“Jihadi John reisde via Brussel naar Syrië”

Eind 2010 interviewde journalist Robert Verkaik uitvoerig Mohammed Emwazi. “Hij klaagde dat hij door de bemoeienis van de Britse geheime dienst twee keer een verloofde kwijt was geraakt: de eerste in Londen en de tweede in Koeweit.” Twee jaar later vertrok Emwazi naar Syrië, om er wereldberucht te worden als de koppensnellende Jihadi John. Vandaag is Verkaik de enige journalist ooit die een lang gesprek met Jihadi John overleefde. “Hij was beleefd en vriendelijk.”

 

12 november 2015, 23.41 u. In Raqqa, ‘hoofdstad’ van de Islamitische Staat, verlaat de 27-jarige Mohammed Emwazi alias Jihadi John het appartement waar zijn vrouw samen met hun twee jaar oude zoontje verblijft. Hij stapt in een pick-up waarin een andere jihadist al achter het stuur zit. Een onopvallende man verderop in de straat stuurt een gecodeerde boodschap naar de Creech Air Force Base in de Amerikaanse staat Nevada. ‘Emwazi zit in een auto en rijdt in de richting van het islamitische gerechtsgebouw.’ Vanop Creech stuurt een piloot een Predator-drone bewapend met een lading Hellfire-raketten hoog boven de donkere straten van Raqqa. Iets voor middernacht neemt de Predator de pick-up van de jihadisten in het vizier. Net op het moment dat Emwazi uitstapt, boort een raket zich tegen 1.500 km per uur vlak voor zijn voeten in de grond. De man die eigenhandig voor de IS-propagandacamera drie journalisten, drie hulpverleners en één veiligheidsagent onthoofde, en voor diezelfde camera de leiding nam over een massa-onthoofding van 21 Syrische soldaten, is verpulverd tot as.

 

‘Mooie jongeman’

De Britse en Amerikaanse geheime diensten hadden de ware identiteit van de beruchte gemaskerde IS-beul met de Londense tongval al in de zomer van 2014 ontdekt. Gierigheid had Jihadi John toen de das omgedaan. De voormalige computerprogrammeur had vanuit Syrië de code van zijn oude studentenkaart van de universiteit van Westminster gebruikt om webdesignsoftware gratis te kunnen downloaden. Het zou nog tot 26 februari 2015 duren eer zowel de BBC als de Washington Post de identiteit van Jihadi John ook voor het grote publiek onthulden. “De naam ‘Mohammed Emwazi’ liet toen bij mij geen enkel belletje rinkelen’, zegt de Britse journalist Robert Verkaik. Diezelfde 26e februari ging Verkaik naar een persconferentie van CAGE, een in Groot-Brittannië onder vuur liggende ngo die beweert mensenrechten van gevangen moslims te verdedigen. “CAGE is opgericht door Moazzam Begg, een ex-Guantanamo-gevangene die zeer invloedrijk is onder jonge radicale moslims. De organisatie had aangekondigd dat ze op de persconferentie de relatie tussen Emwazi en de Britse geheime diensten zou belichten.”

Mohammed Emwazi bleek gedurende een paar jaar nauwe contacten gehad te hebben met Asim Qureshi, directeur van CAGE. Robert Verkaik: “Qureshi zei dat hij nauwelijks kon geloven dat de man uit de IS-video’s dezelfde was als de vriendelijke jongen die van 2010 tot 2012 regelmatig op zijn kantoor zat en met gebakjes trakteerde. Hij noemde Emwazi ‘een mooie jongeman’ en zei dat hij ‘de meest verlegen mens’ was die hij ooit ontmoet had. Emwazi had de hulp van CAGE ingeroepen omdat hij naar eigen zeggen geïntimideerd en lastig gevallen werd door agenten van de binnenlandse inlichtingendienst MI5. Qureshi vertelde ook dat hij Mohammed Emwazi in 2010 in contact gebracht had met een journalist van The Independent. Op dat moment begon het bij me te dagen dat ikzelf misschien wel die journalist zou kunnen zijn.”

Robert Verkaik dook in zijn archief en vond na wat zoekwerk e-mailverkeer terug dat hij in 2010 met ene Mohammed Emwazi gevoerd had. “Ik zag eerst een bericht verschijnen waarin Emwazi verbitterd schreef hoe de pesterijen van MI5 hem bijna tot zelfmoord gedreven hadden.” Uit de mails kon Verkaik reconstrueren dat hij Jihadi John op 1 december 2010 meer dan een uur geïnterviewd had. “Toen wist ik het weer: ik had die woensdag met hem afgesproken in een koffiehuis in de Londense wijk Maida Vale, vlakbij zijn ouderlijk huis.”

Het is het enige interview dat Mohammed Emwazi bij leven en welzijn aan een Westerse journalist gegeven heeft. Het vormde de basis voor Robert Verkaiks uitstekende biografie Jihadi John: de radicalisering van een westerse moslim.

 

Gangsterrapper

Een uur voor ik Verkaik ontmoet in de bar van het Londense Charing Cross Hotel, de favoriete pleisterplaats van agenten van MI5, mailt hij me nog een artikel uit het pas verschenen nummer van het Franstalige IS-propagandablad Dar al Islam. Daarin doet een anonieme Britse Syriëstrijder uit de doeken hoe hij in augustus 2012 samen met Jihadi John ongezien via Brussels Airport naar Syrië reisde. “Mohammed Emwazi stond toen al op de terreurlijst”, zegt Verkaik. “De twee jihadi’s lieten zich in een truck vanuit Groot-Brittannië naar het vasteland smokkelen. Ze hadden 30.000 euro bij. Met de trein reisden ze van Frankrijk naar Brussel, waar ze een paar dagen in een hotel verbleven. Daar verdeelden ze het geld en boekten ze een eerste vlucht naar Albanië en een tweede naar Korfoe. Met valse Franse paspoorten checkten ze op Brussels Airport probleemloos in. In Korfoe namen ze een boot naar Turkije waar een fixer van IS hen de grens met Syrië over hielp. In mijn boek had ik op basis van gesprekken een gelijkaardige reis van Jihadi John naar Syrië gereconstrueerd. Ik vroeg MI5 om een reactie, maar het agentschap hulde zich in stilzwijgen. Islamitische Staat bevestigt nu min of meer mijn versie, alleen liet ik hem niet via Brussel reizen.”

 

Vond u Mohammed Emwazi die woensdagnamiddag in het koffiehuis in Maida Vale net zo’n ‘mooie jongeman’ als CAGE-directeur Asim Qureshi?

Robert Verkaik: “Hij was vriendelijk en beleefd en wou dolgraag dat ik zijn verhaal in de krant bracht. Hij zag eruit als een coole Londense jonge kerel, type gangsterrapper met gouden ketting, een keurig getrimd baardje en een baseballpet. Hij klaagde dat hij door de bemoeienis van MI5 twee keer een verloofde was kwijt geraakt: de eerste in Londen en de tweede in Koeweit. De agenten hadden contact met zijn toekomstige schoonouders gezocht, waardoor zijn trouwplannen telkens op de klippen liepen. Dat was hard aangekomen en zadelde hem een tijdlang met zelfmoordgedachten op.”

 

Waarom bracht CAGE u met Emwazi in contact?

Verkaik: “In 2009 sprak ik vijf jonge moslims die onder druk gezet werden en gechanteerd door agenten van MI5. Die jongens woonden in de Londense wijk Kentish Town en hadden salafistische sympathieën. Op een bepaald moment belde een postbode bij hen aan. Van zodra die man binnen was, stelde hij zich voor als een agent van MI5. De ‘gastheer’ kreeg de keuze: ofwel werd hij informant en lieten ze hem in ruil voor informatie over moslimextremisten verder met rust, ofwel bleven ze hem en zijn familie stalken. Ik schreef daarover in The Independent, dat artikel zorgde voor flink wat heisa, waarna MI5 die jongens niet langer lastigviel. Eerlijkheidshalve moet ik eraan toevoegen dat het met die jongens niet goed afgelopen is. Zo vecht er nu een in Syrië en zit een andere in een Amerikaanse gevangenis voor terrorisme. CAGE bracht Emwazi in contact met mij omwille van zijn problemen met MI5. Die waren begonnen toen hij met twee kompanen, een Brit en een Duitser, op ‘safari’ wou vertrekken naar Tanzania. In Dar es Salaam werd hij tegengehouden, langdurig ondervraagd en via Amsterdam teruggestuurd naar Groot-Brittannië. Later reisde hij naar Koeweit waar hij een job had als informaticus. Hij kwam terug naar Londen en wou na korte tijd opnieuw vertrekken. Op de luchthaven werd hij tegengehouden en teruggestuurd, waarna hij verschillende mogelijkheden zocht om de Britse overheid te verschalken om toch naar Koeweit te kunnen reizen. Hij wou de geheim agenten van zijn lijf en hoopte dat een artikel hem daarbij kon helpen. Dat is er nooit gekomen omdat hij geen hard bewijsmateriaal van het gepest kon leveren. Ik verloor zijn verhaal ook uit het oog omdat ik in die periode overstapte van The Independent naar een andere krant.”

 

Achteraf beschouwd hadden de agenten van MI5 overschot van gelijk dat ze Emwazi in de gaten hielden en lastig vielen?

Verkaik: “Dat is de discussie over de kip of het ei. (lacht) Volgens CAGE radicaliseerde Emwazi tot terrorist omdat MI5 hem het vuur aan de schenen bleef leggen. Ik geloof dat niet. In zijn late tienerjaren was hij helemaal niet geïnteresseerd in de islam. Dat kwam pas toen hij betrokken raakte in een jihadistisch netwerk uit West-Londen dat bevolkt werd met figuren als Mohamed Sakr, Bilal al-Berjawi en Ibrahim Magag, salafisten met sympathie voor het Somalisch Al-Shabaab. Sakr en Berjawi stierven allebei in 2012 in Somalië door drone-aanvallen. Ibrahim Magag is vermoedelijk de man die over de vlucht van hemzelf en Jihadi John naar Syrië getuigt in Dar al Islam.”

 

Toen u Mohammed Emwazi ontmoette, zat hij al in dat jihadistische netwerk. Dat heeft hij u toen niet verteld.

Verkaik: “Dat is zo. Maar zelfs als hij me dat toen verteld zou hebben, had ik er waarschijnlijk toch geen touw aan kunnen vastknopen. Op dat moment was mijn kennis over het extreem gewelddadige Al-Shabaab niet erg groot. Het West-Londense netwerk was eind 2010 ook alleen maar geïnteresseerd in het steunen van het kalifaat in Mogadishu. Gewelddadig extremisme in Groot-Brittannië stond nog niet op hun agenda. Met mijn verhaal over de jongens van Kentish Town stapte ik eerst naar MI5. Ik vroeg: ‘Waarom vallen jullie hen toch zo lastig?’ Ze wilden daar niet meteen op reageren. ‘Mogen we daar een paar dagen over nadenken?’ Waarna het stil bleef. Misschien hadden ze toen beter wél gereageerd, dan had ik de ernst van die radicalisering beter kunnen inschatten en had ik Emwazi’s verhaal ook anders geïnterpreteerd.”

 

Bidoen

Mohammed Emwazi groeide op in Maida Vale, niet meteen een gangsterkwartier in Londen.

Verkaik: “Nee, het is geen Molenbeek. (lacht) Je vindt er zeer dure flats, maar ook betaalbare sociale woningen. Emwazi’s vader Jassem was in Koeweit een bidoen, een staatloze. De Koeweiti’s zien de naar schatting 200.000 bidoen in hun land als ‘profiteurs’ en behandelen hen als uitschot. In tegenstelling tot de meeste van zijn lotgenoten had Jassem zijn zaakjes goed voor elkaar: hij was politieman vlakbij Koeweit City. Maar dat veranderde na de Eerste Golfoorlog en de inval van de Iraakse dictator Saddam in augustus 1990. Nadat Saddams troepen door de internationale coalitie onder leiding van de VS terug uit Koeweit verdreven waren, keerden de Koeweiti zich tegen de bidoen. Zij werden als collaborateurs gezien. Ook Jassem Emwazi werd met de vinger gewezen. In 1994 vluchtte hij met zijn vrouw en hun zesjarige zoontje Mohammed naar het Verenigd Koninkrijk, waar al verwanten leefden. Jassem werd erkend als politiek vluchteling en ging aan de slag als taxichauffeur en koerier. Zijn vrouw Ghaneya beredderde het huishouden. Ze woonden in een klein huis, middenin een sociale woonwijk. Als Ghaneya op straat kwam, hulde ze zich in een niqab. Toch waren de Emwazi’s geen rigide moslims. Ik heb zeer uitgebreid met Mohammeds jongere broer Omar gepraat en met vriendjes van vroeger. Ze vertellen allemaal hetzelfde verhaal: de kinderen Emwazi kregen geen fundamentalistische opvoeding. Toen ik Omar ontmoette, was hij nog steeds in shock. Van zodra de identiteit van Jihadi John begin vorig jaar bekend was, werden hijzelf, zijn ouders en zijn twee zussen het mikpunt van publieke vervolging en haat.”

 

Waar leven ze nu?

Verkaik: “Ergens ondergedoken in Londen, waar precies weet niemand. Het zou best kunnen dat ze nieuwe identiteiten gekregen hebben. Mohammed ging naar een oer-Britse anglicaanse basisschool, St Mary Magdalene. Die eerste jaren was hij het enige moslimjongentje, wat hem ‘interessant’ maakte voor zijn klasgenootjes. Later ging hij naar de middelbare school Quintin Kynaston in de chique Londense wijk St John’s Wood. Daar waren wel nogal wat kinderen met een moslimachtergrond. Niets wijst erop dat hij in die tijd onder invloed kwam van salafisten of begon te radicaliseren. Als oudere tiener werd hij een fan van rap en experimenteerde hij met alcohol en drugs. Hij was gek op dansen, cannabis en wodka. Een heel gewone Westerse kerel, dus. (lacht)”

 

Klopt er dan niets van de verhalen dat hij als jongen van 14 zwaar gepest werd op school?

Verkaik: “De directrice van zijn school spreekt dat tegen. Volgens haar werd hij heel even gepest, maar werd er meteen ingegrepen. Hij leidde het doorsnee leven van een jongen op een multiculturele school in een betere buurt van Londen. Er was wel een groot verschil tussen de maatschappij waarin hij opgroeide en de samenleving waar zijn ouders vandaan kwamen. Zij vertelden hem over hun leven in Koeweit, en dat Arabische verleden fascineerde hem.”

 

Waren er in die tijd tekenen dat Mohammed Emwazi een psychopaat was?

Verkaik: “Nee. Er is wel het wijdverspreide verhaal dat hij als fervente voetballer met zijn hoofd tegen een doelpaal terechtkwam en zo ernstige hersenschade opliep waardoor zijn persoonlijkheid veranderde. Maar zijn broer weet daar helemaal niets van.”

 

Op safari

Een lerares van Emwazi’s middelbare school vertelde vorig jaar aan de BBC dat hij een tijdlang therapie heeft moeten volgen om zijn woedeaanvallen onder controle te krijgen.

Verkaik: “Ik heb geen documenten of rapporten over geestelijke problemen of therapieën teruggevonden, wat niet wil zeggen dat ze er nooit geweest zijn. Wat ik wel zeker weet, is dat hij een tijdlang actief was in een stadsbende. Vanuit Maida Vale trok hij er samen met een twintigtal andere gangsterrappers op uit om te gaan vechten tegen vooral Ierse stadsbendes. De favoriete bezigheid van de bende was drinkspelletjes met liters wodka. Emwazi was slim genoeg om het echt criminele pad links te laten liggen. Na het middelbaar studeerde hij informatica aan de universiteit van Westminster.”

 

Die universiteit had de kwalijke reputatie dat ze heel vriendelijk was voor islamisten.

Verkaik: “De universiteit van Westminster heeft altijd een links imago gehad, dat was al zo in de tijd dat ik er studeerde. Toen Emwazi er in 2006 aan zijn eerste academiejaar begon, was de universiteit zonder twijfel extreem vriendelijk voor radicale moslims. Wijlen Anwar al-Awlaki, ideoloog van Al Qaida, heeft er nog gespeecht. In het jaar dat Emwazi er startte, werd ex-student Yassin Nassari op de luchthaven van Luton gearresteerd met in zijn bagage jihadpropaganda en gedetailleerde bouwplannen voor een Qassam 1.5-raket, het favoriete speelgoed van de Palestijnse terreurgroep Hamas. Nassari noemde zichzelf ‘de emir’ van het islamitische studentengenootschap van Westminster. Toch zijn er geen aanwijzingen dat Emwazi aan die universiteit geradicaliseerd raakte. Daar zijn in de eerste plaats de jongens van het West-Londense netwerk verantwoordelijk voor.”

 

Maar die leerde hij kennen tijdens zijn studentenjaren in Westminster?

Verkaik: “Dat klopt. Toen Mohammed Emwazi in 2009 afstudeerde, zat hij ongetwijfeld veel dieper in het extremisme dan zijn broer Omar nu nog steeds lijkt te geloven. Mohamed Sakr en Bilal al-Berjawi van het netwerk waren in datzelfde jaar al ‘op safari’ geweest in Kenya, en vermoedelijk een paar jaar eerder op trainingskamp in Somalië. In een hotel in Mombasa kregen ze het gezelschap van ene Najid Mansour. De hotelmanager vertrouwde die drie kerels niet en verwittigde de politie. Op de laptop van Mansour vonden ze jihadpropaganda en handleidingen voor het maken van autobommen. Er zijn sterke aanwijzingen dat Sakr en Berjawi tot over hun oren in het terrorisme zaten op het moment dat Emwazi bij hen over de vloer kwam. Een aantal jongens van het netwerk had dezelfde achtergrond als hij. Anderen hadden een crimineel verleden. Ze hadden in de gevangenis gezeten, waar ze van medegevangenen een snelcursus radicalisering kregen. Gaandeweg ruilde Emwazi zijn respect voor de wet van de mens in voor de sharia.”

 

In mei 2009 vertrok ook Emwazi op ‘safari’.

Verkaik: “Hij was 21 en had in Regent’s Park Mosque de 23-jarige Duitse bekeerling Marcel Schrödl en de 27-jarige Ali Adorus leren kennen. Samen boekten ze een reis naar Tanzania, omdat ze zogezegd verzot waren op wilde beesten. Het plan was vermoedelijk om door te reizen naar de jihad in Somalië , maar daar zijn ze nooit geraakt. Ze werden tegengehouden door agenten van MI5. Adorus zit nu in een cel in Ethiopië omdat hij er een poging ondernam om het regime te vervangen door een islamitische staat. Schrödl probeert op dit moment ergens in Duitsland in het reine te komen met zijn extremistische verleden. Volgens Emwazi bleven de agenten van MI5 hem na die safari stalken. Omar vertelde me dat zijn broer er erg naar uitkeek om te trouwen, om zich definitief in Koeweit te settelen en daar een gezin uit te bouwen. Hij beschouwt de bemoeienis van MI5 met Mohammeds liefdesleven als een sleutelmoment in zijn keuze voor het jihadisme. Vlak daarvoor was Mohammed al een salafist, maar nog geen gewelddadige. Nu nam hij een snelcursus islam, leerde de koran van buiten, schopte het tot ‘hafiz’ en kreeg aanzien onder collega-jihadisten.”

 

Bij de transformatie van de Londense jongen Mohammed Emwazi tot de bloeddorstige killer Jihadi John speelde religie een hoofdrol?

Verkaik: “Ja. Het heeft geen enkele zin om dat te ontkennen. In Syrië sloot Emwazi zich aan bij Kateeba al-Kawthar, een vooral uit Britten bestaande jihadistische verzetsgroep tegen Assad. Een jaar later ging die groep op in het grotere Katab al-Muhajirin (KAM), geleid door de professionele jihadist Omar al-Shishani, krijgsnaam van de Georgisch-Tsjetsjeense killer Tarkhan Batirashvili. Shishani vocht in diverse oorlogen en schopte het tot commandant bij IS. Hij droeg een vervaarlijk rode baard en stond bij zijn strijdmakkers ook bekend als Aboe Omar de Tsjetsjeen. In maart van dit jaar kwam hij om bij een luchtaanval op Raqqa. Hij was een wrede slachter die Emwazi het klappen van de zweep leerde.”

 

Mohammed Emwazi zou toen ook ‘onze’ Jejoen Bontinck bewaakt hebben?

Verkaik: “Het hoofdkwartier van Shishani was in een grote villa in de buurt van Aleppo. KAM controleerde een groot gebied in het noorden van Syrië. Niet ver van dat hoofdkwartier was een gevangenis waar Jejoen Bontinck tijdelijk opgesloten zat. Bontinck beweert dat ze hem hadden opgesloten omdat hij zich verzet had tegen een fusie van KAM met wat toen nog ISIS heette. Hij zegt ook dat hij er samen zat met James Foley en een andere journalist. Ze zouden gefolterd en mishandeld zijn door vier cipiers die ze omwille van hun Britse accent The Beatles noemden. Mohammed Emwazi was John Lennon, vandaar zijn bijnaam ‘Jihadi John’. Maar hij was niet de leider van de groep; dat was George Harrison, alias Jihadi George. De echte identiteit van die man is niet bekend. Jihadi Paul zou de 31-jarige Aine Davis zijn die nu gevangen zit in Turkije, en Jihadi Ringo zou de 32-jarige Alexe Kotey zijn waarvan niemand weet waar hij momenteel is. The Beatles bekwaamden zich in waterboarding, het toedienen van elektrische schokken en het dagenlang rechtop laten staan van gevangenen. Voor die foltertechnieken haalden ze hun inspiratie in Guantanamo en Abu Ghraib. De slachtoffers die Emwazi voor de camera onthoofde, droegen allemaal oranje overalls die rechtstreeks geïmporteerd leken uit Guantanamo. De propagandajongens van IS slaan ons zo heel doordacht terug met symbolen die we zelf gecreëerd hebben. Toen Emwazi net in Syrië gearriveerd was, keek hij dagenlang naar gruwelijke video’s van door geallieerde bombardementen omgekomen moslimfamilies en later naar onthoofdingsvideo’s. Zo raakte hij zoetjesaan voorbereid voor het echte werk.”

 

Ter voorbereiding van dit gesprek heb ik naar een onthoofdingsvideo van Jihadi John gekeken. Ik werd daar niet krijgshaftig van, maar kotsmisselijk.

Verkaik: “Ik heb ze allemaal bekeken en ik kan geen onthoofdingsvideo meer zien. Ik wil er ook niet meer naar kijken. Als je, net zoals Mohammed Emwazi, talloos veel van die filmpjes voor de kiezen krijgt, kan dat niet anders dan je psyche beïnvloeden.”

 

Er is toch een groot verschil tussen naar die gruwel kijken en zelf mensen het hoofd afsnijden?

Verkaik: “Emwazi ontpopte zich in Syrië in sneltreinvaart tot een roekeloze killer. Onder Shishani viel hij tegenstanders aan zonder dat hij zich zorgen leek te maken over zijn eigen vege lijf. Er zijn getuigenverslagen van mensen die Emwazi in 2013 op het slagveld in actie zagen. Hij nam enorme risico’s en gedroeg zich alsof hij onoverwinnelijk was.”

 

Omdat hij verlangde naar het martelaarschap?

Verkaik: “Hij leek alleszins niet bang voor de dood.”

 

Robert Verkaik, Jihadi John: de radicalisering van een westerse moslim, Omniboek, 320 blz., 19,50 euro

 

© Jan Stevens

“Door te gaan zingen, koos ik voor de vrijheid”

Vandaag zingt de Nederlandse bariton Bastiaan Everink (46) in de grootste operahuizen, overal ter wereld. 25 jaar geleden vocht hij als professioneel elitesoldaat tijdens de Eerste Golfoorlog in de woestijn in Irak. ‘Elitesoldaten hebben iets heel bijzonders: ze zijn bereid om een kogel voor elkaar te nemen.’

 

De laatste dagen van augustus, 1991. Na maanden aan het front in Irak keert de tweeëntwintig jaar oude marinier Bastiaan Everink terug naar huis in het Nederlandse Enschede. De Eerste Golfoorlog zit er op en dictator Saddam Hoessein is uit het door hem geannexeerde Koeweit verdreven. Operaties Desert Storm en Desert Sabre hebben duizenden mensen het leven gekost. In Noord-Irak lag Bastiaan onder vuur en in een vluchtelingkamp hielp hij kinderen en volwassenen begraven die aan cholera en tbc bezweken waren. Vlak na zijn thuiskomst krijgt hij een decoratie opgespeld voor het tonen van ‘heldenmoed in de meest zware omstandigheden.’ De maanden erna loopt de jonge elitesoldaat gedesoriënteerd en met een hoofd vol vragen door de straten van Enschede. Tot hij op een dag bij een vriend de opera Parsifal van Richard Wagner hoort. ‘De muziek ontroerde me hevig’, herinnert hij zich. ‘Ik herkende mezelf in de figuur van Parsifal: ook hij kwam als jongeman in een ontwricht land terecht en zag daar dingen die hij niet begreep.’

Vier weken later nam Bastiaan Everink zijn allereerste zangles bij de naar Nederland uitgeweken Canadese zangcoach Jimmy Hutchinson. ‘Tijdens het zingen, voelde ik me intens gelukkig en bevrijd.’ Hij nam ontslag uit het leger en schreef zich in aan het conservatorium. ‘Door als marinier in oorlogsgebied te vechten, had ik een pantser rond me opgetrokken. Ik voelde: dat pantser moest uit. Door te gaan zingen, koos ik voor de vrijheid.’ Vandaag is Bastiaan Everink een gevierde bariton die wereldwijd in de grootste operahuizen zingt. Een tijdlang was hij vast verbonden aan de gerenommeerde Deutsche Oper in Berlijn, waar hij tot vandaag Klingsor uit Parsifal vertolkt. In zijn onlangs verschenen boek Strijdtoneel beschrijft hij zijn opmerkelijke carrièreswitch.

 

Waarom koos u als jongeman voor het leger?

Bastiaan Everink: Ik ben fanatiek en eerzuchtig van aard en ik wil maximaal leven. Ik wou graag soldaat worden, alleen mocht het geen gewone zijn. Ik moest en zou elitesoldaat worden. In Nederland zijn dat de mariniers, bij jullie de para’s. Dezelfde ambitie speelde een hoofdrol toen ik de overstap maakte naar operazanger. Ik wou alleen hoofdrollen zingen; bijrollen of een plaats in het koor waren uit den boze. Ik heb mezelf toen zo gestuurd dat ik datgene kon bereiken wat ik graag wou. Als ik in het begin van mijn zangloopbaan kleine operarolletjes had aangenomen, had ik nooit die grote rollen gekregen op die plekken waar ik nu zing. Dan was ik voor eeuwig en altijd de man van de bijrollen gebleven. Want waarom zouden ze die zanger die in dat ene operahuis twee zinnetjes zong, in het andere de hoofdrol geven? Ik heb net zolang muziek gestudeerd tot ik wist dat ik genoeg bagage in mijn rugzak had om hoofdrollen te zingen. Ik had een welomlijnd plan: eerst de kleine operahuizen, dan de stadstheaters, daarna het staatstheater, vervolgens de Opera van Frankfurt en nu zing ik al vijf jaar in de Deutsche Oper in Berlijn.

 

Onlangs sprak ik een 54-jarige Brit die rond zijn twintigste in het vreemdelingenlegioen zat. Na een leven als dansleraar trok hij vorig jaar naar Irak, waar hij zich aansloot bij de Koerdische Peshmerga om er te vechten tegen de IS. Aan het front ontdekte hij wat hij al die jaren had gemist: kameraadschap en oorlog. Ziet u zichzelf ooit terug de wapens opnemen?

Everink: Ik kan die Brit begrijpen, maar ik denk niet dat ik later in zijn voetsporen zal treden. Al verlang ook ik wel terug naar mijn eenheid en naar die kameraadschap. Die mannen hebben iets heel bijzonders: ze zijn bereid om een kogel voor elkaar te nemen. Ze zijn niet politiek geëngageerd en willen eerst en vooral een uitstekende elitesoldaat worden. Hun persoonlijke moraal en politieke voorkeur maken ze ondergeschikt aan het bevel dat ze krijgen. Ik kan me nog sterk mijn gevoel van indertijd voor de geest halen: ‘Als mijn eenheid naar Irak gaat, wil ik daar bij zijn. Die mannen vertrekken niet zonder mij.’ Als soldaten volgden wij loyaal de beslissing van onze democratisch verkozen regering om ons naar conflictgebied te sturen. Een brandweerman kan ook niet tot het besluit komen dat een huis naar zijn zin iets te veel brandt. ‘Daar ga ik niet naar binnen’, is geen optie. Hij moét gaan. Als je ervoor kiest om elitesoldaat te worden, weet je dat de kans reëel is dat je naar een oorlog moet. Dan wíl je daar ook met je eenheid naartoe.

 

Jullie waren klaar om voor elkaar te sterven?

Everink: Ja, we wilden echt een kogel voor elkaar nemen. Zoiets vind je nergens anders in de samenleving. De wereld van de opera is dan weer meedogenloos en koud. Ik ben er voortdurend op mijn hoede of niet iemand anders een mes in mijn rug wil steken. Want wil die dirigent wel met mij samenwerken en zal hij niet een bevriende zanger in de productie proberen maneuvreren? Altijd heb ik het gevoel dat ik middenin een slangenkuil zit en is er die onzekerheid dat ik er op elk moment uit gezet kan worden. In de opera heerst veel willekeur, terwijl ik me in mijn marinierseenheid net veilig voelde. Als ik toen een slechte dag had, droeg een maat meteen mijn rugzak. Mijn huidige collega’s zeggen nu allemaal: ‘Natuurlijk steunen we je, kom, we geven je een hand.’ Ondertussen zijn ze achter mijn rug mijn graf aan het delven. Dat vind ik best lastig, maar zingen is voor mij zo’n bevrijding, zit zo dicht op mijn huid en maakt me zo gelukkig, dat ik het er ondanks alles voor over heb.

 

U hielp in Irak lijken in een container stapelen en werd in gevechtssituaties beschoten. Blijven die beelden u achtervolgen?

Everink: Ik heb er vandaag geen last van, maar mijn beste maatje van toen draagt er wel de gevolgen van. Weet u welke operarol me het meest op het lijf geschreven is? Nabucco van Verdi. Dat karakter en die rol passen me als een handschoen, omdat ik er veel van mezelf in herken. In Nabucco zit oorlog, soldaten, verandering, verraad en de zoektocht naar vrijheid. Nabucco is Nebukadnezar, de grote dictator en generaal van Babylon, het huidige Irak. In de Iraakse woestijn vind je nu niet alleen zijn voetafdrukken, maar ook die van mij. Vorig jaar werd me gevraagd of ik Nabucco wou zingen in Lecce, Zuid-Italië. Voor de Italianen is dat de opera der opera’s, wie in Lecce een lamentabele Nabucco neerzet, krijgt tomaten en pizza’s naar zijn hoofd. (lacht) De dag van de opvoering kreeg ik rond de middag telefoon. Mijn buddy Johan uit Irak. ‘Het gaat niet goed met me’, zei hij. ‘Ik heb een zelfmoordpoging achter de rug en lig in het ziekenhuis.’ Ik was er ondersteboven van, maar moest het wel van me afzetten, want ’s avonds trad ik op. Terwijl ik in de huid van Nabucco, de dictator uit Irak, kroop, lag mijn beste maatje die bereid was in datzelfde Irak de kogel voor mij te nemen, in het ziekenhuis met de gevolgen van een posttraumatisch stress stoornis (PTSS).

Nabucco wordt halverwege de opera getroffen door de bliksem: dat is het moment waarop hij begint na te denken over wat hij verder wil aanvangen met zijn leven. Hij concludeert dat hij zichzelf in een gevangenis opgesloten heeft en wil weer vrij zijn, maar dan moet hij de Joden die hij gevangen houdt ook vrij laten. Alleen zo kan hij in een land leven waar iedereen vrij is. Toen ik uit Lecce terugkwam werd ik gevraagd om op Veteranendag voor de koning mijn verhaal te vertellen, in de Ridderzaal op het Binnenhof in Den Haag.

 

In Nederland is de jaarlijkse Veterandendag op de laatste zaterdag van juni een belangrijk evenement?

Everink: Ja, dan kun je in Den Haag op de koppen lopen. Het tien hectare grote Malieveld staat dan vol tenten. Nederland telt ruim 115.000 veteranen, soldaten die ooit in een oorlog hebben meegevochten. Dat zijn dus niet alleen oud-strijders van WO II, maar ook veteranen uit recente missies zoals Irak, Afghanistan, Bosnië en Mali. Ik wou heel graag in de Ridderzaal vertellen over mijn buddy Johan en zo bij onze politici aandacht vragen voor PTSS. Ter voorbereiding van die Veteranendag mocht ik naar het huidige missiegebied in Mali vliegen, bij de Special Operations Marines, de eenheid waar ik vroeger zelf bij zat. Net als twintig jaar geleden zou ik samen met hen op patrouille gaan. Maar die jongens zagen dat niet zitten.

 

Ze beschouwden u als een indringer?

Everink: Als in mijn tijd in Irak plots een kerel was langsgekomen met de boodschap: ‘Een kwart eeuw geleden was ik marinier, nu ben ik operazanger en wil ik even met jullie mee’, had ik ook gedacht: ‘Jongen, ga toch zingen.’ (lacht) Ik zei: ‘Ik begrijp jullie. Maar straks in de Ridderzaal wil ik getuigen dat vrijheid een prijs heeft en dat jongens zoals jullie bereid zijn om daarvoor te vechten en zelfs te sterven.’ Toen draaiden ze om als een blad aan een boom. Het werd een fantastische dag. ’s Avonds vroeg de commandant of ik de volgende ochtend een patrouille uitgeleide wou doen. ‘Diep in de woestijn gaan zij terroristen pakken. Wil jij bij het vertrek voor hen zingen?’ Die geheime missie was andere koek dan mijn uitstapje. Dat was écht een levensgevaarlijke opdracht van elitesoldaten die terroristen in kaart gingen brengen.

 

Of neerschieten?

Everink: Dat kan, daar wordt nooit iets over gezegd. Als zo’n patrouille van de Special Operations Marines in de vroege ochtend vertrekt, wordt die altijd met handgeklap uitgeleide gedaan door alle andere soldaten. Dat is zeer indrukwekkend. ‘Wil jij morgen naast de poort op een rotsblok staan en zingen?’ vroeg de commandant. Ik vond dat een onbeschrijfelijke eer. Ik zong Toreador en garde! uit Carmen. Ik hoorde een van die jongens zeggen: ‘Godverdomme, nu zit de hele dag dat kutnummer in mijn hoofd.’ (lacht) Een paar uur later kreeg ik een sms van de commandant. Een zelfmoordterrorist was in een auto vol explosieven op de patrouille af komen rijden; op het laatste nippertje konden ze hem neerschieten. In Nederland verscheen daar één klein regeltje over op teletekst. Meer niet, want: er was toch geen dode gevallen? Terwijl dat wel over míjn mannen ging die ik de poort had uitgezongen.

 

Zijn elitesoldaten er op voorbereid om op hun missies levens weg te nemen?

Everink: Daar kan je niemand op voorbereiden. Als marinier moet je je bij de start van je opleiding dé vraag stellen: ‘Ben ik bereid om iemand dood te schieten als het bevel komt?’ Als je daar niet toe bereid bent, hoor je niet thuis in het leger en moet je op zoek naar een andere job. Als je dat wel wilt doen, lig je vervolgens dag in dag uit op de schietbaan, naar opklappende borden van ‘de vijand’ te vuren. Zo raak je in een aparte gemoedstoestand. Ik herinner me dat ik tijdens de Eerste Golfoorlog met mijn buddy op een vliegveld in Irak een diepgaand gesprek had over de essentie van het marinier zijn. Al die jongens die daar zaten, hadden ouders, partners, kinderen, broers en zussen die zich in het verre Nederland zorgen zaten te maken. Wij waren ons daarvan bewust, maar we hadden hier zo hard voor getraind en zo intens aan gewerkt, dat we met onze hart en onze ziel op missie wílden. Van een heel gewone jongen uit Enschede was ik getransformeerd tot elitesoldaat.

 

Is die transformatie vergelijkbaar met de transformatie van gewone jongens tot potentiële zelfmoordterrorist?

Everink: Nee, want als soldaat moet je altijd zelf blijven denken. Echte moraal komt van binnen, die kan nooit van buitenaf worden opgelegd. Een mens kan in zijn leven een paar keer op een kruispunt komen waar hij een duidelijk keuze moet maken: goed of kwaad. Elitesoldaten zijn bereid om heel lang te werken en te trainen en kiezen weloverwogen voor hun vak. Zelfmoordterroristen zijn doordrongen van hebzucht. Ze willen meteen succes, direct naar het paradijs en razendsnelle erkenning in hun gemeenschap als held of martelaar.

 

Is het drillen van elitesoldaten met een ‘Befehl ist Befehl’-mentaliteit dan ook geen vorm van hersenspoeling?

Everink: In het leger is er niets ernstiger dan tegen je meerdere zeggen: ‘Wat jij me nu beveelt, doe ik niet.’ Dan eindig je voor de krijgsraad. Als je tegen je officier zegt: ‘Je vergist je’, moet je wel heel sterk in je schoenen staan.

 

Zelf nadenken kan dus eigenlijk niet?

Everink: Integendeel, dat moet je als elitesoldaat net wél blijven doen. In onze kazerne in Doorn lagen op de salontafel naast de Playboys boeken van Albert Camus en Tolstoi. Elitesoldaten kijken verder dan hun neus lang is. Wie in Nederland marinier wil worden, moet eerst naar een apart onderzoekscentrum, waar hij drie dagen lang psychologisch wordt getest. Ze meten je intelligentie en checken je stabiliteit. Alle elitesoldaten hebben S1 of ‘stabiliteitsfactor 1’. Een bepaald type jongens kiest dus voor een elite-eenheid, meestal die kerels die in de tram meteen hun plaats afstaan als een oud vrouwtje opstapt. Hun waarden, normen en rechtvaardigheidsgevoel zitten van nature goed. Door al die gekke actiefilms hebben de meeste mensen natuurlijk een totaal vertekend beeld van onze mariniers of jullie para’s. In werkelijkheid zijn dat heel gewone jongens, sportief, slim en cool.

 

U vertrok in de nasleep van de Eerste Golfoorlog naar Irak. Saddam had zich toen met zijn annexatie van Koeweit als agressor gedragen. De Tweede Golfoorlog was gebaseerd op de leugen dat Saddam over massavernietigingswapens beschikte. Zou u toen ook vertrokken zijn?

Everink: Ja. Destijds volgde ik mijn instinct. Ik kwam in die oorlog terecht en ik dacht: ‘Wil ik dit blijven doen? Leid ik nu het leven dat mij past? Word ik hier gelukkig van?’ Ik heb toen een jaar lang nagedacht, tot de tijd rijp was om een ander pad te kiezen. Ik sprong op die andere trein van de opera, en mijn instinct zei opnieuw: ‘Dit voelt goed.’ De jongens uit mijn eenheid begrepen niets van mijn keuze. ‘Bastiaan, je hoort bij ons. Doe normaal. Operazanger? Wil je Pavarotti worden? Denk na.’ (lacht) Nu komen ze naar mijn voorstellingen en zitten ze hier regelmatig aan tafel.

 

Wat vinden uw ouders van uw parcours?

Everink: Ze vonden het al niet leuk dat ik naar de oorlog trok, maar trokken nog grotere ogen toen ik hen vertelde dat ik operazanger wou worden. ‘Kies toch een normaal beroep’, zei mijn vader toen voor de tweede keer. (lacht) ‘Word advocaat.’ Ik geloofde er zelf in dat het goed zou komen en heb nooit getwijfeld. Al ging het af en toe moeilijk.

 

U had talent, maar dat volstond niet?

Everink: Nee, er schuilde heel wat talent in mijn stem, maar ik had geen buitensporig grote muzikale aanleg. Toen ik me aan het conservatorium inschreef, ontdekte ik snel dat ik een serieuze achterstand had. Van goede elitesoldaat schopte ik het tot een van de slechtste conservatoriumstudenten. Vakken als muziekleer, contrapunt en harmonieleer waren een ramp. De jonge mensen naast wie ik op de schoolbanken zat, speelden al van hun vijfde elke dag vier uur piano of viool. Muzikaal lag ik kilometers achterop. Dat eerste jaar waren mijn docenten het roerend eens: ‘Die jongen haalt het nooit.’ De momenten waarop er gezongen en opgetreden moest worden, stond ik er wel. Daar had ik aanleg voor en verzamelde ik de meeste studiepunten mee, waardoor ik met de hakken over de sloot telkens in het volgende jaar geraakte. Ik had een onwaarschijnlijk grote drive. Van al die mensen met wie ik gestudeerd heb, is bijna niemand in ‘de business’ terecht gekomen. Ik had nog steeds de kadaverdiscipline en het doorzettingsvermogen van de elitesoldaat. Af en toe gaf ik mezelf een flinke trap onder de kont.

 

Na vijf jaar conservatorium kreeg u het gevoel dat u in een doodlopende straat zat?

Everink: Ik voelde me als zanger niet voorbereid op de operabühne. Ik dacht: ‘Ik moet dringend op zoek naar een kerel die het klappen van de zweep kent.’ Een échte leraar. Toen ontmoette ik James McCray, een Amerikaanse tenor met een operastudio in Den Haag. Een paar van de Nederlandse zangers die bij hem les gevolgd hadden, waren in Duitsland een carrière aan het uitbouwen. McCray bleek ook een marinier te zijn en Korea-veteraan. Zijn hele leven had hij op de bühne gestaan en hij zong volgens de prachtige Italiaanse Melocchi-methode die ook Maria Callas en Franco Corelli hanteerden. Na een uur les bij James McCray wist ik dat ik op het conservatorium niets meer te zoeken had. Iedereen predikte: ‘Hou het nog vijf maanden vol, dan heb je je diploma.’ Maar ik had geen seconde te verliezen; dat papiertje kon me gestolen worden. Vanaf toen trok ik drie dagen in de week naar James McCray. Met succes. (glimlacht)

 

Is de muziek van Richard Wagner nog steeds belangrijk voor u?

Everink: Ik zing redelijk veel Wagner, tot hiertoe kroop ik achttien keer in de huid van de figuur Wolfram uit de opera Tannhäuser. De voorbije vijf jaar was ik in de Deutsche Oper de Heerrufer in zijn Lohengrin. Over de hele wereld zing ik ‘De Vliegende Hollander’. Wagner zit me als gegoten. Hij was ervan overtuigd dat op de première van zijn grote meesterwerk Parsifal op 26 juli 1882 in het Festspielhaus in Bayreuth alle toehoorders als herboren uit die voorstelling zouden komen. Zijn fantastische, vaak opzwepende muziek kan hele massa’s in beweging brengen. Daarom ook is hij soms gevaarlijk.

 

Hij was niet voor niets de favoriete componist van Adolf Hitler?

Everink: Precies. Wagner is wonderschoon, maar je moet altijd waakzaam blijven. (lacht)

 

Bastiaan Everink, Strijdtoneel, Atlas-Contact, 300 blz., 19,99 euro

 

© Jan Stevens