‘Net als in de hoogdagen van het communisme, houden de Hongaren elkaar terug in de gaten’

Meer dan een kwart eeuw na de val van het communisme ontdekte de Hongaarse schrijver András Forgách dat zijn moeder Bruria van 1975 tot haar dood in 1985 informant voor de geheime dienst was. Ze hield niet alleen buren en vrienden in de gaten, maar ook haar eigen kinderen. In De akte van mijn moeder doet Forgách een boekje open over zijn moeder-spion. ‘Omdat ik haar zoon ben, vind ik niet dat ze me verraden heeft.’

 

In de herfst van 2013 kreeg András Forgách telefoon van een oude kennis uit zijn jeugd. Die had tijdens opzoekingswerk in het archief van de geheime dienst in Boedapest ontdekt dat een van Forgáchs familieleden jarenlang tijdens het communisme als informant voor de geheime dienst had gewerkt. ‘Hij noemde geen namen tijdens dat gesprek’, zegt András Forgach. ‘Maar ik voelde instinctief over wie het ging. We spraken af in een koffiehuis waar mijn vermoeden bevestigd werd: mijn in 1985 overleden moeder Bruria had decennialang een dubbelleven als informant geleid.’

 

Was dat een schok?

András Forgách: Zeker, maar toch ook niet helemaal. Toen ik die kerel in dat café sprak, viel het laatste stuk van de puzzel op zijn plaats. Plots begreep ik waarom ze zich op bepaalde momenten tijdens haar leven zo bizar had gedragen. Haar foute keuzes kregen betekenis, en veel vragen een antwoord.

 

Na de val van de muur in 1989 werd in Duitsland de Gauck-Behörde opgericht, een soort Waarheidscommissie belast met het beheer, onderzoek en openbaar maken van de Oost-Duitse Stasi-archieven. U hoorde pas in 2013 over het informantenverleden van uw moeder. Was er in Hongarije dan nooit een gelijkaardig initiatief?

Forgách: Nee, en voor Hongarije is dat een tragedie. Na bijna dertig jaar zal er ook niets meer veranderen. Jonge Hongaren zijn niet geïnteresseerd in dat verleden en historici hebben weinig aandacht voor die archieven. Al moet ik dat misschien toch nuanceren: de jaren veertig, vijftig en zestig worden wel goed onderzocht. Maar zeventig en tachtig zijn zo goed als onontgonnen terrein.

 

Hoe komt dat?

Forgách: Omdat veel van onze huidige politici in die periode als informant voor die geheime dienst actief waren. Zij hebben liever niet dat hun namen aan de oppervlakte komen en houden die doos van Pandora dus liever dicht. Ook veel artiesten waren informant en willen niet met hun verleden geconfronteerd worden. Politieke partijen zijn het eens met dat grote stilzwijgen, uit schrik dat ze anders leden zouden kunnen verliezen. Maar doen alsof er niets gebeurd is, is zeer ongezond voor een samenleving. Een van de redenen waarom ik dit boek geschreven heb, is om die samenzwering van de stilte te doorbreken. In De akte van mijn moeder schrijf ik zonder censuur over haar informantenwerk en leg haar dossier open en bloot op tafel. Ook al is het dan een ‘roman’, de inhoud is authentiek, met de echte namen van agenten, contactpersonen, figuranten. Ik wil dat er in Hongarije over die periode tenminste gepraat wordt.

 

Bent u boos op uw moeder?

Forgách: Nee. Onlangs hoorde ik op de radio een interview met Rebekka Hermán Mostert, zij vertaalde mijn boek naar het Nederlands. Ze zei dat mijn moeder me verraden heeft. Ik schrok daarvan, want ik heb dat nooit zo aangevoeld. Ik twijfel er geen moment aan dat Rebekka een uitstekende vertaalster is, maar haar interpretatie dat mijn moeder een verraadster zou zijn, vind ik zeer eenzijdig. In De akte van mijn moeder probeer ik net te analyseren waarom iemand informant wordt. Mijn moeder was lid van de partij en een overtuigde communist.

 

Meer nog: ze was stalinist.

Forgách: Dat klopt, maar tezelfdertijd was ze écht een trouwe goede communist, met uitstekende kwaliteiten. De agenten van de geheime dienst maakten overal aantekeningen van en hielden tot in de puntjes uitgeschreven verslagen van ontmoetingen met informanten bij. Mijn moeder komt uit haar dossier naar voor als een kameraad onder de kameraden. Als ze met haar contactpersonen overleg pleegde, was dat onder geestesgenoten. In haar dossier wordt ze omschreven als patriot.

 

Ze was geen informant omwille van het geld?

Forgách: Helemaal niet. Niet voor het geld en niet voor de macht. Enkel uit idealisme. Maar misschien toch ook weer niet helemaal, want als informant mocht ze regelmatig naar haar familie in Israël reizen. Dat kan je als een vergoeding beschouwen. Maar het is niet zo dat ze een vorm van verraad pleegde door informant te zijn. Nee, ze werd informant door haar overtuiging. ‘Bruria verraadde haar zoon András’, hoorde ik vertaalster Rebekka zeggen. Dat klopt ook niet. Rebekka’s uitspraken verrasten me, nadat ik de voorbije maanden urenlang met haar over mijn boek gepraat heb.

 

U bent Bruria’s zoon, en daarom misschien ook loyaal aan haar?

Forgách: Natuurlijk, maar dat wil nog niet zeggen dat mijn blik daardoor vertroebeld is. Ik heb in mijn boek geprobeerd om de context waarin zij leefde te reconstrueren.

 

Begin jaren tachtig biedt u in uw appartement in Boedapest onderdak aan de dissidente dichter György Petri. Wanneer de geheime dienst aan uw moeder vraagt om hen zonder uw medeweten toegang tot uw appartement te verschaffen, gaat ze daarop in. Is dat geen vorm van verraad?

Forgách: Verraad is niet het juiste woord. Ook niet als ze bij wijze van spreken later mijn hoofd aan de geheime dienst zal offreren. Want dat deed ze: ze droeg mij zonder dat ik het wist bij de Hongaarse Veiligheidsdienst voor als haar opvolger. Daar is gelukkig nooit iets van in huis gekomen, maar zelfs dat feit past in haar geloof dat ze een dienares van de communistische zaak is. Ze is er heilig van overtuigd dat ze zo meehelpt aan een betere wereld. Ik vermoed dat ze wel wist dat ze door mij ‘over te leveren’ een grens overschreed, alleen moest die kennis maar wijken voor de ‘goede zaak’. En natuurlijk heeft ze net als elke andere informant van de geheime dienst informatie over buren verzameld die die mensen soms in een lastig parket bracht. Maar doordat er in Hongarije een gebrek aan historisch onderzoek naar de communistische Veiligheidsdienst is, worden alle informanten over dezelfde kam gescheerd. ‘Ze deden het allemaal voor het geld of uit jaloezie.’ Er is geen enkel eerbaar motief mogelijk en er rest enkel zwart-wit.

 

Wat voor reacties kreeg u in uw thuisland op uw boek?

Forgách: Meestal positief, al probeerden sommigen mijn geloofwaardigheid in twijfel te trekken. Ze vonden dat ik de nagedachtenis van mijn moeder besmeurde. Alsof ik een andere keuze had.

Volgens de Hongaarse letter van de wet is het archief open en toegankelijk en mag er vrijelijk uit geciteerd worden. Het Stasi-archief is gedigitaliseerd en elke inwoner van de voormalige DDR kan online op zoek naar zijn eigen naam. Slechts een klein deel van het archief van de Hongaarse Veiligheidsdienst is digitaal raadpleegbaar. Als je als Hongaar iets wil opzoeken, moet je beroep doen op een researcher die voor jou in dozen en dossiermappen zal wroeten. In de praktijk is dat archief dus log en moeilijk toegankelijk. Niet lang na de publicatie in Hongarije van De akte van mijn moeder, vond ik in dat archief een dossier van een bladzijde of tien over mijn vader. Dat is nu opgenomen in de Nederlandse versie en de kans is groot dat ik in de toekomst nóg documenten vind.

 

Uw vader begon als eerste te werken voor de geheime dienst?

Forgách: Hij was journalist en werd gerekruteerd toen hij eind jaren vijftig correspondent in Londen werd. Ook hij geloofde heel sterk in de communistische zaak. Maar het spionnenwerk ondermijnde zijn persoonlijkheid, waardoor hij ten onder ging aan paranoia. Elke Hongaarse journalist die in de jaren zeventig en tachtig naar het Westen reisde, moest een document tekenen dat hem tot informant van de geheime dienst maakte.

 

Álle Hongaarse journalisten die tijdens het communisme als verslaggever naar het Westen kwamen, waren spionnen?

Forgách: Alle journalisten die voor de staat werkten. Mijn vader was in dienst van het officiële Hongaarse persbureau. Een correspondent raakte nooit aan een reispas als hij of zij niet eerst ook informant werd. De man die mijn vader in Londen opvolgde, was ook een agent, net als degene die erna kwam. Dat sloot naadloos aan bij de journalistiek zoals die door de grote kameraden van de Sovjet-Unie beleden werd.

Mijn vader leed onder aanvallen van paranoia en stortte begin jaren zestig helemaal in. Hij had wat men toen een zenuwinzinking noemde. Zijn laatste werk als Londense agent waren verslagen over Italiaanse en Joodse kranten. Hip spionnenwerk kan je dat niet noemen. Mijn ouders waren Joods, spraken Hebreeuws en waren gekant tegen de staat Israël. Niet veel Hongaarse Joden waren antizionisten, waardoor vader en moeder interessante agenten waren voor de geheime dienst. Toen vader te ziek werd om te kunnen functioneren, rekruteerden ze mijn moeder. Zij wist dat haar man een agent was en stond daar volledig achter.

 

Ze nam ook de codenaam van haar man over: ‘Papái’, Hongaars voor paus.

Forgách: Die naam was een vondst van vaders overste bij de veiligheidsdienst. Mijn vader was een ongelovige Jood. ‘Een Jood verberg je het best door er een katholiek sausje over te gieten’, vond luitenant Takács, de officier in kwestie. ‘Vanaf nu wordt kameraad Forgách: Papái, de paus’. De luitenant was daar naar het schijnt erg over in zijn nopjes. Toen moeder haar man als informant opvolgde, werd zij ‘mevrouw Papái’. Ze rekruteerden haar trouwens op een slinkse manier. Op geen enkel moment is haar meegedeeld: ‘Vanaf nu bent u geheim agent.’ Nee, op een bepaald moment vroegen ze: ‘Mevrouw, kunt u deze week eens een paar kranten voor ons bekijken?’ Later vroegen ze: ‘Wat zou u denken van een bezoek aan het Zionistisch Wereldcongres in Jeruzalem?’

 

Ze werd er langzaam ingesleurd?

Forgách: Ja, langzaam maar zeker maakten ze haar tot deel van het systeem. Ze hanteerden een goed uitgekiende, gedisciplineerde methode om mensen tot informant te kneden. In haar dossier vond ik een bijzonder intrigerend stukje tekst: ‘Aangezien het slechts een formaliteit is om mevrouw Papái tot officiële geheim medewerker te verklaren, zullen we haar hiervan niet speciaal op de hoogte brengen.’ Ze hebben haar dus nooit expliciet gezegd dat ze agent van de veiligheidsdienst was. De expert die samen met mij het dossier van moeder onderzocht, vertelde me dat dat heel typisch was. Blijkbaar wilden ze mensen die om ideologische redenen informatie doorgaven, niet het vieze gevoel geven dat ze verklikkers waren. Mama voerde ook vaak discussies met de officieren waarmee ze rechtsreeks in contact stond. Ze verdedigde mij en mijn dissidente vriend, de dichter Petri, ook al had ze eerder agenten in mijn appartement binnengelaten om afluisterapparatuur te installeren. ‘György Petri is een uitstekende dichter’, zei ze. Ze vond het fout dat hij geen reispas van het regime kreeg. ‘Als het systeem geen kritiek verdraagt, radicaliseren getalenteerde mensen’, zei ze tegen haar officier van de geheime dienst. Oké, ze was communist, maar uit de gesprekken met haar kameraden komt ze naar voor als een vrouw met een open geest. Tenminste, voor een stalinist was ze erg open, al moet u zich daar ook niet té veel van voorstellen. Het stalinisme is nu eenmaal zeer rigide.

 

Was ze op de hoogte van de ‘zuiveringen’ en de Goelag-kampen in de Sovjet-Unie onder Stalin?

Forgách: Jawel. Mijn ouders wisten dat, maar ze wilden de gruwel gewoon niet geloven. Moeder was een intelligente, belezen vrouw. Het stalinistische denkkader had haar geest vervormd. Haar leven lang klampte ze zich krampachtig vast aan die starre ideologie. Lang na de dood van Stalin bleef zij stalinist, net als haar man. Hun huwelijk was grote chaos. Ik herinner me mijn jeugd als een vreselijk chaotische periode, met wildvreemden die ons appartement binnen en buiten liepen. Mijn ouders spraken continu Hebreeuws met elkaar, zodat wij niet konden meevolgen. Net als mijn broer en zus wist ik van jongs af aan dat ze geheimen met zich meedroegen. Ik denk dat het rigide stalinisme hun manier was om de chaos te bedwingen. Informant zijn, zorgde voor zin in hun door partij en staat gedomineerde bestaan.

 

Uw moeder ging als informant toch heel ver, daar ook haar kinderen te bespioneren?

Forgách: Nee, echt niet. Integendeel, ze verdedigde en beschermde ons. Als jonge twintigers waren wij zeer actief tegen de communistische partij. Zij zette ons soms uit de wind. Akkoord, er waren een paar momenten waarop ze dicht bij dat ‘verraad’ van mijn vertaalster stond. Maar ik ben haar zoon en u moet begrijpen dat ik daarom vind dat zij mij niet verraden heeft. (stilte) Mijn zus Susan zat tot over haar oren in de oppositie en verhuisde vroeg naar New York. Toen mijn moeder haar daar wou gaan bezoeken, roken de officieren bij de geheime dienst hun kans om via mevrouw Papái de Hongaarse dissidenten in de VS in kaart te brengen. Ze is toen niet vertrokken, want mijn zus wou niet dat ze kwam. Dat was ook een van die momenten waarop ‘verraad’ in de lucht hing. God zij dank is mama toen in Boedapest gebleven. En god zij dank werd ik niet haar opvolger bij de geheime dienst. De zaden van verraad zijn gelukkig nooit beginnen kiemen.

 

Uw zus is niet erg blij met uw boek.

Forgách: ‘Niet erg blij’ is een eufemistische omschrijving. Volgens haar is het informantendossier van mijn moeder fake. ‘Het zijn nepdocumenten’, zegt ze. ‘Iemand heeft ze gefabriceerd om onze familie te chanteren.’

 

Wie is ‘iemand’?

Forgách: Het huidige regime: Viktor Orbán en zijn vrienden. Ik verafschuw Orbán en zijn ‘illiberale democratie’ die in werkelijkheid een zachte dictatuur is, maar de theorie van mijn zus is grotesk. Mijn moeders dossier is authentiek. Ik herken alle omstandigheden en details die erin beschreven staan. Ik begrijp dat mijn zus het er moeilijk mee heeft; het gaat tenslotte ook over haar moeder. Ik heb het er tot vandaag ook lastig mee. Ik voel me er fysiek niet goed door en ik vrees dat ik me nog lang slecht zal voelen. Vrienden jubelen: ‘András, je boek is een groot succes. Fantastisch!’ Nee, niet fantastisch, dit is een dagelijkse strijd voor de waarheid. Ik begrijp de woede van mijn zus, alleen gaf zij het verkeerde antwoord en ik het juiste. Ik moést hier wel over schrijven. Als ik dat niet had gedaan, waren al mijn andere boeken halve leugens. Mijn eerder verschenen roman Zehuse heeft als grondstof de briefwisseling tussen mijn moeder en haar geëmigreerde dochter. Toen ik dat boek schreef, wist ik niets over Bruria’s carrière als geheim agent. Dat moést rechtgezet worden.

 

U noemt de regering van Viktor Orbán een ‘zachte dictatuur’. Inclusief geheime dienst die de eigen bevolking in de gaten houdt?

Forgách: Ja, daar ben ik honderd procent zeker van. Net als in de hoogdagen van de communistische dictator Janos Kádár houden mensen elkaar nu in scholen, overheidsinstellingen en bedrijven in de gaten. Ze moeten aan de overheid over zowat àlles rapporteren. Het op verklikking gebaseerde informatiesysteem van de communisten is opnieuw uitgerold. Wie zoals ik in de jaren zeventig met dissidenten optrok, werd standaard afgeluisterd. We hadden toen de gewoonte om middenin een telefoongesprek te zeggen: ‘Hé, kameraad-sergeant, hoe gaat het met u? Bent u nog niet ingedommeld? Luistert u nog mee?’ Vrienden die nu in de oppositie actief zijn, vertellen me dat ze een echo van zichzelf horen als ze met hun smartphone aan het bellen zijn. Voortdurend. Een teken dat er iemand meeluistert. Ze maken dan soms dat grapje van toen: ‘Hé luistervink, luister je nog mee?’ (lacht) Eigenlijk is dat niet grappig, maar intriest.

 

 

András Forgách

  • Geboren in 1952 in Boedapest.
  • Schrijver, vertaler, acteur en dramaturg.
  • Was in de jaren zeventig en tachtig actief in het Hongaarse verzet tegen de Sovjet-Unie.

 

 

András Forgách, De akte van mijn moeder, Cossee, 320 blz., 24,99 euro

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

Het kalifaatmeisje

In het boek Laura H., het kalifaatmeisje uit Zoetermeer, reconstrueert de Nederlandse journalist Thomas Rueb de belevenissen van Nederlands bekendste Syriëreizigster. Vader Eugène H. betaalde 10.000 euro aan een schimmige organisatie om zijn dochter te redden uit het kalifaat. “Ik blijf geloven dat ze Laura écht hielpen ontsnappen. Alleen hebben zij liever dat iedereen gelooft dat ze alles verzinnen.”

 

Op 12 juli 2016 troffen de Koerdische Peshmerga aan de frontlinie tussen het kalifaat van Islamitische Staat en Iraaks Koerdistan een jonge vrouw aan. Ze dwaalde door de woestijn met een peuter en een baby. Dezelfde dag nog verklaarde ze op de Koerdische tv dat ze Laura heette, in Den Haag geboren was en afkomstig uit ‘Sweet Lake City’. Ze was ontsnapt uit IS-gebied en wou naar huis, naar Zoetermeer, waar haar vader Eugène op haar wachtte.

“Bij aankomst op Schiphol werd Laura gearresteerd en opgesloten in de zwaarbeveiligde terroristenafdeling van de gevangenis van Vught”, vertelt Eugène H. aan de eettafel in zijn doorzonwoning. Eugène is vooraan in de vijftig en HR-manager bij een grote sociale onderneming. Jaren geleden scheidde hij van de moeder van Laura. Hij hertrouwde en leeft vandaag met zijn vrouw en hun achtjarige dochter in een buitenwijk van Zoetermeer. “Laura zat in Vught naast Mohammed Bouyeri, de moordenaar van Theo Van Gogh”, zegt Eugène. “Justitie dacht dat ze door IS naar Nederland gestuurd was om hier een aanslag te plegen, net zoals Nicholas Brody in de serie Homeland. Volslagen onzin.”

Vandaag leeft de pas 23 geworden Laura H. met dochter en zoontje terug in Zoetermeer. “Op straat herkent niemand haar zonder hoofddoek”, zegt vader Eugène. “Dat is prima. We komen liever niet met ons gezicht of onze familienaam in de media. We zijn voorzichtig.”

 

Omwille van doodsbedreigingen?

Eugène H.: “Nee, maar we willen liefst snel in de luwte verdwijnen. Dat is beter voor Laura en de kinderen. Nu is er dit boek van Thomas Rueb, daarna houdt het op.”

 

Wat vindt u van het boek?

“Ik ben diep onder de indruk. Maar ik ben ook erg geschrokken, want een aantal zaken wist ik niet. Jaren geleden moest ik op de middelbare school Christiane F. lezen. Dat boek raakte me midscheeps. Tijdens de lectuur van Laura H. bekroop me hetzelfde gevoel. Niet zo lang geleden was ik razend op de manier waarop het Openbaar Ministerie mijn dochter aangepakt heeft en op de wijze waarop haar proces werd gevoerd. Maar dankzij het boek begrijp ik beter waarom er zoveel verwarring was. Wat niet wil zeggen dat ik begrip heb voor hoe ze Laura behandeld hebben. Haar opsluiting in Vught was buitensporig en heeft haar voor het leven beschadigd.”

 

Hoe gaat het nu met haar?

“Uitstekend. Ik ben heel trots op haar. Gisteren was haar verjaardag; het was fantastisch. Ik heb twee blije kleinkinderen en Laura is een mooie, stevige moeder. Ze staat als een huis. Ze volgt een opleiding en zit vol toekomstplannen. Later wil ze meisjes begeleiden die hetzelfde meegemaakt hebben.

Laura is geboren in 1995 en was een vrolijk kind. Een dromertje, maar verder was er niets op haar aan te merken. Ze was dol op Ingmar, haar twee jaar jongere broertje. Hij was ernstig ziek, kreeg daardoor een groeiachterstand en is op 3 mei 2014 overleden.

Door dit boek weet ik nu hoe heftig haar tienerjaren waren. Natuurlijk wisten we dat er veel misliep, maar dat het zo erg was, is nieuw voor mij. Ze had als meisje van dertien al problemen met haar identiteit en ik maakte me daar veel zorgen over. Ze had het vooral lastig met de ziekte van Ingmar en de aandacht en zorg die daar naartoe ging. De levensbedreigende ziekte van onze zoon zette ook druk op de relatie met mijn ex-vrouw. Ons hele gezin begon te wankelen.

Alles draaide rond Ingmar en bijna krampachtig probeerden we om het tussen onze kinderen weer gelijk te trekken. Als hij een cadeautje kreeg, kreeg zij er ook een. Maar als we op straat een bekende tegenkwamen, vroeg die altijd: ‘Hoe is het met Ingmar?’ In de kleine Laura leek niemand geïnteresseerd. Ze verweet Ingmar niet dat de wereld rond hem draaide, maar ze ging wel op zoek naar liefde en aandacht. Daar is de kiem gelegd. Op de middelbare school raakte ze zo op het verkeerde spoor en kreeg ze te vroeg seksueel contact.”

 

Met jongens van Marokkaanse origine.

“Dat waren de jongens waar zij op viel en die achter haar aan gingen.”

 

Zij beschouwden haar rond haar dertiende en veertiende als een hoertje.

“Dat klinkt heel cru, maar het is waar. In het boek las ik voor het eerst hoe het er echt aan toe ging. Dat was erg schrikken. Ik wist wel dat er problemen op school waren. Er waren verschillende gesprekken met leerkrachten, maar ook zij zagen een aantal cruciale dingen niet. Op school zou er echt veel meer aandacht voor sommige subculturen moeten zijn. Laura was veertien toen ze haar naam veranderde in het islamitische Lamyae en in de klas een hidjab begon te dragen. Thuis zag ze er toen nog heel gewoon uit. Maar op school stelde niemand zich daar vragen over.”

 

Lang voor Laura ook maar een woord uit de Koran las, droeg ze een hoofddoek en at ze halal. De uiterlijke kenmerken van de islam leken haar meer te interesseren dan het inhoudelijke?

“Je mag gerust stellen dat ze de islam inhoudelijk nooit helemaal omarmd heeft. Moslima worden, was haar manier om aan te sluiten bij de rest van de groep. Je kan zelfs stellen dat ze nooit echt geradicaliseerd is. Ze wou alleen maar zo graag bij de jongeren uit haar klas horen.”

 

Op een dag kwam ze met haar hoofddoek thuis. Hoe reageerde u?

“Enorme discussies vloeiden daaruit voort. Twee jaar eerder was ze op een vreselijke manier door een paar van die jongens mishandeld, het was een soort verkrachting. Ik kwam daar toevallig achter en nam haar mee naar het politiebureau om aangifte te doen, maar zij wou niet meewerken. Toen ze met haar hoofddoek thuiskwam, zei ik: ‘Maar Laura toch, voor de jongens die jou indertijd zoiets hebben aangedaan, draag jij nu een hoofddoek?’ Ze antwoordde: ‘Wie heeft dat meegemaakt? Jij of ik?’ Toen waren we uitgepraat.”

 

Als ze haar hoofddoek opzette en haar naam veranderde, verdween Laura met al haar problemen, en kwam de ‘zuivere’ Lamyae in de plaats?

“Precies. Ze worstelde met een knoert van een identiteitscrisis en in haar zoektocht naar liefde botste ze telkens weer op de verkeerde kerels. Door het boek ken ik nu al die gasten en het maakt me zo verdrietig dat er geen geschikte jongen tussen zat die haar écht wou helpen.”

 

Met Ibrahim, de meest gewelddadige, vertrok ze naar het kalifaat.

“Dat is het meest schokkende. Zij geloofde in eerste instantie dat ze niet naar het kalifaat trok, maar naar ‘Sham’, naar moslimland waar ze volgens de wetten van de islam kon leven. Dan zou alles goed komen. Ze wilde hier weg en Turkije en Egypte stonden op haar verlanglijst. Ibrahim mishandelde haar zwaar en veelvuldig.”

 

Hebt u daar ooit iets van gemerkt?

“Eén keer. We hebben toen ook aangifte gedaan. Ze was achttien, had een dochtertje uit een vorige problematische relatie en was zwanger van haar zoontje. We kwamen bij Veilig Thuis terecht, het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling. De politie, Jeugdzorg, thuishulp en talloze andere diensten zijn daarin actief. Samen met Laura zat ik met die mensen rond tafel en toen kwam hij binnen. Iemand zei: ‘Als Ibrahim je weer in elkaar slaat, bestaat de kans dat we de kinderen bij je weghalen.’ Dat was het laatste duwtje dat ze nodig had om te vertrekken. Hij maakte haar wijs: ‘In Sham mag ik je niet meer slaan, want daar is alles mooi en islamitisch.’”

 

Ibrahim kwam zelf uit een gewelddadig milieu en werd zwaar mishandeld door zijn vader.

“Zeker, maar is dat een excuus om later je vrouw op regelmatige basis in elkaar te slaan? Hij had veel meegemaakt, was daar behoorlijk verknipt door geraakt en was ook écht geradicaliseerd. Hij wou doelbewust naar het IS-kalifaat. Eerder deze week zei Laura me: ‘Door te doen wat Allah vroeg, hoopte ik dat het goed zou komen.’”

 

Ze boekten een all inclusive strandvakantie in het Turkse Alanya. Van daaruit vertrokken ze met hun twee kleine kinderen via de grensstad Gaziantep naar Manbij in Syrië, IS-gebied. Wanneer hoorde u dat uw dochter in het kalifaat zat?

“Ibrahims oudste zus Eva belde me midden september 2015. Het was anderhalf jaar nadat Ingmar was overleden. Het nieuws dat mijn dochter samen met haar kindjes in het kalifaat zat, kon ik bizar genoeg moeilijker plaatsen dan het definitieve einde van mijn zoon. Ik snap dat gevoel zelf niet, maar het was er. (stilte) Na dat telefoontje van Eva kon ik niet meer praten.

Ik ging naar de politie en die rechercheur zei: ‘Wacht nog even af. Uw dochter zoekt binnen een paar weken contact met u. Ze zal zeggen: “Ik ben veilig. Het is hier goed en het is mijn eigen keuze.”’ Ik begon Laura te bestoken met berichtjes, en het bleef stil. Tot zij me contacteerde via Whatsapp, net zoals die politieman voorspeld had. Ze leefden eerst in Raqqa, de hoofdstad van het kalifaat, waar het een zootje was. In hun propagandafilmpjes stelde IS het leven in het kalifaat voor als een paradijs, maar in werkelijkheid was het doffe ellende. Niet veel later verhuisden ze naar Mosoel in Irak. Daar was het niet veel beter.

Na dat eerste appje werd het wekenlang stil. Tot kerstavond, 2015. Toen kreeg ik een tekstbericht van Piet, een man uit Den Haag die ik niet kende. ‘Je dochter heeft contact met mijn dochter’, las ik. Ik belde hem meteen. Piet bleek de vader van een bekeerd meisje dat ook naar het kalifaat was afgereisd en in Mosoel was beland. Daar was ze Laura tegen het lijf gelopen. ‘Mijn dochter wil naar huis,’ zei Piet. ‘Ze zegt dat Laura dat ook wil.’ Ik was zo blij. Niet veel later dacht ik: ‘Wat nu, Laura? Hoe krijgen we je daar weg?’ Begin januari probeerden de twee meisjes samen via een smokkelaar te ontsnappen, maar dat mislukte. Want de vermeende smokkelaar bleek een taxichauffeur te zijn die enkel op geld uit was. We waren terug bij af.”

 

Toen maakte u kennis met Daniël Köhler?

“We werden bijgestaan door Familiesteunpunt Radicalisering, intussen omgedoopt tot Landelijk Steunpunt Extremisme. Niet lang na Laura’s mislukte ontsnapping wezen zij me een nieuwe casemanager toe. Die vrouw bracht me in contact met de Duitse radicaliseringsexpert Daniël Köhler. Volgens haar had hij overal contacten. Google Daniël en je zal zien dat hij als directeur van het German Institute on Radicalization and De-radicalization Studies (GIRDS) inderdaad betrouwbaar oogt. Het Familiesteunpunt huurde hem in om trainingen te geven. Ik mailde Daniël met een verzoek om hulp. Een paar dagen later antwoordde hij dat hij zijn ‘team on the ground’ ging inschakelen om Laura te redden. Dat zou me 10.000 euro kosten, wat ik ook betaald heb.”

 

Een paar maanden geleden vertelde Fatima Ezzarhouni, moeder van een Antwerpse Syriëstrijder, in een interview met Knack dat zij lezingen gevolgd had van die Daniël Köhler. “Vroeger werkte hij met families van neonazi’s, nu ook met families van jihadi’s”, zei ze. Na lezing van het boek van Thomas Rueb kan ik me niet van de indruk ontdoen dat Köhler u opgelicht heeft.

“Ik blijf voorzichtig met mijn oordeel. Mijn advocaat zei ook: ‘Er klopt niets van die man zijn verhaal’. Maar ik weet vrij zeker dat de Britten uit zijn team veel ondernomen hebben.”

 

Hebt u het dan over Gavin Kirkum, heftruckchauffeur uit Essex en ex-buitenwipper van discotheek The Pink Toothbrush? Hij is de man naar wie u op Köhlers verzoek 10.000 euro overschreef. Kirkum vertelde later aan de politie dat hij geen enkele militaire of operationele ervaring had, maar wel ooit bij de Britse spionagedienst gesolliciteerd had.

“Nee, ik heb het over W., de man achter Kirkum.”

 

Auteur Thomas Rueb ontmoette de illustere ‘spion W.’ Het beeld dat hij van die man schetst, is niet al te fraai. Een James Bond met overgewicht die vooral gespecialiseerd lijkt in cowboyverhalen.

“Ik weet dat Thomas zijn twijfels heeft, maar ik ken W. intussen echt goed. Ik heb vaak contact met hem gehad en W. is geen fantast. Ik kan me niet voorstellen dat zijn bedoelingen slecht waren of dat hij de interventies van zijn team in IS-gebied verzon.”

 

Dat wil dus zeggen dat er een geheime gespecialiseerde groep actief is die de voorbije jaren verschillende Syriëgangers op gevaar voor eigen leven ging terughalen?

“Daar ben ik vrij zeker van. Alleen is het een voorzichtige organisatie die liever heeft dat iedereen gelooft dat ze alles verzinnen.”

 

Rueb reisde naar Irak en sprak daar met iedereen die iets weet over de ontsnapping van uw dochter. De conclusie is: in geen velden of wegen waren speciale agenten te bekennen. Uw dochter en haar kinderen hadden veel geluk dat ze de ontsnapping overleefden. Met uw 10.000 euro is niets ondernomen.

“Dat weet ik niet. Het is wel zo dat Köhler het verhaal heeft aangedikt. Met hem heb ik naderhand geen contact meer gehad. Tijdens het gerechtelijk onderzoek legde hij verklaringen af die leken te bevestigen dat Laura dubbel spel speelde. In een verhoor in december 2016 noemde hij Laura’s vluchtverhaal ‘merkwaardig’ en ‘niet geloofwaardig’. Hij sloot ook niet uit dat ze nog geradicaliseerd was en een aanslag wou plegen. Dat neem ik hem kwalijk. Maar of het nu cowboyverhalen zijn of niet: als mensen zoals Köhler en W. er niet waren geweest, hadden we Laura er nooit van kunnen overtuigen om te ontsnappen. Dan hadden we die actie nooit aangedurfd. Ze is nu terug thuis met de kinderen en dat is me die 10.000 euro meer dan waard, wat W. of Köhler er ook mee hebben aangevangen. (lacht)

Het is niet toevallig dat ze tijdens haar vlucht aan de frontlinie niet werd neergeschoten. Ze kwam recht uit IS-gebied en de Koerden hadden haar net zo goed als een zelfmoordterrorist kunnen zien. Maar nee, ze namen haar gevangen en lieten haar interviewen voor de Koerdische tv. Ik geloof dat het dankzij de scherpte van het team is dat ze vrij is. Misschien is dat dom van mij en wil ik dat alleen graag geloven. Maar wat niet te ontkennen valt, is dat het dankzij W. is dat Laura erin slaagde om Ibrahim zo te manipuleren dat ook hij wou ontsnappen. Want enkel met haar man kon ze Mosoel verlaten. W. gaf mij instructies die ik vervolgens via Whatsapp aan Laura doorgaf. Dat lukte wonderwel. Via Laura maakten we Ibrahim wijs dat ze beter naar een land zoals Turkije zouden ontsnappen, zodat hij vandaar aanslagen kon plegen. Hij tuinde daar met ogen wijd open in.

Het plan was dat ze in hun gammele Toyota tot aan de frontlinie met de Koerden zouden rijden, waar het speciale team Ibrahim zou uitschakelen en Laura en de kinderen veilig naar het Nederlandse consulaat in Erbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan zou overbrengen.”

 

Maar het liep anders: aan de frontlinie werden ze door IS beschoten en raakte Ibrahim zwaargewond; Laura en de kinderen werden door Koerdische Peshmerga opgepakt. Daniël Köhler liet u dezelfde dag nog weten dat de ontsnapping mislukt was en dat zijn speciale team zich terugtrok.

“Ik dacht: ‘Mijn god, het is helemaal fout gelopen. Hoe moet ik dit aan mijn ex-vrouw en mijn moeder vertellen?’ Ik ging met mijn buurman naar de Gamma hier in Zoetermeer. Ik snap zelf niet waarom ik die plek uitkoos, een andere vader was misschien een café ingelopen om de schok met drank te verdoven. Ik trok naar de Gamma. (lacht) Daar kreeg ik telefoon van mijn vrouw. ‘Je moeder is gebeld door RTL.’ Ik keerde terug naar huis en kreeg die journalist aan de lijn. ‘Proficiat met de ontsnapping van je dochter’, zei hij. ‘Ik zie haar op dit moment geïnterviewd worden op de Koerdische tv.’ Ik surfte meteen naar de site van Kurdistan24. Ik zag Laura en ze zei: ‘I was born in Den Haag and I lived in Sweet Lake City.’ (lacht) Dat was een grapje dat ik altijd tegen haar maakte toen ze nog een kind was: ‘We live in Sweet Lake City.’”

 

De Koerdische militairen die haar in niemandsland oppikten, vroegen haar of de zwaargewonde Ibrahim bij haar hoorde. “Laat hem maar liggen”, zei ze. Zo tekende ze zijn doodvonnis?

“Ja. Ik had haar dat voor het vertrek ook geadviseerd. Hij had wapens en was gevaarlijk. Het team wist dat. ‘Wat er ook gebeurt, Laura, maak dat je wegkomt.’ Ze heeft het daar achteraf moeilijk mee gehad, nu nog. We weten niet of Ibrahim toen gestorven is. Er zijn vermoedens van niet.

Ik zag Laura voor het eerst terug in Vught. Ik stond ook lang op de verdachtenlijst. Ze hebben me nooit formeel ‘verdachte’ genoemd, maar mijn advocaat zei op een bepaald moment: ‘Vermoedelijk pakken ze je deze week op.’ Ik had dat geld overgemaakt en zij dachten dat ik IS betaald had. Ze geloofden ons niet. Als ik een vader met Marokkaanse roots was geweest, hadden ze me waarschijnlijk gearresteerd. Ze stopten me niet in de cel omdat ik een witte Nederlander ben, jurist van opleiding en HR-manager.

Ik vind het logisch dat justitie je een tik op de vingers geeft wanneer je als Nederlander een tijd in het kalifaat bent gaan wonen. Ik had geen ballonnen op Schiphol voor Laura verwacht, maar ik had ook niet verwacht dat ze op die zwaarbewaakte afdeling in Vught terecht zou komen.”

 

Een jaar lang zat ze er opgesloten?

“Dat was heel moeilijk. De dag nadat Laura ontsnapt was, zat hier een rechercheur. Ik gaf hem meteen mijn smartphone zodat hij hem kon uitlezen. Ik dacht: ‘Dan hebben ze het hele verhaal.’ Al die appjes van en naar mijn dochter lezen als een boek. Daar kwam bij dat mijn telefoon maandenlang werd afgetapt; ze wisten dus alles. Ook dat Laura intussen haar geloof had afgezworen. Ik was ervan overtuigd dat alle betrokkenen van alles op de hoogte waren. Tot het Openbaar Ministerie aan zet was en zij deden alsof ze van niets wisten. Nu ik dat boek gelezen heb, snap ik beter waar het fout liep. Want het probleem is dat de geheime dienst geen informatie mag delen met het Openbaar Ministerie. Toch blijf ik het er moeilijk mee hebben.”

 

Er kwam een proces en op 13 november 2017 werd uw dochter als eerste vrouwelijke Syriëganger in Nederland veroordeeld tot twee jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk.

“Ze werd schuldig bevonden aan het plegen van voorbereidingshandelingen met een terroristisch oogmerk, maar vrijgesproken van deelname aan een terroristische organisatie. Laura was volgens de rechtbank geen lid van IS, maar door zich vrijwillig in het kalifaat te vestigen, had ze wel bijgedragen aan de doelstelling van de terreurgroep. Ze was erg aangeslagen door dat vonnis. Omdat ze al een jaar in de cel gezeten had, kwam ze vrij. Ook al zijn we het niet eens met het vonnis, toch besloten we niet in beroep te gaan. In nog een paar jaar onzekerheid hadden we echt geen zin meer.”

 

De Belgische regering staat zeer weigerachtig tegenover het terughalen van kinderen van Syriëstrijders die nu met hun moeders in Koerdische kampen verblijven. Het standpunt is: “Kinderen onder tien kunnen terugkomen, alleen gaan we ze niet actief ophalen.” Het resultaat is dat ze er gewoon blijven zitten. Wat vindt u daarvan?

“In Nederland is het net hetzelfde. Mijn kleinkinderen hebben nog nooit iemand kwaad gedaan; het zijn schatjes. Waarom zouden zij in ’s hemelsnaam een gevaar vormen voor de samenleving? Ze zijn echt niet gedrild of getraind om zichzelf op te blazen. Dat de ouders gescreend en gestraft worden, is terecht. Maar die kinderen zijn onschuldig en veroordelen we zo goed als ter dood door ze in die kampen te laten zitten. Het gemak waarmee een man als onze premier Rutte zich daarvan afmaakt, vind ik stuitend. Een grote schande is het.”

 

Thomas Rueb, Laura H., het kalifaatmeisje uit Zoetermeer, Das Mag, 538 blz., 25,99 euro

(c) Jan Stevens