‘De meeste terechtgestelden werden voorgoed uit de geschiedenis geschoten’

Na de Tweede Wereldoorlog belandden in ons land 241 burgers voor het vuurpeloton. Het finale 242e salvo was in 1950 voor een Duitse officier. Mathieu Vanhaelewyn bracht die executies nauwgezet in kaart. ‘Zowat alle kranten schreven over de veroordeelden als “beestmenschen”, “beulen” en “monsters”.’

 

Tussen 1944 en 1950 werden in België op bevel van militaire rechtbanken 242 mannen en vrouwen geëxecuteerd. Het allerlaatste salvo op 9 augustus 1950 was bestemd voor de Duitser Philipp Schmitt, de voormalige kampcommandant van het kamp van Breendonk. Daarna zou de doodstraf tot 1996 nog vaak worden uitgesproken, alleen werd ze nooit meer voltrokken. In zijn boek De laatste salvo’s reconstrueert historicus en auteur Mathieu Vanhaelewyn (34) de 242 laatste, veelal vergeten executies. ‘De doodstraf is in ons land exact twintig jaar geleden afgeschaft’, zegt hij. ‘Internationaal speelt België een voortrekkersrol in de strijd tegen de doodstraf, alleen is het jammer dat het tot 10 juli 1996 moest duren alvorens ze ook officieel bij het oud vuil werd gezet. Andere landen keken ons daarvoor jarenlang met de nek aan. In 1983 ondertekenden de lidstaten van de Raad van Europa het Protocol over de afschaffing van de doodstraf. België tekende mee, maar omdat de doodstraf nog in ons strafrecht stond, konden we dat protocol niet ratificeren. In 1990 wilde Brazilië de gangster Patrick Haemers pas uitleveren na de belofte van de Belgische minister van Justitie dat de man niet ter dood gebracht zou worden.’

Ook al werd er pas laat officieel afscheid van de doodstraf genomen, toch was België lang een van de weinige Europese landen waar terechtstellingen taboe leken. ‘Sinds de Belgische onafhankelijk in 1830 zijn hier in vredestijd “slechts” 55 mensen ter dood gebracht’, zegt Vanhaelewyn. ‘Die vonnissen werden in de periode van 1830 tot 1863 allemaal voltrokken met de guillotine. Daarna rolden er geen koppen meer. De liberaal Jules Bara werd in 1865 minister van Justitie onder Leopold II. Hij zette stelselmatig doodstraffen om in levenslange dwangarbeid; later werd dat levenslang. Jarenlang was er dus niet meteen een aanleiding om een antidoodstrafbeweging wind in de zeilen te geven.’

 

In oorlogstijd werden doodvonnissen wel terug voltrokken?

Mathieu Vanhaelewyn: In de Eerste Wereldoorlog belandden vier Belgische burgers en vier Duitsers door doodvonnissen van de krijgsraden voor het vuurpeloton. Daarnaast kregen elf Belgische militairen voor desertie en andere vergrijpen de kogel. Een twaalfde soldaat, de 26-jarige onderofficier Emiel Verfaille, kwam niet voor het vuurpeloton, maar werd in januari 1918 uitzonderlijk veroordeeld tot de guillotine voor feiten van gemeenrecht. De doodstraf voor burgers werd tot 1863 voltrokken met de guillotine omdat dat zo in de Code pénal van Napoleon stond die België na de onafhankelijkheid had overgenomen. Emiel Verfaille had tijdens zijn dienst aan het front een meisje zwanger gemaakt. Hij beloofde een ander meisje dat hij met haar ging trouwen en zijn zwangere vriendin moest daarom verdwijnen. Hij vermoordde haar en kreeg daarvoor de doodstraf. Koning Leopold II ging er prat op dat er in België geen enkele doodstraf onder zijn bewind was uitgevoerd. Zijn opvolger Albert I verwierp Verfaille’s genadeverzoek. Hij vond dat de man geen recht had op een beschut verblijf in een cel terwijl zijn wapenbroeders aan het front vochten. Er was op dat moment in het hele land geen werkende guillotine meer te vinden. De regering van Frankrijk was zo vriendelijk om vanuit Rijsel per trein een guillotine naar Veurne te sturen, samen met de beruchte en zeer ervaren Franse staatsbeul Anatole Deibler. Emile Verfaille kreeg zo de bedenkelijke eer om de laatste man in België te zijn die door de guillotine aan zijn einde kwam.

 

Hoeveel mensen werden er tijdens de zuiveringen na WO I ter dood veroordeeld?

Vanhaelewyn: Na de Eerste Wereldoorlog bleef de bestraffing van de zogeheten ‘activisten’ al bij al binnen de perken. Doodstraffen werden niet uitgevoerd. Voor wie niet gevlucht was, werd de straf omgezet tot levenslang. Albert was nog steeds koning en voorstander van de doodstraf, maar de socialistische Justitieminister Emile Vandervelde ging daar lijnrecht tegenin. De activist August Borms werd in 1919 tot de doodstraf veroordeeld. Zijn straf werd omgezet in levenslang en hij zat ook daadwerkelijk in de cel tot begin 1929. In die periode groeide hij uit tot een waar martelaarssymbool van de Vlaams-nationalisten. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij opnieuw ter dood veroordeeld en in 1946 werd hij geëxecuteerd, waarna zijn martelaarsstatus nóg groter werd.

 

Na de Tweede Wereldoorlog gold een totaal andere zuiveringspolitiek en werden doodvonnissen wel voltrokken?

Vanhaelewyn: In totaal werden in die periode 2940 doodvonnissen uitgesproken waarvan er 242 werden uitgevoerd. Er zijn dus veel meer doodvonnissen omgezet naar een andere straf. Daar komt bij dat sommige veroordeelden verschillende doodvonnissen kregen. Militaire rechtbanken spraken 1247 doodstraffen op tegenspraak uit, dat wil zeggen dat de beschuldigde op de zitting aanwezig was, en 1693 bij verstek. De 242 geëxecuteerden waren op één na allemaal burgers. De allerlaatste die begin augustus 1950 de kogel kreeg, was een Duitse militair: Philipp Schmitt, de kampcommandant van het kamp van Breendonk. Hij werd veroordeeld voor oorlogsmisdaden, de anderen kregen de doodstraf voor ‘misdrijven tegen de uitwendige veiligheid van de staat’, zoals: propaganda voor de vijand voeren, verklikking of de wapens opnemen tegen België. De besluitwetten die dat soort van misdrijven bestraften, werden tijdens de oorlogsjaren door de regering in ballingschap in Londen zwaar verstrengd.

 

Omdat ze vond dat er na de Eerste Wereldoorlog te laks was opgetreden tegen de collaboratie en tegen het activisme van de Vlaamse Beweging?

Vanhaelewyn: Dat speelde zeker mee. Maar het ging niet alleen over het activisme van Vlaams-nationalisten, want in Franstalig België werd ook gecollaboreerd door ander anderen de rexisten van Léon Degrelle. 56 procent van de terechtgestelden waren Franstaligen.

 

Veel radicaal-rechtse Vlaams-nationalisten zien de terdoodveroordelingen van toen nog steeds als een wraakactie van de Belgische staat.

Vanhaelewyn: In de ogen van het publiek was het zeker een soort van wraakactie, maar geen anti-Vlaamse. In Vlaams-nationalistische middens werd het lang zo voorgesteld; de laatste jaren komt daar de klad in. Elk jaar is er nog een August Borms-herdenking op zijn begraafplaats in Merksem, met jongens en meisjes van het VNJ in uniform. Maar de belangstelling kalft toch zienderogen af.

De figuren waar door Vlaams-nationalisten altijd naar verwezen wordt, zijn Irma Laplasse, August Borms, Leo Vindevogel, de burgemeester van Ronse, en oostfrontstrijder Stefaan Laureys die model stond voor het personage Jan Gillis in Gerard Walschaps roman Zwart en Wit. Zij worden steevast opgevoerd als “repressieslachtoffers”, krijgen een martelaarsrol aangemeten en staan meteen ook symbool voor alle 242 geëxecuteerden. In dat discours gaat het nooit over de beulen van Breendonk of over de Belgische medewerkers van de Gestapo van Dinant.

 

Het gaat nooit over terdoodveroordeelden met veel bloed aan hun handen?

Vanhaelewyn: Meestal niet. Al kleefde er bloed aan de handen van de overgrote meerderheid van de veroordeelden. Ze hadden niet altijd zelf de trekker overgehaald, maar stelden vaak toch daden of ondernamen acties die anderen het leven kostten. Dat gold zelfs voor de omstreden Irma Swertvaeger. Pas jaren na haar terechtstelling op 30 mei 1945 zou ze bekend worden als Irma Laplasse, met de familienaam van haar man Henri die bij het VNV zat. Op 8 september 1944 vertrokken de Duitse soldaten uit Oostduinkerke waar de familie Laplasse woonde. De Duitsers trokken zich terug in een nabijgelegen kustbatterij. De bevrijding was nabij en leden van het verzet paradeerden door de straten met een aantal Duitse soldaten die zich hadden overgegeven en een paar opgepakte collaborateurs. Irma Swertvaegers zoon Fred kon het niet laten om de weerstanders een venijnige opmerking toe te slingeren, waarna de verzetslui ook hem oppakten. Moeder Irma ging meteen klagen bij de Duitsers in de kustbatterij. Dezelfde dag nog werden zeven verzetslui tijdens een strafexpeditie gedood. Later trokken Irma’s verdedigers in twijfel dat ze een verklikster was. ‘Ze liet haar moederhart spreken.’ In het dagboek dat ze bijhield toen ze in afwachting van haar terechtstelling gevangen zat, noemt ze die zeven doden ‘een spijtig toeval’. Ze schrijft dat de Duitsers tijdens een patrouille in gevecht zouden geraakt zijn met het verzet. In 1970 nam wijlen Karel Van Isacker, jezuïet en historicus, die these van haar over in zijn boek Irma Laplasse, stukken voor een dossier. Van Isacker heeft jaren geijverd voor een herziening van het proces Laplasse. Dat is er in 1995 ook gekomen, alleen werd ze toen opnieuw schuldig bevonden aan verklikking. In plaats van de doodstraf kreeg ze wel postuum levenslang. Tot de dag van vandaag blijft het een moeilijk dossier. Het staat vast dat het gezin Laplasse in de collaboratie zat. Al lang voor die bewuste 8e september werden ze door de rest van het dorp met de nek aangekeken. Maar ik geloof niet dat haar klacht bij de Duitsers gedreven was door ideologie, wel door bezorgdheid over het lot van haar zoon. Ze werd heel vroeg na de bevrijding geëxecuteerd; op dat moment zaten de andere leden van het gezin ook gevangen. In de kranten stond een klein berichtje: ‘Vrouw gefusilleerd in Brugge’, waarna het snel stil werd rond Irma Swertvaeger. Tot dat hele verhaal in de jaren zeventig werd opgerakeld en ze uitgroeide tot een symbool.

 

Hoeveel vrouwen zijn er in totaal geëxecuteerd?

Vanhaelewyn: Vier. Irma Swertvaeger op 30 mei 1945, Maria Huygens op 21 juni 1945, Lucrèce Vanbillemont op 9 februari 1946 en Florentina Giralt op 4 juni 1949. Huygens en Vanbillemont waren nog heel jong. Ze werden verliefd op de foute man, bezorgden hem informatie en werden na de oorlog terechtgesteld voor verklikking. Giralt was een van de laatste geëxecuteerden. Ze was de minnares van Prosper Dezitter die op 17 september 1948 ook voor het vuurpeloton eindigde. Tijdens de bezetting hadden ze in opdracht van de Duitsers en in ruil voor flink wat geld geïnfiltreerd in weerstandsnetwerken, waar ze zich voordeden als leden van de Belgische Staatsveiligheid. Ze zouden aan de basis gelegen hebben van honderden arrestaties van verzetslui. Tussen ‘46 en ’49 leken de verschillende ministers van Justitie vrouwelijke terdoodveroordeelden te ontzien. De katholiek Paul Struye was van 1947 tot 1948 Justitieminister en voerde een beleid met meer aandacht voor heropvoeding en re-integratie van veroordeelden. Na verloop van tijd speelde dat onmiskenbaar in het voordeel van de veroordeelde vrouwen.

 

Voor gelijkaardige feiten kregen sommige collaborateurs de kogel, anderen levenslang en nog anderen een veel mildere straf?

Vanhaelewyn: Veel hing af van het tijdstip waarop je veroordeeld werd, maar ook van de plaats waar je je bevond. Luc Huyse heeft die vaak ongenuanceerde rechtspraak in 1991 al uitvoerig beschreven in zijn boek Onverwerkt verleden. Maar het is ook zo dat vanaf 1946 er toch stilaan door de verschillende Justitieministers van die tijd een beleid werd uitgetekend om met genademaatregelen de strenge rechtspraak iets af te vlakken.

 

Hoe werden mensen terechtgesteld?

Vanhaelewyn: Ze werden veroordeeld door de Krijgsraad, konden in beroep bij het Krijgshof en konden in allerlaatste instantie terecht bij het Hof van Cassatie. Militaire rechtbanken oordeelden dus over burgers. Het vuurpeloton bestond uit twaalf rijkswachters. De veroordeelde werd altijd met het gezicht naar de executiepaal gezet. Hij werd zo vastgebonden dat hij na het dodelijke salvo niet op de grond zakte, maar rechtop aan de paal bleef vasthangen.

 

Het gezicht naar de paal was bedoeld als extra vernedering?

Vanhaelewyn: Zo schreven de kranten er in die tijd toch over. Vaak werd op de rug ter hoogte van het hart ook een ‘schietschijf’ gekleefd. In het vuurpeloton had altijd één rijkswachter zonder het zelf te weten een losse flodder in het geweer. Ik heb een fotoreeks teruggevonden van de terechtstelling op 12 april 1947 van Fernand Wyss, het boegbeeld van de beulen van Breendonk. Ook al zijn het zwart-witbeelden, toch komen ze hard aan. Wyss werd op het terrein van een oude militaire bakkerij ergens in Antwerpen terechtgesteld. Het lijkt een duinenlandschap. Het publiek was massaal opgekomen en politieagenten met witte helmen zorgden voor de openbare orde. Op de foto’s zie je rond Wyss advocaten, raadsheren, wetsdokters en natuurlijk een aalmoezenier in vol ornaat. Ik vind dat zeer vreemde, grimmige foto’s die verslag brengen van het ombrengen van een menselijk wezen. Zowat alle kranten schreven over de veroordeelden als ‘beestmenschen’, ‘beulen’ en ‘monsters’.

 

Waren het altijd publieke terechtstellingen?

Vanhaelewyn: Dat moest zo volgens het strafwetboek. Misschien wilde de overheid daarmee een voorbeeld stellen, maar wat zeker ook meespeelde, is dat ze de terechtstellingen niet in het verborgene wou laten plaatsvinden. Een aantal parlementairen heeft een paar keer vergeefs geprobeerd om een wet gestemd te krijgen voor executies zonder publiek. Aanleiding was het rumoerige gedrag van sommige toeschouwers en de berichtgeving in de pers. Er werd soms wel eens geapplaudisseerd of geroepen. Op 7 mei 1945 werden vader en zoon Lampaert op de binnenplaats van de Gentse gevangenis De Nieuwewandeling geëxecuteerd. Ze waren actief geweest bij de Algemeene SS-Vlaanderen. Vanuit de ene vleugel van de gevangenis scandeerden de ‘gewone gevangenen’: ‘Landverraders! Ter dood!’ Vanuit een andere vleugel riepen de politieke gevangenen naar de rijkswachters van het vuurpeloton: ‘Moordenaars!’ De directeur van de gevangenis besliste toen om voortaan executies naar een andere, minder centraal gelegen, publieke plaats in Gent te verhuizen.

 

Niet op het marktplein?

Vanhaelewyn: Nee, op de militaire schietbaan De Sterre aan de De Pintelaan. Pas in de jaren vijftig werden de executiepalen daar weggehaald. Als gewone burger kon je alle executies meevolgen, maar je moest je er wel voor verplaatsen. Meestal vonden ze plaats op binnenplaatsen van gevangenissen of van rijkswachtkazernes. De geëxecuteerden werden bijna meteen na het voltrekken van het vonnis in een kist gelegd en anoniem begraven. Sommige families kregen achteraf toestemming om hun geliefden te herbegraven. August Borms, Irma Laplasse en Leo Vindevogel hebben zo een eigen graf gekregen. Maar de meesten werden gewoon uit de geschiedenis geschoten. Het vonnis werd aangeplakt in de laatste woonplaats van de veroordeelde en op de markt van de plaats waar het uitgevoerd zou worden.

 

Waren er in die tijd stemmen te horen tegen de doodstraf?

Vanhaelewyn: Er waren zeker tegenstanders van de doodstraf, al leefde ook bij hen het gevoel dat er na de collaboratie tijdens de oorlog niet echt een alternatief was. Tot juni 1949 zat België officieel in een oorlogssituatie. Pas dan werd die toestand ingeruild voor vrede. Er werd ook verwezen naar het activisme van WO I, dat nu een vervolg gekregen had. Nederland was tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal gebleven. In 1945 werd bij onze noorderburen door gereformeerden, socialisten én verzetslui bijna onmiddellijk een ‘Landelijk Comité van Actie tegen de Doodstraf’ opgericht. De dichteres Henriëtte Roland Holst was hun boegbeeld. In hun publicaties drukten ze hun walg uit over de reacties van het publiek bij terechtstellingen. Ze vonden de doodstraf een ‘weg terug’. Uiteindelijk werden er in Nederland ‘maar’ veertig mensen geëxecuteerd.

 

Mathieu Vanhaelewyn, De laatste salvo’s, Borgerhoff & Lamberigts, 224 blz., 22,95 euro

 

© Jan Stevens

“Rationele islam? Onzin”

De zomerzon schijnt uitbundig op het terras in Brussel, maar veel vrolijker wordt jihadexpert Montasser AlDe’emeh daar niet van. “Ik maak me zorgen over al die jongeren die sympathie koesteren voor IS. Ik maak me ook zorgen over de Syriëstrijders die teruggekeerd zijn.”

 

In het pas verschenen Mijn verlossing van het kwaad laat Montasser AlDe’emeh de 22-jarige Antwerpse moslima Intisar Umm Mansur aan het woord. Vier dagen na de aanslagen in Parijs stuurde de geradicaliseerde Intisar hem een bericht via Facebook. “Ik wil mezelf verlossen van de ideologie die zo diep in mij is geworteld”, schreef ze. “Het ene moment keur ik de aanslagen goed, het andere weer niet.”

‘Intisar Umm Mansur’ is een schuilnaam. “Tot vandaag weet zelfs haar man niet dat ze dit boek samen met mij schreef”, zegt Montasser AlDe’emeh. Het is zomer in Brussel en we zitten op een terras vlakbij de Beurs. Ik drink koffie en AlDe’emeh drinkt niets. De middagzon brandt op zijn hoofd. “Tijdens de Ramadan stel ik mezelf af en toe op de proef”, zegt hij. “Mijn vasten is een weloverwogen keuze, maar sommige jongeren vasten uit angst. Ze zijn bang om een fout te maken waar God hen voor zal bestraffen. Bij nogal wat jonge moslims overheerst vandaag de angst. Zonder kennis houden ze zich krampachtig aan de opgelegde regels. Ze mogen dit niet, ze mogen dat niet. Vervolgens komen ze terecht in een open, seculiere samenleving en belanden tussen twee werelden.”

 

U hebt het nu toch over jonge mensen die in onze seculiere samenleving geboren zijn?

Montasser AlDe’emeh: “Ja, maar in dit land worden ook hamsters, ezels of koeien geboren. Wat voor betekenis heeft het om hier geboren te zijn? De échte vraag is: hoe leven die jonge mensen hier? Moslimmeisjes zoals Intisar verlangen naar houvast, liefde en geluk. Alleen botsen ze voortdurend op anderen die hen voorhouden dat ze aan bepaalde verwachtingen moeten voldoen als ze erbij willen horen. Ze moeten zich ‘volwaardig integreren’, maar wat is dat? Op school mogen ze geen hoofddoek dragen; thuis moet dat dan weer wel. Hun ouders verwachten van hen dat ze niet op een jongen verliefd worden, maar dat ze snel trouwen met een uitverkoren man waar ze een stabiel gezinsleven mee uitbouwen. Sommige imams verkondigen dan weer dat ze niet mogen leven tussen de zogenaamde ongelovigen en dat ze moeten proberen om zo snel mogelijk naar een islamitisch land te migreren. Iedereen verwacht iets van die meisjes. Ze zijn niet allemaal sterk genoeg om al die verwachtingen met elkaar te verzoenen. Intisar kon dat niet. Daar kwam bij dat ze dagelijks via Al Jazeera geconfronteerd werd met de oorlog in Gaza. Veel jonge moslims voelen zich trouwens meer verwant met lijdende geloofsgenoten in Syrië en Palestina dan met niet-moslims in België. Ze willen íets doen, dat lukt niet, en weten met hun frustraties geen blijf. Intisar voelde zich slachtoffer van het hoofddoekenverbod en sloot zich aan bij Sharia4Belgium. Later raakte ze in de ban van IS en maakte ze plannen om naar Syrië te vertrekken. Gelukkig heeft ze die stap nooit gezet.”

 

Vertrekken er nu nog veel jonge mensen naar Syrië?

“Veel minder. Het Belgisch beleid is strenger: vertrekkers worden echt tegengehouden. Over geradicaliseerde meisjes horen we zeer weinig. Daarom ook heb ik dit boek samen met Intisar gemaakt. Minstens 59 meisjes reisden naar Syrië. Een paar weken geleden nog zou een Brussels meisje van 17 vertrokken zijn. De meest overtuigde jongens en meisjes zijn ondertussen allemaal weg. Al twijfelen er nog veel. Ik maak me zorgen over al die jongeren die sympathie koesteren voor IS. Ze sluiten zich af van de samenleving. Ik maak me ook zorgen over degenen die teruggekeerd zijn.”

 

Moeten we ze proberen te re-radicaliseren?

“Re-radicaliseren is alleszins een beter plan dan deradicaliseren. Want als je iets van iemand wegneemt, moet je de ontstane leegte invullen met iets nieuws. Van radicale haat kun je zo evolueren naar radicale verzoening. Intisar deed haar best om afstand te nemen van haar IS-sympathieën. Door dit boek samen met mij te schrijven, vulde ze de leegte in. Zo wil ze andere jongeren tegenhouden om de stap naar IS te zetten.”

 

De aanslag op de nachtclub in Orlando en de moord op het politie-echtpaar in Frankrijk werden meteen door IS opgeëist, terwijl ze gepleegd lijken te zijn door lone wolves.

“Dergelijke aanslagen zullen in de toekomst nog plaatsvinden, want er lopen in het Westen veel IS-sympathisanten rond. We mogen er niet altijd van uitgaan dat IS alle aanslagen hier ook effectief beraamt en plant. We onderschatten de ideologische impact die de organisatie op sommige jongeren heeft. Tijdens hun radicaliseringsproces lezen ze op het internet IS-pamfletten en oproepen voor het plegen van aanslagen. Vaak is er geen structurele link.”

 

Lopen er zo ook heel wat gevaarlijke IS-sympathisanten in België rond?

“Ja, al kan ik er geen cijfer opplakken. Het is bijzonder moeilijk om tegen hen op te treden. Eigenlijk zitten we gewoon te wachten tot zo’n sympathisant een aanslag pleegt. Hoe groot en intens die aanval zal zijn, weten we niet. In Orlando vielen vijftig slachtoffers, in Frankrijk nu twee politieagenten. We mogen ons echt aan alles verwachten en moeten erg op onze hoede zijn. In Amerika en Europa zitten nu zeker jongens die door IS gestuurd zijn. Maar er zijn er ook heel wat die op eigen houtje geradicaliseerd zijn en sympathie voor de jihadisten koesteren. Zij moeten in de gaten gehouden worden, alleen heeft onze Staatsveiligheid geen middelen. Het wordt hoog tijd dat onze inlichtingendiensten meer geld krijgen, want informatie verzamelen, is van levensbelang.”

 

We horen nu regelmatig berichten dat we IS in Irak en Syrië aan het verslaan zijn. Is dat ook zo?

“Het is zeker zo dat IS op dit moment veel gebied verliest. Er zijn twee strategieën tegen de terreurorganisatie. De ene is erop gericht om haar macht in te perken en ervoor te zorgen dat de strijders hun kalifaat niet uitbreiden. De andere wil IS compleet vernietigen, wat zeer moeilijk is. Ik heb de voorbije jaren amper iets gelezen over de Iraakse generaals die na de val van Saddam de kant kozen van IS. Indertijd kregen sommigen militaire opleidingen in Amerika en Engeland. Ze weten perfect hoe ze chemische wapens moeten maken; ze hebben die trouwens in het verleden ook gebruikt.”

 

Hoe meer IS in het nauw gedreven wordt, hoe groter de kans dat ze hun toevlucht nemen tot dat soort van wapentuig?

“Precies. De aanslagen in Parijs volgden op het verlies van Kobani en Sinjar. Ze waren bedoeld om druk uit te oefenen op de coalitie die de Koerdische Peshmerga steunt. De Koerden zijn trouwens de enigen die in Irak en Syrië rake klappen uitdelen aan IS en de enigen ook die door de westerse geallieerden vertrouwd worden.

“Er is veel frustratie in de Arabische wereld. Veertig miljoen mensen zijn analfabeet en zestig procent van de bevolking is jonger dan dertig. Ze voelen zich vernederd, niet alleen door de westerse inmenging, maar ook door de dictaturen. Het stikt er van de failed states, denk maar aan Jemen, Libië, Syrië of Irak. De Arabische jongeren van halverwege de vorige eeuw voelden zich aangetrokken tot het nationalisme van figuren als de Egyptische president Nasser. Dat is nu vervangen door het islamisme. Veel mensen hopen dat het islamisme binnenkort vervelt tot ‘iets anders’. Dé vraag is: wanneer, hoe en onder welke omstandigheden? In Tunesië maken de gematigde islamisten van Ennahda op dit moment deel uit van de democratisch verkozen regering. Ik kan alleen maar vaststellen: hoe meer erkenning gematigde islamisten krijgen, hoe minder radicaal ze worden.”

 

Wat zijn dat: ‘gematigde islamisten’?

“Zij erkennen de democratie, zorgen voor veiligheid en stabiliteit, ondersteunen VN-resoluties en staan open voor diplomatieke betrekkingen met het Westen. Er zijn vandaag wel degelijk islamisten die geloven in het democratische proces. Die mensen mogen we niet in een hoek duwen. Als we dat wel doen, creëren we gewelddadige salafi-jihadisten.”

 

Is het grote probleem niet dat ook gematigde islamisten de sharia boven ‘de wet van de mens’ stellen?

“Ik zeg niet dat we gematigde islamisten moeten steunen. Ik zeg wel dat we ze niet in een hoek mogen duwen, hen pragmatisch moeten benaderen en moeten openstaan voor dialoog.”

 

Vindt u ook dat het bloeddorstige IS niets met de islam te maken heeft?

“Nee. De islamitische geschiedenis was altijd bloeddorstig. IS past in dat plaatje van oorlogsmisdaden en geweld. Van 750 tot aan zijn dood in 754 was Abu-Abbas al-Saffah de eerste kalief van de Abbasieden. In zijn strijd tegen de Omajjaden vloeide het bloed in beken.

“Als een zelfmoordterrorist zich opblaast in een stad als Tel Aviv, wordt hij hier in Brussel door veel imams gesteund. Ze noemen dat dan ‘een vorm van verzet’. Als een jongen zichzelf in opdracht van IS opblaast in Irak, mag dat van diezelfde imams niet. Dan handelt hij ‘tegen het geloof’. De tactiek van zelfmoordaanslagen is vanuit het standpunt van geleerden bekeken ofwel juist, ofwel fout. Dat is toch problematisch? Vandaag moeten moslims wereldwijd erkennen dat de geschiedenis van de islamitische wereld geschreven is in bloed.”

 

De kritiek is terecht dat de Islam de Verlichting gemist heeft?

“Alleen mensen kunnen verlicht worden; religieuze boeken zoals de Bijbel of de Koran niet. Ik lees nu in kranten pleidooien van imams om een rationele islam na te streven. Onzin. Het verhaal van Adam en Eva kan nooit ingepast worden in het rationele denken. Je gelooft het of niet. Er kunnen wel geleerde mensen zijn die hun geloof op een rationele manier benaderen en de teksten verklaren en interpreteren vanuit de historische context. Die verlichte geesten waren er al in de middeleeuwen, denk maar aan de 12e-eeuwse verdraagzame islamitische geleerde Averroes. Maar sinds de zestiende eeuw staat de verlichting onder moslims onder zware druk. De wahabitische leer speelt daar een kwalijke rol in.

“Ik ben bang dat onze moslimjongeren nu de intellectuele bagage missen om weerstand te bieden aan de lokzang van de jihadisten. In Kobani zijn talloos veel westerse Syriëstrijders gesneuveld. Als je naast de Koran ook Kant, Nietzsche en andere boeken leest, verbreedt je kennis en sta je kritisch in het leven. De Belgische moslimgemeenschap is niet kritisch en de angstcultuur regeert. U moet eens gaan rondwandelen in de buurt van het Brusselse Zuidstation. Stap de islamitische boekwinkeltjes binnen en bekijk het aanbod. U zal er onwaarschijnlijk veel werken vinden over het einde der tijden, de zonde, de hel, ‘de bestraffing in het graf’.”

 

Salafistische literatuur?

“Ja. Ze wekt angst op: angst voor de dood, voor God, voor het hiernamaals. De tekenen voor het nakende einde der tijden zijn volgens die boeken: decadentie, oorlogen, geweld. Moslims die intellectueel niet sterk in hun schoenen staan, denken dan: ‘Dat maken we nu allemaal mee.’ Vervolgens zien ze IS wenken: ‘Kom naar het kalifaat.’”

 

Wordt het dan niet de hoogste tijd dat we het salafisme aanpakken?

“We kunnen het moeilijk verbieden, dat is ondemocratisch en gaat in tegen onze waarden. We kunnen andere islamitische stromingen wel versterken zodat jongeren kunnen kiezen. Vandaag is die keuze er niet en is er vooral die wahabitische leer. Maar je mag alle salafisten niet over dezelfde kam scheren. Er is het aan Saoedi-Arabië gelinkte a-politieke salafisme zoals dat beleden wordt in De Grote Moskee in het Brusselse Jubelpark. Er is het politieke salafisme met partijen zoals het Egyptische Hizb al-Nour en last but nog least zijn er de jihadi-salafisten. In België kennen we de strekking van het politieke salafisme niet, maar er lopen wel heel wat a-politieke salafisten rond. Veel Marokkaanse jongeren volgen trouwens het salafisme zonder het zelf te beseffen. Net als de gematigde islamisten mag je ook hen niet in een hoek duwen. De jihadi-salafisten zijn zeer problematisch voor de veiligheid van onze samenleving. Ze wachten op een aanslag, azen op een vertrek naar het kalifaat of zijn net teruggekeerd.

“Het dramatische is dat sommige beloftevolle jongeren die voor verandering kunnen zorgen, gecontroleerd worden door Saoedi-Arabië. Het Saoedische koningshuis beseft heel goed dat jongeren in het Westen die zelf beginnen nadenken zich ooit zullen keren tegen het a-politieke salafisme. Om dat te vermijden, investeren de Saoedi’s overal ter wereld handenvol geld om beloftevolle moslimjongeren aan zich te binden. Ook ik hunkerde als adolescent naar islamitische kennis. Een imam stuurde me naar Saoedi-Arabië om er te gaan studeren. Ik kreeg een gratis vliegticket, gratis huisvesting en een toelage van 250 dollar per maand. Acht jaar lang, tot aan mijn doctoraat, zouden ze me onderhouden. Als ik in 2009 niet op tijd had ingezien dat ik op het verkeerde spoor zat, was ik nu goed op weg om in België een door Saoedi-Arabië gesteunde invloedrijke salafistische leider te worden.”

 

Vorige maand bent u gestopt met uw centrum ‘De weg naar’ in Molenbeek omdat u geen steun van de overheid kreeg. Zowel het kabinet van Liesbeth Homans (N-VA) als het kabinet van Jan Jambon (N-VA) zeggen dat u nooit een vraag voor financiële steun aan hen gericht heeft, terwijl er wel subsidies zijn.

“Als je politici om steun vraagt, beginnen ze meteen over subsidies. Ik wou geen geld; ik wou samenwerking. Er zijn te weinig straathoekwerkers in Molenbeek actief waardoor ze er amper in slagen om jongeren individueel te benaderen. Ik deed dat in het centrum wél en haalde ook resultaten. Ik nam risico’s, want ik werd bedreigd door IS-strijders. Uiteindelijk kreeg ik stank voor dank. Er kon zelfs geen uitnodiging af om voor een Vlaamse commissie-radicalisering te komen spreken.”

 

Misschien vertrouwen ze u niet?

“Dat weet ik niet. Ik spreek met parlementsleden en ministers. Ik denk dat sommigen me moeilijk kunnen plaatsen.”

 

Voor de ene bent u een N-VA-sympathisant, voor de andere een vermomde salafist? Een tijd geleden hoorde ik van een Al Nusra-sympathisant: “Montasser is een van ons.”

“Ik heb geen zin om me te verantwoorden. De voorbije jaren heb ik me als doctorandus wel totaal verdiept in mijn onderzoeksobject. Het is in die context dat ik in 2014 veldonderzoek verrichte bij Al Nusra in Syrië. Ik trad geradicaliseerde moslimjongeren heel open tegemoet en liet amper kritische geluiden horen omdat ik mijn kop wou sparen. Als sommigen me dan zien als vermomde jihadist, toont dat alleen maar dat ik geslaagd ben in mijn opzet om het vertrouwen van mijn onderzoeksobject te winnen.”

 

Ex-Syriëstrijder Michaël ‘Younes’ Delefortrie kwam ook langs bij ‘De weg naar’. Hij is nog steeds een IS-aanhanger.

“Hij heeft me ondertussen afvallig verklaard. Nog voor de aanslagen in Parijs waarschuwde ik al voor terugkerende Syriëstrijders. Na de luchtaanvallen zag ik de vijandschap tegenover het Westen groeien. Ik vertrouwde geen enkele teruggekeerde Syriëstrijder meer en wou ze ook niet meer ontvangen. Van toen dateert de breuk met Delefortrie. IS is zijn enige houvast en ik had het gevoel dat hij niet meer wou veranderen. Hij is nu ook getrouwd met een meisje dat van doodslag beschuldigd wordt. Ik heb van anderen gehoord dat Foaud Belkacem dat huwelijk vanuit de gevangenis zou geregeld hebben. U mag de invloed niet onderschatten die geradicaliseerde moslims vanuit hun cel op jonge mensen uitoefenen.”

 

 

Montasser AlDe’emeh en Intisar Umm Mansur, Mijn verlossing van het kwaad, Lannoo, 208 blz., 17,99 euro

 

© Jan Stevens

Lawrence Wilkerson, kabinetschef van Colin Powell, betreurt de oorlog in Irak

Jarenlang was kolonel Lawrence Wilkerson (71) de schaduw van Colin Powell. Eerst als assistent toen Powell opperbevelhebber van het Amerikaanse leger was; later als kabinetschef toen hij minister van Buitenlandse Zaken werd. Ze stonden samen aan de wieg van de oorlog in Irak. Daar heeft Wilkerson nu veel spijt van. ‘Ze hebben ons genaaid.’

 

5 februari 2003. Op de plenaire vergadering van de VN-Veiligheidsraad legt minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell het ‘ultieme bewijsmateriaal’ op tafel dat de Iraakse dictator Saddam Hoessein over massavernietigingswapens beschikt. Hij toont er onder meer gedetailleerde tekeningen van mobiele laboratoria voor de aanmaak van biologische wapens. Powells uiteenzetting overtuigt een aantal landen om samen met de VS ruim een maand later Irak binnen te vallen. Op 1 mei roept president George W. Bush van op het dek van de oorlogsbodem USS Abraham Lincoln triomfantelijk de overwinning uit.

Tot vandaag zijn er in Irak geen massavernietigingswapens gevonden. De tekeningen van de labo’s en al de rest van het bewijsmateriaal waren door Powells kabinetschef Lawrence Wilkerson in een mooie presentatie gegoten. Die blunder bezorgt hem nog steeds slapeloze nachten. ‘Ze hebben ons toen genaaid’, zegt hij. ‘We wisten niet dat zowel die mobiele labs, als het Iraakse nucleaire programma, als de link tussen het Saddam-regime en Al Qaida, ordinaire leugens waren. Op 29 januari 2003 stapte Powell mijn kantoor binnen. “Je moet eens langsgaan bij de CIA”, zei hij. “Ze hebben daar alle inlichtingen verzameld die ik nodig heb voor mijn presentatie bij de VN.” Toen ik bij de CIA buiten kwam, was ik er voor honderd procent zeker van dat ik waardevolle, onheilspellende informatie over het regime van Saddam Hoessein in handen had. Nu weet ik dat het geprefabriceerd ‘bewijsmateriaal’ was. De rest van de Bush-administratie heeft ons misbruikt om het Amerikaanse volk en de rest van de wereld om de tuin te leiden.’

Volgens Wilkerson was het geen toeval dat Colin Powell door president George Bush en vicepresident Dick Cheney als lokeend naar de VN gestuurd werd. ‘Powell was het populairste lid van de regering en werd door de hele internationale gemeenschap ernstig genomen. Op het kabinet maakten we grapjes dat zijn populariteit net onder die van Moeder Theresa piekte. Terwijl zij 80 procent in de populariteitspolls haalde, schommelde hij rond de 75 procent. Ik ben momenteel een boek over heel die affaire aan het schrijven en heb de voorbije maanden zelf onderzoek gevoerd en met insiders gepraat. Ik weet met absolute zekerheid dat George Tenet, de toenmalige CIA-directeur, doelbewust loog tegen Colin Powell. Ook vicedirecteur John McLaughlin beloog mijn minister. Ik heb bewijs gevonden dat CIA-analisten en medewerkers van de National Intelligence Council orders ontvingen van Dick Cheney. Veel valse informatie kwam rechtstreeks van het kabinet van de vicepresident.’

 

In 1989 werd u de persoonlijke assistent van generaal Colin Powell, toen hij opperbevelhebber van het Amerikaanse leger was.

Lawrence Wilkerson: Ik was professor ‘strategie’ aan het Naval War College in Newport, Rhode Island, de meest prestigieuze militaire academie in de VS. Begin 1989 kreeg ik telefoon van Colin. Op dat moment was hij nog Nationaal Veiligheidsadviseur van president Ronald Reagan, maar hij stond op het punt benoemd te worden tot opperbevelhebber. Ik kende hem niet en zijn telefoontje verraste me. Hij nodigde me uit in Washington voor een gesprek. Dat duurde twee uur. Hij stelde me vragen als: ‘Zou je een speech voor me kunnen schrijven voor in een zwarte baptistenkerk?’ (lacht) Vlak nadat ik hem na het gesprek gesalueerd had, vroeg hij: ‘Wil je deze baan?’ Ik antwoordde: ‘Niet echt, Sir. Ik geef graag les en ben gelukkig met wat ik doe.’ Hij zei: ‘Bedankt voor je eerlijkheid.’ Ik was al een paar maanden voor hem aan de slag, toen hij me zei: ‘Wil je weten waarom ik je aangenomen heb? Jij was de enige die de job niet wou.’ (bulderlach)

Waarom ik ooit voor het leger gekozen heb? In 1966 studeerde ik filosofie en literatuur. Van de ene dag op de andere gaf ik die studies op om te gaan vechten in Vietnam. Een van mijn beste vrienden uit het middelbaar sneuvelde er. Op mijn universiteit weerklonken de eerste anti-oorlogsprotesten, maar ik zat in tweestrijd. Mijn vader en schoonvader hadden in de Tweede Wereldoorlog gevochten. Op een bepaald moment nam ik een besluit en zei ik tegen mijn kersverse vrouw: ‘Ik neem dienst.’ Ik wist toen niet dat ik ooit zou afzwaaien als kolonel.

 

Toen Colin Powell na zijn pensionering als militair in de politiek ging, volgde u hem.

Wilkerson: Hij is niet echt zelf in de politiek gestapt. Als opperbevelhebber van het leger wist hij perfect hoe het politieke spel ineenzat, maar gedroeg hij zich nooit als een politicus. In 1995 vroegen zowel de Democratische als de Republikeinse partij hem meermaals op te komen voor de presidentsverkiezingen. Zes maanden lang heeft hij daarover nagedacht. In die periode heeft hij met veel mensen over een mogelijk leven in de politiek gepraat, ook met mij. In november ’95 kwam hij tot het inzicht dat hij niet gemotiveerd genoeg was voor een politieke carrière, laat staan voor het presidentschap. Ik weet nog dat hij toen een persconferentie gaf in de Ramada Inn in Alexandria, Virginia, waar hij officieel bekendmaakte dat hij niet zou deelnemen aan de presidentsverkiezingen. Hij heeft het nooit zelf gezegd, maar de échte reden is dat hij walgde van het politieke gekrakeel. Ook toen al waren de voorverkiezingscampagnes van de presidentskandidaten niet echt toonbeelden van verfijnde politieke cultuur.

 

Toch was Colin Powell van januari 2001 tot januari 2005 minister van Buitenlandse Zaken tijdens de eerste termijn van president George W. Bush, met u als kabinetschef.

Wilkerson: De Republikeinen hadden zijn benoeming tot opperste bevelhebber mogelijk gemaakt. Toen ze hem die ministerpost aanboden, wou hij die uit loyaliteit niet weigeren. Hij zag het als een wederdienst. Ik heb hem vaak horen zeggen: ‘Als het op internationale politiek aankomt, ben ik een Republikein. Als het op sociale politiek aankomt, een Democraat.’ Hij vertelde me dat hij in 1964 voor de Democraat Lyndon Johnson stemde. Buitenlandse Zaken is het minst politieke departement. Een minister van Buitenlandse Zaken voert op geen enkel moment campagne voor de president en houdt geen politieke toespraken.

 

Hoe u het ook draait of keert: Colin Powell hielp zijn president wel de door velen gecontesteerde invasie in Irak in gang zetten.

Wilkerson: Weet u, historici zullen zich vertwijfeld blijven afvragen waarom die tweede Golfoorlog überhaupt ooit in gang gezet is. Na mijn ontslag als kabinetschef ging ik terug lesgeven. Elk jaar geef ik mijn studenten nu de opdracht om zelf een diepgaand onderzoek te voeren naar de beweegredenen voor die oorlog. Meestal lijsten ze er zes op, variërend van olie, over terrorisme, potentieel gebruik van massavernietigingswapens, tot een reactie op een vermeende aanval van Saddam Hoessein op vader of zoon Bush. Ze concluderen ook allemaal dat er geen enkel officieel overheids- of regeringsdocument te vinden is dat de beslissing ondersteunt om ten strijde te trekken. Geschiedkundigen zullen daar tot het einde der tijden vergeefs naar blijven zoeken. Want er is nooit een moment geweest waarop president George W. Bush officieel verklaarde: ‘Ik heb iedereen gehoord en neem het besluit om Irak binnen te vallen.’ Nooit. Het was meer sluipende besluitvorming. We stuurden troepen en lieten de VN-wapeninspecteurs weten dat we niet geloofden dat hun inspecties ooit resultaten zouden opleveren. We namen nog andere kleine beslissingen die er op leken te wijzen dat ons einddoel een invasie was. Maar op geen enkel moment belegde de president een vergadering om aan alle leden van de Nationale Veiligheidsraad duidelijk te maken dat hij het bevel zou ondertekenen om Irak binnen te vallen. In alle vorige grote conflicten was dat wél gebeurd. Nu niet.

 

Vicepresident Dick Cheney was degene die echt de touwtjes in handen had?

Wilkerson: Ja. George W. Bush was een zeer gewillige marionet aan Cheney’s hand. Van in het begin van zijn presidentschap smeekte hij bijna om door Dick Cheney bij het handje genomen te worden. Die investeerde elke dag veel tijd en energie om Bush nog hulpelozer te maken dan hij al was.

 

De neoconservatieven waren grote voorstanders van een invasie in Irak. Voerde Cheney hun agenda uit?

Wilkerson: Ik weet niet hoe groot de invloed van de neoconservatieven op Dick Cheney was. Ik had de indruk dat hij in de eerste plaats zelf de agenda wou bepalen. Al is het wel zo dat de plannen van machtige neonconservatieve denkers als Richard Perle en Bill Kristol mooi parallel liepen met die van de vicepresident. Dick Cheney is geen neoconservatief, maar een ‘hypernationalist’, net als de toenmalige minister van Defensie Donald Rumsfeld. Al kunnen we die laatste misschien beter een hyper-Rumsfeldiaan noemen, want het voornaamste element van zijn ideologie was hijzelf. (lacht schamper) Rumsfeld was geobsedeerd door het uitbouwen van zijn persoonlijke macht en kon ook aan niets anders denken. Dick Cheney is er heilig van overtuigd dat alles wat Amerika ooit gedaan heeft en ooit zal doen, per definitie juist is. Als vicepresident probeerde hij die filosofie door ieders strot te duwen. Hij was uitzonderlijk goed in het doordrukken van zijn gedacht, veel beter dan alle andere ministers uit de Bush-administratie. Hell, wat zeg ik? Hij nam gewoon de hele administratie over: meer dan vier jaar lang bepaalde hij het beleid.

 

In mei 2003 interviewde ik Richard Perle. Hij zag de inval in Irak vooral als een manier om de oorlog naar de terroristen te brengen. Na 9/11 wou hij het slagveld van de Twin Towers verleggen naar het Midden-Oosten.

Wilkerson: Ik heb Perle in die tijd verschillende keren ontmoet en hij vertelde me exact hetzelfde. Zijn kompaan Bill Kristol had concrete plannen om chaos te creëren in heel Zuidwest-Azië. Door daar boots on the ground te droppen, zouden de terroristen bijna vanzelf toestromen om de satan te bestrijden. Wat ons dan weer goed uit kwam, want dan konden we hen allemaal samen in de pan hakken. Tezelfdertijd hielden we Israël veilig. Tot zover de totaal van de pot gerukte neocon-theorie. Ik vermoed dat Israël de echte motivatie voor de neocons was om Irak binnen te vallen. Dat gold zeker voor een man als Douglas Feith, op dat moment viceminister voor Defensie. Zolang Syrië, Irak en zelfs Iran in chaos verkeerden en aan elkaars strot hingen, was Israël veilig.

 

De huidige oorlog in Syrië, de terreur van de IS, de aanslagen in Parijs en Brussel hebben allemaal hun oorsprong in de invasie in Irak van 2003?

Wilkerson: De huidige ellende heeft nog veel diepere wortels. Het begon al in 1991, bij de eerste Golfoorlog, toen Paul Wolfowitz en een paar andere neoconservatieve hardliners in het Pentagon die compleet geschifte strategie van de chaos in het Midden-Oosten uitdachten. Hun baas, toenmalig minister van Defensie Dick Cheney, was daar razend enthousiast over. Hij trok ermee naar het Witte Huis en probeerde ze te verkopen aan president George H. Bush. Uit zeer betrouwbare bron weet ik dat vader Bush bleek wegtrok toen hij het plan las. Hij zei letterlijk: ’Stuur dit onding terug naar de gekken in de kelder van het Pentagon.’ Het plan lag daarna stof te vergaren, tot George W. aan de macht kwam met Dick Cheney als zijn vicepresident. Van zodra de kans zich voordeed, blies die laatste het gekkenplan weer leven in.

 

Hoe kijkt Colin Powell nu op die hele periode terug?

Wilkerson: Ik zie hem nog regelmatig, maar ik wil niet meer in zijn naam spreken. U zal hem dat zelf moeten vragen.

 

Hoe kijkt uzelf er op terug?

Wilkerson: De invasie in Irak in 2003 is waarschijnlijk de meest catastrofale beslissing die na Wereldoorlog Twee genomen is. Wij hebben ons daarvoor laten misbruiken. De oorlog in Vietnam was al een afschuwelijke vergissing met gigantisch veel slachtoffers; Irak heeft een nog catastrofaler scenario in gang gezet. Wij hebben de duistere machten vrijgemaakt die Zuidwest-Azië in de goorste ellende storten. We hebben geen Arabische Lente gestart, maar een Arabische winter. Ik vrees dat die winter meer dan een generatie zal duren. We veroorzaakten een onwaarschijnlijke poel van ellende waar we zelf in dreigen te verzuipen. Voor 2003 speelde de tegenstelling tussen sjiieten en soennieten in de regio nauwelijks een rol. Vandaag lusten die twee grote moslimgroepen elkaar rauw. Die oude tegenstelling hebben wij met onze invasie op scherp gezet.

We leven nu in extreem gevaarlijke tijden waar alleen het militair-industriële complex van profiteert. 44 miljard dollar verdienden het olie- en gaswinningsbedrijf Halliburton en de private military contractor Kellogg, Brown and Root (KBR) aan Afghanistan en Irak. Tot 2007 was KBR onderdeel van Halliburton. 44 miljard.

 

Van 1995 tot 2000 was Dick Cheney CEO van Halliburton.

Wilkerson: Precies. Hij heeft er nog steeds belangen. Cheney profiteerde op financieel vlak het meest van de oorlogen die hij zelf in gang gezet heeft. Het ziet ernaar uit dat de kassa nog heel lang zal blijven rinkelen.

 

Eind 2005 nam u in verschillende interviews de folterpraktijken van de CIA op de korrel. Waarom deed u dat niet toen u nog in de regering zat?

Wilkerson: Omdat we er toen niets van afwisten. Nadat in april 2004 de martelingen door Amerikaanse soldaten in de Abu Ghraibgevangenis in Bagdad bekend raakten, vroeg Colin Powell me om op zoek te gaan naar alles wat met foltering te maken had. Het kostte me negen maanden om alle documenten, zowel geheime als niet-geheime, over de ‘speciale ondervragingstechnieken’ te verzamelen. Toen we in januari 2005 afscheid namen van de macht, had ik alles netjes in kaart gebracht. In mei 2004 noemde Donald Rumsfeld Abu Ghraib het werk van een paar ‘rotte appels’. Begin 2005 was het voor mij duidelijk dat het allesbehalve om een paar rotte appels ging, maar dat voor het eerst in onze geschiedenis marteling een systeem geworden was, besteld door de president en beheerd door de vicepresident en zijn advocaat David Addington. Toen wist ik dat ik niet langer mocht zwijgen. Ik kreeg meteen als reactie dat de ‘speciale interviewtechnieken’ een klein kwaad waren, bedoeld om het veel grotere terroristische kwaad aan te pakken of te verhinderen. Dat ‘kleine kwaad’ heeft wel onze democratie de genadeslag gegeven, en ons moreel aanzien in de wereld.

 

De Verenigde Staten zijn vandaag geen democratie meer?

Wilkerson: Nee. Misschien is die er wel nooit geweest, want onze founding fathers stichtten indertijd geen democratie, maar een federale republiek. In het begin werden senatoren gekozen door de staten en niet door het volk. Op dit moment is Amerika geen democratie zoals Frankrijk, Groot-Brittannië of Duitsland. Omdat we nog steeds die federale republiek zijn, met ondertussen iets meer democratische aspecten, zijn we ontzettend kwetsbaar voor politici met kwade bedoelingen. Er moeten dringend hervormingen doorgevoerd worden, waardoor het parlement meer macht krijgt en de administratie minder.

 

Bent u nog lid van de Republikeinse Partij?

Wilkerson: Zeker, ik probeer mijn partij terug op het juiste spoor te zetten. Donald Trump drijft de Grand Old Party bijna tot zelfmoord, al weet ik niet of dat een weldoordachte strategie van hem is. Ik ben wel benieuwd hoe er na de conventie puin geruimd zal worden.

 

De voormalige ambassadeur Howard Gutman is ervan overtuigd dat Trump nooit genomineerd zal worden.

Wilkerson: Ik zou daar maar niet te zeker van zijn. De Donald Trump die we tot voor kort te zien en te horen kregen, is niet dezelfde als de Donald Trump die we op de conventie zullen leren kennen, of de Donald Trump die misschien zal meedingen naar het presidentschap. Op dit moment staat er een totaal andere Trump te trappelen in de coulissen. De rebel met zijn ongezouten meningen zal plaats ruimen voor een terughoudende presidentskandidaat met staatsmanallures. Trump is geen idioot. Hij weet zijn kansen heel goed in te schatten, al geloof ik niet dat hij Hillary Clinton zal verslaan.

 

Klopt het dat u indertijd voor president Obama gestemd hebt?

Wilkerson: Ja, ik heb toen zelfs campagne voor hem gevoerd. Zijn presidentschap is jammer genoeg uitgedraaid op een grote teleurstelling, wat zeer tragisch is, want hij had heel wat krediet. Hij is slim en had veel hervormingen kunnen doordrukken, maar zijn grote probleem is dat hij niet van confrontaties houdt. Hij had een hekel aan ruzie met de wetgevende macht en gooide daarom snel de handdoek in de ring.

 

Hebt u ooit overwogen om zelf in de politiek te stappen?

Wilkerson: Nee, net als mijn vorige baas Colin Powell zou ik zo’n job niet eens met handschoenen aan willen aanraken. (lacht)

 

© Jan Stevens