“Op kaal worden rust een groter taboe dan op seks”

Jules Smedts is Vlaanderens meest gerenommeerde haarwerkspecialist; Coen Gho is Nederlands succesvolste haardokter. Hun levenswerk: kalende beroemdheden en gewone medemensen van nieuw haar voorzien. De ene met een kwaliteitsvolle pruik, de andere met haarstamceltransplantatie. “Alle mannen en vrouwen raken hun pruik beu”, vindt Gho. “Haarstamceltransplantatie wordt rooskleuriger voorgesteld dan het is”, zegt Smedts.

 

Jules Smedts, ambachtelijk haartovenaar – “Vrouwelijke BV’s pakken liever met hun borstvergroting uit dan met hun haarwerk”

Haarwerken Smedts in Boom ziet er op het eerste gezicht uit als een doodgewoon kapsalon. Net alsof al wie er naar binnen stapt, vast van plan is er zijn haar te laten knippen. Dat is alleen voor sommige klanten gedeeltelijk waar. De meeste bezoekers komen hier niet voor een permanent of kleurspoeling, maar zijn hun kaalheid moe en verlangen naar een bos golvend nieuw haar.

“Mijn vader opende de zaak op dit adres in 1937”, zegt haarwerkspecialist Jules Smedts (65). “Toen was het nog echt een heel gewoon kapsalon. Begin jaren zeventig bouwde ik het om tot een volwaardig haarwerkbedrijf.”

Jules is net als zijn vader François kapper van opleiding. “Vader voerde pruiken in uit Duitsland, maar ik vond die lelijk. Ik ging op zoek naar beter materiaal, trok op prospectie naar Azië en trof er een uitgebreid aanbod aan kwaliteitsvol mensenhaar aan. De perfecte grondstof voor onze haarwerken.”

Jules haat het woord ‘pruiken’. “Dat klinkt verschrikkelijk denigrerend. Mensen hadden het vroeger meesmuilend over een ‘toupet’ of een ‘perruque’. Ik spreek altijd over ‘haarwerken’.”

 

Een man of vrouw met duidelijk zichtbaar een pruik op, is geen gezicht.

Jules Smedts “Van zodra je kan zien dat iemand een haarwerk draagt, is het een slecht product. Maar ik ben er zeker van dat ook in jouw kennissenkring mensen al jaren een haarwerk dragen zonder dat jij er ooit iets van gemerkt hebt. Helmut Lotti was zeventien jaar klant bij ons. Niemand wist dat. Niemand had door dat hij een haarwerk droeg. Als je een foto van de huidige Helmut ziet, lijkt hij toch verdacht veel op Vladimir Poetin? (lacht) Toen Lotti nog onze haarwerken droeg, had hij succes. Hij hertrouwde met zijn derde vrouw, zij vond dat hij zijn haarwerk moest afzetten en veranderen van repertoire. Sindsdien hoor je amper nog iets van hem.”

 

Zitten er veel BV’s onder uw cliënteel?

Smedts “Toch wel. Veel BV’s willen niet met hun kaalheid in de openbaarheid komen. Over hen mag ik niets zeggen; dat is mijn biechtgeheim. Ik praat alleen over degenen die er zelf voor uitkomen of wier ‘geheim’ ooit de pers gehaald heeft. Ex-wielrenner Johan Museeuw is hier klant. Het is nu een tijdje geleden dat ik hem ontmoet heb; hij soigneert zijn haarwerk zelf. In 2012 beweerde Danny Fabry tegen een journalist van Dag Allemaal dat hij een haartransplantatie had ondergaan in Nederland. Die journalist belde me: ‘Zou het kunnen dat Danny Fabry’s nieuw haar van over de grens komt?’ Ik viel bijna van mijn stoel van verbazing. ‘Danny is al meer dan twee jaar klant bij ons. Hij heeft helemaal geen transplantatie gehad.’ Tot dan had niemand gezien dat hij een haarwerk droeg, zelfs zijn eigen familieleden hadden het niet door. Het was dus vakwerk. ‘Ik draag een haarwerk’, klonk blijkbaar als een grotere schande dan: ‘Ik heb een haartransplantatie ondergaan.’ Nadien is Danny zich komen verontschuldigen.”

 

Rust er sowieso een groot taboe op kaal worden?

Smedts “Ja, een groter taboe dan op seks. Mensen vinden het lastig om te vertellen wat ze allemaal in bed uitspoken, maar ze vinden het nog veel lastiger om over hun kaalheid te spreken. Vraag maar eens aan een kalende jongen van een jaar of vijftien wat hij daarvan vindt. Als je met een volle haardos gezegend bent, is het makkelijk om stoer te verkondigen: ‘Mij zou het niet storen om kaal te worden.’”

 

Kaalgeschoren mannen kunnen toch ook sexy zijn?

Smedts “Natuurlijk zitten er knappe koppen tussen die kerels met een volledig kaalgeschoren hoofd. Maar al die andere kale heren die door moeder natuur niet gezegend zijn met een mooi gezicht, hebben wél een gigantisch probleem. De blikken van de dames verraden dat ze hen helemaal niet sexy vinden. Wij hebben een van onze klanten zelfmoord weten plegen; kaal worden had hem in een zware depressie geduwd.”

 

Zijn kaalheid was uitgegroeid tot een obsessie?

Smedts “Bij veel mensen is dat zo. Ook sommige van onze klanten hebben een dwangneurose ontwikkeld en zijn gefixeerd op hun haar. Net zoals er mensen zijn die de deur van de plastisch chirurg platlopen en hun lichaam laten verbouwen terwijl dat niet nodig lijkt. Je kunt met hen daarover uren discussiëren.”

 

U gaat die discussie aan en probeert uw gefixeerde klanten op andere gedachten te brengen?

Smedts “Kijk, ik vind het tof dat mensen die een probleem met hun haar hebben, de weg vinden naar Haarwerken Smedts. Ik heb nu 150 mensen in dienst; in Europa is dit het enige haarwerkbedrijf op dit niveau. Als iemand langskomt, geef ik hem of haar altijd een deskundige uitleg. ‘Ofwel kiest u voor ons haarwerk, ofwel voor een transplantatie.’ Van zodra iemand een afspraak maakt, geeft hij te kennen dat hij een probleem heeft. Wie kaal wordt en zich daarbij neerlegt, belt ons niet. Wij zijn er voor die grote groep voor wie kaalhoofdigheid wél problematisch is. 35% van alle mannen neigt naar kaalheid. Minstens de helft daarvan raakt daardoor in de miserie. Die mensen moéten wij helpen. Waarom denkt u dat zoveel bekende Vlamingen klant bij ons zijn? Ik vind het eerlijk gezegd bizar dat ze er niet over willen getuigen. Vrouwelijke BV’s pakken nog liever met hun borstvergroting uit dan met hun haarwerk.”

 

De BV’s komen hier langs de achterdeur binnen?

Smedts “Hoe weet jij dat? (lacht) We hebben ook aparte cabines voor hen, waar ze in alle discretie hun haarwerk kunnen laten verzorgen. Al stoppen we onze klanten liever niet in een donker hoekje. Een paar jaar geleden hebben we de zaak verbouwd en nu zitten mensen met identieke haarproblemen als ze dat willen samen in een ruimte. Ze beginnen met elkaar te praten en vinden zo begrip en steun.”

 

Wat vindt u van de haartooi van Donald Trump?

Smedts “Hij heeft een heilige schrik om zijn haar te verliezen. Hij draagt het van achter naar voor en kamt het van de ene zijkant naar de andere. In werkelijkheid is hij zo kaal als een biljartbal. Zijn haarconstructie spuit hij vol lak waardoor hij urenlang op zijn hoofd kan staan zonder om te vallen. Als hij uit zijn bed komt, hangt zijn haar tot op de schouders. Hij zou beter eens via Haarwerken Smedts passeren.”

 

In de kamer hiernaast zag ik op een tafel een verzameling dunne plastic doorzichtige halve voetballen, met daaraan vastgeniet plukken haar.

Smedts “Dat zijn de schedelvormen van klanten met stalen van hun echt haar. De vormen zijn even groot als hun kale plek en zijn de basis voor de microdunne kunsthuid waar hun haarwerk op bevestigd zal worden. Als je een haarwerk nodig hebt, kijken we eerst naar het resterende haar. We maken foto’s en houden er rekening mee bij de productie. Als de schedel helemaal kaal is, kleven we het haarstuk vast met medische pleisters. Als er nog haar is, verweven we het haarstuk ermee. Met je nieuwe haar kan je slapen, zwemmen, douchen.”

 

Dat nieuwe haar is mensenhaar?

Smedts “Ja. In één kilo mensenhaar van 45 cm lengte kruipt ontzettend veel werk, zoals selecteren, ontkleuren en opnieuw kleuren. Voor zo’n pakketje betalen wij ongeveer 1500 à 1800 euro. Korter haar kost ons 800 euro. Voor een haarwerk voor mannen gebruiken we gemiddeld 150 gram; voor vrouwen schommelt dat rond de 300 gram. Een haarwerk wordt volledig met de hand gemaakt en is dus zeer arbeidsintensief.”

 

Waar komt dat mensenhaar vandaan?

Smedts “China, India, Spanje, Moldavië… Haarfabrikanten verzamelen het bij kappers en bij mensen die hun haar afsnijden om een centje extra te verdienen. Bij de Indische hindoes is het afscheren van hoofdhaar onderdeel van hun rituelen. Al die bergen haar worden vervolgens op kwaliteit geselecteerd en in aparte partijen verdeeld. Ik reis zelf regelmatig de wereld rond om het meest kwaliteitsvolle haar uit te kiezen. Ik voel de kwaliteit aan de dikte en de zachtheid. Kennis die ik in de loop der jaren heb opgebouwd.”

 

Hoeveel betaalt de klant voor zijn haarwerk?

Smedts “1500 à 1800 euro, afhankelijk van de grootte van het stuk en de lengte van het haar. Als je een doktersbriefje hebt, krijg je van het ziekenfonds 180 euro terug.”

 

U biedt ook haartransplantaties aan?

Smedts “Ja, maar die zijn maar geschikt voor vijf procent van alle kalenden. De kale plekken mogen niet te groot zijn. Bij een transplantatie verplaatsen we haar van de achterkant van het hoofd naar boven. Haar van de achterkant is immuun voor uitval. De wortels zijn anders gestructureerd. Daarom houden kaal wordende mannen altijd een rand haar over.”

 

Groeit het verwijderde haar terug?

Smedts “Nee. Eens de wortel is weggenomen, komt er niets in de plaats. Op één dag kunnen we tot zesduizend haren transplanteren. We hebben daar een chirurg voor in dienst. Een transplantatie lukt altijd, maar als het resterende hoofdhaar dat je nog bezit, ook begint uit te vallen, ben je terug bij af.”

 

Coen Gho ontwikkelde haarstamceltransplantatie. Hij verwijdert niet het gehele haarwortelzakje, maar alleen een klein deel dat stamcellen bevat. Daardoor blijft volgens hem het haar aan de rand intact.

Smedts “Ik vrees dat die transplantatie rooskleuriger wordt voorgesteld dan ze is. Als ze echt zou werken, was ik daar wel als eerste van op de hoogte. Het is heel simpel: met een kaal hoofd kun je honderd jaar worden, met kanker niet. Er worden dus miljarden in onderzoek naar kanker en naar levensbedreigende ziektes gepompt, maar niet in onderzoek naar haaruitval.”

 

Voor vrouwen is kaal worden een nog groter probleem dan voor mannen?

Smedts “Ja. Ons cliënteel bestaat uit 35 procent vrouwen en 65 procent mannen. Veel van onze vrouwelijke klanten hebben dun haar of verliezen hun haar door chemotherapie. We raden kankerpatiënten aan om voor de start van hun behandeling langs te komen. Dan kunnen we voor hen een haarwerk maken dat er identiek uitziet als hun echte haar. We helpen ook brandwondenpatiënten en mensen die hun haar kwijtgeraakt zijn door een ongeluk.”

 

Bestaan er haargroeimiddelen die helpen?

Smedts “Er is niets dat helpt. Alleen de grote farmabedrijven worden daar rijk van. Ooit gooiden ze Minoxidil op de markt: een geneesmiddel tegen de hoge bloeddruk dat als bijeffect heeft dat er een fijn donslaagje begint te groeien als je het op je hoofd smeert. Het product stimuleert haartjes die nog niet afgestorven zijn om even hun kopje boven te steken. Een flacon kost handenvol geld en per maand heb je er drie nodig. Behalve tijdelijk wat dons, levert het geen blijvend resultaat op. Al die wondershampoos houden je haar misschien wel gezond, maar doen het niet groeien. In het beste geval zorgen ze voor een beetje uitstel, maar als haaruitval in je genen zit, word je vroeg of laat toch kaal.”

 

 

Coen Gho, hightech haartovenaar – “Als je kaal wordt, moet je naar Coen”

Dokter Coen Gho (49) helpt in zijn haarklinieken in Maastricht, Amsterdam, Londen, Cap d’Antibes en Jakarta kalende prinsen, koningen, emirs, sjeiks, artiesten, politici en voetballers zoals Wesley Sneijder aan een dos vers haar. Samen met de Rotterdamse professor dermatologie Martino Neumann ontwikkelde hij de haarstamceltransplantatie. Gho bouwde zijn hypermoderne Hair Science Institute in Maastricht ondergronds, onder een schitterend historisch pand aan de rand van de stad. Een aparte celebrity-ingang is er niet. “In dit gebouw zijn ook nog andere praktijken gevestigd, zoals bijvoorbeeld een osteopaat. Bekende mensen kunnen hier net zo goed voor hun spataders langskomen, als voor hun pijnlijke rug.”

 

Het eerste waar u naar keek toen ik daarnet uw kantoor binnenstapte, was mijn kapsel.

Coen Gho “Ja, want je kapsel is nu eenmaal je visitekaartje. Onze haartooi bepaalt waar medemensen ons mee associëren. Maar ook een man met een volledig kaalgeschoren schedel, strak in het pak, kan heel mooi zijn. Ik mag er niet aan denken dat onze kaalhoofdige televisiepresentator Humberto Tan hier morgen voor de deur staat met de vraag hem terug haar te bezorgen. Al hebben de meeste andere burgers toch liever wat meer haar.”

 

U bent een wetenschapper met een gevulde haardos. Waar komt uw persoonlijke fascinatie voor haar vandaan?

Gho “Ik heb geneeskunde gestudeerd en specialiseerde me in dermatologie. Mijn toenmalige hoogleraar in Rotterdam had ‘haar’ als hobby. In 1991 zei hij me: ‘Niemand weet iets over haar.’ Er was ook niemand in geïnteresseerd, want kaalheid is niet dodelijk. Ik heb toen meegewerkt aan een studie over de werking van Minoxidil. Dat onderzoek resulteerde in het eerste officieel geregistreerde middel tegen haaruitval. Als je het op je hoofd smeert, krijg je echt donshaar. Daarna heb ik me verder verdiept in de wetenschappelijke studie van haar. Ik specialiseerde me in tissue engineering, in het kweken van cellen. Stamcelonderzoek is nu heel hip, maar wij waren echte pioniers.”

 

In dat stamcelonderzoek zijn toch heel wat charlatans actief?

Gho “Veel artsen die nu stamceltherapie aanbieden, zijn kwakzalvers. Ze klooien maar wat aan, halen ergens stamcellen weg en injecteren ze in het hart of de hersenen waar ze helemaal niet thuishoren. Dé basisregel bij stamceltherapie is: plant ze nooit op plaatsen waar ze niet thuishoren. Want dan eindig je in ellende. Ik haal een heel klein stukje van de haarwortel aan de achterzijde van het hoofd weg. In dat kleine stukje zitten voldoende stamcellen om nieuwe haargroei op te wekken. Ik stop die cellen een paar uur in wat je ‘kunstmest’ zou kunnen noemen, en stop ze vervolgens terug in de voorkant van het hoofd, waar ze óók horen te zitten. Die ingeplante stamcellen groeien in negen maanden tijd uit tot nieuwe haartjes. Bij een traditionele haartransplantatie wordt de hele haarwortel weggehaald, wat voor littekens zorgt. Bij onze therapie is dat niet zo. Je ziet er niets van. We hebben talloze celebrities, muzikanten en royals behandeld. De meesten staan er liever niet mee in de belangstelling, maar ze zijn wél allemaal uiterst tevreden. Ze kunnen zich het ook niet permitteren dat de achterzijde van hun hoofd vol littekens staat.”

 

Uw haarstamceltransplantatie werkt altijd?

Gho “Ja, altijd. In principe kan een ‘man met een hoefijzer’ via onze transplantatie terug een normaal kapsel aangemeten krijgen.”

 

‘In principe’?

Gho “We bespreken altijd eerst wat bij iemand past. Het doel van een haartransplantatie is niet: hoe maak ik het nieuwe kapsel zo vol mogelijk, maar wel: hoe maak ik het zo natuurlijk mogelijk? Voor een man van zestig is het niet echt natuurlijk om de volle lange manen te kweken die hij op zijn 18e had. De inhammen moet bewaard blijven en bovenaan mag het best wat dunner zijn dan aan de zijkanten.”

 

U staat ondertussen bekend als de dokter die zowat heel bekend Nederland nieuw haar bezorgde.

Gho “Ik heb ook veel bekende Vlamingen behandeld. Dat groeit vanzelf: de ene beroemdheid maakt reclame bij de andere. ‘Als je kaal wordt, moet je naar Coen.’ Ze geven dan mijn gsm-nummer door en ik vind dat niet erg. We staan nu allemaal verwonderd te kijken naar wat een man als Donald Trump met zijn haar uitspookt, maar er zijn heel wat beroemdheden die net als Trump hun haar van de ene naar de andere kant over hun kale hoofd draperen. Iedereen denkt dat Emile Ratelband, de positiviteitsgoeroe van ‘Tsjakkaa!’, altijd heel veel haar gehad heeft. Dat was vroeger niet zo, hij camoufleerde het alleen heel goed, stukken beter dan Trump. Emile is bij ons in behandeling geweest en heeft nu terug een normaal kapsel.

Zo’n beroemdheid komt samen met zijn haarstylist bij mij, we ontwarren dat kapsel en merken pas dan hoe kaal de man in werkelijkheid is. Vervolgens geef ik hem nieuw haar. Op het einde van de rit heeft niemand iets gemerkt.

Zelfs veel naaste medewerkers weten niet welke beroemdheden bij mij in behandeling geweest zijn. De celebrities eisen absolute discretie en ze hebben overschot van gelijk. Ik heb dan nog eens het grote voordeel dat ik beroemdheden niet herken. In onze kliniek in Londen vroeg ik aan zo’n celebrity: ‘Wat is uw beroep?’ Waarna die man niet meer bijkwam van het lachen. ‘Herkent u mij niet?’ ‘Nee, ik zou begot niet weten wie u bent.’ (lacht) Al blijven niet alle celebrities anoniem; zanger en presentator Gerard Joling kwam er wel op tv in primetime voor uit dat hij hier behandeld is. Ik ben hem daar zeer dankbaar voor, want dat heeft onze kliniek een flinke boost gegeven.”

 

U laat u niet uit het lood slaan door een prins of koning op uw behandeltafel?

Gho “Nee. Ik heb een heel simpel motto: ik behandel iedereen zoals ikzelf behandeld wil worden. Eens die onmetelijk rijke mensen op de stoel zitten, gedragen ze zich perfect normaal. Sommigen zijn óók bang voor de naalden. (lacht) Zo was er die stoere American football-speler, een beer van een kerel, ik liet hem de naald zien en hij viel flauw. (lacht)”

 

Komen er veel vrouwen op consultatie?

Gho “Steeds meer. Ongeveer veertig procent van alle vrouwen krijgt vroeg of laat met haaruitval te maken. Bij de mannen is dat tachtig procent. Dames camoufleren hun kale plekken soms heel vernuftig. Dan denk ik: ‘Waarom komt die mevrouw bij me langs?’ Ze lijkt een schitterend kapsel te hebben, tot ze me de kale plek toont. Ik wijs haar er dan wel op dat ze een behandeling alleen voor zichzelf moet starten en niet voor haar vriendinnen. ‘Want u verstopt uw kaalheid op voortreffelijke wijze.’”

 

U hebt geen bezwaren tegen pruiken of haarstukjes?

Gho “Nee. Voor wie een gigantische haarbos ambieert, is een kwaliteitspruik zelfs ideaal. Maar bijna alle mannen en vrouwen raken op een bepaalde leeftijd die pruik beu. ‘Ik wil dat ding niet meer.’ Elke avond zet je die pruik af en word je ermee geconfronteerd. Onlangs behandelde ik een jongen van 35 die al verschillende haarwerken geprobeerd had. Hij kon niet naar de sauna of met zijn kinderen stoeien en hij was dat spuugzat. Ken je Finasteride? Dat is een medicijn tegen prostaatvergroting dat als bijwerking heeft dat het haaruitval stopt. Nu wordt dat als Propecia en Proscar ook voorgeschreven voor jonge mannen om hun haaruitval zoveel mogelijk af te remmen. Dat zijn momenteel de beste middelen tegen haaruitval, alleen hebben ze soms vervelende bijwerkingen.”

 

Zoals?

Gho “Impotentie. Daar zit je als man niet echt op te wachten. (lacht) Elke manier van haartransplantatie is volgens mij de meest natuurlijke weg om je haar te herstellen. Bij brandwonden worden al jaren stukjes gezonde huid naar beschadigde plaatsen getransplanteerd. Wij doen eigenlijk net hetzelfde met onze haarstamceltransplantatie: we verplaatsen die stamcellen naar plekken waar haar hoort te groeien. Ik heb als allereerste een brandwondenpatiënt zijn wenkbrauwen teruggegeven. Herinner je je nog de vuurwerkramp in Volendam? Toen heb ik mijn eerste patiënten behandeld.”

 

Hoe ziet een doorsnee behandeling er bij u uit?

Gho “Die duurt van ’s morgens half acht tot zes uur ’s avonds. Eerst krijg je een kopje cafeïnevrije koffie, dan word je hoofdhuid geschoren en plaatselijk verdoofd. De stamcellen worden er vervolgens uitgehaald. We gaan maar een paar millimeter diep. Een behandeling bij de tandarts is veel erger. Daarna worden de stamcellen op kweek gezet, gaan we lunchen en een paar uur later worden ze op de juiste plek ingeplant. Je vertrekt littekenvrij terug naar huis.”

 

Negen maanden later heb ik gegarandeerd haar?

Gho “Na negen tot twaalf maanden zie je het eerste haar, waarna het doorgroeit tot kwalitatief goed haar. Een behandeling kost tussen de 4400 en 9000 euro, afhankelijk van het aantal grafts, het aantal haarzakjes, dat verplaatst moet worden. Van één haar maken we nu met stamceltechnologie twee haren, maar we hebben al wetenschappelijk aangetoond dat we van één haar ook vijf haren kunnen maken. Ons ultieme doel is honderd haren van één haar. Zover zijn we nog lang niet, al weet ik zeker dat het mogelijk is.”

 

U hebt nog bloeiende haarklinieken in Amsterdam, Londen, Cap d’Antibes en Jakarta. U bent ondertussen een heel rijk man?

Gho “Toch niet. Ik rij met een Mercedes uit 2006 met twee deuken in; hij staat hier op de parking. (lacht) Ik doe nog steeds mijn boodschappen in de Lidl en ga met de kinderen naar McDonald’s.”

 

© Jan Stevens

Crowdfunding

Het Newsmonkey-debacle liet de prille crowdfundinggemeenschap niet alleen op haar grondvesten daveren; het zorgde ook voor gefronste wenkbrauwen. Veel crowdfunders gaven voor ‘het goede doel’ en verwachtten niet dat ze ooit een fractie van hun aandeel zouden terugzien. Laat staan dat ze wisten dat hun geld terechtkwam bij een ‘investeringsvehikel’ met financiële whizzkids in maatpak. “Ze hadden zich niet goed geïnformeerd.”

 

“De journalistiek heruitvinden.” Niets meer of minder beloofden Wouter Verschelden, Mick Van Loon en Patrick Van Waeyenberge toen ze in november 2013 de start van hun gloednieuwe gratis nieuwssite Newsmonkey aankondigden. Newsmonkey moest uitgroeien tot hét nieuwsmerk voor ‘generatie Y’, de jongens en meisjes van na 1981 die volgens Verschelden & co nieuws en entertainment bij voorkeur consumeren via sociale media. Ze lanceerden meteen ook een grote crowdfundingcampagne en gingen op zoek naar enthousiaste believers die in ruil voor minimum 50 en maximum 250 euro mede-eigenaar wilden worden. Hun doel: 1.000 investeerders vinden. De actie groeide uit tot het grootste succes uit de prille Vlaamse online-crowdfundgeschiedenis: in totaal telden 1.500 mensen samen iets meer dan 275.000 euro neer. Vorige week donderdag, 19 mei, kondigde Neswmonkey aan dat ‘de believers van het eerste uur’ door ‘één groep investeerders en oprichters van het eerste uur’ terugbetaald zouden worden. De believers zouden daar een uitstekende zaak aan doen, want de waarde van hun aandeel was in twee jaar tijd gestegen van 10 tot 11 euro. “Iedereen die in ons geloofde, krijgt vandaag de return.” Een dag later veranderde dat hoera-bericht in een ‘communicatiefuckup’, toen bleek dat de crowdfunders geen winst, maar verlies leden. Tot dan leefden de meesten in de overtuiging dat ze rechtstreeks geld op de rekening van Newsmonkey gestort hadden. Maar dat was niet zo: hun centjes hadden ze in het investeringsvehikel MyMicroInvest Finance gepompt van de door financiële experts gerunde onderneming MyMicroInvest (MMI). Tijdens de crowdfundingcampagne hield MMI een commissie voor alle gemaakte kosten af, zijnde 12 procent van het crowdfundbedrag. Na aftrek van die kosten hielden de crowdfunders 48,4 euro over van de 50 euro die ze op tafel gelegd hadden. 44 euro werd geïnvesteerd in Newsmonkey.

 

Uit sympathie

Velen hadden een Newsmonkey-aandeel gekocht uit sympathie en gingen er sowieso van uit dat ze hun geld nooit zouden terugzien. “Dan hadden ze zich niet goed geïnformeerd”, zegt Luc Colebunders, voorzitter van de Belgische Crowdfunding Federatie. “Bij crowdfunding krijgt degene die geld doneert altijd iets in de plaats. De basis van crowdfunding is dat je investeert in iets dat je leuk vindt. Daarvoor word je beloond: ofwel met een goed gevoel, ofwel met geld. Wij onderscheiden twee soorten van crowdfunding: ‘donaties & beloningen’ en financiële crowdfunding. De jaarlijkse stickeractie van het Rode Kruis illustreert perfect ‘donaties & beloningen’. In ruil voor vijf euro krijg je van een Rode Kruis-vrijwilliger aan een kruispunt een sticker. De échte beloning is dan de opgestoken duim van de vrijwilliger aan het volgende kruispunt. ‘Je hebt al een sticker? Tof.’ Bij financiële crowdfunding helpen mensen mee leningen verstrekken, of kopen ze aandelen. De bedragen die opgehaald worden, zijn wettelijk begrensd tot 100.000 of 300.000 euro. Bij 100.000 euro mag elke crowdfunder om het even welk bedrag storten; bij 300.000 euro mogen de individuele stortingen niet meer dan 1000 euro bedragen. Als je via crowdfunding aandeelhouder wordt, is het bedrijf verplicht om je op een bepaald moment de waarde van dat aandeel terug te geven. Je weet nooit op voorhand of die onderneming winst zal maken of niet. Het risico bestaat dus dat je nooit zal cashen. Het feit dat de Newsmonkey-crowdfunders nu minder uitbetaald krijgen dan ze geïnvesteerd hebben, is trouwens niet de fout van het platform MyMicroInvest. Newmonkey schakelde MMI in omdat ze zo niet iedereen op hun aandeelhoudersvergadering moesten uitnodigen. Want als je meer dan 1500 aandeelhouders hebt, moet je het sportpaleis afhuren. De mensen van NewsMonkey wisten dat MMI op het einde van de rit recht had op twaalf procent. MMI is daar ook zeer transparant over: je vindt die informatie op hun website. Iedereen kon op voorhand weten wat de consequenties waren.”

 

1000 voor 100.000

In het voorjaar van 2014, een paar maanden na Newsmonkey, lanceerde ook de nieuwssite Apache een grote crowdfundingcampagne. “Bij onze actie was het duidelijk dat crowdfunders aandelen kochten van onze coöperatie”, zegt hoofdredacteur Karl van den Broeck. “Al wie bij ons via crowdfunding een aandeel kocht, werd meteen mede-eigenaar van CVBA De Werktitel, de uitgever van Apache. Elke aandeelhouder heeft in onze algemene vergadering maar één stem, of hij nu honderd of duizend euro geschonken heeft. Wij rapporteren voortdurend onze cijfers aan de aandeelhouders in onze algemene vergadering en houden hen op de hoogte van alle stappen die we zetten. Dat is voor ons zeer arbeidsintensief. Ik kan dan ook best begrijpen waarom Newsmonkey een beroep deed op een platform zoals MMI, want zij nemen al dat administratieve en juridische werk op zich. Daar hangt natuurlijk een prijskaartje aan vast. De mensen achter MMI zijn bankiers die risicovol beleggen. Zij willen daar geld mee verdienen. Hun klanten zijn ondernemingen of start-ups die geen lening van de bank krijgen om hun project te verwezenlijken.”

In november 1986 stond Karl van den Broecks vader, de schrijver Walter van den Broeck, aan de wieg van een actie voor de redding van de krant De Morgen, wat achteraf beschouwd misschien wel de oervader genoemd mag worden van wat nu hip crowdfunding heet. “Op de boekenbeurs van ’86 hoorden de schrijvers van de pas opgerichte uitgeverij Houtekiet, met onder anderen mijn vader, dat De Morgen failliet was”, herinnert Karl zich. “Wijlen Gerard Walschap opperde toen: ‘Als we duizend mensen vinden die honderdduizend frank willen investeren, is de krant gered.’ De toenmalige hoofdredacteur Paul Goossens vond dat een uitstekend idee, al had hij één voorwaarde: ‘Alleen als Hugo Claus meedoet.’ Mijn vader reed toen met Paul Goossens naar Claus. Daar richtten ze de coöperatieve vennootschap ‘1000 voor 100.000’ op. Van de beoogde 100 miljoen frank haalden ze ongeveer de helft op. Dat geld betekende de doorstart voor De Morgen. Een paar jaar later werd de krant overgenomen  door Uitgeverij Hoste, de voorloper van De Persgroep. Een krant die door zijn lezers gered werd, was in die tijd wereldnieuws.”

De mensen en organisaties die in 1986 geld voor De Morgen inzamelden, wisten dat ze daar nooit rijk mee zouden worden. “Ook veel mensen die voor Newsmonkey en Apache stortten, hadden niet de intentie om daar rijker van te worden”, zegt Van den Broeck.

 

Het goede doel

Dé oervorm van crowdfunding is misschien wel de collecte tijdens de zondagsmis in de katholieke kerk, waarbij de gelovigen ‘belangeloos’ elke week kopergeld in de schaal gooien. Andere crowdfundingcampagnes die nergens als ‘crowdfundingcampagne’ geboekstaafd staan, zijn de jaarlijkse inzamelacties van 11.11.11 en Broederlijk Delen. Veel mensen zien crowdfunding als een omhaling voor ‘het goede doel’. Zo zamelde burgerbeweging Ringland in 2014 in drie maanden tijd 100.000 euro in waarmee ze vier studies financierde. Een extra crowdfundingcampagne in het najaar van 2015 leverde nog eens voldoende geld op om twee mensen halftijds in dienst te nemen. In september 2013 startte schaatser Bart Swings op het internet een crowdfunding die in een paar maanden tijd 150.000 euro opleverde én een sponsor die dat bedrag verdubbelde. Swings actie werd geboren uit ‘wanhoop’, omdat hij en zijn team moeite hadden om voldoende sponsorgeld bijeen te rijven voor de voorbereiding van de Olympische Winterspelen in Sotsji. Wie 65 euro stortte, ontving in ruil een schaatsmuts; een milde schenker van 125 euro kreeg daar nog een T-shirt bovenop. Wie 1.000 euro neertelde, werd beloond met een schaatsles door Swings himself.

In het voorjaar van 2013 vond de meest succesvolle crowdfundingcampagne uit de journalistieke geschiedenis plaats. 18.000 ‘leden’ betaalden elk zestig euro voor een abonnement van één jaar op het nieuwe onlinemedium De Correspondent. Samen schonken ze 1.080.000 euro. Ook Apache droomde in januari 2014 van 1 miljoen euro. Karl van den Broeck: “We hebben toen een businessplan gemaakt dat geënt was op de succesvolle Franse site Mediapart. Ons totale kostenplaatje bedroeg ongeveer 1 miljoen. Zo’n bedrag kun je in Vlaanderen nooit ophalen met crowdfunding. We waren in gesprek met mogelijke investeerders, maar zaten tezelfdertijd in acute geldnood. Onze crowdfunding diende om de gesprekken met die investeerders te overbruggen. Die gesprekken mondden later ook uit in een kapitaalverhoging. We organiseerden onze campagne op ons eigen platform, zonder hulp van buitenaf. We vroegen lezers om aandeelhouder te worden van onze coöperatieve vennootschap en haalden ongeveer 60.000 euro op. Wij vonden dat een geslaagde campagne, al interpreteerden velen dat anders. Want zij geloofden dat we via crowdfunding op zoek waren naar dat miljoen.”

 

De oprichters

Daniël van der Meer organiseerde vijf jaar geleden een van de allereerste crowdfundingcampagnes in Nederland. “We wilden toen ons literaire tijdschrift Das Mag via crowdfunding oprichten. In een maand tijd haalden we 5000 euro op.” In oktober vorig jaar lanceerden Van der Meer en zijn zakenpartner Toine Donk een zeer succesrijke crowdfundactie voor hun nieuwe project: Uitgeverij Das Mag. In een maand tijd haalden ze bij 3000 Nederlanders én Vlamingen 200.000 euro op.

Van der Meer heeft een hekel aan als crowdfunding vermomde liefdadigheid. “Ofwel wil je iets nieuws creëren en vraag je mensen om dat mogelijk te helpen maken, ofwel vraag je hen geld om iets bestaands te helpen overleven. De hulpbehoevende oproep is volgens mij gedoemd te mislukken. Door op te roepen om samen iets te creëren, betrek je crowdfunders bij je hele onderneming en zorg je voor een fikse dosis gezonde spanning. Zal het lukken? Wat wordt het eindresultaat?”

De crowdfunders van Uitgeverij Das Mag zijn geen aandeelhouder. “Wij noemen ze ‘oprichters’. Doordat ze geen aandeelhouders zijn, bepalen ze niet mee onze koers. De term ‘oprichters’ schiep bij een aantal mensen wel extra verwachtingen. We hebben onderschat dat velen ook betrokken willen worden bij de uitbouw van Das Mag, ook al weten ze niet wat een uitgeverij precies inhoudt. We zorgen er nu alleszins voor dat we makkelijk bereikbaar zijn voor onze crowdfunders. Ze mailen ook veel: ze laten het ons weten als ze iets mooi vinden, en we horen het meteen als het hen niet aanstaat. Ik vind het best fijn om makkelijk benaderbaar te zijn. Dat kost tijd en werk, maar levert tezelfdertijd heel wat op. Een van onze 3000 oprichters spreekt misschien wel vloeiend Deens en wijst ons op een Deense literaire belofte die we zeker moeten vertalen.”

De oprichters van Uitgeverij Das Mag weten dat ze hun geld nooit terug zullen kunnen eisen. “We gaven hen wel iets in ruil: met hun bijdrage financierden ze onze eerste drie boeken, die ze na publicatie toegestuurd kregen.”

 

Marketing

Amper tien jaar geleden heetten de hippe crowdfunders van het literaire tijdschrift Das Mag en van De Correspondent nog gewoon abonnees. De crowdfunders die geld stortten voor uitgeverij Das Mag en als beloning drie boeken in ruil kregen, waren toen geen ‘oprichters’, maar leden van een boekenclub. Is crowdfunding niet vooral slimme marketing? De crowdfundactie van Uitgeverij Das Mag leverde alvast een overvloed aan gratis publiciteit op. “We hadden die 200.000 euro écht nodig”, zegt Van der Meer. “De betrokkenheid van onze 3000 oprichters bij de uitgeverij overstijgt die ene transactie. Ze blijven onze eerste ambassadeurs. Crowdfunding werkt alleen als je iets totaal nieuws wil ondernemen dat afwijkt van het gewone. De eerste dag is de allerbelangrijkste. Als je na dag 1 op 0,1 procent van het te halen bedrag zit, red je het nooit. Maar als je na een dag meer dan tien procent van het te financieren bedrag haalt, willen steeds meer mensen meesurfen op die golf van succes. Dan ben je vertrokken.”

 

© Jan Stevens

“Jihadi John reisde via Brussel naar Syrië”

Eind 2010 interviewde journalist Robert Verkaik uitvoerig Mohammed Emwazi. “Hij klaagde dat hij door de bemoeienis van de Britse geheime dienst twee keer een verloofde kwijt was geraakt: de eerste in Londen en de tweede in Koeweit.” Twee jaar later vertrok Emwazi naar Syrië, om er wereldberucht te worden als de koppensnellende Jihadi John. Vandaag is Verkaik de enige journalist ooit die een lang gesprek met Jihadi John overleefde. “Hij was beleefd en vriendelijk.”

 

12 november 2015, 23.41 u. In Raqqa, ‘hoofdstad’ van de Islamitische Staat, verlaat de 27-jarige Mohammed Emwazi alias Jihadi John het appartement waar zijn vrouw samen met hun twee jaar oude zoontje verblijft. Hij stapt in een pick-up waarin een andere jihadist al achter het stuur zit. Een onopvallende man verderop in de straat stuurt een gecodeerde boodschap naar de Creech Air Force Base in de Amerikaanse staat Nevada. ‘Emwazi zit in een auto en rijdt in de richting van het islamitische gerechtsgebouw.’ Vanop Creech stuurt een piloot een Predator-drone bewapend met een lading Hellfire-raketten hoog boven de donkere straten van Raqqa. Iets voor middernacht neemt de Predator de pick-up van de jihadisten in het vizier. Net op het moment dat Emwazi uitstapt, boort een raket zich tegen 1.500 km per uur vlak voor zijn voeten in de grond. De man die eigenhandig voor de IS-propagandacamera drie journalisten, drie hulpverleners en één veiligheidsagent onthoofde, en voor diezelfde camera de leiding nam over een massa-onthoofding van 21 Syrische soldaten, is verpulverd tot as.

 

‘Mooie jongeman’

De Britse en Amerikaanse geheime diensten hadden de ware identiteit van de beruchte gemaskerde IS-beul met de Londense tongval al in de zomer van 2014 ontdekt. Gierigheid had Jihadi John toen de das omgedaan. De voormalige computerprogrammeur had vanuit Syrië de code van zijn oude studentenkaart van de universiteit van Westminster gebruikt om webdesignsoftware gratis te kunnen downloaden. Het zou nog tot 26 februari 2015 duren eer zowel de BBC als de Washington Post de identiteit van Jihadi John ook voor het grote publiek onthulden. “De naam ‘Mohammed Emwazi’ liet toen bij mij geen enkel belletje rinkelen’, zegt de Britse journalist Robert Verkaik. Diezelfde 26e februari ging Verkaik naar een persconferentie van CAGE, een in Groot-Brittannië onder vuur liggende ngo die beweert mensenrechten van gevangen moslims te verdedigen. “CAGE is opgericht door Moazzam Begg, een ex-Guantanamo-gevangene die zeer invloedrijk is onder jonge radicale moslims. De organisatie had aangekondigd dat ze op de persconferentie de relatie tussen Emwazi en de Britse geheime diensten zou belichten.”

Mohammed Emwazi bleek gedurende een paar jaar nauwe contacten gehad te hebben met Asim Qureshi, directeur van CAGE. Robert Verkaik: “Qureshi zei dat hij nauwelijks kon geloven dat de man uit de IS-video’s dezelfde was als de vriendelijke jongen die van 2010 tot 2012 regelmatig op zijn kantoor zat en met gebakjes trakteerde. Hij noemde Emwazi ‘een mooie jongeman’ en zei dat hij ‘de meest verlegen mens’ was die hij ooit ontmoet had. Emwazi had de hulp van CAGE ingeroepen omdat hij naar eigen zeggen geïntimideerd en lastig gevallen werd door agenten van de binnenlandse inlichtingendienst MI5. Qureshi vertelde ook dat hij Mohammed Emwazi in 2010 in contact gebracht had met een journalist van The Independent. Op dat moment begon het bij me te dagen dat ikzelf misschien wel die journalist zou kunnen zijn.”

Robert Verkaik dook in zijn archief en vond na wat zoekwerk e-mailverkeer terug dat hij in 2010 met ene Mohammed Emwazi gevoerd had. “Ik zag eerst een bericht verschijnen waarin Emwazi verbitterd schreef hoe de pesterijen van MI5 hem bijna tot zelfmoord gedreven hadden.” Uit de mails kon Verkaik reconstrueren dat hij Jihadi John op 1 december 2010 meer dan een uur geïnterviewd had. “Toen wist ik het weer: ik had die woensdag met hem afgesproken in een koffiehuis in de Londense wijk Maida Vale, vlakbij zijn ouderlijk huis.”

Het is het enige interview dat Mohammed Emwazi bij leven en welzijn aan een Westerse journalist gegeven heeft. Het vormde de basis voor Robert Verkaiks uitstekende biografie Jihadi John: de radicalisering van een westerse moslim.

 

Gangsterrapper

Een uur voor ik Verkaik ontmoet in de bar van het Londense Charing Cross Hotel, de favoriete pleisterplaats van agenten van MI5, mailt hij me nog een artikel uit het pas verschenen nummer van het Franstalige IS-propagandablad Dar al Islam. Daarin doet een anonieme Britse Syriëstrijder uit de doeken hoe hij in augustus 2012 samen met Jihadi John ongezien via Brussels Airport naar Syrië reisde. “Mohammed Emwazi stond toen al op de terreurlijst”, zegt Verkaik. “De twee jihadi’s lieten zich in een truck vanuit Groot-Brittannië naar het vasteland smokkelen. Ze hadden 30.000 euro bij. Met de trein reisden ze van Frankrijk naar Brussel, waar ze een paar dagen in een hotel verbleven. Daar verdeelden ze het geld en boekten ze een eerste vlucht naar Albanië en een tweede naar Korfoe. Met valse Franse paspoorten checkten ze op Brussels Airport probleemloos in. In Korfoe namen ze een boot naar Turkije waar een fixer van IS hen de grens met Syrië over hielp. In mijn boek had ik op basis van gesprekken een gelijkaardige reis van Jihadi John naar Syrië gereconstrueerd. Ik vroeg MI5 om een reactie, maar het agentschap hulde zich in stilzwijgen. Islamitische Staat bevestigt nu min of meer mijn versie, alleen liet ik hem niet via Brussel reizen.”

 

Vond u Mohammed Emwazi die woensdagnamiddag in het koffiehuis in Maida Vale net zo’n ‘mooie jongeman’ als CAGE-directeur Asim Qureshi?

Robert Verkaik: “Hij was vriendelijk en beleefd en wou dolgraag dat ik zijn verhaal in de krant bracht. Hij zag eruit als een coole Londense jonge kerel, type gangsterrapper met gouden ketting, een keurig getrimd baardje en een baseballpet. Hij klaagde dat hij door de bemoeienis van MI5 twee keer een verloofde was kwijt geraakt: de eerste in Londen en de tweede in Koeweit. De agenten hadden contact met zijn toekomstige schoonouders gezocht, waardoor zijn trouwplannen telkens op de klippen liepen. Dat was hard aangekomen en zadelde hem een tijdlang met zelfmoordgedachten op.”

 

Waarom bracht CAGE u met Emwazi in contact?

Verkaik: “In 2009 sprak ik vijf jonge moslims die onder druk gezet werden en gechanteerd door agenten van MI5. Die jongens woonden in de Londense wijk Kentish Town en hadden salafistische sympathieën. Op een bepaald moment belde een postbode bij hen aan. Van zodra die man binnen was, stelde hij zich voor als een agent van MI5. De ‘gastheer’ kreeg de keuze: ofwel werd hij informant en lieten ze hem in ruil voor informatie over moslimextremisten verder met rust, ofwel bleven ze hem en zijn familie stalken. Ik schreef daarover in The Independent, dat artikel zorgde voor flink wat heisa, waarna MI5 die jongens niet langer lastigviel. Eerlijkheidshalve moet ik eraan toevoegen dat het met die jongens niet goed afgelopen is. Zo vecht er nu een in Syrië en zit een andere in een Amerikaanse gevangenis voor terrorisme. CAGE bracht Emwazi in contact met mij omwille van zijn problemen met MI5. Die waren begonnen toen hij met twee kompanen, een Brit en een Duitser, op ‘safari’ wou vertrekken naar Tanzania. In Dar es Salaam werd hij tegengehouden, langdurig ondervraagd en via Amsterdam teruggestuurd naar Groot-Brittannië. Later reisde hij naar Koeweit waar hij een job had als informaticus. Hij kwam terug naar Londen en wou na korte tijd opnieuw vertrekken. Op de luchthaven werd hij tegengehouden en teruggestuurd, waarna hij verschillende mogelijkheden zocht om de Britse overheid te verschalken om toch naar Koeweit te kunnen reizen. Hij wou de geheim agenten van zijn lijf en hoopte dat een artikel hem daarbij kon helpen. Dat is er nooit gekomen omdat hij geen hard bewijsmateriaal van het gepest kon leveren. Ik verloor zijn verhaal ook uit het oog omdat ik in die periode overstapte van The Independent naar een andere krant.”

 

Achteraf beschouwd hadden de agenten van MI5 overschot van gelijk dat ze Emwazi in de gaten hielden en lastig vielen?

Verkaik: “Dat is de discussie over de kip of het ei. (lacht) Volgens CAGE radicaliseerde Emwazi tot terrorist omdat MI5 hem het vuur aan de schenen bleef leggen. Ik geloof dat niet. In zijn late tienerjaren was hij helemaal niet geïnteresseerd in de islam. Dat kwam pas toen hij betrokken raakte in een jihadistisch netwerk uit West-Londen dat bevolkt werd met figuren als Mohamed Sakr, Bilal al-Berjawi en Ibrahim Magag, salafisten met sympathie voor het Somalisch Al-Shabaab. Sakr en Berjawi stierven allebei in 2012 in Somalië door drone-aanvallen. Ibrahim Magag is vermoedelijk de man die over de vlucht van hemzelf en Jihadi John naar Syrië getuigt in Dar al Islam.”

 

Toen u Mohammed Emwazi ontmoette, zat hij al in dat jihadistische netwerk. Dat heeft hij u toen niet verteld.

Verkaik: “Dat is zo. Maar zelfs als hij me dat toen verteld zou hebben, had ik er waarschijnlijk toch geen touw aan kunnen vastknopen. Op dat moment was mijn kennis over het extreem gewelddadige Al-Shabaab niet erg groot. Het West-Londense netwerk was eind 2010 ook alleen maar geïnteresseerd in het steunen van het kalifaat in Mogadishu. Gewelddadig extremisme in Groot-Brittannië stond nog niet op hun agenda. Met mijn verhaal over de jongens van Kentish Town stapte ik eerst naar MI5. Ik vroeg: ‘Waarom vallen jullie hen toch zo lastig?’ Ze wilden daar niet meteen op reageren. ‘Mogen we daar een paar dagen over nadenken?’ Waarna het stil bleef. Misschien hadden ze toen beter wél gereageerd, dan had ik de ernst van die radicalisering beter kunnen inschatten en had ik Emwazi’s verhaal ook anders geïnterpreteerd.”

 

Bidoen

Mohammed Emwazi groeide op in Maida Vale, niet meteen een gangsterkwartier in Londen.

Verkaik: “Nee, het is geen Molenbeek. (lacht) Je vindt er zeer dure flats, maar ook betaalbare sociale woningen. Emwazi’s vader Jassem was in Koeweit een bidoen, een staatloze. De Koeweiti’s zien de naar schatting 200.000 bidoen in hun land als ‘profiteurs’ en behandelen hen als uitschot. In tegenstelling tot de meeste van zijn lotgenoten had Jassem zijn zaakjes goed voor elkaar: hij was politieman vlakbij Koeweit City. Maar dat veranderde na de Eerste Golfoorlog en de inval van de Iraakse dictator Saddam in augustus 1990. Nadat Saddams troepen door de internationale coalitie onder leiding van de VS terug uit Koeweit verdreven waren, keerden de Koeweiti zich tegen de bidoen. Zij werden als collaborateurs gezien. Ook Jassem Emwazi werd met de vinger gewezen. In 1994 vluchtte hij met zijn vrouw en hun zesjarige zoontje Mohammed naar het Verenigd Koninkrijk, waar al verwanten leefden. Jassem werd erkend als politiek vluchteling en ging aan de slag als taxichauffeur en koerier. Zijn vrouw Ghaneya beredderde het huishouden. Ze woonden in een klein huis, middenin een sociale woonwijk. Als Ghaneya op straat kwam, hulde ze zich in een niqab. Toch waren de Emwazi’s geen rigide moslims. Ik heb zeer uitgebreid met Mohammeds jongere broer Omar gepraat en met vriendjes van vroeger. Ze vertellen allemaal hetzelfde verhaal: de kinderen Emwazi kregen geen fundamentalistische opvoeding. Toen ik Omar ontmoette, was hij nog steeds in shock. Van zodra de identiteit van Jihadi John begin vorig jaar bekend was, werden hijzelf, zijn ouders en zijn twee zussen het mikpunt van publieke vervolging en haat.”

 

Waar leven ze nu?

Verkaik: “Ergens ondergedoken in Londen, waar precies weet niemand. Het zou best kunnen dat ze nieuwe identiteiten gekregen hebben. Mohammed ging naar een oer-Britse anglicaanse basisschool, St Mary Magdalene. Die eerste jaren was hij het enige moslimjongentje, wat hem ‘interessant’ maakte voor zijn klasgenootjes. Later ging hij naar de middelbare school Quintin Kynaston in de chique Londense wijk St John’s Wood. Daar waren wel nogal wat kinderen met een moslimachtergrond. Niets wijst erop dat hij in die tijd onder invloed kwam van salafisten of begon te radicaliseren. Als oudere tiener werd hij een fan van rap en experimenteerde hij met alcohol en drugs. Hij was gek op dansen, cannabis en wodka. Een heel gewone Westerse kerel, dus. (lacht)”

 

Klopt er dan niets van de verhalen dat hij als jongen van 14 zwaar gepest werd op school?

Verkaik: “De directrice van zijn school spreekt dat tegen. Volgens haar werd hij heel even gepest, maar werd er meteen ingegrepen. Hij leidde het doorsnee leven van een jongen op een multiculturele school in een betere buurt van Londen. Er was wel een groot verschil tussen de maatschappij waarin hij opgroeide en de samenleving waar zijn ouders vandaan kwamen. Zij vertelden hem over hun leven in Koeweit, en dat Arabische verleden fascineerde hem.”

 

Waren er in die tijd tekenen dat Mohammed Emwazi een psychopaat was?

Verkaik: “Nee. Er is wel het wijdverspreide verhaal dat hij als fervente voetballer met zijn hoofd tegen een doelpaal terechtkwam en zo ernstige hersenschade opliep waardoor zijn persoonlijkheid veranderde. Maar zijn broer weet daar helemaal niets van.”

 

Op safari

Een lerares van Emwazi’s middelbare school vertelde vorig jaar aan de BBC dat hij een tijdlang therapie heeft moeten volgen om zijn woedeaanvallen onder controle te krijgen.

Verkaik: “Ik heb geen documenten of rapporten over geestelijke problemen of therapieën teruggevonden, wat niet wil zeggen dat ze er nooit geweest zijn. Wat ik wel zeker weet, is dat hij een tijdlang actief was in een stadsbende. Vanuit Maida Vale trok hij er samen met een twintigtal andere gangsterrappers op uit om te gaan vechten tegen vooral Ierse stadsbendes. De favoriete bezigheid van de bende was drinkspelletjes met liters wodka. Emwazi was slim genoeg om het echt criminele pad links te laten liggen. Na het middelbaar studeerde hij informatica aan de universiteit van Westminster.”

 

Die universiteit had de kwalijke reputatie dat ze heel vriendelijk was voor islamisten.

Verkaik: “De universiteit van Westminster heeft altijd een links imago gehad, dat was al zo in de tijd dat ik er studeerde. Toen Emwazi er in 2006 aan zijn eerste academiejaar begon, was de universiteit zonder twijfel extreem vriendelijk voor radicale moslims. Wijlen Anwar al-Awlaki, ideoloog van Al Qaida, heeft er nog gespeecht. In het jaar dat Emwazi er startte, werd ex-student Yassin Nassari op de luchthaven van Luton gearresteerd met in zijn bagage jihadpropaganda en gedetailleerde bouwplannen voor een Qassam 1.5-raket, het favoriete speelgoed van de Palestijnse terreurgroep Hamas. Nassari noemde zichzelf ‘de emir’ van het islamitische studentengenootschap van Westminster. Toch zijn er geen aanwijzingen dat Emwazi aan die universiteit geradicaliseerd raakte. Daar zijn in de eerste plaats de jongens van het West-Londense netwerk verantwoordelijk voor.”

 

Maar die leerde hij kennen tijdens zijn studentenjaren in Westminster?

Verkaik: “Dat klopt. Toen Mohammed Emwazi in 2009 afstudeerde, zat hij ongetwijfeld veel dieper in het extremisme dan zijn broer Omar nu nog steeds lijkt te geloven. Mohamed Sakr en Bilal al-Berjawi van het netwerk waren in datzelfde jaar al ‘op safari’ geweest in Kenya, en vermoedelijk een paar jaar eerder op trainingskamp in Somalië. In een hotel in Mombasa kregen ze het gezelschap van ene Najid Mansour. De hotelmanager vertrouwde die drie kerels niet en verwittigde de politie. Op de laptop van Mansour vonden ze jihadpropaganda en handleidingen voor het maken van autobommen. Er zijn sterke aanwijzingen dat Sakr en Berjawi tot over hun oren in het terrorisme zaten op het moment dat Emwazi bij hen over de vloer kwam. Een aantal jongens van het netwerk had dezelfde achtergrond als hij. Anderen hadden een crimineel verleden. Ze hadden in de gevangenis gezeten, waar ze van medegevangenen een snelcursus radicalisering kregen. Gaandeweg ruilde Emwazi zijn respect voor de wet van de mens in voor de sharia.”

 

In mei 2009 vertrok ook Emwazi op ‘safari’.

Verkaik: “Hij was 21 en had in Regent’s Park Mosque de 23-jarige Duitse bekeerling Marcel Schrödl en de 27-jarige Ali Adorus leren kennen. Samen boekten ze een reis naar Tanzania, omdat ze zogezegd verzot waren op wilde beesten. Het plan was vermoedelijk om door te reizen naar de jihad in Somalië , maar daar zijn ze nooit geraakt. Ze werden tegengehouden door agenten van MI5. Adorus zit nu in een cel in Ethiopië omdat hij er een poging ondernam om het regime te vervangen door een islamitische staat. Schrödl probeert op dit moment ergens in Duitsland in het reine te komen met zijn extremistische verleden. Volgens Emwazi bleven de agenten van MI5 hem na die safari stalken. Omar vertelde me dat zijn broer er erg naar uitkeek om te trouwen, om zich definitief in Koeweit te settelen en daar een gezin uit te bouwen. Hij beschouwt de bemoeienis van MI5 met Mohammeds liefdesleven als een sleutelmoment in zijn keuze voor het jihadisme. Vlak daarvoor was Mohammed al een salafist, maar nog geen gewelddadige. Nu nam hij een snelcursus islam, leerde de koran van buiten, schopte het tot ‘hafiz’ en kreeg aanzien onder collega-jihadisten.”

 

Bij de transformatie van de Londense jongen Mohammed Emwazi tot de bloeddorstige killer Jihadi John speelde religie een hoofdrol?

Verkaik: “Ja. Het heeft geen enkele zin om dat te ontkennen. In Syrië sloot Emwazi zich aan bij Kateeba al-Kawthar, een vooral uit Britten bestaande jihadistische verzetsgroep tegen Assad. Een jaar later ging die groep op in het grotere Katab al-Muhajirin (KAM), geleid door de professionele jihadist Omar al-Shishani, krijgsnaam van de Georgisch-Tsjetsjeense killer Tarkhan Batirashvili. Shishani vocht in diverse oorlogen en schopte het tot commandant bij IS. Hij droeg een vervaarlijk rode baard en stond bij zijn strijdmakkers ook bekend als Aboe Omar de Tsjetsjeen. In maart van dit jaar kwam hij om bij een luchtaanval op Raqqa. Hij was een wrede slachter die Emwazi het klappen van de zweep leerde.”

 

Mohammed Emwazi zou toen ook ‘onze’ Jejoen Bontinck bewaakt hebben?

Verkaik: “Het hoofdkwartier van Shishani was in een grote villa in de buurt van Aleppo. KAM controleerde een groot gebied in het noorden van Syrië. Niet ver van dat hoofdkwartier was een gevangenis waar Jejoen Bontinck tijdelijk opgesloten zat. Bontinck beweert dat ze hem hadden opgesloten omdat hij zich verzet had tegen een fusie van KAM met wat toen nog ISIS heette. Hij zegt ook dat hij er samen zat met James Foley en een andere journalist. Ze zouden gefolterd en mishandeld zijn door vier cipiers die ze omwille van hun Britse accent The Beatles noemden. Mohammed Emwazi was John Lennon, vandaar zijn bijnaam ‘Jihadi John’. Maar hij was niet de leider van de groep; dat was George Harrison, alias Jihadi George. De echte identiteit van die man is niet bekend. Jihadi Paul zou de 31-jarige Aine Davis zijn die nu gevangen zit in Turkije, en Jihadi Ringo zou de 32-jarige Alexe Kotey zijn waarvan niemand weet waar hij momenteel is. The Beatles bekwaamden zich in waterboarding, het toedienen van elektrische schokken en het dagenlang rechtop laten staan van gevangenen. Voor die foltertechnieken haalden ze hun inspiratie in Guantanamo en Abu Ghraib. De slachtoffers die Emwazi voor de camera onthoofde, droegen allemaal oranje overalls die rechtstreeks geïmporteerd leken uit Guantanamo. De propagandajongens van IS slaan ons zo heel doordacht terug met symbolen die we zelf gecreëerd hebben. Toen Emwazi net in Syrië gearriveerd was, keek hij dagenlang naar gruwelijke video’s van door geallieerde bombardementen omgekomen moslimfamilies en later naar onthoofdingsvideo’s. Zo raakte hij zoetjesaan voorbereid voor het echte werk.”

 

Ter voorbereiding van dit gesprek heb ik naar een onthoofdingsvideo van Jihadi John gekeken. Ik werd daar niet krijgshaftig van, maar kotsmisselijk.

Verkaik: “Ik heb ze allemaal bekeken en ik kan geen onthoofdingsvideo meer zien. Ik wil er ook niet meer naar kijken. Als je, net zoals Mohammed Emwazi, talloos veel van die filmpjes voor de kiezen krijgt, kan dat niet anders dan je psyche beïnvloeden.”

 

Er is toch een groot verschil tussen naar die gruwel kijken en zelf mensen het hoofd afsnijden?

Verkaik: “Emwazi ontpopte zich in Syrië in sneltreinvaart tot een roekeloze killer. Onder Shishani viel hij tegenstanders aan zonder dat hij zich zorgen leek te maken over zijn eigen vege lijf. Er zijn getuigenverslagen van mensen die Emwazi in 2013 op het slagveld in actie zagen. Hij nam enorme risico’s en gedroeg zich alsof hij onoverwinnelijk was.”

 

Omdat hij verlangde naar het martelaarschap?

Verkaik: “Hij leek alleszins niet bang voor de dood.”

 

Robert Verkaik, Jihadi John: de radicalisering van een westerse moslim, Omniboek, 320 blz., 19,50 euro

 

© Jan Stevens

“Door te gaan zingen, koos ik voor de vrijheid”

Vandaag zingt de Nederlandse bariton Bastiaan Everink (46) in de grootste operahuizen, overal ter wereld. 25 jaar geleden vocht hij als professioneel elitesoldaat tijdens de Eerste Golfoorlog in de woestijn in Irak. ‘Elitesoldaten hebben iets heel bijzonders: ze zijn bereid om een kogel voor elkaar te nemen.’

 

De laatste dagen van augustus, 1991. Na maanden aan het front in Irak keert de tweeëntwintig jaar oude marinier Bastiaan Everink terug naar huis in het Nederlandse Enschede. De Eerste Golfoorlog zit er op en dictator Saddam Hoessein is uit het door hem geannexeerde Koeweit verdreven. Operaties Desert Storm en Desert Sabre hebben duizenden mensen het leven gekost. In Noord-Irak lag Bastiaan onder vuur en in een vluchtelingkamp hielp hij kinderen en volwassenen begraven die aan cholera en tbc bezweken waren. Vlak na zijn thuiskomst krijgt hij een decoratie opgespeld voor het tonen van ‘heldenmoed in de meest zware omstandigheden.’ De maanden erna loopt de jonge elitesoldaat gedesoriënteerd en met een hoofd vol vragen door de straten van Enschede. Tot hij op een dag bij een vriend de opera Parsifal van Richard Wagner hoort. ‘De muziek ontroerde me hevig’, herinnert hij zich. ‘Ik herkende mezelf in de figuur van Parsifal: ook hij kwam als jongeman in een ontwricht land terecht en zag daar dingen die hij niet begreep.’

Vier weken later nam Bastiaan Everink zijn allereerste zangles bij de naar Nederland uitgeweken Canadese zangcoach Jimmy Hutchinson. ‘Tijdens het zingen, voelde ik me intens gelukkig en bevrijd.’ Hij nam ontslag uit het leger en schreef zich in aan het conservatorium. ‘Door als marinier in oorlogsgebied te vechten, had ik een pantser rond me opgetrokken. Ik voelde: dat pantser moest uit. Door te gaan zingen, koos ik voor de vrijheid.’ Vandaag is Bastiaan Everink een gevierde bariton die wereldwijd in de grootste operahuizen zingt. Een tijdlang was hij vast verbonden aan de gerenommeerde Deutsche Oper in Berlijn, waar hij tot vandaag Klingsor uit Parsifal vertolkt. In zijn onlangs verschenen boek Strijdtoneel beschrijft hij zijn opmerkelijke carrièreswitch.

 

Waarom koos u als jongeman voor het leger?

Bastiaan Everink: Ik ben fanatiek en eerzuchtig van aard en ik wil maximaal leven. Ik wou graag soldaat worden, alleen mocht het geen gewone zijn. Ik moest en zou elitesoldaat worden. In Nederland zijn dat de mariniers, bij jullie de para’s. Dezelfde ambitie speelde een hoofdrol toen ik de overstap maakte naar operazanger. Ik wou alleen hoofdrollen zingen; bijrollen of een plaats in het koor waren uit den boze. Ik heb mezelf toen zo gestuurd dat ik datgene kon bereiken wat ik graag wou. Als ik in het begin van mijn zangloopbaan kleine operarolletjes had aangenomen, had ik nooit die grote rollen gekregen op die plekken waar ik nu zing. Dan was ik voor eeuwig en altijd de man van de bijrollen gebleven. Want waarom zouden ze die zanger die in dat ene operahuis twee zinnetjes zong, in het andere de hoofdrol geven? Ik heb net zolang muziek gestudeerd tot ik wist dat ik genoeg bagage in mijn rugzak had om hoofdrollen te zingen. Ik had een welomlijnd plan: eerst de kleine operahuizen, dan de stadstheaters, daarna het staatstheater, vervolgens de Opera van Frankfurt en nu zing ik al vijf jaar in de Deutsche Oper in Berlijn.

 

Onlangs sprak ik een 54-jarige Brit die rond zijn twintigste in het vreemdelingenlegioen zat. Na een leven als dansleraar trok hij vorig jaar naar Irak, waar hij zich aansloot bij de Koerdische Peshmerga om er te vechten tegen de IS. Aan het front ontdekte hij wat hij al die jaren had gemist: kameraadschap en oorlog. Ziet u zichzelf ooit terug de wapens opnemen?

Everink: Ik kan die Brit begrijpen, maar ik denk niet dat ik later in zijn voetsporen zal treden. Al verlang ook ik wel terug naar mijn eenheid en naar die kameraadschap. Die mannen hebben iets heel bijzonders: ze zijn bereid om een kogel voor elkaar te nemen. Ze zijn niet politiek geëngageerd en willen eerst en vooral een uitstekende elitesoldaat worden. Hun persoonlijke moraal en politieke voorkeur maken ze ondergeschikt aan het bevel dat ze krijgen. Ik kan me nog sterk mijn gevoel van indertijd voor de geest halen: ‘Als mijn eenheid naar Irak gaat, wil ik daar bij zijn. Die mannen vertrekken niet zonder mij.’ Als soldaten volgden wij loyaal de beslissing van onze democratisch verkozen regering om ons naar conflictgebied te sturen. Een brandweerman kan ook niet tot het besluit komen dat een huis naar zijn zin iets te veel brandt. ‘Daar ga ik niet naar binnen’, is geen optie. Hij moét gaan. Als je ervoor kiest om elitesoldaat te worden, weet je dat de kans reëel is dat je naar een oorlog moet. Dan wíl je daar ook met je eenheid naartoe.

 

Jullie waren klaar om voor elkaar te sterven?

Everink: Ja, we wilden echt een kogel voor elkaar nemen. Zoiets vind je nergens anders in de samenleving. De wereld van de opera is dan weer meedogenloos en koud. Ik ben er voortdurend op mijn hoede of niet iemand anders een mes in mijn rug wil steken. Want wil die dirigent wel met mij samenwerken en zal hij niet een bevriende zanger in de productie proberen maneuvreren? Altijd heb ik het gevoel dat ik middenin een slangenkuil zit en is er die onzekerheid dat ik er op elk moment uit gezet kan worden. In de opera heerst veel willekeur, terwijl ik me in mijn marinierseenheid net veilig voelde. Als ik toen een slechte dag had, droeg een maat meteen mijn rugzak. Mijn huidige collega’s zeggen nu allemaal: ‘Natuurlijk steunen we je, kom, we geven je een hand.’ Ondertussen zijn ze achter mijn rug mijn graf aan het delven. Dat vind ik best lastig, maar zingen is voor mij zo’n bevrijding, zit zo dicht op mijn huid en maakt me zo gelukkig, dat ik het er ondanks alles voor over heb.

 

U hielp in Irak lijken in een container stapelen en werd in gevechtssituaties beschoten. Blijven die beelden u achtervolgen?

Everink: Ik heb er vandaag geen last van, maar mijn beste maatje van toen draagt er wel de gevolgen van. Weet u welke operarol me het meest op het lijf geschreven is? Nabucco van Verdi. Dat karakter en die rol passen me als een handschoen, omdat ik er veel van mezelf in herken. In Nabucco zit oorlog, soldaten, verandering, verraad en de zoektocht naar vrijheid. Nabucco is Nebukadnezar, de grote dictator en generaal van Babylon, het huidige Irak. In de Iraakse woestijn vind je nu niet alleen zijn voetafdrukken, maar ook die van mij. Vorig jaar werd me gevraagd of ik Nabucco wou zingen in Lecce, Zuid-Italië. Voor de Italianen is dat de opera der opera’s, wie in Lecce een lamentabele Nabucco neerzet, krijgt tomaten en pizza’s naar zijn hoofd. (lacht) De dag van de opvoering kreeg ik rond de middag telefoon. Mijn buddy Johan uit Irak. ‘Het gaat niet goed met me’, zei hij. ‘Ik heb een zelfmoordpoging achter de rug en lig in het ziekenhuis.’ Ik was er ondersteboven van, maar moest het wel van me afzetten, want ’s avonds trad ik op. Terwijl ik in de huid van Nabucco, de dictator uit Irak, kroop, lag mijn beste maatje die bereid was in datzelfde Irak de kogel voor mij te nemen, in het ziekenhuis met de gevolgen van een posttraumatisch stress stoornis (PTSS).

Nabucco wordt halverwege de opera getroffen door de bliksem: dat is het moment waarop hij begint na te denken over wat hij verder wil aanvangen met zijn leven. Hij concludeert dat hij zichzelf in een gevangenis opgesloten heeft en wil weer vrij zijn, maar dan moet hij de Joden die hij gevangen houdt ook vrij laten. Alleen zo kan hij in een land leven waar iedereen vrij is. Toen ik uit Lecce terugkwam werd ik gevraagd om op Veteranendag voor de koning mijn verhaal te vertellen, in de Ridderzaal op het Binnenhof in Den Haag.

 

In Nederland is de jaarlijkse Veterandendag op de laatste zaterdag van juni een belangrijk evenement?

Everink: Ja, dan kun je in Den Haag op de koppen lopen. Het tien hectare grote Malieveld staat dan vol tenten. Nederland telt ruim 115.000 veteranen, soldaten die ooit in een oorlog hebben meegevochten. Dat zijn dus niet alleen oud-strijders van WO II, maar ook veteranen uit recente missies zoals Irak, Afghanistan, Bosnië en Mali. Ik wou heel graag in de Ridderzaal vertellen over mijn buddy Johan en zo bij onze politici aandacht vragen voor PTSS. Ter voorbereiding van die Veteranendag mocht ik naar het huidige missiegebied in Mali vliegen, bij de Special Operations Marines, de eenheid waar ik vroeger zelf bij zat. Net als twintig jaar geleden zou ik samen met hen op patrouille gaan. Maar die jongens zagen dat niet zitten.

 

Ze beschouwden u als een indringer?

Everink: Als in mijn tijd in Irak plots een kerel was langsgekomen met de boodschap: ‘Een kwart eeuw geleden was ik marinier, nu ben ik operazanger en wil ik even met jullie mee’, had ik ook gedacht: ‘Jongen, ga toch zingen.’ (lacht) Ik zei: ‘Ik begrijp jullie. Maar straks in de Ridderzaal wil ik getuigen dat vrijheid een prijs heeft en dat jongens zoals jullie bereid zijn om daarvoor te vechten en zelfs te sterven.’ Toen draaiden ze om als een blad aan een boom. Het werd een fantastische dag. ’s Avonds vroeg de commandant of ik de volgende ochtend een patrouille uitgeleide wou doen. ‘Diep in de woestijn gaan zij terroristen pakken. Wil jij bij het vertrek voor hen zingen?’ Die geheime missie was andere koek dan mijn uitstapje. Dat was écht een levensgevaarlijke opdracht van elitesoldaten die terroristen in kaart gingen brengen.

 

Of neerschieten?

Everink: Dat kan, daar wordt nooit iets over gezegd. Als zo’n patrouille van de Special Operations Marines in de vroege ochtend vertrekt, wordt die altijd met handgeklap uitgeleide gedaan door alle andere soldaten. Dat is zeer indrukwekkend. ‘Wil jij morgen naast de poort op een rotsblok staan en zingen?’ vroeg de commandant. Ik vond dat een onbeschrijfelijke eer. Ik zong Toreador en garde! uit Carmen. Ik hoorde een van die jongens zeggen: ‘Godverdomme, nu zit de hele dag dat kutnummer in mijn hoofd.’ (lacht) Een paar uur later kreeg ik een sms van de commandant. Een zelfmoordterrorist was in een auto vol explosieven op de patrouille af komen rijden; op het laatste nippertje konden ze hem neerschieten. In Nederland verscheen daar één klein regeltje over op teletekst. Meer niet, want: er was toch geen dode gevallen? Terwijl dat wel over míjn mannen ging die ik de poort had uitgezongen.

 

Zijn elitesoldaten er op voorbereid om op hun missies levens weg te nemen?

Everink: Daar kan je niemand op voorbereiden. Als marinier moet je je bij de start van je opleiding dé vraag stellen: ‘Ben ik bereid om iemand dood te schieten als het bevel komt?’ Als je daar niet toe bereid bent, hoor je niet thuis in het leger en moet je op zoek naar een andere job. Als je dat wel wilt doen, lig je vervolgens dag in dag uit op de schietbaan, naar opklappende borden van ‘de vijand’ te vuren. Zo raak je in een aparte gemoedstoestand. Ik herinner me dat ik tijdens de Eerste Golfoorlog met mijn buddy op een vliegveld in Irak een diepgaand gesprek had over de essentie van het marinier zijn. Al die jongens die daar zaten, hadden ouders, partners, kinderen, broers en zussen die zich in het verre Nederland zorgen zaten te maken. Wij waren ons daarvan bewust, maar we hadden hier zo hard voor getraind en zo intens aan gewerkt, dat we met onze hart en onze ziel op missie wílden. Van een heel gewone jongen uit Enschede was ik getransformeerd tot elitesoldaat.

 

Is die transformatie vergelijkbaar met de transformatie van gewone jongens tot potentiële zelfmoordterrorist?

Everink: Nee, want als soldaat moet je altijd zelf blijven denken. Echte moraal komt van binnen, die kan nooit van buitenaf worden opgelegd. Een mens kan in zijn leven een paar keer op een kruispunt komen waar hij een duidelijk keuze moet maken: goed of kwaad. Elitesoldaten zijn bereid om heel lang te werken en te trainen en kiezen weloverwogen voor hun vak. Zelfmoordterroristen zijn doordrongen van hebzucht. Ze willen meteen succes, direct naar het paradijs en razendsnelle erkenning in hun gemeenschap als held of martelaar.

 

Is het drillen van elitesoldaten met een ‘Befehl ist Befehl’-mentaliteit dan ook geen vorm van hersenspoeling?

Everink: In het leger is er niets ernstiger dan tegen je meerdere zeggen: ‘Wat jij me nu beveelt, doe ik niet.’ Dan eindig je voor de krijgsraad. Als je tegen je officier zegt: ‘Je vergist je’, moet je wel heel sterk in je schoenen staan.

 

Zelf nadenken kan dus eigenlijk niet?

Everink: Integendeel, dat moet je als elitesoldaat net wél blijven doen. In onze kazerne in Doorn lagen op de salontafel naast de Playboys boeken van Albert Camus en Tolstoi. Elitesoldaten kijken verder dan hun neus lang is. Wie in Nederland marinier wil worden, moet eerst naar een apart onderzoekscentrum, waar hij drie dagen lang psychologisch wordt getest. Ze meten je intelligentie en checken je stabiliteit. Alle elitesoldaten hebben S1 of ‘stabiliteitsfactor 1’. Een bepaald type jongens kiest dus voor een elite-eenheid, meestal die kerels die in de tram meteen hun plaats afstaan als een oud vrouwtje opstapt. Hun waarden, normen en rechtvaardigheidsgevoel zitten van nature goed. Door al die gekke actiefilms hebben de meeste mensen natuurlijk een totaal vertekend beeld van onze mariniers of jullie para’s. In werkelijkheid zijn dat heel gewone jongens, sportief, slim en cool.

 

U vertrok in de nasleep van de Eerste Golfoorlog naar Irak. Saddam had zich toen met zijn annexatie van Koeweit als agressor gedragen. De Tweede Golfoorlog was gebaseerd op de leugen dat Saddam over massavernietigingswapens beschikte. Zou u toen ook vertrokken zijn?

Everink: Ja. Destijds volgde ik mijn instinct. Ik kwam in die oorlog terecht en ik dacht: ‘Wil ik dit blijven doen? Leid ik nu het leven dat mij past? Word ik hier gelukkig van?’ Ik heb toen een jaar lang nagedacht, tot de tijd rijp was om een ander pad te kiezen. Ik sprong op die andere trein van de opera, en mijn instinct zei opnieuw: ‘Dit voelt goed.’ De jongens uit mijn eenheid begrepen niets van mijn keuze. ‘Bastiaan, je hoort bij ons. Doe normaal. Operazanger? Wil je Pavarotti worden? Denk na.’ (lacht) Nu komen ze naar mijn voorstellingen en zitten ze hier regelmatig aan tafel.

 

Wat vinden uw ouders van uw parcours?

Everink: Ze vonden het al niet leuk dat ik naar de oorlog trok, maar trokken nog grotere ogen toen ik hen vertelde dat ik operazanger wou worden. ‘Kies toch een normaal beroep’, zei mijn vader toen voor de tweede keer. (lacht) ‘Word advocaat.’ Ik geloofde er zelf in dat het goed zou komen en heb nooit getwijfeld. Al ging het af en toe moeilijk.

 

U had talent, maar dat volstond niet?

Everink: Nee, er schuilde heel wat talent in mijn stem, maar ik had geen buitensporig grote muzikale aanleg. Toen ik me aan het conservatorium inschreef, ontdekte ik snel dat ik een serieuze achterstand had. Van goede elitesoldaat schopte ik het tot een van de slechtste conservatoriumstudenten. Vakken als muziekleer, contrapunt en harmonieleer waren een ramp. De jonge mensen naast wie ik op de schoolbanken zat, speelden al van hun vijfde elke dag vier uur piano of viool. Muzikaal lag ik kilometers achterop. Dat eerste jaar waren mijn docenten het roerend eens: ‘Die jongen haalt het nooit.’ De momenten waarop er gezongen en opgetreden moest worden, stond ik er wel. Daar had ik aanleg voor en verzamelde ik de meeste studiepunten mee, waardoor ik met de hakken over de sloot telkens in het volgende jaar geraakte. Ik had een onwaarschijnlijk grote drive. Van al die mensen met wie ik gestudeerd heb, is bijna niemand in ‘de business’ terecht gekomen. Ik had nog steeds de kadaverdiscipline en het doorzettingsvermogen van de elitesoldaat. Af en toe gaf ik mezelf een flinke trap onder de kont.

 

Na vijf jaar conservatorium kreeg u het gevoel dat u in een doodlopende straat zat?

Everink: Ik voelde me als zanger niet voorbereid op de operabühne. Ik dacht: ‘Ik moet dringend op zoek naar een kerel die het klappen van de zweep kent.’ Een échte leraar. Toen ontmoette ik James McCray, een Amerikaanse tenor met een operastudio in Den Haag. Een paar van de Nederlandse zangers die bij hem les gevolgd hadden, waren in Duitsland een carrière aan het uitbouwen. McCray bleek ook een marinier te zijn en Korea-veteraan. Zijn hele leven had hij op de bühne gestaan en hij zong volgens de prachtige Italiaanse Melocchi-methode die ook Maria Callas en Franco Corelli hanteerden. Na een uur les bij James McCray wist ik dat ik op het conservatorium niets meer te zoeken had. Iedereen predikte: ‘Hou het nog vijf maanden vol, dan heb je je diploma.’ Maar ik had geen seconde te verliezen; dat papiertje kon me gestolen worden. Vanaf toen trok ik drie dagen in de week naar James McCray. Met succes. (glimlacht)

 

Is de muziek van Richard Wagner nog steeds belangrijk voor u?

Everink: Ik zing redelijk veel Wagner, tot hiertoe kroop ik achttien keer in de huid van de figuur Wolfram uit de opera Tannhäuser. De voorbije vijf jaar was ik in de Deutsche Oper de Heerrufer in zijn Lohengrin. Over de hele wereld zing ik ‘De Vliegende Hollander’. Wagner zit me als gegoten. Hij was ervan overtuigd dat op de première van zijn grote meesterwerk Parsifal op 26 juli 1882 in het Festspielhaus in Bayreuth alle toehoorders als herboren uit die voorstelling zouden komen. Zijn fantastische, vaak opzwepende muziek kan hele massa’s in beweging brengen. Daarom ook is hij soms gevaarlijk.

 

Hij was niet voor niets de favoriete componist van Adolf Hitler?

Everink: Precies. Wagner is wonderschoon, maar je moet altijd waakzaam blijven. (lacht)

 

Bastiaan Everink, Strijdtoneel, Atlas-Contact, 300 blz., 19,99 euro

 

© Jan Stevens

‘De liefde van Stalin voor zijn dochter was die van een kat voor een muis’

Overdag joeg dictator Jozef Stalin miljoenen mensen over de kling, ’s avonds noemde hij zijn dochter Svetlana liefkozend zijn ‘kleine musje’. Rosemary Sullivan schreef de ultieme biografie van de dochter van Stalin. ‘Haar hele leven voelde ze zich de politieke gevangene van haar vader.’

 

Eind november 2011 las de Canadese dichteres en biografe Rosemary Sullivan (68) in de New York Times een in memoriam van de pas gestorven Lana Peters alias Svetlana Alliloejeva, dochter van Sovjetdictator Jozef Stalin. Een citaat van Svetlana intrigeerde haar: ‘Je kunt je noodlot niet betreuren, maar ik betreur het wel dat mijn moeder niet met een timmerman trouwde.’ ‘De naam en de reputatie van haar vader leken als een donkere schaduw over Svetlana’s hele bestaan te hebben gehangen’, zegt Sullivan. ‘Ik ging op zoek naar boeken over haar leven, maar vond niets. Dus besloot ik zelf haar biografie te schrijven.”

In De dochter van Stalin reconstrueert Rosemary Sullivan het veelbewogen leven van Svetlana Alliloejeva. Op 28 februari 1926 zag zij het levenslicht als Svetlana Stalina. Pas na de dood van haar vader in 1953 durfde ze definitief afstand van hem te nemen. Ze nam de familienaam Alliloejeva aan van haar moeder Nadja, Stalins tweede vrouw die in november 1932 zelfmoord pleegde. In 1967 vluchtte Svetlana tijdens een verblijf in het Indische New Delhi de Amerikaanse ambassade binnen, waar ze asiel vroeg. In de Verenigde Staten bood een uitgever haar een voorschot van 1,5 miljoen dollar voor haar memoires Twintig brieven aan een vriend, waardoor ze in een klap stinkend rijk werd. Ze hertrouwde er in 1970 met de architect Wes Peters en veranderde opnieuw haar naam, deze keer in Lana Peters. Acht maanden na de geboorte van hun dochter Olga, scheidden ze. Toen Lana Peters op 85-jarige leeftijd in een verzorgingshuis in een klein stadje in de staat Winsconsin aan de gevolgen van kanker overleed, was haar fortuin verdwenen als sneeuw voor de zon. ‘Ze had zich laten rollen door Wes Peters’, zegt Rosemary Sullivan. ‘Hij leek in alles een kopie van vader Stalin en strooide haar geld kwistig in het rond. Bij de scheiding had ze nog 300.000 dollar over. Dat was niet genoeg voor een vrouw als Svetlana die nooit geleerd had om op een verstandige manier met geld om te gaan.’

Eind jaren zeventig bezocht Rosemary Sullivan de Sovjet-Unie. ‘Ik werkte op het letterendepartement van de Universiteit van Toronto en raakte er bevriend met de Tsjechische dissidente schrijver en professor Jozef Škvorecký. Hij leerde me het oeuvre van de schrijvers uit de samizdat, de ondergrondse sovjetliteratuur, kennen. In 1978 reisde ik naar Joegoslavië en de USSR. In Moskou ervaarde ikzelf heel even hoe het was om te moeten leven in een strikt gesloten samenleving. Leonid Brezjnev zwaaide er de plak en er heerste een vergelijkbare kilte als tijdens de jaren onder Stalin. Natuurlijk stelde Brezjnevs regime niets voor in vergelijking met dat van Stalins Grote Terreur. Er waren geen massa-executies, maar de strafkampen in de Goelag zaten wel afgeladen vol. De controle over de burgers was totaal. Onze officiële gids, een jong meisje, nam ons in het geniep mee naar een pub waar we wodka dronken, kaviaar aten en papirosa, Russische sigaretten, rookten. ‘s Anderendaags was ze vervangen door een andere gids. Later bleek dat iemand op haar job had liggen azen en haar bij de communistische autoriteiten had overgedragen. Een cafébezoek met een groep jonge Westerlingen betekende haar ontslag. Daarna hield ik alle Russen die wilden verbroederen op afstand. Want het was me duidelijk geworden dat vriendschappelijk contact voor hen slecht kon aflopen. Na die reis werd ik in Toronto actief lid van de mensenrechtenorganisatie Amnesty International.’

 

Voor het schrijven van deze biografie reisde u opnieuw naar Rusland. Kreeg u makkelijk toegang tot de archieven?

Rosemary Sullivan: Het land zelf binnen geraken, was een bijzonder lastige onderneming. Ik was op voorhand gewaarschuwd dat ik Rusland uitgezet zou worden, als ik het zou wagen om met een toeristenvisum in de archieven te komen neuzen. Journalisten reizen er vaak als ‘toerist’ naartoe om er mensen te interviewen of reportages te maken. Dat lukt niet altijd, en ‘betrapte’ journalisten worden meteen het land uitgegooid. Pas na een half jaar palaveren raakte ik met de hulp van een bevriende academica van de universiteit van Moskou aan een visum voor wetenschappelijk onderzoek.

In het Staatsarchief vond ik de integrale originele correspondentie tussen Jozef Stalin en zijn nog jonge dochter Svetlana. Ik vond het heel bijzonder om die handgeschreven brieven vast te houden en te lezen. Ik mocht geen fotokopies nemen of aantekeningen maken. Mijn assistente las die brieven vervolgens allemaal discreet in op band. (lacht)

 

Toen Vladimir Poetin in 1999 aan de macht kwam, stuurde Svetlana Alliloejeva een waarschuwing de wereld in: ze herkende haar vader in ‘die afschuwelijke voormalige KGB-spion’. Ze vond dat de Westerse democratieën hem moesten boycotten in plaats van ‘met grote kruiken wodka in de rij te staan om hem te omarmen.’ Had ze gelijk?

Sullivan: De voormalige KGB-kolonel Poetin heeft er alleszins voor gezorgd dat de huidige geheime dienst FSB over het hele land goed uitgebouwd is. Maar Vladimir Poetin is geen Stalin, al heeft ook hij veel bloed aan zijn handen, denk maar aan de oorlogen die hij in Tsjetsjenië voerde. En net als Stalin schrikt hij er niet voor terug om angst als strategie te gebruiken.

Ik zocht in Rusland Svetlana’s verwanten op. Na een succesvolle carrière leiden ze nu een bestaan in de luwte. Stalins kleinzoon Sasha Boerdonski maakte me deelgenoot van zijn diepgewortelde haat voor zijn vader Vasili, Svetlana’s oudere broer. Ik zei: ‘Misschien groeide jouw vader uit tot een kloon van Stalin omdat die toeliet dat zijn zoon door zijn stiefmoeder als een stuk vuil behandeld werd.’ Zij sloot hem meermaals op in een donkere kamer, zonder eten of drinken. ‘Je tante Svetlana was toch helemaal anders’, opperde ik. Hij keek me aan alsof hij het in Keulen hoorde donderen. ‘Je begrijpt het niet’, zei hij. ‘Mijn vader leek in niets op Stalin. Vasili was een ijdeltuit, een zwakkeling, een dronkaard, die graag met snelle auto’s showde en van het ene meisje naar het andere fladderde. Svetlana daarentegen was wél het evenbeeld van haar vader. Ze had zijn intelligentie en wilskracht geërfd. Gelukkig niet zijn kwade inborst.’

 

Jozef Stalin wordt vaak voorgesteld als compleet geschift en door en door slecht. Klopt dat beeld?

Sullivan: Hij was kwaadaardig, maar niet gek. Svetlana geloofde dat Stalins goede inborst en karakter fundamenteel veranderden na de zelfmoord van haar moeder Nadja. Ik vrees dat ze zich vergiste en dat haar vader al van op heel jonge leeftijd een meedogenloze man was. Ooit was hij zijn carrière begonnen als een nietsontziende crimineel. Je mag hem gerust een psychopaat noemen. Hij had één grote ambitie: van de Sovjet-Unie een wereldmacht maken. Die ambitie maakte hij ook waar: in dertig jaar tijd verbouwde hij de feodale samenleving van de tsaren tot een supermacht. Het kon hem niets schelen dat hij daarvoor 25 miljoen levens moest opofferen. Toen zijn oudste zoon Jakov tijdens de Tweede Wereldoorlog gevangen genomen werd door de nazi’s, liet hij die jongen bewust aan zijn lot over. Alle Russische soldaten die krijgsgevangen genomen waren en na de oorlog terug naar huis keerden, werden ofwel geëxecuteerd als verraders, ofwel verbannen. In het voorjaar van 1943 probeerden de Duitsers Jakov te ruilen voor veldmaarschalk Friedrich Paulus. Stalin weigerde. Daarna werd zijn zoon doodgeschoten, of pleegde hij zelfmoord; daar is nooit duidelijkheid over gekomen. Ik was in shock toen ik dat verhaal las.

 

Op de cover van uw boek houdt Stalin zijn lachende dochter dicht tegen zich aan. Hij lijkt een liefhebbende vader.

Sullivan: Die foto heeft iets ambigu. Jozef Stalin toont zich van zijn tedere kant, en Svetlana lijkt erg gelukkig. Als je goed kijkt, merk je ook hoe hij haar onder controle houdt. Ze was toen ongeveer zes en een half jaar oud.

 

Haar moeder was net gestorven?

Sullivan: Vermoedelijk wel. Van zijn drie kinderen was zijn enige dochter Svetlana zijn oogappel. Hij noemde haar ‘mijn kleine musje’, en zichzelf: ‘Secretaris Nummer 1’. Svetlana schreef hem briefjes met ‘bevelen’ die ze met punaises aan de muur boven zijn bureau prikte. ‘Lieve papotsjka, Secretaris Nummer 1, neem me mee naar de film.’ Waarop Stalin een briefje terug schreef: ‘Ik aanvaard je bevel. Secretaris Nummer 1, de arme boer Jozef Stalin.’ (lacht) Nikita Chroesjtsjov, de man die Stalin veel later zou opvolgen én van zijn voetstuk zou halen, verbaasde zich over de sentimentaliteit die Stalin tegenover zijn dochter tentoon spreidde. Chroesjstjov noemde de liefde van Stalin voor Svetlana ‘de liefde en tederheid van een kat voor een muis.’ Stalins definitie van liefde klonk waarschijnlijk enigszins anders dan de onze. In Twintig brieven aan een vriend schrijft Svetlana: ‘Mijn moeder had zeker kunnen begrijpen waarom ik in 1967 naar de Amerikanen overliep. Mijn vader had me dat nooit vergeven.’ Voor Stalin was liefde hetzelfde als controle. Als hij nog geleefd had op het moment dat ze asiel in Amerika vroeg, had hij haar zonder twijfel uit de weg laten ruimen. ‘Vergeving’ stond niet in zijn woordenboek.

 

Groeide ze in het Kremlin geïsoleerd op?

Sullivan: Nee. Stepan Mikojan, zoon van Stalins vice-premier Anastas Mikojan die alle zuiveringen op wonderbaarlijke wijze overleefde, vertelde me dat de kinderen van de leden van het Politburo een zeer sociaal leven leidden binnen de muren van het Kremlin. Veertig kinderen, zowel van de knechten en meiden als van de sovjetleiders, maakten er samen de tuinen onveilig en klommen er op het monumentale Tsarenkanon.

 

Ze speelde er met kinderen van andere notoire moordenaars zoals Lavrenti Beria, hoofd van de geheime dienst NKVD en fanatiek ‘zuiveraar’?

Sullivan: Ja. Svetlana begint haar Twintig brieven aan een vriend met een beklemmende beschrijving van de afschuwelijke doodsstrijd van haar vader. Die duurde vijf dagen. Hij had een hersenbloeding gekregen en stikte langzaam in zijn eigen sappen. Hij leek buiten bewustzijn, tot hij op het allerlaatste zijn ogen opende en iedereen in de kamer aankeek. Svetlana schrijft: ‘Het was een afschuwelijke blik, vol waanzin of misschien boosheid, en vol doodsangst. Plotseling hief hij zijn linkerhand op alsof hij naar iets boven zich wees en een vloek uitsprak over ons allemaal. Het volgende moment rukte de geest zich los van het lichaam.’ Het lijkt alsof Svetlana pas aan haar eigen verhaal kan beginnen nadat ze de geest van haar verschrikkelijke vader uitgeleide gedaan heeft. Tot aan de zelfmoord van haar moeder omschrijft ze haar kindertijd als ‘dagen van zonneschijn’. Ze beleefde er een romantische Russische jeugd in hun datsja in Zoebalovo, waar ze haar eigen kippen kweekte en paddenstoelen plukte met haar grootvader. Een paar jaar later begon ze langzaamaan te beseffen dat al die vrolijke mensen op die fantastische zomerpicknicks wrede moordenaars waren. De rest van haar leven heeft ze geworsteld met dat beeld van haar idyllische jeugd tussen massamoordenaars. Na de zelfmoord van haar moeder Nadja, militariseerde Stalin het huishouden. Hij zag de zelfdoding van zijn vrouw als een aanval op zijn eigen persoon. De dode Nadja werd zijn vijand. Hij liet zo goed als alles weghalen wat aan haar herinnerde. Ze werd vervangen door een gouvernante die werkte voor de NKVD. Volgens Svetlana veranderde Stalin na de dood van haar moeder in een uiterst cynische, achterdochtige man.

 

Vertrouwde hij zijn eigen kinderen nog?

Sullivan: Hij wou ze in de eerste plaats controleren. De NKVD-gouvernante rapporteerde hem rechtstreeks over de handel en wandel van zijn dochter en hij liet haar telefoongesprekken afluisteren. Hij beschouwde haar als een verrader toen hij erachter kwam dat ze op haar zestiende verliefd geworden was op de achtendertigjarige Aleksej Kapler.

 

U schrijft dat de relatie tussen Svetlana en Kaplan puur platonisch was. Hoe weet u dat zo zeker?

Sullivan: Kapler was geen onbesproken figuur, maar hij heeft Svetlana niet seksueel misbruikt. Dat weten we met zekerheid omdat Svetlana’s NKVD-spion altijd in de buurt rondhing. Veel later zou Svetlana wel haar oudere broer Vasili beschuldigen van vergaande handtastelijkheden. Op zijn dertiende begon Vasili te drinken en als hij dronken was, reageerde hij zich af op zijn vijf jaar jongere zusje. Op haar zestiende had Svetlana een hekel aan seks. In 1942 was Aleksej Kapler de beroemdste filmregisseur van de USSR. Hij behoorde tot de intieme kring van Stalin en leek gefascineerd te zijn door dat gevaarlijke centrum van de macht. Hij was getrouwd en beweerde in latere interviews dat hij vooral in de ‘uitzonderlijke intelligentie’ van de 16-jarige Svetlana geïnteresseerd was. Hij nam haar mee naar de film en de opera, ze ontmoetten elkaar in het geniep en wandelden samen door het park met haar hand in zijn broekzak. Via zijn geheime politie stuurde Stalin een duidelijke waarschuwing naar Kapler. Bizar genoeg sloeg Kapler die in de wind en bleef hij ‘geheime’ afspraakjes met Svetlana maken. Stalin liet Kapler arresteren en voor spionage veroordelen tot vijf jaar werkkamp in Siberië. Uiteindelijk werden dat er tien. Nu moet u weten: Stalin was zelf 39 toen hij de amper 16 jaar oude Nadja, Svetlana’s moeder, ontmoette en huwde. (lacht) Na de arrestatie van haar minnaar, besefte Svetlana voor het eerst echt wat voor een man haar vader was. Op dat moment verloor ze ook voorgoed haar communistische geloof.

 

Er waren toch eerder al heel wat mensen uit haar omgeving verdwenen naar kampen of geëxecuteerd?

Sullivan: Er verdwenen voortdurend mensen, maar daar werd door niemand over gesproken. Op haar elfde ‘verdwenen’ haar tante en oom. Niemand legde haar uit wat er gebeurd was. Toen Kapler naar de goelag gestuurd werd, zag ze voor het eerst heel duidelijk wie de opdrachtgever was: haar vader. Uit protest trouwde ze later met een Joodse studiegenoot, Grigori Morozov. Stalin was extreem antisemitisch en heeft altijd geweigerd die schoonzoon te ontmoeten. Zijn kleinzoon Jozef heeft hij amper vier keer gezien; zijn kleindochter Katja uit Svetlana’s tweede huwelijk één keer.

 

In 1967, veertien jaar na Stalins dood, vluchtte Svetlana naar Amerika. Haar kinderen liet ze achter in de Sovjet-Unie en heeft ze zeventien jaar lang niet gezien.

Sullivan: Haar zoon Jozef was op het moment van haar vlucht 22, net getrouwd en bijna afgestudeerd als chirurg; haar dochter Katja was 17. Ze stonden allebei heel dicht bij hun vaders. Ze wist dat haar kinderen niet meteen gevaar liepen: ze waren publieke figuren en de KGB kon hen niet zomaar laten verdwijnen. De Amerikanen waren trouwens eerst niet erg geïnteresseerd om de dochter van Stalin asiel te verlenen. Het was de periode van de Detente, de Koude Oorlog schakelde een paar versnellingen lager en de Amerikanen en de Sovjets begonnen akkoorden te sluiten. Een prominente overloper als Svetlana Alliloejeva konden de Amerikaanse politici missen als kiespijn. Daarom ‘parkeerden’ ze haar eerst een poosje in het Zwitserse Genève, waar ze Dokter Zjivago van Boris Pasternak las, en er veel van haar eigen leven in herkende, met een dictatuur die haar van haar kinderen scheidde.

 

Schetst u niet een al te geflatteerd beeld van haar? Jarenlang schreef ze haar kinderen zelfs geen brief.

Sullivan: Ze durfde niet met haar kinderen corresponderen omdat ze bang was dat de KGB hun carrières zou ruïneren. Haar neef Leonid Alliloejev vertelde me dat Jozef een tijdlang door de KGB zwaar onder druk gezet werd. Haar vertrek raakte hem midscheeps. Dochter Katja vond haar moeder dan weer een landverraadster. De KGB financierde een buitenlandse mediacampagne om Svetlana in diskrediet te brengen. Spin in dat hele complot was Victor Louis, een journalist die voor de Britse Evening Standard werkte, maar in werkelijkheid een KGB-kolonel was. In het Duitse tijdschrift Stern verscheen in augustus 1967 een reeks genaamd het ‘Geheime album van Stalins dochter’, waarin ze afgeschilderd werd als een losgeslagen nymfomane. Zoon Jozef werd ‘geïnterviewd’, en onder de titel ‘Moeder is een beetje doorgedraaid’, vertelde hij over het ‘labiele karakter’ van Svetlana en haar ‘wankele geestelijke gezondheid’. Vervolgens had hij het over een bezoek van hem en zijn zus Katja aan hun gebalsemde opa Stalin in het mausoleum op het Rode Plein. ‘Ik maak er geen geheim van dat ik tot op de dag van vandaag trots ben op mijn opa’, zei Jozef. Meteen na Svetlana’s vlucht probeerde de KGB haar via haar kinderen te vernederen. Ik kan dan ook heel goed begrijpen dat ze jarenlang alle contact met haar kinderen meed. Met haar stilzwijgen wou ze hen sparen.

 

Rosemary Sullivan, De dochter van Stalin, De Geus, 567 blz., 29,95 euro

 

© Jan Stevens

%d bloggers liken dit: