“Leve de hypocrisie!”

Met zijn nieuwe roman In ballingschap keert Charles Palliser terug naar zijn favoriete periode: de victoriaanse 19e eeuw. “Engeland was toen in de ban van seks. In de boeken van Charles Dickens lees je daar niets over.” Maar wel in die van Charles ‘Quincunx’ Palliser.

 

Na de zoveelste gewelddadige ruzie met haar man, boekte de moeder van de toen drie jaar oude Charles Palliser in 1950 een enkele reis Boston-Heathrow. “Zo kwam ik bij toeval in Groot-Brittannië terecht”, zegt de inmiddels 66-jarige schrijver. “Mijn vader heb ik daarna nooit meer teruggezien.”

Palliser studeerde Engelse literatuur in Oxford en doceerde datzelfde vak twintig jaar lang aan de universiteit van Glasgow. Tezelfdertijd werkte hij in alle stilte aan een roman. “Twaalf jaar lang schreef en polijstte ik er elke avond, elk weekend en elke vrije dag aan.”

Toen zijn debuut De Quincunx eindelijk in 1989 verscheen, was het uitgedijd tot een boek van meer dan 800 bladzijden. Het verhaal van de 19e-eeuwse jongen John Huffam die op zoek gaat naar zijn verdwenen vader, groeide uit tot een internationale bestseller en Charles Palliser werd door de literaire kritiek ingehaald als de hedendaagse versie van de victoriaanse auteur Charles Dickens. Palliser stond zelf versteld van het immense succes van De Quincunx. “Het is een uiterst gecompliceerd boek. Ik stelde mijn uitgever voor om ‘postmoderne victoriaanse roman’ op de cover te zetten, maar hij kreeg bijna een hartaanval toen hij dat hoorde, dus heb ik dat plan meteen laten varen.” Toch was dat een accurate omschrijving, want op het eerste gezicht leek De Quincunx een ouderwetse Dickensiaanse roman, maar onder die oppervlakkige laag gingen vele andere lagen schuil. “Doorheen het hele boek speelde ik met de structuur.”

Pallisers nieuwste roman In ballingschap telt de helft minder bladzijden, maar is even dickensiaans als zijn debuut. “De spelletjes heb ik deze keer zoveel mogelijk achterwege gelaten.”

 

In ballingschap is het met geheimen en moord en doodslag doorweven dagboek van de zeventienjarige door seks geobsedeerde Richard Shenstone. In december 1863 wordt hij door de universiteit van Cambridge als student geschorst. Met schulden overladen keert hij terug naar huis. Richards vader is net in verdachte omstandigheden gestorven en zijn moeder en zus leven in een tochtig krot in een dorp in het zuiden van Engeland.

“Niet iedereen is even enthousiast over In ballingschap”, klaagt Palliser. “De recensenten meestal wel, maar een paar van mijn beste vrienden hielden helemaal niet van Richard, het hoofdpersonage.”

 

Ik vind hem een vrij authentieke zeventienjarige.

Charles Palliser: Dat vind ik ook. Hij gedraagt zich vaak niet al te koosjer, maar hij is niet slecht. Het is een jongen van zeventien, en lagen we niet allemaal op die leeftijd in de knoop met onszelf? Ik zeker wel. Ik had het toen moeilijk en was een vat vol tegenstrijdigheden. Een van mijn belangrijkste motieven om In ballingschap te schrijven, is net die innerlijke strijd die in elke adolescent woedt.

 

Die was in de 19e eeuw niet anders dan nu?

Palliser: Pas nadat ik het manuscript naar de uitgever had gestuurd, drong het tot me door dat ik mijn held 101 jaar ouder dan mezelf had gemaakt. Zonder het goed te beseffen had ik hem bijna dezelfde verjaardag gegeven als de mijne, maar dan een eeuw eerder: Richard is geboren in 1846 en ik in 1947. Ik denk niet dat het zoveel anders was om een tiener te zijn in de jaren 1860 als in de jaren 1960 of als nu.

 

De jaren 1860 waren in Engeland toch extreem puriteins?

Palliser: Zeker, de victoriaanse tijd was preuts, autoritair en repressief. Maar ik denk dat veel hedendaagse pubers ook vinden dat ze in een autoritaire en repressieve tijd leven. Ouderlijk gezag zal door een tiener nu eenmaal altijd gezien worden als onrechtvaardig en onredelijk.

 

Toch denk ik dat het generatieconflict vandaag minder voorstelt dan toen jij een adolescent was.

Palliser: Dat is misschien wel zo, net zoals het in mijn tijd al minder erg was dan toen Richard Shenstone leefde. Ik wou dat ik zeventien had kunnen zijn in een periode zoals nu waarin ouders openlijk met hun kinderen over seks praten. Want seks is het enige waaraan je denkt als je zeventien bent. De pubers van nu mogen zich gelukkig prijzen, al hebben ze natuurlijk ook nog redenen om ongelukkig te zijn. Doordat porno via het internet zo makkelijk toegankelijk geworden is, zijn bijna alle ‘mysteries’ verdwenen. Daarnaast moéten tieners op Facebook en Twitter hun statussen blijven updaten, hun vriendencirkel uitbouwen en informatie delen. De druk op hun schouders is immens om de ‘juiste’ dingen te volgen, te zeggen en te bezitten. Wij vroegen ons niet wanhopig af of onze smartphone of tablet hip genoeg was. Ik had het met mijn vrienden nooit over merken, terwijl voor de jongeren van vandaag het dragen van de juiste merken een zaak van levensbelang lijkt.

 

Jij had in jouw tijd waarschijnlijk dan weer heel wat te lijden onder de druk van de kerk. Die is nu totaal verdwenen.

Palliser: Dat was zeker zo voor nogal wat van mijn generatiegenoten, maar zelf heb ik daar niet zoveel last van gehad, ook al ben ik dan opgegroeid in een familie die zichzelf christelijk noemde. Ik herinner me wel dat de anglicaanse kerk voor een algemeen heersende drukkende atmosfeer zorgde waarin er niet over seks gesproken mocht worden. Ik kan me nog perfect voor de geest halen hoe ik me voelde toen ik als jongen van veertien in 1962 in de biechtstoel ging opbiechten dat ik gemasturbeerd had. Dat was een verschrikking.

 

Zonder stotteren vertelde je dat tegen de dominee?

Palliser: We hadden geen andere keuze. Natuurlijk zei ik niet vlakaf: ‘Vader, ik heb gemasturbeerd’, maar meer iets in de zin van: ‘Vader, ik heb mezelf misbruikt.’ (lacht) Dat was vreselijk gênant, temeer omdat die man een familievriend was. Ik praatte natuurlijk wel met mijn vrienden over seks, op een lacherige, ietwat ongemakkelijke manier, maar thuis was het een taboeonderwerp.

 

Mijn kinderen zijn prille twintigers. Als een paar jaar geleden het onderwerp seks ter sprake kwam, hadden ze altijd dringend iets anders te doen.

Palliser: Echt? Gisteren sprak ik een jongeman die me vertelde dat heel dat seksuele taboe dat in In ballingschap aan bod komt, niet meer bestaat bij pubers van nu. Hij vertelde me dat hij er vrijuit met zijn ouders over kan praten.

 

Er werd bij ons wel over seks gepraat, maar niet over hun seksleven.

Palliser: Ik begrijp dat en ik vermoed dat hun gêne te maken heeft met het incesttaboe dat in alle gezinnen heerst, waardoor leden van een zelfde gezin niet over seks praten. Die jongen gisteren zei dat hij met zijn ouders gewoon over seks kon hebben, maar ik geloof nooit dat ze het over hún seksleven hadden. Net zoals je jezelf als puber geen voorstelling wil maken van je vrijende ouders, wil je als ouder ook niet weten wat je kinderen in bed uitspoken.

 

Richard pent in zijn dagboek zijn seksuele fantasieën neer, en die klinken zeer hedendaags.

Palliser: In zijn dagboek hoeft hij zich niets aan te trekken van de victoriaanse preutsheid. Een victoriaan had nooit een expliciet seksuele roman kunnen schrijven, maar in een dagboek kon dat wel. Zo is er het beruchte My secret life van een gentleman die zichzelf ‘Walter’ noemde. Hij schreef zijn dagboek in de jaren 1870 en was bezeten door seks. In My secret life vertelt hij open en bloot over zijn losbandige leven. Het boek werd op een beperkte oplage gedrukt; er bestaan nu van die eerste druk nog zes exemplaren. Voor wie zoals ik in het victoriaanse tijdperk geïnteresseerd is, is het een fascinerend boek, want het toont het échte leven. Je leest er al die interessante zaken in die Charles Dickens en George Eliot je in hun romans niet vertellen. De victoriaanse tijd bulkte van de seks. Er gaapte een verschrikkelijk grote inkomenskloof tussen de armen en de middenklasse. Die Walter pikte op straat willekeurig vrouwen op waarmee hij van bil wou gaan. Hij zag een mooi meisje, sprak haar aan en betaalde om met haar te vrijen. Het zou net zijn alsof je straks op straat tegen het eerste het beste meisje zou zeggen: ‘Hier is duizend pond, in ruil wil ik een blowjob.’ Veel meisjes zouden dat misschien nu ook nog doen.

 

Denk je?

Palliser: Voor vijfduizend pond? Of tienduizend? Wie weet. (lacht) Die meisjes hadden honger toen en thuis zaten nog hongerige broertjes en zusjes te wachten, dus waren ze zo’n geile, met geld zwaaiende Walter graag ter wille.

 

Richards moeder is door de gemeenschap verstoten en leeft in een soort van ballingschap. Gebeurde dat vaak in victoriaans Engeland?

Palliser: Wie op een of andere manier de heersende conventies overtrad, werd ‘genegeerd’. Je vindt zo veel voorbeelden in de victoriaanse literatuur. In Jane Austens laatste roman Persuasion heeft het hoofdpersonage een vriendin die ‘in ballingschap’ gestuurd is omdat ze haar man heeft laten zitten. Een vrouw die haar man verliet, werd door de rest van de gemeenschap met de nek aangekeken. Omdat Engeland zo’n klassenbewuste maatschappij was (en is), werden mensen er in de 19e eeuw ook sneller ‘verstoten’ dan in andere West-Europese landen.

 

Maar toch was er ook bijzonder veel hypocrisie?

Palliser: Het beeld dat mensen nu van het victoriaanse tijdperk hebben, is er een van nors uitziende preutse vrouwen in tot boven dichtgeknoopte zwarte jurken, en dat klopt ook, maar er was ook veel meer mogelijk dan wij nu denken, alleen mocht niemand het zien. Je mocht zelfs als vrouw getrouwd zijn en affaires hebben, alleen moest je er altijd discreet over zijn. Keeping up appearances was een grondregel: de schijn van respectabiliteit moest altijd hoog gehouden worden. Ik heb twintig jaar in Glasgow gewoond en diezelfde vorm van hypocrisie vond ik ook in het protestantse Schotland terug. Het is het oeroude thema van Jekyll en Hyde van de Schotse schrijver Robert Louis Stevenson: het ‘slechte’ en het ‘kwade’ is iets dat je bij voorkeur in het verborgene en in het donker doet. Elke samenleving die waarden hoog in het vaandel voert, heeft een bepaalde vorm van hypocrisie. Wij, 21e-eeuwse westerlingen, zijn er ons in onze permissieve samenleving misschien niet meer zo van bewust. Hoeveel mensen die tegen de uitbuiting van de derde wereld protesteren, kopen altijd en overal fairtradeproducten? De meesten winkelen gewoon in de supermarkt. Ook dat is hypocrisie.

 

Misschien hebben we een bepaalde mate van hypocrisie nodig om onze samenleving gezond te houden?

Palliser: Leve de hypocrisie! Een samenleving moet hoogstaande waarden nastreven, maar mensen zullen altijd tekortkomen en die kloof wordt gevuld door hypocrisie. Ik wil niet leven in een land waar mensen niet meer mogen geloven dat ze beter zijn dan hun werkelijke zelf. De victoriaanse samenleving is niet meer dan een uitvergroting van onze eigen maatschappij met zijn onderdrukking, preutsheid, snobisme, sociale klassenverschillen en exploitatie van de armen.

 

Richard droomt ervan om een literair journalist te worden. Droomde jij als puber ook al van het schrijverschap?

Palliser: O ja, ik wou een schrijver worden van toen ik een jaar of tien was.

 

Het heeft wel heel lang geduurd voor die droom werkelijkheid werd.

Palliser: Ik was 42 toen mijn debuut verscheen. Dat is laat, maar De Quincunx was een extreem dikke roman waar ik jaren aan geschreven had. Van heel vroeg had ik een tweesporenplan: ik wou literatuur doceren aan de universiteit en het zelf ook schrijven. Twintig jaar lang heb ik dat gecombineerd. Ik heb er nu wel een beetje spijt van dat ik niet eerder voltijds schrijver geworden ben, maar er waren allerlei praktische bezwaren, want je moet kunnen overleven in die jaren dat je aan je debuut schrijft. En dat debuut moet dan nog succesvol zijn ook.

 

Aan in In ballingschap heb je zeven jaar gewerkt, wat een behoorlijk lange tijd is voor een boek van ruim 300 bladzijden.

Palliser: Ja, en dan had ik nog geluk dat ik kon terugvallen op de research die ik in de jaren tachtig voor De Quincunx gevoerd heb. Lezers zullen het niet merken, maar dit boek zit vrij ingewikkeld ineen. Wat Richard denkt dat er gebeurt of gebeurd is, blijkt in de realiteit meer niet dan wel te kloppen. Voor mij als schrijver was het een hels karwei om niet in mijn eigen verhaal verdwaald te raken. Ik moest tijdens het schrijven erg gefocust blijven en vaak ingewikkelde, zelf gestrikte knopen weer ontwarren.

 

Een lezer moet er ook zijn aandacht bijhouden. Het boek een paar dagen opzijleggen is niet zo verstandig.

Palliser: Ik ben bang dat al mijn boeken zo zijn. Ze eisen dat ook de lezer de handen uit de mouwen steekt. Ik vind dat niet erg, want dat zijn het soort boeken dat ik zelf graag lees. Ik hou niet van romans waarin alles voorgekauwd is, maar ik weet dat veel lezers daar een broertje aan dood hebben. Toen De Quincunx verscheen, zei een van mijn beste vrienden: ‘Sorry Charles, ik begin daar niet aan want ik ben een luie lezer.’

 

Dat was in 1989. Zou het kunnen dat er nu nog meer luie lezers zijn dan toen?

Palliser: Ik hoop van niet, maar ik vrees van wel. Ik heb het gevoel dat mensen op alle vlakken steeds meer op zoek zijn naar hapklare brokken en instant plezier. Lezers houden niet meer van boeken die complex zijn en uitdagend. Ik ben bang dat dat voor mezelf bijzonder slecht nieuws is.

 

 

In ballingschap- Charles Palliser

 

© Jan Stevens

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s