‘Een lockdown versterkt vooral de angst’

TegnellDe Amerikaanse NGO International Center for Journalists (ICFJ) organiseerde een online-vragenuur met de Zweedse staatsviroloog Anders Tegnell. Geregistreerde journalisten konden hem vragen voorleggen over zijn controversiële aanpak van de coronacrisis. ‘Een kwart van de Zweden is immuun.’

 

Anders Tegnell staat ons te woord vanuit zijn auto op een parkeerplaats ergens in Stockholm. We vragen hem wat hij vindt van de striemende kritiek van Nele Brusselaers, Belgische epidemiologe aan het Karolinska Institutet. Volgens haar stevent Zweden door de ‘non-aanpak’ van staatsviroloog Tegnell full speed af op een catastrofe. ‘Zij behoort tot een kleine groep wetenschappers die al van in maart hardnekkig beweert dat door mij het Zweedse gezondheidssysteem zal imploderen’, antwoordt hij. ‘In een paar weken tijd zouden er tienduizenden doden vallen. Geen enkele van hun voorspellingen kwam uit. Integendeel, we evolueren steeds meer in de juiste richting. In de VS en Groot-Brittannië werden ook modellen voor Zweden uitgetekend met honderden keren meer besmettingen en doden dan in de werkelijkheid. Allemaal sloegen ze de bal mis.’

 

Waarom ging Zweden niet in lockdown?

Anders Tegnell: Zoals altijd in zaken van volksgezondheid gingen wij van in het begin van de epidemie het gesprek met de Zweedse bevolking aan. Dat is precies ook wat de wet ons voorschrijft. We hebben er veel vertrouwen in dat onze landgenoten hun verantwoordelijkheid nemen. Dankzij onze aanpak hielden we de besmettingen onder controle en bleven de gezondheidsdiensten overeind. We stonden nooit onder druk om iets anders uit te testen. We namen veel kleine maatregelen: zo verboden we eerst bijeenkomsten van meer dan 500 mensen en stelden dat later bij tot 50. Italië en Oostenrijk hadden ons geleerd dat restaurants grote besmettingshaarden zijn, dus probeerden we de kans op besmetting in de horeca zo klein mogelijk te houden. We wilden geen lockdown, maar kozen ervoor het besmettingsrisico te minimaliseren. Dat heeft als consequentie dat besmetting niet stopt, maar wel beheersbaar wordt. Ons gezondheidssysteem stond tijdens deze pandemie op geen enkel moment onder druk. Minstens 20 procent van alle ziekenhuisbedden bleef onbezet.

We hadden het trage begin van de epidemie snel in de gaten. Veel landen misten de start en schrokken pas wakker op het moment dat er te veel zieken waren om de epidemie nog onder controle te krijgen. Wij zagen de epidemie op ons afkomen tijdens onze verspreid georganiseerde lentevakantie, samen met de terugkerende reizigers. Stockholm is het zwaarst getroffen; dat komt omdat de lentevakantie van de hoofdstad toevallig samenviel met de grote uitbraken in Centraal-Europa. We hebben toen meteen zeer veel teruggekeerde vakantiegangers getest.

 

Toch telt Zweden inmiddels meer dan 3000 doden. In uw buurlanden met strikte lockdowns ligt de dodentol flink lager: in Denemarken vielen zes keer minder doden en in Noorwegen en Finland zijn het er een paar honderd.

Tegnell: De belangrijkste verklaring voor onze vele doden is de grote sterfte in de woonzorgcentra. De Zweedse rusthuizen worden zo goed als uitsluitend bevolkt door stokoude, zwaar zieke mensen. Ongeveer 70.000 hoogbejaarden leven er samen. Als het virus in zo’n rusthuis binnendringt, is de dodentol immens. In Stockholm raakten jammer genoeg nogal wat woonzorgcentra besmet. Meer dan 50 % van onze doden komt uit die centra.

 

De rusthuizen waren slecht op een epidemie voorbereid?

Tegnell: Het was inderdaad al lang geweten dat ze niet voorbereid waren op de uitbraak van een besmettelijke ziekte. De kwaliteit van de zorg in veel woonzorgcentra laat te wensen over, zeker in de regio Stockholm. Het aantal besmettingen is er nu langzaam aan het afnemen, net als het aantal doden. Niet alleen in de hoofdstad, maar over het hele land. Dat valt nog niet in de officiële cijfers op, omdat er vertraging zit in de rapportering.

 

Zullen landen die snel in totale lockdown gingen de volle rekening van de dodentol pas gepresenteerd krijgen tijdens hun exitstrategie?

Tegnell: Dat weet niemand. Wat ik wél weet, is dat in onze scandinavische buurlanden en in bijvoorbeeld Oostenrijk nu slechts 1 à 2 procent van de bevolking immuun is, terwijl de groepsimmuniteit in Zweden 25 procent bedraagt. Dat wil zeggen dat wij meer van de weg hebben afgelegd. Als 99 procent van je bevolking door een lockdown tijdelijk aan corona ontsnapt, wordt het in de toekomst heel moeilijk om nieuwe grote golven de baas te kunnen. Want met welke maatregelen moet je dan ingrijpen?

Elke dag opnieuw houden wij de besmettingen onder controle, terwijl onze samenleving open blijft. We leggen de nadruk op social distancing en, zeker voor onze bejaarden, op het limiteren van sociale contacten. We raden hen aan toch voldoende buiten te komen, maar drukke omgevingen te vermijden. De buitenlucht is gezond en als je voldoende afstand houdt, kun je zo ook anderen ontmoeten.

 

U blijft vasthouden aan het principe: zolang er geen vaccin is, moet groepsimmuniteit ons beschermen?

Tegnell: We moeten er ons goed van bewust zijn dat we later zullen vaccineren voor een niet al te gevaarlijke ziekte. 99,9 procent van de jonge gezonde bevolking sterft niet aan covid-19. Dit is geen ziekte met een mortaliteit van 15 procent. Wat meteen ook wil zeggen dat een vaccin zeer veilig zal moeten zijn. Zolang dat er niet is, blijft groepsimmuniteit inderdaad de enige weg.

 

Er is toch veel onzekerheid over hoe immuun iemand na covid-19 werkelijk is?

Tegnell: Het klopt dat er veel onduidelijkheid is over immuniteit, zeker als je test op antilichamen bij elk individu afzonderlijk. Maar immuniteit voor deze ziekte bestaat wel degelijk. In Zweden heeft geen enkele covid-19-patiënt de ziekte een tweede keer moeten doorstaan. Ons registratiesysteem is zeer strikt, waardoor vergissingen uitgesloten zijn. Ik heb tot hiertoe ook uit geen enkel ander land een verslag gezien dat melding maakt van patiënten die twee keer door het virus getroffen worden. Daar worden vooral veel geruchten over verspreid. We weten nog niet vanaf welk niveau antilichamen bescherming bieden en voor hoelang. Maar misschien zorgen andere delen van ons immuunsysteem ook voor bescherming.

Wij nemen aan dat de trage afname van besmettingen in Stockholm een gevolg is van onze groepsimmuniteit. De curve begint te zakken, terwijl we de voorbije vijf weken geen enkele nieuwe maatregel genomen hebben. Daar komt bij dat de social distancing in onze samenleving iets minder strikt wordt opgevolgd. Er is dus eigenlijk geen andere verklaring mogelijk dan die groepsimmuniteit.

 

In tegenstelling tot de meeste andere landen raadt u de Zweden af stoffen mondmaskers te dragen. Waarom?

Tegnell: Het zogenaamde wetenschappelijk bewijs voor het dragen van mondmaskers is flinterdun. Er wordt meestal verwezen naar één kleine theoretische studie uit Hongkong over hoeveel virus er ontsnapt via een stoffen mondmasker. Die studie ging niet eens over covid-19, maar over andere virussen. Het is een theoretische oefening die nooit op grotere schaal in de praktijk gebracht is. Het blijft dus zeer onduidelijk of stoffen mondmaskers er daadwerkelijk voor zorgen dat je niemand besmet.

In Zweden is er één gouden regel: blijf thuis als je je ’s morgens niet lekker voelt. Wie ziek is, ontvangt vanaf dag één een ziektevergoeding die het salaris integraal vervangt. Wij zijn bang dat de introductie van mondmaskers enkel een vals gevoel van veiligheid zal geven.

 

De lagere scholen bleven open?

Tegnell: Er is geen enkele reden om kleuter- of basisscholen te sluiten, want intussen weten we dat kinderen níet de motor van dit virus zijn, in tegenstelling tot het griepvirus. Tot hiertoe raakten slechts 200 Zweden jonger dan 20 met covid-19 besmet. Soms dragen ze het virus zonder er zelf ziek van te worden; zelden geven ze het aan volwassenen door. Dat is in IJsland proefondervindelijk vastgesteld.

 

U hebt daar stevig wetenschappelijk bewijs voor?

Tegnell: We moeten goed beseffen dat covid-19 compleet nieuw is en dat wetenschappelijk onderzoek naar dat virus in zijn kinderschoenen staat. Zowat alle maatregelen van alle landen overal ter wereld, zijn niet met solide kennis onderbouwd. Er is geen wetenschappelijk bewijs voor lockdowns of het sluiten van grenzen. We streven wel allemaal datzelfde doel na: de besmetting vertragen en spreiden in de tijd. In sommige landen greep de besmetting zo snel om zich heen, dat ze geen andere uitweg meer zagen dan de totale lockdown. Maar een lockdown versterkt vooral de angst. De economische kost is gigantisch, met faillissementen en veel werklozen die daar mentaal onder lijden. Wij geloven in onze strategie omdat mensen het nog heel lang zullen moeten blijven volhouden.

 

© Jan Stevens

‘Die laatste zeven maanden voerde ik diepe gesprekken met papa. Dat is een luxe die veel mensen jammer genoeg niet hebben’

Weduwe Lieve Seuntjens en zoon Ben Van Duppen blikken terug op hun leven met Dirk Van Duppen. “Het motto hier in huis was: Erst das Fressen und dann die Moral.”

 

Op maandag 30 maart overleed Dirk Van Duppen omringd door zijn geliefden. Zelfs de grootste politieke tegenstander had woorden van lof voor de marxistische dokter die geneesmiddelen goedkoper wou maken met het kiwimodel, een kruis hielp zetten over de Lange Wapperbrug, zijn partij PVDA de weg naar succes wees en lang voor Rutger Bregman tot de conclusie kwam dat alle mensen deugen. “Ik liet nog eens alle kaartjes voor Dirk door mijn handen gaan”, zegt zijn vrouw Lieve Seuntjens (59), eveneens PVDA-dokter. “Mensen uit alle geledingen van de samenleving, van patiënten tot syndicalisten, stuurden een steunbetuiging. Die kaartjes staan symbool voor waar Dirk voor stond: mensen verbinden.”

We zitten in de tuin van de bescheiden rijwoning van doktersfamilie Van Duppen in Deurne. De zon schijnt uitbundig. “Op het einde zei papa dat hij het heel tof vond dat ik ook in de politiek gestapt ben”, zegt zoon Ben Van Duppen (30), onderzoeker in de kwantumfysica aan de Universiteit Antwerpen (UA) en PVDA-districtsschepen in Borgerhout. “Papa vond wetenschappelijk onderzoek ontzettend belangrijk. Toen ik eind vorig jaar de Prijs Robert Oppenheimer van de Onderzoeksraad van de UA won, was hij ontzettend trots.”

 

Hoe gaat het nu met jullie?

Ben Van Duppen: “We mochten de voorbije zeven maanden ontzettend veel verbondenheid ervaren, zowel hier, als in de buitenwereld. Dat heeft ons erg geholpen, ook al was het een vreemde periode. Die verbondenheid is een groot geschenk van papa aan ons om dat verdriet te helpen verwerken. Ik kan daar nu altijd op terugvallen. Wat niet wil zeggen dat er geen verdriet meer is, integendeel.”

 

Toen ik eind januari Dirk kwam interviewen, vroeg ik me voor ik hier binnenstapte af: waarom investeert hij zoveel kostbare tijd in lange gesprekken met wildvreemde journalisten? Toen ik weer buiten stapte, wist ik waarom.

Lieve Seuntjens: “Je moest Dirk aan het woord horen om dat te begrijpen. Veel mensen maken op het einde van hun leven een balans op; Dirks afscheidsinterviews pasten daarin. Toen hij in De afspraak op Canvas te gast was, werden er beelden getoond uit de tijd dat wij in de Palestijnse kampen in Beiroet aan het werk waren. Ik was daar zeer dankbaar voor.”

 

U leerde hem kennen in uw studententijd aan de UA.

Lieve: “Ik was negentien en had op een humaniora gezeten waar de geest van mei ’68 rondwaarde en waar ‘rode nonnen’ de plak zwaaiden. Ze hadden veel aandacht voor solidariteit met de derde wereld.

“De Antwerpse universiteit was toen vrij internationaal, met nogal wat Duitse en Nederlandse medestudenten. Dat sprak mij aan. In het tweede jaar geneeskunde zat ik in een groep van 15 studenten die politiek actief waren. Daar behoorden ook de gebroeders Jan en Dirk Van Duppen toe die allebei een uitgesproken mening hadden. Zij vielen fel op. Dirk was vier jaar ouder dan mij en had al op een fabriek gewerkt. Ze waren lid van de PVDA.”

 

Probeerden ze zieltjes te winnen voor de partij?

Lieve: “Ik heb dat nooit zo aangevoeld. Ze zwengelden discussies aan en nodigden ons uit om over veel thema’s na te denken. Het draaide niet enkel om politiek, maar ging vaak ook over praktische zaken, zoals: hoe pak je best je studies aan? In het derde jaar reden we met een bus vol studenten naar Limburg; de sluiting van de mijnen was in volle gang. Dat was toch iets anders dan de cantussen die Ben in zijn studententijd organiseerde. (lacht) De studentenfilosofie ‘Eins, zwei, zaufen!’, vonden wij maar niets.”

 

Ben Van Duppen deed daar als student wel aan mee?

Lieve: “Als wij ’s morgens naar het werk vertrokken, kwam Ben thuis. We vonden dat best grappig.”

Ben: “In 2010 was ik praeses van studentenclub WINAK, de wiskunde-, informatica- en natuurkundekring van de UA. Ik organiseerde onder andere cantussen en nam daar ook aan deel. Mama en papa dachten: ‘Waar houdt Ben zich nu mee bezig?’ We probeerden vooral de studenten van de campus te bereiken. Akkoord, er werd gedronken, maar dat was niet ons ultieme doel. Ja, wij organiseerden fantastische feestjes, maar we lieten ook de studenten die geen fuifnummers waren niet in de steek. We wilden eerst en vooral mensen bij elkaar brengen, liefst op de campus.

“Tijdens de praesesverkiezingen worden alle kandidaten schriftelijk ondervraagd. Een van de vragen tijdens mijn verkiezing was: ‘Naar wie kijk je op?’ Ik schreef: ‘Mijn vader. Want hij blijft altijd vechten voor verandering in de samenleving. Soms lijkt zijn strijd onmogelijk. Maar altijd gaat hij ervoor en zo verzet hij bakens.’ Dat kwam recht uit het hart. Achteraf pestten mijn studiemakkers me daar mee: ‘Papa, papa, papa…’ Het is en blijft een studentenclub, hé. (lacht)”

 

In oktober 1985 vertrok het pas afgestudeerde dokterspaar Lieve Seuntjens en Dirk Van Duppen naar Beiroet. Wie trok toen het hardst aan de kar om het veilige België in te ruilen voor het door burgeroorlog verscheurde Libanon?

Lieve: “Dat zal ik wel geweest zijn. We praatten toen veel over wat we met ons leven wilden aanvangen: worden we dokter in België of in het buitenland? Ik wou weg. Wij waren niet de enige studenten geneeskunde die daarover discussieerden. In een van de laatste jaren richtten we met gelijkgezinden een ‘werkgroep derde wereld’ op. In die tijd kon je als pas afgestudeerde dokter nog vrij makkelijk in een project in het zuiden stappen. Goeie vrienden van ons trokken naar Nicaragua en El Salvador.

“In de nasleep van de slachtingen in de Palestijnse vluchtelingenkampen van Sabra en Shatila in Beiroet in 1982 was de Palestijnse Rode Halve Maan op zoek naar hulpverleners die ook wilden getuigen. Onder de hoede van de Noorse NGO Norwegian Aid Committee (NORWAC) kwamen wij als enige twee Belgen in de kampen in Beiroet terecht. Er woedde een burgeroorlog en wij belandden er in een wespennest van fracties. Gelukkig werden we heel goed door NORWAC begeleid. Die organisatie zette projecten op voor zowel Libanezen als Palestijnen, en gold daarom als neutraal. Wij hielpen zowel in de Libanese dorpen in Zuid-Beiroet, als in de Palestijnse kampen.”

 

Hoe ingrijpend was dat jaar in Beiroet?

Lieve: “Ik was 26, een beetje jonger dan Ben nu, en had nooit oorlog meegemaakt. We voerden in Libanon zeer veel discussies met collega’s. Wij zagen onszelf als ambassadeurs van de Palestijnse zaak. Niet al onze internationale collega’s hadden zoals Dirk Van Duppen een duidelijke politieke visie op medisch solidariteitswerk. Sommigen hadden louter humanitaire drijfveren. Maar dat zorgde niet voor wrevel, want over de meeste kwesties waren we het eens.

“Tijdens een belegering van 40 dagen vielen er in ons kamp 65 doden op een bevolking van 10.000 mensen. Dat is gigantisch, maar op dat moment had ik dat niet in de gaten. We waren dag in, dag uit op de spoedafdeling in de weer, en de doden hoorden erbij. De corona-crisis duurt inmiddels ook iets van een 40 dagen en brengt bij mij de herinneringen van toen naar boven. Mensen sterven nu ook heel snel.”

 

Na Beiroet hadden jullie geen last van posttraumatische stress?

Lieve: “Nee, dat komt omdat we er een boek over schreven, Dagboek uit Beiroet, en omdat we honderden lezingen over de Palestijnen gaven. Dat was meteen ook ons verwerkingsproces.”

Ben: “Ik las Dagboek uit Beiroet als scholier. Na de humaniora ging ikzelf met een groep jongeren een paar weken meehelpen in Palestijnse kampen in Libanon. Dat was in 2007; ik zal die reis nooit vergeten. We bouwden een centrum voor de kinderen van de kampen. Ze groeien er op een vierkante kilometer op. We konden regelen dat een groep kinderen van zeven en acht mee mocht op uitstap naar de Bekavallei. Voor het eerst in hun leven zagen ze bomen en een rivier. Dan vraag je je toch af hoe het mogelijk is dat kinderen in zo’n omstandigheden moeten opgroeien. Voor zo’n onrecht kun je toch nooit je ogen sluiten?”

Lieve: “Wij kwamen in Libanon als vreemdelingen toe en een jaar later zeiden onze Palestijnse vrienden bij het afscheid: ‘Ons huis is jullie huis.’ Veel Belgen slagen er vandaag nog niet in om dat te zeggen tegen mensen met vreemde roots die hier al jaren leven en werken.

“Als koppel praatten wij veel over onze common ground. Veertig jaar samen met datzelfde engagement is toch iets apart. Op een bepaald moment ging de PVDA met Abou Jahjah onder de vlag Resist in zee. ‘Is dat wel verstandig?’, vroegen wij ons dan aan de keukentafel af. Dat debat tussen ons beiden vond ik altijd heel boeiend. Wij hadden geen blind engagement, en er waren uiteraard periodes dat we twijfelden. We zagen ook veel mensen komen en gaan. Als je een engagement niet vernieuwt of er niet langer warm van wordt, stopt het. Ik vond het fijn om te zien hoe Dirk zijn engagement telkens opnieuw onderbouwde. Het ene moment was dat met de strijd rond het kiwimodel, het andere rond het fijn stof of de Lange Wapperbrug. Of dan spitte hij zijn mensbeeld helemaal uit. Dirk inspireerde zo niet alleen mij, maar ook veel anderen.”

 

Op 30 augustus vorig jaar kreeg hij de diagnose terminale pancreaskanker. In het half jaar dat daarop volgde, schreef hij het boekje Zo verliep de tijd die me toegemeten was, gaf hij al die afscheidsinterviews en was er dat grote afscheidsfeest in de Roma. Net zoals na Beiroet begonnen jullie ook na Dirks doodvonnis bijna meteen aan de verwerking?

Lieve: “Eigenlijk wel. Dat boekje van 120 bladzijden en die afscheidsinterviews vertellen dat samengebalde krachtige verhaal van Dirks leven en dat maakt het zo speciaal. Maar zijn leven speelde zich natuurlijk over veel langere tijd af.”

Ben: “We moesten papa veel te vroeg afgeven, maar het is alsof de laatste 25 jaren van zijn leven geconcentreerd werden in dat laatste halve jaar. Ik had hem veel liever nu nog bij ons gehad en vlak na die diagnose was het vreselijk zwaar. In het begin kon ik dat niet aanvaarden. Ik ben mama en andere mensen uit mijn omgeving dankbaar die zeiden: ‘Ben, je moet hier nu de tijd voor nemen.’ Die laatste zeven maanden voerde ik diepe gesprekken met papa. Dat is een luxe die veel mensen jammer genoeg niet hebben of zich zelfs niet eens kunnen permitteren.

“Op het einde van zijn leven beklemtoonde papa dat we geen wolven voor elkaar zijn. Hij vroeg zich af waar die gedachte vandaan komt dat beschaving niet meer is dan een dun laagje vernis. En dat, van zodra je eraan begint te krabben, de zogezegd ‘ware’ zelfzuchtige aard van de mens naar boven komt. Hij had dat zelf nooit zo ervaren, maar misschien was hij een uitzondering op de regel. Hij begon dat nauwgezet en wetenschappelijk te onderzoeken, en vond overvloedig bewijs dat de mens van nature solidair en behulpzaam is. Solidariteit is datgene wat ons precies tot mensen maakt. Hij schreef dat in 2016 neer in De supersamenwerker en was erg fier op dat boek. In deze corona-crisis wordt toch heel duidelijk dat papa gelijk heeft? Ontzettend veel mensen zijn solidair en volgen spontaan de regels om zichzelf en anderen te beschermen. Hulpinitiatieven schieten als paddenstoelen uit de grond, met bijvoorbeeld al die mensen die mondmaskertjes naaien voor de zorg. Zelfs de hamsteraars waren solidair. Ik ken nogal wat mensen die stapels WC-papier insloegen, maar nu wel mondmaskers aan het naaien zijn. In mijn laatste gesprek met papa zei hij dat ook de coronacrisis ons laat zien dat de mens intrinsiek goed is.”

 

Als die crisis lang blijft duren en het economische weefsel zware averij oploopt, zou het misschien wel eens kunnen tegenvallen met die solidariteit?

Ben: “Dat zal afhangen van hoe die economische schade zal gefinancierd worden. Wordt het business as usual en gaan we er met z’n allen op achteruit? Of durven we het aan om ons systeem zo te wijzigen dat die kleine rijke toplaag die al decennia van de economie profiteert, eindelijk haar bijdrage levert? Omdat de mens van nature solidair is, wordt volgens papa de samenleving best opgebouwd volgens een model dat die solidariteit laat bloeien. Zo raken we allemaal samen vooruit.”

Lieve: “Dat is dus het marxisme. Dirk bekeek de werkelijkheid altijd door een wetenschappelijke bril en trok zelf op onderzoek. Daarnaast analyseerde hij ook op wetenschappelijke wijze de economische tegenstellingen in de samenleving. De essentie is: draait het in de economie om het verhogen van de winst of in het voorzien van de basisbehoeften van de mens? Dirk kon niet anders dan de kant kiezen van de werkende mens.”

 

De Sovjet-Unie was een praktische uitwerking van dat marxisme. Een groot succes kunnen we dat experiment toch niet noemen? En dan hebben we het nog niet over het stalinisme, waar de PVDA lang mee flirtte.

Ben: “Het imago van het marxisme is sterk aan het veranderen. Denk maar aan de beweging rond Bernie Sanders. Mensen kijken naar de nieuwe voorbeelden en niet naar de oude. We onderzoeken de tegenstellingen in onze huidige maatschappij en zoeken manieren hoe we nú stap voor stap kunnen vooruitgaan.”

 

Maar zoiets als het sovjetcommunisme bewees het marxisme toch geen dienst?

Ben: “Papa heeft op het einde ook heel duidelijk geantwoord dat dat problematisch was.”

Lieve: “Er vonden dingen plaats die niet te verdedigen zijn.”

Ben: “Voor de PVDA is dat sinds 2008 een afgesloten hoofdstuk. Toen stelde de partij zich open en een paar jaar later raakte ik ook écht in haar geïnteresseerd.”

 

Werd er in dit huis altijd veel gediscussieerd?

Ben: “Nee. (Kijkt naar zijn moeder) Jij vindt van wel? Jullie twee misschien wel, maar wij niet echt. Ik heb jullie ook nooit tegen ons horen zeggen: ‘Kom, we gaan nu Marx lezen.’ We waren het trouwens vaak niet met jullie eens. Dat is net heel gezond. Als ik met een vraag bij papa kwam, zei hij: ‘Daar ligt een boek over dat onderwerp. Lees het eens.’ Papa is een groot voorstander van het organische: wijsheid en inzicht moeten vanzelf groeien. Je kan niet aan iemand doceren hoe het precies moet. Aan dat dogmatische had hij een hekel. Je moet zelf ontdekken hoe iets ineenzit. Ik ben daar ongelooflijk dankbaar voor.”

Lieve: “Hij bracht ook thema’s aan: ‘Zoek dit maar eens uit.’ Hij is de zoon van twee leerkrachten en was een groot aanhanger van de socratische bevraging. Daar hadden we het vaak over. ‘Door de juiste vragen te stellen, prikkel je mensen.’ We deden dat ook met onze kinderen, maar niet bewust. We gaven ze vertrouwen en dat werkte.”

Ben: “Papa’s socratische bevragingen op vakantie vonden we soms heel fijn, maar ook soms vreselijk vervelend. We waren niet voor niets pubers. Jullie zorgden er wel voor dat we ons op materieel vlak nooit zorgen moesten maken. Tot aan het einde van het middelbaar smeerde papa elke ochtend onze boterhammen. Dat was toch beschamend lang. Het motto hier in huis was: Erst das Fressen und dann die Moral. (lacht)”

 

© Jan Stevens

“Mijn echte vader heb ik nooit gekend”

In de beklijvende reeks Kinderen van de Holocaust op Canvas getuigen twaalf nabestaanden zeven weken lang over de vervolging en uitroeiing van hun familieleden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een van hen is de 78-jarige Norbert Vos. “Hoe ouder ik word, hoe groter het gemis.”

 

Norbert Vos was amper één jaar oud toen zijn vader Albert Obstfeld op 3 september 1942 opgepakt en een maand later naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd werd. Moeder Léa Zwaaf dook samen met haar zoontje onder bij een gezin in Kortrijk. Na de oorlog hertrouwde ze met haar uit Auschwitz teruggekeerde neef Emiel Vos.

We zitten op het terras van Norbert Vos’ huis in Antwerpen. Op de tafel staan de foto’s van zijn vader Albert, moeder Léa, adoptievader Emiel en van het Kortrijkse echtpaar Raymond Verhaegen en Julia Leenknecht.

“Ik noemde mijn ‘onderduikouders’ Raymond en Julia altijd vader en moeder”, zegt hij. “Mijn echte vader heb ik nooit gekend. Hij was 39 jaar toen hij in Auschwitz is vermoord. Mijn adoptievader Emiel Vos overleefde het concentratiekamp. Op de foto kunt u het getatoeëerde kampnummer op zijn arm zien. Hij verloor zijn vrouw en drie kinderen. Ook zij werden vermoord, net als zijn ouders en zussen.”

 

U werd geboren in juli 1940 in de Zuid-Franse stad Pau. Uw ouders waren er op de vlucht voor de oorlog?

Norbert Vos: “Toen de oorlog uitbrak, vluchtten mijn ouders naar onbezet gebied in Frankrijk. Vader wilde net als zijn broer de Spaanse grens oversteken en verder reizen naar Portugal. Mijn oom had daar de boot genomen naar Cuba. Papa wou dezelfde route volgen, maar mijn moeder wou terug naar België. Mama was nog maar 22 jaar oud, met een pasgeboren baby. Ze kon zich niet voorstellen dat ze ooit Europa zou moeten verlaten en wou haar ouders niet achterlaten.

“Mijn papa was 18 jaar ouder dan mama. Toen ze in juli 1939 trouwden, was zij niet echt verliefd op haar kersverse man. Maar mijn grootmoeder vond, zeker met de oorlogsdreiging in de lucht, dat mijn vader een geschikte partij was voor haar dochter. Want Albert Obstfeld was een knappe man en verdiende goed zijn boterham. Mama en papa keerden samen met mij vanuit Pau terug naar Brussel, wat achteraf een vreselijke vergissing bleek te zijn.”

 

Had uw moeder daar later schuldgevoelens over?

“Ik denk het wel, maar we hebben daar nooit over gesproken. Ik heb haar daar ook nooit verwijten over gemaakt, want ze was een heel goede moeder. Maar het is inderdaad zo dat onze terugkeer naar België het leven van mijn vader heeft gekost.

“Mijn moeder haar ouders woonden in de Marsstraat in Berchem. Marcus Zwaaf, 51 jaar, en Sarah Vos, 53 jaar, werden op 28 augustus 1942 om 5 uur ’s morgens door Antwerpse politieagenten van hun bed gelicht. Ze kregen een half uur tijd om zich klaar te maken. Dankzij recent onderzoek van historicus Herman Van Goethem werd duidelijk dat de politie van Antwerpen onder leiding van oorlogsburgemeester Leo Delwaide actief Joodse mensen opspoorde voor deportatie. Daarom ook werd het Delwaidedok vorig jaar herdoopt tot Bevrijdingsdok. Toen mijn grootouders Marcus en Sarah opgepakt werden, was mijn moeder toevallig bij hen blijven slapen. Zij hielp mee met het smeren van hun boterhammen en het pakken van hun valies. Op dat moment geloofde ze nog dat haar ouders in Duitsland of Polen moesten gaan werken en dat ze ooit zouden terugkeren. De Duitse bezetter had aan burgemeester Delwaide een lijst van de Joden in Antwerpen gevraagd. Omdat mijn moeder in Brussel woonde, stond zij daar niet op. Toen een politieagent haar vroeg wie zij was, antwoordde ze: ‘De huishoudster.’ Mijn grootouders werden meegenomen naar een school in de Grotehondstraat waar alle Joden verzameld werden. Mijn moeder ging hen daar opzoeken in een jas zonder davidster.”

 

Wat toen een overtreding was?

“Ja. Mama probeerde haar ouders ervan te overtuigen om met haar te vluchten, wat vanwege de totale chaos op dat moment nog mogelijk was. Maar Marcus en Sarah weigerden. ‘Neem je zusje en je nichtje mee’, zeiden ze. ‘Wij zullen wel voor de Duitsers gaan werken en keren later terug.’

“Mama ging naar huis en op 3 september werd papa in Brussel gearresteerd. Waar precies weet ik niet. Hij had daar nog zaken te regelen. Hij was groothandelaar in stoffen, knopen, gespen en voeringen voor regenjassen. Ze sloten hem op in de gevangenis van Sint-Gillis. Daar schreef hij een paar brieven naar mama. Dat heeft zij me later verteld. Hij zat daar een maand in de cel in dezelfde broek, hetzelfde ondergoed, hetzelfde hemd, dezelfde sokken. Douches waren er niet.”

 

Hebt u zijn brieven nog?

“Nog één brief die hij in de Kazerne Dossin in Mechelen schreef, het ‘Sammellager’ of verzamelkamp voor Joden. Telkens wanneer de Duitse SS daar duizend Joden verzameld had, vertrok er een volle trein naar Auschwitz-Birkenau. Papa werd op 8 oktober overgebracht naar de Dossinkazerne en schreef die brief vlak voor zijn vertrek naar het concentratiekamp. Hij had potlood en papier weten te bemachtigen, zijn brief werd naar buiten gesmokkeld en bereikte mijn moeder. Hij schreef dat zijn arrestatie de droevigste dag uit zijn leven was omdat hij toen vrouw en kind moest achterlaten. Dat was zijn laatste teken van leven.

“In 1962 moest ik een deel van mijn legerdienst vervullen in diezelfde Kazerne Dossin. Zes maanden heb ik daar toen geleefd. Er was nog een Joodse jongen wiens vader van daaruit gedeporteerd was en nooit teruggekomen is.”

 

Hebt u daar toen iets van gezegd tegen de legerleiding?

“Nee, we spraken er wel over met de Joodse aalmoezenier. Maar die legerdienst was een zeer bevreemdende ervaring.

“Mijn latere adoptievader Emiel Vos kwam in 1942 ook in Kazerne Dossin terecht, samen met zijn vrouw en drie kinderen. Ze moesten slapen op stro dat op de grond lag. Er was één waterkraan voor duizend mensen. De treinreis naar Auschwitz duurde drie dagen. Ze kregen geen eten of drinken en er waren geen wc’s. Enkel een emmer in de beestenwagon. Het konvooi stopte in Kosel, vlak voor Auschwitz. Alle mannen tussen 15 en 50 jaar moesten eruit; zij waren nog geschikt om te werken. Emiel kreeg een duw in de rug en had zelfs geen tijd om afscheid te nemen van zijn gezin. De ouderen, vrouwen en kinderen reden daarna direct door naar de gaskamers.

“De Joodse gevangenen werden voor twee mark per dag voor slavenwerk uitgeleend aan grote Duitse firma’s zoals Krupp, Siemens of Volkswagen. Ze moesten werken tot ze doodvielen of naar de gaskamer gingen. Er zijn 1,5 miljoen Joden vermoord in Auschwitz. Emiel moest slavenarbeid verrichten voor IG Farben, het huidige Bayer.”

 

In het concentratiekamp van Auschwitz hebben Emiel en uw vader elkaar ontmoet?

“Iemand zei tegen Emiel: ‘Er is hier familie van jou.’ Toen hebben ze elkaar gezien. Emiel vertelde later dat mijn vader geloofde dat wij in veiligheid waren. Op zekere dag was Emiel zijn gamel voor zijn dagelijkse portie waterige soep kwijt. Twee dagen zonder soep of brood betekende de hongerdood. Mijn vader leende toen zijn etensblik aan Emiel uit en redde zo diens leven.

“Emiel zag papa nog op het einde. Hij was doodziek en had waarschijnlijk tyfus. Hij gaf het op en kwam terecht in de Krankenstube, voorportaal voor de gaskamer. In de jaren dertig was papa een echte zakenman, met internationale connecties. Mijn moeder heeft de brieven bijgehouden van de Engelse ondernemers waarmee hij in contact stond. Van de ene dag op de andere werd hij behandeld als slaaf, voorbestemd om vermoord te worden. Hij had geen enkele waarde of eigenwaarde meer.”

 

Na de arrestatie van uw vader dook uw moeder samen met u onder in Kortrijk?

“Veel Joodse mensen doken onder in Wallonië, maar mijn moeder vluchtte naar Otegem bij Kortrijk, naar een klant van mijn vader. Ze kende niemand anders die haar kon helpen. Maar die man wou van de toestand profiteren en maakte ongewenste avances. Ze vertrok en vond een onderkomen op een boerderij, waar ze heel snel bezoek kreeg van de pastoor. ‘Als je je tot het christendom bekeert, zal ik je helpen’, zei hij. ‘Anders geef ik je aan bij de Duitsers.’ Ze vluchtte opnieuw weg, blondeerde haar haar en geraakte aan een vals paspoort. Ze had dringend geld nodig en vond werk als vertegenwoordiger in producten voor ziekenhuizen en apotheken.

“We kwamen toevallig bij Raymond Verhaegen en Julia Leenknecht terecht. Zij hadden een café in Kortrijk. Het was guur buiten en mama stapte er met mij op de arm binnen om een kop koffie te drinken. Julia voelde meteen sympathie voor die kleine baby. Mama vroeg voorzichtig of ze iemand wist waar ze terechtkon. Raymond en Julia beslisten om ons in hun huis op te nemen. Dat was zeer moedig van hen. De hele oorlog zijn we bij hen gebleven, en ik voelde me daar goed. Hun dochter Mona is als een zus voor mij. Als Mona op school een appelsien of een reep chocola kreeg, bewaarde ze die om met mij te delen. Zij trouwde later met de kunstenaar Octave Landuyt. We zijn nog altijd heel nauw met elkaar verbonden en telefoneren een paar keer per week. Alles wat ik van toen weet, hebben Mona en mijn moeder me verteld.”

 

Wanneer wist uw moeder dat uw vader dood was?

“Vanaf april 1945 kwamen er treinen met overlevenden uit de concentratiekampen. Mijn moeder nam me toen mee naar het station. Ze had een foto van papa bij die ze aan iedereen toonde. Vergeefs.

“Emiel Vos was een van de weinige overlevenden. Van de 25.000 Joodse Belgen hebben 1.200 de oorlog overleefd. Op 18 januari 1945 vertrok de SS uit Auschwitz. Ze lieten 2.000 Joden voor halfdood in de infirmerie achter en stuurden 20.000 anderen op dodenmars naar het honderden kilometers verder gelegen concentratiekamp Buchenwald. In april kwam Emiel daar totaal uitgeput aan. Hij moest er opnieuw gaan werken, maar hij kon niet meer. Hij verstopte zich tussen de lijken. Op 11 april werd het kamp bevrijd door de Amerikanen. Emiel was zo verzwakt dat hij niet meer kon eten. Ze verzorgden hem en brachten hem na twee maanden over naar Nederland, om verder te herstellen. Vervolgens reisde hij naar zijn schoonbroer in Antwerpen.”

 

Wist hij toen al dat zijn vrouw en kinderen dood waren?

“Ja. Hij was nog niet lang in Auschwitz toen hij tegen een medegevangene begon over zijn gezin dat hij in Kosel had moeten achterlaten. Die man zei: ‘Zie je de rook uit die schoorsteen daar? Dàt zijn je vrouw en kinderen.’

“In Antwerpen hoorde Emiel dat een nichtje, mijn moeder, het overleefd had en dat ze in het huis van haar ouders in Berchem woonde. Hij belde aan en mama herkende hem eerst niet. Hij woog 34 kilo. Ze bood hem tijdelijk onderdak aan. ‘Tot je voldoende hersteld bent om te gaan werken.’ Maar hij is gebleven en in 1950 zijn ze getrouwd.”

 

Hij adopteerde u. Was dat moeilijk voor u?

“Zeker. Ik was nog maar vier jaar, maar toch begreep ik heel goed wat er gebeurde. Want mijn moeder had tijdens de oorlog voortdurend verteld over papa Albert. Ik zag dat Mona een moeder én vader had, en ik vroeg steeds naar mij́n vader. Toen trok Emiel bij ons in en na een tijd deelde hij de slaapkamer met mijn moeder. Ik wist heel goed wat dat betekende en ik aanvaardde dat niet.”

 

U zag het als verraad van uw moeder aan uw vader?

“Precies. Ik heb het nooit over mijn lippen gekregen om Emiel papa te noemen. Voor mij bleef hij altijd ‘oom Miel’. Voor hem was dat natuurlijk ook een moeilijke situatie. Hij zag er totaal anders uit dan ik. Hij had rood haar en een witte huid met sproeten. Ik had een bruine teint, donkere ogen en zwart haar. Zijn overleden kinderen leken op hem. In het memoriaal van Kazerne Dossin kunt u een video zien waarin hij vertelt over het leven met zijn kinderen. Dat is heel aandoenlijk. Maar ik kon hem pas ‘paps’ noemen na het overlijden van mama in 1985. Hij was toen al 75, maar ‘papa’ lukte nog steeds niet.

“Mama was een sterke vrouw die altijd alles regelde. Na haar dood moest ik haar plaats innemen. Ik zorgde ervoor dat Emiel niets te kort kwam en goed omringd was. Ik ging overal mee met hem. Hij stierf op de voorlaatste dag van 1999.

“Emiel kon heel goed in het openbaar spreken en kwam indertijd veel op televisie. Hij hield van opera en schrijven en was een fervent museumbezoeker. Ik heb veel van hem geleerd en hij heeft me gevormd. Mijn smaak voor kunst heb ik van hem.”

 

Toch bleef uw relatie met hem altijd een beetje ongemakkelijk?

“Hij accepteerde mij als de zoon van zijn tweede vrouw; ik denk dat dat de juiste omschrijving is. Want hij zag mijn moeder heel graag. In ’45 was ze nog maar 25 jaar oud en knap. Zij dacht er eerst niet aan om iets met hem te beginnen. Maar op een dag kwam hij terug van een reis naar Nederland en hij had een hemdje voor mij meegebracht. Dat was het moment waarop mijn moeder besefte dat hij misschien een goede vader voor haar zoon kon zijn. Hij was ook goed voor mij, en ik voor hem. Maar in een huwelijk zijn er soms discussies en ik koos dan de kant van mijn moeder, altijd.”

 

U mist nog steeds uw echte vader?

“Steeds meer. Hoe ouder ik word, hoe groter dat gemis.”

 

(c) Jan Stevens