‘Ceci n’est pas un peintre’

Vijftig jaar na de dood van onze grootste surrealistische schilder René Magritte blijven zijn gemaskerde appels, zwevende bolhoeden, wolkenvogels en pijpen die geen pijpen zijn tot de verbeelding spreken. Maar was hij wel een surrealist? En bovenal: was hij wel een schilder?

 

Op 15 augustus is het precies vijftig jaar geleden dat René Magritte stierf. 15 augustus wordt ook de dag waarop het boek Magritte ontsluierd van de in kunst gespecialiseerde journalist Eric Rinckhout verschijnt. ‘René Magritte was één van de eerste schilders waarmee ik als kleine jongen in aanraking kwam,’ zegt hij. ‘Ik keek gefascineerd naar zijn bolhoedmannetjes, naar de trein die uit de schoorsteenmantel kwam gereden en naar de man die zijn eigen achterhoofd in de spiegel zag. Al die intrigerende beelden waar je als toeschouwer aanvankelijk kop noch staart aan krijgt, vormen de charme van het merendeel van Magritte’s werk.’

Ook voor Bart Verschaffel, cultuurfilosoof en professor architectuurtheorie en -kritiek aan de UGent, waren de schilderijen van René Magritte zijn eerste kennismaking met de wereld van de kunst. ‘Eén van de eerste grote tentoonstellingen die ik zag, draaide rond zijn werk’, zegt hij. ‘Magritte schilderde niet alleen, maar schreef ook veel. Al zijn teksten zijn verzameld in een dik boek en getuigen van verstand en luciditeit. Zijn vrienden waren geen schilders, maar dichters, filosofen en intellectuelen. Hij moest niets hebben van kunstenaars die werkten vanuit hun buikgevoel.’

Kunstkenner Claude Blondeel dweepte in zijn jonge jaren met René Magritte, maar verloor later zijn interesse in diens werk. ‘Ik heb hem pas eind vorig jaar herontdekt met de grote retrospectieve “La trahison des images” in Centre Pompidou in Parijs. De tentoonstelling begon met zijn geschriften. Magritte correspondeerde met Michel Foucault die ook een boek over hem schreef. In Parijs ontdekte ik Magritte als filosoof. Wat een denkende schrijver met woorden doet, voerde hij met beelden uit. Hij is geen schilder in de zuivere zin van het woord. Echt grote schilders zijn figuren als Rembrandt en William Turner. Het is niet omdat je met een in verf gedoopt penseel over een canvas strijkt, dat je automatisch een goede schilder bent. Magritte is geen goede schilder, maar een denker. Hij zet ons aan het denken door voorwerpen naast elkaar te plaatsen die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Zo creëert hij een afgrond die ons verontrust, ons doet schrikken en dromen. Het voorbeeld bij uitstek is zijn afbeelding van de hyperrealistische pijp met daaronder Ceci n’est pas une pipe. Natuurlijk is het geen pijp, maar de afbeelding van een pijp. Het is belangrijk om te weten dat het werk “La trahison des images” heet. Magritte’s titels zijn van wezenlijk belang.’

‘Bij Magritte zijn beeld en titel als twee vuurstenen die vonken veroorzaken’, beaamt Bart Verschaffel. ‘Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en laten een raadselachtig schilderij ontstaan of een beeld dat het statuut heeft van een raadsel. Het schilderen zelf vond hij niet belangrijk. Daardoor lag zijn focus niet op het schildersambacht, maar op het beeld. Tezelfdertijd dacht hij na over wat kunst is. Die vraag vond haar oorsprong bij de twintigste-eeuwse Franse kunstenaar Marcel Duchamp en zijn urinoir ‘Fontein’. Wat is kunst en wat niet? En is iets kunst van zodra de kunstenaar zegt dat het kunst is?’

 

Gesluierd

Eric Rinckhout vindt de werken van Magritte “schilderkunstig” minder interessant. ‘Dat komt omdat hij zo accuraat mogelijk schilderde’, zegt hij. ‘Zijn werk is zeer precies. Zijn bijna fotografisch gereproduceerde werkelijkheid was tegelijkertijd een onmogelijke werkelijkheid. Hij speelde met de botsing tussen die twee. Hij heeft altijd geweigerd om zijn werk uit te leggen. Hij stelde: “Als ik het verklaar, vernietig ik het mysterie, terwijl ik net wil laten zien dat we in een mysterieuze wereld leven.” Elke biografische interpretatie ontweek hij.’

René Magritte was dertien toen zijn moeder zelfmoord pleegde. Eric Rinckhout: ‘Ze sprong in de Samber en verdronk. Volgens Georgette Magritte heeft haar man René daar zijn leven lang nooit iets over verteld. Maar het effect van die traumatische gebeurtenis kan niet onderschat worden. Ze moét zijn arsenaal aan beelden wel gevoed hebben. Gezichten ontbreken vaak of zijn gesluierd: waarschijnlijk zijn het verwijzingen naar de dood van zijn moeder. Dertien dagen na haar wanhoopsdaad werd ze met haar nachtkleed over haar hoofd uit de rivier opgevist. Ze lag opgebaard in het ouderlijke huis en dat kan niet anders dan een zeer grote indruk op die jongen van dertien hebben gemaakt.’

In de loop van zijn leven gaf René Magritte een paar lezingen over de fundamenten van zijn werk. ‘Hij vertelde toen dat hij met zijn schilderijen filosofische problemen wou onderzoeken’, zegt Eric Rinckhout. ‘In “Le viol”, De verkrachting, is het vrouwengezicht veranderd in een naakte vrouw: de ogen zijn borsten en de mond is het geslacht. Magritte wil daarmee zeggen: als een man naar een vrouw kijkt, ziet hij haar naakt. Met andere woorden: elke tien minuten denkt een man aan seks. Magritte onderzocht ook taal: Ceci n’est pas une pipe is daar een voorbeeld van. Het woord dat we aan een bepaald object verbinden, is niet meer dan een afspraak die we maken. Zo ondermijnt hij het schoolboek waarin staat: Ceci est une pipe. “Aap, noot, mies”, lezen we op de schoolbanken. Plots is er dan Magritte die zegt: “Dit is geen aap.”’

 

“Dit is geen surrealist”

Volgens Luc Tuymans, een van onze grootste hedendaagse schilders, is René Magritte geen surrealist. Om die stelling te onderbouwen, verwijst hij naar “La trahison des images”. ‘In tegenstelling tot wat veel mensen denken, is dat schilderij zeer reëel’, zegt hij. ‘Want het is geen pijp, maar de afbeelding van een pijp. Ceci nest pas une pipe is dus niets meer of minder dan de waarheid.’

‘Magritte vond zelf dat hij geen surrealist was”, zegt Bart Verschaffel. ‘Hij zit ook niet in de traditie die het droomachtige trachtte te stimuleren. Maar een aantal van zijn schilderijen van halverwege de jaren twintig haalden hun inspiratie wel uit de irrealiteit. Als het al een misverstand zou zijn dat hij als surrealist gecatalogeerd staat, is dat een begrijpelijk misverstand. Hij was zeer ironisch en gebruikte de surrealistische strategieën van spot en van het niet ernstig nemen van zaken die door de goegemeente wel ernstig genomen werden.’

Ook Claude Blondeel vindt Magritte geen diehard surrealist. ‘Het surrealisme was oorspronkelijk een Parijse historie, met André Breton op kop als schrijver van het in 1924 verschenen Manifest van het Surrealisme. In België waren ook surrealisten actief, alleen gedroegen zij zich veel anarchistischer dan hun Franse geestesgenoten. Breton noemde zichzelf de paus van het surrealisme, al paste “de ayatollah” beter bij hem. In het begin verdiende René Magritte zijn brood als reclametekenaar. Hij wou naar Parijs, want daar gebeurde het allemaal. De Franse dichter Paul Eluard bood aan om hem te introduceren bij André Breton. Magritte voelde zich vereerd en trok samen met zijn vrouw naar Parijs. Eluard haalde hen op en zag dat Georgette een gouden kruisje van haar plechtige communie droeg. Hij waarschuwde haar: “U weet toch dat André Breton antiklerikaal is en zelfs antigodsdienstig? U kan dat kruisje misschien beter afdoen.” Magritte reageerde meteen: “Geen sprake van.” Ze kwamen bij Breton en dronken koffie. Breton zag het kruisje en noemde Georgette een kwezel. René stond recht: “Georgette, nous partons.” En weg waren ze. René Magritte en zijn Belgische surrealistische vrienden waren kwajongens, plezante gasten die afspraken in het Brusselse café Het goudblommeke in papier waar nog altijd die grote foto hangt waar ze allemaal samen opstaan. De Belgische surrealisten waren veel minder doctrinair dan hun Franse ‘medebroeders’. De Franse surrealisten predikten de vrijheid, terwijl homoseksuelen bij hen niet welkom waren.’

 

Période Vache

In de vooroorlogse jaren bleef het grote commerciële succes voor René Magritte uit. ‘In de jaren twintig en dertig had hij wel wat werk verkocht, maar hij had het nooit erg breed’, zegt Eric Rinckhout. ‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij even uit het bezette België weg. Hij keerde terug en begon op een totaal andere, ‘wilde’ manier te schilderen: kleurrijk impressionistisch, met een surrealistische inslag. Zijn werk uit de periode vlak na WO II vind ik zeer boeiend. Hij baseerde zich op de thema’s en motieven van Renoir. Zijn verhouding met de Franse surrealisten raakte totaal vertroebeld en in zijn zogenaamde Période Vache ging hij helemaal loos en begon op een bijna karikaturale manier te schilderen. Hij stapte met les pieds dans le plat. Zijn tentoonstelling in Frankrijk was een complete ramp. Niemand begreep zijn werk. Ik kende die periode wel, maar wist niet dat de omslag zo groot was. Dat heb ik pas ontdekt door voor mijn boek dieper in zijn leven en werk te duiken.’

Bart Verschaffel: ‘Na WO II kon hij meermaals in Parijs tentoon stellen. Hij zal toen wel gehoopt hebben dat hij zo met het Parijse milieu kon aanknopen. Dat lukte niet en in zijn Période Vache zette hij al die mensen een neus. Op dat moment had hij zijn contracten met Amerika rond. Daar groeide hij uit tot een succesvol schilder dankzij de Griekse galeriehouder Alexander Iolas. Die introduceerde hem in de Verenigde Staten en begon er zijn werken te verkopen. Magritte is een van de eerste Belgische kunstenaars die succesrijk werd in de VS. Hij zag het land als zijn commercieel afzetgebied; de Amerikanen waren geen intellectuele sparringpartners. In Parijs raakten zijn werken niet verkocht, maar die stad bleef wel zijn intellectueel referentiepunt.’

Op aanraden van Alexander Iolas begon René Magritte terug op zijn klassieke manier te schilderen. Eric Rinckhout: ‘De tentoonstellingen die Iolas in de VS organiseerde, zorgden voor een oplaaiende interesse voor het surrealisme. Met frisse tegenzin keerde Margritte terug naar de stijl van voor de Période Vache. Hij heeft toen zeker nog zeer goede schilderijen gemaakt. Hij varieerde veel op dezelfde thema’s, maar verlegde tezelfdertijd grenzen. Hij schilderde verschillende versies van “l’Empire des Lumières”, Het rijk der lichten, het beroemde schilderij van de lantaarnpaal voor het huis, waarop het zowel dag als nacht is. Als je al die versies met elkaar vergelijkt, merk je evolutie. Zijn vierde of vijfde versies zijn vaak de beste.’

Zou hij uitgegroeid zijn tot een nòg interessantere schilder als hij Iolas niet had ontmoet en was blijven experimenteren? Rinckhout: ‘Zijn Période Vache vond hijzelf alvast surrealisme in het kwadraat: hij schilderde niet alleen surrealistisch, maar zette ook nog eens iedereen op het verkeerde been. Hij bracht toeschouwers in totale verwarring. André Breton trok toen definitief de deur dicht.’

 

Beeldenmaker

René Magritte schilderde snel en veel. ‘Er was een jaar waarin hij honderd schilderijen maakte’, zegt Claude Blondeel. ‘Zijn Brusselse vriendenkring kwam op vrijdagavond bij hem thuis in de Esseghemstraat in Jette. Magritte was een huismus en hing niet rond in salons of cafés. Op die vrijdagavonden toonde hij de schilderijen die hij de voorbije week gemaakt had. Dan mochten zijn vrienden titels voorstellen: de meest maffe won.’

Samen met zijn vrienden draaide hij verschillende amateurfilmpjes. ‘Margritte hield van foto’s en van film en was een begenadigd beeldenmaker’, zegt Eric Rinckhout. ‘Als hij nu zou leven, was hij misschien geen schilder maar maakte hij games, films of video’s.’

Bart Verschaffel werkte in de jaren negentig van de vorige eeuw samen met reportage- en documentairemaker Jef Cornelis aan twee documentaires over René Magritte. Verschaffel bekeek toen alle filmpjes die Magritte ooit gedraaid heeft. ‘De filmpjes dateren uit de jaren vijftig’, zegt hij. ‘Er zitten heel diverse dingen tussen. Magritte filmde en zijn vrienden reageerden op de camera en gedroegen zich kolderiek. Die filmpjes zijn interessant omdat ze zijn milieu tonen en je de mensen ziet die bij hem op bezoek komen. Zijn vrienden filmden hem ook. Zo ontdek je de vulgaire kant van René Magritte: hij maakte graag platte grappen. De middenklasse waartoe hij behoorde, had een stevige volkse ondergrond. Hij begon ook zijn eigen werk te filmen. Je ziet hoe de nog jonge schilder Marcel Mariën schilderijen naar de tuin brengt omdat daar meer licht is. Magritte filmt zijn doeken, zoomt in en uit. Aan de hand van die filmpjes konden we verschillende werken dateren. Hij ensceneerde ook filmpjes met vrienden als de schrijver Louis Scutenaire en diens vrouw Irène Hamoir. Op zijn verjaardag draaide hij Le loup rouge, een kortfilm in kleur over een tuba die verdwijnt en teruggevonden wordt. De tuba is een van de symbolen uit zijn schilderwerk uit de jaren twintig en staat voor de ingewanden van de vrouw. 25 jaar later spelen ze met die tuba tijdens de opname van dat filmpje.’

Aan het eind van zijn leven was Magritte van plan om zijn filmpjes tot een nieuwe film te monteren. Verschaffel: ‘In die tijd werden filmpjes verknipt en opnieuw aan elkaar geplakt of gemonteerd. Magritte had al zijn filmpjes verknipt maar niet meer aan elkaar geplakt. Al die stukken film lagen dooreen in dozen. Ik hielp Jef Cornelis bij het opnieuw ineen puzzelen. Het was een bijzondere ervaring om de kunstenaar en de mens Magritte op het witte doek te zien verschijnen. Louis Scutenaire’s weduwe Irène Hamoir leefde toen nog. Hoogstwaarschijnlijk was zij ook de maîtresse van René Magritte. We toonden haar de filmpjes. Ze wist niet dat ze nog bestonden en voor haar was het een confrontatie met haar dode geliefden. Ze zag die opnieuw herleven: haar man, René, Georgette en de kunstenaar Edouard Mesens.’

 

Steen

Veel werk van René Magritte werd al tijdens zijn leven gecommercialiseerd en op posters geprint. Volgens Claude Blondeel had de schilder daar geen enkel probleem mee. ‘Integendeel, hij vond dat heel tof en werkte er zelfs aan mee. Het is niet zo dat hij op geld uit was. Hij huurde lang een huis en kocht pas op het einde van zijn leven een villaatje. Hij heeft in zijn hele leven ook maar één auto gekocht. Na amper drie weken deed hij hem weer van de hand omdat hij er iets te veel mee gebotst had. Magritte genoot ervan dat zijn werk op posters werd uitgegeven. In de shop van het Magrittemuseum in Brussel kun je heel goed zien wat er allemaal met zijn werk gebeurd is. Na Walt Disney moet hij een van de meest gekopieerde artiesten ter wereld zijn. We komen René Magritte overal tegen: op koffiekoppen, kussens, dekbedovertrekken, kaartjes… Hij is een van de weinige kunstenaars die tijdens zijn leven een overzichtstentoonstelling kreeg in het New Yorkse MOMA. Popartkunstenaars zoals Robert Rauschenberg en Andy Warhol herkenden een geestesverwant in hem. Ook zij begonnen hun eigen werk te kopiëren.’

Een van de grote verdiensten van René Magritte is volgens Claude Blondeel dat hij kunst toegankelijk gemaakt heeft. ‘Terwijl zijn werk moeilijk blijft. Je staat oog in oog met een schilderij van hem, je vindt het bizar en aantrekkelijk. Vervolgens zie je de titel, begin je erover na te denken en stoot je op de intellectuele laag.’

Bart Verschaffel: ‘Schilderen was voor Magritte een vorm van nadenken; beelden maken een manier van mentale concentratie. Op het einde van zijn leven wordt dat nadenken bijna mediteren. In de jaren vijftig schilderde hij versteende stillevens, landschappen en interieurs. Alles veranderde in steen. In een van zijn laatste interviews werd hem gevraagd: “Wat betekent die steen?” Hij antwoordde: “La pierre ne pense pas.”’

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s