‘We werden heel vaak aan ons lot overgelaten’

Schepenen van Onderwijs Elke Decruynaere (Groen) en Jinnih Beels (Vooruit) ervoeren het voorbije coronaschooljaar als ‘heftig’. “Zeer vaak werden we aan ons lot overgelaten.”

Elke Decruynaere is bezig aan haar tweede ambtstermijn als Gentse schepen van Onderwijs. Jinnih Beels werd voor het eerst Antwerpse schepen van Onderwijs na de gemeenteraadsverkiezingen van 2018. “We spreken elkaar regelmatig”, zegt Beels. “Als grootsteden worstelen we met dezelfde problemen”, vult Decruynaere aan. Voor het eerst worden ze samen geïnterviewd. Plaats van afspraak: het Casino-park in Sint-Niklaas, tussen Antwerpen en Gent. Elke Decruynaere en Jinnih Beels zetten meteen de puntjes op de i. “We zijn niet enkel schepenen van Onderwijs, maar ook van Jeugd.”

Waren jullie zelf vragende partij om die bevoegdheden te combineren?

Jinnih Beels: “Dat is mij zo aangeboden en ik vond dat heel mooi. Veel te lang dachten we dat er enkel op school bijgeleerd kon worden, maar jongeren ontwikkelen ook in hun vrije tijd vaardigheden. Ik combineer in Antwerpen als eerste Onderwijs en Jeugd.”

Elke Decruynaere: “Ik was in 2013 in Gent de eerste schepen met de bevoegdheden Onderwijs, Jeugd en Kinderopvang. In deze tweede legislatuur komt daar Outreachend Werk bij, met onder andere straathoekwerk. De Vlaamse regering lanceerde onlangs nog een oproep om de grens tussen kinderopvang en kleuteronderwijs minder hard te maken. In Gent vinden we al langer dat ze eigenlijk een synergie vormen.”

Beels: “Kinderopvang zit bij N-VA-collega Nabilla Ait Daoud. Zij had daar in de vorige legislatuur veel in geïnvesteerd; ik kan goed begrijpen dat ze dat niet zo graag uit handen geeft.”

Decruynaere: “Dat begrijp ik ook. Het grote voordeel van een gemeentebestuur is dat het zes jaar de tijd krijgt om een beleid op de sporen te zetten. Als je er dan als schepen van Onderwijs nog eens zes jaar kunt bijdoen, overspan je bijna evenveel tijd als drie Vlaamse ministers van Onderwijs. (lacht) Dan heb je écht impact.”

Hoe hebben jullie het voorbije coronajaar ervaren?

Decruynaere: “Heftig. Als schepen zit je sowieso dicht bij de mensen op de werkvloer. Vooral voor hen was het voorbije anderhalf jaar een hevige rollercoaster. Een schepen van een grootstad heeft meer mogelijkheden om beleid te voeren dan een schepen van een kleinere gemeente. De schaal waarop wij werken is nu eenmaal veel groter. De voorbije coronaperiode vergaderde ik elke week virtueel met ons kernteam onderwijs. Daar zitten vertegenwoordigers in van de scholen en de lokale CLB’s, maar ook iemand als Petra Schelstraete, afdelingshoofd kinderlong- en infectieziekten UZ Gent. Zij gaf ons inzage in internationale onderzoeken, waardoor we het lokale niveau regelmatig overstegen.”

Beels: “Ook bij ons was het pittig. Corona maakt alleszins duidelijk hoe belangrijk een lokaal bestuur is. Want wij moesten al die maatregelen uitvoeren die door de Vlaamse en de federale regeringen opgelegd werden. Een van mijn grootste frustraties is dat er te weinig rekening met ons werd gehouden. Het was echt niet vanzelfsprekend om al die regels in de praktijk te brengen.”

Decruynaere: “Zo werd tijdens de eerste lockdown de maatregel afgekondigd dat kinderen op de speelplaats anderhalve meter afstand van elkaar moesten houden. Wij lieten toen samen als onderwijsschepenen weten: ‘Sorry, maar dit is onmogelijk uit te voeren.’ Er werden ook totaal onrealistische afstandsregels voor de klassen vastgelegd. Leerkrachten en directies hadden hun handen vol met de reorganisatie van hun scholen. Wij waren hun woordvoerders bij de regionale en federale overheden en trokken daar samen aan de alarmbel.”

Beels: “Ze hebben toen ook naar ons geluisterd en op ons aangeven de klasbubbel geïntroduceerd.”

Leverde de Vlaamse minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) goed werk af?

Beels: “Moeten wij nu zijn rapport maken? (lacht)”

Ondanks alle kritiek wou hij per se de scholen openhouden.

Beels: “Ook ik wou dat van in het begin. Het hele Antwerpse stadsbestuur wou dat zoveel mogelijk kinderen naar school konden blijven gaan. Want na die allereerste vier maanden durende lockdown merkten we dat we veel kinderen kwijt waren. 25 à 30 procent van de leerlingen was gewoon van de radar verdwenen. Welzijnspartners zoals het OCMW en het CAW signaleerden ons dat kinderen het mentaal zwaar te verduren hadden. De school is een veilige haven en daarom besloten wij dat ze zo lang mogelijk moést openblijven. Zo kregen kinderen de kans om even te ontsnappen aan de realiteit. Want niet iedereen heeft een grote tuin of woont in een comfortabel huis.”

Decruynaere: “De coronacrisis leert ons inderdaad dat voor veel kinderen de school een veilige plek is. Maar wat zich in de samenleving door corona afspeelde, weerspiegelde zich ook in de scholen. Leerkrachten moésten gaan werken en kregen daardoor vaak het gevoel dat ze in de vuurlinie stonden. Dat was zeker zo toen er nog niet voldoende beschermingsmaatregelen waren.”

Ze hadden het gevoel dat ze hun leven waagden?

Decruynaere: “Zo voelde het écht en ik begrijp die angst. Ik vond ook dat de scholen zo lang mogelijk moesten openblijven, alleen werden we zeer vaak aan ons lot overgelaten.”

Beels: “Wij vroegen onze leerkrachten en jeugdwerkers om níet in hun kot te blijven, maar ik vrees dat we hen niet genoeg lieten weten dat we dat enorm appreciëren. Want fysiek en mentaal eiste dat veel van hen. Velen zitten nu aan het eind van hun Latijn.”

Decruynaere: “Ik vind dat minister Weyts meer had kunnen doen. We moesten ons plan trekken en we deden dat ook, net als veel andere lokale besturen. Dat ging dan over heel praktische dingen, zoals nadarhekkens om die klasbubbels in goede banen te leiden. Maar ook over het op zoek gaan naar, en inzetten van extra mankracht en vrijwilligers. Onze scholen sloegen alarm: ‘Help, we dreigen kopje onder te gaan.’ Waarna wij hen om de twee weken vroegen welke hulp ze konden gebruiken en hoeveel mensen ze daarvoor nodig hadden.”

Reikten jullie een helpende hand naar àlle Gentse scholen?

Decruynaere: “We hielpen over alle netten heen, ja. De scholen konden zo beroep doen op in totaal 750 extra krachten. Het is trouwens niet onze verdienste, of van de minister, dat de scholen zo lang openbleven. Dat hebben we alleen maar te danken aan de mensen op de vloer: leerkrachten, directies en CLB’s.”

Beels: “Ook wij hebben nooit zitten wachten op ondersteuning uit Vlaanderen, want die kwam vaak te laat. Ook wij hielpen de scholen over alle netten heen met praktische zaken als nadarhekkens, ontsmettingsgels of opvangen van personeelstekort. Wij maakten het mee mogelijk dat leerkrachten die in quarantaine moesten, van bij hen thuis online les konden blijven geven. Hun leerlingen volgden die lessen dan in de klas. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar vraagt veel organisatie.”

Wat ik niet goed snap, is waarom leerkrachten niet als een van de eersten gevaccineerd werden.

Decruynaere: “Blijkbaar zagen ze het op andere niveaus niet zitten om die grote groep leerkrachten ertussen te schuiven. Want het vaccineren van de rest van de kwetsbare bevolking zou dan te veel vertraging oplopen. Klinkt logisch, toch begrijp ook ik niet waarom er niet van bij het uittekenen van de vaccinatiecampagne met de leerkrachten rekening gehouden werd. In het buitenland werden zij wél snel gevaccineerd. De leerkrachtenlijst had toch al kunnen klaarliggen lang voor de vaccins er waren? Hetzelfde geldt voor mensen in de kinderopvang. Daar is anderhalve meter afstand bewaren tijdens het dagelijkse werk toch een illusie?”

Beels: “Leerkrachten moesten de scholen draaiende houden, maar hen meteen vaccineren kon niet. Ook ik snap dat niet. Dat is ook bijzonder moeilijk aan die mensen uit te leggen.”

Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke is ook lid van Vooruit, mevrouw Beels. U sprak hem daar nooit over aan?

Beels: “Ik lever geen kritiek op Frank, dat zou te gemakkelijk zijn. Hij maakte samen met de regering soms moeilijke keuzes en ik heb daar alle begrip voor. In een crisis zoals deze moet er niet met de vinger gewezen worden. Er mogen wel lessen uit getrokken worden. Zo was er veel te weinig aandacht voor het mentale leed door de lockdowns.”

In het heetst van de strijd tegen het virus verloren we de psychische gevolgen uit het oog?

Decruynaere: “Tijdens de eerste lockdown werd veel schade aangericht, toen scholen en jeugdinstellingen moesten sluiten. Child Focus waarschuwde terecht voor familiaal geweld. Weet u dat sommige jonge slachtoffers van kindermisbruik vanuit de opvang terug naar huis gestuurd werden? Ze moesten de lockdown verder doorbrengen op een krap appartement, samen met de dader. Die verhalen maken me vreselijk kwaad. Waarom lieten we dat in godsnaam gebeuren?”

Beels: “Samen vroegen wij daar verschillende keren aandacht voor. Eerst kregen we geen gehoor; langzaamaan veranderde dat. Maar intussen was die schade er, met zoveel jonge mensen die het niet meer zagen zitten en afhaakten.”

Decruynaere: “Vanuit het kabinet van Onderwijs werden altijd eerst ronkende verklaringen afgelegd. Pas nadien vroegen ze zich af: ‘Hoe brengen we dit in de praktijk?’ Zo werd er in december al getoeterd over het grote belang van zelftesten. Die zijn nog maar pas gearriveerd, nu het schooljaar zo goed als voorbij is. Lang was er een gigantisch verschil tussen de beslissingen en de dagelijkse praktijk. Minister van Jeugd Benjamin Dalle (CD&V) nam vorige zomer dan gelukkig tóch het voortouw om jeugdkampen mogelijk te maken. Hij ging in dialoog met organisaties uit het jeugdwerk en zocht samen met hen naar oplossingen.”

Beels: “Wij spraken Benjamin Dalle daar in mei vorig jaar al over aan. Jongeren mochten toen níets meer. ‘We zijn ze aan het verliezen’, waarschuwden we de minister. ‘Zet het jeugdwelzijnswerk alsjeblieft in een aangepaste vorm verder.’ Ik was blij dat hij het daarmee eens was. Van in het begin roerden wij onze mond, want we waren getuige van al wat er misliep. Wij trokken aan de mouwen van de Vlaamse en federale overheden, onder andere via de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten (OVSG) en onze stadsbesturen. Corona kwam onverwacht, sloeg keihard toe en zorgde voor grote verwarring. Maar dat kan toch geen excuus blijven?”

Decruynaere: “Ik heb nog in het holst van de nacht mails gestuurd naar Ben Weyts, die bijna meteen antwoordde. Dat was helaas niet altijd het antwoord dat ik wou horen, maar hij reageerde wel. (lacht) Een belangrijke les van corona is misschien ook dat het hoog tijd is dat lokale besturen opnieuw naar waarde geschat worden. Kijk naar de vaccinatiecentra: op het laatste nippertje werd beslist dat de gemeenten die mochten beheren. Zowel in Antwerpen als Gent draaien ze geolied. Onze ambtenaren leveren puik werk af.”

Antwerpen en Gent hebben hun eigen stedelijk onderwijsnet. Is dat nog van deze tijd?

Decruynaere: “Zonder twijfel. Voor de centen moeten we het niet doen, integendeel. Dan kunnen we onze scholen beter overlaten aan het Gemeenschapsonderwijs. Het is niet voor niets dat veel steden en gemeenten de voorbije jaren afscheid namen van hun onderwijsinstellingen. Want een eigen scholennet kost een stadsbestuur handenvol geld, terwijl het al niet gemakkelijk is om de hele begroting rond te krijgen. Eigen stedelijk onderwijs is een dappere keuze. Als inrichtende macht staan wij zelf met onze voeten in de modder, waardoor we meer recht van spreken hebben in het grote onderwijsdebat. Ik word niet alleen door leerkrachten en directies aangesproken, maar ook door ouders. Ze weten me allemaal te vinden en dat is prima. Als schepen van Onderwijs let ik er ook op dat ik er voor alle netten ben.”

Want de verleiding is soms groot om het eigen net te bevoordeligen?

Decruynaere: “Om dat te vermijden of te corrigeren, hechten wij steeds meer belang aan flankerend onderwijsbeleid. Alle onderwijsnetten worden geconfronteerd met dezelfde problemen, zoals bijvoorbeeld vroegtijdige schoolverlaters. Het is daarom ook niet meer dan logisch dat we een breed beleid voeren, met oog voor een juiste balans tussen alle scholen. De stad is voor mij een ‘kansenfabriek’. Nelson Mandela zei: ‘Education is the most powerful weapon to change the world.’ Álles begint in het onderwijs.”

Beels: “Als grootste stad van Vlaanderen heeft Antwerpen geen andere keuze dan een eigen onderwijsnet in stand houden. Maar daarnaast werken ook wij aan een robuust flankerend onderwijsbeleid. We bieden serieuze ondersteuning aan álle netten aan. Net als Elke ben ook ik er groot voorstander van om inrichtende macht te zijn van een eigen net. We investeren er enorm veel geld in, maar plukken er ook de vruchten van. In Antwerpen is de nood naar voldoende plaatsen in het onderwijs zeer groot. Die capaciteitsproblematiek zal de volgende jaren alleen maar toenemen. Als lokaal bestuur proberen we dat met ons eigen net een beetje onder controle te houden. Al geef ik meteen toe dat het heel moeilijk is. Daarom ook maak ik me zorgen over andere steden zonder eigen onderwijsnet: worden al die leerlingen waar geen plaats voor is daar dan vogels voor de kat?”

Het Antwerpse buitengewoon basisonderwijs kampt met een zeer ernstig capaciteitsprobleem. 418 kinderen, of meer dan de helft van het totaal, staan op een wachtlijst voor volgend schooljaar.

Beels: “Vorig jaar hadden we voor het eerst een online centraal aanmeldingssysteem voor het buitengewone basisonderwijs. Toen had al 48 % van onze kinderen geen plaats. Wij creëerden als lokaal bestuur 79 extra plaatsen. Nu is het vat af. De grote oorzaak is het stuitende gebrek aan investeringen van de Vlaamse overheid in buitengewoon onderwijs. Daar dragen wij de pijnlijke gevolgen van.”

Is dat gebrek aan investeringen een gevolg van het M-decreet met zijn inclusieve onderwijs? Omdat zoveel mogelijk kinderen met een beperking of een stoornis recht hebben op meedraaien in het gewone onderwijs?

Beels: “Ik ben een groot voorstander van de filosofie van inclusief onderwijs. Dat M-decreet was een uitstekend plan, alleen liet de praktische uitwerking veel te wensen over. Het ging op de schop en nu zitten we inderdaad in een tegengestelde beweging. Als je als leerkracht in een gewone klas een paar leerlingen met bijzondere noden hebt zonder voldoende ondersteuning, houdt het op een bepaald moment op. Zeker nu, met die uitputtende coronacrisis er bovenop. Ik vermoed dat iedereen het erover eens is dat we kinderen met beperkingen zo lang mogelijk in het gewone onderwijs houden. Maar dan moeten er ook voldoende middelen voor zorg vrijgemaakt worden. Nu duurt het ontzettend lang om kleuters te laten testen. In Antwerpen haken ouders én leerkrachten af. Die wachtlijst krijgen we op korte termijn jammer genoeg niet opgelost, ook al blijven we hemel en aarde bewegen om extra plaatsen bij te maken.”

Decruynaere: “In Gent vinden op dit moment 8 kinderen geen plek in het buitengewoon onderwijs. Ook bij ons kan het snel ontsporen. Ik vind dat gebrek aan plaatsen een raar fenomeen. Als er een baby geboren wordt, weten we toch dat hij een paar maanden later naar de kinderopvang, twee jaar later naar de kleuter- en de basisschool en zes jaar later naar het middelbaar moet? Dit land is rijk, relatief goed georganiseerd, telt veel knappe koppen die alles weten over big data, maar toch slagen we er niet in om de capaciteit op school voor onze kinderen goed in te schatten.”

Beels: “Mijn grootste frustratie na 2,5 jaar als schepen van Onderwijs is dat Vlaanderen maar twee échte grootsteden met een onderwijsnet telt: Antwerpen en Gent. Met als gevolg dat het Vlaamse onderwijsbeleid niet op ons lijf geschreven is.”

Omdat Vlaanderen niet van grootsteden houdt?

Beels: “Nee, omdat er gewoon te weinig kennis bij het beleid is over de problemen van grootsteden. Onbekend is onbemind.”

Decruynaere: “Soms lanceert Vlaanderen zogenaamde ‘nieuwigheden’ waar steden al veel ervaring mee hebben. Alleen weten ze dat niet omdat ze niet eerst hun oor bij ons te luisteren hebben gelegd. Niet zolang geleden presenteerde minister Weyts het project Leerbuddy Vlaanderen dat leerlingen met een achterstand in contact wil brengen met vrijwillige tutors en leerbuddies. Ik vind dat fantastisch, want internationale ervaring leert dat tutoring uitstekende resultaten oplevert. Wij zijn daar in Gent al heel lang mee bezig, net als Antwerpen en Leuven. Denkt u dat de minister ons daar één vraag over gesteld heeft? Nee, maar ze haalden wel budgetten bij de lokale initiatieven weg om die in hun nieuwe structuur te stoppen.”

Beels: “Wij vragen om meer betrokken te worden bij dat Vlaamse onderwijsbeleid. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat we elkaar beconcurreren? Het enige doel is toch: het welzijn en het welbevinden van onze kinderen?”

Decruynaere: “Het is geen toeval dat Antwerpen en Gent hun eigen onderwijscentrum hebben, een dienst die met alle scholen van de stad samenwerkt aan thema’s als diversiteit en vroegtijdige schoolverlaters. Andere pedagogische begeleidingsdiensten hebben die grootstedelijke uitdagingen nog niet ontdekt. Op het vlak van diversiteit zijn steden als Brussel, Antwerpen en Gent voorlopers, terwijl daar in Vlaanderen zeer krampachtig op wordt gereageerd. Wij hebben veel expertise opgebouwd en beschouwen diversiteit als een troef. Maar er zijn in onze steden ook een paar lichten die oranje knipperen en die een voorbode zijn voor wat de rest van Vlaanderen te wachten staat. Zo worden wij nu al geconfronteerd met een groot lerarentekort. Daar maak ik me veel zorgen over.”

Er woedt ook een hevige discussie over de kwaliteit van ons onderwijs. Die zou te lang ondergeschikt geweest zijn aan het welbevinden op school.

Decruynaere: “Ik vind het jammer dat academici zoals Wouter Duyck in heel dat debat excellentie tegenover welbevinden plaatsen. Het is niet het ene of het andere: zowel zorg als kwaliteit zijn nodig. Om te kunnen leren, moet je je goed in je vel voelen. En een school die enkel met welbevinden bezig is, neemt haar leerlingen niet ernstig.”

Beels: “Het is inderdaad geen zwart-witverhaal. Het zou goed zijn moesten sommige experts stoppen met kwaliteit en zorg voortdurend tegenover elkaar te zetten. De focus moet gericht zijn op beide.”

Doet de huidige minister van Onderwijs dat?

Beels: “Ben Weyts richt zich vooral op de kwaliteit. We worden er continu aan herinnerd dat onderzoeken aantonen dat de kwaliteit van het onderwijs in Vlaanderen daalt. Ik betwist die onderzoeken niet, maar door enkel één kant te belichten, vrees ik dat we nog verder van huis raken.”

U zit in een coalitie met N-VA-voorzitter Bart De Wever. Is hij uw rechtstreekse lijn naar Ben Weyts?

Beels: “Het is niet omdat ik in een coalitie met de partij van de minister zit, dat ik meer gedaan krijg. Ik ga soms wel eens tegen Bart zagen, hij is niet voor niets burgemeester. (lacht) Hij trekt zich dat ook aan, hoor. Als grootstad moeten we net als Gent zwaar knokken om op het Vlaamse niveau gehoord te worden.”

Decruynaere: “Ben Weyts stelt de na te streven doelen, maar voorziet niet de nodige middelen om scholen te helpen die doelen te halen. De afstand tussen wat Brussel wil en wat er in scholen leeft, is gigantisch. Ik maak me ook zorgen over de grote ongelijkheid tussen scholen. Het inschrijvingsdecreet met het online aanmelden zorgde voor zeer veel emoties, en ik kan dat goed begrijpen. Al die emotionaliteit is een symptoom van die ongelijkheid. Ouders voelen aan dat de verschillen tussen scholen zeer groot zijn.”

Is dat niet altijd zo geweest? Halverwege de jaren 80 verrichtte ik mijn burgerdienst op een instelling van het Gentse stedelijk onderwijs. Toen al hoorde ik verhalen over de elite- en concentratiescholen van de stad.

Decruynaere: “Die segregatie van toen bestaat jammer genoeg nog, maar is toch anders. Want ik ken zogenaamde concentratiescholen die puike resultaten neerzetten. Ik ken ook zogenaamde elitescholen die de top niet halen. Weet u wat goede graadmeters zijn om de kwaliteit en de sfeer van een school te bepalen? Ga na of de leerkrachten er hun eigen kinderen naartoe sturen. Dat zegt zéér veel. Kijk vervolgens naar de uitstraling van directie en leerkrachten. Sloffen ze kop in kas, zuchtend over de speelplaats? Of wandelen ze opgewekt, met open blik tussen de kinderen? Ik bezocht intussen zeer veel scholen en ik zag op beide types diep zuchtende en vrolijk lachende leerkrachten. Als ze steen en been klagen, geloven ze er zelf niet meer in. Dat heeft niets te maken met de kleur van hun leerlingen, maar met de mentaliteit op hun school.”

Beels: “Het belang van de leerkracht wordt vaak onderschat. Ik ben wie ik geworden ben dankzij een paar bevlogen leerkrachten die in mij geloofden.”

Decruynaere: “Directies zijn ook zeer belangrijk voor een school. Na de voorbije moeilijke coronaperiode verdienen zij een standbeeld. Vaak vallen de gedreven directeurs en leerkrachten door burnout eerst uit.”

Beels: “Het beroep van leerkracht wordt ondergewaardeerd. Het is echt niet vanzelfsprekend om een hele dag voor de klas te staan met een diverse groep leerlingen. Leerkrachten moeten zichzelf elke dag opnieuw overstijgen én de kwaliteiten in leerlingen ontdekken en bovenhalen. Dat is niet iedereen gegeven. Bij bezoeken aan lerarenopleidingen moest ik zelf vaststellen dat die studie voor veel aspirant-leerkrachten een tweede keuze was. Ze hadden iets anders geprobeerd, dat was mislukt en dus probeerden ze het maar eens in het onderwijs. ‘Uitzicht op een vast beroep met veel vakantie.’ Mij lijkt dat niet de juiste motivatie. Het is ook niet omdat een groot college een ronkende naam heeft, dat het meteen het best mogelijke onderwijs aanbiedt. Dat kleine schooltje in een diverse buurt brengt het er misschien beter van af. Maar bij veel ouders leeft inderdaad te vaak de overtuiging dat het deftige college wel uitmuntend moét zijn. Het is aan de overheid om die perceptie te keren.”

De voorbije veertig jaar is dat niet gelukt.

Beels: “Er is misschien niet veel veranderd, tóch moeten we daartegenin blijven gaan. Hoe overtuigen we ouders ervan dat het schooltje in hun superdiverse wijk uitstekend onderwijs biedt én een veilige plek is? Ouders kiezen de school voor hun kinderen. Als ze allemaal naar diezelfde zogenaamde eliteschool in een andere buurt van de stad willen, lossen we de capaciteitsproblemen nooit op.”

Decruynaere: “Ik heb soms huilende ouders aan de telefoon: ‘Als onze zoon of dochter niet naar die school kan, is zijn of haar leven voorbij.’ Veel gekker moet het toch niet worden?”

Jinnih Beels kreeg zelf met racisme te maken toen ze bij de politie werkte. Hoe zit het met racisme op de Antwerpse en Gentse scholen?

Beels: “Racisme en discriminatie vind je jammer genoeg overal. Ik merk dat ook in ons onderwijs, net als indertijd bij de politie. Dan gaat het niet enkel over racisme tussen leerlingen. Veel mensen koesteren vooroordelen, óók leerkrachten. Van zodra ze beseffen dat het vooroordelen zijn, staan we een stap verder. Want dan zijn die leerkrachten misschien in staat om al hun leerlingen alle kansen te geven. Te veel kinderen hebben vandaag het gevoel dat ze afgerekend worden op hun achtergrond, in plaats van op wat ze kunnen. Dat is onvergeeflijk, want zo wordt talent beknot. We proberen daar iets aan te doen door in ons stedelijk onderwijs veel aandacht te besteden aan actief burgerschap en leren zowel leerlingen als leerkrachten om te gaan met diversiteit.”

Decruynaere: “De universiteit van Gent voert onderzoek naar superdiversiteit in ons onderwijs. Ook andere steden werken daaraan mee. Tot hiertoe werden kinderen met een andere moedertaal dan het Nederlands in bad gegooid. ‘Doe maar mee met de rest, en we zien wel waar we eindigen.’ Vaak mislukte dat, waardoor de achterstand groeide. Nu zijn we ons van dat probleem zeer goed bewust en binnenkort screenen we met een taaltest. Het échte werk moet dan nog beginnen. Een mens heeft veel zelf in de hand, maar niet waar hij geboren wordt of hoe hij eruitziet. Hoe erg is het niet dat leerlingen net daarop worden afgerekend?”

Hoe divers is het lerarencorps in Antwerpen en Gent?

Beels: “Over het algemeen heeft 1 procent van het hele corps in Vlaanderen een andere afkomst. Antwerpen telt meer dan 180 verschillende nationaliteiten. Meer dan 50 procent van onze inwoners heeft vreemde wortels. Onze leerlingen herkennen zichzelf dus onvoldoende in hun leerkrachten.”

Decruynaere: “In de klas is er veel diversiteit, maar niet voor de klas. Het loopt al mis bij de instroom in de lerarenopleiding. Er moeten dringend maatregelen genomen worden om daar iets aan te veranderen. De weinige mensen van kleur in ons onderwijs betekenen nu al heel veel voor de scholen waar ze werken. Dat stemt mij hoopvol. Want hoe meer leerkrachten van kleur, hoe meer het racisme in de leraarskamer zal verstommen.”

Jinnih Beels

  • Geboren in 1976 in Calcutta, India
  • Dochter van een Indiase moeder en Belgische vader
  • Verhuisde op haar 6e na de dood van haar moeder naar Antwerpen
  • Studeerde criminologie aan de KULeuven
  • Ging na haar studies aan de slag bij de toenmalige rijkswacht
  • Werd later commissaris bij de politie
  • Stapte in 2017 over naar de politiek
  • Is sinds januari 2019 Antwerps schepen voor Onderwijs voor Vooruit

Elke Decruynaere

  • Geboren in 1981 in Kortrijk
  • Studeerde geschiedenis aan de KULeuven en UGent
  • Werkte tien jaar lang als beleidsmedewerker aan gelijke rechten voor mensen met een handicap
  • Zetelt sinds 2007 voor Groen in de Gentse gemeenteraad
  • Werd in 2009 fractieleider
  • Is sinds januari 2013 Gents schepen voor onderwijs voor Groen

© Jan Stevens

‘Ik leidde UZ Brussel niet als een zonnekoning’

De coronacrisis dwong UZ Brussel-ceo Marc Noppen tot het nemen van snelle beslissingen. Op nationaal vlak zag hij met lede ogen het tegengestelde gebeuren. “Dat kostte veel mensenlevens.”

In zijn boek Gewoon anders maakt Marc Noppen de balans op van anderhalf jaar strijd tegen corona. De boosheid over het beleid van de regering-Wilmès II na de eerste golf is onderhuids voelbaar. “Toch verwijt ik niemand iets”, zegt hij. “Ik stel gewoon vast dat mensen zoals ik tijdens deze crisis herhaaldelijk vergeefs voorzetten uitdeelden. We kunnen iets leren van landen als Australië en Nieuw-Zeeland. Daar leven ze nu voor honderd procent in vrijheid. Maar bij elk nieuw covid-geval grijpen ze wel zeer drastisch in. Als in het Nieuw-Zeelandse Auckland één covid-besmetting gevonden wordt, gaat de stad een week dicht. Alle inwoners moeten binnenblijven tot ze weten waar die besmetting vandaan komt. Daarna heropent alles. De Nieuw-Zeelanders vinden dat fantastisch, want in hun virusvrije samenleving floreert de economie.”

Moeten wij dat model kopiëren?

“Niet noodzakelijk, maar we moeten wel weten wat onze strategie is. Er hangt nu een sfeer van bevrijding in de lucht, maar volgens veel experts maken we de volgende drie tot vijf jaar nog regelmatig opstoten van dit virus of een mutant mee. We raken pas echt van corona af als de hele planeet gevaccineerd is. Door de deltavariant worden de bevrijdingsfeesten in Groot-Brittannië met een maand uitgesteld. De reden is de exponentiële groei van het aantal hospitalisaties, terwijl dat land de hoogste vaccinatiebescherming in Europa heeft. Van onze negen ministers van Volksgezondheid zou ik wel eens willen horen wat hun verdere strategie is. In maart 2020 was het antwoord nog helder: ‘We willen geen tweede Bergamo worden.’ Maar na de eerste piek begonnen we te freewheelen. Er werd geen einddoel gesteld dat de tweede piek had kunnen vermijden. Dat kostte veel mensenlevens. We gingen veel te nonchalant om met de alarmerende cijfers.”

Was dat schuldig verzuim?

“Daar komt het op neer, al zijn er verzachtende omstandigheden. Zo begrepen weinig beleidsmakers de gevolgen van exponentiële groei. Een snelgroeiende exponentiële curve moet in de kiem gesmoord worden. Anders loopt het totaal uit de hand. Wij probeerden dat met handen en voeten aan de politici uit te leggen en kregen nul op het rekest. Ik werd zelfs uitgelachen door de Brusselse minister van Volksgezondheid Alain Maron (Ecolo). Toen werd ik inderdaad boos. Later kwam hij zich bij mij verontschuldigen. Hij gaf volmondig toe dat hij zich had vergist. Dat was chique.”

Een andere verzachtende omstandigheid is de ingewikkelde Belgische staatsstructuur?

“Dit land heeft inderdaad een hypergecompliceerde overlegstructuur zonder hiërarchie, waardoor crisismanagement verdomd lastig wordt. In tijden van crisis geldt één regel: speed trumps perfection, snelheid overtreft perfectie. Ik ervoer dat zelf in ons ziekenhuis. Op een bepaald moment dwong corona ons ertoe afscheid te nemen van onze trage overleg- en adviescultuur. Tijdens een levensbedreigende crisis zijn foute beslissingen beter dan niets beslissen. Alleen krijg je dat maar moeilijk uitgelegd aan politici die al decennialang in een overlegcultuur leven.”

Misschien ook omdat beslissen zonder veel overleg haaks staat op democratische besluitvorming?

“Ik begrijp die bekommernis, maar voor crisismanagement kan op perfect democratische wijze een wetgevend kader gebouwd worden. België is één van de weinige landen ter wereld waar het uitroepen van de noodtoestand grondwettelijk niet kan. Nu wordt er midden in de crisis aan een pandemiewet gewerkt, terwijl het parlement die al lang geleden in ‘vredestijd’ had moeten uittekenen. De noodtoestand kan maar voor een beperkt aantal rampen zoals een pandemie of terreur en is beperkt in de tijd. In die periode is er slechts één commando: de premier die regelmatig rekenschap aflegt aan het parlement.”

Een tijdlang was u in UZ Brussel dat ene commando?

“Ja, ik vroeg volmachten aan mijn raad van bestuur. Wekelijks bracht ik bij hen en de regeringscommissaris verslag uit.”

Op de keper beschouwd overtrad u de wet. U bent niet bang dat de beslissingen die u toen nam als een boemerang in uw gezicht terugkeren?

“Ik wil niet dramatisch klinken, maar het ging over leven en dood. We moésten snel beslissen; er was geen tijd voor overleg.”

U nam toch veel verantwoordelijk? Eventuele foute beslissingen waren alleen u aan te wrijven.

“Volgens filosofe Tinneke Beeckman heb je op zo’n moment Machiavelli’s lef nodig. Bij de start van de regering-De Croo had de tandem Alexander De Croo – Frank Vandenbroucke ook dat lef. Het verschil met de voorgangers was immens. Op 21 februari zei premier De Croo: ‘Er komen geen versoepelingen.’ Hij ging in tegen het Overlegcomité, nam zijn verantwoordelijkheid en toonde leiderschap.

“U moet niet denken dat ik in volle coronacrisis UZ Brussel als een zonnekoning leidde. Er werd wél nog overlegd, maar in plaats van de gangbare 56 overlegorganen waren er 5. Als we er niet uit geraakten, hakte ik de knoop door. Achteraf werd daar geen kritiek op geleverd.”

Wat op nationaal niveau wél continu gebeurde?

“Zeker. Een aantal van onze snelle beslissingen in het ziekenhuis bleken later fout te zijn. We herstelden die. Op het nationale niveau zag ik te weinig foute beslissingen rechtgezet worden. Fouten erkennen en corrigeren zorgt bij de bevolking voor meer vertrouwen dan uitspraken als: ‘Ook al hebben we dat in het Overlegcomité meebeslist, toch zijn we het er niet mee eens.’”

Ook sommige adviserende experts bekritiseerden achteraf de genomen beslissingen.

“Ik vind dat heel jammer. Tijdens de eerste golf kon ik die commentaren achteraf nog begrijpen, want de toenmalige regering communiceerde barslecht. Elke expert kreeg toen een microfoon onder de neus geduwd; bij de overheid viel toch geen nieuws te rapen. De tandem De Croo-Vandenbroucke communiceert wél, waardoor de dissonante geluiden sterk verminderd zijn.”

Hoe is de toestand nu in uw ziekenhuis?

“De curve daalt, maar we hebben nog altijd 25 covid-patiënten, waarvan 8 op intensieve. We concentreren ons nu op de niet-covid-zorg. Die moesten we de voorbije maanden vooral in het operatiekwartier noodgedwongen terugschroeven. Het tempo blijft zeer hoog. Bij onze mensen begint dat te wegen.”

Marc Noppen, Gewoon anders, Borgerhoff & Lambrigts, 192 blzn., 22,99 euro, de opbrengst van het boek gaat integraal naar de UZ Brussel Foundation

© Jan Stevens

‘Conflicten loste ik op zoals in het leger: ik sloeg mijn kot kort en klein’

Waarom werd Jürgen Conings een voortvluchtige terreurverdachte? Volgens zijn oude bataljonscommandant omdat hij onder invloed staat van extreemrechts. Volgens een oude wapenbroeder en vriend omdat hij lijdt aan Post Traumatisch Stress Syndroom (PTSS). ‘De gevolgen van PTSS zijn moordend. Voor het Belgische leger met zijn gigantische machocultuur is dat een groot taboe.’

De vijftigjarige ex-militair Peter* trok in de jaren 90 verschillende keren op missie naar ex-Joegoslavië. “De allereerste keer was samen met Jürgen Conings”, herinnert hij zich. Twee weken geleden vertelde Conings pelotonsadjunct in Humo over die missie uit 1994 in het Kroatische gehucht Torjanci. Peter was net als Jürgen Conings één van die veertig piepjonge soldaten. “Jürgens mentor was ook de mijne”, zegt hij. “Vier maanden lang deelden we alles samen. Jürgen werd een van mijn beste vrienden. Wat zich nu aan het afspelen is, vind ik verschrikkelijk. Ik kende hem als een warme, loyale kerel. Ik keur zijn actie af. Hij is ervandoor met 2000 patronen: als hij nog leeft, kan hij heel wat slachtoffers maken. Ik vermoed dat dit een gevolg is van de trauma’s die hij opliep op zijn vele buitenlandse missies. Zijn PTSS zorgt ervoor dat hij zich compleet in de steek gelaten voelt. Ik ken dat vreselijke gevoel, want ik worstel er zelf al jarenlang mee.”

Kolonel-op-rust Danny Vanormelingen was van 1998 tot 2000 bataljonscommandant van Jürgen Conings. “Ik voerde het bevel over hem toen we van oktober ’98 tot maart ’99 op missie waren in Bosnië. Ik had 400 mensen onder mij en kende dus niet iedereen. Alleen de goeden en de slechten bleven me bij. Jürgen kende ik omdat hij opviel in positieve zin. Als prille twintiger was hij een uitstekende soldaat. Ik sprak hem een paar jaar geleden tijdens een bataljonsfeest. Ook toen gaf hij een zeer positieve indruk. Er moet iets verkeerd gedaan zijn waardoor zijn stoppen doorsloegen. Ik geloof niet dat het met zijn vele buitenlandse operaties of PTSS te maken heeft. Volgens mij kwam hij in een verkeerde groep terecht en is hij opgejut door extreemrechts.”

Guy F. (60) trok in 1994 op missie naar de Bosnische hoofdstad Sarajevo. “Twee jaar eerder hielp ik een vluchtelingenkamp in Kroatië bouwen”, zegt hij. “Dat was een ongewapende missie onder de vleugels van UNHCR, het VN-vluchtelingencommissariaat. Als jonge beroepsmilitair bij de genie wou ik mijn steentje bijdragen aan een betere wereld. Ik vertrok dan ook vol overtuiging samen met de rest van mijn eenheid naar Sarajevo. Daar gingen we een weg aanleggen voor hulpkonvooien. Alleen waren we totaal onvoorbereid. Niet lang na mijn terugkomst werd ik ernstig ziek. Nu weet ik dat ik vooral ondermijnd werd door PTSS.”

PETER: “In 1992 hielden de Verenigde Naties UNPROFOR boven de doopvont, een internationale vredesmacht die moest verhinderen dat de oorlog in Kroatië, Bosnië en Herzegovina verder zou escaleren. België nam daaraan deel met verschillende Belbat-missies. Als je Congo in de jaren zestig niet meetelt, waren wij de eerste pioniers die na WO II werden ingezet in oorlogsgebied. Die oorlog speelde zich niet op een ver continent af, maar ín Europa. Zagreb is amper een dag rijden van hier.”

GUY F.: “Onze opdracht in Sarajevo viel buiten de Belbat-missies. Wij wisten van toeten noch blazen. Vlak voor we in België aan boord van het vliegtuig gingen, moesten we een mondingsstop op de loop van ons geweer vastdraaien. Dat dient om losse flodders af te vuren. Wij vlogen dus naar oorlogsgebied in de veronderstelling dat we onderweg waren naar een soort militaire oefening. (lacht)”

Terwijl de oorlog in ex-Joegoslavië pure ernst was?

PETER: “Het was geen knokpartij op de markt, maar een zeer smerige oorlog. Wij waren er ons wel van bewust dat we in oorlogsgebied gingen terechtkomen. Het Belgische leger werd ingezet in de Baranja, Kroatisch grondgebied in handen van de Serviërs. Dat waren geen doetjes; zeker Arkans Tijgers deinsden nergens voor terug. De Baranja werd gebruikt als vakantieoord voor Servische troepen die terugkwamen van het front in Bosnië. Die mannen vlogen dan stevig in de drank en vaak ontspoorde dat. Wij kwamen zo regelmatig in benarde situaties terecht. In 1995 werden de Akkoorden van Dayton ondertekent, het vredesverdrag dat een einde maakte aan de Bosnische Burgeroorlog. Een van de gevolgen was dat de Kroatische troepen zich herbewapenden, waardoor af en toe de poppen aan het dansen gingen.”

Waren jullie goed voorbereid op die oorlog?

PETER: “Totaal niet. Het Belgische leger wist niet hoe ze in een oorlogszone moest opereren. De oorlog in ex-Joegoslavië is nog iets anders dan drie dagen op bivak met een geënsceneerde vijand in het Duitse oefenkamp Vogelsang. Als je op een oefening onder vuur komt te liggen, weet je dat het losse flodders zijn. Een Thunderflash maakt veel lawaai, maar is een totaal onschadelijke oefengranaat. Wij panikeerden niet als ze op het Engelse oefenterrein Otterburn vanop de overkant hun machinegeweren in onze richting begonnen leeg te schieten. In ex-Joegoslavië panikeerden we wél.”

GUY F.: “Wij landden op de luchthaven van Sarajevo met ons losse floddergeweer, zonder munitie. Op dat moment was de Bosnische hoofdstad het walhalla voor sluipschutters, maar wij waren ons van geen kwaad bewust. De klep van de laadruimte van het vliegtuig ging open en wij wandelden daar rustig naartoe om onze bagage te zoeken. Het militaire grondpersoneel reageerde als door een wesp gestoken: ‘Vertrek onmiddellijk en zoek dekking tussen die met zand gevulde containers! Het is hier levensgevaarlijk.’ In het hoofdkamp moesten we meteen onze rugzakken pakken. Ze brachten ons naar de ruwbouw van een huis. Daar leefden we vier maanden lang met veertig man. Er waren twee chemische toiletten, maar er was geen product om de uitwerpselen op te lossen. Elke dag laadden we die tanks op een jeep om ze in de bergen te gaan lozen. Onze voornaamste bescherming bestond uit rollen prikkeldraad rond het huis. Al de eerste nacht sloegen de mortieren en artilleriegranaten vlakbij in. Het cement van het plafond donderde naar beneden. Ik zat op de rand van mijn bed en dacht: ‘Fuck, wat is dit?’”

Jullie lagen allebei regelmatig onder vuur?

PETER: “Ja, en zowel de Serviërs als de Kroaten hadden geen losse flodders bij. Er kwamen échte kogels uit hun Kalasjnikovs toen ze op ons mikten. We mogen dat niet zeggen, maar ik verzeker u: we werden beschoten. Waarom we daarover moeten zwijgen? Misschien omdat we zogezegd de vrede moesten bewaren, in plaats van ze af te dwingen? We hebben ontzettend veel geluk gehad dat we er geen mensen verloren. Al scheelde het vaak geen haar. (stilte) Ik raakte ook betrokken bij zo’n incident. Achteraf besefte ik: ‘Shit, dit had zeer slecht kunnen aflopen.’”

GUY F.: “Bij latere aanvallen vluchtten wij de straat over, waar een aantal met grond bedekte garages dienst deden als primitieve schuilkelder. Soms werden we bedreigd en één van mijn collega’s flipte. Hij laadde zijn wapen en dreigde ermee onze officier af te knallen. Met veel moeite kregen we hem tot bedaren. De officier werd niet veel later ontslagen. De bierconsumptie was gerantsoeneerd tot twee pinten per man per dag, maar hij zorgde ervoor dat de bierkraan continu open bleef staan. Zo wou hij zijn manschappen kalm houden. Alleen werkte dat averechts.”

PETER: “Ik zag ook jongens flippen. Ze moesten meteen gerepatrieerd worden. U moet niet denken dat ze die jongens terugstuurden omdat ze er psychisch onderdoor gingen. Nee, ze stuurden ze terug omwille van baldadigheden en drankmisbruik.”

Ze verdronken hun miserie?

PETER: “U mag het niet voorstellen alsof iedereen er in de drank vloog. Maar sommigen wel, om het gemis van thuis te verdoven of om de ellende waarin ze beland waren te vergeten. Het hoger kader reageerde heel slecht op doorslaande militairen. Onder vijandig vuur liggen en voortdurende stress waren ‘part of the job’, alleen is niet iedereen daartegen bestand. De frustraties kwamen soms tot een kookpunt en af en toe werd er gevochten. Iemand zei iets verkeerd en hop, het spel zat op de wagen.”

DANNY VANORMELINGEN: “Militairen die te veel dronken, stuurde ik als bataljonscommandant naar huis. Op operatie in het buitenland drink je ’s avonds best niet te veel. Ik tolereerde geen zatlappen. De regel was: twee pinten. Drie keek ik door de vingers, maar in Banja Luka bekende een jongen dat hij er tien op had. Dat kon echt niet. Ik stuurde ook militairen met andere problemen naar huis. Niet als straf, maar als hulp. Ik werd daar eerst door de top voor op de vingers getikt; later hebben ze zich daarvoor verontschuldigd. Mijn operatie in Bosnië in de winter van 1998 kwam uit de lucht vallen. De dag dat ik bataljonscommandant werd, hoorde ik dat ik vier maanden later op missie moest vertrekken. Een aantal vrouwen van mijn militairen waren zwanger. Ik stuurde die jongens naar huis om hun kind geboren te zien worden. Ik gaf mensen ook toestemming om naar huis te gaan bij overlijdens. Ik kreeg als commentaar: ‘Waarom laat je iemand naar huis vertrekken voor de begrafenis van zijn grootmoeder?’ Maar wie ben ik om te bepalen hoe sterk de band is tussen een jongen en zijn oma? Sommigen waren opgevoed door hun grootouders. Ik wou niet meemaken dat iemand ging doordraaien omdat hij geen afscheid mocht nemen van een dierbare.”

BALKANHYSTERIE

PETER: “Vrij snel nadat ik terug was uit Kroatië, begon ik te merken dat er iets mis met me was. Eén fout geïnterpreteerde opmerking en ik ging totaal uit mijn dak. Conflicten loste ik in het burgerleven op zoals in het leger: met verbale en fysieke agressie. Ik sloeg mijn kot kort en klein. Vier maanden had ik in totale isolatie samen met die veertig andere jongemannen gezeten. Het was net Big Brother en zo creëerden we een band. Die onbekenden werden broers en partners in crime. Na een tijd vielen we enkel nog op elkaar terug. Terwijl ik weg was, zorgde mijn toenmalige vrouw voor onze kinderen. Zij begreep niets van die band of brothers. De verbondenheid met mijn collega-militairen was sterker dan die met mijn vrouw. Wanneer ik terug thuiskwam, wou zij haar verhaal kwijt. Ook zij maakte ingrijpende gebeurtenissen mee, maar kon bij niemand terecht. Gezinnen van militairen op missie begeleiden, is iets anders dan af en toe een familiedag organiseren. Ik wou zo snel mogelijk weer weg. Zo hopte ik van missie naar missie. Als ik niet in ex-Joegoslavië zat, was ik ergens in Europa op militair kamp. Ik kwam thuis, stak mijn vuile was in de machine, mijn vrouw streek mijn uniform, ik stak het in mijn ransel en was weer weg. Ik begreep niets meer van het gewone, dagelijkse leven.”

GUY F.: “Na terugkomst van mijn missie naar Sarajevo kreeg ik gezondheidsproblemen. Lichamelijk was ik een wrak. Ik voelde me totaal uitgeput en kreeg last van slaapaanvallen. Tijdens een gewoon gesprek viel ik van het ene moment op het andere gewoon in slaap. Ik was een gevaar op de weg, want ik viel ook in slaap achter het stuur. De diagnose van de legerdokter luidde: ‘Gebrek aan aandacht.’ Ik werd doorgestuurd naar een psycholoog; die vond verder onderzoek niet nodig. Ik ging op eigen initiatief naar de slaapkliniek. Ik moest meteen mijn rijbewijs inleveren en kreeg medicatie om de slaapaanvallen te onderdrukken. Ik had een storing in mijn neurotransmitters. Ik ontmoette collega’s die in Bosnië gediend hadden met gelijkaardige symptomen. Ook militairen op missie in Kroatië werden ziek. Sommigen kregen kanker en overleefden dat niet. Toen werd geïnsinueerd dat verarmd uranium aan de oorzaak lag van wat toen het ‘Balkansyndroom’ werd genoemd. Alleen beweren de Amerikanen dat ze nooit uranium gebruikt hebben toen wij daar waren.”

Het Balkansyndroom werd al snel ‘Balkanhysterie’ gedoopt.

PETER: “Van in het begin koos de legerleiding ervoor haar kop in het zand te steken. Verschillende mensen uit mijn regiment overleden op jonge leeftijd. Is dat toeval of was er meer aan de hand? Een van die collega’s sliep naast me. Op dat moment blaakte hij van gezondheid. Een vrolijke levensgenieter. Hij was een paar weken thuis en hij zakte ineen. Een paar jaar later was hij dood. Achteraf bleek dat ze ons gekazerneerd hadden op chemisch verontreinigde sites. ’s Nachts moesten we tijdens beschietingen regelmatig in de schuilkelder. Later werd duidelijk dat die kelder ten tijde van het communisme een opslagplaats was voor chemische troep.”

Was de legerleiding daarvan op de hoogte?

PETER: “Dat weet ik niet. ‘De legerleiding’ zijn managers die mijlenver verwijderd zijn van de werkelijke militaire wereld. Korporaals en sergeanten interesseren hen niet; dat is maar het voetvolk, het kanonnenvlees. Een officier heeft daar niets mee te maken. De onderluitenant, de pelotons-, compagnie- en bataljonscommandanten wel, want zij zijn mee op missie. Maar hun motivatie is vaak dat zo’n buitenlandse uitstap fraai oogt op hun cv. Dat is hun toegangsticket tot de generale staf in Brussel.”

VANORMELINGEN: “Ik bracht de legertop wél op de hoogte. In 2000 sprak de personeelsofficier me aan: ‘Kolonel, deze tien militairen hebben kanker. Ze dienden in de Baranja. Dat is toch eigenaardig?’ Ik was bezig aan mijn laatste twee weken als bataljonscommandant. Ik stuurde een nota naar de legertop. Want dat was inderdaad niet normaal. Ze hadden allemaal een andere vorm van kanker. Een militaire vakbond kreeg mijn nota in handen, waarna er heisa ontstond over dat vermeende Balkansyndroom. Op het moment dat ik mijn nota schreef, was één jongen overleden. Later stierven er nog twee. Ze hadden allemaal in het kasteel van Darda overnacht. Daar hing een smurrie aan het plafond waarvan vermoed werd dat die giftig was. Ik sprak later met de generaal die verantwoordelijk was voor het onderzoek. Volgens hem was er geen enkel verband.”

GUY F.: “Zoveel jaren later is het voor mij duidelijk dat PTSS een belangrijk deel van de verklaring is voor mijn symptomen. Want we kwamen in een allesbehalve alledaagse situatie terecht. De meeste mensen die later ziek werden, waren net degenen die zich op missie grote zorgen maakten.”

Was er tijdens die buitenlandse opdrachten psychologische ondersteuning?

PETER: “Nooit. Natuurlijk maakten wij geen Vietnamtoestanden mee. De PTSS van een militair die het hoofd van zijn strijdmakker ziet exploderen, zal groter zijn dan die van ons. Ik ben blij dat ik niemand van mijn vrienden heb zien afknallen. Maar in ex-Joegoslavië kwamen wij wél in gevaarlijke omstandigheden terecht. ‘Ze gaan naar een vredeszone.’ Echt? Vogelsang was een vredeszone; in ex-Joegoslavië woedde een waanzinnige oorlog.”

GUY F.: “Toen ik in het leger ging, was ik kerngezond. Pas na die missie in Bosnië werd ik ziek. Maar de legertop weigerde te erkennen dat er een verband was. De medische dienst haalde een document boven waaruit bleek dat ik in 1980 één voorschrift had gehad voor een antidepressivum. Hun conclusie luidde dat ik voorbestemd was om ooit psychisch ziek te worden. Ik vroeg: ‘Waarom zonden jullie me dan 14 jaar later naar Bosnië?’”

VANORMELINGEN: “Op missie in Bosnië in ’98 en ’99 was er een officier mee die een master psychologie gehaald had en een aalmoezenier. Iedereen die het moeilijk had, kon bij de padré terecht. Op een bepaald moment werd er vanuit België een psycholoog naar ons gestuurd om meditaties te leiden. Maar échte opvolging nadien, was er niet. Er werd wel altijd gezegd: ‘Laat het ons weten als je problemen hebt. Dan zullen we er iets aan doen.’ Het is niet zo dat Defensie haar kop in het zand stak. Alleen was de kennis over PTSS toen niet groot.”

PETER: “Ik raakte mijn gezin kwijt door mijn agressieve gedrag als gevolg van die missies. Ik kreeg mijn compleet onvoorspelbare reacties ook aan niemand uitgelegd. Bij mijn oversten moest ik al helemaal niet aankloppen. PTSS wordt gezien als een vorm van zwakte. Misschien terecht, want op de keper beschouwd ís het ook zwakte: dat wil zeggen dat je niet geschikt bent voor je job.”

Wil dat niet gewoon zeggen dat je een traumatische gebeurtenis niet verwerkt krijgt?

PETER: “Zeker, maar van een beroepsmilitair wordt verwacht dat hij in alle omstandigheden kan opereren. Daar heeft hij ooit zelf bewust voor gekozen. Een militair zal zelden of nooit tijdens een missie tegen andere leden van de groep zeggen: ‘Ik heb het moeilijk.’ Je bent jong, fit, getraind en straalt actie uit. Dan begin je in de bar niet te kniezen: ‘Ik wil naar huis, want ik mis vrouw en kinderen.’ Ik miste mijn gezin verschrikkelijk hard. Ik heb mijn kinderen niet zien opgroeien.”

Omdat u continu bij uw wapenbroeders wou zijn?

PETER: “Omdat ik geen andere keuze had. Als infanterist moést ik op missie en al die kampen meedoen. Daar vrijstelling voor vragen, stond gelijk met als watje afgeserveerd te worden. We mochten niet onderdoen voor de para’s. De groepsdruk was gigantisch; de machocultuur in het Belgisch leger is enorm. Ik beschouwde mijn gezin niet meer als mijn thuis, maar mijn bataljon.”

VANORMELINGEN: “Ik trad altijd hard op tegen de machocultuur. Normaal wordt het kenteken op de muts gedragen boven het linkeroog. Sommigen hingen de Rambo uit en droegen het kenteken boven hun linkeroor. Ik wees hen dan terecht: ‘Hier zijn geen Rambo’s. Gedraag je normaal.’ Ik liet ook meermaals verstaan: ‘Hier wordt niet gepest. Pesters vliegen naar huis.’”

PETER: “Uiteindelijk liet ik me nog niet zolang geleden opnemen. Drie weken lang zat ik in de psychiatrie. Er zijn nog nachten dat ik badend in het zweet wakker word. Door die zaak met Jürgen komen mijn demonen uit het verleden terug. Er zijn momenten waarop ik begin te wenen. Niet alleen voor wat er gebeurd is, maar ook voor wat ik in die jarenlange nasleep anderen heb aangedaan.”

*Peter is een schuilnaam. Zijn echte naam is bekend bij de redactie. Guy F. wil liever niet met zijn volledige achternaam in Humo.

© Jan Stevens

‘Velen beseffen niet meer wat vrijheid betekent’

Ayan Mohamud Yusuf werd heel even het mikpunt van misplaatste spot op De ideale wereld. Zelfa Madhloum wordt continu belaagd door trollen op sociale media. “Ondanks alles blijven we geloven in de goedheid van de mens.”

Zelfa Madhloum (32) en Ayan Mohamud Yusuf (40) ontmoeten elkaar voor het eerst op een Brussels terras. “We kenden elkaar niet”, zegt Zelfa, woordvoerster bij Open VLD. “U brengt ons samen”, lacht Ayan, medewerkster op het kabinet van Vlaams minister-president Jan Jambon (N-VA). “Maar ik ben verder niet politiek actief”, benadrukt ze. Haar levensverhaal schreef ze neer in het vorig jaar verschenen boek Op zoek naar vaste grond.

Eind 1996 arriveerde Ayan als bijna 17-jarig meisje vanuit Somalië in België. “Mijn land werd geteisterd door oorlog. Ik reisde met het gezin van een oom. Ik zag enkel witte mensen en ik wist: ‘Dit is hier zeker niet Afrika.’ Ik kreeg onderdak in het Klein Kasteeltje. Ik heb daar goede herinneringen aan, want er werd goed voor ons gezorgd en ik moest niet langer vluchten. Toch was het pijnlijk en droevig om zonder ouders op een plek terecht te komen waar ik niemand kende.”

Zelfa Madhloum is geboren in Antwerpen. “Mijn ouders kwamen in 1988 in België aan. Ze wilden weg van het Irak van dictator Saddam Hoessein en verlangden naar vrijheid.”

Waarom vluchtte Ayan samen met haar oom?

Ayan Mohamud Yusuf: “Ik heb een ernstige oogziekte en was daardoor al veel eerder van vader en moeder gescheiden. Mijn mama vertrouwde me aan mijn oom toe omdat hij een dokter kende die dacht mijn ogen te kunnen redden. Maar de oorlog gooide roet in het eten. Die eerste maanden in Brussel voelde ik me eenzaam. Mama was er niet om me te troosten en zoiets halen we nooit meer in. Zij was àlles voor mij; ik was een echt moederskindje. Mijn papa is inmiddels gestorven, maar mijn mama is er nog. Na de dood van vader ging ik haar in Ethiopië halen. Ze woont nu bij ons.”

Zelfa Madhloum: “Mijn grootvader migreerde eerst naar België. In het Midden-Oosten was hij importeur van Belgische voertuigen. Onder Saddam kwam er een handelsembargo, waardoor hij zijn zaak noodgedwongen moest stopzetten. Hier in België stampte hij een handelsfirma uit de grond. Ik groeide op in Puurs. Mijn ouders kwamen naar België om hun kinderen kansen te geven die er in de dictatuur van Saddam niet waren. Mijn moeder werd op zeer jonge leeftijd uitgehuwelijkt. (stilte)”

Uw ouders waren nog kinderen?

Zelfa: “Ik heb nog heel jonge ouders. (lacht) Ik heb drie zussen en een broer. Mama is 55 en mijn oudste zus is 41. Ondanks hun traditionele tienerhuwelijk zijn mijn ouders nog altijd samen. Ze vonden elkaar en werden een gelukkig echtpaar. Het had ook totaal anders kunnen uitdraaien. Hun geluk was dat het leeftijdsverschil niet zo groot is.

“Begin jaren 80 brak de oorlog tussen Iran en Irak uit en mijn papa moest naar Iran. Mama bleef alleen achter, zwanger van haar tweede kind. Op een bepaald moment ging de grens tussen beide landen dicht. Mijn ouders hadden geen enkel contact meer en konden zelfs geen brieven schrijven. Na enkele jaren verklaarde haar familie mijn vader dood en wou dat ze hertrouwde. Ze weigerde, want ze bleef geloven dat hij niet gesneuveld was. Ze kreeg gelijk. In 1984 kwam een eerste teken van leven. Later stuurde papa iemand om mama samen met de kinderen de grens over te smokkelen naar Iran. Tien dagen lang sjokten ze op een ezeltje door de bergen, terwijl de oorlog rond hen woedde. Na vijf jaar zagen mama en papa elkaar terug. Ik ben hun love baby. (lacht) Meteen na hun hereniging vertrokken mijn ouders naar Syrië, om van daaruit verder te reizen naar België. Mijn oudste zus was vijf toen ze haar papa voor het eerst zag. De ellende die Ayan als kind meemaakte, moest mijn mama doorstaan.”

Ayan: “Je moeder heeft jullie gered. Wij woonden in het centrum van de Somalische hoofdstad Mogadishu toen de oorlog uitbrak. We hoorden explosies en onze ouders vertelden ons dat er een feestje was. Ze wilden het oorlogsgeweld zo ver mogelijk van hun kinderen weghouden. Mijn moeder had de oorlog in Noord-Somalië meegemaakt en overleefd. Ze wilde ons beschermen. Ik ben haar er dankbaar voor dat ik me lang niet bewust was van wat er echt aan de hand was. Tot die dag dat een man voor mijn ogen stierf. Maar van de grootste gruwel bleef ik dankzij mijn ouders gespaard. Veel andere Somalische kinderen hadden niet dat geluk. Daarom vind ik dat ik niet het recht heb om over mijn situatie te klagen of zagen.”

Wordt er in België veel ‘geklaagd en gezaagd’?

Ayan: “Toch wel. Veel Belgen leiden een prachtig leven, zeker in vergelijking met waar ik vandaan kom. In dit land is er vrijheid en mag je zeggen wat je wil. Als ik dan weer iemand hoor zeuren, denk ik soms: ‘Ik zou je eens een week moeten meenemen naar de ellende die ik ontvluchtte.’ Maar aan de andere kant: die mensen hebben nooit oorlog meegemaakt, dus hebben zij het recht om te zagen en klagen over wat zij als ellende ervaren.

“Ik heb mijn ouders lange tijd niet gezien en dat was vreselijk. Maar sommige kinderen verliezen hun ouders voorgoed. Dat is nog vreselijker. Daarom probeer ik begrip te hebben voor het verhaal van elke medemens, hoe moeilijk dat soms ook is. Ik ben dankbaar dat ik adem en leef. Vandaag lijken velen niet meer te beseffen wat dankbaarheid precies inhoudt.”

Zelfa: “Ze lijken ook niet meer te beseffen wat vrijheid betekent.”

Ayan: “Dat is juist. Ik durfde pas écht te spreken toen ik zo oud was als jij nu, een prille dertiger. Ik was bang voor de reacties. Tot ik besefte: ik ben vrij om te zeggen hoe ik me voel en wat ik denk. Ik wil niemand kwetsen, maar ik claim wel de vrijheid om mijn verhaal te vertellen.”

Zelfa: “We vergeten soms dat vrijheid niet vanzelfsprekend is, maar iets waarvoor gevochten en gestreden is. Ik ben heel dankbaar dat ik hier geboren ben en alle kansen krijg om iets van mijn leven te maken. Ik heb nog een goed contact met mijn familie langs moederkant in Irak. Mijn nichtjes leven er in erbarmelijke omstandigheden. Ze wachten tot ze kunnen trouwen om dan hun vrijheid op te eisen.”

Vrijheid in een gearrangeerd huwelijk?

Zelfa: “Trouwen met een man is hun enige weg naar onafhankelijkheid. Ze hebben geen enkel ander perspectief. In Irak piekt de werkloosheid torenhoog en is de overheid corrupt. Ik krijg hier zoveel kansen die ik allemaal wil en moét grijpen. Ik mág gewoon niet bij de pakken blijven zitten. Ik begrijp heel goed wat Ayan daarnet zei over dankbaarheid.”

Ayan: “Dankbaar zijn wil niet zeggen dat je iemands voeten moet kussen. Maar ik ken verhalen van meisjes die op hun 13e uitgehuwelijkt werden aan een man van 60. Dan ben ik verdorie blij én dankbaar dat ik in België leef.”

Jullie hebben allebei de Belgische nationaliteit. Hebben jullie het gevoel dat de meeste andere Belgen jullie ook als Belg zien?

Zelfa: “Mijn identiteit is meerlagig. In Puurs zeg ik dat ik van Breendonk kom en in Parijs dat ik een Europeaan ben. In New York stel ik mezelf voor als Belg. In Irak vinden ze me dan weer een buitenlander. Mijn moedertaal is het Nederlands, ik ben getrouwd met een Vlaming en met mijn zoontje spreek ik Nederlands.”

Ayan: “Ik ben getrouwd met een Limburger uit Nederland.”

Zelfa: “Ik vier Kerst bij de familie van mijn man en hij viert het Suikerfeest bij mijn familie. We voeden onze kinderen vrij op. Ze mogen later zelf kiezen waarin ze willen geloven. De relatie met mijn man is zeer harmonieus; we respecteren elkaars cultuur en familie. Eigenlijk zijn wij een voorbeeld van hoe het er in de maatschappij zou moeten aan toe gaan.”

Ayan: “Jullie accepteren elkaar. Zo zou dat inderdaad ook in de samenleving moeten zijn. Ik beschouw mezelf als Vlaming en Belg. Als iemand anders mij met de nek aankijkt, is dat zijn probleem.”

U voelt dat dan natuurlijk wel.

Ayan: “Als ik zoiets aanvoel, kaats ik nooit hetzelfde gevoel terug. Ik zal dan tonen dat ik hier woon en leef. Ik ben óók Belgische. Door op sommige uitlatingen van anderen op eenzelfde manier te reageren, zet ik mezelf op hetzelfde niveau. In die val wil ik niet trappen. Ik probeer altijd positief te blijven. Zelfs als opmerkingen van anderen écht pijn doen en ik amper mijn tranen kan bedwingen, denk ik: ‘Waarom geeft die man of vrouw me dat gevoel? Waarom vindt hij of zij dat ik hier niet thuishoor?’ Ik probeer de andere te begrijpen.”

Zelfa: “Maar intussen verhardt en verruwt de toon in de samenleving. Voor sommigen zijn sociale media een vrijgeleide voor cyberpesten, racisme, belaging en bedreiging. Door de anonimiteit van het internet lijkt het alsof alle remmen los zijn.”

U maakt dat nu zelf mee?

Zelfa: “Ik word al maanden belaagd en bedreigd, met als gevolg dat ik bijna niets meer durf te zeggen. Na elke tweet of post krijg ik een heel trollenleger op mijn dak. Ze schelden me uit en schrijven dat ik terug moet naar mijn land. Als ik een foto van mijn gezin op Facebook zet, reageren de anonieme trollen meteen. Sommigen sturen me via Messenger persoonlijke haatberichten. Iemand mailde: ‘Als ik van jou was, kwam ik niet buiten. Loop overdag en ’s avonds niet meer alleen over straat.’

“De vrijheid van meningsuiting gebruiken om anderen te intimideren, belagen, bedreigen en de mond te snoeren, is niet mijn visie op vrijheid. De individuele vrijheid eindigt waar die van een ander begint. Het vreselijke is dat het ontzettend moeilijk is om iets te ondernemen tegen onlinebelaging en -bedreiging. De haat richt zich op mijn persoonlijkheid. Ik word herinnerd aan mijn ‘andere afkomst’, terwijl ik mezelf helemaal niet als ‘anders’ beschouw. Net als Ayan ben ik Vlaming en Belg. Maar anderen tweeten of mailen continu: ‘Jij hoort niet bij ons.’”

Ayan: “Maar Vlaanderen is toch meer dan die trollen op Facebook of Twitter? Ik geloof heel sterk dat er een silent majority is die wél voor een inclusieve samenleving is.”

Misschien moet die silent majority zich eens luidkeels roeren?

Zelfa: “De stille meerderheid zwijgt omdat ze bang is om ook in het vizier van de belagers te komen. Kijk wat vandaag enkele journalisten overkomt: ze schrijven een paar kritische stukken en krijgen online haatberichten. Zelfs de voorvechters van het vrije woord worden aangevallen. Ik vind echt dat iedereen moet kunnen zeggen wat hij wil, ongeacht zijn politieke overtuiging. Maar mensen belagen en met de dood bedreigen, is toch andere koek. Moet de samenleving zoiets blijven tolereren?”

Ayan: “Misschien heb jij daar nu zoveel last van omdat je in de politiek zit?”

Zelfa: “Dat is niet de enige verklaring, Ayan. Natuurlijk is politiek een harde wereld, maar als voetbalscheidsrechter word ik ook zowel op als naast het veld voortdurend aangevallen.”

U getuigde daarover in FC United, de docureeks op Canvas over racisme in het Belgische voetbal.

Zelfa: “Het is echt hallucinant wat tijdens een jeugdwedstrijd sommige ouders uitkramen en schrijnend om te horen wat spelertjes op het veld elkaar toe roepen.”

Ayan: “Die kinderen nemen de woordenschat van hun ouders over. Daarom zijn die ouders verantwoordelijk en niet hun kinderen. Ik vind het afschuwelijk dat jij via sociale media bedreigd en belaagd wordt. Ik hoop dat mij dat nooit overkomt.”

Zelfa: “Ondanks die bagger blijf ik optimistisch én blijf ik geloven in de goedheid van de mens. Ik raak mijn vechtlust niet zomaar kwijt; die is me met de paplepel meegegeven. Mijn vader wou dat zijn dochters opgroeiden tot sterke, onafhankelijke vrouwen. Hij motiveerde ons om te studeren en onze eigen carrières uit te bouwen. Dat rendeerde: al zijn kinderen haalden een diploma. Wij doen keihard ons best en tóch wordt er ook tegen ons gezegd: ‘Keer terug. Je hoort er niet bij.’ Wat krijgen al die andere mensen van kleur dan te horen die door pech of slechte omstandigheden er niet in slagen de maatschappelijke ladder te beklimmen?”

Ayan: “Niet iedereen timmerde even hard aan zijn persoonlijke weg als wij, Zelfa. Onder de vluchtelingen in het Klein Kasteeltje zaten ook een paar profiteurs. Onmiddellijk na mijn aankomst in België begon ik de taal te leren en ging ik werken. Ik klopte nooit aan bij het OCMW. In elke groep vind je zowel goede als rotte appels.”

Zelfa: “Je hebt gelijk Ayan, en misschien moeten we meer aandacht besteden aan de positieve voorbeelden in de samenleving. Mijn ouders zijn mijn rolmodellen. Als zelfstandige ondernemers hebben ze nooit van een uitkering geleefd. Mama hielp papa in zijn zaak. Op haar 55e baat ze nu haar eigen winkel uit. Dat is toch mooi?”

Ayan: “Zeker. Daarom ben ik ook zo dankbaar dat dat hier allemaal mogelijk is. Dat sommigen jou zo haten, vind ik echt verschrikkelijk. Maar racisme bestaat niet enkel in Vlaanderen. Je vindt het over de hele wereld, óók in Afrika. Het is iets universeels. Toen het satirische tv-programma De ideale wereld mij niet zo lang geleden op de korrel nam, vonden velen dat grappig, terwijl dat bij mij keihard binnenkwam. Daarna kreeg ik mails van mensen die me verweten een dramaqueen te zijn.”

Ze begrepen niet dat u gekwetst was door dat fragment waarin u werd voorgesteld als zwarte dienstmeid van machtige witte mannen?

Ayan: “Ik heb geen probleem met comedy; ik hou er zelfs van. Maar dat is nog iets anders dan iemand in zijn diepste wezen raken. Daarna kwamen die e-mails van mensen die zich duidelijk erg gefrustreerd voelden. Maar wat we ons misschien écht moeten afvragen, is: wat is de oorzaak van al die frustraties?”

Zelfa: “Is het niet gewoon hoog tijd dat we een kat een kat noemen? De uiterste extremen zitten in de lift. Extreemrechts zet groepen tegen elkaar op en doet niets anders dan stigmatiseren, polariseren en massaal fake news verspreiden. Veel mensen weten niet langer wat waar of onwaar is. Nepnieuws is een gigantisch probleem, want het zet een turbo op de polarisering. Veel mensen geloven de onzin die verspreid wordt via sociale media. Dat is toch verontrustend?”

Is daar nog een dam tegen op te werpen?

Ayan: “Ik vrees van niet. Soms ben ik blij dat ik nog geen kinderen heb als ik zie wat er allemaal op TikTok wordt uitgezonden.”

Zelfa: “Mijn zoontje kan gelukkig nog niet lezen wat er allemaal over zijn moeder op het internet geschreven wordt. Ik hoop echt dat mijn kinderen die bagger nooit onder ogen krijgen.”

Ayan: “Jij richt je pijlen op extreemrechts, maar er is ook nog extreemlinks. Ook zij polariseren en gebruiken dezelfde technieken. We moeten dringend weg van de extremen; ik wil er alleszins niets mee te maken hebben. We moeten resoluut naar het centrum. Al geloof ik niet dat al degenen die voor extreemlinks of -rechts stemmen, zelf donkere gedachten koesteren. We moeten onderzoeken waarom zij zich aangesproken voelen tot de standpunten van extremisten.”

Sinds de eerste ‘zwarte zondag’ in 1991 weerklinkt dezelfde boodschap: ‘We moeten oor hebben voor het ongenoegen in de samenleving, dat bestuderen en de kiezers proberen te begrijpen’. Ondanks alle begrip, boomt radicaal rechts als nooit tevoren.

Ayan: “Je kan urenlang naar iemand blijven luisteren, maar op het einde moet je er natuurlijk ook iets mee aanvangen.”

Zowat een derde van het beruchte 70-puntenplan van het Vlaams Blok is inmiddels omgezet in beleid.

Ayan: “Oké, maar een van de verklaringen van het huidige succes van zowel extreemlinks als -rechts, is misschien de coronacrisis. We leven al meer dan een jaar in moeilijke omstandigheden, waardoor velen extra gefrustreerd raken. Een deel van die opgekropte woede zal verdwijnen van zodra de samenleving normaliseert. Al maak ik me ook grote zorgen over de economische weerslag van corona. Want die moeten we nog verwerken, met ondernemers die hun zaak verliezen en mensen die hun huis kwijtraken.”

Zelfa: “Eén van mijn beste vriendinnen vertelde me dat ze overweegt om bij de volgende verkiezingen voor het Vlaams Belang te stemmen. Ik schrok, maar ik respecteer haar keuze.”

Ayan: “Je kunt niet altijd iedereen tevreden houden. Ik werkte eerst als kabinetsmedewerker bij CD&V-ministers. Toen ik aan de slag ging op N-VA-kabinetten kreeg ik een mail: ‘Ayan, vijftien jaar lang was ik bevriend met je. Dat stopte toen je voor de N-VA ging werken.’”

Dan was dat toch nooit een échte vriendschap?

Ayan: “Natuurlijk niet. Ik heb inmiddels geleerd: wat ik ook onderneem, altijd loop ik het risico iemand ongewild te kwetsen. Dus probeer ik gewoon mezelf te zijn. Ik ben een mens, wat wil zeggen dat ook ik me soms gekwetst voel. Vroeger toonde ik dat nooit, nu wel. De Ayan van tien jaar geleden was nooit beginnen huilen in het bijzijn van de ministers van de Vlaamse regering. Nu vloeiden mijn tranen na die uitzending van De ideale wereld. Ik ben fier dat ik eindelijk mijn verdriet durf te tonen. Tegelijkertijd vind ik mezelf zwak. En dat doet pijn. Ook nu nog, zoveel weken later. Zelfa kreeg al verschillende keren te horen: ‘Vertrek naar je eigen land.’ Ik prijs mezelf gelukkig dat nog nooit iemand dat naar mij riep. Waarom roepen mensen zoiets?”

Misschien toch vanuit plat racisme? Een vriend met Tunesische roots vertelde me dat hij in Antwerpse cafés zeer vaak denigrerende opmerkingen naar het hoofd geslingerd krijgt.

Ayan: “Dat is inderdaad afschuwelijk. Maar toch is racisme niet iets exclusief wit.”

Zelfa: “Racisme is er ook in het Midden-Oosten, Afrika of Azië.”

Ayan: “Als ik in de zomer naar mijn werk op het Brusselse Martelarenplein wandel, roepen Marokkaanse jongens me toe: ‘Hey, sexy aapje.’”

Zelfa: “Vreselijk.”

Ayan: “Toch haat ik die jongens niet. Ze weten niet beter. Ik gun hun geen blik en wandel verder. Vandaag moet je als vrouw continu opletten. Draag je een hoofddoek, beschouwt de ene je als onderdrukt. Draag je er geen, ben je voor de andere een hoer. Beste mensen, laat mij kiezen wat ik wil. Waarom al die vijandigheid? We hebben elkaar nodig.”

Zelfa: “Heel juist. We behoren tot dezelfde samenleving: allemaal samen moeten we er iets van maken.”

© Jan Stevens

‘De techgiganten moeten dringend aan banden’

Economist Jan Eeckhout onderzoekt de groeiende marktmacht van grote technologiebedrijven. Hij bracht in kaart hoe de voorbije 40 jaar hun marges verdrievoudigden. Ondanks hun stijgende winsten, staan de lonen van werknemers onder druk. “Niet enkel bij de internetgiganten zelf, ook bij andere bedrijven. De middenstand kwijnt weg.”

In de rechtbank van Oakland in Californië kruisen technologiereuzen Epic Games en Apple de degens. Epic Games, maker van het razend populaire videogame Fortnite, wil dat Apple de greep op zijn App Store lost. Wie een app via die App Store wil verkopen, moet 30 procent commissie aan Apple betalen. Volgens Epic Games bezondigt Apple zich zo aan oneerlijke concurrentie, want voor haar eigen apps heft ze geen ‘Apple-taks’. Apps voor iPhones en iPads kunnen enkel via de App Store gedownload worden. Epic Games beschuldigt Apple ervan misbruik te maken van haar gigantische marktmacht en zich te gedragen als een monopolist.

Professor economie Jan Eeckhout bestudeert aan de universiteit van Barcelona al jaren de groeiende marktmacht van grote technologiebedrijven zoals Apple. Samen met de Leuvense econoom Jan De Loecker bracht hij in kaart hoe tussen 1980 en 2016 hun winstmarges verdrievoudigden tot bijna 70 procent. In zijn boek The Profit Paradox beschrijft Eeckhout hoe ondanks die snel stijgende winst de lonen van werknemers zwaar onder druk staan. Niet alleen bij de internetgiganten, maar ook bij veel andere bedrijven.

“Als je als verkoper online je producten wil verhandelen, ga je op zoek naar die plekken waar er veel kopers te vinden zijn”, zegt hij. “Dan kom je al snel terecht op een platform als Ebay. Want dat is een grote netwerkmarkt waar zeer veel kopers rondneuzen. Zij komen er graag omdat er zowat alles te vinden is en de verscheidenheid groot is. Wie naar een balpen op zoek is, vindt er alle soorten en merken in alle kleuren en maten. Netwerkmarkten of platformen brengen zoveel mogelijk vraag en aanbod bij elkaar. Hoe groter de markt, hoe efficiënter ze wordt. Al die kopers en verkopers op één groot platform samen, levert schaalvoordelen op.”

Dat klinkt toch alleen maar positief?

“Op het eerste gezicht wel, want op dat platform zelf is er enorm veel concurrentie. Alleen is die er buiten en rond het platform zo goed als niet. In 1998, drie jaar na de lancering van Ebay, ging Yahoo met iets gelijkaardigs van start: Yahoo! Auctions. Op dat moment was Yahoo de meest populaire zoekmachine. Maar met Yahoo! Auctions slaagden ze er nooit in om 5 procent van de onlineveilingmarkt in te palmen. Ze kwamen te laat: Ebay had zo goed als alles al ingepikt. Volgens sommigen is die overmacht van Ebay het gevolg van hun ‘superieure technologie’: ‘Als veilingsite zijn zij gewoon de allerbeste. Yahoo kan daar niet aan tippen.’ Misschien is dat juist, alleen werd Yahoo! Auctions in Japan wél een doorslaand succes. Daar hebben ze 90 procent van de markt in handen. Dat komt omdat zij daar eerst waren en Ebay er pas later begon.”

Wie tijdens die hele digitale omwenteling met zijn digitale dienstverlening of platform de eerste was, plukt daar nu de vruchten van?

“Die heeft alles: the winner takes it all. Het paradoxale is dat die winnaars zowel veel concurrentie opwekken, als ze helemaal platslaan. Op Ebay beconcurreren de vele verkopers continu elkaar alsof hun leven ervan afhangt. Maar het grote platform zelf is anticompetitief.

“De App Store van Apple en Google Play van Google zijn ook zo’n netwerken of platforms. Epic Games moét zijn apps op de App Store kunnen aanbieden, want anders mist het een groot deel van de verkoop. Apple is zich daar zeer goed van bewust en vraagt daarom ook die stevige commissie van 30 procent. De bazen van Apple stellen: ‘De App Store is ónze eigendom en ónze winkel. Daar doen wij onze zin.’ Toen Epic Games de commissie probeerde te omzeilen, gooide Apple de Epic-spelletjes meteen de winkel uit. Dé vraag is of de samenleving gediend is met monopolisten die in het geval van Apple 30 procent en in het geval van Ebay 9 procent commissie vragen.”

Is Amazon hét prototype van de succesvolle technologiegigant?

“Net als Ebay heeft Amazon een netwerkstructuur. Dat werkt in hun voordeel: hoe groter je netwerk, hoe efficiënter je wordt. Maar in tegenstelling tot Ebay is Amazon niet enkel een platform: het verzorgt distributie en heeft zijn eigen magazijnen. Zowel Apple als Amazon halen nu enorm veel voordeel uit hun jarenlange grote investeringen in ‘bricks and mortar’. Het klopt dat Amazon jarenlang de verliezen opstapelde, alleen paste dat in de strategie van topman Jeff Bezos om continu te herinvesteren, te groeien en zo meer marktmacht te verzamelen. Bezos gokte en won: na vijftien jaar verliezen incasseren, kreeg zijn bedrijf zoveel marktmacht dat de kassa begon te rinkelen. Hij won de race om de eerste te zijn en werd zo de koning te rijk. Al zijn er naast Amazon ook talloos veel voorbeelden van dotcom-bedrijven die rond 2000 als een zeepbel uiteen spatten, ook al was er in de jaren 90 massaal veel geld in geïnvesteerd.

“Netwerken eindigen zo goed als altijd met één grote speler waar de kleine spelers niet tegenop kunnen. Ofwel wordt het een onvervalst monopolie, ofwel één gigant omringd door talloos veel kleintjes die te zwak zijn om te concurreren. Ondernemingen zoals Amazon zetten hun technologie in om steeds efficiënter te worden. Tezelfdertijd gebruiken ze diezelfde technologie om de concurrentie klein te houden. De toenemende efficiëntie zorgt voor minder kosten, alleen komen die besparingen niet ten goede van de klanten. Omdat er toch geen concurrenten meer zijn, hebben ze de handen vrij om efficiëntiewinsten zelf op zak te steken.”

Dat is de profit paradox, de winstparadox uit uw boek?

“Ja, en zo groeit het onevenwicht. Het Japanse Rakuten probeert Amazon het vuur aan de schenen te leggen, alleen lukt dat in de VS en Europa niet al te goed. Stel dat het hen tóch zou lukken, dan komen we natuurlijk in een ander verhaal terecht. Want dan wordt de prijszetting bij Amazon bijna automatisch veel competitiever. In plaats van een monopolie, komt er dan een duopolie, wat nog niet hetzelfde is als vrije concurrentie.”

Zijn we door de digitale revolutie in een wereldeconomie beland die bepaald wordt door monopolisten?

“Gedeeltelijk wel. Misschien hebben we het beter over een oligopolie, waarin producten of diensten door een paar grote ondernemingen worden aangeboden. Want het is niet zo dat alles in handen is van één grote monopolist. Er is altijd wel een vorm van concurrentie, zo wordt Amazon in de VS uitgedaagd door Walmart. Alleen is het véél minder dan vroeger.

“Een bedrijf als Amazon scoort zeer goed: het heeft een hoge marktwaarde en maakt veel winst. Niemand lijkt zich af te vragen of dit ook goed is voor de samenleving, de klant en de werknemer. Intussen hebben niet enkel techbedrijven zeer veel machtmarkt. Hetzelfde speelt zich af in de textiel en de gezondheidszorg: in alle sectoren neemt de marktmacht toe. Daardoor stijgen zowat alle prijzen en wordt er minder geproduceerd. Ons onderzoek bracht in kaart dat als gevolg van die marktmacht de lonen dalen.”

Geldt dat voor de lonen van zowel hoger-, midden als lageropgeleiden?

“De zeer hoogopgeleiden ontspringen de dans: zij genieten vaak van formules die hen laten delen in de winst. Wie in het hoofdkantoor van Google of Facebook werkt, verdient dus aardig zijn boterham. In totaal zijn dat misschien 2000 werknemers; een fractie van de honderdduizenden mensen die ze rechtstreeks of onrechtstreeks tewerkstellen. Het gaat trouwens niet enkel over Google, Apple of Facebook. Net omdat vandaag zoveel ondernemingen in alle sectoren op dezelfde leest geschoeid zijn, is de impact op de lonen zo groot.

“Het is niet zo dat ondernemingen zoals Google, Facebook of ’s werelds grootste modeconcern Inditex hun werknemers slecht behandelen. Iedereen wil dolgraag voor Google en Inditex werken. Maar de grote marktmacht van die bedrijven heeft wel ernstige gevolgen voor de vraag naar arbeid in de rest van de economie en onderdrukt de lonen.”

Zorgt de platformeconomie ook niet voor het razendsnel uithollen van sociale rechten? Veel mensen worden in een freelancestatuut gedwongen en moeten instaan voor hun eigen sociale zekerheidsbijdragen. Alleen lukt dat met hun uurloon nooit. Moeten de winsten ook niet geïnvesteerd worden in fatsoenlijke werknemersstatuten?

“Ja, al is het natuurlijk ook niet zo dat àlle techbedrijven succesverhalen zijn. Een paar boeren zeer goed, maar de meeste presteren ondermaats. Een handvol ondernemingen boekt enorme winsten, terwijl de rest de voorbije dertig jaar zijn winst zag afkalven. De Amerikaanse aandelenindex S&P 500 gaat door het dak. ‘Wow, de economie draait als gek.’ Nee, die 500 bedrijven van S&P doen het goed. Die index zegt niets over de miljoenen andere Amerikaanse ondernemingen die amper het hoofd boven water houden.

“Een verontrustend gevolg van de druk op de lonen is dat de middenstand aan het wegkwijnen is. De geschiedenis leert ons dat we daar best niet lichtzinnig mee omgaan. Na de nederlaag van nazi-Duitsland in 1945, beslisten de Duitse politici om ‘der Mittelstand’ terug centraal te stellen. Conglomeraten die de nazi’s gesteund hadden, zoals Krupp, werden gereorganiseerd. Kleine bedrijven kregen stimulansen en de groten moesten ontmantelen. Want de nieuwe Duitse generatie politici kende de gevaren van te veel macht in de handen van te weinig economische spelers. Ze legden zo ook de basis voor hun naoorlogse Wirtschaftswunder.”

Leven we nu in gevaarlijke tijden?

“Ik vind van wel. De machtmarkt van dat handvol grote bedrijven zorgt voor een neerwaartse loondruk waar 80 procent van de werkende bevolking de gevolgen van draagt. Ook de mensen die níet voor giganten als Google werken, worden nu matig tot veel te weinig betaald. De top van die technologiebedrijven stapelt intussen de rijkdom op dankzij bonussen en winstdelingsprogramma’s. Dat zorgt voor ongenoegen en polarisering in de samenleving. Het is niet voor niets dat populistische partijen de wind in de zeilen hebben. Het protest van de gele hesjes en de brexit kwamen niet zomaar uit de lucht vallen.”

Hoe perken we de macht van die techmonopolisten en -duopolisten best in?

“Door regelgeving. We kunnen iets leren van hoe we de telecomproviders hebben ‘aangepakt’. Ik woon en werk afwisselend in Spanje en de VS. Hier in Barcelona heb ik een telecomabonnement bij Movistar; in Amerika bij AT&T. In de States betaal ik drie keer zoveel voor exact hetzelfde: onbeperkt bellen en onbeperkte data. In het goedkopere Spanje krijg ik er ook nog extra diensten gratis bovenop die me in de VS 20 dollar per maand kosten. De Europeanen hebben die lagere prijs te danken aan regelgeving die telecombedrijven ertoe verplicht hun zendmasten tegen een redelijke prijs open te stellen voor concurrenten uit andere landen. Zo is het Spaanse Movistar bijvoorbeeld verplicht betaalbare toegang tot zijn zendmasten te verlenen aan het Britse Vodafone. De Britten hoeven die in Spanje niet zelf te bouwen. Ze steken de stekker in het stopcontact en zijn meteen actief. Die Europese regulering geeft de concurrentie onder telecomproviders een stevige boost, waardoor de prijzen zakken. In heel Europa bieden bijna 150 ondernemingen telefoon- en dataserervice aan. In de VS zijn het er welgeteld 3. Proximus en Telenet hebben in België de voorbije decennia stevig geïnvesteerd in hun netwerken. Nieuwkomers hoeven die investeringen niet opnieuw te maken. De Europese regelgeving zorgt ervoor dat ze een faire groothandelsvergoeding voor het gebruik van die bestaande netwerken betalen en geen woekertarief.”

Als we de Googles en Amazons van deze wereld willen aanpakken, moeten we op wereldschaal regelgeving opleggen? Dat is toch quasi onmogelijk?

“Dat lijkt zeer lastig, toch geloof ik dat het mogelijk moét zijn om wereldwijd te coördineren. Voor patenten bestaat er internationale regulering, waarom zou dat dan op andere domeinen ook niet kunnen? Ik geloof echt dat we de monopolisten van vandaag met behulp van antitrustwetgeving en regelgeving aan banden kunnen leggen.

“Verplichten om op te splitsen, is dan weer niet altijd een even goed idee. In het geval van Facebook met Whatsapp en Instagram wel, want die bedrijven hadden nooit door Mark Zuckerberg overgenomen mogen worden. Maar als Amazon in stukken wordt gehakt, zal het efficiëntievoordeel van dat grote netwerk verloren gaan. Dan gooien we het kind met het badwater weg. Net als bij de grote telecomproviders zou ook Amazon verplicht kunnen worden om anderen tegen een faire vergoeding gebruik te laten maken van hun netwerk.”

Hadden we niet veel eerder moeten ingrijpen? Vandaag zijn Microsoft, Apple, Facebook, Google en Amazon uitgegroeid tot machtsblokken die zich niet zomaar gewonnen geven.

“Waarschijnlijk wel, maar de technologie veranderde zo snel dat we het niet op tijd in de gaten hadden. Die bedrijven startten allemaal op het juiste moment. Ebay ging online in september 1995. Als ze een jaar later begonnen waren, hadden wij nu misschien over hen gepraat zoals over Yahoo! Auctions. Mark Zuckerberg legde de fundamenten voor Facebook in 2003. Als hij een jaar later in gang was geschoten, had hij de boot gemist. Dat was trouwens niet anders tijdens de industriële revolutie tussen 1890 en de Eerste Wereldoorlog. Er vond toen ook op zeer korte tijd een enorme omwenteling plaats door de trein, elektriciteit, telegraaf, telefoon en olie. De winnaars van toen waren figuren als John D. Rockefeller en John Pierpont Morgan. Zij werden in korte tijd zeer dominant. Veel fortuinen die toen opgebouwd werden, bestaan nog steeds.”

Zou het kunnen dat in vergelijking met toen nóg minder mensen nóg meer van de welvaart en rijkdom in handen hebben?

“Dat is een interessante vraag waarop ik het antwoord niet ken. Wat ik wel weet, is dat marktmacht nu voor een viceuze cirkel zorgt. Het levert hoge winsten op die vaak gebruikt worden om politieke invloed te kopen. Door middel van lobbying wordt geprobeerd om de wetgeving te beïnvloeden. Als dat lukt, groeit de marktmacht van die ondernemingen, waardoor hun winsten groeien en ze nóg meer in lobbywerk kunnen investeren. In Europa gaat het er wellicht iets vriendelijker aan toe dan in de VS, maar maak je geen illusies: ook in Brussel wordt gigantisch veel geld gepompt in het masseren van de politiek. Er zijn collega’s met een eigen consultancybedrijfje waarmee ze de Europese instellingen ‘expertenadvies’ geven. Zo proberen zij onze bewindvoerders ervan te overtuigen dat een monopolie zinvol én verantwoord is.”

Jan Eeckhout, The Profit Paradox, Princeton University Press, 336 blzn., 29,99 euro

Bio

  • Geboren op 24 juli 1970 in Aalst
  • Studeerde handelsingenieur en economie aan de universiteiten van Leuven en Manchester
  • Doctoreerde in 1998 aan de London School of Economics
  • Was als professor economie verbonden aan universiteiten van o.a. New York, Pennsylvania, Londen en Princeton
  • Is sinds 2008 onderzoeksprofessor aan de Universitat Pompeu Fabra in Barcelona

© Jan Stevens