uitschakelen, want ze beschouwden dat als een vorm van euthanasie.” Met een overdosis morfine hadden de dokters dan weer minder last. Twee nabestaanden getuigen.

 

“Zijn hart bleef kloppen, aangedreven door die pacemaker”

 

In de ochtend van zaterdag 7 september sliep de 87-jarige Marcel Van Hoey omringd door zijn geliefden thuis in Stekene vredig in. De weken ervoor waren vooral voor zijn vrouw Emilienne Vercauteren zwaar en intens. “In 1977 kreeg Marcel zijn eerste pacemaker”, vertelt ze. “Hij was amper 51. Hij had serieuze hartritmestoornissen: zijn hart klopte veel te traag. ‘Uw man heeft het hart van een zeventigjarige’, zei de specialist die hem voor het eerst onderzocht. Toen was zo’n pacemaker nog iets uitzonderlijk en een jaar of tien later nam de toenmalige cardioloog me apart: ‘Zonder pacemaker was uw man al lang dood.’ Een tijd later zei een vriendin me: ‘Mensen met een pacemaker sterven heel moeilijk.’ Die uitspraak is altijd ergens in mijn achterhoofd blijven hangen.

“Begin juli van dit jaar werd stappen steeds moeilijker voor Marcel en hij raakte vlug uitgeput. We maakten een afspraak bij de cardioloog. Zijn hart was totaal versleten en functioneerde nog maar voor dertig procent. ‘We kunnen niet veel meer doen’, zei de dokter. ‘Geniet zoveel mogelijk.’ De weken erna namen Marcels krachten razendsnel af. Een van onze dochters vertrok voor een paar weken naar Amerika en onze zoon zat met zijn gezin in Frankrijk. Marcel vroeg zich af: ‘Zal ik het nog volhouden tot ze terug zijn?’ Hij wou niet dat ze thuis bleven voor hem, het was zijn wens dat ze op vakantie vertrokken en genoten. Toen de kinderen allemaal terug in België waren, was hij klaar om te sterven. ‘Het is genoeg geweest’, zei hij. Hij at of dronk niet meer en werd graatmager. Hij kon niet meer op zijn benen staan, niets meer vasthouden en nog amper bewegen. En toch bleef hij leven. Hij had voortdurend dorst en kon niet drinken. Als we hem een beetje water gaven, kwam dat er weer uit. Op die momenten leek het alsof hij ging stikken. Er waren zoveel momenten waarop we dachten: nu is het voorbij. ‘Hij overleeft dit weekend niet’, zei de huisarts. Maar Marcels hart bleef kloppen, aangedreven door zijn pacemaker.

“We spraken de huisdokter aan over die pacemaker. Hij viel uit de lucht. Een van mijn dochters vroeg hem of hij misschien aan de cardioloog kon vragen of het mogelijk was dat de pacemaker Marcels sterven nodeloos rekte. Hij beloofde dat te doen, maar nam geen enkel initiatief, dus belde mijn dochter zelf naar de cardioloog. Die zei dat hij in heel zijn carrière nog maar één keer op het einde van iemands leven een pacemaker had uitgeschakeld. Hij noemde dat een vorm van euthanasie en wou niets tegen de wet doen. Ik ben die cardioloog achteraf gaan opzoeken. Hij beweerde dat er geen bewijs is dat pacemakers het sterven bemoeilijken en vertelde opnieuw dat hij één keer bij een stervende een pacemaker is gaan uitschakelen. Die man is meteen daarna overleden, wat volgens mij bewijst dat een pacemaker wel degelijk een hart aan de praat houdt. De cardioloog benadrukte opnieuw dat er over het uitschakelen van pacemakers geen wetgeving bestaat. ‘Spreken cardiologen daar onderling dan nooit over?’ vroeg ik. ‘Ja, dat is wel al gebeurd’, antwoordde hij. ‘Maar zolang er geen wet is, zullen cardiologen nooit pacemakers bij stervenden uitzetten.’ Ik vond dat een eigenaardige redenering. Mijn broer had ook een hartkwaal en toen hij in het ziekenhuis lag, wou hij sterven. Ze hebben alle apparaten waar hij aanlag, uitgeschakeld en hij is rustig ingeslapen. Zowel aan de huisdokter als aan de cardioloog heb ik gevraagd wat het verschil is tussen een apparaat in een ziekenhuis dat het hart in gang houdt en een ingeplant apparaat dat net hetzelfde doet. Ze bleven me het antwoord schuldig.

“Marcel nam al jaren medicijnen die hartritmestoornissen hielpen onderdrukken. ‘Hebben die pillen nog zin?’ vroegen we de huisdokter. ‘Eigenlijk niet’, zei hij en de medicatie werd stopgezet. Toen had hij ook die pacemaker moeten uitzetten, vind ik. Dat gebeurde niet en Marcels sterven duurde verschrikkelijk lang. Ik had mijn man misschien zelf moeten vragen: ‘Wil je dat ze de pacemaker uitschakelen?’ Ik wou hem daar niet mee belasten, ook omdat ik ervan overtuigd was dat hij elk moment kon overlijden. Ik vermoed dat hij niet echt pijn had, maar het was ondraaglijk voor hem. Hij had een papier getekend met de vraag om zijn leven niet nodeloos te rekken. Ik vind dat zijn leven wél nodeloos verlengd is door de onwil van de huisarts en de cardioloog.

“De huisdokter kwam om de twee dagen langs, nam Marcels bloeddruk en schreef morfinepleisters voor. De voorlaatste dag, toen de bloeddruk aan het zakken was, gaf hij een extra spuit morfine. ’s Anderendaags leefde Marcel nog, al was hij niet meer bij bewustzijn. De huisdokter gaf hem een tweede morfinespuit en een uur later is hij gestorven. Het klinkt misschien cru, maar op een bepaalde manier was dat een opluchting.

“Wat er eigenlijk zou moeten gebeuren? Als het einde voor iemand met een pacemaker in zicht is, moet de dokter spontaan vragen: ‘Wil je dat we het apparaat uitzetten?’ Ik ben er vrij zeker van dat mijn man ‘ja’ op die vraag geantwoord zou hebben. Hij heeft een paar keer heel duidelijk gezegd: ‘Ik wou dat het voorbij was.’ Hij had geen levenswil meer; hij vocht niet meer. Maar hij bleef leven. Tot hij helemaal op was.”

 

 

 

“Telkens als het einde in zicht leek, bracht dat ding haar met een schok weer tot leven”

 

Na een doodstrijd van acht dagen overleed de 79 jarige Armanda Oufflen op 16 december 2008 in een ziekenhuiskamer in Oudenaarde. Voor haar dochter Elsy Vandekerckhove was dat een opluchting. “Dag en nacht zaten we naast haar ziekbed”, zegt ze. “Mama kon niet sterven. Tot de dokter het een week voor kerst zelf niet meer kon aanzien. ‘We zullen haar een beetje helpen’, zei hij, en hij hing een extra baxter morfine aan de haak. Twee uur later was ze dood.

“Gedurende die acht dagen stopte mama regelmatig met ademen. Anderhalve minuut lang lag ze dan doodstil tot de pacemaker haar hart weer aan de praat hielp. We zagen telkens hoe ze een schok kreeg op de plaats waar dat ding ingeplant zat. Ik vermoed dat het er een was met een defibrillator, vandaar die schokken in haar schouder. Mama had haar pacemaker al een hele tijd en dat apparaat had haar leven ook aangenamer gemaakt, maar we wisten niet dat het haar sterven zo zou bemoeilijken. Verschillende keren ben ik aan de dokters gaan vragen: ‘Kunnen jullie die pacemaker niet uitschakelen? Jullie zien toch wat hij met haar aanricht? Mama kan niet sterven.’ Het antwoord was steevast: ‘Die pacemaker heeft er niets mee te maken.’ De cardioloog zei: ‘Ik mag de pacemaker niet uitzetten, want dat is een vorm van euthanasie.’ Ik vond dat zo’n flauwekul; ik kon niet geloven dat het uitschakelen van dat apparaat hetzelfde zou zijn als euthanasie. Maar hij hield voet bij stuk.

“We stonden samen met een andere dokter naar mama te kijken. ‘Ziet u die schok?’ Ja, hij zag het, en hij gaf toe: ‘Dat is de pacemaker.’ Hij kon het niet ontkennen, we zagen allemaal heel duidelijk wat er gebeurde. Toch weigerde hij in te grijpen. Die staalharde ontkenning van de dokters vond ik nog het ergste. Bij de cardioloog was het tenminste duidelijk: hij was bang dat hij tegen de wet zou ingaan. Maar volgens de andere dokters zagen we spoken, tot we ze er met hun eigen neus opdrukten.

“De schokken die mama kreeg, waren afschuwelijk. Mijn man is er ziek van geworden, hij kon het niet meer aanzien. Mama kreeg morfine, waardoor ze weg van de wereld was, maar als de dosis uitgewerkt was, sprong ze recht en schreeuwde ze: ‘Help me!’ Ze kwamen haar dan een nieuw spuitje geven, waarna ze weer voor een tijdje rustig was. Weet je wat ik zo raar vind? Die pacemaker uitzetten, kon niet en was zogezegd strafbaar, maar mijn moeder na acht dagen lijden een overdosis morfine toedienen, was geen probleem.

“Waarschijnlijk klinkt het hard, maar toen ze stierf, dacht ik: ‘Oef, het is voorbij, voor haar, voor ons.’ Zonder die morfine had haar doodsstrijd misschien nog dagen of weken geduurd. Die pacemaker maakte het gewoon onmogelijk voor haar om te sterven. Wij zagen mama heel graag en het was verschrikkelijk om haar zo te zien lijden. Het ergste is dat het perfect vermeden had kunnen worden als ze die pacemaker tijdig hadden uitgezet. Zoiets zou toch niet meer mogen gebeuren? Dat is onmenselijk voor alle betrokkenen, zowel voor degene die moet sterven als voor de nabestaanden. Ik weet één ding zeker: de dag dat ik een pacemaker nodig heb, zet ik op papier dat ze dat ding moéten uitschakelen als ik terminaal ben. Ik wil zo geen einde voor mezelf en ik wil mijn man en onze kinderen dat ook niet aandoen.

“Mama lag te verhongeren en uit te drogen; ze mocht niet meer eten of drinken. ‘Haar organen zullen stilvallen en het zal niet lang meer duren’, zeiden de dokters. Dat was buiten de pacemaker gerekend. Een verpleegster kon het niet meer aanzien en gaf mama in het geniep af en toe water. Wij durfden dat niet, we waren bang dat ze zich zou verslikken, maar die verpleegster trok er zich niets van aan. Als mama dan bij bewustzijn was en drinken kreeg, was dat een feest voor haar.

“Als de cardioloog gelijk heeft en het uitschakelen van een pacemaker in de terminale fase onwettelijk is, wordt het de hoogste tijd dat er een nieuwe wet komt. Maar ik vind dat een bizarre redenering. Als ze in een ziekenhuis een zinloze therapie mogen stopzetten, moet dat met een pacemaker toch ook kunnen? Waarom weigerden de dokters het levenseinde van mijn moeder te verlichten? Ik was zo boos toen. Zo laat je een hond nog niet doodgaan.”

 

 

 

 

 

Cardioloog Guy Van Camp vreest juridische vervolging

“Een pacemaker uitzetten is een vorm van euthanasie”

 

Dokter Guy Van Camp, hoofd van de afdeling Cardiologie van het UZ Brussel en voorzitter van de Belgian Society of Cardiology, laat er geen twijfel over bestaan: een pacemaker kan het sterven bemoeilijken. “De allerlaatste fase van een mensenleven kan door dat apparaat verlengd worden, want het zal via een elektrische prikkel blijven commanderen dat het hart aan 60 per minuut moet blijven pompen. Tot uiteindelijk het hart ondanks die kunstmatige prikkel toch stopt. Pacemakers en ingeplante defibrillatoren kunnen natuurlijk altijd uitgeschakeld worden, maar dan zitten we meteen in een ethische discussie. Alleen als de man of vrouw in kwestie zijn of haar euthanasiewens duidelijk en bewust geuit heeft en alle juridische procedures doorlopen heeft, kan na overleg het apparaat worden afgezet.”

 

Een pacemaker kan dus pas uitgezet worden als de patiënt in kwestie ooit een wilsverklaring voor euthanasie op papier gezet heeft?

Guy van Camp: “Wanneer een patiënt in ons ziekenhuis vraagt om de pacemaker of defibrillator uit te schakelen, contacteren wij altijd het team van stervensbegeleiding van professor Wim Distelmans. Dit zijn echt geen gemakkelijke beslissingen. Als je als cardioloog eerst bij iemand een levensreddend apparaat installeert en dat veel later uitzet, stel je een actieve daad die het levenseinde van je patiënt bespoedigt. Dat kan in België zomaar niet. Wie geen wilsverklaring voor euthanasie geschreven heeft, maar op het einde van zijn leven toch zijn pacemaker wil laten uitzetten, zal eerst alle papieren in orde moeten maken en zijn levenstestament schrijven.”

 

 

 

 

Specialist palliatieve zorg Gert Huysmans begrijpt de angst van de cardiologen niet

“Een pacemaker uitzetten is als het stoppen van een zinloze behandeling”

 

Dokter Gert Huysmans, voorzitter van de Federatie Palliatieve Zorg Vlaanderen, vindt dat alle pacemakers in de terminale fase uitgeschakeld zouden moeten worden. “Sterven aan een ritmestoornis is veel minder erg dan uitdrogen en verhongeren” zegt hij. “Als je een pacemaker met defibrillator niet afzet, zal dat ding op het moment van het overlijden elektrische schokken geven die ook waarneembaar zijn voor de familieleden rond het ziekbed. Dat is geen fraai gezicht en zorgt voor afgrijzen en verwarring bij de nabestaanden. Sommige mensen vinden het uitschakelen van hun pacemaker een brug te ver, daarom overleggen onze palliatieve teams altijd eerst met de patiënten. We proberen goed uit te leggen waarom ze het apparaat best wel laten uitschakelen. Zo’n pacemaker uitzetten is trouwens relatief eenvoudig: dat gebeurt door een sterke magneet op de borstkas te leggen. Bij levenseindezorg is het belangrijk dat nodeloze, mogelijk levensverlengende therapieën stopgezet worden. Dat geldt zeker ook voor een pacemaker.”

 

Is een pacemaker uitschakelen dan geen vorm van euthanasie?

Gert Huysmans: “Euthanasie is actieve levensbeëindiging; dat is iets totaal anders. Een pacemaker uitzetten is niet meer of minder dan een medische behandeling stopzetten waardoor het sterven makkelijker wordt. Aan het levenseinde werken we niet meer aan verlenging, maar aan het comfort van de stervende patiënt. Alles wat daar niet toe bijdraagt, moet overboord gegooid worden. Huisdokters vergeten heel vaak die afweging bij pacemakers te maken. Palliatieve teams zijn daar wel mee vertrouwd en zullen, als ze ingeschakeld worden, de huisarts erop wijzen dat het verstandig is een pacemaker in de terminale fase uit te schakelen zodat de patiënt natuurlijk kan sterven.”

 

© Jan Stevens

Expo 58

expo 58Jonathan Coe, De Bezige Bij, 320 blz., 19,90 euro.

 

“In een schrijven van 3 juni 1954 bracht de Belgische ambassadeur in Londen een uitnodiging over aan de regering van Hare Majesteit, de koningin van het Verenigd Koninkrijk: een uitnodiging tot deelname aan een nieuwe wereldtentoonstelling die de Belgen ‘de algemene wereldtentoonstelling te Brussel 1958’ noemden.”

 

 

In de in 2007 verschenen mooie melancholische roman De regen voor hij valt speelde Thomas Foley een bijrol als schoonbroer van het bejaarde tragische hoofdpersonage Rosamund. Zes jaar later blaast Jonathan Coe in het humoristische Expo 58 diezelfde Foley nieuw leven in. Hij geeft de brave, jonggehuwde ambtenaar met de looks van een filmster meteen ook de hoofdrol.

In het voorjaar van 1958 wordt de nijvere copywriter Thomas Foley van het Centraal Bureau voor Informatievoorziening naar Brussel gestuurd om er tijdens de Wereldtentoonstelling een oogje in het zeil te houden in de Britannia, de pub die het hart zal vormen van het Britse paviljoen. Hij laat vrouw en baby in Londen achter, maakt kennis met de betoverende Vlaamse hostess Anneke en raakt tijdens deze hoogdagen van de Koude Oorlog nauw betrokken bij elkaar bespionerende Russen en Britten.

In Expo 58 zet Coe het truttige, zelfgenoegzame conservatieve Engeland tegenover het vooruitstrevende continent, met het Atomium als lichtgevend baken van die hoopvolle, nieuwe tijd. De soms geforceerde humoristische toon van het boek tovert die tegenstelling iets te vaak om in pure slapstick. Ook de verwijzingen naar Coe’s grote inspiratiebronnen liggen er te dik op, met de naïeve Foley die zijn kennis over de Sovjetgruwel uit Ian Flemings From Russia with love haalt, en de spionnen Wayne en Radford die als twee klonen van Hergé’s Janssen en Jansen te pas en te onpas over elkaars voeten struikelen. Expo 58 is vermakelijk en licht, maar af en toe ondraaglijk licht.

 

© Jan Stevens

“Mijn broer at zich dood en ik kon hem niet redden”

Lionel Shrivers broer Greg stierf vier jaar geleden aan de gevolgen van morbide obesitas. Zijn dodelijke obsessie met voedsel en haar onvermogen hem te helpen, motiveerden haar tot het schrijven van Big Brother. “Ik kon hem niet redden. Hij wou niet op dieet om zijn kleine zusje te behagen.”

 

193 kilo. Zoveel weegt Edison Appaloosa met alleen zijn onderbroek aan. Edison is een van de hoofdpersonages in Lionel Shrivers nieuwe roman Big Brother en is geënt op haar eigen grote broer Greg, die in 2009 op 55-jarige leeftijd stierf aan een ziekte gerelateerd aan obesitas. In Big Brother luistert de kleinere zus naar de naam Pandora. Samen met haar aan fietsen, fitness en gezonde voeding verslaafde echtgenoot Fletcher woont ze in een stadje in de Amerikaanse staat Iowa. Ze runt er een succesvol bedrijf en schopt het tegen haar wil tot Bekende Amerikaan. Haar oudere broer Edison verdient de kost als jazzpianist in New York. Pandora leeft in de waan dat hij er keihard aan de uitbouw van een internationale carrière timmert, tot hij haar vraagt of hij voor een paar weken bij haar mag komen logeren. Als ze hem op het vliegveld ophaalt, herkent ze hem eerst niet. Haar ooit knappe, slanke broer is meer dan honderd kilo aangekomen en ziet er allesbehalve patent uit. Edisons ontspoorde eetgedrag zorgt voor snel oplopende spanningen tussen de begripvolle Pandora en haar supergezonde echtgenoot. Tot Fletcher zijn vrouw voor de keuze stelt: ofwel zet ze Edison op het vliegtuig terug naar New York, ofwel vraagt hij de scheiding aan. Pandora laat haar broer niet vallen, neem hem mee naar een huurflat en zet hem op een zwaar dieet.

Met Big Brother schreef Lionel Shriver een soms hilarische en vaak intrieste roman over een van de grootste problemen van de westerse samenleving: vetzucht. In 2005 won ze na jaren schrijven in de luwte de Orange Prize met het later verfilmde We moeten het even over Kevin hebben, waarin een vertwijfelde moeder het relaas brengt van haar zoon die op zijn school een slachtpartij aanricht. In de zomermaanden woont Shriver in New York; in september verhuist ze elk jaar weer naar Londen, waar ze met de opbrengst van megasucces Kevin een huis kocht.

Op haar Londense keukentafel liggen twee kersverse exemplaren van de Nederlandse vertaling van Big Brother. “Ik vind het merkwaardig dat de uitgever de Engelse titel behouden heeft”, zegt ze. “Ik kan me niet voorstellen dat ‘big brother’ voor jullie hetzelfde betekent als voor ons. Jullie kennen Big Brother van George Orwell en van dat tv-programma, maar ken je hem ook als ‘grote broer’?”

De pezige Lionel Shriver ziet er het tegendeel uit van wijlen haar big brother. “Ik hou van sporten en eet niet veel, maar ik ben geen nutritional nazi zoals de Fletcher uit mijn boek die elke calorie telt. Het verhaal van mijn broer Greg was meer dan een inspiratiebron: het gaf me ook de legitimatie om dit boek te schrijven. Ik heb zelf geen gewichtsprobleem en kan me voorstellen dat veel mensen zich afvragen: ‘Waarom schrijft zij over overgewicht? Wat weet die magere Lionel Shriver over vetzucht?’ Het antwoord is simpel: mijn broer had morbide obesitas. De voorbije jaren is vetzucht in het Westen uitgegroeid tot een groot sociaal probleem. Het is pas als je in je nabije omgeving geconfronteerd wordt met iemand die eraan lijdt, dat je beseft dat het ‘sociaal probleem’ een verzameling is van kleine persoonlijke drama’s. Dat is een goed vertrekpunt voor een roman.”

 

Was Big Brother ook therapeutisch om te schrijven?

Lionel Shriver: Een beetje wel. In het tweede deel van de roman neemt Pandora haar broer onder haar vleugels. Ze zet hem op dieet en vast dapper mee. Dat tweede deel leest bijna als een sprookje. Ik heb dat bewust zo gedaan: het is het soort sprookje dat we elkaar graag wijsmaken over wat we allemaal kunnen doen om iemand anders te helpen. Die fantasie die we vaak koesteren over het redden van anderen, impliceert meteen dat we ook onszelf redden. In gedachten sta je op voorhand al perplex van je eigen generositeit en je eigen ‘persoonlijke kracht’.

 

Aan het redden van iemand anders liggen in werkelijkheid egocentrische motieven ten grondslag?

Shriver: Precies. Dat idee dat je anderen kunt redden is niet meer dan ijdelheid. Het is ook een overschatting van je invloed op je medemensen. Ik geloof niet dat ik mijn eigen broer had kunnen overtuigen om af te vallen. Greg zou nooit zoals Edison op dieet gegaan zijn om zijn kleine zus te behagen.

 

Omdat uw broer zich dood wou vreten?

Shriver: Ja, zijn obesitas was suïcidaal. Het was niet zo dat hij zich bewust volpropte om er zo snel mogelijk een einde aan te maken, maar zijn eetverslaving was wel opzettelijk zelfdestructief. Zijn uiteindelijke ‘doel’ was zeer vermoedelijk de dood.

 

Is het niet bizar: jezelf dood eten, terwijl voedsel juist dient om te kunnen blijven verder leven?

Shriver: Ja, voedsel zien we als bron van leven. Obesitas lijkt daardoor extra pervers. Vandaag eten veel mensen zichzelf te pletter, waardoor het een perversiteit op grote schaal geworden is. Het lijkt ook heel obsceen dat je overvloedig veel voedsel naar binnen propt om in de juiste stemming te geraken, terwijl zoveel mensen in de rest van de wereld sterven van de échte honger. Ik weet niet hoe het in België gesteld is, maar hier in het Verenigd Koninkrijk is het een enorm probleem, bijna even groot als in de VS. Volgens recente statistieken worstelt meer dan 60% van alle volwassen Britten met overgewicht. 30% van alle kinderen tussen 2 en 15 zijn te dik. Een kwart van de volwassenen zijn écht zwaarlijvig. En het wordt alleen maar erger.

 

Pandora’s man Fletcher is een gezondheidsmaniak. Hij windt geen doekjes om wat hij van Edisons zwaarlijvigheid denkt: hij noemt hem een moddervette loser met een dikke reet.

Shriver: De manier waarop Fletcher over dikke mensen praat, is zeer wreed, maar heel realistisch. De andere personages zijn veel vriendelijker en diplomatischer. Ik had een ‘vertegenwoordiger’ nodig uit die grote groep die op een denigrerende manier over dikke mensen spreekt, vaak zelfs in hun gezicht. Ikzelf sta erg sympathiek tegenover mensen met obesitas en ik vind dat ze soms verschrikkelijk behandeld worden.

 

Ze worden ervan beschuldigd ‘niet genoeg karakter’ te hebben.

Shriver: Inderdaad. Zwaarlijvigheid wordt gezien als een karakterzwakte en niet als een medisch probleem, terwijl het om een zware verslaving gaat. Rokers ervaren net hetzelfde: ook zij worden gedemoniseerd en als paria’s behandeld. Alleen hoeven zij niet die extra last te dragen als afstotelijke monsters beschouwd te worden. Hun gewoonte is misschien onaantrekkelijk, maar die maakt hun lichaam niet noodzakelijk lelijk. Er zijn zelfs mensen die het overgewicht van hun medeburgers als een persoonlijke aanval opvatten, of als een belediging.

 

U hebt nu geen spijt dat u zich niet, net als Pandora, over uw grote broer ontfermd hebt?

Shriver: Nee, Greg vroeg geen hulp. Ik geef toe dat ik er wel heb over lopen tobben, maar toen was het te laat. Ik maak me daar geen verwijten over, want het is heel normaal dat broers en zussen zichzelf niet als ‘de hoeder van hun broeder’ zien. Die uitdrukking mag dan wel bestaan, in werkelijkheid nemen volwassen broers en zussen geen verantwoordelijkheid voor elkaar. Natuurlijk hou je af en toe elkaars handje vast, of help je met iets onbeduidend. Maar wat nooit zal gebeuren, is dat de ene zus tegen de andere broer zegt: “Kom voorlopig maar bij mij wonen tot je uit de shit bent”, of: “Ik zal dat probleem wel voor je oplossen.”

 

Op een bepaald moment citeert u de Amerikaanse dichter Robert Frost: “De definitie van familie is: de mensen die jou altijd in huis zullen nemen.” Dat is dus quatsch?

Shriver: Dat is wat je ouders je als kind wijsmaken. Dat doen ze natuurlijk uit eigenbelang omdat ze hopen dat jij hen in huis zal nemen als ze niet meer voor zichzelf kunnen zorgen. Het cliché wil dat ouders altijd voor hun kinderen zorgen, wat niet noodzakelijk waar is. Vervolgens word je volwassen en moet je op je eigen benen staan, met in je achterhoofd de zekerheid dat er van je verwacht wordt dat je ooit je ouders terugbetaalt door voor hen te zorgen.

 

U hebt niet zo’n hoge pet op van het fenomeen gezin?

Shriver: De meeste gezinnen zijn gestoord. (lacht) In het gezin waar Pandora en Edison uit stammen, draaide alles rond beroemd zijn. Hun vader Travis speelde een hoofdrol in een tv-serie in de jaren zeventig, was in die tijd beroemd en gedroeg zich ernaar. Pandora en Edison zijn na hun kindertijd blijven worstelen met dat streven naar beroemdheid. Pandora heeft met haar familieverleden proberen af te rekenen door het beroemd zijn af te zweren. Paradoxaal genoeg wordt zij tegen heug en meug toch een celebrity. Edison is dan weer niet achterdochtig genoeg. Hij gebruikt de artiestennaam van zijn vader en wil net als hem worden, maar dan op zijn eigen terrein: dat van de jazzmuzikant. Die strategie is gedoemd te mislukken.

 

Dus begint hij te eten omdat hij het gevoel heeft dat zijn leven mislukt is?

Shriver: “Als ik niet kan hebben wat ik wil, vernietig ik wat ik wel heb.” Hij haat de wereldberoemde jazzpianist Keith Jarrett omdat die degene geworden is die hij zo graag had willen zijn. Edisons verslaving aan eten gaat zover dat hij zijn piano ‘opeet’: hij verkoopt zijn dierbaarste bezit om te kunnen blijven scoren. Een eetverslaafde gedraagt zich als een volbloed junk en zal zijn ziel aan de duivel verkopen om toch maar aan de brandstof te geraken die de verslaving kan temperen.

 

Edisson haat Keith Jarret, maar tijdens optredens gedraagt hij zich even verwaand.

Shriver: Dat gedrag keert zich tegen hem: hij krijgt een reputatie in het jazzwereldje dat hij een verwende eikel is en ze laten hem links liggen. Zijn vader Travis gedroeg zich als beroemdheid ook zo en geraakte er wel mee weg. Edison heeft niets anders gezien en gelooft dat je als een onuitstaanbaar mens door het leven moet banjeren als je belangrijk wil worden. Dat lukt niet, want op zo’n gedrag knappen mensen af.

 

Tenzij je wel beroemd bent.

Shriver: Inderdaad, dan mag je probleemloos een asshole zijn. Dat zal dan nog altijd niet echt je belangen dienen, alleen tast het je positie niet aan. Je kunt het je dan veroorloven om de zeikerd uit te hangen. Eigenlijk is Pandora veel slimmer dan Edison: ze jaagt het celebrityschap niet na en wijst het zelfs af, maar is niet te beroerd om er af en toe dankbaar misbruik van te maken.

 

Pandora werd per toeval beroemd. Heeft We moeten het even over Kevin hebben ook van u bij toeval een beroemdheid gemaakt?

Shriver: Misschien wel. Als schrijfster ben ik altijd ‘mijn ding’ blijven doen en schreef ik de boeken waarvan ik vond dat ze geschreven moesten worden. Een van die boeken werd toevallig een grote hit. Ik heb na dat succes nooit het model van de ‘celebrity-asshole’ nagestreefd. Veel mensen die tot het kransje beroemdheden toetreden, kunnen niet aan de verleiding weerstaan om zich te misdragen en anderen als stront te behandelen. Veeleisend zijn is een manier om te vieren hoe belangrijk ze geworden zijn.

Mijn tennispartner in New York kwam decennia lang chronisch te laat op onze tennisafspraken. Ik werd er gek van, maar de voorbije zomer arriveerde hij plots op tijd. We speelden vier keer per week en ik denk niet dat hij ook maar een keer te laat was. Op een bepaald moment vroeg ik: “Wat is er gebeurd? Het is onvoorstelbaar dat je zo maniakaal punctueel geworden bent. Dankjewel.” Hij antwoordde dat hij niet alleen op tennis maar altijd en overal veel te laat op afspraken kwam, en dat hij tot het besef gekomen was dat hij dat had overgenomen van zijn vader die ook altijd overal te laat kwam. Hij voelde nu aan dat hij zich een verderfelijke eigenschap had eigen gemaakt: het mannelijke voorrecht om anderen op je te laten wachten. Mijn vriend besefte hoe fout en aanmatigend die houding was en was vastbesloten voortaan op tijd te zijn. Al die beroemdheden die zich als eikels gedragen, zijn in hetzelfde bedje ziek: door anderen slecht te behandelen, tonen ze hoe belangrijk ze zijn.

Ik ben geen asshole geworden, maar het succes van Kevin had wel een paar serieuze consequenties: het legde druk op me en tastte mijn productiviteit zwaar aan. Te veel tijd gaat nu naar promotie en publieke optredens. Vaak is dat leuk, maar mijn werk lijdt er onder. Al is het contact met mijn lezers soms ook een steun in de rug. Het kan deugd doen om te ervaren dat er mensen zijn die je maandenlange gezwoeg aan een roman weten te appreciëren. Soms is het anders: ik kan niet aan de verleiding weerstaan om op het internet de reacties van lezers op mijn journalistieke stukken te lezen, en af en toe word ik daar lichtjes wanhopig van. Veel van die zogenaamde onlinelezers kunnen niet eens lezen en snappen de ballen van wat ik bedoel. Wanhopig vraag ik me dan af waarom ik al die artikels blijf schrijven. Onlangs vertelde ik dat op een meeting met mijn lezers en achteraf kwam iemand naar me toe: “Blijf alsjeblieft artikels schrijven. Ik hou echt van je stukken.” (lacht) Dat was wel lief. Blijkbaar blijft een aantal mensen daarbuiten mijn geschrijf de moeite vinden. Ik moet er eerlijkheidshalve aan toevoegen dat ik soms veel intelligentere feedback van lezers krijg dan van literaire critici.

 

Want zij snappen helemaal niets van wat u schrijft?

Shriver: Soms niet. Ik heb een haat-liefde verhouding met literaire kritiek. Het is niet dat ik niet tegen kritiek kan, maar ik denk echt dat alleen positieve recensies een positief resultaat genereren. Wat voor zin hebben de negatieve trouwens? Critici schrijven over een boek dat toch al af is, en waar geen letter meer aan veranderd kan worden. Als schrijver is het verstandiger om alleen de positieve recensies te lezen. Ik heb geen probleem met een recensent die een paar fout geconstrueerde toestanden in een roman naar voor brengt. Ik heb het wel moeilijk met de vaak gemene literaire kritieken, met de afrekeningen. Slechte recensies nemen veel plek in mijn hoofd in en richten daar toch wel enige schade aan. Het schrijversberoep is sowieso al doorspekt met twijfel. Er zijn genoeg innerlijke stemmen die me destabiliseren waardoor ik de uiterlijke variaties op you suck, kan missen als kiespijn. Ik heb de negatieve kritieken in de Britse pers over Big Brother als een vorm van experiment gelezen en heb me voorgenomen dat nooit meer te doen. Veel negatieve recensies worden geschreven met een verborgen agenda, zeker hier in Groot-Brittannië. Ze hebben iets over je gelezen waardoor ze je niet kunnen uitstaan, of ze houden niet van ‘het soort boeken’ dat je schrijft. Ik recenseer zelf en ik weet hoe ingewikkeld het is. Door ouder te worden ben ik als recensent veel vriendelijker geworden. Maar dit land houdt van wreedheid. Als je hier als criticus de aandacht wil trekken, moét je wreed zijn.

 

Is crack echt zo’n groot probleem in de brave Amerikaanse boerenstaat Iowa?

Shriver: Crack niet, wel crystal meth.

 

In Big Brother schrijft u toch dat de middenklasse van Iowa aan de crack zit, met boeren die gebruiken om hun werk te kunnen bolwerken en huisvrouwen die het als dieetmiddel tot zich nemen?

Shriver: Ze gebruiken geen crack, maar crystal meth. Niemand weet dat het er in het middenwesten van de VS zo aan toegaat, maar het is keiharde realiteit. Crystal meth vormt er een gigantisch probleem: het spul is relatief goedkoop en niet zo moeilijk te vervaardigen.

 

In de Nederlandse vertaling van uw boek staat consequent crack in plaats van crystal meth.

Shriver: Echt? Dat is een gigantische fout die het boek oneer aandoet. (stilte) Crack is een totaal andere drug dan crystal meth. De VS zijn nu niet in de ban van crack, maar van het waanzinnig verslavende crystal meth dat je gezondheid om zeep helpt. Crack is zó jaren tachtig. Fletchers eerste vrouw was verslaafd aan crystal meth.

 

Volgens uw Nederlandse vertaler zat ze aan de crack.

Shriver: Jezus. Dan maak ik me grote zorgen over de rest van de vertaling. Daarom ook kreeg ze zware gebitsproblemen, zoiets krijg je niet van crack. Amerikaanse huisvrouwen gebruiken crystal meth echt om te vermageren. Die vertaler weet duidelijk niets over drugs.

 

 

Lionel Shriver

Geboren als Margaret Ann Shriver op 18 mei 1957 in Gastonia, North Carolina. Haar vader was een dominee.

Ze veranderde op haar vijftiende haar naam in Lionel. Ze vond dat een stoere mannennaam beter bij haar persoonlijkheid paste.

Ze woonde achtereenvolgens in Nairobi, Bangkok en Belfast.

Tegenwoordig woont ze afwisselend in New York en Londen.

Ze won in 2005 de prestigieuze Orange Prize met haar brievenroman We moeten het even over Kevin hebben.

Ze is getrouwd met jazzdrummer en –componist Jeff Williams.

 

Lionel Shriver, Big Brother, Atlas Contact, 416 blz., 21,95 euro

 

© Jan Stevens