“Nieuws maakt mensen pessimistischer. Hun drive om mee te helpen aan een betere wereld, kwijnt weg”

De Correspondent blaast vijf kaarsjes uit. Om dat te vieren, ligt binnenkort ‘Dit was het nieuws niet’ in de boekhandel, een bundeling reportages en verhalen. Intussen werkt oprichter en hoofdredacteur Rob Wijnberg vanuit New York met The Correspondent aan de verovering van de rest van de wereld. “Als het niet lukt, ben ik gauw weer thuis.”

 

Vijf jaar geleden, op 30 september 2013, ging decorrespondent.nl van start. Een half jaar eerder had filosoof en journalist Rob Wijnberg (36) in het Nederlandse praatprogramma ‘De wereld draait door’ de crowdfunding voor zijn journalistieke droom aangekondigd. Samen met mede-oprichter Ernst-Jan Pfauth zocht hij 15.000 mensen die minstens zestig euro wilden investeren in een nieuw, advertentievrij, digitaal journalistiek medium. Een maand later klokte de uiterst succesvolle geldinzamelactie af op 18.933 ‘leden’, of betalende abonnees. Vandaag telt De Correspondent 60.000 leden die in ruil voor 70 euro lidgeld onbeperkt toegang hebben tot de artikels, video’s en podcasts van onder anderen Rutger Bregman, David Van Reybrouck en sinds kort ook Joris Luyendijk. De avontuurlijke start-up groeide uit tot een middelgroot mediabedrijf met 51 werknemers, waaronder 21 voltijdse journalisten.

“Vijf jaar geleden was Joris Luyendijk een van onze grote inspiratiebronnen”, zegt Rob Wijnberg. “Hij is dan ook onze gedroomde correspondent. Veel collega’s op de redactie kijken naar hem op; hij is echt een intellectuele mastodont. Hij werkte in Londen bij The Guardian, maar wou om familiale redenen terug naar Nederland. Ik vroeg hem of hij zin had om bij ons te komen werken. Daar moest hij geen twee keer over nadenken.”

Eind vorig jaar verhuisde Wijnberg naar New York, waar hij samen met Ernst-Jan Pfauth werkt aan de opstart van de Engelstalige The Correspondent.

Rob Wijnberg: “We wonen hier nu tien maanden, maar zijn eigenlijk al meer dan een jaar bezig met het uitbouwen van een netwerk en met het smeden van plannen. We hebben een Engelstalig boekje gedrukt met onze ‘Ten Founding Principles for independent, inclusive, and ad-free journalism’. We drinken sloten koffie met geïnteresseerden en praten met hen over ons manifest. We letten er wel goed op dat we dat woord niet gebruiken, anders bestempelen ze ons als communist. We noemen het onze ‘grondwet’, dat snappen ze wel.”

 

Wie zijn die ‘geïnteresseerden’?

“Journalisten, activisten, mediacritici, wetenschappers… We leggen hen onze journalistiek uit en proberen hen als ambassadeurs te strikken. De lijst groeit gestaag. Onder anderen Rosanne Cash, de dochter van Johnny, en Alan Rusbridger, oud-hoofdredacteur van The Guardian, helpen nu bij de verspreiding van ons evangelie.”

 

Waarom willen jullie per se vanuit New York in het Engels aan de slag?

“Amerika heeft een grote markt voor journalistiek en er loopt zeer veel talent rond. We kunnen hier ook nauw met een van onze grote inspirators samenwerken: Jay Rosen, professor journalistiek aan de universiteit van New York. Hij voert onderzoek naar internetjournalistiek en naar de rol van lezers bij journalistieke projecten. Eigenlijk is het ook gewoon heel leuk om in deze stad te wonen en werken. New York is geen must, maar de Engelse taal wel. Het is niet onze bedoeling om De Correspondent te kopiëren naar de VS, wel om ons project uit te breiden naar het enorme Engelse taalgebied. Onze journalistiek richt zich niet op de waan van de dag, maar op grote structurele en fundamentele ontwikkelingen die de wereld vorm geven. Wij hebben aandacht voor thema’s als klimaatverandering, belastingontduiking, onderwijs en mobiliteit. Onze artikels en reportages hebben alle baat bij een wereldtaal.

Reacties van lezers zijn heel belangrijk voor ons. We betrekken hen bij alles wat we schrijven en vragen hen om hun kennis en ervaringen met ons te delen. Van zodra dat in het Engels kan, zullen ontzettend veel mensen van over de hele wereld hun wijsheid op ons platform delen. Onze journalistiek kan daar alleen maar beter van worden.”

 

U bent niet bang om zeurpieten en complottheoretici uit de vier windstreken aan te trekken?

“De commentaarsecties op de nieuwssites van klassieke journalistieke media hebben een slechte naam met hun complottheorieën en scheldpartijen. Maar misschien ligt een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor al die ontspoorde onzin bij de sites zelf. Want er volgt geen enkele consequentie, zowel positief als negatief, op de commentaar die iemand levert. De journalist die het oorspronkelijke stuk geschreven heeft, doet er helemaal niets mee. Het gevolg is dat die commentaren ontsporen. Dat is doodjammer. Door onze lezers ernstig te nemen en in ons werk te betrekken, hebben wij ervaren dat zij vaak een grote bron van kennis zijn. Bijna 50 % van het werk van De Correspondent-journalisten bestaat uit dialogeren met de leden. Ze beantwoorden vragen, en stellen er ook. Onze leden delen hun expertise met ons, die wij vervolgens gebruiken voor nieuwe verhalen. Er is een cultuur gegroeid waarin de meeste mensen die reageren ook écht iets weten. Onze voedselcorrespondent krijgt altijd meteen interessante reacties van boeren en melkveehouders; onze onderwijscorrespondent communiceert met leraars, leerlingen en schooldirecteurs. De reacties op onze artikels zijn geen ‘comments’, maar ‘bijdragen’. Dat verschil lijkt subtiel, maar toont wel hoe wij met onze leden communiceren. Anonieme reacties zijn niet toegestaan. Dat zorgt ervoor dat mensen niet snel complottheorieën delen.”

 

Wanneer gaat The Correspondent de lucht in?

“Dat weten we nog niet. We organiseren eerst een ledencampagne via crowdfunding, net als vijf jaar geleden in Nederland. Wanneer die precies van start gaat, is koffiedik kijken.”

 

Klopt het dat jullie met een oorlogskas van 1,8 miljoen dollar naar New York vertrokken zijn?

“Die 1,8 miljoen dollar is het startkapitaal om onze crowdfunding te financieren. We hebben een paar maanden geleden Zainab Shah in dienst genomen als onze Operations Lead. Zij komt over van BuzzFeed. We werken samen met Blue State Digital, het bureau achter beide digitale presidentiële campagnes van Barack Obama. Dat kost ook geld. We bouwen alles op van nul in de hoop dat we zo tienduizenden mensen kunnen overtuigen om lid te worden van iets dat ze niet kennen. Als het niet lukt, ben ik gauw weer thuis.”

 

In het voorwoord van ‘Dit was het nieuws niet’ schrijft u: “Vergeet nepnieuws. Echt nieuws is minstens zo misleidend.”

“Daar voeg ik meteen ook aan toe: ‘Ik realiseer me dat dat een boude stelling is.’ (lacht) Met ‘nieuws’ bedoel ik niet ‘journalistiek’, want dat begrip dekt veel ladingen. Niet alle kunst is een schilderij. Nieuws bestaat uit sensationele, uitzonderlijke, negatieve, recente gebeurtenissen. Het journaal zal eerder openen met: ‘Er is een bom ontploft’, dan met: ‘Vandaag zijn er in dat land weer mensen onderdrukt.’ Want dat laatste is geen uitzonderlijke, sensationele en recente gebeurtenis, maar vindt elke dag plaats. Er wordt gezegd: als je nieuws volgt, weet je wat er in de wereld aan de hand is. Maar dat is níet zo, omdat nieuws net gaat over dat uitzonderlijke. Je krijgt nooit de regel te zien, altijd de uitzondering. Terwijl de dingen die elke dag gebeuren net veel invloedrijker zijn. Iedereen denkt dat de financiële crisis in 2008 begon omdat er zich toen iets spectaculairs en uitzonderlijks voltrok: een grote bank, Lehman Brothers, ging overkop. De aanloop was geen nieuws, want verliep te traag en te structureel. De opgestapelde risico’s die banken namen, leidden tot de crisis, maar bleven onder de nieuwsradar.

Door naar structuren te kijken, ontdek je paradoxaal genoeg dat het veel beter met de wereld gaat dan het nieuws laat uitschijnen. In Amerika zeggen ze: ‘If it bleeds, it leads.’ Als het bloedt, haalt het de voorpagina. Terwijl je nooit iets ziet over wat goed gaat. Elke dag vertrekken tien miljoen Nederlanders naar hun werk. Pas als iemand een ongeluk krijgt, is het nieuws. Al die andere mensen die veilig aankomen, zijn geen berichtje waard.

Wie op een andere manier naar de werkelijkheid kijkt en op zoek gaat naar structuren en patronen, wordt misschien wel optimistischer en positiever dan wie enkel het nieuws volgt. Nieuws maakt mensen pessimistischer: ze krijgen minder vertrouwen in hun medemens en worden cynisch. Hun drive om mee te helpen aan een betere wereld, kwijnt weg.”

 

Is dat niet vooral te wijten aan sociale media? Kranten en tijdschriften brachten en brengen nog steeds achtergrondverhalen. Is het drama niet dat krant en magazine ingeruild worden voor Facebook, Instagram of Twitter?

“Door het internet is de laatste decennia nieuws zeker invloedrijker geworden. Vroeger werden we er een paar keer per dag mee geconfronteerd: ’s morgens als de krant op de mat viel, ’s middags als we naar het journaal op de radio luisterden en ’s avonds als we voor de tv gingen zitten. Nu is het nieuws alomtegenwoordig. Vroeger lieten we ons stemgedrag bepalen door onze ideologie, nu door het nieuws. Wat een paar weken voor de verkiezingen in het nieuws komt, is doorslaggevend voor wie onze stem wel of niet zal krijgen. Kijk, de meeste journalisten zijn links…”

 

Dat wordt gezegd.

“Dat wordt niet alleen gezegd, dat is ook onderzocht. Twee derde van de Engelse journalisten stemt links, maar het nieuws is rechts. Als je aan een links persoon vraagt wat de grondoorzaak van criminaliteit is, zal hij op structuren wijzen en antwoorden: ‘Armoede, ongelijkheid, opvoeding, gebroken families.’ Vraag het aan een rechts persoon en hij zal antwoorden: ‘Het is de individuele keuze van die man of vrouw om het verkeerde pad te kiezen.’ Daarom vinden rechtse mensen zwaardere straffen een logische manier om criminaliteit te bestrijden. Rechts denken heeft een individuele moraal en links denken een structurele. Bijna alle nieuws is een bevestiging van rechts filosofisch denken. Sluit iemand op in een kamer en laat hem een jaar lang enkel naar het journaal kijken. Ik durf er alles op verwedden dat hij rechtser uit die kamer komt dan hij erin ging. Hij zal pleidooien houden voor zwaardere straffen en meer politie op straat. Je zal hem niet horen zeggen: ’99 procent van de mensen zijn te vertrouwen’, of: ‘Armoede is een structureel probleem.’ Nieuws maakt conservatief, want het toont enkel slechte veranderingen.”

 

Conservatieve politici hebben er dus alle belang bij dat mensen het nieuws volgen en achtergrond en duiding links laten liggen? N-VA-voorzitter Bart De Wever weigert interviews aan magazines en kranten van de kwaliteitspers. In de populaire pers maakt hij dan weer wel graag zijn opwachting. Dat is onderdeel van een bewuste strategie?

“De Wever is niet de enige conservatieve politicus met die strategie. Er is geen betere reclamespot voor zijn wereldbeeld denkbaar dan het nieuws. Er is ook niets meer naast de waarheid dan een rechts populistische conservatief die beweert dat de media zijn wereldbeeld niet in beeld brengen. Sterker nog: zijn wereldbeeld is zowat ontleend aan wat je in het nieuws ziet.

Nieuws is een geprofessionaliseerde vorm van geroddel. Als het afgeschaft wordt, ontstaat het vanzelf terug. ‘Zeg Jan, heb je gehoord dat het huis van de buurman afgebrand is?’ ‘Is het echt? Heb ik je al verteld dat achter de hoek twee auto’s op elkaar zijn ingereden?’ Mensen willen nu eenmaal weten wat er aan gevaar dreigt. Als je die neiging tot roddelen professionaliseert, heb je nieuws. Het wordt problematisch van zodra je dat professioneel geroddel beschouwt als het venster op wat er écht gebeurt in de wereld. Dan krijg je een extreem eenzijdige visie op de werkelijkheid. Het zorgwekkende is dat het politieke beleid op dat eenzijdige wereldbeeld gebaseerd wordt. 80 procent van alle vragen in het Nederlandse parlement komen voort uit nieuwsberichten. Afgelopen jaren zijn er acht keer zoveel vragen gesteld over geweldincidenten op straat. Straatgeweld groeide uit tot een obsessie en er werden veel maatregelen tegen getroffen. In werkelijkheid nam ondertussen het geweld op straat alleen maar af. Met De Correspondent gaan we daar lijnrecht tegenin: wij willen medicijn zijn tegen die waan van de dag.”

 

De Correspondent-journalist Jesse Frederik zei eerder dit jaar in een interview met het Nederlandse journalistenvakblad Villamedia dat hij het jammer vond dat zijn stukken nooit opgepikt werden door de klassieke media.

“Ik snap dat Jesse dat niet leuk vindt, want hij schrijft fantastische artikels over grote, vaak onbesproken problemen. Zo heeft hij naar voor gebracht dat de armoede in Nederland veel groter is dan de officiële cijfers doen vermoeden. Want schulden worden niet in die cijfers verwerkt. Volgens de statistiek kan je dus rijk zijn, terwijl je tot over je oren in de schuld zit. Jesse schrijft daar schitterende verhalen over, alleen zit er geen haakje aan om ze hier en nu op de frontpagina van de klassieke krant te zetten. Misschien moeten we daar in de toekomst beter op letten.”

 

Frederik zei in datzelfde interview: “Collega-journalisten vinden ons toontje stomvervelend. Zelf word ik ook gek van dat borstklopperige gedoe.” U ook?

“Misschien zit er soms een betweterig toontje in onze titels, maar in de klassieke media zit veel betweterigheid in de mentaliteit. De traditionele cultuur in de journalistiek is al jarenlang: ‘Wij bepalen wat belangrijk is. Wij presenteren het en lezers mogen het vervolgens consumeren. Klaar.’ Wie dat voorgekauwde nieuws niet volgt, is geen goede burger, want hij is apathisch. Terwijl een journalist zich zou moeten afvragen: ‘Waarom volgen ze ons niet? Wat kunnen we verbeteren?’ Tegen al die mensen uit de klassieke media die vinden dat wij wijsneuzerig zijn, zeg ik dat wij onze lezers wél zeer serieus nemen.”

(c) Jan Stevens

Advertenties

“Maak schrijvers zelfredzaam. Het is hun enige kans op redding”

Met zijn uitgeefplatform Pottwall Publishers zoekt Marnix Peeters een manier om zijn schrijverschap rendabel te maken. Voor subsidies bedankt hij. “Ik heb nog nooit een cent van de staat gekregen.” Niet al zijn collega’s zijn even enthousiast. “Zo goed als geen schrijver kan leven van zijn boekenverkoop.”

 

Woensdag 12 september stelde Marnix Peeters zijn nieuwe roman ‘Ik heb aids van Johnny Diamond’ voor in een chique gentleman’s club in Antwerpen. Het blonde gerstenat vloeide er rijkelijk dankzij een bevriende brouwerij uit Steenhuffel. “Ik ben niet vies van bedrijven die mijn boeken of boekvoorstellingen willen sponsoren”, zegt Peeters. Begin vorig jaar richtte hij zijn eigen uitgeefplatform Pottwall Publishers op. “Niet uit onvrede met mijn toenmalige uitgever, maar omdat ik het creatieve proces zelf in handen wou nemen. Een moderne uitgeverij heeft 250 titels per jaar, waarvan jouw boek slechts één onderdeeltje is. Het technische aspect van boeken uitgeven, zoals drukken en distribueren, besteed ik uit aan Standaard Uitgeverij. Al de rest doe ik samen met mijn vrouw Jana. We zoeken zelf redacteurs en grafici en verzorgen onze eigen promotie. ‘Ik heb aids van Johnny Diamond’ is als volledig afgewerkt pakket bij Standaard Uitgeverij afgeleverd. De cover was klaar en mijn mediacampagne stond op punt. Het enige wat zij nog moesten doen, is de boeken drukken en versturen.”

Pottwall Publishers wordt van vers kapitaal voorzien door een privé-investeerder. Marnix Peeters: “Ik stapte zelf naar Bart Embrechts, stichter en baas van ‘incubator’ Gumption. Na een gesprek van een half uur was alles in kannen en kruiken. Gumption financiert een deel van mijn werkingskosten in ruil voor media-aandacht. Hun logo prijkt klein maar fijn op de achterflap van mijn boeken. De commentaar van sommige collega’s is vernietigend: ‘Dat bedrijfslogo op je boek is cultuurschennis!’ Terwijl ze wel allemaal graag het logo van het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) op de titelpagina van hun roman zetten, om zo te tonen dat ze 10.000 euro uit de zakken van de overheid geklopt hebben. Ik hou niet van subsidies. Ik heb nog nooit een cent van de staat gekregen.”

 

Win for life

“Zo goed als geen enkele schrijver kan van de verkoop van zijn boeken leven”, zegt Matthijs de Ridder, voorzitter van de Vlaamse Auteursvereniging (VAV), de belangenvereniging van Vlaamse schrijvers. “De royalty’s bedragen doorgaans 10 % van de verkoopprijs en die volstaan niet, tenzij een schrijver meer dan 20.000 exemplaren van al zijn boeken per jaar verkoopt. Er zijn er maar een paar die dat halen. De werkbeurzen van het VFL helpen de anderen overleven.”

In juni hield Het Nieuwsblad het VFL tegen het licht. In 2018 kregen 103 auteurs een werkbeurs, goed voor bijna 900.000 euro. De krant ploos uit dat sinds 2000 zeven schrijvers elk jaar opnieuw langs de kassa passeren. Structurele grootverdieners zijn Leonard Nolens (met in totaal 368.192 euro), Klaas Verplancke (347.904 euro), Bart Moeyaert (309.256 euro) en Paul Claes (305.006 euro). Dat leverde hen de voorbije achttien jaar een netto maandloon op dat schommelde tussen 1.300 en 1.600 euro. Het Nieuwsblad bedacht voor hen het koosnaampje ‘win for life-club’. “Goed gevonden, maar nergens op gebaseerd”, vindt Matthijs de Ridder. “Want die werkbeurzen worden door onafhankelijke commissies toegekend aan schrijfprojecten die constant worden geëvalueerd.”

Is dat zo? Een schrijver kreeg een beurs voor een roman. Onderweg haakte zijn uitgeverij af. De schrijver hing zijn pen aan de haak, renoveerde met het subsidiegeld zijn keuken, leverde geen boek in en werd door het VFL nooit op het matje geroepen. Matthijs de Ridder: “Als een schrijver echt de boel belazert, kan hij dat één keer doen. Want er mag aan een subsidie geen resultaatsverbintenis verbonden zijn. Maar daarna zal hij uiteraard geen beurs meer krijgen. Er is echter ook zoiets als het recht om te mislukken. Als je intenties goed zijn, of de uitgeverij ligt dwars en het lukt niet, word je niet gestraft.”

“Er wordt altijd beweerd dat het VFL onafhankelijk over werkbeurzen beslist, maar ik schrik als ik zie hoe een groep schrijvers al jaren structureel bediend wordt”, reageert Marnix Peeters. “Veel aanvragers hebben trouwens een job; vaak zijn het docenten of journalisten. Waarom moeten zij overheidsgeld krijgen? Gesubsidieerde auteurs vinden het soms de moeite niet om zelf de handen uit de mouwen te steken om hun boeken verkocht te krijgen. Waarom zouden ze? Dankzij het VFL is hun boek toch al betaald. Marketeers van uitgeverijen trekken zich de haren uit het hoofd: wanhopig worden ze van schrijvers die weigeren een auteurspagina op Facebook te maken. In zeldzame interviews snoeven die schrijvers dan dat ze hun auteurschap niet in het gedrang laten brengen door deelname aan tv-spelletjes zoals De slimste mens. Het is niet voor niets dat er zoveel protest is tegen de benoeming van Mia Doornaert tot nieuwe VFL-voorzitter. Het boeken-establishment is bang dat zij het status-quo komt verstoren. Als ik Mia was, zou ik al de poen die die uiertrekkers jaarlijks krijgen, investeren in dingen die er werkelijk toe doen. Organiseer een cursus marketing voor schrijvers. Maak ze zelfredzaam. Het is hun enige redding.”

Het verhaal gaat dat Marnix Peeters zo gebeten is op het VFL omdat hij ooit zelf naast een beurs greep. Peeters: “Onzin. In 2014 waagde ik het al om kritiek op het VFL te hebben en meteen sneerde directeur Koen van Bockstal: ‘Meneer Peeters heeft óók een subsidie gekregen voor een Italiaanse vertaling van zijn debuut.’ Wat een leugen is. Op een dag zat er een brief van het VFL in de bus met de mededeling dat een vertaalster 1500 euro had ontvangen om mijn eerste roman te vertalen. Ik heb die vertaalsubsidie nooit zelf aangevraagd en dat geld ook nooit gekregen. Ik dacht: ‘Waarom probeert die Van Bockstal mij verdacht te maken?’”

 

Koffieboeren

Van 2011 tot en met 2013 organiseerde de Vlaamse Auteursvereniging onder haar 600 leden een bevraging naar hun inkomen. Het gemiddelde gezinsinkomen van 60 % van de literaire auteurs bleek onder 3000 euro per maand te liggen. Ter vergelijking: in 2008 bedroeg het beschikbare maandinkomen per huishouden in Vlaanderen gemiddeld 3.287 euro. Amper 10 % van het maandelijkse gezinsinkomen van twee derde van de literaire auteurs was afkomstig van hun schrijfwerk. Slechts 20 % kon echt van zijn pen leven.

De Universiteit Gent voerde in 2014 een groot onderzoek naar het inkomen van Vlaamse kunstenaars en nam toen ook de literaire auteurs onder de loep. Bijna 40 % van de schrijvers was zelfstandige in hoofdberoep. Hun gemiddeld netto-jaarinkomen bedroeg 19.884 euro. 28% was zelfstandig schrijver in bijberoep. Hun schrijverschap leverde hen gemiddeld 8.201 euro netto per jaar op; hun hoofdjob in vaste loondienst 31.904 euro. 7 % werkte met uitzendcontracten en verdiende gemiddeld 21.752 euro. De rest werd vooral uitbetaald in onkostenvergoedingen.

“Schrijvers zijn de koffieboeren van het boekenvak”, zegt Erik Vlaminck, voltijds literair schrijver. “Ik verdien meer met mijn theaterwerk dan met mijn romans. Maar ik zou geen theateropdrachten krijgen als ik geen romans zou schrijven. Ik werk enkel voor professionele toneelgezelschappen en krijg doorgaans voor elke opdracht een schrijfpremie die varieert van 3000 tot 10.000 euro. Die premie is geen voorschot, maar een vergoeding voor het te schrijven stuk. Daarna ontvangt de auteur 10 procent op de recette. Aan een theaterstuk werk ik twee tot zes maanden; aan een roman ben ik twee of drie jaar bezig. Mijn vergoeding als romanschrijver bedraagt 10 % van de verkoopprijs van elk verkocht boek. De meeste boeken halen in Vlaanderen een oplage van een paar duizend exemplaren of minder. Natuurlijk is onze boekenmarkt te klein om rendabel te zijn. Maar als een gemeenschap literatuur belangrijk vindt, moet ze bereid zijn om subsidies te geven die de markt corrigeren. In tegenstelling tot Marnix Peeters vind ik dat het VFL wel goed werk levert. De hele boekensector stelt direct en indirect duizenden mensen tewerk, in bibliotheken en boekhandels, bij uitgeverijen, in drukkerijen, bij transportbedrijven en culturele organisaties. Al die mensen hebben een fatsoenlijk loon en een sociaal vangnet. De enigen die dat niet hebben, zijn de schrijvers, terwijl zij de grondstof leveren. ‘We kunnen het ons niet permitteren om schrijvers meer dan 10 % te geven’, zeggen uitgevers. Bullshit. Als een schrijver 20 % krijgt, wordt een boek 2 euro duurder. Laat een lezer een boek links liggen omdat het 22 in plaats van 20 euro kost?”

 

Onvruchtbare tegenstelling

Jeroen Overstijns is ceo van Standaard Uitgeverij, de grootste uitgeefgroep in Vlaanderen. Cijfers over vergoedingen voor auteurs geeft hij niet, al is hij de eerste om toe te geven dat het geen vetpot is. “Een gevolg van de relatief beperkte markt waar Vlaamse auteurs voor schrijven”, zegt hij. “Het is voor hen zeer moeilijk om in Nederland door te breken. De echt grote namen geraken de grens wel over, maar halen gemiddeld niet de verkoopcijfers van hun Nederlandse collega’s. We geloven graag dat bij onze noorderburen het gras groener is, maar ook Nederlandse schrijvers komen tegenwoordig moeilijk rond. De voorbije tien jaar is de boekenmarkt er met een vijfde gekrompen. Het is dus te gemakkelijk om met een beschuldigende vinger naar uitgeverijen te wijzen. Op heel veel boeken draaien zij verlies, terwijl ze wel altijd het risico dragen. Als een boek niet verkoopt, blijft de uitgeverij met de kosten achter.”

Commerciële mensen in een uitgeverij hebben een mooi loon en een auto van de firma, terwijl de schrijvers – de grondstofleveranciers – het meestal moeten stellen met die schamele 10 procent. Wringt dat niet? Jeroen Overstijns: “Ik vind dat een onvruchtbare tegenstelling: alsof auteurs veel geld moeten verdienen en uitgeverijen veroordeeld moeten zijn tot de bedelstaf. Alsof het verkeerd is dat er in een uitgeverij mensen met een salaris rondlopen. Een auteur is gebaat met een goede uitgeverij en een uitgever is gebaat met een goede schrijver. Samen proberen ze kwaliteitsboeken te maken die ook geld opbrengen.”

“We mogen niet alle verantwoordelijkheid bij de uitgeverijen leggen”, vindt ook schrijfster Gaea Schoeters. “Zij maken niet de grote winsten. Ongeveer de helft van de opbrengst van een boek gaat naar distributie en tussenleveranciers. Ik geloof echt dat een aantal uitgevers graag de gebruikelijke royalty’s van 8 tot 15 procent zouden willen optrekken tot misschien zelfs 50 procent. Alleen is dat onmogelijk.”

Hoe moet het dan wel? Gaea Schoeters: “Literatuur schrijven is als topsport, maar dan zonder sponsors en prijzengeld. De teloorgang van de literaire prijzen is een groot probleem: geen enkele heeft nog een fatsoenlijke prijzenpot. Ik ben het totaal oneens met Marnix Peeters’ stelling dat schrijvers nog wat harder moeten werken en dan ooit zullen krijgen wat ze verdienen. Waarom moet een professioneel schrijver overdag bij de bakker gaan werken? Dat vragen ze toch ook niet aan een professioneel concertpianist? Ik geloof erg in gesubsidieerd kunstenaarschap, maar niet zoals het nu in Vlaanderen georganiseerd is. De hoogte van de werkbeurzen is een grap. Ik heb er zelf een en die bedraagt 5000 euro. Dat wil zeggen: ongeveer 400 euro per maand om van te leven.”

Moet er dan een kunstenaarsstatuut voor schrijvers komen, zoals er al een is voor acteurs? “Ja. In Scandinavië worden scheppende kunstenaars wel structureel ondersteund. Misschien kunnen we daar inspiratie opdoen?”

 

 

Hoe verdienen schrijvers hun dagelijks brood?

 

Marnix Peeters, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Ik kan mijn columns niet missen”

“Mijn topsellers zijn ‘De dag dat we Andy zijn arm afzaagden’ en ‘Natte dozen’. De aantallen die daarvan verkocht zijn, gaan richting 20.000. Ik heb ook mindere titels. Van ‘Kijk niet zo konijntje’ zijn er maximaal 5000 verkocht. ‘Ik heb Aids van Johnny Diamond’ verschijnt op 4000 exemplaren. Dat is veel naar Vlaamse normen, maar ik doe er dan ook extreem hard mijn best voor, met filmpjes en teasers, websites en een heuse sociale mediastrategie. Ik ben daar samen met mijn vrouw makkelijk drie maanden per jaar voltijds zoet mee. We hebben zo ondertussen een trouw lezerspubliek opgebouwd.

“Om te kunnen overleven kan ik mijn columns niet missen. Ik vind dat ook geen oneervol genre, integendeel. Ik krijg er veel warme reacties op, blijkbaar raak ik bij lezers een gevoelige snaar.”

 

 

Gaea Schoeters, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Een jaar romanschrijven, levert evenveel op als een dag soapscenario’s schrijven”

“Ik werk zeven dagen op zeven. Als ik een jaar aan een roman schrijf, verdien ik evenveel als wanneer ik een maand voor het theater, een week voor de krant of een dag scenario’s voor een soapserie op tv geschreven heb. In het verleden heb ik aan zo’n series meegewerkt, en een dag brainstormen bracht me tussen de 500 en 800 euro bruto op. Ik teer nog op de reserves van toen: zij maken het mee mogelijk dat ik nu aan mijn romans kan werken.

“Ik besef heel goed dat ik als auteur nooit hoge oplages zal halen. Als de verkoop van een van mijn romans 2.500 exemplaren haalt, is dat een groot succes. Ik werk drie jaar aan een boek en verdien dan gemiddeld 1,2 euro per exemplaar. Een roman levert me dus 1000 euro per jaar op. Evenveel als indertijd een aflevering voor een soap, waar ik anderhalve dag zoet mee was.”

 

 

Christophe Vekeman, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Iedereen gelijk voor de wet”

“Ik beschouw alles wat ik doe – romans schrijven, maar ook boeken bespreken, optreden, lezingen geven en zelfs dj-en – als deel van mijn schrijverschap. Al die activiteiten zijn een manier om mezelf literair tot uitdrukking te brengen. Zo overleef ik al sinds 2005 als zelfstandige.

“Daar ik gemiddeld zes of zeven weken doe over het schrijven van een roman, is het geld dat ik aan zo’n boek verdien redelijk in verhouding met die werktijd. Al blijft het natuurlijk jammer dat ik niet gebekt blijk te zijn naar de smaak van het brede publiek en dat ik dus af en toe niet meer loon naar arbeid ontvang.

“Ik zou het mooi vinden wanneer subsidievrije schrijvers als ikzelf voor hun zelfredzaamheid van overheidswege werden beloond met een klein belastingvoordeel. Ik heb grote problemen met de willekeur die met het toekennen van subsidies aan individuele schrijvers gepaard gaat. Stel je voor dat je om subsidies te krijgen voor het renoveren van je gevel een commissie op je stoep moet dulden die vervolgens in beraad gaat om uit te maken of een gevel in de door jou gewenste kleur inderdaad wel overheidsgeld waard is. Ik vind: iedereen gelijk voor de wet, anders hoeft het niet voor mij.”

 

 

Jeroen Olyslaegers, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Waarom krijgen schrijvers geen 30 procent auteursrecht?”

“Je kan als schrijver overleven door ook columns of toneelstukken te schrijven. Ik moét wel verschillende activiteiten combineren om het leefbaar te houden: pas dan kan ik mijn rekeningen betalen. Het gangbare voorschot voor het schrijven van een roman is 1.500 of 2.000 euro. Pas van zodra je meer dan 5.000 exemplaren verkoopt, begin je een beetje geld te verdienen. En vanaf 10.000 exemplaren zit je goed. Maar dat zijn de uitzonderingen.

“De gemiddelde verkoop van een boek schommelt tussen de 2.000 en 3.000 exemplaren. Vroeger waren dat ook mijn aantallen. Van ‘Wil’ zijn er nu meer dan 40.000 verkocht. Het grote probleem is die 10 procent auteursrecht. Dat percentage geldt wereldwijd, alleen hebben wij de pech dat we in een klein taalgebied leven. Waar gaat die andere 90 procent naartoe? Daar wordt vaak geheimzinnig over gedaan. Ik heb ooit aan verschillende uitgevers voorgesteld om de zaken om te draaien. Op de eerste 5.000 exemplaren zou ik dan 30 procent verdienen, waarna dat percentage stelselmatig zou zakken tot 8 procent, ook als het een gigantische bestseller is. De uitgeverij heeft er dan alleen maar alle belang bij dat het boek goed verkoopt. Maar geen enkele uitgever had oren naar mijn voorstel.”

 

 

 

Erik Vlaminck, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Ik overleef omdat ik combineer”

“Mijn roman ‘Brandlucht’ was een bestseller: daar gingen 10.000 exemplaren van over de toonbank. Ik verdiende er 2 euro per exemplaar aan; dat boek leverde me dus 20.000 euro bruto op. Dat is echt uitzonderlijk. Gelukkig zijn dat auteursrechten: als roerende inkomsten zijn die onderworpen aan een gunstig fiscaal regime van 15 %. Ik kan van mijn schrijverschap overleven omdat ik combineer: naast het schrijven van romans en toneelstukken, geef ik ook nog lezingen. Ik sta ook op de auteurslijst van het VFL en ontvang voor een lezing 100 euro subsidie bovenop de bijdrage van de organisator. Maandelijks verdien ik ongeveer 2.700 euro bruto, inclusief de werkbeurs van het VFL.

“Ik ben al drie keer bij de fiscus moeten langskomen om uitleg te geven over mijn belastingaangifte. De auteursrechtenregeling is zo ingewikkeld dat zelfs belastinginspecteurs er hun jongen niet in thuisvinden. Ik moest hen telkens zeggen hoe de vork aan de steel zit. ‘U zal wel gelijk hebben’, hoorde ik dan. ‘Wij raken er niet wijs uit.’”

 

 

Aantal verkochte boeken: feit & fictie

Auteurs en uitgevers pochen graag dat ze ‘duizenden exemplaren’ van een boek in Vlaanderen verkocht hebben. Maar exacte cijfers worden nooit gecommuniceerd. Die zijn nochtans bekend: marktonderzoeksbureau GfK houdt die in opdracht van Boek.be nauwgezet bij. “De GfK-cijfers zijn een betrouwbaar meetinstrument voor romans op de Vlaamse markt”, zegt Jeroen Overstijns, ceo van Standaard Uitgeverij. “De verkoopcijfers zijn registraties van kassa-aanslagen; veel juister kan niet.”

De Morgen kreeg via een bron toegang tot de ‘geheime’ cijfers van GfK.

Marnix Peeters zou telkens bijna 20.000 exemplaren van ‘De dag dat we Andy zijn arm afzaagden’ en van ‘Natte dozen’ verkocht hebben. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen respectievelijk 5.140 en 6.555.

Van ‘Kijk niet zo konijntje’ zouden er 5000 verkocht zijn. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen 1.657.

Erik Vlaminck zou 10.000 exemplaren van ‘Brandlucht’ verkocht hebben. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen 3.296.

Jeroen Olyslaegers zou meer dan 40.000 exemplaren van ‘Wil’ verkocht hebben. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen 31.613.

 

(c) Jan Stevens