De cirkel

de cirkelDe Cirkel

Dave Eggers, Lebowski (originele titel: The Circle: a novel), 448 blz., 29,90 euro.

 

“Mijn god, dacht Mae. Dit is het paradijs.”

 

‘Geheimen zijn leugens. Delen is mee-leven. Privacy is diefstal.’ Ziehier de nieuwe leidraden voor ons toekomstige, volledig door sociale media beheerste leven. Dave Eggers lanceert ze in zijn met veel vaart geschreven roman De Cirkel via hoofdpersonage Mae Holland. Mae’s uitspraken roepen spontaan herinneringen op aan de slogans die George Orwell op de wereld losliet in zijn klassieker 1984: ‘Oorlog is vrede. Vrijheid is slavernij. Onwetendheid is kracht.’

Mae gelooft echt dat ze in het paradijs terechtgekomen is wanneer ze als prille twintiger aan de slag kan op de futuristische campus van De Cirkel, het belangrijkste internetbedrijf ter wereld. Ze komt op de afdeling Customer Experience terecht, waar ze via ‘stemmen, liken, smilen en frownen’ zoveel mogelijk volgelingen richting adverteerders moet drijven. Mae ontpopt zich snel tot de beste leerling van de klas en wordt gerekruteerd voor het ultieme project van haar ‘bevlogen’ ceo’s. Die willen ‘De Cirkel sluiten’, wat neerkomt op: weg met de privacy; leve de totale onderwerping.

De Cirkel heeft een niet mis te verstane boodschap: hou internetgiganten zoals Google en Facebook goed in de gaten. Pik het niet langer dat ze in alle stilte zoveel kennis (en macht) over ons verzamelen. Aan boeken met een boodschap hebben wij meestal geen boodschap, maar dit is dé uitzondering. Want als er één roman is die u dit jaar gelezen moet hebben, is het De Cirkel.

 

© Jan Stevens

“Ook een onrechtvaardige oorlog is soms positief”

Oorlog is zinloos en lost nooit iets op. “Niet waar”, zegt historicus Ian Morris. “Op lange termijn bekeken, is oorlog zelfs goed: het maakt onze samenlevingen groter, veiliger en rijker.”

 

De in de lente van volgend jaar te verschijnen oorlogsgeschiedenis War! What is it good for? van de Amerikaans-Britse historicus Ian Morris opent met de eerste regels van de anti-oorlogsklassieker War van soullegende Edwin Starr: “War! Huh, good God. What is it good for? Absolutely nothing.” Waarna een bladzijdenlange deprimerende tocht voorbij eeuwen kanonnengebulder en menselijke ellende volgt, die Morris afsluit met zijn eigen War-versie: “War! Huh, good God. What has it been good for? In the long run, making us safer and richer.” Toch wil Stanfordprofessor en specialist in de Klassieke Oudheid Ian Morris geen oorlogsfetisjist, ijzervreter of houwdegen genoemd worden. “Ik ben zelfs nooit in het leger geweest”, zegt hij. “Ik heb ook geen familieleden met een heroïsch soldatenverleden, behalve misschien die ene oom die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Noord-Afrika terecht kwam. Al ontmoette hij niet één Duitser in de twee jaar dat hij daar zat, en vuurde hij niet één schot af. Ik interesseer me alleen in oorlog omdat het misschien wel de belangrijkste kracht in onze geschiedenis is. In vergelijking met zestig jaar geleden schrijven steeds minder historici erover. Ze gruwen ervan, kiezen ervoor om het te negeren, maar ze vergissen zich, want geweld is nu eenmaal een manier waarop mensen hun problemen oplossen.”

In 2010 schreef Ian Morris een bestseller met Why the West rules, een jaar later vertaald als De val van het Westen. Centrale vragen in het boek waren: waarom domineert het Westen sinds de 19e eeuw de wereldgeschiedenis? Zijn wij beter en sterker dan de rest of is dat louter dom toeval? En: wanneer is het feest voorbij?

“Mijn vrouw las mee toen ik dat boek aan het schrijven was”, vertelt Morris. “Op een bepaald moment zei ze: ‘Ian, je hebt het alleen maar over oorlog.’ Het klonk als een verwijt, en ik vroeg me af of ik me inderdaad niet teveel op geweld gefocust had. Dus dook ik opnieuw in de materie. Toen begon ik al te vermoeden dat er een systeem in de waanzin zit en dat oorlog op zeer lange termijn zelfs positieve effecten heeft. Ik hield dat in het achterhoofd, en van zodra ik voor War! What is it good for? diep in de globale oorlogsgeschiedenis begon te spitten, werd dat vermoeden alleen maar sterker. Niet alleen onze huidige Westerse wereld heeft de vruchten van de oorlog geplukt, maar ook de oudere beschavingen. De conclusie is onweerlegbaar: op lange termijn heeft oorlog van onze wereld een veiliger en welvarender plek gemaakt.”

 

Die stelling zal voor controverse zorgen.

Ian Morris: Dat besef ik heel goed en merk ik nu al aan de reacties in Duitsland, waar het boek pas verschenen is omdat de Duitse uitgever het per se voor eind 2013 wou uitgeven, vlak voor die enorme stroom van publicaties naar aanleiding van de herdenking van de start van de Eerste Wereldoorlog. Ik verwacht bakken kritiek, waarvan een deel misschien zelfs gerechtvaardigd zal zijn. Maar er zullen ook heel wat critici alleen maar bezwaar maken omdat ze principieel tegen oorlog gekant zijn.

Natuurlijk is oorlog verschrikkelijk en kost het heel veel mensenlevens, en natuurlijk is het eigenaardig als plots een professor dan begint te roepen: ‘Oorlog is een goede zaak.’ Maar ik heb de menselijke geschiedenis over een periode van 20.000 jaar nauwgezet onderzocht, en kan niet anders dan de ongewilde positieve effecten van oorlog registreren. Koningen of keizers trokken met hun leger op veroveringstocht, annexeerden andere staten en creëerden zo steeds grotere samenlevingen. Het is opvallend dat de heersers die aan de leiding stonden van die nieuwe grote rijken er alles aan deden om interne oorlogen zoveel mogelijk te vermijden. Als ze zelf lang in het zadel wilden blijven zitten, hadden ze er alle belang bij dat hun burgers elke dag rustig hun job uitoefenden en braaf hun belastingen betaalden. Doorheen de hele menselijke geschiedenis lag constant die druk op de schouders van de heersers om hun door oorlog gegroeide samenlevingen intern te pacificeren. De regeringen van die grote rijken creëerden voorwaarden waardoor de handel kon floreren en de levensstandaard erop vooruit ging. Ik ga dus niet kort door de bocht als ik daaruit concludeer dat door oorlog de wereld vreedzamer en welvarender geworden is.

 

Dat geldt ook voor onze tijd? Zonder oorlog zou u nu niet in de welvarende Verenigde Staten van Amerika leven?

Morris: Inderdaad, zonder oorlog was er nu geen sprake van de VS. Doorheen de geschiedenis is overal ter wereld hetzelfde patroon herkenbaar: eerst is er een periode van verovering met gruwel en massamoord. De verovering wordt altijd gevolgd door revolte tegen de nieuwe heersers, waarbij opnieuw veel mensen sterven. Maar een paar honderd jaar later is de grotere maatschappij geëvolueerd tot een veel vreedzamere plek dan voor de start van de ‘grote oorlog’.

 

Lijkt dat niet sterk op sociaal darwinisme?

Morris: U stelt het nogal pejoratief vind ik. Het zijn vooral mijn critici die me met die term ‘sociaal darwinisme’ rond de oren slaan, waarmee ik meteen het etiket opgespeld krijg dat ik met een harde, wrede blik naar de wereld kijk.

 

U kunt toch niet ontkennen dat er paralellen te trekken zijn tussen het verloop van de geschiedenis zoals u die in uw boek beschrijft en de manier waarop biologen in de geest van Darwin over evolutie spreken en schrijven?

Morris: Dat is zo, maar ‘sociaal darwinisme’ is toch veel te negatief. Akkoord, mensen zijn niet zoveel anders als andere dieren. Maar er is natuurlijk een groot verschil: wij hebben cultuur uitgevonden, al kent die op de keper beschouwd een gelijkaardige evolutie als de biologische.

 

Inclusief een ‘survival of the fittest’?

Morris: Ja. In de biologie vinden willekeurige mutaties op specifieke genen plaats. De meeste van die mutaties maken geen enkel verschil, sommige zijn slecht en verzwakken de genen en andere zijn dan weer goed, versterken de genen en zullen er op lange termijn voor zorgen dat dieren of mensen beter aangepast raken aan hun omgeving. Onze culturele uitingen evolueren op een gelijkaardige manier. Sommige ideeën zijn volstrekte nonsens en dragen nergens toe bij, maar er zijn er ook die zo succesvol zijn dat ze zich over de hele wereld verspreiden en de hele mensheid verder helpen. Het fascisme in de 20e eeuw bracht alleen rampspoed, en was in die zin een bijzonder slechte culturele mutatie. Democratie en de vrije markt daarentegen zijn dan weer extreem succesvol.

 

Is onze culturele evolutie niet eerder een processie van Echternach waarbij we er dankzij positieve mutaties zoals democratie een stap op vooruit gaan en door negatieve zoals oorlog drie stappen terug zetten?

Morris: Samenlevingen die de voorbije tweehonderd jaar geëvolueerd zijn in democratische richting, hebben het op veel vlakken stukken beter gedaan dan autoritair geleide maatschappijen. Maar het fenomeen oorlog is veel gecompliceerder, want dat gaat niet alleen over vernietiging, maar ook over gestage groei van gemeenschappen en interne vrede. De voorbije tweehonderd jaar is er nog een nieuw fenomeen bijgekomen: dat van de netwerken van gemeenschappen die de hele wereld zijn gaan omspannen, zoals bijvoorbeeld de Verenigde Naties. Al die politieke unies met al die verschillende regimes worden samengehouden door, en spiegelen zich aan het door Amerika gedomineerde economische systeem van de vrije markt. Hoe je het op dit moment ook draait of keert: onze beste kans om de relatieve globale wereldvrede te bewaren, is het in stand houden van de huidige wereldorde. Hoe zwakker de Verenigde Staten worden, hoe groter het risico wordt op een nieuwe wereldoorlog.

 

Amerika is nu aan het verzwakken?

Morris: Zo lijkt het wel, en het gaat verontrustend snel. Wat de voorbije twintig jaar op het wereldtoneel gebeurd is, lijkt griezelig veel op wat honderd jaar geleden plaatsvond, toen het dominante Britse imperium aan het afkalven was en steeds meer landen oorlogsplannen begonnen te smeden. Hoe meer de macht van de sterke Britse politieman taande, hoe meer de andere naties geweld als een manier zagen om hun doelen te verwezenlijken.

 

Er mogen dan misschien gelijkenissen zijn tussen toen en nu, de vernietigingskracht van de wapens die we ondertussen ontwikkeld hebben, ligt flink hoger.

Morris: De Eerste Wereldoorlog was al verschrikkelijk, maar als er nu een gelijkaardige oorlog zou uitbreken, zou het inderdaad vele malen erger zijn. Het goede nieuws is dat er momenteel honderd keer minder nucleaire wapens in omloop zijn dan in 1986. We zijn dus niet langer in staat om in een paar dagen tijd alle aardbewoners te doden zoals dat dertig jaar geleden wel nog moeiteloos kon. Niets houdt ons natuurlijk tegen om de nucleaire arsenalen snel weer op te bouwen. Ik ben bang dat het verzwakken van de huidige Amerikaanse politieman een aantal staten in de verleiding brengt om een stevige voorraad nucleaire wapens op te gaan slaan. Ik vrees dat de volgende veertig jaar de meest gevaarlijke zullen worden in onze geschiedenis.

 

Het risico op een apocalyptische oorlog vergroot, naarmate de Amerikaanse economische en militaire macht afbrokkelt?

Morris: Ja, maar ik ben optimistisch van aard. De geschiedenis leert ons dat het ons nooit gelukt is om oorlog ‘weg te wensen’. Of je het nu wil of niet, oorlog is onlosmakelijk verbonden met de mensheid. Aan de andere kant zijn we bijzonder goed in het ons aanpassen aan veranderende omstandigheden. Van zodra we doorhebben dat geweld niet goed meer rendeert, zijn we geneigd er minder snel naar terug te grijpen. Ik hoop dat we dat we ons daar de volgende jaren op tijd bewust van zullen worden.

 

Wij leven hier in België sinds 1945 samen met andere Europese landen in vrede. Hoe uitzonderlijk is zo’n lange vredesperiode?

Morris: Er zijn nog zo’n lange periodes van vrede geweest. Tijdens het Romeinse Rijk leefden nogal wat provincies eeuwenlang in vrede. Tussen 1850 en 1914 was het ook vrij rustig. Natuurlijk werden er oorlogen gevoerd, maar in vergelijking met de tijd ervoor en erna, waren dat beperkte conflicten. De verklaring voor die relatieve vrede is altijd dezelfde: op die momenten bestaat er één grote supermacht met enorme militaire én financiële middelen die de omringende landen de zin ontneemt om de wapens te laten spreken.

 

De Eurokritische stemmen klinken tegenwoordig steeds luider. Als een groot rijk voor minder oorlog zorgt, is het misschien eerder in ons belang om de Europese Gemeenschap te steunen en zelfs uit te breiden?

Morris: Ik was onlangs in Duitsland en ik was echt onaangenaam verrast door de massale kritiek van de Duitsers op de Europese Unie. Ik groeide op in Engeland in de jaren zestig en zag toen hoe we niet geheel van harte aansluiting zochten bij die Europese Gemeenschap. In die tijd was Europa ook het meest saaie onderwerp ter wereld. Nu besef ik dat de Europese eenmaking een van de meest interessante experimenten ooit is. Grote, rijke, welvarende gemeenschappen zijn tot hiertoe altijd gebouwd door oorlog en de Europese Unie vormt daar met haar overlegmodel de enige uitzondering op. Maar jubel niet te vroeg en niet te luid, want de EU was alleen maar mogelijk doordat het sterke Amerika tijdens de Koude Oorlog de voordelen van een verenigd Europa inzag als buffer tegen de USSR. Vandaag is Europa democratisch, welvarend en vredelievend. Het beste zou dus zijn om dat nog te versterken en verdiepen. Al kan ik me voorstellen dat Grieken, en zelfs Duitsers, daar nu hun twijfels over hebben. Eurosceptici wijzen op de grote economische en culturele verschillen die er tussen Europese landen zijn, maar ik vind dat nogal goedkoop. Kijk waar we vandaan komen: als ik in 1948 had durven voorspellen dat Europa in 2013 uit 28 landen zou bestaan met één munt, een eigen juridisch systeem, een parlement en geen interne grenscontroles, had je me gek verklaard. We mogen dus niets uitsluiten: het is best mogelijk dat de geweldloze integratie zich verder doorzet en dat Europa nóg groter, veiliger en rijker wordt.

 

Tijdens de Koude Oorlog waren er twee supermachten: de VS en de Sovjetunie. Zaten we toen niet in stabielere tijden omdat ze elkaar in evenwicht hielden?

Morris: Als het op oorlog aankomt, is er een gouden stelregel: de opbrengsten van het vechten moeten hoger lijken te liggen dan de kosten. Na de Tweede Wereldoorlog hadden zowel Amerika als de USSR begrepen dat door kernwapens de kost van een nieuw wereldconflict onschatbaar geworden was. Ik vind dat zowel de Amerikaanse als de Sovjetleiders ten tijde van de Koude Oorlog uitstekend werk geleverd hebben. Ze lagen in conflict met elkaar, maar vonden toch manieren om die strijd uit te vechten zonder de hele planeet op te blazen. De oorlog in Vietnam was misschien niet zo’n goed idee om hun ideologische verschillen uit te vechten, maar uiteindelijk was dat toch beter dan een globale kernoorlog.

 

Is het dan ook een goed idee van de VS om oorlogen ver van het thuisland te ‘organiseren’ en bijvoorbeeld in Afghanistan of Irak uit te vechten? Niet lang na 9/11 verklaarde Richard Perle, een van de neoconservatieve ideologen achter de toenmalige president Bush, dat de inval in Irak een bewuste strategie van de Amerikaanse regering was om het slagveld naar de terroristen te brengen.

Morris: Een van de grote problemen van heersers van grote rijken zoals indertijd het Romeinse Rijk, het Britse imperium of nu de VS, is: wanneer, waar en hoe moeten we geweld gebruiken om de vrede in het rijk te handhaven? Er werden in 2003 allerlei argumenten verzonnen of bedacht waarom een invasie in Irak noodzakelijk was. Ik denk dat de meeste mensen het er nu wel over eens zijn dat het een vergissing was. De VS spendeerden er een fortuin, doodden talloze mensen en het resultaat is dat de wereld minder stabiel geworden is. Afghanistan is dan weer totaal anders. Na 9/11 moésten de VS wel iets ondernemen. Als ze toen geen geweld in Afghanistan hadden gebruikt, had de wereldvrede op het spel gestaan. De uitdaging voor de opperheersers is dus altijd: wanneer en hoe gebruiken we geweld om de belangen van onze gemeenschap veilig te stellen? Soms kun je pas jaren na zo’n oorlog uitmaken of het verstandig was of niet.

 

Soms kan oorlog gerechtvaardigd zijn?

Morris: Ontzettend veel filosofen hebben daarover geschreven en meestal zijn ze het totaal oneens over welke oorlogen wel en welke niet gerechtvaardigd zijn. Als je zoals ik de geschiedenis van de oorlog onderzoekt, vervaagt het begrip ‘rechtvaardige oorlog’. Want zowel de rechtvaardige als de onrechtvaardige zijn bloederig en verschrikkelijk. Maar daarnaast kan een zogenaamde onrechtvaardige oorlog ook positieve gevolgen hebben. Een van de belangrijkste oorlogen die de wereld veiliger en rijker maakte, was de enorme oorlog die Europa tussen 1400 en 1900 voerde tegen de rest van de wereld, toen de Europeanen zowat 85% van de planeet veroverden. Het eindresultaat van die eeuwenlange koloniale oorlog was een vermindering van het geweld én een toename van de welvaart in Europa. De verovering van kolonies was voor de Europeanen dus zeer ‘productief’, maar was tezelfdertijd ook de meest bloederige en onrechtvaardige oorlog uit de hele menselijke geschiedenis. De Europeanen pleegden toen over de hele wereld verschrikkelijke wandaden, waar de Belgen in Congo dapper aan meededen.

 

Bent u een cynicus?

Morris: (lacht) Cynisch is niet het juiste woord. Ik noem mezelf liever realistisch. Te veel historici nemen alleen die gebeurtenissen uit het verleden mee die hun vooraf gepropageerde stelling onderbouwen. Zo zijn sommigen er nog steeds van overtuigd dat de mens van nature niet gewelddadig is en dat het in sommige landen misgegaan is omdat alleen machtswellustelingen geïnteresseerd waren in het beleid. Sommigen gaan nog een stap verder en herschrijven de geschiedenis om hun eigen visie kracht bij te zetten. Ik vind dat we onbevooroordeeld moeten zoeken naar de grotere patronen in de menselijke geschiedenis, zelfs als we die patronen onaangenaam vinden.

 

U bent geen pacifist?

Morris: Nee. We moeten vrede nastreven, maar we mogen nooit uit het oog verliezen dat geweld deel van onze natuur is.

 

 

Ian Morris

 

–        Wordt in 1960 geboren in Stone, een dorp in de buurt van Birmingham.

–        Studeert geschiedenis en archeologie aan de universiteit van Birmingham.

–        Is sinds 1995 verbonden aan de universiteit van Stanford, Californië, waar hij Klassieke Oudheid doceert.

–        Zijn boek Why the West rules (2010) won diverse prijzen en werd in dertien talen vertaald.

 

© Jan Stevens

“Leve de hypocrisie!”

Met zijn nieuwe roman In ballingschap keert Charles Palliser terug naar zijn favoriete periode: de victoriaanse 19e eeuw. “Engeland was toen in de ban van seks. In de boeken van Charles Dickens lees je daar niets over.” Maar wel in die van Charles ‘Quincunx’ Palliser.

 

Na de zoveelste gewelddadige ruzie met haar man, boekte de moeder van de toen drie jaar oude Charles Palliser in 1950 een enkele reis Boston-Heathrow. “Zo kwam ik bij toeval in Groot-Brittannië terecht”, zegt de inmiddels 66-jarige schrijver. “Mijn vader heb ik daarna nooit meer teruggezien.”

Palliser studeerde Engelse literatuur in Oxford en doceerde datzelfde vak twintig jaar lang aan de universiteit van Glasgow. Tezelfdertijd werkte hij in alle stilte aan een roman. “Twaalf jaar lang schreef en polijstte ik er elke avond, elk weekend en elke vrije dag aan.”

Toen zijn debuut De Quincunx eindelijk in 1989 verscheen, was het uitgedijd tot een boek van meer dan 800 bladzijden. Het verhaal van de 19e-eeuwse jongen John Huffam die op zoek gaat naar zijn verdwenen vader, groeide uit tot een internationale bestseller en Charles Palliser werd door de literaire kritiek ingehaald als de hedendaagse versie van de victoriaanse auteur Charles Dickens. Palliser stond zelf versteld van het immense succes van De Quincunx. “Het is een uiterst gecompliceerd boek. Ik stelde mijn uitgever voor om ‘postmoderne victoriaanse roman’ op de cover te zetten, maar hij kreeg bijna een hartaanval toen hij dat hoorde, dus heb ik dat plan meteen laten varen.” Toch was dat een accurate omschrijving, want op het eerste gezicht leek De Quincunx een ouderwetse Dickensiaanse roman, maar onder die oppervlakkige laag gingen vele andere lagen schuil. “Doorheen het hele boek speelde ik met de structuur.”

Pallisers nieuwste roman In ballingschap telt de helft minder bladzijden, maar is even dickensiaans als zijn debuut. “De spelletjes heb ik deze keer zoveel mogelijk achterwege gelaten.”

 

In ballingschap is het met geheimen en moord en doodslag doorweven dagboek van de zeventienjarige door seks geobsedeerde Richard Shenstone. In december 1863 wordt hij door de universiteit van Cambridge als student geschorst. Met schulden overladen keert hij terug naar huis. Richards vader is net in verdachte omstandigheden gestorven en zijn moeder en zus leven in een tochtig krot in een dorp in het zuiden van Engeland.

“Niet iedereen is even enthousiast over In ballingschap”, klaagt Palliser. “De recensenten meestal wel, maar een paar van mijn beste vrienden hielden helemaal niet van Richard, het hoofdpersonage.”

 

Ik vind hem een vrij authentieke zeventienjarige.

Charles Palliser: Dat vind ik ook. Hij gedraagt zich vaak niet al te koosjer, maar hij is niet slecht. Het is een jongen van zeventien, en lagen we niet allemaal op die leeftijd in de knoop met onszelf? Ik zeker wel. Ik had het toen moeilijk en was een vat vol tegenstrijdigheden. Een van mijn belangrijkste motieven om In ballingschap te schrijven, is net die innerlijke strijd die in elke adolescent woedt.

 

Die was in de 19e eeuw niet anders dan nu?

Palliser: Pas nadat ik het manuscript naar de uitgever had gestuurd, drong het tot me door dat ik mijn held 101 jaar ouder dan mezelf had gemaakt. Zonder het goed te beseffen had ik hem bijna dezelfde verjaardag gegeven als de mijne, maar dan een eeuw eerder: Richard is geboren in 1846 en ik in 1947. Ik denk niet dat het zoveel anders was om een tiener te zijn in de jaren 1860 als in de jaren 1960 of als nu.

 

De jaren 1860 waren in Engeland toch extreem puriteins?

Palliser: Zeker, de victoriaanse tijd was preuts, autoritair en repressief. Maar ik denk dat veel hedendaagse pubers ook vinden dat ze in een autoritaire en repressieve tijd leven. Ouderlijk gezag zal door een tiener nu eenmaal altijd gezien worden als onrechtvaardig en onredelijk.

 

Toch denk ik dat het generatieconflict vandaag minder voorstelt dan toen jij een adolescent was.

Palliser: Dat is misschien wel zo, net zoals het in mijn tijd al minder erg was dan toen Richard Shenstone leefde. Ik wou dat ik zeventien had kunnen zijn in een periode zoals nu waarin ouders openlijk met hun kinderen over seks praten. Want seks is het enige waaraan je denkt als je zeventien bent. De pubers van nu mogen zich gelukkig prijzen, al hebben ze natuurlijk ook nog redenen om ongelukkig te zijn. Doordat porno via het internet zo makkelijk toegankelijk geworden is, zijn bijna alle ‘mysteries’ verdwenen. Daarnaast moéten tieners op Facebook en Twitter hun statussen blijven updaten, hun vriendencirkel uitbouwen en informatie delen. De druk op hun schouders is immens om de ‘juiste’ dingen te volgen, te zeggen en te bezitten. Wij vroegen ons niet wanhopig af of onze smartphone of tablet hip genoeg was. Ik had het met mijn vrienden nooit over merken, terwijl voor de jongeren van vandaag het dragen van de juiste merken een zaak van levensbelang lijkt.

 

Jij had in jouw tijd waarschijnlijk dan weer heel wat te lijden onder de druk van de kerk. Die is nu totaal verdwenen.

Palliser: Dat was zeker zo voor nogal wat van mijn generatiegenoten, maar zelf heb ik daar niet zoveel last van gehad, ook al ben ik dan opgegroeid in een familie die zichzelf christelijk noemde. Ik herinner me wel dat de anglicaanse kerk voor een algemeen heersende drukkende atmosfeer zorgde waarin er niet over seks gesproken mocht worden. Ik kan me nog perfect voor de geest halen hoe ik me voelde toen ik als jongen van veertien in 1962 in de biechtstoel ging opbiechten dat ik gemasturbeerd had. Dat was een verschrikking.

 

Zonder stotteren vertelde je dat tegen de dominee?

Palliser: We hadden geen andere keuze. Natuurlijk zei ik niet vlakaf: ‘Vader, ik heb gemasturbeerd’, maar meer iets in de zin van: ‘Vader, ik heb mezelf misbruikt.’ (lacht) Dat was vreselijk gênant, temeer omdat die man een familievriend was. Ik praatte natuurlijk wel met mijn vrienden over seks, op een lacherige, ietwat ongemakkelijke manier, maar thuis was het een taboeonderwerp.

 

Mijn kinderen zijn prille twintigers. Als een paar jaar geleden het onderwerp seks ter sprake kwam, hadden ze altijd dringend iets anders te doen.

Palliser: Echt? Gisteren sprak ik een jongeman die me vertelde dat heel dat seksuele taboe dat in In ballingschap aan bod komt, niet meer bestaat bij pubers van nu. Hij vertelde me dat hij er vrijuit met zijn ouders over kan praten.

 

Er werd bij ons wel over seks gepraat, maar niet over hun seksleven.

Palliser: Ik begrijp dat en ik vermoed dat hun gêne te maken heeft met het incesttaboe dat in alle gezinnen heerst, waardoor leden van een zelfde gezin niet over seks praten. Die jongen gisteren zei dat hij met zijn ouders gewoon over seks kon hebben, maar ik geloof nooit dat ze het over hún seksleven hadden. Net zoals je jezelf als puber geen voorstelling wil maken van je vrijende ouders, wil je als ouder ook niet weten wat je kinderen in bed uitspoken.

 

Richard pent in zijn dagboek zijn seksuele fantasieën neer, en die klinken zeer hedendaags.

Palliser: In zijn dagboek hoeft hij zich niets aan te trekken van de victoriaanse preutsheid. Een victoriaan had nooit een expliciet seksuele roman kunnen schrijven, maar in een dagboek kon dat wel. Zo is er het beruchte My secret life van een gentleman die zichzelf ‘Walter’ noemde. Hij schreef zijn dagboek in de jaren 1870 en was bezeten door seks. In My secret life vertelt hij open en bloot over zijn losbandige leven. Het boek werd op een beperkte oplage gedrukt; er bestaan nu van die eerste druk nog zes exemplaren. Voor wie zoals ik in het victoriaanse tijdperk geïnteresseerd is, is het een fascinerend boek, want het toont het échte leven. Je leest er al die interessante zaken in die Charles Dickens en George Eliot je in hun romans niet vertellen. De victoriaanse tijd bulkte van de seks. Er gaapte een verschrikkelijk grote inkomenskloof tussen de armen en de middenklasse. Die Walter pikte op straat willekeurig vrouwen op waarmee hij van bil wou gaan. Hij zag een mooi meisje, sprak haar aan en betaalde om met haar te vrijen. Het zou net zijn alsof je straks op straat tegen het eerste het beste meisje zou zeggen: ‘Hier is duizend pond, in ruil wil ik een blowjob.’ Veel meisjes zouden dat misschien nu ook nog doen.

 

Denk je?

Palliser: Voor vijfduizend pond? Of tienduizend? Wie weet. (lacht) Die meisjes hadden honger toen en thuis zaten nog hongerige broertjes en zusjes te wachten, dus waren ze zo’n geile, met geld zwaaiende Walter graag ter wille.

 

Richards moeder is door de gemeenschap verstoten en leeft in een soort van ballingschap. Gebeurde dat vaak in victoriaans Engeland?

Palliser: Wie op een of andere manier de heersende conventies overtrad, werd ‘genegeerd’. Je vindt zo veel voorbeelden in de victoriaanse literatuur. In Jane Austens laatste roman Persuasion heeft het hoofdpersonage een vriendin die ‘in ballingschap’ gestuurd is omdat ze haar man heeft laten zitten. Een vrouw die haar man verliet, werd door de rest van de gemeenschap met de nek aangekeken. Omdat Engeland zo’n klassenbewuste maatschappij was (en is), werden mensen er in de 19e eeuw ook sneller ‘verstoten’ dan in andere West-Europese landen.

 

Maar toch was er ook bijzonder veel hypocrisie?

Palliser: Het beeld dat mensen nu van het victoriaanse tijdperk hebben, is er een van nors uitziende preutse vrouwen in tot boven dichtgeknoopte zwarte jurken, en dat klopt ook, maar er was ook veel meer mogelijk dan wij nu denken, alleen mocht niemand het zien. Je mocht zelfs als vrouw getrouwd zijn en affaires hebben, alleen moest je er altijd discreet over zijn. Keeping up appearances was een grondregel: de schijn van respectabiliteit moest altijd hoog gehouden worden. Ik heb twintig jaar in Glasgow gewoond en diezelfde vorm van hypocrisie vond ik ook in het protestantse Schotland terug. Het is het oeroude thema van Jekyll en Hyde van de Schotse schrijver Robert Louis Stevenson: het ‘slechte’ en het ‘kwade’ is iets dat je bij voorkeur in het verborgene en in het donker doet. Elke samenleving die waarden hoog in het vaandel voert, heeft een bepaalde vorm van hypocrisie. Wij, 21e-eeuwse westerlingen, zijn er ons in onze permissieve samenleving misschien niet meer zo van bewust. Hoeveel mensen die tegen de uitbuiting van de derde wereld protesteren, kopen altijd en overal fairtradeproducten? De meesten winkelen gewoon in de supermarkt. Ook dat is hypocrisie.

 

Misschien hebben we een bepaalde mate van hypocrisie nodig om onze samenleving gezond te houden?

Palliser: Leve de hypocrisie! Een samenleving moet hoogstaande waarden nastreven, maar mensen zullen altijd tekortkomen en die kloof wordt gevuld door hypocrisie. Ik wil niet leven in een land waar mensen niet meer mogen geloven dat ze beter zijn dan hun werkelijke zelf. De victoriaanse samenleving is niet meer dan een uitvergroting van onze eigen maatschappij met zijn onderdrukking, preutsheid, snobisme, sociale klassenverschillen en exploitatie van de armen.

 

Richard droomt ervan om een literair journalist te worden. Droomde jij als puber ook al van het schrijverschap?

Palliser: O ja, ik wou een schrijver worden van toen ik een jaar of tien was.

 

Het heeft wel heel lang geduurd voor die droom werkelijkheid werd.

Palliser: Ik was 42 toen mijn debuut verscheen. Dat is laat, maar De Quincunx was een extreem dikke roman waar ik jaren aan geschreven had. Van heel vroeg had ik een tweesporenplan: ik wou literatuur doceren aan de universiteit en het zelf ook schrijven. Twintig jaar lang heb ik dat gecombineerd. Ik heb er nu wel een beetje spijt van dat ik niet eerder voltijds schrijver geworden ben, maar er waren allerlei praktische bezwaren, want je moet kunnen overleven in die jaren dat je aan je debuut schrijft. En dat debuut moet dan nog succesvol zijn ook.

 

Aan in In ballingschap heb je zeven jaar gewerkt, wat een behoorlijk lange tijd is voor een boek van ruim 300 bladzijden.

Palliser: Ja, en dan had ik nog geluk dat ik kon terugvallen op de research die ik in de jaren tachtig voor De Quincunx gevoerd heb. Lezers zullen het niet merken, maar dit boek zit vrij ingewikkeld ineen. Wat Richard denkt dat er gebeurt of gebeurd is, blijkt in de realiteit meer niet dan wel te kloppen. Voor mij als schrijver was het een hels karwei om niet in mijn eigen verhaal verdwaald te raken. Ik moest tijdens het schrijven erg gefocust blijven en vaak ingewikkelde, zelf gestrikte knopen weer ontwarren.

 

Een lezer moet er ook zijn aandacht bijhouden. Het boek een paar dagen opzijleggen is niet zo verstandig.

Palliser: Ik ben bang dat al mijn boeken zo zijn. Ze eisen dat ook de lezer de handen uit de mouwen steekt. Ik vind dat niet erg, want dat zijn het soort boeken dat ik zelf graag lees. Ik hou niet van romans waarin alles voorgekauwd is, maar ik weet dat veel lezers daar een broertje aan dood hebben. Toen De Quincunx verscheen, zei een van mijn beste vrienden: ‘Sorry Charles, ik begin daar niet aan want ik ben een luie lezer.’

 

Dat was in 1989. Zou het kunnen dat er nu nog meer luie lezers zijn dan toen?

Palliser: Ik hoop van niet, maar ik vrees van wel. Ik heb het gevoel dat mensen op alle vlakken steeds meer op zoek zijn naar hapklare brokken en instant plezier. Lezers houden niet meer van boeken die complex zijn en uitdagend. Ik ben bang dat dat voor mezelf bijzonder slecht nieuws is.

 

 

In ballingschap- Charles Palliser

 

© Jan Stevens

 

 

‘Desender was soms door haaien omringd’

De oprichter en pas aan de kant gezette topman van het zieltogende Electrawinds bouwde niet alleen windmolens en biomassacentrales. Achter de schermen ontpopte Luc Desender zich ook tot investeerder in een oliepalmplantage. ‘Hij was misschien iets te goedgelovig en had zich beter moeten laten begeleiden.’

Coup de théâtre donderdag 26 december op de Oostendse afdeling van de rechtbank van koophandel van Brugge. Het noodlijdende groenestroombedrijf Electrawinds krijgt drie maanden bescherming tegen schuldeisers, maar stichter en ceo Luc Desender moet opstappen. Zijn plaats wordt ingenomen door drie gerechtsmandatarissen. Die krijgen ruime bevoegdheden en moeten tegen uiterlijk 20 februari 2014 een reorganisatieplan voor de onderneming uittekenen. Luc Desender verliest niet alleen zijn plaats in de raad van bestuur, hij mag ook geen enkele beslissing meer nemen in het kader van de continuïteit van het bedrijf.

De rechtbank verwijt Desender ‘zware tekortkomingen’ en baseert zich daarvoor op een mail van financier-achter-de-schermen Jos Sluyts aan Goedele Ertveldt, hoofd private equity bij Belfius. Daarin schrijft Sluyts dat de aandelen van ‘Luc DS’ gecontroleerd worden door zijn investeringsmaatschappij Saffelberg Investments, maar ook door Alba, de families achter Vlaeynatie en Baltisse, het investeringsfonds van vloerbedekkingsmagnaat Filip Balcaen. De rechtbank concludeert daaruit dat Desender niet langer handelt in het belang van de vennootschap Electrawinds maar in dat van zijn privéschuldeisers, met name de investeringsvehikels van Sluyts, Vlaeynatie en Balcaen. Of Luc Desender als bestuurder ook grove fouten gemaakt heeft, laat de rechter voorlopig in het midden.

‘Mijnheer Desender is zwaar aangeslagen’, reageert zijn advocate, die nadrukkelijk vraagt haar naam niet te vermelden. ‘De druk op zijn schouders is gigantisch.’ Desender leeft ondergedoken voor de media en wil pas na lang aandringen via zijn raadsvrouw op een aantal vragen antwoorden. ‘De rechtbank zegt niet dat bewezen is dat Luc Desender zijn aandelen in onderpand gegeven heeft’, zegt de advocate, ‘maar alleen dat hij in het belang van het bedrijf vervangen wordt. Als de rechtbank het over ‘zware tekortkomingen’ heeft, wordt niet alleen Luc Desender geviseerd, maar de hele raad van bestuur. Je zou kunnen stellen dat mijn cliënt in eigen belang gehandeld heeft, maar je kunt dat net zo goed zeggen over de banken of andere aandeelhouders. Luc Desender is een ondernemer in hart en nieren die graag risico neemt en bedrijven uit de grond stampt. Het jammere is dat hij zich voor financieel advies nooit goed heeft laten omringen. Hij beseft dat nu ook.’

 

20.000 frank

Ook op het toppunt van zijn succes liep Luc Desender de deuren van kranten en tijdschriften niet plat. Af en toe gaf hij wel interviews waarin hij zijn weg van eenvoudige garagist tot succesvol en duurzaam ondernemer beschreef. Hij startte zijn carrière naar eigen zeggen met 20.000 frank spaargeld (500 euro) die hij als tiener met voetballen bij SV Loppem verdiend had. ‘Daarmee kocht ik een oude auto die ik tunede en met winst heb verkocht.’ Een jaar later baatte hij een benzinestation en een handel in tweedehandsauto’s uit. Hij kocht aftandse BMW’s voor 2000 frank op en verkocht ze in Spanje voor het tienvoudige van de prijs. Na de val van de Muur herhaalde hij datzelfde kunstje in Hongarije. In 1991 nam hij de kwakkelende VW-garage Brugs Motoren Bedrijf (BMB) over. Snelle groei was toen al zijn credo: in een jaar tijd dreef hij de autoverkoop op van 180 naar 530 exemplaren. ‘In onze topjaren kwamen we aan 850 auto’s per jaar.’ Niet slecht voor een doodgewone jongen die zijn studie A1-automechanica nooit afmaakte.

Desenders zelf gecultiveerde legende wil ook dat de ‘selfmade man’ het idee voor Electrawinds kreeg nadat hij halverwege de jaren negentig niet aan een vergunning was geraakt voor een windmolen naast zijn gloednieuwe garage. ‘In het concept van de nieuwe garage stond milieuvriendelijkheid centraal. Wij waren van plan om een windmolen voor onze eigen elektriciteitsvoorziening te plaatsen, maar dat bleek moeilijk realiseerbaar.’ Desender leerde Luc Dewilde kennen, toen onderzoeker aan het departement stromingsmechanica van de VUB. Samen trokken ze op zoek naar een geschikte locatie voor een windmolenpark. De samenwerking met Dewilde zou voor Desender strategisch een interessante keuze blijken te zijn, want de ingenieur werkte met een aantal andere onderzoekers vanaf 1998 in opdracht van de Vlaamse regering aan het Windplan Vlaanderen. Bedoeling was om in kaart te brengen welke regio’s in Vlaanderen het meest geschikt zijn voor de bouw van windmolenparken. In december 2000 stelde toenmalig minister van Energie Steve Stevaert (SP.A) het eindrapport voor. Luc Dewilde en zijn collega’s waren het er roerend over eens: Luc Desenders provincie West-Vlaanderen had de beste troeven voor de bouw van windturbines.

 

Montmeyran

Van bij de start van Electrawinds eind 1998 zag Luc Desender het groots. Hij wilde met zijn onderneming evenveel duurzame elektriciteit opwekken als een doorsnee kerncentrale. Met projecten alleen in Vlaanderen was dat onmogelijk, dus richtte hij filialen op in Portugal, Italië, Griekenland, Roemenië, Bulgarije en Afrika. Jaar na jaar moest de omzet verdubbelen. Voor 2006 mikte hij op een omzet van 22,8 miljoen euro, voor 2007 op 55 miljoen euro en voor 2008 gokte hij op 150 miljoen euro. In werkelijkheid raakte hij nooit verder dan ruim 110 miljoen. Daartegenover stond eind 2012 een schuld van 360 miljoen.

De snelle groei kostte handenvol geld. Dat haalde Desender vooral op bij zakenvrienden. Via overheidsinvesteringsvehikels zoals de Vlaamse investeringsmaatschappij GIMV, de federale participatiemaatschappij FPIM en het infrastructuurfonds DG Infra ontving Electrawinds ruim 150 miljoen belastinggeld. Desender stelde zichzelf graag voor als brave huisvader, wiens grote ideaal het was om de familiale sfeer in zijn bedrijf te behouden. ‘Samen de schouders onder een project zetten en niet op de uren kijken, is het geheim achter ons snelle succes’, zei hij in december 2006. Maar ook zuinigheid haalde hij aan als sleutel tot dat succes, want net als bij om het even welke traditionele West-Vlaamse familie, ‘hield hij de werking van Electrawinds sober en bespaarde hij op de kosten’.

Achter de schermen hield Desender de vinger iets minder op de knip. Zo kocht hij vlak bij het Zuid-Franse dorp Montmeyran een landgoed van 18.000 m², met zwembad, tennisveld en sauna. ‘’Landgoed’ is lichtjes overdreven’, vindt zijn advocate. ‘Toen de Franse overheid in de jaren negentig de TGV in het binnenland doortrok, heeft ze heel wat eigendommen voor een appel en een ei te koop gesteld. Luc Desender heeft daar toen een huisje gekocht.’ Op 18.000 m²? ‘De woning die erop staat, is niet zo groot. Hij betaalde er in 1999 90.000 euro voor. Desender was trouwens niet de enige die toen iets gekocht heeft, nog Vlaamse ondernemers hebben daar op hetzelfde moment hun voordeel gedaan. Desender heeft indertijd een garage grootgemaakt en verkocht. Het geld van die verkoop is nu zijn privékapitaal waarmee hij investeert. Hij heeft daarvoor nooit overheidsgeld gebruikt. Alle vennootschappen waarin hij participeert, hebben op herhaalde tijdstippen fiscale controles gekregen. Altijd zonder negatief gevolg.’

Volgens onze informatie heeft Desender in 2008 ook geïnvesteerd in een gloednieuw 26 meter lang superjacht, een Sunseeker 86, met luxueuze logeerplaatsen voor tien gasten en een vierkoppige bemanning onder leiding van kapitein Edward Noble. Huidige waarde: ruim twee miljoen euro. Desender zou de JUSTENI naar zijn kinderen Julie, Steve en Nick vernoemd hebben en hem aangemeerd hebben in een jachthaven in het zuiden van Frankrijk. ‘Verschillende cliënten charteren de JUSTENI’, reageert kapitein Noble op onze vraag of hij iets meer wil vertellen over het jacht. ‘Doordat elk contract vertrouwelijkheidsclausules bevat, kan ik geen informatie uitwisselen met iemand die de contracten niet ondertekend heeft.’

‘Luc Desender heeft aandelen in een vennootschap die aan bootverhuur doet’, zegt zijn raadsvrouw. ‘De boten van deze vennootschap zijn volledig verworven met een lening. Via de verhuur worden de leningen afbetaald.  En wat hij in zijn vakanties doet, is zijn zaak.’

 

Palmolie

‘Groen binnen de grenzen van het economische.’ Zo omschreef Luc Desender zichzelf in februari 2007 in een interview met De Tijd. Een paar maanden later maakte Electrawinds bekend dat het bij chocoladeproducent Barry Callebaut in Wieze fors wou investeren in een biobrandstofcentrale die op palmolie zou draaien. Electrawinds sloot daarvoor een joint venture met Wilmar, een van de grootste palmoliebedrijven ter wereld. Toenmalig SP.A-voorzitter Johan Vande Lanotte had naar eigen zeggen bemiddeld tussen Electrawinds en Barry Callebaut. Op de voorstelling van het project zong hij de lof van palmolie. ‘Zo kunnen we het gebruik van fossiele brandstoffen in België terugdringen.’

Het gebruik van palmolie voor elektriciteitsproductie is omstreden, omdat bossen in ontwikkelingslanden massaal sneuvelen voor de aanleg van nieuwe oliepalmplantages. Maar Wilmar garandeerde dat zijn productie in Indonesië duurzaam verliep. In juli 2007 publiceerden de Nederlandse Vereniging Milieudefensie en twee Indonesische ngo’s een rapport waarin ze Wilmar ervan beschuldigen bossen in Indonesië af te branden om er plantages te kunnen aanleggen. ‘We hebben nog geen palmolie gebruikt en onderzoeken de beschuldiging’, reageerde Luc Desender op de aantijgingen aan het adres van zijn partner, waarna het stil werd. In december 2007 ging de bouw van de biobrandstofcentrale op palmolie van start. Twee maanden geleden riep milieuorganisatie Greenpeace onder meer Colruyt, Delhaize, Lotus en Lutosa op om palmolie van producent Wilmar te weren. Volgens de organisatie is de palmolieteelt in Indonesië de belangrijkste oorzaak van ontbossing en bedreigt ze de Sumatraanse tijger, waarvan er nog amper vierhonderd exemplaren rondlopen.

Het voorbije decennium is palmolie big business geworden. Jarenlang schommelde de palmolieprijs rond 500 dollar per ton, maar onder invloed van de stijgende vraag als alternatief voor fossiele brandstoffen en de schaarste aan geschikte grond voor palmolieplantages, klom de palmolieprijs in 2008 gezwind tot 1400 dollar. In 2009 zette Luc Desender zijn eerste stappen als palmolieproducent.

 

Plantage op São Tomé

Op dinsdag 6 oktober 2009 maakte de Antwerpse notaris Frank Liesse de oprichtingsakte op van de naamloze vennootschap STP Invest, met als startkapitaal 1,8 miljoen euro. Oprichters waren Luc Desender en Paul Vandekerckhove, ex-Picanol, sinds 2006 als een van de hoofdaandeelhouders lid van de raad van bestuur van Electrawinds en in 2010 na Vande Lanotte zelfs even voorzitter.

Bestuurders van STP Invest waren nv LDS, de managementvennootschap van Luc Desender, nv Buraco van Paul Vandekerckhove en nv Socfinco, die vertegenwoordigd werd door haar directeur Luc Boedt. Socfinco is onderdeel van de Socfin groep, de ‘Société Financière des Caoutchoucs’, die haar roots heeft in de Belgische kolonisatie van Congo en nu vooral in Afrika een belangrijke exploitant van oliepalmplantages is. In juni van dit jaar beschuldigden 11.11.11 en Oxfam de onderneming ervan medeplichtig te zijn aan landroof. Socfin zou in het Afrikaanse land Sierra Leone 20.000 hectare landbouwgrond hebben afgekocht van de lokale overheid, waardoor de plaatselijke boeren hun land niet langer konden bewerken en het moesten stellen met een huur van 5 euro per hectare per jaar.

Twee weken na de oprichting van STP Invest sloten Desender en co een joint venture met de regering van São Tomé e Principe, een paradijselijk eiland voor de westkust van Afrika. Agripalma Lda werd boven de doopvont gehouden, waarbij 88 procent van de aandelen in handen kwam van STP Invest. Voorzitter van de raad van bestuur van Agripalma werd Paul Vandekerckhove.

Agripalma Lda kreeg de concessie over 5000 hectare land. Het plan was om alle bomen te kappen en te vervangen door een oliepalmplantage. ‘Een regelrechte aanslag op de biodiversiteit’, zegt Luís Costa, directeur van de Portugese afdeling van vogelbeschermingsorganisatie Birdlife. ‘Agripalma kapt het secundaire tropische woud dat grenst aan het Nationaal Park Obó. Het bedrijf claimt een vergunning te hebben van de regering, maar dat is niet verwonderlijk: die is medeaandeelhouder. Het Obó-park beslaat een derde van het eiland en huisvest een aantal van de meest bedreigde vogelsoorten ter wereld. We vrezen dat de houtkap die vogels fataal wordt. We hebben Agripalma toestemming gevraagd om de vogelbestanden op hun concessie in kaart te brengen. Ze gingen daarmee akkoord. Nu zijn we met hen en de regering aan het onderhandelen. Maar er is al veel kwaad aangericht en voorlopig gaan ze gewoon door.’

In 2009 klopte Agripalma voor steun aan bij BIO, de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingssamenwerking. Met succes: BIO schreef een lening van 1,5 miljoen euro voor de uitbouw van de oliepalmplantage uit en schonk daarbovenop een beurs van 150.000 euro voor ‘environmental and social management’.

 

Geen missionarissen

Op 13 december 2013 publiceerde het Belgisch Staatsblad een mededeling van STP Invest. Daarin maakte de nv bekend dat met ingang van 22 oktober 2013 Socfinaf (onderdeel van Socfin) enige aandeelhouder geworden is, dat Socfinco, LDS (Desender) en Buraco (Vandekerckhove) niet langer bestuurders zijn en dat de lakens voortaan uitgedeeld worden door Luc Boedt. ‘Die overname is geen gevolg van de huidige perikelen bij Electrawinds’, zegt Boedt. ‘Luc Desender heeft zich nooit veel van Agripalma aangetrokken en Paul Vandekerckhove had van plantages niet veel kaas gegeten, dus hebben wij alles in handen genomen.’

Waarom zijn ze er dan ooit mee van start gegaan? ‘Dat moet u hen vragen. De oorspronkelijke bedoeling van het project is om werk te geven aan de plaatselijke bevolking. Natuurlijk willen we er op termijn ook iets aan verdienen, we zijn geen missionarissen. Desender en Vandekerckhove hebben bij mij aangeklopt voor mijn knowhow. Wij zitten al jaren in de ontwikkeling van oliepalmplantages.’

Het startkapitaal van STP Invest kwam van Desender en Vandekerckhove? ‘Ja. Hoeveel dat was, weet ik niet. Ik ben geen cijferman, maar een landbouwman. Ik vermoed dat Socfin nu ook wel iets betaald zal hebben voor de overname van de aandelen.’

Luc Boedt ontkent dat Agripalma tropisch woud kapt. ‘Het gaat over een oude palmolieplantage uit de jaren tachtig die heraangelegd wordt. We doen dat op vraag van de plaatselijke regering die zo werkgelegenheid wil creëren. Wij willen de lokale markt voorzien van vegetarische olie. De rest wordt geëxporteerd naar Nigeria, Kameroen, Togo en Ivoorkust. Doordat de plantage verwilderd is, hebben zich op sommige plaatsen vogelpopulaties gevestigd. We praten daar nu over met Birdlife.’

Wie heeft de investering van 1,5 miljoen bij BIO onderhandeld? Luc Boedt: ‘Desender en Vandekerckhove.’

Volgens BIO zelf is de financieringsaanvraag ingediend door Luc Boedt en Paul Vandekerckhove. ‘Luc Desender heeft nog nooit van BIO gehoord’, reageert de raadsvrouw van Desender. ‘Hij is wel een van de mede-investeerders in STP Invest. Desender en Vandekerckhove zijn daarvoor benaderd door Luc Boedt. Luc Desender heeft niet meer gedaan dan investeren.’

STP Invest is nochtans door Desender en Vandekerckhove opgericht en niet door Boedt. De advocate: ‘Luc Desender zegt dat Luc Boedt bij hem is komen aankloppen. Zijn raadgevers vonden dat een goed project. Hij is eruit gestapt wegens gebrek aan tijd. Desender stond altijd open voor nieuwe dingen en dacht ver vooruit. Hij is technisch zeer onderlegd en geloofde dat het wel goed zou komen. Hij was misschien iets te goedgelovig en had zich beter moeten laten begeleiden. Soms was hij ook door haaien omringd, maar had hij dat niet door.’

(c) Jan Stevens