‘Er hangt een grote schietschijf op de rug van journalisten’

Jim Acosta, Witte Huiscorrespondent voor CNN, werd als eerste journalist ooit door president Donald Trump ‘vijand van het volk’ genoemd. In zijn boek ‘Vijand van het volk’ beschrijft Acosta de gevolgen van Trumps aanvallen op de pers. “Fans van de president posten doodsbedreigingen zoals: ‘Ik zou je heel graag in de ogen kijken terwijl ik het laatste restje lucht uit je strot knijp.’”

 

De Amerikaanse president Donald Trump trapte dinsdagavond in Florida zijn verkiezingscampagne voor zijn tweede termijn af. Al vroeg in zijn toespraak wees hij naar de journalisten achteraan in de zaal. “Dat is veel nepnieuws daar. Veel nepnieuws.” Waarna 20.000 Trump-supporters in koor scandeerden: “CNN sucks.”

Witte Huisverslaggever Jim Acosta herinnert zich nog haarscherp wanneer Donald Trump hem en zijn zender CNN voor het allereerst ‘nepnieuws’ en ‘vijand van het volk’ noemde. “Het was op een persconferentie die Trump gaf vlak voor hij in januari 2017 ingezworen zou worden. Ik kan u verzekeren: dat kwam keihard aan. Ik wens geen enkele Europese collega toe dat zijn premier of president hem ‘vijand van het volk’, ‘nepnieuws’, ‘tuig’, ‘verrader’, ‘onderkruiper’, ‘dief’, ‘ergste van het ergste’, ‘walgelijk’ of ‘oneerlijk’ noemt.”

Trump slingerde het de voorbije jaren allemaal naar Jim Acosta’s hoofd. Op 7 november 2018 werd Acosta zelf even wereldnieuws toen zijn perskaart werd ingetrokken en hij tien dagen lang persona non grata was op het Witte Huis.

Jim Acosta: “De ochtend na de tussentijdse verkiezingen gaf Trump een persconferentie. Dat was het moment waarop een stagiaire van het Witte Huis probeerde de microfoon af te pakken terwijl ik de president vragen aan het stellen was. Hij noemde me toen ‘een heel onbeschoft iemand’. Zijn persverantwoordelijke Sarah Sanders beweerde dat ik de stagiaire een ‘karateslag’ had toegediend en postte een door de schimmige website Infowars gemanipuleerd filmpje. Mijn perskaart voor het Witte Huis werd ingetrokken en Sanders stuurde een van de pot gerukte tweet de wereld in: ‘President Trump is voorstander van een vrije pers en juicht moeilijke vragen over hem en zijn regering toe. We zullen echter nooit tolereren dat een verslaggever met zijn handen aan een jonge vrouw zit.’ Iedereen die de niet gemanipuleerde beelden gezien heeft, weet dat dit volslagen onzin is. Gelukkig troffen we een rechter die de persvrijheid hoog in het vaandel voert en het Witte Huis verplichtte me mijn perskaart terug te geven.”

 

Sarah Sanders neemt eind deze maand afscheid van het Witte Huis. Zal u haar missen?

“Niet echt. Toen ze nog als campagneleider voor diverse andere politici werkte, kon ze het goed met de pers vinden. Ze dronk graag borrels met ons. Maar van zodra ze voor Donald Trump begon te werken, ging het mis. Op persbriefings stond ze vaak regelrecht te liegen en had ze de gewoonte dat te vergoelijken door te zeggen dat ze ‘de beste informatie verschafte die ze had’. Tijdens persconferenties negeerde ze bij voorkeur journalisten van CNN, net als haar baas.”

 

De ondertitel van uw boek ‘Vijand van het volk’ luidt: ‘Een gevaarlijke tijd om de waarheid te vertellen’. Is de persvrijheid in Amerika in gevaar?

“Ja. We zijn in een situatie aanbeland waarin het bijna dagelijkse kost is dat de Amerikaanse president leden van de pers brandmerkt als ‘vijanden van het volk’. U kunt zich echt niet voorstellen wat dat aanricht. Ontzettend veel supporters van Trump hebben die vijandigheid tegenover de pers overgenomen. Ik heb dat zelf aan den lijve ervaren tijdens die Trump-rally’s voor de tussentijdse verkiezingen. Ik was op dat moment al heel wat gewoon, want er werden doodsbedreigingen op mijn Facebook-account gepost zoals: ‘Ik zou je heel graag in de ogen kijken terwijl ik het laatste restje lucht uit je strot knijp.’ Tijdens de campagne van 2018 werd die haat levensecht. Een van de eerste rally’s die ik bijwoonde, vond plaats in Nashville, Tennessee. President Donald Trump was in ‘bloedvorm’. Hij had het over ‘Crooked Hillary’ en noemde ons ‘nepnieuws’. Naast het persvak stond een man continu ‘uitschot’ en ‘klootzak’ naar me te schreeuwen. Een half uur lang. Tot een collega van de New York Times hem vroeg ermee op te houden. Toen begon hij tegen haar te schreeuwen.”

 

Amerika wordt een gevaarlijke plek voor journalisten?

“Zonder twijfel. U herinnert zich ongetwijfeld nog de fanatieke Trump-aanhanger Cesar Sayoc die in oktober 2018 dertien pakketjes met pijpbommen stuurde naar CNN en verschillende Democratische doelwitten. Dat was een rechtstreeks gevolg van de vileine aanvallen van Trump op de pers en op zijn opposanten. Op Sayocs witte bestelbusje plakte een sticker met de geliefde kreet van Trump-supporters: ‘CNN sucks’. De man had me ook rechtstreeks op Twitter bedreigd: ‘Jij bent de volgende.’ Hij stuurde me een foto van een onthoofde geit en haar afgehakte kop. In plaats van olie op de golven te gieten, wakkerde Trump het vuur verder aan. Vijf dagen nadat de pijnbommen bij CNN waren toegekomen, tweette hij: ‘Er heerst grote woede in ons Land die gedeeltelijk wordt veroorzaakt door onzorgvuldige, en zelfs bedrieglijke verslaggeving. De Nepnieuwsmedia, de ware Vijand van het Volk, moeten stoppen met hun openlijke & duidelijke vijandigheid en het nieuws zorgvuldig & eerlijk verslaan. Dat zal enorm helpen de vlam te doven.’”

 

Creëert Trump die vijandigheid doelbewust?

“Het is een soort toneelstuk dat hij opvoert. Hij denkt dat hij nog steeds zijn programma The Apprentice aan het presenteren is. De pers beschouwt hij als onderdeel van zijn reality-tv-presidentschap. Door ons ‘de walgelijke, oneerlijke nieuwsmedia’ te noemen, probeert hij ons te controleren en in de mand te sturen als hij vindt dat dat nodig is. Maar het grote probleem is dat zijn fans niet doorhebben dat Trump de ster speelt in zijn nieuwste televisieshow. Zijn nepnieuwsretoriek is geëscaleerd en ik vrees dat hij er zich niet van bewust is dat zijn voortdurende uithalen naar de pers afschuwelijke consequenties kunnen hebben.”

 

U noemt het een uit de hand gelopen toneelstuk, maar de bedenker van het etiket ‘vijand van het volk’ is toch Trumps voormalige oerconservatieve topstrateeg Steve Bannon?

“Ik heb Steve Bannon voor mijn boek geïnterviewd en hij vertelde me dat hij in de eerste weken van de regering vaak met Trump discussieerde over de media. Ze waren diep ongelukkig over de berichtgeving van sommige zenders en kranten. ‘Speciaal voor zenders als CNN en kranten als de New York Times bedachten wij toen tijdens het brainstormen samen ‘vijand van het volk’’, zei Bannon me. Verschillende goedgeplaatste bronnen binnen het Witte Huis vertrouwden me later toe dat de term ‘vijand van het volk’ integraal uit de koker komt van Steve Bannon.

“Waar Bannon wel zelf alle eer voor wil opstrijken, is de strategie om de pers als ‘dé oppositiepartij’ te labelen. Niet lang na zijn eerste grote persconferentie, tweette de pas geïnstalleerde president Trump: ‘De nepnieuwsmedia (falende @nytimes, @nbcnews, @abc, @cbs, @cnn) zijn niet mijn vijand, ze zijn de vijand van het Amerikaanse volk!’ Die demonisering van de pers als te bashen ‘oppositie’, is copy/paste van de vreselijkste dictaturen. Er hangt nu een grote schietschijf op de rug van journalisten. Te veel collega’s hebben dat nog niet door. Ze beschouwen het als wat jennen en trollen op Twitter, maar zien niet dat sommigen dat spelletje heel serieus nemen.”

 

U voelt zich bedreigd?

“Ja, en ik had nooit gedacht dat het in dit land zo ver zou komen. De Verenigde Staten waren altijd een baken van democratie voor de rest van de wereld. De vrije pers was essentieel. Maar hoe kunnen wij nu nog een democratisch voorbeeld zijn met een president die journalisten ‘vijanden van het volk’ noemt?”

 

Vijandschap tegenover de pers is toch niet iets typisch Amerikaans? In België worden de zogenaamde ‘mainstreammedia’ gelabeld als ‘leugenpers’, voornamelijk door extreemrechts. Ook in de rest van Europa gonst het van ‘Lügenpresse’ en ‘fake news media’.

“Dat is juist. Bij ons in de VS heeft een ultranationalistische beweging via Trump de macht gegrepen. Dat model wordt nu over de hele wereld gekopieerd. Populisten zien Trumps beleid als een ticket naar succes, terwijl het volgens mij een enkeltje naar de hel is. In maart hield Jair Bolsonaro, de nieuwe president van Brazilië, samen met Trump een persconferentie in de Rose Garden van het Witte Huis. Hij bestempelde toen alle verhalen waar hij niet van houdt ook als nepnieuws. Het is als een virus dat zich over heel onze planeet verspreidt. Maar is dit de weg die we met z’n allen willen inslaan? Ik heb al aan heel wat vooraanstaande Republikeinse en Democratische politici gevraagd: ‘Is dit de samenleving die jullie willen achterlaten voor jullie kinderen en kleinkinderen?’ Geen enkele burger verdient het om door zijn politieke leiders vogelvrij verklaard te worden en uitgeroepen tot volksvijand.”

 

De manier waarop Donald Trump Amerika leidt en de pers aanpakt, verandert het land fundamenteel?

“Als ik met buitenlanders praat, zeg ik altijd: ‘Blijf alsjeblieft vertrouwen hebben in de VS.’ Want we hebben natuurlijk nog steeds een parlement met democratisch verkozen vertegenwoordigers van het volk. In ons politiek systeem zijn checks and balances ingebouwd. We hebben onze grondwet en elke vier jaar zijn er verkiezingen. Het blijft wel degelijk mogelijk om dingen te corrigeren als het te veel uit de hand loopt.”

 

Vlak na Trumps overwinning werd ook al sussend gezegd: “Hij kan niet zomaar zijn zin doen.” Maar ik denk dat velen de voorbije twee jaar vol verbazing naar zijn capriolen hebben staan kijken.

“Het is de voorbije jaren zeker flink misgegaan en ik begrijp uw vrees dat het nog meer de dieperik zal induiken. Trumps presidentschap is alleszins een stresstest voor onze democratie. Ik vraag me af of deze neerwaartse spiraal zal stoppen als Trump niet herverkozen raakt.

“Donald Trump richt zijn giftige pijlen op CNN, NBC, de New York Times, de Washington Post, maar conservatieve media zoals Fox News bejubelt hij. Behalve dan rechtgeaarde Fox-journalisten zoals Shepard Smith en Bret Baier die het aandurven om zijn beleid kritisch onder de loep te nemen. Ook ultranationalistische websites zoals Breitbart, de Daily Caller of het Christian Broadcasting Network liggen in zijn bovenste schuif. Bij sommige Fox-collega’s merk ik nu een lichte vorm van angst: ze maken zich zorgen over een mogelijke machtsovername door de Democraten in 2020. Ze zijn bang dat een Democratische president ‘the Donald’ zal imiteren en de conservatieve media op hun beurt zal uitroepen tot vijanden van het volk. Voor alle duidelijkheid: ik zou dat niet toejuichen, integendeel. Al vraag ik me wel af hoe figuren als Sean Hannity en Tucker Carlson dan zullen reageren als ze bij wijze van spreken in mijn schoenen staan. Zij maken op Fox News louter propaganda voor Trump.”

 

U acht het mogelijk dat de eventuele Democratische opvolger van Trump wraak neemt op Fox News?

“Ik hoop dat geen enkele volgende president, Democraat of Republikein, de pers in het vizier zal nemen. Er zijn trouwens ook heel wat Republikeinen die het totaal oneens zijn met de manier waarop Trump ons viseert. Alleen durven de meesten hun mond niet open te doen. En dat is jammer.”

 

Is er solidariteit onder Witte Huis-journalisten?

“Die is toch groter dan ik dacht. Het is niet vanzelfsprekend om een collega ter hulp te springen als hij op een persconferentie door de president himself met de grond gelijk wordt gemaakt. Maar er waren best wel wat momenten waarop collega’s het voor me opnamen. Toen mijn perskaart werd afgenomen, stonden zelfs de Fox News-journalisten achter mij.”

 

President Trump neemt graag een loopje met de waarheid. Hoe lastig is het om als journalist daar voortdurend tegenin te moeten gaan?

“Trumps tactiek is: liegen of het gedrukt staat. De factcheckers van de Washington Post turfden tienduizend onjuiste of leugenachtige uitspraken in de eerste twee jaar van zijn presidentschap. Tezelfdertijd valt hij iedereen frontaal aan die hem op zijn leugens wijst, in de eerste plaats dus de pers. Journalisten zijn uren kwijt aan het controleren van zijn ‘alternatieve feiten’. Dat vindt hij niet fijn, waardoor hij nog wat meer begint te schelden. Ook zijn supporters vinden ons journalistieke werk een ware schande. Maar wat moeten we dan in godsnaam doen? Al die leugens en halve waarheden gewoon blauwblauw laten? Dat kan toch niet? Veel Amerikanen lijken dit politieke leugenpaleis geaccepteerd te hebben. Ik vind dat onbegrijpelijk.”

 

Is Trump een pathologische leugenaar of maken de vele leugens ook deel uit van het toneelstuk dat hij opvoert?

“Ik ben geen psychiater en kan geen diagnose stellen over hoe het mentaal met hem gesteld is. Maar op een dag ging ik iets drinken met een hoge functionaris uit het Witte Huis. Hij was vreselijk gefrustreerd en zei op een bepaald moment: ‘De president is gek.’ Ik vroeg hem wat hij daarmee bedoelde. Hij zei: ‘Trump begrijpt niet hoe onze grondwet ineen zit. Hij weet niet hoelang een minister kan aanblijven en kent de regels niet voor het benoemen van een kabinetslid. Hij weet van toeten noch blazen.’ Maar hij is niet zo geschift dat hij zelf niet meer weet wat hij doet. ‘Hij is crazy like a fox. Hij weet wel degelijk waar hij mee bezig is.’ Ik praatte met een andere hoge pief uit het Witte Huis. ‘De president regeert door middel van instabiliteit’, zei hij. ‘Trump wint door alles om hem heen instabiel te maken. Zo beheerst hij de chaos.’ Dat is iets anders dan een compleet gestoorde idioot die willens nillens de boel in de war stuurt.”

 

Dat is misschien nog veel verontrustender?

“Dat vinden sommige van zijn eigen mensen in het Witte Huis ook. Om tegenwicht te bieden, lekken ze doelgericht naar de pers, of proberen ze al dan niet subtiel het presidentiële beleid een beetje bij te sturen. Zelfs Trumps trouwste vazallen maken zich soms zorgen over hun president. Zijn adviseur Kellyanne Conway vertelde me dat ze niet gelukkig is met zijn uitdrukking ‘vijand van het volk’. Ze gaf zelfs toe dat die retoriek gevaarlijk is. Ze was het ook niet eens met zijn maatregel om aan de grens kinderen te scheiden van hun ouders. Ik vind het veelzeggend dat ze me dat on the record toevertrouwde.”

 

Iedereen kent Kellyanne Conway, maar Trumps belangrijkste binnenlandse adviseur Stephen Miller blijft in de schaduw, terwijl zijn invloed op de president niet te onderschatten is?

“Zonder twijfel. Miller is de architect van de moslimban en de inspirator van het beeld van Amerika dat overspoeld wordt door illegale Mexicaanse criminelen en verkrachters. Hij is een van de anciens en staat Trump bij sinds de campagne. Tijdens de verkiezingsrally’s was Miller zijn publieksopwarmer. In opruiende speeches introduceerde hij hem. Hij schreef ook de van doom and gloom doortrokken inauguratiespeech. Ze zijn zeer close en delen hetzelfde uiterst rechtse en ultraconservatieve gedachtengoed. Amerika is een land gebouwd op immigratie en hun denkbeelden gaan daar lijnrecht tegenin.”

 

U bent zelf de zoon van een Cubaanse immigrant.

“Daarom raakt de afschuwelijke retoriek van de president over migranten me recht in het hart. Mijn vader ontvluchtte als kind samen met zijn moeder de communistische dictatuur van Fidel Castro. Toen ze in de staat Virginia aankwamen, werden ze niet opgewacht door een vijandige menigte of een president die hen uitschold voor het vuil van de straat. Ze werden warm ontvangen door een plaatselijke kerkgemeenschap en ontmoetten vooral vriendelijkheid en gastvrijheid.”

 

Zijn Miller en Trump fascisten?

“De feiten spreken voor zich. Luister naar wat ze vertellen en hoe ze over mensen spreken. Kijk naar waar ze in geloven, en naar wat ze beslissen. Hoe ze Amerikaanse burgers opzetten tegen elkaar. Dat staat allemaal haaks op de waarden van de Verenigde Staten.”

 

 

Bio

  • Geboren op 17 april 1971 in Washington DC
  • Studeerde communicatiewetenschappen
  • Volgde voor CNN de presidentscampagnes van Barack Obama, Hillary Clinton, Mitt Romney en Donald Trump
  • Is sinds januari 2018 hoofdcorrespondent Witte Huis voor CNN

 

Jim Acosta, Vijand van het volk, HarperCollins, 336 blz, 21,99 euro

(c) Jan Stevens

‘Ik ben tegen excuses aan Congo’

In zijn boek Mijn drie levens haalt Etienne Davignon herinneringen op aan zijn leven als diplomaat, eurocommissaris en zakenman. “Ik zeg gewoon wat ik denk. Ik ben daar intussen oud genoeg voor.”

 

Op zijn 86e houdt graaf Etienne Davignon kantoor op de 13e verdieping van het hoofdkwartier van energiereus Engie in de Brusselse Noordwijk. Vanuit zijn bureaustoel heeft hij zicht op het Atomium, het koninklijk kasteel van Laken en op de Onze-Lieve-Vrouwekerk waar koning Boudewijn begraven ligt. Met de huidige koning Filip heeft de machtigste man van België naar eigen zeggen een uitstekende band. Die werd gesmeed op de jaarlijkse ‘geheime’ bijeenkomsten van de gecontesteerde Bilderberg-groep waar Davignon erevoorzitter van is. Met Filips oom Boudewijn was die band iets minder innig. In zijn pas verschenen herinneringenboek Mijn drie levens beschrijft Davignon hoe hij in april 1975 samen met Boudewijn naar de Sovjet-Unie reisde. Hij was toen politiek directeur van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Renaat Van Elslande (CVP), die hij langs zijn neus weg ‘ontzettend lui’ noemt. “Boudewijn wilde absoluut Leonid Brezjnev ontmoeten, maar we hadden hem gezegd dat dit onmogelijk was”, schrijft hij. “De koning sputterde tegen, maar hield zich uiteindelijk aan het protocol.” Zonder dat Boudewijn het wist, ging Davignon vervolgens met de hulp van een hooggeplaatste vriend uit de communistische partij zelf bij Brezjnev in het Kremlin op audiëntie. “Brezjnev en ik hadden elkaar niets bijzonders te vertellen. In de auto zei ik achteraf tegen mijn vriend: ‘Je kunt mijn carrière kelderen als je zegt dat ik Brezjnev heb ontmoet terwijl de koning hier op bezoek was.’ Maar hij heeft er nooit over gerept en niemand heeft het ooit geweten.” Tot nu dus.

In Mijn drie levens verhaalt graaf Etienne Davignon hoe hij van WO II tot vandaag al dan niet discreet zijn stempel drukte op beslissende momenten in België en de rest van de wereld. Zo onderhandelde hij mee over de onafhankelijkheid van de Belgische kolonie Congo. Auteur Ludo De Witte wees in zijn in 2014 verschenen boek Huurlingen, geheim agenten en diplomaten Davignon aan als een van de medeverantwoordelijken voor de moord op de Congolese eerste premier Patrice Lumumba. “Ik ontken mijn betrokkenheid totaal”, reageert Etienne Davignon. “Ik weet wat ik toen wel of niet gedaan heb. Dit zat er niet bij. Veel mensen hebben het er moeilijk mee om te begrijpen dat dit een zaak was tussen Congolezen. Ze waren bang van Lumumba. Jacques Brassinne heeft de moord uitgebreid onderzocht en zijn conclusie is: het is een Congolese affaire. Natuurlijk heeft misschien hier en daar een Belg een rol gespeeld. Maar dan enkel als individu en niet als vertegenwoordiger van de Belgische staat.”

 

Schreef u Mijn drie levens om een aantal misvattingen over uw macht en invloed recht te zetten?

Etienne Davignon: “Nee. Ik heb dit boek geschreven omdat mijn kinderen en kleinkinderen meer wilden weten over wat ik als immer afwezige vader en grootvader uitspookte. Toen ze klein waren, was ik aan het werk en maakte ik geen deel uit van hun geschiedenis. Ze hoorden soms namen vallen en dat maakte hen nieuwsgierig. Mijn boek staat vol souvenirs voor mijn kinderen en kleinkinderen.”

 

Wat vonden ze ervan?

“Ze hebben het nog niet gelezen. Ik zal u dat later vertellen. (lacht)”

 

Zij komen in uw boek niet voor.

“Dat is precies zoals ik het wou. Er heeft altijd een hoge, stevige muur gestaan tussen mijn beroeps- en privéleven. Mijn kinderen wilden er ook zelf nooit bij betrokken worden. Op een bepaald moment stond ik op de hitlist van de Italiaanse terreurgroep Rode Brigades. Ik moest beveiligd worden, want de dreiging was zeer ernstig. Mijn kinderen werden toen naar school gevoerd met mijn auto. Ze vonden dat allesbehalve prettig. Ze wilden niet dat de auto voor de schoolpoort parkeerde, en vroegen om het blokje om te rijden. Zo konden ze gewoon hun school binnenwandelen. Ze hadden overschot van gelijk.”

 

Over uw plaats op de hitlist van de Rode Brigades lees ik niets in uw boek.

“Niet alles wat er in mijn leven gebeurde, staat erin.”

 

De Rode Brigades waren in 1978 de koelbloedige moordenaars van de Italiaanse ex-premier Aldo Moro. Dat moet toch zeer beangstigend voor u geweest zijn?

“Dat is het verleden. Van zodra de bedreiging wegebt, vergeet je zoiets snel. Ik ben een geboren optimist. Ik besefte dat ik voorzichtig moest zijn, maar ik was er ook van overtuigd dat ik de dans zou ontspringen.”

 

U bent nooit in de Belgische politiek gestapt omdat u dan in de clinch zou geraakt zijn met uw vrouw Antoinette Spaak, ‘de ster van het FDF’ zoals u haar noemt. Was u premier van België geworden als uw vrouw niet politiek actief was geweest?

“Dat is koffiedik kijken; misschien was mijn politieke carrière dan wel uitgedraaid op een totale mislukking. Ik ben geen liefhebber van ‘wat als’-vragen. In de politiek bewerkstellig je in je eentje zo goed als niets. Dat is altijd het werk van een ploeg. Halverwege de jaren tachtig bevond ik me bij de PSC, de voorloper van het huidige CdH, in het gezelschap van Gérard Deprez, Melchior Wathelet sr. en Philippe Maystadt. Mijn tweede mandaat als Europees commissaris liep ten einde en ik werd door Deprez en Wathelet uitgenodigd om een belangrijke rol te spelen in de Belgische verkiezingen. Maar Maystadt wou onafhankelijk blijven en geen positie over mij innemen. Ik had toen niet het gevoel dat ik door een hecht team gesteund werd en heb geweigerd. Ach, zelfs met de steun van Maystadt had ik het nog niet gedaan. Want het zou inderdaad een slechte invloed gehad hebben op mijn persoonlijke leven.”

 

In 1936 werd uw vader Jacques Davignon Belgisch ambassadeur in Berlijn. U was toen vier jaar oud.

“Ik was veel te klein om iets te begrijpen van de ideologie van de nazi’s, maar ik was wel onder de indruk van hun propaganda. Berlijn hing vol grote banieren met swastika’s. ’s Avonds werden die verlicht en ik stond daar met open mond naar te kijken.

“Bij mijn vader merkte ik angst voor de toekomst. Hij geloofde niet in het scenario van België als neutrale staat. Hij was er zeker van dat Adolf Hitler zich niet zou laten tegenhouden door wat voor wet ook over de neutraliteit van België. Mijn vader wist: op het moment dat Hitler écht beslist om oorlog te gaan voeren, ziet het er voor ons land slecht uit. Hij was er zeker van dat er oorlog zou komen. Hij zette dat ook op papier en dat werd hem niet in dank afgenomen. Wie slecht nieuws brengt, is nooit populair.”

 

Tijdens de oorlog groeide u samen met uw oudere broer op in Zwitserland.

“Eind juni 1941 zou mijn vader ambassadeur in Londen worden. Maar toen de oorlog in mei 1940 uitbrak, werden we met de trein uit Berlijn geëvacueerd. Op dat moment had mijn vader geen adres in België waar hij ons kon huisvesten. Er was toen ook nog geen Belgische regering in ballingschap in Londen. Vader wist niet waar hij met ons naartoe moest. We belandden uiteindelijk in Vichy, waar de meeste Belgische ministers naartoe gevlucht waren. Koning Leopold III vroeg vader om terug te keren naar Brussel en hij gehoorzaamde.”

 

Dat had hij misschien beter niet gedaan.

“U hebt gelijk. Maar jammer genoeg kunnen we de geschiedenis niet terugdraaien. Vader was inderdaad beter naar Londen uitgeweken in plaats van naar Brussel. Dan had hij nooit tegen zijn zin Leopold moeten vergezellen naar een onderhoud met Hitler in Berchtesgaden. Vader was niet voor niets ambassadeur van de koning en vond dus dat hij loyaal moest zijn aan Leopold III. Toen hij in 1940 naar Brussel vertrok, liet hij me met mijn broer achter in Zwitserland. Hij beloofde dat hij ons snel zou komen halen. Het zou tot 1945 duren voor we naar België konden terugkeren.”

 

In Zwitserland werd u opgevoed door een Britse nanny. Was u toen eenzaam?

“Nee, ik heb daar een mooie kindertijd beleefd. We woonden in een klein dorp en ik was kind onder de andere kinderen. Ik werd niet naar de internationale school gestuurd, maar naar de dorpsschool. In de vakantie bracht ik samen met mijn vriendjes de koeien naar de alpenweide en plukte ik abrikozen. Mijn ambitie was: skileraar worden. (lacht)”

 

Je hoort vaak dat onze huidige tijd op de jaren dertig lijkt. Vindt u dat ook?

“Misschien is het goed dat we ons er bewust van zijn dat dictators zoals Hitler en Mussolini via democratische weg aan de macht gekomen zijn. Wat in het verleden gebeurd is, kan zich herhalen, al hoeft dat niet per se zo te zijn. Maar vandaag zijn de risico’s groter. Van het Vlaams Belang kennen we de origine en we mogen ook niet vergeten dat de PVDA in wezen een traditionele communistische partij is. Tegenwoordig staan veel mensen wantrouwig tegenover de representatieve democratie. Ze stemmen een aantal politici in het parlement waar ze quasi meteen ontevreden over zijn. Dat fenomeen is niet typisch Belgisch; het heeft zich verspreid over heel Europa.”

 

Dat verontrust u?

“Jawel. In plaats van representatieve democratie, willen burgers een vorm van rechtstreekse democratie, alleen werkt dat niet. Kijk maar naar wat het Brexit-referendum ons aan ellende oplevert. Hoe legitiem is zo’n uitslag van 49% tegenover 51% eigenlijk?”

 

In de jaren vijftig kwam u in de diplomatie terecht. U wou bewust in de voetsporen van uw vader Jacques Davignon treden?

“In mijn familie is er een lange traditie van begaan zijn met publieke zaken, de ‘res publica’. Mijn overgrootvader Gilles schreef in 1830 mee aan de grondwet van het nieuwe België. Grootvader Julien was minister van Buitenlandse zaken en vader Jacques was diplomaat. Er is dus die lijn van publieke dienstverlening. Mijn vader vond dat zeer belangrijk, maar mijn oudere broer was daar niet in geïnteresseerd. Ik zag hoe vader worstelde met depressies. Ik had niet veel zin om diplomaat te worden, maar wou omwille van hem toch proberen de traditie in ere te houden.”

 

Als jonge diplomaat speelde u een belangrijke rol bij de onafhankelijkheid van Congo. U was ambitieus?

“Dat was per ongeluk. Op 13 januari 1959 kondigde koning Boudewijn de nakende onafhankelijkheid van Congo aan. Er werd een Belgisch-Congolese rondetafelconferentie samengeroepen. Het was eerst onduidelijk wie daar als Congolese vertegenwoordigers in zouden zetelen. Uiteindelijk werd dat een mix van deelnemers met verschillende achtergronden, met vooral mensen die in de verschillende regio’s politiek actief waren. Onder anderen Joseph Kasavubu, Patrice Lumumba en Joseph-Désiré Mobutu zaten aan de tafel. De Belgische delegatie werd voorgezeten door vice-premier Albert Lilar. Er moest ook een vertegenwoordiger van minister van Buitenlandse Zaken Pierre Wigny in zetelen en die taak kreeg ik op mijn bord. Op dat moment was ik nog een eenvoudige stagiair. Met mijn benoeming wilde Wigny duidelijk maken dat hij als voormalig minister van Koloniën niets met de onafhankelijkheid te maken wilde hebben. Daarom stuurde hij zijn laagste ambtenaar, al had hij nog veel liever de conciërge gestuurd. Ik had dat eerst niet door en leefde in de overtuiging dat ik uitverkoren was omwille van mijn talenten. (lacht) Zo leerde ik de eerste generatie Colonese leiders goed kennen.”

 

Schatte de Belgische regering het Congolese onafhankelijkheidsstreven totaal verkeerd in?

“Ze was veel te optimistisch en maakte de foute gok dat ze snel afscheid van de kolonie kon nemen. Terwijl er een lange periode van onrust en ontevredenheid in Congo aan die conferentie voorafging. De redenering van de Belgische overheid was: ‘We laten Congo los en de technische ambtenaren blijven als raadgevers. Zo zal het wel lukken.’ Niet dus. Ik geloof niet dat het ooit had kunnen lukken. De infrastructuur was goed, de scholen werkten uitstekend, alleen had geen enkele Congolees ervaring met het opnemen van publieke verantwoordelijkheid.”

 

Ze hadden geen inspraak in het beleid?

“Nee. Dat was niet hun fout. In minder dan zes maanden moesten er verkiezingen georganiseerd worden. De nieuw verkozenen hadden geen ervaring. ‘Ze zullen zich laten bijstaan door de Belgische raadgevers.’ Onzin natuurlijk. Als je aan de macht komt, wil je die ook uitoefenen en niet van iemand anders afhangen. Na de verkiezingen brak er muiterij uit in de Force Publique, het Congolese leger. Toen was het hek van de dam. Die opstand richtte zich niet tegen de Belgen, maar tegen de kersverse premier Patrice Lumumba, die ook minister van Defensie was.”

 

Op 23 juni 1960 werd Lumumba de eerste premier van Congo en op 4 september van datzelfde jaar werd hij door president Kasavubu ontslagen. U was daar blij mee. U schrijft: ‘Je kunt moeilijk ongelukkig zijn als je een eerste minister ziet vertrekken die een vijandig beleid voert ten opzichte van je land.’ Had u een hekel aan Lumumba?

“In mijn portret van hem schilder ik toch ook zijn kwaliteiten? Hij wou voor heel Congo zorgen, en niet alleen voor zijn eigen regio. Hij had ambitie en talent. Hij was geen communist, maar een nationalist. Alleen kon hij niet opboksen tegen de omstandigheden. Samen met de onzekerheid kwam de onrust. Op een bepaald moment besliste de Belgische regering in paniek om troepen naar Congo te sturen. Zij moesten de orde handhaven en Belgen evacueren, maar de regering vergat om de Belgische ambassadeur in Congo te verwittigen. Waardoor hij niet op voorhand Lumumba kon geruststellen.”

 

De Congolese regering zag de Belgische invasie terecht als een daad van agressie?

“Eigenlijk wel, ook al was dat niet onze intentie. De Congolezen gingen klagen bij de Verenigde Naties, waarna zij beslisten om een veiligheidstroepenmacht op te richten. Zo groeide Congo uit tot een internationaal conflict en was de chaos compleet.”

 

Moet België zich verontschuldigen voor wat er tijdens de kolonisatie gebeurd is?

“Ik ben tegen excuses. De Congolese bevolking heeft geen slecht gevoel over België. Enkele maanden geleden opende in Katanga een herinneringspark; daar staat een standbeeld van Leopold II.”

 

De man die in ‘zijn’ Congo Vrijstaat handen liet afhakken.

“U ziet meteen hoe ingewikkeld het is. Het is verkeerd om met de waarden van vandaag te oordelen over feiten van honderd jaar geleden. Natuurlijk hebben we vergissingen begaan; godzijdank hebben we ook zaken verwezenlijkt die wél goed zijn. Alleen wil ik het verleden niet beoordelen door de bril van vandaag.”

 

Wijlen Renaat Van Elslande (CVP) was van 1973 tot 1977 minister van Buitenlandse Zaken. U was zijn politiek directeur. In uw boek noemt u hem ‘ontzettend lui’.

“Renaat Van Elslande leeft niet meer en het is makkelijk om zaken te vertellen over mensen die zich niet meer kunnen verdedigen.”

 

Maar u schrijft het wel.

“Ik wou gewoon uitleggen dat mijn situatie op Buitenlandse Zaken niet houdbaar was. Van Elslande was heel intelligent en had al een mooie politieke carrière achter de rug. Maar hij nam zijn portefeuille niet ernstig en daarom overlegden buitenlandse gesprekspartners liever met mij dan met hem. Zoiets blijft nooit duren: een ambtenaar kan niet de plaats innemen van zijn minister. De toenmalige eerste minister Leo Tindemans heeft mij gered door me naar de Europese Commissie te sturen.”

 

U noemt Paul Vanden Boeynants dan weer ‘een uitstekende eerste minister’. Ik vermoed dat niet iedereen het daarmee eens is.

“Ik zeg gewoon wat ik denk; ik ben daar intussen oud genoeg voor. Dat wil nog niet zeggen dat alles wat ik zeg ook altijd correct is.” (lacht)

 

We zitten hier 13 hoog in de met kantoortorens bezaaide Brusselse Noordwijk. Vroeger was dit een levendige buurt met cafés, cinema’s en winkels, waar 12.000 mensen woonden. Onder impuls van Vanden Boeynants is dat met de grond gelijk gemaakt.

“Ik ken zijn fouten, maar toen hij verantwoordelijkheid had over de staat, was hij een staatsman. In de jaren dat hij premier was, heeft hij het land goed geleid.”

 

Van 1977 tot 1985 was u Europees commissaris, waarvan de eerste vier jaar onder de Britse voorzitter Roy Jenkins. De nakende Brexit stemt u droevig?

“De Brexit heeft niet veel met Europa te maken, maar vooral met de lamentabele toestand van de Britse Conservatieve Partij. David Cameron schreef indertijd het referendum uit om zijn partij te redden. Het was niet de bedoeling dat Leave een meerderheid zou halen. Het plan was: de Brexit wordt weggestemd en dat betekent meteen het einde van de verdeeldheid onder de conservatieven. Dat werd een totale mislukking.

“Europa is broodnodig, alleen heeft het project de voorbije jaren aan populariteit ingeboet. Europa werd steeds meer een kwestie van management, waardoor het politieke perspectief vervaagde. Als je twee bladzijden nodig hebt om uit te leggen waarom Europa nodig is, zit je met een probleem. Want een paar paragrafen zouden moeten volstaan: Europa waarborgt ons een betere toekomst en is een baken van zekerheid in een veranderende wereld.

“De regeringen van verschillende lidstaten klagen: ‘Europa verplicht ons vervelende maatregelen te nemen.’ Ze vergeten er bij te vertellen dat ze daartoe verplicht zijn omdat ze daar zelf ooit hun zegen over gegeven hebben. Europa kan geen beslissingen nemen zonder het akkoord van de lidstaten. In Brussel knikken ze braaf ja, maar thuis maken ze hun burgers wijs dat ze door Europa onder druk gezet worden.”

 

Zoals de Hongaarse premier Viktor Orban?

“Ik ben in Boedapest geboren en had eerlijk gezegd nooit gedacht dat een regime zoals dat van Orban mogelijk zou worden. Na de val van de muur kregen de Europese landen die al die jaren onder het communistische juk leefden, de kans zichzelf heruit te vinden. West-Europa had toen ook kunnen zeggen: ‘Trek jullie plan.’ Gelukkig deden we dat niet en aanvaardden we onze politieke verantwoordelijkheid. Maar we hadden nooit gedacht dat dat zou leiden tot verkeerde interpretaties. Die landen in ontwikkeling kregen veel financiële steun van Europa. Terecht, want we willen iedereen op het hoogste niveau tillen. Alleen staat in de verdragen niet geschreven dat we die landen moeten opvolgen. Daarom kan Orban twee registers blijven bespelen. Aan de ene kant bazuint hij rond dat hij niets moet weten van de Europese bemoeienis, aan de andere kant kan hij met het geld dat hij van Europa krijgt in eigen land economisch succes boeken.”

 

In 1988 werd u benoemd tot voorzitter van de Generale Maatschappij. Volgens sommigen organiseerde u in die functie de uitverkoop van België.

“Dat weet ik.”

 

Begin vorig jaar tweette Geert Noels: ‘Etienne Davignon verkocht telkens strategische Belgische activa en werd Minister Van Staat. #saynomore’.

“Ik heb Noels voorgesteld om daarover in debat te gaan. Hij wou niet. De Generale Maatschappij had geen stabiel aandeelhouderschap. Daarom kon de Italiaanse zakenman Carlo de Benedetti begin 1988 een bod op 35% van de Generale Maatschappij uitbrengen. Daarmee zou hij meteen ook de controle verwerven, want het aandeel van de vaste aandeelhouders bedroeg slechts 10%. Precies daarom bood ik de Belgische regering een belang van 20% aan in het kapitaal van de Generale. De regering was in lopende zaken en Jean-Luc Dehaene voerde onderhandelingen over de samenstelling van de regering Martens VIII. Ik voel veel vriendschap en respect voor wijlen Jean-Luc. Hij zei: ‘Zo’n beslissing kan niet in lopende zaken.’ De toenmalige staatsbank ASLK was nochtans bereid om dat belang te nemen. Toch ging het niet door en België liet een grote kans liggen. Want dan zou het Franse Suez nooit de enige aandeelhouder van de Generale Maatschappij geworden zijn, zoals nu wel gebeurde. Sterker nog: misschien hadden wij ooit Suez overgenomen.”

 

Electrabel kwam ook voor 100 % in handen van Suez. Hoe gezond is het dat onze stroomvoorziening gecontroleerd wordt door een buurland?

“Dat wou ik ook niet. Toch moeten we correct blijven: hebben die Franse overnames gevolgen gehad voor de tewerkstelling in België? Zijn al die overgenomen ondernemingen in waarde gezakt? Nee, ze bleven succesrijk. Ik minimaliseer niet dat het beslissingscentrum niet meer voor honderd procent in België ligt. Maar over de toekomst van al die bedrijven wordt toch vooral hier nagedacht. De gevolgen voor de Belgische economie en tewerkstelling zijn bijna nihil.”

 

U schrijft dat de grootste fout uit uw carrière was om in volle bankencrisis voorzitter te worden van de raad van bestuur van Fortis.

“Maurice Lippens had ontslag genomen en ze kwamen me vragen of ik hem wou opvolgen. Ik had toen nee moeten zeggen, ook al was ik in theorie capabel voor die functie. De aandeelhouders die de waarde van hun aandelen hadden zien kelderen, stemden me begin december 2018 weg op de bijzondere aandeelhoudersvergadering op de Heizel in Brussel. Ze zagen me als een man van het verleden. Maurice Lippens is een vriend en ik was niet bereid om hem tot vijand uit te roepen. Voor al die gedupeerde aandeelhouders was hij boosdoener nummer 1 en ik deelde in de klappen. Ik vond Lippens zijn beleid niet goed, maar dat wil niet zeggen dat je niet bevriend kan blijven. Figuren als Mischaël Modrikamen zweepten de gemoederen op.”

 

Er werden door woedende aandeelhouders schoenen naar u gegooid.

“Ik heb wel meer pijnlijke algemene vergaderingen meegemaakt, hoor. Alleen kon ik in de Heizel door het door Modrikamen aangevuurde kabaal niet eens iets zeggen. In Nederland had ik op de algemene vergadering een nipte meerderheid gehaald, in Brussel haalde ik die net niet. Achteraf beschouwd was die stemming een zegen. Ik stond gewoon niet in de juiste positie om het vertrouwen te winnen van de mensen die slachtoffer waren van de hele situatie. Dat had ik op voorhand beter moeten inschatten.”

 

Eind 2018 besloot het Brusselse gerecht om niemand van de verantwoordelijken voor het Fortis-débacle te vervolgen. Klopt de perceptie dat de topbankiers de dans ontspringen, terwijl de kleine aandeelhouders berooid achterblijven?

“De rechtbank heeft beslist. Moesten er geen gerechtelijke onderzoeken geweest zijn, sneed uw opmerking hout. Nu niet. Er is ook een minnelijke schikking getroffen.”

 

U staat op goede voet met koning Filip. Is hij na de verkiezingsuitslag van 26 mei in paniek? 43% van de Vlamingen stemde voor separatistische partijen.

“Koning Filip is niet snel in paniek. Hij wil zijn job goed uitoefenen en hij pakt de zaken uitstekend aan. Zijn beslissing om twee informateurs in te schakelen, is verstandig. Ik geloof trouwens niet dat er aan Vlaamse kant bijna een meerderheid is voor Vlaamse onafhankelijkheid. Onder de uitslag van 26 mei schuilt een andere werkelijkheid. Onderzoek van de Universiteit Antwerpen, KU Leuven, VUB, ULB en UCL laat zien dat de publieke opinies in Vlaanderen, Brussel en Wallonië opvallend gelijklopen. Het enige waarover ze verschillen, is migratie.

“Toen Filip nog kroonprins was, heb ik hem geïntroduceerd bij de Bilderberggroep. Ik had gezien hoe belangrijk Bilderberg was voor de vorming van de Nederlandse prinses Beatrix, toen zij samen met haar vader prins Claus de eerste bijeenkomsten bijwoonde. Ze leerde er veel mensen kennen. Tussen 1992 en 2012 is Filip een tiental keer op mijn uitnodiging langsgekomen. Zo leerden we elkaar kennen en respecteren.”

 

Volgens sommigen is de Bilderberg-conferentie dé plek waar de machtigen der aarde en het grootkapitaal duistere complotten smeden.

“Complottheorieën zijn van alle tijden. Als het klopt dat de Bilderberg-groep de wereld leidt, moet ze onmiddellijk ontslag nemen, want het eindresultaat is niet fameus.”

 

U bent 86 en houdt kantoor op deze 13e verdieping. Het pensioen lonkt nog niet?

“Ik was altijd onafhankelijk en heb nooit het statuut van bediende gehad. Er staat bijgevolg geen datum op mijn pensioen.”

 

Wilt u sterven in het harnas?

“Nee, ik wil nog niet zo vlug dood. U mag er zeker van zijn dat ik zal sterven op het moment dat ik geen professionele activiteit meer uitoefen. Ik bouw af. In vergelijking met drie jaar geleden, doe ik nu minder. Mijn voorzitterschap van de raad van bestuur van BOZAR telt niet mee, want dat is vrijwilligerswerk. Ik zit nog in de raad van bestuur van Brussels Airlines en heb ervoor gezorgd dat vanaf 9 juli ook Jan Smets toetreedt.”

 

De voormalige gouverneur van de Nationale Bank wordt daar uw opvolger?

“In al mijn activiteiten heb ik mijn opvolging voorbereid. Daarom werk ik nu minder dan vroeger. Ooit wordt dat nul.”

 

Etienne Davignon, Mijn drie levens, Lannoo, 280 blz, 25,99 euro

(c) Jan Stevens

‘Ze hebben mijn leven gestolen’

In november 1987 werd de pasgeboren Coline Fanon in een ziekenhuis in Guatemala geroofd voor adoptie. Haar moeder kreeg te horen dat haar baby dood was. Via het inmiddels opgedoekte Hacer Puente kwam Coline in België terecht. “Ze hebben mijn leven gestolen en twee families in de ellende gestort.”

 

Op maandag 13 mei kondigde Unicef België aan dat ze haar pas aangestelde nieuwe directeur Bernard Sintobin alweer wandelen stuurde. Aanleiding was een reeks welgemikte tweets van tv-maker Eric Goens naar aanleiding van Sintobins benoeming. ‘Bernard Sintobin is jarenlang penningmeester geweest van Hacer Puente, de Belgische adoptievereniging die in Guatemala tientallen kinderen heeft verhandeld. Euhm?’ Gevolgd door een tweet met een foto van twee jonge vrouwen. ‘Dit zijn Coline en Sophie: dertig jaar geleden als baby verhandeld in Guatemala, door toedoen van de Belgische adoptievereniging Hacer Puente. De voormalige penningmeester van Hacer Puente is vandaag voorzitter van @UNICEFBELGIE.’

In januari van dit jaar getuigden de Franstalige dames Coline Fanon en Sophie Villers over hun malafide adopties in de reeks Bargoens op Eén. Eric Goens reisde met hen naar Guatemala, onder andere naar de residentie van wijlen Ofelia Rosal de Gamas, regelaar van adopties voor Hacer Puente en schoonzus van Oscar Humberto Mejía Victores, dictator van Guatemala van 1983 tot 1986. In De Morgen van 13 mei ontkende Sintobin ooit meegewerkt te hebben aan frauduleuze adopties. “Het enige wat we deden, was adoptiebemiddeling”, zei hij. “We rekenden zelfs geen administratiekosten aan.” De samenwerking met Ofelia Rosal de Gamas gaf hij wel toe. “Zij zorgde ervoor dat de dossiers op het juiste adres terechtkwamen. Maar het is niet omdat iemand een dictator is, dat de rest van zijn familie ook corrupt is.”

Coline Fanon richtte samen met Sophie Villers Racines Perdues op, een organisatie die in Guatemala op zoek gaat naar de verloren roots van adoptiekinderen. Over Sintobin en Unicef wil Coline het liever niet hebben. Wel over hoe zij als baby door Ofelia de Gamas & co geroofd werd.

Coline Fanon: “Mijn Belgische ouders wilden een kind adopteren en stapten naar het Office de la Naissance et de l’Enfance (ONE), de Franstalige tegenhanger van Kind en Gezin. Ze wilden weten welke adoptiedienst hen het beste kon helpen en werden doorverwezen naar Hacer Puente uit Doornik. Die organisatie werd geleid door Michèle Boucq en was gespecialiseerd in adopties uit Guatemala. Boucq had samen met haar man zelf ook Guatemalteekse kinderen geadopteerd. Mijn ouders doorliepen feilloos alle toen gangbare formaliteiten voor adoptie en in november 1986 kregen ze het bericht dat er in Guatemala een klein meisje op hen lag te wachten. Een maand later liet Hacer Puente weten dat hun baby jammer genoeg gestorven was. Dat nieuws kwam hard aan.”

 

Tot ze in februari ’87 hoorden dat u hun dochter zou worden.

Fanon: “Hun hoop flakkerde op. Mijn ouders vroegen meteen een visum aan voor mij, wat ze trouwens eerder al hadden gedaan voor de eerste baby. Die procedure verliep via Ofelia Rosal de Gamas. Mijn ouders moesten haar voor haar diensten rechtstreeks betalen. Dat werd hen meegedeeld door Hacer Puente. Het geld diende zogezegd om haar kosten te dekken die zij in Guatemala maakte en moest gestort worden op een rekening in de Verenigde Staten.”

 

Op wiens naam stond die rekening?

Fanon: “Ofelia Rosal de Gamas. Van andere kinderen die via dezelfde organisatie geadopteerd zijn, weet ik dat zij niet altijd de rechtstreeks begunstigde was. Soms moest het geld overgeschreven worden naar rekeningen van advocaten in de VS.”

 

Hoeveel betaalden uw ouders?

Fanon: “Dat mag ik niet zeggen; mijn ouders willen dat niet. Niet alle Belgische adoptieouders betaalden evenveel. De bedragen schommelden en er zat geen systeem in. Het kon best dat het ene koppel voor twee Guatemalteekse kinderen vijf keer minder moest neertellen dan een ander koppel voor één kind. Maar altijd ging het over duizenden franken.

“Niet lang nadat mijn ouders het geld hadden overgeschreven, kregen ze van Hacer Puente een brief dat er problemen waren in Guatemala. Alle lopende adopties waren geblokkeerd. Reden: de Guatemalteekse justitie had zware vermoedens over kinderhandel. In de brief stond ook dat er arrestaties verricht waren.”

 

In april van dit jaar schreef het Amerikaanse maandblad Harper’s Magazine dat Ofelia de Gamas twee keer in Guatemala gearresteerd werd voor kinderhandel: een keer in 1983 en een keer in 1987. Ze werd nooit veroordeeld; niemand weet of ze vrijkwam door politieke druk of door het betalen van smeergeld. Toen uw ouders die brief kregen, was dat vermoedelijk nadat De Gamas in ’87 was opgepakt?

Fanon: “Dat zou kunnen. Andere adoptieouders hadden niet veel eerder een brief van Hacer Puente in de bus gevonden met het verzoek om positieve verhalen over de organisatie te delen. ‘Momenteel hebben de negatieve geruchten een hoogtepunt bereikt’, stond erin. ‘De adopties worden sterk in twijfel getrokken. De kinderen zouden niet geadopteerd worden, maar verkocht. Enkel adoptieouders kunnen bewijzen dat die beschuldigingen totaal ongegrond zijn. U mag vermelden dat u Ofelia de Gamas dankbaar bent om wat ze voor uw kind gedaan heeft.’

“Mijn ouders schrokken zeer erg toen ze lazen dat hun adoptiekind voorlopig niet naar België kon komen. Ze schreven naar de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Leo Tindemans en vroegen hem om diplomatieke hulp. ‘Wij hebben alle adoptieregels strikt gevolgd en willen ons kind bij ons.’ Hun verzoek kwam niet uit de lucht vallen: Frankrijk had eerder al in adoptiedossiers diplomaten ingeschakeld. Ze schreven ook naar de Belgische ambassadeur in Guatemala, maar die heeft nooit gereageerd.”

 

Wisten ze waar u ergens in Guatemala was?

Fanon: “Hacer Puente had hen wijsgemaakt dat ik ondergebracht was bij het Rode Kruis. Daarom schreven mijn ouders ook naar prins Albert, onze latere koning. Hij was voorzitter van het Belgische Rode Kruis en zij vroegen hem of hij meer te weten kon komen over de omstandigheden waarin ik was ondergebracht.”

 

Hoe oud was u toen?

Fanon: “Een maand of drie, vier. Mijn ouders kregen antwoord van de stafchef van Albert: ‘De prins heeft uw verzoek doorgestuurd naar de algemene directie van het Rode Kruis België. Hij vraagt hen uw zaak te onderzoeken en u indien mogelijk te helpen.’ Vervolgens gebeurde er een hele tijd niets. Mijn vader en moeder wachtten, maar kregen intussen wel een factuur van Hacer Puente toegestuurd die ze netjes betaalden. De organisatie rekende hen de kosten aan voor mijn verzorging, voeding en kledij, en voor mijn babysitters.”

 

Was u op dat moment ook veilig ondergebracht bij het Rode Kruis?

Fanon: “Nee. Er zijn sporen van mij teruggevonden in Guatemala City in een clandestien huis waar adoptiekinderen verzameld werden. Ze hebben toen ook foto’s van mij genomen, onder andere één waarop mijn voeten zijn samengebonden. Maar waar ik precies al die tijd verbleef, weet ik nog steeds niet. Waar ik wel zeker van ben, is dat ik eind juli 1987 nog opgesloten zat, terwijl mijn adoptiedossier in gang gezet was in november ’86.”

 

Uw biologische moeder had u toen afgestaan voor adoptie?

Fanon: “Nee, op geen enkel moment. Niet lang na mijn geboorte kreeg ik hevige koorts en mijn mama keerde met mij terug naar het ziekenhuis waar ze bevallen was. ‘Mijn pasgeboren baby is ziek’, zei ze. Twee dagen later vertelden ze haar in het hospitaal dat ik gestorven was. In werkelijkheid hadden ze me overgebracht naar een ander ziekenhuis.”

 

U bent dus ontvoerd door dokters en verplegers?

Fanon: “Vermoedelijk wel. Of ze waren op zijn minst medeplichtig.”

 

In de jaren zeventig en tachtig gebeurde net hetzelfde in Sri Lanka. Daar werden ook baby’s in ziekenhuizen door verplegend personeel geroofd.

Fanon: “In India ook. Mijn moeder vroeg aan de dokter: ‘Mag ik mijn dochtertje zien?’ Hij zei: ‘Nee, dat kan niet. We moesten haar begraven. Ze ligt in een massagraf.’ Mijn Guatemalteekse mama heeft later ter nagedachtenis aan mij een grafsteen op het kerkhof geplaatst.”

 

Wat vertelden de mensen van Hacer Puente aan uw adoptieouders?

Fanon: “Dat een straatarme vrouw haar baby tegen betaling had afgestaan. Mijn biologische ouders waren niet arm. Mijn biologische vader zat in het Guatemalteekse leger op het moment van mijn geboorte. Ze hadden samen al een zoon. Toen mijn moeder zwanger was van mij, zijn ze gescheiden. Maar ze bleven in contact met elkaar. Mijn vader heeft altijd voor zijn zoon gezorgd; hij liet mijn moeder niet aan haar lot over. Nadat ze in het hospitaal te horen gekregen had dat ik gestorven was, zakte ze een tijdje weg in een depressie. Later hertrouwde ze en kreeg ze nog andere kinderen.”

 

In oktober 1987 vertrokken uw adoptieouders naar Guatemala om u eindelijk te gaan ophalen.

Fanon: “Die reis werd georganiseerd door Hacer Puente-voorzitster Michèle Boucq. Op de luchthaven stond Ofelia Rosal de Gamas hen met haar chauffeur op te wachten. Mijn ouders werden naar een hotel gebracht dat vol bleek te zitten met andere adoptieouders. Er waren zo twee hotels in Guatemala City, gespecialiseerd in het te slapen leggen van buitenlanders die hun nieuwe kinderen kwamen ophalen. Tik op Google de naam in van het hotel waar mijn ouders verbleven, en één van de eerste foto’s die je te zien krijgt, is van een witte mevrouw met een bruine baby op de arm.”

 

Hoe heette dat hotel?

Fanon: “Casa Grande in Guatemala City. De avond van hun aankomst bracht Ofelia mij naar het hotel. Vijf dagen later kwam ze terug om samen met mijn ouders de administratie af te werken. Vader en moeder spraken geen woord Spaans, dus regelde zij alles. Ze toonde foto’s van het huis in de krottenwijk waar mijn biologische moeder zou geleefd hebben. ‘Kijk eens in wat voor vreselijke armoedige omstandigheden de moeder van jullie dochtertje probeert te overleven.’ Nu moet u weten, mijn biologische moeder heeft nooit op die plek gewoond. Sterker nog, de foto van datzelfde krot zit ook in een totaal ander adoptiedossier.

“Ofelia de Gamas nam mijn adoptieouders mee op uitstap naar haar residentie in de stad Antigua, waar ze hen voorstelde aan haar schoonbroer. ‘Hij is een gepensioneerde officier.’ Mijn ouders waren er zich op dat moment totaal niet van bewust dat ze met ex-dictator en notoir schender van de mensenrechten Óscar Humberto Mejía Victores gezellig koffie zaten te drinken. Toen ik hen een jaar geleden een foto van die man liet zien, schrokken ze: ‘Maar dat is die vriendelijke mijnheer van toen.’”

 

Wanneer besloot u uw eigen verleden uit te spitten?

Fanon: “Ik was twintig. Daarvoor had ik me ook al vragen gesteld over mijn verleden, zeker in mijn puberteit. Het verschil met veel andere geadopteerden, is dat je het aan mij niet echt ziet. Ik bedoel: ik val hier op straat niet op. Ik kan best Spaanse of Marokkaanse roots hebben, zoals ontzettend veel andere Belgen. Heel af en toe vroeg wel eens iemand: ‘Waar kom jij vandaan?’ ‘Uit Latijns-Amerika.’ En daar hield het dan mee op.

“Ik heb een zus die ook geadopteerd is. Onze ouders hebben al heel lang uitstekend contact met haar biologische familie. We hebben echt fantastische adoptieouders. Ze deden nooit geheimzinnig over onze adopties. Ik was achttien toen ik hen vroeg of ik mijn dossier mocht inkijken. Geen probleem, alleen was dat dossier flinterdun.

“Ik heb intussen zelf twee kinderen, een meisje en een jongen. Toen ze nog heel klein waren, had ik geen tijd meer om op zoek te gaan. Binnenkort wordt mijn dochter zeven. Toen zij zei: ‘Mama, ik wil het eigenlijk wel eens weten’, wou ik dat ook.”

 

Dus ging u op zoek naar ouders waarvan u overtuigd was dat ze u ooit weggegeven hadden?

Fanon: “Ik had er nooit aan getwijfeld dat zij me gedumpt hadden. Toch wou ik weten hoe ze eruitzagen.”

 

Was u boos op hen?

Fanon: “Nee, dat ben ik nooit geweest. Ik kon begrijpen dat mijn moeder me uit armoede had weggegeven. Mijn adoptiemoeder hield me altijd voor: ‘Ze heeft dat waarschijnlijk gedaan omdat ze geen andere keuze had.’ Dat leek ook zo uit mijn dossier: ze stond me af om mij een betere toekomst te garanderen. Ik was terechtgekomen in een warm nest, met liefhebbende ouders. Ik leidde een zalig leven, en ben trouwens nog steeds gelukkig met wat ik heb. Ik hou van mijn adoptieouders en zij van mij. Zij hebben het zeer moeilijk met wat er nu allemaal boven water komt. (stilte)

“In december 2017 begon ik mijn dossier zeer nauwgezet uit te pluizen. Ik tikte de naam ‘Hacer Puente’ in op het internet en kwam terecht bij het getuigenis van de bekende Franse zangeres Carmen Maria Vega. In 2011 had zij ontdekt dat haar adoptie in 1984 via Hacer Puente allesbehalve fatsoenlijk verlopen was. Ik belde haar. ‘Ofelia Rosal de Gamas regelde mijn adoptie.’ Ze zei: ‘Je weet toch dat Rosal de Gamas handel dreef in kinderen?’ Het was alsof de grond onder mijn voeten wegzonk. Toen wou ik àlles over Hacer Puente en mijn adoptie te weten komen. Ik ging zelfs Spaans studeren om alle paperassen goed te kunnen begrijpen en met Guatemalteken te kunnen communiceren.”

 

Hoe vond u uw biologische ouders?

Fanon: “Ik speurde het internet af en kwam zo bij de Guatamalteekse onderzoeksjournalist Sebastiàn Escalón terecht. In 2015 legde hij samen met zijn collega Pilar Crespo een netwerk in kinderhandel uit de jaren zeventig en tachtig bloot. Eén van de spillen was de advocaat Edmond Mulet, die het inmiddels geschopt had tot hoge pief bij de Verenigde Naties. Ik mailde Sebastiàn: ‘Ik ben geadopteerd in 1987 via bemiddeling door Ofelia de Gamas’. Hij antwoordde direct: ‘Dan ziet het er niet goed uit.’ Hij bracht me in contact met Marco Garavito van La Liga Guatemalteca de Higiene Mental. Marco voert onderzoek naar de verdwenen kinderen van Guatemala.”

 

Zijn er dan zoveel kinderen spoorloos verdwenen?

Fanon: “Guatemala heeft een bijzonder kwalijke adoptiereputatie. Dat begon in 1954, toen een staatsgreep de eerste van een lange reeks militaire dictators aan de macht bracht. Burgers gingen in verzet en de dictators en hun doodseskaders traden keihard op. Volgens een onderzoekscommissie van de VN werden tussen 1954 en 1996 minstens tweehonderdduizend mensen vermoord. Bij klaarlichte dag werden ze door militairen, agenten of huurlingen van de straat geplukt, in busjes afgevoerd, gefolterd, afgemaakt en in massagraven gedumpt. Kinderen werden massaal gestolen, in staatsweeshuizen ondergebracht en met vervalste papieren ter adoptie aangeboden. Die grote kinderrroof wordt nu als een oorlogsmisdaad beschouwd. Het is tegen die achtergrond dat Ofelia de Gamas actief was. La Liga van Marco Garavito helpt ouders met het opsporen van hun verdwenen kinderen. Mijn eerste echte brief in het Spaans schreef ik naar Marco. (lacht) Sebastiàn Escalón gaf me intussen een snelcursus in online-onderzoekstechnieken. Met hun hulp vond ik mijn Guatemalteekse ouders en familie terug. Negen dagen en negen nachten bracht ik continu door op het internet.

“Uiteindelijk vond ik hen op Facebook. Ik durfde mijn biologische moeder niet aan te spreken. Op haar profiel stond elke zevende november van elk jaar een gebedje naast een foto van een baby.”

 

Dat was ter nagedachtenis aan u, haar gestorven dochtertje?

Fanon: “Ja. Volgens de papieren van Hacer Puentes die ik in mijn bezit heb, ben ik geboren op 7 november. Toen mijn adoptieouders me kwamen halen, was mijn geboortedatum op de officiële documenten veranderd in 4 november. ‘Het was oorlog en er was chaos’, zeggen mama en papa. ‘Die verkeerde datum was gewoon een vergissing.’ Dat is best mogelijk. Mijn ouders waren in ‘87 trouwens erg bang om naar Guatemala te vertrekken. Het zijn gewone mensen en geen avonturiers, militairen of oorlogsjournalisten. (lacht)”

 

U stuurde eerst een van uw gloednieuwe zussen een bericht via Facebook?

Fanon: “Zij dacht dat ik een gekkin of een oplichtster was. Later belden we en ze ratelde zo snel in het Spaans dat ik haar nauwelijks kon volgen. Een andere zus vroeg: ‘Welke informatie heb je over je adoptie?’ Ik stuurde haar alles wat ik had. Meteen daarna reageerde ze: ‘Hoe is het mogelijk dat je nog leeft?’ Toen zag ik een vriendschapsverzoek van mijn mama. (stilte) Vervolgens stuurde ze een bericht dat ik niet meteen durfde te openen. ‘Dag mijn mooi lief meisje, mijn schat’, schreef ze. ‘Ik geloof dat ik je mama ben.’”

 

Haar dertig jaar dode dochter was plots springlevend.

Fanon: “Al die jaren was ze er rotsvast van overtuigd dat ik dood was. Daar heeft ze nooit aan getwijfeld. Elk jaar brandde ze een kaarsje op mijn verjaardag. Mijn biologische mama had me Mariela Sindy genoemd. Mijn biologische papa noemde zijn eerste dochter die na mij geboren is, Mariela en zijn tweede dochter Cindy.”

 

Wanneer ontmoette u uw moeder in levende lijve?

Fanon: “In januari 2018, anderhalve maand na ons eerste contact. Ik moést haar zien en nam in mijn eentje het vliegtuig naar Guatemala. Heel de familie stond me op de luchthaven op te wachten.

“Ik vond mijn mama zo mooi. Ze rende naar me toe en nam me in haar armen. Ze was zacht en rook zo lekker. Haar geur vergeet ik nooit meer.”

 

Uw biologische vader ontmoette u later samen met Eric Goens voor Bargoens?

Fanon: “Papa woont in de Verenigde Staten. Hij is een succesrijk ondernemer en kwam speciaal voor ons over naar Guatemala. Mijn biologische mama is mijn adoptieouders ontzettend dankbaar. Ze kan niet ophouden met hen te bedanken omdat ze al die jaren zo goed voor haar dochter gezorgd hebben. Mijn beide mama’s hebben elkaar gesproken, en zouden graag samen tijd doorbrengen met mij. Maar ik kan dat op dit moment emotioneel niet aan. Zij kijken daar heel erg naar uit; voor mij lukt dat voorlopig niet.”

 

U zit nu met uw identiteit zwaar in de knoop?

Fanon: “Het is ingewikkeld. Als ik daar ben, zien de mensen me als één van hen. Ik ben dan ook één van hen, want op die momenten werken de toeristen me even hard op de zenuwen. (lacht) Daar ben ik thuis, maar hier ben ik ook thuis. Dat is zo raar. Als ik hier geen gezin had, was ik al lang weg naar Guatemala. Daar ben ik zeker van. Ik had de oversteek eerlijk gezegd bijna geregeld. Ik had zelfs een school gevonden waar de kinderen ook Frans konden blijven spreken. Mijn Guatemalteekse mama wil zo graag dat ik terugkom. Maar mijn man ziet een verhuis niet zitten. Mijn Guatemalteekse papa zou liefst hebben dat ik naar de VS verhuis. Maar ik raak dat land niet binnen omdat mijn papieren vervalst zijn. Officieel woon ik nog steeds in Guatemala.

“Ik ben verdrietig over wat mijn vaders en moeders moesten meemaken. Ik ben ook kwaad over wat er gebeurd is. Ze hebben mijn leven gestolen en twee families in de ellende gestort. Ik was amper een paar dagen oud toen ze me roofden. Het federaal parket voert nu sinds enkele maanden een onderzoek naar alle adopties van Hacer Puente. Ik hoop dat duidelijk zal worden wie in België verantwoordelijk was.”

 

Kwam dat gerechtelijk onderzoek er door u of door uw organisatie Racines Perdues?

Fanon: “Nee, het kwam er na een klacht van een slachtoffer uit Vlaanderen. Zij stapte met haar adoptieverhaal naar de politie. Via Racines Perdues heb ik contact met alle geadopteerden van Hacer Puente. Ook met de Vlaamse vrouw Dolores Maria Preat die in 2014 voor een stevig schandaal zorgde in Guatemala. Ook zij had ontdekt dat haar moeder haar niet uit armoede had afgestaan, maar dat ze was ontvoerd. Haar kidnapster gaf zichzelf uit voor haar biologische moeder. Die vrouw is daar in Guatemala voor veroordeeld.”

 

Preats adoptie verliep via Hacer Puente?

Fanon: “Ja. Ik zeg niet dat er een geurtje hangt aan alle adopties die Hacer Puente ooit regelde. Maar de lijst van onregelmatigheden die we via Racines Perdues in Guatemala verzamelden, oogt indrukwekkend. Met nummers van identiteitskaarten van biologische ouders die niet kloppen, mannen die vrouwen blijken te zijn, enzoverder… Het was één knoeiboel.”

 

In Vlaanderen is er op dit moment ook flink wat heisa over interlandelijke adoptie. Er bestaan ernstige vermoedens van fraude over adopties uit onder andere Sri Lanka, Ethiopië en Congo.

Fanon: “Franstalige en Nederlandstalige adoptiekinderen staan nu in nauw contact met elkaar. Want interlandelijke adoptiefraude is geen communautaire materie: in heel dit land liep het vaak grondig fout. Daarom is het meer dan de hoogste tijd voor een landelijke waarheidscommissie over adoptie. Álles moet op tafel komen. Zonder taboes.

“Sophie Villers en ikzelf willen graag als vertegenwoordigers van Racines Perdues door de toekomstige premier van België ontvangen worden. Want omdat we als baby ontvoerd zijn, raken wij nu de VS niet binnen. Daar beschouwen ze ons nog steeds als Guatemalteken. We zouden graag hebben dat onze toestand via diplomatieke weg geregulariseerd wordt. Dan kan ik mijn biologische papa bij hem thuis opzoeken. De nieuwe Belgische regering moet ook werk maken van een DNA-bank waar alle geadopteerden terechtkunnen.”

 

Heeft Michèle Boucq van Hacer Puente intussen contact met u gezocht?

Fanon: “Nee. In 2016 belde ik haar omdat ik meer informatie wou over mijn dossier. ‘Wij regelden enkel de overhandiging’, zei ze. ‘Ik heb geen archief.’”

 

(c) Jan Stevens