‘Mijn romans zijn motorfietsen waar ik als een freak aan sleutel’

Met Schitterende ruïnes schreef Jess Walter een meesterwerk. Zelf vindt hij die lof voorbarig. ‘Mijn ultieme boek moet ik nog schrijven. Anders kan ik nu al mijn pen aan de wilgen hangen.’

 

Tien jaar geleden werd Jess Walter (1965) met zijn derde misdaadroman De keuze door een aantal van onze thrillerrecensenten uitgeroepen tot een van de beste Amerikaanse misdaadauteurs van zijn generatie. Waarna het hier doodstil werd rond de man. In zijn thuisland Amerika groeide Walter intussen uit tot een gerespecteerd en succesvol auteur. Met zijn roman The Zero haalde hij in 2006 zelfs de shortlist voor The National Book Award, de belangrijkste Amerikaanse literaire onderscheiding.

We moeten de nog jonge Nederlandse uitgeverij Marmer eeuwig dankbaar zijn dat ze nu Walters zesde roman Beautiful Ruins vertaald heeft. Want Schitterende ruïnes is magistraal. Het boek begint filmisch met de aankomst per boot van de jonge Amerikaanse actrice Dee Moray in het ingedommelde Italiaanse vissersplaatsje Porto Vergogne. Het is de lente van 1962 en Moray heeft een kleine rol kunnen versieren in de monsterproductie Cleopatra, waarin Richard Burton en Elisabeth Taylor zowel op als naast de set elkaars geliefden worden. Tijdens de opnames wordt Dee ernstig ziek, maagkanker volgens de dokter. Producer Michael Deane stuurt haar naar Porto Vergogne, waar ze in afwachting van opname in een Zwitsers ziekenhuis tot rust kan komen in het redelijk vervallen hotel “Redelijk Uitzicht” van Pasquale Tursi, een vriendelijke jongeman die ervan droomt zijn dorp te herscheppen in een toeristisch oord. In het volgende hoofdstuk zijn we vijftig jaar later, bevinden we ons in Hollywood en maken we kennis met Claire Silver, de bevallige assistente van de inmiddels bejaarde producer Michael Deane, die er dankzij plastische chirurgie uitziet als een kloon van Silvio Berlusconi. Net als elke andere vrijdag luistert Claire ook deze laatste werkdag van de week geduldig naar de zielloze voorstellen voor nieuwe films en tv-series van uitgerangeerde scenaristen en regisseurs. Als Claire op het punt staat eindelijk aan haar weekend te beginnen, schuifelt de oude Pasquale Tursi haar kantoor binnen. Hij heeft een visitekaartje van Michael Deane in de hand en is zoveel jaren later op zoek naar Dee Moray.

Schitterende ruïnes kreeg in Amerika ronduit schitterende recensies. De roman werd een “literair mirakel” genoemd en Jess Walter “een genie”. ‘Ik ben zeer gevleid door al die lof’, zegt Walter met een verlegen monkellachje. ‘Veel recensenten vinden dit boek een meesterwerk, maar ze zijn wat te vroeg met hun loftuitingen want ik vind dat ik nog beter kan. Misschien is dat uit noodzaak, want als ik dat gevoel niet meer heb, moet ik stoppen met schrijven.’

 

Heeft de misdaadschrijver Jess Walter ondertussen wel zijn pen aan de wilgen gehangen?

Jess Walter: Ik heb mezelf nooit als een misdaadschrijver beschouwd. Mijn eerste drie boeken kregen bijna vanzelf het etiket ‘literaire thriller’ opgekleefd, terwijl ik zelf dacht bezig te zijn met literaire fictie. Een van die romans, De keuze, won in 2005 de Edgar Allen Poe Award, waardoor ik in de States automatisch tot thrillerschrijver gebombardeerd werd. Mijn nominatie voor The National Book Award zorgde er een jaar later gelukkig voor dat de buitenwereld me ook ging accepteren als een schrijver van romans. De misdaad in mijn eerste boeken was een gevolg van mijn vroegere werk als misdaadjournalist. Ik vind het fijn om dingen te vermengen en dus integreerde ik die misdaad in mijn literair werk. Ik schrok er van dat zowel uitgevers als boekhandelaars er grote behoefte aan hebben om schrijvers in één welbepaald hok te stoppen.

 

Jij was dus een groot probleem voor uitgevers?

Walter: Zo zie ik mezelf wel graag, ja. (lacht) Ze smeekten me om thrillers te blijven schrijven, maar ik heb een uitgesproken hekel aan mensen die me zeggen wat ik moet doen. ‘Je misdaadromans verkopen als zoete broodjes, geef ons meer van dat.’ Dus leverde ik een kafkaiaanse roman in, wat hen razend maakte. Gelukkig haalde dat boek de finale van The National Book Award.

 

Klopt het dat je vijftien jaar lang aan Schitterende ruïnes gewerkt hebt?

Walter: Ja, en dat is een gevolg van mijn manier van schrijven. Ik zet mezelf nooit onder druk. Ik ben zo ook al bijna twintig jaar aan een andere roman bezig. Als ik vast kom te zitten, leg ik het boek opzij en werk ik verder aan iets anders. Slechts één roman heb ik ooit in tien maanden afgewerkt, dat verhaal kwam gewoon op me af. Alle andere boeken waren moeilijke bevallingen. Een roman schrijven heeft alles te maken met tijd. Als schrijver probeer je op papier de illusie te creëren van de tijd die voorbijgaat. Hoelang duurt het om een boek te lezen? Een dag of vijf? Soms heb je in die vijf dagen gelezen over gebeurtenissen die zich in twee uur afspelen, en soms lees je over gebeurtenissen die zich in een halve eeuw afspelen, zoals in Schitterende ruïnes. Het is niet zo eenvoudig om die illusie op een geloofwaardige wijze neer te schrijven. Het heeft vijftien jaar geduurd eer ik echt doorhad wat ik wou vertellen, namelijk wat het voor een mens betekent om zijn ambities te zien weggevaagd worden, waardoor zijn leven een totaal andere inhoud krijgt. Ik denk niet dat ik in een jaar had kunnen beschrijven hoe ons leven gedoemd is te vervallen tot een ruïne. Dus zijn het er vijftien geworden.

 

Raak je een boek niet beu als je er zo lang aan werkt?

Walter: Veertien jaar lang leefde ik met de vrees dat Schitterende ruïnes een totale mislukking was. Ik vond geen manier om met alle verhaallijnen om te gaan en om het geheel te laten kloppen. Iemand anders had die stapel papier na vijf jaar misschien al in de vuilbak gekieperd, maar ik geef gewoon nooit op. Mijn romans zijn motorfietsen waar ik als een freak aan sleutel. Soms denk ik dat ik erin geslaagd ben om eindelijk zo’n motorfiets ineen geknutseld te krijgen, tot ik hem probeer te starten en hij alle dienst weigert. Schitterende ruïnes was zo’n prachtige oude Harley die ik veertien jaar lang niet aan de praat kreeg.

 

Wat was het oorspronkelijke idee dat aan Schitterende ruïnes ten grondslag lag?

Walter: Ik groeide op in een arbeidersgezin, mijn vader werkte in een verlichtingsfabriek. Ik ging op jonge leeftijd bij een krant in mijn geboortestad Spokane werken en had helemaal niets van de wereld gezien. Tot ik een vrouw met Italiaanse roots huwde. We vlogen naar Italië om haar familie op te zoeken. Ik was al zwaar verliefd op die vrouw maar werd nu ook nog eens verliefd op de plaats waar ze vandaan kwam. Ik sprak toen één woord Italiaans: ‘Basta!’ Terwijl haar familieleden mijn bord vol bleven scheppen, smeekte ik: ‘Basta, basta.’ Alleen al om een zware indigestie te vermijden, besloten we er samen een paar dagen op uit te trekken. We namen de trein naar Cinque Terre, vijf dorpjes aan de Noord-Italiaanse kust tussen Levanto en La Spezia. We stapten ’s avonds uit in het dorp Monterosso al Mare. Het was februari, ijskoud en de regen viel met bakken uit de hemel. We checkten in ons hotel in en kropen uitgeput en onderkoeld onder de wol. De volgende ochtend gooide ik de houten luiken voor het raam open en zag ik de blauwe Ligurische Zee met daarboven een stralende zon. Prachtig. De volgende dagen wandelden we van het ene schilderachtige dorp naar het andere. Ik dacht: ‘Ik schrijf een roman die zich hier afspeelt.’ Ik heb altijd een notitieboek bij en ik begon flarden tekst op te schrijven over een vrouw die in een dorp in Cinque Terre aankomt met een boot. Dat is ook een van de de enige manieren waarop je er kan geraken: met de trein, een boot of te voet. Als ik ergens voor het eerst op een fantastische plek kom, zie ik vaak in gedachten een schilderij van die plek, met daarop een aantal mensen. Vervolgens ga ik op zoek naar wie die personages zouden kunnen zijn. Op Cinque Terre zag ik die vrouw op een boot. Ze hield haar hoed vast terwijl ze aan wal stapte en werd geobserveerd door een jongen die in het water stond. Dat was alles wat ik wist.

 

Heb je altijd zo’n spectaculaire plek nodig om beelden van een roman voor je geestesoog te zien verschijnen?

Walter: Zo’n nieuwe plek is een uitstekende trigger. Ik was pas 25 toen ik voor het allereerst met een vliegtuig op reis ging, naar het Schotse Edinburgh. Die plek duikt ook op in de roman. Overal waar ik kom, krabbel ik notitieboeken vol. Dat moet iets met mijn journalistieke verleden te maken hebben. Ik ben me er voortdurend van bewust dat alles wat ik hoor, meemaak of zie, materiaal voor een roman kan zijn. Ik was gisteren in een casino en luisterde naar conservaties tussen mensen. Misschien ligt in die gesprekken wel de sleutel tot het deblokkeren van dat boek waar ik al twintig jaar aan bezig ben.

 

In Schitterende ruïnes keer je terug naar Cinque Terre in 1962. Wat is er zo speciaal aan dat jaar?

Walter: Vlak nadat we terugkeerden van die betoverende reis naar Italië hoorde ik dat mijn moeder maagkanker had en dat ze maar een paar maanden te leven had. Zij is nooit op reis geweest en was haar leven lang huisvrouw in een kleine provinciestad. Ik wou haar meenemen naar die plek, in de tijd toen ze nog geen kinderen had. Vandaar 1962. ‘Wat als mijn mama toen naar Italië had kunnen reizen?’ Niet lang daarna begon ik te twijfelen of die vrouw in de boot wel mijn moeder was. Toevallig had ik in die periode ook mijn eerste professionele contact met Hollywood. Dat wereldje fascineerde me, maar tezelfdertijd walgde ik er van. Toen wist ik: die vrouw in de boot is een actrice.

 

De beschrijvingen van Hollywood anno nu zijn gebaseerd op wat je zelf hebt meegemaakt?

Walter: Ja. Sinds 1996 schrijf ik filmscenario’s voor Hollywood en drie keer per jaar reis ik er heen. Ik zit dan uren te observeren. Het fijne aan fictie is dat je mag verzinnen en zo de ‘werkelijkheid’ kunt uitbreiden. Toen ik het gevoel kreeg dat de vijf bestaande dorpjes van Cinque Terre niet volstonden voor mijn fantasie, heb ik er mijn eigen zesde creatie aan toegevoegd: Porto Vergogna, “Haven van de Schaamte”.

 

Wie stond model voor de oude Hollywoodproducer Michael Deane?

Walter: Hij is een kruising tussen Robert Evans, de producer van onder andere Marathon Man en The Cotton Club, en Larry King, de legendarische talkshowhost die steeds jongere vrouwen huwt. Michael Deane is net als een haai: hij gaat maar door. Ik heb geprobeerd om dat ook weer te geven in de tekst. Zo zal je in het hoofdstuk uit zijn autobiografie geen enkele komma vinden. Deane pauzeert nooit en ratelt maar door: taktaktak. Ik heb me enorm met dat personage geamuseerd, en ik weet: als ik tijdens het schrijven meermaals in een deuk lig, zit mijn roman goed.

 

Je bent indertijd heel jong als journalist beginnen werken: je was pas negentien.

Walter: Ik moest de kost wel gaan verdienen want op mijn negentiende werd ik voor het eerst vader. Tot mijn 28e heb ik op de krant gewerkt, daarna werd ik voltijds schrijver en was ik ook een tijdlang ghostwriter van andermans boeken. Toen ik voltijds als schrijver aan de slag ging, was ik doodsbang dat ik een writer’s block zou krijgen, want dat zou betekenen dat ik terug voor een baas moest gaan werken. Daar had ik hoegenaamd geen zin in. In die periode heb ik mijn manier van schrijven ontwikkeld en begon ik aan verschillende boeken tezelfdertijd te werken.

 

Vormt het feit dat je uit een arbeidersgezin stamt een extra stimulans voor je schrijverschap?

Walter: Toch wel. In de States is schrijven gelinkt aan het academische milieu. Door ‘hen’ geaccepteerd worden, was voor mij altijd een grote drive. Nu reizen journalisten vanuit het literaire Walhalla New York naar het onbeduidende Spokane om mij te interviewen en dat vind ik fantastisch. (lacht) Jarenlang in de luwte schrijven, heeft trouwens in mijn voordeel gewerkt. Ik kon werken en rijpen zonder dat iemand op mijn vingers stond te kijken. Ook nu ik succes heb, is schrijven in Spokane een zegen: er zijn niet veel literaire feestjes waar ik naartoe moet.

 

Je vindt het best oké om nog steeds een outsider te zijn?

Walter: Ja. Eigenlijk zou elke schrijver een outsider moeten zijn, net als elke journalist. Ook al schrijf ik dan geen artikels meer over gerechtszaken, toch beschouw ik mezelf in hart en nieren nog steeds als een journalist. Als ik over een plek in Italië schrijf, zal ik die plek eerst grondig researchen, dat is pure journalistiek. Afstand is altijd noodzakelijk als je gebeurtenissen op een correcte manier wil beschrijven. Wie als journalist een insider wordt, creëert voor zichzelf dus een enorm probleem.

 

© Jan Stevens

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s