‘In de privé is er nog meer bureaucratie dan onder ambtenaren’

Volgens de Amerikaans-Britse antropoloog David Graeber is driekwart van al onze jobs niets meer dan zinloze verspilling van tijd. ‘De meeste mensen werken al jaren gemiddeld slechts 15 uur per week. De rest gaat op aan onzin.’

 

‘Bullshit jobs’, noemt David Graeber in zijn prikkelende gelijknamige boek de overgrote meerderheid van de functies in de financiële dienstverlening, sales, marketing, human resources, communicatie en administratie. ‘Als bankiers, juristen, consultants, zakenadvocaten, lobbyisten of pr-lui een staking uitroepen, kraait er geen haan naar’, zegt de aan de London School of Economics (LSE) verbonden en met het anarchisme dwepende professor antropologie. ‘Maar als treinmachinisten, schoonmakers of buschauffeurs er de brui aan geven, is het halve land ontregeld. Hun jobs behoren dan ook tot dat kwart dat er écht toe doet en diensten en producten levert waar werkelijk behoefte aan is.’

In 1930 voorspelde de grote econoom John Maynard Keynes dat dankzij de automatisering vóór het einde van de twintigste eeuw de vijftienurige werkweek zou zijn ingevoerd. ‘Keynes had het bij het rechte eind’, stelt Graeber. ‘Alleen zijn de door automatisering verdwenen jobs vervangen door bullshit jobs. De meeste mensen werken al jaren gemiddeld slechts 15 uur zinvol per week. De rest van hun tijd gaat verloren aan volstrekt zinloze activiteiten zoals het versturen van e-mails, het organiseren of bijwonen van motivatieseminars, urenlang vergaderen, het bijwerken van hun Facebookprofiel of het downloaden van televisieseries. Met mijn boek raak ik een open zenuw. Eerder vandaag had ik nog een erg uit de hand gelopen discussie met een collega van u van een Nederlandse krant. In Bullshit Jobs schrijf ik dat bijna veertig procent van alle werkenden vindt dat hun job zin- en inhoudsloos is. De journalist vond mijn statistieken niet accuraat. Volgens hem zou maar tussen de vijf à tien procent van de mensen van oordeel zijn dat ze een bullshit job hebben. Hij haalde daarvoor een andere enquête aan dan degene die ik in mijn boek presenteer. Het probleem met al dat soort onderzoeken is dat veel afhangt van de manier waarop de vragen gesteld worden. De belangrijkste peiling waarop ik steun komt van het Britse YouGov, een onderzoeksbureau met een uitstekende reputatie. Uw collega bleef maar doordrammen over die veertig procent. Ik claim niet dat ik een wetenschappelijke verhandeling geschreven heb, maar wel een boek over een niet onbelangrijk fenomeen: de ‘bullshitisering’ van het werk. Dat leek niet echt bij die mijnheer door te dringen.’

 

Wat is dat precies, een bullshit job of onzinjob?

Graeber: Dat is een baan waarbij degene die ze uitoefent zelf vindt dat het geen verschil maakt als ze zou verdwijnen. Sterker nog: in sommige gevallen geloven mensen zelfs dat de wereld er veel beter bij zou varen als hun eigen bullshit job opgedoekt zou worden. Zes procent van de bullshit jobbers zegt: ‘Ik heb een zinloze job en ik vind dat fantastisch.’ Misschien omdat ze een hekel aan hun gezin hebben en blij zijn dat ze overdag aan hun bureau kruiswoordraadsels kunnen zitten invullen. (lacht)

Zowat alle economen houden ons voor dat mensen dolgraag werk willen, ook al stelt dat niets voor. Want wij zouden rationele wezens zijn die met zo weinig mogelijk inspanning zoveel mogelijk opbrengst voor onszelf nastreven. Als dat echt waar is, moeten mensen die betaald worden om een hele dag te niksen daar zeer blij mee zijn. De werkelijkheid toont een ander beeld: de overgrote meerderheid is diep ongelukkig. Ik heb die wijsheid niet alleen uit de YouGov-enquête gehaald, maar ook uit de massale reacties die ik kreeg op een essay over bullshit jobs dat ik in augustus 2013 voor het magazine Strike schreef. Ik stelde toen voor het eerst dat ik het sterke gevoel had dat onzinjobs wijdverspreid zijn. De maanden erna overstroomde mijn mailbox met verhalen van mensen die dat gevoel alleen maar bevestigden.

 

Steeds meer mensen worstelen met een burn-out. Maar als uw veertig procent onzinbanen min of meer klopt, zijn heel wat burn-outs eerder bore-outs? Mensen die zich niet te pletter gewerkt hebben, maar te pletter verveeld?

Graeber: Dat zou best kunnen. Van een huisschilder weten we dat hij geen inhoudsloze job heeft. Ik ben er zeker van dat hij het meest gruwt van die schaarse momenten waarop hij moet doen alsof hij hard aan het werk is om zijn baas te vriend te houden. Stel je voor dat je hele job eruit bestaat met te moeten doen alsof je ijverig aan de slag bent. Dat is toch vreselijk? Een jonge Egyptische ingenieur die voor een publieke onderneming in Cairo werkt, vertelde me dat hij de hele dag zit te wachten tot ergens in het gebouw de airco uitvalt. Ondertussen houdt hij zich onledig met het invullen van formulieren. Ze kunnen hem net zo goed thuis laten en opbellen als ze hem nodig hebben. Maar dat mag niet, want dan is hij ‘niet aan het werk’. Dus verlegt hij acht uur per dag stapeltjes papier op zijn bureau.

 

Het cliché wil dat vooral ambtenaren daar meester in zijn. Volgens u liggen de onzinbanen in de private sector minstens even dik gezaaid?

Graeber: Ambtenaren omschrijven hun baan minder snel als bullshit job. Natuurlijk bestaan nogal wat overheidsbanen uit een stevige hoeveelheid zinloze bureaucratie, maar de mensen zelf ervaren hun werk niet altijd als zinloos. Bureaucratie is niet exclusief gelinkt aan het overheidsapparaat, integendeel, in de private sector hebben sommige ondernemingen er nóg meer kaas van gegeten. Stel: je hebt pas een nieuwe computer gekocht en het keyboard is kapot. Je stapt ermee naar de winkel en je vraagt een nieuw. Waarop de man achter de toonbank zegt: ‘U moet eerst een afspraak maken met mijn collega die bevoegd is om vast te stellen of uw keyboard kapot is.’ Klinkt dat herkenbaar? Hoe vaak komen mensen niet in een kafkaiaans spektakel terecht wanneer ze met een klein probleem naar hun bank bellen? Ik hing laatst meer dan een uur met acht verschillende personeelsleden van mijn bank aan de lijn over een onnozele internationale overschrijving. Ze konden die zogezegd niet uitvoeren omdat er een probleem was met een of ander overheidsvoorschrift. De private en overheidsbureaucratie gingen op dat moment feilloos in elkaar over. Want al die zogenaamde overheidsregels voor de financiële sector zijn geschreven door de banken zelf. Terwijl ze omkoopgeld aan politici geven, fluisteren ze hen in het oor: ‘Op dat A4-tje staat de regelgeving die wij willen.’ Twee derde van de winst van de grootste Amerikaanse bank JP Morgan Chase is afkomstig van ‘bijdragen en boetes’. Ze hebben er dus alle belang bij om die regelgeving zo ingewikkeld mogelijk te maken zodat ze hun klanten centen kunnen aftroggelen.

 

Private ondernemingen willen winst maken. Zowel aandeelhouders als ceo’s en raden van bestuur hebben er toch geen enkel belang bij om mensen te betalen voor het verrichten van zinloos werk?

Graeber: Dat zou je veronderstellen, maar het kapitalisme heeft intussen een andere logica ontwikkeld. Als je auto’s of lampen fabriceert, wil je inderdaad normaal gezien liefst geen mensen in dienst waar je niets mee kunt aanvangen. Zeker niet als er concurrenten in je sector actief zijn. De uitbater van een restaurant wil ook geen ober die een hele avond rondlummelt. Maar als je JP Morgan Chase bent, geldt een andere werkelijkheid. Want dan heb je alle belang bij een regelgeving die zo dubbelzinnig is dat je klanten voortdurend fouten maken. De boetes die dat oplevert, doen de kassa extra rinkelen. De meeste bullshit jobs vinden we niet voor niets bij banken, verzekeringen en vastgoed. Zij maken momenteel grote winsten die niet gebaseerd zijn op kapitalisme, maar op feodalisme. Het gaat niet over winst door de verkoop van geproduceerde producten, maar over de ene die de andere uitzuigt. Zelfs oude grote industriële bedrijven zoals ‘ons’ General Motors (GM) hebben bijna hun volledige winst te danken aan hun financiële afdelingen. GM verdient zijn geld niet meer door de verkoop van auto’s, maar door de rente op autoleningen.

Productiegerichte beroepen zijn weg geautomatiseerd. Tussen 1910 tot 2000 kalfde het aantal mensen dat in de VS in de industrie- en landbouwsector werkzaam was zienderogen af. In plaats daarvan verdrievoudigde de dienstensector, die eigenlijk vooral een administratieve sector is, met totaal nieuwe bedrijfstakken zoals financiële dienstverlening en telemarketing. Tezelfdertijd groeiden sectoren zoals ondernemingsrecht, onderwijs- en zorgadministratie, human resources en public relations als kool. Driekwart van de Amerikaanse beroepsbevolking werkt vandaag in die zogenaamde dienstensector vol onzinbanen. Daarin zijn dan nog niet eens alle schoonmakers, veiligheidsmensen, pizzabezorgers en hondenuitlaters meegerekend die met hun zinvolle jobs die hele onzinsector aan de praat houden. Maar ook het zinvolle werk raakt steeds meer gebullshitiseerd, denk maar aan de verplegers en leraars die kostbare tijd verloren zien gaan aan het invullen van zinloze documenten. Als docent ben ik een ervaringsdeskundige.

Er is een vorm van ‘manageriaal feodalisme’ geïnstalleerd vol bullshit jobs waarin de ene duurbetaalde consultant de andere goed verdienende middelmanager onzin probeert aan te smeren. Ze troggelen hun klanten losgeld af en herverdelen dat onder elkaar. Net als in de middeleeuwen creëert dat hedendaagse feodalisme eindeloze hiërarchieën van heren, vazallen en bedienden. Al die mensen die luidkeels beweren dat bullshit jobs onbestaande zijn omdat het kapitalisme omwille van de winst komaf maakt met alle onzin, hebben een politieke of ideologische agenda. Het zijn ofwel vrije markt-libertairen ofwel gestaalde marxisten die in de 19e eeuw zijn blijven hangen.

 

Maar veel van de jobs die u als onzinjobs bestempelt, worden toch niet door iedereen zo ervaren? Voor veel mensen geeft hun job net zin aan hun leven.

Graeber: Arbeidssociologen stellen altijd dat de meeste mensen zin halen uit hun beroep. Het paradoxale is dat diezelfde arbeidssociologen ook altijd vaststellen dat de meeste mensen hun job haten. Dat kan toch niet allebei waar zijn? (lacht) Tenzij de meeste mensen hun job zinvol vinden omdat ze ze haten. ‘Ik lijd, dus daarom verdien ik het om er genoeg voor betaald te worden om een huis en een auto te kopen.’

 

U pleit ervoor om alle onzinjobs op te doeken en het zinvolle werk te herverdelen. U pleit ook voor de vijftienurige werkweek en de invoering van het basisinkomen. U bent niet bang dat nogal wat mensen het lastig zullen hebben met al die vrije tijd?

Graeber: Die vijftienurige werkweek is geen fetisj. We kunnen ook veertig uur per week blijven werken en vier maanden vakantie nemen. Sinds Wereldoorlog II zijn we beginnen geloven dat arbeiders met te veel vrije tijd aan de drank raken en door de ledigheid van hun bestaan een depressie ontwikkelen. Ik vind het erg neerbuigend om er zo maar vanuit te gaan dat werkende mensen niet in staat zijn om hun tijd met andere bezigheden zinvol te vullen. Acht uur op een dag werken, is trouwens een vrij recente uitvinding. Zelfs een middeleeuwse knecht werkte maar vier uur per dag.

 

De rest van zijn tijd ging op aan de strijd om te overleven.

Graeber: Dat is waar. Toch had hij meer vrije tijd dan wij en daarom kennen we nog al die folklore van toen. Als morgen de vijftienurige werkweek wordt ingevoerd, zullen heel wat mensen een muziekinstrument leren bespelen, of een nieuw ambacht aanleren. Als antropoloog weet ik best wel hoe het er in samenlevingen vroeger aan toeging. Ik verbleef jarenlang op Madagaskar en schreef een cultuurgeschiedenis over dat eiland. De Madagasken brengen mijn ideale samenleving al eeuwenlang in de praktijk: het zijn boeren die niet meer dan vier uur per dag werken. Monogamie bestaat er niet en iedereen slaapt er met iedereen. (lacht) Weet u wat het echte drama is? Dat de huidige economische leer ontwikkeld is voor problemen uit de 19e eeuw en niet voor de problemen die op ons afkomen. In het verleden draaide het om maximale groei en winst, nu zou het moeten gaan over hoe we de boel aan de praat houden zonder onze planeet te vernietigen. De economische wetenschap zoals ze nu bestaat, is niet ontwikkeld om de klimaatverandering, vervuiling of overproductie aan te pakken. We moeten ons hele systeem herdenken.

 

Naar aanleiding van de financiële crisis voorspelde u opstanden in verschillende Europese landen en een grote economische ineenstorting. ‘Binnenkort zullen onze politici een valse snor moeten opplakken als ze een hapje willen gaan eten’, zei u in 2012 in een interview met Knack. Vandaag lopen onze politici nog niet met valse snorren rond. Hebt u zich vergist?

David Graeber: Helemaal niet. Ik denk dat we er gewoon gewend aan geraakt zijn. Begin juni was ik in San Francisco. Ik was gechoqueerd over wat ik daar zag. In Londen slapen mensen in kartonnen dozen in portieken, maar daar liggen de daklozen gewoon midden op straat. Het is niet voor niets dat er vandaag zoveel zombiefilms in de Amerikaanse bioscopen draaien; ze leven er namelijk in een apocalyptische zombiewereld. Iemand zei me dat de daklozen op straat maar het topje van de ijsberg zijn. Minstens evenveel mensen slapen in hun auto of leven in een camper. Steeds meer zestigers en zeventigers kunnen niet op pensioen en moeten werken tot aan hun dood. Er is zich dus wel degelijk een sociale ineenstorting aan het voltrekken die dertig jaar geleden als catastrofaal beschouwd zou worden. Nu lijken mensen dat heel normaal te vinden.

 

U stond mee aan de basis van Occupy Wall Street in New York en was een van de initiatiefnemers van de bezetting van Zuccotti Park in september 2011. Hoe is het vandaag gesteld met Occupy?

Graeber: De beweging is nog actief, maar dan vooral als fundament voor de Democratic Socialists of America (DSA). Er wordt nu gezegd: ‘Occupy was een mislukking’; ik durf dat sterk te betwijfelen. Want waar zou Occupy gefaald hebben?

 

De VS worden nu geleid door Donald Trump, bijvoorbeeld.

Graeber: Right. Occupy ging niet over het verkiezen van mensen, maar over het niet blijven nastreven van het verkiezen van mensen. Natuurlijk is Trump verkozen, maar dat zegt toch niets over het succes van Occupy? Wij verwierpen net de verkiezingsaanpak.

 

U verwierp de democratie?

Graeber: Nee, wij stelden dat het systeem niet democratisch is. Echte democratie is dat mensen zelf beslissen hoe ze over zichzelf wensen te regeren. Dat is iets helemaal anders dan een systeem waarbij degene die het meeste omkoopgeld kan verzamelen zichzelf kan laten verkiezen. Met Occupy probeerden we een culturele transformatie te bewerkstelligen: we probeerden het gedachtengoed van mensen over democratie en kapitalisme te veranderen. Een paar jaar geleden werd een bevraging georganiseerd bij Amerikanen van 18 tot 30. De meerderheid zei dat ze antikapitalistisch en pro-socialistisch was. Ik stond daarvan te kijken, want het was uniek dat zoveel jonge Amerikanen zich uitspraken voor het socialisme. Occupy mislukt? Komaan, zeg.

 

De Amerikaanse president is Donald Trump en niet Bernie Sanders.

Graeber: Dat komt omdat mainstream links in Amerika niet begrijpt wat mainstream rechts wel doorhad: je moet je gekke radicalen goed soigneren als je de macht wil grijpen. De rechts-radicalen van de Tea Party zijn veel angstaanjagender dan wij van Occupy, maar dat was voor rechtse Republikeinen geen bezwaar om hen tegen de borst te drukken. De Democraten raakten geobsedeerd door het feit dat vijf kerels van Occupy tijdens de bezetting een raam hadden durven inslaan. ‘O nee, met dat uitschot willen we niets te maken hebben.’ Ook al waren de duizenden andere bezetters vreedzaam. Rechtse Republikeinen hadden er ondertussen niet echt een probleem mee dat neonazi’s hun geweren leegschoten. ‘We zijn het niet eens met de shooting, so what?’ Vervolgens gingen ze verder met het knuffelen van hun radicalen. Wij werden door mainstream links onderdrukt. Ik was erbij toen Zuccotti Park op 15 november 2011 hardhandig ontruimd werd. De Democraten hadden eerst gehoopt dat wij ons naar het corrupte systeem zouden schikken. Maar wij bleven erop hameren dat we dat radicaal verwierpen. Voor rechts was het natuurlijk makkelijker, want zij vinden corruptie best oké.

 

U geeft nu les aan de London School of Economics (LSE), een elite-universiteit waar de meeste studenten van rijke komaf zijn.

Graeber: Kent u de stichters van de LSE, Sidney en Beatrice Webb, Graham Wallas en George Bernard Shaw? Aan het eind van de 19e eeuw waren zij vooraanstaande leden van de socialistische Fabian Society. In oorsprong is de LSE dus een links project. Nu al lang niet meer, dat is waar. Enkel het antropologiedepartement houdt nog stand als klein radicaal links bastion. (lacht)

 

David Graeber, Bullshit jobs, Over zinloos werk, waarom het toeneemt en hoe we het kunnen bestrijden, Business Contact, 416 blz., 24,99 euro

 

David Graeber

  • Geboren in 1961 in New York
  • Groeide op als zoon van een communistische vakbondsactiviste en een veteraan van de Spaanse Burgeroorlog
  • Werkte vanaf 1998 als antropologieprofessor aan de prestigieuze Yale University, waar hij zijn anarchistische sympathieën niet onder stoelen of banken stak
  • Zijn contract werd in 2005 niet verlengd, waarna zijn studenten in opstand kwamen
  • Verhuisde een jaar later naar Londen waar hij eerst antropologie doceerde aan Goldsmiths
  • Stond in 2011 aan de wieg van Occupy Wall Street
  • Scheef in datzelfde jaar zijn magnum opus Schuld, de eerste 5000 jaar
  • Ruilde in 2013 Goldsmiths in voor de London School of Economics

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

‘Erectieproblemen? Ga naar de cardioloog’

In Amerika is Aaron Spitz voor de popularisering van de kennis over de penis wat Jeroen Meus bij ons is voor de popularisering van de kennis over (groot)moeders keuken. ‘Lengte lijkt voor veel mannen van levensbelang.’

 

In het Amerikaanse tv-programma The Doctors laat uroloog Aaron Spitz geregeld zijn licht schijnen over typisch mannelijke gezondheidskwesties. ‘Tijdens mijn studentenjaren probeerde ik furore te maken als stand-upcomedian’, zegt hij. ‘Die optredens waren een keiharde leerschool, maar ik heb toen wel geleerd om mensen te entertainen en begeesteren. Dat komt me nu in mijn talkshow goed van pas.’ Naast zijn tv-werk runt dokter Spitz een bloeiende urologenpraktijk in Los Angeles, met als specialisatie mannelijke vruchtbaarheid.

Aaron Spitz: ‘Al jaren moet ik vaststellen dat de kennis van veel patiënten over hun eigen geslachtsorgaan niet altijd even accuraat is. Velen schamen zich voor hun jongeheer of geloven dat hij niet aan de gangbare norm voldoet. Daarom besloot ik om Het Penisboek te schrijven, waarin ik geen enkel heet hangijzer uit de weg wou gaan. Ik heb dat met veel humor proberen doen om zo de pil voor de ietwat preutsere man te vergulden. Want de penis is en blijft een gevoelig onderwerp. Het was ook hoog tijd voor een nieuw penisboek omdat er de voorbije jaren veel kennis bijgekomen is over de mannelijke seksualiteit.’

 

Nieuwe kennis?

Spitz: Niet spiksplinternieuw, maar wel van de laatste dertig jaar. Toen ik als dokter in de jaren negentig in urologie aan het specialiseren was, zat Viagra nog in de klinische testfase. Ze hadden pas ontdekt hoe de werkzame stof sildenafil precies werkt. Op dat moment waren er maar weinig middelen voorhanden voor de behandeling van erectieproblemen. Die waren ook niet altijd even sexy of gebruiksvriendelijk, met pompjes, injecties in de penis of een operatieve ingreep. Toen Viagra alle tests doorstaan had en op de markt kwam, konden mannen écht geholpen worden. Want eindelijk hadden we een makkelijke, effectieve behandelingsmethode voor erectiestoornissen. Je slikt een pil en vervolgens krijg je een erectie om u tegen te zeggen. Viagra zorgde ook in het dokterskabinet voor een kleine revolutie, want voortaan voelden artsen zich minder geremd om het onderwerp ‘erectiestoornis’ met hun mannelijke patiënten aan te snijden. Ze hadden nu immers een behandeling aan te bieden die comfortabel was én hielp.

 

Zijn erectiestoornissen dan zo’n groot en wijdverspreid probleem?

Spitz: Zeker. Vanaf hun vijftigste krijgt de helft van de mannen er in min of meerdere mate last van. Sommigen ondervinden af en toe dat hun erectie te wensen over laat, bij anderen wordt het snel een ernstig probleem. Zelfs een gezonde vijftiger ziet zijn erectie soms op cruciale ogenblikken verslappen. Erecties zijn nauw verbonden met de algemene conditie van hart en bloedvaten. De erectie van de penis is een weerspiegeling van de bloedcirculatie doorheen het hele lichaam. Mannen met erectieproblemen lopen risico op verminderde of haperende bloedtoevoer naar hun hart en hersenen. Ze riskeren dus een hartaanval of beroerte. De bloedvaten naar de penis zijn veel kleiner dan die naar het hart of de hersenen. De penisslagaders zijn de kleinste in een mannenlichaam, met een diameter van amper een millimeter. De kransslagaders naar ons hart zijn vijf keer zo dik.

 

De penis is dus de kanarie in de koolmijn?

Spitz: Precies. Als je hem niet meer omhoog krijgt, is het niet onverstandig om naast de uroloog ook even bij de cardioloog langs te gaan. Want vaak zijn erectieproblemen de voorbode van een hartaandoening. Vrouwen hebben de gewoonte om jaarlijks minstens een keer bij hun gynaecoloog langs te gaan, maar de meeste mannen bezoeken na hun tienerjaren amper nog een dokter. In Amerika stappen volwassen mannen pas op hun vijftigste terug bij de arts binnen. Er wordt hen dan verteld dat het hoog tijd is dat ze hun prostaat en hun darmen laten onderzoeken. Al die mannen zouden op dat moment best ook hun cholesterolwaarden laten opmeten en hun hart laten testen.

 

Pleit u ervoor dat alle mannen één keer per jaar bij de uroloog langsgaan, zoals vrouwen bij de gynaecoloog?

Spitz: Toch niet, het zou al fantastisch zijn als ze af en toe eens hun huisarts bezoeken. Die kan hen dan informeren wanneer ze best bij de specialist een afspraak maken. Soms krijg ik mannen met erectieproblemen over de vloer die al een tijd in behandeling zijn voor hart- of bloeddrukproblemen en daar de juiste medicatie voor slikken. ‘Mijn bloeddruk is onder controle dokter, en toch krijg ik hem niet meer omhoog. Ik begrijp er niets van. Mijn vrouw zegt dat ik haar niet meer aantrekkelijk vind. Help!’ Dat is het moment waarop ik Viagra bovenhaal.

 

Is dat middel dan niet gevaarlijk voor mannen met een hartziekte?

Spitz: Dat is wat de legende wil. Toen Viagra pas uitkwam, stierven er een paar mannen aan een hartaanval. Het is een werk van lange adem om die onterechte slechte reputatie van de blauwe pillen de wereld uit te krijgen. Viagra is honderd procent veilig voor je hart. Er is maar één uitzondering: nitroglycerine en Viagra samen kunnen een gevaarlijke cocktail vormen. Nitroglycerine wordt genomen door mensen die angina pectoris of hartkramp hebben. In alle andere gevallen is Viagra veilig, net als Cialis. Die middelen zijn niet verslavend en ondermijnen het gestel niet.

 

In uw boek raadt u de pijnstiller Tramadol aan voor mannen die last hebben van voortijdige zaadlozing. U schrijft: ‘Het middel is niet zo verslavend als de meeste pijnstillers.’ Tramadol is een synthetisch opioïde en familie van het opiaat morfine. Erg onschuldig is dat toch niet? De VS worden geteisterd door een heuse opioïde-epidemie en ook in België ontwikkelen steeds meer mensen een ernstige verslaving aan opioïdes zoals Tramadol.

Spitz: U hebt gelijk: de opioïde-epidemie woedt wereldwijd en Tramadol is inderdaad een opioïde. Maar je kan het enkel op voorschrift krijgen en bij voortijdige ejaculatie wordt het eenmalig ingenomen. Je neemt niet elke zes uur een pil om de pijn te bestrijden, enkel wanneer je wil vrijen. Ik begrijp uw bezorgdheid over Tramadol, want mensen die er verslaafd aan zijn, zoeken continu manieren om aan voorschriften te geraken. Ik schrijf het daarom enkel voor wanneer ik zekerheid heb over de motieven van de man die voor me zit. Ik vraag mijn patiënten altijd of ze gevoelig zijn aan verslaving. Want er is een alternatief: paroxetine, alleen moet je dat dan elke dag in een lage dosis innemen. Paroxetine is een niet-verslavend antidepressivum dat het serotonineniveau in de hersenen opkrikt. In België wordt het verkocht onder de merknaam Seroxat. Als bijwerking onderdrukt het het spinale ejaculatiecentrum. Dat is ideaal voor mannen die te snel klaarkomen. Als je van jezelf vindt dat je veel te snel klaarkomt, hoef je trouwens niet meteen je toevlucht tot pillen te nemen. Er zijn sprays op de markt die de gevoeligheid van de zenuwen in de penis verminderen, waardoor je de ejaculatie kunt uitstellen. Meestal zit daar een verdovende stof zoals lidocaïne in. Hoe meer je ervan op je penis spuit, hoe groter het effect. Er zijn ook condooms in de handel met een glijmiddel met dezelfde werking.

 

Is voortijdige ejaculatie net zo’n groot probleem als erectiestoornissen? Of schatten mannen verkeerd in hoe lang ze het moeten volhouden?

Spitz: Veel mannen worstelen daarmee. Gedeeltelijk is dat omdat seks een recreatieve sport lijkt te zijn geworden. (lacht) Vroeger diende seks vooral om onze genetische code te laten voortbestaan. De man die het snelste kon ejaculeren, was het best uitgerust om de soort te laten overleven. Tijdens het copuleren in de wilde natuur was de man kwetsbaar: hoe sneller dat achter de rug was, hoe sneller hij weer paraat was om zijn vijanden het hoofd te bieden. De mens ontwikkelde verder en kreeg meer controle over zijn seksuele activiteit. Vandaag controleren we zelfs of onze vrijpartijen nageslacht zullen opleveren. De menselijke verwachtingen over de kwaliteit van seks liggen veel hoger dan ooit tevoren. Bij sommige mensen misschien té. Een man die vindt dat hij te snel klaarkomt, drukt dat altijd uit in tijd. Zelden of nooit vraagt hij zich af of zijn partner dat misschien wel prettig vindt. Voortijdige ejaculatie is geen ziekte, toch wordt algemeen aangenomen dat het een probleem kan zijn als je het niet langer dan twee minuten volhoudt en daar gestresseerd door raakt. Maar als zowel jij als je partner het fijn vinden dat je snel kan ejaculeren, is er toch geen enkel probleem?

 

Speelt lengte een rol?

Spitz: Lengte lijkt voor veel mannen van levensbelang. Toen ik me als uroloog aan het specialiseren was, vroegen zowat al mijn mannelijke vrienden: ‘Bestaat er een pil die de penis kan verlengen?’ En ze vroegen dat niet uit puur wetenschappelijke interesse. (lacht) U kunt zich niet voorstellen hoeveel patiënten met advertenties voor penisverlenging voor de dag komen. ‘Dokter, wat denkt u hiervan? Deugt dit middel?’ Sommige middeleeuws uitziende folterapparaten kunnen de penis na urenlange reksessies een klein beetje verlengen, maar het sop is de kool niet waard. De meeste mannen hebben trouwens een fout beeld van de ideale penislengte. De kerels die ze in pornofilms aan de slag zien, hebben allemaal een buitengewoon groot geschapen lid. Dat is ook net een van de redenen waarom die heren het tot pornoacteur geschopt hebben. De meeste gewone mannen zien in hun dagelijkse leven weinig realistisch vergelijkingsmateriaal. Sommigen douchen een keer per week na het sporten samen, en daar houdt het op. Hun foute informatie over penislengte halen ze op pornosites. Door het internet en de smartphone is porno altijd en overal beschikbaar. Dat was vroeger toch anders; ik ging bij een vriend langs die wist waar de blootblaadjes van zijn vader lagen. Wie alle dagen porno kijkt, raakt er snel verslaafd aan en wil steeds extremere beelden zien. Hardcore porno is ook à volonté voor kinderen beschikbaar. Dat kan onmogelijk gezond zijn; het zorgt voor een compleet vertekend beeld van wat seks is. De explosie van internetporno gaat niet voor niets gepaard met een opvallende verhoging van het aantal erectiestoornissen.

Als uroloog heb ik ondertussen duizenden piemels gezien. Ik weet dat de overgrote meerderheid van de stijve penissen geen twintig centimeter lang is, maar gemiddeld iets meer dan dertien centimeter, met een marge van 2 centimeter. De lengte van een slappe penis is gemiddeld negen centimeter. Uit gedegen onderzoek blijkt dat grotere mannen vaak een grotere piemel hebben, maar dat is niet altijd zo. Er zijn ook zwakke correlaties gevonden met de schoenmaat en met de relatieve grootte van de wijsvinger ten opzichte van de ringvinger. De grootste verschillen tussen penissen zie je wanneer ze slap zijn.

 

U gebruikt daar de plastische begrippen ‘bloedlul’ en ‘vleeslul’ voor.

Spitz: Die heb ik niet verzonnen, maar worden frequent gebruikt. De vleeslul ziet er in slappe conditie vrij groot uit, maar groeit niet zoveel als hij stijf wordt. Een bloedlul lijkt eerder aan de kleine kant, maar groeit stevig als hij in actie treedt. In erectie verschillen ze niet zoveel van elkaar. Ongeveer vijftig procent van de mannen gelooft dat hun partner vindt dat ze te klein geschapen zijn. Maar tachtig procent van de partners blijkt dan weer tevreden te zijn over de lengte van meneers jongeheer. Mannen hebben dus niet alleen een vertekend beeld van hoe een normale penis eruitziet, maar schatten ook de verwachting van hun partners verkeerd in. De vagina is gemiddeld 9,6 centimeter diep, met een marge van anderhalve centimeter. Het maakt dus eigenlijk niet zoveel uit of je als man een paal van 20 of 10 centimeter hebt. Mannen moeten dringend meer met hun partners praten over hoe ze het liefdesspel ervaren.

 

U schrijft dat er een rechtstreekse link is tussen ‘het grote en het kleine koppie’.

Spitz: Veel complexe neurologische en neuro-chemische processen moeten gecoördineerd samenwerken om de erectie en ejaculatie mogelijk te maken. Als die processen verstoord raken, blijft er enkel slapte over. Er zijn triggers in je hersenen die seksueel verlangen in gang zetten en triggers die het blokkeren. Maar ook je testosteronspiegel speelt een rol. De belangrijkste chemische stof in je hersenen die invloed op je erecties heeft, is adrenaline. Je maakt adrenaline aan op stressmomenten. Het helpt je een aanval te doorstaan. Adrenaline opent de bloedvaten naar je longen, hart, lever en spieren, zodat je klaar bent om te vechten of te vluchten. De stof trekt je bloed vanuit je uiteinden van je lichaam naar het centrum. Op momenten van stress zit er dus minder bloed in je armen en benen. Bij een aanval met een mes of een bijl, of na een beet van een dier, zal je zo niet te veel bloed via je uiteinden verliezen. Adrenaline houdt bij stress het bloed bij de vitale organen. Vervelend bijverschijnsel is dat ook de bloedtoevoer naar je penis wordt afgesloten.

 

Stress is nefast voor de seksuele feestvreugde?

Spitz: Ja. Stress en adrenaline helpen ons moeilijke omstandigheden te overleven. Alleen krijgen we in deze moderne wereld stress van zaken die niet levensbedreigend zijn. Ons lichaam reageert dan alsof een grizzly ons in de pan wil hakken. Als journalist hebt u waarschijnlijk last van stress omdat u deadlines moet halen. Op die momenten zorgt de adrenaline ervoor dat het bloed uit uw penis gezogen wordt, recht naar uw vitale organen. U zal dan geen erectie kunnen krijgen of uw erectie zal er snel de brui aan geven.

Een man is aan het vrijen, maar wordt afgeleid door iets banaals waardoor hij zijn erectie verliest. De kans is reëel dat hij vanaf dat moment erectiestoornissen ontwikkelt. Want de eerstvolgende keer dat hij van bil wil gaan, zoemt in zijn achterhoofd de gedachte: ‘Wat als het me weer overkomt?’ Die gedachte alleen al zorgt voor stress en zet de aanmaak van adrenaline in werking. De rest kan u wel raden. Na een paar mislukte vrijages raakt onze arme man gevangen in een vicieuze cirkel.

 

En moet hij in therapie?

Spitz: Voor veel mannen met een erectieprobleem als gevolg van stress, is therapie bij een in seks gespecialiseerde psycholoog de beste oplossing. Maar vaak moet ik vaststellen dat die drempel voor veel patiënten te hoog ligt. Ik vind dat jammer, want eens die gedachte ‘dat het zal misgaan’ diep in je brein ingeplant is, krijg je ze er moeilijk weer uit. Integendeel, ze wordt alleen maar krachtiger.

 

Hoe houden mannen hun penis gezond?

Spitz: De basis van alles is de manier waarop de penis werkt: de bloedtoevoer zorgt ervoor dat hij gaat zwellen en dat wij een stevige erectie krijgen. Een gezonde bloedsomloop zorgt voor een gezonde penis. Vanuit de wetenschap weten we dat de sleutel tot een goede bloedsomloop stikstofmonoxide is, in de scheikunde NO gedoopt, of stikstof en zuurstof. Die moleculen zetten de slagaders naar de penis wijd open en voeden en versterken de bloedvaten. NO wordt aangemaakt uit gezonde voeding en afgebroken door ongezonde voeding. Als je een gezonde penis wil, let je op je voeding en eet je best plantaardig of veganistisch. Voedsel op basis van planten dat niet geraffineerd is: groenten, fruit, noten, bonen en volkorenproducten. Vermijd alles wat in blik of plastic verpakt is.

 

Hipsters hebben dus de gezondste penissen?

Spitz: Vermoedelijk. (lacht) Ik hoor sommige lezers van uw blad nu roepen: ‘Ik ken een viriele negentiger die alle dagen whisky drinkt, sigaren rookt en biefstuk eet.’ Beste lezers, die man is een uitzondering. Twintigers of dertigers die graag hun stevige erecties willen behouden, schakelen zo snel mogelijk over op het veganisme. Net als een zeventiger die nog lang van zijn erecties wil blijven genieten. Dit advies heeft niets te maken met ideologie, maar alles met wetenschappelijk onderzoek. Als het je niet lukt om honderd procent veganistisch te eten, is negentig procent ook goed.

 

Bent u full blown veganist?

Spitz: Nee, ik zit aan negentig procent. Ik ben veganist omdat ik gezond wil blijven, maar het veganisme heeft als groot bijkomend voordeel dat het ook ecologisch verantwoord is. Nog belangrijk voor een gezonde penis is voldoende sporten. Want ook bewegen is essentieel voor een goede bloedcirculatie. Net als voldoende slaap, iets wat te veel moderne mensen verwaarlozen.

 

In uw boek vond ik een paar recepten die de smaak van sperma zouden beïnvloeden. Zo is er het recept voor ‘ananasverrassing’: ‘Meng 200 gram blokjes ananas, 1 in stukjes gesneden kiwi en 100 gram bosbessen. Consumeer 1 uur voor de verhoopte fellatio.’ Hebt u dat zelf uitgetest?

Spitz: Mijn vrouw had geen zin in veldonderzoek. (lacht) Het zal u misschien verbazen, maar als uroloog krijg ik regelmatig de vraag: ‘Dokter, hebt u tips om mijn sperma lekker te maken?’ In de wetenschappelijke literatuur vind je daar helaas niet veel over terug. Sommige sperma-ingrediënten smaken of ruiken zelfs smerig, zoals de amines, ammoniakachtige moleculen. Ze luisteren naar namen als ‘cadaverine’, van kadaver, en ‘putrescine’, van putrefactie of ontbinding. Ik hoop dat ik toch een paar recepten gevonden heb die sperma een beetje kunnen pimpen.

 

Aaron Spitz

  • Geboren in 1966 in Miami Beach, Florida
  • Studeert in 1988 af als politicoloog en begint daarna een opleiding geneeskunde
  • Studeert in 1998 af als uroloog
  • Heeft sinds 1999 zijn eigen praktijk in de buurt van Los Angeles
  • Is sinds 2006 onderzoeksprofessor aan de Universiteit van Californië, gespecialiseerd in mannelijke vruchtbaarheid
  • Groeide vanaf 2008 uit tot ‘Amerika’s favoriete penisdokter’ dankzij het tv-programma The Doctors

 

Aaron Spitz, Het Penisboek, Thomas Rap, 336 blz., 19,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Veel kinderen zijn doodsbang van de vrijheid’

Psychiater en tachtiger Boris Cyrulnik verrichtte pionierswerk naar de verwerking van trauma’s uit de kindertijd en muntte het begrip ‘veerkracht’. ‘Mijn leven lang onderschatte ik de rol van één psychotherapeut: God.’ Om dat goed te maken, schreef hij God als therapeut.

 

Neuropsychiater Boris Cyrulnik is wereldberoemd in Frankrijk én ver daarbuiten voor zijn baanbrekend onderzoek naar traumaverwerking. In 2001 publiceerde hij zijn ultieme bestseller Les vilains petits canards, vertaald als Veerkracht. Daarin bouwde hij verder op de hechtingstheorie van de tien jaar eerder overleden Britse psychiater John Bowlby. Volgens Bowlby zijn kinderen geprogrammeerd om zich te hechten aan hun ouders of opvoeders. Als die hechting fout loopt, betalen de kinderen daar soms een levenslange prijs voor met relatieproblemen, depressie, verslaving of angst. Boris Cyrulnik introduceerde het begrip résilience of ‘veerkracht’. Op de bodem van de put ligt volgens hem de sleutel voor heling en misschien zelfs voor herstel van mislukte of onveilige hechting. Onze natuurlijke veerkracht is onze beste bondgenoot in de strijd tegen de gevolgen van vreselijke trauma’s als oorlog, incest, terreur, mishandeling of misbruik. Gespecialiseerde therapie kan daarbij helpen.

Cyrulnik putte voor zijn theorie over ‘veerkracht’ uit ervaringen die hij als psychiater had opgedaan met jeugdige delinquenten, maar ook uit wat hij zelf als kind had meegemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog. ‘Toen ik in 2010 in Congo in een opvangcentrum van Unicef kindsoldaten ontmoette, werd ik verrast door de kracht die de zwaar getraumatiseerde jongens uit hun geloof putten’, zegt hij. ‘Een jongen van een jaar of tien met ogen vol angst zei me: “Ik voel me alleen goed in de kerk.” Het instituut kerk en God leken hem veerkracht te geven. Op dat moment voelde ik de noodzaak om dat fenomeen dieper te gaan onderzoeken, met behulp van de moderne psychologie, de neurowetenschappen en de hechtingstheorie. Want ik kon niet anders dan vaststellen dat God soms een uitstekende therapeut is.’

 

Gelooft u zelf in God?

Boris Cyrulnik: Nee. Dat verrast u na lezing van mijn boek God als therapeut? (lacht) Ik heb heel lang een praktijk gehad als psychiater en kreeg soms patiënten over de vloer die gebukt gingen onder immens verdriet. Sommigen hadden een kind verloren; anderen hadden hun partner zien sterven. Zij vertelden me hoe ze zich in hun lijden gesteund voelden door hun geloof in God. Ik stond dan altijd met mijn mond vol tanden, want als neuroloog en psychiater wist ik niet wat ik daarmee moest aanvangen. Ik hoorde hen vertellen dat God hen hielp, maar ik had daar geen verklaring voor. Tijdens mijn onderzoek naar veerkracht hoorde ik soms ook van collega’s hoe zij op moeilijke momenten in hun leven houvast vonden in hun geloof in God. Dat fascineerde me, want zelf had ik als kind al geen God. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verdween mijn hele familie. Ik ben geboren in 1937 in Bordeaux. In 1944 werden mijn ouders gearresteerd en naar Auschwitz gebracht. Ze waren joods en ‘verdwenen’. De avond voor mijn moeder op transport gezet werd, had ze me bij een pleeggezin ondergebracht. Die mensen gingen me bijna meteen aangeven bij de met de nazi’s collaborerende politie. Zuid-Frankrijk werd toen gecontroleerd door het Vichy-regime. Ik was zes en een half jaar toen ikzelf door de beruchte Maurice Papon en zijn agenten gearresteerd werd. Ze vielen ’s nachts binnen en ze droegen zonnebrillen. Ik herinner me nog dat ik dacht: ‘Waarom dragen die mannen donkere brillen? Het is toch pikdonker buiten?’ Ze namen me mee en veroordeelden me bijna meteen tot de doodstraf. Ze sloten me op in een tot gevangenis vertimmerde synagoge in Bordeaux. Op een onbewaakt ogenblik kon ik me verbergen in een vals plafond en zo ook ontsnappen. Daarna leefde ik ondergedoken als ‘Jean Laborde’ bij een christelijk gezin dat joden hielp. In Frankrijk worden die mensen nu ‘Les Justes’ genoemd. Ik kon toen onmogelijk in God geloven omdat niemand me kon vertellen wie God echt is of hoe ik tot God moest bidden. Geen jood of christen kon me uitleggen waar God gebleven was op het moment dat mijn ouders vermoord werden. Na de oorlog was ik overtuigd atheïst. Wat niet wil zeggen dat ik nergens meer in geloofde. Ik geloofde in kunst, literatuur, humanisme, geneeskunde, filosofie.’

 

Een oom van mijn vrouw zat tijdens WO II in het verzet. Hij werd gearresteerd en overgebracht naar het concentratiekamp Mittelbau-Dora in Oost-Duitsland. Op het einde van de oorlog overleefde hij een dodenmars. Hij beschouwde zijn redding als een persoonlijke interventie van God. Hij is nu 94 en nog steeds diepgelovig.

Cyrulnik: Hij is geen uitzondering. Meer mensen die de kampen overleefden, kwamen zo dichter bij God. Maar het tegengestelde is ook waar: velen namen toen afscheid van God. Na Auschwitz zeiden sommigen: ‘Het is voortaan onmogelijk om nog in God te geloven. Als hij echt zou bestaan, had hij die verschrikking verhinderd.’ Er zijn ook verhalen van mensen die Auschwitz niet overleefd hebben, maar die er toch God vonden als troost. Voor hen was het een manier om te verwerken wat hen werd aangedaan. De overlevenden van de kampen die God als beschermer zagen, zoals de oom van uw vrouw, zijn blijven geloven.

 

U schrijft dat het godsbeeld van mensen bepaald wordt door hoe ze als baby hun ouders over God hoorden praten.

Cyrulnik: Ons geheugen zit vol herinneringen. De aard van die herinneringen wordt bepaald door onze allereerste interacties met andere mensen en door wat voor jeugd we gehad hebben. Kent u de verhalen van Gargantua en Pantagruel van de 16e-eeuwse grootmeester François Rabelais? Hij was naast schrijver net als ik ook arts in het zuiden van Frankrijk. Zijn geesteskind Gargantua begon meteen na zijn geboorte te spreken. Zijn eerste woorden waren: ‘Wijn, wijn! Ik wil wijn drinken!’ (lacht) Gargantua is een literair verzinsel en er is geen enkel kind dat voor zijn twintigste levensmaand een zinnig woord zal zeggen. Maar een baby hoort zijn moeder in die allereerste levensmaanden wel praten over haar God. Zij presenteert haar godsbeeld aan haar pasgeborene. Later zal dat kind in de God van zijn moeder geloven. In God geloven, is dus eigenlijk ook een manier van affectie delen met elkaar.

Als ik het over ‘God’ heb, gaat het niet over de christelijke, joodse of islamitische religie. Want de voorbije decennia hebben veel mensen in het westen de religie de deur gewezen, maar niet de spiritualiteit of het transcendente. Religie en spiritualiteit zijn niet hetzelfde. Spiritualiteit is universeel, terwijl religie cultureel bepaald is.

 

Wie niet in God gelooft, kan spiritueel zijn?

Cyrulnik: Zonder twijfel. Een mens heeft geen nood aan een instituut om toegang te hebben tot een vorm van spiritualiteit. Maar als je een religieus gelovig mens bent, heb je wel een kerk, synagoge of moskee nodig om anderen te ontmoeten en te bidden tot jouw God. Religies zijn producten van culturen en spiritualiteit zit in elke mens, ongeacht tot welke cultuur hij behoort. Spiritualiteit is het overstijgen van de werkelijkheid, in de richting van het ‘goddelijke’.

 

Er zit dus ook spiritualiteit in atheïsten?

Cyrulnik: Maar natuurlijk. Atheïsten die ervan overtuigd zijn dat er geen greintje spiritualiteit in hen zit, vergissen zich. Volgens mij is het trouwens onmogelijk om in niets te geloven. Ook atheïsten hebben een geloof: het geloof dat God niet bestaat. Dus ook atheïstische moeders en vaders delen met hun kind hun spiritualiteit. Alleen is God dan vervangen door muziek, kunst, literatuur of grote humanistische waarden. Voor transcendentie of het overstijgen van het aardse heb je de figuur van God niet per se nodig.

 

Dat is dan een vorm van religieus atheïsme: God bestaat niet, maar toch overstijgt de werkelijkheid ons en is niet alles zinloos?

Cyrulnik: Precies. Het belangrijkste is dat door die spirituele link met de ouders de interne wereld van het kind gevoed wordt, lang voor het zijn eerste woordjes brabbelt. Een kind ontwikkelt altijd in een context, in een structuur en neemt gebeurtenissen waar. Dankzij moeders verhalen over God of het spirituele zal het kind zodra het begint te spreken, ook in staat zijn om een wereld te voelen die niet waarneembaar is. Baby’s ontwikkelen zich in de gevoelsomgeving die hun ouders voor hen creëren. Geen enkele pasgeborene gelooft in God. Maar de manier waarop een kind van God zal houden, hangt af van de hechting die hij van huis uit meekreeg. Als zijn ouders op een vriendelijke, beschermende manier over God praten, zal het kind God zien als iemand die veiligheid en zekerheid biedt. Maar als vader en moeder enkel over een streng en straffend opperwezen vertellen, wordt het kind bang van God.

 

Veel mensen hebben geen boodschap aan God of spiritualiteit. Zij zijn vooral geïnteresseerd in het materiële en vertellen hun pasgeborenen geen spirituele verhalen.

Cyrulnik: Dat is heel jammer, want het materiële, geld of consumptie hebben geen moraliteit of ethiek. God wel: Hij schrijft voor hoe we moeten samenleven. Die goddelijke moraliteit of ethos hangt af van de cultuur waaruit de figuur van God stamt. De regels van God geven meteen ook structuur aan de samenleving. In sommige culturen kan je de maatschappelijke ethos samenvatten als leven voor God en niet voor het goud.

 

Voor de gezonde evolutie van een kind in de samenleving is de hechting aan God of spiritualiteit even belangrijk als de hechting aan de ouders?

Cyrulnik: De hechting aan God is net als de hechting aan een vader. U kent de katholieke gebedsregel misschien nog: ‘Onze Vader die in de hemelen zijt.’ God wordt vaak geportretteerd als een oude man met een lange grijze baard. Religies leren aan kinderen dat ze God even graag moeten zien als hun ouders. Soms wordt hij voorgesteld als streng en bestraffend en soms als vredevol en vergevingsgezind, als een echte vaderfiguur.

 

Sommige kinderen worden door hun ouders mishandeld of misbruikt. God als vader is daar ook toe in staat?

Cyrulnik: Als je als kind door je ouders mishandeld of misbruikt werd, draag je daar soms de rest van je leven de gevolgen van. Wanneer ouders dan op een bepaald moment tegenover jou erkennen dat ze fouten gemaakt hebben, kan dat de start zijn van een verbeterde relatie. Iets gelijkaardigs geldt inderdaad ook in onze verhouding met God. Als je als kind geconfronteerd werd met een bestraffende, strenge, harteloze God, is de kans groot dat je op een dag met slaande deuren afscheid van hem neemt. Je zweert God af en wordt bijvoorbeeld strijdend atheïst. Maar van zodra je in je leven met pijn, lijden en angst geconfronteerd wordt, is de kans niet gering dat je je toch tot God zal richten.

De Frans-Belgische schrijver Éric-Emmanuel Schmitt verdwaalde eind jaren tachtig tijdens een wandeltocht in de Sahara. Hij moest er in zijn eentje overnachten, zonder voedsel of water. Hij dacht dat hij ging sterven, en kreeg die nacht een religieuze ervaring. Hij voelde extatisch geluk en noemde dat ‘God’. ‘s Anderendaags werd hij gered, en hij ging voortaan als een gelovig mens door het leven. Een vriend van mij is een verwoed zeiler. Hij geloofde niet, maar betrapte zich erop dat hij tijdens een zeer zware storm op zee tot God begon te bidden. Hij was ervan overtuigd dat hij de storm niet zou overleven. Hij voelde zich enorm schuldig, want hij had iemand overtuigd om samen met hem te gaan zeilen, terwijl er slecht weer in de lucht hing. Tijdens die storm ging hij door de knieën en bad tot God. Vandaag gelooft hij nog steeds.

Momenten van gevaar en grote ongerustheid triggeren onze nood aan God. Maar op momenten van vrede, welvaart en welzijn zetten we God makkelijk aan de kant. In Canada waren God en de kerk generaties lang ontzettend belangrijk. Het geloof bepaalde er de ordening van de samenleving. In amper één generatie is dat zo goed als verdwenen. De verklaring daarvoor is volgens mij dat de staat er de rol van God heeft overgenomen. De Canadese overheid voorziet nu in alles wat een kind nodig heeft: school, bescherming en veiligheid. God heeft er steeds minder in de pap te brokkelen. Wij trekken allemaal een beetje op Canada. Hoe minder miserie we in ons leven hebben en hoe beter het ons vergaat, hoe minder behoefte we hebben aan God. Maar de dag dat we een geliefde verliezen of ons leven aan een zijden draadje hangt, richten we ons, al dan niet ver van de schijnwerpers, met onze smeekbeden naar boven. Veel ongelovigen laten zich nog steeds begraven in een kerk. Dat is omdat we als mens nood hebben aan de troost van dat soort van rituelen. Op zo’n momenten wordt God onze therapeut.

 

God en rituelen zijn belangrijk voor onze psychische gezondheid?

Cyrulnik: Jazeker. Rituelen geven structuur aan ons bestaan en op het moment dat de staat God vervangt, verliezen we een flink pak van die rituelen die onze bakens waren. Dat verlies van God impliceert ook een verlies aan waarden, ethiek en moraliteit. Dat is problematisch, want hoe meer we ons hechten aan het materiële, hoe egoïstischer we worden. Wanneer God uit onze samenleving verdwijnt, vergeten we hoe we moeten samenleven met andere mensen. Een kind leert dan niet langer om rekening te houden met anderen en empathie wordt selectiever.

 

Maar een opvoeding met God kan toch ook tot onvoorstelbare gruwel leiden? Denk maar aan de kinderen van de Islamitische Staat.

Cyrulnik: Van zodra een geloofsgemeenschap zich afsluit van de rest van de wereld, wordt het extreem gevaarlijk. In een sekte is er enkel nog empathie voor de andere sekteleden. De buitenwereld is de vijand en moét bestreden worden, of op zijn minst genegeerd. Enkel de eigen God telt en alle andere goden zijn des duivels. Kijk, de essentie is: we hebben allemaal behoefte aan onze God, maar we moeten ons er altijd goed bewust van zijn dat er nog andere goden bestaan die minstens evenveel recht van spreken hebben. Vandaag zijn er op aarde 35.000 verschillende goden. Ze zijn stuk voor stuk nuttig voor alle mensen die erin geloven, net zoals onze God nuttig en noodzakelijk is voor ons.

 

Veel jonge mensen nemen op een bepaald moment afscheid van de God van hun ouders.

Cyrulnik: Dat gold misschien voor uw generatie, maar ik merk dat kinderen vandaag naar de schaapsstal terugkeren. Net nu God door de staat compleet verdrongen lijkt te zijn, keren heel wat jonge mensen terug naar de God van hun voorouders. Ik zie die evolutie iets minder bij christenen, maar vooral bij moslims en joden. Steeds meer jonge moslims hullen zich in kledij die de eerste volgelingen van de profeet Mohammed gedragen zouden hebben. Er worden zelfs bizarre zwempakken ontworpen én gedragen die in Arabische landen verboden zijn omdat ze in strijd zouden zijn met de islam. Tot voor een paar jaar kwam je op straat nauwelijks joden met een keppeltje tegen, nu zie ik overal jonge mannen met een keppeltje op. Piepjonge joden keren terug naar de godsdienst van oma en opa. Ze gaan langs bij de rabbijn en vragen hoe ze moeten bidden en geloven. Hun geseculariseerde ouders staan daar met open monden naar te kijken. Mama en papa gingen indertijd samenwonen of trouwden enkel op het gemeentehuis, maar zoon- en dochterlief vragen aan de rabbijn advies over hoe ze best moeten huwen. De ouders moesten zichzelf vrijvechten, weg van onder wat zij ervaarden als het juk van het geloof en de geestelijkheid. Vol verbazing kijken ze nu naar hun kinderen die afstand nemen van die vrijheid, zich onderwerpen aan de rabbijn en terugkeren naar wat zij ooit als verstikkende regels ervoeren. Het gaat heel ver, hoor. Veel jonge joden zien het huwelijk niet langer als een bezegeling van de liefde tussen twee mensen, maar als een manier om onder toezicht van de rabbijn de samenleving in te richten.

 

Die jonge generatie bouwt vol overgave aan de restauratie van een door God gedomineerde conservatieve samenleving?

Cyrulnik: Ja, zonder twijfel. Dat vindt nu toch onder onze ogen plaats? Westerse samenlevingen beleven een terugkeer naar conservatieve waarden. Daar is ook een verklaring voor: veel kinderen zijn doodsbang van de vrijheid waarin ze geboren zijn. Ze hebben nood aan houvast en structuur en vluchten daarom in de armen van een autoritaire God. Te veel vrijheid voor kinderen levert alleen maar angst en onzekerheid op. Ze hebben nood aan een duidelijk opvoedkundig pad. Praat met leerkrachten op lagere en secundaire scholen en zij zullen u vertellen dat steeds meer jongens en meisjes worstelen met problemen die het gevolg zijn van een gebrek aan structuur in gezin en samenleving. Ze hunkeren naar autoriteit, want dat kalmeert hen en biedt zekerheid.

 

 

Boris Cyrulnik, God als therapeut, Lannoo, 272 blz., 24,99 euro

 

 

 

Boris Cyrulnik

  • Geboren in 1937 in Bordeaux
  • Studeerde in de jaren zestig geneeskunde en psychiatrie aan de Faculté de médecine de Paris
  • Is als neuropsychiater verbonden aan de universiteit van Toulon
  • Schreef verschillende populair-wetenschappelijke boeken over psychologie
  • Introduceerde in 2001 voor het grote publiek de theorie over résilience of veerkracht
  • Richtte in 2013 L’Institut Petite Enfance op voor opleiding van hulpverleners en onderzoek naar de vroege kinderjaren

 

(c) Jan Stevens