Jan Hoet (1936-2014)

Gent, februari 2012 – Jan Hoet is halverwege de zeventig en moet drie keer per week aan de nierdialyse. Toch is zijn agenda volgeboekt en zit hij volop in de voorbereiding van twee grote tentoonstellingen: Sint-Jan in de Gentse Sint-Baafskathedraal en de biënnale van het Chinese Yinchuan. “Pensioen staat niet in mijn woordenboek. Er is nog veel te veel goesting.”

 

“Ik ben hondsmoe”, zucht Jan Hoet, terwijl hij zich voorzichtig in zijn oude bureaustoel laat zakken. 76 is hij nu, maar hij werkt nog steeds te hard. “Ik zou al tien jaar op pensioen kunnen zijn, maar daar heb ik geen zin in. Mijn werk is mijn hobby; dat is altijd zo geweest.”

Dus zitten de dagen van de stichter en voormalige conservator van het Gentse Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (SMAK) zoals vanouds van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat dicht geplamuurd met kunst. “Ik zetel in jury’s, word gevraagd voor debatten en vernissages en krijg ook heel wat aanbiedingen om zelf tentoonstellingen te maken. Ik kreeg pas nog de vraag of ik volgend jaar curator van een expositie in Singapore wil worden, maar dat kan er echt niet meer bij. Ik heb me nu al geëngageerd voor dertien tentoonstellingen en ik wil niet dat de ene opdracht de andere overschaduwt.”

Vandaag werkt Jan Hoet tegelijkertijd aan drie tentoonstellingen. “Ik ben volop bezig met een expositie van de Gentse kunstenaar Jan Van Imschoot in een galerie in München, met de grote tentoonstelling rond spiritualiteit Sint-Jan die in de lente en de zomer in de Sint-Baafskathedraal te zien zal zijn en met de biënnale in oktober in het Chinese Yinchuan. Zo’n kleinere expositie in een galerie kost minder inspanningen dan een grote museumtentoonstelling; die kan ik er dus altijd wel bijnemen. Sint-Jan is een iets grotere opdracht. (lacht) Daar komt bij dat de expositie eigenlijk niets mag kosten. Dat is niet vanzelfsprekend, maar het is wel een bewuste keuze én een reactie op het feit dat subsidies de dag van vandaag in de kunstwereld schering en inslag zijn.”

 

Het evangelie van Sint-Jan

Toeval of niet, op 12 mei, de dag dat Sint-Jan zijn deuren opent, start ook de grote gesubsidieerde stadstentoonstelling TRACK van Hoets geesteskind SMAK. “Voor Sint-Jan vraag ik geen eurocent subsidie aan”, zegt hij. “Twintig jaar lang, van 1975 tot 1995, kreeg ik geen frank van de staat; ik werkte uitsluitend met het budget van de stad Gent. Tegenwoordig komt geen enkel stedelijk museum toe met zijn stadsbudget. Ze laten zich allemaal subsidiëren door de staat.”

Is het toch niet frustrerend om met een klein budget zo’n grote tentoonstelling op poten te zetten? Jan Hoet: “Helemaal niet. Ik ben heel benieuwd welke kunstenaars bereid zullen zijn hun werk gratis naar Sint-Baafs te laten transporteren en of we een verzekeringsmaatschappij zullen vinden die de polissen wil sponsoren en een uitgever die de drukkosten voor de catalogus wil dragen. We hebben voor Sint-Jan geen subsidieaanvraag ingediend omdat het budget toch al opgesoupeerd is door al die musea met hun grote tentoonstellingen. Sint-Jan moest er gewoon komen, als tegenwicht tegen het functionele dat het spirituele in de wereld langzaam maar zeker verdringt. Wie nood heeft aan het spirituele kan altijd terugvallen op de basiswaarden van de Kerk, of op het evangelie van Sint-Jan. (lacht) Mijn tentoonstelling in Sint-Baafs mag je gerust beschouwen als een spiritueel manifest.”

Zullen gelovige kerkgangers niet gechoqueerd zijn als ze oog in oog staan met sommige provocerende werken van hedendaagse kunstenaars? “De bisschop en de rector van Sint-Baafs hebben me carte blanche gegeven. Ze weten dat de 45 deelnemende kunstenaars geen blasfemische kunst zullen tentoonstellen, al blijft het natuurlijk mogelijk dat sommige bezoekers het met sommige werken lastig zullen hebben. Dat risico bestaat bij hedendaagse kunst altijd. Toen de kathedraal in 2009 nieuwe designstoelen van Maarten Van Severen aankocht, klonk er oorverdovend protest. Het zijn nochtans mooie, eenvoudige stoelen die er perfect passen. Nu pas beginnen de mensen er aan te wennen.”

 

Passionele pioniers

Het lijkt wel alsof Jan Hoet in de nadagen van zijn carrière terugkeert naar het prille begin, naar 1975, toen hij met een beperkt budget en zonder overheidssubsidies een heus Museum voor Hedendaagse Kunst uit de grond probeerde te stampen. “Ik had als conservator één assistent, één secretaresse en een suppoost in dienst. Met zo’n kleine bezetting was het niet vanzelfsprekend om grote tentoonstellingen te bouwen, maar dankzij de hulp van heel wat enthousiaste vrijwilligers lukte ons dat wel. Je kunt je niet voorstellen wat ik toen allemaal bij het stadsbestuur heb moeten ondernemen om een extra werkkracht in een nepstatuut te mogen aanwerven. We zaten gehuisvest in de achterste zaal van het Museum voor Schone Kunsten waar de verwarming het putje winter liet afweten. Drie graden wees de thermometer aan. We hulden ons in extra sjaals en dikke truien, maar bleven bibberen van de kou. Ik heb toen hemel en aarde moeten bewegen om de stad ervan te overtuigen dat we recht hadden op een klein beetje comfort. Op een bepaald moment heb ik zelfs gedreigd: ‘Als de verwarming nu niet hersteld wordt, zet ik alle kunstwerken op straat. Het maakt toch geen verschil of ze binnen of buiten staan.’ De museumwereld werd toen niet erkend door de politiek. Wij voerden een echt gevecht tegen de overheid. Dat heeft veel te lang geduurd en ik heb nooit goed begrepen waarom onze bewindslui in die tijd niet op een pragmatische wijze met cultuur konden omgaan. Nu zitten we in een tegengestelde situatie: cultuur wordt door politici teveel gepamperd en is bijna een overheidsinstelling geworden.”

Is het culturele klimaat in Vlaanderen er dan niet op vooruit gegaan? Musea floreren toch als nooit tevoren? Jan Hoet: “Moderne kunst boomt, dat merk je aan de ongelooflijk hoge prijzen die werken halen in grote veilinghuizen zoals Sotheby’s of Christie’s. Maar wil dat zeggen dat het algemene klimaat nu verbeterd is? In mijn tijd bevond ik me in het gezelschap van andere passionele pioniers die vanuit hun gedrevenheid de hedendaagse kunst op de kaart wilden zetten. We hadden weinig geld, trokken onze plan, maar er werd wel in ons geloofd. We maakten deel uit van een klein wereldje, dat gestaag begon te groeien. Vandaag volgen aan de universiteit van Gent alleen al tweehonderd studenten hedendaagse kunst. Vroeger was ik zo goed als alleen.”

Die overvloed aan kunstprofessionals levert nu volgens Hoet louter verdraagzaamheid en braafheid op. “De overvloed aan ‘kunstkenners’ zorgt voor een niet zo gezonde vorm van tolerantie. In de tijd van Picasso verschenen er bijzonder kritische artikels over zijn werk. Een man als Roger Marijnissen schreef in de krant zeer ironische columns over kunst; Frans Boenders was dan weer een meester in de polemiek. Nu verschijnen in de media bijna alleen promo-artikelen. Niemand durft nog te zeggen dat de keizer geen kleren draagt. Kunst is de voorbije jaren te veel mainstream geworden, waardoor het wereldje in slaap gesukkeld is.”

Is het ook teveel big business geworden? “Zeker. Al blijft het voor veel kunstenaars ontzettend moeilijk om van hun kunst te leven.”

Alleen grote namen zoals Wim Delvoye en Jan Fabre verdienen met hun werk een goedbelegde boterham. “Ik heb er geen bezwaar tegen dat ze businessmen geworden zijn”, zegt Hoet. “Hun ondernemerschap gaat niet ten koste van de kwaliteit van hun werk. Rubens was in zijn tijd ook een ondernemer. Fabre heeft een atelier, runt een theater, stelt mensen tewerk die allemaal betaald moeten worden. Hoe meer hij verdient, hoe meer hij kan investeren. Veel mensen zien de kunstenaar nog steeds als een getormenteerde ziel, als een Vincent van Gogh, die op een zolderkamertje honger en kou zit te lijden. Jan Fabre past niet in ons clichébeeld en daar hebben we het moeilijk mee.”

 

Yinchuan

Naast de spirituele tentoonstelling in Sint-Baafs, is Jan Hoet ook druk bezig met de organisatie van de tweede biënnale van de Chinese miljoenenstad Yinchuan die in oktober van dit jaar zal plaatsvinden. “Eind vorig jaar was ik er twee weken”, zegt hij. “De sfeer in het huidige China is even explosief en fris als die in Europa in de jaren zestig. De hele reis was voortreffelijk geregeld: met een tolk, een uitstekend hotel en een volledig uitgewerkt nierdialyseprogramma. Ze hebben me als een koning ontvangen.”

Krijgt hij als curator de totale vrijheid? “Ja. Maar ik zal in Yinchuan geen politieke statements geven; ik wil er kunst brengen. Het is een internationale biënnale, dus naast een dertigtal Chinese kunstenaars zullen er ongeveer evenveel niet-Chinezen tentoonstellen: artiesten uit Korea, Noorwegen, België, de Verenigde Staten… De interesse van de Chinese autoriteiten in hedendaagse kunst dateert van begin jaren negentig, van vlak na de studentenopstand in 1989 op het Plein van de Hemelse Vrede. De overheid zal natuurlijk nooit toegeven dat hun tolerantie voor moderne kunst een compensatie is voor de onderdrukking van die opstand, maar ik heb de indruk dat het wel een van hun motieven is.”

Kan kunst de wereld redden? “Daar geloof ik niet meer in. Ondanks alle schoonheid stroomt er evenveel bloed en blijven er evenveel smeerlappen rondlopen. Ik geloof wel dat kunst elke individuele kijker kan redden, zolang hij maar bereid is zich helemaal in het scheppingsverhaal van de kunstenaar te laten onderdompelen.”

 

 

De kunstenaars die het leven van Jan Hoet bepaalden

 

“Mijn leven is mee vorm gegeven door Marcel Broodthaers, Panamarenko, Joseph Beuys en kunstbewegingen uit de jaren zestig zoals het conceptualisme, het minimalisme en Arte Povera dat in ‘67 door mijn Italiaanse collega Germano Celant boven de doopvont gehouden werd. Ik was zelf al iets ouder in die tijd, maar ik voelde me ongelooflijk hard aangesproken door al die grootste vernieuwingen. Alles wat we nu in de hedendaagse kunst kennen, is daar een gevolg van. In de zestiger jaren waren er in Rome vijf kunstgalerieën; nu zijn er 300. En het aantal kunstenaars is evenredig geëxplodeerd. Ik vraag me af wie vandaag de autoriteit heeft om te bepalen wie of wat zal overleven.”

“Vroeger had ik die autoriteit, dat klopt. Maar ik was niet de enige en ik zat in een netwerk van gelijkgezinde curatoren zoals de Duitsers Kasper König en Johannes Cladder en de Nederlander Rudi Fuchs. Toen waren er nog stromingen, vandaag draait alles rond het individu. Ach, de geschiedenis zal alles uitklaren.”

 

© Jan Stevens

‘Niet geld laat de wereld draaien, maar macht’

Liza Marklund twijfelde lang of ze in haar nieuwe thriller de foltertechnieken van dictators tot in de goorste details zou beschrijven. Want is er al niet genoeg geweld in de wereld? ‘Ongetwijfeld, alleen zijn wij in onze stabiele democratieën vergeten hoe we ermee moeten omgaan.’

 

Sinds de Zweedse thrillerschrijfster Liza Marklund in 1997 tabloidjournaliste en speurneus Annika Bengtzon introduceerde, verkocht ze wereldwijd meer dan dertien miljoen spannende boeken. In het pas verschenen tiende deel Nora’s verdwijning krijgt Bengtzon de opdracht van haar hoofdredacteur om de bizarre aanslag op Ingemar Lerberg te verslaan. Zakenman en ex-politicus Lerberg wordt zwaar gewond en bewusteloos aangetroffen in zijn villa in een chique buitenwijk van Stockholm. Iemand heeft hem urenlang gemarteld en gebruikte daarvoor technieken uit de handboeken van professionele folteraars. Zijn vrouw Nora lijkt van de aardbodem verdwenen.

De spannende misdaadromans van Liza Marklund hebben veel meer diepgang dan haar supersnelle schrijfstijl op het eerste gezicht doet vermoeden. Marklund startte ooit zelf als journaliste bij de grootste Zweedse tabloid Expressen. Na haar thrillerdebuut Springstof richtte ze eind jaren negentig haar eigen uitgeverij Piratförlaget op. Vandaag is haar uitgeefhuis uitgegroeid tot een van de belangrijkste van Zweden en trekt zij de wereld rond als ambassadeur voor Unicef.

Piratförlaget ligt op wandelafstand van het poepchique Hotel Diplomat aan de statige Strandvägen in Stockholm. In het restaurant van het hotel ontvangt Marklund ons voor de lunch. “Je moet ons nationaal gerecht proeven”, zegt ze. Een kwartier later serveert een in livrei gehulde ober köttbullar met brunsås, ättiksgurka en aardappelpuree. De Zweedse vleesballetjes zien eruit als die in de restaurants van Ikea. Alleen smaken ze hier vijf keer zo lekker en zijn ze tien keer zo duur.

 

Je schrijft nu zeventien jaar over Annika Bengtzon. Raak je haar niet beu?

Liza Marklund: Nee, ik vind het fijn om Annika al zo lang mee te laten ontwikkelen. Misschien omdat haar verouderingsproces gelijke tred houdt met het mijne. Toen ik over haar begon te schrijven, had ik vijf romans rond haar in mijn hoofd. Ik heb eerst nummer vier uitgeschreven. Op dat moment wist ik zelfs niet of ik eigenlijk wel een roman kon schrijven. Maar nummer vier werd een succes, waarna ik nummer één begon uit te werken en dan twee, drie en vijf. Ik heb Annika Bengtzon uit gemis gecreëerd. In geen enkele roman kwam ik iemand tegen zoals zij: een vrouwelijke hoofdpersoon die moest afrekenen met alledaagse bekommernissen als het huishouden en de kinderen. De enige vrouwen in thrillers waren ofwel slachtoffers, ofwel schoonheidskoninginnen waar alle mannelijke personages mee wilden neuken. Als er midden jaren negentig al eens een vrouwelijk hoofdpersonage opdook, was ze gegarandeerd single, kinderloos en een slons. Ik wou een vrouw van vlees en bloed die veel fouten maakte en daar toch altijd mee wegkwam. Ik wou dat ze van haar kinderen hield en haar moeder haatte, dat ze een contradictie was, een vrouwelijke lone ranger. Nu ben ik bijna klaar met haar. Binnenkort begin ik aan de allerlaatste Annika Bengtzon. Of ze daarin zal sterven, weet ik niet, net zoals ik ook nog niet weet of ik daarna nog romans zal schrijven.

 

Journaliste Annika Bengtzon schrijft niet alleen artikels, ze maakt tegenwoordig ook foto’s en filmt reportages voor de website van haar krant. Is dat de toekomst van de journalistiek?

Marklund: Hier in Zweden is dat dagelijkse kost. Als ambassadeur voor Unicef werk ik af en toe zelf als journalist. Ik ga dan op exact dezelfde wijze te werk: ik schrijf stukken voor het magazine, distilleer daar blogposts uit, draai shots voor een tv-reportage en maak foto’s.

 

Is een journalist wel in staat om al die verschillende genres evengoed te beoefenen? Ik kan teksten schrijven, maar vraag me niet om een foto te nemen, want het resultaat is een ramp.

Marklund: De kwaliteit is niet altijd even goed, dat is juist. De nieuwe digitale technieken maken het ons wel makkelijker om te researchen. Vroeger moest je naar de bibliotheek om iets op te zoeken, vandaag vind je alles op het internet. Een journalist wint zo dus veel tijd. Misschien compenseert dat het verlies aan kwaliteit. Het grootste gevaar is dat het tempo te hard wordt opgevoerd en dat de druk op journalisten te zwaar wordt, waardoor ze de feiten niet meer checken.

 

Of alles copy-pasten.

Marklund: Dat gebeurt jammer genoeg veel te vaak. We kopiëren en publiceren zonder boe of ba. De tijd voor reflectie is weg. Maar de digitale revolutie maakt het ook mogelijk dat journalisten makkelijker wereldwijd mensen kunnen opsporen.

Ook de uitgeefwereld is volop in beweging. Sommige veranderingen zijn positief, andere zijn dan weer rampzalig. In mijn uitgeverij is er geen paniek en wordt nog steeds winst gemaakt. Piratförlaget bestaat nu 15 jaar en werkte van bij de start anders dan de andere uitgeverijen. We brengen slechts een beperkt aantal titels op de markt, nooit meer dan 15 per jaar, maar we spannen ons voor elk boek honderd procent in. In 1999 richtten we al een e-boekfabriek op, lang voor iemand het belang van e-boeken inzag. Mijn thriller Paradijs was in 2001 het allereerste e-boek in Zweden. Het verkocht voor geen centimeter en onze e-boeken zijn nog steeds geen succes, maar het is een interessante markt die we nauwgezet in de gaten houden. Want het is onmiskenbaar zo dat de leesgewoonten aan het veranderen zijn. In heel Europa staat de verkoop van paperbacks onder druk. Mensen lezen nu op hun smartphones in plaats van in pockets. Dus is het als uitgever onze taak om ervoor te zorgen dat mensen ook romans op hun smartphone beginnen lezen. Dat is een bijzonder lastige klus waarvan de uitkomst hoogst onzeker is.

 

Middenin het digitale geweld slaagt Annika’s hoofdredacteur er in om van zijn tabloid de grootste gedrukte krant in Zweden te maken. Heeft hij daarmee op het verkeerde paard gewed?

Marklund: Misschien wel. (lacht) Hij wordt nummer één op het moment dat het er niet meer toe doet, waardoor hij een zielenpoot lijkt. Of ik iemand in gedachten had? Nee, de hoofdredacteurs van de Zweedse kranten zijn mee met hun tijd en online. Deze hoofdredacteur lijkt meer op mezelf. Hij is een vertegenwoordiger van de ‘old school’-journalistiek en hij is trouwens ook een uitstekende journalist.

 

Is dat zo? Voor de reportage die hem beroemd maakte, vertrouwde hij op één bron die hem op gewiekste wijze manipuleerde.

Marklund: Veel journalisten trappen in die val en ik ben daar in mijn tijd bij Expressen waarschijnlijk ook met mijn ogen open ingelopen. Journalisten worden trouwens altijd ‘gebruikt’. Iedereen die met een journalist praat, heeft een verborgen agenda. Net zoals ik nu voor dit interview ook een belang heb.

 

Je nieuwe thriller promoten.

Marklund: Voilà. Ik praat met jou omdat ik mijn boek in België wil verkopen, maar ook omdat ik het aanzwengelen van het maatschappelijk debat over bijvoorbeeld de werking van de media belangrijk vind. Mijn motieven zijn dus niet louter commercieel. Jij bent als journalist ook altijd een beetje een marketeer. Jij wil dat Knack Focus blijft verschijnen, want je wil graag je werk houden. Daarom zal je je uiterste best doen om een spraakmakend interview met mij af te leveren dat elke Vlaming wil lezen.

 

Een voormalig hoofdredacteur van een Belgische kwaliteitskrant werd in 2007 uitgeroepen tot marketeer van het jaar en hij was daar fier op. Terecht volgens jou?

Marklund: Nee, dat is fout. Het was zeer dom van die man om die titel te aanvaarden. Als journalist moet je een marketeer zijn, maar je mag daar niet mee te koop lopen. Journalisten moéten hypocrieten zijn. Regel nummer een is dat je op zijn minst toch probeert ‘objectief’ te zijn. Een journalist heeft de ambitie om neutraal te zijn en niet om een verkoper te worden.

 

De slachtoffers in Nora’s verdwijning worden op een gruwelijke manier gemarteld. Wil je door daar gedetailleerd over te schrijven je lezers een geweten schoppen?

Marklund: Ik wou het geweld tonen zoals het is en haalde daarvoor de mosterd bij Amnesty International. Al twijfelde ik vaak of het wel zo’n goed idee is om via een boek nog meer geweld de wereld in te sturen. Van zodra je de tv aanzet, stroomt de gruwel er uit. Tijdens het schrijven van Nora’s verdwijning heb ik lang zitten tobben over het belang van misdaadromans. Ik ben tot de conclusie gekomen dat ze enkel in vredelievende, stabiele democratieën geschreven worden. Je vindt geen thrillers in dictaturen of in een door oorlog verscheurd land. Als ik tegen mijn vrienden in Kenia zeg dat ik romans over misdaad schrijf, kijken ze me verwonderd aan en wijzen ze naar hun voorhoofd. ‘Waarom?’, vragen ze. Zij zien elke dag de ellende die uit buurland Somalië komt aanwaaien. Eind jaren negentig was ik in de Argentijnse hoofdstad Buenos Aires en zelfs in de grootste boekhandel vond ik geen thriller. Er lagen politieke biografieën, porno, non-fictie, romantische boeken, maar geen misdaadromans. Ik vroeg hulp aan een verkoper en hij zei: ‘Wij lezen geen thrillers.’ Nu vind je ze er wel, maar in die tijd lag de herinnering aan de dictatuur te vers in het geheugen. Een groot deel van het jaar woon ik in het Spaanse Marbella, en toen ik er voor het eerst kwam, vond ik er ook nergens een thriller. De schaduw van Franco was nog niet verdwenen. Pas dertig jaar na de dood van de dictator begonnen Zweedse schrijvers zoals Stieg Larsson, Henning Mankell en ikzelf er eindelijk boeken te verkopen. Zo lang duurde het voor Spanje stabiel en democratisch genoeg was om misdaadliteratuur aan te kunnen.

 

Hoe stabieler en democratischer een land is, hoe beter de misdaadliteratuur floreert?

Marklund: Ja. En als het op stabiliteit en democratie aankomt, is Zweden het summum. We leven hier al meer dan tweehonderd jaar in vrede. De laatste schermutselingen dateren van 1809, toen Rusland Finland van ons pikte. Zweden is een wit, puur schildersdoek. Onze misdaadromans zorgen voor bloedrode stippen op dat maagdelijke canvas.

 

Missen wij geweld in onze stabiele, vredevolle democratieën?

Marklund: We mogen niet ontkennen dat geweld er is en dat we ermee moeten leren omgaan. Geweld volgt als iemand het gevoel krijgt dat hij macht verliest. Eigenlijk gaan al mijn romans over macht. Niet geld laat de wereld draaien, maar macht. Net als geld is geweld alleen maar een middel om macht te vergaren. ‘Jij zal doen wat ik zeg. Als je dat vertikt, folter ik je tot je mijn bevelen nauwgezet opvolgt. Als je dan nog tegenstribbelt, maak ik je af.’ Het gaat dus over macht gebruiken en misbruiken. Van de kerel die zijn vrouw afslaat tot de dictator die het volk met geweld onder de knoet houdt.

 

Het lezen van thrillers is voor de vredelievende democraat een manier om met geweld te leren omgaan?

Marklund: Zoiets, ja. Er wordt gedood in elke misdaadroman en elke moord zorgt voor chaos, waarna Annika en consoorten de orde herstellen. Een medemens doden is een blasfemische daad: de dader kruipt in de rol van God en speelt heerser over leven en dood. Dat is verboden in elke samenleving. Behalve natuurlijk voor de president van de Verenigde Staten, want die is God himself en heeft daardoor een license to kill. (grijnst)

 

 

Liza Marklund

 

–        Geboren op 9 september 1962 in het noorden van Zweden.

–        Werkte een paar jaar als journaliste voor de tabloid Expressen.

–        Werd een van de best verkopende Zweedse thrillerschrijvers met haar reeks rond Annika Bengtzon.

–        Trapt vaak op zere Zweedse tenen in haar columns in Expressen.

–        Is getrouwd, heeft drie kinderen en woont afwisselend in Stockholm en Marbella.

 

© Jan Stevens

Waarom de stad u gelukkig maakt

‘De stad is een geluksmachine’, zegt urbanist Leo Hollis. Volgens hem doen we er verstandig aan om ons huisje-tuintje-boompje op het platteland zo snel mogelijk vaarwel te zeggen en te verhuizen naar een knusse flat in de stad. ‘Want de stad biedt de beste antwoorden op de grote economische, sociologische en ecologische uitdagingen van onze tijd.’

 

Vroeger droomde elke rechtgeaarde Vlaming van zijn vrijstaande fermette in het groen. Vandaag is die droom lichtjes bijgesteld: nu droomt elke rechtgeaarde Vlaming van zijn vrijstaande pastorijwoning, ook in het groen. ‘Een bijzonder slecht idee’, vindt Londenaar Leo Hollis. Hollis is stedenbouwkundige en schreef Cities are good for you, een pleidooi om met zijn allen zo snel mogelijk naar de dichtstbijzijnde stad te verkassen. ‘De stad is al lang geen oord des verderfs meer’, zegt hij. ‘Integendeel, wie in een stad gaat wonen, kiest voor de toekomst.’

Hollis noemt de stad “een geluksmachine”. ‘Steden zijn uitgegroeid tot publieke ruimtes waar de menselijke soort het beste gedijt, want wij zijn sociale wezens die niet kunnen overleven zonder de anderen. In een stad ontmoet je makkelijk soortgenoten, je vindt er een lief en je kunt er cultuur beleven. Het stadsleven bruist, waardoor ook jouw leven begint te bruisen en je creativiteit geprikkeld wordt.’

Geldt dat ook voor pakweg Charleroi, een stad die ooit een bloeiend industrieel centrum was maar nu de bedenkelijke reputatie heeft de lelijkste en meest mismeesterde stad van België te zijn? ‘Natuurlijk. Teveel mensen gaan ervan uit dat steden die het moeilijk hebben, moeten aangepakt worden met een allesomvattend masterplan. Maar een stad is net als een levend organisme en moet op de juiste manier verzorgd en ‘vertroeteld’ worden.’

De Colombiaanse hoofdstad Bogotà is volgens Leo Hollis een uitstekend voorbeeld van hoe een verpauperde en door criminaliteit geteisterde stad getransformeerd kan worden tot een plek waar het aangenaam wonen is. ‘Enrique Peñalosa was er burgemeester van 1998 tot 2001 en in die korte periode zorgde hij met een aantal doordachte ingrepen voor een radicale verandering. Hij liet parken aanleggen, koos voor nieuwe fietspaden in plaats van autowegen, bouwde bibliotheken in de krottenwijken, legde spotgoedkoop openbaar vervoer in en introduceerde autoloze zondagen. Vandaag is de ongelijkheid in Bogotà sterk afgenomen, is de economie erop vooruitgegaan en voelen de inwoners zich er veiliger en gelukkiger.’

 

Google Glass

Hollis voorspelt dat de oude natiestaten zullen verdwijnen en vervangen worden door stadsstaten. ‘Die evolutie zit al in onze geesten ingebakken. Als iemand me vraagt waar ik vandaan kom, zeg ik spontaan Londen in plaats van Engeland. Grote steden worden ook grotere economische machten. Denk maar aan het Londense financiële district dat een belangrijke motor is voor de wereldeconomie. Het begrip ‘stadstaat’ klinkt middeleeuws, maar de toekomstige digitale mobiele technologie zal die connotatie doen wegsmelten als sneeuw voor de zon. Google Glass zal de manier waarop wij ons door de stad bewegen en ze “gebruiken” ingrijpend veranderen. Mobiele technologie en het “internet of things” zullen op middellange termijn voor smart cities zorgen, waardoor alle stadsbewoners samen een “slim netwerk” zullen vormen. Alleen hangt over dat rooskleurige digitale plaatje een donkere schaduw waar niemand echt van wakker lijkt te liggen: bedrijven als Google verzamelen zo ontzettend veel kennis van en over ons, en privacy wordt een luxeproduct.’

 

Etnische zuivering

Hoe kunnen arme wijken opgewaardeerd worden? Door er lofts voor de rijken te bouwen? Hollis: ‘Dat is een foute aanpak die helaas vrij klassiek is. Het resultaat is een soort van etnische zuivering, met armen die hun biezen pakken en naar andere wijken vluchten. Gemengde buurten creëer je niet door een “injectie” van rijken, maar door voor scholen, groen en voorzieningen te zorgen.’

‘Er is nu al een sociale mix in onze steden, maar dat wil niet zeggen dat iedereen ook echt samenleeft’, zegt Stefaan Tubex, adviseur stedenbeleid bij de Vlaamse overheid. ‘Misschien is dat ook niet nodig. Belangrijk is dat stedelijke buurten groen, speelruimte en goede voorzieningen hebben waar alle groepen apart of samen gebruik van kunnen maken. Er worden best verschillende woonvormen gebouwd zodat minder kansrijke inwoners niet naar een andere wijk gejaagd worden.’

Ook Tubex is er van overtuigd dat de toekomst aan de stad is. ‘Steden kunnen ons helpen zoveel mogelijk groen op het platteland te behouden. Daarom is er nu veel aandacht voor kwaliteitsvolle “verdichte” bouw.’

Wil dat zeggen dat er steeds meer flatgebouwen neergepoot zullen worden? ‘Die discussie woedt nu volop. Appartementsgebouwen zullen dan zo ontworpen zijn dat ze jonge gezinnen voldoende “speelruimte” bieden. Want we kunnen van de stad alleen maar een geluksmachine maken als er veel aandacht is voor natuur en ontspanning.’

 

Leo Hollis, Cities are good for you, Bloomsbury, 408 blz.

 

© Jan Stevens

De ontheemden

maaloufDe ontheemden

Amin Maalouf, De Geus (originele titel: Les désorientés), 416 blz., 24,95 euro.

 

Mijn voornaam verwijst naar het begin van de mensheid, maar ik hoor tot een groep mensen die uitsterft, zal Adam twee dagen voor de dramatische gebeurtenis in zijn dagboek noteren.

 

De originele Franse titel Les désorientés geeft perfect de gemoedsgesteldheid weer van zowat alle personages die de nieuwe roman van de Libanees-Franse schrijver Amin Maalouf bevolken. Vanuit het perspectief van hoofdpersonage Adam vertelt Maalouf het verhaal van een hechte Libanese vriendengroep die begin jaren zeventig door de burgeroorlog uit elkaar spat. De jonge Adam is een van de eerste van de vrienden die zijn geboorteland verlaat. Hij vlucht – ‘deserteert’ – naar Frankrijk en bouwt daar een nieuw leven als professor geschiedenis op. Naarmate de jaren vorderen, verwatert het contact tussen de vluchtelingen en de ‘achterblijvers’. De verbittering groeit bij een aantal van die achterblijvers en ze beginnen de vluchters steeds meer als een soort van incivieken te zien. Adam keert nooit meer terug naar Libanon, tot hij meer dan twintig jaar later telefoon krijgt van de vrouw van een van de achterblijvers. Haar man Mourad is terminaal en hij wil zich op zijn sterfbed met Adam verzoenen. ’s Anderendaags is Adam terug in de stad waar hij is opgegroeid, maar hij voelt er zich ontheemd en gedesoriënteerd. “Niemand zegt iets tegen me, niemand wacht op me.” Zelfs zijn stervende vriend heeft niet op hem gewacht. “Ik ben naar het spookbeeld van een vriend gekomen en ik ben zelf al een spookbeeld.” Adam is een man die alleen schrijvend kan nadenken. De diepzinnige overpeinzingen die hij rustig en weloverwogen neerpent, geven de lezer meermaals voer tot nadenken over trouw, vriendschap en verraad.

 

© Jan Stevens

“Wij staan aan de kant van de slachtoffers”

Vorige week stemde de Kamer een nieuwe asbestwet waardoor ‘milieuslachtoffers’ voortaan evenveel beroep op het Asbestfonds kunnen doen als ‘beroepszieken’. In ruil mogen ze nooit nog een asbestbedrijf voor de rechter slepen. Komt de wet alle slachtoffers ten goede of is het een knieval voor de asbestindustrie?

 

Senator Dalila Douifi (sp.a) is trots op de nieuwe asbestwet. Samen met haar collega Philippe Mahoux (PS) sluisde ze na jaren van moeizaam onderhandelen in december 2013 eindelijk een wetsvoorstel door de commissie Sociale Zaken van de Senaat. ‘Ons voorstel past de bestaande Programmawet uit 2006 aan zodat zowel beroeps- als omgevingsslachtoffers recht krijgen op gelijke vergoedingen’, zegt ze. ‘Jaren geleden waren mensen zich niet bewust van de gevaren van asbest. In Kapelle-op-den-bos speelden kinderen op het domein van het toen in asbestproducten gespecialiseerde Eternit. Er gebeurden onbewust afschuwelijke dingen waarvan de gevolgen pas een kwart eeuw later duidelijk werden.’

‘Een kwart eeuw later’ is hier en nu, blijkt uit cijfers van het in 2007 als onderdeel van het Fonds voor Beroepsziekten opgerichte Asbestfonds. Dat fonds betaalt vergoedingen uit aan mensen die aan mesothelioom (longvlieskanker) of asbestose (stoflong) leiden, twee ziektes die uitsluitend door asbest veroorzaakt worden. De voorbije jaren stierven jaarlijks gemiddeld 112 mensen aan de gevolgen van longvlieskanker, maar in 2013 steeg dat aantal spectaculair tot 202. De echte piek wordt verwacht rond 2020. De voorbije twintig jaar overleden 10.000 mensen die in de asbest gewerkt hebben aan een ‘beroepsziekte’. Het totale aantal omgevingsslachtoffers is niet bekend.

‘Mensen die niet op een bedrijf als Eternit gewerkt hadden maar toch door asbest ziek werden, hadden niet dezelfde rechten als beroepsslachtoffers’, zegt Douifi. ‘Erkende milieuslachtoffers met longvlieskanker kregen wel een maandelijkse vergoeding uit het Asbestfonds van ongeveer 1.600 euro en na hun overlijden kregen de nabestaanden ook een eenmalige vergoeding tot 34.000 euro, maar ze hadden geen recht op terugbetaling van het remgeld voor hun ziektekosten en kregen ook geen hulp van derden terugbetaald. De nieuwe wet werkt die discriminatie weg en bezorgt milieuslachtoffers financieel comfort in een moeilijke periode. We hebben er lang over gediscussieerd , maar we zijn eruit geraakt door de mogelijkheid uit te sluiten dat slachtoffers die van het Asbestfonds gebruik maken nog een gerechtelijke procedure tegen een bedrijf kunnen starten.’

 

Muur van beton

‘Ik snap niet waarom Dalila Douifi en andere collega’s zich zo door grote bedrijven hebben laten intimideren’, sakkert senator Louis Ide (N-VA). ‘Met dat procedeerverbod voor slachtoffers hebben ze hun kar 180 graden gekeerd.’

Stond Louis Ide samen met zijn toenmalige sp.a-collega Marleen Temmerman in 2011 dan niet zelf aan de basis van deze nieuwe wet? ‘Wij hebben toen het initiatief genomen om de bestaande asbestwetgeving te verbeteren’, antwoordt hij. ‘Naast de gelijkschakeling van beroeps- en milieuslachtoffers wilden we ook het principe van “de vervuiler betaalt” invoeren. Het Asbestfonds wordt gefinancierd door de overheid en de werkgevers. Alle kmo’s en grote ondernemingen storten via hun sociale bijdragen verhoudingsgewijze evenveel. Wij stelden voor om bedrijven die asbest geproduceerd hadden, meer te laten bijdragen. Zowel de vakbonden als de werkgeversorganisaties verzetten zich daartegen. Er werd met grote woorden geschermd: het sociale evenwicht zou in het gedrang komen, en de werkgevers zouden wel eens heel de financiering van het Asbestfonds in vraag kunnen stellen. We botsten op een muur van beton.”

Ide en Temmerman lieten “de vervuiler betaalt” vallen en dienden een nieuw voorstel in. ‘Waar we niet vanaf wilden stappen en wat nu wel gesneuveld is, was de mogelijkheid voor slachtoffers om asbestbedrijven voor de rechter te brengen. Wie centen van het Asbestfonds krijgt, moet nog altijd het recht hebben om naar de rechtbank te stappen. Ik kan me voorstellen dat veel mensen daar geen energie voor hebben. Maar een aantal zal dat wél willen doen waardoor de druk op de vervuilers toeneemt.’

 

Oorzakelijk verband

‘Ik begrijp de ergernis van Louis Ide’, zegt Dalila Douifi. ‘Maar als slachtoffers hadden kunnen blijven procederen, waren de werkgevers gegarandeerd uit het Asbestfonds gestapt. Nadat Ide en Temmerman in 2011 hun wetsvoorstel indienden, is er een rist aan hoorzittingen op gang gekomen. Dat heeft veel te lang geduurd. Toen Marleen Temmerman de politiek vaarwel zei, heb ik dat dossier overgenomen. Asbest heeft een verschrikkelijke ravage aangericht en ik wil niets afdingen op de verpletterende verantwoordelijkheid van de asbestindustrie, maar een milieuslachtoffer heeft er geen boodschap aan te weten waar hij ooit aan asbest is blootgesteld. Procedures voor de rechtbank slepen jaren aan en leveren enkel iets op als je een oorzakelijk verband kunt aantonen tussen de ziekte en de plaats waar je die hebt opgelopen. Zoveel jaar na datum is dat bijzonder moeilijk.’

Komen de asbestbedrijven er dan nu niet goedkoop van af? ‘Misschien. Maar als de werkgevers hun bijdragen voor het Asbestfonds niet meer betalen, is er geen geld. Wij willen dat fonds niet in het gedrang brengen, want wij staan aan de kant van de slachtoffers.’

 

Jonckheere

Aan de basis voor het procedureverbod voor asbestslachtoffers ligt het proces dat de familie Jonckheere aanspande tegen Eternit. De Jonckheeres zijn de enige Belgen die tot hiertoe een rechtszaak tegen een asbestbedrijf aandurfden. ‘We hebben ons proces in 2011 in eerste aanleg gewonnen’, zegt Eric Jonckheere, die ook voorzitter is van Abeva, de vereniging van asbestslachtoffers. ‘Eternit moet ons voor de dood van mijn moeder 260.000 euro schadevergoeding betalen, maar ze zijn in beroep gegaan. Dat komt vermoedelijk in 2015 voor.’

De familie Jonckheere woonde vlakbij de fabriek van Eternit in Kapelle-op-den-Bos. Erics vader was er ingenieur en stierf in 1987. Zijn moeder overleed in 2000, één broer in 2003 en een andere broer in 2009. Allemaal aan longvlieskanker.

‘De nieuwe wet beschermt de vervuilers tegen gerechtszaken’, zegt Eric. ‘Eternit is zowel in Brussel als in Turijn veroordeeld omdat ze al sinds de jaren vijftig en zestig wisten dat asbest gevaarlijk was, maar toch alles op alles zetten om het te kunnen blijven gebruiken. 95% van de totale asbestproductie in België kwam van Eternit en ze moeten verhoudingsgewijs maar evenveel bijdragen aan het Asbestfonds als de bakker om de hoek. Dat is toch te gek voor woorden?’

 

Paniek

Ann-Marie Morel is longarts in de Sint-Jozefkliniek in Bornem en Willebroek en heeft een privépraktijk in Londerzeel. Ze werkt middenin het asbestepicentrum van Vlaanderen, ‘tussen Eternit en de voormalige Boelwerf in Temse’. Ze krijgt steeds meer patiënten met een aan asbest gerelateerde ziekte over de vloer. ‘De latentieperiode, de tijd die verloopt tussen het contact met asbest en de start van de ziekte, schommelt tussen dertig en veertig jaar. Wie nu ziek wordt, is met asbest in contact gekomen op een moment dat het gebruik ervan niet verboden was. De meeste van die patiënten zijn zestigers. Sommigen werkten bij Eternit, anderen niet. Het uitschudden van een bestofte overall kon al volstaan om asbest te inhaleren.’

Is er angst in Londerzeel en omstreken? ‘Een angstpsychose hangt er niet, maar patiënten uit de streek denken wel spontaan aan mesothelioom als ik tijdens een consultatie zeg: “Er is vocht op uw long, we moeten checken of er iets mis is met het longvlies.” Ze kennen allemaal wel mensen die daaraan gestorven zijn. Ik heb al een paar keer jonge koppels op consultatie gekregen die in paniek zijn omdat ze bij de verbouwing van hun pas gekochte huis met asbest in aanraking gekomen zijn.’

Ann-Marie Morel stoort zich aan de trage werking van het Asbestfonds. ‘Voor veel patiënten is de erkenning als asbestslachtoffer zeer belangrijk. Maar het duurt te lang eer mensen erkend worden en een uitkering krijgen. Voor één van mijn patiënten lag ik maandenlang met het fonds in discussie of die mevrouw nu wel of niet mesothelioom had. Uiteindelijk gaven ze toe. Drie weken later is ze gestorven, maar vlak na haar dood trokken ze de eerdere beslissing in. De weduwnaar van die mevrouw ligt nu met het Asbestfonds in proces. Ze lijken echt niet te beseffen wat voor een druk ze zo op de schouders van patiënten leggen.’

 

 

 

‘Iedereen denkt: “Hij staat niet goed opgeschreven”’’

 

Gilbert De Leenheer (63) woont in Kapelle-op-den-Bos. 38 jaar lang werkte hij als arbeider bij Eternit. In 2005 ging hij met pensioen. In juni 2013 kreeg hij de diagnose mesothelioom.

 

‘Ik heb altijd graag bij Eternit gewerkt. De eerste jaren maakte ik vormen voor luchtkokers voor de cités van Charleroi, Gent en Antwerpen. Nu worden die dingen in metaal gefabriceerd, maar in die tijd was dat in asbest. Niemand wist toen hoe gevaarlijk dat goedje was, dat besef is pas achteraf gekomen, toen mensen ongeneeslijk ziek werden. Ik denk dat ze in de jaren zeventig al een vermoeden hadden dat er toch iets mis mee was, maar niet dat het zo schadelijk is. Later werkte ik als metser en nog later in de productie. Wij stonden aan de lijn, de zuigers pakten de op maat gezaagde asbestplaten op en legden ze op de stapel. Jarenlang werkte ik dag in, dag uit in het asbeststof. We aten onze boterhammen vlak bij onze werkplek. Een uur nadat we de tafel afgekuist hadden, konden we onze naam opnieuw in het stof schrijven.

Toen ik in 2005 met pensioen ging, voelde ik me kerngezond. Maar vorig jaar in juni ging het mis. Ik was een stuk van de gevel van ons huis aan het voegen en van het ene op het andere moment had ik geen adem meer. “Ga naar de dokter”, zei mijn vrouw. Ik voelde me ook al een tijd moe en dacht aan een bronchitis of een verkoudheid. De huisdokter hoorde geruis op mijn longen. Ik werd doorverwezen naar de longarts in Mechelen. Die liet een scan maken. Toen viel het verdict: mesothelioom of longvlieskanker. De dokter zei het recht op de man af. Dat kwam keihard aan.

Veertien dagen later werd ik geopereerd. Om te vermijden dat ik om de drie weken het water uit mijn longen zou moeten laten aftappen, hebben ze er talkpoeder rond gespoten waardoor het longvlies nog een beetje kan functioneren. Drie weken later kreeg ik de eerste van vier zware chemobehandelingen. Van de twee laatste was ik erg ziek en viel ik 17 kilo af. Nu is mijn toestand stabiel. Ik kan niet zeggen dat het goed is, want die ziekte is er en gaat niet meer weg. De dokter heeft geen prognose gemaakt over hoe lang ik nog heb. Ik heb geluk gehad dat mijn lichaam de chemo heeft willen accepteren. Want als dat niet gebeurd was, stopte het verhaal meteen. Op 21 maart moet ik terug onder de scanner. In tussentijd hoef ik geen therapieën te volgen. Sinds juli komt er wel een kinesist langs, want na de eerste chemokuur kon ik bijna niet meer stappen. Ik heb een tijd hier beneden in bed gelegen omdat ik de trap niet meer op kon. Dankzij de kine gaat het beter, maar als ik een paar honderd meter wandel, krijg ik krampen en moet ik rusten.

Ik heb geen contact meer met mensen van Eternit, behalve met één goede werkmakker van vroeger. Af en toe komt hij langs en dan vertelt hij wat er veranderd is en hoe het de andere collega’s vergaat. Voor de rest komt niemand me vragen hoe het met me gaat. Dat doet pijn, want ik was altijd het trekpaard en ik werkte hard.

Ziektes veroorzaakt door asbest zijn een groot probleem in Kapelle-op-den-Bos en volgens mijn longarts zal dat alleen maar verergeren. Ook mensen die nooit bij Eternit gewerkt hebben, worden ziek. Hier staan heel wat huizen die opgetrokken zijn uit asbestmateriaal. Venstertabletten, dakpannen, verluchtingspijpen, rioleringsbuizen… allemaal Eternit. Kapelle-op-den-Bos is gebouwd met Eternit.

Of ik boos ben op dat bedrijf? Nee, Eternit is altijd een goede werkgever geweest. Ik moest nooit wachten op mijn centen. Het is spijtig dat ik die ziekte nu moet krijgen. Na mijn diagnose zocht mijn dochter ‘mesothelioom’ op internet op. Daarvoor hadden we nooit bij longvlieskanker stilgestaan. Wist ik veel dat die ziekte een gevolg was van asbest. Daar werd door iedereen zedig over gezwegen, zowel door mensen van het bedrijf als door mensen van de vakbond. Want er zijn nog collega’s aan gestorven, oudere en jongere. Nooit werd iets over mesothelioom gezegd. Er werd over gezwegen omdat Eternit uitstekende lonen betaalde. Ik wil het bedrijf niet slecht maken, maar ik zit nu wel met longvlieskanker.

Mijn ziekte heeft ons gezin danig dooreen geschud. Mijn vrouw heeft de dingen goed aangepakt, maar het is toch een zware dobber. Iedereen uit mijn familie denkt ook altijd het allerergste: “Hij staat niet goed opgeschreven.” Terwijl ik misschien toch nog een paar jaar te leven heb als alles meewil. Er zijn nog twee studerende kinderen thuis. Ik heb gelukkig een hospitalisatieverzekering, want van het Asbestfonds hebben we tot hiertoe geen cent gezien. Een buurman die ook mesothelioom heeft, had me gewaarschuwd dat zo’n aanvraag maanden kon duren. “Reken er maar op dat het pas in april in orde zal zijn.” De papierwinkel is enorm en om de formulieren nog maar te kunnen begrijpen, moet je hogere studies achter de rug hebben. Mijn jongste zoon heeft dat Asbestfonds flink achter de veren gezeten. Vorige week hebben ze ons eindelijk laten weten dat de goedkeuring onderweg is.’

 

 

 

‘Mijn kleinkinderen zal ik nooit verder naar school zien gaan’

 

Jeannine De Wachter (58) woont in Londerzeel. Ze heeft nooit een voet in de fabriek van Eternit gezet. Eind april 2013 kreeg ze de diagnose mesothelioom. Ze is als omgevingsslachtoffer erkend door het Asbestfonds.

 

Op 23 april voelde ik een zwelling vlak onder mijn borst. Ik was nog nooit ernstig ziek geweest en ik liep de deur van de dokter niet plat, maar dat verontrustte me wel. De huisarts stuurde me meteen naar de radioloog. Ik ging onder de scanner en kreeg de diagnose longvlieskanker. Dat was een gigantische schok.

Ik ben opgegroeid in Londerzeel. Mijn vader had het huis verbouwd met asbestplaten. Als er opnieuw behangen moest worden, schraapte ik het oud papier van de muren. Heb ik het zo gekregen? Ik trouwde en we kochten en renoveerden een huis in Leest. Aan de overkant van de vaart lag de fabriek van Eternit. Ben ik daar besmet geraakt? Na mijn scheiding verhuisde ik met mijn twee dochters naar Kapelle-op-den-Bos, en nog later naar hier in Londerzeel.

De voorbije twintig jaar ben ik nooit op reis geweest. In mei wou ik samen met een van mijn dochters eindelijk nog eens op vakantie naar Curaçao. We hadden onze vliegtuigtickets betaald en alles geregeld, en toen kwam dat verdict. We hebben de reis geannuleerd en in juni ben ik gestart met chemo. Die maakte me misselijk en moe, dagenlang kwam ik niet uit de zetel. Ik kan niet zeggen dat het ondraaglijk was, maar het was een zeer onaangenaam gevoel, het leek alsof mijn lichaam werd opgeblazen. Na de chemo kreeg ik bestraling. Een nieuwe chemokuur zag ik niet meer zitten. Ik zei tegen de longarts: “Wat kan chemo mij nog helpen?” Bij de diagnose had zij gezegd: “Ik heb geen glazen bol, maar je hebt maximum nog drie jaar.” Wat voor een verschil maakt die chemo dan nog? De dokter vindt levenskwaliteit nu het belangrijkste en dat vind ik ook. De resterende tijd wil ik goed doorbrengen met mijn kinderen en drie kleinkinderen.

Mijn kinderen lopen ook risico, ja. Ze hebben aan de dokter gevraagd: “Kunnen we ons laten testen?” Dat kan dus niet. Als het asbest er is, zit het jarenlang stil te wachten tot het begint te woekeren. In het begin was ik kwaad op Eternit. En angstig en verdrietig. Maar dat helpt allemaal niet.

Van mijn 18 jaar tot mijn 58 heb ik gewerkt. Tot ik ziek werd. Gelukkig heb ik een fantastische werkgever die me niet heeft laten vallen. Na mijn scheiding heb ik mijn dochters alleen opgevoed. Ze hebben gestudeerd en kregen alle kansen. Ze zijn het huis uit gegaan, en dan heb ik jarenlang voor mijn ouders gezorgd. ‘s Morgens voor en ’s avonds na het werk sprong ik bij hen binnen. Mijn vader is gestorven in 2007, mijn moeder drie jaar later. Dat was erg moeilijk, omdat ik heel close met haar was. Anderhalf jaar later besloot ik: tijd voor een herstart. Ik heb mijn living opnieuw behangen en nieuwe meubeltjes gekocht. Een paar maanden lang had ik het gevoel: nu is mijn tijd gekomen. Lang heeft dat niet geduurd.

Ik was heel actief en ben nu kortademig en moet na elk dom karweitje een uur rusten. Als ik de afwas doe, brandt het in mijn schouder en moet ik gaan zitten. Ik wou na mijn pensioen ervoor zorgen dat mijn kinderen me nooit zouden moeten opvangen, en ik was vast van plan om voor mijn tachtigste niet hulpbehoevend te worden. Nu moet ik daar meer dan twintig jaar eerder al over nadenken. Vorige week vroeg mijn oudste dochter me: “Mama, ik vind het verschrikkelijk, maar heb je al nagedacht over euthanasie?” Dat was zo onwezenlijk. Ik zei: “Ja, ik heb het er met de dokter over gehad.” Ik zal zelf voelen wanneer het zover is. Met die pijn in mijn schouder neem ik nu meer pijnstillers dan voordien. Op termijn wordt dat morfine en extra zuurstof. Ik ken het scenario dat me te wachten staat. De dokter en mijn kennissen noemen me een sterke madam, maar tegen die kanker haal ik het niet. Ik heb al op papier gezet wat er moet gebeuren als het zover is. “Geef je me nog drie maanden?”, vroeg ik de laatste keer aan de dokter. “Zoals je toestand nu is, wel”, zei ze. “Maar ik kan je niets garanderen.” Heb ik nog een half jaar of een jaar? Niemand die het weet.

Ik heb nooit contact met Eternit gezocht. Ik wil mijn energie daar niet in stoppen. Ik concentreer me liever op positieve dingen: met de kinderen op restaurant gaan, of naar een voorstelling van Cirque du Soleil. Al heb ik dan telkens drie dagen nodig om te recupereren. En ik wil me nog nuttig maken door mee te werken aan onderzoeken naar nieuwe middelen voor de behandeling van mesothelioom, niet voor mezelf maar voor toekomstige patiënten en zo misschien zelfs voor mijn kinderen.

Mijn kleinkinderen zal ik nooit verder naar school zien gaan. Ik zal nooit hun eerste liefjes ontmoeten. Het enige wat rest, is een beetje goed leven en genieten van mijn familie.

Ik ben bang voor de dood. Er zijn dagen dat ik ermee bezig ben, maar ook dagen dat het nog ver weg lijkt. Soms heb ik het gevoel dat ik in een film zet en dat dit mij niet echt overkomt. Zolang je hoop hebt dat je kunt genezen, heb je moed en kun je vechten. Ik kan niet genezen. Dus heb ik geen toekomst meer en minder moed. Er is geen hoop. Dat is het ergste. Ik probeer nu ook te vechten, maar het heeft weinig zin. Ik probeer van mijn kleinkinderen, mijn kinderen en van mijn boeken te genieten. Meer is er niet.’

 

© Jan Stevens

%d bloggers liken dit: