“Ik heb geen tijd om te haten”

Het gehandicapte meisje Nujeen Mustafa was vijftien toen ze in september vorig jaar in haar rolstoel via de Balkanroute van Syrië naar Duitsland vluchtte. Ze gruwt van politici die de deur voor Syrische vluchtelingen liefst gesloten willen houden. “Ze denken enkel aan hun eigenbelang en zijn vergeten wat het inhoudt om goed en juist te handelen.”

 

Op nieuwjaarsdag wordt het Syrische vluchtelingenmeisje Nujeen Mustafa zeventien. Haar verjaardag zal ze dan niet vieren. “Misschien vier ik hem nooit meer”, zegt ze. De dag dat ze Aleppo verliet, stopte ze met jarig zijn. “Dat is bijna vijf jaar geleden. De hele wereld feest die dag; ik niet. Ik heb geen enkele reden om wat dan ook te vieren.”

Nujeen vluchtte in september vorig jaar samen met haar tien jaar oudere zus Nasrine vanuit Syrië via de Balkanroute naar Duitsland. Sinds haar geboorte lijdt Nujeen aan spastische tetraplegie. “Ik heb mijn ledematen niet onder controle.” In haar rolstoel en met haar looprekje op schoot legde ze 5.831 kilometer af. Vandaag woont ze met haar zus in een rustig dorp tussen Keulen en Bonn. Ze gaat niet langer zelf of zoek naar nieuws uit Aleppo. “Dat is zo deprimerend. Ik kan bijna niet meer naar beelden van de totaal verwoeste stad kijken. Ik voel me schuldig omdat ik van de ellende wegkijk, want dat is alsof ik mijn landgenoten in de steek laat. Toch kan ik niet in een constante staat van verdriet en droefheid leven. Het nieuws achtervolgt me en overspoelt me toch: het is op tv, Facebook, Twitter, overal. Ik zou de kinderen willen helpen. Ik weet wat ze doormaken, al kan ik voorlopig niets voor ze doen, behalve bidden.”

Samen met de Britse journaliste Christina Lamb schreef Nujeen Mustafa over haar vlucht van het door oorlog verscheurde Syrië naar het veilige Duitsland het aangrijpende boek Nujeen. “Van zodra één lezer vluchtelingen niet langer als een bedreiging ziet, is mijn opdracht geslaagd.” Ze heeft geen begrip voor Belgische politici die Syrische oorlogsvluchtelingen liever kwijt dan rijk zijn, of die ‘Wir schaffen das’ van Angela Merkel een oliedomme uitspraak vinden. “Je naaste helpen, kan volgens mij nooit verkeerd zijn”, zegt ze. “Als het oerdom is om het juiste te doen, is dat maar zo. Die politici denken enkel aan hun eigenbelang en zijn vergeten wat het inhoudt om goed en juist te handelen. Het doet me pijn dat veel mensen angst hebben voor vluchtelingen. We zijn geen aliens waar wormen uitkruipen. Voor het eerst in mijn leven bewijst mijn handicap me een dienst. Want doordat ik in een rolstoel zit, lijk ik totaal ongevaarlijk en krijg ik ook medeleven en aandacht van mensen die alle vluchtelingen liefst willen terugsturen. Wij zijn niet naar Europa gekomen omdat we dromen van een luilekkerlange vakantie. Niemand verlaat zijn geboorteland voor zijn plezier. We ontvluchten de dood en het tragische is dat veel landgenoten op hun helse tocht door de dood worden ingehaald. Sommige vluchtelingen verdrinken, anderen worden vermoord door smokkelaars of teren weg in een overbevolkt vies kamp. Wij zijn niet naar Europa gekomen om sociale voorzieningen te plunderen of jobs in te pikken. We zijn op de vlucht voor oorlog en proberen ons leven van nul herop te bouwen.”

 

In wat voor buurt groeide je op?

Nujeen Mustafa: “In een heel gewone Koerdische wijk in Aleppo. Ik ben geboren in Manbij, een woestijndorp op 100 kilometer van Aleppo. Ik woonde er niet graag. Toen ik vier was, verhuisden we naar de stad. Mijn ouders spraken geen Arabisch en na het streng islamitische Manbij was Aleppo een heuse verademing. Iedereen in onze buurt sprak onze taal, het Kurmanji. Ik had er een zeer gelukkige jeugd, ook al kon ik door mijn handicap niet naar school. We woonden op de vijfde verdieping en er was geen lift, dus bracht ik de meeste tijd door in ons appartement. Ik groeide op tussen volwassenen en had niet veel vrienden van mijn leeftijd. Ik probeerde mezelf les te geven. Ik was heel nieuwsgierig en wou steeds meer weten. Ik keek naar tv en las veel boeken. Ik ben een echte boekenwurm. Met de hulp van mijn zus heb ik leren lezen en schrijven. Ik leerde Engels door naar de Amerikaanse soap Days of our Lives te kijken. Aleppo was vroeger een fiere, levendige, fantastische stad met oude soeks en een rijke geschiedenis. Het was de economische hoofdstad van Syrië. De straten liepen vol toeristen. Dat is nu allemaal weg.”

 

Volgde je in 2011 op tv het begin van de Arabische Lente?

“Natuurlijk. Zeven dagen op zeven, vierentwintig uur lang. Ik hoorde het eerst over de Arabische Lente in januari van dat jaar, toen de Tunesische president Zine El-Abidine Ben Ali zijn land ontvluchtte. Daarna volgden we de revolutie in Egypte. Er was zoveel enthousiasme, er was zoveel hoop op vrijheid. Ook in Syrië. Maar mijn vader en de ouderen wisten dat het bij ons anders zou verlopen dan in andere landen. Zij wisten dat er bij ons een andere mentaliteit heerste. Tegen beter weten in bleven wij hopen dat onze leiders toch beter waren. Dat was niet zo. (Stilte, gevolgd door een lange zucht) Sorry, herinneringen.”

 

In de zomer van 2012 besloten je vader en moeder om uit het belegerde Aleppo weg te vluchten naar Manbij.

“Ik vond Manbij een verschrikking. Ik ben een stadsmeisje. (lacht) Het is niet goed om daar als een van de weinige Koerdische families te leven. We werden door de dorpsbewoners met de nek aangekeken omdat we geen Arabisch spraken. Maar ook voor mensen met een ander Arabisch dialect haalden ze de neus op. Manbij was hard, het was alsof ons leven er tijdelijk stopte. Mijn vader had geen werk en we zaten te wachten op iets dat nooit kwam. We werden bijna dagelijks door Assad en de Russen gebombardeerd en werden echte experts in het herkennen van oorlogstuig. ‘Ik hoor een MIG’, riep een van ons. ‘Er vliegt een helikopter rond.’”

Nujeens zus Nasrine: “Of: ‘Daar ratelt een DschK.’”

Nujeen: “Of: ‘Daar valt een clusterbom.’”

Nasrine: “Is dat geen MIG-21?”

Nujeen: “Nee het is een MIG-23.” (de zussen lachen)

 

Die bommen hadden op jullie hoofd terecht kunnen komen.

“Ja en er was geen enkele manier waarop we ons konden beschermen. Wij zijn moslims en geloven in onze bestemming. Wat moet gebeuren, zal ook gebeuren. Als we vandaag moeten sterven, kan niets of niemand daar iets aan veranderen.

“De angst waarin we leefden, was veel erger dan de dood. We waren uit Aleppo weggevlucht omdat de gevechten en bombardementen steeds dichterbij kwamen. Er leefden in de stad veel verschillende bevolkingsgroepen samen, waardoor de toestand steeds explosiever werd. Toen het leger van Assad binnenviel en de wijk naast de onze met tanks begon te beschieten, besloten mama, papa, ik, mijn grote zus Nasrine en mijn broer Bland te vertrekken naar Manbij. Tankbeschietingen zijn veel erger dan luchtbombardementen. Maar in Manbij was het geen haar beter.”

 

Het dorp werd veroverd door IS?

“Het dorp werd gecontroleerd door verschillende jihadistische groepen, IS was er een van. Vrouwen en meisjes moesten zich sluieren. Ik kwam niet veel buiten, maar als Nasrine de deur uitging, moest ze zich van kop tot teen bedekken. We waren niet alleen bang voor de bommen, maar ook voor de bebaarde mannen die de lakens uitdeelden in het dorp. Eén kleine vergissing volstond om in de gevangenis te vliegen of onthoofd te worden. Het buurdorp Jarabulus aan de Turkse grens was compleet in handen van IS. Ik werd er samen met mijn oom, broer en zus tegengehouden door jihadisten. Ze zagen er angstaanjagend uit, zwaaiden met hun geweren en vroegen waarom ik geen sluier droeg. ‘Ze is pas twaalf en gehandicapt’, zei Bland. We hebben toen veel geluk gehad, want ze lieten ons verder rijden. Bland zei: ‘Dat zijn de gasten die je auto van je afpakken nadat ze drie keer Allahoe Akbar hebben geroepen.’ Hij maakte ook nog een grapje: ‘Jij mag blij zijn dat ze je hoofd niet hebben afgehakt.’ Ik was doodsbang.

“Onze oudste broer Shiar Abdi leeft sinds 1990 in Europa. Hij vluchtte toen als jongen van twintig uit Syrië weg. Hij werkt als regisseur hier in Duitsland en kwam ons in 2013 in Manbij bezoeken. Hij werkte aan zijn film Road to Aleppo. Hij vond dat we zo snel mogelijk Syrië moesten verlaten. ‘Jullie zijn net levende doden’, zei hij. De voortdurende angst was ons aan het ondermijnen. Mijn ouders wilden niet weg. Ze vroegen: ‘Geloven jullie echt dat jullie in een land als Duitsland gelukkig zullen zijn?’ Wij verlangden naar veiligheid. Onze ouders hebben ons helpen vluchten om ons te redden. Zij zijn in Turkije gebleven. Ik heb ze een jaar en vier maanden lang niet meer gezien en ik mis ze. Ik hoop dat ze binnen afzienbare tijd op een fatsoenlijke manier met het vliegtuig naar Duitsland kunnen komen. Het is vandaag trouwens een heel goede dag: ik kreeg net bericht dat ze in aanmerking komen voor familiehereniging.”

 

Hoe moeilijk was het om in Jarabulus de grens over te steken?

“We zaten uren in een oververhitte auto te wachten. Mijn oom Ahmed had de grenswachters omgekocht, maar die beslisten vervolgens dat alleen ik samen met mijn oom Turkije binnen mocht. Vier uur lang heeft Bland toen onderhandeld. Ondertussen probeerde ik in de auto de sfeer erin te houden. Ik vroeg mijn oom de pieren uit zijn neus. ‘Hoeveel steden zijn er in Turkije? Hoeveel mensen wonen er? Leven er ook christenen?’ Uiteindelijk mochten we oversteken en dat was een fantastisch gevoel. Maar er was ook het besef dat ik mijn thuis misschien nooit nog zou weerzien. Ik word heel vaak overvallen door heimwee, maar de werkelijkheid is wat ze is. Ik ben nu veel te ver weg van thuis.”

 

Vanuit Turkije vluchtte je via de Balkanroute naar Duitsland, duizenden kilometers. Jij zat in een rolstoel en had je looprekje bij.

“Ik moest in het Turkse Behram met mijn rolstoel in de rubberboot voor de oversteek naar Griekenland. Het kon niet anders. Sommigen wilden dat ik mijn rolstoel achterliet en me liet dragen, maar zonder rolstoel was ik hier nooit geraakt.”

 

Was je je bewust van het gevaar?

“Ik wist dat veel boten gekapseisd waren. Wij maakten onze overtocht op dezelfde dag dat het lichaam van het driejarige jongetje Aylan op het Griekse strand aanspoelde. Vlak nadat wij voet aan wal op het eiland Lesbos zetten, hoorden we het verhaal van Aylan. Als ze ons dat voor de oversteek hadden verteld, waren we nooit in die boot gestapt. We spraken onszelf moed in: ‘Zoveel mensen zijn ons voorgegaan, we redden het wel.’

“Wij waren met 38 mensen. Mijn oom had de smokkelaar extra betaald voor een nieuwe rubberboot, exclusief voor ons. Maar die boot bleek allesbehalve nieuw: de bodem was gerepareerd. Volgens de verpakking was er plaats voor maximum vijftien personen. In de andere boten die samen met ons vertrokken, zaten tot vijftig mensen opeen gepropt.”

 

Wat vind je van die smokkelaars die zonder scrupules dure plaatsen in opgelapte rubberboten van bedenkelijke makelij verkopen?

“Ik heb geen tijd om te haten of boos op iemand te zijn. Ik hoop alleen dat die smokkelaars zich er heel goed bewust van zijn dat de bootvluchtelingen hun leven riskeren.”

 

Hoeveel heeft je oom voor de oversteek van jou en je zus betaald?

“Drieduizend dollar of 2.660 euro. En honderd euro extra voor onze zwemvesten.”

 

Je oom moest zelf de boot sturen.

“Ja. Hij had dat nog nooit gedaan. Op voorhand had hij een paar filmpjes met vaarinstructies op Youtube bekeken.”

Nasrine: “Wij hebben geluk gehad dat hij dat gedaan heeft. Er vertrokken gelijk met ons nog drie andere boten, maar die mensen hadden geen flauw idee hoe ze de golven op zee moesten bedwingen.”

Nujeen: “Later hoorden we dat één boot bijna meteen na het vertrek omsloeg. Een andere kapseisde vlak voor Lesbos. Gelukkig kon iedereen gered worden. De derde boot werd onderschept door de Turkse kustwacht. Alleen onze boot heeft het dankzij de vaarkunsten van oom Ahmed heelhuids gehaald. Ik schrok heel erg toen we aan land gingen. Journalisten stonden ons er met camera’s en microfoons in de aanslag op te wachten. Niet veel later kwam een gevoel van geluk opzetten, want dit was de eerste stap in mijn nieuwe leven. Vrijwilligers hielpen mij en mijn rolstoel aan wal. Ik besefte: dit is Europa. Hier word je op een totaal andere manier behandeld dan in Syrië. Hier ben je terug een mens.”

 

Was je bang om teruggestuurd te worden?

“Ik kon me niet voorstellen dat ook maar iemand zo een ijskoud hart kon hebben dat hij ons zou terugsturen na alles wat we hadden meegemaakt. Nu is de Balkanroute dicht en zitten veel landgenoten in erbarmelijke omstandigheden vast in Turkije. Wij hebben onwaarschijnlijk veel geluk gehad.”

 

Waarom maakte je met je zus de lange reis naar Duitsland? Was dat omdat Angela Merkel zei: “Wir schaffen das”?

“Als klein kind droomde ik al van een bezoek aan Duitsland waar mijn grote broer woonde. Ik wist ook dat de Duitse ziekenhuizen en dokters een uitstekende reputatie hadden. Ik dacht: ‘Misschien kunnen zij me helpen.’ Maar we hadden daar de middelen niet voor. Vorig jaar was Duitsland zowat het enige land dat oorlogsvluchtelingen uit Syrië warm welkom heette. Waar moesten we anders heen?

“Op Lesbos werden we door vrijwilligers opgevangen in een centrum. We kregen droge kleren. De nacht moesten we op straat doorbrengen, aan een bushalte. De volgende ochtend zou een bus ons komen ophalen, maar die kwam nooit. Een vrijwilligster heeft voor ons dan een taxi betaald die ons naar Mytilini bracht, de hoofdstad van het eiland. Daar hebben we pizza gegeten. Het viel me op dat het Griekse alfabet erg op het Hebreeuwse lijkt.”

 

Jij was de enige die Engels sprak. Jij moest altijd het woord voeren?

“Ja, ik moest in een café aan een kelnerin een kop hete chocola vragen voor mijn zus. (lacht) In Mytilini liepen we een Koerdische man tegen het lijf en het was een verademing om eindelijk een serieuze conversatie te kunnen voeren.”

 

Toen jullie op weg waren naar Duitsland, was Hongarije naarstig bezig met het bouwen van de beruchte omheining aan de grens.

“De dag nadat wij die grens overstaken, ging de poort onherroepelijk dicht. Afschuwelijk. Ik begrijp die Hongaarse eerste-minister Viktor Orban niet. Waarom is hij zo bang van ons? Zien we er soms uit als monsters? Het lijkt alsof de wereld gek aan het worden is, met een nieuwe Amerikaanse president die ook zo’n muur wil bouwen. Het is triest dat wereldwijd zo weinig mensen nog willen zien wat wij allemaal gemeenschappelijk hebben. Alleen de verschillen worden benadrukt.”

 

De hele reis lang was je bang dat je ergens je vingerafdrukken zou moeten achterlaten, want dan moest je in dat land ook asiel aanvragen.

“Dat was een echte griezelfilm. ‘Geef geen vingerafdrukken! Nee, geen vingerafdrukken!’ We werden experts in het ontwijken van grenswachters en agenten die uit waren op onze vingerafdrukken. We bleven op de hoogte via verschillende Facebook-groepen. In een paar weken tijd kenden we de Europese wetten beter dan de meeste Europeanen. (lacht) We goochelden met begrippen als ‘Schengen’ en ‘Maastricht’. We reisden met bussen, taxi’s, treinen, veerboten en af en toe te voet. Elk transportmiddel was goed.”

 

Maar altijd met je rolstoel en je looprek. Dat moet toch een last geweest zijn?

“Voor mij lijkt het alsof heel Europa aangepast is aan de noden van rolstoelgebruikers zoals ik. Er was altijd wel een plek waar ik mijn rolstoel kon stallen, al was het toch een zware tocht. Nasrine droomde ook elke nacht dat ze op een bus zat, op weg naar ergens. (lacht) Mijn grote zus is de volwassene van ons twee; ik was degene die de hele reis grappen maakte. Ik had medelijden met haar: die rolstoel duwen, was best vermoeiend. De tocht was niet altijd even prettig, maar het heeft geen zin om daarover te blijven kniezen. Ik ben optimistisch van aard en dat helpt me vooruit.”

 

Voelde aankomen in Duitsland op een of andere manier als ‘thuiskomen’?

“Nee, echt niet. Ik voelde me wel welkom en ik voelde ook heel snel verwantschap met de Duitsers. Ik merkte dat ze gefocust zijn op werk en dat ze heel goed georganiseerd zijn. Je hangt hier niet zomaar doelloos rond. Dat beviel me en ik begon zelf ook te ‘verduitsen’. Ik zag het wel zitten om Duits te leren, naar een Duitse school te gaan, Duitse vriendinnen te hebben en één van hen te zijn.

“Mijn leven is nu duizend keer beter dan een jaar geleden. Ik ga elke dag naar school en ben daar zeer dankbaar voor. Maandag had ik een toets Duits en donderdag heb ik een toets wiskunde. Ik heb het druk en ik vind dat heel fijn. Ik werk hard en ik wil bewijzen dat ik een goede burger in deze samenleving kan zijn. Ik ben hier te gast en moet daarom een uitstekende indruk maken. Ik wil een goede ambassadeur van mijn land zijn. Ik ga hard werken zoals de Duitsers dat doen. Ik wil fysicus worden, want ik hou van ingewikkelde vraagstukken. Mijn grote droom is: astronaut worden.”

 

Keer je ooit terug naar Syrië?

“Zeker.”

 

Het lijkt erop alsof Assad de oorlog aan het winnen is.

“De dictator zal nooit winnen. (stilte) Maar ooit ga ik terug. (diepe zucht) Misschien duurt het nog twintig, dertig, veertig jaar. Ik moét gewoon terug.”

 

Nujeen Mustafa, Christina Lamb, Nujeen, Harper Collins, 17,95 euro

 

© Jan Stevens

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s