Straat van beleg

Terreuralarm 4 herschiep Brussel de voorbije week in een bezette stad. Met pantserwagens en militairen in het straatbeeld, lege cafés en restaurants, gesloten winkels en scholen. “Het is een ramp. Alsof de regering de Brusselse commerçanten om zeep wil helpen.”

 

Woensdag, kwart voor negen. Op de hoek van de Koning Albert II-laan en de Simon Bolivarlaan speelt Otto een vrolijk deuntje op zijn saxofoon. Er hangt regen en terreurdreiging in de koude Brusselse ochtendlucht. De pendelaars die vanuit het Noordstation naar hun kantoor op weg zijn, hebben amper oog voor de virtuoos spelende Roemeen. Kop in kas stappen ze voorbij. “Ze zijn bang”, zucht Otto, terwijl hij zijn saxofoon begint op te bergen. Ook hij voelt zich niet helemaal op zijn gemak. “Normaal gezien sta ik in de Nieuwstraat, maar ik vertrouw het daar nu niet.” Er liggen een paar euro’s en wat centen in het bakje aan zijn voeten. Sinds alarmfase vier is afgekondigd, staan zijn inkomsten onder druk. “Mijn vrouw en kinderen wonen in Roemenië. Zij zijn afhankelijk van wat ik hier op straat verdien. Waarom heeft de politie die idioten nog niet opgepakt? Ik hoop dat er snel verandering komt.”

Honderd meter verder controleren twee veiligheidsagenten aan de ingang van het Proximus-gebouw alle werknemers en bezoekers. “We checken de toegangspasjes en de tassen”, zegt een van hen. “We draaien nu shiften van 12 uur, zeven dagen op zeven. Ik sta hier al van om zes uur. Uitzonderlijke omstandigheden vereisen uitzonderlijke maatregelen.” Hebben ze een extra opleiding gekregen om vermoedelijke terroristen te spotten? “We hebben geleerd om te letten op verdachte handelingen, zoals zenuwachtig dralen.” Wat als ze tijdens de controle iemand met een bomgordel betrappen? “Dan is het te laat.” De veiligheidsagent grijnst zijn tanden bloot.

 

Lachen met terreur

Bert Borms moet zo meteen ook door de controle, maar staat nu nog even met collega’s een sigaretje te roken. Hij is bij Proximus voor een extern bedrijf aan de slag. Bert woont in het Oost-Vlaamse dorp Sinaai. “Daar is van dreiging niets te merken”, zegt hij. “Mijn zoon zit in Lokeren op school en daar overheerst toch een ander gevoel. In die stad leeft een grote allochtonengemeenschap die zich nu geviseerd voelt. Ik merk dat mijn zoon het daar moeilijk mee heeft.”

Bert las pas een interview met moeders van Syriëstrijders. “Radicalisering is iets heel vies. De ene dag is je zoon normaal en loopt hij in merkkledij, twee weken later zit hij in Syrië zonder dat je als ouder ook maar iets van die verandering gemerkt hebt. Hoe moet je daarop reageren? Ik weet het niet.”

Het is de eerste dag van de week dat hij naar Brussel komt. “Onze bazen hadden gisteren en eergisteren liefst dat we van thuis uit werkten of andere alternatieven zochten. Gisterenavond kregen we dan toestemming om als het echt nodig was toch naar de hoofdstad te reizen. Het is hier rustig, vind je niet?”

Zijn al die veiligheidsmaatregelen dan overdreven? “Nee. Niemand weet hoe we er op dit moment aan toe zijn, laat de overheid dus maar rustig haar werk doen. Dat komt onze veiligheid ten goede.”

Is de terreurdreiging onder collega’s gespreksonderwerp nummer één? “Er worden vooral grappen over gemaakt. Het is een manier om de schrik te overwinnen, want iedereen is bang. Tegen terreur staan we machteloos, dus lachen we onze angst weg.”

 

Claude

In de grote hal van het Noordstation hebben twee soldaten zich centraal opgesteld, vinger aan de trekker van hun automatische geweren. Een man met een zonnebril op bestudeert een bord met de vertrek- en aankomsttijden van de treinen, met naast hem een vermoeid ogende man, een vrouw en twee kleine kinderen met een dekentje over hun hoofd. “Where do you come from?” vraag ik aan de vrouw. “Afghanistan”, antwoordt ze. Ik zie vanuit mijn ooghoek hoe de man aan het bord in mijn richting kijkt en langzaam nee schudt.

In de gang naar de perrons wandelt een heer met een hoed en een wandelstok voorbij. Rond zijn hals heeft hij een felrode sjaal geknoopt. “Ik ben niet bang van de terroristen”, zegt hij. “De echte terroristen zitten in de politiek.” Hij lacht luid en voegt er snel “Grapje!” aan toe. Hij stelt zich voor als Claude, vakbondsafgevaardigde van de socialistische vakbond bij een overheidsbedrijf. “Overdag is Brussel nog steeds een veilige stad, met of zonder militairen. Weet u waar er échte dreiging te vinden is? ’s Avonds na zeven uur in de Aarschotstraat achter het station, waar de dames van lichte zeden voor de vitrines zitten. Daar is het risico heel groot dat je overvallen wordt. Mag ik u nog een tip geven? Kom morgenvroeg rond zes uur terug naar dit station, dan zal u getuige zijn van een bizarre handel. Rond dat tijdstip verhuren Roemeense dames hun kinderen en baby’s voor de rest van de dag aan andere Roemeense dames, opdat ze meer medelijden zouden kunnen opwekken tijdens het bedelen.” Met een zwaai en een bulderlach neemt Claude afscheid.

 

City 2

In de Nieuwstraat staat een pantserwagen geparkeerd met ernaast twee soldaten, geweren schietklaar. Een Marokkaanse man van een jaar of veertig wacht aan het kruispunt voor het rood. “Verschrikkelijk”, zegt hij met een knikje naar de militairen. “Er loopt nu veel minder volk op straat dan anders op dit uur van de dag. Ik snap die IS-fanaten niet. Waarom ontwrichten die gekken onze maatschappij? Ze zijn erger dan de nazi’s of de fascisten. Wat bezielt hen? Mijn verstand is daar te klein voor. Wat is er fout met een rustig leven in de schaduw? Komt dat ooit nog terug denkt u?” Hoofdschuddend loopt hij verder.

Om tien uur stipt gaan de luiken van shoppingcenter City 2 omhoog. Aan een zijingang staan beveiligingsagenten met een metaaldetector in de aanslag. Alle bezoekers moeten tassen en jassen openen. “Het is de eerste dag deze week dat het winkelcentrum terug open is”, zegt het meisje achter de toonbank van Alter Smoke, een winkel gespecialiseerd in elektronische sigaretten, met naast de smaak van tabak ook panacotta aardbei of blauwe bosbes in de aanbieding. “De grote ingangen van City 2 blijven voorlopig dicht, alleen een paar kleine deuren zijn open omdat dat makkelijker te controleren is.”

In het midden van de Nieuwstraat zit een man op zijn knieën, zijn blik naar de grond gericht. Hij heeft een lange zwarte baard en draagt traditionele moslimkledij. Het lijkt wel een provocatie: een salafistisch uitgedoste man die op het hoogtepunt van terreuralarm 4 zit te bidden voor een winkelcentrum, volgens sommigen doelwit nummer 1. Schijn bedriegt: de broodmagere Karim is aan het bedelen. Hij is weggevlucht vanuit Montenegro naar België. Hij is dakloos, blut en aan het eind van zijn Latijn. “Mijn vrouw en vijf kinderen schuilen in het Noordstation”, zegt hij, terwijl hij naar de grond blijft staren. Ik geef hem mijn laatste kleingeld. “Thank you Sir. May God bless you.

 

Belegerde stad

Voor het Administratief Centrum van de stad Brussel aan de Anspachlaan staat een lange rij wachtenden. “Was het centrum de voorbije dagen gesloten?” vraag ik aan een man. “Nee”, antwoordt hij. “Die rij is er omdat een paar bewakingsagenten elke bezoeker binnenstebuiten keren.” Hij is het wachten meer dan zat. “Ik begrijp het niet. In Parijs geldt na de aanslagen de noodtoestand, maar daar zijn alle winkels en restaurants open en gaat het leven zijn gewone gang. Hier in Brussel is er niets gebeurd en toch zijn veel zaken dicht, en wat niet dicht is, blijft leeg. De angst regeert. Ik woon vlakbij de Beurs en ik heb veel vrienden met een restaurant of een winkel. Deze staat van beleg is voor hen een ramp. Ik ben geen complotdenker, maar nu lijkt het alsof de regering de Brusselse commerçanten om zeep wil helpen.”

De zon breekt door boven de verkeersvrije Anspachlaan. Om de zoveel meter staat een koppel zwaarbewapende soldaten, met daartussen patrouillerende agenten. De machinegeweren bovenop de pantserwagens zijn afgedekt met groen canvas. Hier is Brussel écht een belegerde stad.

Mia Van Der Hoydonck en haar man Jef Braeken laten zich door de mannen in uniform niet afschrikken. Vanaf de Auguste Ortsstraat komen ze naar de Beurs gewandeld. Mia duwt een buggy voort waarin haar jongste kleinkind ligt te slapen. Mia en Jef zijn rasechte Limburgers. “Onze dochter woont in Brussel, aan deze kant van het kanaal”, zegt Mia. “De oudste kinderen zijn vandaag terug naar school, in Molenbeek. Tot gisterenavond waren ze thuis. Maandagmiddag bracht mijn dochter de kinderen bij ons in Heusden-Zolder. Ik was blij dat ik ze zag en zij waren blij dat ze nog eens konden buitenspelen. Gisterenavond zijn we dan met zijn allen naar hier gekomen.”

Jef en Mia leerden Brussel kennen en waarderen door hun dochter. “Na de geboorte van ons eerste Brusselse kleinkind kwamen we hier veel met de buggy wandelen”, zegt Mia. “We waren verrast dat de stad zo groen is. In de vakantie passen we nu op het huis van onze dochter. Zo leren we Brussel ook ’s avonds kennen.”

Komen ze ook in de buitenwijken? “Natuurlijk”, antwoordt Jef. “Elke woensdagmiddag halen we in Molenbeek de kinderen af op school. Een paar jaar geleden hebben we er zelfs tien dagen aan de schoolpoort gekampeerd om onze oudste kleindochter te laten inschrijven. We mochten een mobilhome gebruiken van de schoonouders.”

Mia: “We hoorden toen voortdurend: ‘Let toch goed op in Molenbeek.’ Wij sliepen er tien nachten op straat.”

Jef: “Vorige week woensdag stonden we ’s avonds op het Gemeenteplein om er onze solidariteit te tonen. Onze kleindochter van acht had haar klarinet bij. Lena stelt veel vragen over de aanslagen in Parijs en wat er daarna gebeurd is. De tweede is zes, hij vraagt er bijna niets over.”

Mia: “Maar hij heeft wel schrik, want hij durfde niet alleen te gaan slapen en wou bij mama en papa zijn. Lena begrijpt dat er stoute mensen zijn die verschrikkelijke dingen doen. Zij weet ook dat de gewone mensen van Molenbeek daar niets mee te maken hebben. Ze loopt er alle dagen rond, gaat er naar de winkel, naar school, heeft er hobby’s. Dat is goed.”

 

Op de kerstmarkt

Vrijdag de 27e zal de jaarlijkse grote kerstmarkt rond de Beurs van start gaan. Een paar marktkramers zijn op deze woensdag begonnen met de inrichting van hun houten kraampjes. Een van hen is Mama Kotroo, een Nepalees. Hij is getrouwd met een West-Vlaamse en samen hebben ze een dochter van 18. “Ik heb mijn vrouw ontmoet in Kashmir”, zegt hij. “Ik ben een Himalayagids en zij werkte er als ontwikkelingshelper. Ik organiseer nog steeds trektochten door de Himalaya. In de winter ben ik hier en in de zomer daar.”

Mama is moslim. “Net als de meeste Kashmiri ben ik soefi: wij respecteren alle andere religies en overtuigingen. Mijn vrouw is katholiek. Onze dochter Nora is in de kerk gedoopt, maar is ook soefi. Dat maakt haar rijk.”

Mama Kotroo staat dit jaar voor de dertigste keer op de Brusselse kerstmarkt. “Mijn familie in Kashmir maakt kunstwerkjes en pashmina-sjaals die ik hier verkoop.”

Hij is ervan overtuigd dat de kerstmarkt vrijdag zal beginnen, terreuralarm of niet. “Ik vind het goed dat onze politici veiligheidsmaatregelen treffen, alleen durf ik te betwijfelen of het zo verstandig is om alles te sluiten en mensen angst aan te jagen. Ik hoorde van vrienden dat ze bang zijn om met hun kinderen naar Brussel te komen.”

Misschien is de kerstmarkt een uitstekend doelwit voor terroristen? “Alleen God weet dat. Ik voel mee met de slachtoffers van Parijs, maar ook met alle andere slachtoffers in het Midden-Oosten. Over hen horen we amper iets. Laat ons hopen dat de aanslagen in Parijs tot gevolg zullen hebben dat er hier meer aandacht komt voor de gruwel elders. Ik ben aanhanger van het geweldloos verzet van Gandhi. Toen de Britten in mijn geboorteland hun politiek van verdeel en heers voerden, ging hij daar op een geweldloze manier tegenin. Met succes.”

Zijn de fanatici van IS wel op een geweldloze wijze te verslaan? “Nee, ze zijn geestelijk gestoord, gehersenspoeld. We moéten hen stoppen. Geen enkele religie laat toe om andere mensen te doden of om de maatschappij te ontwrichten. Kashmir heeft lang geleden onder een conflict waarin ook radicale moslims betrokken waren, maar nu gaat het beter en komen de toeristen terug. Veel onschuldige mensen vonden de dood, zowel bij de militanten als bij de soldaten. Vandaag beseffen mensen aan beide kanten eindelijk dat al dat geweld uitzichtloos is. Ze zijn het moorden moe en werken aan vrede.”

 

Voorkeursbehandeling

De Chinese Tina en haar moeder bestuderen in het midden van de lege Grote Markt een plattegrond. Ze zijn gisteren met de trein van Rotterdam naar Brussel Centraal gereisd. “Ik studeer in de Verenigde Staten en mijn ouders zijn me vanuit Peking komen opzoeken”, zegt Tina. “Dankzij Thanksgiving heb ik tien dagen vakantie; ideaal om Europa te bezoeken. We hebben eerst Nederland verkend en vertrekken morgen naar Luxemburg.”

Meteen na 13 november begon Tina te twijfelen over haar bezoek aan Brussel. “Op het nieuws zeiden ze dat de kans groot was dat er ook hier aanslagen zouden volgen. We zijn op onze hoede en kijken goed rond. Als er iets gebeurt, willen we zo snel mogelijk wegrennen.”

Wat vindt ze van al die soldaten op straat? “No big deal. We blijven maar twee nachten, kort genoeg om niet te bang te worden. Ons hotel ligt in het centrum en ik verwachtte strenge controles. Maar er was geen veiligheidsagent in de buurt, we wandelden gewoon binnen. Aan de grens zijn we ook niet gecontroleerd. Dat vond ik raar. Ik veronderstel dat het de strategie van jullie overheid is om veel soldaten op straat te laten rondlopen, zodat mensen zich veiliger voelen. Maar het zou geen kwaad kunnen als ze reizigers wat beter zouden controleren. Wij moesten nergens onze koffers openen. Dat is heel aangenaam; ik kan me goed voorstellen dat terroristen zo’n voorkeursbehandeling ook fijn vinden.”

 

Antwerpen in Brussel

Op andere weekdagen bruist de Stalingradlaan van het leven; vandaag lijkt het alsof er op de Rambla van Brussel een neutronenbom ontploft is. Veel winkels en restaurants zijn dicht en op de terrassen voor de Marokkaanse theehuizen staan de stoelen keurig opeengestapeld. Twee agenten drinken een kop muntthee die ze van een uitbater van een theehuis gekregen hebben. “We worden goed verwend”, lacht de ene.

Sonja Heyman en haar dochter Elly Chaltin lopen warm ingeduffeld in het midden van de straat. Ze komen met de trein uit Antwerpen, een dagje ‘Brusselen’. “Gisterenavond hebben we nog even getwijfeld, maar uiteindelijk hebben we de knoop toch doorgehakt”, zegt Sonja. “Jammer van de gesloten winkels. Schrik hebben we niet. Al die militairen op straat lijkt geruststellend, alleen weet ik niet of ze veel kunnen ondernemen als er écht iets gebeurt.”

Dochter Elly is een levendig Brussel gewoon. “Meestal komen we hier betogen. Het contrast is groot. Ik heb het gevoel dat de regering de mensen schrik aanjaagt in de hoop dat ze zo niet op straat zullen komen.”

De aanslagen in Parijs waren toch heftig? Elly: “Zeker. Maar in Syrië, Irak en Israël is dat dagelijkse kost en het leven gaat er ook verder.”

“Waar haalt IS zijn wapens vandaan?” vult Sonja aan. “België koopt olie van Saoedi-Arabië en levert hen wapens. Indirect blijkt onze overheid mee te werken aan het succes van IS. Het wordt hoog tijd dat onze machthebbers beginnen beseffen waar ze mee bezig zijn.”

Zitten we in een derde wereldoorlog? Sonja: “Als het zo verder escaleert en er niets aan de oorzaken gedaan wordt, kan het daarin uitmonden. Ze moeten in Syrië met de regeringen en de strijdende partijen gaan onderhandelen.”

Valt er met IS wel te praten? Sonja: “Dat weet ik niet. Ik heb het zelf nog niet geprobeerd.”

 

© Jan Stevens

Bericht uit Molenbeek

Jan Stevens vertoefde vorige week in het meest verguisde deel van Brussel.

 

Maandag 16 november 

Bij de kapper

 In de Delaunoyestraat staat de verzamelde wereldpers te verkleumen achter het politielint. Agenten met een bivakmuts kijken nors voor zich uit. Hun collega’s zijn in nummer 47 op zoek naar terroristen.

Onder de luifel van een krantenwinkel roken de eigenaar en zijn buurman een sigaretje. “Heb je een bom in je rugzak?” vraagt de buurman me. “Eigenlijk is het niet om te lachen”, vervolgt hij. “Over heel de wereld gaat Molenbeek nu over de tongen als hét terroristenparadijs. Het is merde. Ik hoop dat ze in dat huis niemand vinden.”

Een oudere man met een pet op, vraagt wat er aan de hand is. “Heeft dit te maken met de aanslagen in Parijs?” Hij zucht diep en stelt zich voor als Abdelazziz. “Ik ben geboren in Marokko, maar ik woon al vijftig jaar in Molenbeek. Mijn kinderen en kleinkinderen zijn hier geboren en getogen.”

Sinds vorig jaar is Abdelazziz op pensioen. Hij werkte in een hotel op de Brusselse Grote Markt. “Ik zie Molenbeek verloederen”, zegt hij. “Niet door de jihadisten, maar door de drugs. ’s Avonds durf ik niet meer op straat. Dat is de fout van al die mensenrechtenactivisten. Door hen is de overheid veel te tolerant geworden. Ik zou graag in een andere wijk in Brussel wonen, maar ik heb er het geld niet voor.”

Hij vraagt waar ik vandaan kom. “Ah, uit Vlaanderen”, lacht hij. “Gewone Vlamingen zijn bang van Molenbeek, maar rijke Vlamingen, le chichi, niet.” Hij wijst naar de overkant van het kanaal. “Al die huizen zijn eigendom van Vlaamse makelaars. Straks kopen ze ook hier alles op.”

Het is grijs en het begint te miezeren. Op een pleintje staat een oude salafist met een lange baard en een te korte broek in zichzelf te prevelen. Hij kijkt niet op of om. Ik sla de hoek om, de Groeningestraat in. Aan de overkant ligt de Kortrijkstraat. West-Vlaanderen in het hart van Molenbeek. Ik wandel voorbij coiffeur Annajah, zie mijn veel te lange haar weerkaatst in de etalage en stap naar binnen. De kale kapper is blij om op deze trieste herfstmaandag een klant te mogen begroeten. “In de week is het altijd rustig”, zegt hij. “Gelukkig maakt het weekend alles goed. Welke coupe wenst u?”

Op de achtergrond staat de tv aan. De kapper knipt vaardig en snel. Ik vraag of hij geboren is in Molenbeek. Hij knikt. “Net als mijn twee kinderen. Ik heb Marokkaanse roots. Of we hier graag wonen? Natuurlijk, Molenbeek is onze thuis. Ik heb deze zaak nu vijf jaar en ik klaag niet.”

Een bebaarde man stapt binnen. “Salam alaykum”, zegt hij tegen de kapper, en tegen mij: “Bonjour monsieur.” Hij gaat zitten en bladert door een tijdschrift.

Une opération policière à Molenbeek, rue Delaunoy”, zegt een stem op de tv. De kapper stopt met knippen, draait zich om en staart naar het scherm. “Dat is hier verdorie vlakbij”, zegt hij. Hij blijft luisteren en windt zich zichtbaar op. “De IS heeft niets met islam te maken, mijnheer. Het zijn nazi’s, moordenaars. Die aanslagen in Parijs zijn gruwelijk.”

Hij knipt een groot scheermes open en brengt het naar mijn nek. Behendig scheert hij de laatste haartjes weg. “Bent u tevreden? Dat is dan vijf euro, alstublieft.”

 

Dinsdag 17 november

Op de thee

 Op de hoek van de Ribaucourtstraat en de Leopold II-laan scheldt een vrouw van middelbare leeftijd twee beteuterd kijkende voorbijgangers de huid vol. Ze draagt een zwarte lederen broek en dito laarzen. Amin slaat het schouwspel grinnikend gade. “Ik ken haar goed”, zegt hij. “Ze woont een paar straten verder en verkoopt hier bijna elke ochtend haar show.” “Alcohol?” vraag ik. “Nee”, antwoordt hij. “Ze is niet goed bij haar hoofd en hoort thuis in de psychiatrie. Intussen maakt ze deel uit van het vaste meubilair van Molenbeek.”

Ik sla de Ribaucourtstraat in en wandel in de richting van het Gemeenteplein. Ik passeer een bakker, een halal-slager, een vishandel en een kebabzaak. In de etalage van een elektrowinkel staan wasmachines opeengestapeld, met daarboven een flikkerende flatscreen. Voor de deur van een kleine moskee rookt een man een sigaret. Hij wijst naar zijn hart en zegt plechtig: “Turquie.” Ik vraag hoe het met hem gaat. Hij antwoordt: “Turquie.”

Het Gemeenteplein staat vol zendwagens. Bij gebrek aan nieuws interviewen journalisten elkaar. Een oudere dame draait de voordeur van haar statige herenhuis open. Op de gevel hangt een bordje met ‘Advocaat’. “Al die negatieve persaandacht verdient Molenbeek niet”, zegt ze hoofdschuddend. “Dit is een mooie gemeente, mijnheer. Ik woon hier 45 jaar. De inwoners van Molenbeek zijn goede mensen, ongeacht hun herkomst of cultuur. Jammer van dat handvol idioten.”

In het theehuis Le nieuw Royal aan het Sint-Jan-Baptistvoorplein zitten acht jonge mannen gebiologeerd naar de voetbalmatch Taiwan-Irak te kijken. “Die jongens zijn zelf gevlucht uit Irak”, zegt de theezetter van dienst. “Ze wonen nog niet zo lang in Molenbeek.” Aan de andere kant van het theehuis kijken drie oude mannen even gebiologeerd naar Discovery Channel op een minstens even gigantisch tv-scherm. “Wij spreken alleen Arabisch”, verontschuldigt een van hen zich in het Frans.

De prille dertiger Khaled zit alleen aan een tafeltje, drinkt muntthee en tokkelt op zijn smartphone. Hij slaat graag een praatje. “In Molenbeek is alles peis en vree”, zegt hij. “Ik begrijp die angstpsychose niet. Ik heb me nog nooit bedreigd gevoeld, zelfs niet ’s avonds laat. Ik nodig alle bange Vlamingen uit om op bezoek te komen. Het hangt hier op straat vol camera’s; wat kan er in ‘s hemelsnaam misgaan?” Kent hij een van de jongens die betrokken was bij de aanslagen in Parijs? “Nee. Wat zij gedaan hebben, heeft niets met de islam te maken. Zij zijn fascisten.” Dat laatste woord spuwt hij uit. “Molenbeek is niet de bakermat van het jihadisme. Die aanslagen zijn verwerpelijk, maar nu weten we wel wat Syriërs, Libanezen, Irakezen en Palestijnen al jarenlang dag in dag uit meemaken. Ik hoop dat we daar lessen uit trekken.”

Aan de ingang van het metrostation Graaf Van Vlaanderen staan drie agenten rond een gekleurde jongen met een baardje en een rugzak. “Je moet begrijpen dat we geen risico’s nemen als iemand zoals jij zich eigenaardig gedraagt”, zegt een van de agenten boos in het Nederlands. De jongen staart naar de grond.

 

Woensdag 18 november

Naar het plein

Uçar zit in de herfstzon op een bankje op een plein aan de Zwarte Vijvers. Warm ingeduffeld, zijn muts over de oren en zijn wandelstok naast hem. Elke morgen wandelt hij van Laken naar Molenbeek. “Mijn broer bezoeken die hier vlakbij woont, aan de Steenweg op Gent.” Vijf jaar geleden ging Uçar met pensioen. “Mijn hele leven heb ik als arbeider in een fabriek in Anderlecht gewerkt.” Zijn kapotte knie is daar een souvenir van.

Vijfenveertig jaar geleden verliet hij zijn geboorteland Turkije om een nieuw bestaan op te bouwen in Molenbeek. “Ik woonde hier dertig jaar, tot het genoeg was en we besloten om te verhuizen naar Laken.” “Waarom?” vraag ik. “De drugs, mijnheer. U merkt er waarschijnlijk niets van, maar cannabis, cocaïne en heroïne zijn hier overal te koop. Hebt u kinderen? Ik heb er twee, ze zijn allebei Belg. Ik wou vermijden dat ook zij verknoeid zouden raken en daarom hebben we Molenbeek ingeruild voor Laken.” Zijn daar dan geen drugs te vinden? “Véél minder. Mijn oudste zoon woont nu in Schaarbeek en ook daar is het stukken veiliger en aangenamer. De drugs hebben Molenbeek herschapen tot een rovershol. Ze stelen hier als de raven, zowel jong als oud.” Uçar zelf is nog nooit bestolen. “Maar vrienden van me wel. De lokale politici en politie zijn veel te tolerant. Nu zie je wat er van komt: bij die terroristen in Parijs zaten er ook een paar van Molenbeek.” Bij het afscheid zegt hij: “Wees voorzichtig.”

Woensdagnamiddag en de zon schijnt, dus komen Anissa en Fatima met hun jonge kinderen naar het speelplein aan de Bonneviestraat. “Het leven in Molenbeek ís goed”, zegt Anissa. Ze is woedend over de manier waarop haar gemeente nu volgens haar in de wereldpers wordt afgeschilderd als ‘het rijk van het kwaad’. “Wij kozen er bewust voor om hier met onze kinderen te wonen en we hebben daar nog geen moment spijt van gehad. Natuurlijk is er veel werkloosheid en armoede, maar sinds wanneer is armoede een synoniem van slechtheid? Na de aanslagen in Parijs zijn wij even hard in shock als alle andere Belgen en we hebben evenveel angst voor wat er ons nog te wachten staat. Iedereen is een doelwit geworden.” Sinds vrijdag durft Fatima’s zoontje van vijf niet meer op de metro. “Gelukkig wordt hij hier op school goed opgevangen.” Anissa’s zoon van elf voelt zich na Parijs geviseerd omdat hij moslim is. “Hij wordt erover aangesproken alsof hij medeverantwoordelijk is”, zegt ze. “Maar met de islam zoals die door IS gepropageerd wordt, willen wij niets te maken hebben. Onze islam gaat over verdraagzaamheid. Het kan mij niets schelen of iemand sjiiet, soenniet, christen of iets anders is. Het enige wat telt, is medemenselijkheid.”

Dat vindt ook Aimable. Na de genocide in zijn geboorteland Rwanda vluchtte hij naar België. Hij woont in Waals-Brabant en reist elke dag naar Molenbeek. Hij houdt van de sfeer die er hangt. “Ik kuier rond, ontmoet vrienden, praat met mensen zoals jij en probeer wat klusjes te versieren. Ik ben de Belgen zeer dankbaar omdat ze me indertijd gered en geholpen hebben. Ik begrijp niet waarom jonge gasten die hier veel kansen krijgen, hun land en hun medeburgers aanvallen. Ik ben er ziek van. Geloven ze nu echt dat ze hun paradijs verdiend hebben? Ik ben er

zeker van dat ze zullen branden in de hel.”

 

Donderdag 19 november

Op de markt

“Un euro! Un euro!” Minutenlang vuurt de marktkramer zijn reeks ‘un euro’s’ af over het Sint-Jan-Baptistvoorplein. Batterijen, kurkentrekkers, scharen, wc- en haarborstels… in zijn kraam kost alles exact één euro. Mohammed zoekt in een bak vol plastieken leesbrillen naar een exemplaar met de juiste sterkte. “Ik woon in Elsene, maar elke donderdag kom ik naar de markt van Molenbeek”, zegt hij. “Je vindt hier producten die rechtstreeks uit Marokko geïmporteerd zijn. Het aanbod is even uitgebreid als op de Zuidmarkt, alleen is het hier rustiger.” Hangt er vandaag een andere sfeer dan vorige week, de dag voor de aanslagen in Parijs? “Nee, en ik heb ook niet de indruk dat er minder volk is. De mensen zijn niet bang. Wat wel bizar is, zijn al die journalisten die hier en op het Gemeenteplein hun camera’s opgesteld hebben. Net alsof we allemaal figuranten zijn in een slechte film.”

Roger staat in een portiek te schuilen voor de regen. “De inwoners van Molenbeek zijn de internationale persaandacht en de camera’s moe”, zegt hij. In een ver verleden stond Roger bij de RTBF zelf achter de camera. Nu maakt hij documentaires. Hij is geboren in Jette en noemt zichzelf een rasecht ketje. “Mijn moedertaal is het Brussels dialect.” Hij komt hier vaak naar de markt, niet om te winkelen, maar om te praten met de mensen. “Ik werk aan een documentaire over radicalisme. Ik ben er al meer dan een jaar mee bezig, zonder geld en zonder vooruitzicht of het ook ooit zal lukken. Maar ik wil die film maken omdat ik me grote zorgen maak over het effect van het extremisme op een superdiverse gemeenschap als Molenbeek. Ik heb op deze markt verschillende mensen leren kennen die rechtstreeks slachtoffer zijn van de radicalisering; zowel grootouders als ouders van kinderen die naar Syrië vertrokken zijn. Tot hiertoe wil niemand getuigen voor mijn camera. Ze vertellen me dat in de zogenaamde Islamitische Staat onze media met argusogen gevolgd worden. Volgens hen luisteren ze in Raqqa zelfs naar onze radiozenders. Ze zijn bang dat IS wraak zal nemen op hun zoon. Daarom willen ze niet dat ik hen film en dragen ze hun verdriet liever in stilte.”

Twaalf uur. Een bebaarde jonge vader staat aan de schoolpoort zijn kind op te wachten. Onder een hippe jas draagt hij het uniform van de salafist: een te lang hemd en een te korte broek. Zijn zoontje van een jaar of acht zwaait naar hem. Het jongetje draagt onder zijn regenjasje van een duur merk hetzelfde uniform als papa. Hand in hand wandelen ze de straat uit. Ik volg hen van op een afstand. In de Pastorijstraat stappen ze een kleine moskee binnen. Tijd voor hun middaggebed.

Ik keer terug naar de markt en zoek dekking voor de regen in theehuis Kazinski. Hamza komt naast me zitten en bestelt een koffie. Uit zijn boodschappentas op wieltjes piept prei en selder. De grote flatscreen aan de muur staat afgestemd op de Arabische nieuwszender Al Jazeera. De cover van de Franse krant Libération komt schermvullend in beeld, met daarop een foto van een vriendelijk lachende Abdelhamid Abaaoud en de tekst: ‘Le visage de la terreur’. Hamza buigt zich naar mij en vraagt: “Bent u journalist? Wilt u dan alstublieft in uw krant schrijven dat de moslims van Molenbeek doodziek zijn van wat die jongen heeft aangericht?”

 

Vrijdag 20 november

In de moskee

 De winkeliers van de Steenweg op Gent duwen hun luiken omhoog en rollen hun uitverkoopbakken naar buiten. Het schemert nog, het is kil en er hangt regen in de lucht. Een bejaarde Marokkaanse vrouw in traditionele kledij zit gehurkt tegen de gevel van een schoenwinkel. Ze heeft verpakkingen van geneesmiddelen uitgestald, met bovenop een paarse puffer. In een botervlootje liggen een paar centen. Ik gooi er wat kleingeld bij. “Merci, monsieur. Insjallah.” Ik vraag wat haar scheelt. “Mijn rug en diabetes.” Ik wijs naar de puffer. “En astma”, knikt ze. Ze opent haar mond en wijst naar haar gebit. Ik zie een rij metalen tanden. “Tandpijn.” Leeft ze op straat? Ze legt haar hand op haar hand, mompelt “Insjallah” en beschouwt het gesprek als beëindigd.

In de Delaunoystraat loopt de grote moskee Al Khalil langzaam vol voor het vrijdaggebed. Vijftig meter verder staat het huis waar de politie afgelopen maandag vergeefs zocht naar terroristen. Tijdens die raid moeten alle ramen gesneuveld zijn, want ze zijn nu dichtgespijkerd met houten panelen.

In de moskee zijn achteraan een paar rijen stoelen voorbehouden voor nieuwsgierige journalisten, zoals de Hongaar Gregö. Hij arriveerde een uur geleden in Molenbeek. “Ik dacht dat ik in conflictgebied terecht zou komen, maar het is hier verbazend rustig”, zegt hij. “Waar vind ik de jihadistenzone die jullie minister van Binnenlandse Zaken wil opkuisen?” Gregö kijkt vol verwondering naar de vele gelovigen die knielen voor het gebed. “Bij ons wonen er amper moslims en is er bij mijn weten ook geen moskee. Onze premier Orban wil dat zo houden en is daartoe tot alles bereid.”

Klokslag één begint de dienst met een intens gezongen “Alahu Akbar”, waarna imam Mustafa Kastit het woord neemt. “Broeders en zusters”, zegt hij. “Wie één mens doodt, doodt de hele mensheid. Wie het leven van één mens beschermt, beschermt de hele mensheid. Wij veroordelen niet alleen de dodelijke, misdadige aanslagen van vorige week vrijdag, maar alle vormen van geweld, van wie ook. Terrorisme heeft geen kleur of religie. Je vindt het in elke cultuur, in alle beschavingen.”

Na de aanslagen in Parijs, is voor imam Kastit de maat duidelijk vol. “Ze vormen een regelrechte bedreiging voor de vrede en de vriendschap tussen alle mensen. Het volstaat niet langer om terrorisme enkel te veroordelen, we moeten ook de voedingsbodem wegnemen. Als we willen dat onze jongeren meebouwen aan de maatschappij van morgen, moeten we allemaal samen, moslims en niet-moslims, strijden tegen discriminatie en kansen creëren voor onderwijs en werk.”

Dan richt de imam zich tot de ouders van Molenbeek. “Hou jullie kinderen in de gaten en merk sporen van radicalisering zo snel mogelijk op. Jullie moéten weten met wie ze contact hebben, welke internetsites ze bezoeken en naar wie ze luisteren.” De imam roept de vaders en moeders in zijn moskee op om achterdochtig te worden van zodra hun kind overdreven vroom wordt. Daarna steekt hij de hand in eigen boezem. “Onze opvoeding heeft gefaald. Onze jongeren zijn makkelijke prooien voor de extremisten en hun perverse ideologie. Het is hoog tijd dat imams, moslimverenigingen en –leraars van strategie veranderen. We mogen onze jonge mensen niet overlaten aan de ronselaars en haatpredikers, maar moeten dringend initiatieven ontwikkelen om ze bij ons te houden. Want hun toekomst is de onze. We moeten naar hen luisteren, hen proberen begrijpen. Pas daarna kunnen we de weg wijzen. Insjallah.”

 

 

© Jan Stevens

André Glucksmann (19 juni 1937 – 10 november 2015)

Zaterdag 7 december 2002Voor de vooraanstaande Franse filosoof André Glucksmann zijn de misdaden die Vladimir Poetin in Tsjetsjenië heeft begaan, even erg als die van Milosevic in Bosnië en Kosovo. Hij aarzelt zelfs niet om Poetin op één lijn te zetten met Osama bin Laden. ,,Net als Bin Laden kent Poetin geen scrupules. Hij is de volmaakte nihilist.”

In zijn onlangs verschenen boek, Dostoïevski à Manhattan (uitgeverij Robert Laffont), markeert André Glucksmann de aanslagen van 11 september als het begin van een nieuw tijdperk: dat van de triomf van het absolute nihilisme. ,,In Demonen schreef Dostojevski over de gevaren van de ideologie van het nihilisme”, zegt Glucksmann. ,,Met de vernietiging van de WTC-torens is de fictie op de gruwelijkste manier werkelijkheid geworden.”

Glucksmann definieert nihilisme als het verwerpen van traditie en religie in naam van de moderniteit. ,,Paradoxaal genoeg wijzen absolute nihilisten tegelijkertijd de moderniteit af vanwege haar ‘betekenisloosheid’. Osama bin Laden beroept zich op God en op de koran, terwijl hij alleen maar geïnteresseerd is in de totale destructie. Goed en kwaad zijn voor hem niet langer van tel. Wat Poetin in Tsjetsjenië aanricht, is van dezelfde orde.”

Waarop baseert u zich om president Poetin en de terrorist Osama bin Laden over één kam te scheren? Poetin legitimeert de oorlog in Tsjetsjenië juist als een strijd tegen het terrorisme.

,,Poetin speelt met woorden, en vooral met het woord ‘terrorisme’. Democraten omschrijven terrorisme als een opzettelijke vorm van agressie tegen een weerloos persoon. Wie een oorlog tegen burgers voert, is bezig met een terroristische oorlog. En dat is precies waar het Russische leger zich aan bezondigt. De Tsjetsjeense gijzelnemers in het theater in Moskou waren evenzeer terroristen: ook zij hebben het leven van gewone mensen in gevaar gebracht.”

,,Vladimir Poetin is het niet eens met de democratische invulling van het begrip ‘terrorisme’. Een terrorist is volgens hem iemand die — hetzij met woorden, hetzij met daden — de Russische staat aanvalt. Hij steunt zich daarbij op het strafwetboek van zijn communistische voorgangers. Alexander Solzjenitsyn schrijft in De Goelag-archipel dat artikel 58 van het sovjetstrafwetboek verantwoordelijk was voor de deportatie van miljoenen Russen naar de strafkampen. In paragraaf 8 wordt haarfijn uitgelegd wat de notie ‘terroristische intentie’ inhoudt.”

,,Solzjenitsyn illustreert dat met een voorbeeld: stel dat je de minnaar van je vrouw doodschiet. Als die minnaar een gewone sterveling is, bega je een ‘gewone’ misdaad, waar geen buitensporige straf op staat. Als die minnaar lid is van de communistische partij, bega je een terroristische aanslag en mag je levenslang in een strafkamp gaan zwoegen. Poetin hanteert nog steeds dezelfde definitie van terrorisme. Het terrorisme waartegen de democratieën strijden is niet hetzelfde als het terrorisme waartegen Poetin strijdt.”

Solzjenitsyn steunt Poetin nochtans voluit in zijn oorlog tegen de Tsjetsjenen.

,,Ach, Solzjenitsyn is een Kozak, en er bestaat al eeuwenlang een enorme rivaliteit tussen de Kozakken en de Tsjetsjenen. Daarenboven is Vladimir Poetin een bijzonder slimme man. Jeltsin heeft Solzjenitsyn altijd misprezen. Poetin heeft hem bezocht en bewierookt. Poetin is een kameleon. Hij heeft niet voor niets zijn sporen verdiend in de Russische geheime dienst. Als hij Bush gaat opzoeken, gedraagt hij zich als een volmaakte liberaal en christen. Als hij bij Schröder op de koffie gaat, charmeert hij de Duitsers met zijn uitstekende kennis van de Duitse taal. Maar iedereen lijkt te vergeten dat hij die kennis opgedaan heeft als baas van de Stasi, de Oost-Duitse Gestapo. Als hij naar Noord-Korea gaat, transformeert hij in een stalinist, en als hij nucleaire centrales probeert te verkopen aan Iran of Irak, trekt hij weer een ander pak aan. Hij is de perfecte spion gebleven.”

,,Tijdens de Tweede Wereldoorlog hield het Rode Leger de traditie hoog om fikse geldsommen uit te delen aan soldaten die zich bijzonder onderscheiden hadden aan het front. Poetin heeft die oude traditie op 1 januari 2000 een nieuwe dimensie gegeven. Voor het oog van de camera’s gaf hij de Russische soldaten in Tsjetsjenië een cadeau. Het was trouwens voor het eerst dat hij op een officiële ceremonie begeleid werd door zijn vrouw. Ze droeg een schitterend roze mohairen ensemble. (lacht) Poetin gaf aan elke soldaat een jagersmes, bedoeld om wolven mee te doden. De wolf is het nationale symbool van de Tsjetsjenen. Poetins boodschap voor het nieuwe millennium aan zijn soldaten was duidelijk: jaag alle Tsjetsjenen over de kling.”

,,Ja, de man heeft veel capaciteiten: hij slaagt erin om in dezelfde week bloemen op het graf van Andropov én op het graf van Sacharov te leggen. KGB-baas Joeri Andropov heeft indertijd de dissident Andrei Sacharov verbannen. Poetin kent geen scrupules. Er bestaat geen beter voorbeeld van een volmaakte nihilist. En dat straalt af op de Russische troepen in Tsjetsjenië. In 2000 ben ik gedurende vijf weken in Tsjetsjenië geweest en heb ik dat nihilisme zelf kunnen ondervinden.”

Was u er illegaal?

,,Ja. In december ’99 werd ik door het persbureau Tass in Moskou uitgenodigd om deel te nemen aan een televisiedebat over de toestand in Tsjetsjenië. Tijdens de uitzending vroeg ik één minuut stilte voor de doden die het Russische leger op zijn geweten had. Ik ging overeind staan en de vertegenwoordiger van de Russische strijdkrachten, generaal Manilov, volgde mijn voorbeeld. Hij betoonde zijn eer aan de slachtoffers van zijn eigen leger. (lacht)”

,,Later vertelde hij aan al wie het horen wilde dat ik hem moreel onder druk had gezet. De eerstvolgende keer dat ik bij de Russische ambassade in Frankrijk een visum aanvroeg, kreeg ik nul op het rekest. Ik ben dan illegaal naar Tsjetsjenië getrokken. Het Tsjetsjeense verzet heeft me binnengesmokkeld. Ik heb er verschillende plaatsen bezocht, maar ik kan u niet vertellen waar ik geweest ben, want de FSB — de voormalige KGB — luistert mee.”

Ook hier in Parijs?

,,Zeker. De FSB is — net als God — overal. Wat niet wil zeggen dat ze me bedreigen. Ik ben een Frans staatsburger, ze kijken wel uit. Wat ik in Tsjetsjenië gezien heb, tart elke verbeelding. Het Russische leger heeft totaal geen ideologie, behalve die van het geld. Ze kopen en verkopen alles. Ik heb in Tsjetsjenië rondgereden in een auto van een FSB-kolonel. Het was het ideale vehikel om zonder problemen controleposten te passeren. Je kunt er, via bemiddeling van het verzet, auto’s en doorgangsbewijzen van de FSB ‘huren’.”

,,In ruil voor dollars spelen Russische soldaten en officieren chauffeur voor clandestiene passagiers zoals ik. Ze voeren leiders van het verzet rond, transporteren zwaargewonde verzetslui en verkopen wapens aan de guerrillero’s. De kolonel die me rondreed, droeg een armband waarin gegraveerd stond: Get what you want . Dat is meteen ook de essentie van de nihilistische filosofie van het hele Russische leger. Het is hun eigen interpretatie van de song ,,You can’t always get what you want” van de Rolling Stones. Hun zuiveringsacties in de dorpen doen ze trouwens terwijl er muziek van de Stones uit de luidsprekers van hun auto’s knalt.”

,,De oorlog heeft een groot Apocalypse now -gehalte, maar de Russen gaan nog veel cynischer te werk dan de Amerikanen in Vietnam. In de Kommandanturen kunnen Tsjetsjeense burgers hun gedode familieleden ‘kopen’. Er bestaat een tarievenlijst: zoveel dollars voor een kind, zoveel voor een vrouw, zoveel voor een man. Wie geen geld op tafel kan leggen, krijgt het lijk in stukken gesneden terug. Ik heb dat niet zelf gezien, nee. Ik ben om voor de hand liggende redenen niet in zo’n Kommandantur binnengestapt. Maar die verhalen worden bevestigd door Amnesty International, Human Rights Watch en de Russische mensenrechtenorganisatie Memorial.”

Het Tsjetsjeense verzet kun je toch ook bezwaarlijk een club van geciviliseerde democraten noemen? De groep rond de verkozen president, Aslan Maschadov, lijkt amper nog enige invloed te hebben: op het terrein zwaaien de warlords de plak.

,,De Tsjetsjenen leven in een soort van eeuwigdurende guerrilla. Daardoor weten ze niet hoe het is om in een echte staat te leven. Ze zijn verdeeld in clans die zichzelf controleren. Ze erkennen de autoriteit van een figuur als Maschadov niet, terwijl hij toch democratisch verkozen is. Door de oorlog heeft hij zijn greep op de rebellen helemaal verloren. Elke regio, elke clan, elke familie doet zijn eigen zin. Maar dat wil niet zeggen dat Maschadov machteloos is. Alle Tsjetsjenen erkennen dat hij onmisbaar is als het op vredesonderhandelingen met de Russen aankomt.”

,,In die clans zitten ongetwijfeld gangsters die zich tijdens de drie jaar durende ‘vrede’ tussen de eerste en de tweede Tsjetsjeense oorlog schuldig gemaakt hebben aan misdaden en terroristische aanslagen. Daarnaast zijn er kleine moslimfundamentalistische fracties die gefinancierd worden door Saoedi-Arabië. En dan zijn er ook nog legertjes van moslimfundamentalisten die betaald worden door de Russen zelf.”

,,Ik weet dat het Tsjetsjeense verzet vaak geassocieerd wordt met fanatici en extremisten. Ik heb hen leren kennen als liefhebbers van de vrijheid. De vrouwen spelen een belangrijke rol in dat verzet. Een paar weken geleden stond er een reportage in Le Figaro Magazine , gemaakt door een fotojournalist die een bataljon van het Russische leger volgde. De Russen hielden een auto met vijf jonge Tsjetsjeense mannen tegen. Ze sleurden de jongens eruit en zetten hen tegen de muur. Plots kwamen er tientallen gewapende en gemaskerde vrouwen te voorschijn. Ze schoten naar de Russen en bevrijdden de jonge Tsjetsjenen. De fotograaf beschreef hoe een van die vrouwen naar hem toe liep: ‘Ze had prachtige groene ogen en benen waar geen einde aan leek te komen.’ (lacht) Hij wou een foto van haar nemen, ze griste het toestel uit zijn handen en brak er zijn neus mee. Ondanks zijn gebroken neus was hij kapot van bewondering. (lacht) Nee, de Tsjetsjeense vrouwen lopen niet gehuld in een burqa.”

Romantiseert u het beeld van het Tsjetsjeense verzet niet? Tussen de twee oorlogen in begon het Maschadov-regime met de stapsgewijze invoering van de islamitische sharia.

,,De Tsjetsjeense sharia is een lokale variant van de moslimsharia. Die is niet dezelfde als de sharia die de ayatollahs in Iran ingevoerd hebben. Ik wil de Tsjetsjenen niet voorstellen als engelen. Maar je kunt er niet omheen dat ze een geest van vrijheid koesteren die er tot hiertoe voor gezorgd heeft dat de overgrote meerderheid niet moslimfundamentalistisch geworden is.”

,,Maar ik vrees voor de toekomst. Het is niet denkbeeldig dat Tsjetsjenië binnen afzienbare tijd in een Afghaans scenario terechtkomt. In de sovjettijd hebben de Russen gedurende tien jaar Afghanistan bezet. De Russische soldaten hebben toen niet alleen individuen omgebracht, ze hebben ook alle sociale en morele structuren vernietigd. Uit de ruïnes die ze achterlieten, zijn de ‘gekken van God’, de Taliban, opgestaan. Het resultaat is 11 september.”

,,In Tsjetsjenië is de vernietiging ongelooflijk groot en ik maak me zorgen over de nieuwe generatie Tsjetsjenen, de jongeren die nooit iets anders gekend hebben dan oorlog. De volwassen Tsjetsjenen hebben een tijdlang vreedzaam met de Russen samengeleefd. Ze kennen Rusland en haten de Russische burgers niet. Ze vechten tegen het leger en weten dat veel gewone Russen het niet eens zijn met de oorlog. Ze houden vast aan de Tsjetsjeense traditie dat een gewapende man alleen een andere gewapende man aanvalt. Tot hiertoe heeft het verzet min of meer verzaakt aan het attaqueren van burgers. Ze spuiten geen gifgas in de metro van Moskou of blazen geen bussen op. De aanslagen op de flatgebouwen in Moskou waren zo goed als zeker het werk van de FSB. Ik hoop dat de gijzeling in het theater geen voorbode is van meer terroristische acties.”

,,De kans dat veel jongeren zich ofwel laten manipuleren door de FSB, ofwel een carrière als gangster uitbouwen, ofwel moslimfundamentalist worden, groeit met de dag. Dat is een gevaar voor Rusland, maar ook voor Europa. De Russische nucleaire centrales zijn niet direct een toonbeeld van veilige en betrouwbare constructies. Als de een of andere Tsjetsjeense fanaat het in zijn hoofd haalt om er met een vliegtuig tegenaan te vliegen, kunnen we het allemaal schudden.”

U verwijt de Europese politici dat ze Poetin niet aan de onderhandelingstafel dwingen. Zijn ze bang voor de reactie van de Russen?

,,Blijkbaar wel. Ik begrijp die angst voor Poetin niet. Hij heeft nood aan ons geld en aan onze kredieten, hij weet dat Rusland pas binnen vijftien jaar de levensstandaard van Portugal zal bereiken — dat heeft hij overigens zelf geschreven. Rusland is niet langer de supermacht waar we bang voor moeten zijn, integendeel, het is verworden tot een ontwikkelingsland. Doordat we de Russen zonder enige eis tot stopzetting van de oorlog financieel blijven steunen, zijn we medeplichtig aan de ‘samenzwering van de stilte’. We bezondigen ons aan wat de Oostenrijkse schrijver Hermann Broch de ‘misdaad van de onverschilligheid’ noemde. Broch merkte in 1945 op dat de schuld van Europa voortkwam uit het feit dat de Europese democraten hun ogen sloten voor de gruweldaden van de nazi’s. Niemand kan over de oorlog in Tsjetsjenië zeggen: Ich habe es nicht gewusst. Het Holocaustmuseum in Washington — dat er niet van verdacht kan worden een moslimfundamentalistisch bolwerk te zijn of gefinancierd te worden door Bin Laden — noemt de oorlog in Tsjetsjenië Genocide War number One . We zijn geïnformeerd, we weten het en dragen bijgevolg allemaal verantwoordelijkheid. Niet alleen politici, maar ook journalisten, schrijvers, filosofen en gewone burgers. Poetin moet onder druk gezet worden. De bal ligt in ons kamp.”

© Jan Stevens

“De sleur van het leven is geweldig”

De jacht naar geluk stort mensen in het ongeluk. Dat beweert de Nederlandse psycholoog Jeffrey Wijnberg. “Een mens moet aanvaarden wat hij wel kan, en vooral wat hij niet kan.”

“De mens dient gelukkig te zijn. En het leger aan psychologische hulpverleners staat klaar om daarvoor zorg te dragen.” Met die zin vangt de Nederlandse psycholoog Jeffrey Wijnberg (1951) elk hoofdstuk aan van zijn pas verschenen boek Dictatuur van het geluk. “Ik ben geen fan van de jacht naar geluk”, zegt hij. “De voorbije dertig jaar is geluk voor veel mensen de norm geworden. Psychologische hulpverleners hebben daar alleen maar toe bijgedragen.” Dat komt volgens Wijnberg omdat ze gevangen zitten in een vorm van ‘psychologische correctheid’. “Mensen komen naar de psycholoog met klachten als: ‘Ik ben verlegen en wil assertief worden’; ‘Ik ben angstig en wil dat niet meer zijn’, of: ‘Ik ben depressief en dat moet opgelost worden’; ‘Ik heb een dilemma en wil een uitkomst.’ Alleen zijn die klachten vaak de realiteit die mensen zouden moeten leren aanvaarden. Maar heel veel psychologen zitten vast in het keurslijf van wat de dictatuur van het geluk hen oplegt en maken beloften die ze nooit helemaal waar kunnen maken.”

Jeffrey Wijnberg is allesbehalve een ‘psychologisch correcte psycholoog’. In zijn knusse praktijk in het Noord-Nederlandse Groningen gaat hij continu in de clinch met zijn patiënten. Samen met zijn Nijmeegse collega Jaap Hollander staat hij in Nederland sinds de jaren tachtig bekend als wegbereider van de ‘provocatieve therapie’. “De grondlegger is de Amerikaan Frank Farrelly”, zegt Wijnberg. “Hij was een leerling van Carl Rogers, een van de belangrijkste psychologen van de vorige eeuw. In de jaren vijftig ontwikkelde Rogers de empathische benadering: de therapeut moest meeleven en begrip tonen. Tot de dag van vandaag vormt zijn humanistische psychologie nog steeds de basis van zowat elke therapie. Maar het grote probleem met de empathische methode is dat de therapie eindeloos kan duren. Farrelly was iets ongeduldiger en wou er wat meer pit in brengen. Hij kreeg daarvoor ook toestemming van Carl Rogers.”

In 1964 hield Frank Farrelly de allereerste provocatieve sessie met een zwaar depressieve patiënt. “De man klaagde dat zijn leven zinloos was, dat hij geen perspectief zag en niet meer in de samenleving kon functioneren. Farrelly had die mantra al meermaals gehoord en was er altijd empathisch in mee gegaan. Nu zei hij: ‘Ik ben het met je eens: het wordt niks met jou. Ik zie ook geen perspectief en heb ook geen idee hoe jij nog in de samenleving kunt functioneren.’ De patiënt werd verschrikkelijk kwaad. Farrelly’s provocatie bleek als een soort van shocktherapie te werken.”

Wijnberg ontmoette Farrelly in het begin van de jaren tachtig. “Ik was toen nog een klassieke psycholoog. Ik vond die provocatieve psychologie eerst maar niets en in het begin maakte ik veel ruzie met Frank. Tot hij me voorstelde om zelf een sessie te ondergaan. Ik was meteen verkocht. Vaak komen hier mensen over de vloer met leed dat tot het dagelijks leven behoort. Ze hebben dat dan geproblematiseerd. In de provocatieve psychologie blijf je mensen confronteren tot ze op een bepaald moment doorhebben dat er eigenlijk niets aan de hand is. Zo blijven alleen diegenen over die écht een probleem hebben.”

Veroorzaken ‘Psychologisch correcte psychologen’ die hun patiënten volgen in hun zoektocht naar ‘geluk’ stijgend ongeluk?

Jeffrey Wijnberg: “Doordat ze hun beloften niet kunnen waarmaken, raken hun patiënten teleurgesteld in de hulpverlening. Zo verdwalen ze nog meer en krijgen ze nog sterker het idee dat ze niet voldoen. Een paar weken geleden zat op de plaats waar u nu zit een man die me zei: ‘Ik denk dat het tijd wordt dat ik meer initiatief neem.’ Als ik zoiets hoor, weet ik meteen hoe laat het is: die man is gestuurd door zijn vrouw. (lacht) Begrippen als creatief, initiatief, assertief, proactief, het heft in eigen handen nemen, zelfstandig zijn, zelfredzaam zijn, onafhankelijk worden… zijn tegenwoordig ontzettend populair.

Toen ik die man hoorde zeggen dat hij meer initiatief wou gaan nemen, schoot ik in de lach. ‘Dit is toch niet jouw idee?’ Dat gaf hij ook meteen toe. Ik vroeg: ‘Hoe lang ben je getrouwd?’ Dat bleek een hele tijd te zijn. ‘Is het dan niet zo dat jij het beste functioneert op initiatief van je vrouw?’”

In Vlaanderen noemen wij zo iemand ‘een sloef’.

“Hij was het daarmee eens. (lacht) Hij wist heel goed hoe hij haar tegemoet moest komen, en vond dat ook prettig. Want zo was hij er zeker van dat haar verlangens bevredigd werden. Ik zei: ‘Als je maar lang genoeg getrouwd bent, heb je als man geen ideeën meer.’ Hij zat ongemakkelijk in zijn stoel te draaien. Ik vervolgde: ‘Henk, dat mag best hoor.’ Hij keek me verbaasd aan: ‘Meent u dat?’”

U beantwoordde op dat moment toch totaal niet aan het beeld dat Henk van u als therapeut had? Hij kwam uw hulp vragen om meer initiatief te leren nemen.

“Ja. Een reguliere hulpverlener stelt dan vragen zoals: ‘Hoe afhankelijk bent u van uw vrouw? Hoeveel last hebt u ervan?’ De conclusie zal dan misschien zijn dat Henk een afhankelijkheidsstoornis heeft. Waarna er een stappenplan bedacht wordt om het einddoel, ‘initiatiefrijker worden’, te bereiken. Hallo? Waar zijn we mee bezig?”

U gelooft niet dat Henk door zo’n stappenplan initiatiefrijker kan worden waardoor hij het geluk zal vinden?

“Ik heb Henk een eenstappenplan voorgesteld: ‘Vanavond neem je je agenda en zeg je tegen je vrouw: “Betty, voortaan ga ik wat meer in mijn agenda noteren wat jij precies allemaal wilt.” Meer hoef je niet te doen.’”

U raadde Henk aan om voluit te gaan voor een leven als sloef?

“Ja. Ik adviseerde hem om te versterken wat hij al deed. Want als Henk het initiatief neemt om naar links te gaan, is de kans heel groot dat zijn vrouw naar rechts wil en omgekeerd. In het begin van hun relatie nam hij zonder twijfel initiatieven, maar die werden allemaal afgebrand. Daarom is hij er op een bepaald moment mee gestopt.”

Hij zou ook kunnen scheiden en zo zijn leven een nieuwe wending geven.

“Dat zou dan een heel origineel initiatief van hem zijn. Ik heb hem gevraagd wat hij daarvan vond, maar dat was niet de bedoeling.”

U gelooft niet dat een mens zichzelf kan veranderen?

“Toch wel, anders was ik geen psycholoog geworden. Maar een mens moet aanvaarden wat hij wel kan, en vooral wat hij niet kan.”

U gaat daar zeer ver in, want wie een moeilijke baas heeft en daaronder lijdt, adviseert u om dat te accepteren: ‘Doe je werk en probeer conflicten te vermijden.’

“Wie in die situatie belandt, heeft geen keuze. Zo gaat het toch in de wereld? Ik heb het net zelf ondervonden. Ik schrijf al twintig jaar columns voor de Nederlandse krant De Telegraaf. Ze gaan ‘vernieuwen’ en ‘restylen’ en gisteren lieten ze me weten dat ik daar niet meer bij hoor. Heb ik daar enige invloed op? Nee. In die twintig jaar waren er af en toe wel eens vragen of opmerkingen en dan stelde ik me tegenover de directie altijd tegemoetkomend op. Ik was het niet altijd met hen eens, maar als ik ooit mijn zin zou doorgedreven hebben, had ik een groot probleem. Een werknemer kan hooguit bij zijn baas eens een verzoek indienen of hij zijn mening mag ventileren, al doet hij dat naar mijn mening best nederig. Hij bekleedt niet de positie om hoog van de toren te blazen.”

U schikt zich in uw lot?

“Zo zit ik dan ook weer niet in elkaar. (lacht) We moeten ons niet louter schikken in ons lot, maar de speelruimte die we hebben, is wel redelijk beperkt. Het is echt een hele klus om een van je karaktereigenschappen of basisvaardigheden te veranderen. Al is dat niet altijd tot mislukken gedoemd. Ikzelf ben de voorbije veertig jaar enorm veranderd, maar dat was wel met bloed, zweet en tranen. Vroeger was ik het meest verlegen jongetje van de klas. Dat was heel vervelend, want ik verlangde naar een vriendinnetje, maar vrouwen leken onbereikbaar. Op mijn twintigste vond ik dat het zo niet verder meer kon en heb ik mezelf onderworpen aan een streng regime van sociale vaardigheidsoefeningen.”

Oefeningen die u aan uw patiënten nu niet meer voorschrijft?

“Toch wel, maar heel zelden. Ik heb in mijn jonge jaren muziek gestudeerd, en heb dat lang laten rusten. Een tijd geleden dacht ik eraan om basgitaar te leren spelen. Uit ervaring weet ik dat je als je met een instrument begint, je in de eerste twaalf weken enorme sprongen voorwaarts kunt maken. Maar daarna moet je blijven volhouden, want als je een goede basgitarist wilt worden, moet je elke dag minimaal drie uur oefenen. Dat is met bijna alles zo: als je iets onder de knie wilt krijgen, moet je er dag in dag uit in investeren.

Tegenwoordig hoor je mensen voortdurend zeggen: ‘Ik zou zo graag authentieker, assertiever en creatiever worden.’ Meer dan ooit tevoren dromen mensen ervan om ondernemer te worden; ze willen allemaal ‘voor zichzelf beginnen’. Maar dat gaat niet vanzelf. Als een van mijn cliënten die wens uitspreekt, vraag ik hem om eerst iets heel banaals te proberen. ‘Sluit in de supermarkt aan de kassa aan de langste rij aan en knoop met de persoon voor je een gesprek aan. Hou dat vol tot hij of zij afgerekend heeft.’ Zo goed als niemand ziet dat zitten. ‘Ik wou even testen tot wat je bereid bent, maar als dit al een brug te ver is, zit zelfstandig ondernemen er niet meteen in.’”

Vinden uw cliënten het weerwerk dat u biedt altijd zo fijn?

“Ze ervaren dat als zeer aangenaam. Heel vaak reageren ze met: ‘Eindelijk eens een psycholoog die niet met mij mee huilt maar tegengas geeft.’ Ik ga in het verzet tegen de ‘psychologische correctheid’. Iemand die meldt dat hij angst heeft, komt bij psychologisch correcte collega’s in aanmerking voor angstreductie. Terwijl angst functioneel, gezond, nodig en zelfs beschermend is.”

Als je voortdurend angstaanvallen hebt, zit je toch met een probleem?

“Natuurlijk is dat storend voor je dagelijkse functioneren, maar misschien is daar wel een reden voor. Als je paniekaanvallen krijgt als gevolg van chronische overprikkeling, zijn die paniekaanvallen een uiting van je brein dat schreeuwt om rust, stilte, afzondering en minder adrenaline. Hetzelfde voor een depressie of een burn-out: in acht van de tien gevallen is dat een beschermingsreactie op een langdurige overbelasting van het lichaam. Als iemand zegt: ‘Ik heb een burn-out’, zeg ik: ‘Dan zit je eindelijk op de goede weg.’ Als iemand dan een behandeling vraagt, antwoord ik: ‘Dat gaan we niet doen.’ (lacht) In de meeste gevallen is er sprake van overbelasting en dan moet ik uitleggen: ‘Dit moet je serieus nemen: nu moet je rusten.’”

In Dictatuur van het geluk beschrijft u een therapeutische sessie met een cliënte die aan poetsdwang lijdt. U adviseert haar om dat gewoon te aanvaarden. Feministen zullen u dat niet in dank afnemen.

“Dat advies heeft ook te maken met hoe Nederlanders tegen poetsen aankijken. Hoe vaak er wordt gepoetst, is een cultureel fenomeen. Zo staat in Amerika poetsen niet erg hoog op de ranglijst. Amerikanen zien hun huis als iets functioneels: het hoeft er niet te blinken, als ze er maar hun leven kunnen leiden zoals zij het willen. In Nederland waren netheid, zorgvuldigheid en properheid lang uitingen van een zekere status. Wij hadden vroeger huishoudscholen waar vrouwen voorbereid werden op een klassiek leven als huisvrouw. De afgelopen jaren is dat natuurlijk fel verminderd. Als een Nederlandse vrouw bij mij langskomt en zegt: ‘Ik lijd aan poetsdwang’, antwoord ik haar: ‘Dat zeg je nu wel, maar strijk je ook de sokken?’ Als dat niet zo is, behoort ze niet tot die categorie. De achterliggende problematiek is vaak dat ze er met haar man of kinderen voortdurend conflicten over heeft. Daardoor gaat ze aan zichzelf twijfelen, terwijl ze haar hart en ziel wél in dat poetsen legt. Dan kan ik dat alleen maar toejuichen. ‘Jij moet hier niet zitten, je man zou hier moeten zitten.’”

Is het per definitie verkeerd om te streven naar iets beter, iets hoger, iets verder?

“Daar is niets verkeerd mee; het is prachtig om idealen te hebben en om iets na te streven dat bijna onhaalbaar lijkt. Dat is van alle tijden, maar als in mijn spreekkamer zo’n ambitie wordt geuit, wil ik wel weten of daarvoor de échte motivatie aanwezig is. Of de toewijding er is en de bereidheid om alles te doen om dat doel te bereiken. Vaak blijkt van niet. Ze weten niet hoe ze hun doel zullen bereiken en hebben een ambitie zonder plan.”

Uw zoon Rob Wijnberg is de stichter van de succesrijke digitale krant De Correspondent. Hebt u hem ook met beide voetjes op de grond gezet toen hij een paar jaar geleden met dat ambitieuze plan op de proppen kwam?

“Toen hij met het plan voor De Correspondent kwam, was ik het al gewend dat hij de meest onmogelijke doelen kon halen. Ik kon nog moeilijk bezwaren opperen. Ik wist: als hij het zo bedacht heeft, voert hij het ook uit. Ik ben veertig jaar geleden beginnen schrijven. Toen Robbie een jaar of acht was, zat hij op mijn schoot en vroeg hij: ‘Papa, wat ben je aan het doen?’ ‘Ik ben een stukje aan het schrijven en straks komt dat in de krant.’ ‘Dat wil ik ook’, zei hij. Ik heb het sowieso moeilijk om alles wat mijn kinderen vragen te ontmoedigen.”

Op hen past u geen provocatieve therapie toe?

“Nee. Ik slaakte een diepe zucht en zei tegen Robbie: ‘Dat kan wel, maar dan moet je eerst stukjes leren schrijven.’ Dat wou hij wel. Ik pakte een wit blad papier en schreef er een titel op: ‘De verdrietige paraplu’. Hij trok ermee naar zijn kamer en een paar uur later was hij terug met een verhaal. ‘Komt het nu in de krant, papa?’ ‘Dan moet je heel veel verhaaltjes schrijven, jongen.’

Ik heb ze nog allemaal, een dikke map vol. Hij is blijven schrijven tot hij in de krant kwam. Robbie is een zeldzaam voorbeeld van ongekende werklust en ambitie. Natuurlijk is hij mijn zoon en ben ik erg vooringenomen, maar toch kom ik zoiets niet gauw tegen.”

Ligt het geluk meer in het verleden dan in de toekomst? U schrijft: ‘Genieten kan pas met terugwerkende kracht. Genieten van iets is kennelijk pas mogelijk als je ervaart hoe het is, als het er niet meer is. Wat je hebt is gewoon en wordt pas bijzonder als je het kwijtraakt.’

“Er wordt nu vaak lyrisch gedaan over ‘leven in het nu’, ‘leven in het moment’ en over ‘geluksmomenten ervaren’. Ik krijg dat besef van gelukkige momenten pas als ik op een rustig moment reflecteer over het verleden, over een voorbije vakantie of een fijne uitstap met de familie. Al mag u dat niet interpreteren als een levensles in de zin van: ‘Kijk meer achterom in plaats van vooruit.’”

We moeten onszelf leren aanvaarden zoals we zijn en kunnen maar beter pragmatisch in het leven staan?

“Ja. Als je dat kunt, heb je al heel wat bereikt. Natuurlijk mag je plannen koesteren en idealen hebben. Aanvaarding is belangrijk, maar onvrede is ook heel menselijk. Elke dag is er wel iets waar we niet tevreden over zijn. Somberheid, verdriet, dat hoort er ook allemaal bij. Als ik straks mijn laatste column voor De Telegraaf geschreven zal hebben, zal ik ook even verdrietig zijn.”

U schrijft ook: ‘De dood moet niet onder ogen gezien worden.’ We moeten doen alsof de dood niet bestaat?

“De dood vind ik crimineel, afschuwelijk en wreed. Een van mijn leermeesters was professor psychiatrie Rutger van den Hoofdakker, beter bekend als de dichter Rutger Kopland. In een van zijn gedichten schrijft hij dat hij jaloers is op een prachtige eik omdat die boom er nog lang na de dood van de dichter zal staan en zonder hem van alles zal meemaken. Dat vond hij hartverscheurend wreed. Ik ervaar dat net zo: ik vind het onaanvaardbaar dat anderen dingen zullen meemaken waar ik niet bij zal zijn. Ik denk liever niet aan de dood, al word ik er af en toe wel mee geconfronteerd. Ik vind het een onverteerbare gedachte dat ik er niet bij zal zijn als mijn jongste zoon zijn vijftigste verjaardag viert. Dat vind ik vreselijk, dus verdring ik het.”

Bent u gelukkig?

“Heel gelukkig. Ik heb ook veel om gelukkig door te zijn. Ik heb gezonde, zelfredzame kinderen, hou van mijn werk en leef in een land waar het goed is om te wonen. Ik ben dol op het gewone dagelijkse bestaan: opstaan, naar mijn werk gaan, ’s avonds koken, kletsen met mijn vrouw… De sleur van het leven vind ik geweldig. Blijkbaar hebben veel mensen het daar moeilijk mee, en dat snap ik dan weer niet. Als een cliënt zegt: ‘Ik heb het gevoel dat mijn leven in een sleur terechtgekomen is’, zeg ik: ‘Fantastisch. Het kan niet beter, dan hoef je tenminste niet meer zo na te denken.’ (lacht)”

Jeffrey Wijnberg, Dictatuur van het geluk – Onder het juk van psychologische correctheid, Scriptum, 18,95 euro

 

© Jan Stevens

%d bloggers liken dit: