“Als frustratie een olympische discipline was, had ik goud”

Op zijn zestiende ontwaakte Martin Pistorius uit een coma. Het lukte hem niet om de aandacht te trekken. “Mijn geest zat vast in mijn lichaam, ik had geen controle over lijf en ledematen en mijn stem bleef stil.” Veertien jaar lang was Martin onzichtbaar voor zijn verzorgers. “Ik was een spook, een ghost boy.”

Tot zijn twaalfde leidde Martin Pistorius (1975) het gewone leven van een onbezorgde jongen in een middenstandswijk in het Zuid-Afrikaanse Johannesburg. In januari 1988 kwam hij thuis van school met een zere keel. Een paar maanden later lag hij in coma. Vier jaar later ontwaakte hij: hij hoorde en zag alles, maar kon niet reageren. Hij kon niet meer spreken of bewegen, maar geestelijk was hij helemaal in orde. Hij leed aan het locked-in-syndroom en zat gevangen in zijn eigen lichaam. Martin kwam in verzorgingstehuizen terecht, waar hij door sommige zorgverleners als een ding behandeld werd en door anderen seksueel misbruikt. Officieel stond hij gecatalogeerd als imbeciel.

Hij was 25 toen aromatherapeute Virna van der Walt begon te vermoeden dat hij alles begreep wat zij hem vertelde. Dankzij haar ontsnapte hij voor het eerst uit zijn lichamelijke kerker. Het zou nog een jaar duren voor hij met aangepaste therapie en spraakcomputers kon communiceren.

Vandaag woont Martin Pistorius met zijn vrouw Joanna in Harlow, een stadje ten noorden van Londen. Hij werkt er als zelfstandige ontwerper van websites. We hebben met hem afgesproken aan het station van zijn woonplaats, waar hij ons in zijn rolstoel zit op te wachten. Hij is hier zelf met de auto naartoe gereden en toont ons de weg naar de dichtstbijzijnde pub. Met twee vingers van zijn rechterhand tikt hij razendsnel een tekst op het klavier op zijn schoot en iets later klinkt uit de luidspreker van de tablet een warme, door whisky en sigaretten gesmeerde stem: “How was your journey?

In zijn pas in het Nederlands vertaalde aangrijpende boek Ghost Boy schrijft Martin eerlijk en zonder franjes over de eenzaamheid, angsten en frustraties van een jongen waarvan iedereen veertien jaar lang dacht dat hij in coma lag. Over de tijd voor hij ziek werd, weet hij niets meer. “Mijn kindertijd is volledig gewist”, zegt hij. “Door de verhalen van familie en vrienden en door naar oude foto’s te kijken, heb ik een beeld kunnen opbouwen van hoe ik was als kind. Ik groeide op in een doorsnee gezin. Mijn moeder werkte als radioloog en mijn vader als ingenieur. Ik was hun eerstgeborene; later kwamen er nog een broer en een zus bij.”

Wat veroorzaakte in 1988 uw coma?

Martin Pistorius: “Niemand weet het. Volgens sommige dokters was het hersenvliesontsteking, maar zeker zijn ze daar niet van. Ik kan me ook niet de eerste tekenen van mijn ziekte herinneren. Blijkbaar kwam ik op een dag thuis van school en voelde ik me niet lekker. De dokter dacht dat ik een griepje had. Maar mijn toestand verslechterde, ik at niet meer, sliep constant en werd opgenomen in het ziekenhuis. Daar testte ik positief voor zowel schimmelmeningitis als tuberculose en werd ik voor beide ziekten behandeld. Mijn lichaam bleef verzwakken, ik kon niet meer spreken en verloor alle controle over mijn bewegingen. Ik zakte weg en raakte gevangen in mijn eigen lichaam. Mijn ogen waren open, maar ik reageerde nergens meer op. Overdag werd ik verzorgd in een instelling voor zwaar gehandicapte kinderen en ’s avonds en ’s nachts was ik thuis bij mijn ouders.

De ziekte was een ramp. De gelukkige kleine jongen was voorgoed weg. Rond mijn zestiende ontwaakte ik uit mijn coma, maar niemand besefte dat ik er was, en mijn familie was in alle staten. De impact op de relatie tussen mijn vader en moeder was trouwens enorm: mijn toestand zorgde ervoor dat ze onderling veel conflicten hadden.”

Uw moeder wou u liever dag en nacht onderbrengen in een verzorgingstehuis?

“Ja, zij vond dat ik speciale zorg nodig had die ze me niet kon geven, en ze vond het ook beter voor mijn broer en zus dat ik continu zou opgenomen worden in een instelling. Mijn vader wou me thuis houden. Daar kwam bij dat vrienden van mijn ouders hen begonnen te mijden, mijn vaders carrière raakte in het slop en mijn broer en zus kregen niet altijd de aandacht die ze verdienden.

Ik hoorde de ruzies en zag dat allemaal gebeuren, maar kon niet ingrijpen. Tot de dag van vandaag heb ik schuldgevoelens over wat mijn familie heeft moeten meemaken.”

Een van de meest hartverscheurende scènes uit Ghost Boy is die waarin uw moeder instort en tegen u zegt: ‘Je moet dood.’

“Voor haar was het alsof haar zoon op zijn twaalfde stierf. Ik neem haar niets kwalijk, integendeel. Het was een vreselijke tijd voor haar. Alles is nu goed tussen ons. We hebben een hechte band. Ze houdt van dit boek. Nadat ze het voor het eerst gelezen had, zei ze: ‘Ik wou dat het nooit eindigde, want ik heb er zo van genoten.’”

Kunt u beschrijven hoe het was toen uw geest op uw zestiende uit de coma ontwaakte?

“Het duurde een hele tijd voor ik helemaal ontwaakt was en me bewust werd van alles wat er rond me gebeurde. Het was alsof mijn brein langzaam zichzelf aaneen begon te weven. Mijn herinneringen aan het ontwaken zijn wazig, omdat het in golven verliep. Ik herinner me dat ik vanuit een rolstoel op een bed getild werd en dat ik gevoederd en verzorgd werd. Op een bepaald moment lag ik te staren naar een muurplint. Ik voelde me door dat ding in de war. Ik wist niet wat het was, maar vermoedde dat ik dat eigenlijk wel zou moeten weten.

Van zodra ik volledig tot bewustzijn gekomen was, kon ik alles en iedereen zien, horen en begrijpen zonder dat ook maar iemand dat in de gaten had. Ik voelde me als een spook in de kamer, als een echte ghost boy. Dat gevoel van extreme machteloosheid is het meest afschuwelijke dat ik ooit heb moeten ervaren. Ik hoop echt dat ik dat nooit meer opnieuw moet beleven. Het was alsof ik niet bestond. Elke futiliteit werd in mijn plaats door iemand anders beslist. Al mijn beslissingen en handelingen werden door volslagen vreemden overgenomen: de kleren die ik droeg, wat ik te eten en te drinken kreeg, wanneer ik mocht eten en drinken, waar ik de volgende dag en alle andere dagen zou zijn. Ik kon niet anders dan alles lijdzaam ondergaan.”

Niemand merkte dat u bij volle bewustzijn was en u kon met niemand contact maken. Dat moet verschrikkelijk frustrerend geweest zijn?

“Als frustratie een olympische discipline was, had ik goud. Het was onvoorstelbaar moeilijk om daarmee te leren omgaan. Uit pure frustratie beet ik mezelf soms. Gaandeweg leerde ik kalm te worden en me te focussen op iets anders. Vandaag vind ik omgaan met frustraties nog steeds moeilijk. Ik kan mensen die in hun leven gefrustreerd raken goed begrijpen, maar tezelfdertijd denk ik: maak je niet druk over pietluttigheden, en probeer het grotere plaatje te zien.”

Ik zou gek geworden zijn van eenzaamheid en verveling. U niet.

“Dat is omdat ik een manier vond om weg te vluchten in mijn geest. Ik liet mezelf verloren lopen in mijn verbeelding tot op het punt dat ik de wereld rond me vergat. Zo beeldde ik me in dat ik piepklein werd, vervolgens in een ruimteschip klauterde en wegvloog. Of dat mijn rolstoel op wonderbaarlijke wijze veranderde in een vliegend James Bondachtig voertuig, inclusief raketwerpers. Soms keek ik uren naar iets in de kamer dat langzaam bewoog. Heel nauwgezet volgde ik dan bijvoorbeeld hoe de stralen van het zonlicht zich gedurende de dag verplaatsten. Of ik observeerde insecten. In mijn geest voerde ik ook uitvoerige gesprekken met mensen. Als een verpleger tegen zijn collega iets verkeerd over mijn vader zei, sprak ik hem daar in mijn gedachten over aan. Of ik hoorde iets interessants op de radio of op de tv waar ik vervolgens met mezelf over begon te converseren. Nu betrap ik me er af en toe op dat ik nog steeds gelijkaardige ingebeelde gesprekken voer. Niet meer met een wildvreemde op tv, maar met mijn vrouw als ze niet thuis is.”

Overdag verbleef u in instellingen waar sommige verzorgers u behandelden als ‘een ding’, of u niet opmerkten. Verschillende vrouwelijke verzorgers hebben u seksueel misbruikt. Hebt u achteraf contact met hen gezocht?

“Nee, ik denk niet dat ik dat zou aankunnen. Zo’n confrontatie zou echt te traumatisch zijn. Ik heb er nog altijd nachtmerries over. Misbruik is een raar beest dat diep in een mens kruipt. Toen het mij voor het eerst overkwam, was ik in shock. Ik dacht: ‘Gebeurt dit echt?’ Naarmate het besef doordrong dat het inderdaad realiteit was, werd ik overspoeld door gevoelens van pijn, verdriet en boosheid. Ik wou zowel wenen als vechten, maar ik kon niets doen. Nadat de aanrander verdween, werd het doodstil zoals het alleen vlak na een storm kan zijn. Waarna ik opnieuw overspoeld werd door gedachten en emoties. ‘Waarom is dit nu gebeurd? Misschien verdiende ik het wel.’ Ik voelde intense pijn, verdriet en afkeer. Meteen gevolgd door een hevig gevoel van waardeloosheid. Tezelfdertijd voelde ik de angst in mezelf groeien. Ik zou nooit meer veilig zijn en vroeg me vertwijfeld af wanneer het opnieuw zou gebeuren. Dat misbruik staat voor altijd in mijn ziel geëtst.”

U was 25 toen aromatherapeute Virna van der Walt als allereerste contact met u maakte.

“Toen Virna in het dagverblijf begon te werken, was ze verlegen en stil. In het begin was ze een van de vele verzorgers. Ik had er in de loop der jaren veel zien komen en gaan. Maar na verloop van tijd merkte ik dat zij anders was dan de anderen. Ze sprak me op een andere toon aan. Op een bepaald moment zag ze in mijn ogen dat ik begreep wat ze zei; dat heeft ze me later verteld. Het was opwindend om eindelijk door iemand anders als een levend en intelligent wezen gezien te worden. Van dat moment af had ik iets nieuws én hoopgevends om me op te focussen. U kunt zich niet voorstellen hoe belangrijk het voor me was om door iemand anders als persoon gezien te worden. Eindelijk telde ook ik mee. Eerst was ik bang dat het me niet zou lukken om met Virna’s hulp uit mijn cocon te breken, maar naarmate de tijd vorderde, groeide de hoop.”

U werd verliefd op haar?

“Ja, en ik heb haar dat ook proberen duidelijk maken. Toen ze me afwees, was ik helemaal van de kaart. Het duurde een tijd eer ik dat kon accepteren. Maar we zijn vrienden gebleven. Door mijn vrouw Joanna te leren kennen, weet ik dat het toen kalverliefde was. (lacht)”

Hoe communiceerde u met Virna?

“Ik had alleen een beetje controle over mijn lach. Als ik lachte, betekende dat ‘ja’, als ik niet reageerde of mijn hoofd wegdraaide, betekende dat ‘nee’. Virna praatte met me door me een reeks ja/nee-vragen te stellen. Op een dag zag ze een programma op tv over een vrouw die door een herseninfarct niet meer kon spreken, en technologische hulp kreeg om weer te communiceren. Zo ontdekte ze de wereld van Augmentative and Alternative Communication, dat zijn alle mogelijke vormen van technologische hulpmiddelen die stommen weer een stem kunnen geven. Virna overtuigde mijn ouders ervan om me te laten testen. In juli 2001 brachten ze me naar een gespecialiseerde kliniek. Daar kon ik eindelijk demonstreren dat ik in staat was tot communiceren.”

Maar het duurde daarna nog lang voor u via een spraakcomputer kon praten?

“Ja, het heeft bloed, zweet en tranen gekost om het juiste communicatiesysteem te vinden en te leren gebruiken. Nadat we alle juiste toestellen en software gevonden hadden, zat ik er naar te kijken en dacht ik: ‘Hoe moet ik in ’s hemelsnaam deze apparaten ooit leren hanteren?’ Maar ik vloog erin en gaf nooit op. Ik schrok soms zelf van mijn vorderingen. Maandenlang had ik dan zitten zwoegen op een voor u heel simpele beweging die voor mij uiterst gecompliceerd was. Plots besefte ik dan: ik heb ze onder de knie. Ik zal nooit dat fantastische gevoel vergeten toen ik ‘spaghetti Bolognese’ kon antwoorden toen mijn moeder vroeg wat ik wou eten.

Heel dat proces was lastig maar ook opwindend, en op sommige momenten zelfs beangstigend, want van zodra ik kon communiceren, werd ik teruggegooid in een wereld die ik nooit echt gekend had en waarvan ik niet wist hoe ik erin moest functioneren.”

U hebt uw huidige stem zelf gekozen. Hoe heet hij?

“Mijn stem heet ‘Peter’. Toen ik het boek aan het schrijven was, gebruikte ik nog ‘Perfect Paul’. Hij had een Amerikaans accent maar gaf de geest net voor ik een speech moest geven in het Britse Lagerhuis. Ik ben toen met Peter in zee gegaan, en het voelde in het begin heel raar om die nieuwe stem te hebben. Nu ben ik met Peter verzoend en is hij van mij. Hij spreekt Oxford-Engels en past perfect bij het land waar ik leef.”

Terwijl u eigenlijk met een Zuid-Afrikaans accent zou moeten praten?

“Jammer genoeg zijn er geen Zuid-Afrikaanse stemmen voorhanden. Mijn vrouw is ook Zuid-Afrikaans en thuis communiceren we uitsluitend in het Afrikaans. We begrijpen elkaar heel goed en soms ‘praten’ we een hele ochtend zonder dat ik mijn spraakcomputer nodig heb. Ze heeft genoeg aan mijn gebaren en mimiek om te begrijpen waarover ik het heb.

Mijn digitale stem is ontzettend belangrijk voor me; zonder zou ik het gevoel hebben dat mijn persoonlijkheid nog steeds in me gevangen zit. Computers spelen trouwens een vitale rol in mijn leven. Ze helpen me niet alleen praten; ik verdien er ook mijn brood mee als webdesigner. Ik heb hier in Engeland computerwetenschappen gestudeerd. Toen ik kon communiceren, voelde ik me bevrijd. Ik wou zoveel mogelijk verloren tijd inhalen en ben keihard beginnen studeren, zo snel als ik maar kon. Misschien kun je het vergelijken met iemand die vergaat van de dorst en na een hele tijd liters water voorgeschoteld krijgt: hij wil zoveel mogelijk drinken.”

In uw boek schrijft u dat u altijd in God bent blijven geloven. U hebt hem nooit kwalijk genomen wat u is overkomen?

“Nee, die gedachte is zelfs nooit bij me opgekomen. In mijn gedachten praatte ik met God, al antwoordde hij nooit. Maar toch voelde ik dat ik nooit echt alleen was.

Ik ben niet verbitterd over wat me overkomen is. Een paar jaar geleden wel, toen voelde ik me verdrietig over wat ik kwijt was en gemist had. Maar ik leef hier en nu en het heeft geen zin om vast te blijven hangen in het verleden. Ik richt me op de toekomst. Natuurlijk is mijn leven lastiger dan dat van mijn leeftijdsgenoten, want ik loop veertien jaar achter. Dat is het einde van de wereld niet, maar het heeft wel praktische consequenties, zoals de opbouw van een fatsoenlijk pensioen of de moeilijke weg om aan een lening voor een huis te geraken.”

Ghost Boy eindigt met uw huwelijk met Joanna in 2009. Hoe is het u daarna vergaan?

“Toen ik Joanna pas ontmoette, werkte ze in Australië. We zijn naar Groot-Brittannië verhuisd omdat ik Britse voorouders heb en omdat we allebei van dit land houden. De voorbije zes jaar ben ik lichamelijk veel sterker geworden, heb ik mijn bachelorsgraad gehaald en heb ik ook leren rijden. Ik train hard om lichamelijk nog vorderingen te maken, maar het lijkt erop dat ik aan het maximum zit. Ik ben niet bang dat het terug bergaf zal gaan, eerlijk gezegd denk ik daar nooit aan. Eerst wilden Joanna en ik geen kinderen, we zijn ondertussen van gedacht veranderd en werken daar nu aan. (lacht) Ik ben heel gelukkig, al zijn er nog veel uitdagingen. Maar wie heeft die niet in zijn leven?”

Martin Pistorius, Ghost Boy, Kosmos Uitgevers, 256 pagina’s, 17 euro

 

© Jan Stevens

“Ik wil mijn leven terug”

Buschauffeurs uitschelden zit in de lift. Dat leren de meest recente cijfers van De Lijn. In 2014 werd 5% meer verbale agressie gerapporteerd dan in 2011. Bij Dirk Baert en Stefaan Van Hoey gebruikten de passagiers hun vuisten in plaats van hun mond. “Nu zit ik met het verschrikkelijke gevoel dat iedereen me iets kan aandoen. Niet alleen op de bus, maar overal.”

Van januari tot en met september 2014 turfde de Veiligheidsmonitor van De Lijn op al haar bussen en haltes 1.202 ‘feiten met beleidsfocus’, newspeak voor: fysieke agressie, bedreiging met of zonder wapen, spuwen, seksuele intimidatie en gooien met projectielen naar bussen of mensen. Voor het hele jaar 2014 registreerde De Lijn 6.318 ‘incidenten’, aanvaringen tussen reizigers en personeel en tussen reizigers onderling. Een derde meer dan de 4.898 geregistreerde incidenten van het jaar voordien. Voor de eerste negen maanden van 2014 bestond ruim 27% van die incidenten uit verbale agressie. In 2011 was dat nog 22%. In 2014 werden 122 chauffeurs door passagiers hardhandig aangepakt, wat resulteerde in 748 dagen werkonbekwaamheid. Drie van die aanvallen zullen een vervolg krijgen voor de rechtbank.

Buschauffeurs Stefaan Van Hoey (48) en Dirk Baert (50) waren allebei slachtoffer van een ‘feit met beleidsfocus’, Dirk zelfs meerdere keren. De laatste keer was vlak voor zijn vijftigste verjaardag. “Iemand spuugde bij het uitstappen zonder enige aanleiding in mijn gezicht. Niet lang daarvoor had ik nog tegen mijn vrouw gezegd: ‘Als iemand op me spuwt, sta ik niet in voor mijn reactie.’ Weet je wat ik deed? Mijn bril afnemen, de rochel afvegen en verder niets. Ik was compleet van de kaart. Wekenlang spookte de gedachte door mijn hoofd: ‘Moet je vijftig worden om zomaar in je gezicht te laten spuwen?’”

Moeder met baby

Op de ochtend van 23 januari jl. zat Stefaan Van Hoey aan het station van Sint-Niklaas achter het stuur van zijn bus te rusten. “Een vrouw klopte op de deur. Haar baby lag in een buggy te slapen. Ik probeerde haar duidelijk te maken dat ik in mijn pauze zat. Een minuut lang bleef alles rustig. Toen bonkte ze met beide vuisten op de deur. Ik deed teken dat ze nog even geduld moest oefenen. Een paar minuten later opende ik de achterste deur zodat ze met haar buggy kon opstappen. Ik stapte naar haar toe en zei: ‘Sorry mevrouw, maar ik hoop dat u er begrip voor heeft dat ik pauze had.’ Ze schold me uit voor het vuil van de straat. Mijn kinderen, mijn vrouw en mijn hele familie moesten eraan geloven. Ik had haar nog nooit eerder gezien. Ik vroeg: ‘Mevrouw, hebt u een vervoersbewijs?’ Ze schold verder. Ik bleef rustig, draaide me om, stapte van de bus en vertelde een collega wat er net gebeurd was. ‘Roep de centrale op’, adviseerde hij. Ik vond het de moeite niet. ‘Binnen een minuut of tien stapt ze toch af.’ Ik kroop achter het stuur, startte de bus en vertrok. Mijn passagier viel stil. Een paar honderd meter verder moest ik nogal bruusk uitwijken voor een fietser die onverwacht van tussen de auto’s kwam gereden. Daarna kwam ik aan een kruispunt, het was rood en net als de bus voor me remde ik rustig af. Ik keek heel even in mijn binnenspiegel en zag de vrouw over het gangpad naar me toestappen. ‘Ofwel komt ze iets vragen, ofwel komt ze schelden’, flitste het door mijn hoofd. Ik draaide me om en zag hoe ze haar arm plooide en haar vuist balde. Ze trof me recht op mijn linkeroog. Ze begon te roepen en te tieren en bleef slaan. Plots drong het tot me door dat ik op de bus voor me was gereden. Terwijl zij me met haar vuisten bewerkte, zette ik mijn bus uit versnelling en trok ik de handrem aan. Ik was totaal verrast; het enige wat ik kon doen was mijn armen omhooghouden en haar afweren. Vanuit mijn ooghoek zag ik mijn collega uit de bus voor me uitstappen. Ondertussen sleurde zij me aan mijn hemd naar buiten. De knopen vlogen in het rond. Ze was woest en ik weet nog steeds niet waarom. Twee collega’s probeerden haar van me af te trekken, maar ze loste niet. De buggy stond nog op de bus. Ik hoorde haar kind wenen en ik probeerde haar daar in mijn meest beschaafde Nederlands attent op te maken. ‘Mevrouw, uw baby huilt.’ Ze keek dwars door me heen. Die wenende kleine interesseerde haar geen zier. Ze was door het dolle heen, bleef aan mijn kleren hangen. In de verte zag ik een flits. Een voorbijganger was met zijn gsm foto’s aan het maken. Ik riep: ‘Nee, geen foto’s, ga weg.’ Toen ze dat hoorde, liet ze zich vallen en begon ze te krijsen alsof zij door een paar buschauffeurs werd aangevallen. Ze loste haar greep pas toen ze in de verte de sirene van een politiewagen hoorde.”

Twee keer slaag

Dirk Baert was op 27 augustus 2012 het hoofdpunt van alle journaals nadat hij door een groep jongeren het ziekenhuis was ingeslagen. “Die avond stapte in Beveren een tiental jongens op mijn bus”, zegt hij. “Later hoorde ik dat ze amok gemaakt hadden in het plaatselijke zwembad en er aan de deur gezet waren. Ze waren dus helemaal in de stemming. Het was druk en ik had eerst niet gemerkt dat ze opgestapt waren. Een paar haltes verder hoorde ik tumult. Ik keek in mijn spiegel en zag hoe ze achteraan de boel op stelten aan het zetten waren. Ze hingen aan de palen en schopten op de zetels. Ik vroeg hen om daarmee op te houden. Vergeefs. Een eind verder stopte ik aan een halte om het hen nog een keer te vragen. Dat had ik beter niet gedaan. Ik kroop vanachter mijn stuur en zei: ‘Hou op of ik zet jullie van de bus.’ Ze schoten in de lach. ‘Ik lach er niet mee’, zei ik. ‘Ik open nu de deuren en wil dat jullie uitstappen.’ Ze stonden recht, kwamen op me af en ik besefte dat ik me had laten vangen. Ineens stonden ze rond me. ‘Wat ga jij doen?’ Ze gaven me klappen. Ik probeerde hun vuisten af te weren, maar de overmacht was te groot. Er brak paniek uit, mensen raakten in shock en niemand durfde ingrijpen. Die jongens straalden ontzettend veel agressie uit. Ze waren nochtans piepjong, de oudste was 17, de jongste 14. Ik viel achterover, op mijn rug. Ze schopten en sloegen. Ik kroop weer overeind maar ze grabbelden me vast en stampten me met mijn borstkas tegen de ticketontwaarder. Ik viel opnieuw en verloor het bewustzijn. Later kwam ik heel even bij en hoorde ik de ambulancier zeggen: ‘Ik denk dat zijn nek en kaak gebroken zijn.’”

Het was de tweede keer in zijn achtjarige carrière als buschauffeur dat Dirk slaag kreeg. De eerste keer was hij nog maar pas gestart bij De Lijn. “Ik werd door een SUV voorbijgestoken. Hij reed me klem. Ik moest een stevige draai aan mijn stuur geven en kwam met de bus in de berm terecht. Ik zag twee mannen uit die jeep springen en dichterbij komen. Ik dacht dat ze op mijn geld uit waren. Een van die kerels begon op de deur te stampen. De andere kroop door het openstaande raam naar binnen. Dat ging onwaarschijnlijk snel. Ik probeerde nog een noodoproep de ether in de sturen, maar ik raakte niet tot bij de micro. Die man gaf me een vuistslag. Ik lag met mijn hoofd op het stuur en hij bleef maar slaan. Na een poos verdwenen ze en kon ik de centrale verwittigen. ‘Ik ben overvallen.’ Later hebben ze die kerels opgepakt. Een van hen beweerde dat ik tijdens het uitwijken met de achterkant van mijn bus een buitenspiegel van zijn auto geraakt had. Dat vond hij voldoende reden om me van de baan te rijden en me een pak slaag te geven.”

Foute blik

Stefaan werkt drie en een half jaar als chauffeur bij De Lijn. “Ik was al een paar keer uitgescholden en verbale agressie raakte me eigenlijk niet meer. Als buschauffeur kweek je een olifantenvel. Ik begrijp alleen niet zo goed waarom mensen hun frustraties op ons uitwerken. Misschien heeft het te maken met het uniform dat we dragen en werkt dat als een rode lap op een stier. Ik rij vaak met de fiets naar het werk. Tot vorige zomer fietste ik in uniform over de markt van Sint-Niklaas, nu vermijd ik die. Want op een dag hoorde ik een wildvreemde roepen: ‘Hey, stukje buschauffeur van De Lijn!’”

Dirk: “Veel mensen zijn vriendelijk en beseffen heel goed dat het beroep van buschauffeur anno 2015 geen sinecure is. Maar er zijn er ook die hun verzuring of hun problemen willen afreageren op de man of de vrouw die toevallig met de bus rijdt. Sommigen zitten zo slecht in hun vel dat het meest onnozele voorval hen kan laten ontploffen.”

Stefaan: “Soms volstaat een fout geïnterpreteerde blik.”

Dirk: “Precies, en dat hoeft dan zelfs niet de blik van de chauffeur te zijn. Op een dag stapte er een jong koppel met een kind op mijn bus. Een paar minuten later hoorde ik de man uitvliegen tegen twee Indiërs die al een hele tijd doodbraaf op hun stoel zaten. Wat die mensen naar hun hoofd geslingerd kregen, was echt niet fraai. Ik vroeg aan die man om te stoppen en weer te gaan zitten. ‘Jij moet zwijgen en rijden’, blafte hij. Ik zette de bus aan de kant en riep de centrale op. De oorzaak van die man zijn woede-uitval bleek een ‘foute blik’ van een van die Indiërs te zijn. ‘Hij staarde me aan!’ Die opgekropte woede is een teken des tijds. Nogal wat mensen lijken ongelukkig. Ik kan best begrijpen dat een gehaaste reiziger het niet tof vindt dat zijn bus te laat is. Hij mag daar zeker over klagen, maar dat is geen reden om agressief te worden, en dat gebeurt jammer genoeg veel te vaak. Passagiers ontploffen en geven je de volle laag, terwijl je gewoon je werk goed probeert te doen.”

Stefaan: “Het verstandigste is om altijd zo weinig mogelijk te reageren. We worden daarop heel goed getraind; de opleiding bij De Lijn is echt uitstekend, net als de nazorg. Onze werkgever laat ons op geen enkel moment aan ons lot over en we krijgen doorheen onze carrière prima ondersteuning en begeleiding. Maar tijdens het dagelijkse werk sta je er natuurlijk vaak alleen voor. Een buschauffeur heeft geen macht, kan niemand van zijn bus zetten. Je kan het hoogstens beleefd en vriendelijk vragen. Als het de spuigaten uitloopt, kan je via de centrale versterking vragen. Dan hangt het ervan af of de collega’s van ‘Controle’ toevallig in de buurt zijn of niet. Meestal zijn ze te laat.”

Schuldgevoel

Ook als een buschauffeur tijdens het werk in elkaar geslagen wordt, geldt het devies: niet reageren. “Ik heb zeer bewust niet gereageerd toen ik door die vrouw werd aangevallen”, zegt Stefaan. “In mijn hele leven heb ik nog nooit gevochten en ik had nog nooit slaag gekregen, tot die bewuste dag in januari. Ik denk dat het hele voorval me daarom zo diep raakt. Ik liet haar slaan en weerde alleen af. De collega van de bus waar ik tegenaan gereden was, zei achteraf: ‘Jij was zo rustig. Dat was echt niet normaal.’ Veel mensen vroegen me later: ‘Waarom sloeg je niet terug?’ Maar zo zit ik niet in elkaar. Zo ben ik niet opgevoed.”

Dirk: “Terugslaan maakt het alleen maar erger. Al blijf je met een vies gevoel achter omdat ze je in elkaar getimmerd hebben.”

Is dat een soort van schuldgevoel? Dirk: “Ja. In de dagen na de aanval voelde ik me schuldig omdat ik vanachter mijn stuur gekomen was. Ik had moeten blijven zitten en die jongens laten uitrazen. Het hele incident is door camera’s geregistreerd en ze hebben me gevraagd of ik de beelden wou zien, maar ik heb daar vriendelijk voor bedankt. Ik kon de confrontatie niet aan met wat er gebeurd was.”

Stefaan: “Toen ik op de dag van de aanval ’s avonds met de auto naar huis reed, dacht ik: ‘Waarom heb ik me in elkaar laten slaan door een vrouw die anderhalve kop kleiner is dan ikzelf?’ Ik voelde me op dat moment ook écht schuldig.”

Slachtoffer

De aanvallers van Dirk werden opgepakt en zijn eerder dit jaar veroordeeld. “Op vraag van hun advocaten moest ik me psychisch laten testen”, zegt hij. “Ze wilden weten of die buschauffeur wel normaal was. Twee dagen lang kreeg ik meerkeuzevragen voorgeschoteld die op een subtiele wijze eindeloos herhaald werden. Na afloop volgde een gesprek met de psychiater van dienst. ‘Ik moet niet weten wat je misdaan hebt’, was het eerste wat hij zei. Ik stond als aan de grond genageld. ‘Sorry, maar ik denk toch dat ik het slachtoffer ben.’ Hij verontschuldigde zich. ‘We werken hier vooral met delinquenten en pedofielen.’ Toen moest ik een paar keer hard slikken. Er werd me ook gevraagd of ik wou praten met mijn aanvallers. ‘Hun ouders zouden dat graag hebben.’ Ik wou die kerels nooit meer zien. Ik kreeg die vraag verschillende keren voorgeschoteld en dat gaf me een heel slecht gevoel. Waarom zou ik met mensen die me zonder reden zwaar toegetakeld hebben rond de tafel gaan zitten? Het ging bijna zo ver dat ook zij als slachtoffer beschouwd werden. ‘Ocharme, het zijn nog zo’n jonge gastjes.’ De kerel die me keihard in mijn nieren schopte, is later veroordeeld voor het neersteken van iemand anders én voor autodiefstal. Lijkt dat op een meelijwekkende sukkelaar? Van in het begin was het trouwens duidelijk dat ik correct gehandeld heb. De beelden spraken voor zich. De media zijn er dezelfde dag nog zwaar opgesprongen. Maar ik was toen niet in staat tot een gesprek zoals dit. Gelukkig hield mijn vrouw de journalisten en de cameraploegen buiten. ”

Stefaan: “Ik vroeg bewust om geen media in te lichten of solidariteitsacties te voeren. Ik had gezien wat er allemaal gebeurd was bij Dirk en ik had geen zin in dat circus. Misschien had ik de aandacht beter wel toegelaten, om zo te helpen vermijden dat in de toekomst andere collega’s slachtoffer van agressie worden.”

Dirk: “Misschien wel. Buschauffeurs worden tegenwoordig iets te vaak opgevoerd als onbeschofte bullebakken. Alles wat we zeggen of doen, wordt onder de loep genomen. Mensen filmen ons te pas en te onpas terwijl we ons zogezegd misdragen, gooien die filmpjes op YouTube of Facebook en krijgen daarbovenop nog een extra forum op het tv-journaal. Pas op, ik vind het niet verkeerd dat de lat hoog ligt, we hebben nu eenmaal een dienstverlenend beroep. Maar incidenten worden uit hun context gerukt. Het echte verhaal is meestal veel genuanceerder.”

Muurvast

Na de aanval zat Stefaan zeven weken thuis. “De eerste dagen spookten de gebeurtenissen door mijn hoofd. Het leek alsof dat filmpje op repeat stond. Op aanraden van de psycholoog ging ik dan terug aan de slag. De eerste twee dagen reed ik samen met een begeleider en dat verliep prima. De volgende dagen was ik alleen; dat was geen pretje. Ik zat kapot van de stress achter het stuur. Ik voelde me ofwel extreem opgefokt, ofwel ontzettend loom. ‘Was het daarjuist groen? Of reed ik door het rood? Stond er iemand aan de halte? Of niemand?’ Iedereen zit wel eens onbewust en ongewild achter het stuur te dagdromen, en gelukkig hebben we een soort automatische piloot in ons. Ik denk niet dat ik rare maneuvers maakte, maar het was telkens weer schrikken om tot het besef te komen dat ik al rijdend met mijn gedachten elders zat. Ik had dat gevoel continu. Ik ging niet tegen mijn zin werken, en ik wou heel graag dat het lukte. Twee weken hield ik het vol. Op een zaterdag had ik dezelfde dienst van die 23e januari. Acht uur lang zat ik zenuwachtig en bang achter het stuur. ‘Zou ze nu op de bus stappen?’ De volgende dag opnieuw. Een collega sprak me moed in: ‘Op zondag rijdt ze zo goed als nooit mee.’ Iedereen kende haar, ze had zich in het verleden nog boos gemaakt. Ik kwam aan de halte in de buurt waar ze woont. Daar stond ze te wachten met haar baby in de buggy, haar man en nog twee kinderen. Het was alsof de wereld onder mijn voeten wegschoof. Ik opende alleen de achterste deur. De volgende twintig minuten waren de slechtste uit mijn bestaan. De hele tijd zat ik ineengedoken, in de hoop dat ze me niet zou herkennen. Ik zweette, had hartkloppingen, kreeg het ijskoud. Er gebeurde niets. Toen ze afstapte, trilde ik als een espenblad. Ik heb mijn dienst uitgereden en ben ook de rest van de week blijven rijden. ‘s Vrijdags zag ik de psycholoog. ‘Je moet meteen stoppen met werken’, zei ze nadat ze mijn verhaal gehoord had. Sinds 4 april zit ik terug thuis. Ik voel dat het helemaal niet gaat. Ik slik ondertussen ook medicijnen om de angstaanvallen te onderdrukken. Er zit iets geblokkeerd. Ik zit muurvast.”

Dirk herkent het gevoel. “De angst is wakker geworden in je hoofd. Zo’n aanval activeert een oud instinct waardoor je in een staat van voortdurende alertheid belandt. Als het extreem druk is of als er veel lawaai is, steekt het ook bij mij de kop op en voel ik de stress door mijn lijf gieren. Nu, bijna drie jaar later, gaat het veel beter, maar die eerste maanden waren de hel. Na twee maanden ziekenverlof ben ik terug beginnen rijden. Ik heb me lang afgevraagd of ik nog wel buschauffeur wou blijven. Op plekken met veel volk sloeg ik in paniek. Ik werd geplaagd door angstaanvallen. Gelukkig kreeg ik uitstekende hulp van de psychologen van de sociale dienst van POBOS, een gespecialiseerd adviescentrum dat door De Lijn ingehuurd wordt. Die mensen kennen hun job. Onze werkgever beseft echt wel dat agressie zware kost is en over de solidariteit van onze collega’s hebben we ook niet te klagen. Na de aanval op mij hebben zij het werk meteen stilgelegd. Nu kan ik erover vertellen, maar dat heeft lang geduurd. Je kunt je niet voorstellen hoe diep zo’n aanval zich een weg in je gedachten en je gevoelens vreet. Verbale agressie komt behoorlijk hard aan, maar fysiek geweld is andere koek. Dat blijft lang knagen.”

Wantrouwen

Stefaan werd buschauffeur omdat hij hield van sociaal contact. “Ik zei altijd vriendelijk dag tegen wie er op de bus stapte. In die paar weken dat ik na de aanval reed, lukte me dat niet echt meer. Ik staarde soms gewoon voor me uit terwijl mensen opstapten. Ik vind het zo erg dat het iemand gelukt is om met een lading welgemikte klappen mijn innerlijk kompas 180 graden te laten draaien. Ik wantrouw nu mensen. Geen vrienden of familieleden, maar voorbijgangers op straat. Om negen uur in de ochtend werd ik aangevallen door een moeder met een kind. Vroeger reed ik overdag zorgeloos met de bus rond en vertrouwde ik iedereen. Alleen ’s avonds in het donker voelde ik me niet altijd op mijn gemak. Nu zit ik met het verschrikkelijke gevoel dat iedereen me iets kan aandoen. Niet alleen op de bus, overal. Een moeder met een baby kan je het ziekenhuis inslaan, net als een jongen van veertien. Mijn wantrouwen zal wel wegebben, maar voorlopig zit ik er mee. Ik ben ook bang voor mijn eigen reactie als iemand me de eerstvolgende keer verbaal zal afsnauwen. Misschien kruip ik dan wel voorgoed in een hoekje en kom ik nooit nog achter het stuur. Ik wil dat niet. Ik wil mijn job opnieuw kunnen uitoefenen zoals weleer. Ik wil mijn leven terug van 23 januari, 8 uur ’s morgens, en niet de ellende die dezelfde dag een uur later startte en blijft voortduren tot nu.”

© Jan Stevens

‘Fortuin verzamelen is Tony’s topprioriteit’

Deze maand neemt de Britse ex-premier Tony Blair ontslag als speciaal gezant voor het Midden-Oosten. In de acht jaar tijd dat hij op post was, verzamelde hij 85 miljoen euro. Volgens onderzoeksjournalist Francis Beckett is dat een voorzichtige schatting. “Alleen geldzucht kan zijn huidige carrière verklaren.”

Toen de 54-jarige Tony Blair op 27 juni 2007 de voordeur van Downing Street 10 achter zich dichttrok, was hij een van de jongste gepensioneerde eerste ministers ooit. Decennialang was het ondenkbaar dat een Britse premier na zijn opruststelling de jacht op grof geld opende. De tijd die hem nog restte, werd hij verondersteld te vullen met knikkebollen in het Hogerhuis of met het schrijven van zijn memoires. Daar kwam verandering in met Margaret Thatcher die zich dik liet betalen voor het geven van redevoeringen. Haar opvolger John Major genoot dankzij zijn contacten met George Bush sr. dan weer van een lucratieve oude dag bij de omstreden Carlyle Group. Hun bijverdiensten verzinken echter in het niet bij de 85 miljoen euro die Tony Blair sinds zijn afscheid van de nationale politiek incasseerde. “Dat is een zeer voorzichtige schatting”, zegt journalist en Blair-biograaf Francis Beckett. Samen met collega’s David Hancke en Nick Kochan schreef hij het onthullende Blair Inc. The man behind the mask, waarin Tony Blairs financiële handel en wandel gedetailleerd in kaart gebracht wordt. “Fortuin verzamelen is Tony’s topprioriteit. Alleen geldzucht is de verklaring voor zijn huidige carrière.”

Speciaal gezant

In zijn afscheidsspeech in 2007 maakte Tony Blair bekend dat hij de uitnodiging van de Verenigde Naties, de Europese Unie, de Verenigde Staten en Rusland aanvaardde om hun speciaal gezant voor het Midden-Oosten te worden. Zijn opdracht: ‘Een agenda uittekenen die Gaza en de Westelijke Jordaanoever economische groei en jobs kan bezorgen.’ Blair kreeg de job op voorspraak van zijn goede vriend George W. Bush. Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken was tegen, maar Bush hield voet bij stuk, want: “Blair offerde zijn politieke carrière op voor mij.”

“De keuze voor Blair als vredesgezant was niet op los zand gebouwd”, zegt Beckett. “Hij was immers de man die Noord-Ierland vrede bezorgd had.” Maar al van bij het begin van zijn mandaat leek het alsof de toestand in Palestina hem maar matig interesseerde. Terwijl zijn voorganger James Wolfensohn voltijds probeerde te bemiddelen tussen de Israëli’s en de Palestijnen, spendeerde Tony Blair niet meer dan drie dagen per maand aan zijn speciaal gezantschap. “Blair gebruikte zijn onbezoldigde baan als speciaal gezant vooral om tegen betaling bevriende bedrijven en regeringen ter wille te zijn.”

Tony Blair zelf vindt het zijn grootste verwezenlijking dat hij de Israëlische regering ervan heeft kunnen overtuigen een tweede mobiele provider toe te laten in de Palestijnse gebieden. Volgens Francis Beckett investeerde hij zijn tijd en energie in die tweede mobiele provider enkel en alleen om de Amerikaanse investeringsbank JP Morgan Chase ter wille te zijn. “Op 10 januari 2008 werd Blair door JP Morgan Chase benoemd tot senior advisor en lid van de internationale adviesraad. In ruil voor zijn ‘advies’ betaalt de bank hem minstens 3 miljoen euro per jaar. De Palestijnse provider Wataniya werd in 2007 door het Qatarese bedrijf Q-Tel gekocht met een lening van haar vaste investeringsbank JP Morgan. Zowel bij Q-Tel als bij JP Morgan kon de kassa pas echt beginnen rinkelen als het dwarsliggende Israël de zendfrequenties goedkeurde die door de Palestijnse Autoriteit aan Wataniya waren toegekend.” Blair liep de deur plat van verschillende Israëlische ministers. “Met succes. Achteraf verklaarde hij niets te weten van de link tussen Wataniya en JP Morgan.”

Blair zag zijn speciaal gezantschap als een opstapje naar het presidentschap van Europa. Hij kreeg daarvoor eerst de volle steun van de toenmalige president Nicolas Sarkozy. Die draaide in oktober 2009 zijn kar toen de Duitse kanselier Angela Merkel haar afkeuring liet blijken over Blairs kandidatuur. “Zowel Merkel als andere Europese leiders wantrouwden Tony’s geldzucht.”

Tony Blair Associates

“Het zakelijke Blair-imperium is zo georganiseerd dat niemand echt inzage krijgt in zijn financiën”, zegt Francis Beckett. “Het is uiterst moeilijk om de structuren van al zijn organisaties en bedrijven bloot te leggen. Al zijn medewerkers moeten ook een juridisch stevig onderbouwde verklaring ondertekenen dat ze over geldzaken nooit uit de biecht zullen klappen.”

In 2009 richtte Blair het overkoepelende Tony Blair Associates (TBA) op om zijn inkomsten uit adviezen aan regeringen, bedrijven en de opbrengsten van zijn speeches te innen. Zijn redevoeringen hebben hem tot hiertoe 12 miljoen euro opgebracht, met een minimumvergoeding van 700.000 euro per speech. TBA geeft onderdak aan vennootschapjes die ofwel ‘Windrush’, ofwel ‘Firerush’ als onderdeel van hun naam hebben. De Windrush-vennootschappen boeken de inkomsten van adviezen voor regeringen; ‘Firerush’ int de commissies voor adviezen aan bedrijven. Nogal wat vennootschappen zijn ingeschreven in het belastingvriendelijke Gibraltar, Littouwen en Roemenië.

Blairs managementvennootschap Windrush Ventures draaide in 2011 een omzet van 17 miljoen euro waarop hij 440.000 euro belasting betaalde. In 2013 steeg de omzet tot 21 miljoen euro en de belasting tot 913.000 euro. De meeste kosten die hij maakte, gingen naar de huur van privéjets en hotelsuites. Eind 2013 stond er 18 miljoen euro cash op de Windrush Ventures-rekening.

De namen van Blairs klanten worden angstvallig geheim gehouden. De auteurs van Blair Inc. wisten er toch een aantal boven te spitten. Zo verricht Tony Blair discreet pr- en lobbywerk voor ’s werelds grootste luxemerkenconglomeraat Louis Vuitton Moët Hennessy (LVMH). Topman Bernard Arnault, Frankrijks rijkste man, is in de loop der jaren uitgegroeid tot een dichte vriend. Ze leerden elkaar kennen in 2004, tijdens Blairs premierschap. Tony en zijn vrouw Cherie Booth brachten hun vakanties door op een van Arnaults luxejachten en gingen samen met hem op audiëntie bij de paus.

Op 8 januari 2008 tekende Blair een contract met Zurich Insurance. Sindsdien ontvangt hij jaarlijks een honorarium van 700.000 euro voor ‘het advies over politieke trends en ontwikkelingen’ dat hij verleent aan ceo James Schiro. Een andere vaste klant is de emir van Koeweit. “Die man is Blair eeuwig dankbaar voor de invasie in Irak en de uitschakeling van Saddam Hussein”, zegt Beckett. De emir betaalde tot hiertoe 38 miljoen euro voor Blairs lobbywerk. “Tony zit ook geregeld op de thee bij Mohammed bin Zayed al-Nahyan, de kroonprins van Abu Dhabi. Daar ontvangt hij jaarlijks 1,5 miljoen euro voor. Het lijkt me niet verstandig dat een vredesgezant voor het Midden-Oosten tezelfdertijd adviseur is van de machthebbers van twee betrokken partijen zoals Koeweit en Abu Dhabi. Blair is niet de eerste regeringsleider die na zijn politieke carrière gebruik blijft maken van zijn old boys-netwerk. Hij is wel de eerste die geen enkel onderscheid maakt tussen democraten en dictators.”

De stijgbeugels van de tijd

Bij de presidentsverkiezingen van zondag 26 april haalde Nursultan Nazarbajev 97,7 % van de stemmen. Het was meteen de allerbeste stalinistische score ooit die de inmiddels 74-jarige autoritaire leider van het olierijke Kazakhstan neerzette sinds hij er in 1989 aan de macht kwam. Net als zijn minstens even autoritaire Wit-Russische collega Aleksandr Loekasjenko is Nazarbajev de laatste jaren een graag geziene gast in internationale politieke middens. Hij heeft een rechtstreekse lijn met de Amerikaanse president Obama en diens Russische collega Poetin, en staat op goede voet met de Israëlische, Chinese en Iraanse machthebbers. Niemand lijkt er aanstoot aan te nemen dat hij oppositieleden laat folteren, ongeveer een miljard dollar uit de staatskas naar zijn eigen rekening overgeschreven heeft en de grondwet zo aangepast heeft dat hij zich tot aan zijn dood kan laten herverkiezen. Zijn onaantastbaarheid heeft Nazarbajev te danken aan zijn onvoorwaardelijke steun aan de Amerikanen bij hun war on terror, aan de interessante oliedeals die met hem te sluiten zijn en aan het uitstekende lobbywerk van Tony Blair.

De persoonlijke vriendschap tussen Blair en de Kazakse dictator dateert uit de periode toen Tony Blair nog premier was. In 2000 kwam Nursultan Nazarbajev op verlate kraamvisite in Downing Street 10. Hij poseerde voor de perscamera’s met de half jaar oude baby Leo Blair in zijn armen. Elf jaar later huurde Nazarbajev Tony Blair in als pr-mannetje. “Hij krijgt daarvoor 10 à 12 miljoen euro per jaar”, zegt Francis Beckett. “In ruil regelt hij contacten met het wereldwijde establishment. Verschillende leden van de Britse koninklijke familie, waaronder prins Andrew, de jongere broer van troonopvolger Charles, reizen dankzij de bemiddeling van Blair regelmatig naar Astana, de hoofdstad van Kazakhstan, en sluiten er businessdeals met Kazakse tycoons.”

In 2012 figureerde Blair ook mee in de op YouTube te bekijken Kazakse propagandafilm In the stirrups of time – In de stijgbeugels van de tijd, waarin hij de lof zingt van zijn tirannieke broodheer. ‘Nazarbajev beschikt over de juiste doortastendheid om beslissingen te nemen die het land op het juiste pad zetten’, zegt hij. Ook zijn vrouw Cherie Booth, een advocate gespecialiseerd in mensenrechten, deelt via haar firma Omnia Strategy in het Kazakse manna: voor het schrijven van een rapport met als titel ‘bilaterale investeringsverdragen’, betaalde het Kazakse ministerie van Justitie haar 520.000 euro.

Volgens Beckett kon ook wijlen Muammar Khadaffi op de onvoorwaardelijke steun van Tony Blair rekenen. “Na zijn afscheid als premier bezocht hij de Libische dictator minstens zes keer privé. Blair verleent ook advies aan de Egyptische president el-Sisi, de Congolese president Joseph Kabila, de militaire junta van Myanmar en sterke man Ilham Aliyev van Azerbeidzjan. Eigenlijk is het onwaarschijnlijk dat een man met zijn capaciteiten zo’n schimmig parcours bewandelt.”

Francis Beckett, David Hencke en Nick Kochan, Blair Inc. The man behind the mask, John Blake Publishing

 

© Jan Stevens

Zitten is het nieuwe roken

Stoelen en sofa’s zijn onze stille moordenaars. Dat beweert ‘wandelgoeroe’ James Levine. Recente studies lijken hem gelijk te geven: langdurig zitten verhoogt het risico op diabetes, hartinfarct, kanker en een vroege dood. Sporten helpt niet. Alleen rechtop staan kan ons redden.

De Amerikaans-Britse professor James Levine is een man met een missie. Sinds enige tijd voert de vijftigjarige endocrinoloog een ware kruistocht tegen de gevaren van het zitten. Want volgens hem is zitten erger dan roken en zijn stoelen en zetels schadelijker dan asbest. Hij noemt die meubels zelfs ‘levensgevaarlijk, erop uit om ons te vermoorden.’ Dat inzicht kreeg Levine voor het eerst tien jaar geleden, toen hij tijdens een van zijn onderzoeken vaststelde dat mensen met zwaar overgewicht elke dag twee en een half uur langer neerzaten dan hun slanke soortgenoten. De tot dan aan zijn bureaustoel geklonken professor schrok zo erg van die vaststelling, dat hij opstond, drie kwartier ging wandelen en ondertussen nadacht over hoe hijzelf de dag actiever door kon komen. Toen hij terugkwam op kantoor, zette hij zijn computer op een lessenaar en schoof er een loopband voor. Vandaag doceert hij aan de Mayo Graduate School of Medicine in Phoenix in de staat Arizona, schrijft hij boeken over de dodelijke risico’s van zitten, roept hij iedereen op om sofa en stoel radicaal af te zweren en een sedentair bestaan in te ruilen voor een rechtopstaand.

Wandelgoeroe

‘De mens is van nature een wandelaar; het is niet voor niets dat ons lichaam voor de helft uit benen bestaat’, stelt professor Levine. Zelf zit hij geen moment meer stil. Zijn studenten noemen hem ‘de wandelgoeroe’. Onder zijn pak en das draagt hij standaard een paar blitse loopschoenen. ‘Moderne mensen zijn verslaafd aan zitten, maar we zijn niet ontworpen om een godganse dag op onze luie kont door te brengen. Het gaat al fout ’s morgens aan de ontbijttafel, daarna kruipen we achter het stuur van de auto of nemen we de trein naar het werk en zitten we weer neer. Dan komen we aan op kantoor en het eerste wat we doen is onze stoel vanonder ons bureau rollen om opnieuw te gaan zitten. ’s Avonds ploffen we in onze sofa en kijken we tv. De doorsnee Amerikaan zit meer dan 13 uur per dag, slaapt 8 uur en beweegt 3 uur. Mensen die al een hele dag op kantoor zitten, zijn meer dan anderen geneigd om ook hun vrije tijd zittend door te brengen.’

Vroeger was het beter. James Levine: ‘Tweehonderd jaar geleden leefde 90% van de bevolking in landbouwgemeenschappen. Ze bewogen de hele dag en zaten amper drie uur, vijf keer minder dan vandaag. De industriële revolutie zorgde voor een radicale ommekeer: meer dan de helft van de wereldbevolking verstedelijkte en dat aantal neemt alleen maar toe. In de jaren veertig van de vorige eeuw deed naast de geautomatiseerde fabriek ook het ‘moderne kantoor’ zijn intrede. Sindsdien werkt bijna iedereen zittend. Het aantal sedentaire jobs is vanaf 1953 met 83% toegenomen. Vandaag hebben onze kinderen een tablet en Facebookaccount en spenderen ze hun schooltijd en vrije tijd op een stoel achter een scherm.’

Al dat zitten leidt volgens Levine onvermijdelijk tot de fatale “zitziekte”, met als mogelijke gevolgen: obesitas, hoge bloeddruk, diabetes, kanker of depressie.

Lipoproteïnelipase

Op 15 maart van dit jaar stelde hartspecialist Jacquelyn Kulinski op het jaarlijkse congres van de Amerikaanse cardiologen in San Diego de resultaten voor van een uitgebreid onderzoek naar het verband tussen zitten en hartziekten. ‘Het meest opvallende resultaat is dat je kransslagaders sneller dichtslibben als je veel zit en toch voldoende aan sport doet, dan wanneer je minder zit en minder sportief bent’, zegt ze. Een mens van middelbare leeftijd zonder hartziekte die een uur lang zit, heeft volgens Kulinski 14% meer kans op aderverkalking dan een leeftijdsgenoot die datzelfde uur recht blijft staan.

Haar collega David Alter van de universiteit van Toronto publiceerde een paar maanden eerder in het wetenschappelijk tijdschrift Annales of Internal Medecine een literatuurstudie over de risico’s van zitten. Alter en zijn team namen 47 onderzoeken uit de hele wereld onder de loep. Hun conclusie luidt dat wie een hele dag zit, meer risico loopt op een hartziekte, diabetes, kanker en op een voortijdige dood dan mensen die het zitten tot een minimum beperken. Een dag in zittende houding op kantoor verhoogt de kans op diabetes met 90% en de kans op kanker of een hartziekte met 18%. ‘De gemiddelde hedendaagse mens brengt meer dan de helft van de dag al zittend door’, zegt Alter. ‘Uit onze studie blijkt dat degenen die sporten het risico iets verminderen, maar het wordt pas echt stevig gereduceerd van zodra ze het zitten drastisch inperken.’

Volgens Birgit Sperlich, sportwetenschapper aan de Sporthogeschool van het Duitse Keulen, heeft langdurig zitten vermoedelijk een nefaste uitwerking op de werking van het enzym lipoproteïnelipase. ‘We denken dat urenlang zitten de werking van het enzym in de bloedvaten verstoort, waardoor de bloedvet- en glucosewaarden hoog oplopen met diabetes of aderverkalking als gevolg.’

Voor James Levine is de conclusie helder: ‘Verban de stoel uit je kantoorleven en de sofa uit je privéleven, en werk en geniet alleen nog rechtopstaand.’ Hijzelf wandelt acht uur per dag op zijn loopband aan zijn bureau. In de tuin van de school houdt hij wandelvergaderingen met zijn medewerkers en studenten. ‘Sommigen verklaren ons geschift, maar onze vergaderingen verlopen altijd zeer efficiënt.’

Welles-nietes

Katrien De Cocker voert aan de vakgroep Bewegings- en Sportwetenschappen van de UGent onderzoek naar onze “fysieke activiteit, fitheid en gezondheid” en bestudeert onder andere strategieën om mensen minder te laten zitten op hun werk. James Levine’s stelling dat zitten het nieuwe roken is, vindt ze voorlopig lichtjes overdreven. ‘Er zijn een aantal gelijkenissen te bespeuren in de manier waarop voor- en tegenstanders van roken vroeger en zitten nu een welles-nietes-discussie voeren’, zegt ze. ‘Eerst was roken geen probleem en later wel. Dat zien we momenteel ook bij het zitten. Af en toe verschijnt een studie die doet vermoeden dat zitten wel eens ongezond zou kunnen zijn. Sommige wetenschappers zijn daar nog niet van overtuigd, anderen staan al volop op de barricaden. Alleen nieuwe onderzoeken zullen de volgende jaren uitsluitsel geven.’

Iedereen lijkt het er toch over eens te zijn dat lang zitten niet gezond is? Katrien De Cocker: ‘De eerste onderzoeken wijzen inderdaad op een link tussen zitten en diabetes, obesitas en sommige kankers. En er lijkt ook een verband te zijn tussen veel zitten en vroegtijdige sterfte. Maar hoe sterk die verbanden precies zijn, is niet duidelijk. De bestaande onderzoeken maken bijvoorbeeld vergelijkingen tussen mensen die meer, en mensen die minder dan vier uur per dag zitten. Minder dan vier uur kan dan zowel één, twee of drie uur zijn, en meer dan vier uur kan oplopen tot tien uur. Op dit moment kunnen we uit geen enkele studie afleiden wat de verhouding is tussen het aantal zituren en de kans op een aandoening. Al heeft een grote Australische studie ondertussen wel aangetoond dat het risico op vroegtijdig overlijden sterk stijgt als je meer dan acht uur per dag zit, onafhankelijk of je op andere momenten van de dag weinig of veel beweegt. Uit een van onze studies blijkt alvast dat de Vlamingen ongeveer 55% van hun “wakkere tijd” al zittend doorbrengen.’

Uit balans

In 2011 brachten onderzoekers van de universiteit van Sydney “de wereldwijde zit-epidemie’ in kaart. Ze vergeleken de zitfrequentie van de inwoners van twintig landen. “Winnaars” zijn Japan, Noorwegen, Taiwan en Saoedi-Arabië: meer dan een kwart van hun inwoners brengen meer dan 9 uur per dag al zittend door. De Columbianen, Brazilianen en Portugezen zitten het minste met gemiddeld net geen drie uur per dag. Van de Belgen zit 20% meer dan 9 uur per dag, ruim 19% zit tussen 6 en 9 uur, 44% zit tussen 3 en 6 uur en de rest zit minder dan 3 uur per dag. Met die resultaten bevindt België zich in het midden van de onderzochte landen.

Begin dit jaar publiceerde de Duitse verzekeraar DKV in samenwerking met de Sporthogeschool van Keulen het gezondheidsrapport van onze oosterburen. In dat rapport ging heel wat aandacht naar de wijdverspreide zitcultuur, die bij ons allicht niet veel anders is. Hoe jonger, hoe meer er gezeten wordt. Amper de helft van de schoolgaande kinderen wandelt of fietst naar school, drie vierde van de zes- tot twaalfjarigen hebben een televisie op hun kamer en in het weekend kijkt 37% van alle kinderen twee uur per dag naar tv. 20% kijkt zelfs langer dan drie uur. De leeftijdscategorie van 18 tot 29 jaar zit elke dag gemiddeld 3 uur en een half op het werk, drie kwartier in de auto of op het openbaar vervoer, 95 minuten voor het computerscherm, 97 minuten in de zetel voor tv en 107 minuten op restaurant of café. ‘Jongvolwassenen halen makkelijk negen zituren per dag’, concludeert Birgit Sperlich die aan het rapport meewerkte. ‘Een ramp’, vindt James Levine. ‘Door lang te zitten, raakt hun lichaam uit balans. Hun spieren verbruiken geen energie meer, hun insulinereceptoren blokkeren, de bloedsuikerspiegel stijgt, net als het bloedvet. Hun botten worden poreus, hun hormonenhuishouding raakt verstoord en hun ruggengraat overbelast.’

Fietsen op het werk

‘Ideaal is om minstens 30 minuten per dag matig intensief te bewegen’, zegt Katrien De Cocker. ‘Maar dat heeft alleen zin als je niet de rest van de dag op een stoel of in de zetel zit, want dan blijf je een verhoogd risico hebben op een aandoening zoals diabetes. Het verstandigste is: zo weinig mogelijk zitten en zoveel mogelijk bewegen. Ook je zitpatroon is belangrijk: zit niet acht uur ononderbroken achter je bureau, maar sta om het half uur op en maak even een korte wandeling. Die korte onderbrekingen hebben een aantoonbaar gunstige invloed op de vet- en glucosewaarden in het bloed.’

Is het een goed idee om in de geest van James Levine onze werkplek radicaal om te bouwen en alle stoelen te verbannen? ‘Het voordeel van een omgebouwde werkomgeving is dat mensen niet meer moeten piekeren over een aanpassing van hun gedrag. Als de bureaus vervangen worden door zit/sta-bureaus wijzigen mensen vanzelf hun zit- in een stahouding. Tredmill desks of peddle desks gaan nog een stap verder. Tijdens het werk aan je bureau word je dan verplicht om te wandelen of te fietsen. In een gewone zittende houding bevinden we ons in een sedentaire staat: dat wil zeggen dat ons energieverbruik laag is en enkel onze organen aan de praat houdt. Door te fietsen of te wandelen aan ons bureau overstijgen we het sedentaire en schiet ons energieverbruik de hoogte in.’

Als we fietsen zitten we toch ook? ‘Door te fietsen, activeer je de spieren in je bovenbenen. Proeven hebben aangetoond dat vooral het gebrek aan spieractiviteit in de bovenbenen voor slechtere bloedwaarden zorgt. Als onze bovenbeenspieren voldoende werken en als we genoeg energie verbruiken, herstellen we het suikerniveau en de vetwaarden in ons bloed.’

Minder productief

Als antizitpaus James Levine gelijk heeft en zitten nog schadelijker is dan roken, zitten we met een gigantisch probleem. ‘We leven in een zitcultuur waar voorlopig niemand zich echt vragen over lijkt te stellen’, stelt Katrien De Cocker vast. ‘Op alle plaatsen waar mensen even moet wachten, staan stoelen klaar. Onze vrije tijd brengen we ook zittend door. Het zitten verbieden, is onmogelijk. We kunnen het niet wegdenken uit onze maatschappij, maar we moeten iedereen er wel bewust van proberen maken dat het verstandig is om af en toe voor beweging te kiezen in plaats van voor de zetel. Wij proberen de zitcultuur in een aantal bedrijven aan te pakken, maar dat is niet vanzelfsprekend. Het is lastig om dat idee van minder zitten ingang te doen vinden. Veel werknemers zijn bang dat ze als minder productief zullen overkomen bij hun baas als ze teveel rondwandelen. Ze voelen zich onwennig wanneer ze rechtopstaand telefoneren of al wandelend vergaderen. Voorlopig kiezen ze er voor om braaf op hun stoel te blijven zitten, veilig verstopt achter hun beeldscherm.’

Hamsterrad

De jonge programmeur Will Doenlen uit San Francisco zat meer dan acht uur per dag te turen naar zijn scherm. Het leverde hem chronische rugpijn op. Toen hij op een dag in de wachtkamer van zijn dokter in het vakblad Science over “de zitziekte” las, besloot hij zijn zittende levensstijl drastisch om te gooien. Hij ging om raad bij vriend en kunstenaar Robb Godshaw, en samen bouwden ze hun hamster wheel standing desk, een hamsterrad voor kantoorslaven. Doenlen monteerde zijn werktafel in een twee meter hoog en veertig kilo zwaar rad. Nu stapt hij tijdens het programmeren net als een reuzengrote hamster het rad in beweging. Godshaw zette in september vorig jaar een filmpje over hun uitvinding op YouTube, waar het sindsdien door meer dan 330.000 nieuwsgierigen bekeken werd. ‘Van over de hele wereld vroegen mensen ons waar ze het rad kunnen bestellen’, zegt Godshaw. ‘We willen er niets aan verdienen, dus hebben we de bouwplannen op www.hamsterwheeldesk.com gezet, zodat iedereen zijn eigen hamsterradbureau kan bouwen.’

© Jan Stevens

“De Vlaming ervaart het leven als een grote last”

Toen Willem van Zadelhoff de eerste zinnen voor De nachten van Hofman op papier zette, zon hij op wraak. De roman moest zijn polemische afscheid van Vlaanderen worden. Tijdens het schrijven, ebde de wrevel min of meer weg. ‘Maar goed ook, anders was het misschien een zurig boek geworden.’

In De nachten van Hofman laat Willem van Zadelhoff (57) de beroemde aan slapeloosheid lijdende Nederlandse acteur Max Hofman in het najaar van 2012 naar Antwerpen reizen om er de hoofdrol in De meeuw van Anton Tsjechov te gaan vertolken. Na een succesvolle televisiecarrière keert Hofman terug naar zijn eerste liefde: het toneel. Het wordt meteen ook een weerzien met zijn ex-vrouw Tanja, die hem tien jaar eerder in de steek liet voor de veel jongere lichttechnicus Jeroen. Zij speelt in De meeuw de rol van minnares. Hofmans bevriende uitgever, de krasse tachtiger Bruno Blokker, gemodelleerd naar de legendarische uitgever Robbert Ammerlaan, ziet brood in de confrontatie tussen de bekende acteur en zijn ex en vraagt hem om een dagboek bij te houden. Dat Hofman niet kan schrijven, is voor Blokker geen bezwaar. ‘Laat dat maar aan mijn redactie over’, zegt hij.

In tegenstelling tot zijn hoofdpersonage Max Hofman is Willem van Zadelhoff een virtuoos met de pen. Met weinig woorden weet de afwisselend in Amsterdam en Antwerpen wonende schrijver hele werelden op te roepen. De nachten van Hofman begint met de aankomst van Max Hofman in het Antwerpse Centraal Station. Ogenschijnlijk achteloos beschrijft Van Zadelhoff in een paar zinnetjes het hele gebouw. ‘Het lijkt alsof dat zo uit mijn pen gevloeid is, maar ik heb er uren aan zitten zwoegen’, bekent hij.

Willem van Zadelhoff studeerde in 1982 af als theaterdocent aan de Arnhemse Toneelschool en werkte daarna in het theater en als tekstschrijver voor televisie. Meer dan twintig jaar geleden ruilde hij Arnhem in voor Antwerpen. Hij recenseerde Duitse literatuur voor de Standaard der Letteren en debuteerde zelf als romancier toen hij al halverwege de veertig was. Voor zijn poëziedebuut Tijd en landen kreeg hij in 2009 de Herman de Coninckprijs.

Ik heb de indruk dat er zeer veel Willem van Zadelhoff in Max Hofman geslopen is. Ik zag een oud covervoorstel voor uw boek met als titel De nachten van Hoffman. Die dubbele f kan geen toeval zijn?

WILLEM VAN ZADELHOFF: Er zit veel van mezelf in alle hoofdpersonages uit mijn romans, maar die dubbele f uit dat covervoorstel was echt een foutje. De nachten van Hofman was oorspronkelijk de werktitel; ik had een andere definitieve titel in gedachten. Mijn redacteur bij de uitgeverij vond de werktitel eerst maar niets, tot hij het coverontwerp van de grafisch vormgever zag. ‘Cover en werktitel passen perfect samen’, oordeelde hij toen. Hij had gelijk.

Hoe luidde uw titel dan?

VAN ZADELHOFF: Iets in de aard van Zelfs de honden jankten, een zinnetje van Tsjechov uit zijn dagboekbrieven. Ik heb nog nooit zoveel moeite moeten doen om een titel te bedenken. Ik heb geen idee waarom dat zo moeilijk was. Bij mijn vier eerdere romans kwam er telkens vrij snel iets aanwaaien waarvan ik meteen wist dat het goed zat. Ik had al een titel voor mijn volgende dichtbundel en zelfs voor een volgende roman, maar voor dit boek kwam er niets. Misschien had dat te maken met de moeilijke ontstaansgeschiedenis van De nachten van Hofman. Op een bepaald moment wou ik me meer op Nederland richten en minder op Vlaanderen.

Omdat u teleurgesteld was in Vlaanderen?

VAN ZADELHOFF: Dat speelde mee. Ik was in niet al te prettige omstandigheden bij mijn vorige uitgeverij (het inmiddels ter ziele gegane De Bezige Bij Antwerpen – JS) vertrokken. Ik had het gevoel dat er te weinig werd gedaan voor de verspreiding van mijn werk in Nederland. Ik vond onderdak bij een Nederlandse uitgever en niet lang daarna vonden we ook een appartement in Amsterdam, waar ik nu vaak verblijf. Het boek zou dus een afscheid van Vlaanderen worden. In oorsprong was het polemisch bedoeld, maar terwijl ik het aan het schrijven was, sloop er gaandeweg meer nuance in. En maar goed ook, want anders was het misschien een zurig boek geworden.

Onlangs zag ik een tweet van u passeren waarin u uw ongenoegen liet blijken over de service in een Antwerpse winkel. ‘Nadat we voor 60 euro aan halogeenlampen hadden gekocht, vroegen we nog wat informatie. Helaas, de dikbuikige, plat Antwerps sprekende verkoper had het niet zo op ‘Ollanders’ begrepen en wist niet hoe snel hij ons de winkel moest uitwerken.’

VAN ZADELHOFF: Zoiets gebeurt regelmatig en is misschien nog eerder een Antwerps dan een Vlaams fenomeen. Ik heb meer dan twintig jaar voltijds in Antwerpen gewoond, maar op een ochtend werd ik wakker met de gedachte: ‘Antwerpen is mooi en aardig, maar ik wil hier niet sterven.’ (lacht) Uit een soort balorigheid hebben we vervolgens ons appartement te koop gezet. We gingen ervan uit dat het wel een tijdje zou duren omdat de immobiliënmarkt ingezakt was, maar tot onze verbazing was de flat binnen twee weken verkocht. Niet lang daarna waren we te gast bij vrienden in Gent. We zaten aan een lange tafel en ik vertelde over mijn ervaringen als ‘Ollander’ in Antwerpen. Een paar Gentenaars herkenden zich in ons verhaal: ‘Dat kunnen we ons heel goed voorstellen, want we zijn ook uit Antwerpen weggevlucht.’

In Nederland heerst een archetypisch beeld van België en van de Vlamingen. Cabaretier Paul van Vliet zingt dat ze in Vlaanderen ‘echt lachen’ en dat hij daar zo blij van wordt. Volgens mij is hij hier nog nooit langer dan een dag geweest. Op een bepaald moment moet hoofdpersonage Max Hofman terugdenken aan een uitspraak van zijn uitgever Bruno Blokker: ‘Hij had het idee dat Antwerpen een stad was waar veel geleden werd. Het deed hem denken aan Amsterdam in de jaren veertig en vijftig voordat het daar ‘zo’n vrolijke boel’ werd.’

De roman speelt zich amper drie jaar geleden af. Het huidige Antwerpen is er volgens u dan wel heel slecht aan toe?

VAN ZADELHOFF: Ik vind de Vlaming niet vrolijk en opgewekt. Ga ’s morgens op het spitsuur eens op de tram zitten en observeer de mensen die opstappen om naar het werk te gaan. Je zal zien dat niemand gelukkig is en dat niemand zin heeft in de dag die nog moet beginnen.

Is dat dan anders in een tram in Amsterdam tijdens de ochtendspits?

VAN ZADELHOFF: In Vlaanderen lijkt het leven toch veel zwaarder; terwijl iedereen wel in een dikke auto met leren bekleding rijdt. In Nederland heeft een op de honderd auto’s lederen zetels, hier hebben ze dat bijna allemaal. De Vlamingen dragen het leven en je bent verdacht als je plezier in je dagelijkse bezigheden hebt. Dat clichébeeld van die bourgondische Vlaming klopt helemaal niet, integendeel, het leven wordt hier als een grote last ervaren. Op zon- en feestdagen trakteert de Vlaming zichzelf dan als zoenoffer op oesters en champagne.

Veel Vlamingen vinden Nederlanders dan weer arrogant.

VAN ZADELHOFF: Dat komt voort uit hun minderwaardigheidscomplex. In de jaren zestig had Nederland twee ministers van Buitenlandse Zaken. Aan één van hen, Joseph Luns, werd gevraagd: ‘Waarom heeft zo’n klein land als Nederland twee ministers van Buitenlandse Zaken nodig?’ Luns antwoordde: ‘Omdat we zo klein zijn, is het buitenland heel groot.’ (lacht) Dat is een heel mooi beeld van hoe Nederland in de wereld staat. Nederlanders denken ook dat ze alles kunnen, wat vaak niet zo is. Er wordt in Nederland ook ontzettend veel geouwehoerd, al geldt dat inmiddels ook voor Vlaanderen.

Ik geef les aan de schrijversacademie hier in Antwerpen. In de groepen die ik begeleid, zitten meestal ook een paar Nederlandse leerlingen. Zij stellen vragen, gaan in discussie, terwijl de gemiddelde Vlaamse leerling veel stiller is. In het begin interpreteerde ik dat als desinteresse, maar later merkte ik dat de Vlamingen voortdurend vlijtig alles zaten op te schrijven. Mijn dochter is hier geboren en loopt hier ook school, en ik zie dat leerkrachten die nog geen dertig zijn, al gezagsgetrouwheid eisen. Toen ik nog op school zat, hoefde je daar als leraar in Nederland niet mee aan te komen.

Veel Nederlandse ouders die in een grensdorp wonen, sturen hun kinderen graag naar de Vlaamse school omdat ze de kwaliteit beter vinden.

VAN ZADELHOFF: Ja, dat imago heeft het Vlaamse onderwijs, en Nederlanders denken ook dat de gezondheidszorg hier beter is. Voetbaltrainer Rinus Michels liet zich daarom in Aalst opereren. Hij heeft het er niet levend afgebracht.

In uw roman duikt een paar keer ‘Ida De Laet’ op, een legendarische vrouw die hele generaties Vlaamse acteurs gevormd heeft. Dora van der Groen stond model voor haar?

VAN ZADELFOFF: Zij is geboetseerd naar het beeld dat ik van Dora van der Groen heb. Ik heb die vrouw nooit meegemaakt, een keer ben ik haar in de Vlaeykensgang gepasseerd. De manier waarop ze me aankeek, vind je in mijn boek. (lacht)

U schrijft dat ze naar oude sigaren rook.

VAN ZADELHOFF: Die geur straalde ze wel uit. Ik ben niet dol op haar manier van acteren, op dat zeer lichamelijke, met luid geroep. Ik hou meer van understatement. Als je Nederlanders en Vlamingen samen in een stuk ziet, valt het me op dat alle nuances wegvallen van zodra een Vlaming begint te roepen.

Hebt u veel vrienden in de Vlaamse theaterwereld?

VAN ZADELHOFF: In het laatste jaar van mijn theateropleiding liep ik stage bij een Nederlandse theatergroep die Hamlet wou opvoeren. De regisseur van dienst was Jan Decorte. De voorstelling is er uiteindelijk nooit gekomen, maar op dat moment was ik een enorme bewonderaar van Jan. Als hij me had gezegd: ‘Ga in je blote kont op het toneel staan en doe je behoefte’, had ik dat meteen gedaan. Ik zag hem aan het werk en vond dat zeer inspirerend, maar de Nederlandse acteurs hadden er meer moeite mee. Jan was ondergebracht in een appartement van het Arnhemse toneelgezelschap en dacht toen hij er voor het eerst binnenstapte: ‘Wat ziet het er hier riant uit.’ Hij liet zich vermoeid van de reis uit Brussel op het bed neervallen en ontdekte meteen dat het niet meer dan een met fluweel bekleedde houten plank was.

 

Exact wat Max Hofman overkomt in Antwerpen.

VAN ZADELHOFF: Ja, en ik heb wel meer anekdotes uit die tijd gebruikt. Zo zegt Hofmans ex Tanja op een bepaald moment na de repetitie voor een opvoering van Hamlet tegen haar toekomstige minnaar Jeroen dat ze lelijke knieën heeft. Waarop Jeroen repliceert: ‘Waarom speel je dan niet dat je mooie knieën hebt?’ Tijdens onze repetities in Arnhem maakte de Nederlandse actrice Anita Menist exact dezelfde opmerking. Zij moest Gertrud, de moeder van Hamlet spelen. Ze zei: ‘Jan, dat rokje is te kort. Gertrud is een heel verleidelijke vrouw maar ik heb heel lelijke knieën.’ Toen zei Jan Decorte: ‘Maar jij bent toch een grote actrice? Dan kun je toch spelen dat je mooie knieën hebt?’ Dat vond ik in al zijn eenvoud geniaal.

Uw roman eindigt met twijfel over welke gebeurtenissen er werkelijk in het hele verhaal plaatsvonden en welke niet.

VAN ZADELHOFF: Schijn en werkelijkheid is een belangrijk thema in het boek en ik merk dat het in mijn romans steeds meer gaat over de betrouwbaarheid van ons geheugen. Een paar dagen geleden zag ik de Zweedse film Turist. Een gezin gaat op skivakantie in de Franse Alpen. Op een bepaald moment komt er een lawine op hen af terwijl ze op een terras zitten te eten. De man pakt zijn gsm en zijn handschoenen en loopt weg. De vrouw beschermt haar kinderen. De man houdt later hardnekkig vol dat hij niét wegliep. Liegt hij of heeft hij het echt anders beleefd?

Ik heb een oude man gekend die weigerde mee te werken aan een biografie van Louis Paul Boon, een vriend van hem, omdat hij bang was dat zijn herinneringen gekleurd waren door de tijd.

Begint u als vijftiger te twijfelen aan uw eigen herinneringen?

VAN ZADELHOFF: Dat valt wel mee. Naarmate een mens ouder wordt, is hij immers meer bezig met vergeten dan met herinneren.

Willem van Zadelhoff, De nachten van Hofman, Atlas Contact, 192 blz., 19,98 euro

© Jan Stevens

%d bloggers liken dit: