Smokkelaar van de filosofie

Vlak voor WO II smokkelde de jonge pater Herman Leo Van Breda het persoonlijke archief van de filosoof Edmund Husserl nazi-Duitsland uit. Hij bracht het onder in de universiteit van Leuven. Vandaag is het Husserl-Archief wereldvermaard. Toon Horsten schreef de biografie van pater Van Breda, de lievelingsneef van zijn oma. “Het Husserl-Archief was zijn obsessie. Alles moest er voor wijken.”

 

‘Iedereen noemde hem “de Pater”. In de filosofiewereld was dat zijn bijnaam’, zegt Toon Horsten, stripuitgever en biograaf van Herman Leo Van Breda, pater, redder, stichter en behoeder van het Husserl-Archief aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de Leuvense universiteit. ‘Ik was samen met mijn vader in een fotoboek van zijn familie aan het kijken. Er stond een foto in van mijn grootmoeder met naast haar een priester met een sigaret tussen de vingers. Je zag meteen dat mijn oma die man graag zag. ‘Wie is dat?’ vroeg ik. ‘Pater Van Breda, oma’s lievelingsneef’, antwoordde vader. ‘Wat deed hij?’ ‘Iets met filosofie in Leuven.’ ‘Wat precies?’ ‘Geen idee.’ Waarna mijn vader een doodsbrief uit een doos bovenhaalde. Herman Leo Van Breda heette de man. Geboren in Lier op 28 februari 1911, gestorven in Leuven op 4 maart 1974, drie jaar na mijn grootmoeder. “Ridder in de Leopoldsorde, Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, Weerstander, Eremedaille van West-Duitsland, een doctoraat in Freiburg en eremedaille van Yad Vashem, uitgereikt bij de 20e verjaardag van de opstand in het getto van Warschau.” Ik vond dat erg intrigerend en wou weten wat die man precies had gedaan. Ik ben er vijf jaar zoet mee geweest.’

Het resultaat is de uitstekend gedocumenteerde biografie De Pater en de filosoof, waarin Horsten beschrijft hoe Herman Leo Van Breda deed wat Martin Heidegger naliet: de intellectuele nalatenschap redden van Edmund Husserl, een van de belangrijkste 20e-eeuwse Duitse filosofen.

Toon Horsten: ‘Leo Van Breda trad in bij de Franciscanen en werd pater Herman. Meteen na zijn priesterwijding ging hij halverwege de jaren dertig van de vorige eeuw filosofie studeren aan de universiteit van Leuven. Zijn licentiaatsthesis handelde over het vroege werk van Edmund Husserl. Voor zijn doctoraatsthesis wou hij het late werk van de filosoof behandelen. Hij wist dat Husserl nog heel wat ongepubliceerde manuscripten in zijn persoonlijke archief in zijn thuisstad Freiburg had liggen. Hij wou die graag inkijken.’

 

Wat was er zo fascinerend aan de filosofie van Husserl?

Horsten: In de 19e eeuw werden de wetenschappen steeds belangrijker en won het mathematische denken fors terrein. Tezelfdertijd ontstond de psychologie die bewustzijn als onderwerp had. Het leek alsof de filosofie een koning zonder land geworden was. De filosoof Friedrich Nietzsche reageerde daarop met het ontwikkelen van een zeer individualistisch, op persoonlijkheid gebouwd wereldbeeld. Edmund Husserl deed net het tegenovergestelde: in de geest van Plato wou hij van de filosofie weer een absolute en alomvattende wetenschap maken. Hij vond zelfs dat we die doelstelling bijna bereikt hadden. Sterker nog: hij beweerde dat hij de sluitsteen kon leveren om dat ideaal waar te maken.

 

Bescheiden was hij niet.

Horsten: Zeker niet. ‘De filosofie als alomvattende en absolute wetenschap vestigen’, het is een ambitie die moderne mensen niet meer koesteren. Husserl zag zichzelf als een Christoffel Columbus die een nieuwe wereld had ontdekt: het zuivere bewustzijn. Hij geloofde dat we door reflectie en door met alle ballast komaf te maken, de dingen kunnen zien zoals ze écht zijn. Hij had daar ook een methode voor ontwikkeld: de fenomenologische reductie. De toepassing van die ingewikkelde methode bepaalde volgens Husserl niet alleen het lot van de filosofie, maar van de hele wereld. Want pas als we de wereld met behulp van de fenomenologische reductie helemaal doorgrond zullen hebben, kunnen we het ideaal van een rationele en liefdevolle wereld verwezenlijken. Het doel van de fenomenologische reductie was om alle verschijnselen en begrippen die zich aan ons bewustzijn opdringen tot hun essentie te herleiden. Om tot het wezen van de dingen te kunnen doordringen, moest de filosoof afstand nemen van alle overtuigingen, vragen en persoonlijke omstandigheden die hij in zijn bewustzijn aantrof. Over die methode en de grondslagen van zijn filosofie had Edmund Husserl ontzettend veel geschreven en gepubliceerd. Daarnaast had hij ook de praktische toepassingen van zijn filosofie op papier gezet en veel van die geschriften waren nog niet uitgegeven.

 

Dat waren zelfs gigantisch veel geschriften.

Horsten: Ruim 40.000 bladzijden, geschreven in Husserls persoonlijke variant van het Gabelsberger steno. Tijdens zijn actieve leven was dat steno vrij goed ingeburgerd, maar eind jaren dertig beheersten steeds minder mensen die techniek. Als je zo’n manuscript van Husserl nu onder ogen krijgt, moet je het twee keer interpreteren. Eerst moet je het steno ontcijferen, en dan moet je nog eens op zoek naar wat de filosoof precies heeft willen zeggen. Dat is dus geen lachertje.

 

Husserl stierf op 27 april 1938. Op 29 augustus van datzelfde jaar belde pater Herman aan bij Husserls weduwe Malvine in Freiburg.

Horsten: Hij hoopte toen om voor zijn doctoraatsthesis een paar van die manuscripten te kunnen inkijken. Hij was zich zeer goed bewust van de toestand in nazi-Duitsland. Twee maanden later zou de Kristallnacht plaatsvinden. Edmund Husserl en zijn vrouw waren Joods en hun kinderen waren geëmigreerd naar Amerika. Op voorhand had pater Herman met zijn professoren afgesproken dat de universiteit van Leuven een paar van die manuscripten zou uitgeven. Want in Duitsland was dat onmogelijk geworden. Hij logeerde in Freiburg bij de franciscanen in de Adolf-Hitler-Straße. Op die eerste ontmoeting klikte het tussen de 27-jarige pater en de tachtigjarige weduwe Malvine Husserl. Toen haar man nog leefde, waren ze al van plan om het archief en de bibliotheek met 2.700 boeken uit het huis in Freiburg te verhuizen en in het buitenland in veiligheid te brengen. Dat was vooralsnog niet gelukt en de weduwe was de wanhoop nabij. Pater Van Breda gaf haar nieuwe hoop. Hij maakte meteen ook kennis met Eugen Fink, de laatste assistent van Husserl, en met de Senegalees-Franse filosoof Gaston Berger, de vader van choreograaf Maurice Béjart.

 

Martin Heidegger, de opvolger van Husserl als hoogleraar filosofie aan de universiteit van Freiburg, was er op die bijeenkomst niet bij?

Horsten: Heidegger was fan van de nazi’s én lid van de NSDAP. Ooit was Husserl zijn leermeester, maar gaandeweg nam Heidegger steeds meer afstand. Hij stuurde zelfs zijn kat naar Husserls begrafenis. Op Martin Heidegger kon Malvine dus helemaal niet rekenen. Op pater Van Breda des te meer: tijdens dat allereerste bezoek zei hij meteen: ‘We gaan het archief redden.’ Het oorspronkelijke plan was om de 40.000 bladzijden naar Zwitserland te smokkelen naar de psychiater Ludwig Binswanger, die als ex-student in nauw contact was gebleven met Edmund Husserl en een op de fenomenologie gebaseerde psychologie had ontwikkeld. Een bevriende Zwitserse kloosterzuster trok op verkenning en klopte aan bij Binswanger: ‘Kunnen we Husserls archief tijdelijk bij u onderbrengen?’ Het antwoord was: ‘Wij zijn voor de nazi’s. Laat ons met rust.’ Op dat moment besliste Van Breda: ‘Dan smokkel ik het archief naar Leuven.’ Hij wou de documenten als diplomatieke post via de Belgische ambassade de grens over krijgen, maar dan moest hij ze eerst tot in Berlijn brengen.

 

Vanwaar al die geheimzinnigheid? Het ging toch maar over 40.000 bladzijden vol filosofische teksten in steno die niemand begreep?

Horsten: Ik kan je verzekeren dat Herman Leo Van Breda echt zijn leven riskeerde wanneer hij met drie loodzware hutkoffers vol papier met de trein van het zuiden van Duitsland naar Berlijn reisde. Bij een controle was de kans groot dat de nazi’s zouden denken dat hij een spion was. Want de documenten leken geschreven te zijn in codetaal. Daarom ook durfde hij met die koffers de grens niet over en moesten ze als diplomatieke post verstuurd worden. Met drie koffers die samen 100 kilo wogen, reisde hij in zijn eentje eind september 1938 heel Duitsland door. Voor zijn vertrek had hij samen met Malvine een document opgemaakt waarin zij tijdelijk het eigendomsrecht van het archief aan hem afstond. Want enkel Belgische papieren mochten mee met de diplomatieke post van onze ambassade.

De ambassadeur in Berlijn was Jacques Davignon, de vader van Etienne die het tot vice-voorzitter van de Europese Commissie schopte. Davignon was degene die zijn zegen voor de verzending moest geven, maar door de gespannen politieke toestand was hij weggeroepen uit Berlijn. Zijn plaatsvervanger was burggraaf Jo Berryer en voor pater Herman leek dat wel een geschenk uit de hemel. Berryer was een avonturier die tijdens de Spaanse burgeroorlog op het consulaat in het door de republikeinen gecontroleerde Madrid werkte en daar onderdak geboden had aan medestanders van Franco. Hij was meteen gewonnen voor Van Breda’s plan. Die keerde terug naar Leuven, waar hij het bestuur van de universiteit nog moest overtuigen om van start te gaan met een heus Husserl-archief. Hij stelde de universiteit min of meer voor een voldongen feit.

 

Op dat moment waren het ook in België zeer onzekere tijden?

Horsten: Zonder twijfel. Er hing toen ontzettend veel spanning in de lucht. De documenten raakten via de ambassade tot in België en Eugen Fink en Ludwig Landgrebe, een andere assistent van Husserl, kwamen over naar Leuven om er in het gloednieuwe Husserl-Archief de geschriften te ontsluiten. Zij beheersten Husserls steno en kenden zijn filosofie van naaldje tot draadje.

Van zodra het archief veilig en wel in Leuven was, probeerde Van Breda de weduwe van Husserl te overhalen om Duitsland te ontvluchten. Na de Kristallnacht schakelde de Jodenvervolging een paar versnellingen hoger en er werden synagogen in brand gestoken en boeken verbrand. Malvine wou naar haar kinderen in Amerika, maar ze geraakte niet aan een visum. Van Breda stelde haar voor om eerst naar België te reizen. ‘Dan ben je tenminste al veilig. Dat visum komt dan later wel.’ Ze ging akkoord, op voorwaarde dat ook de bibliotheek van haar man en zijn uitgebreide correspondentie met andere grote filosofen mee naar Leuven verhuisde. Hij regelde een container en pas op het moment dat alle goederen in veiligheid waren, stapte Malvine samen met haar huishoudster Joséphine Näpple op de trein richting België. Hij hielp de weduwe en haar huishoudster onderduiken in een klooster in Herent, tot hij een visum voor Amerika voor hen kon bemachtigen. Dat lukte niet en uiteindelijk zou het tot mei 1946 duren voor Malvine Husserl en Joséphine Näpple aan de overtocht naar Amerika konden beginnen.

Tijdens de bezetting werden Joden verplicht tot het dragen van de Davidster. De gemeentesecretaris van Herent stuurde op 3 juni 1942 een ster voor Malvine naar ‘Pater Herman Leo Van Breda’. Blijkbaar wist de secretaris dat de weduwe van Husserl ondergedoken zat in het plaatselijke klooster. Malvine heeft die ster nooit gedragen.

Als het nodig was onderhandelde Van Breda met de Duitse bezetter. Hij had geluk dat Leuven bestuurd werd door Major Wehrkreiskommandeur Reinold von Thadden, een Pruis van adellijke afkomst die zich in de jaren dertig als lid van de protestantse Bekennende Kirche verzet had tegen pogingen van de nazi’s om de kerk aan banden te leggen. Die kerk had zich ook uitgesproken tegen de Jodenvervolging. Von Thaddens halfzuster Elisabeth was trouwens in het verzet actief, en werd in september 1944 geëxecuteerd. Van Breda had een erg goede verstandhouding met Von Thadden. Ik vermoed dat de majoor Malvine de hand boven het hoofd hield, waardoor ze als Joodse de oorlog overleefde.

 

Had ze in Antwerpen ondergedoken gezeten, was ze in een vernietigingskamp beland?

Horsten: Antwerpen was de enige stad waar de politie aan razzia’s meewerkte. Daar had ze inderdaad waarschijnlijk het einde van de oorlog niet gehaald.

Tijdens de bezetting viel de werking van het Husserl-Archief stil. Fink keerde terug naar Freiburg, Landgrebe reisde naar Hamburg. Van Breda had geen personeel meer, maar hij regelde het zo dat verschillende ondergedoken Joden van op hun onderduikadres teksten van Husserl begonnen te transcriberen.

 

Betaalde hij hen daarvoor?

Horsten: Hij zag dat vooral als bezigheidstherapie. Hij had toen zelf niet veel geld, maar sommige Joodse mensen namen het hem achteraf zeer kwalijk dat hij hen niet betaalde op het moment dat zij aan de grond zaten.

 

Ze voelden zich door hem gebruikt?

Horsten: Ja. Het Husserl-Archief was voor hem een obsessie. Hij was er toevallig in gerold, maar maakte er al zeer snel zijn levensmissie van. Alles moest er voor wijken. Hij droeg de titel ‘professor’ aan de Leuvense universiteit, waar velen hem niet meteen als een grote filosoof beschouwden. ‘Hij heeft amper iets gepubliceerd.’ Dat is waar, maar hij heeft wel de hele intellectuele nalatenschap van een grote Duitse filosoof gered én toegankelijk gemaakt. Vandaag zouden we hem een cultuurmanager noemen. Hij had een gigantisch netwerk dat hij zijn leven lang gebruikte en inzette om zijn geesteskind springlevend te houden.

Van Breda was zeer bedreven in het vinden van geld. Veertig jaar lang trok hij als een echte bedelpater van de ene rijke familie naar de andere. Het geld dat hij ophaalde, investeerde hij in zijn archief. Hij hield daar geen boekhouding van bij, waardoor ik niet al zijn geldschieters heb kunnen traceren. Wat ik wel weet, is dat hij fondsen kreeg van de Franqui-Stichting, de Unesco, het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek en NV De Gids. Dat was het bedrijf dat na de oorlog de krant De Standaard uitgaf. Zij schonken 500.000 frank. Het ging vaak over fikse bedragen, al nam hij ook genoegen met minder. Het zou te negatief zijn om te stellen dat hij voortdurend geld aan het aftroggelen was, maar hij leefde wel op giften.

 

Wat voor een mens was pater Herman Leo Van Breda?

Horsten: Er circuleren een aantal verhalen over zijn opvliegende karakter. Hij leed aan diabetes en de behandeling daarvan stond nog in de kinderschoenen. Het zou best kunnen dat veel van zijn verbale uitvallen een gevolg waren van zijn ziekte. Als het op de uitbouw van zijn archief aankwam, kon hij heel innemend zijn. Kapitaalkrachtige mensen wist hij er vrij makkelijk toe te overhalen om hun portemonnee te trekken. Hij maakte grapjes, babbelde een beetje hier en een beetje daar en probeerde zo zijn zin te krijgen. Hij was ijdel. Wijlen Samuel IJsseling, zijn opvolger als directeur van het Husserl-Archief omschreef hem vrij accuraat: ‘Van Breda had een groot ego, maar was geen egoïst.’

Hij correspondeerde uitgebreid met de filosoof Maurice Merleau-Ponty. Die was goed bevriend met Jean-Paul Sartre. Van Breda schreef dat hij Sartre niet echt een interessante filosoof vond, maar voegde er toch aan toe: ‘Kun je geen afspraak met hem regelen?’ (lacht) Hij heeft Sartre ook ontmoet én gebruikt toen hij geld voor zijn archief nodig had. Zo schermde hij met de naam Sartre om bij de Unesco aan geld te geraken.

 

Eigenlijk was hij een opportunist?

Horsten: Ja. Anna Katz, de moeder van de Antwerpse schepen Claude Marinower, heeft hem tijdens de oorlog zeer goed gekend. Zij leefde samen met haar man Marcel Marinower ondergedoken in Leuven. Ik heb haar voor het boek uitgebreid gesproken en het werd snel duidelijk dat ze een grondige hekel aan Van Breda had, precies door dat opportunisme. Marcel Marinower werd in februari ’44 door de Duitsers opgepakt en op transport naar Auschwitz gezet. Zijn vrouw gaf een envelop met familiefoto’s in bewaring bij pater Herman. Ze vertelde me dat die foto’s Marcels kostbaarste bezit waren en zijn enige herinnering aan zijn familie. Van Breda beloofde dat hij ze zou bijhouden tot na de oorlog. Hij heeft dat niet gedaan, maar ze verbrand. Anna’s man overleefde Auschwitz en toen ze de foto’s terugvroegen, kregen ze nul op het rekest. Ze zei me: ‘Als je 40.000 bladzijden kunt verstoppen, kun je toch gemakkelijk een envelop met foto’s bijhouden?’ Toen Marcel Marinower was opgepakt, vroeg ze Van Breda ook of hij een brief aan de Duitsers wou schrijven ten gunste van haar man. Hij weigerde. ‘Dat kan ik niet,’ zei hij. ‘Want ik ben professor. Het is te gevaarlijk.’ Op een bepaald moment vroeg Van Breda aan Anna Katz om Malvine Husserl te bezoeken, zodat de weduwe haar zinnen wat kon verzetten. ‘Ze droeg ontzettend veel juwelen’, herinnerde Anna zich. ‘Tijdens het gesprek stelde zij zich hautain op. Ik vond het een vreselijk mens. Ik ben er nooit meer terug geweest.’

 

Toon Horsten, De pater en de filosoof, Vrijdag, 296 blz., 22,50 euro

 

Toon Horsten

  • 1969 geboren in Hoogstraten
  • Studie Germaanse filologie en Neerlandistiek
  • 1994 – 2000 journalist bij Gazet van Antwerpen
  • 2000 – 2006 podiumprogrammator bij cultuurcentrum De Warande in Turnhout
  • 2006 – 2016 hoofdredacteur Stripgids
  • 2006 – nu freelancejournalist en auteur van onder andere het boek Landlopers
  • 2017 – nu uitgeefdirecteur strips bij Standaard Uitgeverij

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

De koning der koningen

Na vijf bestsellers over le petit caporal Napoleon schreef voormalig tv-journalist Johan Op de Beeck De Zonnekoning, een heerlijke vuistdikke biografie over Frankrijks koning der koningen Louis XIV. “Eerst zette hij Frankrijk op de kaart, om het daarna terug te katapulteren naar de donkerste tijden uit de Europese geschiedenis.”

 

In De Zonnekoning noemt Johan Op de Beeck zijn hoofdpersonage consequent Louis XIV en niet Lodewijk de Veertiende. ‘We spreken vandaag toch ook niet over “Karel van Wales” als we het over prins Charles hebben of over “Filip” als we de Spaanse koning Felipe bedoelen?’, zegt hij. ‘Ik begrijp niet goed waarom dat plots niet meer geldt als het over een Franse koning uit de zeventiende eeuw gaat. In de van verzinsels en halve waarheden aaneenhangende tv-reeks Versailles praat Louis XIV Engels. Dat klinkt als gevloek in mijn oren. Ik hoorde de producent in een interview zeggen: “De Zonnekoning was zo’n universeel figuur dat hij Engels zou spreken als hij vandaag zou leven.” Alleen een Brit kan zoiets over de grootste Franse vorst ooit beweren.’ (lacht)

 

Waar komt uw fascinatie voor de Zonnekoning vandaan?

Johan Op de Beeck: Ik heb Versailles verschillende keren bezocht en ervoer dat telkens als een heel speciale plek. Ondanks het feit dat Louis XIV bigger than life is en zichzelf ook graag verheven voorstelde, is hij toch zeer menselijk. Zo was er zijn gevecht om in het leven iets te bereiken en na zijn dood iets achter te laten. Hij reikte naar de sterrenhemel en belandde in de goot.

Als koning had hij een goddelijke status. Van toen hij nog heel klein was, werd hem voorgehouden dat hij het centrum van alles was. In de geschiedenis van de mensheid zijn er maar een paar andere figuren van zijn kaliber: Alexander de Grote, Napoleon en Frederik I Barbarossa. Ze namen de herculische taak op hun schouders om de wereld te veranderen.

Louis XIV had een middelmatige intelligentie, maar was op politiek vlak zeer sluw. De eerste tientallen jaren van zijn koningschap stonden in het teken van explosieve vernieuwing. Hij voerde maatschappelijke veranderingen door en stimuleerde de kunsten. Tot hij de verandering op een verstikkende manier stopte omdat hij zijn verwezenlijkingen koste wat kost wou consolideren. Hij vond dat zijn doel bereikt was: hij had de feodaliteit beëindigd en Frankrijk gecentraliseerd. Hij regeerde niet langer met mensen die minister waren omdat er blauw bloed door hun aderen stroomde, maar omdat ze onder zijn absolute dictatuur uitvoerden wat hij wou. Maar hij moest zijn veranderingen ook stopzetten omdat Frankrijk blut was. Hij was verwikkeld geraakt in te veel oorlogen die handenvol geld kosten. De laatste tien jaar van zijn bewind voerde hij een pure overlevingsstrijd.

Vier generaties lang bleef hij aan de macht. Hij wou alles stevig in handen houden en kon er geen afstand van nemen. Zijn absolutisme zou ervoor zorgen dat er een eeuw lang zo goed als geen hervormingen mogelijk waren. Die domper op de vernieuwing maakte volgens mij de Verlichting mogelijk. Hij heeft die nooit gewild, maar wel mee veroorzaakt. Dat is dus positief, al hij had schaduwkanten. Zo voerde hij veel te graag oorlog, wat hij op zijn sterfbed ook toegaf. Misschien wel de zwartste bladzijde uit zijn koningschap is de intrekking van de geloofsvrijheid met het Edict van Fontainebleau uit 1685. Hij zette toen de deur open voor de genadeloze vervolging van andersdenkenden. Protestanten en atheïsten werden vogelvrij. Dat was een erg domme beslissing, want hij joeg hooggeschoolden op de vlucht en amputeerde zo zijn eigen economie. Eerst zette hij Frankrijk op de kaart, om het daarna terug te katapulteren naar de donkerste tijden uit de Europese geschiedenis.

 

In wat voor een Frankrijk kwam Louis XIV in 1638 ter wereld?

Op de Beeck: Het land was toen op alle vlakken achterlijk. De Italianen noemden de Fransen niet voor niets ‘de barbaren’. De Engelsen, Hollanders en Duitsers stelden met veel genoegen vast dat de Fransen van handeldrijven geen kaas gegeten hadden.

Frankrijk was een lappendeken van baronieën. De adel zwaaide de plak en de koning werd getolereerd. Hij mocht op zijn troon zitten van God, maar moest vooral niet te vaak denken dat hij ook nog iets te zeggen had. Het verfijnde Frans zoals wij dat nu kennen, werd nog niet gesproken. De doorsnee Fransman bediende zich van een erbarmelijk taaltje. De prachtige Franse taal zou pas in de eeuw van de Zonnekoning tot volle wasdom komen en bepaalde mee de uitstraling van Frankrijk over de rest van de wereld.

 

Het zag er lang naar uit dat de Zonnekoning nooit geboren zou worden?

Op de Beeck: Zijn vader Louis XIII was niet echt voor de vrouwen. Hij speelde liever ondeugende spelletjes met wufte edellieden en met zijn koetsier. Het duurde achttien jaar voor Louis XIII en zijn vrouw Anna van Oostenrijk met succes de liefde bedreven. Niet omdat de vorst er plots zoveel zin in had, maar omdat kardinaal Richelieu, de eerste minister, vond dat het de hoogste tijd was dat er voor een troonsopvolger gezorgd werd. Richelieu wou de centrale macht in handen van de koning brengen. Om dat plan door te voeren, had hij een geschikte dauphin nodig. Op bevel van de kardinaal maakten Louis XIII en Anna vervolgens een kleine. Twee jaar later volgde nog een zoon: Philippe. Die groeide op in de schaduw van zijn oudere broer.

Louis XIV cijferde zichzelf als mens volledig weg in functie van ‘l’état’, het staatsbelang, het koningschap. Er wordt gezegd dat hij ooit zou uitgeroepen hebben: ‘L’État, c’est moi!’, maar dat is niet meer dan een historisch verzinsel. Hij cijferde niet alleen zichzelf, maar ook alle anderen weg, inclusief zijn eigen broer. Philippe d’Orléans had niets te zeggen. Toen bleek dat Philippe een betere veldheer was dan Louis, werd hij onmiddellijk uit het leger gehaald.

 

Philippe werd aan het hof als meisje opgevoed.

Op de Beeck: Het was in die tijd niet ongebruikelijk dat kleine jongens tot hun zesde in meisjeskleren rondliepen. Bij Philippe bleef dat maar duren. Richelieu en diens opvolger kardinaal Jules Mazarin wilden hem verwijfd maken. Zo probeerden ze te vermijden dat Philippe ooit ambities zou krijgen om zijn broer van de troon te stoten. Ze vertrouwden hem als kind toe aan een notoire pedofiel. Veel later zou Philippe zich aan het hof van Versailles manifesteren als vrouw. In die tijd kon een gewone burger voor homoseksuele betrekkingen veroordeeld worden tot branden aan de staak. Maar in Versailles nam niemand daar aanstoot aan. Mannelijke edellieden mochten probleemloos met elkaar van bil gaan. Tot Louis XIV vond dat ze te veel een kliek vormden. Hij vertrouwde geen kliekjes en wou daarom alle homo’s weg uit de top van het leger. Dat plan werd weer opgeborgen toen hij erachter kwam dat hij dan de helft van de legertop zou verliezen. (lacht)

Ik twijfel er trouwens niet aan dat de beide broers elkaar graag zagen. Louis werd net geen 77, wat in die tijd erg oud was. In de loop der jaren zag de koning de ene na de andere sterven. Zijn zoon, zijn kleinzoon, zijn achterkleinkind… Ze gingen allemaal dood. Ook zijn broer. Er zijn talloze getuigenissen dat hij daaronder leed en met depressies kampte. Louis had ook nogal wat fysieke problemen, met een fistel aan de anus die hij ten einde raad op 17 november 1686 zonder verdoving liet wegsnijden. Een jaar eerder kwam zijn linkerbovenkaak mee toen de tandartsen zonder verdoving zijn rottende tanden aan het trekken waren. Het gat dat zo tussen neus en mondholte ontstond, probeerden ze verschillende keren dicht te schroeien met gloeiende ijzers en hete kolen. Ook zonder verdoving, want van anesthesie was in de 17e eeuw jammer genoeg geen sprake.

Er werd nauwgezet bijgehouden wat Louis at, dronk, hoeveel keer hij naar het toilet ging, hoe vaak hij ziek was en aan welke kwalen hij leed. We weten echt alles over hem en we weten ook wat en hoe de absolutist der absolutisten dacht. Vóór zijn veertigste schreef hij al zijn memoires, want hij was ervan overtuigd dat hij net als de doorsnee Fransman niet veel ouder zou worden. Die geschriften zijn meer dan louter memoires: het is een handleiding voor de volgende koning: zó leid je dit land, zó moet je je gedragen en zó voer je politiek.

 

Hoe belangrijk was kardinaal Jules Mazarin in de vorming van Louis XIV?

Op de Beeck: Zijn belang kan niet onderschat worden. Kardinaal Richelieu duidde op zijn sterfbed Jules Mazarin als zijn opvolger aan. Richelieu leerde Mazarin hoe je tezelfdertijd het land en jezelf kunt verrijken. Beide kardinalen waren financiële genieën. Mazarin slaagde er als eerste minister in om de staatskas te vullen én om tegelijkertijd een van de rijkste mensen van Europa te worden. Hij was niet alleen kardinaal en eerste minister, maar ook de minnaar van Louis’ moeder Anna. Daarnaast was hij wapenhandelaar, smokkelaar, sjoemelaar en fraudeur op grote schaal.

Zijn grootste uitvinding is zonder twijfel Louis XIV. Mazarin had heel vroeg door dat de Dauphin niet de zoveelste koning zou worden, maar de potentie had om uit te groeien toe een heel grote vorst. Mazarin wist ook: regeren is communiceren. Een van de grote middelen daarvoor was toen de kunst. Hij leerde Louis niet alleen kunst appreciëren, maar er ook de macht van ontdekken. De Galerie des Glaces in Versailles is een van de mooiste zalen in Europa. Het plafond is beschilderd met prachtige fresco’s van Charles Le Brun. Die zijn stuk voor stuk ondertiteld in het Frans en niet in het Latijn zoals toen de gewoonte was. Ze werden gebruikt als propagandamiddel, net als al die andere kunst- en cultuuruitingen die fors ondersteund werden. Met kunst propageerden Mazarin en Louis het koningschap niet alleen in Frankrijk, maar in heel Europa.

 

Is dat een van de redenen waarom de Zonnekoning het paleis en de tuinen van Versailles bouwde?

Op de Beeck: Zonder twijfel. Maar er zijn ook andere redenen: Versailles was een overwinning van de mens op de chaos. Eerst lagen er enkel moerassen. Iedereen verklaarde Louis gek. Zijn minister van Financiën Jean-Baptiste Colbert zat met de handen in het haar. De tuinen en het paleis van Versailles zouden elk jaar zes procent van het totale nationale budget opsouperen. ‘Laat ons het Louvre uitbouwen’, suggereerde Colbert. Louis dreef toch zijn wil door: hij overwon het moeras en de vijandigheid. Versailles was een persoonlijk statement van de vorst: ‘De mensheid, ons land, ons volk, de koning: wij kunnen hogerop.’ Versailles vatte ook de drie grote principes van de architectuur van de klassieke oudheid samen in één gebouw: de venustas – de schoonheid, de soliditas – de sterkte van de constructie, en de commoditas – je moest er comfortabel in kunnen leven. Al mislukte dat laatste ietwat, want er waren amper toiletten en de koning was de enige die een badkamer had. De duizenden andere bewoners en bezoekers moesten het stellen met een waskommetje.

Met Versailles had Louis ook een politieke bedoeling: hij wou zo zijn grip vergroten op de verschillende baronieën. Hij lokte de edellieden uit de departementen met belastingvoordelen en privileges naar Versailles. Daar bevond zich voortaan het centrum van de macht waar het echte politieke leven zich afspeelde. ‘Als je het wil maken, moet je dicht bij de koning zijn.’ Louis XIV was de zon en Versailles the place to be. Louis ontpopte zich tot een meester in het het verlenen van gunsten en privileges. De edellieden gingen er helemaal in op. Als hertog bereikte je het summum als je de nachtkaars mocht vasthouden wanneer de koning in bed kroop. Een etentje met de vorst in Château de Marly gold als opperste erkenning. Edellieden lobbyden zich suf om op de lijst van genodigden te komen. Tijdens Louis’ dagelijkse wandeling door de Galerie des Glaces smeekten ze met gebogen ruggen: ‘Sire, Marly?’ De meesten kwamen er nooit.

Marly was de plek waar Louis helemaal zichzelf was. Aan het begin van de 19e eeuw is dat kasteel jammer genoeg vernield. Te paard lag het op een uur rijden van Versailles. Volgens de schrijver Racine gedroeg hij zich in Marly veel vrijer dan in Versailles. ‘De koning laat de remmen hier los en is lief’, schreef hij. Louis’ moeder Anna van Oostenrijk en kardinaal Mazarin hadden hem geleerd dat hij een masker moest opzetten als hij als vorst wou overleven. Hij moest ‘ondoordringbaar’ zijn en mocht geen emoties tonen. Zijn plannen en werkelijke intenties moesten verborgen blijven.

 

Hij was nog heel jong toen hij die levenslessen opgelepeld kreeg?

Op de Beeck: Zeker. Hij was tien toen de troon wankelde en er oproer in Parijs was. De edellieden hadden het in die tijd niet begrepen op het streven van kardinaal Mazarin naar ‘potestas absoluta’, de absolute heerschappij van de kroon én de eerste minister, die alleen de wetten stelden en geen rekenschap hoefden af te leggen aan andere instellingen. De opstand daartegen, of de Fronde, bestond uit een warrige combinatie van parlementairen en geestelijken die het volk bespeelden. In het holst van de nacht van 5 op 6 januari 1649 werd de kleine Louis van zijn bed getild en moest hij samen met zijn familie voor de opstandelingen op de vlucht. Het plebs plunderde de stad en Louis voelde zich vreselijk vernederd toen hij hoorde dat zijn moeder haar juwelen had moeten verpanden om de soldij van de soldaten te kunnen betalen. In Engeland werd koning Charles I op bevel van het parlement onthoofd. Anna van Oostenrijk zag al hetzelfde met haar zoon gebeuren en in overleg met Mazarin sloot ze een akkoord met het Franse parlement. Het koningshuis was gered, maar tezelfdertijd werden zowat alle eisen van de tegenstanders ingewilligd. Al wie zich tegen de kroon had gekeerd kreeg amnestie. Louis zwoer dat zoiets nooit meer mocht gebeuren. De koning moest daarom alle macht in handen krijgen. Hij wou die absolute macht niet omdat hij een soort van Hitler was. Nee, hij wou die absolute macht omdat hij de maatschappij wou laten vooruitgaan. ‘Dat kunnen we toch niet langer overlaten aan die “vertegenwoordigers van het volk”?’, vond hij. ‘Want die edellieden zijn zakkenvullers die enkel geïnteresseerd zijn in hun eigenbelang. Ik ben de garantie voor de welvaart en het welzijn van mijn volk.’ Louis XIV had dus zeker de eerste decennia van zijn koningschap een echte missie.

 

Hij verwekte heel wat kinderen, niet alleen bij zijn echtgenote Maria Theresia van Oostenrijk. Ik leer uit uw boek dat hij naast zes reguliere kinderen ook nog zestien bastaardkinderen bij verschillende minnaressen had.

Op de Beeck: Veel van die kinderen stierven heel jong. De kindersterfte was in die tijd enorm; we kunnen ons dat nu niet meer voorstellen. Louis koesterde al zijn overlevende kinderen, óók de bastaarden die hij erkende, en hij was een echte papa voor hen. Dat staat compleet haaks op zijn keiharde imago. Hij was ook een opa met een peperkoeken hart. Toen hij zijn kleinzoon naar Spanje stuurde om daar koning te worden, stond het huilen hem nader dan het lachen.

Louis XIV werd in zijn puberteit ontmaagd op bevel van zijn moeder. Zij zag hoe de vrouwen in bosjes voor hem vielen en maakte zich daar zorgen over. Hij mocht zeker niet verliefd worden en zich binden aan een vrouw die niet paste binnen de politiek van de staat. Dus besloot Anna van Oostenrijk dat haar zoon zo snel mogelijk met seks kennis moest maken, in de hoop dat hij daarna voorgoed van zijn driften verlost zou zijn. Ze schakelde de veertigjarige schele hofdame Catherine Bellier in. Chroniqueur Primi Visconti beschrijft wat er gebeurde: ‘De vorst was nog zeer jong toen ze hem in een uithoek van het Louvre terzijde nam en verkrachtte, of toch tenminste derwijze verraste dat ze van hem kreeg wat ze verlangde.’ De ontmaagding had een totaal tegengesteld effect: het betekende voor Louis de start van een gevuld liefdesleven met talloze minnaressen.

 

Bepaalden die minnaressen achter de schermen mee zijn politieke beleid?

Op de Beeck: Er zijn notulen van een ministerraad waarin hij toegaf dat hij iets te veel naar de vrouwen keek. Hij zei tot zijn ministers: ‘Als u ooit merkt dat een vrouw ook maar de geringste macht over mij uitoefent, dan beveel ik u om mij te waarschuwen.’

Zijn minnaressen hadden geen politieke invloed, maar sommige beïnvloedden hem wel op andere manieren. Marie Mancini, een nicht van kardinaal Mazarin, en Athénaïs de Montespan, de vleesgeworden erotiek, wekten bij hem de zin voor het esthetische op. Maar het veelvuldige overspel speelde hem ook parten. Als diepchristelijke koning was hij de behoeder van het katholieke geloof. Naarmate hij ouder werd, werd hij gevoeliger voor de kritiek van de devoten aan het hof. Zijn lange relatie met de eveneens getrouwde De Montespan vonden zij not done. Een dubbel overspelige katholieke vorst met de uitstraling van Louis XIV was in Frankrijk en de rest van Europa niet meteen reclame voor de kerk. Een nieuwe maîtresse, de katholieke Françoise Scarron bracht soelaas. Hij werd dolverliefd op haar, terwijl zij onder een hoedje met de kerk speelde. Ze wordt door de geschiedschrijving heiliger voorgesteld dan ze was, want uit haar brieven blijkt dat ook zij verliefd was op Louis, niet alleen geestelijk. Terwijl ze met hem sliep, trok ze hem weg van De Montespan en overtuigde ze hem er zelfs van om terug met zijn vrouw naar bed te gaan. Na de dood van Marie Theresia hertrouwde Louis met Scarron. Zo groeide zij als Madame de Maintenon uit tot één van de machtigste vrouwen van Frankrijk. Dat huwelijk betekende meteen ook het einde van Versailles met de vele feesten. Langzaam maar zeker veranderde het ooit zo liederlijke paleis in een museum.

 

Johan Op de Beeck, De Zonnekoning, Horizon, 736 blz., 34,99 euro

 

Johan Op de Beeck

  • 1957 geboren in Duffel
  • Studeerde communicatiewetenschappen aan de VUB
  • 1980 begon te werken als journalist en nieuwslezer bij de VRT
  • 1990 verliet de VRT en richtte zijn eigen mediabedrijf op
  • 1993 werd de eerste hoofdredacteur van TV Limburg
  • 1996 leidde de redactie van nieuwszender Euronews
  • 1999 startte mee Kanaal Z op en werd er directeur informatie
  • 2003 – 2005 netmanager van Ketnet en Canvas
  • Maakte verschillende tv-documentaires zoals Masters of the Game en Atlantik Wall
  • Naast vijf bestsellers over Napoleon en zijn tijd schreef hij ook nog Het verlies van België en De bedreigde vrijheid.

 

 

(c) Jan Stevens