Bernard Dewulf (1960-2021)

September 2014 – We zitten aan de lange ruwhouten tafel en drinken koffie. Het ochtendlicht valt door het openstaande raam naar binnen. Vogels tsjirpen in de tuin. Dit huis staat midden in de stad en toch is het hier stil. Dit huis is de thuis van dichter, columnist, essayist en toneelauteur Bernard Dewulf.

“We zitten hier in het interieur van je boek Kleine dagen”, merk ik op. Bernard Dewulf knikt. “Na het boek is een theatervoorstelling gevolgd. We hebben toen een exacte kopie van deze tafel laten maken.”

Kleine dagen verscheen in 2009 en bundelde een selectie van de stukjes die om de dag op de voorpagina van de krant De Morgen verschenen. De ene dag doopte Hugo Camps zijn pen in vitriool, de andere dag schreef Bernard Dewulf een poëzie ademend stukje over zijn opgroeiende kinderen of het binnenvallende ochtendlicht door het openstaande raam. Datzelfde jaar werd Dewulf na twintig jaar trouwe dienst bij De Morgen samen met twaalf collega’s ontslagen. “Na een lezing beginnen mensen nog regelmatig over dat ontslag”, zegt hij. “‘Mijnheer, ik vind dat zo jammer.’ Dat troost dan wel een beetje, maar ik mag er niet te lang bij stilstaan. Er gewoon over praten, is nog steeds moeilijk. Ik heb die krant ook nooit meer gelezen. De eerste maanden na het ontslag zat ze nog in de bus. Mijn kinderen hebben ze toen elke dag meteen de kelder ingegooid.” Hij glimlacht. “Ik had hen dat helemaal niet gevraagd, ze deden het uit eigen beweging.”

De tweede telefoon die Bernard Dewulf vlak na zijn ontslag bij De Morgen kreeg, was van acteur Wim Opbrouck. “Ik kende hem, maar hij was geen vriend. We hadden wel waardering voor elkaar omdat we allebei geïnteresseerd zijn in kunst. Datzelfde jaar zou hij aan het roer van NTGent komen. Hij zei: ‘Heb je zin om bij ons te komen werken?’ Hij zocht een dramaturg. Ik antwoordde: ‘Wim, ik ken niets van theater.’ Hij zei: ‘Zo iemand zoek ik. Ik wil een “oneigenlijk element” in mijn team.’ Ik ben Wim nog altijd heel dankbaar dat hij me toen gebeld heeft.”

Met Kleine Dagen won je in 2010 de Libris Literatuurprijs, goed voor 50.000 euro. Heeft die prijs je marktwaarde als dichter en schrijver de hoogte ingejaagd?

“Ik denk het niet. Het is wel zo dat ik toen voor de eerste en vermoedelijk ook de laatste keer beseft heb dat je met een boek geld kunt verdienen. Ik had daarvoor al dichtbundels en een paar essaybundels gepubliceerd, maar daar waren telkens maar een paar honderd exemplaren van verkocht. Ik was helemaal niet voorbereid op de Libris Literatuurprijs, want Kleine dagen was op het moment van de prijsuitreiking al een jaar uit. Er waren toen ongeveer 1.500 exemplaren over de toonbank gegaan, wat vrij behoorlijk was. Hier kenden lezers me van mijn dagelijkse column op de voorpagina van De Morgen; in Nederland was ik een illustere onbekende. En dan kreeg ik in mei 2010 die grote Nederlandse literaire prijs. In een paar maanden tijd explodeerde de verkoop van dat boek naar 50.000 exemplaren. Dat zal ik nooit meer meemaken. Als je in Vlaanderen 10.000 stuks van een boek verkoopt, heb je een stevige bestseller geschreven.”

Mensen beseffen niet hoe schraal het met de verkoop van boeken in Vlaanderen gesteld is?

“Nee, en je hebt gelijk: de boekenverkoop hier is soms schrijnend. Zowel uitgevers als schrijvers doen daar geheimzinnig over. De officiële cijfers moet je trouwens met een korrel zout nemen. Ooit heb ik een schrijver zien wenen omdat er na twee jaar maar tweehonderd exemplaren van zijn roman verkocht waren. Hij had nochtans goede recensies gekregen en was een paar keer over zijn boek geïnterviewd.”

Hoe kan een getalenteerde schrijver zich dan nog blijven oppeppen om toch verder te werken aan een nieuwe roman?

“Ik heb veel geluk dat ik al zo lang voor kranten schrijf, eerst twintig jaar voor De Morgen en dan vijf jaar voor De Standaard. Ik heb dus al een publiek en ik kan het alleen maar verprutsen. 300.000 mensen lezen De Standaard. Voor een schrijver die niet voor een krant werkt, is dat een natte droom. Het lezerspubliek van De Standaard is natuurlijk zeer heterogeen, als schrijver moet je dat publiek een beetje ‘bedienen’. Terwijl als je aan een roman werkt, is dat helemaal jouw boek, en wat de lezer van het eindresultaat vindt, is zijn zaak.”

Hou je in je wekelijkse columns in DS Weekblad dan altijd rekening met je lezers?

“Slechts een fractie van de krantenlezers zijn geoefende lezers. Dat kan ik afleiden uit de reacties van lezers die ik de voorbije jaren ontving. Ik schrijf natuurlijk ook voor de ‘geoefenden’ en zij zullen in mijn columns verwijzingen opmerken waar anderen overheen lezen. Maar ik schrijf ook voor al degenen die nooit een boek maar wel mijn stukje van 600 woorden in de krant lezen. Ik schrijf zowel voor mijn beste vriend die tien jaar aan Harvard gestudeerd heeft, als voor een leek. Elke week laveer ik tussen die uitersten. Ik vind dat veel uitdagender dan een artikel schrijven voor een kunstblad of een literair tijdschrift. Een stuk voor de krant is veel moeilijker want het moet helder geschreven zijn. Je mag nooit verwachten dat mensen je column nog eens zullen herlezen als ze het van de eerste keer niet helemaal gesnapt hebben. Ik wil duidelijk schrijven en er tezelfdertijd toch poëzie in leggen of een zin waarvan ik hoop dat hij lezers even doet nadenken. Vorige week werd ik door de eindredacteur van DS Weekblad gebeld. Hij zei: ‘Wat betekent je slotzin “vroeger dan zij wordt het niet”?’ Ik antwoordde: ‘Laat dat maar staan.’ Ik hoop dan dat er twee of drie mensen zijn die eerst verwonderd zeggen: ‘Wat staat daar nu?’ En het een paar seconden later snappen: Ha… ja!’ (lacht) Dat zinnetje had trouwens ook in een gedicht kunnen staan.”

Van jouw stukjes op de frontpagina van De Morgen werd gezegd dat ze ‘poëtisch’ waren.

“Ik heb me daar altijd tegen verzet. Het woord ‘poëtisch’ wekt ergernis in me op omdat ik dat met ‘flou artistique’ associeer. Dat vloekt met wat poëzie voor mij moet zijn: scherp, precies. Zelfs al lijkt een stukje van mij over mijn tuin of over het licht ietwat impressionistisch, ik probeer er toch altijd op te letten dat elk beeld klopt. Ik vind dat heel belangrijk.

In Kleine dagen begint een stukje over mijn dochter in haar vijfde levensjaar met de zin: ‘Een, twee, drie is ze vijf geworden.’ Die stukjes in De Morgen waren maximum 300 woorden lang. Ik dacht: ‘Hoe kan ik heel kort uitleggen dat ik mijn dochter razendsnel vijf heb zien worden.’ Van 0 jaar tot 5 lijkt één seconde in mijn hoofd. Plots vond ik dat heel precieze, op het eerste gezicht eenvoudige zinnetje: ‘Een, twee, drie is ze vijf geworden.’ Er zit een versnelling in die je ook terug hoort in het ritme. Daar hou ik van. Maar ik verwacht natuurlijk niet dat mijn lezers dat allemaal diepgaand zullen analyseren.”

Zit jij urenlang te tobben over die ene juiste zin?

“O ja. Mensen geloven dat niet, maar ik zit echt een hele dag te werken aan zo’n stukje. ‘Hij zit een halve dag op café en dan gaat hij naar huis’, denken ze. Als je de biografie van Simon Carmiggelt leest, zie je hoe ook hij zat te prutsen aan de ‘Kronkels’, de cursiefjes die hij voor Het Parool schreef. Ik heb intussen meer dan duizend stukjes geschreven, je zou dus kunnen veronderstellen dat het een routine geworden is, maar het tegendeel is waar. Nu ga ik elke week op zoek naar een andere manier om te zeggen wat ik allemaal al gezegd heb. Veel schrijvers doen dat. Hugo Claus maakte ook voortdurend variaties op hetzelfde thema, hij deed dat op een fantastische wijze.”

Was schrijver worden jouw jeugddroom?

“Ik heb gedichtjes liggen die ik geschreven heb toen ik een jaar of zeven was. Ik ben er altijd mee bezig geweest: als kind maakte ik echte boekjes, geplooide A4-tjes met nietjes in het midden. Maar een plan om schrijver te worden, heb ik nooit gehad. Als je me tien jaar geleden gezegd zou hebben: ‘Ooit ligt er een vuistdik boek in de boekhandel met al je beschouwende stukken over schoonheid in verzameld’, zou ik je gek verklaard hebben. Maar kijk: dat boek Toewijdingen is er nu.”

Heb je de ambitie om ooit een heuse roman te schrijven?

“De ambitie misschien wel, maar niet het talent. Ik kan dat echt niet. Na de derde druk van Kleine dagen heb ik aan de uitgever gevraagd om het woordje ‘novelle’ op de cover te zetten. Zo wou ik de critici een beetje jennen. (lacht) Maar ook omdat ik in mijn leven toch wel een novelle geschreven wou hebben. Ik vind het boek zelf een novelle, dus mag ik dat daar toch laten op zetten? Zo soeverein mag ik als schrijver toch zijn? Misschien vinden sommigen het een bundeling van stukjes, maar ik vind het een novelle.”

Hoe komt het dat jij uitblinkt in kleine stukken en in gedichten en niet in een grote roman? Je schrijft en bewerkt toneelstukken voor NTGent. Die zijn toch ook niet meteen ‘klein’ te noemen?

“Een toneelstuk is al snel 15.000 woorden, dat is inderdaad niet niks. En ik heb ook lange essays geschreven. Dat kan ik dan weer wel. Maar als ik een essay over een schilder als Edgar Degas schrijf, hoef ik zelf niets te verzinnen: zijn leven is daar, net als zijn werk. Ik kan daar dan boven gaan staan en met al dat materiaal dat voorhanden is mijn essay schrijven. Maar zelf iets bedenken met de spanwijdte van een roman… nee, ik kan dat echt niet. Dat heeft niet alleen te maken met de journalist in mij, maar ook met de dichter. Ik hou van de uitdaging van het compacte. Andere schrijvers hebben me trouwens al gezegd: ‘Sommige stukjes van jou zijn een hele roman.’ Als je een roman schrijft, moet je een paar jaar lang een raar soort innerlijke rust hebben, terwijl het leven ondertussen gewoon doorgaat. Ik kan me dat niet voorstellen.

Bij NTGent maak ik bewerkingen van toneelstukken zoals ik pas gedaan heb met Elektra. Zo’n bewerking maak ik in samenspraak met de regisseur van het stuk, maar in de taal ben ik vrij. Ik heb niet zoveel schroom om teksten van iemand anders rigoureus te bewerken. Alleen zo kun je je als schrijver voor toneel onderscheiden. De Elektra van NTGent moet natuurlijk ‘een Dewulf’ zijn, maar op verschillende niveaus verandert die tekst toch later weer: tijdens een uitvoering wordt hij uitgesproken door anderen in een welbepaald decor. Ik vind dat zeer fijn. Als je als schrijver je eigen teksten heilig vindt, werk je best niet voor theater.”

Ben je keihard als je een contract voor een nieuw boek met je uitgever moet onderhandelen?

“In onderhandelingen ben ik echt een eitje. Ik verkeer in de gelukkige positie dat ik het nog niet hoef te doen, maar misschien komt ooit de tijd dat ik moet onderhandelen over geld. Toewijdingen is 600 bladzijden dik, met 100 illustraties waarvan 32 in kleur. Een schilderij van Edward Hopper afdrukken, kost veel geld. Dat is dus een duur boek om te maken. Ik vind het wonderlijk dat een literaire uitgeverij zoals Atlas Contact dat toch nog doet. Voor alle duidelijkheid: ze gaven dat soort boeken van mij ook al uit voor ik de Libris Literatuurprijs gewonnen had. Zij hebben altijd in mij geloofd. Dat waardeer ik ten zeerste.”

© Jan Stevens

‘De nonnen lieten de baby’s creperen’

In 2014 werd de Ierse amateurhistorica Catherine Corless wereldnieuws met haar stelling dat de nonnen van Tuam 796 kinderen op hun domein begraven hadden. Ze werd afgeserveerd als ‘complotdenkster’, maar kreeg eerder dit jaar over de hele lijn gelijk. ‘Is er ooit gedegen onderzoek gevoerd naar wat er met al jullie zogezegd onwettige kinderen gebeurde?’

Op 25 mei 2014 kopte de Irish Mail on Sunday: ‘Massagraf voor 800 baby’s: ‘onwettige’ kinderen die in een door nonnen geleide instelling stierven, werden anoniem begraven’. Waarna de krant uitgebreid berichtte over het opzoekwerk van Catherine Corless naar de verdwenen kinderen van het westelijke Ierse stadje Tuam. ‘De nationale radio pikte diezelfde dag nog dat artikel op’, zegt ze. Niet veel later was Tuam wereldnieuws en de onvermoeibaar speurende Corless wereldberoemd.

We zitten in de keuken van Catherine Corless’ boerderij op tien kilometer van Dublin Road Estate, de plek waar de zusters van de Orde van Bon Secours veertig jaar lang 796 gestorven baby’s en kinderen van tienermoeders illegaal op hun domein en in het riool begroeven. ‘De voorbije uren stond ik doodsangsten uit’, bekent ze. ‘Sinds 2014 krijg ik cameraploegen en journalisten van over de hele wereld over de vloer. Je zou denken dat het went om geïnterviewd te worden, maar elke keer opnieuw moet ik opkomende paniekaanvallen verbijten.’

In haar pas verschenen memoires Belonging beschrijft Catherine Corless hoe ze op haar 36e voor het eerst met zo’n paniekaanval kreeg af te rekenen. ‘Het leek op een hartaanval. De psychiater concludeerde dat ik leed aan posttraumatische stress. De oorzaak situeert zich in mijn eigen kindertijd. Dat is denk ik ook de reden waarom ik me het lot van de 796 verdwenen kinderen van Tuam zo hard aantrek.’

U groeide zelf op in een liefdeloze omgeving?

Cahterine Corless: Mijn vader leed aan zware depressies en mijn moeder was extreem afstandelijk. Ze zorgde voor ons, maar er was geen intimiteit of liefde. Als ik haar te veel op de zenuwen werkte, gaf ze me een pak slaag. Ik was bang van haar. Vijftien jaar geleden kwam ik erachter dat zij een ‘onwettig’ kind was, net als de kinderen van Tuam. Ook zij zag het levenslicht in een katholiek tehuis en kwam later in een pleeggezin terecht. Ze had geen echte familie. Moeder stierf voor ik het er met haar over kon hebben, maar ik weet dat zij nooit geleerd heeft wat liefde is. Omdat ze de dochter van een ongehuwde tienermoeder was, werd ze als uitschot behandeld.

Op de basisschool zat ik samen met de meisjes die in het tehuis voor moeders en baby’s verbleven, The Home zoals de inwoners van Tuam het noemen. Vóór de nonnen van de orde van Bon Secours er in 1925 hun intrek namen, was het monumentale gebouw een workhouse, een armenhuis, gebouwd in 1840. In de 19e eeuw opende de Engelse bezetter in verschillende Ierse steden werkhuizen voor de armen. Na een mislukking van de aardappeloogst volgde in 1845 The Great Famine, de grote hongersnood. De armen hadden de keuze tussen ofwel de hongerdood, ofwel in een armenhuis in ruil voor kost en inwoon hard labeuren. Na de Ierse onafhankelijkheid in 1922 gingen de werkhuizen dicht. Een aantal werd door de overheid ingericht als rust- en verzorgingstehuis voor bejaarden, andere werden verbouwd tot hospitaal. Voor het werkhuis van Tuam riep de staat de hulp in van Bon Secours, een kloosterorde met nonnen opgeleid tot verpleegster. Zij herdoopten het werkhuis in St Mary Orphanage, het weeshuis van de heilige Maria, alleen leefden er geen wezen, maar baby’s en kinderen van ‘gevallen moeders’.

Was u bevriend met de kinderen van St Mary uit uw klas?

Corless: Contact met hen was verboden. Ze zaten achteraan en zagen er sjofel en ondervoed uit; iedereen noemde hen de Home Babies. Ze werden door de leerkrachten nooit bij de les betrokken en mochten niet met ons samenspelen. Ze durfden hun mond niet opendoen en we lazen de angst op hun gezicht. Er werd ons verteld dat ze wezen waren en wij geloofden dat, terwijl ze wel degelijk allemaal moeders hadden. Ik weet dat sommige vrouwen verwoede pogingen ondernomen hebben om hun kinderen terug te krijgen, alleen is dat nooit gelukt.

In St Mary kwamen ongehuwde moeders en tienermoeders bevallen?

Corless: Ja, maar niemand wist in die tijd wat er zich écht allemaal achter de hoge muren van het drie hectare grote domein afspeelde. De moeders die er kwamen bevallen, moesten een jaar blijven. Ze verzorgden hun baby en werkten gratis voor de nonnen. Als dat jaar voorbij was, werden ze onverbiddelijk weggestuurd. De baby’s bleven achter als zogenaamde ‘wezen’. De jongens werden vanaf hun vijfde naar school gestuurd; de meisjes vanaf hun zevende.

Het uiteindelijke doel was: adoptie?

Corless: Tot de jaren 1950 werden er nogal wat illegale adopties naar Amerika geregeld. Maar het voornaamste doel was toch de kinderen onderbrengen bij Ierse pleeggezinnen. Te veel pleegouders beschouwden dat als een lucratieve bijverdienste. De overheidstoelage staken ze op zak en het kind werd hun persoonlijke huisslaaf. Gelukkig waren er ook pleegouders die het goed meenden, alleen waren dat er niet zo veel. De Ieren konden in die tijd behoorlijk wreed zijn.

U werd lang als complotdenker afgeschilderd, ook in België. Zo schreef hoofdredacteur Geert De Kerpel van het katholieke magazine Tertio in juni 2014: ‘De zusters deden wat ze konden, gedragen door hun geloof. De voorbije weken is er nog een drama bijgekomen: dat van vele media die hun deontologie dumpten in een fictief kerkelijk massagraf.’ Schrijver Tom Naegels omschreef u in de krant De Standaard als: ‘Een amateur-heemkundige die geld zoekt voor een herdenkingsplakkaat.’

Corless: Ik ben me er erg van bewust dat ik wereldwijd door velen als complotdenker werd weggezet. De kritiek verstomde totaal toen op 3 maart 2017 de toenmalige Ierse minister voor Kinderen Katherine Zappone bekendmaakte dat koolstofanalyse had vastgesteld dat de lijkjes in het riool wel degelijk van kinderen uit het tehuis waren. De 796 gestorven baby’s van Tuam die tussen 1925 en 1961 door de nonnen begraven waren op hun domein en in de ondergrondse riooltunnels werden toen officieel teruggevonden. Vandaag liggen ze er nog steeds. Tot hiertoe liet de Ierse regering na om ze daar weg te halen. Ik vind dat stuitend.

Heeft dat te maken met de oeroude band tussen de kerk en de Ierse staat?

Corless: Ik ben bang van wel. Aan de archeologen die in 2017 stalen van de lijkjes namen, lag het niet: zij hielden hartstochtelijke pleidooien om de kinderen meteen op te graven. Want hoe langer ze in dat riool liggen, hoe meer bewijsmateriaal er verloren gaat. Maar de regering lijkt erg bang voor wat ze zal aantreffen.

In de Ierse politiek zijn dynastieën zeer belangrijk. Nogal wat vooraanstaande mannelijke politici zijn zonen, kleinzonen en achterkleinzonen van voormalige vooraanstaande mannelijke politici. De druk is groot om tijd te winnen en de putdeksels van The Home onaangeroerd te laten. Terwijl alleen forensisch onderzoek van alle stoffelijke overschotten aan het licht kan brengen wat er écht gebeurd is tussen 1925 en 1961. Volgens de huidige regering moet er eerst een nieuwe wet gestemd worden die opgravingen van de kinderlijkjes mogelijk maakt. Veel haast lijkt ze daarbij niet te hebben. ‘Corona gooit roet in het eten’, beweert. Haar laatste belofte is dat de opgraving in de lente van 2022 zal starten.

Tom Naegels heeft overigens gelijk: ik ben inderdaad ‘amateur-heemkundige’. Maar het was nooit mijn bedoeling om deze gruwel bloot te leggen. Als lid van de lokale heemkundige kring The Old Tuam Society wou ik in 2012 voor ons tijdschrift een essay schrijven over de geschiedenis van ‘ons’ tehuis voor moeders en baby’s. In de jaren zeventig werd St Mary afgebroken en kwam er een sociale woonwijk in de plaats. Het onderwerp van mijn essay was de geschiedenis van het armenhuis en het ‘goede werk’ van de nonnen van Bon Secours, alias ‘goede hulp’. Maar tot mijn grote verbazing vond ik in de officiële archieven van Tuam niets over het ‘weeshuis’. Geen enkel verslag van de gemeenteraadszittingen repte over de werking van het tehuis, terwijl de nonnen al die jaren in dienst van de overheid werkten. Ik begreep er niets van en zocht contact met het hoofdkwartier van de Bon Secours-orde in Cork. Ook in hun archief zat zogezegd niets over The Home. Ze lieten weten dat ze alle papierwerk aan de districtsraad van het graafschap Galway hadden bezorgd. Maar het enige wat die raad ooit van de nonnen kreeg, zijn registers met de aankomstdatums van de ongehuwde moeders en de geboortedatum en het gewicht van hun baby’s.

De nonnen hadden alle sporen gewist?

Corless: Daar leek het op. In de bibliotheek van de universiteit van Galway had ik meer geluk: daar vond ik plattegronden van The Home in 1925 en zo ontdekte ik afgesloten rioleringstunnels die een soort van ondergronds kelderlabyrint vormden. Ik ging praten met mensen die in het tehuis als ‘onwettig’ kind geboren waren en er een paar jaar hadden geleefd, tot ze in pleeggezinnen terecht kwamen. Die overlevers schetsten een zeer grimmig portret van hun behandeling door de nonnen.

In de jaren dertig werden rond The Home huizen gebouwd. Een van de oudere inwoners vertelde me hoe hij als kind vanuit zijn slaapkamerraam’s avonds laat verschillende keren graven had zien delven.

Er waren dus al veel eerder dan 2014 geruchten dat de nonnen dode kinderen begroeven?

Corless: Daar kwam ik toen achter, ja. Overlevers en bejaarde buurtbewoners lichtten tipjes van de sluier, maar iedereen zei: ‘Gebruik nooit mijn naam.’

De archivaris van de burgerlijke stand van Galway ging op zoek naar de volledige lijst van aangegeven geboorten en overlijdens van het tehuis van Tuam. Toen zij me belde, hoorde ik dat ze van slag was. ‘In totaal stierven er 798 kinderen’, zei ze. ‘Van twee vond ik begrafeniscertificaten terug, van de 796 anderen niet.’

Slechts twee kinderen waren door de nonnen officieel begraven?

Corless: Die twee waren échte wezen en geen buitenechtelijke kinderen van ongehuwde moeders. Het kerkhof van Tuam lag vlak naast The Home. Daar was geen spoor van de 796 dode kinderen te vinden. Met de hulp van Tuams officiële grafdelver John Mannion zocht ik uit of ze misschien op een ander kerkhof ergens in Ierland begraven lagen. Hun namen doken nergens op. Ook John vertelde me dat de nonnen op hun terrein gestorven home babies begroeven. Toen alle beschikbare ruimte was opgebruikt, begonnen ze met het vullen van de rioleringstunnels. De lijst met de namen van de doden en hun leeftijden is intriest. De oudste is acht jaar; de meesten waren één of twee. Ze stierven als gevolg van grove verwaarlozing.

Lag de kindersterfte zeker tot na WO II in heel Ierland niet erg hoog?

Corless: Natuurlijk waren er levensbedreigende ziekten, zoals difterie en mazelen en waren er nog geen antibiotica. Maar let eens op de genoteerde doodsoorzaken: heel vaak is dat buikgriep. De nonnen van Bon Secours waren gedpilomeerde verpleegsters. Ze kenden het belang van goede hygiëne en wisten perfect dat de zeer besmettelijke buikgriep makkelijk te stoppen is door zieke kinderen van gezonde te isoleren. Ze lieten de baby’s gewoon creperen en probeerden ze na hun dood van de aardbodem te wissen. Hoe moet ik het begraven in een riool en het laten verdwijnen van alle documenten anders omschrijven?

Wat dreef de nonnen?

Corless: Hebzucht en controle. Ongehuwde moeders beschouwden ze als gevallen vrouwen. Omdat de kinderen in hun ogen toch niet deugden, mochten ze er aan verdienen.

De in 1916 geboren Julia Deveney kwam in 1925 als negenjarig meisje bij de nonnen terecht. Haar leven lang was ze hun gratis dienstmeid en tuinier. Voor haar dood getuigde ze op band over het leven in The Home. Aan zelfgeteelde groenten was er geen gebrek en Julia kweekte kippen en varkens voor de nonnen. Maar de kinderen kregen amper te eten. Julia zag ze nooit vlees of groenten eten. Het tehuis moest zoveel mogelijk geld opbrengen. De werking werd gesubsidieerd door de staat en de nonnen ontvingen regelmatig grote sommen geld van de gemeente Tuam voor onderhoud van het gebouw. Adopties leverden altijd gulle giften op. Intussen kloegen pleegouders dat hun nieuwe pleegkind vel over been was.

Waren alle nonnen dan slecht?

Corless: Vooral de leiding deugde niet. De gewone nonnen legden hun eed van gehoorzaamheid af en hielden zich daar rigoureus aan. Ze luisterden braaf en gedwee naar Moeder Overste, meneer pastoor en de bisschoppen en aartsbisschoppen. Zo ging dat hier in Ierland. Er werd strikt op toegekeken dat jonge nonnen en moeders geen vriendinnen werden. ‘Wij staan boven die gevallen vrouwen.’

In 2014 noemde de leiding van de Orde van Bon Secours u een leugenaar.

Corless: Toen beweerden ze nog dat ze niets afwisten van kinderlijkjes. Ook de lokale politici vielen uit de lucht. Vandaag weten we met zekerheid dat het gemeentebestuur van Tuam er al heel lang van op de hoogte is dat kinderen in The Home van ontbering stierven én dat ze door de nonnen anoniem begraven werden. Het is geen toeval dat begin jaren zeventig een speelplein aangelegd werd op precies die plek waar de baby’s liggen. Het gemeentebestuur wou zo vermijden dat tijdens de bouw van de nieuwe woonwijk dode baby’s en kinderen aan de oppervlakte zouden komen.

Hebt u daar bewijs voor?

Corless: Zwart op wit. Ik vond de memo’s terug die gemeenteraadsleden begin jaren zeventig uitwisselden met de aannemer. Op het plan voor de wijk stond het terrein waar nu het speelplein is, aangeduid als: ‘Begraafplaats kinderen’. Iemand had erbij geschreven: ‘Wees heel voorzichtig met de aanleg van het speelplein: hier liggen kinderen begraven.’

‘Speelplein’ krijgt zo wel een heel cynische bijklank.

Corless: U zag die plek met eigen ogen. Het is onwaarschijnlijk. Dat plein is aangelegd opdat niemand ooit te weten zou komen dat er kinderen begraven liggen.

In 1975 vonden twee jongens van twaalf, Franny Hopkins en Barry Sweeney, er tijdens het spelen al beenderen van kinderen.

Corless: Franny en Barry openden vlak naast het speelplein een vrijgekomen deksel van een rioleringsput. In de diepte zagen ze skeletten van kleine kinderen en schoten in paniek. Ze vertelden hun ouders over hun ontdekking. Die lichtten de politie en de kerk in. De Garda en de clerus concludeerden meteen eensgezind: beenderen van slachtoffers van The Famine. Buurtbewoners bouwden met toestemming van de gemeente een muur rond de vindplaats en een kleine Maria-grot. Ze onderhielden de plek op eigen kosten.

U kunt zich echt niet voorstellen hoe machtig de katholieke kerk in Ierland tot ver in de jaren negentig nog was. Een ongehuwde jonge vrouw die zwanger werd, moést in het door nonnen gerund tehuis gaan bevallen. De priester kwam langs en dreigde met hel en verdoemenis als het meisje niet naar The Home vertrok. De meeste ouders durfden niet tegen hem ingaan. Als dat meisje dan een jaar later zonder haar baby terug naar huis kwam, stond de priester daar opnieuw. Tegen de ouders zei hij: ‘Stuur haar weg, want ze is een bedreiging voor de mannen.’

De jongemannen die de meisjes zwanger maakten, werden met rust gelaten?

Corless: Ja, tienerzwangerschappen werden ‘onbevlekte ontvangenissen’ genoemd. Heel af en toe trok een rijke vader van een zwanger meisje naar de rechtbank om onderhoudsgeld van de jongen te eisen. Sommige ouders keerden zich tegen de kerk, lieten hun dochter thuisbevallen en zorgden samen met haar voor het kind. Maar dat waren uitzonderingen, want ze werden uit de gemeenschap gezet en sociaal geïsoleerd. Het kind stond een vreselijke toekomst te wachten als ‘bastaard’.

Nadat uw verhaal internationale weerklank kreeg, werd door de overheid een onderzoekscommissie opgericht, de ‘Mother and Baby Homes Commission of Investigation’. In januari van dit jaar presenteerde die commissie haar eindrapport. Waarom duurde het zo lang?

Corless: Eerst was drie jaar vooropgesteld, maar die termijn bleek snel te optimistisch. Want de commissie moest niet enkel Tuam onderzoeken, maar àlle twintig Ierse katholieke tehuizen voor moeders en baby’s. Haar eindrapport was een slag in het gelaat van de overlevers van de tehuizen. Het was academisch, met weinig aandacht voor de vele mensen die voor de commissie hadden getuigd.

Maar het door de commissie verzamelde cijfermateriaal bevestigt toch uw stelling: onwettige baby’s en kinderen waren niet veilig in Ierse katholieke opvangtehuizen?

Corless: Dat klopt. De commissie stelde vast dat tussen 1922 en 1998 ongeveer 56.000 ongehuwde moeders in de twintig katholieke tehuizen bevallen waren. In diezelfde periode verbleven in diezelfde tehuizen 57.000 kinderen. Ze voegde eraan toe dat dat wellicht een onderschatting is en gaat ervan uit dat minstens 25.000 tienermoeders en evenzoveel kinderen níet geregistreerd werden. Officieel stierven in de tehuizen 9.000 kinderen. De conclusie van de commissie luidde bikkelhard: ‘Vóór de jaren 1960 vernietigden de tehuizen de levens van onwettige kinderen in plaats van ze te redden.’ Zo stierven er in de jaren 1945 en ’46 verhoudingsgewijs twee keer zoveel onwettige kinderen in de katholieke tehuizen als wettige in heel Ierland.

Zocht de kerk ooit contact met u?

Corless: Een dag na het artikel in de Irish Mail on Sunday in mei 2014 kreeg ik telefoon van een vrouw die zich voorstelde als zuster Mary Ryan, hoofd van de congregatie van Bon Secours. Ze klonk zeer defensief. ‘Wat is dat allemaal?’, zei ze. Ze klaagde dat ze continu gebeld werd door journalisten. ‘De rust van mijn oude medezusters is verstoord. Niemand weet iets over het tehuis van Tuam. We zijn daar al lang weg.’ Ze vroeg of ze me kon ontmoeten. We spraken af voor de week nadien in de lobby van een hotel in Galway. Dat werd een dovemansgesprek.

Ik zocht daarna zelf contact met Michael Neary, de aartsbisschop van Tuam. Na veel aandringen, ontving hij me in 2015. Ik presenteerde mijn research en bewijzen. Naast hem zat zijn ‘priester-historicus’ die verkondigde dat er in de kerkelijke archieven geen spoor te vinden was van problemen in Tuam. Ik vroeg Neary of hij met de zusters wou gaan praten. Hij antwoordde niet ja, maar ook niet nee. Hij zei alleen: ‘Zin in een kopje thee?’ Ik wist: dit is tijdverspilling.

In januari van dit jaar hebben de zusters van Bon Secours zich publiekelijk verontschuldigd.

Corless: Na het rapport van de onderzoekscommissie stonden ze met hun rug tegen de muur. Het raakte me diep toen hun verontschuldiging op de radio werd voorgelezen. Ze gaven toe dat de zusters van Bon Secours zich tussen 1925 en 1961 in Tuam allesbehalve christelijk gedroegen. ‘We waren deel van een systeem dat moeders en hun kinderen verschrikkelijk liet lijden.’ Ze gaven ook toe dat gestorven kinderen op een respectloze en onaanvaardbare manier begraven werden. De nonnen boden hun verontschuldigingen aan de vrouwen en kinderen van St Mary aan, aan de overlevers en bij uitbreiding aan alle Ieren. Overlever P. J. Haverty trok met die verontschuldiging naar het graf van zijn moeder om ze luidop voor te lezen.

Volstaat die verontschuldiging voor u?

Corless: Nee, ik vind dat de nonnen ook alle kosten van de opgraving en herbegraving moeten betalen. Naar schatting gaat dat over 13 miljoen euro; voor Bon Secours is dat een peulschil. Vandaag runnen ze met al hun ziekenhuizen een miljardenbedrijf. De overlevers azen niet op geld, maar willen enkel erkend worden als slachtoffer.

Het rapport van de onderzoekscommissie leert ons dat Tuam geen alleenstaand geval is. Maar ook Ierland is geen alleenstaand geval, denk maar aan de kinderlijkjes die eerder dit jaar in Canada bij katholieke kostscholen gevonden werden.

Ook bij ons gingen tot eind jaren 1980 tienermoeders en ongewenst zwangere vrouwen anoniem bevallen in kloosters in Noord-Frankrijk. Hun baby’s stonden ze af voor adoptie.

Corless: Dat klinkt griezelig herkenbaar. Is er ooit gedegen onderzoek gevoerd naar wat er met al jullie zogezegd onwettige kinderen gebeurd is?

Bent u nog katholiek?

Corless: Nee. Jarenlang ging ik elke week trouw naar de mis, zoals me dat was ingedrild. ‘Keer je nooit tegen de priester, want dan volgt de wraak van de Heer.’ Veel Ieren zijn nog steeds doordrongen van die angst voor de clerus.

Toen de stoffelijke resten in 2017 gevonden werden, had de kerk een unieke kans om aan boord te komen. Ik ontmoette toen bisschop Fintan Monahan op het speelplein en toonde hem waar de baby’s begraven waren. De nieuwsdienst van de Ierse openbare omroep filmde ons. Monahan zei: ‘De feiten zijn van lang geleden. Het waren andere tijden: we mogen over het verleden niet oordelen met maatstaven van nu. Laten we de kinderen gedenken in onze gebeden.’ Ik stond als aan de grond genageld. Want hij verknoeide een uitgelezen kans om de hand te reiken: ‘Wat kunnen we doen? Laat ons helpen de kinderen een fatsoenlijke begraafplaats te geven.’ Nee, hij wou alles met de mantel der liefde bedekken. Dat maakte me zo boos en die woede blijft mijn motor. Ik zal niet rusten voor alle kinderen geborgen zijn.

Catherine Corless, Belonging, Hachette Books, 470 blzn., 19,95 euro

Catherine Corless

– In 1954 geboren in Tuam

– Brak haar studies aan de kunstacademie na één jaar af

– Werkte eerst als bediende in een textielfabriek en werd later voltijds zelfstandige boerin

– Schreef zich in 2005 in voor een avondcursus heemkunde en werd lid van The Old Tuam Society

– Verdiepte zich vanaf 2012 in het onderzoek naar de 796 verdwenen kinderen van Tuam

– Kreeg voor haar werk eredoctoraten van de universiteit van Galway (2017), Trinity College Dublin (2018) en de universiteit van Dublin (2019)

– Werd in 2017 bekroond met de Bar of Ireland Human Rights Award

– Is getrouwd en heeft vier kinderen

– De Ierse acteur Liam Neesan werkt aan de verfilming van haar zoektocht

Tekst: © Jan Stevens

Foto’s: © Veerle Van Hoey

‘Soms volstaat één grote tegenslag’

Begin november stierven in Antwerpen twee daklozen in een fietsparking. Burgemeester Bart De Wever (N-VA) omschreef ‘die categorie’ als ‘totaal haveloos’. Hij noemde hen ‘allemaal toxicomaan’. “Ze hebben bijna een dierlijke manier van leven.” Zes Antwerpenaars die dakloos zijn of waren, dienen hun burgervader van antwoord. “Ik leefde een doodnormaal leven.”

Stefan (28): ‘Soms volstaat één grote tegenslag’

“Een mens hoeft niet aan de drank of de drugs te zitten om op straat terecht te komen. De uitspraak van Bart De Wever op ATV dat de meeste daklozen ‘haveloos en toxicomaan’ zijn, sluit naadloos aan bij zijn manier van communiceren. Wellicht klinkt dat goed in de oren van veel Antwerpse burgers, maar onze burgemeester vergist zich. Ik ben het levende bewijs dat dak- of thuisloos worden, iedereen kan overkomen. Soms volstaat één grote tegenslag om je te desoriënteren.

“Ik woonde samen met mijn vriendin. Ik werkte en het leven lachte ons toe. Toen eind 2018 onze relatie spaak liep, liet ik het hoofd hangen. Het huurcontract van het appartement liep af en ik vergat het te verlengen. Mijn tijdelijke job stopte en ik had even geen zin in iets anders. Ik ging stempelen, moest het huis uit en vond onderdak bij een vriend. Ik stond er niet bij stil dat ik me bij hem moest domiciliëren, waardoor ik geen officieel adres meer had en na een half jaar ambtshalve werd geschrapt.

“Ik wou mijn vriend geen last blijven berokkenen en op een dag zei ik dat ik een flat voor mezelf gevonden had. Een leugen, maar ik schaamde me voor hem. Ik ging in hostels slapen. Toen stopte mijn uitkering, want wie ambtshalve geschrapt is, bestaat niet meer. Zonder geld sloeg de miserie pas goed toe. In de zomer van 2019 belandde ik op straat.

“Uit diepe schaamte verbrak ik alle contact met mijn ouders. Ik wou niet dat ze wisten hoe slecht het met me ging. Ik sliep op de plek waar die twee mensen stierven, aan de fietsenstalling in de parkeergarage onder het Koningin Astridplein. Ik probeerde me zoveel mogelijk af te schermen van andere daklozen. Voortdurend spookte de gedachte door mijn hoofd: ‘Ik moét hier uit geraken’, alleen wist ik niet hoe. Ik zag veel dingen rondom mij gebeuren die niet koosjer waren. Want laat er geen misverstand over bestaan: er circuleert inderdaad nogal wat drugs en drank.

“Ikzelf heb nooit gedronken of gebruikt. Ik arriveerde altijd zo laat mogelijk aan de fietsparking, meestal rond half twee ’s nachts. Dan liep er amper nog publiek rond. Ik wou niet dat iemand me zag. Om vijf uur ’s morgens stond ik op en was ik weer weg. Echt slapen deed ik niet. Ik lag op een paar kranten, gehuld in een dikke trui en warme jas en was continu op mijn hoede. Overdag schuimde ik de straten af op zoek naar voedsel. Zowel fysiek als mentaal kwam ik nooit tot rust. Na een paar maanden was ik totaal op.

“In de eerste week van oktober 2019 zag ik rond middernacht een paar wildvreemden aan de liften van de parkeergarage. Ik wou op die plek gaan slapen, want het was er iets warmer dan aan de fietsenstalling. Ze spraken me aan, maar ik draaide me om en wandelde weg. Een uur later stonden ze er nog. Ik draaide me opnieuw om, maar nu volgden ze me. Op het Koningin Astridplein tikte iemand op mijn schouder. ‘Heb je hulp nodig?’ Ze nodigden me uit, ’s anderendaags in het daklozenrestaurant Kamiano van Sant’Egidio in de Kammenstraat. ‘Misschien kunnen we iets voor jou betekenen.’ Die nacht sliep ik nog slechter dan anders. Ik piekerde: ‘Willen die mensen me écht helpen of lokken ze me in de val?’

“De dag erna kwam ik toch naar Kamiano. Ik heb het me nooit beklaagd. Zij regelden een bed voor me in de nachtopvang en pluisden mijn administratieve rompslomp uit. Ze zochten ook contact met mijn ouders. Het weerzien met mijn moeder was zeer emotioneel.

“In december 2020 vond ik een appartement. Ik kwam terug onder de levenden en volg nu een bachelor fotografie. De toekomst lacht me weer toe.”

Anwar* (44): ‘Ik bezeerde mijn rug, kon niet meer werken en belandde op straat’

“Acht jaar lang werkte ik in Egypte in de toeristische sector. Ik leerde elke interessante historische plek kennen en had goede contacten met hotelketens zoals Sheraton, Intercontinental en Marriott. Ik was gelukkig. Tot op een dag de manager me bij zich riep: ‘Ik moet je ontslaan.’ Ik besloot niet bij de pakken neer te zitten en ging mijn droom waarmaken: een in Egypte gespecialiseerd reisbureau openen in Europa.

“Ik vroeg een visum aan en reisde naar Amsterdam, want daar leven veel Egyptenaren. Ik huurde er een kamer en vond werk in een café vlakbij het Centraal Station. Ik werkte elke dag van vier in de namiddag tot één uur ’s nachts. Daarna ging ik nog poetsen in een bar, want ik wou sparen om mijn droom waar te maken. In het café verdiende ik 300 euro per week en in de bar kreeg ik tien euro per nacht. De huur van mijn kamer kostte 250 euro. Ik was opnieuw gelukkig, ook al sliep ik alleen nog op maandag, mijn vrije dag.

“Ik werd verliefd op een collega uit de bar. Er volgde een relatie en ze trok bij me in. Toen ik op een ochtend van het werk thuiskwam, betrapte ik haar met een ander. Mijn stoppen sloegen door en ik sloeg die man in het ziekenhuis. De rechter veroordeelde me tot tien maanden op een gevangenisboot in Zaandam. Dat was een vreselijke periode.

“Na mijn vrijlating verhuisde ik naar Antwerpen. Op 5 november 2011 kwam ik in deze stad aan, huurde een kamer en raakte snel aan werk in een groentekraam op het Sint-Jansplein. Halverwege december vroor het dat het kraakte. Tijdens het inladen van de bestelwagen gleed ik uit en kwam op mijn rug terecht. Ik voelde niet meteen iets en werkte gewoon verder. Maar thuis zette in mijn rug een stekende pijn op. Die werd ondraaglijk en ik kwam op de spoed terecht. Er werden röntgenfoto’s gemaakt, ik kreeg pijnstillers en mocht terug naar huis.

“Ik ruilde het groentekraam in voor een beter betaalde job in de bouw. Dat was hard labeur en de aannemer betaalde me in het zwart, waardoor ik met niets in orde was. Ik stond daar toen niet bij stil, want ik had dat werk en het geld broodnodig. De knagende rugpijn bestreed ik met pijnstillers. Op 14 maart 2014 wou ik net als elke andere werkdag om 6 uur opstaan. Maar ik kon mijn lichaam niet meer bewegen en geraakte niet uit bed. Ik verging van de pijn en belde een vriendin. Zij kwam meteen langs en belde een ziekenwagen. De brandweer moest me via het raam van mijn kamer op de derde verdieping naar beneden takelen. In het ziekenhuis kreeg ik een injectie in mijn rug. Ik moest rusten en de neurochirurg schreef krachtiger pijnstillers voor, waaronder opioïden. Ik begon terug te werken, maar twee weken later zat ik er weer onderdoor. De dokter schreef een briefje voor een verse lading pijnstillers. Zo slikte ik jarenlang minstens vijftien pillen per dag: vier paracetamols van 1000 mg, vier Ibuprofens van 1000 mg, drie Tramadols, één contramal en een handvol cortisonetabletten. Dat kostte mij een fortuin.

“In 2019 crashte ik compleet: ik kon niet meer werken, kon geen beroep doen op de sociale zekerheid, raakte mijn kamer kwijt en belandde op straat. Ik was de wanhoop nabij. Een maatschappelijk werker zorgde ervoor dat ik een bed kreeg bij Victor, de nachtopvang voor de dak- en thuislozen van Antwerpen. Je zal mij geen kwaad woord over die instelling horen zeggen en de mensen die er werken doen hun uiterste best. Alleen durf ik hen amper iets te vragen, want ik schaam me diep over de toestand waarin ik ben aanbeland. Ik voel me beschaamd tegenover mijn familie in Egypte, mijn vader en mijn broer. Ik schaam me ook omdat ik me soms niet kan wassen en vuil ben. Ik ben dankbaar dat ik tijdelijk een bed heb, maar dat is geen thuis. Ik heb niets meer. Zero. Mijn toekomst is gitzwart.”

Aleksander* (54): ‘Ik leefde een doodnormaal leven’

“Ik ben geboren in Sczcecin, een Poolse stad niet ver van Berlijn. Tijdens het communisme groeide ik op als een heel gewone jongen. Na de middelbare school ging ik als loodgieter aan de slag op een grote scheepswerf. In theorie golden er strenge veiligheidsmaatregelen; in werkelijkheid was het een levensgevaarlijke werkplek. We stonden onbeveiligd op torenhoge steigers. Als we naar beneden keken, staarden we in de diepe afgrond van het scheepsruim. Ik stond doodsangsten uit. Op een dag gaf ik mijn ontslag en ging aan de slag als huisschilder. Een tijdlang verdiende ik goed mijn boterham.

“Rond mijn dertigste wou ik de wereld zien. Dus vertrok ik in 1997 met mijn spaargeld naar Duitsland. Daarna reisde ik verder naar België, met in mijn achterhoofd het plan om later Parijs te ontdekken. Maar ik ontmoette hier een vrouw en we begonnen een relatie. We gingen samenwonen en ik vond snel werk. Eerst in de bouw, later in een fietswinkel, nog later in een bakkerij. Vandaag kunnen Polen overal in de Europese Unie vrij aan de slag; toen was dat onmogelijk. Dus werd ik betaald in het zwart. Elke drie maanden moest ik even de Poolse grens over om mijn toeristenvisum te verlengen. Ik was jong, werd nooit ziek en had geen sociale zekerheid nodig. Ik leefde een doodnormaal leven: overdag werken, ’s avonds tv-kijken en in het weekend ontspannen.

“Ik hoorde op het nieuws dat Poolse burgers voortaan vrij en legaal in België konden werken. Ik was volstrekt tevreden met mijn zwarte job en dacht: er is nog tijd genoeg om legaal werk te zoeken. Ik was loyaal en wou mijn baas niet in de steek laten. Een vergissing van formaat, want in 2010 dumpte hij me zonder scrupules. Dat was het begin van mijn afdaling in de hel.

“Ik kon niet stempelen of terecht bij het OCMW. Mijn relatie liep op de klippen en ik zag mijn spaargeld smelten als sneeuw voor de zon. Ik registreerde me bij de werkwinkel van de VDAB en ging langs bij een uitzendkantoor. Ze vonden een job voor me in een fabriek op een industrieterrein, een flinke eind buiten Antwerpen. Ik had geen auto, maar ze zeiden dat ze vervoer voor me konden regelen. ‘We laten het u weten van zodra dat in orde is.’ Dat klonk als muziek in mijn oren en ik wachtte geduldig op hun verlossende telefoontje. Dat kwam maar niet, dus stapte ik na een paar weken opnieuw het uitzendkantoor binnen. ‘Dat vervoer lukt niet, sorry, u moet er op eigen kracht geraken.’ Met het openbaar vervoer was dat onmogelijk. Ik moest die job laten schieten en kon de huur niet meer betalen. Ik verkocht mijn tv en zoveel mogelijk andere spullen, maar dat zette niet veel zoden aan de dijk. Mijn huisbaas liet me weten dat ik moest opkrassen. Voor mij was dat een gigantische schok.

“In de zomer van 2011 kwam ik op straat terecht. Ik had toen nog vrienden en mocht mijn karige bezittingen bij hen onderbrengen. Al die zogenaamde vrienden ben ik inmiddels kwijt. Hoe langer ik dakloos was, hoe meer afstand ze namen. Een échte vriend laat je nooit in de steek. Mijn vrienden zagen hoe ik viel, kopje onder ging en overeind probeerde te krabbelen. Niemand stak een hand uit.

“In het begin was ik nog optimistisch. Ik geloofde écht dat het niet lang zou duren. ‘Ik krijg dit wel onder controle.’ Maar het ging van kwaad naar erger. Elke dag was een uitputtende zoektocht naar eten en een plek om te slapen. In het begin kende ik nog geen opvangplaatsen zoals het dak- en thuislozenrestaurant Kamiano. Voor een dakloze is dat de beste plek in de hele stad.

“Het werd herfst, ik ging op zoek naar een shelter en ontdekte zo De Steenhouwer in de Provinciestraat. Daar kreeg ik mijn eerste voedselpakket. Mijn hoop dat het ooit goed zou komen, veranderde in wanhoop. Toen ik nog een zorgeloos burgerleven leidde, dronk ik in het weekend met de vrienden graag een glas. Op de Groenplaats begon ik bier te drinken om mezelf te verdoven. Dat werkte alleen maar averechts en ik ben daar snel mee gestopt. Ik drink al jaren geen druppel meer en gebruik geen drugs. Alles om me heen is helder. Wat ik zie, is niet zo fraai.

“Ik wou niet als dakloze leven. ‘Dit is toch niets voor mij?’ Maar ik had geen keuze. Ik probeerde wel om altijd proper te zijn. Sommige mensen op straat laten zich volledig gaan, ik niet. Mijn prioriteit was en is: níet vervuilen. Dat is niet altijd even makkelijk, maar tot hiertoe lukt dat. Ik ken alle vrij toegankelijke douches en toiletruimtes in de stad. Omdat ik zo op mijn hygiëne let, geloven mensen niet altijd dat ik een dakloze ben. Ik zie er te goed uit om op straat te leven. (lacht)

“Ik sta mijn mannetje, maar het leven op straat blijft onvoorspelbaar en is soms gevaarlijk. Ik heb bijna geen bezittingen en toch werd ik al vaak door lotgenoten bestolen. Maar dat wil niet zeggen dat wij ons als dieren gedragen, zoals onze burgemeester lijkt te geloven. We zijn mensen. U spreekt nu met mij en begrijpt alles wat ik zeg. Lijk ik op een dier? Zelfs op straat gedraag ik me zeer menselijk. (lacht) Oké, misschien raakten mijn gevoelens wat afgestompt, maar dat is een gevolg van dat harde bestaan.

“Ik heb nooit gebedeld. Ik wil dat niet. Op straat kun je veel spullen vinden, ook geld. Het weekend is ideaal, want ’s avonds laat drinken sommigen zoveel dat ze soms biljetten verliezen. Ik raap lege bierflesjes op en verzamel zo elke dag een paar euro’s statiegeld. Dat volstaat voor wat eten en drinken.

“Mijn blik op de wereld is totaal veranderd. Ik zie nu details die ik als goedverdienende, hardwerkende burger nooit zag. Al wil ik mijn situatie niet romantiseren, integendeel. (stilte) Soms ga ik in een kerk zitten mediteren. Ondanks al deze ellende geloof ik dat er een god is die het goed met me voorheeft. Ik blijf ervan overtuigd dat ik ooit terug normaal zal leven.”

Nathalie (54): ‘Wij waren gewone burgers die door omstandigheden geen huis hadden’

“Vijf jaar geleden kwam er een nieuwe man in mijn leven. Ik heb altijd als verkoopster gewerkt, maar was net werkloos en zat er mentaal onderdoor. Jan was een jurist van eind de dertig. Hij had zijn dochtertje verloren, waardoor zijn ooit zo belangrijke carrière totaal onbelangrijk geworden was. We werden smoorverliefd en ik blies mijn toenmalige relatie op. Jan was gescheiden en zijn ex-vrouw wou hun huis niet meteen verkopen. Ze wou er ook niet uit. Dat was een lelijke streep door onze rekening, want wij hadden op dat huis gerekend. Noodgedwongen moesten we op hotel. Na twee maanden was ons geld op en kwamen we op straat terecht. Jan had een ziekte-uitkering, maar ik was door mijn mentale dip met niets meer in orde. Ik had alles veel te lang laten slingeren. Een jaar lang waren we dakloos. Toen raakte het huis toch verkocht en konden we ons eindelijk een appartementje veroorloven. Maar het noodlot bleef ons achtervolgen, want net dan kreeg Jan een hartaderbreuk. De liefde van mijn leven stierf.

“Ons daklozenleven begon in december 2018. We konden de hotelrekening niet meer betalen en van de ene dag op de andere stonden we op straat. Wij kenden het straatleven totaal niet. Eerst trokken we naar De Biekorf, de nachtopvang voor daklozen in de Dambruggestraat. Daar was geen plaats. Vervolgens namen we de trein naar Namen. Daar vonden we wel een bed voor de nacht. Zes maanden lang leefden we daar op straat. Om onze ellende te vergeten, begonnen we te drinken. Wij waren gewone burgers die door omstandigheden geen huis hadden. Het straatleven was een verschrikking. Alcohol was ons verdovingsmiddel, onze pijnstiller. Dat maakte onze toestand alleen maar erger; in plaats van vooruit gingen we achteruit. Niet dat we ons laveloos zopen, maar we leefden in een roes.

“We begonnen te bedelen. Elke avond om zeven uur zette het personeel van Carrefour onverkocht voedsel voor de deur, speciaal voor de daklozen. Zo konden we overleven.

“Terug in Antwerpen probeerden we met Jans uitkering een spaarpotje aan te leggen voor een huurwaarborg. We stopten met drinken en investeerden al onze energie in het vinden van een appartement. ’s Nachts sliepen we meestal in De Biekorf. Dat was soms moeilijk, want daar verblijven veel junkies. Het is er ieder voor zich. We probeerden ons te verzorgen. Er zijn nogal wat plaatsen waar je kunt douchen en kleren wassen. Er zijn ook professionals die je de hand reiken, maar je moet natuurlijk zélf de ellende achter je willen laten. Het CAW hielp onze papieren in orde maken. Zij zorgden voor een referentieadres zodat onze post weer fatsoenlijk bezorgd kon worden.

“Mijn leven lang geloofde ik nooit dat ik dakloos kon worden. Nu weet ik dat het soms een smalle richel is. Ik stoor me erg aan mensen die op daklozen neerkijken, net omdat ik ervaringsdeskundige ben. De meeste thuislozen verlangen naar een beter leven, maar door de slechte omstandigheden waarin ze leven, vervuilen ze. Zo raken ze in een vicieuze cirkel en zakken steeds dieper weg.

“Ik herinner me een discussie met Jan, nog voor wij zelf op straat leefden. Hij zei: ‘Zo’n dakloze vraagt er toch zelf om?’ Ik antwoordde: ‘Stel dat je als man door je vrouw gedumpt wordt. Zij neemt de kinderen mee en jij raakt in een zware depressie waardoor je werkloos wordt en het huis niet meer kunt afbetalen. Dan kan het toch snel gaan?’ Niet veel later hadden we zelf geen dak meer boven ons hoofd. Jan was jurist, maar we kwamen op straat ook een dokter tegen en een ingenieur. Het kan écht iedereen overkomen.”

Dimitri (52): ‘Mijn jeugdjaren verliepen harmonieus’

“Mijn vader was leraar. Na zijn studies trok hij naar Kongo waar hij mijn moeder leerde kennen. Zij heeft Haïtiaanse roots. Ze was 18 toen ik geboren werd; vader was 26. Ze verhuisden naar België, maar hun huwelijk hield niet lang stand. Zij leerde een Haïtiaanse dokter kennen en samen vertrokken ze naar New York. Ik was een jaar of zeven toen vader een relatie begon met de vrouw die mijn stiefmoeder zou worden. Samen kregen ze nog drie kinderen.

“Ik had een goede band met mijn stiefmoeder en noemde haar mama. Mijn jeugdjaren verliepen harmonieus. Na de geboorte van mijn jongste zus, worstelde mama met een postnatale depressie. Ons huis was toen net een crèche, met twee kleine broers en mijn pasgeboren zus. Moeder kon die drukte niet aan en ik kreeg het gevoel dat ik als puber van twaalf in de weg liep. Vader was een zeer belezen man, maar had nooit geleerd zijn emoties te uiten. Hij begon mij en mijn stiefmoeder te slaan en ik was ervan overtuigd dat dat mijn fout was. Ik begon te spijbelen en weg te lopen. Begin jaren 1980 waren sommige jeugdrechters zeer streng. Door mijn opstandige gedrag belandde ik in een instelling. Ik vond dat als jongen van 13 zeer onrechtvaardig en liep opnieuw weg. Zo begon ik aan een tocht door jeugdinstellingen. Nooit voor strafbare feiten, maar altijd omdat ik wegvluchtte. Ik leerde in die instellingen ook joints smoren.

“Ik was 16 toen ik een tijdje bij mijn biologische moeder in New York ging wonen. Iedereen was het erover eens dat die andere omgeving me deugd zou doen. Het weerzien werd een koude douche. Ik stond oog in oog met een wildvreemde vrouw. Zij wou me knuffelen, maar ik kreeg daar kippenvel van. In die tijd werd New York overspoeld door crack. Ik leerde dat goedje vlug kennen. Een jaar later stuurde mijn moeder me terug naar Antwerpen, omdat ze doodsbang was dat me er iets zou overkomen. Toen was ik boos, nu kan ik haar beslissing goed begrijpen. Ze wou me tegen mezelf beschermen.

“Terug thuis zette ik de bloemen stevig buiten. Ik ging van school af en experimenteerde met heroïne. Toen ging het in een rotvaart bergaf. Ik begon te stelen en werd opgepakt. De procureur stelde me voor de keuze: afkicken of de gevangenis. Ik koos voor het eerste. Dat was een keihard programma, maar het lukte. Ik herpakte me en hernam mijn studies.

“Het ging een tijd heel goed, tot ik verliefd werd op een vrouw die gebruikte. Het duurde niet lang of ik gebruikte mee. Dat kostte handenvol geld, ik zette mijn studies stop en belandde op straat. Ik begon te stelen, werd verschillende keren opgepakt en voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Tot de rechter het beu was en al mijn voorwaardelijke straffen omzette in zes jaar effectief. Dat was hard ontwaken.

“Op mijn 29e kwam ik uit de gevangenis en belandde meteen weer op straat. Zo sukkelde ik jarenlang van de straat in de gevangenis en terug. Telkens wanneer ik werd vrijgelaten, had ik het gevoel dat ik tussen wal en schip viel. Echte hulp was er niet, een dak boven mijn hoofd had ik niet en zo bleef ik aanmodderen.

“Tot twaalf jaar geleden mijn zoon werd geboren. Die gebeurtenis schudde me helemaal dooreen. Toen vond ik eindelijk de kracht om de drugs voorgoed af te zweren en mijn leven weer op orde te krijgen. Ik vond werk in tweedehandswinkel Laudato Si` op Linkeroever en huur een appartement. Alle weekends en vakanties is mijn zoon bij mij. Hij heeft mij gered.”

Sam* (33): ‘Ik was een doorsnee jongen met een goede vaste job’

“In 2010 ben ik getrouwd; in 2016 liep mijn huwelijk op de klippen. Gelukkig hadden we geen kinderen. Ik ontdekte dat mijn vrouw me bedrogen had. Mijn leven stortte in. Ik was 28 en vluchtte weg in de cocaïne. Ik had daarvoor nooit gesnoven of aan andere harddrugs gezeten, maar op dat moment kon het me niets meer schelen. Ik had pech, want ik raakte zo goed als meteen hopeloos aan dat spul verslaafd. Het snuiven werd zeer snel roken.

“Ik was vroeger een doorsnee jongen met een goede vaste job. Ik werkte ’s nachts op het sorteercentrum van bpost en voelde me daar als een vis in het water. Ik had werk, een appartement en een vrouw. Toen mijn vrouw uit mijn leven verdween, verging ik van verdriet in die flat. Ik moést er weg en vroeg aan mijn vader of ik even bij hem kon komen wonen. Het OCMW zocht intussen een crisisappartement voor mij.

“Mijn baas begon te merken dat ik een stevige verslaving aan het ontwikkelen was. Ik neem die man niets kwalijk; hij probeerde te helpen en gaf me overvloedig veel kansen. Ik vind bpost nog steeds een topbedrijf. Ze stuurden me naar de dokter en ik mocht even thuisblijven om mijn probleem aan te pakken. In een week tijd joeg ik er mijn loon door. Ik rookte mezelf overdag weg van de wereld en ging ’s nachts bij mijn collega’s om eten bedelen. In het bedrijfsrestaurant bestelde ik maaltijden op de poef. Ik zong het nog twee jaar bij bpost uit, tot ze me met coke op zak betrapten. Toen werd ik ontslagen.

“Ik was continu high. Dat crisisappartement liet ik links liggen, want ik spendeerde mijn centen liever aan drugs dan aan de huur. Als je een half jaar lang geen officieel adres hebt, word je ambtshalve geschrapt. In de praktijk komt het erop neer dat je ‘vogelvrij’ wordt. Het is een hele klus om daarna terug met alles in orde te raken. Eens ambtshalve geschrapt, ben je een vogel voor de kat.

“In 2018 was ik mijn werk kwijt en bestond ik niet meer voor de overheid. Ik belandde op straat. Eerst logeerde ik bij vrienden, daarna had ik een bed in de nachtopvang. Begin dit jaar ging ik afkicken in een drughulpverleningscentrum. Ik raakte er in conflict en ze zetten me aan de deur. In april zwierf ik terug door de straten van Antwerpen. Ik vervuilde en begon te stinken. Iemand wees me de weg naar Kamiano, waar ik kon douchen. Die plek is nu heilig voor mij.

“Ik kwam een Sloveens meisje tegen. Ze zei: ‘Voor een dakloze is Kopenhagen beter dan deze stad.’ Een jongen vertelde hetzelfde. In juni vertrok ik halsoverkop zwartrijdend en liftend naar Denemarken.

“In Borup werkte ik een week op een boerderij. Met mijn loon kocht ik een treinticket naar Kopenhagen. Daar verbleef ik vier maanden lang. De opvang voor daklozen is er fenomenaal. Het leven op straat is er draaglijker dan hier. En cocaïne kost er zoveel dat ik wel verplicht was om op eigen kracht af te kicken. Ik ben nu clean.

“Ik verbleef een tijdje in de Vrijstaat Christiania, de zogenaamd onafhankelijke hippiewijk van Kopenhagen. In september vierden ze er hun vijftigjarig bestaan. Ik dronk iets te veel, lette even niet op en al mijn spullen waren weg, gestolen. Ik had nog contact met mijn vader en hij maakte het mogelijk dat ik twee weken geleden naar Antwerpen kon terugkeren.

“Ik snak naar rust en wil opnieuw een gewoon leven. Op straat is het koud, met wind en regen. Het is er nooit stil; altijd is er lawaai en chaos. Als ik zeer dringend naar het toilet moet, is dat soms een gigantisch probleem. Ik kan niet zomaar bij wildvreemden aanbellen en vragen of ik even de wc mag gebruiken. Ook in cafés ben ik niet welkom. Ik droom van een eigen huis waar ik een tijdje ongestoord op het toilet kan zitten. (lacht) Ik lees veel en verlang naar een avond in mijn eigen zetel met een goed boek.”

*Anwar, Sam en Aleksander zijn schuilnamen.

© Jan Stevens

‘De agressie zal nog toenemen’

De coronarellen in Brussel en Rotterdam zijn volgens psycholoog en agressie-expert Arno van Dam symptomen van een groot maatschappelijk ongenoegen. “Sommigen beginnen te geloven dat ze de macht moeten grijpen om iets te veranderen.”

De coronabetoging in Brussel van vorige zondag eindigde in geweld. Een groep gemaskerde mannen richtte vernielingen aan en de politie werd met stenen en vuurwerk bekogeld. Drie agenten en één betoger raakten gewond; 44 herrieschoppers werden gearresteerd. De Brusselse politie had het over ‘de meest gewelddadige betoging sinds de Black Lives Matter-manifestaties (juni 2020) en het havenprotest (april 2014).’ Organisatoren wezen met een beschuldigende vinger naar ‘Brusselse reljongeren en antifascisten’. Volgens sommige demonstranten waren de onlusten in gang gezet door ‘politie-infiltranten’.

De coronarellen in Brussel werden eerder dat weekend voorafgegaan door nog zwaarder geweld in de straten van Rotterdam. Daar voelden agenten zich zo bedreigd dat ze met scherp schoten. Ook op andere plaatsen in Nederland kwam het tot oproer. De voorbije maanden was het ook alsof op en rond Nederlandse voetbalpleinen het hooliganisme van eind vorige eeuw weer de kop opstak, met vechtpartijen en heetgebakerde supporters die elkaar verrot sloegen. Nederlandse media omschrijven dat als ‘postcorona-hooliganisme’, of antisociaal geweld als gevolg van lockdowns en vrijheidsinperkende coronamaatregelen.

Arno van Dam is aan de universiteit van Tilburg professor ‘antisociaal gedrag, psychiatrie en maatschappij’. De voorbije twintig jaar behandelde hij als psycholoog honderden mensen met een ‘antisociale persoonlijkheidsstoornis’. “Zij hebben het moeilijk om zich aan regels, afspraken en maatschappelijke normen te houden”, zegt hij. “Ze zijn verhoogd impulsief, hebben behoefte aan prikkels en zoeken daarom voortdurend spannende situaties op. Ze hebben een kort lontje: ze raken makkelijk geïrriteerd en worden dan agressief. Ze nemen soms roekeloze besluiten, met weinig aandacht voor de mogelijke gevolgen voor anderen. Achteraf voelen ze weinig spijt.”

Speciaal voor hen ontwikkelde u de behandelmethode ‘Niet meer door het lint’, met technieken uit de cognitieve gedragstherapie?

“Veel mensen met agressieproblemen vinden het helemaal niet fijn dat ze zo snel agressief worden. Want hun woedeaanvallen hebben soms enorme consequenties. Als je met een agressieprobleem worstelt, raak je je baan kwijt, kan je relatie op de klippen lopen of verlies je de zorg over je kinderen. Daarom kiezen velen voor een behandeling. Wij kúnnen hen ook helpen. Alleen is er bij hulpverleners jammer genoeg te veel angst voor deze doelgroep en heerst er te veel pessimisme over de hulpmogelijkheden. Mijn methode leert agressieve mensen de signalen van oplopende spanning in hun lichaam te herkennen, zodat ze tijdig een time-out nemen en bijvoorbeeld een blokje om gaan wandelen.”

De geweldplegers in Brussel en Rotterdam hebben niet allemaal last van een antisociale persoonlijkheidsstoornis?

“Er zaten er ongetwijfeld tussen, maar niet allemaal. We mogen die rellen vooral níet ‘psychiatriseren’, maar ook niet criminaliseren. Ik vind dat vandaag mensen té snel met een psychiatrische stoornis gediagnosticeerd worden en dat er veel te weinig aandacht is voor samenlevingsproblemen. Want de verklaring voor de huidige opstoten van agressie moeten we niet enkel in de psychiatrie zoeken, maar ook in onze maatschappij. Ik weet niet hoe het in België is, maar in Nederland werd de laatste jaren enorm bezuinigd op de sociale samenhang: op buurtwerk, onderwijs en gezondheidszorg. Het gevolg is dat Nederlandse burgers zich steeds minder met de samenleving verbonden voelen. Rotterdammers vernielden tijdens de rellen hun eigen straat. Dat wijst erop dat ze amper verbondenheid ervaren met hun eigen buurt.”

Die vervreemding drijft hen in de armen van extreme organisaties en bewegingen?

“Dat gebrek aan verbondenheid vormt daar inderdaad een voedingsbodem voor. Mensen zullen zich pas sociaal gedragen als er vertrouwen is, zowel in elkaar als in overheidsinstanties. De eerste achterliggende gedachte is dan: ‘Als ik het goed heb, zullen anderen het ook goed hebben.’ De tweede achterliggende gedachte is er één van wederkerigheid: ‘Als ik me goed gedraag, mag ik in ruil óók iets goeds verwachten.’ In Nederland was het vertrouwen in de overheid nog nooit zo laag. Is dat bij jullie ook zo?”

Net als in Nederland heeft ook in België minder dan 30 procent van de bevolking nog vertrouwen in de federale overheid.

“Mensen met een laag vertrouwen vinden makkelijker aansluiting bij die extremere netwerken, zeker op momenten van onrust in de samenleving zoals nu. Ze verwachten minder van een ander en zijn daardoor ook minder geneigd om zich tegenover anderen sociaal op te stellen.”

In België hadden de grote levensbeschouwingen vroeger sterke verenigingen. Door de ontzuiling zijn veel van die organisaties nog schimmen van zichzelf. Ook mede daardoor kwam de sociale samenhang onder druk?

“Die sociale verbanden van weleer zijn er nu inderdaad veel minder, ook in Nederland. De maatschappij is veranderd, maar er kwamen zo goed als geen alternatieven voor die vroegere verenigingen. Integendeel, in Nederland werd nog eens enorm bezuinigd op jeugdzorg en buurtwerk. Wijkagenten hebben steeds minder zicht op wat er in hun straten aan het gebeuren is en op wat er bij jongeren leeft. In sommige wijken vinden de boven- en onderwereld elkaar nu makkelijker dan ooit tevoren.”

Dekt de term ‘postcorona-hooliganisme’ de lading van het geweld op coronodemonstraties?

“Met zo’n term gooi je natuurlijk iedereen die erbij betrokken is op één hoop. In iedere tijd en in iedere cultuur zijn er groepen jonge mannen die zich gewelddadig opstellen en overgaan tot grensoverschrijdend gedrag. Dat zal altijd zo zijn en blijven; meestal verdwijnt dat vanzelf. Als die mannen wat ouder worden, stoppen ze ermee. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat er niet tegen moet worden opgetreden.”

In Brussel liepen tussen de ongemaskerde gezinnen met kinderen jonge gemaskerde mannen rond, azend op een kans op amok.

“Dat is precies die kleine groep van jonge, geweldzoekende mannen die er altijd al is geweest. Ze kicken op geweld. Dat zijn bijna nooit oudere heren. Dat soort van hooliganisme is van alle tijden. Alleen sluiten zich nu mensen bij die groep aan die dat anders nooit zouden doen. Dat is een gevolg van die sterk verminderde sociale samenhang én van de oplopende frustratie onder de bevolking.”

Toenemende frustratie in combinatie met angst?

“Vooral frustratie omdat mensen zich in hun vrijheid gefnuikt voelen. Ze vertrouwen de bewindvoerders niet en geloven niet dat de coronamaatregelen ook in hun belang genomen zijn.”

Nogal wat deelnemers aan de coronabetoging in Brussel geloven dat de Belgische overheid via maatregelen zoals de coronapas bezig is met het installeren van de dictatuur. George Orwells roman 1984 wordt volgens hen nu werkelijkheid.

“Ook veel Nederlanders hechten geloof aan die complottheorieën. Sommigen zien een heuse blauwdruk van de totalitaire staat, bij anderen is het veel vager: ‘Er klopt iets niet: het lijkt alsof ze ons willen controleren. Daarom demonstreer ik mee.’”

Degenen die effectief op demonstraties tot geweld overgaan, zijn allemaal mannen?

“In Nederland waren er toch ook vrouwen bij de coronarellen betrokken. Maar de overgrote meerderheid zijn inderdaad mannen. Ook bij huiselijk geweld zijn mannen oververtegenwoordigd, net als bij geweld in gevangenissen. Een man grijpt eerder naar geweld dan een vrouw. Daarin spelen biologische factoren een rol, net als socialisatie.”

Volgens schrijver Abdelkader Benali zijn de coronarellen ook te verklaren doordat de positie van veel jonge mannen in staat van verval is. Ze worden van de arbeidsmarkt verjaagd door gedisciplineerde, hoger opgeleide jonge vrouwen. Corona perkt hun actieterrein fel in en zet een rem op hun haantjesgedrag. Op een coronabetoging kunnen ze nog eens lekker voluit gaan door met verkeersborden naar agenten te gooien en combi’s in brand te steken.

“Je moet oppassen met veralgemeningen. Er zit zeer veel variatie in die groepen. Sommige deelnemers aan de rellen zijn gewoon meelopers, anderen nemen dan weer graag het voortouw. Er zijn verschillende motieven en allerlei achtergronden waarom mensen tijdens of na een demonstratie overgaan tot geweld. Sommige mannen zullen perfect beantwoorden aan het profiel dat Benali schetst, maar beslist niet allemaal. We mogen niet alles en iedereen over één kam scheren, want dan riskeren we dat onze aanpak van het probleem veel te beperkt wordt.”

Mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis worden soms ook sociopaten of psychopaten genoemd?

“Ja, en daar kan ik me nogal druk om maken. Want ze verschillen wel degelijk van elkaar. In tegenstelling tot iemand met een antisociale persoonlijkheidsstoornis, heeft een psychopaat een verminderd vermogen tot empathie. We kunnen dat zien in zijn hersenen. ‘Moeder’ roept normaal gezien allerlei gevoelens, herinneringen en beelden op; bij psychopaten blijft dat woord zonder betekenis. Zij ervaren enkel het rationele.

“Mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis zijn niet zo beperkt in hun gevoelens, maar liepen wel vaak een trauma op als gevolg van emotionele verwaarlozing. Daarom ook dat antisociaal gedrag vaker in onveilige buurten voorkomt. Want net daar staat het vertrouwen op een zeer laag pitje en leerden mensen niet zich wederkerig te gedragen. Dat is precies ook de reden waarom ik zo huiverig sta tegenover snelle psychiatrische diagnoses. Dat gebeurt vandaag echt veel te vaak. Met hun DSM-5 handboek in de hand bepalen psychiaters wie welke stoornis heeft, intussen vergeten ze dat er achter menselijk gedrag soms grote sociale problemen schuilgaan.”

Meerdere mentale aandoeningen hebben wortels in sociale omstandigheden?

“Zeker. Zo kunnen eenzaamheid en armoede een zeer grote rol spelen bij een depressie. Dan moet niet alleen de psycholoog ingeschakeld worden, maar moeten we ook op zoek hoe we de samenhang in de samenleving kunnen verhogen. En dan hoeft er misschien ook niet meteen naar medicatie te worden gegrepen.”

Moeten we niet oppassen met het diaboliseren van medicatie zoals antidepressiva? Vaak helpen ze toch bij het overwinnen van zware depressies?

“Ik vind dat we de psychiatrie moeten terugbrengen naar de kern: het behandelen van mensen met een psychische stoornis. Dat is echt een kleine groep en die heeft inderdaad ook baat bij antidepressiva en psychotherapie. Maar we mogen zowel de psychiatrie als justitie niet herleiden tot bezemwagen voor de maatschappij. ‘Al wie niet meekan of buiten de lijntjes kleurt, stoppen we in die wagen en krijgt een diagnose of straf.’ Dat is niet de juiste aanpak.”

Zijn we met de opeenvolgende lockdowns en inperkingen van onze sociale contacten dan geen groot mentaal probleem in onze samenleving aan het creëren?

“Dat probleem creëerden we al véél eerder. Nu zitten we midden in een gezondheidscrisis en het coronavirus dwong ons maatregelen te nemen om de pandemie in te dijken. We kunnen de zorg niet overbelasten; corona is een écht probleem. Alleen moet er voldoende samenhang in de maatschappij zijn om die crisis goed te kunnen opvangen. Mensen moeten zich onderdeel van die samenleving voelen én de communicatie over die aanpak vertrouwen.”

Net daar knelt het schoentje? Velen lijken de informatie van de reguliere media niet meer te vertrouwen. Kranten en tv-zenders worden weggezet als te wantrouwen ‘mainstreammedia’ of ‘regimepers’. Waarna mensen hun toevlucht nemen tot nepnieuws op dubieuze websites.

“Dat is zo. Bij de toeslagenaffaire in Nederland werden tienduizenden ouders onterecht door overijverige belastingcontroleurs beschuldigd van fraude met subsidies voor kinderopvang. De sociale gevolgen voor die ouders waren verschrikkelijk. Velen raakten in armoede door de schulden die ze opliepen en gingen er ook mentaal onderdoor. Die affaire vormt nu bij ons een enorme voedingsbodem voor al wie zich afkeert van de overheid. Want het grote wantrouwen wordt door de toeslagenaffaire alleen maar bevestigd. ‘Zie je wel? Er klopt iets niet.’ Ik vind dat de overheid beter gewoon kan toegeven dat ze fouten gemaakt heeft. Onze bewindslui zouden daar voor zichzelf consequenties aan moeten verbinden.

“Er woedt bij ons nu ook een stevige discussie over ‘fantoomgroei’ in de economie. Al jaren maken bedrijven steeds meer winst; de coronacrisis verandert daar niets aan. Maar werkende mensen merken daar nauwelijks iets van in hun portemonnee. Ook al groeit de economie, zij gaan er niet op vooruit. Intussen wordt er bezuinigd in de zorg, het onderwijs en bij de politie. Bij velen overheerst het gevoel: ‘Hoe hard ik ook werk, het maakt niets uit. Ik pluk toch de vruchten niet van die groeiende en bloeiende economie.’ Ze ervaren geen wederkerigheid meer: ‘Ik geef iets en krijg niets in ruil.’ Het gevolg is dat ze zich minder sociaal gedragen en voor zichzelf kiezen. Vervolgens primeert het recht van de sterkste en stellen mensen hun eigen regels.”

Waardoor de agressie in de samenleving toeneemt?

“Over de recente situatie bestaat nog geen hard onderzoek, maar op grond van de huidige ontwikkelingen vrees ik dat de agressie inderdaad vergroot.”

Hoe lossen we dat op?

“De overheid zal door haar beleid de samenhang moeten herstellen. Doordat alternatieve communicatiekanalen nu welig tieren en jongeren nog amper tv kijken, wordt dat geen makkelijke klus. Onderschat ook niet de invloed van sociale media.”

35.000 mensen namen deel aan de coronabetoging in Brussel. Bij massademonstraties in het verleden speelden vakbonden en grote verenigingen een belangrijke rol in het mobiliseren van mensen. Nu verliep de hele rekruteringscampagne op sociale media door soms schimmige organisaties.

“Het verschil met vroeger is immens. Maar wat we nu vooral niet mogen doen, is alle deelnemers aan coronademonstraties wegzetten als ‘wappies’. We moeten proberen begrijpen waar hun onbehagen vandaan komt. Hoe komt het dat ze zich niet langer aangesloten voelen bij de maatschappij? Door hen met de vinger te wijzen en te verwijten dat ze onverantwoorde antivaxers zijn, vergroten we enkel het probleem. Het zou goed zijn als onze overheden eens de hand in eigen boezem steken en zich afvragen: ‘Hoe zijn we deze mensen kwijtgeraakt?’, om vervolgens opnieuw het gesprek met hen aan te gaan. De geschiedenis leert ons dat er revoluties kunnen volgen wanneer mensen zich uitgesloten voelen. Vandaag beginnen sommigen ook echt te geloven dat ze de macht moeten grijpen om iets te veranderen.”

We zijn in een prerevolutionair klimaat beland?

“Jazeker. Mensen verzetten zich tegen de macht en beginnen zich te organiseren. Ze voelen zich niet meer herkend in de reguliere mechanismen van macht en tegenmacht. Vroeger kozen mensen voor een politieke partij of een vakbond waar ze zich mee vereenzelvigden. Nu verliezen partijen en vakbonden leden, zeker bij jongeren. Die verbinden zich op andere manieren. Ik zeg niet dat er binnenkort een grote revolutie losbarst, maar er is wel een klimaat ontstaan met ontevreden mensen die manieren zoeken om de maatschappij te veranderen. We kunnen dat alleen oplossen door hen opnieuw het gevoel te geven dat ze gehoord worden. Bij veel politici lijkt dat besef nog niet te zijn doorgedrongen. Kijk naar de regeringsvorming in Nederland: die wekt niet echt veel vertrouwen. De regering trad af omwille van die beruchte toeslagenaffaire. Er werd toen burgers écht onrecht aangedaan. De nieuwe regering die nu in de lucht hangt, zal bestaan uit dezelfde partijen met dezelfde minister-president. Hoe kun je dan verwachten dat mensen geloven dat er iets zal veranderen? Het kan overigens best zijn dat premier Mark Rutte het goed bedoelt, maar soms zijn symbolische ingrepen zeer belangrijk voor het herstel van vertrouwen.”

Die landen waar de voorbije jaren de populisten aan de macht kwamen, zijn natuurlijk ook geen toonbeelden van goed bestuurde, florerende samenlevingen.

“Nee, dat klopt. Populisten bieden ook geen oplossingen. De kern van de zaak is dat iedereen zich weer onderdeel moet voelen van de samenleving. Elke mens moet het gevoel hebben dat hij gehoord wordt en dat het hem ook iets kan opleveren als hij meedoet. Alleen zo raken we uit deze toestand.”

Bio

  • Geboren in 1965
  • Studeerde (klinische) psychologie aan de Rijksuniversiteit van Leiden en promoveerde in 2013 aan de Radboud Universiteit Nijmegen
  • Is professor antisociaal gedrag, psychiatrie en maatschappij aan Tilburg University
  • Heeft als psychotherapeut jarenlange ervaring met de behandeling van mensen met agressieproblemen
  • Voerde wetenschappelijk onderzoek naar o.a. burn-out, chronische vermoeidheid, motivatie, antisociaal gedrag en de behandeling van agressieproblematiek
  • Is hoofd wetenschappelijk onderzoek van het Nederlandse Landelijk Steunpunt Extremisme

© Jan Stevens

%d bloggers liken dit: