“We sluiten onze ogen voor kindermishandeling”

Kindermishandeling is volgens de Nederlandse minister van Volksgezondheid ‘het grootste geweldprobleem van Nederland’. Daarom stelde hij onlangs een gespierd plan voor om huiselijk geweld drastisch aan te pakken. Hoe groot het probleem bij ons is, weet niemand. “Het maakt mensen – inclusief onze politici – bang.”

 

“Nederlanders treden graag harder op dan wij”, zegt Pascale Franck, criminoloog en coördinator van het Family Justice Center (FJC) Antwerpen. “Maar of ze betere resultaten halen, is nog maar de vraag.” Nochtans overlegt Franck regelmatig met de medewerkers van de Nederlandse minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge over de aanpak van familiaal geweld. “Dat komt omdat onze noorderburen erg geïnteresseerd zijn in ons FJC, waar alle diensten rond thuisgeweld verzameld zijn op één locatie. Dat willen ze graag kopiëren.”

Vorige maand stelde minister De Jonge zijn nieuwe stevige plan voor. De maximumstraf en verjaringstermijn voor stelselmatige kindermishandeling worden in Nederland verhoogd, er zal keihard opgetreden worden tegen begeleiders die kinderen onder hun hoede mishandelen en ouders met losse handjes krijgen sneller dan ooit een thuisverbod opgelegd. De Jonge noemt kindermishandeling en partnergeweld ‘het grootste geweldsprobleem van Nederland’. “Het gaat jaarlijks over 119.000 kinderen die slachtoffer zijn van kindermishandeling en 200.000 volwassenen die te maken hebben met huiselijk geweld”, zei hij in het praatprogramma Pauw. “Thuis zou veilig moeten zijn, terwijl het vaak een onveilige plek is. Dat moéten we doorbreken.”

Begin april maakte Hulplijn 1712, de telefoondienst van de Vlaamse overheid voor burgers met vragen over geweld, haar statistieken van 2017 bekend. 62 procent van de 4.812 oproepen ging over kindermishandeling; 14 procent over partnergeweld. Ook bij ons lijkt familiaal geweld in aanmerking te komen voor een eerste plaats in de geweldshitparade. Maar de juiste omvang van het probleem kennen we niet. Pascale Franck: “Tot hiertoe is er in Vlaanderen geen groot significant onderzoek naar kindermishandeling gevoerd. Dat is jammer, want als je als overheid thuisgeweld goed wil aanpakken, moet je eerst weten wat er aan de hand is. Maar het maakt mensen, inclusief onze politici, bang. Dus sluiten ze liever de ogen.”

Franck heeft dertig jaar ervaring in de aanpak van familiaal geweld en is een van de drijvende krachten achter de nieuwe Family Justice Centers. “In een FJC zitten onder andere politie, justitie, jeugdzorg en het OCMW op één plek. In het verleden verliep de samenwerking tussen die diensten niet vlot. Als vroeger bij een acuut geval van familiaal geweld de onderzoeksrechter op vrijdagnamiddag besliste om de pleger zonder voorwaarden vrij te laten, konden de slachtoffers enkel bang afwachten. Nu schiet meteen ons hoog-risicoteam in actie. Zij vragen een preventief huisverbod aan, schakelen een vluchthuis in of spreken af met meneer dat hij voorlopig niet thuis blijft wonen. Sinds eind vorig jaar wordt in alle regio’s gewerkt aan de opstart van hoog-risicoteams en drie Vlaamse steden hebben intussen een volwaardig FJC: Antwerpen, Hasselt en Mechelen.”

 

Hebt u de indruk dat familiaal geweld toeneemt?

Pascale Franck: “Nee, maar er zijn wel meer meldingen. Dat wil zeggen dat het bespreekbaarder geworden is. Wat wel opvalt, is dat de aard van de meldingen zwaarder wordt en de kloof tussen rijk en arm groter. Gezinnen in armoede zijn geïsoleerd en hebben geen netwerk waarop ze terug kunnen vallen. Die omstandigheden zorgen ervoor dat de ouders makkelijker hun toevlucht nemen tot geweld.”

 

Enkel in de provincies Antwerpen en Limburg zijn FJC’s opgericht. Wil dat zeggen dat een West-Vlaams kind op dit moment slechter beschermd is bij kindermishandeling dan een Antwerps kind?

“Eigenlijk wel.”

 

Slaan om goed te doen

Kristof Desair is coördinator van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK) Vlaams-Brabant en directeur van het Vlaams Expertisecentrum Kindermishandeling. In de spreekkamers van het VK aan de Leuvense Justus Lipsiusstraat zag hij de voorbije twintig jaar veel gezinnen uit alle lagen van de bevolking passeren. “Onze eerste opdracht is zorgen voor veiligheid”, zegt hij. “Het geweld moét stoppen. Soms is het dan beter dat de geweldplegende ouder een tijd het huis verlaat.”

 

Hoe komen gezinnen bij jullie terecht?

Kristof Desair: “Door een buur, familielid of kennis die bij een kind signalen opvangt die aan kindermishandeling doen denken. Kindermishandeling gaat trouwens niet enkel over fysiek en psychisch geweld of seksueel misbruik, maar ook over kinderen die getuige zijn van partnergeweld. Na een melding sturen we een brief naar de ouders. ‘We maken ons zorgen en willen daar met u over praten.’ Acht keer op tien gaan ouders op onze uitnodiging in. Wij geloven niet dat ouders doelbewust hun kinderen willen kwetsen of vernederen. Kindermishandeling is vaak een foute manier van hen om met stress en frustraties om te gaan. Maar ook al gebeurt het maar één keer, voor een kind kan het zeer ingrijpend zijn.”

 

Kinderen zijn loyaal ten opzichte van hun ouders. Ze wijzen zelden met een beschuldigende vinger naar de mishandelende ouder. Is dat problematisch?

“Loyauteit hoeft niet meteen een probleem te zijn. Integendeel, die natuurlijke hechting tussen kinderen en ouders kan net het fundament zijn waarop wij herstel bouwen. Maar eerst zetten we alles op alles om het geweld meteen te stoppen. Daarna concentreren we ons op de factoren die aan de basis liggen van dat geweld. Alleen zo kunnen we herval vermijden. Dat is werk van lange adem. Moeten we het OCMW inschakelen om ouders die in geldnood zitten er financieel weer bovenop te helpen? Doen we beroep op een thuisbegeleidingsdienst om de ouders pedagogisch te ondersteunen? Verwijzen we ouders met psychische problemen door naar de psychiater? Last but not least werken we dan aan het herstel.”

 

Gebeurt het vaak dat een ouder uit angst, eigenbelang of lafheid niet ingrijpt als de partner een kind mishandelt?

“Als het over seksueel misbruik gaat, hoor je vaak: de moeder zal het wel geweten hebben. Terwijl we daar niet zo zeker van zijn. Soms hebben mensen het écht niet gezien. Dat andere cliché, dat daders vroeger vaak zelf slachtoffers waren, klopt dan weer vaak wel. Als wij aan ouders vragen of ze zelf in hun jeugd mishandeld zijn, is het antwoord dikwijls ja.”

 

Wat toch bizar is, want ze hebben het zelf aan den lijve ondervonden?

“Zeker. Verschillende keren heb ik al gehoord: ‘Jij zegt dat ik mijn kind fysiek mishandel, maar je zou eens moeten weten hoe het bij mij was, dát was pas mishandeling. Ik sla om goed te doen.’

Het fysieke en seksuele geweld wordt meer door mannen gepleegd. Toch hebben we niet het gevoel dat beduidend meer mannen daders zijn dan vrouwen. Vaak is het een gedeelde verantwoordelijkheid waarbij het gedrag van de ene ouder bepaald wordt door het gedrag van de andere.”

 

Hoe oud zijn de mishandelde kinderen?

“Het merendeel is tussen zes en twaalf. Maar we zien kinderen van nul tot achttien en soms zelfs ouder. Gezinnen komen hier gemiddeld tussen drie tot zes maanden over de vloer. We spreken hen dan wekelijks of om de twee weken. Af en toe praten we op school apart met de kinderen.

Onlangs kwam een jonge vrouw me opzoeken die ik gevolgd heb tussen haar zesde en negende. Ze wou haar verleden reconstrueren. Ze wist nog dat ze als kind bij mij geweest was, had de verhalen van haar ouders gehoord en wou een paar hiaten invullen.”

 

Dat wil zeggen dat de mishandeling uit haar jeugd ook in haar volwassen leven blijft nazinderen?

“Geweld in je jeugd heeft een serieuze impact. Wat niet wil zeggen dat je het als volwassene automatisch moeilijk zal hebben. In de jaren negentig is in de VS een groot onderzoek gestart naar de gevolgen van kindermishandeling op lange termijn, de ACE-study of Adverse Childhood Experiences. Er blijkt een heel sterk verband te bestaan tussen de negatieve jeugdervaringen van mensen en de psychische en lichamelijke klachten die ze als volwassene krijgen.”

 

 

 

 

Nadja Lievero (49): “Moeder greep nooit in”

 

“Zolang mijn moeder leefde, heb ik in het openbaar nooit iets over de geestelijke en lichamelijke mishandeling gezegd. Met alles wat ik nu weet, zou ik niet meer tot na haar dood wachten om mijn verhaal te vertellen. Want ik heb mezelf deze ellende niet aangedaan, maar zit nu wel met de shit.

Mijn moeder was op haar achttiende zwanger van mij en wist zogezegd niet wie de vader was. Ze trouwde met de man die mij als zijn wettige dochter erkende. Hij heeft me nooit geaccepteerd. Van toen ik kon lopen, kreeg ik slaag. Moeder werd ook door hem mishandeld. Veel later zei ze: ‘Wat moest ik doen? Waar kon ik naartoe?’

Samen kregen ze nog een dochter. Zij werd ook mishandeld, maar minder. Ik groeide op met de boodschap dat ik een bastaard was en nooit geboren had mogen worden.

Mijn zus zat in de kinderbox. Mijn wettelijke vader, want zo noem ik hem, sloeg me verrot en liet me alle hoeken van de kamer zien. Hij smeet me tegen de box en stampte me daarna de trap af, de kelder in. Daarna bolde hij het af. Mijn zus brulde tot de buren kwamen kijken.

Op een dag moest ik met een blauw oog naar school. Hij had me met mijn hoofd keihard tegen de kast geduwd. Ik zat in het tweede leerjaar en zei tegen de juf: ‘Ik moest van pa zeggen dat ik tegen de kast gelopen ben.’ Er gebeurde helemaal niets. Dat was in die tijd gewoon zo. Jaren later kwam ik te weten dat veel mensen grote vermoedens hadden over het geweld in ons gezin, maar nooit had iemand durven ingrijpen.

Ik kreeg slaag tot mijn ouders uit elkaar gingen. Ik was pas negen. Toen verscheen mijn stiefvader op het toneel. In het begin was hij een vriendelijke, lieve man. Na een tijdje begon hij me seksueel te misbruiken.

Op mijn zestiende liep ik weg bij mijn moeder en mijn stiefvader. Ik kon het misbruik niet meer aan. Het klinkt waarschijnlijk bizar, maar ik klopte bij mijn wettelijke vader en zijn vriendin aan. Bij de man dus die me jarenlang geslagen had. Dat was een vergissing van formaat, maar ik zag geen andere uitweg. Want begin jaren tachtig werd een opvangtehuis nog voorgesteld als ‘het verbeteringsgesticht’. Bij mijn wettelijke vader belandde ik van de regen in de drop. Naast de lichamelijke en psychische mishandeling begon ook hij me seksueel te misbruiken.

De directrice van de middelbare school had door dat er iets mis was. Zij nodigde me uit op haar kantoor en zorgde ervoor dat ik tijdens de turnlessen op therapie kon. Die woensdag ging ik voor het eerst naar een psycholoog. Hij vroeg 20 frank. Ik was zeventien en kon hem niet betalen. Toen ik thuis kwam, wist mijn wettelijke vader waar ik gezeten had. Ik vermoed dat die psycholoog hem gebeld had om zijn ereloon op te eisen.

In 1996 ben ik ingestort. Ik belandde in een zware depressie en werd opgenomen. Jarenlang had ik mezelf wijsgemaakt dat mijn moeder niets wist over het misbruik. Tot ik moest toegeven: natuurlijk wist ze het. Mijn man organiseerde toen een confrontatie met haar. Hij dacht dat het me zou helpen. Op mijn kamer gaf ze toe dat ze het altijd had geweten. Niet veel later riep ze me in de gang van het ziekenhuis toe: ‘Lui wijf, je zou beter voor je gezin zorgen.’ Ik heb haar daarna nooit meer gezien.”

 

 

 

Dirk Verbeeck (49): “Die loyauteit is zo raar”

 

“Mijn ouders pasten niet bij elkaar en maakten veel ruzie. Hun huwelijk eindigde in een vechtscheiding. Mijn moeder nam het me later kwalijk dat ik mijn vader nog graag zag. Ze gingen uit elkaar en vanaf dat moment kwam hij, mijn stiefvader, in ons leven. Hij stierf vijf jaar geleden; mijn moeder is nog maar pas overleden.

Ik ging als kind helemaal mee in moeders verhaal dat mijn vader slecht was en dat zij en haar nieuwe vriend John het beste met ons voorhadden. Moeder en John wilden een ‘perfect gezin’, dat hebben ze ooit zo gezegd. Dus voerden ze een verstikkend regime in. Mijn broer en ik werden strikt gecontroleerd. Telkens wanneer ik het voor mijn vader opnam, wees John me terecht. ‘Je ziet je moeder niet graag’, zei hij dan. ‘Ze is een heilige en je moet haar zo behandelen.’ Als we kattenkwaad uithaalden, noemde hij ons vlakaf: ‘Slechte kinderen.’ Hij richtte zijn pijlen vooral op mij, want ik was de oudste en die moest beter weten.

John had geld en nam ons mee op vakantie naar Spanje. Ik was dertien en had nog nooit gereisd. Moeder zei: ‘Vanaf nu is John vake.’ Dat overviel me, maar ik was voor het eerst van mijn leven in een ver buitenland en ik was gelukkig. ‘Vake’ was ontzettend dominant, wist feilloos onze zwakke plekken te vinden en buitte dat op een schaamteloze wijze uit. Voor de buitenwereld was hij de goedheid zelve. Hij kwam uit een extreemrechts milieu en stuurde ons naar het VNJ. Als puber ontwikkelde ik zo een afkeer tegen extreemrechts. Ik kocht soms De Morgen of Humo en dat vond hij verschrikkelijk. Dan mocht aan tafel tegen mij niet meer gesproken worden. Soms stonden er ’s morgens drie borden klaar in plaats van vier. ‘Wat heb ik nu verkeerd gedaan?’, vroeg ik dan. Ze negeerden me alsof ik lucht was.

Op een keer kroop John bij me in bed. Hij betastte me en dwong me tot seksuele handelingen met hem. Tot vandaag laat dat misbruik sporen na. Hij viel me lastig tot ik een jaar of zestien was.

Elk weekend moesten we naar zijn buitenverblijf. Uitgaan met vrienden was taboe. Elke zaterdag en zondag stond hij daar. Ik snap nog steeds niet waarom ik toen bleef zwijgen. Welke idioot laat zoiets toe? Ik was compleet in de war. Hij misbruikte me niet alleen seksueel, maar ook mentaal. Hij isoleerde en kleineerde me doelbewust. Ik was wat dikker en hij lachte me uit met zijn vrienden erbij. ‘Kijk, Dirk heeft tetjes.’ Als puber wil je zoiets niet horen.

Ik trok naar de universiteit en voelde me daar als een vis in het water. Op een ochtend kwam ik in de kamer en daar stonden weer drie borden op tafel. Ik belde een van mijn studiemakkers: ‘Kom me hier alsjeblief halen.’ Ik trok in bij mijn echte vader in Antwerpen. Een week later wou ik een gesprek met mijn moeder. ‘Ik wil alleen jou zien, niet John.’ Toen ik daar aankwam, stond mijn gerief netjes ingepakt. De boodschap was klaar en duidelijk: bol het af. Al mijn sporen in het huis waren gewist. Ik vertrok, en toch kapte ik niet met hen. Ik bleef moeder braaf bezoeken. Die loyauteit is zo raar; ik heb daar nu spijt van.

Twaalf jaar geleden vroeg moeder aan de telefoon waarom onze oudste zoon niet bij hen mocht blijven slapen. ‘Ik heb daar mijn redenen voor’, zei ik. ‘Hoezo? Is vake misschien een pedofiel?’, vroeg ze. Toen besefte ik: ze weet wat er gebeurd is. ‘Vraag het hem zelf’, zei ik. Ze haakte in en ik heb haar nooit meer gehoord of gezien.

Toen ‘vake’ stierf, hoopte ik op een vorm van erkenning door mijn moeder. Die kwam er niet. Een tante liet me onlangs weten dat zij gestorven was. Ik begon alle begrafenisondernemers uit Lier te bellen. Ik wou op mijn manier afscheid nemen. Bij de tweede had ik prijs. Hij moet zoiets nog meegemaakt hebben, want hij had alle begrip. Hij zei: ‘Neem gerust uw tijd.’ Daar lag ze, dood. Ik voelde verdriet en woede omdat ik wist dat er geen erkenning of verontschuldiging meer komt.”

 

 

Kindermishandeling – de trieste cijfers

 

In 2016 werden 9.133 kinderen gemeld bij de zes Vertrouwenscentra Kindermishandeling (ruim 5 procent meer dan het jaar voordien). 14 procent van de kinderen was jonger dan 3 jaar. 15 procent was ooit al eens gemeld in de jaren ervoor.

28,6 procent van de meldingen ging over lichamelijke mishandeling.

29,9 procent ging over emotionele mishandeling.

14,9 procent over seksueel misbruik.

 

In 2011 organiseerde het Kinderrechtencommissariaat ‘Geweld, gemeld en geteld’, een bevraging bij 2000 kinderen tussen 10 en 18 jaar. “Dat is de enige studie bij ons naar geweld in het gezin”, zegt Kristof Desair. “Het is doodjammer dat ze nooit herhaald is.”

Uit die studie bleek dat 5 tot 7 procent van de jongeren thuis geconfronteerd werd met ernstig verbaal geweld.

7,5 procent werd ooit door een ander lid van het gezin geslagen of geschopt. Ruim 2 procent incasseerde die klappen en schoppen op regelmatige basis.

4 procent kreeg ooit te horen dat hij of zij beter niet geboren was.

Ruim 4 procent had dikwijls het gevoel onbelangrijk te zijn.

13 procent was ooit bang van tegen elkaar roepende en tierende ouders.

7,6 procent was ooit getuige van elkaar slaande of schoppende ouders. 4 procent zag dat dikwijls.

9 procent had vaak het gevoel dat er niemand was die luisterde en hielp toen ze dat het meeste nodig hadden.

1,5 procent werd ooit door een ander lid van het gezin seksueel misbruikt. Bij 0,3 procent vond dat misbruik plaats op regelmatige basis.

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

Anthony Bourdain (1956-2018)

21 juni 2003 – Anthony Bourdain van het New Yorkse restaurant Les Halles werd een paar jaar geleden wereldberoemd met het boek Kitchen confidential , een satirische rondleiding door de New Yorkse culinaire onderwereld. Onlangs verscheen zijn derde thriller. Als hij moet kiezen tussen de keukentafel en de schrijftafel, is zijn keuze snel gemaakt: ,,Koken doe ik met hart en ziel. Schrijven is een gemakkelijke, lucratieve bijverdienste.”

 

Jaren geleden begon Anthony Bourdain (° 1956) zijn culinaire carrière als bordenwasser in een groezelig restaurant. ,,Het was de enige manier om aan seks, drugs en gratis drank te geraken.” Tot hij besefte dat hij zijn eigen graf aan het delven was.

Hij kickte af en ging studeren aan het Culinary Institute of America (CIA). Nu is Bourdain, afgezien van zijn dagelijkse portie sigaretten en alcohol, clean . Hij is gelukkig getrouwd en runt op Park Avenue South in New York de gerenommeerde Franse brasserie Les Halles . “Ik heb er geen spijt van dat ik ooit van ’s morgens tot ’s avonds met mijn handen in het vuile afwaswater gezeten heb. Als er zich in mijn restaurant een Mexicaanse bordenwasser en een jonge afgestudeerde van het CIA voor een job aanbieden, dan maakt de Mexicaan de meeste kans. De koksopleiding is fantastisch, maar als je het in dit vak wilt maken, dan moet je eerst ervaren hoe het er in de echte wereld toe gaat. Elke would-be chef zou zich eerst zes maanden als bordenwasser moeten uitsloven. Als hij het dan nog ziet zitten, dan lacht de toekomst hem toe.”

 

In Kitchen confidential schetst u geen fraai beeld van de restaurantwereld. U beschrijft uw collega’s als verslaafde gedegenereerden, dieven, sletten en psychopaten. Kijken andere koks u nu met de nek aan?

Bourdain: ,,Na de publicatie van Kitchen confidential heeft geen enkele andere chef me de huid vol gescholden. Ik sta, daar eerlijk gezegd, zelf van te kijken. (lacht)  Eind 2000 ben ik in opdracht van de zender Food Network op wereldreis vertrokken. Het resultaat was de televisieserie en het boek A cook’s tour , waarin ik op zoek ging naar ‘de perfecte maaltijd’. Veel van mijn overzeese collega’s kenden Kitchen confidential en mijn reputatie. Maar ik werd overal even hartelijk ontvangen, met overdadig veel wijn, uitgebreid eten, sigaren en cognac. Professionele chefs vonden weinig onthullingen in mijn boek. Wij, keukenprinsen, kennen onszelf. We weten dat we geen engelen zijn. We zijn geen respectabele leden van de gemeenschap; we leven en werken altijd op het scherp van de snee, en daardoor verschillen we fundamenteel van onze ‘brave’ klanten.

Deze business trekt mensen aan die hunkeren naar melodrama en sensatie. Het is dan ook normaal dat de meeste chefs na het werk vaak flink uit de bol gaan en zich te goed doen aan seks, drugs en rock-‘n-roll. Een fijn orgietje op zijn tijd kan geen kwaad.

 

Kitchen confidential is geen afrekening met de restaurantwereld. Het is een eerlijke beschrijving van hoe het er in die branche werkelijk toe gaat. De meeste chefs zijn het eens met de inhoud van mijn boek. De enige zure reacties kwamen van schrijvers en ‘literaire recensenten’ die vonden dat ik beter in mijn kookpotten was blijven roeren.”

 

Wat doet u het liefst, schrijven of koken?

,,Schrijven is veruit het gemakkelijkste. In mijn geval is het totaal onverwachts ook het lucratiefst gebleken. Ik sta nu dertig jaar in het vak, en ook al is koken een hondenstiel, toch geeft het me de meeste voldoening. Het is eerlijk, hard labeur. Schrijven voelt aan als iets vergankelijks, het gaat te moeiteloos, het geeft me het gevoel dat ik de boel belazer. Maar mijn boeken hebben me wel in staat gesteld om de wereld te zien. Ik heb andere chefs ontmoet en de meest waanzinnige, unieke ervaringen meegemaakt. Ik heb cobrahart, gestoofde vleermuis, halfgare leguaan en lamsballen gegeten. En dat waren de beste testikels die ik ooit in mijn mond gehad heb. (grijnst) Ik klaag dus niet.

Koken geeft echt wel meer bevrediging. In de restaurantwereld heerst camaraderie en trots. Maar ik geef toe, schrijven is een leuke bijverdienste. Ik schrijf graag, en ik breng daardoor jammer genoeg veel minder tijd in de keuken door dan vroeger. Koken zal altijd mijn eerste liefde blijven.”

 

U bent een beroemde kok en een gerespecteerd schrijver, een ,,ster”. Bent u blij met die positie?

,,Ik vertrouw het niet helemaal. Met het geld dat ik nu verdien, kan ik op tijd mijn huur betalen. Ik ben heel blij dat ik dankzij mijn status de wereld rond mag reizen. Andere koks en chefs beschouwen me als een soort van cultfiguur en willen daardoor met veel plezier nachtenlang met mij doorzakken. I love that! Of ik een kick krijg als volstrekte vreemden me op straat herkennen? Niet echt. Ooit houdt dit hele circus op en eindig ik zoals ik begonnen ben: met mijn handen in het afwaswater.

Beroemd zijn is vervelend. Misschien zijn chefs wel de minst aangewezen figuren om sterren te worden. Maar ik troost me met de gedachte dat koks als Antonio Carluccio, Jamie Oliver en ik de mensheid in contact hebben gebracht met goed eten.

Ik ben geen fan van Jamie Oliver, nee. Zijn televisieprogramma’s zijn fake . Ik heb hem ooit een uitslover, een oplichter en een bedrieger genoemd, maar hij heeft wel de verdienste dat hij de Britten enige eetcultuur bijgebracht heeft.”

 

Met de eetcultuur is het in de Verenigde Staten zo mogelijk nog poverder gesteld dan in Engeland. Wilt u later herinnerd worden als de chef die zijn volk leerde eten?

,,Correctie: ik ben geen Amerikaan, ik ben een New Yorker. New York is my home, man. Ik zou in geen enkele andere stad in dit land gedijen. Deze plaats is een oase, midden in de Amerikaanse puriteinse woestijn. Nu de neoconservatieven de macht overgenomen hebben, is het er niet beter op geworden. Wat ik van George W. Bush vind? Ik heb niet voor die kerel gestemd. Meer wil ik er niet over kwijt. De muren hebben oren, weet je. (lacht)

Ik maak er een erezaak van om in mijn restaurant goed eten te serveren voor een eerlijke prijs. Verder reiken mijn ambities niet. Maar het klopt dat grote delen van Amerika op culinair gebied onderontwikkeld zijn. Toch leeft niet elke Amerikaan op een dieet van hamburgers en cola. De laatste jaren schieten in alle staten de gesofisticeerde restaurants als paddenstoelen uit de grond. Momenteel werken er in dit land ongelooflijk veel briljante chefs, zowel autochtone als allochtone. Vooral in steden als New York, San Francisco, Los Angeles en Chicago vind je koks die niet onder hoeven te doen voor hun Europese collega’s. En dan heb je nog de talloze migrantengemeenschappen met hun eigen chefs, gewoonten, ingrediënten en markten.

Ik ben een sushi-fanaat. Je kunt nergens zo’n lekkere sushi eten als in New York. Je vindt hier Indische restaurants, Italiaanse trattorias , elke mogelijke en onmogelijke variant op de Zuid-Amerikaanse keuken, Aziatische tenten. Dagelijks komen er nieuwe bij. De interesse van mensen voor allerlei soorten voedsel van overal ter wereld, vindt haar oorsprong in New York. Dat fenomeen heeft zich van hieruit verplaatst naar Londen, Sydney, Melbourne en de rest van het westen.

Ken je Charlie Trotter of David Bouley? Nooit van gehoord? Zij zijn de Paul Bocuses, de Pierre Wynantsen van Amerika. Alleen hebben zij meer guts , meer lef. Hun gerechten zijn even verheven als die van hun Franse of Belgische evenknieën, maar zij durven net dat tikkeltje meer. ‘De Traditie’ ligt niet als een loden mantel om hun schouders. Ze zijn niet bang om af te wijken van de door Escoffier en consorten platgetreden paden.

Mijn vader is geboren in Frankrijk. Vlak na mijn geboorte immigreerden mijn ouders naar de Verenigde Staten. Als kind ben ik vaak bij de familie van mijn vader op bezoek geweest. Elke zomervakantie trokken we naar het Franse platteland. Toen ik als kleine jongen mijn eerste oester in de Gironde at, wist ik dat ik later kok zou worden. Ik ben niet de enige chef in New York met Franse roots : Vongerichten, Ripert, Ducasse houden de Gallische eer hoog. Net als ik zijn zij geen puristen. Ze laten zich beïnvloeden door andere eetculturen; daardoor zijn het stuk voor stuk echte Amerikaanse chefs.

De Amerikaanse keuken is een afspiegeling van het Amerikaanse volk: het is een mengelmoes, en dat maakt het eten en het leven hier juist zo boeiend. De Amerikaanse keuken bestaat eigenlijk niet, net zoals er geen Amerikaans volk bestaat. Oorspronkelijk komen wij allemaal van ergens anders. We brachten onze gewoonten en onze invloeden samen en we vermengden die in één grote ketel. Het merkwaardige is dat we ons verleden niet verloochend hebben. Kijk naar mij: ik ben geboren in Frankrijk en ik ben een Franse chef geworden. Misschien omdat ik niets anders kan.”

 

U schetst een lyrisch beeld van de Amerikaanse keuken, maar is Amerika niet het land bij uitstek waar voedsel en eten herleid zijn tot één gigantische industrie?

,,Fastfood is altijd het gevaarlijkste Amerikaanse exportproduct geweest. Ketens als McDonald’s beschouw ik als mijn persoonlijke vijanden. Niet omdat ik bang ben dat ze me uit de markt prijzen, maar omdat ze lijnrecht ingaan tegen het begrip eetcultuur .

 

Je kunt van de Fransen zeggen wat je wilt, maar ze weten hoe ze een fatsoenlijke maaltijd moeten bereiden. Ze komen in opstand tegen onze idiote hamburgerketens, terwijl de Amerikanen die rotzooi omarmen. Ik kan daar alleen maar plaatsvervangende schaamte voor voelen. In plaats van op te roepen tot een boycot van Franse producten, zouden de neocons beter de massa mobiliseren om geen Big Macs meer te consumeren.”

 

Waarom hebt u zo’n hartgrondige hekel aan vegetariërs?

,,Vegetariërs zijn elitaire angsthazen die de pest hebben aan andere mensen en culturen. Snobisme is de enige ware zonde. We leven in een grote, soms angstaanjagende, soms stinkende, maar altijd fantastische wereld, waar ontzettend veel voor het grijpen ligt. Ik weiger om daar ook maar één aspect van te missen in naam van een rigide, fundamentalistische filosofie. Het leven is te kort, ik wil alles proberen.

Onlangs was ik op bezoek bij een vriendelijke rijstboer in de Mekong-delta. Stel je voor dat ik zijn aanbod afgeslagen had om samen met hem kip te eten. Je gastheer beledigen doe je toch niet? Vegetariërs missen tact en inlevingsvermogen. Daar walg ik van.”

 

In uw thrillers keren altijd dezelfde thema’s terug: de maffia, beminnelijke criminelen en het restaurantleven. Zijn zij ook bepalend geweest in uw leven?

,,In het verleden zeker wel. Nu rest me alleen nog het restaurantleven. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw werden heel wat New Yorkse restaurants gecontroleerd door de Italiaanse maffia. Ik werkte toen in hun eethuizen en nachtclubs. Ik heb me nooit met hun zaakjes ingelaten en ik ben ook nooit getuige geweest van een moord. Maar ik werd wel omringd door pooiers, dealers, ritselaars en oplichters. Soms hoor ik echo’s van hun stemmen in mijn slaap. Ze zijn aan mijn ribben blijven plakken.

Bobby Gold, het hoofdpersonage uit mijn laatste thriller, is gebaseerd op een aantal louche figuren uit mijn verleden. Bobby heeft een tijd in de gevangenis gezeten, hij werkt als buitenwipper in een nachtclub van een maffioso en heeft een affaire met de vrouwelijke souschef. Ik hou van de sfeer van toen, net zoals ik er ook van hou om mijn thrillers te larderen met recepten en weetjes uit de keuken. Dat zal wel beroepsmisvorming zijn, zeker?

Voor de vorm waarin The Bobby Gold stories is gegoten, heb ik me laten inspireren door The Pat Hobby stories van F. Scott Fitzgerald. Het zijn aan elkaar gelinkte verhalen, met één centrale hoofdfiguur. Daar houdt de gelijkenis met Fitzgerald op. Ik geraak niet eens aan de tippen van zijn tenen. Ik bewonder hem, hij is een van de grootste Amerikaanse schrijvers. Maar ik wil me niet met hem vergelijken, dat zou onbescheiden zijn. Mijn stijl is meer geïnspireerd door het werk van Hunter Thompson, Elmore Leonard en Lester Bangs.”

 

Er was sprake van dat Kitchen confidential verfilmd zou worden met Brad Pitt in de rol van Anthony Bourdain. Hoe ver staat het met die plannen?

,,Die film komt er niet. De regisseur, David Fincher, is er niet in geslaagd het nodige geld bijeen te schrapen. Er zijn wel plannen voor een televisieserie, iets in de lijn van de maffiasoap The Sopranos . Ik probeer aan al die plannen niet te veel aandacht te schenken. Ik kook en ik schrijf boeken. En ik hou de wijze uitspraak van mijn vader in gedachten: ‘Verwacht het ergste, dan word je nooit teleurgesteld.’ ”

 

© Jan Stevens