‘Om te kunnen liegen zoals Hitler, moét je wel een doortrapte charmeur zijn’

Vlak voor de oorlog lieten belangrijke Amerikaanse, Britse en Franse journalisten zich bedwelmen door Adolf Hitler. In zijn boek De vergeten gesprekken met Hitler delft Eric Branca hun interviews op. ‘Ze waren allemaal bang voor oorlog en geloofden de Führers pleidooien voor vrede.’

_DSC0005

 

Jarenlang was Parijzenaar Eric Branca journalist en redactiedirecteur bij het Franse actualiteitenmagazine Valeurs Actuelles. Tot hij in 2015 bij een grote reorganisatie samen met elf collega’s aan de deur gezet werd. ‘Toen was dat een grote schok’, zegt hij. ‘Achteraf gezien was het een bevrijding. Want ik ergerde me steeds meer aan de populistische koers die onder druk van de dalende oplagecijfers was ingezet.’ Hij trok zich terug in zijn appartement vlakbij de Arc de Triomphe en verdiepte zich in een vergeten stuk recente geschiedenis: de vooroorlogse vrijages van Adolf Hitler met belangrijke Amerikaanse, Britse en Franse journalisten. In zijn verbluffende boek De vergeten gesprekken met Hitler reconstrueert Branca zestien interviews waarin de dictator ‘met de zachtblauwe ogen’ via zijn gewillige gesprekspartners probeerde de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk in slaap te wiegen.

U bent de eerste die het stof blaast van de vooroorlogse Hitler-interviews.

Eric Branca: Het was nochtans niet moeilijk om ze terug te vinden. Die interviews worden allemaal netjes bewaard in voor iedereen toegankelijke archieven. Af en toe werden er wel eens enkele zinnen uit geciteerd, maar nooit publiceerde iemand ze opnieuw. Van 1923 tot 1940 gaf Hitler precies dertig interviews aan buitenlandse journalisten. Uiteindelijk blijven er zestien over die het verdienen een écht interview genoemd te worden. De rest zijn eerder uitvoerige verslagen van ontmoetingen met de Führer, opgefleurd met een paar quotes. Uit alle gesprekken komt de dictator naar voor als een volbloed leugenaar.

 

Hij deed mij soms aan de Amerikaanse president Donald Trump denken.

Branca: Misschien wel, alleen was Hitler subtieler. Trump doet de waarheid op een directe, simpele manier geweld aan. Hitler was doortrapter én strategischer. Hij zei tegen zijn gesprekspartners: ‘Ook ik verlang naar vrede’, terwijl hij in werkelijkheid volop de oorlog aan het voorbereiden was. Hij vertelde zijn toehoorders wat ze dolgraag wilden horen. Dat zal Donald Trump nooit doen. Die beledigt iedereen voluit. Adolf Hitler werd tegenover buitenlandse journalisten nooit een brulboei, behalve in het allereerste interview dat in oktober 1923 in The American Monthly verscheen. Daarin werd hij zeer agressief tegenover de Joden, met gepeperde uitspraken in de trant van: ‘Zoals syfilislijders en alcoholisten moeten worden geïsoleerd en zich niet mogen voortplanten, zo mogen ook Joden zich niet met Duitsers vermengen.’ Hij verkondigde toen onomwonden de nazistische ideologie, zoals hij die een paar maanden later in Mein Kampf zou neerschrijven.

 

Interviewer van dienst van dat allereerste interview was de Amerikaanse schrijver George Viereck.

Branca: Viereck was zelf een volbloed-nazi en ontpopte zich later tot propagandist voor Hitler in de VS. Halverwege de jaren dertig begon de FBI hem in de gaten te houden. Na Pearl Harbor namen de Amerikanen de wapens op tegen Duitsland en Japan. Viereck belandde in de cel omdat hij ervan verdacht werd een Duitse spion te zijn. Hij kwam pas terug vrij in ’47.

 

Van alle buitenlandse journalisten die met Hitler spraken, was Viereck de enige echte nazi?

Branca: Hitler koos er heel bewust voor om buitenlandse nazi-reporters links te laten liggen. Hij wou in de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk eerst en vooral de pacifisten en de mensen aan de linkerzijde bereiken. Want extreem-rechts was al overtuigd. Voor alle anderen trok hij een rookgordijn op. Hij maakte hen wijs dat hij niet uit was op oorlog. Hij wou ook de aandacht in het buitenland weg van Mein Kampf, vol rauw antisemitisme en virulente haat tegen alles wat Frans is. Hij koos doelbewust voor gerenommeerde journalisten en degelijke kranten en tijdschriften. Hij vermeed bladen die flirtten met het fascisme of nazisme. In Frankrijk praatte hij met de fatsoenlijke, pacifistische krant Le Matin of met het ‘onafhankelijke’ Paris-Soir, maar niet met extreem-rechtse bladen als L’Ami du Peuple of Je suis partout. Met de Britten communiceerde hij via grote populaire kranten als The Daily Mail en The Daily Mirror, maar niet met de fascistische krant van zijn Engelse evenknie Oswald Mosley. Hitler was een bewonderaar en een vriend van de Amerikaanse autobouwer Henry Ford. Die gaf het openlijk antisemitische weekblad Dearborn Independent uit. Hitler hoefde maar met zijn vingers te knippen voor een paginagroot interview, maar hij deed dat niet. Want waarom zou hij tijd verspillen aan buitenlandse lezers die toch al overtuigd waren?

 

Had hij die strategie zelf bedacht?

Branca: Die kwam uit de koker van zijn allereerste perschef Ernst ‘Putzi’ Hanfstaengl. Putzi was een leeftijdsgenoot van Hitler en had een Duitse vader en een Amerikaanse moeder. Hij stamde uit een rijke familie, studeerde aan Harvard, werd gerekruteerd als geheim agent en kreeg de opdracht om die jonge onruststoker Adolf Hitler in de gaten te gaan houden. Hij was geen Hitler-sympathisant, maar in München hoorde hij de man in het openbaar spreken en hij was meteen in de ban. Het gangbare beeld van een speechende Hitler is dat van een continu schreeuwende en razende fanaat. Maar in beperkte kring was dat helemaal niet zo. Hij begon dan pas op het einde te schreeuwen. (lacht) Het eerste uur van een redevoering kwam hij vaak zelfs heel charmant uit de hoek. Zo zorgde hij ervoor dat zijn toehoorders zeer ontvankelijk waren voor zijn boodschap.

In 1922 werden Hitler en Hanfstaengl goede vrienden; niet veel later werd Putzi zijn persattaché. Tot 1934 werkten ze nauw samen. Hanfstaengl had uitstekende relaties in de VS en kende er iedereen die ook maar iets te zeggen had. Hij regelde interviews met belangrijke Amerikaanse journalisten zoals Harold Calender van The New York Times en Hubert Knickerbocker van de New York Evening Post, winnaar van een Pulitzerprijs in 1931. Hij introduceerde zijn baas ook bij de kopstukken van de zeer invloedrijke Hearst Press Group en adviseerde hem om Engels te leren. Maar dat was een brug te ver voor de Führer. Eind jaren dertig keerde Hanfstaengl nog eens zijn kar: hij werd opnieuw Amerikaans agent. In 1942 trad hij zelfs in dienst bij de Amerikaanse president Franklin Roosevelt als diens naaste adviseur voor Duitse aangelegenheden.

 

In de jaren twintig gaf Hitler interviews aan Britse en Amerikaanse journalisten; de eerste Franse journalist sprak hij pas in 1930. Had dat te maken met zijn niet aflatende woede over het Verdrag van Versailles na WO I?

_DSC0060Branca: Versailles beschouwde hij inderdaad als de ultieme vernedering. Maar zijn haat tegenover Frankrijk ging nóg veel dieper. De hele Franse geschiedenis zag hij als één grote brok tegenstand tegen een verenigd sterk Duitsland. Eerlijk gezegd had hij een punt: alle Franse koningen hadden er een erezaak van gemaakt om Duitsland te verdelen. In Mein Kampf stond zwart op wit dat hij definitief met Frankrijk wou afrekenen. Alle ‘verloren gebieden’ wou hij heroveren. Hij schreef: ‘Dat lukt niet door plechtige aanroepingen van Onze-Lieve-Heer of door vroom op een Volkerenbond te hopen, maar alleen door wapengeweld.’ Vanaf 1930 zette hij zijn haat tegenover Franse journalisten even in de diepvries. Via interviews met hen probeerde hij ook de Fransen zand in de ogen te strooien. Die journalisten tuinden er met open ogen in, omdat ze allemaal bang waren voor oorlog. Daarom geloofden ze de Führers pleidooien voor vrede.

 

Sommige journalisten bekeerden zich na hun interview met Hitler zelfs tot het nazisme. Was dat door zijn charisma?

Branca: De kiem was bij de meesten al aanwezig. Maar op het moment waarop hun interview gepubliceerd werd, golden ze in hun eigen land nog als gerespecteerde reporters, zoals de Franse schrijver Alphonse de Châteaubriant. In 1911 won hij de Prix Goncourt voor zijn nog steeds lezenswaardige roman Monsieur des Lourdines. Hij stond bekend als een vrome katholiek, tot hij Hitler in 1938 ontmoette in diens buitenverblijf in Berchtesgaden. Aan het begin van de twintigste eeuw was Châteaubriant een groot verdediger van Alfred Dreyfus, de Joodse kapitein die er valselijk van beschuldigd werd een Duitse spion te zijn en die wereldberoemd werd door het pamflet J’accuse van schrijver Emile Zola. Na zijn interview met Hitler voor Le Journal beschouwde hij de Führer als de reïncarnatie van Jezus. In 1948 werd Alphonse de Châteaubriant als collaborateur bij verstek ter dood veroordeeld. Drie jaar later stierf hij in ballingschap in een klooster in het Oostenrijkse Kitzbühel.

Niet alleen oudere, conservatieve journalisten lieten zich door Hitler in de doeken doen, ook jonge progressievere collega’s zoals Elisabeth Sauvy alias Titaÿna raakten door hem betoverd. Zij mocht Hitler in januari 1936 uitgebreid interviewen in zijn werkkamer in de kanselarij in Berlijn. Ze was toen nog maar 38, en had van in de jaren twintig in Frankrijk een ijzersterke reputatie opgebouwd.

 

Zij was het prototype van de onverschrokken vrouwelijke sterreporter?

Branca: Ze had haar eigen vliegtuig waarmee ze op reportage trok naar verre oorlogsgebieden. In 1924 interviewde ze Kemal Atatürk en in ’35 Benito Mussolini. De hele Franse pers van die tijd vocht om haar artikels, interviews en reportages, van Le Matin, Lectures pour tous, Paris Match tot Paris-Soir. Zij wou per se Hitler interviewen omdat ze dacht dat hij een hartsgrondige hekel had aan Franse vrouwelijke journalisten. Tot haar grote verbazing wou hij haar toch ontvangen. Ook zij werd een bekeerlinge.

 

Door dat welbewuste interview?

Branca: Jawel. Haar interview een jaar eerder met Mussolini, die andere ‘grote dictator’ van die tijd, was uitgedraaid op een mislukking. Hij ontving haar zeer afstandelijk vanachter zijn bureau, met meters parketvloer tussen hen in. Hitler kwam haar met uitgestoken hand tegemoet. Hij kwam naast haar zitten, was één en al charme en dat werkte. In haar inleiding beschreef Titaÿna hem als ‘intelligent’ en ‘energiek’, als een ‘volksleider’ met ‘verleidingskracht’. In het echt was hij volgens haar helemaal niet die agressieve manipulator. Ze schreef ook over zijn opvallend blauwe ogen. Hitler loog er op los en zei dat geen haar op zijn hoofd eraan dacht een oorlog te beginnen. ‘Welke staatsman zou vandaag nog gewapenderhand zijn grondgebied willen uitbreiden?’, vroeg hij retorisch aan Titaÿna. ‘De menselijke logica verzet zich tegen territoriale oorlogvoering.’ Hij stelde zichzelf voor als de grote verzoener. Hij zei: ‘Het is mij er vooral om te doen dat de wereld gaat beseffen dat het idee van goede wil onder de volken moet leiden tot een samenwerking zonder verborgen agenda’s ten gunste van het welzijn van elk mens.’ Vijf weken later viel hij Frankrijk binnen. Om te kunnen liegen zoals Adolf Hitler, moét je wel een doortrapte charmeur zijn. Titaÿna ging volledig overstag. Tijdens de oorlog schreef ze antisemitische artikels in collaboratiekranten. Na de oorlog werd ze veroordeeld voor spionage.

_DSC0009

Slechts weinig journalisten stelden vragen over het lot van de Joden in Duitsland.

Branca: Ik vond het vreselijk om dat te moeten vaststellen. Alle vragen werden op voorhand door de persdienst van de nazi’s beoordeeld, waardoor lastige vragen in de prullenmand belandden. Maar blijkbaar had niemand de guts om tijdens het interview tóch zijn kritische geest te laten werken. Naderhand redigeerde Hitler de tekst persoonlijk. Dat ging heel ver. Titaÿna beschreef in november 1933 in Dimanche Illustré hoe haar interview ‘verbeterd’ werd. Ze zat in het vliegtuig van Berlijn naar Parijs en hoorde de boordtelex ‘continu ratelen’. Het was de Führer himself die correcties aan het sturen was: ‘Pagina zoveel, woord x vervangen door woord y. Regel zoveel schrappen.’

 

In uw boek blaast u ook het stof van de zeer lucratieve deal die het Amerikaanse persbureau Associated Press (AP) begin jaren dertig met de nazi’s sloot.

Branca: Op 4 oktober 1933 werd in Duitsland de Schriftleitergesetz van kracht, een nazi-wet die de pers zwaar aan banden legde. Voortaan was het correspondenten verboden teksten te publiceren die ‘de kracht van het Derde Rijk verzwakten’ en mochten media niet langer Joden in dienst hebben. Journalisten moesten van ‘Arische afkomst’ zijn en mochten niet getrouwd zijn met een Jood. Alle buitenlandse persagentschappen weigerden die wet te onderschrijven, behalve Associated Press. Het agentschap riep al zijn Joodse medewerkers in Duitsland zonder morren naar huis. Met als gevolg dat vanaf 1934 AP nog als enige buitenlandse persagentschap in Duitsland mocht werken. AP kreeg zo het monopolie in handen van verslaggeving over het Derde Rijk. Dat sterk gefilterde en gekleurde nieuws sluisde het vervolgens door naar krantenredacties over de rest van de wereld.

 

In feite was dat nazi-propaganda?

Branca: Zonder twijfel. Die werd vervolgens gepubliceerd in grote kranten en tijdschriften in de democratische landen. In de VS alleen al leverde AP aan 1400 nieuwskanalen. Tot de belangrijkste klanten van Associated Press behoorden het weekblad Life, maar ook The Washington Post en de Chicago Tribune. De man achter die deal was Louis Lochner, de directeur van de Duitse vestiging van AP. Hij was de voormalige secretaris van de notoire antisemiet Henry Ford. Bij het begin van WO II was Lochner de enige buitenlandse journalist die met het Duitse leger mocht meereizen. In 1939 kreeg hij een Pulitzer voor zijn verslaggeving vanuit Berlijn. Als de Duitsers in 1941 Rusland binnenvielen en massaal Joden afslachtten, was de correspondent van AP daar rechtstreeks getuige van, maar hij repte er met geen woord over. Hij berichtte wel uitvoerig over de Duitse slachtoffers van de Russen. Lochner volgde slaafs de richtlijnen van Joseph Goebbels en diens ministerie van Propaganda. Na de Amerikaanse deelname aan de oorlog, keerde hij in 1942 terug naar de VS. Maar de deal met de nazi’s bleef overeind. Lochner bezorgde de Duitsers interessant fotomateriaal van de geallieerden, in ruil voor interessant fotomateriaal uit het Derde Rijk. Zo kreeg AP na de aanslag op Hitler op 20 juli 1944 exclusief toegang tot de beelden van de ongedeerde Führer. In ruil leverde AP een maand later aan de Duitse pers foto’s van de schade die in Londen veroorzaakt werd door de V1-raketten. Na de oorlog was Lochner een gevierd oorlogscorrespondent. Hij gaf voordrachten, nam deel aan congressen en teerde op zijn succes tot zijn dood in 1975.

 

Decennialang wist niemand van zijn geheime deal?

Branca: Die kwam pas aan het licht in 2016 door onderzoek van de Duitse historica Harriet Scharnberg. De afspraken die Lochner met de nazi’s maakte, waren gewoon degoutant. Scharnberg publiceerde de contracten tussen AP en het ministerie van Propaganda van Goebbels op de website Zeithistorische-forschungen.de. Wat mij zo tegen de borst stoot, is dat het nieuws van die deal amper een rimpeling veroorzaakte. Binnenkort verschijnt de neerslag van het volledige onderzoek van Scharnberg, misschien dat er dan meer ophef volgt. Er komen gelukkig hier in Frankrijk meer reacties op mijn boek. Veel collega’s wisten niet dat illustere voorgangers zoals Bertrand de Jouvenel het nazisme omarmden. In februari 1936 publiceerde Jouvenel een uiterst kritiekloos interview met Hitler in Paris-Midi. Het lijkt eerder een hagiografie. In zijn inleiding beschrijft hij hoe de Führer blaakt van gezondheid: ‘Met zijn roze huid oogt hij sportief, iemand die veel frisse lucht krijgt. Zijn gezicht vertoont geen rimpels en ook geen spoor van fysieke of mentale vermoeidheid.’ Ook Jouvenel liet zich inpakken door Hitler en werd na publicatie van het interview hoofdredacteur van het weekblad van de fascistische partij PPF. Hij moet echt geloofd hebben dat Hitler een pacifist was, want toen de oorlog uitbrak, stapte hij gedesillusioneerd uit de PPF. Na de oorlog werd hij een alom gewaardeerd essayist, gespecialiseerd in economie en geschiedenis. Veel journalisten van mijn generatie dweepten met hem. Door mijn boek leren ze Jouvenels aangebrande verleden kennen en dat is een grote schok.

 

In uw boek vallen ook verschillende Angelsaksische journalisten van hun sokkel. Wordt het in het Engels vertaald?

Branca: Voorlopig niet. Blijkbaar is geen enkele Britse of Amerikaanse uitgever geïnteresseerd. Ik vind dat zeer merkwaardig. Naast de Nederlandse, komt er een Tsjechische, Roemeense, Duitse en misschien zelfs Chinese vertaling, maar geen Engelse.

 

Stel dat u in de jaren dertig journalist in Parijs was geweest. Had u de Führer geïnterviewd als de kans zich voordeed?

Branca: Ik denk het niet, want het was niet de bedoeling dat je als journalist ook nog eens vragen ging stellen. Een interview met Adolf Hitler was dus bij voorbaat zinloos. Een paar journalisten moet dat toch beseft hebben. Ik vermoed dat ze tóch naar Berlijn afreisden omdat ze nieuwsgierig waren. Ze wilden die man in levende lijve ontmoeten. Dat begrijp ik, want de leider van Duitsland was niet de eerste de beste. Maar als de voorwaarde is dat je kritische geest moet thuisblijven, ben je geen journalist meer, maar een propagandist.

 

Eric Branca, De vergeten gesprekken met Hitler, Polis, 320 blz., 25 euro

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

 

 

‘De CIA stelde me voor de keuze: trouwen of mijn vriend verlaten’

Vermomd als kunsthandelaar infiltreerde Amaryllis Fox terreurnetwerken voor de CIA. “Eigenlijk waren wij toen nog kinderen.”

 

Amaryllis Fox zat in het laatste jaar aan de universiteit toen ze benaderd werd door een recruiter van de CIA. Ze hapte toe en op haar tweeëntwintigste werd ze gevraagd voor het elitekorps van undercoveragenten. Na een intense training van zes maanden was ze ‘undercover agent under non-official cover’, de meest risicovolle spionnenjob bij de geheime dienst. Vanuit de Chinese stad Shanghai infiltreerde ze vermomd als kunsthandelaar terroristische netwerken in het Midden-Oosten en Azië. Tot ze in 2010 de CIA vaarwel zei. “Ik wou dat mijn dochter een gewoon leven kreeg.” In haar autobiografie Mijn leven undercover klapt ze uit de biecht over haar leven als spion.

Amaryllis Fox: “Het was een eenzame bezigheid en we waren allemaal piepjong. Daar was een goede reden voor: hoe ouder een undercoveragent is, hoe moeilijker het wordt een volledig nieuw personage te zijn. Hij of zij sleept dan te veel bagage mee. Een jonge pas afgestudeerde agent is ‘maagdelijk’. Eigenlijk waren wij toen nog kinderen. Maar we waren niet uniek. Want het blijft altijd onder de radar hoe jong sommigen zijn die op een of andere manier de koers van de wereld beïnvloeden. T.E. Lawrence was amper halverwege de twintig toen hij tijdens en na WO I de kaart van het Midden-Oosten hertekende. Eigenlijk is dat angstaanjagend.”

 

Kreeg u de zegen van de CIA voor dit boek?

“Daar mag ik niets over kwijt. Sommige zaken zijn weggelaten om identiteiten te beschermen. Er is ook een hoofdstuk waarin drie scènes verwerkt zijn tot één. Met die veranderingen kan ik leven, omdat ze niet essentieel zijn voor wat er echt gebeurd is.”

 

Het was niet uw meisjesdroom om geheim agent te worden?

“Nooit. Eerst wou ik journalist worden. Tot ik op een bepaald moment begon te dromen van een carrière als astronaut. Ik kreeg zelfs toelating voor de United States Naval Academy voor de studie lucht- en ruimtevaarttechniek. (lacht) In de plaats daarvan werd het de universiteit van Oxford waar ik theologie en internationaal recht ging studeren.”

 

Maar eerst trok u voor een jaar naar Thailand, waar u aan de grens met Myanmar vluchtelingen hielp opvangen.

“Ik was achttien en dat was een onvergetelijke ervaring. Toen besefte ik dat mijn echte roeping in de journalistiek lag. In Thailand raakte ik goed bevriend met politieke vluchtelingen uit Myanmar. We kregen het waanzinnige idee om oppositieleidster Aung Sang Suu Kyi te gaan interviewen. Zij leefde in ballingschap in haar eigen land, onder bewaking van militairen. Het lukte ons wonderwel om tot bij haar te geraken en die ontmoeting veranderde mijn leven. Ik was erg onder de indruk van die kleine, tengere vrouw die enkel met woorden het militaire regime de stuipen op het lijf joeg. Mijn ouders wisten niets van mijn bezoek aan Myanmar. Het was in het vroege najaar van 1999, toen je nog niet continu online was en pas om de paar weken met het thuisfront communiceerde in een internetcafé.”

 

Er hing een foto van Aung Sang Suu Kyi op uw slaapkamer. Vandaag deelt zij mee de lakens uit in Myanmar en is ze van haar sokkel gevallen. Hangt die foto er nog steeds?

“Ik heb hem omgedraaid; dat is mijn klein protest. Ik ben hard van haar houding tegenover de Rohingya-minderheid geschrokken. Ik vermoed dat zij vindt dat ze voorlopig geen andere keuze heeft dan deze ‘realpolitik’. Ze moet nog steeds rekening houden met de militairen. Wat niet wegneemt dat ik vreselijk teleurgesteld ben. Ik geloofde dat ze voor de vrijheid van àlle Myanmarezen vocht, en niet alleen voor haar eigen etnische groep.”

 

U stak de grens van Thailand naar Myanmar over samen met een Britse investeringsbankier. Jullie hadden valse papieren en waren zogezegd man en vrouw. Dat was uw allereerste undercoverrol?

“Zo zou je het wel kunnen noemen, ja. Ik kende die investeringsbankier exact anderhalf uur voor we samen als ‘man en vrouw’ naar Myanmar afreisden. We hadden heel dat scenario uitgedacht omdat het de beste manier was om een visum te krijgen. Ik speelde mijn rol moeiteloos. Ik groeide op in een gezin dat vaak van de ene plek naar de andere verhuisde. Mijn vader is Amerikaans en mijn moeder Brits. Als kind leerde ik me voortdurend aanpassen aan nieuwe omgevingen. Maar tijdens mijn trip naar Suu Kyi was het inderdaad de eerste keer dat ik mezelf om veiligheidsredenen vermomde. In mijn hoofd was ik toen geen geheim agent, maar onderzoeksjournalist. Die twee jobs verschillen trouwens niet zoveel van elkaar.”

 

Toen u in Oxford studeerde, werd u benaderd door drie mannen van een Britse geheime dienst. Ze wilden u rekruteren, maar vingen bot. Pakten ze het verkeerd aan?

“Ik weet nog altijd niet van welke geheime dienst ze precies waren, MI5, MI6 of GCHQ. Ze praatten iets te paternalistisch over de landen buiten het Westen. Ze leken zich superieur te voelen en wilden hun visie doordrukken. Dat stootte me af.”

 

Toen u niet veel later aan de universiteit van Georgetown in Washington DC verder studeerde en benaderd werd door een CIA-recruiter, zei u wel ja. Wat was het verschil?

“De aanslagen van 11 september 2001. Die dinsdagochtend was ik in Washington DC. Ik zag de rook boven het Pentagon nadat vlucht 77 zich daar had ingeboord. Mijn zusjes zaten er vlakbij op school en moesten geëvacueerd worden. Op de radio werd gezegd dat het oorlog was. Die aanslagen deden me terugdenken aan het grote trauma uit mijn jeugd. Ik was acht toen mijn allerbeste vriendin Laura samen met haar hele familie omkwam op de Pan Am-vlucht die door Libische terroristen boven het Schotse plaatsje Lockerbie werd opgeblazen. Dat was de allereerste keer dat ik met de dood geconfronteerd werd. Dat was ook de eerste keer dat ik het woord ‘terrorisme’ hoorde. Vanaf dan waren dood en terreur voor mij gelijk. Mijn vader zei: ‘Je moet de krachten begrijpen die Laura wegnamen, anders raak je erdoor overweldigd.’ Toen leerde hij me de krant The Times lezen. Aan de universiteit van Georgetown ging ik voor mijn thesis op zoek naar een manier om te ontdekken of een regio kans maakt ooit gebruikt te worden als terroristische uitvalsbasis. Ik spoorde werkelijk àlle gegevens over elke binnenlandse en buitenlandse aanslag van de afgelopen tweehonderd jaar op en bracht die in kaart. Daaruit leidde ik een algoritme af dat kan bepalen hoe waarschijnlijk het is dat er in een gebied tereuraanslagen worden voorbereid. Mijn thesis trok de aandacht van een man aan de universiteit die ook voor de CIA rekruteerde. Hij was nederig, stil en nieuwsgierig.”

 

Hij was geen macho?

“Helemaal niet. Het was een kleine man met een lange witte baard. Hij zag eruit als de kerstman. (lacht) Hij sprak verschillende talen en was zeer bezorgd over het leefmilieu en over bedreigde culturen.”

 

Was dat echt of gespeeld?

“Dat was heel echt, zo is hij. Hij was nooit underoveragent, maar is leraar en analist. Een eerlijke, ernstige kerel.”

 

Een beetje zoals Saul Berenson, de mentor van CIA-agente Carrie Mathison uit de serie Homeland?

“Ik heb ooit de allereerste aflevering gezien, maar die stond me niet echt aan. Mijn moeder is verzot op die reeks, dus misschien heb ik ze te snel afgeschreven. Ik haat de stereotiepe manier waarop vrouwen uit geheime diensten in films en reeksen worden afgeschilderd. Dat hoort waarschijnlijk zo bij entertainment.”

 

Uw boek wordt ook een reeks voor het nieuwe Apple tv+.

“Ja, en daar heb ik wel alle vertrouwen in. Mijn rol zal gespeeld worden door Brie Larson.”

 

Wou u van in het begin bij de CIA undercoveragent worden?

“Helemaal niet. Ik werkte als onderzoeker en verzamelde zoveel mogelijk informatie over terreurdreiging. Ik wist niets over dat speciale eliteprogramma, tot ze me er voor vroegen. Toen was het hek wel van de dam. Ik wou dolgraag aansluiten, want dat was het allerhoogste niveau voor een agent.”

 

Een van uw eerste opdrachten als undercoveragent-in-spe was onthoofdingsvideo’s bestuderen.

“We bekeken dezelfde video’s honderd keer na elkaar, op zoek naar kleine aanwijzingen waar ze gefilmd konden zijn. Dag in, dag uit. Emotioneel was dat zeer belastend. Soms vonden we iets, vaker vonden we niets.”

 

Niet veel later werd u naar een opleidingscentrum voor die elite-eenheid gestuurd. Zes maanden lang zat u op ‘The Farm’. Dat centrum heet echt zo?

“Tien jaar geleden toch nog, maar ik weet niet hoe het inmiddels geëvolueerd is. Vandaag is er veel meer technologie bijgekomen, waardoor die opleiding ingrijpend veranderd zal zijn. Ik leerde nog de technieken die stammen uit de Koude Oorlog, nu draait alles rond biometrie en gezichtsherkenning. The Farm lag toen op een gigantische afgelegen militaire basis, ergens in de staat Virginia.”

 

Vlakbij Langley waar het hoofdkwartier van de CIA gevestigd is?

“Nee. Ik mag niet zeggen waar precies. The Farm bestaat uit iets wat op een uit de kluiten gewassen dorp lijkt en er grenst een woud aan.”

 

De training bestond uit een half jaar lang rollenspellen?

“Ja. 24 uur op 24, zeven dagen lang zaten we in een fictie. Elke ‘diplomaat’, ‘terrorist’, ‘collega’ die ik daar tegen het lijf liep, werd gespeeld door een voormalige agent die trainer geworden was. Af en toe dacht ik wel eens om eruit te stappen, maar als researcher had ik zowat elke dag gezien wat de terreur van Al Qaeda wereldwijd aanrichtte. Ik wou begrijpen wat die mensen ertoe aanzette om terrorist te worden. En ik wou dat ook stoppen. Ik nam geen genoegen met het riedeltje zoals dat nog steeds in de media weerklinkt: ‘Ze haten ons omdat we vrij zijn.’ Daar koop je niets mee, want dat wil zeggen dat ze ons in de islamitische wereld voor eeuwig zullen haten. Mijn ultieme doel was: met die mensen een gesprek voeren.”

 

U was net bij de CIA aan de slag toen de Duitser Khaled el-Masri in 2003 in Macedonië door CIA-agenten ontvoerd werd en afgevoerd naar een gevangenis in Afghanistan. Daar werd hij maandenlang door uw collega’s gemarteld. Tot ze doorhadden dat ze de verkeerde Khaled el-Masri hadden gekidnapt. In plaats van een Al Qaeda-terrorist was deze man een brave huisvader met vijf kinderen.

“Ik vernam dat pas veel later via de media. Weet u wat een van onze grote problemen was? Onderling deelden we amper informatie met elkaar, waardoor er soms niet op tijd gecorrigeerd werd. Later lazen we dan in kranten of tijdschriften vreselijke verhalen over de zogenaamde CIA-renditions van gevangenen naar ‘black sites’ in Afghanistan.”

 

In januari 2005 berichtte The New York Times voor het eerst over het geval El-Masri. Sprak u daar toen over met uw collega’s?

“Ik heb nooit contact gehad met het ‘Enhanced Interrogation Program’ van de CIA. Tot de dag van vandaag ben ik ontzettend dankbaar dat ze me daar nooit voor vroegen. Ik werd dus nooit gedwongen om te zeggen: ‘Hier doe ik niet aan mee.’ Tijdens de lunch in de CIA-kantine werd er wel levendig over gediscussieerd. Sommigen vroegen zich terecht af of we met die ondervragingstechnieken niet de karakteristieken verloochenden van het land waarvoor we aan het vechten waren.”

 

Vlak voor u naar The Farm vertrok, verplichtte de CIA u met uw toenmalige vriend te trouwen.

“Hij wist niet dat ik bij de CIA werkte. Niemand wist dat, iedereen dacht dat ik voor een reguliere multinational aan de slag was. De CIA stelde me voor de keuze: trouw met je vriend, of laat hem in de steek. Hij was geen Amerikaans staatsburger en alleen daarom al ‘verdacht’. Ik mocht hem in principe zelfs niet eens zoenen. Trouwen was de enige manier om onze relatie in stand te houden, en vervolgens moest hij een leugendetectortest afleggen. Hij was in shock, maar bedekte alles toch met de mantel der liefde. Dat vond ik vertederend. (lacht)”

 

Na uw opleiding was uw flat leeg en was hij weg.

“Voor mij was dat een grote opluchting. Ik neem hem dat niet kwalijk, hij verdiende iemand die niet enkel geobsedeerd was door haar werk. Want dat was ik toen: volledig gefocust op mijn missie als CIA-undercoveragent. Er was niets anders.”

 

Uw collega Dan werd naar Afghanistan gestuurd om mensen te liquideren.

“Dat was tijdens de zogenaamde ‘surge’ in Afghanistan, de troepenversterking om het geweld te counteren. In The Farm werden we opgeleid om zonder wapens langzaam relaties op te bouwen met Afghanen, Irakezen of wie dan ook. De CIA ging er altijd prat op dat wapens in het inlichtingenwerk overbodig waren. Het is een echte schande dat collega’s zoals Dan in de nasleep van de invasie in Afghanistan naar het front gestuurd werden.”

 

Worden er nu nog CIA-agenten als doodseskaders ingezet?

“De elite-agenten die een opleiding op The Farm achter de rug hebben, worden nu niet meer gewapend in oorlogszones ingezet. Een halfjaarlijkse training op The Farm kost een fortuin. Het is een ongelooflijke verkwisting om net die agenten met hun uitzonderlijke vaardigheden het slagveld op te sturen. Daar heb je militairen voor nodig, en geen elite-undercoveragenten. De CIA heeft geleerd uit die fouten van het verleden. Het agentschap is bezig het paramilitaire af te stoten en keert terug naar haar core business: inlichtingenwerk.”

 

Ook onder de huidige president Donald Trump?

“De CIA heeft intussen wel geleerd politieke druk te weerstaan. De geschiedenis van de VS is een aaneenschakeling van turbulente tijden. Nu is er Trump, maar de jaren zestig waren ook best hevig met de oorlog in Vietnam. We vergeten snel en elke nieuwe generatie denkt dat haar problemen uniek zijn.”

 

Na uw opleiding in The Farm nam u een volledig nieuwe identiteit aan en vertrok u naar China.

“Ik mag daar niets over vertellen, ook al schrijf ik erover in mijn boek. Wat daarin beschreven staat, is gereviewed. Ik kan die gebeurtenissen niet opnieuw tegen u vertellen, want dan gebruik ik sowieso andere zinnen en krijg ik ernstige problemen met de CIA. Alles wat ik daarover tegen iemand zeg, is een overtreding, want heeft geen review ondergaan.”

 

Amaryllis Fox zwijgt en ziet de teleurstelling bij haar gesprekspartner. Ze schudt het hoofd en zegt: “U hebt mijn boek gelezen, ik hoef u dus ook niet te entertainen met wat u al weet.” In Mijn leven undercover vertelt ze, met de zegen van de CIA, hoe haar baas haar inlicht over wat haar nieuwe spionnenjob overzee zal inhouden. Ze schrijft: ‘Mijn cover behelst de vestiging van een Aziatisch kantoor voor de zaak, vertelt hij me, gericht op aanstormende kunstenaars door het hele Midden-Oosten. Tot nu toe heeft mijn fictieve carrière in de inheemsekunsthandel gefungeerd als smoes tegenover de douane en mijn vrienden en familie bij mijn korte uitstapjes naar het buitenland. Niemand heeft me er ooit meer dan twintig minuten lang vragen over gesteld. Maar in China gaat het om vierentwintig uur per dag en zal de handel net zoveel tijd gaan kosten als een echt bedrijf, waarbij ik ook nog ruimte zal moeten maken voor mijn spionagewerkzaamheden. Ik volg een week lang een spoedcursus MBA, waar ik onder meer leer hoe mijn boekhouding in elkaar steekt, mocht ik worden ondervraagd door de buitenlandse autoriteiten. Ik ontvang uitdrukkelijke instructies om geen enkel onderdeel van welke operatie dan ook in China zelf te ondernemen. Het wordt alleen een thuisbasis, hoewel ik er in principe wel van moet uitgaan dat ik bijna continu in de gaten zal worden gehouden. Alle spionageactiviteiten zullen in andere landen plaatsvinden, meestal onder mijn eigen naam maar soms onder een alias, wat vliegen naar een ander land betekent, mijn documenten wisselen en verder reizen naar de spionagebestemming met mijn fictieve identiteit. Het idee achter de non official cover is het wegblijven van de stank van het officiële domein, dus de documentenwissel kan niet in ambassades plaatsvinden. In plaats daarvan zijn we afhankelijk van de brush pass, een ongemerkte uitruil waarbij je een andere agent passeert op een bepaald tijdstip op een vooraf afgesproken plek – een tunnel of een steegje, dusdanig afgezonderd dat geen achtervolger de kans krijgt om te zien dat er documenten worden verwisseld terwijl we vlak langs elkaar lopen zonder onze pas te vertragen.’

 

Vlak voor u naar China vertrok, trouwde u met een andere undercoveragent. Jullie vestigden zich in Shanghai als kunsthandelaars en kregen er een baby. Dat was tezelfdertijd het échte leven en een undercoverleven?

“Hoe dichter undercoverwerk het echte leven benadert, hoe beter het rendeert. Mijn toenmalige man en ik speelden onze rol, maar de interacties tussen ons beiden waren echt. Als die fake zijn, lukt het nooit. De clou van goed undercoverwerk is authenticiteit.”

 

U kreeg uw opdrachten, uw man kreeg er andere, maar jullie wisten van elkaar niet waar jullie mee bezig waren. Jullie mochten er tijdens het avondeten zelfs niet over praten.

“We communiceerden tussen de lijnen door. Vrienden die mijn boek gelezen hebben, zeggen me: ‘Ik heb ook zo’n relatie.’ Soms is het verstandiger om lastige kwesties niet rechtstreeks te benoemen, maar er een beetje omheen te fietsen. Je weet dan allebei dat je niet over de gaarheid van de spaghetti aan het discussiëren bent, maar over iets totaal anders. (lacht)”

 

Hebt u als undercoveragent veel levens gered?

“Dat is zeer moeilijk in te schatten, en dat vind ik lastig. Je kan het heel snel verknoeien en dat merk je dan meteen als de aanslag wordt uitgevoerd. Maar je weet nooit wanneer je iets betekenisvols of goeds gedaan hebt. Ik ken de consequenties van mijn inlichtingenwerk niet. Tijdens mijn opleiding leerde ik met een Glock-pistool schieten. Ik heb dat later nooit in de praktijk moeten brengen.”

 

U zorgde ervoor dat een Hongaarse leverancier van Sovjetrestanten voor nucleair wapentuig informant van de CIA werd.

“Ja, maar niet alle bedreigen die zo gerapporteerd werden, bleken duizelingwekkend gevaarlijk te zijn. Informanten werden betaald, waardoor ze af en toe bedreigingen verzonnen. Of ze hadden ergens iets horen waaien dat totaal niet bleek te kloppen. Soms werden er wel eens zo’n Sovjetonderdelen aan een terreurgroep verkocht, maar die dingen waren gelukkig stokoud en van slechte makelij.”

 

Kijkt u na alles wat u als CIA-agent gezien en meegemaakt heeft nu met een bange blik naar de wereld?

“Nee, integendeel. Ik heb uren doorgebracht met mannen waarvan gezegd wordt dat ze monsters zijn. Ik heb ontdekt dat ook zij driedimensionele menselijke wezens zijn, net zoals u en ik. Als strijdend individu maakten ze zich vaak schuldig aan walgelijke daden. Maar ze zijn ook ouders, broers en zonen die op het verkeer sakkeren en niet graag belastingaangiftes invullen. Daardoor heb ik ook beter leren begrijpen waarom ze hun toevlucht nemen tot geweld. Dat geldt trouwens ook voor onze kant.”

 

Net zoals u hen als terroristen zag, beschouwden zij de CIA als een terroristische organisatie?

“Precies. We zijn allemaal tezelfdertijd banaal én gruwelijk. Zolang je niet begrijpt welke kleine, fragiele menselijke emoties die grote gewelddaden aandrijven, zal je ze nooit kunnen vermijden. Want het zijn schaamte, vernedering, angst of wrok die mensen afschuwelijk foute beslissingen laten nemen. Eens je dat doorhebt, kun je proberen ingrijpen. Misschien kun je je dan zelfs in hun gedachtenwereld inleven.”

 

Zelfs in die van Islamitische Staat?

“De cultuur van IS verschilt totaal van die van Al Qaeda. Maar de redenen waarom jonge mensen lid worden van IS of van Al Qaeda zijn dezelfde. Ze voelen zich machteloos en bij dat terreurnetwerk komen ze thuis. Dan zijn ze broeders onder elkaar, die samen vechten voor een hoger doel. Hebt u de film Joker gezien? Op een bepaald moment zegt de gewelddagige clown Arthur Fleck alias Joaquin Phoenix: ‘Niemand luisterde naar mij. Nú beginnen ze te luisteren.’ Net daarom grijpen mensen naar terreur.

 

Amaryllis Fox, Mijn leven undercover als topagente van de CIA, AmboAnthos, 272 blz, 20,99 euro

 

Bio

Amaryllis Fox

  • Geboren op 1 september 1980 in New York als Amaryllis Damerell Thornber.
  • Haar vader Edgar Thornber is economist en adviseerde Michael Gorbatschov en Margaret Thatcher.
  • Haar moeder Lalage Damerell is actrice.
  • Vandaag is ze programmamaker en vredesactivist.
  • Samen met haar derde man Bobby Kennedy III, kleinzoon van de in 1968 vermoorde presidentskandidaat Robert Kennedy, en haar twee kinderen leeft ze in Los Angeles.

 

(c) Jan Stevens

‘Escobar had een ego zo groot als Colombia’

Steve Murphy en Javier Peña werden door de Netflix-hitserie Narcos wereldberoemd als de jagers op Pablo Escobar. In hun autobiografie Manhunters rekenen de inmiddels gepensioneerde DEA-agenten af met de mythische status van de Colombiaanse drugsbaron. “Al zijn zogenaamde goede werken financierde hij met corruptie, drugshandel en moord.”

 

In Narcos werden de hoofdrollen van de twee Amerikaanse DEA-agenten Steve Murphy en Javier Peña vertolkt door de acteurs Boyd Holbrook en Pedro Pascal. De tv-reeks brengt in beeld hoe beiden van eind jaren zeventig tot begin jaren negentig op Pablo Escobar en zijn beruchte Medellín-drugskartel joegen. Bedenker, scenarioschrijver en regisseur José Padilha zocht in de aanloop van het eerste seizoen in 2015 contact met de inmiddels gepensioneerde échte manhunters Peña en Murphy. Hij praatte uitgebreid met hen en nodigde hen in de laatste aflevering van het tweede seizoen uit voor een amper opgemerkte cameo, met een toast van beiden op de dood van Escobar. Pas nu vertellen Steve Murphy en Javier Peña zelf het verhaal van de jacht op Escobar in hun autobiografie Manhunters. “Eigenlijk is het jammer dat we daar zo lang mee gewacht hebben”, vindt Javier Peña. “Escobar werd doodgeschoten op 2 december 1993 en in de jaren erna stonden wij gewoon niet stil bij het belang van onze rol om hem te vinden. Dat besef kwam pas toen we betrokken raakten bij Narcos. Ik wou nu dat we Manhunters al veel eerder geschreven hadden.”

Steve Murphy: “Toen Netflix onze medewerking vroeg, zei een vriend: ‘Zorg voor een clausule in jullie contract waarbij jullie het recht behouden zelf jullie leven te boek te stellen. Je weet nooit.’ Toen begon die eerste Narcos-serie met onze alter ego’s in de hoofdrollen, en dat was meteen een gigantische hit. We leerden een literair agent kennen: ‘De tijd is rijp voor jullie versie van de feiten.’ And here we are.”

 

Waarom gingen jullie ooit bij de politie?

Peña: “Ik ben geboren en getogen in Texas, niet ver van de Mexicaanse grens. Om mijn studies sociologie te bekostigen, vond ik een bijbaantje als hulpsheriff. Overdag studeerde ik en ’s nachts patrouilleerde ik in de straten van Laredo als ordehandhaver voor het sheriffbureau van Webb County.”

Murphy: “Ik groeide op vlakbij Nashville, Tenessee. Daar maakte ik als lagere schooljongen op een zomeravond voor het eerst kennis met een politiepatrouille in actie. Een van mijn vrienden raakte niet binnen in zijn eigen huis en we probeerden een slaapkamerraam open te prutsen. Een buur waarschuwde de politie en niet veel later werden we ‘aangehouden’ door twee agenten in uniform. Ik was daar danig van onder de indruk en ik wist meteen wat ik later wou worden: politieagent. Een paar jaar later verhuisden we naar de staat West Virginia. In 1975 nam ik op mijn 19e dienst bij de geüniformeerde politie. Ik genoot ervan een flik te zijn, elke dag van de zes jaar die ik bij het Bluefield Police Department diende. Alleen kreeg ik er een armzalig loon voor in de plaats. Ik was intussen getrouwd, gescheiden en had twee kinderen. Er moest dus brood op de plank en daarom stapte ik eind 1981 noodgedwongen over naar de veel beter betalende spoorwegpolitie. Mijn salaris verdubbelde, maar ik voelde me er doodongelukkig. Ik was niet bij de politie gegaan om een hele dag op een trein rond te lummelen. Ik wou boeven vangen en mijn ultieme droom was undercoveragent in het drugsmilieu. De VS werden in de jaren zeventig geteisterd door drugs zoals marihuana, heroïne en cocaïne. Ik zag de vreselijke verwoesting die ze bij talentvolle jonge mensen aanrichtten en mijn handen jeukten om daar iets tegen te ondernemen.”

 

Ook de handen van de toenmalige president Richard Nixon jeukten in 1973: toen richtte hij de Drug Enforcement Administration of DEA op. Met die nieuwe federale politiedienst verklaarde hij de oorlog aan de dealers én de gebruikers?

Murphy: “Begin jaren zeventig werd cocaïne steeds populairder. Nixon zat halverwege 1973 middenin het Watergate-schandaal en was wanhopig op zoek naar een bliksemafleider. Daarom verklaarde hij met veel aplomb een wereldwijde oorlog tegen drugs. Op 1 juli van dat jaar werd op bevel van de president de DEA boven de doopvont gehouden, het federaal bureau dat drugsgebruik inderdaad streng ging aanpakken en de drugssmokkel moest beëindigen. De DEA werd in de wandelgangen ‘The Single Mission Agency’ genoemd, omdat de focus enkel en alleen gericht was op de strijd tegen drugs.”

Peña: “Je mag ook niet vergeten welke ellende heroïne in die tijd aanrichtte. Die kwam vanuit de Gouden Driehoek in het verre oosten ons land binnen via Zuid-Frankrijk. De heroïne werd door de Siciliaanse maffia of de beruchte ‘French Connection’ vanuit de havenstad Marseille verscheept naar New York.”

 

Vandaag worden de VS geteisterd door synthetische drugs zoals crystal meth. In Manhunters vind ik daar geen spoor van terug.

Peña: “In de jaren zeventig en tachtig leken synthetische drugs nog niet zo’n immens probleem. Wij noemden ze ‘kiddie dope’. (lacht) De DEA concentreerde zich op heroïne en cocaïne en schonk geen aandacht aan die ‘onnozele’ verdovende middelen uit het labo. Dat was een vergissing.”

 

Hoe kwamen jullie bij de DEA terecht?

Peña: “In 1977 was ik bijna afgestudeerd als socioloog toen ik op het mededelingenbord van de faculteit een jobvacature voor de DEA zag hangen. Bij de sheriff van Laredo verdiende ik op dat moment 10.000 dollar per jaar. Geen vetpot, daarom was ik geïnteresseerd in die vacature. Al wist ik eerlijk gezegd toen niet eens wat de DEA was. (lacht) Zij betaalden 17.000 dollar en ik stuurde mijn sollicitatiebrief. Ik wou ook weg uit Laredo. Een van de wervingsslogans van de DEA was toen: ‘Kom bij ons werken en je zal de wereld zien.’ Het duurde een jaar voor ik aangenomen werd. Mijn plan was om er twee jaar te blijven, maar voor ik het goed en wel besefte, zwaaide ik pas dertig jaar later af.”

Murphy: “Mijn naaste collega bij de spoorwegpolitie had een tijdje als undercoveragent bij de DEA gewerkt. Tijdens onze nachtdiensten vertelde hij heroïsche verhalen. Ik solliciteerde, maar dat ging niet van een leien dakje. Pas na twee jaar werd ik eindelijk door de DEA aangenomen.”

 

U moest eerst een opleiding volgen aan de DEA Academy in Quantico, Virginia?

Murphy: “Ja, en die was niet van de poes. Na dertien weken keiharde training was ik twaalf kilo vermagerd. Daarna werd ik naar Miami gestuurd. Mijn grootste cocaïnevangst ooit in mijn twaalfjarige carrière als gewoon politieagent, was welgeteld 60 gram. Bij mijn allereerste zaak als DEA-agent in Miami, nam ik 400 kilo coke in beslag. Toen wist ik: mijn keuze voor de DEA was de enige juiste.”

 

Jullie werkten allebei undercover?

Murphu: “Ja, maar ik mengde me niet zo actief onder de producenten en dealers als Javier. De cocaïnetoevoer en handel was volledig in handen van Latijns-Amerikanen en hispanics. Als witte kerel zou ik heel snel door de mand vallen. In Miami hield ik me vooral bezig met rekrutering van informanten en het ondersteunende werk achter de schermen.”

Peña: “Ik heb Mexicaanse roots en thuis en op school spraken we Spaans. Ik begon mijn carrière als DEA-undercoveragent in de Texaanse hoofdstad Austin. Toen ik daar in 1984 toekwam, was ik de enige Latino-agent op het bureau. Ik werd dan ook meteen ingezet voor heel wat undercoverwerk. Iedereen denkt nu dat wij ook in Colombia als undercoveragenten actief waren om Pablo Escobar uit te schakelen, maar dat is niet zo. Wij waren daar als verbindingsagenten en werkten nauw samen met de Colombiaanse politie.”

 

Jullie schrijven met veel sympathie over de Colombiaanse politiemensen en noemen ze ‘de echte helden’ in de strijd tegen Escobar. In september 1989 verscheen in The New York Times een vernietigend artikel, waarin de Colombiaanse politie ervan beschuldigd werd zo corrupt te zijn als de pest. Ze zou zwaar geïnfiltreerd zijn door de drugsbaronnen.

Murphy: “Dat is precies een van die grote mythes die wij met dit boek willen doorprikken. Wij verhuisden naar de Colombiaanse hoofdstad Bogotá op vraag van de Colombiaanse Nationale Politie. Wij hebben ons nooit opgedrongen; het was hún verzoek hen te helpen in de jacht op Pablo Escobar.”

Peña: “Natuurlijk vonden wij dat een uitstekend idee. Wij hadden in die tijd kantoren over de hele wereld en wisselden informatie uit. Maar dat was de allereerste keer dat een land de hulp van de DEA inriep om samen actief op zoek te gaan naar een misdadiger.”

 

Eind jaren tachtig was Bogotá oorlogsgebied?

Peña: “Ik arriveerde er in 1988 en schrok van wat ik er aantrof. De handlangers van Escobar pleegden aanslagen en terroriseerden zowel Bogotá als de tweede belangrijkste stad Medellín. Vraag vandaag aan om het even welke volwassen inwoner van Bogotá hoe hij of zij zich de jaren voor en na 1990 herinnert, en je krijgt antwoorden als: ‘Mijn tante kwam om in een bomaanslag’, of: ‘Mijn oom werd neergekogeld op straat.’ Winkelcentra lagen er verlaten bij en het uitgangsleven was zo dood als een pier.”

 

Het was open oorlog tussen het Medellín-kartel en de overheid?

Peña: “Ja, en daar kwam nóg een oorlog bij tussen het Medellín-kartel van Escobar en het Cali-kartel. Escobar begon op een bepaald moment ook bommen te plaatsen in de auto’s van concurrerende drughandelaars.”

Murphy: “Maar de belangrijkste oorlog was toch die tussen Escobar en Colombia.”

Peña: “Zeker. Iedereen was een potentieel slachtoffer. Escobar en zijn handlangers vermoordden onschuldige mensen in supermarkten, winkels, op straat, in restaurants of cafés. De Zona Rosa-wijk in Bogotá stikt van de restaurants. Wij vermeden die buurt omdat daar continu bommen ontploften.”

Murphy: “De Colombiaanse bevolking werd zwaar geterroriseerd. Ik kwam op 16 juni 1991 toe in Bogotá. Drie dagen later gaf Pablo Escobar zichzelf aan bij de politie. Er is geen enkel verband tussen die twee feiten. (lacht) Bij de DEA wordt niemand zonder inspraak naar het buitenland gestuurd, je moet er je kandidatuur voor stellen. Zo vertrekken er alleen gemotiveerde agenten. Maar van zodra ik die 16e juni de internationale luchthaven El Dorado binnenliep, kreeg ik al spijt van mijn kandidatuur. Het leek net een grauwe sovjetbunker waar de chaos hoogtij vierde. Ik voelde me vreselijk geïntimideerd. Op dat moment wist ik nog niet dat ik ingeschakeld zou worden in de strijd tegen Escobar en zijn Medellín-kartel. Dat werd een dag later duidelijk toen ik voor het eerst kennismaakte met Javier en zijn partner Gary Sheridan. Javier en Gary waren op dat moment dé Medellín-experten in Colombia. Toen Gary promotie kreeg, werd ik Javiers vaste partner.”

 

Jullie hadden elkaar nooit eerder in de VS ontmoet?

Peña: “Nooit. Maar we werden snel hechte vrienden. Steve is zeer georganiseerd en ik ben een chaoot. We vullen elkaar dus perfect aan. (lacht)”

 

Op 19 juni ’91 gaf Escobar zich over. Jullie hadden dat niet zien aankomen?

Peña: “Niemand. De Colombiaanse regering ging akkoord met een overgave op zijn voorwaarden omdat ze zo veel mensenlevens kon redden. Hij mocht zijn zaakjes verder blijven runnen in de gevangenis, in zeer luxueuze omstandigheden. In ruil beloofde hij dat er geen bommen meer zouden ontploffen. Op dat moment vonden wij dat gruwelijke onzin. We waren daar echt kapot van, maar in werkelijkheid stopten de aanslagen ook. Nu weet ik: Baby, it was the best we could get.”

 

Escobar gaf zich over uit schrik voor een aanslag op zijn eigen leven?

Murphy: “De grond was hem te heet geworden onder zijn voeten. De regering bouwde op zijn kosten zijn gevangenis, bijgenaamd La Catedral, volledig naar zijn wensen: met een zwembad, jacuzzi, voetbalveld en luxueuze woonvertrekken. Hij mocht zijn trouwe handlangers en ‘bedienden’ meenemen naar binnen. De zware beveiliging moest zijn vijanden buitenhouden.”

Peña: “Op het moment van zijn overgave was niemand daarvan op de hoogte. Maar veel Colombianen namen daar achteraf vrede mee. Zij waren al lang blij dat de aanslagen stopten. Een belangrijk onderdeel van de deal was dat de overheid de handel van Escobar niet verder zou controleren. Hij had voor zichzelf dus een vrijgeleide onderhandeld om verder cocaïne te exporteren naar de VS. Hij bleef vanuit La Catedral orders uitdelen om concurrenten en in ongenade gevallen zakenpartners uit te schakelen of ontvoeren. Een jaar na zijn overgave moest zelfs de regering erkennen dat er behalve de bomaanslagen niet veel veranderd was. Ze besloten hem over te plaatsen naar een echte gevangenis, maar hij wachtte daar niet op, gijzelde een paar regeringsfunctionarissen en ontsnapte via een tunnel. Pas na Escobars ontsnapping zagen we de luxe waarin hij zich een jaar lang had gewenteld.”

 

U bracht toen de nacht door in Escobars bed. Waarom?

Peña: “Meteen na zijn ontsnapping kamden we La Catedral uit en een Colombiaanse kolonel zei: ‘Wedden dat je vannacht niet in Escobars bed durft slapen?’ Dat moest hij geen twee keer zeggen. (lacht) Eerlijk gezegd heb ik die nacht geen oog dichtgedaan. Boven Escobars bed stond een beeldje van de Maagd Maria. Ik lag naar dat beeldje te staren en dacht: ‘Die man heeft honderden doden op zijn geweten, en toch bad hij tot Maria.’ Al die drugsbaronnen geloofden in God en toch aarzelden ze niet om onschuldige mensen af te knallen.”

 

Was Pablo Escobar een psychopaat?

Murphy: “Volgens sommigen was hij een volbloed psychopaat. Anderen beweren dat hij een meervoudige persoonlijkheidsstoornis had. Nog anderen zien hem als een geniale ondernemer die in de verkeerde branche terechtgekomen is. Zij beweren dat hij ook in de bovenwereld minstens even rijk zou geworden zijn. Dat is volstrekte onzin, want zijn zakelijke model was gebouwd op terreur. ‘Als je niet doet wat ik zeg, maak ik je af.’ Hij had een ego zo groot als Colombia. Hij geloofde echt dat elke Colombiaan hem bewonderde en steunde. Dat was niet zo, maar in ’82 raakte hij wel verkozen tot plaatsvervangend volksvertegenwoordiger in het parlement. Hij droomde er zelfs van om president van Colombia te worden. Hij overschatte zijn ‘populariteit’ grandioos. Hij was niet populair; mensen waren doodsbang voor hem.”

 

Toch waren veel piepjonge Colombianen bereid hun leven voor hem op te offeren, zoals die jongen van 17 die in opdracht van Escobar tien agenten had doodgeschoten.

Peña: “Het verhoor van die jongen zit voor altijd in mijn geheugen gegrift. Hij kreeg 100 dollar per dode agent en gaf zijn loon bijna integraal aan zijn moeder. Hij zei dat Escobar hem een nieuw leven gaf in de krottenwijk waarin hij was geboren. Dankzij Pablo zaten ze niet langer in de goorste armoede. Ze hadden nu tenminste een koelkast, eten en een dak boven het hoofd. Die jongen was er zich heel goed van bewust dat de levensverwachting onder Escobars huurmoordenaars of sicarios amper 22 jaar was. Hij toonde geen greintje berouw over die tien dode agenten. Escobar had minstens 500 sicarios in dienst.”

 

Op 2 december 1993, de dag na zijn 44e verjaardag, werd hij in zijn onderduikadres in de wijk Los Olivos in Medellín door de Colombiaanse politie doodgeschoten.

Murphy: “Wij kwamen er toe meteen nadat hij gedood was. Luitenant Hugo Martínez van de Colombiaanse Nationale Politie was een crack in het uit de lucht plukken van radiosignalen. Op een dag hoorde hij een gesprek tussen Escobar en een van zijn secondanten. Hij kon de zender traceren en zo kwamen ze Pablo Escobar op het spoor. Martínez vertelde me achteraf hoe hij voor een rijhuis stopte en door het venster Escobar zag telefoneren. In het vuurgevecht dat daarop volgde, werd Escobar doodgeschoten. Daarom zijn de échte helden de inmiddels overleden luitenant Martínez en zijn collega’s van de Colombiaanse Nationale Politie.”

 

Volgens de zoon van Pablo Escobar schoot de drugsbaron zichzelf door het hoofd.

Murphy: “Leugens. Je moet maar eens surfen naar de foto’s die genomen zijn van het lijk van Escobar, niet lang nadat hij was doodgeschoten en op dat dak lag. Ik was de fotograaf. Er wordt beweerd dat hij zichzelf door het oor geschoten zou hebben. Als dat zo was, zou de huid rond het oor brandwondjes moeten hebben. Als je van dichtbij een kogel afvuurt, vliegen er restjes buskruit in je gezicht. Bekijk de foto’s maar eens goed, je zal geen brandwonde aantreffen. Hij pleegde geen zelfmoord.”

Peñas: “Zijn dood zorgde voor een uitbarsting van vreugde, maar ook voor verdriet. Want veel arme Colombianen zagen Pablo paradoxaal genoeg als hun redder. Ik kom er nog regelmatig en zelfs vandaag denken ze met weemoed aan hem terug. Ze geloven dat hij een sympathieke Robin Hood was die stal van de rijken en gaf aan de armen. Maar al zijn zogenaamde goede werken financierde hij met corruptie, drugshandel en moord. Op 27 november 1989 liet hij een passagiersvliegtuig opblazen: 107 passagiers en bemanningsleden vonden de dood. Zo wou hij een paar politie-informanten die aan boord waren uit de weg ruimen. Duizenden onschuldigen vermoordde hij. Erg sympathiek was dat niet.”

 

Steve Murphy & Javier Peña, Manhunters – Onze jacht op Pablo Escobar, Kosmos Uitgevers, 416 blz., 20 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Het leek net een gevangenis’

Vijf weken lang ging journalist Jeroen van Bergeijk undercover in het distributiecentrum van webwinkel bol.com. ‘Met malafide huisvesting van goedkope werkkrachten wordt bakken geld verdiend’

De Nederlandse journalist Jeroen van Bergeijk las ontluisterende verhalen over de arbeidsomstandigheden in de Britse en Amerikaanse magazijnen van webwinkel Amazon. ‘De werknemers staan er onder extreem zware druk’, zegt hij. ‘Zo beschrijft de Britse journalist James Bloodworth in zijn boek Hired hoe ze strafpunten krijgen als ze ziek zijn, te laat komen of hun doelen niet halen. Van zodra ze een bepaald aantal punten verzameld hebben, vliegen ze eruit. Tijdens de werkuren mogen ze zelfs niet naar het toilet, waardoor sommigen noodgedwongen in plastic flessen plassen.’

Die keiharde werksfeer stond haaks op het coole imago dat Amazon bij Van Bergeijk had. ‘Ik bestelde al jaren online boeken bij the world’s largest bookstore. Ik ben ook een regelmatige shopper bij andere webwinkels, net zoals 96 procent van de Nederlanders van vijftien en ouder, en 89 procent van de Belgen.’ In 2018 voerden die Nederlanders 240 miljoen onlinebestellingen in en de Belgen 97 miljoen. In vergelijking met een jaar eerder vertegenwoordigde dat een groei aan online-uitgaven van 19 procent in Nederland en 12 procent in België. ‘Ik vroeg me af wat de gevolgen van onze collectieve verslaving aan internetshoppen zijn voor de werksfeer bij bol.com, “de winkel van ons allemaal”.’

Dus solliciteerde Jeroen van Bergeijk voor een job als magazijnier. Vijf weken lang ging hij undercover in het distributiecentrum van bol.com in het Nederlandse Waalwijk. In zijn boek Binnen bij bol.com brengt hij verslag uit van zijn korte loopbaan bij de webwinkel en van zijn verblijf op vakantiepark De Droomgaard, waar veel Oost-Europese werknemers van het distributiecentrum wonen.

Jeroen van Bergeijk: ‘De voorbije jaren schoten langs de Nederlandse snelwegen de grote anonieme distributiecentra als paddenstoelen uit de grond. Vooral in onze provincies Brabant en Limburg staat het ene raamloze gebouw naast het andere. Het zijn net immense dozen en je kan niet zien wat er binnen gebeurt. In Noordwest-Europa is Nederland kampioen in dat soort distributiecentra. Volgens de laatste tellingen staan er hier 1999 stuks.’

 

België ligt voor grote webwinkels strategisch even interessant als Nederland, en toch delven wij het onderspit. Hoe komt dat?

Van Bergeijk: Omdat jullie lonen hoger liggen, maar ook omdat nachtwerk in België strenger gereguleerd is. ‘Vóór 23.59 uur besteld, morgen in huis’, kunnen Belgische webwinkels veel moeilijker garanderen dan Nederlandse. De flexibilisering van de arbeidsmarkt is bij ons meer doorgeschoten dan bij jullie. Nederland staat traditioneel ook heel sterk in logistiek, transport én in handeldrijven. Internationale bedrijven kiezen daarom vaak voor dit land. Ze bouwen hun distributiecentra aan de Belgische grens om zo ook makkelijk jullie te kunnen bedienen. Volgens de Ecommerce Foundation winkelt liefst 56 procent van de Belgen online over de grens, meer bepaald in Nederland. Het magazijn van bol.com beslaat 42.000 vierkante meter, of acht voetbalvelden, en staat in een bedrijvenpark in Waalwijk, vlakbij de autosnelweg. Het ligt op een boogscheut van de Efteling en een half uurtje rijden van de grens.

 

Het magazijn zelf is toch geen eigendom van bol.com?

Van Bergeijk: Dat klopt, via uitzendkantoor Tempo-Team werkte ik voor Ingram Micro, het bedrijf dat voor bol.com de logistiek verzorgt. En toch blijf ik consequent zeggen: bol.com. Ze nemen er de verantwoordelijkheid niet voor, terwijl ik in de retourafdeling enkel pakjes van bol.com zag passeren. De officiële uitleg voor die opsplitsing is dat bol.com doet waarin het goed is: de webwinkel, en dat Ingram Micro zich bezighoudt met zijn specialiteit: de logistiek.

 

U bent 52 en werd probleemloos aangenomen.

Van Bergeijk: Laat het een geruststelling zijn dat je als werkloze vijftigplusser toch nog bij bol.com aan de slag kunt. Voor ik het goed en wel doorhad, was ik al aangenomen. (lacht) Het uitzendbureau organiseerde in het najaar van 2018 een ‘open dag’ bij Ingram Micro. Ik vond die ‘open dag’ een goede gelegenheid om dat magazijn te verkennen en had niet door dat het in werkelijkheid een sollicitatie was. Na de rondleiding vroegen ze: ‘Wanneer kun je beginnen?’

 

U verdiende 10 euro bruto per uur, 80 cent boven het Nederlandse minimumloon.

Van Bergeijk: Het is slecht betaald werk, in niet al te beste arbeidsomstandigheden. Daarom ook tref je er amper Nederlanders aan.

 

Klopt mijn indruk dat Ingram Micro en bol.com liefst geen Nederlandse werknemers hebben?

Van Bergeijk: Officieel willen ze dolgraag Nederlanders in dienst nemen, de werkelijkheid is anders. Ik stond op twee afdelingen: bij de retouren en orderpicking. Op de afdeling retouren werkten enkel mensen die Nederlands spraken. Zij moesten kunnen lezen waarom mensen een artikel terugstuurden. Maar dat eilandje is niet representatief voor de rest van het bedrijf. De afdeling orderpicking is dat wel: 95 procent is arbeidsmigrant. De meesten komen uit Oost-Europa.

 

Volgens de overheid zorgen flexibiliteit en lage lonen ervoor dat ook laaggeschoolden aan de slag kunnen.

Van Bergeijk: Dat klinkt leuk, maar in de praktijk klopt het niet. Distributiecentra zoals Ingram Micro worden gebouwd op plaatsen die alleen met de auto toegankelijk zijn. De werktijden zijn zo flexibel dat een normaal sociaal leven onmogelijk is. Nederlanders willen daar niet werken. Dus importeren ze goedkope arbeid uit Oost-Europa. Natuurlijk hebben die mensen recht op werk, maar dat was niet de bedoeling van de door de overheid toegelaten flexibiliteit. De uitzendbureaus en de bazen van bol.com beweren dat die arbeidsmigranten na verloop van tijd allemaal terugkeren. Dat blijkt niet uit de statistieken. Een derde keert na zes maanden terug, een derde blijft langer en het laatste derde wil zich hier permanent vestigen.

 

Als die mensen integreren, is er toch geen probleem?

Van Bergeijk: Dat is zo, en in Europa mogen mensen vrij bewegen. Maar toch is er bij de Nederlandse bevolking, en misschien ook bij de Belgische, groeiende bezorgdheid over het aantal Oost-Europeanen dat hier neerstrijkt. Dat kan best ten onrechte zijn, maar een van de redenen waarom Britten voor de brexit stemden, was net de angst voor Oost-Europa. ‘Ze pikken onze banen in.’ Je hoort daar nu ook echo’s van bij ons.

 

U ging in de buurt van Waalwijk op zoek naar een tijdelijke woonst en kwam terecht in een chalet in ‘De Droomgaard’ in Kaatsheuvel, bijgenaamd de ‘bol.com-camping’.

Van Bergeijk: Ik verwachtte de grootste misstanden te zullen aantreffen op de werkvloer, maar dat was minder erg dan gedacht. Het échte schandaal is de huisvesting van de mensen die bij bol.com aan de slag zijn. Het is sowieso lastig om in Nederland een huis te vinden, maar voor arbeidsmigranten is het nog iets moeilijker. Zij komen op de rottigste plekken terecht, zoals aftandse vakantieparken, campings en de zogenaamde Polenhotels. Dat zijn kantoorgebouwen die uitzendbedrijven verbouwd hebben tot tijdelijke woonruimten. De huur wordt door het uitzendkantoor ingehouden van het salaris en met die malafide huisvesting wordt bakken geld verdiend.

Het is een kwalijke zaak dat zowel werk als onderdak geregeld wordt door één en dezelfde partij. De meeste werknemers bij Ingram Micro, maar ook bij vele gelijkaardige distributiecentra, zijn van Poolse origine. Het Nederlandse uitzendbureau heeft in Polen een vestiging en rekruteert mannen en vrouwen met de belofte dat ze in Nederland goed betaald zullen worden. ‘Je zal veertig uur moeten werken en wij zorgen voor een huis.’ Het uitzendbureau huurt vervolgens chalets op een vakantiepark en stoppen die vol Poolse werkkrachten. Van zodra een Poolse werknemer ontslagen wordt, wordt hij onmiddellijk uit zijn ‘huis’ gezet. Veel mensen worden zo dakloos. Wie niet ontslagen wordt, blijft compleet afhankelijk van het uitzendbureau.

 

U schrijft dat er een parallelle, ‘onzichtbare’ samenleving is ontstaan.

Van Bergeijk: Dat is niet alleen zo in Nederland, maar in heel West-Europa. Duizenden Oost-Europese arbeidsmigranten komen in de problemen op het moment dat ze door hun werkgever gedumpt worden en tezelfdertijd hun huis verliezen. Sommigen zaten al in een moeilijke situatie thuis in Polen, maar hier in Nederland zijn ze dan nog eens volledig afgesneden van vrienden en familie.

 

U maakte niet bekend dat u journalist bent. Volgens de journalistieke deontologie is undercoverjournalistiek pas toegestaan als informatie niet op een andere manier verkregen kan worden en het maatschappelijk belang dat verantwoordt. Dat was nu zo?

Van Bergeijk: In principe ben ik het eens met de regel dat je jezelf altijd als journalist bekend maakt. Maar door scha en schande heb ik geleerd dat ik dan niet altijd het hele plaatje krijg. Ik vind het ook belangrijk om iets zelf aan den lijve te ervaren. Zo kan ik een beter verhaal schrijven. Dat lukt alleen undercover. Dit is niet mijn eerste undercoveroperatie; ik was eerder chauffeur bij Uber. Ik solliciteer altijd onder mijn eigen naam en plak geen valse snorren op. Ik laat wel dingen weg uit mijn CV.

 

’s Morgens moest u aan de ingang van het magazijn al uw bezittingen in een kluisje achterlaten en ’s avonds moest u door een bodyscanner.

Van Bergeijk: Je mocht niets mee naar binnen nemen, want al die spullen verkopen zij ook. Geen horloge, telefoon, petje, halsketting, hoofddoek, ring of piercing. We kregen een soort uniform: een zwart T-shirt. De baasjes boven ons droegen een groen T-shirt. De baasjes boven hen hadden dan weer een andere kleur, en zo kon je aan de kleur van het shirt zien wie waar in de hiërarchie zat. Die bodyscanner vond ik vernederend. Ze bespeurden dan een propje papier in je broekzak en vervolgens moest je al je zakken leegmaken. ’s Avonds stonden we voor die controle eindeloos in de rij. Het leek net een gevangenis.

 

Beleefde u zware tijden op de afdeling retouren?

Van Bergeijk: Ik trof daar geen wantoestanden aan zoals bij Amazon. Ik mocht zoveel naar het toilet als ik wou, de werkdruk viel mee en de rechtstreekse bazen waren best aardig. Maar ik stond te kijken van de hoeveelheid pakjes die bol.com terugkrijgt. De klanten retourneren gigantisch veel.

 

Volgens bol.com wordt amper 4,7 procent van de verkochte artikelen geretourneerd.

Van Bergeijk: Mijn ervaring is dat het veel meer is, maar natuurlijk is dat enkel gebaseerd op wat ik op mijn plek te verwerken kreeg. Bol.com beweert dat de meeste geretourneerde goederen zo de schappen weer in kunnen. Dat is niet zo. Ik vond het ontluisterend hoe consumenten op grote schaal de webwinkel proberen tillen, en er nog makkelijk mee wegkomen ook. Binnen dertig dagen mag je elke aankoop terugsturen. Er worden geen vragen gesteld en je krijgt zo je geld terug. Ik trof stofzuigers met propvolle zakken aan. Klanten stofzuigden er een maand mee en stuurden hem net voor de vervaldatum terug. Ik zag schuurmachines vol bouwstof. Er kwamen seksspeeltjes binnen die na intensief gebruik niet gereinigd waren. Of bladblazers in dozen waar de herfstbladeren uit dwarrelden. Ik zou wel eens willen weten wie die mensen zijn.

 

U was één van hen.

Van Bergeijk: Jawel, maar dat was omdat ik niet kon geloven dat je daarmee kon wegkomen. Dus bestelde ik een scheerapparaat bij bol.com, scheerde me daar een week mee, en stuurde het inclusief baardhaartjes terug. Een paar dagen later werd het aankoopbedrag netjes teruggestort. De werkschoenen die ik bij bol.com kocht om bij bol.com te werken, stuurde ik na een maand ook terug. Die werden ook keurig terugbetaald. (lacht)

 

U ging regelmatig bij uw collega ‘Moeilijke Gevallen’ klagen over retouren die er volgens u frauduleus uitzagen, maar u ving bijna altijd bot.

Van Bergeijk: Als je een dure iPhone koopt en een week later het lege doosje terugstuurt, krijg je je geld niet terug. Dat is onbetwistbaar fraude. Maar er waren heel wat grensgevallen die zonder verpinken aanvaard werden. Zo kreeg ik op een dag een speelgoedracebaan op mijn tafel waarin de auto’s van Max Verstappen en Lewis Hamilton de hoofdrol speelden. De doos was gehavend en de onderdelen waren er van ver in gegooid. Het autootje van Max Verstappen ontbrak. Een overduidelijk geval van diefstal vond ik, dus stapte ik naar ‘Moeilijke Gevallen’. Mijn collega checkte de prijs: 44,99 euro. ‘Voor alles onder 50 euro schakelen we de fraudeafdeling niet in’, zei ze. Retour aanvaard en de doos vertrok richting opkoper. Als eerlijke burger vond ik het demotiverend dat mensen daarmee wegkomen.

 

Zowat alle geretourneerde producten verdwijnen richting ‘opkoper’. Wie is dat?

Van Bergeijk: Dat zijn bedrijven, gespecialiseerd in het opkopen van afgeschreven troep van webwinkels. Vandaag is dat aan het uitgroeien tot big business. Nederlanders zijn schaatsgek en van zodra het begint te vriezen bestellen ze schaatsen bij bol.com. Net geen dertig dagen later sturen ze hun schaatsen terug. Het aankoopbedrag wordt teruggestort en de gigantische hoeveelheid flink ingereden schaatsen vertrekt voor een spotprijs richting opkoper. Hij verkoopt ze door via sites als Marktplaats.nl.

Bol.com is niet de enige webwinkel die gratis retourneren aanbiedt. Ze doen het quasi allemaal en het levert onwaarschijnlijk veel verspilling op. Bij sommige winkels wordt de helft, of zelfs meer, teruggestuurd.

 

U wou orderpicker worden, terwijl u het relatief goed had bij de retouren.

Van Bergeijk: Retouren bleek een eilandje te zijn van Nederlanders die het onderling netjes geregeld hadden. Ik merkte dat het er bij orderpicking iets minder leuk aan toeging. Dus deed ik mijn uiterste best om overgeplaatst te worden. Maar dat viel niet mee. Ze vonden het raar dat ik dat per se wou. ‘Orderpicking is toch niets voor jou?’ Uiteindelijk lukte het, en de sfeer was totaal anders. De bazen waren Polen of andere Oost-Europeanen. Er werd keihard gewerkt en de druk lag extreem hoog. Elke dag hingen er lijsten uit met de scores van de vorige dag: hoeveel producten je had ‘gepickt’ en je ratio. Gemiddeld moest je drie items per minuut halen. Bovenaan prijkten altijd Poolse namen, met scores tussen de 3 en de 5. Mijn beste score ooit was 1,4.

 

Hingen daar consequenties aan vast?

Van Bergeijk: Dat vroeg ik aan mijn collega’s. De meeste mensen die er wat langer werkten, haalden hun targets. ‘Je moet wel heel dom zijn als je dat niet lukt’, zeiden ze. Tja, ik haalde ze dus niet. (lacht) Ik heb er niet lang genoeg gewerkt om te weten te komen wat de consequenties zouden kunnen zijn. Het verloop was enorm hoog en er hing een angstige sfeer. ‘Doorlopen, doorlopen, sneller, sneller…’ We wisten nooit van tevoren wanneer en hoe lang we moesten werken. Soms was het van zes tot twee, gevolgd door een dag van twaalf uur. Het werkschema veranderde continu, waardoor je in je privéleven niets meer geregeld kreeg. Op zaterdagochtend wist je pas hoe de volgende maandag eruitzag. Uitblinkers kregen na verloop van tijd een vast contract en een min of meer werkbaar uurrooster, maar zij waren de uitzonderingen. De ‘flexibele schil’ zoals dat in Nederland met een eufemisme heet, is bij bol.com compleet doorgeslagen.

 

Het is het wilde westen?

Van Bergeijk: Ja. De filosofie is: ‘Als morgen de zon schijnt, bestelt iedereen barbecues en hebben we meer mensen nodig.’ Het onlinekoopgedrag is zo grillig dat complete flexibiliteit blijkbaar een absolute noodzaak is. Dat heeft natuurlijk ernstige gevolgen voor de mensen die er werken.

Weet u waar ik me het meest zorgen over maak? Over het feit dat we door de digitalisering nu continu op het werk in de gaten worden gehouden. Als Uber-chauffeur kreeg ik voor elk ritje een beoordeling van de klant. De cijfers die zij me gaven, hadden meteen gevolgen voor mijn inkomen. Toen mijn rating zakte, kreeg ik geautomatiseerde mailtjes van Uber. ‘Als het niet snel beter wordt, mag je vertrekken.’ De klant was mijn supervisor. Ook bij Ingram Micro werd alles geregistreerd en in de gaten gehouden. Het gevolg is dat mensen zich als robotten beginnen gedragen.

 

Wat natuurlijk de bedoeling is.

Van Bergeijk: Precies. Ik begrijp waarom, want alles moet zo efficiënt mogelijk. Het verzenden van een pakje mag zo goed als niets kosten, dus moet er snel en foutloos gewerkt worden. Liefst tegen het laagst mogelijke loon, want de prijs moét gedrukt worden. Ik vraag me alleen af of extreme controle ook echt iets oplevert. De gevolgen voor de werknemers zijn niet van de poes. Ik geloof dat mensen juist beter presteren als ze verantwoordelijkheid krijgen en niet continu op de vingers worden gekeken.

 

Maar het uiteindelijke doel is: ze vervangen door echte robots.

Van Bergeijk: In die fase zijn we inderdaad aanbeland. De kostprijs voor menselijke arbeid blijft min of meer gelijk, die voor robotarbeid daalt. In sommige branches zijn robots inmiddels goedkoper en daar is de vervanging volop bezig. De bazen bij Uber zeggen luidop: ‘Wij werken aan de zelfrijdende auto. Mensen moéten eruit.’ Zo’n samenleving wil ik niet.

 

Jeroen van Bergeijk, Binnen bij bol.com, Querido Fosfor, 136 blz., 15 euro

 

Jeroen van Bergeijk

1967 Geboren in het Nederlandse Naaldwijk

1995 studeert af in sociale geografie, sociologie, communicatiewetenschap en journalistiek

1996-2002 werkt als journalist in New York

2003 debuteert als schrijver met U.S.1 – Amerika na 11 september en maakt sindsdien reportages en documentaires voor de Nederlandse radio en televisie,

2018 ging undercover bij Uber als chauffeur en schreef daarover Uberleven (2018)

 

Bol.com reageert: ‘Veel mensen kiezen bewust voor flexibiliteit’

‘We hebben niets te verbergen’, zegt Marjolein Verkerk, woordvoerster van bol.com. ‘Na zijn undercoveroperatie hebben we met Jeroen van Bergeijk een goed gesprek gevoerd. Hij geeft toe dat de arbeidsomstandigheden veel beter zijn dan hij had verwacht.’

 

Een van zijn bevindingen is dat de flexibiliteit in jullie magazijn doorgeslagen is.

Marjolein Verkerk: Veel mensen kiezen net bewust voor dit werk vanwege de flexibiliteit. Dat is hen op voorhand bekend.

Het fysieke werk in een distributiecentrum is niet hetzelfde als een administratieve kantoorjob. Onze werknemers krijgen geen hogere targets opgelegd dan nodig.

 

Er werken voornamelijk Oost-Europeanen.

Verkerk: Er werken dertig verschillende nationaliteiten. We zoeken eerst altijd mensen die in de buurt wonen. Als dat niet lukt, kijken we verder in Nederland én in België. Pas dan zoeken we in andere delen van Europa. Daar kunnen ook Oost-Europeanen bij zijn. De werknemers in ons magazijn zijn niet in dienst van bol.com. We werken daarvoor samen met Ingram Micro; zij sturen de dagelijkse logistieke operaties aan en zorgen voor alle personeel, waaronder uitzendkrachten.

 

Buitenlandse uitzendkrachten krijgen onderdak op campings?

Verkerk: De huisvesting verloopt via Ingram Micro en de uitzendkantoren. Zij kunnen u meer vertellen over de details. Het kan zijn dat mensen tijdelijke woonruimte krijgen. Dat hangt af van de afspraken die met hen gemaakt worden.

 

Jeroen van Bergeijk noemt het een kwalijke zaak dat zowel werk als onderdak geregeld wordt door één en dezelfde partij. De huur wordt rechtstreeks van het loon afgehouden. Als iemand ontslagen wordt, is hij meteen zijn huis kwijt. Vindt bol.com die regeling oké?

Verkerk: We spreken daar regelmatig over met onze partners én met de gemeente Waalwijk. We vinden het belangrijk dat er bij de huisvesting op een juiste manier met mensen wordt omgegaan. We houden dit dan ook kritisch in de gaten.

 

Volgens Van Bergeijk zorgt het toeschietelijke retourbeleid van bol.com voor verspilling.

Verkerk: Bij ons komen echt maar enkele procenten retour. Maar als je tien miljoen klanten hebt, zijn dat natuurlijk veel pakketten. Gemakkelijk retourbeleid is voor veel mensen een voorwaarde om online te kopen. Naar een fysieke winkel mag je ook producten terugbrengen als je niet tevreden bent. Alles wat bij ons terugkomt, wordt niet verspild en verdwijnt in de voorraad. Dozen die wel zijn opengemaakt, gaan naar een partner die tweedehands verkoopt, of schenken we aan een goed doel.

 

(c) Jan Stevens