Dianne Lake, het jongste liefje van sekteleider Charles Manson: ‘Hij keek in mijn ogen en ik smolt’

In The Summer of Love van 1967 slikte Dianne Lake haar allereerste LSD-tablet. Ze was pas veertien en haar vader stopte het haar toe. Aan het eind van dat jaar sloot ze zich aan bij The Family van Charles Manson en werd zijn jongste liefje. Twee jaar later vermoordden Mansons volgelingen zes mensen, waaronder Roman Polanski’s zwangere vrouw Sharon Tate. “Hij vroeg mij niet mee, want ik was een smartass, een betwetertje.”

 

Jarenlang deed Dianne Lake (65) alsof ze de jaren zestig als braaf burgermeisje had doorgebracht, spelend met Barbie, Ken en het Barbie Dreamhouse dat ze in 1963 van de kerstman kreeg. Tot ze in 2008 telefoon kreeg van de gepensioneerde politieagent Paul Dostie, gespecialiseerd in cold cases. “Hij vroeg: ‘Bent u Dianne Lake?’”, herinnert ze zich. “Ik schrok, want zo goed als niemand kende mijn meisjesnaam. Laat staan dat ze wisten dat ik eind jaren zestig een trouwe volgelinge en een van de liefjes was van Charles Manson, Amerika’s beruchtste hippiecrimineel. Alleen mijn man, een paar heel goede vrienden en de pastoor in mijn kerk waren op de hoogte. Verder had ik er niemand iets over verteld, ook mijn schoonfamilie en mijn drie kinderen niet. Al die jaren leefde ik met dat grote geheim. Ik gebruikte de achternaam van mijn man en het was me altijd gelukt om onder de radar te blijven. Maar heel die tijd was ik bang dat mijn verleden als een etterbuil zou openbarsten.”

Dat moment leek gekomen toen Paul Dostie in 2008 aan de telefoon zei dat hij zijn lijkenhond Buster had laten rondsnuffelen op de Barker Ranch, een verlaten mijndorp in het Death Valley National Park in Californië.

Dianne Lake: “‘De hond heeft een paar plekken gevonden waar misschien menselijke resten begraven liggen’, zei Paul. In 1968 en ‘69 was Barker Ranch een van de plekken waar ik samen met Charles Manson en de rest van de Family verbleef. Daar werden we twee maanden na de moorden op onder anderen Sharon Tate en haar vrienden ook opgepakt. Ik werd gearresteerd door Jack Gardiner. Hij moet toen iets in mij gezien hebben, want hij kwam me regelmatig in de gevangenis opzoeken en na mijn vrijlating namen hij en zijn vrouw me op als hun pleegkind. Volgens Dostie had ik ooit tegen Jack gezegd dat ik dacht dat er op de Barker Ranch nog lijken begraven lagen. Ik kon me dat niet meer herinneren, al was het best mogelijk. Later bleek het vals alarm te zijn, maar op die dag in 2008 kreeg ik het gevoel alsof mijn bestaan op instorten stond. Want als er nog slachtoffers van Manson waren, was dat gegarandeerd groot nieuws. Mijn kinderen zouden dan te weten komen dat hun moeder op haar veertiende een van de liefjes van Charles Manson was. ‘Ze mogen dat toch nooit horen van een nieuwslezer’, panikeerde ik. Dus raapte ik al mijn moed bijeen en vertelde hen mijn verhaal. Tot mijn grote opluchting veroordeelden ze me niet; ik bleef gewoon hun moeder.”

 

Uw verhaal hebt u nu ook in ‘Mijn leven met Charles Manson’ te boek gesteld voor het grote publiek. Nu weet iedereen dat Dianne Lake op haar veertiende Mansons jongste liefje was.

Lake: “Ja, en het schrijven van dat boek was niet echt makkelijk, zoals het niet vanzelfsprekend is om nu met een wildvreemde over mijn tienerjaren in de sixties te praten. Maar dat is wel nodig, want ik merk dat vandaag nogal wat jonge mensen verlangend kijken naar de hippie- en drugscultuur uit mijn jeugd. Misschien kan mijn boek een waarschuwing zijn. Wist u dat Charles Manson in Amerika lang als boeman gebruikt werd? Als kinderen zich niet gedroegen, werd ermee gedreigd dat Manson of één van zijn volgelingen hen zou komen halen. Charles Manson was het monster onder het bed. Ook voor mijn kinderen toen ze nog klein waren. (lacht)”

 

In de loop der jaren zijn er honderden boeken over Manson verschenen. Las u die?

Lake: “Voor ik mijn boek begon te schrijven, had ik er maar twee gelezen: The Family uit 1971 van schrijver en muzikant Ed Sanders en Helter Skelter uit 1974 van Vincent Bugliosi. Als openbare aanklager vervolgde hij Charles Manson en mijn vroegere vrienden voor de moorden. Hij was ook degene die mij over de streep trok om op het proces tegen Manson te getuigen.”

 

Bent u de eerste ‘insider’ die een boek over The Family schreef?

Lake: “Wijlen Paul Watkins schreef al in 1979 het boek My life with Charles Manson. Paul sloot laat bij The Family aan, maar schopte het snel tot Mansons rechterhand. Net als ik had hij totaal niets met de moorden te maken en ik vond hem best een fijne kerel. Hij stierf in 1990 aan de gevolgen van kanker. Een paar maanden na mijn arrestatie in oktober 1969 ruilde ik de gevangenis in voor een psychiatrische instelling. Ik was zestien en zwaar verslaafd aan LSD. Ik kreeg ernstige afkickverschijnselen en werd met een LSD-psychose opgenomen in het Patton State Hospital in San Bernardino, Californië. Later hoorde ik dat Paul me daar had proberen opzoeken. Toen vond ik dat erg bedreigend, want ik was bang dat hij me in opdracht van Charles Manson een kopje kleiner kwam maken. Die angst was niet terecht en ik heb er nu spijt van dat ik later geen contact meer met Paul gezocht heb.”

 

Uit wat voor een nest komt u?

Lake: “Mijn ouders waren eigenlijk heel gewone mensen uit Minneapolis, de hoofdstad van de noordelijke staat Minnesota. Alleen hield mijn vader Clarence erg van kunst. Overdag schilderde hij de muren van huizen en ’s nachts maakte hij schilderijen. Hij droomde ervan om een kunstenaar te worden of leraar plastische kunst. Hij was een echte intellectueel die door omstandigheden in de voetsporen van zijn vader trad en huisschilder werd. Mijn moeder Shirley was huisvrouw. Ik ben de oudste van drie kinderen en werd geboren op 28 februari 1953, in hetzelfde jaar waarin de Koreaanse oorlog eindigde. Mijn vader had daarin gevochten en volgens mijn moeder was hij daardoor veranderd. Hij las veel en raakte in de ban van de boeken van de auteurs van de Beat Generation. Jack Kerouac, Allen Ginsberg, William S. Burroughs en Timothy Leary waren zijn favorieten. Mijn ouders hadden het voortdurend met elkaar over die ‘nieuwe manier van denken’, over ‘het openen en verruimen van de geest’. Op dat moment zaten ze nog niet aan de drugs. Papa droomde ervan om naar Berkeley te verhuizen om daar aan de Universiteit van Californië zijn master in de beeldende kunst te halen. Die droom werd een obsessie en op een bepaald moment besloten mijn ouders om ons huis te ruilen voor een caravan. Zo konden we aan onze versie van Kerouacs klassieker On the road beginnen, met als ultieme doel: Californië.”

 

Jullie huis was geen bouwval?

Lake: “Nee, het was een gezellig alleenstaand huis met twee verdiepingen. Mijn ouders hadden het in 1960 gekocht, om het een jaar later met een buur te ruilen voor een aftandse caravan van zeven meter lang. Dat ding was tot op de draad versleten. De dag dat we met heel ons hebben en houden vertrokken, bleek dat onze auto niet zwaar genoeg was om die caravan te trekken. We eindigden op een vieze camping in Burnside, een voorstad van Minneapolis. Daar kampeerden we een klein jaar. Mijn vader was een vrij getalenteerd schilder, en dat heeft ons toen gered. Hij raakte bevriend met een rijk kunstminnend koppel dat zijn werk erg kon appreciëren. Ze hadden een galerij en wilden er zijn schilderijen verkopen. Hij werd hun vaste leverancier, ze richtten een atelier voor hem in en gaven ons de sleutels van een klein huis met tuin. We dumpten de caravan en vader werd voltijds artiest. Zijn Californië-droom leek weg te ebben en het leven lachte ons toe. Tot vaders atelier afbrandde en al zijn schilderijen de fik ingingen. Hij was een kettingroker en had de nog gloeiende inhoud van zijn overvolle asbak in de vuilbak gedumpt. Op het moment dat zijn atelier tot as herleid werd, stond hij op het hoogtepunt van zijn artistieke carrière. Hij verkocht goed, was een kinderboek aan het illustreren en plots was alles weg. Daardoor raakte hij in een zware depressie. Op een dag liet hij ons in de steek en verdween met mijn moeders beste vriendin naar Californië. Twee jaar later liep de relatie met zijn minnares op de klippen en zocht hij met hangende pootjes terug contact met mijn moeder. Zij ging overstag en in de zomer van 1965 verhuisden we met z’n allen naar een mooi huis in Santa Monica, Californië, waar papa een job had als grafisch vormgever bij een telefoonbedrijf. Mijn moeder kon aan de slag bij de RAND Corporation, een denktank, en ze was daar zeer trots op. Een half jaar lang verliep alles voorspoedig.”

 

Tot uw ouders marihuana ontdekten?

Lake: “Mijn moeder liet zich door de buren verleiden om eens een keertje marihuana te roken. (lacht) Dat was meteen ook het begin van het einde. De volgende dag presenteerde ze vader een joint die de buren haar hadden meegegeven. Vervolgens zag ik ze samen stoned worden. Papa was altijd wel geïnteresseerd geweest in drugs, maar tot dan had hij nooit moeite gedaan om zelf weed te kopen of ermee te experimenteren. In die tijd kon je in Californië marihuana in het openbaar roken zonder opgepakt te worden. Heel de staat was in de ban van weed.”

 

Hoe oud was u toen u het ook begon te roken?

Lake: “Dertien. Mijn vader bood het me aan: ‘Je moet dit echt eens proberen, Dianne.’ Ik was nog heel jong, maar in heel die tegencultuur van beatniks en hippies was blowen de gewoonste zaak van de wereld. Zelfs mijn twee jaar jongere broer en zes jaar jongere zus mochten af en toe aan een joint trekken. Mijn vader gaf me in de zomer van 1967 mijn allereerste LSD-tablet. Het was tijdens een feestje. Hij deelde LSD aan alle gasten uit en gaf mij en mijn twee beste vriendinnen een kleinere dosis. ‘Leg ze op jullie tong en jullie zullen aangenaam verrast zijn.’ Hij legde de nieuwe Beatles-LP Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band op en ik beleefde mijn eerste acid-trip. Tijdens het nummer ‘Being for the Benefit of Mr. Kite!’ ging ik helemaal uit mijn dak. Alle figuren uit die song kwamen voor mijn ogen tot leven. Het was een steengoede trip. (lachje) Ik herinner me hoe ik op de grond lag en mijn buik moest vasthouden van het lachen. Mijn ouders waren constant high of aan het hallucineren.

“Een bevriend hippiekoppel van mijn ouders stelde me voor aan een dikke fotograaf van halverwege de dertig. ‘Je bent zo een mooi meisje; hij maakt een fotomodel van je.’ Die man kwam me thuis ophalen en nam me mee naar het bos. Ik begon de fotosessie met mijn kleren aan, maar eindigde naakt in de meest onsmakelijke poses. Hij pushte me steeds verder en ik ging daar gewillig in mee. Hij begon me te strelen en ik begon te wenen. We hadden geen seks, maar hij probeerde het wel. Hij bracht me terug naar huis en niemand vroeg zich af waar ik geweest was of wat ik met die kerel gedaan had. Niemand maakte zich zorgen over dat dertienjarige meisje. Het was een recipe for a disaster. Die fotograaf schoot honderden naaktfoto’s van me. Mijn moeder vertelde me later dat ze af en toe wel eens een paar foto’s tegenkwam in huizen van vrienden en dat ze die dan in haar handtas moffelde en verscheurde. (lacht)”

 

Hoe kwam u in contact met Charles Manson?

Lake: “Ik verhuisde samen met mijn ouders naar de Hog Farm Commune, een van de grootste hippiecommunes uit die tijd. Ze was gesticht door de vredesactivist Hugh Romney alias ‘Wavy Gravy’ en zijn vrouw Bonnie Beecher, een actrice die meespeelde in Star Trek. Op een dag namen Hugh en Bonnie me apart en maakten me duidelijk dat ze me liever kwijt dan rijk waren. Als meisje van veertien vormde ik een bedreiging voor de commune. Ze vonden me te oud, maar niet oud genoeg. Elke jonge kerel die seks met mij had, was volgens de wet een verkrachter en kon in de cel gegooid worden. Ze suggereerden dat ik best zo snel mogelijk andere oorden opzocht. Richard en Allegra, een hippiekoppel dat ik van haar noch pluimen kende, bood me spontaan onderdak in hun huis aan. In die periode ontmoetten mijn ouders op Hog Farm Charlie Manson. Ze raakten bevriend en trokken er samen voor een paar dagen op uit in de Mojavewoestijn. Terug in de commune gaf mijn moeder een foto van mij aan Manson. ‘Dit is mijn dochter Dianne. Doe haar de groeten als je haar ziet. Misschien vindt ze het wel leuk om een tijdje met jullie op stap te gaan.’ Ik wist daar helemaal niets van. Eind november 1967 stelden Richard en Allegra me voor om naar een feestje te gaan in The Spiral Staircase House, een hippiehuis in Topanga. Het meisje dat de voordeur opendeed, begon meteen te roepen: ‘Charlie, Dianne is hier!’ Ik stapte naar binnen en iedereen herhaalde dat zinnetje: ‘Dianne is hier! Oh, Dianne, je bent hier!’ Ik was overdonderd. ‘Hoe kennen jullie mij?’ Het leek pure magie. Charlie Manson keek in mijn ogen en ik smolt. Ik voelde me door hem aanbeden en geliefd. Ik voelde me welkom bij hem.”

 

Charles Manson noemde zijn sekte The Family?

Lake: “Ja, en zo voelde het in het begin ook aan. Ze reden met een zwart geverfde schoolbus rond waarop stond: ‘Hollywood Production’. (lacht) Charlie was toen 33. Het klopt toch niet dat een meisje van veertien de liefde bedreef met een kerel van 33? Mijn oudste zoon is nu 35. Charlie was een vieze jonge man. Hij had lang haar, speelde gitaar en had een grote tattoo op zijn arm. Ik vond dat exotisch. Er werd gefluisterd dat hij in de gevangenis had gezeten en gearresteerd was voor verschillende vergrijpen. Zijn laatste veroordeling was voor oplichting. In de jaren vijftig had hij zich proberen herscholen tot pooier, maar zijn meisjes bleven meestal nooit lang voor hem werken. Toen ik hem ontmoette, was hij eigenlijk nog steeds een pooier. Ik had dat niet door, want ik wist amper wat prostitutie was. In 1967 vrijde iedereen met iedereen, en voor pooier Charlie was dat natuurlijk een probleem. Want waarom zou je nog voor seks betalen als iedereen het gratis met je wil doen? De meisjes die rond Charlie zweefden, vormden zijn harem. In maart 1967 kwam hij uit de gevangenis en het meisje waar hij het eerst mee aanlegde, heette Mary Brunner. Ze raakte zwanger van hem en ik was erbij toen in 1968 Valentine Michael Manson geboren werd. We noemden de baby Pooh Bear en hij werd het lievelingetje van de hele Family.”

 

Op dat moment had Manson nog twee andere zonen bij twee andere vrouwen: Charles Manson Jr. en Charles Luther Manson. De eerste pleegde zelfmoord in 1993, over de tweede is niets geweten.

Lake: “Echt? Er was een vermoeden dat er misschien nog een zoon was, maar die hebben we nooit gezien. Hij praatte daar nooit over. Charlie was een meestermanipulator. Hij was ook een meester in het lezen van mensen. Hij zag meteen wie je was, wat je nodig had, wat je talenten waren. En hij dacht alleen maar aan zichzelf.”

 

Hoe raakten jullie aan geld?

Lake: “(stilte) Dat is een goede vraag. Toen ik er pas bij was, gebruikten een paar meisjes de kredietkaarten van hun vader. Maar waar de rest van het geld vandaan kwam? Geen idee. Ik stond daar ook niet bij stil. Er was LSD en marihuana in overvloed. En er werd veel geneukt. Koppels apart of in groep. Toen ik Manson in november leerde kennen, was ik 14. Eind februari 1968 werd ik 15. Charlie gebruikte mij om aan zijn pleziertjes te geraken, net zoals hij alle andere meisjes uit de groep gebruikte. Misschien liet hij oudere meisjes als prostituee voor hem werken en raakte hij zo aan geld.”

 

In mei 1968 nam The Family haar intrek in Spahn Ranch, een televisieboerderij in Los Angeles waar Bonanza en Zorro werden opgenomen.

Lake: “Charlie lulde zich overal naar binnen en Spahn Ranch werd een tijdlang ons hoofdkwartier. In die periode leerde hij Dennis Wilson, de in 1983 overleden drummer van de Beach Boys, kennen. Dennis raakte in de ban van Manson en samen met Family-leden Nancy Pitman en Ruth Moorehouse trok ik voor een maand of vier bij hem in. Charlie had dat zo beslist. De anderen stuurde hij naar de hippiekolonie in Mendocino nabij San Francisco. Ze moesten daar nieuwe leden gaan rekruteren. Dennis Wilson was heel vatbaar voor vriendschap, seks en drugs. Hij had net een echtscheiding achter de rug en vond het fijn om met Charlie en zijn meisjes te chillen. In die tijd stelden nog meer muzieksterren in Los Angeles en omstreken in naam van de flower power hun huizen open voor free sex, drugs en drank. De door Charlie bevolen moorden op Sharon Tate en co in augustus 1969 betekenden het abrupte einde van al die open deuren. Dennis Wilson was er heel trots op dat hij met Charles Manson bevriend was. Hij vond het fantastisch dat we zijn huis hadden uitverkoren en stelde Charlie voor aan andere muzikanten.”

 

Manson was in die tijd een societyfiguur? Een celebrity?

Lake: “Celibrity is misschien een beetje overdreven, maar hij werd wel geaccepteerd door de echte celebrities. Voor velen was hij een goeroe. Een paar maanden eerder had Dennis Wilson met de andere Beach Boys in Parijs de Maharishi ontmoet. De Beatles, Mia Farrow en Elizabeth Taylor waren volgelingen van diens leer. Dennis herkende in Charlie iets wat hij in de Maharishi had gezien. Charlie gedroeg zich ook als een goeroe. Hij ‘postuleerde’ heel graag. Hij vroeg dan aan het universum op voorhand om een parkeerplaats. Als hij die dan ook kreeg, schreef hij dat toe aan zijn spirituele kracht.”

 

Was hij gewelddadig?

Lake: “Hij kon soms hevig uit zijn krammen schieten en ik moest af en toe klappen incasseren. Maar hij had geen gewelddadig karakter.”

 

Hij heeft u verkracht.

Lake: “Dat is waar. Al interpreteerde ik het op dat moment niet zo. Maar het was zeker verkrachting. Zonder twijfel. Ik wou met hem vrijen, maar hij nam me op een afschuwelijke manier, zoals ik het echt niet wou.”

 

Zag hij zichzelf als een nieuwe messias?

Lake: “Dat geloofde hij rotsvast. Wij namen ontzettend veel drugs; hij veel minder want hij had een paar bad trips achter de rug. maar ondanks zijn beperkte druggebruik was hij er van overtuigd dat hij de opvolger van Jezus Christus was. ‘Ik ben “Man Son”, de zoon van de mens’, oreerde hij. Van veel verschillende filosofieën en religies had hij zijn eigen potje gebrouwd. Wij, naiëve meisjes met iets te veel weed en acid in hun lijf dan goed voor ze was, gingen daar kritiekloos in mee. Het was allemaal zo geheimzinnig. ‘Die kerel is verbonden met het universum.’ (lacht) Hij versterkte dat mystieke alleen maar en wij begonnen echt te geloven dat hij bovennatuurlijk was.”

 

Toen The White Album van The Beatles op 22 november 1968 uitkwam, sloegen bij hem de stoppen helemaal door?

Lake: “Hij geloofde dat de Beatles vier profeten waren die met hun White Album een rassenoorlog, de Helter Skelter, aankondigden. Charlie zag zichzelf als de verlosser die de oorlog in gang moest zetten. De apocalyps bestond in zijn visie uit een bloedige strijd van blank tegen zwart. Afro-Amerikanen waren er volgens hem op uit om de macht over te nemen. Hij moest dat stoppen.”

 

Charles Manson was een white supremacist in hippieverpakking?

Lake: “Precies. De moorden in augustus 1969 moesten die rassenoorlog in gang zetten. Charlie heeft me daar nooit in betrokken, nooit iets over gezegd, nooit iets over gevraagd. Hij had daar anderen voor ‘uitverkoren’. Zij voerden de moorden nauwgezet volgens zijn instructies uit. Ik hoorde daar pas een week later over. Het was een vreselijke schok toen mijn vriendinnen Leslie Van Houten, Susan ‘Sadie’ Atkins en Patricia ‘Patty’ Krenwinkel me vertelden hoe ze Leno en Rosemary LaBianca op aansturen van Charlie hadden afgeslacht. Natuurlijk had ik gevoeld dat de stemming in The Family gaandeweg veranderd was. Charlie wou me terugsturen naar mijn ouders, maar door de drugs was ik weg van de wereld. Hij had me totaal gehersenspoeld en ik wou hem niet verlaten. Telkens wanneer ik zijn stem hoorde, steeg ik op naar de zevende hemel. Zijn liedjes speelden continu door mijn hoofd. Ik kon zijn filosofie van voor naar achter en van achter naar voor aframmelen. Hij had me compleet in zijn macht.”

 

Als hij u gevraagd om Sharon Tate te vermoorden, had u dat gedaan?

Lake: “Er is een reden waarom hij het mij niet gevraagd heeft: ik was namelijk niet erg gehoorzaam. (lacht) Natuurlijk was ik gehersenspoeld, maar ik was ook een smartass, een betwetertje.”

 

Op het proces hebt u tegen Charles Manson getuigd.

Lake: “Ik had geen moment spijt van mijn getuigenis tegen hem. Mijn opname in de psychiatrie heeft mijn leven gered. Daar ben ik van de LSD én van Charlie afgekickt. Daar verloor ik ook mijn angst voor hem. Op 5 november 1970 heb ik in het gerechtshof voor de jury getuigd over hoe het er in The Family aan toeging. Ik vertelde ook wat de andere leden me over de moorden hadden toevertrouwd. Charlie, Patty, Leslie en Sadie werden ter dood veroordeeld. Hun straffen werden later omgezet in levenslang. Sadie stierf in 2009 in de gevangenis; Leslie en Pattie zitten nog steeds in de cel. Charlie verwisselde het tijdelijke voor het eeuwige in november vorig jaar. Een paar weken geleden pas hebben ze hem begraven. Drie mensen eisten eerst zijn lichaam op. De ene was een verzamelaar van Manson-memorabilia, de andere iemand die beweerde een zoon van hem te zijn, en de derde zijn kleinzoon Jason Freeman. De rechter besliste uiteindelijk dat de kleinzoon zijn opa mocht begraven. Terecht, vind ik.”

 

Hebt u ooit contact met een van de andere leden van The Family gehad?

Lake: “Nee. De enige die ik veel later nog eens teruggezien heb, is Barbara Hoyt. Zij was ook niet betrokken bij de moorden en getuigde ook op het proces. Andere leden van the Family hebben nog geprobeerd om haar om het leven te brengen met een overdosis LSD in een hamburger. Eén van de veroordeelden heeft onlangs vanuit de gevangenis contact met mij gezocht. Tot hiertoe heb ik nog niet de moed gevonden om te reageren. Want ik weet echt niet wat ik tegen haar moet zeggen.”

 

Dianne Lake, Mijn leven met Charles Manson, Harper Collins

(c) Jan Stevens

Vida Mehrannia, de vrouw van de ter dood veroordeelde VUB-professor Ahmadreza Djalali: ‘Hij zit emotioneel helemaal aan de grond’

Sinds de arrestatie en terdoodveroordeling van haar man Ahmadreza Djalali is het leven van Vida Mehrannia een nachtmerrie. “In Europa ben je onschuldig tot het tegendeel bewezen wordt. In Iran ben je schuldig van zodra ze met de vinger naar je wijzen.”

_DSC0016

Op 25 april 2016 werd professor in de rampengeneeskunde en VUB-gastdocent Ahmadreza Djalali in Iran gearresteerd. Anderhalf jaar later werd hij ter dood veroordeeld voor spionage. “Elke seconde denk ik aan hem”, zegt zijn vrouw Vida Mehrannia. “En alles wat ik nu onderneem, doe ik alleen voor hem. We willen hem niet kwijt. Ik ging onlangs met onze zoon van zes en onze dochter van vijftien naar een restaurant. We kregen een tafeltje met vier stoelen. Mijn zoon zei: ‘Eén stoel is voor papa.’ Ik verlang er naar om samen met mijn man en mijn kinderen terug een gezin te vormen. De Iraanse overheid moét hem laten gaan, want wij hebben hem nodig. Telkens wanneer hij me belt, wil hij weten wat wij aan het doen zijn. Hij mist ons ook zo verschrikkelijk hard.”

Vida Mehrannia spreekt zacht en behoedzaam. Haar lichaamstaal verraadt dat de last die ze draagt loodzwaar is. We zitten aan de keukentafel in haar flat in een voorstad van Stockholm. Voor haar ligt de thesis van haar man waarmee hij hij in 2012 aan de Zweedse Karolinska-universiteit doctoreerde in de rampengeneeskunde. “Zijn thesis handelt over de behandeling van slachtoffers van rampen over de hele wereld, maar vooral over de slachtoffers van de aardbeving van 2003 in de Iraanse stad Bam. Ze is ook opgedragen aan de slachtoffers van Bam.” Vida’s dochter heeft de griep; haar zoontje kijkt in de kamer ernaast naar een film. Vlak naast het tv-toestel staan foto’s waarop Ahmadreza Djalali samen met vrouw en kinderen poseert.

Vida Mehrannia: “Mijn man heeft deze flat nooit gezien. Niet lang na zijn arrestatie moesten we verhuizen naar een ander appartement. En niet veel later moesten we nóg eens verhuizen naar deze flat. Het is zo verdomd moeilijk om in Stockholm een betaalbare woonst te vinden. Vanaf dag één stond ik onder extreem zware druk. We hadden net samen een nieuw appartement gezocht en het was de bedoeling dat we zouden verhuizen nadat hij terug kwam van Iran. Maar hij kwam niet meer terug. De oude flat was opgezegd en het contract voor de nieuwe getekend, dus moest ik ons hele hebben en houden in mijn eentje inpakken. Ik crashte en zocht hulp bij een psycholoog, want ik raakte mijn bed niet meer uit. Ik dacht alleen maar aan hem en aan wat hij moest doorstaan. Maar ook mijn kinderen hadden mijn steun nodig. Ik slik pillen nu; die houden me overeind. Ons zoontje weet niet wat er met zijn papa gebeurd is. Hij denkt dat Ahmad in Iran aan het werk is. Hij weet niet dat hij in de gevangenis zit en ter dood veroordeeld is.”

 

Hoort hij daar op school dan niets over?

Mehrannia: “Nee. Ik heb heel de situatie uitgelegd aan de schooldirectie en de leerkrachten. Ze weten dat hij gelooft dat zijn papa lang in Iran moet blijven om er te werken. Elke dag zegt mijn zoontje: ‘Ik wou dat papa terug was.’ Ik sus hem dan: ‘Binnenkort is hij weer thuis.’ Ik breng hem ’s morgens naar school. Soms zegt hij: ‘Ik zou het zo fijn vinden als papa mij naar school bracht.’ Hij ziet hoe zijn klasgenootjes door hun papa’s worden gebracht of afgehaald; voor hem blijft dat een wensdroom. Af en toe praat hij met zijn papa aan de telefoon. Ahmad doet dan alsof hij van op zijn ‘werk’ in Iran belt. ‘Ik weet nog niet wanneer, maar ooit kom ik terug naar huis’, zegt hij dan. Onze dochter weet wel wat er aan de hand is. Ook zij loopt gebukt onder de stress. We hadden het al zo vreselijk moeilijk en dan kwam die veroordeling tot de doodstraf in oktober vorig jaar er nog eens bovenop. In de maanden daarvoor was er nog een beetje hoop. ‘Misschien laten ze hem vrij.’ Dat doodvonnis sloeg al onze hoop aan diggelen.”

 _DSC0081

Wanneer hebt u uw man voor het laatst gehoord?

Mehrannia: “Hij belt me nu elke dag een paar minuten. Hij is er emotioneel zeer slecht aan toe. Hij is erg ziek en heeft dringend medische hulp nodig. Maar de gevangenisdirectie en de Iraanse overheid weigeren hem te helpen. De laatste weken is hij 25 kilo vermagerd; hij kan niet goed eten en klaagt over buikpijn. Als dokter herkent hij symptomen bij zichzelf waar hij zich grote zorgen over maakt. We hebben meermaals gevraagd om hem naar een ziekenhuis over te brengen, maar ze doen alsof ze onze smeekbeden niet horen. Het interesseert hen niet dat mijn man ernstig ziek is. Op dit moment zit hij in de Evin-gevangenis in Teheran, in de vleugel van de politieke gevangenen. Hij deelt de cel met advocaten en leraars. De leerkrachten zitten gevangen omwille van hun politieke overtuiging; de advocaten omdat ze het aangedurfd hebben burgers met ‘afwijkende meningen’ te verdedigen. De eerste drie maanden van zijn gevangenschap zat hij in een isolatiecel van twee op drie meter. Zeven maanden lang mocht hij geen advocaat raadplegen. Daarna kreeg hij van de autoriteiten te horen dat ze de advocaat die hij wou niet accepteerden. Hij stelde vervolgens een nieuwe advocaat voor, maar ook die werd niet aanvaard. Ze gaven daar geen enkele reden of verklaring voor. Ahmadreza ging twee keer in hongerstaking om zijn recht op verdediging af te dwingen: eerst 44 dagen en daarna nóg eens 44 dagen. Hij verloor bijna 27 kilo. Maar ze gaven geen duimbreed toe. Uiteindelijk koos hij meester Daryabeighi uit een lijst van advocaten die hem door de rechter werd voorgelegd. Die heeft vervolgens mijn man in eerste aanleg ‘verdedigd’.”

 

Dat was ook de advocaat die vergat’ om beroep aan te tekenen nadat uw man de doodstraf gekregen had?

Mehrannia: “Dat klopt. Daryabeighi wist dat Ahmadreza ter dood veroordeeld was, maar een week lang lichtte hij daar niemand over in. Ik kwam het toch te weten en belde hem. ‘Uw man heeft inderdaad vorige week de doodstraf gekregen.’ Ik vroeg hem waarom hij mij niets had laten weten. ‘Omdat ik ook van niets wist.’ Wat ik onmogelijk kan geloven.”

 

Uw man werd op 25 april 2016 gearresteerd op beschuldiging van spionage voor de Israëlische geheime dienst Mossad.

Mehrannia: “Ahmad ontkent alles. Ze hebben geen enkel bewijs op tafel gelegd om hun beschuldigingen te staven. Hij was naar Iran gereisd voor een workshop op uitnodiging van de universiteit van Teheran. Of die uitnodiging opgezet spel was om hem in de val te lokken? Nee, in de loop der jaren reisde hij vaak naar Iran, meestal op uitnodiging van dezelfde universiteit. Die bezoeken verliepen altijd vlekkeloos. Ahmadreza ging naar die workshops in Teheran als wetenschapper, als professor en dokter gespecialiseerd in de rampengeneeskunde. Soms nodigde hij ook collega’s uit van de Italiaanse universiteit waaraan hij verbonden is. Ze reisden dan samen naar Teheran. Een jaar eerder hadden ze dat nog gedaan.”

 

Was uw man politiek actief?

Mehrannia: “Nee, dat is hij nooit geweest. Die 25e april was hij op weg van Teheran naar de vijftig kilometer verder gelegen stad Karaj. Hij werd tegengehouden en gearresteerd door leden van de veiligheidsdiensten. Tien dagen lang wist ik niet wat er gebeurd was. Ik hoorde niets meer van hem of van iemand anders. Tot ik telefoon kreeg van zijn familie in Iran. ‘Ahmad is door de veiligheidsdiensten opgepakt.’ Dat kon alleen maar een vergissing zijn. ‘Binnenkort laten ze hem vrij’, dacht ik. Maar ze stopten hem in de isolatiecel. Zijn familie in Iran mocht hij elke week een paar minuten bellen; zijn gezin in Zweden elke maand drie minuten. Net genoeg tijd om hem te laten weten dat alles goed met ons ging, ook al voelde ik me ellendig. We wisten nooit wanneer hij precies zou bellen. Hij maakte zich ontzettend veel zorgen over ons, want ze hadden gezegd dat ze zijn kinderen hier in Stockholm zouden oppakken.”

 

Werd hij gefolterd?

Mehrannia: “Lichamelijk niet, mentaal wel. Ze dreigden er vaak mee dat ze hem standrechtelijk zouden executeren. Voor de verhoren werd hij middenin de nacht vanuit de gevangenis geblinddoekt naar een andere plek gevoerd. Op die momenten was hij doodsbang dat ze hem zouden terechtstellen. Tot vandaag wordt hij psychisch zwaar mishandeld. Ook ik ben aan het eind van mijn Latijn. Sinds april 2016 heb ik enkel slecht nieuws te verwerken gekregen. (zucht) Soms verlies ik alle hoop en heel af en toe flakkert die dan toch weer op, bijvoorbeeld door de steun die we krijgen van de vele mensen die via Amnesty International brieven naar de Iraanse overheid schrijven. Maar dan komt er weer een onheilstijding en zakt alle moed me opnieuw in de schoenen.”

 

Ahmadreza Djalali gaf les aan de European Master in Disaster Medicine van de universiteit van Piemonte Orientale en de VUB. Daardoor had hij overal ter wereld contacten, ook met Israëlische collega’s.

Mehrannia: “Hij kende een paar Israëliërs uit de cursus, maar zeker geen agenten van de Mossad. Zijn Iraanse ondervragers beschuldigden hem ervan rechtstreekse contacten te onderhouden met de Israëlische geheime dienst. Ahmad zou de Mossad geheime informatie over Iran bezorgd hebben. Dat is nonsens, want al wie in Iran toegang heeft tot top secret-informatie, krijgt nooit toestemming om het land te verlaten. Mijn man reisde talloze malen naar Iran en kon altijd probleemloos de grens weer over. Niet lang voor hij de laatste keer naar Iran vertrok, had hij een ontmoeting met een paar Europeanen die hier in Zweden een bedrijf hebben dat gespecialiseerd is in rampenmedicatie. Zij hebben hem toen gevraagd of hij hen inlichtingen over Iran kon verschaffen. ‘Ik heb helemaal geen informatie over mijn land’, zei hij tegen hen.”

 

Er zijn dus wel degelijk mensen die uw man als informant wilden engageren?

Mehrannia: “Ja, maar dat waren Europeanen in dienst van een Europese onderneming en geen Israëliërs. Ik ben er zeker van dat ze niet in opdracht van de Mossad handelden. Ahmad heeft dat ook tegen zijn ondervragers gezegd: ‘Ik heb die mensen nooit geheime informatie over Iran bezorgd.’”

 

Maar waarom pakten ze dan juist hem op, als hij politiek nooit actief geweest is en geen enkele toegang had tot gevoelige informatie?

Mehrannia: “Omdat ze een voorbeeld wilden stellen. Ze hebben een hele zaak tegen hem gefabriceerd, integraal samengesteld uit verzinsels. Ze waren een puzzel aan het leggen en zagen mijn man als het ontbrekende stukje. Ahmadreza werd er onder andere van beschuldigd de Mossad informatie te hebben bezorgd waarmee ze dodelijke aanslagen konden plegen tegen twee Iraanse nucleaire wetenschappers. Mijn man heeft daar niets mee te maken. Op 5 maart schreef de Amerikaanse website Politico dat een van de bazen van de Mossad in mei 2003 aan zijn collega’s een plan presenteerde om een paar Iraanse nucleaire wetenschappers uit te schakelen. Het ultieme doel was vermijden dat Iran een kernwapen zou kunnen bouwen. In 2003 leefde Ahmadreza in Iran. Hij was bij die vergadering dus niet aanwezig. De Iraanse veiligheidsdienst beweert ook dat hij vlak voor de aanslagen in 2010 contact had met de Israëli’s. Dat is een pertinente leugen. Mijn man is onschuldig.”

 

Hij legde op 17 december vorig jaar wel bekentenissen af op de Iraanse tv.

Mehrannia: “Nee. Hij had het over ‘sommige mensen’ die contact met hem gezocht hadden en die net als hij gespecialiseerd zijn in rampengeneeskunde. Precies zoals ik het u daarnet heb uitgelegd. De Iraniërs hebben die beelden vervolgens gemanipuleerd, waardoor het leek alsof hij bekende dat hij een spion voor de Mossad is. Ze lieten niet zien dat mijn man zei dat hij geweigerd had om informatie over Iran aan die Europeanen te geven. Ze hebben er ook stemmen van anderen tussen gemonteerd die zeggen dat hij collaboreerde met Israël en de Mossad informatie bezorgde. Maar hij had helemaal geen toegang tot geheime documenten. Ongeveer acht jaar geleden hebben we Iran verlaten om in Europa te gaan wonen en werken. Hoe zou hij dan de voorbije jaren toegang gehad moeten hebben tot al die supergeheime informatie? En hoe komt het dan dat hij nooit aan de grens werd tegengehouden?”

 

De bijnamen van de rechter waar uw man voor moest verschijnen, zijn ‘the hanging judge’ en ‘the judge of death’. Dat voorspelde niet veel goeds?

Mehrannia: “Rechter Abolqasem Salavati heeft in zijn carrière talloos veel mensen de dood ingejaagd. Sinds de revolutie zijn in Iran een recordaantal mensen veroordeeld tot de strop of tot een andere barbaarse vorm van executie. Ahmads terdoodveroordeling was voor ons een gruwelijke schok. Hij is een briljante wetenschappelijke onderzoeker die in zijn hele leven nooit iets heeft mispeuterd. Hij is geen misdadiger of spion en is ter dood veroordeeld voor iets wat hij nooit gedaan heeft. Ik kan echt niet geloven dat hij voor de Mossad gespioneerd zou hebben en de dood van twee wetenschappers op zijn geweten zou hebben. Niemand van onze familie houdt dat voor mogelijk.”

 

Is zijn familie in Iran bang dat hen iets zal overkomen?

Mehrannia: “Zeker. Zijn moeder is de enige die het aandurft om zijn zaak op de voet te volgen. Zijn broers en zussen zijn bang, houden zich afzijdig en laten zich informeren door zijn huidige advocaat. Dat is gelukkig niet langer de favoriete meester van rechter Salavati, maar de raadsman die Ahmadreza oorspronkelijk zelf wou. Een paar weken geleden reisde het Zweedse Europarlementslid Lars Adaktusson naar Teheran. Hij wou Ahmads advocaat ontmoeten, maar de veiligheidsdiensten wilden dat niet toestaan.”

 

Bent u bedreigd door de Iraanse veiligheidsdiensten?

Mehrannia: “Nee. Ze hebben me ook nooit gecontacteerd. Ik heb zelf verschillende brieven gestuurd naar de Iraanse president Rohani van wie gezegd wordt dat hij een hervormer is. Hij heeft nooit gereageerd. Ahmad heeft hem vanuit de gevangenis ook een brief gestuurd waarin hij alle valse beschuldigingen weerlegt. Hij stuurde ook brieven naar Iraanse parlementairen en naar het hoofd van de Iraanse geheime dienst. Iedereen zwijgt.”

 

Gelooft u dat de briefschrijfacties van Amnesty International een verschil kunnen maken?

_DSC0005

Mehrannia: “Ik ben al die mensen die brieven schrijven om Ahmad vrij te krijgen ontzettend dankbaar. Wat de Belgische en Italiaanse afdelingen van Amnesty International voor ons doen, is fenomenaal. Ik ben ook heel blij met de hulp en de steun voor mijn man vanuit de Europese Gemeenschap. Ik heb een brief gekregen van Federica Mogherini, de hoge vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken van de EU, nadat ik haar hulp gevraagd had. Ze schreef dat ze ons steunde en dat ze vragen zou stellen aan de Iraanse overheid. Tot hiertoe heeft dat niets opgeleverd. Een paar weken geleden kreeg ik hier in mijn huis bezoek van uw minister-president Geert Bourgeois. Hij was heel vriendelijk en begripvol. Hij beloofde me dat hij contact met me zou blijven houden en ons zou blijven steunen. Die blijvende internationale druk is van levensbelang. Ahmads zaak brengt nog maar eens voor het voetlicht dat het met de mensenrechten in Iran slecht gesteld is. Toen we er zelf nog leefden, hielden we ons afzijdig van de politiek. We hadden van niemand last en ik vond het dagelijkse leven best oké. Nu weet ik dat er in de Iraanse gevangenissen ontzettend veel mensen zitten die geen beroep mogen doen op een advocaat. Als het op mensenrechten aankomt, gaapt er een hemelsbrede kloof tussen Europa en Iran. Het recht op verdediging bestaat in mijn geboorteland niet en de rechters hebben er geen bewijzen nodig om iemand ter dood te veroordelen. In Europa is zoiets onmogelijk. Hier ben je onschuldig tot het tegendeel bewezen wordt. In Iran ben je schuldig van zodra ze met de vinger naar je wijzen.”

 

 

Al dan niet vermeende spionnen zijn soms onderdeel van een gevangenenruil. Is dat een mogelijke uitweg?

Mehrannia: “In het verleden is er al zo’n gevangenenruil geweest. Begin 2016 maakten de VS en Iran een deal om vier door Iran gevangen genomen Amerikaanse staatsburgers te ruilen voor zeven gearresteerde Iraniërs. De internationale aanklachten tegen 14 andere werden ingetrokken. Wij zijn sinds kort Zweeds staatsburger, maar Zweden heeft jammer genoeg geen Iraniërs in de gevangenis zitten die geruild kunnen worden met mijn man. Ik heb ondertussen wel gehoord dat er ergens in Europa Iraniërs gevangen zitten, alleen weet ik nog niet waar. Ik stel mijn hoop nu op de Europarlementariërs. Misschien kunnen zij die mensen traceren en onderhandelingen over een ruil opstarten.”

 

Kan het Zweedse staatsburgerschap dat uw man op 17 februari kreeg, helpen om hem vrij te krijgen?

Mehrannia: “Er bestaat een groot misverstand over dat staatsburgerschap: hij heeft dat niet gekregen van de Zweedse regering als reactie op zijn veroordeling. Het is hem toegekend door de Zweedse immigratiedienst. We hadden onze vraag om Zweeds staatsburger te worden al een hele tijd eerder ingediend. We hebben de administratieve weg afgelegd, net als elke andere immigrant die Zweed wil worden. Het is toeval dat we de nationaliteit nu gekregen hebben.

“Ahmads advocaat heeft een verzoek ingediend voor een nieuw beroep. Of het aanvaard wordt, hangt af van de goodwill van het hooggerechtshof. Iran heeft verschillende hooggerechtshoven en de advocaat klopte al twee keer bij andere hoven aan, waar de rechters telkens de doodstraf bevestigden. We hopen dat het hof deze keer Ahmads zaak echt ernstig onder de loep neemt, maar misschien is dat wishful thinking. Toen het hooggerechtshof de eerste keer Ahmads doodstraf bekrachtigde, was ik twee weken out. Ik sleepte me door de dag en de nacht. Maar diep vanbinnen knaagde het besef dat ik mijn kinderen en mijn man niet in de steek kon laten. Dus verplichtte ik mezelf om verder te gaan. Ik krijg veel steun, maar sta toch overal alleen voor. Mijn man zit ver weg in die gevangenis en ik leef in Stockholm als een vreemdeling. Behalve mijn twee kinderen heb ik hier geen familie. Geen broer, zus, moeder of vader bij wie ik steun kan zoeken. Al mijn familieleden wonen in Iran en zijn doodsbang. Ik maak me dus ook nog eens zorgen over hen. Ik ben nu de enige die zorg draagt voor onze kinderen. Maar ik voel me psychisch niet goed en elke keer als er slecht nieuws uit Iran komt, zink ik nog dieper. Toen mijn man me de allereerste keer belde, kon ik hem bijna niet verstaan. Hij klonk zo zwak. Hij heeft nu boeken gekregen, maar lezen lukt hem niet, want ook hij zit emotioneel helemaal aan de grond. Het enige waar hij aan kan denken, is: ‘Hoe geraak ik uit de gevangenis?’ In onze telefoongesprekken begint hij altijd over hetzelfde: ‘Spreek zoveel mogelijk politici aan. Misschien kunnen zij me redden.’”

 

Houdt u er rekening mee dat jullie telefoongesprekken worden afgeluisterd?

Mehrannia: “Ja. Ik let dan ook altijd heel goed op wat ik tegen hem zeg. Want ze kunnen wraak nemen en hem terug in de isolatiecel gooien. Hij mag enkel naar mij bellen, naar een paar andere naaste familieleden en naar zijn advocaat. Ik heb hem verteld over de briefschrijfacties en over de steun uit België en andere Europese landen. Dat doet hem deugd. Zonder die internationale steun was hij al lang dood. Ze weten dat de wereld toekijkt. Zolang de ogen van de internationale gemeenschap op Ahmadreza gericht zijn, zullen ze hem misschien niet executeren. Normaal gezien krijgt een terdoodveroordeelde meteen een executiedatum. Ahmad heeft die nooit gekregen. Dat is geen teken van hoop, maar wil eerder zeggen dat ze afwachten tot de internationale steun afzwakt. Ik ben bang dat ze hem in stilte zullen doden van zodra de aandacht afneemt. De recente Iraanse geschiedenis leert me dat het zo werkt. Van zodra de internationale gemeenschap zwijgt, treedt de beul in actie.

“Elke dag schiet de gedachte door mijn hoofd: ‘Misschien laten ze hem binnenkort gaan en komt hij straks terug naar huis. Wie weet vandaag.’ Ik wil dat blijven geloven en klamp me daar aan vast. Ik kan niet aanvaarden dat onze kinderen hun papa nooit meer zullen zien.”

_DSC0037

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

‘Ik was verzoend met mijn naderende dood’

Op 15 december 2014 werd de Koerdische journalist Masoud Aqil in Syrië ontvoerd door IS-strijders. 280 dagen lang werd hij gefolterd. Hij kwam vrij bij een gevangenenruil. ‘Als ik een westerling geweest was, hadden ze me voor een videocamera onthoofd.’

 

Negen maanden lang was journalist Masoud Aqil de gevangene van de Islamitische Staat (IS). ‘Elke vrijdag na het gebed schoten ze een paar gevangenen dood’, zegt hij. ‘Ik hoorde de knallen in mijn cel. Na afloop dwongen ze me om naar de executies te kijken op hun telefoon. “Jou zullen we levend verbranden”, dreigden ze.’

Vandaag woont Aqil in een stad in Duitsland waar hij een paar maanden na zijn gevangenschap naartoe vluchtte. ‘Niemand mag weten waar precies.’ Want tot vandaag is hij bang voor represailles van jihadisten. ‘Er lopen nog te veel IS-sympathisanten in Europa rond. Dat heb ik de voorbije jaren zelf kunnen vaststellen.’ Over zijn kidnapping, gevangenschap, vlucht en samenwerking als informant voor de Duitse politie, schreef hij het boek De jongen die tegen IS strijdt. ‘Ik schreef het in de eerste plaats omdat ik nooit meer zou moeten praten over de martelingen die ik moest ondergaan’, fluistert hij bijna. ‘Het blijft verschrikkelijk lastig om te vertellen wat er precies gebeurd is. Herinneringen ophalen aan mijn beulen werkt allesbehalve therapeutisch. Integendeel, in dat verleden blijven roeren, vernietigt me.’

 

U werkte als journalist in Syrië?

Masoud Aqil: Ik was alleen actief in het Koerdische gebied, in het noorden van Syrië. Ik werkte er voor het Koerdische mediabedrijf Rudaw dat opereert vanuit de Noord-Iraakse stad Erbil. Ik ben geboren en getogen in de Noord-Syrische stad Kamishli, Qamishlo in het Koerdisch. Samen met mijn collega Farhad Hamo werd ik door IS-strijders ontvoerd op 15 december 2014, toen we op weg waren naar het dorpje Tal Alo om er sjeik Mehdi Daham al-Hadi in zijn versterkt hoofdkwartier te gaan interviewen. Hadi is een belangrijke figuur in de Arabische wereld. Hij is vice-gouverneur van het district Al-Hasakah en was zeer actief in de strijd tegen de IS. Eind 2014 had de terreurgroep heel wat grote steden in Noord-Irak in handen, maar wij hadden niet in de gaten dat ze ook in onze streek geïnfiltreerd waren. Toen we op die ochtend in december in onze auto stapten, wisten we niet dat de IS de snelweg controleerde. Ze stonden in het midden van de weg met hun machinegeweren in de aanslag. We probeerden hen eerst nog wijs te maken dat we arbeiders waren, op weg naar de olieraffinaderijen, maar daar trapten ze niet in. Ze zagen onze opnameapparatuur met het logo van de tv-zender en zo wisten ze dat we journalisten waren. Ze waren met een man of zes, allemaal gemaskerd, zwaarbewapend, in een Toyota-pick-up. Wij hadden ook meteen door dat het IS-strijders waren.

 

Sloeg u in paniek?

Aqil: Het kan misschien raar klinken, maar op dat moment voelde ik helemaal niets. Ik zag het gebeuren en keek ernaar alsof ik een toeschouwer was van mijn eigen ontvoering. Eerder dat jaar had ik de ontvoeringen en onthoofdingen van James Foley en Steven Sotloff gevolgd op tv. Ik wist perfect hoe de IS ontvoerde journalisten behandelde, maar ik had nooit gedacht dat ik zelf de hoofdrol in hun crimineel toneelstuk zou moeten spelen. Ik besefte dat ik de toestand niet meer meester was en nam me meteen voor dat ik de controle over mezelf niet mocht verliezen. Die strategie heeft me door de rest van mijn gevangenschap geholpen. 280 dagen lang had ik mezelf onder controle en bleef ik kalm, ondanks alles wat ze me aandeden.

 

Want u werd gefolterd?

Aqil: Ja. Dat overkomt trouwens iedereen die in het Midden-Oosten ontvoerd of gearresteerd wordt. Om het even wie je oppakt, een reeks martelsessies krijg je er altijd gratis bovenop. Folteren was niet iets typisch voor de Islamitische Staat, het is een standaardbehandeling van zowel politie, leger als alle mogelijke rebellengroepen. De marteltechnieken die de IS op mij toepaste, hebben ze geleerd van het Syrische regime en van Saddam Hoessein. Van zodra ze ons pad kruisten, wist ik dat ik gefolterd zou worden. Het bizarre is dat zij de schijn hoog hielden en de inwoners van hun hoofdstad Raqqa probeerden wijs te maken dat ze gevangenen zoals wij goed behandelden. Ze hielden ons daar vast in hun centrale gevangenis, bijgenaamd het ‘Zwarte Stadion’. Het was er levensgevaarlijk: je kon er ofwel elk moment afgemaakt worden door een IS-terrorist, ofwel de dood vinden in een bombardement van de Coalitie.

Mijn folteraars schiepen er een waar genoegen in om me op te hangen aan metalen kettingen en af te rossen met metalen staven. Ze gedroegen zich als volbloedsadisten. Soms had ik geluk en gebruikten ze plastieken of houten stokken. Ze wisten elke plek op mijn lichaam te raken en sloegen me op het hoofd. Sommige medegevangenen werden voor mijn ogen gefolterd met elektrische stroom. (stilte)

 

Wat wilden ze van u?

Aqil: Niets. Op dat moment wisten ze eigenlijk alles van mij. Ze hadden mijn smartphone, laptop en externe harde schijven uitgevlooid. Het martelen diende niet om meer te weten te komen, maar enkel om me te vernederen en wraak op mij te nemen. Ze wisten dat ik hun gedachtegoed verafschuwde. ‘We folteren je omdat je ons haat.’ In de tweede week van onze ontvoering moesten we voor de shariarechtbank verschijnen. Farhad en ikzelf werden veroordeeld tot de doodstraf door onthoofding. Vanaf dan begon ik elke seconde te tellen. Ik was er rotsvast van overtuigd dat ik aan mijn laatste uren op aarde bezig was. Ik kende niet alleen het gruwelijke einde van Foley en Sotloff, maar ook dat van hulpverleners David Haines, Alan Henning en Peter Kassig. Ik probeerde kalm te blijven en me te schikken in mijn lot.

 

U bent geen gelovig man?

Aqil: Nee, ik ben atheïst. Het klinkt misschien raar, maar dat hielp me om te aanvaarden wat me te wachten stond. Ik hoopte niet wanhopig op God die me ter hulp zou snellen en was verzoend met mijn nakende dood. Als ik een westerse journalist geweest was, had u zo goed als zeker in 2015 mijn onthoofding in de woestijn kunnen meemaken op een IS-propagandafilm. Mijn leven is gered omdat ik een Koerd ben. Het Koerdische leger viel de door de IS veroverde steden aan, boekte resultaat en nam honderden IS-strijders gevangen. Door onze Koerdische origine werden Farhad en ikzelf interessante ruilwaar voor de IS. Op 20 september 2015 werd ik geruild voor een paar IS-strijders en kwam ik in handen van de Koerdische YPG. Een dag later was ik herenigd met mijn familie. Farhad werd een paar weken later vrijgelaten.

 

Wat voor mensen waren de IS-strijders die u gevangen hielden?

Aqil: Eerst en vooral: er bestond niet zoiets als ‘de IS’. Er waren verschillende Islamitische Staten. De IS uit Irak verschilde nogal van die in Syrië. De Iraakse IS-terroristen waren veel gewelddadiger dan hun Syrische broeders. In Irak woedde er oorlog sinds de invasie van de Amerikanen in 2003. Duizenden gestaalde jihadisten verhuisden van Afghanistan naar Irak om daar hun heilige oorlog verder te zetten. De IS startte eerst in Irak en werd pas later in Syrië actief. De Syrische tak van de IS bestond uit verschillende gemeenschappen. Je had de Europeanen die samenklitten, de IS-leden die in Syrië gerekruteerd waren en de IS-strijders die uit de landen kwamen tussen Turkije en Rusland: Tadzjikistan, Oezbekistan en Kazakhstan. Ze hadden allemaal een verschillende achtergrond, maar over één ding waren ze het roerend eens: al wie tegen hen was, verdiende de dood. Ze waren er heilig van overtuigd dat God hen geschapen had om de ongelovigen te terroriseren en af te slachten. De overgrote meerderheid was naïef en idioot. Er zat niets in hun hoofd; de radicale imams vulden het met de grootst mogelijke onzin. De Europeanen waren van een ander kaliber. Sommigen onder hen hadden zich bekeerd en ontpopten zich tot de radicaalsten onder de radicalen. Een aantal had ook gestudeerd. Zij moordden niet eigenhandig, maar tekenden de moordplannen uit. Tijdens mijn gevangenschap kon ik gesprekken volgen tussen mijn bewakers. Ze hadden het verschillende keren vol bewondering over die masterminds uit Europa.

 

Voerde u zelf gesprekken met hen?

Aqil: Ja, tijdens mijn gevangenschap sprak ik met meer dan veertig van die gasten. Vaak waren dat griezelig normale gesprekken. Veel van mijn medegevangenen waren trouwens ooit zelf ook IS-lid. Een van de grote risico’s van het lidmaatschap van de IS, was dat je razendsnel bij je medebroeders in ongenade kon vallen. Waarna je in de gevangenis terechtkwam bij ontvoerde journalisten zoals wij. De IS voerde dus niet alleen terreur tegen de buitenwereld, maar ook tegen zijn eigen mensen. Ze vraten elkaar op. Het was zonneklaar dat hun kalifaat geen lang leven beschoren zou zijn. Ondertussen hebben ze wel heel keurig het doel van de Syrische president Assad gediend.

 

Hoe bedoelt u?

Aqil: Ik ben ervan overtuigd dat Assad de IS mee heeft gecreëerd, of op zijn minst groot heeft helpen maken. Met hun georchestreerde wreedheden zogen ze wereldwijd alle aandacht naar zich toe en ondertussen kon Assad rustig zijn gang gaan. Maar niet alleen de Syrische president trok aan de touwtjes: zijn Turkse evenknie Recep Tayyip Erdogan en de regimes van Saudi-Arabië en Qatar hebben evenveel boter op hun hoofd. Zij zagen alleen maar voordelen aan het kalifaat. Wist u dat Assad in het begin van de zogenaamde Syrische revolutie duizenden jihadistische salafisten uit zijn gevangenissen vrijliet, ook al lustten zij hem als sjiitische alawiet rauw? Die ex-gevangenen stonden aan de basis van talloze extremistische en jihadistische rebellengroeperingen. Assad gaf het jihadisme een extra boost en hoopte zo zijn eigen hachje te redden. De gewone Syrische burgers hadden snel genoeg van die door jihadterreur verziekte revolutie. Ze smeekten hun dictator bijna om de gekken van God te lijf te gaan. Het cynisme werd ten top gedreven door Erdogan die op slinkse wijze IS-strijders steunde en bevoorraadde.

 

De Brit Mike Rosa vocht in 2015 aan de zijde van de Koerdische YPG tegen de IS aan het front in Sinjar. Hij beweerde achteraf dat hij bewijzen gezien had van Turkse gespecialiseerde troepen die aan de zijde van IS-strijders opereerden.

Aqil: Ik heb die Turkse elitesoldaten ook gezien. Sky News heeft zelfs gefilmd hoe Turkse soldaten en IS-strijders met elkaar verbroederden. Erdogan heeft de IS aan zijn grens nooit iets in de weg gelegd. Geen kogel heeft hij naar hen laten afvuren. Tegen de Koerden daarentegen trekt hij wel ten strijde. Hij noemt ons allemaal PKK-terroristen en geeft zichzelf zo een vrijgeleide om ons op te jagen. Als hij de PKK wil bestrijden, moet hij dat in zijn eigen land doen en niet in Syrië. Maar nee, veel liever trekt hij de grens over om dood en vernieling te zaaien in de Koerdische enclave Afrin. Die hele bloedige oorlog lang al schept Erdogan er een duivels genoegen in om de extremistische soennitische krachten in Syrië te voeden. Zo voert hij zijn persoonlijke vendetta tegen die andere dictator Assad en rekent hij af met de Koerden. Ondertussen laat de internationale gemeenschap Syrië aan zijn lot over. Zeven jaar lang al kijkt ze toe hoe het land naar de verdoemenis gaat. Ze richtten hun focus op de IS en al de rest kon hen gestolen worden. Ze volgden zo blindelings de strategie van Assad. Ik voorspel dat het niet lang meer zal duren voor de leiders van àlle landen binnenkort handjes zullen schudden met de Syrische dictator. Ze zullen hem zien als enige ‘stabiele’ factor in die poel van ellende. Ze vergeten dat hij die poel zelf veroorzaakt heeft en dat hij er niet voor zal terugdeinzen om in de toekomst de boel terug in de fik te steken.

 

Na uw vrijlating vluchtte u naar Duitsland. Waarom?

Aqil: Ikzelf wou liever in Syrië blijven, ook al was er die niet aflatende dreiging van de Islamitische Staat. Een volksverhuizing van Syrië en Irak naar het Westen kan nooit een oplossing zijn. Ik wou blijven, maar mijn ouders waren zo van de kaart door mijn ontvoering dat zij weg wilden. Hun kinderen moesten in veiligheid gebracht worden. Ik zag hun angst en heb hun beslissing om te vertrekken gerespecteerd. Na alles wat ze meegemaakt hadden, kon ik hen niet dwingen om te blijven. Op 20 december 2015 vertrokken we en sinds die dag heb ik me in mijn hoofd geen moment meer op mijn gemak gevoeld. Als vluchteling voel ik me de speelbal van politici zoals Erdogan. De Turkse president heeft ons meermaals misbruikt om Europa te chanteren. Vluchtelingen werden voorgesteld als gevaarlijke extremisten die hij in ruil voor 6 miljard euro zou tegenhouden. Sindsdien zijn vluchtelingen zijn pasmunt om zijn zin te krijgen. Ik word daar misselijk van. Ik woon nu in het noorden van Duitsland en ik voel hoe veel Duitse burgers mij en andere vluchtelingen haten. De spandoeken met ‘Welcome refugees’ zijn in heel Europa al lang opgeborgen. De dag dat de oorlog in Syrië echt stopt, keer ik terug naar huis. Mijn familie is uitgeput en leeft versnipperd over Europa. Moest ik alleen zijn op de wereld, zou ik me misschien makkelijker kunnen aanpassen aan Duitsland. Maar nu voel ik me verscheurd. Ik mag het contact met mijn broers en zussen niet verliezen, want dan ben ik totaal verloren.

 

Toen u in Duitsland arriveerde, liep u gevluchte IS-aanhangers tegen het lijf.

Aqil: Een bevriende journalist vertelde me over een man die hij in een asielcentrum ergens in Europa ontmoet had. Die kerel bleek bij mij in de IS-gevangenis gezeten te hebben. Hij was zogezegd bij zijn IS-makkers in ongenade gevallen, maar ik ben er zo goed als zeker van dat ze hem in mijn cel geplaatst hadden om me te bespioneren. Hij heeft het bloed van veel onschuldige burgers aan zijn handen en kreeg later in dat West-Europese land toch asiel. Hij schopte het er zelfs tot imam. Hoe hij heet en waar hij zijn ‘zendelingenwerk’ verricht, mag ik u helaas niet zeggen, maar ik maak me daar zeer veel zorgen over.

 

De Duits-Pakistaanse journalist Shams Ul-Haq ging in 2016 undercover in verschillende Duitse asielcentra. Volgens hem kwam hij er talloze malen in contact met sleepers van de IS, IS-strijders die in de vluchtelingenstroom geïnfiltreerd waren.

Aqil: U mag hem gerust geloven. Mohammed Daleel, de dader van de aanslag in Ansbach op 24 juli 2016, kwam uit Syrië. Hij ‘vluchtte’ in 2013 naar Duitsland, nadat hij voor IS in Irak had gevochten. De Duitse politie heeft de voorbije jaren trouwens verschillende leden van slapende IS-cellen opgepakt. Dat waren vaak mensen die zich in Syrië of Irak aan oorlogsmisdaden schuldig gemaakt hadden en in Duitsland asiel aanvroegen. Ik heb als journalist nogal goede contacten met verschillende mensen binnen de Koerdische strijdkrachten. Zij hebben 1.500 IS-leden in hun gevangenissen zitten en verzamelden zo de voorbije jaren heel wat interessante informatie. Ik had daar toegang toe en kon zo namen plakken op heel wat gezichten die ik later tegenkwam. In 2016 en 2017 legde ik een database aan van verdachte figuren. Dat was mijn bijdrage aan de strijd tegen de IS. Op dat moment vervelde ik van journalist tot activist, omdat ik hartstochtelijk wou dat de IS totaal verslagen werd. Want ik geloofde dat zij aan de basis lagen van alle ellende in mijn land. Ondertussen heb ik moeten vaststellen dat ik me daarin schromelijk vergist heb. We hebben één club extremisten opgeruimd, maar nu blijkt dat al die zogenaamd gematigde rebellengroepen geen haar beter zijn. Ze kregen jarenlang steun van Erdogan en gesofisticeerd wapentuig van de Amerikanen en blijken nu minstens even radicaal én jihadistisch te zijn als de IS. Het grote probleem met de door de islam gestuurde verzetsgroepen, is dat de lijn tussen ‘gematigd’ en ‘radicaal’ flinterdun is. Alles hangt af van de boodschappen die hun imams de wereld insturen. De Amerikanen hebben geen enkel inzicht in wat er zich op het terrein afspeelt. Dat was zo al onder president Obama en is onder Trump geen sikkepit veranderd. Het kalifaat is ingestort, maar het moorden en onthoofden gaat gewoon verder. Uit het puin van het kalifaat zijn ondertussen tien nieuwe IS-varianten opgestaan. De ene nóg radicaler dan de andere. De enige manier om ze te stoppen, is Erdogan een halt toeroepen.

 

Hoor ik nu de Koerdische activist spreken?

Aqil: Toch niet. Ik heb het helemaal niet over de Koerdische kwestie, maar over het stoppen van de radicale islam. Europeanen onderschatten Turkije én Saudi-Arabië. Al jarenlang sturen die twee landen handenvol geld naar Europa voor de bouw van moskeeën en de opleiding van imams. Gelooft u echt dat ze dat doen om de plaatselijke gemeenschappen vooruit te helpen? Denkt u dat ze zo de vluchtelingen een hart onder de riem willen steken of de Europeanen een helpende hand reiken? Nee, ze willen de vluchtelingen en migranten vervreemden van het Westen en van de democratie. Wij zijn naar Europa gevlucht omdat we genoeg hadden van de moskeeën. We verlangen naar universiteiten, gezondheidszorg, werk en vrijheid. Moskeeën en imams kunnen ons gestolen worden.

 

Masoud Aqil

  • 1993 geboren in Kamishli, Syrië
  • 2014 wordt ontvoerd door de IS terwijl hij als journalist aan het werk is voor het Koerdische mediabedrijf Rudaw
  • 2015 komt na 280 dagen vrij en vlucht naar Duitsland
  • 2016-2017 helpt de Duitse politie bij het opsporen van gevluchte IS-leden
  • 2018 bereidt zich voor op een opleiding aan een Duitse universiteit

 

Masoud Aqil, De jongen die tegen IS strijdt, HarperCollins, 320 blz., 17,99 euro

(c) Jan Stevens

“In Europa hoorde ik extremere dingen dan op de weg naar Mekka”

Van mei 2016 tot september 2017 reisde Jan Leyers door Europa, op zoek naar het gezicht van de islam in het Avondland. Na de bejubelde tv- reeks Allah in Europa die eind vorig jaar door Canvas werd uitgezonden, is er nu het gelijknamige boek, met als ondertitel: Het reisverhaal van een ongelovige. “Ik wou achteraf niet als verwijt krijgen: ‘O, maar hij kijkt als seculiere westerling naar de islam in Europa.’ Natuurlijk kijk ik door die bril; ik bén dan ook een seculiere westerling.”

 

“In een boek kun je een veel ruimer register bespelen dan in een tv-reeks”, zegt muzikant, filosoof, tv-maker en schrijver Jan Leyers. “Op tv kun je maar laten zien wat de camera heeft geregistreerd. Maar veel interessante dingen spelen zich achter de camera af, of op momenten dat hij uitstaat. Onderweg maak ik aantekeningen en schrijf ik indrukken neer; het echte uitschrijven is voor achteraf. Dan weef ik al die gesprekken en ontmoetingen samen met mijn bedenkingen aaneen tot een verhaal. Reizen voelt als grazen, schrijven is herkauwen en er vervolgens melk van brouwen.”

 

Met wat de laatste tien jaar over de islam verschenen is, kunnen we heel dit café waar wij nu zitten, vullen. Wat onderscheidt Allah in Europa van al de rest?

Jan Leyers: “Mijn boek toont dingen die je nergens anders te zien krijgt. Over moslims in Europa bestaan heel wat statistieken en tabellen, de neerslag van weldoordachte antwoorden op weldoordachte vragen. Maar als je écht wilt weten hoe moslims in Europa zich voelen en wat er in hun hoofden en harten omgaat, volstaan die statistieken niet. Dan moet je ook weten wat mensen zich op onbewaakte momenten laten ontvallen. In zo’n uitspraken vertelt iemand vaak meer over zichzelf dan in antwoorden op vragen als: ‘Voelt u wel of niet sympathie voor Islamitische Staat?’ Ik herinner me zo’n moment in Hongarije, waar we te gast waren op een moslimzomerkamp in de poesta. Hongaarse moslims, jong en oud, brachten er een week door in een bungalowpark bij een meer. We mochten er een hele dag filmen. In de eetzaal zaten mannen en vrouwen aan aparte tafels. Onze cameraman maakte een paar shots van de mannen. Daarna draaide hij zijn camera naar een tafel waar zes vrouwen koffie zaten te drinken. Plots riep een man achter ons: ‘Don’t film the women!’ Op een toon alsof die vrouwen zijn eigendom waren. Kijk, als iemand zegt dat je zijn schilderijen of zijn parkieten niet mag filmen, dan heb ik daar begrip voor. Maar vrouwen kunnen daar toch zelf over beslissen? Wat me nog het meest verbijsterde, was dat geen enkele van die vrouwen tegen die man protesteerde. Van zo’n scène steek ik meer op dan van de gemiddelde cijfertabel.”

 

Zou het een ander boek geworden zijn als u in uw eentje door Europa gereisd had, in plaats van met een ploeg van vijf mensen?

“Mensen veranderen als er een camera in de buurt is; het zou dus wel degelijk een ander verhaal geworden zijn. Terzelfdertijd is de camera ook een goede barometer. In de Arabische wereld weet je zonder camera nooit zeker of mensen vrijuit kunnen praten. In een hoekje in een theehuis zullen ze je alles vertellen wat op hun lever ligt. Als je dan vraagt: ‘Durf je dit ook voor een camera te zeggen?’, weet je meteen hoe het met de vrijheid van meningsuiting in hun land gesteld is. Het antwoord is meestal: ‘Neen.’

“Ik heb op deze reis door Europa extremere dingen gehoord dan tien jaar geleden op mijn weg naar Mekka. Omdat je in Europa wel hardop kunt zeggen wat je wilt. Ik heb Britse Korangeleerden zonder blikken of blozen de doodstraf voor geloofsafvalligen horen verdedigen. ‘In een islamitisch land is dat hetzelfde als wat hoogverraad voor jullie is’, zeggen ze. ‘Je krijgt de kans om tot inkeer te komen, maar als je volhardt in de boosheid, betekent dat het einde. Net zoals voor een westerling die hoogverraad pleegt.’ In Londen voerde ik zo’n discussie met sjeik Haitham al-Haddad, die voorzitter is van een zogenaamde shariaraad. Het verschil tussen zijn denkwereld en de mijne kan ik nog het best samenvatten als: twee verschillende vormen van wiskunde met elk hun eigen axioma’s. Een gedachtewisseling is mogelijk, maar een debat is onmogelijk. Dat is zoals voetballen tegen een basketploeg.”

 

Wij, seculiere westerlingen, zien onszelf als de norm. Volgens een studie van het Amerikaanse PEW Research Center uit 2010 identificeren wereldwijd 8 op de tien mensen zich met een of andere religie. De overgrote meerderheid op deze planeet lijkt onze norm dus niet te delen.

“Het klopt dat we onszelf als norm zien. Wij geloven in de rede en aanvaarden geen normen die niet door de rede kunnen worden gestaafd. Dat verschilt radicaal van degene die gelooft dat God tot de mens gesproken heeft en in een boek gedicteerd heeft aan welke wetten wij ons dienen te houden. Voor een seculiere westerling is dat moeilijk te aanvaarden. Op een bepaald moment moet je toch duidelijk stellen: hier wordt de wet niet door God bepaald, maar door de parlementaire democratie. Een fundamentalistische gelovige krijg je daar niet van overtuigd. Hij zal zich daar goedschiks of kwaadschiks bij moeten neerleggen.”

 

Wat niet altijd gebeurt.

“Heel zeker. In Nederland maakte ik kennis met Okay Pala, de lokale woordvoerder van Hizb ut-Tahrir, Arabisch voor de Partij van de Bevrijding. Het streefdoel van die wereldwijd actieve radicaal-islamitische organisatie is naar eigen zeggen de hele mensheid doen inzien dat de islam de door God voorgeschreven levenswijze is en de enige weg naar geluk. Hizb ut-Tahrir is in veel landen verboden. Onze liberale democratie kan volgens hen op geen enkele wijze concurreren met God. Pala en zijn geloofsbroeders noemen de liberale democratie een ‘toevallig historisch compromis’, een ‘idee zonder bewijs’, terwijl de wetten van God er voor eeuwig zijn. Als iemand zoiets tegen je zegt, kun je zelfs niet aan een discussie beginnen. De uitgangspunten zijn te verschillend.”

 

U positioneert zich als ongelovige. ‘Het reisverhaal van een ongelovige’ lees ik op het omslag van uw boek.

“Ik wou van bij de start duidelijk stellen: de reiziger is een westerling die door een seculiere bril naar de werkelijkheid kijkt. Ik wou achteraf niet als verwijt krijgen: ‘O, maar hij kijkt als seculiere westerling naar de islam in Europa.’ Natuurlijk kijk ik door die bril; ik bén dan ook een seculiere westerling. Ik groeide op in de jaren zeventig, was er net als iedereen in die tijd van overtuigd dat religie een aflopende zaak was en zie vandaag verbaasd aan hoe het opperwezen opnieuw terrein herovert.”

 

U beschrijft hoe u eind jaren zestig op uw elfde door uw verknochtheid aan The Beatles voorgoed van uw geloof afviel, toen de onderpastoor het over God als liefde had en zei: ‘Ik heb het niet over de love, love, love waar die mannen van The Beatles tegenwoordig over zingen.’

“Dat was tijdens een catecheseles ter voorbereiding van onze plechtige communie. Als het ging tussen John Lennon en de geur van de kazuifel van onderpastoor Lauryssens was mijn keuze snel gemaakt. (lacht) Ik besef tegelijk dat ik denk zoals ik denk omdat ik toevallig op deze plek en in deze tijd geboren ben. We geloven allemaal graag dat we belangrijke keuzes in ons leven beredeneerd maken. Ik twijfel daaraan. Onze zogenaamd rationele keuzes zijn vaak esthetische voorkeuren: we kiezen voor een universum waar we affiniteit voor voelen. Als tiener was dat voor mij de freedom van de jaren zestig en zeventig, het breken met God en gebod, het onbegrensde experimenteren. Tieners van nu kiezen ook hun ‘esthetisch pakket’; The Beatles hebben ze misschien ingeruild voor hiphop. Je zou eens moeten navragen hoeveel mensen in hun jeugd op hun kamer een vergelijkende studie van de godsdiensten gemaakt hebben: ‘Zou ik nu voor het christendom kiezen of voor de islam?’ Zo werkt dat niet. Elke mens is een kind van zijn cultuur.”

 

Onze samenleving is gediversifieerd. Mensen met ‘esthetische pakketten’ waar wij de finesses niet van snappen, zijn onze buren geworden. Sommige van uw en mijn generatiegenoten die het ‘monoculturele’ Vlaanderen nog meegemaakt hebben, voelen zich vervreemd en ervaren een godsdienst zoals de islam als een bedreiging.

“We hebben moslims als buren gekregen en kijken met verbazing naar dat hele pakket aan islamitische regels dat zij met zich meebrachten. We vinden het onwaarschijnlijk dat iemand zich door zijn religie laat dicteren wat er op zijn bord ligt. Want de regels van de islamitische religie bepalen zowat alle aspecten van het leven. Mensen die het katholicisme in de jaren vijftig en zestig meemaakten, klagen soms over de rigiditeit, maar in vergelijking met een moslim werd je als katholiek met rust gelaten. Er waren geen voorschriften over wat je wel of niet mocht eten en de lengte van je broek werd niet door de pastoor bepaald. De islam is meer dan een godsdienst: het is ook een maatschappijordening. Wat niet wil zeggen dat alle moslims daarin meegaan, maar dat framework is er wel.”

 

Het huis van de islam heeft toch vele kamers, van vredelievende, tolerante soefi’s tot strenge, onverzoenlijke salafisten?

“Dat is zo, en op mijn reis door Europa heb ik ook met vertegenwoordigers van al die verschillende strekkingen kennisgemaakt. In essentie gaat het over het conflict tussen het volgen van de wet en het volgen van je hart. En dat conflict hebben we in het verleden ook in het christendom meegemaakt. Mijn vrouw las me gisteravond een stukje voor uit een biografie van Johannes Calvijn, de grondlegger van het protestants-christelijke calvinisme. We zitten dan in het Genève van de zestiende eeuw. Calvijn verbood er alle muziek en feesten. Plezier maken was uit den boze. Mannen werden gestraft als ze durfden te glimlachen tijdens de doop van hun kind. Schrap de naam Calvijn in de tekst en het is alsof het over een salafistische gemeenschap gaat. In Nederland woedt nu een grote rel die het diepe conflict tussen liberale moslims en hardliners perfect samenvat: de Haagse salafistische imam Fawaz Jneid bestempelde  de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb tot een ‘vijand van de islam’ en ‘een afvallige’. Omdat Aboutaleb te liberaal is en bijvoorbeeld weigerde om de Mohammedcartoons te veroordelen. Daar is veel beroering rond omdat ‘afvallige’ uit de mond van een salafist als een doodvonnis klinkt.”

 

Van Dirk Verhofstadt en Paul Cliteur verscheen onlangs het boek In naam van God, over wat zij het theoterrorisme, terreuraanslagen in naam van God, noemen. Verhofstadt pleit ervoor om het salafisme te verbieden. Volgens hem zijn we te lang te tolerant geweest voor de intoleranten.

“De vraag is: wat ga je precies verbieden? Een salafist is iemand die probeert te leven zoals de profeet en diens eerste gezellen. Ga je dat verbieden? Sommige van die jongens poetsen hun tanden met twijgjes of miswaks, zoals dat in de zevende eeuw de gewoonte was. Moeten miswaks verboden worden?”

 

Het gaat natuurlijk niet over twijgjes of een baard zoals de profeet, maar over wat salafisten verkondigen. Over de manier waarop zij willen dat de wereld wordt ingericht, met de sharia als maatstaf.

“We hebben toch nooit de communistische partij verboden? De dictatuur van het proletariaat die zij wilden installeren, stond ook haaks op de parlementaire democratie.”

 

Wat dan met die salafisten die de jihad verkondigen?

“Die zijn er natuurlijk, maar je mag niet iedereen over dezelfde kam scheren. We gooien alle salafistische strekkingen te makkelijk op dezelfde hoop. Nederland telt zo’n 30.000 salafisten. De overgrote meerderheid zal nooit een aanslag plegen, ook al zijn ze geen fan van Amerika, Israël of van wat het Westen wereldwijd uitspookt. We moeten dringend meer olifantenvel kweken en een beetje Britser en laconieker worden. De voorbije jaren heeft zich in Vlaanderen een middenstandsesthetiek en -ethiek ontwikkeld: alles moet proper en braaf zijn. Alles wat afwijkt is verdacht. Veertig jaar geleden had je hier in mijn gemeente Hove een jeugdhuis recht tegenover de kerk. Wij speelden en repeteerden daar op vrijdag- en zaterdagavond en hingen achteraf in het centrum op straat rond. Vandaag is dat ondenkbaar: de politie zou worden ingezet. Dat klimaat is er gekomen onder invloed van de angstcultuur en onze obsessie met safety en security. De stijgende welvaart heeft er ook voor gezorgd dat alles wat maar een beetje afgebladderd, vuil en goor is, bestreden moet worden. Orde en netheid is het devies. ‘Draag je fluohesje als het schemert, op dat paadje mag je stappen, daar niet.’ Ik word tureluurs van al die door veiligheid en zekerheid doordesemde voorschriften en controles. Wat dat betreft is een islamitische omgeving vaak een verademing. Op een Koranwedstrijd in Hamburg loop je gewoon naar binnen zonder oranje polsbandje en zonder gefouilleerd te worden. Op de moslimbeurs in Antwerpen-Zuid gaat het er even gemoedelijk aan toe als op de Boekenbeurs in 1972. Daar lopen geen sportschoolfiguren met oortjes rond en geen enkele vrouw moet haar handtas openmaken. De bandbreedte van wat we kunnen verdragen is te smal geworden: we weten ons geen raad meer met meningen die radicaal afwijken van de gangbare norm. Als een orthodoxe imam durft te zeggen: ‘Je moet plaatsen mijden waar alcohol gedronken wordt’, is het kot plots te klein. Want dat valt buiten onze geijkte middenstandsmantra.

“Uiteraard wordt het iets helemaal anders als iemand roept: ‘Nu gaan we over tot geweld’, of: ‘Ga vechten met onze geloofsbroeders in Syrië.’ Maar alles wordt te snel tot simpele slogans herleid: islam = salafisme = gaan vechten in Syrië. Op de Promenade des Anglais in Nice ontmoette ik Latifa, een jonge moslima en de dochter van het allereerste slachtoffer van de aanslag op 14 juli 2016. Zij vertelde haar verhaal van de avond van die fatale Quatorze Juillet. Latifa stond naast het met een wit laken bedekte dode lichaam van haar moeder te wenen. Een naderende auto minderde vaart, de bestuurder draaide zijn raampje open en riep haar toe: ‘Bende terroristen!’ Dat gesprek met Latifa maakte voor mij duidelijk dat veel Europese moslim tussen twee vuren zitten. Wij zien maar die ene kant: de islam. Maar hoe afschuwelijk moet het zijn om voor terrorist te worden uitgemaakt als je moeder pas in een aanslag is omgekomen?”

 

In Denemarken bezocht u Kurt Westergaard, de inmiddels hoogbejaarde tekenaar van de verguisde cartoon uit 2006 van Mohammed met een bom als tulband.

“Ik wist net als iedereen dat het leven van die man totaal veranderd is na de doodsbedreigingen aan zijn adres, maar wat dat in werkelijkheid betekent, besefte ik pas ten volle toen ik rechtover die mens in zijn zwaarbewaakte living zat. Elke dag maakte hij een cartoon voor de krant. Op een voormiddag tekende hij Mohammed en zijn leven werd een hel.”

 

Ik leer uit uw boek dat hij eerder al eens een gelijkaardige cartoon getekend had en dat er toen geen haan naar kraaide.

“Die oudere Mohammedcartoon hing in de gang van zijn huis. Hij had die gemaakt voor een tentoonstelling in 1994 en daar nam toen niemand aanstoot aan. Ruim tien jaar later maakt hij een gelijkaardige tekening en het gevolg is dat hij continu door een paar agenten bewaakt wordt.”

 

Wat hebt u van uw reis door Europa geleerd?

“Dat het echte conflict zich niet afspeelt tussen Europa en de islam, maar binnen de islam zelf. Tussen de hardliners en de moslims die ruimte willen scheppen voor twijfel en zelfkritiek. In Brussel ontmoette ik Ahmed, een islamleraar van Marokkaanse origine. Hij vindt het hoog tijd dat moslims hun heilige teksten op een hedendaagse manier beginnen te lezen. Hij vraagt soms aan zijn leerlingen: ‘Wat is belangrijker, de Koran of je eigen hersenen?’ Ze antwoorden dan: ‘De Koran natuurlijk!’ Daarop vertelt Ahmed hun dat een mens zijn hersenen nodig heeft om de Koran te kunnen begrijpen en dat ons verstand belangrijker is. Moslims als Ahmed hebben we meer dan ooit nodig, alleen zijn ze met veel te weinig. Ze krijgen ook te weinig steun van Europeanen. Ze worden te snel weggezet als aandachtzoekers of nestbevuilers.

“In deze krant las ik een recensie van De atheïstische moslim van Ali Rizvi, waarin hij op striemende, maar volstrekt geloofwaardige wijze zijn eigen strijd beschrijft om atheïst te zijn in een islamitisch milieu. ‘Pamflettair’, vond de recensent. Tussen de regels las ik: ‘Waar is al dat gedoe nu eigenlijk voor nodig?’ Dat was ook zo bij Kurt Westergaard. ‘We zijn voor vrije meningsuiting, maar is het eigenlijk wel nodig om al die brave mensen met een cartoon te kwetsen?’ Zouden ze dat indertijd ook tegen Friedrich Nietzsche gezegd hebben toen hij verkondigde dat God dood is? ‘Oei, Friedrich, je kwetst nu zoveel brave Duitse christenen. Publiceer dat maar niet.’ Nee toch? Maar als het over moslims gaat, laten velen hun liberale principes varen. Ik schaam mij nog steeds voor de westerse intellectuelen en schrijvers die indertijd stelden dat Salman Rushdie de fatwa die tegen hem werd uitgesproken aan zichzelf te danken had. ‘Hij had De duivelsverzen maar niet moeten schrijven.’ Ik betwijfel of ze hetzelfde zouden hebben gezegd als de dreiging uit een andere hoek was gekomen, als het een linkse schrijver was geweest tegen wie een of andere extreemrechtse politicus een doodvonnis had uitgesproken. Een echt progressieve krant zou elke dag een foto van Kurt Westergaard in een hoekje bovenaan de frontpagina moeten plaatsen met de tekst: ‘Al zoveel weken met de dood bedreigd en permanent bewaakt.’”

 

Jan Leyers, Allah in Europa, Das Mag, 472 blz., 22,99 euro

 

(c) Jan Stevens

Hoe zou het eigenlijk zijn met … de moordenaars van de 2-jarige peuter Jamie Bulger?

25 jaar geleden reageerde de wereld geschokt op de moord op de twee jaar oude James Bulger. Schrijvers Blake Morrison en David James Smith volgden het proces tegen daders Robert Thompson en Jon Venables vanaf dag één. “Ze waren amper tien, maar werden berecht als volwassenen. Alleen als een advocaat kan bewijzen dat zijn tienjarige cliënt het verstand van een peuter heeft, wordt hij geïnterneerd.”

 

Op 12 februari 1993 verdween James ‘Jamie’ Bulger spoorloos toen zijn moeder koteletjes stond te bestellen bij de slager in het New Strand Shopping Centre in het noorden van Liverpool. Op inmiddels iconisch geworden bewakingscamerabeelden was te zien hoe twee jongens van een jaar of tien met de peuter aan de hand om 15.42 u het winkelcentrum uitliepen. Twee dagen later vonden spelende kinderen aan de spoorweg het met bakstenen toegetakelde en door een trein in twee gereten lijk van de kleine James. Het duurde een paar dagen voor Robert Thompson en Jon Venables, allebei tien, opgepakt werden. Op 20 februari werden ze officieel in beschuldiging gesteld voor moord. Toen ze twee dagen later voor de jeugdrechter in het Magistrates’ Court moesten verschijnen, stond een woedende menigte hen op te wachten. Ze werden doorverwezen naar de volwassenenrechtbank en in november van datzelfde jaar stonden ze twaalf dagen lang terecht in het Preston Crown Court. Op 24 november 1993 kwam de jury tot het eensluidende verdict: schuldig. Rechter Michael Morland veroordeelde Thompson en Venables tot opsluiting “during her Majesty’s pleasure”, zolang het hare majesteit behaagde. Hij noemde de twee jongens “sluw en uiterst slecht” en verzekerde hen dat ze “voor vele jaren opgesloten zouden worden”. Tot hun achttiende verjaardag moesten ze naar gesloten jeugdinstellingen, met “aparte slaapkamers waar ze speelgoed mogen hebben en posters aan de muur”. Na hun 18e “bestond de mogelijkheid” dat ze afgevoerd zouden worden naar een echte gevangenis. Jon Venables weende toen hij het arrest hoorde en Robert Thompson zat te snikken. Jamie Bulgers oom Roy Matthews riep vanuit het publiek: “Hoe voelen jullie je nu, you little bastards?”

 

Tonnen drek

“Tot de dag van vandaag haat het hele Verenigd Koninkrijk die twee jongens”, zegt journalist en schrijver David James Smith. Hij volgde in 1993 de moord op James Bulger en het proces tegen Venables en Thompson vanaf dag één en schreef er het boek The Sleep of Reason over. “Ik toonde daarin enig mededogen voor de twee daders die zelf nog kinderen waren. Dat werd me niet in dank afgenomen. Naar aanleiding van de 25e verjaardag van de Jamie Bulger-zaak is mijn boek herdrukt. Sommige commentaren op het internet liegen er niet om: ‘Hoe is het mogelijk dat die man zelfs maar een greintje medeleven toont voor die twee beesten?’ Vorig jaar werd ik door Channel 4 gevraagd om mee te werken aan de documentaire The Bulger Killers: Was Justice Done? Ik had er geen tijd voor en vond het doodjammer dat ik nee moest zeggen. De documentaire ging in februari op antenne en nu ben ik heel blij dat ik me er niet vrij voor kon maken. Collega Blake Morrison volgde net als ik het proces op de voet en schreef daar achteraf zijn boek As if over. Ook hij toonde compassie voor de piepjonge daders. Hij werkte wél mee aan The Bulger Killers. Meteen na de uitzending kreeg hij op sociale media tonnen drek over zich heen.”

Blake Morrison volgde in 1993 het proces als verslaggever voor het magazine The New Yorker. “De bakken vitriool na de Channel 4-documentaire bewijzen alleen maar dat Engeland nog even achterlijk is als 25 jaar geleden”, zegt hij. “In 1993 had ik zelf kleine kinderen en begreep ik niets van de drijfveren van Robert Thompson en Jon Venables. Ik had gehoopt dat ik op het proces een beetje inzicht in hun motieven zou krijgen. Dat viel lelijk tegen. Ik schreef mijn boek As if omdat ik in de eerste plaats wou aanklagen dat kinderen berecht werden als volwassenen. Thompson en Venables verschenen voor de rechter alsof ze volwassen daders waren. De Britse wet bepaalt dat een kind vanaf tien jaar voor moord of verkrachting terecht moet staan voor een rechtbank voor volwassenen. Alleen als een advocaat kan bewijzen dat zijn tienjarige cliënt het verstand van een peuter heeft, wordt hij geïnterneerd. Die regeling is absurd en gaat lijnrecht in tegen wat in de meeste landen geldt, waar tienjarige moordenaars bij jeugdrechters terechtkomen. Ik schaam me voor onze wetgeving. Af en toe is er wel eens een advocaat die een aanpassing vraagt, maar politici hebben daar geen oren naar. Ze dùrven die wet niet veranderen, omdat ze bang zijn dat het grote publiek hen bij de eerstvolgende verkiezingen zal afstraffen.”

 

Was het toeval dat de moord op James Bulger door twee tienjarigen plaats vond in Liverpool?

David James Smith: “Ik heb me dat al vaak afgevraagd. Liverpool torst een zware last van armoede. In de jaren zeventig stortte de tewerkstelling in. Tot dan had de stad de reputatie een wereldhaven te zijn, maar omdat ze geen containerschepen aankon, verloor ze de concurrentie met andere havens. De werkloosheid swingde de pan uit en gezinnen konden amper nog de eindjes aan elkaar knopen. De recente geschiedenis van de stad wordt gedomineerd door twee grote voetbalrampen waarin de club Liverpool en zijn supporters betrokken waren. Er was het Heizeldrama in 1985 met 39 doden en 400 gewonden en de Hillsborough disaster in 1989. Op de voetbalmatch tussen Liverpool en Nottingham Forest lieten toen op een overvolle tribune 96 supporters het leven en vielen er 766 gewonden. Ondanks al die miserie voelen Liverpudlians zich sterk verbonden met hun stad. Ik wou in 1993 onderzoeken wat het effect van de James Bulger-zaak was op het dagelijkse leven in Liverpool. Maar ik wou ook uitzoeken of de gebeurtenissen zelf misschien voor een deel te verklaren waren door de geschiedenis van de stad. Vlak na de moord verhuisde ik van Londen naar Liverpool, waar ik tien maanden gewoond heb. Toen het proces in november begon, was ik al min of meer ingeburgerd. Maar ik kan niet zeggen dat het verblijf in Liverpool me iets wijzer gemaakt heeft over de motieven van de twee daders. Ze kwamen allebei uit een gebroken gezin en zo waren er in die periode heel wat in Liverpool. Ik hoorde toen vaak de opmerking: ‘Veel kinderen komen uit disfunctionele families, maar dat wil nog niet zeggen dat ze peuters afmaken.’ Misschien is het net merkwaardig dat het niet meer gebeurt.”

Blake Morrison: “Een sluitende verklaring is er niet, maar er zijn toch een paar hints. Robert Thompsons agressieve vader verliet zijn zwaar getraumatiseerde vrouw Ann. Zij bleef achter met zeven zonen; Robert was de vijfde in de rij. Elke broer terroriseerde de andere. Ann begon stevig te drinken en werd het leven zuur gemaakt door haar eigen kinderen. Er was ook even sprake van dat zij Robert seksueel misbruikt zou hebben. Jon Venables was licht ontvlambaar en had zijn woedeaanvallen niet onder controle. Maar tijdens het proces leek het alsof hij de ‘meest kwetsbare’ van de twee was. Hij was hypernerveus, weende veel en leek eerder de meeloper dan het mastermind te zijn. Als je al die dingen samenlegt, heb je nog geen echte verklaring, maar wordt misschien wel een beetje duidelijker waarom ze peuter James doodden. Op een bepaald moment liepen ze met hem langs de spoorweg. Ze zeiden tegen mensen die ze tegenkwamen dat de jongen verloren gelopen was en dat ze hem naar het dichtstbijzijnde politiekantoor brachten. Maar dat waren ze helemaal niet van plan: ze wisten dat ze bij de politie sowieso in de problemen zouden komen. Ze wisten ook dat ze evenzeer in de shit zaten als ze met die kleine jongen terugkeerden. Ze waren bang voor de gewelddadige reacties van hun ouders. Dus namen ze James mee verder langs de spoorweg, weg van de problemen, en vermoordden hem.”

 

Black cap

Hoe verliep het proces?

Morrison: “De internationale media-aandacht was gigantisch. Ik herinner me nog gesprekken met journalisten uit andere Europese landen die amper hun ogen konden geloven. Ze zagen die twee kleine jongens op de beklaagdenbank zitten alsof het twee volwassen killers waren.”

Smith: “Rechter Morland kwam elke dag de zaal binnengeschreden met een zwarte doek op zijn hoofd. Die black cap droegen rechters vroeger als ze de doodstraf uitspraken. Het sloeg me koud om het hart als ik hem zo zag binnenkomen. De jongens waren zo klein dat ze vanop hun beklaagdenbankje niet over de gesloten reling konden kijken. Er moest een verhoog gebouwd worden, waardoor het leek alsof ze op een podium zaten. Het publiek in de zaal zat hen voortdurend aan te staren.”

Morrison: “Tijdens het proces werden ze aangeduid als ‘boy A’ en ‘boy B’, want omdat ze minderjarig waren, mocht de pers hun namen niet noemen. Maar aan het einde van het proces riepen kranten in hun commentaren de rechter op om de namen van de daders meteen na hun veroordeling bekend te maken. Ik geloofde nooit dat er op hun oproep zou ingegaan worden, want normaal gezien blijft een minderjarige dader tot zijn zestiende anoniem. Toch besloot rechter Morland dat hun namen gepubliceerd mochten worden. Ik vond dat onbegrijpelijk en onverantwoord. Zijn redenering was waarschijnlijk: we zijn er op het proces niet in geslaagd om hun motieven te achterhalen, misschien lukt dat een onderzoeksjournalist wel. Dus gooide hij hun namen te grabbel voor de tabloids en de andere media. Dat was echt merkwaardig, want Michael Morland had de reputatie een vriendelijke, begripvolle magistraat te zijn.”

Smith: “Ondanks die zwarte doek op zijn hoofd was de rechter inderdaad heel meelevend. Hij zorgde ervoor dat de jongens op tijd konden pauzeren en richtte de procesdagen in alsof het schooldagen waren. Op het einde blunderde hij toen hij zei dat de jongens James gedood hadden omdat ze naar te veel geweldfilms hadden gekeken. Ik vond het behoorlijk grote onzin dat hun belangrijkste drijfveer het bekijken van geweldvideo’s zou zijn.”

 

Hoe gedroegen de beklaagden zich tijdens hun proces?

Morrison: “Ze leken geen benul te hebben van wat er rond hen gebeurde. Enkel toen hun politieverhoren werden afgespeeld, zag ik hen reageren. Maar op zowat alle andere momenten zaten ze erbij alsof ze van een andere planeet kwamen. Een van de basisregels van onze procesvoering is dat je als beschuldigde je advocaat moet kunnen bevragen en instructies geven. Die twee jongens waren totaal niet in staat om op een intelligente manier met hun advocaten om te gaan. Zo pleitten ze allebei ‘onschuldig’. Waanzin, want de bewijslast was overweldigend. Ze hadden tijdens de verhoren ook toegegeven dat ze James gedood hadden. Het pleidooi dat hun advocaten voerden, was onvolwassen en schaadde hun verdediging. Ik voelde me daar zeer ongemakkelijk bij, maar waarschijnlijk waren David in ik toen zowat de enigen.”

Smith: “Op een dag lieten ze het politieverhoor van Jon horen waarin hij in huilen losbarstte en toegaf dat hij James Bulger vermoord had. Zijn gehuil op het bandje was afschuwelijk. Ik zag hem in de beklaagdenbank zitten en vroeg me af wat er op dat moment door zijn hoofd ging.”

 

In het arrest lijkt het alsof ze levenslang gekregen hebben, maar op hun achttiende kwamen ze vrij.

Morrison: “Ze kregen minimum acht jaar in een gesloten instelling, met de mogelijkheid om hen nog langer achter de tralies te houden. Die strafmaat van minimum acht jaar zorgde voor wenkbrauwgefrons en forse kritiek. De tabloids vonden het te soft. The Sun startte een campagne om de twee alsnog voor de rest van hun leven te laten opsluiten. Ze verzamelden daarvoor 280.000 handtekeningen. De toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Michael Howard schaarde zich achter dat initiatief en bewoog hemel en aarde om de minimumstraf te laten oprekken tot minstens 15 jaar. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft die beslissing van Howard later ongedaan gemaakt. De redenering daarachter is helder als pompwater: het is niet aan ministers om straffen te bepalen, maar aan rechters.”

Smith: “Ze kwamen in een gesloten instelling voor minderjarige daders terecht. Je mag het gerust een kindergevangenis noemen. Zij waren er de jongsten.”

Morrison: “Ze moesten niet naar een gevangenis voor volwassenen omdat de kans te groot was dat ze er door andere gevangenen hardhandig aangepakt zouden worden. De bedoeling was van in het begin dat ze op hun 18e zouden vrijkomen als ze klaar waren voor een ‘gewoon leven’. Blijkbaar was dat op hun 18e verjaardag ook zo.”

 

Ze kregen een nieuwe identiteit?

Morrison: “De Britse pers kreeg zware restricties opgelegd: er mochten geen foto’s van de jongens getoond worden van na hun tiende levensjaar. Kranten riskeerden ook zwaar beboet te worden als ze een heksenjacht op de jongens zouden openen.”

Smith: “De strenge straffen die op het openbaar maken van hun nieuwe identiteiten staan, dienen om Jon en Robert te beschermen. De rechter was er zich zeer goed van bewust dat hun leven in gevaar komt als hun nieuwe identiteit of hun verblijfplaats uitlekt. Wie recente foto’s van hen verspreidt of hun namen bekend maakt, riskeert twee jaar cel. Maar op sociale media trekken veel mensen zich daar niets van aan. Het kost niet veel moeite om op Twitter de vorige identiteit van Jon Venables te achterhalen, inclusief de stad waar hij leefde en de naam van zijn ex-lief.”

 

Kinderporno

Jon Venables zit sinds november vorig jaar terug in de gevangenis vanwege het bezit van kinderporno.

Smith: “In Groot-Brittannië blijft al wie een straf voor moord uitgezeten heeft, de rest van zijn leven vrij onder voorwaarden. Je zit niet meer in de cel, maar je kan op elk moment opgepakt worden als je een van de voorwaarden schendt. Elke kleine misstap kan betekenen dat je opnieuw voor lange tijd de cel ingaat. In juli 2010 werd Jon een eerste keer opgepakt en opgesloten voor het bezit en verspreiden van kinderporno. Na twee jaar werd hij weer vrijgelaten. Eind vorig jaar werd hij opnieuw gearresteerd voor dezelfde feiten. Hij moet nu veertig maanden brommen, maar het zou best kunnen dat hij nóg veel langer in de gevangenis moet blijven.”

Morrison: “In 2010 kwam ook aan het licht dat hij twee jaar eerder een waarschuwing gekregen had voor het bezit van cocaïne. Jons nieuwe identiteit is onlangs vermoedelijk door medegevangenen gelekt op Facebook, inclusief foto’s van hoe hij er nu uitziet. Het sociale medium moest die post onmiddellijk verwijderen. Zijn veroordelingen voor het bekijken van kinderporno zijn voor sommigen het bewijs dat hij als tienjarige de kleine James misbruikt zou hebben. Dat werd in 1993 al gezegd, maar daar was geen duidelijk bewijs voor. Al was de broek van de kleine Jamie afgestroopt en lagen er batterijen naast het lijk. De politie was er toen van overtuigd dat de twee jongens de batterijen in de anus van de peuter hadden gestopt. Maar het lijkschouwingsrapport bevestigde die theorie niet. Die details zijn nooit op het proces ter sprake gekomen omdat de aanklager en de rechter de familie Bulger wilden sparen. Een ding is zeker: Venables en Thompson wilden de kleine Jamie vernederen. Volgens sommigen vluchtte Venables later in kinderporno om zijn trauma van de moord op James Bulger te verwerken.”

 

Onderhuidse ellende

Robert Thompson werd door de Britse media altijd voorgesteld als de meest verstoorde van de twee. Jullie zijn het daar niet mee eens?

Smith: “Nee. Niet lang na het proces leerde ik Robert Thompsons moeder Ann kennen. Ik ontmoette haar in het huis van Roberts advocaat Dominic Lloyd. Ze wist dat ik een boek over de zaak wou schrijven en ze wilde er aan meewerken. Vier jaar lang waren we bevriend, maar onze vriendschap strandde nadat ze zich beledigd voelde door een van mijn artikels. Toen mijn eerste kind in 1994 geboren was, breidde Ann mutsjes voor de baby. Ik voelde veel medelijden met haar. Haar leven ging niet over rozen: haar vader en ex-man waren gewelddadig en ze worstelde met een alcoholverslaving. Maar ze steunde haar zoon Robert, ondanks wat hij misdaan had. Ze ging hem heel vaak in de instelling bezoeken. De mensen die voor Robert zorgden, vonden dat belangrijk. Ondanks al haar problemen, deed ze haar uiterste best om toch een goede moeder te zijn. Het is onmiskenbaar zo dat chaos en geweld bij de Thompsons regeerden. Dat werd op het proces ook duidelijk. Maar bij de Venables speelde de ellende zich onderhuids af, wat misschien veel gevaarlijker is. Jons ouders wisten tijdens het proces de schijn hoog te houden. De Britse auteur Brian Masters schreef talloze boeken over beruchte seriemoordenaars als Fred en Rosemary West. Hij volgde ook het proces en op een dag stond hij naast mij. Ik hoorde hoe hij Robert ‘vuil uitschot’ noemde. Jon noemde hij dan weer vertederd ‘a little sweetheart’. Ik dacht: ‘Nee kerel, je hebt het compleet mis.’ De latere geschiedenis van de twee geeft me gelijk: Robert is na zijn vrijlating nooit meer met justitie in aanraking gekomen, Jon raakte diep in de shit. Toen mijn boek pas uit was, gaf ik op een festival een lezing over de James Bulger-zaak. Na afloop kwamen een paar naaste familieleden van Jons ouders naar me toe. Zij vertelden me off the record gruwelijke verhalen over de familie Venables die het gedrag van Jon kunnen verklaren.”

 

Jon werd als kind door zijn vader seksueel misbruikt?

Smith: “Ik kan dat niet bewijzen, maar zijn latere gedrag wijst daar op. Het is gewoon een feit dat veel daders ooit zelf misbruikt zijn. We weten niet of Jon kinderen misbruikt heeft, maar hij is wel een grote fan van kinderporno.”

 

Robert Thompson zou ondertussen zelf ook vader geworden zijn.

Morrison: “Dat schijnt zo te zijn, maar met zekerheid weten we dat niet. Je las dat in een Belgische krant? De Britse pers is zeer voorzichtig in haar berichtgeving over Thompson en Venables. Officieel is het ten strengste verboden om ook maar iets te publiceren dat hun identiteit kan onthullen. De boetes zijn hoog en zelfs de tabloids houden zich daaraan.”

 

Thompson zou in 2005 vader geworden zijn, maar zijn vriendin zou hem niet lang na de geboorte verlaten hebben. Jamie’s moeder Denise Fergus zou daar heel erg boos over geworden zijn.

Morrison: “Denise is woedend over alles wat met de moord op haar zoon te maken heeft. Het ligt ondertussen 25 jaar achter ons en de twee daders zijn 35. Het is niet zo verwonderlijk dat een van hen ondertussen vader geworden is. Ik vind de heisa daarrond ietwat overdreven.”

Smith: “Het moet verschrikkelijk zijn om met een andere identiteit door het leven te moeten gaan. Het is alsof je jezelf ontkent. Toen Venables cover in 2010 opgeblazen werd, werd gezegd dat hijzelf zijn identiteit aan een paar mensen verraden had, omdat hij de druk van het dubbelleven niet langer aankon. Laat er geen twijfel over bestaan: die twee jongens hebben op hun tiende een verschrikkelijke misdaad gepleegd. Dat alleen al moet vreselijk om dragen zijn. Van dat trauma raken ze nooit meer af. Vervolgens was er dat proces. Hun jeugd brachten ze door in een gevangenis. Op hun achttiende kwamen ze buiten en moesten ze proberen het leven van iemand anders te leiden. Voortdurend was er die angst dat een of andere heethoofd hen uit de weg zou ruimen. Want dat risico is zeer reëel. In de tabloids worden ze sinds 1993 consequent monsters genoemd. Tik hun namen in op Twitter en lees wat sommigen graag met hen zouden willen doen. De achttiende-eeuwse Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau noemde de kindertijd de ‘slaap van de rede’. De rede lag in een diepe slaap toen Robert en Jon die 12e februari 1993 met James langs de spoorweg wandelden. Ze waren te jong om echt wakker te zijn en te beseffen wat ze aan het doen waren toen ze hem van het leven beroofden. Ik vond ook dat de rede ingeslapen was tijdens het proces, toen de publieke opinie zo woest reageerde op die twee kinderen. 25 jaar later slaapt de rede in dit land trouwens nog steeds, want de roep om wraak klinkt even luid.”

 

(c) Jan Stevens

%d bloggers liken dit: