“Ik had niet gedacht dat het zo erg was”

Van 17 tot 21 september trokken drie Belgische bisschoppen op solidariteitsmissie naar de vervolgde christenen en jezidi’s in Noord-Irak. Wij reisden met hen mee.

Welcome to the cradle of civilization’, sms’t een Iraakse gsm-operator als we de zoveelste controlepost op de gehavende weg van Erbil naar Dohuk in Iraaks-Koerdistan passeren. Achter de bergen schuilen de jihadisten van IS; aan deze kant hebben de soldaten van de Peshmerga, het Koerdische leger, zich ingegraven. Samen met Jozef De Kesel (68), bisschop van Brugge, Leon Lemmens (61), hulpbisschop van Mechelen-Brussel, en Guy Harpigny (67), bisschop van Doornik, rijden we naar een voormalig vakantiedorp net buiten Dohuk. Tot 2003 was het de geliefkoosde pleisterplaats van de Iraakse high society. Ook Saddam Hoessein had er zijn optrekje: hoog op de berg staan de ruïnes van zijn zomerpaleis. In de opgekalefaterde huizen leven nu 358 jezidi-gezinnen. In augustus 2014 viel hun stad Sinjar in handen van IS. Duizenden werden vermoord en 40.000 mensen vluchtten de bergen in, waar ze dagenlang zonder eten of drinken geïsoleerd zaten. Een van hen is Ismaïl. Hij heeft twee vrouwen en is de trotse vader van dertien kinderen. “Na twee wanhopige weken op de berg, werden we bevrijd door de Peshmerga en konden we vluchten”, zegt hij. “Veel families hebben vaders, moeders en kinderen verloren op de 150 kilometer lange tocht naar hier. We overleven met de hulp van de regering. Er is geen werk, maar ik heb geld nodig om mijn gezin te onderhouden. Daarom heb ik heb me als vrijwilliger aangemeld bij de Peshmerga. Volgende maand keer ik terug naar Sinjar om er tegen IS te gaan vechten.”

De 21-jarige Mehsen is al een jaar soldaat. “Tien dagen vecht ik aan het front, daarna ben ik 20 dagen thuis. Meteen nadat we hier vorig jaar aankwamen, heb ik me gemeld als vrijwilliger. De terroristen van IS schoten mijn vader in de schouder. Voor vluchtelingen is er geen werk, maar als soldaat krijg ik een salaris en kan ik voor papa, mama en mijn broer zorgen.” Toch zit Mehsen al drie maanden op droog zaad. “De regering van de Koerdische Autonome Regio is blut. De centrale regering in Bagdad weigert het geld door te storten dat Iraaks-Koerdistan verdient aan de oliehandel met Turkije. De soldaten zijn daar de dupe van en krijgen geen loon.”

35-jarige oorlog

Abbas komt er bij staan. “Wij zijn gevlucht uit Karakosh, een stad in de vlakte van Niniveh. Ik werkte er als veearts. In de nacht van 5 op 6 augustus 2014 kwam IS. Met mijn vrouw en vier kinderen zijn we in paniek met de auto vertrokken. IS had toen al Mosoel en andere steden en dorpen veroverd waar christenen en jezidi’s woonden. In de Islamitische Staat kun je kiezen tussen je bekeren of de dood. Voor de minderheden is er in Irak geen plaats meer. Het is extreem moeilijk geworden om samen te leven met moslims. Misschien dat het binnen twintig of dertig jaar opnieuw lukt, al vrees ik dat het nog minstens een eeuw zal duren.”

Abbas is het wapengekletter moe. “We zijn al 35 jaar in oorlog. Het begon met de oorlog tegen Iran in 1980. Daarna volgde de desastreuze annexatie van Koeweit. De eerste golfoorlog heeft het Iraakse leger totaal verwoest. Onze economie is nu om zeep en onze samenleving ontwricht. Mijn kinderen hebben alleen een toekomst in Amerika, Europa of Canada. Maar ik wil niet zoals die honderdduizenden andere vluchtelingen op een illegale manier naar het Westen vertrekken. Ik wil legaal emigreren.”

Het 13-jarige jezidi-meisje Faizia zat acht maanden lang gevangen bij IS. In april kon ze ontsnappen. Vader en moeder liet ze bij IS achter. Ze ziet er kwetsbaar uit. “Ze behandelden ons slecht”, zegt ze. “Ze bedreigden en sloegen ons. Ik was heel bang. Het waren slechte mannen, met lelijke gezichten.”

Guy Harpigny heeft het zichtbaar moeilijk. De bisschop kan zijn tranen amper onderdrukken. “Het is niet de eerste keer dat ik in een vluchtelingenkamp kom”, zegt hij later. “Maar ik zie hier al die kinderen en vraag me af: ‘Wat is hun toekomst?’ Het lot van die kinderen emotioneert me. Dit is de ideale voedingsbodem voor toekomstig terrorisme.”

Gevangenis

In het vluchtelingenkamp Dawudiya in Dohuk staan duizend containers van 3 op 6 meter. De bisschoppen schudden handen, luisteren en troosten. Jozef De Kesel ziet er bedrukt uit. “Ik had niet gedacht dat het zo erg was”, zegt hij. “We kennen allemaal de beelden van kampen op tv, maar de werkelijkheid is toch anders. Mensen kunnen niet jarenlang in deze omstandigheden blijven leven. Ik vind dit zo lastig: nu zeggen we goeiedag en straks zijn we weer weg.”

Leon Lemmens lijkt onvermoeibaar, stapt van container naar container, praat meelevend met mensen en aait kinderen liefdevol over de bol. Maar onderhuids woedt de verontwaardiging. “Europeanen mogen niet langer onverschillig blijven terwijl er zich voor hun ogen een tragedie afspeelt”, zegt hij. “In tegenstelling tot de miljoenen moslimvluchtelingen hebben de jezidi’s en de christenen geen plek meer waar ze naartoe kunnen. Al hun veilige dorpen en steden zijn ze kwijt en ze zijn veroordeeld tot een uitzichtloos leven in barakken. Ofwel dringen we IS terug en creëren we veilige zones waar ze terecht kunnen, ofwel vinden ook zij de weg naar het Westen.”

Mehd is een gepensioneerd luchtmachtgeneraal uit het leger van Saddam. Met zijn twee zonen, schoondochter en kleinzoon deelt hij een container. “Om bij het leger aan de slag te kunnen, heb ik als jonge man mijn paspoort vervalst. Mijn christelijke naam Matthew veranderde ik in het Arabische Mehd. Nu wil ik een paspoort op mijn echte naam omdat ik het land uit wil, maar dat lukt niet.”

Hoe kijkt hij terug op het Saddam-tijdperk? “Ik was geen fan van Saddam; veel mensen werkten toen voor de overheid. Nu hebben we de ene ellende ingeruild voor de andere. Al onze politici zijn dikke nullen, op elk niveau. Er is niets veranderd. U hebt in Europa vrijheid en mag alles zeggen wat u wilt. Wij moeten hier nog steeds onze mond houden.”

Mehd is het leven in het kamp spuugzat. “Als wij het woord ‘duivel’ durven uitspreken, hebben we ruzie met de jezidi’s. Als de twee bovenste knopen van mijn hemd openstaan, worden ze boos. Zo rollen we van het ene conflict in het andere. Als iemand u zegt dat wij hier in vrede samenleven, is dat een leugen. Dit kamp is een gevangenis.”

Father Douglas

In november 2006 werd Father Douglas in Bagdad gekidnapt door islamisten. Ze braken zijn neus en tanden, sloegen met een hamer op zijn vingers, gezicht en knieën en gaven hem dagenlang niets te drinken. Hij kan nog steeds niet slapen als er ’s nachts geen flesje water naast zijn bed staat. Nadat de kerk 170.000 dollar losgeld betaald had, werd hij vrijgelaten. Vandaag is hij pastoor van de Mar Elia-parochie in de christelijke Ankawa–wijk in Erbil. “Na de val van Mosoel vingen we hier aan de kerk 200 families in grote legertenten op”, zegt hij. “Nu zijn de tenten vervangen door containers. Ik noem deze plek geen kamp, maar een centrum. Onze werking verschilt totaal van andere vluchtelingenkampen. We focussen ons op onderwijs. In het begin voelden de kinderen zich hier ontheemd en verloren. Dat had invloed op hun gedrag. Na een jaar op onze schoolbanken zijn het engeltjes. Direct na hun aankomst zijn we hen beginnen onderwijzen. Wij bereiden hen voor om leiders te worden. Ze worden onze wraak. Want in dit land hebben we veel bazen, maar geen leiders.”

Bereidt hij ze niet eerder voor om te vertrekken? “Misschien wel. De geschiedenis heeft mij geleerd dat er in Irak geen dialoog met moslims mogelijk is. Ze zijn doof.”

Televisie en airco

Petros had tot vorig jaar een apotheek in Karakosh. Nu woont hij met zijn gezin in een container in het kamp van Father Douglas. “In de nacht van 5 op 6 augustus 2014 vluchtten we net als alle andere christenen voor de barbaren van IS. We hadden het verschrikkelijke nieuws over Sinjar en over het lot van de jezidi’s gehoord.”

Petros neemt zijn smartphone. “Ik heb de uittocht gefilmd. Duizenden auto’s wilden gelijktijdig de stad uit. Het was chaos. We vluchtten naar Erbil omdat deze plek dichtst bij Karakosh ligt. Wij hebben geluk in dit kamp: mijn tienjarige kleindochter Nur kan dankzij Father Douglas Engels leren. We klagen niet, maar het valt niet mee om je hele leven achter te moeten laten en te moeten inruilen voor dat van een vluchteling. We zitten hier nu meer dan een jaar en ik weet niet hoe lang we het nog kunnen volhouden. Amerika, Duitsland en Frankrijk moeten het Iraakse leger nog meer helpen om die levensgevaarlijke kerels van IS op te ruimen.”

Ook Petros heeft genoeg van de oorlog. “Ik begrijp niet waarom er maar geen einde aan komt. Veel gewone mensen zijn depressief geworden door het nooit stoppende geweld. Er rest ons maar een alternatief: migreren naar een ander land. Hier is geen toekomst. Karakosh was een christelijke stad, met een moslimminderheid. Sommigen zijn gebleven toen IS kwam en collaboreren nu met hen. Natuurlijk zijn niet alle moslims jihadisten. We hadden moslimburen waar we een goede verstandhouding mee hadden. Maar na de komst van IS hebben de armsten onder hen hun principes ingeruild voor een televisie en een airco.”

Collatoral dammage

De Belgische bisschoppen zijn uitgenodigd op de thee bij Bashar Warda, de Chaldeeuws-katholieke aartsbisschop van Erbil. Warda studeerde eind jaren negentig aan de KULeuven en onderzocht er het jihadisme. Het portret dat hij voor zijn Belgische collega’s van Irak en het Midden-Oosten schetst, klinkt rauw en grimmig. “Alle oorlogen van de voorbije jaren in het Midden-Oosten zijn volgens mij het voorspel van een grote oorlog tussen de soennieten en sjiieten. Christenen zullen daarvan het eerste slachtoffer zijn, zij zijn de collatoral dammage.”

Bisschop Warda ziet maar een mogelijk antwoord op IS: totale oorlog. “Met hen is geen dialoog mogelijk. Alleen is het probleem niet enkel IS, maar ook hun ideologie die over de hele regio verspreid is. We horen nogal wat pro-IS-stemmen bij jonge moslims in dit land. We kunnen dat alleen tegengaan met onderwijs. De kerk investeert daar veel in. Ik ben niet van plan om op te geven en ik zal hier blijven. Maar we kunnen dat niet van alle christenen verlangen.”

Wat vindt Warda van de vluchtelingenstroom naar Europa? “Jullie moeten zeker mededogen hebben met vluchtelingen die in de kampen in Turkije, Libanon en Jordanië geregistreerd zijn door de Verenigde Naties. Maar hoe meer vluchtelingen Europa toelaat, hoe meer andere mensen aangemoedigd worden om ook te vertrekken. Dat is een ideaal scenario voor IS-strijders om zo ook het Westen binnen te geraken. Ze zijn er trouwens nu al. Wij volgen de jihadisten op het internet. De boodschappen die sommige van die ‘migranten’ vanuit Europa in het Arabisch versturen, zijn zeer verontrustend. IS zit tussen de vluchtelingenstroom.”

Hoe hoopvol is onze bisschop Guy Harpigny over de toekomst van Irak? “Binnen zes maanden zal er voor Irak geen oplossing zijn, maar misschien wel binnen vijftig jaar. Soms vinden er door een samenloop van omstandigheden zelfs veranderingen plaats in twee weken tijd. De Iraakse Koerden vragen ons niet om militair in te grijpen, maar zijn wel vragende partij voor wapens. Misschien is het ook wel beter dat de Koerden zelf sterk genoeg zijn om een militaire oplossing te forceren.”

Moet er dan niet gepraat worden? “Natuurlijk is dialoog heel belangrijk. De kerk kan daarin bemiddelen. Op een dag zal er trouwens ook met IS gesproken moeten worden. Het zijn fanatici, maar generaals van het leger van Saddam Hoessein trekken mee aan de touwtjes. Die mensen zullen toch niet helemaal gek zijn?”

Mar Mattai

Onder escorte van zwaarbewapende Peshmerga rijden we de berg op, naar het eeuwenoude klooster van Mar Mattai. In de vallei ligt de door IS bezette stad Mosoel. De frontlinie is amper twee kilometer hiervandaan. De kettingrokende Peshmerga-commandant liet er daarnet geen twijfel over bestaan: de bevrijding van Mosoel is nog niet voor morgen. “Eerst moeten we een akkoord over de strategie onderhandelen met de regering in Bagdad.”

Father Joseph verwelkomt de bisschoppen in Mar Mattai met een kus. Joseph is een van de achtergebleven zeven monniken. Ze geven onderdak aan vijf vluchtelingenfamilies. Josephs broer is in 2006 in Mosoel vermoord. “Ze schoten hem neer op straat. Ze hadden hem uitgekozen als een waarschuwing voor alle christenen: ‘Ga hier weg.’”

“Is het nog mogelijk voor christenen om met moslims samen te leven?”, vraagt bisschop Lemmens. “In Mosoel niet. Elke christen wil weg uit Irak, terwijl net hier de geboorteplaats van het christendom ligt.”

In de tuin van het klooster poseren de bisschoppen voor een foto. In de verte dropt een vliegtuig zijn dodelijke lading.

© Jan Stevens

Van bewegen wordt u slimmer

Als u dagelijks dertig minuten beweegt, werkt u aan uw geestelijke gezondheid en vermindert u het risico op dementie en depressie. Volgens recent onderzoek wordt u er zelfs slimmer door. Een half uur flink wandelen of fietsen volstaat. Net als intens tuinieren.

Ursula Cezanne was rondjes aan het malen op haar hometrainer toen ze merkte dat er in haar hoofd iets aan het veranderen was. ‘Het was alsof ik een klik voelde’, zegt de 76-jarige Berlijnse, die haar leven kort daarna een nieuwe wending gaf en het jarenlange suffen in de zetel inruilde voor een acteurscarrière.

Ursula was een van de 52 deelnemers aan een grote studie van het Max-Planck-Institut für Bildungsforschung (MPIB) over de effecten van langdurig volgehouden fysieke inspanning op het brein. De gemiddelde leeftijd van de deelnemers bedroeg 66 jaar; Ursula was een van de ouderdomsdekens. Het grootste deel van haar actieve leven was bewegen bijzaak. 23 jaar lang baatte ze samen met haar eerste man een slagerskraam uit in een markthal in de Berlijnse wijk Kreuzberg. Ze werd zwanger van een meisje met Down, haar man wou geen gehandicapt kind en een paar jaar later strandde hun huwelijk. Ze hertrouwde met een academicus en bleef thuis om te zorgen voor haar kind. Tien jaar later liet ook haar tweede man haar in de steek. Ursula zette amper nog een voet buiten de deur, haar sofa werd haar beste vriend en zowel haar gewicht als haar bloeddruk begonnen aan een spectaculaire klim. In 2012 reageerde ze op een advertentie van het MPIB. ‘De psychologen zochten oudere vrouwen en mannen voor wie beweging een vervelend nevenverschijnsel was.’ Zes maanden lang moesten de deelnemers elke week in totaal drie uur lang fietsen op een hometrainer. Voor en na de trainingsfase van een half jaar, werden hun cognitieve functies – geheugen, taal, logisch en ruimtelijk inzicht – getest. ‘Ik voel me na die periode van intensief fietsen niet alleen lichamelijk sterker, ook mijn geest is veel levendiger en scherper’, getuigt Ursula. Ze kreeg zelfs zoveel energie dat ze haar meisjesdroom om actrice te worden, begon na te jagen en zich voor audities bij verschillende theatergezelschappen inschreef. Nu staat ze regelmatig op de scène van de toonaangevende Berliner Schaubühne.

Aerobics

Professor sportpsychologie Sabine Schaefer (39) begeleidde het MPIB-onderzoek naar de invloed van bewegen op de geest. ‘De resultaten zijn verbluffend’, zegt ze. ‘De deelnemers blijken na het trainingsprogramma sneller en beter te kunnen denken dan ervoor. Het is alsof intensief fietsen hun hersenen weer jeugdig gemaakt heeft.’

Het onderzoek van het MIPB naar de link tussen beweging en geest is niet het eerste. Sabine Schaefer: ‘We bouwen voort op studies van onze Amerikaanse collega Arthur Kramer van de universiteit van Illinois. De voorbije jaren voerde hij gelijkaardige onderzoeken, maar dan rond de effecten van aerobics en stretching op het brein. Ook Kramer concludeerde dat de cognitieve functies bij vijftigplussers verbeterden. We zijn er ons allemaal van bewust dat die functies afnemen naarmate we ouder worden en we willen die aftakeling van ons brein liefst zo lang mogelijk tegengaan. Wij willen nagaan welke rol bewegen en sport kan spelen in het afremmen van de vermindering van onze verstandelijke vermogens. We willen ook meer te weten komen over de onderliggende mechanismen, over wat er precies in onze hersenen gebeurt. We hebben de deelnemers voor en na niet alleen proeven laten afleggen, maar we hebben ook MRI-scans van hun hersenen genomen. Het zal nog zeker een half jaar duren voor we die geanalyseerd hebben. Het enige dat we nu met zekerheid weten, is dat de deelnemers er zowel fysiek als mentaal flink op vooruit gegaan zijn. We hebben een sterk vermoeden dat hun hersenen beter werken als gevolg van een betere bloeddoorstroming, maar zolang we alle scans niet bestudeerd hebben, blijft dat speculatie.’

De beweegprofeet

De Nederlandse professor Erik Scherder (63), hoofd van het departement Neuropsychologie van de universiteit van Amsterdam, is niet onder de indruk van het MIPB-onderzoek. ‘We weten perfect hoe het komt dat bewegen onze hersenen beter laat werken’, zegt hij. ‘Er is inderdaad een betere doorbloeding: het hart pompt het bloed gezwinder door het brein. Daar komt bij dat de neurotrofines, de voedingsstoffen van de neurotransmitters, positief op bewegen reageren. Dat is helemaal geen speculatie.’

Erik Scherder kreeg van zijn landgenoten de bijnaam ‘de beweegprofeet’. De voorbije jaren was hij verschillende keren te gast in het praatprogramma De wereld draait door om over de werking van de hersenen te praten, waarbij hij opzien baarde door tijdens de uitzendingen nauwelijks op zijn stoel te blijven zitten en zelfs op de tafel te klimmen. In oktober vorig jaar verscheen zijn boek Laat je hersenen niet zitten, een vurig pleidooi om altijd en overal te bewegen.

‘We worden geteisterd door een pandemie van lichamelijke inactiviteit’, zegt hij. ‘Wereldwijd zijn we gaan zitten. Dat heeft niet alleen ingrijpende gevolgen voor ons lichamelijk welbevinden, maar ook voor de toestand van onze hersenen. Onze stofwisseling heeft elke dag nood aan een half uur flink bewegen. We beschouwen iemand als inactief als hij de minimale beweegnorm niet haalt. Die norm is: dertig minuten per dag aaneensluitend bewegen. Pas dan blijf je in conditie en blijven je cognitieve functies op peil.’

Moeten we dan intensief bewegen? ‘Nee, het gaat om een half uur matig intensief bewegen, zoals traplopen, fietsen, intens tuinieren of een stevige boswandeling. Ook wie drie keer per week een half uur gaat hardlopen en de andere vier dagen de beweegnorm niet haalt, behoort tot de inactieven. Wie vanuit totale inactiviteit een half uur per dag begint te bewegen, ziet dat meteen vertaald in winst in zijn cognitieve functies, meer bepaald in de uitvoerende functies. Dat zijn die functies waarbij de prefrontale cortex, de voorzijde van de hersenen, het meest betrokken is.’

Speelt leeftijd een rol? ‘Natuurlijk niet. Het is zelfs een goed idee om kinderen eerst flink te laten bewegen voor ze aan de les beginnen. Als je een kind tien minuten laat fietsen en vervolgens zijn aandachtcapaciteit meet, merk je meteen verbetering.’

Placebo

‘Het staat helemaal niet vast dat leeftijd geen rol speelt’, reageert Sabine Schaefer. ‘Van alle onderzoeken naar het verband tussen beweging en brein die tot hiertoe gevoerd zijn, is het verband het duidelijkst bij mensen boven de 60. Over vijftigers of jongere mensen zijn er te weinig data voorhanden. Natuurlijk lijkt het een redelijke veronderstelling dat bewegen en sport van op jonge leeftijd de hersens sterker maakt, maar als wetenschapper kan ik niet anders dan vaststellen dat er te weinig onderzoeksmateriaal voorhanden is om ze ook te onderbouwen.’

De studies zijn volgens Schaefer schaars omdat ze duur en tijdrovend zijn. ‘Bij zo’n onderzoeken moeten er vergelijkingen gemaakt worden tussen groepen van mensen die wel sporten, en leeftijdsgenoten die een zittend bestaan leiden. Er moet ook rekening gehouden worden met de achtergronden van de deelnemers: zijn het hoogopgeleiden? Hebben ze ooit gesport en een basisconditie opgebouwd? Het moet om interventiestudies gaan die het effect van een ingreep bestuderen. Daar kruipt tijd, werk en dus ook veel geld in.’

Aan het onderzoek van het MPIB mochten alleen oudere mensen deelnemen die een sedentair bestaan leidden, zoals Ursula Cezanne. ‘We stelden ook ons veto tegen hoogopgeleiden die een boeiende, uitdagende carrière achter de rug hadden. Want deze keer willen we weg van alle veronderstellingen en zwart op wit bewijzen verzamelen.’

Bestond de vergelijkingsgroep dan uit mensen die zes maanden lang hun oude vertrouwde bewegingsloze leven verder zetten? Sabine Schaefer: ‘We lieten de leden van de controlegroep niet thuis zitten niksen, want dan hadden we gegarandeerd de kritiek gekregen dat de fietsende groep misschien wel slimmer geworden was door samen te komen en te kletsen. Want ze kwamen altijd samen in het lab fietsen. Niemand wist tot welke groep hij behoorde. De mensen van de vergelijkingsgroep kwamen ook naar het lab, alleen waren hun hometrainers zo afgesteld dat ze geen enkele weerstand ondervonden, terwijl de andere groep zes maanden lang trajecten over voorgeprogrammeerde bergen en dalen moest afleggen.’

Tot verbazing van de onderzoekers bleken ook nogal wat leden van de zonder weerstand fietsende controlegroep er na zes maanden zowel fysiek als cognitief flink op vooruit te zijn gegaan. ‘Sommigen presteerden zelfs even goed als hun collega’s van de onder weerstand fietsende groep. Dat bemoeilijkt nu de analyse van de resultaten.’

Speelde bij een aantal mensen van de groep die zonder weerstand fietste, een placebo-effect? ‘Daar lijkt het op. Het kan er ook op wijzen dat de meest minimale vorm van bewegen al effect sorteert.’

Hindu-squat

John J. Ratey (67), professor psychiatrie aan de universiteit van Harvard, begint zijn lezingen en lessen altijd met de ‘hindu-squat’. Hij maant zijn toehoorders of studenten aan om recht te staan met hun armen gestrekt vooruit, de handpalmen omhoog. Daarna moeten ze onder het roepen van ‘Boem!’ met volle kracht hun ellebogen intrekken, tezelfdertijd door de benen buigen, met de handen de grond aanraken, om vervolgens in een vloeiende beweging weer in de uitgangspositie te belanden. Pas als ze dat tien keer herhaald hebben, zijn hun hersenen volgens de professor in staat om de rest van zijn betoog te verwerken. Zeven jaar geleden schreef hij Spark, een boek over de relatie tussen bewegen en ons brein. Hij ontdekte die link voor het eerst toen hij eind jaren zeventig als beginnend psychiater aan de slag ging in Boston, de stad van de marathon. ‘Elke Bostonian was aan het hardlopen om zich voor te bereiden op dat jaarlijkse evenement’, vertelt hij. ‘Hoe dichter de datum naderde, hoe meer mensen afhaakten vanwege een blessure. Wij merkten dat in onze praktijk aan het stijgende aantal depressies. Ik kreeg professoren van de universiteit en industriëlen over de vloer die klaagden dat ze zich niet konden concentreren en dat ze in hun hele leven nog nooit zo aan zichzelf getwijfeld hadden. Ook zij waren fervente hardlopers die stil lagen door een blessure. Het leek alsof hun dagelijkse rondje hardlopen hun zelfmedicatie was tegen concentratiestoornissen. Ik begon toen al sterk te vermoeden dat bewegen wel eens een goed medicijn zou kunnen zijn in de behandeling van ziekten zoals depressie. Honderden jaren lang was beweging voor ons van levensbelang. Onze genen zijn geprogrammeerd om voedsel te verzamelen, te jagen en te vissen, en onze hersenen zijn ontwikkeld voor het aansturen van ons bijna continue bewegen. Lichaam en geest zijn dus één. Pas door veel te bewegen, leren we helderder denken, verminderen we stress en leven we langer en gelukkiger. Hippocrates wist al dat mensen met een slecht humeur gebaat waren met een fikse wandeling.’

Marathon-man

Tot tien jaar geleden leidde zelfstandig redacteur en vertaler Antoine Pennewaert (60) een zittend leven. Vandaag loopt hij marathons. ‘Ik ben daar bij toeval ingerold’, zegt hij. ‘Mijn vrouw ging hardlopen met Start-to-Run. Zonder enige verwachting en zonder enig voornemen liep ik met haar mee. Na een paar weken viel ik uit. Ik had overal pijn en geraakte geen stap meer verder. Het was veel te zwaar.’ Pennewaert rustte een week en ondernam een nieuwe poging. ‘Na tien weken liep ik vijf kilometer. Ik herinner me nog dat ik tegen mijn vrouw zei: “Kun je je voorstellen dat we ooit met plezier zullen lopen?”’

Voelde hij snel lichamelijk en geestelijk een verschil? ‘Op het einde van Start-to-Run was ik een paar kilo’s kwijt. Maar op dat moment had ik niet het gevoel dat tijdens het schrijven mijn brein beter werkte of mijn creativiteit meer aangescherpt was. Dat is pas een jaar later gekomen, op het moment dat ik hardlopen ook leuk begon te vinden. Drie jaar later besefte ik dat ik niet meer zonder kon.’

Het was een verslaving geworden? ‘Zo zou ik het niet durven noemen. Ik was me ervan bewust geworden dat ik vat gekregen had op een deel van mijn leven. “Als ik straks ga hardlopen, voel ik me daarna beter. Dan is mijn hoofd leeg en breekt er een nieuwe dag aan.”’

Pennewaert sloot zich aan bij een joggingclub. ‘Het was nooit mijn bedoeling om marathons te lopen, maar op de club werd voortdurend gepraat over wedstrijden. Ik hield een paar jaar de boot af, want ik wou gewoon hardlopen. Tot ik toch overstag ging. Na mijn eerste marathon was ik verkocht.’

Heeft het vele lopen hem slimmer gemaakt? ‘Misschien wel. Ik kan me makkelijker langer concentreren. Ik voel me meer verantwoordelijk dan vroeger, al kan dat ook met het ouder worden te maken hebben. Ik ben alleszins gedisciplineerder en doelgerichter. Tijdens het lopen ben ik me soms nauwelijks bewust van mijn omgeving; achteraf heb ik dan vaak een oplossing gevonden voor een probleem.’

Heeft het lopen ook invloed op zijn gemoed? ‘Tijdens en na het lopen surf ik op een golf van enthousiasme. Telkens weer.’

KAT

In september 2014 publiceerden neurowetenschappers Jorge Ruas en Mia Lindskog van het Karolinska-Instituut in Stockholm de opzienbarende resultaten van een onderzoek naar bewegen en depressie. ‘Eigenlijk weten we nog steeds niet wat een depressie precies is’, zegt Mia Lindskog. ‘Onze studie levert slechts een stukje van de puzzel: we hebben ontdekt welke biochemische veranderingen er door lichaamsbeweging in gang gezet worden om te helpen voorkomen dat onze hersenen tijdens stresssituaties beschadigd raken.’

Chronische stress vormt een van de grootste risicofactoren op depressie of burn-out. ‘We wisten al langer dat intensief bewegen voor een fikse toename van het gehalte aan het proteïne PGC-1a1 in onze spieren zorgt en we wisten ook dat PGC-1a1 een rol speelt bij stress, alleen was niet duidelijk hoe.’

Ruas en Lindskog kweekten genetisch gemanipuleerde muizen met een hoog niveau aan PGC-1a1 in hun spieren. Ze stelden de muizen dagen- en nachtenlang bloot aan stress, met knipperlichten en harde geluiden, en schudden zo het bioritme van de dieren duchtig dooreen. Een zelfde aantal onbehandelde muizen kreeg een identiek regime te verwerken. Na vijf weken blootstelling aan stress, bleken de normale muizen depressief gedrag ontwikkeld te hebben, terwijl de genetisch gemanipuleerde muizen depressievrij waren.

‘Bij aanvang van ons onderzoek dachten we dat de muizen met veel PGC-1a1 in hun spieren een stof zou aanmaken die een gunstig effect heeft op de hersenen en ze zo vrijwaart van stress’, zegt Jorge Ruas. ‘Maar we ontdekten iets helemaal anders: hun spieren bleken het enzyme KAT te produceren dat hun lichaam zuivert van kynurenine, een schadelijke stof die gevormd wordt tijdens stresssituaties. Wat kynurenine precies in ons brein aanricht, weten we niet. Maar we treffen het in grote aantallen aan bij mensen met een psychische ziekte.’

De muizen met veel PGC-1a1 bulkten van de KAT en hadden geen last van stress; de normale muizen produceerden een overdosis aan kynurenine en ontwikkelden zo een depressiestoornis.

Door te sporten, drijven we de productie van het proteïne PGC-1a1 in onze spieren op, dat op zijn beurt het enzyme KAT in gang zet. KAT trekt vervolgens ten aanval tegen het schadelijke kynurenine en zet het om in kynurenine-zuur dat niet door ons bloed opgenomen wordt, waardoor het ook niet tot in onze hersenen kan doordringen. Jorge Ruas: ‘Activiteiten zoals fietsen of hardlopen zetten de zuiverende werking van onze spieren in gang, waardoor die organen een gelijkaardige functie krijgen als onze lever en onze nieren.’

Risico indammen

Voor professor neuropsychologie en ‘beweginsprofeet’ Erik Scherder hoeft nu niet iedereen marathons te beginnen lopen. ‘Mensen hoeven van mij zelfs niet naar de fitness; elke dag een half uur flink bewegen volstaat. Het belangrijkste is dat we zitten zoveel mogelijk vermijden. Vergaderen kan ook terwijl je aan het wandelen bent en ’s middags kun je je broodje al wandelend eten. In plaats van een stoel heb ik zelf een hometrainer aan mijn bureau.’

Scherder vindt de stelling dat sporten ons voor depressie behoedt te kort door de bocht. ‘Bewegen vermindert wel het risico op depressie of burn-out, omdat het ons chronisch stressniveau helpt verlagen, wat een belangrijke risicofactor is.”

Helpt bewegen ook tegen dementie? ‘Ook hier geldt dat bewegen de risico’s helpt indammen. Er is veel onderzoek gedaan naar het effect van bewegen op hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten en suikerziekte. Dat zijn precies dé risicofactoren voor het ontstaan van dementie. Als je die wilt inperken, moét je uit je luie stoel komen. Te veel mensen hebben daar geen zin in.’

Als we niet dement willen worden, kunnen we beter gaan wandelen in plaats van sudoku’s op te lossen? ‘Denksport is natuurlijk ook goed voor het metabolisme van je brein, maar de ideale combinatie is zowel fysieke als cognitieve inspanning. En stress vermijden, want chronische stress is nefast voor onze hersenen.”

Religious Order Study

In een klooster ligt het stressniveau vele malen lager dan in een doorsnee woning. Dat viel ook de Amerikaanse neurowetenschapper David Bennett op. Hij is directeur van het Rush Alzheimer’s Disease Center in Chicago, en startte meer dan twintig jaar geleden de Religious Order Study op, een gigantisch onderzoek naar de toestand van de hersenen van paters en nonnen. Sinds 1993 verzamelt Bennett de hersenen van overleden geestelijken uit meer dan honderd kloosters. In de diepvriezers van zijn onderzoekscentrum liggen de in plakjes gesneden hersenen van 1.200 zusters en monniken. Bij leven en welzijn laten de deelnemende kloosterlingen zich jaarlijks medisch en neuropsychologisch testen door Bennetts team. Bedoeling van de Religious Order Study is om op lange termijn de verbanden te ontdekken tussen levensomstandigheden, cognitief functioneren en het wel of niet ontwikkelen van dementie.

‘Katholieke kloosterlingen leven allemaal in vergelijkbare, gelijkmatige omstandigheden’, zegt Bennett. ‘Ze lijken sterk op elkaar, blijven trouw meewerken aan onze testen en hebben geen kinderen die bezwaar maken tegen het wegschenken van hun hersenen aan de wetenschap. We hebben nog maar weinig autopsies gemist.’

Dankzij de Religious Order Study kennen we vandaag heel wat factoren die de ziekte van alzheimer bevorderen of afremmen. David Bennett: ‘Genetische factoren, een hoog hemoglobinegehalte, sommige nierziekten en diabetes verhogen het risico. Het ene ApoE-eiwit verhoogt het risico, het andere verlaagt het. Emotionele instabiliteit verhoogt het risico, net als depressieve gevoelens. Een ordelijk leven verlaagt het dan weer, net als fysieke en sociale activiteiten en het behoren tot een sociaal netwerk.’

Het kloosterleven lijkt dus een goede garantie om dementie te vermijden? ‘Op het eerste gezicht misschien wel’, antwoordt Erik Scherder. ‘Als je geen rottige moeder overste hebt die de plak zwaait, is het klooster een omgeving zonder stress als gevolg van relaties, carrières, kinderen of geld. Toch is het niet echt ideaal, want een louter stressvrij bestaan volstaat niet voor een gezonde geest. Ons moderne leven zit vol prikkelende elementen die in dat kloosterleven ontbreken. Elke dag valt er wel iets nieuws te beleven, en al die prikkels vormen prima grondstof voor ons brein.”

© Jan Stevens

“We hebben grote nood aan ‘Bah!’-roepers”

Volgens sommigen overschrijdt Marnix Peeters (50) in Niemand houdt van Billie Vuist met de fratsen van de pedofiele pastoor Pelkmans de grenzen van het fatsoen. De schrijver zelf weet beter: “Wat mijn seksverslaafde pastoor in Pattaya uitvreet, zit dicht bij de werkelijkheid.”

In Marnix Peeters’ kersverse roman Niemand houdt van Billie Vuist spat het schrijfplezier – en af en toe het sperma – van de bladzijden. Na de vettig gestoorde ouderling Oscar Van Beuseghem uit Natte dozen (2013), introduceert Peeters een nog geschifter personage: de pedofiele pastoor Pelkmans, groot liefhebber van Thaise minderjarige meisjes, vriend van Satan en fervent reiziger naar Pattaya, het grootste openluchtbordeel ter wereld. De door seks geobsedeerde priester runt samen met de moeder van de obese jongen Billie Vuist de vzw Phantasia. Op papier organiseert die ‘ontwikkelingshulporganisatie’ deugddoende vakanties bij Vlaamse gastgezinnen voor arme minderjarige Senegalese en Thaise meisjes; in werkelijkheid verhuurt ze de meisjes aan pedofielen die opzien tegen de verre reis naar een overzees seksparadijs.

In 2013 liet de bibliothecaris van het Limburgse Hechtel-Eksel Natte dozen links liggen omdat hij het boek te aangebrand vond. “Marnix Peeters is een schrijver waarmee we niet scheep durven gaan. Daar komen problemen van”, mailde hij toen naar een verontwaardigde lezeres. De kans dat hij nu Niemand houdt van Billie Vuist in zijn collectie zal opnemen, is dan ook niet bijster groot.

“Volgens een journalist van Het Belang van Limburg zitten er scènes in Billie Vuist die tot mijn grofste behoren”, zegt de schrijver een tikkeltje bezorgd aan de stamtafel van zijn Antwerpse stamcafé. “De man vond de passages over pastoor Pelkmans, die na zijn seksfestiviteiten in Pattaya een vieze ziekte oploopt, er ver over. Ik schrok daarvan. ‘Misschien heb je wel gelijk’, dacht ik heel even. Maar het is niet zo dat ik de grove uitspattingen van zo’n pastoor Pelkmans ‘met voorbedachten rade’ geschreven heb.”

In de zomer van 2008 maakte u in opdracht van Het Laatste Nieuws een reeks over sekstoerisme in Pattaya. De belevenissen van pastoor Pelkmans lijken niet zo ver van de realiteit af te staan zoals u die toen beschreef.

Marnix Peeters: “Wat mijn seksverslaafde pastoor in Pattaya uitvreet, zit inderdaad dicht bij de werkelijkheid. Ik heb er onder anderen een huisarts uit Ninove ontmoet die er afschuwelijke dingen deed. Hij logeerde boven een Vlaams café, zogezegd een hotel, waar de kamers louter peeskamers zijn. Hij zat vaak aan de toog en ik sprak hem aan: ‘U bent dokter?’ ‘Ja.’ Een man van eind vijftig die elk voorjaar een maand naar het verre oosten reisde ‘voor zijn reumatiek’. Vijf minuten na ons gesprek trok hij naar boven met een jong meisje aan zijn hand. Een uur later stampte hij dat kindhoertje terug de trap af. Ik ben er zeker van dat de bingowedstrijd zoals ik die in Billie Vuist beschrijf, de Super Fick Lotto met als hoofdprijs op de sluitingsdag van het bordeel gratis neuken met alle veertig beschikbare ‘maagden’, ook in werkelijkheid bestaat.

“In 2008 beleefde ik tien satanische dagen in Pattaya. De stad is een openluchtbordeel waar tienduizenden meisjes op je zitten te wachten. Als man alleen was ik de geknipte prooi, want ze gingen ervan uit dat ik net als al die andere blanke mannen enkel wou vogelen. De eerste dag stond ik ’s morgens om 7 uur met een jetlag in mijn lijf op. Ik stapte mijn hotel uit en nog geen minuut later vroeg een meisje of ik wou neuken. Zo ging dat de hele dag door.”

Hoe oud zijn die meisjes?

“Daar is moeilijk een leeftijd op te plakken. Officieel zijn ze meerderjarig, maar in Pattaya is weinig ‘officieel’. Stel je voor: je stapt ’s morgensvroeg je deur uit en wordt meteen door een mooi meisje van een jaar of zestien aangesproken. Ze vraagt: ‘Wil je met me neuken?’ Je antwoordt: ‘Nee, dank je.’ Een paar meter verder loop je voorbij een ander meisje dat je exact dezelfde vraag stelt. Om de tien meter roept een meisje je toe: ‘Hey, fucky fucky?’ Tot ver na middernacht, elke dag opnieuw. Welkom in Pattaya.”

U kwam nooit in verleiding?

“Nee, al merkte ik na tien dagen wel bij mezelf een soort van normvervaging. Niet dat ik dacht: ‘Nu ga ik eens lekker mijn gang gaan’, maar de laatste dag voelde ik dat ik gewend aan het raken was aan dat openluchtbordeel. De normen van alle Vlamingen die ik er heb leren kennen en die er al een tijd wonen, waren danig vervaagd. Toen de reeks in de krant verscheen, stuurden ze me giftige mails. Ze waren in shock door de titel: ‘Het grootste bordeel ter wereld’. ‘Hoe kom je daar nu bij?’ Zij leken het sekstoerisme als een soort van ontwikkelingssamenwerking te beschouwen. Ik heb zelfs doodsbedreigingen gekregen, ben sindsdien nooit meer in Thailand geweest en zal er ook nooit meer naartoe gaan. De Vlamingen die daar zitten, zijn gedeserteerde militairen, criminelen, fugitives. Mensen die om een of andere reden niet meer in België welkom zijn. Ze genieten daar een vorm van bescherming. Ze lieten me weten dat ze genoeg touwtjes hebben om aan te trekken, waardoor ik mijn eerstvolgende keer aan de Thaise paspoortcontrole meteen de cel in vlieg.”

Nu, zeven jaar later, is uw bezoek aan Pattaya voedsel geworden voor een roman?

“Het was een ingrijpende ervaring die in mijn hoofd is blijven hangen. Niemand hield van Billie Vuist is vorig jaar ontstaan tijdens een boswandeling, toen ik het idee kreeg voor die Super Fick Lotto. In de geest van de echte sekstoerist kan dat niet anders dan een hoogst normale bezigheid zijn. Ik ben er ook vrij zeker van dat de vzw Phantasia in werkelijkheid bestaat. Het lijkt me een prima alternatief voor mannen die geen zin hebben in de verre reis of in de tropische temperatuur. Ik zou het zeer bizar vinden als nog niemand uit de seksindustrie op dat idee gekomen is. Want jammer genoeg is de hele prostitutie door de mensenhandel om zeep geholpen. Dertig jaar geleden, toen ik twintig was, kon je nog op je gemak naar de hoeren gaan.”

U hebt geen probleem met prostitutie?

“Nee. Als je midden jaren tachtig in Antwerpen naar de hoeren ging, kwam je terecht bij een Vlaams poldermeisje met blozende wangen, ietwat mollig in de heupen. Op de Wallen in Amsterdam werd je toen ‘geholpen’ door een goede jonge hoer uit Gouda. Als twintiger had ik even die die onblusbare nieuwsgierigheid om een keer naar de hoeren te gaan, later is dat voorbijgegaan. Ik schaam me daar niet over; ik hoop dat gezonde jonge mannen vandaag die behoefte ook voelen. Ik was het gewoon om een lief te hebben dat gemeend ‘ik hou van je’ fluisterde. Het fascineerde me dat er ook meisjes waren die in ruil voor geld net hetzelfde deden. Ik wou wel eens babbelen met iemand die fakete dat ze van me hield. Ik wil trouwens altijd aan de andere kant gaan kijken.”

U bent van nature nieuwsgierig?

“Ja, en ik zal die nieuwsgierigheid nooit verliezen. Toen ik 23 was, werkte ik als barman in dit café en schreef ik als beginnend journalist voor wijlen De rode vaan, het blad van de Belgische communisten. Ik was een echte communist en heb nog altijd een vlag met hamer en sikkel van de KPB, de ‘Kommunistische Partij van België’ aan mijn muur hangen. Die heb ik achterover gedrukt op de grote antirakettenbetoging in Brussel van 1983. (lacht) In die tijd kreeg ik de kans om bij de rijkswacht te gaan, en ik heb die ook onmiddellijk gegrepen. Tot grote woede en verbijstering van al mijn vrienden. Een paar maanden later stond ik met een Uzi in de aanslag aan de rotonde van Wommelgem.”

Waarom wou u rijkswachter worden?

“Toen was er nog verplichte legerdienst. Ik had mijn statuut van gewetensbezwaarde na een moeizame procedure gekregen en was op zoek naar een plaats om mijn burgerdienst te vervullen. Het waren de hoogdagen van de CCC en de Bende van Nijvel. Ik stond hier achter de toog, sloeg de krant open en las dat de rijkswacht een elitekorps van miliciens wou oprichten. Ik dacht: ‘Verdorie, bij de rijkswacht zou ik wel eens willen gaan kijken.’ Voor een extreem-linkse jongen leek legerdienst bij de rijkswacht een uitgelezen kans om ‘de vijand’ van binnenuit te leren kennen. ‘Shit, dat kan niet meer want ik ben gewetensbezwaarde’, schoot door mijn hoofd. Het was half tien ’s morgens en aan de toog zat Jozef, een van de stamgasten, die heimelijk verliefd was op mij. ‘Marnix, wat scheelt er?’ vroeg hij. Ik antwoordde: ‘Had ik anderhalf jaar geleden geweten dat legerdienst bij de rijkswacht mogelijk zou worden, was ik nooit gewetensbezwaarde geworden.’ Jozef had contacten bij de socialisten. ‘Ik regel dat voor jou’, zei hij. ‘Het zal wel’, dacht ik. Een maand later zat er een oproepingsbrief van de generale staf van de rijkswacht in mijn bus. Nog een paar weken later kreeg ik een uitnodiging om me aan te bieden in Turnhout, en was ik rijkswachter.”

Terwijl u nog steeds erkend gewetensbezwaarde was en dus ook geen wapens mocht dragen?

“Ja, mijn erkenningsformulier ligt in mijn archief stof te vergaren. In de rijkswachtkazerne stapte op een bepaald moment een kolonel naar me toe. Ik kende hem van haar noch pluimen. ‘Ben jij die Peeters? Veel succes.’ Ik kreeg een schietopleiding van drie maanden en nog een maand later stond een als extreem-links bekende staande activist van De rode vaan in rijkswachtuniform met een geladen Uzi, een handvuurwapen, een Fal en laders vol munitie buiten op straat. Ik had bloedbaden kunnen aanrichten.”

Was het ook vanuit uw aangeboren nieuwsgierigheid dat u indertijd als journalist Humo inruilde voor Het Laatste Nieuws?

“Ja. Als je jong bent en je schrijft voor Humo, kijk je in een tunnel en geloof je in een kerk. Werken voor Het Laatste Nieuws beschouw ik als mijn belangrijkste intellectuele ontwikkeling. Ik kreeg er unieke kansen en raakte er ‘ontvoogd’. Ik heb voor die krant een reeks gemaakt over Lourdes, ging daar een week rondlopen, waardoor ik met begrip naar volkse devotie ben gaan kijken. Er zijn nog steeds mensen kwaad omdat ik ooit die stap naar Het Laatste Nieuws gezet heb. Ze vinden het een smet op mijn journalistieke blazoen.

“Ik ken veel mensen die star beweren dat je ten allen tijde jezelf moet blijven. Dat schijnt het hoogste goed te zijn, terwijl ik dat het domste vind dat je kunt doen. Er is toch niets triester te bedenken dan altijd ‘jezelf blijven’? Het is toch veel fijner om zo pluralistisch mogelijk door het leven te stappen? Heel wat linkse mensen lezen alleen linkse bladen. Ik heb jarenlang tezelfdertijd abonnementen gehad op The New Yorker, De Morgen én ’t Pallieterke. Rechtse mensen hebben óók interessante ideeën. In een democratie moeten we dialogeren en naar elkaar luisteren. Maar zelfs keurige sp.a’ers zie ik tegenwoordig niet veel anders doen dan hitlersnorretjes tekenen op foto’s van rechtse politici. Verketteren, roepen en drammen, dat wel. Dat is toch niet ernstig?

“Deze week zag ik het tweede geval van vluchtmisdrijf in een paar dagen tijd op tv passeren. Een jongen van drie was door een negentienjarige doodgereden, waarna die kerel zonder omkijken verder scheurde. Jaarlijks zijn er in ons land 70.000 gevallen van vluchtmisdrijf, van afgereden spiegels tot slachtoffers die in een greppel doodbloeden. Ik heb nog geen enkele politicus gehoord die daar heftig tegen reageert. Ze zijn bang om in het kieshokje afgestraft te worden, want: ‘Zoiets kan iedereen overkomen.’ Sorry hoor, maar als jij morgen iemand doodrijdt en je vlucht weg, mogen ze voor de rest van je leven je rijbewijs afnemen, beroepschauffeur of niet, en mag je ook tien jaar effectief gaan brommen. Want dat is niet meer of minder dan moord. Heb jij sp.a-voorzitter John Crombez daar al iets over horen zeggen? Waarom wijzen we mensen niet op hun sociale verantwoordelijkheid? Een maatschappij waarin iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt, dat is toch uitgesproken links? Op Tomorrowland heerst nu dankzij Dimitri Vegas en Like Mike een nieuwe rage: ‘champagne showers’ of champagneflessen leegspuiten over het publiek. Ik heb nog niemand horen roepen: ‘Bah!’”

U vindt dat een daad van opperste decadentie?

“Het staat elke Belg vrij een fles champagne te kopen om die vervolgens door het riool te gieten. Als je er gelukkig van wordt om op een festival champagneflessen leeg te spuiten, moet je dat maar doen. Ik hoor alleen niemand dat afkeuren, ook niet in de media. Ik wil John Crombez ‘Bah!’ horen roepen over die tweeduizend flessen champagne die op Tomorrowland zomaar de lucht ingespoten worden. Op datzelfde festival had een Nederlandse dj zijn blauwe auto van minimum 500.000 euro backstage op de parking gezet. In de gazet staat dan: ‘Kijk eens wat een coole auto.’ Niemand die daar een kritische vraag over stelt. Op de volgende bladzijde stond een foto van een zwart kindje dat aan het creperen was. We hebben grote nood aan ‘Bah!’-roepers.”

Waarom is het meest verwerpelijke personage in Billie Vuist een pastoor?

“Ik vrees dat in mijn jeugd de zaden gezaaid zijn voor mijn achterdocht jegens priesters. Ik zat op een katholiek college in Beringen in de Latijn-Griekse en in het laatste jaar kreeg ik Latijn, Grieks en godsdienst van één en dezelfde pastoor. Dat was een verschrikking. De pastoors van toen ketenden ons. Op donderdag liepen ze te patrouilleren op de markt. Jongens die ze in het gezelschap van een meisje zagen, werden ’s anderendaags berispt. Ik heb niet echt schunnige herinneringen aan de priesters uit mijn kindertijd, al werd er soms een hand ‘ongewild’ onder de kniebroek geschoven. Ik ga nu wel naar de mis.”

Elke week?

“Een keer per maand volg ik in de kathedraal van Antwerpen de weekmis. Dat komt door Bob Mould, de oud-zanger van de Amerikaanse punkband Hüsker Dü. Tijdens mijn Humo-jaren heb ik hem als rockjournalist vaak ontmoet en we zijn vrienden geworden. Twaalf jaar geleden zaten we om vijf uur in de namiddag op de Antwerpse Groenplaats op een terras en plots zei hij: ‘De klokken hebben net geluid, ik ga naar de mis. Ga je mee?’ Ik keek hem stomverbaasd aan, want hij is een militante homo en een icoon van de Amerikaanse punk. ‘In mijn thuisstad ga ik elke week naar de kerk’, zei hij. Eerst wou ik niet, maar uiteindelijk liet ik me ompraten. We zaten in de kathedraal, het orgel speelde, het koor zong en het voelde helemaal niet vies. Diezelfde avond hebben we er nog lang over gepraat. Bob zei: ‘Probeer de komende maanden af en toe eens naar de mis te gaan, met in je achterhoofd de gedachte dat het samenzijn belangrijk is en laat je meevoeren op de rituelen.’ Hij had gelijk. Zowel de rituelen als het collectieve grijpen me aan. Tijdens de mis zit ik samen met mensen waarmee ik in gewone omstandigheden geen voeling heb, of misschien zelfs niets te maken wil hebben. Na de mis wensen we elkaar vrede. Dat vind ik schoon.”

In Billie Vuist steekt u af en toe een vermanende vinger op naar collega-schrijvers die hun romans vullen met verhalen over hun aftakelende moeder.

“De Nederlandse literatuur lijdt aan een gebrek aan verhalenvertellers. Ik heb jarenlang mijn schrijfhart onderdrukt omdat ik dacht dat schrijven semi-autobiografisch en getormenteerd moést zijn. Ik vind het heel belangrijk om succes te hebben met atypische romans die door het establishment met een tang worden vastgegrepen, genegeerd of verketterd, en ik steun jonge schrijvers die buiten de wateren vissen. Want ik wil een dam tegen de algemene verflauwing opwerpen. Te veel boeken hebben niet alleen last van literaire pretentie, ze zijn ook inhoudelijk flauw. Schrijvers houden zich in omdat ze bang zijn dat ze anders geen prijzen zullen winnen, of dat ze plat of vulgair gevonden zullen worden. Het is niet te geloven hoe de Vlaamse letteren blijven versomberen. Er moet dringend leven in de brouwerij komen, met schrijvers die dapper genoeg zijn om buiten het reguliere circuit hun mannetje te staan. Daarom ook verwelkom ik zo’n jonge schrijver als Frederik Willem Daem. Hij draagt de belofte en de bravoure van de jeugd in zich en is niet bang om te stunten. Hij is een van die schrijvers die binnenkort tegen de literaire goegemeente zal zeggen: ‘Kus mijn kloten met jullie praatjes.’”

Marnix Peeters, Niemand hield van Billie Vuist, Prometheus, 302 blz., 19,95 euro

 

© Jan Stevens

%d bloggers liken dit: