‘Ze hebben mijn leven gestolen’

In november 1987 werd de pasgeboren Coline Fanon in een ziekenhuis in Guatemala geroofd voor adoptie. Haar moeder kreeg te horen dat haar baby dood was. Via het inmiddels opgedoekte Hacer Puente kwam Coline in België terecht. “Ze hebben mijn leven gestolen en twee families in de ellende gestort.”

 

Op maandag 13 mei kondigde Unicef België aan dat ze haar pas aangestelde nieuwe directeur Bernard Sintobin alweer wandelen stuurde. Aanleiding was een reeks welgemikte tweets van tv-maker Eric Goens naar aanleiding van Sintobins benoeming. ‘Bernard Sintobin is jarenlang penningmeester geweest van Hacer Puente, de Belgische adoptievereniging die in Guatemala tientallen kinderen heeft verhandeld. Euhm?’ Gevolgd door een tweet met een foto van twee jonge vrouwen. ‘Dit zijn Coline en Sophie: dertig jaar geleden als baby verhandeld in Guatemala, door toedoen van de Belgische adoptievereniging Hacer Puente. De voormalige penningmeester van Hacer Puente is vandaag voorzitter van @UNICEFBELGIE.’

In januari van dit jaar getuigden de Franstalige dames Coline Fanon en Sophie Villers over hun malafide adopties in de reeks Bargoens op Eén. Eric Goens reisde met hen naar Guatemala, onder andere naar de residentie van wijlen Ofelia Rosal de Gamas, regelaar van adopties voor Hacer Puente en schoonzus van Oscar Humberto Mejía Victores, dictator van Guatemala van 1983 tot 1986. In De Morgen van 13 mei ontkende Sintobin ooit meegewerkt te hebben aan frauduleuze adopties. “Het enige wat we deden, was adoptiebemiddeling”, zei hij. “We rekenden zelfs geen administratiekosten aan.” De samenwerking met Ofelia Rosal de Gamas gaf hij wel toe. “Zij zorgde ervoor dat de dossiers op het juiste adres terechtkwamen. Maar het is niet omdat iemand een dictator is, dat de rest van zijn familie ook corrupt is.”

Coline Fanon richtte samen met Sophie Villers Racines Perdues op, een organisatie die in Guatemala op zoek gaat naar de verloren roots van adoptiekinderen. Over Sintobin en Unicef wil Coline het liever niet hebben. Wel over hoe zij als baby door Ofelia de Gamas & co geroofd werd.

Coline Fanon: “Mijn Belgische ouders wilden een kind adopteren en stapten naar het Office de la Naissance et de l’Enfance (ONE), de Franstalige tegenhanger van Kind en Gezin. Ze wilden weten welke adoptiedienst hen het beste kon helpen en werden doorverwezen naar Hacer Puente uit Doornik. Die organisatie werd geleid door Michèle Boucq en was gespecialiseerd in adopties uit Guatemala. Boucq had samen met haar man zelf ook Guatemalteekse kinderen geadopteerd. Mijn ouders doorliepen feilloos alle toen gangbare formaliteiten voor adoptie en in november 1986 kregen ze het bericht dat er in Guatemala een klein meisje op hen lag te wachten. Een maand later liet Hacer Puente weten dat hun baby jammer genoeg gestorven was. Dat nieuws kwam hard aan.”

 

Tot ze in februari ’87 hoorden dat u hun dochter zou worden.

Fanon: “Hun hoop flakkerde op. Mijn ouders vroegen meteen een visum aan voor mij, wat ze trouwens eerder al hadden gedaan voor de eerste baby. Die procedure verliep via Ofelia Rosal de Gamas. Mijn ouders moesten haar voor haar diensten rechtstreeks betalen. Dat werd hen meegedeeld door Hacer Puente. Het geld diende zogezegd om haar kosten te dekken die zij in Guatemala maakte en moest gestort worden op een rekening in de Verenigde Staten.”

 

Op wiens naam stond die rekening?

Fanon: “Ofelia Rosal de Gamas. Van andere kinderen die via dezelfde organisatie geadopteerd zijn, weet ik dat zij niet altijd de rechtstreeks begunstigde was. Soms moest het geld overgeschreven worden naar rekeningen van advocaten in de VS.”

 

Hoeveel betaalden uw ouders?

Fanon: “Dat mag ik niet zeggen; mijn ouders willen dat niet. Niet alle Belgische adoptieouders betaalden evenveel. De bedragen schommelden en er zat geen systeem in. Het kon best dat het ene koppel voor twee Guatemalteekse kinderen vijf keer minder moest neertellen dan een ander koppel voor één kind. Maar altijd ging het over duizenden franken.

“Niet lang nadat mijn ouders het geld hadden overgeschreven, kregen ze van Hacer Puente een brief dat er problemen waren in Guatemala. Alle lopende adopties waren geblokkeerd. Reden: de Guatemalteekse justitie had zware vermoedens over kinderhandel. In de brief stond ook dat er arrestaties verricht waren.”

 

In april van dit jaar schreef het Amerikaanse maandblad Harper’s Magazine dat Ofelia de Gamas twee keer in Guatemala gearresteerd werd voor kinderhandel: een keer in 1983 en een keer in 1987. Ze werd nooit veroordeeld; niemand weet of ze vrijkwam door politieke druk of door het betalen van smeergeld. Toen uw ouders die brief kregen, was dat vermoedelijk nadat De Gamas in ’87 was opgepakt?

Fanon: “Dat zou kunnen. Andere adoptieouders hadden niet veel eerder een brief van Hacer Puente in de bus gevonden met het verzoek om positieve verhalen over de organisatie te delen. ‘Momenteel hebben de negatieve geruchten een hoogtepunt bereikt’, stond erin. ‘De adopties worden sterk in twijfel getrokken. De kinderen zouden niet geadopteerd worden, maar verkocht. Enkel adoptieouders kunnen bewijzen dat die beschuldigingen totaal ongegrond zijn. U mag vermelden dat u Ofelia de Gamas dankbaar bent om wat ze voor uw kind gedaan heeft.’

“Mijn ouders schrokken zeer erg toen ze lazen dat hun adoptiekind voorlopig niet naar België kon komen. Ze schreven naar de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Leo Tindemans en vroegen hem om diplomatieke hulp. ‘Wij hebben alle adoptieregels strikt gevolgd en willen ons kind bij ons.’ Hun verzoek kwam niet uit de lucht vallen: Frankrijk had eerder al in adoptiedossiers diplomaten ingeschakeld. Ze schreven ook naar de Belgische ambassadeur in Guatemala, maar die heeft nooit gereageerd.”

 

Wisten ze waar u ergens in Guatemala was?

Fanon: “Hacer Puente had hen wijsgemaakt dat ik ondergebracht was bij het Rode Kruis. Daarom schreven mijn ouders ook naar prins Albert, onze latere koning. Hij was voorzitter van het Belgische Rode Kruis en zij vroegen hem of hij meer te weten kon komen over de omstandigheden waarin ik was ondergebracht.”

 

Hoe oud was u toen?

Fanon: “Een maand of drie, vier. Mijn ouders kregen antwoord van de stafchef van Albert: ‘De prins heeft uw verzoek doorgestuurd naar de algemene directie van het Rode Kruis België. Hij vraagt hen uw zaak te onderzoeken en u indien mogelijk te helpen.’ Vervolgens gebeurde er een hele tijd niets. Mijn vader en moeder wachtten, maar kregen intussen wel een factuur van Hacer Puente toegestuurd die ze netjes betaalden. De organisatie rekende hen de kosten aan voor mijn verzorging, voeding en kledij, en voor mijn babysitters.”

 

Was u op dat moment ook veilig ondergebracht bij het Rode Kruis?

Fanon: “Nee. Er zijn sporen van mij teruggevonden in Guatemala City in een clandestien huis waar adoptiekinderen verzameld werden. Ze hebben toen ook foto’s van mij genomen, onder andere één waarop mijn voeten zijn samengebonden. Maar waar ik precies al die tijd verbleef, weet ik nog steeds niet. Waar ik wel zeker van ben, is dat ik eind juli 1987 nog opgesloten zat, terwijl mijn adoptiedossier in gang gezet was in november ’86.”

 

Uw biologische moeder had u toen afgestaan voor adoptie?

Fanon: “Nee, op geen enkel moment. Niet lang na mijn geboorte kreeg ik hevige koorts en mijn mama keerde met mij terug naar het ziekenhuis waar ze bevallen was. ‘Mijn pasgeboren baby is ziek’, zei ze. Twee dagen later vertelden ze haar in het hospitaal dat ik gestorven was. In werkelijkheid hadden ze me overgebracht naar een ander ziekenhuis.”

 

U bent dus ontvoerd door dokters en verplegers?

Fanon: “Vermoedelijk wel. Of ze waren op zijn minst medeplichtig.”

 

In de jaren zeventig en tachtig gebeurde net hetzelfde in Sri Lanka. Daar werden ook baby’s in ziekenhuizen door verplegend personeel geroofd.

Fanon: “In India ook. Mijn moeder vroeg aan de dokter: ‘Mag ik mijn dochtertje zien?’ Hij zei: ‘Nee, dat kan niet. We moesten haar begraven. Ze ligt in een massagraf.’ Mijn Guatemalteekse mama heeft later ter nagedachtenis aan mij een grafsteen op het kerkhof geplaatst.”

 

Wat vertelden de mensen van Hacer Puente aan uw adoptieouders?

Fanon: “Dat een straatarme vrouw haar baby tegen betaling had afgestaan. Mijn biologische ouders waren niet arm. Mijn biologische vader zat in het Guatemalteekse leger op het moment van mijn geboorte. Ze hadden samen al een zoon. Toen mijn moeder zwanger was van mij, zijn ze gescheiden. Maar ze bleven in contact met elkaar. Mijn vader heeft altijd voor zijn zoon gezorgd; hij liet mijn moeder niet aan haar lot over. Nadat ze in het hospitaal te horen gekregen had dat ik gestorven was, zakte ze een tijdje weg in een depressie. Later hertrouwde ze en kreeg ze nog andere kinderen.”

 

In oktober 1987 vertrokken uw adoptieouders naar Guatemala om u eindelijk te gaan ophalen.

Fanon: “Die reis werd georganiseerd door Hacer Puente-voorzitster Michèle Boucq. Op de luchthaven stond Ofelia Rosal de Gamas hen met haar chauffeur op te wachten. Mijn ouders werden naar een hotel gebracht dat vol bleek te zitten met andere adoptieouders. Er waren zo twee hotels in Guatemala City, gespecialiseerd in het te slapen leggen van buitenlanders die hun nieuwe kinderen kwamen ophalen. Tik op Google de naam in van het hotel waar mijn ouders verbleven, en één van de eerste foto’s die je te zien krijgt, is van een witte mevrouw met een bruine baby op de arm.”

 

Hoe heette dat hotel?

Fanon: “Casa Grande in Guatemala City. De avond van hun aankomst bracht Ofelia mij naar het hotel. Vijf dagen later kwam ze terug om samen met mijn ouders de administratie af te werken. Vader en moeder spraken geen woord Spaans, dus regelde zij alles. Ze toonde foto’s van het huis in de krottenwijk waar mijn biologische moeder zou geleefd hebben. ‘Kijk eens in wat voor vreselijke armoedige omstandigheden de moeder van jullie dochtertje probeert te overleven.’ Nu moet u weten, mijn biologische moeder heeft nooit op die plek gewoond. Sterker nog, de foto van datzelfde krot zit ook in een totaal ander adoptiedossier.

“Ofelia de Gamas nam mijn adoptieouders mee op uitstap naar haar residentie in de stad Antigua, waar ze hen voorstelde aan haar schoonbroer. ‘Hij is een gepensioneerde officier.’ Mijn ouders waren er zich op dat moment totaal niet van bewust dat ze met ex-dictator en notoir schender van de mensenrechten Óscar Humberto Mejía Victores gezellig koffie zaten te drinken. Toen ik hen een jaar geleden een foto van die man liet zien, schrokken ze: ‘Maar dat is die vriendelijke mijnheer van toen.’”

 

Wanneer besloot u uw eigen verleden uit te spitten?

Fanon: “Ik was twintig. Daarvoor had ik me ook al vragen gesteld over mijn verleden, zeker in mijn puberteit. Het verschil met veel andere geadopteerden, is dat je het aan mij niet echt ziet. Ik bedoel: ik val hier op straat niet op. Ik kan best Spaanse of Marokkaanse roots hebben, zoals ontzettend veel andere Belgen. Heel af en toe vroeg wel eens iemand: ‘Waar kom jij vandaan?’ ‘Uit Latijns-Amerika.’ En daar hield het dan mee op.

“Ik heb een zus die ook geadopteerd is. Onze ouders hebben al heel lang uitstekend contact met haar biologische familie. We hebben echt fantastische adoptieouders. Ze deden nooit geheimzinnig over onze adopties. Ik was achttien toen ik hen vroeg of ik mijn dossier mocht inkijken. Geen probleem, alleen was dat dossier flinterdun.

“Ik heb intussen zelf twee kinderen, een meisje en een jongen. Toen ze nog heel klein waren, had ik geen tijd meer om op zoek te gaan. Binnenkort wordt mijn dochter zeven. Toen zij zei: ‘Mama, ik wil het eigenlijk wel eens weten’, wou ik dat ook.”

 

Dus ging u op zoek naar ouders waarvan u overtuigd was dat ze u ooit weggegeven hadden?

Fanon: “Ik had er nooit aan getwijfeld dat zij me gedumpt hadden. Toch wou ik weten hoe ze eruitzagen.”

 

Was u boos op hen?

Fanon: “Nee, dat ben ik nooit geweest. Ik kon begrijpen dat mijn moeder me uit armoede had weggegeven. Mijn adoptiemoeder hield me altijd voor: ‘Ze heeft dat waarschijnlijk gedaan omdat ze geen andere keuze had.’ Dat leek ook zo uit mijn dossier: ze stond me af om mij een betere toekomst te garanderen. Ik was terechtgekomen in een warm nest, met liefhebbende ouders. Ik leidde een zalig leven, en ben trouwens nog steeds gelukkig met wat ik heb. Ik hou van mijn adoptieouders en zij van mij. Zij hebben het zeer moeilijk met wat er nu allemaal boven water komt. (stilte)

“In december 2017 begon ik mijn dossier zeer nauwgezet uit te pluizen. Ik tikte de naam ‘Hacer Puente’ in op het internet en kwam terecht bij het getuigenis van de bekende Franse zangeres Carmen Maria Vega. In 2011 had zij ontdekt dat haar adoptie in 1984 via Hacer Puente allesbehalve fatsoenlijk verlopen was. Ik belde haar. ‘Ofelia Rosal de Gamas regelde mijn adoptie.’ Ze zei: ‘Je weet toch dat Rosal de Gamas handel dreef in kinderen?’ Het was alsof de grond onder mijn voeten wegzonk. Toen wou ik àlles over Hacer Puente en mijn adoptie te weten komen. Ik ging zelfs Spaans studeren om alle paperassen goed te kunnen begrijpen en met Guatemalteken te kunnen communiceren.”

 

Hoe vond u uw biologische ouders?

Fanon: “Ik speurde het internet af en kwam zo bij de Guatamalteekse onderzoeksjournalist Sebastiàn Escalón terecht. In 2015 legde hij samen met zijn collega Pilar Crespo een netwerk in kinderhandel uit de jaren zeventig en tachtig bloot. Eén van de spillen was de advocaat Edmond Mulet, die het inmiddels geschopt had tot hoge pief bij de Verenigde Naties. Ik mailde Sebastiàn: ‘Ik ben geadopteerd in 1987 via bemiddeling door Ofelia de Gamas’. Hij antwoordde direct: ‘Dan ziet het er niet goed uit.’ Hij bracht me in contact met Marco Garavito van La Liga Guatemalteca de Higiene Mental. Marco voert onderzoek naar de verdwenen kinderen van Guatemala.”

 

Zijn er dan zoveel kinderen spoorloos verdwenen?

Fanon: “Guatemala heeft een bijzonder kwalijke adoptiereputatie. Dat begon in 1954, toen een staatsgreep de eerste van een lange reeks militaire dictators aan de macht bracht. Burgers gingen in verzet en de dictators en hun doodseskaders traden keihard op. Volgens een onderzoekscommissie van de VN werden tussen 1954 en 1996 minstens tweehonderdduizend mensen vermoord. Bij klaarlichte dag werden ze door militairen, agenten of huurlingen van de straat geplukt, in busjes afgevoerd, gefolterd, afgemaakt en in massagraven gedumpt. Kinderen werden massaal gestolen, in staatsweeshuizen ondergebracht en met vervalste papieren ter adoptie aangeboden. Die grote kinderrroof wordt nu als een oorlogsmisdaad beschouwd. Het is tegen die achtergrond dat Ofelia de Gamas actief was. La Liga van Marco Garavito helpt ouders met het opsporen van hun verdwenen kinderen. Mijn eerste echte brief in het Spaans schreef ik naar Marco. (lacht) Sebastiàn Escalón gaf me intussen een snelcursus in online-onderzoekstechnieken. Met hun hulp vond ik mijn Guatemalteekse ouders en familie terug. Negen dagen en negen nachten bracht ik continu door op het internet.

“Uiteindelijk vond ik hen op Facebook. Ik durfde mijn biologische moeder niet aan te spreken. Op haar profiel stond elke zevende november van elk jaar een gebedje naast een foto van een baby.”

 

Dat was ter nagedachtenis aan u, haar gestorven dochtertje?

Fanon: “Ja. Volgens de papieren van Hacer Puentes die ik in mijn bezit heb, ben ik geboren op 7 november. Toen mijn adoptieouders me kwamen halen, was mijn geboortedatum op de officiële documenten veranderd in 4 november. ‘Het was oorlog en er was chaos’, zeggen mama en papa. ‘Die verkeerde datum was gewoon een vergissing.’ Dat is best mogelijk. Mijn ouders waren in ‘87 trouwens erg bang om naar Guatemala te vertrekken. Het zijn gewone mensen en geen avonturiers, militairen of oorlogsjournalisten. (lacht)”

 

U stuurde eerst een van uw gloednieuwe zussen een bericht via Facebook?

Fanon: “Zij dacht dat ik een gekkin of een oplichtster was. Later belden we en ze ratelde zo snel in het Spaans dat ik haar nauwelijks kon volgen. Een andere zus vroeg: ‘Welke informatie heb je over je adoptie?’ Ik stuurde haar alles wat ik had. Meteen daarna reageerde ze: ‘Hoe is het mogelijk dat je nog leeft?’ Toen zag ik een vriendschapsverzoek van mijn mama. (stilte) Vervolgens stuurde ze een bericht dat ik niet meteen durfde te openen. ‘Dag mijn mooi lief meisje, mijn schat’, schreef ze. ‘Ik geloof dat ik je mama ben.’”

 

Haar dertig jaar dode dochter was plots springlevend.

Fanon: “Al die jaren was ze er rotsvast van overtuigd dat ik dood was. Daar heeft ze nooit aan getwijfeld. Elk jaar brandde ze een kaarsje op mijn verjaardag. Mijn biologische mama had me Mariela Sindy genoemd. Mijn biologische papa noemde zijn eerste dochter die na mij geboren is, Mariela en zijn tweede dochter Cindy.”

 

Wanneer ontmoette u uw moeder in levende lijve?

Fanon: “In januari 2018, anderhalve maand na ons eerste contact. Ik moést haar zien en nam in mijn eentje het vliegtuig naar Guatemala. Heel de familie stond me op de luchthaven op te wachten.

“Ik vond mijn mama zo mooi. Ze rende naar me toe en nam me in haar armen. Ze was zacht en rook zo lekker. Haar geur vergeet ik nooit meer.”

 

Uw biologische vader ontmoette u later samen met Eric Goens voor Bargoens?

Fanon: “Papa woont in de Verenigde Staten. Hij is een succesrijk ondernemer en kwam speciaal voor ons over naar Guatemala. Mijn biologische mama is mijn adoptieouders ontzettend dankbaar. Ze kan niet ophouden met hen te bedanken omdat ze al die jaren zo goed voor haar dochter gezorgd hebben. Mijn beide mama’s hebben elkaar gesproken, en zouden graag samen tijd doorbrengen met mij. Maar ik kan dat op dit moment emotioneel niet aan. Zij kijken daar heel erg naar uit; voor mij lukt dat voorlopig niet.”

 

U zit nu met uw identiteit zwaar in de knoop?

Fanon: “Het is ingewikkeld. Als ik daar ben, zien de mensen me als één van hen. Ik ben dan ook één van hen, want op die momenten werken de toeristen me even hard op de zenuwen. (lacht) Daar ben ik thuis, maar hier ben ik ook thuis. Dat is zo raar. Als ik hier geen gezin had, was ik al lang weg naar Guatemala. Daar ben ik zeker van. Ik had de oversteek eerlijk gezegd bijna geregeld. Ik had zelfs een school gevonden waar de kinderen ook Frans konden blijven spreken. Mijn Guatemalteekse mama wil zo graag dat ik terugkom. Maar mijn man ziet een verhuis niet zitten. Mijn Guatemalteekse papa zou liefst hebben dat ik naar de VS verhuis. Maar ik raak dat land niet binnen omdat mijn papieren vervalst zijn. Officieel woon ik nog steeds in Guatemala.

“Ik ben verdrietig over wat mijn vaders en moeders moesten meemaken. Ik ben ook kwaad over wat er gebeurd is. Ze hebben mijn leven gestolen en twee families in de ellende gestort. Ik was amper een paar dagen oud toen ze me roofden. Het federaal parket voert nu sinds enkele maanden een onderzoek naar alle adopties van Hacer Puente. Ik hoop dat duidelijk zal worden wie in België verantwoordelijk was.”

 

Kwam dat gerechtelijk onderzoek er door u of door uw organisatie Racines Perdues?

Fanon: “Nee, het kwam er na een klacht van een slachtoffer uit Vlaanderen. Zij stapte met haar adoptieverhaal naar de politie. Via Racines Perdues heb ik contact met alle geadopteerden van Hacer Puente. Ook met de Vlaamse vrouw Dolores Maria Preat die in 2014 voor een stevig schandaal zorgde in Guatemala. Ook zij had ontdekt dat haar moeder haar niet uit armoede had afgestaan, maar dat ze was ontvoerd. Haar kidnapster gaf zichzelf uit voor haar biologische moeder. Die vrouw is daar in Guatemala voor veroordeeld.”

 

Preats adoptie verliep via Hacer Puente?

Fanon: “Ja. Ik zeg niet dat er een geurtje hangt aan alle adopties die Hacer Puente ooit regelde. Maar de lijst van onregelmatigheden die we via Racines Perdues in Guatemala verzamelden, oogt indrukwekkend. Met nummers van identiteitskaarten van biologische ouders die niet kloppen, mannen die vrouwen blijken te zijn, enzoverder… Het was één knoeiboel.”

 

In Vlaanderen is er op dit moment ook flink wat heisa over interlandelijke adoptie. Er bestaan ernstige vermoedens van fraude over adopties uit onder andere Sri Lanka, Ethiopië en Congo.

Fanon: “Franstalige en Nederlandstalige adoptiekinderen staan nu in nauw contact met elkaar. Want interlandelijke adoptiefraude is geen communautaire materie: in heel dit land liep het vaak grondig fout. Daarom is het meer dan de hoogste tijd voor een landelijke waarheidscommissie over adoptie. Álles moet op tafel komen. Zonder taboes.

“Sophie Villers en ikzelf willen graag als vertegenwoordigers van Racines Perdues door de toekomstige premier van België ontvangen worden. Want omdat we als baby ontvoerd zijn, raken wij nu de VS niet binnen. Daar beschouwen ze ons nog steeds als Guatemalteken. We zouden graag hebben dat onze toestand via diplomatieke weg geregulariseerd wordt. Dan kan ik mijn biologische papa bij hem thuis opzoeken. De nieuwe Belgische regering moet ook werk maken van een DNA-bank waar alle geadopteerden terechtkunnen.”

 

Heeft Michèle Boucq van Hacer Puente intussen contact met u gezocht?

Fanon: “Nee. In 2016 belde ik haar omdat ik meer informatie wou over mijn dossier. ‘Wij regelden enkel de overhandiging’, zei ze. ‘Ik heb geen archief.’”

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

Stella Goldschlag, de Joodse vrouw die haar vrienden naar de gaskamer stuurde

In Stella brengt de Duitse schrijver Takis Würger de Joodse ‘Greifer’ Stella Goldschlag opnieuw tot leven. Tijdens WO II assisteerde zij in Berlijn de Gestapo bij het opsporen van Joodse onderduikers. ‘Schandaalroman’ Stella zette de voorbije maanden Duitsland op stelten. “Iemand vroeg zelfs een verbod. Al die heisa deed verschrikkelijk veel pijn. Na lectuur van de zoveelste vernietigende commentaar in de krant zat ik soms een potje te wenen.”

 

Begin dit jaar verscheen in Duitsland Takis Würgers tweede roman Stella. Zijn debuut Der Club leverde hem in 2017 niets dan lovende recensies op. “Mijn eersteling werd de meest succesvolle debuutroman van dat jaar”, herinnert hij zich. “‘De nieuwe Hemingway is opgestaan’, jubelden de laaiend enthousiaste recensenten in koor.”

De historische figuur Stella Goldschlag speelt de hoofdrol in Würgers nieuweling Stella. Ze werd geboren in 1922 in Berlijn als het enige kind van Gerhard en Toni Goldschlag. Als Joods meisje ervoer ze in de jaren dertig het oprukkende antisemitisme aan den lijve. Vanwege haar afkomst werd ze van de openbare school gestuurd. In augustus 1943 werd ze samen met haar ouders door de Gestapo opgepakt. Stella werd eerst gefolterd en later gerekruteerd voor de Jüdischer Fahnungsdienst, de Joodse Opsporingsdienst. Voortaan ging ze door het leven als ‘Greifer’, als ‘vanger van Joden’. In ruil voor elke Joodse onderduiker die ze verlinkte, kreeg ze 200 Rijksmark. De Gestapo beloofde haar ook dat haar ouders niet naar een kamp op transport gezet zouden worden. Niet veel later werden ze toch naar Theresienstadt gedeporteerd. Maar ook daarna bleef Stella als Greifer actief. De nazi’s gaven haar als koosnaampje ‘het blonde gif’ en na de oorlog werd ze in de Duitse pers opgevoerd als ‘de Jodin die al haar vrienden naar de gaskamer stuurde.’

Meteen na publicatie van Stella op 11 januari in Duitsland, verschenen ook de eerste recensies. De Süddeutsche Zeitung kopte: ‘Een verschrikking, een belediging en een overtreding’, en catalogeerde het boek als: ‘verraad aan de geschiedenis en de herinnering’. De Frankfurter Allgemeine vroeg zich af: ‘Waarom dit nazi-verhaal voor dummies?’ De recensent van Die Zeit vatte een dag later Stella samen tot: ‘Gruwel in kinderboekenstijl.’ De openbare omroep Deutschlandfunk noemde Würgers roman ‘holocaust-kitsch’.

Takis Würger: “Gelukkig waren er ook tegengeluiden, zo riep de Duitse televisiezender NDR op hetzelfde moment Stella uit tot boek van de maand. Omdat mijn tweede roman over de holocaust gaat, volstaat dat voor de Duitse critici om mij met de grond gelijk te maken. Na mijn succesvolle debuut had ik dit scenario perfect kunnen voorspellen en me kunnen voorbereiden op die storm, maar toch was ik er niet klaar voor. De negatieve kritieken kwamen keihard binnen, zeker in het begin. Ik moest op zoek naar een manier om ermee om te gaan. Als romanschrijver heb je geen andere keuze dan ze gewoon aanvaarden. Critici zijn er om boeken te bekritiseren. Punt. Daniel Kehlmann is momenteel in Duitsland dé topauteur. Hij mailde me om me een hart onder de riem te steken, net als nog veel andere succesvolle Duitse schrijvers. “Die kritiek is normaal”, schreven ze. “Wen eraan.” Ze hebben gelijk, alleen gingen de hardheid en de wreedheid bij Stella in overtreffende trap.”

 

Kwam dat door de gevoeligheid van het onderwerp: de holocaust?

“Nee. Het was heel persoonlijk. U hebt mijn boek gelezen. Vindt u het ook zo schokkend dat het de gemoederen tot een kookpunt kan drijven? Nee, toch? Natuurlijk geeft Stella stof om over na te denken. Maar om daar dan compleet hysterisch over te worden? Er bestaan ook nog échte schandaalboeken. Ik heb niets nieuws verzonnen. Stella is een liefdesverhaal dat zich afspeelt tijdens de holocaust, met een vrouw in de hoofdrol die gebaseerd is op een historische controversiële figuur.”

 

Misschien is het meest choquerende dat Greifer Stella Goldschlag in uw roman sympathiek, begeerlijk, slim en kunstzinnig is.

“Ik kan me voorstellen dat sommigen dat over the top vinden, alleen is daar merkwaardig genoeg nooit een opmerking over gemaakt. De voornaamste kritiek luidt: ‘Mag die Würger wel zo’n roman schrijven?’ Waarom niet? Kunst is vrij; àlles mag geschreven worden. We gaan toch geen boeken verbannen? Weet u dat iemand me juridisch vervolgde voor mijn roman? De Berlijnse advocaat Karl Alich sleepte me voor de rechter en wou Stella uit de rekken.”

 

Waarom?

“Omdat ik ‘de doden verstoorde’. Volgens mij verstoor je de doden als je op het kerkhof een lijk opgraaft en vervolgens met de beenderen begint te spelen. De rechter stuurde Alich wandelen. Meteen nadat die man me aangeklaagd had, stonden de kranten weer vol: ‘Aanklacht tegen Takis Würger’. Wie wil, kan tegenwoordig om het even wie voor om het even wat voor de rechter slepen.

“Ik heb een vreselijk bizar voorjaar achter de rug. Ik ben nu writer in residence aan de universiteit van New York en ben blij dat er die fysieke afstand is tussen mij en Duitsland. Een paar dagen geleden landde ik op de luchthaven van Schiphol en ik dacht: ‘O nee, nu krijg ik die shit opnieuw over me heen.’ Maar iedereen is hier heel meelevend. Mensen vragen voorzichtig: ‘Wat is er aan de hand in Duitsland?’ Stella verscheen gelijktijdig in Duitsland en Italië. Mijn boek werd ook gerecenseerd door de grote Italiaanse bladen. Ze hielden er allemaal van en niemand riep op tot een verbod. Ach, misschien is het wel goed dat de Duitsers de herinnering aan de holocaust en hun nazi-verleden zo onder de microscoop leggen. Al deed de heisa rond Stella me verschrikkelijk veel pijn en zat ik vaak te wenen na lectuur van de zoveelste vernietigende recensie.”

 

Boekhandelaars verdedigden u. Eind februari schreven ze in een open brief in hun vakblad Börsenblatt dat ze uw roman ondanks alles graag en van harte wilden verkopen.

“Ik ben hen zeer dankbaar. Intussen is Stella uitgegroeid tot de meest succesvolle roman van het voorjaar. Op de laatste bladzijde staat mijn e-mailadres. Ik ontving duizenden mails, die ik allemaal beantwoord heb. De overgrote meerderheid is positief. Niet dat al mijn lezers me de hemel in prijzen, maar ze laten me weten dat mijn boek hen aan het denken zet. Sinds de publicatie van Stella gaf ik in Duitsland zowat vijftig lezingen, voor telkens vijfhonderd mensen. Het was hallucinant. Op een van die lezingen begonnen ze tegen elkaar te roepen. In normale omstandigheden komen enkel fans naar hun favoriete schrijver luisteren. Nu verschijnen er ook fervente tegenstanders van Stella op mijn lezingen. Dat zorgt voor een rare sfeer. De eerste keren schrok ik, intussen vind ik dat niet zo erg meer. Natuurlijk wil je dat mensen van je werk houden, maar misschien is het nog belangrijker dat je boek een debat aanvuurt. De discussie gaat nu over hoe we ons de holocaust en de misdaden van de nazi’s willen herinneren.

“Toen ik voor het eerst over Stella Goldschlag hoorde, besefte ik dat ik haar keuzes niet kon beoordelen. Ik heb nog steeds geen idee wat ik in haar plaats gedaan zou hebben. Ik durf geen oordeel vellen over hoe schuldig ze is. Open vragen zijn een goed vertrekpunt voor een roman. Ik las alles wat ik over haar kon vinden. Haar leven is vrij uitgebreid gedocumenteerd. Ik ben geen historicus gespecialiseerd in de holocaust.”

 

U bent journalist en werkt deeltijds voor Der Spiegel.

“Precies. Ik wou niet als journalist over Stella schrijven, maar als romancier. Langzaamaan groeide het idee om haar leven in Berlijn te beschrijven via de fictieve jongeman Friedrich.”

 

Hij is stinkend rijk en afkomstig uit Zwitserland. Waarom dat land?

“Ik had een reden nodig waarom Stella precies hem als minnaar zou willen. Die reden is zijn Zwitserse paspoort: dat gaf haar de mogelijkheid om als zijn echtgenote nazi-Duitsland te ontvluchten. Hun relatie startte op een moment dat het voor haar nog mogelijk was om Berlijn te verlaten. Zwitserland zou een ideale bestemming geweest zijn. Zij raakt pas in Friedrich geïnteresseerd op het moment dat ze doorheeft dat hij Zwitser is.”

 

Was de echte Stella Goldschlag ook een opportuniste?

“Ik denk het wel. Ze was tot alles bereid om te kunnen overleven. Als Joodse in Duitsland had ze natuurlijk niet veel keuze.”

 

Uw roman speelt zich af in 1942. Uw fictieve Stella is op dat moment actief als Greifer. De echte Stella begon pas joden te verlinken vanaf 1943.

“Dat klopt, maar u mag niet uit het oog verliezen dat mijn Stella geïnspireerd is op de historische Stella Goldschlag. In tegenstelling tot mijn Stella, was zij in 1942 een getrouwde vrouw. Toch zijn de gelijkenissen tussen beide Stella’s frappant: ze collaboreerden allebei met de nazi’s, waren allebei blond, slim en mooi en zongen allebei in een jazzband. De Jodin Stella Goldschlag was het prototype van het Arische ideaal en zette zo de rassenleer van de nazi’s een neus. De meeste Joden die erin slaagden om de Tweede Wereldoorlog in Berlijn te overleven, waren blond en leken totaal niet op het clichébeeld dat de nazi’s van hen schilderden. Ik koos voor 1942 omdat het in dat jaar nog perfect mogelijk was om naar Berlijn te reizen. In januari ’43 zou dat complete waanzin geweest zijn. Want dan kwam de oorlog naar Duitsland.”

 

Volgens uw roman was Berlijn in ’42 een behoorlijk swingende stad.

“De meeste mensen hebben een totaal vertekend beeld van Berlijn tijdens WO II. Ze zien een verwoeste, platgebombardeerde stad, maar dat is het Berlijn van 1944 en ’45 uit de film Der Untergang. Ik las stapels historische boeken over Berlijn in de jaren veertig en tijdens het schrijven ging ik te rade bij drie historici. De Amerikaanse radiojournalist William Shirer leefde in het begin van de oorlog in Berlijn. Hij hield een dagboek bij en schreef over feestjes en over de illegale jazzclubs die hij bezocht.”

 

Een van uw hoofdpersonages, de in luxe levende dandy Tristan van Appen, zou in 1942 een levensechte Berliner geweest kunnen zijn?

“Zeker. Tristan is gemodelleerd naar Gestapo-baas Reinhard Heydrich. Tristan staat symbool voor het feit dat cultuur je niet beschermt tegen slechtheid. Net als Tristan was Reinhard Heydrich de zoon van een componist. Heydrich weende makkelijk tijdens het luisteren naar klassieke muziek, tezelfdertijd plande hij aan de Wannsee nauwgezet de moord op de Europese Joden. Mijn personage Tristan von Appen houdt ook van muziek, is een gastronoom en lijkt een aardige kerel. Later zal blijken dat hij Obersturmbannführer bij de SS is. Duitse lezers schrikken als ze dat halverwege de roman te weten komen. Wij Duitsers lijken nog steeds te geloven dat het nazisme in 1933 door buitenaardse wezens in Duitsland geïnstalleerd is. We vergeten dat de nazi’s Duitsers waren en de Duitsers nazi’s. Niet alle nationaalsocialisten waren domme bruten. Sommigen waren professor, historicus, componist, muzikant, vader, beste vriend, drinkebroer… Mensen zoals u en ik.”

 

De Belgische historicus Herman Van Goethem schreef een boek over 1942. Onze huidige tijd doet hem sterk denken aan de jaren dertig.

“Ik heb professor Van Goethem ontmoet en was onder de indruk. Maar met die stelling ben ik het niet eens. De NSDAP, de nazi-partij, was diep in de kern antidemocratisch. Dat geldt niet voor de huidige rechtspopulistische partijen. Ik maak me zorgen over hun opkomst, maar zolang ze de democratie niet aanvallen en er deel van uitmaken, moéten we ze aanvaarden. Een groot verschil met 1933 is dat er op dit moment geen enkele betekenisvolle antisemitische partij actief is. Al maak ik me wel zorgen over antisemitische bewegingen in Duitsland en Frankrijk. Toch is het niet juist om onze huidige tijd te vergelijken met de jaren dertig.”

 

Volgens historicus Wolfgang Benz, voormalig directeur van het Berlijnse Instituut voor Antisemitisme, is islamofobie de huidige variant van het 19e en 20e-eeuwse antisemitisme.

“Ook daar ben ik het niet mee eens. Islamofobie op dezelfde lijn plaatsen als antisemitisme is waanzin. Sommigen koesteren ongetwijfeld vooroordelen tegenover de islam, maar er bestaan geen vernietigingskampen voor moslims en er worden ook geen plannen voor gesmeed. De georganiseerde vernietiging van een heel volk door de nazi’s is een unieke misdaad. Intolerantie tegenover moslims is fout en moeten we veroordelen. Van mij mag je een hele dag bidden, zolang je de mensenrechten eerbiedigt.”

 

De historische Stella Goldschlag verklikte Joden om haar ouders te redden. Volgens sommige schattingen droeg ze 3000 mensen bij de nazi’s over.

“Die schattingen zijn overdreven. Het zullen er een paar honderd geweest zijn.”

 

Ze wist wat die mensen te wachten stond?

“Ze probeerde te vermijden dat haar vader en moeder naar de kampen op transport gezet werden. Ze moet dus inderdaad geweten hebben dat er mensen vermoord werden.”

 

Maar ook na de deportatie van haar ouders blijft ze als Greifer actief.

“We weten niet waarom ze mensen bleef verklikken. Misschien om haar eigen hachje te redden? Volgens sommige historici kickte ze op de macht om over andermans lot te beschikken. Maar was dat echt zo? Het enige waarover we zekerheid hebben, is dat ze zowel dader als slachtoffer was.”

 

Na de oorlog werd ze door de Sovjets veroordeeld tot tien jaar gevangenschap. Na haar vrijlating verhuisde ze naar West-Berlijn waar ze opnieuw tot tien jaar veroordeeld werd.

“Omdat ze al tien jaar cel achter de rug had, moest ze toen niet nog eens naar de gevangenis.”

 

Ze hertrouwde vijf keer en sprong in 1994 uit het raam van haar flat in Freiburg. Weet u waarom ze zelfmoord pleegde?

“Nee. Ze liet geen afscheidsbrief achter en sprak er op voorhand met niemand over. De historische Stella Goldschlag was, net als mijn Stella, een vrouw vol geheimen. Eigenlijk weten we niet hoe ze over zichzelf dacht, of hoe ze met schuldgevoelens omging, in de veronderstelling dat ze die had.”

 

Wat wel zeker is: ze werd samen met haar ouders gearresteerd en door de nazi’s gefolterd.

“Ja. Na die foltersessie werd ze Greifer. Haar ouders waren in levensgevaar, maar hoe ze daarover dacht of wat ze daarvan vond, weten we niet. Elk hoofdstuk begin ik met een kroniek van die tijd. Alles wat daarin beschreven staat, is hard feitenmateriaal, inclusief de 10 geboden voor iedere nationaalsocialist van Joseph Goebbels, nazi-minister van Volksvoorlichting en Propaganda. Als je als Duitser over de Tweede Wereldoorlog wil schrijven, zelfs in een roman, moét je de feiten juist hebben. Mijn eigen grootvader diende als soldaat in de Wehrmacht en mijn grootmoeder gaf voordrachten over de superioriteit van het Arische ras.”

 

Zij was een overtuigde nazi?

“Zonder twijfel. Over de Wehrmacht-soldaten werd tot lang na de oorlog gezegd: ‘Zij waren de good guys; ze hielden zich aan de regels.’ Onzin, denk maar aan wat de Duitse Wehrmacht in Rusland heeft aangericht. Ze maakten er zich schuldig aan de ene misdaad na de andere. Ter voorbereiding van dit boek was ik drie maanden in Tel Aviv en sprak ik zowat dagelijks met Auschwitz-overlevende Noah Klieger. Hij stierf in december vorig jaar en heeft nog een tijd in België gewoond. Hij was 92 toen ik hem ontmoette. Hij vertelde me hoe het was om als jood onder de nazi’s te leven. Hij zei: ‘Die oorlog was compleet verkeerd. Polen binnenvallen omdat je gelooft dat je meer Lebensraum nodig hebt: dat was toch waanzin?’ Hij had gelijk, en het was niet zo dat de soldaten van de Wehrmacht zich tegen die inval verzetten. Integendeel.”

 

Sprak u ooit met uw grootouders over hun oorlogsjaren?

“Mijn grootvader stierf voor mijn geboorte. Mijn grootmoeder heb ik wel nog gekend. Zij groeide op in een klein dorp in Pruisen en wou nooit veel over haar rol in de oorlog kwijt. Ik moest dus op zoek naar andere getuigen.”

 

U sprak ook met nazi’s?

“Als je in Duitsland leeft, is de kans vrij groot dat je af en toe met een nazi spreekt. (lacht) Ik ging inderdaad ook met een paar stokoude nazi’s praten. Ik wou de Berlijnse atmosfeer van die eerste oorlogsjaren zo getrouw mogelijk reconstrueren. Mijn hoofdpersonage Friedrich vertelt hoe de stad ruikt: ‘Berlijn rook naar kolen, naar harszeep, naar de geur van verplaatsbare houtgaskachels, boenwas en gekookte bieten.’ Dat was de authentieke geur. Het heeft me vreselijk veel moeite gekost om daarachter te komen, want de meeste inwoners van Berlijn uit 1942 zijn dood. Uiteindelijk vond ik een vrouw die zich de geur nog levendig kon herinneren. De journalist in mij wil al die feiten juist hebben.”

 

Doorheen uw boek staan getuigenissen over de verklikacties van Stella Goldschlag.

“Die zijn authentiek en heb ik geput uit de processtukken die bewaard worden in het Landesarchiv Berlin. Ze vormen een tegenwicht voor mijn sympathieke Stella. Haar verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van een man die dolverliefd is op haar. Ze brengt Friedrichs hoofd op hol. De getuigenissen over mensen die door Stella verlinkt zijn en in Auschwitz vermoord werden, zetten de lezer weer met beide voeten op de grond.”

 

Die Friedrich is zeer naïef, vind ik.

“Dat is een bewuste keuze. Kijk, wij weten nu wat er gebeurd is. Friedrich wist dat niet. Hij stond er middenin en stelde zich niet al die vragen waarvan wij vinden dat hij ze zich had moeten stellen. Ik vind dat zeer aannemelijk, wat niet wil zeggen dat ik hem als vriend zou willen. Liever niet.”

 

In 1945 kreeg Stella Goldschlag een dochter, Yvonne. Zij leeft nog. Hebt u haar ontmoet?

“Nee. Toen Stella in de gevangenis zat, werd Yvonne geadopteerd. Zij werd verpleegster en verhuisde naar Tel Aviv. Yvonne heeft altijd tegen beter weten in verkondigd dat Stella Goldschlag niet haar biologische moeder is. Haar leven lang voert Yvonne Meissl een strijd om zich te bevrijden van Stella. Met de hulp van een Israëlische journalist kon ik haar in Tel Aviv opsporen. Maar op het laatste nippertje besloot ik haar met rust te laten. Ze wil niet aan Stella gelinkt worden en ik vind dat ik dat moet respecteren.”

 

Is dat toch geen gemiste kans?

“Vanuit journalistiek oogpunt wel. Maar het is toch ook belangrijk dat je iemands wil respecteert? Ik wil Yvonne niet kwetsen. Voor Stella geldt dat argument niet: zij is 25 jaar dood.”

 

Bio

 

  • Geboren in 1985
  • Studeerde journalistiek
  • Redacteur bij Der Spiegel
  • Werkte als oorlogsjournalist in Afghanistan, Libië en Irak
  • Werd in 2010 genomineerd als een van de dertig Duitse topjournalisten onder de dertig
  • Debuteerde in 2017 met Der Club als romanschrijver

 

Takis Würger, Stella, Signatuur, 192 blz, 17,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Gebruik de dreigende klimaatramp om de economie te hervormen’

‘We hebben niets geleerd uit de kredietcrisis’, zegt topeconome Mariana Mazzucato. ‘Integendeel. In 2018 werd het bedje nog wat meer gespreid voor de volgende crisis.’

 

Na een korte promotour door Australië voor haar nieuwe boek ‘De waarde van alles’, is de Italiaans-Amerikaanse econome Mariana Mazzucato terug thuis in Londen. ‘Tijd om te crashen op de bank was er niet, want onze tweeling werd de dag na mijn aankomst veertien’, zegt ze. ‘Dat moest gevierd worden.’

Sinds de publicatie in 2013 van haar bestseller ‘De ondernemende staat’ reist Mazzucato de wereld rond. Ze adviseert regeringen, politici en ceo’s over economische innovatie en duurzaam ondernemen, geeft lezingen en doceert tussendoor economie aan de universiteit van Londen.

Melania Mazzucato: ‘Mijn ‘ondernemende staat’ is: een investerende en innoverende overheid. Die is onontbeerlijk voor slimme, duurzame groei. Zonder de jarenlange investeringen van de Amerikaanse overheid in fundamenteel onderzoek konden Apple, Google en Microsoft nooit zo’n belangrijke ondernemingen worden. Dankzij overheidsinvesteringen is er nu het internet en de smartphone.’

 

In ‘De waarde van alles’ wil u het begrip ‘waarde’ terug ‘de invulling geven die het echt verdient’. Wat is ‘waarde’ dan precies?

Mazzucato: De essentie van ‘waarde’ is dat het moet gaan om het voortbrengen van nieuwe goederen en diensten. De kernvragen zijn: hoe worden die goederen en diensten geproduceerd, hoe worden ze verdeeld en wat gebeurt er met de winsten die ze opbrengen? Een product wordt pas écht waardevol als het ook nuttig is. Voegt het iets toe aan de mensheid of schaadt het ons? Zorgt het met andere woorden voor waardecreatie of is het volstrekt waardeloos? Een nieuwe fabriek bijvoorbeeld kan vanuit economisch standpunt zeer waardevol zijn, maar verliest aan waarde wanneer ze tijdens de productie de omgeving te veel vervuilt.

 

Volgens u bezondigen bankiers, durfkapitalisten en vermogensbeheerders zich eerder aan waardeonttrekking dan aan waardecreatie?

Mazzucato: Vaak behoren zij tot de ‘pakkers’ of ‘graaiers’. Ze produceren zo goed als niets en toch belonen ze zichzelf met riante commissies, zelfs als de adviezen aan hun cliënten compleet de mist ingaan. Ze komen daar ook probleemloos mee weg.

In 2009 verklaarde Lloyd Blankfein, de ceo van Goldman Sachs: ‘Onze mensen zijn de productiefste ter wereld.’ Terwijl Goldman Sachs amper een jaar eerder de hoofdrol gespeeld had in de zwaarste financiële crisis in tachtig jaar. De Amerikaanse belastingbetalers moesten 700 miljard dollar ophoesten om de bank van de ondergang te redden. Toch gingen Goldman Sachs en andere zakenbanken later lustig door met speculeren tegen de door henzelf uitgevonden derivaten die tot zoveel ellende hadden geleid. Tussen 2009 en 2016 boekte Goldman Sachs een nettowinst van 63 miljard dollar op een netto-omzet van 250 miljard. In 2009 haalde het bedrijf zelfs een recordwinst van 13,4 miljard. En hoewel de bank een jaar eerder door de Amerikaanse overheid met geld van belastingbetalers gered was, durfde de regering het niet aan om daar later een faire vergoeding voor te vragen. Ze was al lang blij dat het geld werd terugbetaald.

 

Hebben we dan niets uit de kredietcrisis geleerd?

Mazzucato: Nee, totaal niets. In 2018 werd het bedje nog wat meer gespreid voor de volgende crisis. In veel landen dreigt een economische kladderadatsch. Nogal wat economische statistieken tonen verontrustende cijfers. De verhouding tussen particuliere schulden en beschikbare inkomens ligt terug op het niveau van voor de financiële crisis van tien jaar geleden. In de VS worden weer volop leningen aan huishoudens en bedrijven verstrekt die ze niet kunnen dragen. Banken verstrekken opnieuw hoge hypotheken aan mensen met een te laag inkomen om ze kunnen afbetalen.

Er kwam ook geen belasting op financiële transacties, waardoor financiering op korte termijn beloond wordt, in plaats van financiering op lange termijn. Veel winsten van industriële ondernemingen worden niet in de bedrijven geherinvesteerd, maar in het terugkopen van aandelen om zo aandelenprijzen en -opties kunstmatig een boost te geven. De huishoudens zagen de voorbije jaren geen andere keuze dan steeds meer leningen aan te gaan om hun levensstandaard op peil te houden. Al die dingen samen vormen een bijzonder explosieve cocktail.

 

En dat op het moment dat de gevolgen van de klimaatverandering steeds tastbaarder worden.

Mazzucato: Precies. Als je alle immense problemen die met de klimaatverandering gepaard gaan daarbij telt, begint het pas echt te duizelen. Ik heb het meest recente IPCC-rapport gelezen en dat windt er geen doekjes om: we hebben nog twaalf jaar om ons voor een regelrechte globale catastrofe te behoeden. Misschien is nu hét moment aangebroken om de dreiging van de klimaatverandering als breekijzer te gebruiken voor noodzakelijke economische hervormingen. Laat de klimaatramp die boven ons hoofd hangt de stok achter de deur zijn om al die slecht aangewende winsten nieuwe, werkelijk zinvolle bestemmingen te geven.

Het klimaat is trouwens niet onze enige uitdaging: in veel landen deugen de zorgsystemen niet of staat de sociale zekerheid zwaar onder druk. Een nieuw economisch raamwerk is daarom ook nodig als we de welvaartstaat niet compleet ten onder willen zien gaan. Het hele systeem moet dringend doelbewuster aangestuurd worden, in het belang van ons allemaal.

 

Hoe moet dat dan concreet gebeuren?

Mazzucato: Ik roep onze bewindvoerders op om eerst en vooral gebruik te maken van het hele scala aan middelen waarmee zij de maatschappij kunnen sturen. De prijzen-, loon- en belastingpolitiek moeten zo georganiseerd worden dat die organisaties en ondernemingen beloond worden die de grote uitdagingen durven tackelen die op ons afkomen. Het uiteindelijke doel is: meer duurzame groei stimuleren.

De Europese Commissie heeft mij ingehuurd om te onderzoeken hoe grote collectieve problemen zoals klimaatverandering, ziektes, armoede en vergrijzing op een innovatie manier aangepakt kunnen worden. Ik vind dat de EU zichzelf best meer doelen stelt en ‘missies’ uittekent. Ze kan zich daarbij richten op de duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN. Een van mijn adviezen luidt: creëer honderd CO2-neutrale steden in de EU. Overheden moeten dat soort van doelen dúrven stellen en zelf helpen verwezenlijken door in duurzame projecten te investeren. Ik pleit dus niet meer of minder dan voor een groene New Deal.

 

Is de nieuwe generatie populistische politici die wereldwijd aan een opmars bezig is, ook geïnteresseerd in wat u te vertellen heeft?

Mazzucato: Kent u Alexandria Ocasio-Cortez? Ze is een Democratische politica uit New York en kersvers lid van het Huis van Afgevaardigden. Met haar 29 jaar is ze de jongste Amerikaanse volksvertegenwoordiger ooit. Zij is erg geïnteresseerd in een groene New Deal en ik begeleid haar daarbij. Ik werkte ook nauw samen met de Oostenrijkse sociaaldemocraat Christian Kern, tot hij in 2017 de verkiezingen in zijn land verloor. Ik adviseer ook vooraanstaande Britse politici, ook al is het vandaag niet vanzelfsprekend om in het Verenigd Koninkrijk over goed beleid na te denken, met die obsessie voor de brexit. En in de VS is er natuurlijk die grote schaduw van president Donald Trump. Maar toch zijn er lichtpunten: zo rebelleren de staat Californië en de stad New York openlijk tegen Trump. En waarom praten we niet meer over een land als Denemarken dat al behoorlijk ver staat in de groene transitie? De Denen zijn intussen de belangrijkste leveranciers geworden van duurzame high tech-diensten aan China. Onderschat die Chinezen trouwens niet: zij spenderen 1,7 triljoen dollar in het duurzaam maken van hun economie. Er vinden dus best wel positieve dingen plaats.

 

China is niet langer de grote vervuiler?

Mazzucato: Het milieu wordt er nog steeds op grote schaal vervuild, maar de overheid beseft intussen heel goed dat het zo niet verder kan. Ze maken van de immense vervuilingsproblematiek de motor voor innovatie. De Chinese overheid wil de complete economie vergroenen. Ik vind dat zeer interessant.

 

In China bepaalt de autoritaire staat de richting van de economie. Onze overheden moeten ook meer ingrijpen?

Mazzucato: Onze overheden moeten meer geld in duurzame projecten investeren, en tezelfdertijd ophouden met het verkwisten van belastinggeld. Ontzettend veel geld wordt vermorst met subsidiëringen of zogezegd gerichte belastingverlagingen die op het einde van de rit geen verschil maken. Bedrijven maken dankbaar gebruik van al die overheidssubsidies om hun winsten nóg te vergroten, terwijl die vaak al de pan uit swingen.

 

Zo vergroten overheden al dan niet ongewild de kloof tussen rijk en arm?

Mazzucato: Ja, maar ik hou niet van die formulering. Ik vind ze nogal onvolwassen. Wat wil dat zeggen: ‘De kloof vergroten tussen rijk en arm’? Niets. Want over wie hebt u het dan? Wie zijn ‘degenen die alles hebben’ en ‘degenen die niets hebben’? De échte kern van de zaak is: hoe kan een overheid duurzame investeringen stimuleren?

 

U hebt geen boodschap aan de Occupy-slogan: ‘de 99 procent tegen de 1 procent’?

Mazzucato: Studenten mogen die slogans hanteren, maar niet adviseurs zoals ik die regeringen assisteren in hun transitie naar meer duurzaamheid. Ik ben het eens met de ideologie die erachter schuilgaat, maar niet met het sloganeske simplisme. Ik ben heel specifiek in wat ik tegen regeringsleiders zeg: ‘Als die bepaalde subsidie of belastingverlaging niet het gewenste effect heeft, is het een verkwisting van belastinggeld.’ Want het grote probleem met niet-functionerende belastingvoordelen is dat ze elders gecompenseerd moeten worden. Als bedrijven zo’n belastingverlaging niét gebruiken om een vervuilende activiteit af te bouwen, verliezen we twee keer. De kwaliteit van onze leefomgeving zal even belabberd blijven én iemand anders moet de rekening van die belastingverlaging oprapen. Misschien wordt er dan beknibbeld op het budget voor onderwijs of cultuur. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?

 

De Europese Commissie en de Britse, Oostenrijkse of Duitse bewindvoerders nemen uw adviezen misschien wel ter harte, maar hoe zit dat met de vele regimes die gebukt gaan onder corruptie?

Mazzucato: Maak u geen illusies: bijna elke regering heeft te maken met corruptie. Groot-Brittannië, het land waar ik leef, kent zelfs ontzettend veel corruptie. Zo overtuigden de grote farmaceutisch bedrijven de Britse regering ervan om een ontzettend domme taxcut te introduceren: de Patent Box. De bedoeling was zogezegd om R&D-afdelingen van farmabedrijven naar het VK te lokken, terwijl die belastingverlaging in werkelijkheid voor geen enkele innovatie zorgt. De Patent Box kwam er na intensief gelobby van de farma-industrie; voor mij is dat corruptie. In een democratie nemen de mensen die door het volk verkozen zijn de beslissingen, niet de grote ondernemingen of belangengroepen.

 

Dat is toch nog iets anders dan de corruptie in landen als pakweg Rusland of Congo?

Mazzucato: In bijvoorbeeld mijn geboorteland Italië of sommige Afrikaanse landen is de corruptie inderdaad zo hard doorgeslagen dat fatsoenlijk regeren er quasi onmogelijk is. Als antwoord op die corruptie werd in Italië de openbare sector drastisch hervormd. Die hervorming kwam eigenlijk neer in kortwieken, waardoor de overheid nóg zwakker werd. Italiaanse ambtenaren belandden van de regen in de drop, waardoor ze nu meer dan ooit gevoelig zijn voor corruptie.

 

U maakt zich grote zorgen over de brexit?

Mazzucato: Ja, dat wordt een regelrechte ramp. Alleen niet voor de usual suspects als Price Waterhouse Coopers (PWC), Ernst & Young, Deloitte… Zij werden door de regering ingehuurd en zijn vandaag de feitelijke Brexit-planners. De chaos groeide de regering boven het hoofd en daarom ging ze te rade bij PWC en co. De uitkomst van het brexit-avontuur is zeer onzeker, maar dat maakt voor de consultants geen verschil, want zij verdienen er sowieso handenvol geld aan. De brexit werd voorgesteld als dé manier voor het VK om geld te besparen; de ironie wil dat de Britse overheid nog nooit zoveel consultancyhonoraria uitbetaald heeft als nu. (lacht)

 

De brexit wordt een ramp voor zowel Groot-Brittannië als Europa?

Mazzucato: Het wordt in de eerste plaats een ramp voor Groot-Brittannië. Voor de EU zal het wel meevallen. Kwetsbare Britse burgers die zich door de campagne van de brexiteers hebben laten misleiden, worden nóg kwetsbaarder. Hun lonen zullen nog meer de dieperik in duiken. En dat in een tijd waarin zelfs een land als China volledig afscheid genomen heeft van een lagelonenpolitiek. De Chinese machthebbers bouwen vandaag aan wat ik een ondernemende staat noem, terwijl een president als Trump de Amerikaanse ondernemende staat volledig aan het uitkleden is.

 

Trump presenteert zichzelf net als dé president-ondernemer.

Mazzucato: Hij verkoopt zichzelf graag als het prototype van de ondernemer, maar dat is hij niet. Het enige wat hij doet, is de boel uitverkopen aan zijn collega-superrijken. Met zijn kruistocht voor steenkool, keert hij zelfs terug naar de jaren vijftig. Zijn beleid staat haaks op innovatie en duurzaamheid. Zijn voorganger Barack Obama had wel oren naar een groene New Deal. Het besef dat de staat een rol moet spelen in een duurzame transitie is in de VS nu helemaal weg.

Het klimaatakkoord van Parijs was voor mij een teken van hoop omdat eindelijk een grote groep landen gezamenlijke doelen vooropstelde. Intussen smelt die hoop als sneeuw voor de zon. Gelukkig zijn er steeds meer grote bedrijven die tonen hoe het wel moet. Het Sustainable Living Plan van Paul Polman, ceo van Unilever, is daar een uitstekend voorbeeld van. In dat plan legt Polman de onderneming een aantal duurzame doelstellingen op. De omzet moet omhoog, maar tegelijkertijd moet de belasting voor het milieu drastisch omlaag. Ik put ook hoop uit het duurzame beleid van gouverneur Jerry Brown in Californië. En uit wat landen als Denemarken, Duitsland en China de voorbije jaren hebben proberen verwezenlijken. We mogen ook Brazilië niet vergeten: de sociaaldemocratische president Lula zette de economische koers van zijn land zonder overdrijven op het pad van de duurzaamheid. Hij trok miljoenen mensen uit de armoede.

 

Lula zit nu in de gevangenis voor corruptie en de nieuwe radicaal-rechtse president Jair Bolsonaro werd door Donald Trump enthousiast onthaald.

Mazzucato: Wat alleen maar aantoont hoe fragiel onze democratie is. Er vinden vandaag inderdaad zeer veel deprimerende gebeurtenissen plaats, maar wil dat zeggen dat we collectief depressief moeten worden? Nee, want zo raken we van de regen in de drop.

 

 

Mariana Mazzucato

  • 1968 geboren in Rome
  • 2013 boek The Entrepreneurial State (in 2015 vertaald als De ondernemende staat)
  • 2015 wordt adviseur van Labour-leider Jeremy Corbyn
  • Sinds 2017 Professor economie aan de Universiteit van Londen en directeur van het Institute for Innovation and Public Purpose

 

Mariana Mazzucato, De waarde van alles, Nieuw Amsterdam, 384 blz., 27,99 euro

 

(c) Jan Stevens

“Te vaak is internationale adoptie vermomde kinderhandel”

“Onder het mom van adoptie werd ik in 1980 als baby in India ontvoerd”, zegt Rani T’Kindt. Opdrachtgever was adoptiebureau De Vreugdezaaiers. In 2011 verloor die organisatie haar erkenning; een half jaar later nam het nu in opspraak gekomen Ray of Hope alle dossiers over. “Zolang er met adoptie geld te verdienen valt, zál er gefraudeerd worden.”

 

“Ik ben illegaal geadopteerd en heb dus ook op een illegale manier verblijfspapieren gekregen”, stelt Rani T’Kindt (40). “Toch riep niemand tot hiertoe op om mij uit te wijzen, zelfs het Vlaams Belang niet.”

Op 5 juli 1980 kwam de toen anderhalf jaar oude Rani met het vliegtuig vanuit India in België aan. “Mijn biologische ouders behoorden tot de laagste kaste in de stad Puducherry”, vertelt ze. “Mijn moeder beviel van een meisje en mijn vader was daar niet gelukkig mee. Hij liet haar in de steek. Mama stond met haar pasgeboren dochter op straat en wist van geen hout pijlen maken. De nonnen van het katholieke weeshuis boden haar een job als kokkin aan. Als kleine baby groeide ik op tussen de weesjes. ‘s Nachts moest mama op straat slapen; ik kreeg een bedje tussen de andere kinderen. Mijn Indiaase moeder kon niet lezen of schrijven, maar net als veel andere analfabeten kon ze wel haar naam op papier zetten. De nonnen lieten haar formulieren tekenen waardoor ze zonder het te beseffen mij afstond. Op een ochtend kwam ze in het weeshuis aan en was ik verdwenen. Ik ben nu zelf mama; ik kan me niet voorstellen dat ik mijn dochter van anderhalf zonder morren aan een paar nonnen zou hebben afgestaan. Mijn mama was in paniek. ‘Je hebt zelf getekend’, zeiden de nonnen. ‘Maak je geen zorgen: je dochter is in Parijs. Daar zal ze geneeskunde studeren. Later komt ze terug als dokter.’ Niet lang na mijn ontvoering, keerde mijn biologische vader terug naar zijn vrouw. Zijn geweten knaagde omdat hij mij in de steek had gelaten. Maar ik was verdwenen. Hij was razend. Mijn ouders werden bij de nonnen ontboden en kregen te horen dat ik gestorven was.”

 

Zaaiers van vreugde

Het katholieke weeshuis van Puducherry leverde tegen vergoeding kinderen aan de Gentse adoptiedienst De Vreugdezaaiers. Die organisatie werd eind jaren 50 opgericht door Franciscaner-pater Eugène Delooz. Hij specialiseerde zich in vakanties voor kinderen uit de Parijse bidonvilles bij Nederlandse en Belgische gezinnen. Eind jaren zestig schakelde hij over op adopties van Indiase weeskinderen. Hij sloot een deal met de weeshuizen van Moeder Theresa en op Kerstmis 1970 verscheepte de pater zijn eerste lading Indiase adoptiekinderen. De vraag van kinderloze Belgische en Nederlandse echtparen steeg en de pater legde contacten met andere Indiase weeshuizen, waaronder dat van Puducherry. “Ik heb een foto uit 1980 waarop ik als meisje van anderhalf tussen de weesjes poseer”, zegt Rani. “Pontificaal in het midden zit zuster Blanche met een baby op haar schoot. Ik zit naast haar op de schoot van een meisje met een witte haarband. Die foto diende om in Nederland en België promotie te maken voor het kinderaanbod van De Vreugdezaaiers. Zuster Blanche was een van de daders die mij in samenspraak met De Vreugdezaaiers ontvoerd en verkocht heeft. Die non werd later naar België uitgenodigd om er gevierd te worden als grote weldoenster.”

In november 2011 trok Kind en Gezin de erkenning van De Vreugdezaaiers in. Reden: ze plaatsten te weinig kinderen. Vandaag is de organisatie nog steeds actief als fondsenwerver voor Indiase schoolkinderen. De lopende adoptiedossiers werden in april 2012 overgenomen door het deze week in opspraak gekomen adoptiebureau Ray of Hope (DM 02/05).

 

Uit de doden opgestaan

In België groeide de jonge Rani op in een warm nest. “Ik heb een innige band met mijn Belgische ouders”, zegt ze. “Mijn papa is gestorven op zijn 65e; hij was net op pensioen. Datzelfde jaar is mijn dochter geboren. Ik herinner me dat ik tien was en in bad zat. Ik vroeg mijn mama: ‘Waarom gaat dat bruin niet van mijn lijf?’ Ze antwoordde: ‘Omdat je in India op de wereld gekomen bent. Je Indiase mama was arm en kon niet voor je zorgen. Daarom stuurde ze je naar hier.’”

Op haar negentiende vertrok Rani met haar toenmalige vriend voor een rondreis van een jaar door India. “Van onze trip wilden we een boek maken. ‘Zullen we op zoek gaan naar je biologische mama?’, suggereerde mijn vriend. Tot dan had ik in de veronderstelling geleefd dat ik als baby was gedumpt door een vrouw die niets om me gaf. En toch wou ik haar vinden. In mijn adoptiedossier stond enkel haar voornaam: Mary. De Vreugdezaaiers kwamen te weten dat ik haar in India aan het zoeken was. Ze namen contact op met mijn Belgische mama: ‘Er is niemand meer in Puducherry. Rani’s vader is lang dood en haar moeder stierf onlangs.’ Ik was helemaal van slag. Eerst overwoog ik die stad links te laten liggen. Toch bleven we zoeken en zo ontdekte ik dat mijn beide ouders nog in leven waren. Een non van dat weeshuis kreeg medelijden en hielp me.”

In 1998 ontmoette Rani voor het allereerst haar biologische ouders. “Dat was hartverscheurend en hakte er zowel bij hen als bij mij diep in. Hun kind was uit de doden opgestaan. Zij wisten niet dat ik geadopteerd was. Mijn mama weende en raakte me constant aan, van top tot teen. Ze wilde dat kind voelen dat ze ooit op de wereld gezet had. Ik worstelde daarmee: een vreemde vrouw die op mij leek, kon niet van me afblijven. Ik was haar enig kind. Nadat ik uit haar leven verdween, was haar verdriet zo groot dat ze geen andere kinderen meer wou. Ze smeekte me om voorgoed te blijven, trof zelfs voorbereidingen voor een huwelijksfeest en ging op zoek naar een bruidegom. Ze maakte kennis met mijn Belgische mama en dat was ontzettend moeilijk. Je hoopt om het ontbrekende puzzelstukje van je leven te vinden, maar dat blijkt toch niet zo goed te passen.”

In 2008 bezocht Rani haar biologische ouders opnieuw. Ze organiseerde toen ook een benefiet voor hen in het Gentse. “Ik gaf een interview in een krant waarin ik kritiek uitte op De Vreugdezaaiers, zonder de organisatie bij naam te noemen. Een paar dagen later zat er een anonieme dreigbrief in de brievenbus van mijn ouders. ‘Wij weten waar jullie mee bezig zijn. Let op, of wij treffen maatregelen!’ Het interview zat erbij, met de passages over de Vreugdezaaiers aangeduid in fluo.”

 

Aanklacht tegen kinderhandel

In oktober vorig jaar zag Rani T’Kindt haar moeder in India voor het laatst. “Vier weken geleden is ze gestorven. Ze was 62. Ik ben blij dat ik haar samen met mijn dochter van zeven nog ben gaan opzoeken. In de lente van vorig jaar liet een Indiase neef me weten dat ze ernstig ziek was. Ik wou dat ze voor haar dood haar enige kleinkind zag. In oktober hielden mijn dochter June en mijn mama Mary elkaars handen vast. Dat laatste bezoek aan mijn Indiase moeder heb ik gefilmd, want ik wil een documentaire maken, een aanklacht tegen kinderhandel. Te vaak is internationale adoptie vermomde handel in kinderen. Er moét een waarheidscommissie komen die alle internationale adopties onderzoekt, én een meldpunt. Het getuigenis vorige week van dat Ethiopische meisje over haar frauduleuze adoptie uit 2009, illustreert dat er bitter weinig veranderd is. Ondanks alle regels en wetten. Want zolang er met adoptie geld te verdienen valt, zál er gefraudeerd worden.”

 

(c) Jan Stevens

“Meer dan ooit is er behoefte aan een waarheidscommissie over adoptie”

Na getuigenissen over fraude met adopties uit Ethiopië, belooft minister van Welzijn Jo Vandeurzen een onderzoek. Adinda Aelvoet en Priyani Libert blijven met een wrang gevoel achter. “Omdat het bijna verkiezingen zijn, schieten onze politici nu in gang. Toen wij anderhalf jaar geleden met ons adoptieverhaal naar buiten kwamen, gebeurde er niets.”

 

Zaterdag getuigde in Het Laatste Nieuws de 17-jarige Thereza De Wannemaeker uit Denderleeuw over haar frauduleuze adoptie uit Ethiopië in 2009. Volgens de officiële documenten was haar biologische moeder verdwenen en haar vader overleden. Later ontdekte Thereza dat er van dat verhaal niets klopte. De voorbije dagen liepen bij de krant nog vijftien getuigenissen binnen over vermoedelijke adoptiefraude. Spin in het web is adoptiebureau Ray of Hope (RoH) dat van 1997 tot 2017 samenwerkte met een volgens de getuigenissen volstrekt onbetrouwbaar Ethiopisch contactpersoon. Vlaams parlementslid Lorin Parys (N-VA) wil nog voor de verkiezingen een extra zitting van het Vlaams parlement over de mogelijk frauduleuze adopties. Hij pleit voor een ‘diepgaand en onafhankelijk onderzoek’. Ook Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) is voorstander van zo’n onderzoek naar adoptiepraktijken uit het verleden. Die plotse daadkracht bezorgt Adinda Aelvoet en Priyani Libert een wrang gevoel. “Nu het bijna verkiezingen zijn, schieten onze politici in gang. Maar toen wij begin vorig jaar met ons adoptieverhaal naar buiten kwamen, gebeurde er helemaal niets.”

 

Stichting FLASH

Op 27 januari 2018 getuigden Priyani en Adinda in weekendbijlage Zeno over hun eigen vermoedelijk frauduleus verlopen adoptie uit Sri Lanka in de jaren 80. Bij hun zoektocht naar hun biologische ouders kwamen ze een paar jaar geleden via Kind & Gezin (K&G) en Steunpunt Adoptie bij RoH’s plaatselijke contactpersoon Sunil Wijewardena terecht. Tussen 1997 en 2011 regelde hij voor RoH alle 49 adopties uit Sri Lanka. In de jaren erna schakelde de adoptiedienst hem ook voor hun ‘nazorg’ in. Adoptiekinderen die zoals Priyani en Adinda naar hun biologische ouders op zoek waren, werden aan Wijewardena toevertrouwd. Op 27 september 2017 bracht deze krant aan het licht dat Wijewardena in de jaren tachtig nauw betrokken was bij grootschalige adoptiefraude van de Nederlandse Stichting FLASH. Van de duizenden Sri Lankaanse baby’s die in de jaren 80 via dat adoptiebureau in Nederland werden geadopteerd, bleek bij 70 procent de papieren vervalst te zijn. Kinderen werden geroofd van hun ouders en voor grof geld doorverkocht. Op babyfarms werden zelfs adoptiekinderen ‘gekweekt’. Wijewardena stond toen in voor het vervoer van de adoptiekinderen van FLASH.

Naar aanleiding van onze berichtgeving vroeg Lorin Parys op 10 oktober 2017 in de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin meer uitleg aan Jo Vandeurzen. De minister antwoordde dat er geen aanwijzing van fraude was en dus geen aanleiding voor een onderzoek.

Adinda Aelvoet: “Een van de argumenten van Jo Vandeurzen was dat volgens hem alles veranderd was. RoH ging in 1994 van start en Vandeurzen stelde dat op dat moment interlandelijke adoptie veel strikter geregeld was dan in de tachtiger jaren. Dat RoH en Steunpunt Adoptie tot minstens 2017 met een figuur als Wijewardena samenwerkten, vond Vandeurzen geen probleem. ‘Er is geen bezwaar tegen dat een Vlaamse dienst samenwerkt met iemand die ook met een Nederlandse vergunde dienst samenwerkt’, stelde hij in de Commissie Welzijn. Die ‘Nederlandse vergunde dienst’ was Stichting FLASH die in de lente van 2017 op de Nederlandse tv ontmaskerd was als grootschalige zwendelaar in adopties. De adoptie van Thereza De Wannemaeker dateert van 2009. In werkelijkheid is er dus sinds de jaren 80 helemaal niets veranderd.”

 

Integriteitsonderzoek

Priyani Libert is in 1984 in Sri Lanka geadopteerd en wilde in 2015 op zoek naar haar biologische ouders.

Priyani Libert: “Ik vroeg hulp aan Kind & Gezin. Zij stuurden mijn dossier door naar Ray of Hope, want die adoptiedienst had een contactpersoon in Sri Lanka, gespecialiseerd in het traceren van biologische ouders: Sunil Wijewardena. In twee weken tijd vond hij mijn vermeende biologische ouders. K&G nodigde me uit om Sunils onderzoek te bekijken. Dat bestond uit een paar foto’s waarop mijn zogenaamde biologische ouders samen met hem poseerden. Kopieën van identiteitsbewijzen of andere officiële documenten ontbraken. Sunils rekening bedroeg 450 euro, of twee Sri Lankaanse maandlonen. Die betaalde ik via K&G. Eerst beweerde Sunil dat mijn negen nieuwe broers en zussen van mijn bestaan op de hoogte waren. Later zei hij dat ze niet van mijn bestaan afwisten. Een DNA-onderzoek werd afgewimpeld. ‘Money’ was het enige waarin mijn zogenaamde biologische ouders geïnteresseerd leken. Eind 2016 verbrak ik alle contact.”

Adinda Aelvoet: “Ik vind het onbegrijpelijk dat Kind & Gezin én Steunpunt Adoptie minstens tot eind 2017 met Sunil Wijewardena van RoH zijn blijven samenwerken. Misschien werken ze nog steeds samen, want er is nooit een officiële stopzetting aangekondigd. Na mijn bijzonder slechte ervaringen met Sunil in 2013 liet ik weten dat hij totaal ongeschikt was voor het organiseren en begeleiden van rootsreizen. Hij was enkel op geld uit en probeerde ons te manipuleren. De adoptiecoach van Steunpunt Adoptie zei dat ze er niet goed van was. Toch werd er niet ingegrepen en bleven ze met hem in zee gaan. Minister Vandeurzen deelde in oktober 2017 mee dat RoH een integriteitsonderzoek naar Wijewardena zou laten uitvoeren. Is dat er ook écht geweest, wat zijn de resultaten en wordt er nu nog beroep op die man gedaan? Ik zou dat graag willen weten.”

 

Voorzitster met twee petjes

Een paar dagen na haar getuigenis in deze krant kreeg Adinda Aelvoet een mail van de directeur van Steunpunt Adoptie. “Zij bood me nazorggesprekken aan en schreef dat ze werkte aan de opstart van buddywerking voor geadopteerden. ‘Dit komt voor mij veel te laat’, antwoordde ik. Een onderzoek naar mijn eigen dossier kwam er niet: er werd van mij verwacht dat ik zelf eerst de bewijzen voor fraude leverde. Wat de wereld op zijn kop is, want ik wil net een onderzoek om te weten of er fraude gepleegd is.”

Priyani Libert werd door Kind & Gezin uitgenodigd voor een gesprek. “Daar zou ook Vlaams parlementslid Katrien Schryvers (CD&V) bij aanwezig zijn. Zij is voorzitster van de raad van bestuur van RoH en is ondervoorzitster van de Vlaamse parlementaire Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Ik vond het vreemd dat zij als RoH-voorzitster bij mijn gesprek met K&G wou aanschuiven. Ik kreeg het onbehaaglijke gevoel dat ze me wilden paaien. Daarom liet ik dat gesprek aan mij voorbijgaan.”

Adinda Aelvoet: “Omdat Schryvers ook voorzitster is van RoH, moest ze op die bewuste commissievergadering van 10 oktober 2017 haar voorzittershamer even doorgeven aan een collega van de N-VA. De commissie die het adoptiebeleid uitstippelt, wordt dus mede geleid door iemand die voorzitter is van de raad van bestuur van een adoptiebureau. Dat is toch te gek voor woorden?”

Priyani Libert: “K&G stelde voor om mijn dossier te laten uitspitten door de Centrale Adoptieautoriteit in Sri Lanka, maar daar heb ik totaal geen vertrouwen in. Want net daar liep het ooit met mijn adoptie fout: die Centrale Autoriteit was één van de spelers in de fraude. Ik moest dus mijn adoptiedossier laten onderzoeken door een dader. Daar heb ik vriendelijk voor bedankt.”

 

Waarheidscommissie

De problemen met adoptie in Sri Lanka, Congo en Ethiopië zijn volgens Adinda en Priyani geen op zichzelf staande gevallen. Adinda Aelvoet: “Net als in Nederland loopt er ook bij ons van ver in de jaren 70 een rode lijn van bedrog. De Nederlandse overheid neemt dat ernstig en heeft een commissie samengesteld die diepgaand onderzoek naar alle vormen van adoptiezwendel voert. Bij ons worden nu na Ethiopië vage beloften gemaakt. Al dat getreuzel is een gevolg van die innige verstrengeling met de politiek.”

Priyani Libert: “Na onze getuigenissen hoorden we veel gelijkaardige verhalen van kennissen die ook uit Sri Lanka geadopteerd zijn. Maar zij zijn bang voor de impact van de media-aandacht. Na Ethiopië mogen we er van uitgaan dat er aan nog meer interlandelijke adopties van RoH een reukje zit. Dat moet toch op zijn minst onderzocht worden. Wij vroegen een onderzoek naar alle Sri Lanka-dossiers en kregen van de Commissie voor Welzijn en van minister Vandeurzen nul op het rekest. Dat kwam keihard aan. Twee weken geleden had ik de eer om Michelle Obama te ontmoeten in Amsterdam. Als er één ding is dat ik van haar geleerd heb, is het dat iedereen meetelt. Als minister Vandeurzen wél de Ethiopische adoptiedossiers laat onderzoeken, maar de Sri Lankaanse links laat liggen, zal het voor ons zijn alsof niet iedereen hier meetelt.”

Adinda Aelvoet: “Toen anderhalf jaar geleden de adoptiefraude in Sri Lanka aan het licht kwam, zakte de grond onder mijn voeten weg. Als adoptiekind weet je weinig over je oorsprong. Als er dan ernstig adoptiebedrog aan het licht komt, raak je helemaal gedestabiliseerd. Want plots staat álles op losse schroeven. Je identiteit wordt opnieuw een groot vraagteken. Om mezelf te beschermen, probeerde ik dat verhaal af te sluiten. Maar zolang er geen groot onderzoek naar onze adoptiegeschiedenis komt, is dat moeilijk. Want nu is er dat nieuws over Ethiopië en binnen een paar maanden gaat het misschien over adoptiefraude uit een ander land. Telkens weer worden wij ermee geconfronteerd. Dat is zeer pijnlijk en ik wil andere geadopteerden daarvoor behoeden. Daarom is er meer dan ooit behoefte aan een waarheidscommissie over adoptie, zonder taboes. Zolang die er niet is, stopt het nooit.”

 

 

Ray of Hope: van hobbyist tot hoofdspeler in internationale adoptie

 

  • De vzw Ray of Hope werd in 1994 als Children’s Welfare Adoption in Berlare opgericht door Guy De Meester en zijn vrouw. Zij importeerden rotanmeubelen uit Azië en adopteerden zelf zes kinderen. De Meester zetelt nog steeds in de raad van bestuur van RoH.
  • Bij aanvang schreef de inspectie negatieve rapporten omdat RoH zich vooral toelegde op snelle adopties uit Haïti. Maar Kind & Gezin erkende toch. In 2003 gaf Guy De Meester in Knack een verklaring voor die snelle adopties: “Ons eerste kanaal had toevallig meteen veel kinderen ter beschikking.” Dat ‘eerste kanaal’ was Yva Samedy, directrice van de Foyer de la Nouvelle Vie die honderden adoptiekinderen leverde aan verschillende landen.
  • In 1997 trok de inspectie op missie naar Haïti. In haar rapport schreef ze dat de samenwerking met Samedy onmiddellijk moest stoppen. Samedy werd beschuldigd van financiële fraude. Kind & Gezin vond dat RoH met haar mocht blijven samenwerken, op voorwaarde dat ze kinderen leverde die écht in de steek gelaten waren.
  • In 2001 stapten drie families die via RoH een Vietnamees kind geadopteerd hadden, naar de rechter. Hun klachten: de documenten waren niet in orde en de contactpersoon was niet bekwaam.
  • Na een reportage op Telefacts over door RoH geregelde adopties in Vietnam, verloor de organisatie in december 2002 haar erkenning.
  • RoH trok naar de Raad van State en kreeg in 2004 gelijk.
  • Van 2004 tot 2014 was voormalig minister van Welzijn Wivina Demeester (CD&V) voorzitter van de raad van bestuur van RoH. Op 2 januari 2016 nam ze in een opiniestuk in de krant De Standaard afstand van interlandelijke adoptie. Zelf adopteerde ze in 1974 een Indiaas meisje. Buitenlandse adoptie vond ze geen goed idee meer omwille van de wachttijd en de kostprijs. ‘Tussen de beslissing om je als ouders voor te bereiden op een interlandelijke adoptie en de aankomst van je kind verloopt nu vijf tot zeven jaar’, schreef ze. ‘Toen was dat 18 maanden. Ik beschouwde het als een verlengde zwangerschap. De ‘kostprijs’ was redelijk. Vandaag is het vele jaren wachten. Te lang. En de kostprijs is zeer hoog.’ Over de gevolgen op langere termijn voor de geadopteerden repte ze met geen woord. Wel dat de drie nog bestaande interlandelijke adoptiediensten (RoH, FIAC-Horizon en Het kleine mirakel) best tot één dienst voor buitenlandse adoptie zouden fusioneren.
  • Vlaams CD&V-parlementslid Katrien Schryvers nam in 2014 de RoH-voorzittersfakkel van Wivina Demeester over. Schryvers is eveneens ondervoorzitter van de parlementaire Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin die ook adoptie behandelt. In de raad van bestuur van RoH zetelt onder anderen ook Wilfried Verniest. Van 1987 tot aan zijn pensioen in 2012 was hij directielid bij K&G en in 2007 schopte hij het zelfs even tot waarnemend administrateur-generaal. Net als Wivina Demeester pleitte Schryvers voor één eengemaakte gesubsidieerde buitenlandse adoptiedienst.
  • Begin april van dit jaar besliste de Vlaamse regering dat vanaf 1 januari 2023 de drie adoptiediensten tot één dienst zullen samensmelten. De beschikbare financiële middelen, kennis en expertise moeten vanaf dan gebundeld worden. N-VA-parlementslid Lorin Parys juichte die beslissing toe, maar had in de Standaard van 8 april toch een paar bedenkingen. “Elke adoptiedienst vertegenwoordigt een bepaalde levensbeschouwing”, zei hij. “Het is niet de bedoeling dat een van die overtuigingen aan het stuur gaat zitten, wel dat de eengemaakte dienst pluralistisch is. Het kan ook niet dat een volksvertegenwoordiger er voorzitter van wordt. Want in het parlement controleer je dan het Vlaams centrum voor adoptie dat op zijn beurt jou controleert als voorzitter van een adoptieorganisatie.”

 

(c) Jan Stevens

‘Ik kreeg dreigbrieven. Mijn advocaat zei: ‘Ga niet te dicht bij de sporen staan als je de metro neemt, en pas op als je de straat oversteekt”

Tien jaar lang geloofde Stéphanie Gibaud dat ze de job van haar leven had als marketeer bij private bank UBS France. Tot ze ontdekte dat haar werkgever op grote schaal belastingontduiking voor de superrijken organiseerde. “Het was alsof ik bij de duivel in bed lag.” Ze werd klokkenluidster en haar leven veranderde in een hel. “Ze vergiftigden mijn hond in mijn appartement.”

 

“U herkent me aan mijn lange rode jas”, sms’t Stéphanie Gibaud vijf minuten voor onze afspraak in een Parijse brasserie. Het mailverkeer voorafgaand aan dit interview verliep via een beveiligd adres. Ze vraagt om achteraan te gaan zitten, in de donkerste hoek van het café. “Toch ben ik niet paranoïde”, zegt ze. “Maar de technologie vertrouw ik niet meer. Sinds ik frontaal met UBS France in aanvaring kwam, weet ik dat zij de middelen hebben om mijn smartphone uit te lezen en mijn mailboxen te checken. In 2011 sloot ik een deal met het ministerie van Financiën. UBS was meteen op de hoogte. Ik ben zeker dat niemand gelekt had. Ze konden dat alleen weten door me af te luisteren.”

Eind februari van dit jaar werd de private bank UBS door de Franse rechtbank veroordeeld tot een recordboete van 4,5 miljard euro. Die veroordeling was een rechtstreeks gevolg van het overdonderende bewijsmateriaal dat klokkenluidster Stéphanie Gibaud mee hielp verzamelen. “Eindelijk kreeg ik gelijk.”

Van bij de start in 1999 tot 2012 hielpen de bankiers van UBS rijke Fransen de fiscus te omzeilen. Dat deden ze door zwart geld ‘op industriële wijze’ wit te wassen en vermogens offshore, op geheime rekeningen in Zwitserland te stallen. In zijn vonnis sprak de Franse rechter van ‘criminele wandaden van uitzonderlijk ernstige aard’. UBS kondigde inmiddels aan in beroep te gaan.

Toen Stéphanie Gibaud nog hoofd marketing en communicatie bij UBS France was, woonde ze met haar twee jonge zonen in een ruim zonnig appartement in de Parijse rue d’Armaillé. Vandaag is ze zowat alles kwijt: haar droomjob, haar kinderen en haar chique flat. “UBS heeft mijn leven vernietigd. Ze probeerden me als een insect te vermorzelen.” Nu woont ze in een godvergeten dorp aan de Italiaanse grens en adviseert ze bedrijven over ethisch ondernemen. Ze is in Parijs om aan te kondigen dat ze in mei wil deelnemen aan de Europese verkiezingen. Straks heeft ze afgesproken met haar oudste zoon, vanavond is ze spreker op een conferentie over mobbing, pesten op het werk.

Stéphanie Gibaud: “Ik sta als tweede op de Europese lijst Debout la France (DLF) van politicus Nicolas Dupont-Aignan. Wij willen de ethiek terug in de politiek brengen. Het verborgen geld van de superrijken moet eindelijk boven water komen. Belastingparadijzen kunnen enkel op internationaal niveau aangepakt worden. Als Malta en Cyprus binnen de EU willen blijven, zullen ze er toch voor moeten zorgen dat miljonairs van over de hele wereld er niet langer hun zwarte centjes kunnen onderbrengen. Daarom hebben we Europese politici nodig die banken het vuur aan de schenen durven leggen.”

 

Bij de laatste Franse presidentsverkiezingen haalde Nicolas Dupont-Aignan 4,73 procent van de stemmen. Erg veelbelovend lijkt dat niet.

Gibaud: “Intussen leven we met de gele hesjes-beweging in andere tijden. De woede in de Franse samenleving is groot. Na de veroordeling van UBS had ik gehoopt dat de Franse regering me tegemoet zou komen. In 2008 tipte ex-UBS-bankier Bradley Birkenfeld in ruil voor 104 miljoen dollar de Amerikaanse fiscus over offshore-rekeningen van Amerikaanse UBS-klanten in Zwitserland. Ik kreeg niets voor mijn klokkenluiderswerk. Ik was een alleenstaande moeder met twee kinderen. De toplui bij UBS rekenden erop dat ze me snel zouden kunnen vernietigen. Op het einde werkte ik nauw samen met het Franse ministerie van Financiën. Was het op dat moment niet de verantwoordelijkheid van de Franse overheid om mij te beschermen én te verdedigen? Of om op zijn minst alle schade te vergoeden die ik geleden heb? Na de uitspraak in februari lijkt het alsof de zaak-UBS in Frankrijk geregeld is. Over mij wordt niet meer gesproken, ook de huidige president Emmanuel Macron en zijn regering zwijgen me dood.”

 

Komt dat omdat veel rijke klanten van UBS connecties hebben met politici?

Gibaud: “Dat is inderdaad de kern van de zaak. De presidentiële verkiezingscampagne van Emmanuel Macron werd gedeeltelijk gefinancierd door multimiljonairs. Een van zijn belangrijkste financiële steunpilaren was de Rothschild-bank waar hij zelf vier jaar gewerkt heeft. De oude kameraden mobiliseerden hun rijke vrienden om Macrons verkiezingskas te spijzen. Dat superrijke vriendenkransje ziet mij als de party-pooper.

“In Zwitserland is UBS een instituut: het is er de grootste werkgever. Intussen weet ik dat de bank ook kampioen is in fraude en witwassen. Dat leverde haar in het verleden zowel in Duitsland als in de VS al miljoenenboetes op. Ook in uw land loopt er trouwens een gerechtelijk onderzoek. De Belgische politie zocht twee keer contact met mij. De eerste keer was in 2014 in Brussel; de tweede keer hier in Parijs in 2015. Ze wilden weten hoe het UBS-systeem functioneert, want België is naar het schijnt een kopie van Frankrijk. Ik vraag me af hoe het nu met dat Belgische onderzoek gesteld is. Misschien hebben de onderzoekers op de Franse uitspraak gewacht om terug in gang te schieten.”

 

Wanneer begon u bij UBS te werken?

Gibaud: “In september 1999. Als hoofd Marketing en Communicatie kreeg ik een stevig budget om VIP-evenementen te organiseren.”

 

Die VIP-evenementen waren in de eerste plaats bedoeld om superrijke klanten aan te trekken?

Gibaud: “Ja. UBS is enkel geïnteresseerd in mensen met grote vermogens. Wij organiseerden onder andere de UBS Golf Trophy, overal ter wereld. In België sponsorden we de Formule 1-wedstrijd van Spa-Francorchamps. Elk jaar stuurde ik klanten met een ‘speciaal arrangement’ naar daar.”

 

UBS is de oudste bank van Zwitserland, maar de Franse afdeling dateert pas van 1999, het jaar waarin u er kwam werken.

Gibaud: “UBS España en UBS France openden hun deuren op hetzelfde moment. De toenmalige Italiaanse premier Silvio Berlusconi had een paar jaar eerder fiscale amnestie beloofd aan de rijke Italianen. Tegen zijn vermogende vrienden zei hij: ‘Breng jullie zwart geld van Zwitserland terug naar Italië. Jullie zullen niet beboet worden, er komt geen vervolging en er volgt geen gevangenisstraf.’ De Zwitserse bankiers van UBS vreesden dat de Franse president Jacques Chirac en de Spaanse premier José María Aznar het voorbeeld van Berlusconi zouden volgen. Dat kon hen veel lucratieve cliënten kosten. Dus openden ze razendsnel filialen in Parijs en Madrid. De Franse cliënten moesten dan zelf niet meer met hun zwarte centen naar belastingparadijs Zwitserland; de Zwitsers regelden alle offshore-praktijken in opperste discretie voor hen. Hun witte centen werden netjes beheerd door UBS France of España. UBS Belgium is in 2002 van start gegaan. Daar moet ik geen tekening bij maken, zeker? Voor de buitenwereld leek alles bonafide. Toen ik bij UBS begon te werken, was ik er rotsvast van overtuigd dat ik bij een fatsoenlijke bank terecht kwam. UBS France beweert tot vandaag: ‘Met offshore hebben wij niets te maken. Wij voldoen volledig aan de vereisten en voorwaarden van de Franse nationale bank en aan de regels van de bankwaakhond Autorité des Marchés Financiers (AMF).’ Hun juridische mistgordijn is zo dik dat het tot dit jaar geduurd heeft voor de Franse rechtbank tot een veroordeling kwam.”

 

Aan de andere kant verliep het versluizen van zwart geld naar Zwitserland toch ook nogal knullig? Uit uw boek leer ik dat tussen 2002 en 2007 de UBS-toplui in Frankrijk een dubbele boekhouding bijhielden. Met schriftjes vol dubieuze transacties, de zogenaamde ‘carnets du lait’ of huishoudboekjes.

Gibaud: “Ze hielden er de illegale transacties in bij met potlood en gom. Op het einde van elke maand zat onze grote baas Patrick de Fayet samen met de Zwitsers die boekjes netjes bij te werken. Zo lijkt het misschien alsof UBS een amateuristisch zootje was, maar dat is een foute inschatting. Wij wisten trouwens niet van het bestaan van die notitieboekjes.

“Toen UBS France in 1999 van start ging, was het de bedoeling dat het bedrijf zou uitgroeien tot een van de grootste private banken van Frankrijk. Er kwam bij ons nooit een amnestie à la Berlusconi, en zeker tot 2009 spraken de Zwitserse bankiers met hun Franse cliënten af in het hoofdkwartier van UBS aan de Boulevard Haussmann. Of ze reisden naar de events die ik organiseerde.”

 

U wist niet dat uw events dekmantels waren om zwart geld wit te wassen en misdaad- en corruptiegeld te versassen?

Gibaud: “Ik wist niets van de bankzaken en had niets te maken met transferts van geld. Ik organiseerde golftornooien, exclusieve concerten en regatta’s voor jachten. Ik regelde box seats voor Roland Garros. Ik moest ervoor zorgen dat elke klant zijn welvaart en geld spontaan associeerde met UBS. Ik bezorgde ons cliëntèle altijd de beste plaatsen in de opera. Die mensen konden àlles betalen. Ze hadden hun eigen helikopter of vliegtuig, bezaten minstens vijf villa’s en een handvol bedrijven. Ze waren zo rijk als de zee diep is. Een VIP-plaats op een muziekfestival was niet goed genoeg; ze moesten voor het optreden samen met de superster in kwestie een frietje kunnen steken. Het was mijn job hen onbetaalbare ervaringen en emoties te bezorgen. Zo organiseerden we in sterrenrestaurant Maison Blanche bovenop het Louvre een intiem concert met cellolegende Mstislav Rostropovich. Nadien schoof Rostropovich aan voor het diner. De man is intussen gestorven en ik ben er wel zeker van dat de Fransen die ooit met hem gedineerd hebben, zeldzaam zijn. Ik denk dat ik ze allemaal ken.”

 

U kende ook alle klanten van UBS France?

Gibaud: “Allemaal. We bedienden een niche: de superrijken. Als ik een golftornooi in Rijsel organiseerde, kwamen er altijd Franse cliënten langs die om fiscale redenen net over de grens in België een optrekje hadden. Hun geld zat veilig offshore in Zwitserland. UBS was in Europa de locomotief in het wit- en zwartwassen van geld van rijke mensen. Zowat alle andere grote banken zijn hen daarna gevolgd, niet zo massaal en kleinschaliger en voorzichtiger. Voor UBS was Zwitserland de corebusiness. Al de rest was façade.”

 

Was u tevreden met uw job?

Gibaud: “Ik hield van mijn werk. Ik had daarvoor als PR-manager bij een voetbalclub gewerkt; ik kende het klappen van de zweep. ‘Hallo, we hebben hier een klant die morgen vanop de eerste rij de finale van de Champions League in Madrid wil bijwonen. De prijs speelt geen rol.’ The sky was the limit. Ik ging tot het uiterste om de zeer veeleisende cliënten van UBS France tevreden te houden. Ik zat continu onder stress, maar als het weer eens gelukt was om het onmogelijke mogelijk te maken, was ik gelukkig.”

 

Tot die fameuze woensdag, 25 juni 2008.

Gibaud: “Eerder die week was de politie binnengevallen in het kantoor van directeur Patrick de Fayet. Tot vandaag weet ik niet wat de aanleiding daarvan was. De bank heeft nooit iets over de achtergrond van die huiszoeking gelost en er is ook nooit iets over in de media verschenen. Ik vermoed dat de politie op zoek was naar gerichte informatie over sommige klanten. De inval zorgde voor paniek in de hoogste regionen van UBS France. Die woensdagochtend kwam mijn rechtstreekse baas voor mijn bureau staan. ‘Er was een huiszoeking bij De Fayet’, zei ze. ‘Wis de harde schijf van je computer en vernietig al je archieven.’ Ik keek haar niet-begrijpend aan. ‘Pardon?’ Pas later hoorde ik van financiële experts waarom ze me vroeg om al mijn bestanden te vernietigen: zonder het te beseffen, bezat ik informatie die voor de speurders goud waard was. Want ik had niet alleen alle namen, adressen en telefoonnummers van de UBS-klanten, maar ook hun rechtstreekse linken met UBS-bankiers in Frankrijk én in Zwitserland, Luxemburg en België. Hard bewijsmateriaal dat Zwitserse bankiers naar Frankrijk gekomen waren om hier hun offshore-producten te slijten. Voor de Franse justitie is dat ‘démarchage bancaire illégal’, illegaal bankieren. Ik had daar nog nooit van gehoord. UBS gold als de beste vermogensbank ter wereld, de properste bank ook en kaapte elk jaar de Euromoney-award, de Oscar voor banken weg. Wist u dat de bank ook vorig jaar nog met die award ging lopen?”

 

2008 was het jaar van de financiële crisis.

Gibaud: “Daardoor begon de zogenaamd zuivere tanker UBS slagzij te maken. De bank had zwaar in Amerikaanse rommelhypotheken geïnvesteerd. UBS had ook veel geld gestopt in het fonds van superfraudeur Bernard Madoff. Als klap op de vuurpijl luidde in Amerika Bradley Birkenfeld de klok. Een decennium lang geloofde ik voor een ethisch hoogstaande bank te werken. De beste bank ter wereld! De kredietcrisis van 2008 legde een bom onder dat geloof. Toen mijn baas zei: ‘Vernietig al je data’, drong tot me door dat UBS me al die jaren bedrogen had. Op dat moment voelde ik me als een gelukkig getrouwde vrouw die ontdekt dat haar man haar al jarenlang bedriegt. Ik lag in bed met de duivel zelf.”

 

Was het daarom dat u weigerde om de bestanden op uw computer te wissen?

Gibaud: “Ik vroeg mijn baas: ‘Waarom viel de politie bij De Fayet binnen?’ Ze wist het niet. ‘Doe wat ik je opdraag.’ Net op dat moment was ik druk bezig met het organiseren van een golftornooi in Genève. Ik had even geen tijd om mijn computer op te kuisen en mijn baas kon de pot op. Ze was nieuw, kwam van een andere bank en ik kon haar eerlijk gezegd niet luchten. Later die dag stond ze opnieuw voor mijn neus: ‘Heb je de boel al opgekuist?’ ‘Nee, geen tijd.’ ‘Haast je en vergeet niet alle papieren archieven weg te gooien.’ Er stonden afvalcontainers en pas dan viel het me op dat collega’s naarstig bezig waren met het dumpen van dossiers. Ik voelde dat er stront aan de knikker was en vanaf dan nam ik elke avond een pak papier uit die containers mee naar huis. Tot er tien vierkante meter papier in mijn woonkamer lag. Drie jaar lang doorploegde ik elke nacht en elk weekend al die documenten. Ik zag rekeningen passeren in Latijns-Amerika en Azië. Ik bracht alle belastingparadijzen in kaart waar UBS France offshore-rekeningen had. Ik probeerde te achterhalen welke codenaam voor wie stond. Ik las instructies over hoe namen en gegevens van klanten veilig opgeborgen kunnen worden in smartphones en laptops. Ik zag handleidingen om douaniers om de tuin te leiden en een draaiboek over wat te zeggen en te doen na arrestatie.”

 

Dat lijkt op een James Bond-film.

Gibaud: “De figuren die UBS in dienst had om offshore-diensten in Azië en Amerika te verzorgen, waren dan ook geen bankiers, maar een soort geheim agenten. Zij werkten niet voor, maar tégen de Franse regering. In het begin van mijn nachtelijke zoektocht was ik een hardwerkende alleenstaande moeder met twee zonen. Op het einde was ik extreem vermoeid én extreem bang voor mij en mijn kinderen. Want ik had bewijs in handen dat ik voor een organisatie werkte die de illegaliteit niet schuwde.”

 

U stapte niet naar de politie, maar naar uw bazen.

Gibaud: “Ik was vakbondsafgevaardigde en was het gewoon om bij problemen naar het management te stappen. Dat deed ik nu dus ook. Ik stapte de kantoren binnen van UBS-voorzitter Thierry de Chambure en directeur Patrick de Fayet. Ik was verschrikkelijk naïef en geloofde dat ze me in bescherming zouden nemen. ‘Je bent gek’, zeiden ze. ‘Gestoord.’ Meteen daarna begonnen de pesterijen. Ze namen me al mijn verantwoordelijkheden af en ik werd gedegradeerd tot ‘hoofd receptie’. Mijn job bestond voortaan uit checken of alle planten water hadden en of de voorraden papier nog op peil waren. Ik mocht niet meer reizen. UBS startte een roddelcampagne. Het was zo heftig dat ik in een zware depressie sukkelde. Na mijn terugkomst, had ik niets meer om handen. Ik stapte naar een inspecteur van het ministerie van Arbeid. Zij zorgde ervoor dat ik mijn oorspronkelijke job terugkreeg. Er werden beloftes gemaakt dat de bank haar leven zou beteren en afscheid zou nemen van het zwarte circuit. Tot ik in 2011 tijdens de voorbereiding van het tennistornooi van Roland Garros benaderd werd door agenten van de Franse douane. ‘We willen u graag twee weken volgen op Roland Garros, want we hebben het vermoeden dat UBS er afspraken regelt met Zwitserse bankiers.’ Ik geloofde hen niet. ‘Dat doen ze niet meer’, zei ik. ‘Dankzij mij heeft de bank haar leven gebeterd.’”

 

Maar dat was niet zo?

Gibaud: “Nee. De douaniers waren zeker van hun zaak. ‘UBS is nooit gestopt. We willen dat u ons helpt.’ Dus maakte ik die geheime deal met het ministerie van Financiën. Ik had geen keuze. Ik werkte bij de allergrootste bedrieger ooit uit het bankwezen en zat op een schat aan informatie. François Hollande was toen president. Zijn regeringsleden stelden zich voor als witte ridders en bestrijders van belastingontduiking. Als voorbeeldig burger werkte ik met hen mee. Ik nam een groot risico, want op dat moment bestond er in Frankrijk nog geen wet die klokkenluiders beschermt. ‘We maken dat klokkenluidersstatuut in orde’, beloofden ze. Toen die wet er dan eindelijk was, deelde de toenmalige minister van Financiën Michel Sapin me droogweg mee: ‘O maar, die wet geldt niet voor jou. Jij bent geen klokkenluider, maar een getuige.’ Vijftien maanden lang had ik me voor hen uitgesloofd. Dat was een afschuwelijke periode. Ik was doodsbang dat UBS me zou ontmaskeren.”

 

Vreesde u voor uw leven?

Gibaud: “Ja. Mijn advocaat zei: ‘Ga niet te dicht bij de sporen staan als je de metro neemt. Pas op als je de straat oversteekt.’ Het duurde tot 2012 voor UBS me ‘om economische redenen’ ontsloeg. Meteen daarna werd mijn hond vergiftigd in mijn appartement hier in Parijs. Ik kreeg dreigbrieven en de Franse regering liet me vallen als een baksteen.

“Na UBS was ik uitgeput en werkloos, maar ik hoopte dat mijn leven snel terug normaal zou worden. Toen sprongen de media op de belastingontduiking van UBS, en kwam mijn naam als klokkenluider bovendrijven. Ik werd door journalisten overvallen. Ik was zo dom te denken dat die media-aandacht me kon helpen om mijn carrière op de sporen te krijgen. Het tegendeel gebeurde: ik verloor er mijn leven door. Twaalf jaar lang stond ik onder ongelooflijke druk. Kijk naar mijn gezicht, naar de sporen die de stress erop naliet. UBS sleurde me voor zeven verschillende rechtbanken. Het hield niet op. Nu komt er nóg een proces: één voor laster en eerroof naar aanleiding van mijn boek uit 2014, La femme qui en savait vraiment trop. Sinds die 25e juni 2008 is mijn leven een hel. Financieel zit ik aan de grond, ik ben in de steek gelaten door mijn regering en moest de ene na de andere rechtszaak overleven. Andere mensen zouden er doodziek van worden of in de drank wegvluchten.”

 

U niet?

Gibaud: “Nee, want ik ben een overlever. Frankrijk was samen met Duitsland de stichter van de Europese Unie. Met ‘gelijkheid, vrijheid en broederlijkheid’ is mijn land ook de bakermat van de mensenrechten. Dat hebben onze politici na UBS compleet verkwanseld. Ik ben niet de enige die ze in de kou laten staan. Weinig mensen weten dat Wikileaks-klokkenluider Julian Assange een zoon van tien heeft in Frankrijk. In 2015 vroeg hij onder andere om die reden bescherming aan de Franse overheid. Er is een wet in Frankrijk die bepaalt dat kinderen nooit van hun ouders gescheiden mogen worden. Zijn zoon was al voldoende reden om hem hier asiel te verlenen. Maar nee, dat werd hem botweg geweigerd. Dat hele pompeuze verhaal van Frankrijk als behoeder van de mensenrechten, is niet meer dan een grove leugen. Edward Snowden vroeg ook asiel in Frankrijk en ving eveneens bot. Hij leeft nu in Rusland. Ik heb hem trouwens gisteren nog gesproken.”

 

Hoe is het met hem?

Gibaud: “In vergelijking met Assange stelt hij het uitstekend. Snowden kan in Rusland gaan en staan waar hij wil. Maar Julian kan nergens meer heen. Nu moet u weten, uit de Snowden-files blijkt heel duidelijk dat zowel de regeringen van Nicolas Sarkozy als van Hollande door de Amerikaanse geheime dienst NSA in de gaten gehouden werden. Het is dan toch godgeklaagd dat net Snowden en Assange geen asiel in Frankrijk krijgen?”

 

U hebt Julian Assange indertijd in de Ecuadoriaanse ambassade in Londen bezocht?

Gibaud: “Ja. Hij leefde er in trieste omstandigheden. Hij sliep in de keuken van de ambassade. In 2016 beslisten de Verenigde Naties dat hij er ten onrechte vastzat. De regering in Londen tekende meteen bezwaar aan. In de Europese instellingen in Brussel bleef het intussen oorverdovend stil. Zijn arrestatie kwam niet als een verrassing. Ecuador wou van hem af. Ik hoop dat de Europese toppolitici en alle journalisten wereldwijd nu Groot-Brittannië zullen oproepen om Julian niet aan de VS uit te leveren. Het is de hoogste tijd dat hij na al die jaren veilig en onbevreesd naar zijn familie kan terugkeren.”

 

Twee Zweedse vrouwen beschuldigden Assange van verkrachting en dienden in 2010 klacht tegen hem in.

Gibaud: “Die meisjes trokken intussen hun klachten in en Zweden stopte het onderzoek.”

Assange wordt ervan verdacht tijdens de Amerikaanse verkiezingscampagne e-mails van Hillary Clintons campagneteam te hebben gehackt om haar te beschadigen. Dat is toch niet iets wat een rechtschapen klokkenluider hoort te doen?

Gibaud: “Dat wordt gezegd, maar is dat ook zo? Daar is niets van bewezen. Waarom wordt dat nieuws de wereld ingestuurd? Omdat ze van Wikileaks af willen. Voor alle duidelijkheid: ik heb met Assange of Wikileaks niets te maken.”

 

Hebt u er geen spijt van dat u die 25e juni 2008 uw harde schijf niet gewoon gewist hebt?

Gibaud: “Soms wel. Maar dan was ik mededader geworden.”

 

Dan organiseerde u nu misschien nog golftornooien voor UBS.

Gibaud: “Dan zat ik waarschijnlijk zelfs nóg hoger in de hiërarchie of had ik een topjob bij de concurrentie. Want àlle grote namen van UBS France die het systeem draaiende hielden en mij het leven zuur maakten, bezetten nu topjobs bij JP Morgan, Credit Suisse en Rothschild… Al die zakenbankiers vormen één grote familie. Ze delen ook allemaal dezelfde familiegeheimen.”

(c) Jan Stevens

‘Ik heb 250 jihadi’s gedood. Ongeveer’

Van 2014 tot 2016 was Azad Cudi sluipschutter bij het YPG, het aan de PKK gelieerde Koerdische leger in Syrië. In anderhalf jaar tijd schoot hij eigenhandig 250 IS-strijders dood. “Dat waren geen mensen, maar jihadi’s.”

 

Achttien maanden lang was Azad Cudi in het Koerdische leger YPG actief als sluipschutter tegen IS. Negen maanden lang vocht hij in de belegerde noordelijke Syrische stad Kobani. De allereerste man die hij neerschoot, staat voor eeuwig in zijn geheugen gegrift. “Dat was één van de moeilijkste momenten uit mijn leven”, zegt hij met zachte stem. Azad Cudi is een attente gentleman met de looks van een jonge academicus. De elegante handen waarmee hij 250 mensen doodschoot, lijken die van een pianospeler.

“Na die allereerste keer volgden gauw meer van dat soort van ervaringen.” Het valt op: Cudi praat niet over ‘doden’ of ‘slachtoffers’, maar over ‘ervaringen’. “Snel werd dat dagelijks”, vervolgt hij. “Zeker tijdens de huis-aan-huisgevechten tijdens de slag om Kobani.” Waarna hij naar een plek op het tafelblad staart en in stilte verzinkt, gevolgd door een diepe zucht.

In zijn pas verschenen boek Long shot beschrijft Azad Cudi in detail zijn deelname aan de oorlog tegen IS. ‘Azad’ is niet zijn echte naam, maar de naam die hij als sniper of sluipschutter in het Koerdische leger droeg. “’Azad’ betekent ‘vrijheid’.” Zijn echte naam moet geheim blijven en hij wil enkel onherkenbaar voor de lens van de fotograaf. Cudi beseft heel goed dat hij met zijn palmares en zijn ‘coming-out’ weleens de ‘hitlist’ van IS-sympathisanten zou kunnen gaan aanvoeren. Azad Cudi: “Toch ben ik niet van plan om de rest van mijn bestaan te laten overheersen uit angst voor hun wraak. Ik blijf vrij op straat rondlopen.”

 

Hebt u in de oorlog geleerd dat u altijd klaar moet zijn om te sterven?

“We maakten toen vooral grapjes over onze eigen dood. (lacht) Het was de enige manier om ermee om te gaan. Aan de oorlog deelnemen, was mijn keuze. Ik was bereid om de prijs te betalen voor de strijd voor democratie en vrijheid. Als je in een land als Syrië tegenover de barbaren van IS staat, weet je dat die prijs erg hoog kan zijn. Tijdens de Tweede Wereldoorlog sneuvelden op de stranden van Normandië ook veel jonge soldaten voor exact dezelfde waarden.”

 

Werkte het schrijven van Long Shot therapeutisch?

“Ik heb dit boek niet als therapie geschreven.”

 

U hebt ontzettend veel mensen gedood.

“Dat waren geen mensen, maar jihadi’s.”

 

Toch zijn het mensen van vlees en bloed.

“(lange stilte) Het is heel lastig om daar als mens mee te moeten leven. Maar het is niet lastig als ik mijn acties kader in de zaak waarvoor ik vocht: voor de vrijheid, voor de democratie, voor mijn mensen, voor alle waarden die wij in onze samenleving hoog achten. Het doden was nodig om het kwaad te verslaan. Wij werden in ons eigen huis aangevallen. We moésten het verdedigen en de consequentie is dat sommigen doodgeschoten zijn. Oorlog is geen weekendfuif.”

 

U bent geboren in Iran?

“Ik zag het levenslicht in 1983 in het stadje Sardasht in de Koerdische regio. Volgens de geopolitieke grenzen stond mijn wieg in Iran, maar ik beschouw mezelf niet als Iraniër. Een paar jaar voor mijn geboorte was er de revolutie die de ayatollahs aan de macht bracht. Het probleem met de Iraniërs is dat ze weten wat ze niet willen, maar niet wat ze wél willen. Eind jaren zeventig waren ze het erover eens dat sjah Reza Pahlavi weg moest. Want hij was door en door corrupt en nam het niet nauw met de mensenrechten. De revolutie tegen het regime van de sjah werd gedragen door heel wat strekkingen in de Iraanse samenleving. Eens de ayatollahs de macht veroverd hadden, vermoordden ze alle andere kinderen van de revolutie. Hun seculiere medestanders hingen ze op. Dat zijn de twee gezichten van de islam. Zolang moslims in de verdediging zitten en zwak zijn, praten ze over compassie, broederschap, hulp en ondersteuning. Dan spelen ze een mooie sociale rol in de samenleving. Maar van zodra ze aan de macht komen, trekken ze hun zwaarden. Als niet-moslim sta je dan voor de keuze: onderwerping of onthoofding. Die twee gezichten vinden hun oorsprong in de wortels van de islam. Zolang de profeet Mohammed zich in een zwakke positie bevond, ronselde hij mensen. Van zodra hij voldoende volgelingen rond zich verzameld had, viel hij aan. Nu de geestelijken de macht in Iran in handen hebben, gedragen ze zich net als hun profeet en zijn ze aan een veroveringstocht bezig in Irak, Libanon, Pakistan, Palestina en Syrië.”

 

U bent atheïst?

“Ja, maar met mijn moslimachtergrond versta ik de jihadistenmentaliteit. Ik weet waar hun wreedheid en absoluut gebrek aan mededogen vandaan komt.”

 

Uit wat voor nest stamt u?

“Uit een doodnormaal arbeidersgezin. Het Koerdisch en het Perzisch zijn twee totaal verschillende talen. Als jongen van zeven had ik het op school moeilijk met simpele woorden als brood, melk of water. Ik groeide op als vreemdeling in mijn eigen land. Dat gevoel van vervreemding werd alleen maar groter. Ik zag hoe de Iraniërs de lakens uitdeelden en het besef hoe onrechtvaardig dat was, groeide met de dag. Als je zelfs op school je eigen taal niet mag spreken of bestuderen, blijven zij je altijd een stap voor.”

 

Op uw 18e deserteerde u uit het Iraanse leger. Waarom?

“In het leger kreeg ik te horen dat ze de grenzen gingen ‘opkuisen’ en ‘indringers’ wilden oppakken. Een bevriende beroepsmilitair vertelde me wat dat in werkelijkheid inhield. Die zogenaamde ‘indringers’ waren Koerdische guerrillero’s. Ik werd dus gedwongen om tegen mijn eigen mensen te vechten. De Iraanse officieren beslisten dat de Koerdische rekruten het strijdperk moesten betreden in hun traditionele uniformen. Wie schieten Koerdische revolutionairen eerst dood als ze oog in oog staan met het Iraanse leger, denkt u?”

 

De traditioneel geklede Koerden?

“Natuurlijk, want zij zijn de verraders. Daarom deserteerde ik. Eerst dook ik onder. Ik kon niet zomaar afscheid nemen van mijn familie en vrienden. Ik vluchtte van het ene huis naar het andere, van de ene stad naar de andere. Ik had me aangesloten bij het Koerdische verzet, ook al was op dat moment mijn politieke bewustzijn niet zo groot. Ik droeg pamfletten rond, praatte en discussieerde met vrienden en leerde zo een andere wereld kennen dan die van de religieuze propaganda uit de Iraanse kranten. Ik ontdekte de begrippen vrijheid, democratie en mensenrechten.”

 

U sloot aan bij de PKK?

“Nee, op dat moment kende ik de PKK zelfs niet. Maar toen werden vrienden uit mijn groep opgepakt en was er geen ander alternatief dan wegvluchten. Als ik bleef, riskeerde ik de strop. In ruil voor een klein fortuin hielp een mensensmokkelaar me het land uit. Ik kwam in Engeland terecht, kreeg daar het vluchtelingenstatuut en probeerde in de stad Wakefield ten zuiden van Leeds een nieuw leven uit te bouwen. Álles was nieuw: de gebouwen, de mensen, de cultuur, het politieke systeem. In het begin was ik zeer nieuwsgierig én opgelucht omdat ik vrij kon rondwandelen en ademen. Er heerste vrede. Die eerste jaren waren best oké. Ik voelde me bevoorrecht omdat ik eindelijk in een vrij land leefde. Maar onderhuids knaagde het gemis. Ik miste familie en vrienden, het eten, de muziek. Ik stond met de ene voet in Wakefield en met de andere in Koerdistan. In mijn droom was ik in Iran op de vlucht voor de militairen om badend in het zweet wakker te worden in mijn kamer in Wakefield. Dat was zo bizar.”

 

U was getraumatiseerd?

“Precies, en ik vermoed dat elke vluchteling, waar ook ter wereld, zoiets meemaakt. Je hoofd zit vol verlangen naar thuis; tezelfdertijd wordt in je nieuwe land van je verwacht dat je open en flexibel bent. Je moet je zo snel mogelijk aanpassen aan die nieuwe omgeving, zonder dat je emoties je daarbij een hak mogen zetten. Je moet dus op zoek naar een gezonde manier om je verleden met het heden te verbinden. Als dat niet lukt, eindig je in totale eenzaamheid, in wanhoop. Dan ben je een gevangene in een vrij land.”

 

Hoe kwam u in 2014 als sluipschutter aan het front in het noorden van Syrië terecht?

“Ik had besloten dat ik deel moest worden van de revolutie in Rojava, zoals wij Noord-Syrië noemen. De vrijheid, integriteit en gelijkheid die ik in Engeland ervaren had, wou ik voor alle Koerden. De burgeroorlog in Syrië maakte het voor mijn volk mogelijk om ons eigen lot verder in handen te nemen. Onze sinds 1999 in Turkse gevangenschap verblijvende leider Abdullah Öcalan leefde een tijd in Noord-Syrië. De Koerden in Rojava kenden onze revolutionaire ideeën: de fundamenten waren er al gelegd. Eind 2013 was ik aan de slag als maatschappelijk werker in de stad Qamishli, toen we aangevallen werden door IS. Ze vuurden mortieren op de huizen in de buitenwijken af. Ik had toen kunnen weglopen, maar ik bleef. Ik sloot aan bij ons leger, de People’s Protection Units of YPG, en nam de wapens op. De omstandigheden dwongen me daartoe.”

 

Als sociaal werker en later als sluipschutter was u in dienst van de PKK. Volgens de Turkse president Erdogan is dat een terroristische organisatie. Kent u de Gentse professor Dries Lesage? Ook hij is formeel: de PKK is net als IS een terreurgroep.

“Ik ken die meneer Lesage niet. Ik weet ook niet wat zijn motieven zijn. In Europa heerst terecht vrijheid van meningsuiting; het staat die man dus volledig vrij om te zeggen wat hij wil. Het klopt dat de PKK op dezelfde terreurlijst van organisaties zoals Al Qaeda of IS staat. De PKK is op die lijst terechtgekomen door mensen wier voornaamste motivatie is: ‘We houden niet van die Koerdische fuckers.’ Ze creëerden hun eigen terreurlijst en overhandigden hem aan de Verenigde Naties en het Europese Parlement. De als terrorist gelabelde Koerden kregen zelfs de kans niet om zich fatsoenlijk te verdedigen. In een rechtszaak is het recht op verdediging fundamenteel. Maar de PKK werd niet eens gehoord.”

 

Maar u kan toch niet ontkennen dat de PKK in Turkije zware en bloedige aanslagen op haar actief heeft, met vele doden en gewonden?

“Ik ken al die zaken niet en ik ken ook alle redenen niet waarom ze plaatsvonden. Ik kan daar geen algemene uitspraken over doen. Je kan toch niet zomaar 20 miljoen mensen op een terreurlijst plaatsen? Een terreurgroep is enkel en alleen geïnteresseerd in geweld, terwijl wij over democratie praten.”

 

Is de PKK een communistische organisatie?

“Nee. We zijn sociaal-democratisch en propageren directe democratie van het volk en van lokale gemeenschappen. In Rojava beslissen de dorpsbewoners over hun bestaan. Regionale raden geven advies, maar de beslissingen worden genomen door het volk. Er is geen staat in Rojava, er is enkel anarchie die gedragen wordt door de gewone mensen en hun families. Bij ons vind je de meest radicale feministes. In onze samenleving organiseren de vrouwen zichzelf. Ze zijn totaal onafhankelijk, zowel in het leger als in de economie. Wij nemen ook de ecologische problemen zeer ernstig en zetten bijvoorbeeld volop in op zonne-energie. Vindt u het juist om al die mensen die volgens die waarden leven, terroristen te noemen? Komaan, zeg.”

 

Wie besliste dat u sluipschutter zou worden?

“Ikzelf.”

 

U koos er dus heel bewust voor om veel mensen dood te gaan schieten?

Snipers zijn verdedigers, geen aanvallers. Met een lang, zwaar geweer val je niet zomaar aan. Ik volgde eerst een training. We tekenden doelwitten op kartonnen borden. Blijkbaar had ik talent.

“Een goede sluipschutter heeft arendsogen, is een geduldige waarnemer en heeft een uitstekend gehoor. Hij beschikt over een analytische geest. Hij overschouwt het terrein, verzamelt informatie, slaat die op, analyseert en beslist. Hij moet ook zeer praktisch ingesteld zijn. Soms zit je urenlang te wachten op een kans waarvan je weet dat die zich misschien nooit zal voordoen. Toch blijf je rustig doorademen. Je bent dan in opperste concentratie; klaar om binnen de seconde toe te slaan.”

 

Want als je treuzelt of te laat bent, kan dat jou of je medestanders het leven kosten?

“Nooit is er een tweede kans. Ik was me voortdurend extreem bewust van alles wat er om me heen gebeurde. Alert zijn was mijn tweede natuur. Er was geen ruimte voor emoties of voor dieper nadenken over mijn handelingen. Gevoelens zijn wild en instinctief. Ik mocht die niet toelaten, want dan was ik misschien in een hoekje beginnen huilen.”

 

Wat toch een perfect normale reactie lijkt?

“Ik héb ook gehuild. Maar die emoties werden snel geblokkeerd door mijn overlevingsinstinct. Want met paniek, verdriet of extreme angst, tekende ik mijn doodvonnis. De stress en de hormonen verplichtten mijn hersens ertoe zich te focussen en strategisch te beginnen nadenken.”

 

De balans van uw achttien maanden aan het front: u doodde 250 mensen.

“Ongeveer. (stilte) Op elk moment van de dag of nacht sloegen de jihadi’s van IS toe. Ze waren gehard in de strijd en namen ongehoorde risico’s. Hun strijders kwamen uit honderd verschillende landen en aarzelden niet. Ze brachten allemaal hun ‘creativiteit’ mee naar de oorlog. De oude Moedjahedien die tegen de Sovjets in Afghanistan vochten, vielen pas aan na het ochtendgebed. Daar houden moderne jihadisten geen rekening mee. Zo dom zijn ze nu ook weer niet. ’s Nachts leek het nóg erger dan overdag. De duisternis zorgde voor meer onzekerheid en angst. Ach, de oorlog verkruimelt je hoofd en je hart.”

 

U verloor veel vrienden?

“Ik ben veel erg goede vrienden kwijt. Mensen aan wie ik mijn diepste gedachten toevertrouwde, met wie ik zij aan zij vocht. Mannen en vrouwen met wie ik zeer moeilijke momenten deelde. Ik verloor ook veel mensen die ik nooit persoonlijk ontmoet heb, maar die hetzelfde pad bewandelden. Onze kerkhoven zijn immens. In Kobani verloren we meer dan duizend mensen; in totaal sneuvelden er 3000 Koerden in de strijd tegen IS. Ons offer is vreselijk groot. Dagelijks worden er op de kerkhoven van Rojava nieuwe graven gedolven. Het gevecht is niet voorbij.”

 

Hebt u ooit gesprekken gevoerd met jihadi’s die door uw legereenheid gevangengenomen waren?

“Nee, in die 18 maanden sprak ik met geen enkele jihadist. In het begin leek het echt alsof IS onverslaanbaar was. De miljoenenstad Mosoel werd in juni 2014 in een paar dagen ingenomen. Het Iraakse leger vormde geen partij voor hen. In september 2014 viel IS Kobani aan en ook daar wonnen ze in sneltreinvaart terrein. Ze vielen met velen aan, waren uiterst agressief en hadden een aura van onoverwinnelijkheid. Ze waren bereid om te sterven: de dood op het slagveld was hun garantie op het paradijs. Jihadi’s gevangen nemen, was geen optie. Ze gaven zich niet over en waren vastberaden: doden of gedood worden.

“IS-jihadi’s zijn net paarden met oogkleppen. Ze zien de wereld door hun gewelddadige salafistische bril en kunnen er niet uit losbreken. De ideologie palmt hun gevoelswereld compleet in. Grote emoties zoals angst, vreugde, liefde en spijt zijn deel geworden van hun religieuze verhalen. Ze zijn hun vleesgeworden ideologie. Ze vormen een zwarte massa die een deel van het zonlicht tegenhoudt. Als sluipschutter heb ik mijn kleine bijdrage geleverd bij de afbraak van dat zwarte scherm voor de zon.”

 

U zag geen enkel ander alternatief dan hen afknallen als konijnen?

“Er werd niet onderhandeld over het uitwisselen van gevangenen. Zij onthoofden gewoon iedereen die ze gevangen namen. Ze voelden zich zo machtig en boven alles en iedereen verheven, dat het zelfs niet in hun hoofd kwam om het leven van de vader van een klein kind te sparen. Telkens wanneer ze een veroveringsaanval inzetten, gijzelden ze eerst burgers. We moesten tot het uiterste gaan om hen tegen te houden. We hebben àlles op het spel gezet. De prijs is enorm. Al dat bloed, al die opofferingen, al die wonden. Het duurde heel lang voor sommige IS-strijders begonnen te twijfelen en zich overgaven.

“Mijn totale oorlogservaring was overweldigend en in die 18 maanden was er geen seconde tijd voor verwerking. Het is moeilijk om erover te praten, ook nu. Dat wordt nooit makkelijk. Soms is het alsof er een muur vlak voor me staat. Een paar uur lang raak ik dan gevangen in mezelf. In het slechtste geval voel ik me een dag of drie zo. Dan moet ik mezelf ertoe dwingen om op zoek te gaan naar de redenen voor mijn oorlogsdaden. Ik kàn ze rationaliseren en aanvaarden. Er was een reden voor alles wat ik deed. Ik heb er vrede mee.”

 

Eind vorig jaar kondigde president Donald Trump aan dat hij zijn troepen wil terugtrekken. Voelt u zich door de Amerikanen in de steek gelaten?

“De Amerikanen verschenen pas op het strijdtoneel na de grote IS-aanslagen in Europa. De internationale druk werd heel groot om eindelijk tegen IS in Syrië en Irak op te treden. De Amerikanen voelden zich moreel verantwoordelijk en sprongen ons bij. Ze konden ook niet blind blijven voor onze strijd. U mag niet vergeten: Europa was ernstig bedreigd als IS Kobani integraal in handen had gekregen. Dan was die grote grens met Turkije hun toegangspoort tot Europa en zwaaiden de jihadisten nu misschien de scepter in Wenen of Parijs. De Amerikanen én Europeanen werden bang en sloten zich daarom bij ons aan.

“In december vorig jaar geloofde Donald Trump echt dat IS verslagen is. Ik begrijp zijn beslissing en ik respecteer ze ook. Hij houdt van het leger en wou dat zijn militairen thuis kerst konden vieren. Maar dan was er in januari van dit jaar die zelfmoordaanslag op een Amerikaanse patrouille in Manbij in het noordoosten van Syrië. De terugtrekking werd meteen vertraagd.”

 

Het was dus niet zo slim van Trump om de terugtrekking aan te kondigen?

“Het is sowieso veel te vroeg; IS is nog lang niet verslagen. Zij kennen de woestijn als hun broekzak. Ze verbergen zich en duiken onder in dorpen en steden. Ze zijn daar zeer ervaren in. Zowel in Syrië als in Irak bulkt het nu van de slapende IS-cellen.

“We worden geholpen door meer dan zestig landen, waaronder Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk. Als de Amerikanen zich terugtrekken, zijn er nog al die anderen die ons wél willen verder helpen. Niet iedereen in de Amerikaanse regering is het eens met Trump. In het Pentagon lopen belangrijke mensen rond die beloofd hebben dat ze ons niet in de steek zullen laten. Zelfs binnen de Republikeinse partij is er ongenoegen over Trumps beslissing. Ook de Amerikaanse militairen in Rojava vinden terugtrekking geen goed idee. Zij weten heel goed dat IS niet verslagen is. Er speelt trouwens nog veel meer dan de strijd tegen de jihadisten. Iran is heel actief in Syrië en dat baart de Israëliërs flink wat zorgen. Kijk, het staat de Amerikanen vrij om de aftocht te blazen. De YPG hangt niet van hen af en is niet door hen gecreëerd. Op het moment dat zijn ons kwamen steunen, vochten wij al twee jaar tegen IS. Wij leverden gigantische veldslagen in plaatsen als Serê Kaniyê‎ en Tilkoçer, waar toen geen haan naar kraaide.”

 

Keert u nog terug naar het front?

“Voorlopig weet ik niet wat mijn volgende stap wordt. Ik heb de oorlog ervaren en ik weet hoe slecht, verwoestend en lelijk hij is. Nu zou ik me liefst toeleggen op vrede en rechtvaardigheid. Die worden niet afgedwongen met wapens, maar met diplomatie en onderhandelingen. Ik wil me concentreren op de vrede, omdat ik mijn portie bloedvergieten wel gehad heb. Eigenlijk heeft iedereen er genoeg van. Er is niets romantisch aan deze oorlog tegen de jihadisten. Doden, bloed, vernietiging, gebroken families, vrouwen die als slaven genomen worden, zelfmoordaanslagen, homo’s die van flatgebouwen gegooid worden, verwoeste steden… Pure horror. We moeten er zo snel mogelijk voor zorgen dat alle getroffen mensen weer kunnen ademhalen en leven. Misschien moet de moeilijkste strijd nog beginnen: die voor de democratie.”

 

Er woedt al een tijdje een discussie of België gevangen IS-strijders, -weduwen en -kinderen moet terughalen. Wat vindt u?

“De vrouwen en kinderen nemen een andere positie in dan de strijders. Al waren zij wel getuige van de terreur. Ze leefden in IS-gebied en vonden al die gruwel normaal. We moeten oppassen dat we de kracht van die ideologie niet onderschatten. Het is een levensstijl én een mentaliteit. Ik vrees dat het uiterst moeilijk wordt om de geesten van IS-aanhangers te herformatteren.”

 

Deradicaliseren is een illusie?

“Het is niet onmogelijk, maar je hebt er wel zeer ervaren psychologen, historici en theologen voor nodig. Mensen die de finesses van die religie begrijpen en weerwerk kunnen bieden. De integratie van ex-IS’ers in de maatschappij zal veel belastinggeld kosten, maar is mensen een tweede kans geven niet precies waar een Europees land zoals België voor staat? Ongeacht wat iemand mispeuterd heeft: hij verdient een nieuwe kans. Zonder dat jullie daarbij naïef moeten zijn, want de veiligheid van de burgers komt eerst.”

 

Azad Cudy, Long Shot – My Life As a Sniper in the Fight Against ISIS, 272 blz, 19,99 euro. Eind mei verschijnt bij uitgeverij Luitingh Sijthoff de Nederlandse vertaling

 

(c) Jan Stevens