“We sluiten onze ogen voor kindermishandeling”

Kindermishandeling is volgens de Nederlandse minister van Volksgezondheid ‘het grootste geweldprobleem van Nederland’. Daarom stelde hij onlangs een gespierd plan voor om huiselijk geweld drastisch aan te pakken. Hoe groot het probleem bij ons is, weet niemand. “Het maakt mensen – inclusief onze politici – bang.”

 

“Nederlanders treden graag harder op dan wij”, zegt Pascale Franck, criminoloog en coördinator van het Family Justice Center (FJC) Antwerpen. “Maar of ze betere resultaten halen, is nog maar de vraag.” Nochtans overlegt Franck regelmatig met de medewerkers van de Nederlandse minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge over de aanpak van familiaal geweld. “Dat komt omdat onze noorderburen erg geïnteresseerd zijn in ons FJC, waar alle diensten rond thuisgeweld verzameld zijn op één locatie. Dat willen ze graag kopiëren.”

Vorige maand stelde minister De Jonge zijn nieuwe stevige plan voor. De maximumstraf en verjaringstermijn voor stelselmatige kindermishandeling worden in Nederland verhoogd, er zal keihard opgetreden worden tegen begeleiders die kinderen onder hun hoede mishandelen en ouders met losse handjes krijgen sneller dan ooit een thuisverbod opgelegd. De Jonge noemt kindermishandeling en partnergeweld ‘het grootste geweldsprobleem van Nederland’. “Het gaat jaarlijks over 119.000 kinderen die slachtoffer zijn van kindermishandeling en 200.000 volwassenen die te maken hebben met huiselijk geweld”, zei hij in het praatprogramma Pauw. “Thuis zou veilig moeten zijn, terwijl het vaak een onveilige plek is. Dat moéten we doorbreken.”

Begin april maakte Hulplijn 1712, de telefoondienst van de Vlaamse overheid voor burgers met vragen over geweld, haar statistieken van 2017 bekend. 62 procent van de 4.812 oproepen ging over kindermishandeling; 14 procent over partnergeweld. Ook bij ons lijkt familiaal geweld in aanmerking te komen voor een eerste plaats in de geweldshitparade. Maar de juiste omvang van het probleem kennen we niet. Pascale Franck: “Tot hiertoe is er in Vlaanderen geen groot significant onderzoek naar kindermishandeling gevoerd. Dat is jammer, want als je als overheid thuisgeweld goed wil aanpakken, moet je eerst weten wat er aan de hand is. Maar het maakt mensen, inclusief onze politici, bang. Dus sluiten ze liever de ogen.”

Franck heeft dertig jaar ervaring in de aanpak van familiaal geweld en is een van de drijvende krachten achter de nieuwe Family Justice Centers. “In een FJC zitten onder andere politie, justitie, jeugdzorg en het OCMW op één plek. In het verleden verliep de samenwerking tussen die diensten niet vlot. Als vroeger bij een acuut geval van familiaal geweld de onderzoeksrechter op vrijdagnamiddag besliste om de pleger zonder voorwaarden vrij te laten, konden de slachtoffers enkel bang afwachten. Nu schiet meteen ons hoog-risicoteam in actie. Zij vragen een preventief huisverbod aan, schakelen een vluchthuis in of spreken af met meneer dat hij voorlopig niet thuis blijft wonen. Sinds eind vorig jaar wordt in alle regio’s gewerkt aan de opstart van hoog-risicoteams en drie Vlaamse steden hebben intussen een volwaardig FJC: Antwerpen, Hasselt en Mechelen.”

 

Hebt u de indruk dat familiaal geweld toeneemt?

Pascale Franck: “Nee, maar er zijn wel meer meldingen. Dat wil zeggen dat het bespreekbaarder geworden is. Wat wel opvalt, is dat de aard van de meldingen zwaarder wordt en de kloof tussen rijk en arm groter. Gezinnen in armoede zijn geïsoleerd en hebben geen netwerk waarop ze terug kunnen vallen. Die omstandigheden zorgen ervoor dat de ouders makkelijker hun toevlucht nemen tot geweld.”

 

Enkel in de provincies Antwerpen en Limburg zijn FJC’s opgericht. Wil dat zeggen dat een West-Vlaams kind op dit moment slechter beschermd is bij kindermishandeling dan een Antwerps kind?

“Eigenlijk wel.”

 

Slaan om goed te doen

Kristof Desair is coördinator van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK) Vlaams-Brabant en directeur van het Vlaams Expertisecentrum Kindermishandeling. In de spreekkamers van het VK aan de Leuvense Justus Lipsiusstraat zag hij de voorbije twintig jaar veel gezinnen uit alle lagen van de bevolking passeren. “Onze eerste opdracht is zorgen voor veiligheid”, zegt hij. “Het geweld moét stoppen. Soms is het dan beter dat de geweldplegende ouder een tijd het huis verlaat.”

 

Hoe komen gezinnen bij jullie terecht?

Kristof Desair: “Door een buur, familielid of kennis die bij een kind signalen opvangt die aan kindermishandeling doen denken. Kindermishandeling gaat trouwens niet enkel over fysiek en psychisch geweld of seksueel misbruik, maar ook over kinderen die getuige zijn van partnergeweld. Na een melding sturen we een brief naar de ouders. ‘We maken ons zorgen en willen daar met u over praten.’ Acht keer op tien gaan ouders op onze uitnodiging in. Wij geloven niet dat ouders doelbewust hun kinderen willen kwetsen of vernederen. Kindermishandeling is vaak een foute manier van hen om met stress en frustraties om te gaan. Maar ook al gebeurt het maar één keer, voor een kind kan het zeer ingrijpend zijn.”

 

Kinderen zijn loyaal ten opzichte van hun ouders. Ze wijzen zelden met een beschuldigende vinger naar de mishandelende ouder. Is dat problematisch?

“Loyauteit hoeft niet meteen een probleem te zijn. Integendeel, die natuurlijke hechting tussen kinderen en ouders kan net het fundament zijn waarop wij herstel bouwen. Maar eerst zetten we alles op alles om het geweld meteen te stoppen. Daarna concentreren we ons op de factoren die aan de basis liggen van dat geweld. Alleen zo kunnen we herval vermijden. Dat is werk van lange adem. Moeten we het OCMW inschakelen om ouders die in geldnood zitten er financieel weer bovenop te helpen? Doen we beroep op een thuisbegeleidingsdienst om de ouders pedagogisch te ondersteunen? Verwijzen we ouders met psychische problemen door naar de psychiater? Last but not least werken we dan aan het herstel.”

 

Gebeurt het vaak dat een ouder uit angst, eigenbelang of lafheid niet ingrijpt als de partner een kind mishandelt?

“Als het over seksueel misbruik gaat, hoor je vaak: de moeder zal het wel geweten hebben. Terwijl we daar niet zo zeker van zijn. Soms hebben mensen het écht niet gezien. Dat andere cliché, dat daders vroeger vaak zelf slachtoffers waren, klopt dan weer vaak wel. Als wij aan ouders vragen of ze zelf in hun jeugd mishandeld zijn, is het antwoord dikwijls ja.”

 

Wat toch bizar is, want ze hebben het zelf aan den lijve ondervonden?

“Zeker. Verschillende keren heb ik al gehoord: ‘Jij zegt dat ik mijn kind fysiek mishandel, maar je zou eens moeten weten hoe het bij mij was, dát was pas mishandeling. Ik sla om goed te doen.’

Het fysieke en seksuele geweld wordt meer door mannen gepleegd. Toch hebben we niet het gevoel dat beduidend meer mannen daders zijn dan vrouwen. Vaak is het een gedeelde verantwoordelijkheid waarbij het gedrag van de ene ouder bepaald wordt door het gedrag van de andere.”

 

Hoe oud zijn de mishandelde kinderen?

“Het merendeel is tussen zes en twaalf. Maar we zien kinderen van nul tot achttien en soms zelfs ouder. Gezinnen komen hier gemiddeld tussen drie tot zes maanden over de vloer. We spreken hen dan wekelijks of om de twee weken. Af en toe praten we op school apart met de kinderen.

Onlangs kwam een jonge vrouw me opzoeken die ik gevolgd heb tussen haar zesde en negende. Ze wou haar verleden reconstrueren. Ze wist nog dat ze als kind bij mij geweest was, had de verhalen van haar ouders gehoord en wou een paar hiaten invullen.”

 

Dat wil zeggen dat de mishandeling uit haar jeugd ook in haar volwassen leven blijft nazinderen?

“Geweld in je jeugd heeft een serieuze impact. Wat niet wil zeggen dat je het als volwassene automatisch moeilijk zal hebben. In de jaren negentig is in de VS een groot onderzoek gestart naar de gevolgen van kindermishandeling op lange termijn, de ACE-study of Adverse Childhood Experiences. Er blijkt een heel sterk verband te bestaan tussen de negatieve jeugdervaringen van mensen en de psychische en lichamelijke klachten die ze als volwassene krijgen.”

 

 

 

 

Nadja Lievero (49): “Moeder greep nooit in”

 

“Zolang mijn moeder leefde, heb ik in het openbaar nooit iets over de geestelijke en lichamelijke mishandeling gezegd. Met alles wat ik nu weet, zou ik niet meer tot na haar dood wachten om mijn verhaal te vertellen. Want ik heb mezelf deze ellende niet aangedaan, maar zit nu wel met de shit.

Mijn moeder was op haar achttiende zwanger van mij en wist zogezegd niet wie de vader was. Ze trouwde met de man die mij als zijn wettige dochter erkende. Hij heeft me nooit geaccepteerd. Van toen ik kon lopen, kreeg ik slaag. Moeder werd ook door hem mishandeld. Veel later zei ze: ‘Wat moest ik doen? Waar kon ik naartoe?’

Samen kregen ze nog een dochter. Zij werd ook mishandeld, maar minder. Ik groeide op met de boodschap dat ik een bastaard was en nooit geboren had mogen worden.

Mijn zus zat in de kinderbox. Mijn wettelijke vader, want zo noem ik hem, sloeg me verrot en liet me alle hoeken van de kamer zien. Hij smeet me tegen de box en stampte me daarna de trap af, de kelder in. Daarna bolde hij het af. Mijn zus brulde tot de buren kwamen kijken.

Op een dag moest ik met een blauw oog naar school. Hij had me met mijn hoofd keihard tegen de kast geduwd. Ik zat in het tweede leerjaar en zei tegen de juf: ‘Ik moest van pa zeggen dat ik tegen de kast gelopen ben.’ Er gebeurde helemaal niets. Dat was in die tijd gewoon zo. Jaren later kwam ik te weten dat veel mensen grote vermoedens hadden over het geweld in ons gezin, maar nooit had iemand durven ingrijpen.

Ik kreeg slaag tot mijn ouders uit elkaar gingen. Ik was pas negen. Toen verscheen mijn stiefvader op het toneel. In het begin was hij een vriendelijke, lieve man. Na een tijdje begon hij me seksueel te misbruiken.

Op mijn zestiende liep ik weg bij mijn moeder en mijn stiefvader. Ik kon het misbruik niet meer aan. Het klinkt waarschijnlijk bizar, maar ik klopte bij mijn wettelijke vader en zijn vriendin aan. Bij de man dus die me jarenlang geslagen had. Dat was een vergissing van formaat, maar ik zag geen andere uitweg. Want begin jaren tachtig werd een opvangtehuis nog voorgesteld als ‘het verbeteringsgesticht’. Bij mijn wettelijke vader belandde ik van de regen in de drop. Naast de lichamelijke en psychische mishandeling begon ook hij me seksueel te misbruiken.

De directrice van de middelbare school had door dat er iets mis was. Zij nodigde me uit op haar kantoor en zorgde ervoor dat ik tijdens de turnlessen op therapie kon. Die woensdag ging ik voor het eerst naar een psycholoog. Hij vroeg 20 frank. Ik was zeventien en kon hem niet betalen. Toen ik thuis kwam, wist mijn wettelijke vader waar ik gezeten had. Ik vermoed dat die psycholoog hem gebeld had om zijn ereloon op te eisen.

In 1996 ben ik ingestort. Ik belandde in een zware depressie en werd opgenomen. Jarenlang had ik mezelf wijsgemaakt dat mijn moeder niets wist over het misbruik. Tot ik moest toegeven: natuurlijk wist ze het. Mijn man organiseerde toen een confrontatie met haar. Hij dacht dat het me zou helpen. Op mijn kamer gaf ze toe dat ze het altijd had geweten. Niet veel later riep ze me in de gang van het ziekenhuis toe: ‘Lui wijf, je zou beter voor je gezin zorgen.’ Ik heb haar daarna nooit meer gezien.”

 

 

 

Dirk Verbeeck (49): “Die loyauteit is zo raar”

 

“Mijn ouders pasten niet bij elkaar en maakten veel ruzie. Hun huwelijk eindigde in een vechtscheiding. Mijn moeder nam het me later kwalijk dat ik mijn vader nog graag zag. Ze gingen uit elkaar en vanaf dat moment kwam hij, mijn stiefvader, in ons leven. Hij stierf vijf jaar geleden; mijn moeder is nog maar pas overleden.

Ik ging als kind helemaal mee in moeders verhaal dat mijn vader slecht was en dat zij en haar nieuwe vriend John het beste met ons voorhadden. Moeder en John wilden een ‘perfect gezin’, dat hebben ze ooit zo gezegd. Dus voerden ze een verstikkend regime in. Mijn broer en ik werden strikt gecontroleerd. Telkens wanneer ik het voor mijn vader opnam, wees John me terecht. ‘Je ziet je moeder niet graag’, zei hij dan. ‘Ze is een heilige en je moet haar zo behandelen.’ Als we kattenkwaad uithaalden, noemde hij ons vlakaf: ‘Slechte kinderen.’ Hij richtte zijn pijlen vooral op mij, want ik was de oudste en die moest beter weten.

John had geld en nam ons mee op vakantie naar Spanje. Ik was dertien en had nog nooit gereisd. Moeder zei: ‘Vanaf nu is John vake.’ Dat overviel me, maar ik was voor het eerst van mijn leven in een ver buitenland en ik was gelukkig. ‘Vake’ was ontzettend dominant, wist feilloos onze zwakke plekken te vinden en buitte dat op een schaamteloze wijze uit. Voor de buitenwereld was hij de goedheid zelve. Hij kwam uit een extreemrechts milieu en stuurde ons naar het VNJ. Als puber ontwikkelde ik zo een afkeer tegen extreemrechts. Ik kocht soms De Morgen of Humo en dat vond hij verschrikkelijk. Dan mocht aan tafel tegen mij niet meer gesproken worden. Soms stonden er ’s morgens drie borden klaar in plaats van vier. ‘Wat heb ik nu verkeerd gedaan?’, vroeg ik dan. Ze negeerden me alsof ik lucht was.

Op een keer kroop John bij me in bed. Hij betastte me en dwong me tot seksuele handelingen met hem. Tot vandaag laat dat misbruik sporen na. Hij viel me lastig tot ik een jaar of zestien was.

Elk weekend moesten we naar zijn buitenverblijf. Uitgaan met vrienden was taboe. Elke zaterdag en zondag stond hij daar. Ik snap nog steeds niet waarom ik toen bleef zwijgen. Welke idioot laat zoiets toe? Ik was compleet in de war. Hij misbruikte me niet alleen seksueel, maar ook mentaal. Hij isoleerde en kleineerde me doelbewust. Ik was wat dikker en hij lachte me uit met zijn vrienden erbij. ‘Kijk, Dirk heeft tetjes.’ Als puber wil je zoiets niet horen.

Ik trok naar de universiteit en voelde me daar als een vis in het water. Op een ochtend kwam ik in de kamer en daar stonden weer drie borden op tafel. Ik belde een van mijn studiemakkers: ‘Kom me hier alsjeblief halen.’ Ik trok in bij mijn echte vader in Antwerpen. Een week later wou ik een gesprek met mijn moeder. ‘Ik wil alleen jou zien, niet John.’ Toen ik daar aankwam, stond mijn gerief netjes ingepakt. De boodschap was klaar en duidelijk: bol het af. Al mijn sporen in het huis waren gewist. Ik vertrok, en toch kapte ik niet met hen. Ik bleef moeder braaf bezoeken. Die loyauteit is zo raar; ik heb daar nu spijt van.

Twaalf jaar geleden vroeg moeder aan de telefoon waarom onze oudste zoon niet bij hen mocht blijven slapen. ‘Ik heb daar mijn redenen voor’, zei ik. ‘Hoezo? Is vake misschien een pedofiel?’, vroeg ze. Toen besefte ik: ze weet wat er gebeurd is. ‘Vraag het hem zelf’, zei ik. Ze haakte in en ik heb haar nooit meer gehoord of gezien.

Toen ‘vake’ stierf, hoopte ik op een vorm van erkenning door mijn moeder. Die kwam er niet. Een tante liet me onlangs weten dat zij gestorven was. Ik begon alle begrafenisondernemers uit Lier te bellen. Ik wou op mijn manier afscheid nemen. Bij de tweede had ik prijs. Hij moet zoiets nog meegemaakt hebben, want hij had alle begrip. Hij zei: ‘Neem gerust uw tijd.’ Daar lag ze, dood. Ik voelde verdriet en woede omdat ik wist dat er geen erkenning of verontschuldiging meer komt.”

 

 

Kindermishandeling – de trieste cijfers

 

In 2016 werden 9.133 kinderen gemeld bij de zes Vertrouwenscentra Kindermishandeling (ruim 5 procent meer dan het jaar voordien). 14 procent van de kinderen was jonger dan 3 jaar. 15 procent was ooit al eens gemeld in de jaren ervoor.

28,6 procent van de meldingen ging over lichamelijke mishandeling.

29,9 procent ging over emotionele mishandeling.

14,9 procent over seksueel misbruik.

 

In 2011 organiseerde het Kinderrechtencommissariaat ‘Geweld, gemeld en geteld’, een bevraging bij 2000 kinderen tussen 10 en 18 jaar. “Dat is de enige studie bij ons naar geweld in het gezin”, zegt Kristof Desair. “Het is doodjammer dat ze nooit herhaald is.”

Uit die studie bleek dat 5 tot 7 procent van de jongeren thuis geconfronteerd werd met ernstig verbaal geweld.

7,5 procent werd ooit door een ander lid van het gezin geslagen of geschopt. Ruim 2 procent incasseerde die klappen en schoppen op regelmatige basis.

4 procent kreeg ooit te horen dat hij of zij beter niet geboren was.

Ruim 4 procent had dikwijls het gevoel onbelangrijk te zijn.

13 procent was ooit bang van tegen elkaar roepende en tierende ouders.

7,6 procent was ooit getuige van elkaar slaande of schoppende ouders. 4 procent zag dat dikwijls.

9 procent had vaak het gevoel dat er niemand was die luisterde en hielp toen ze dat het meeste nodig hadden.

1,5 procent werd ooit door een ander lid van het gezin seksueel misbruikt. Bij 0,3 procent vond dat misbruik plaats op regelmatige basis.

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

Anthony Bourdain (1956-2018)

21 juni 2003 – Anthony Bourdain van het New Yorkse restaurant Les Halles werd een paar jaar geleden wereldberoemd met het boek Kitchen confidential , een satirische rondleiding door de New Yorkse culinaire onderwereld. Onlangs verscheen zijn derde thriller. Als hij moet kiezen tussen de keukentafel en de schrijftafel, is zijn keuze snel gemaakt: ,,Koken doe ik met hart en ziel. Schrijven is een gemakkelijke, lucratieve bijverdienste.”

 

Jaren geleden begon Anthony Bourdain (° 1956) zijn culinaire carrière als bordenwasser in een groezelig restaurant. ,,Het was de enige manier om aan seks, drugs en gratis drank te geraken.” Tot hij besefte dat hij zijn eigen graf aan het delven was.

Hij kickte af en ging studeren aan het Culinary Institute of America (CIA). Nu is Bourdain, afgezien van zijn dagelijkse portie sigaretten en alcohol, clean . Hij is gelukkig getrouwd en runt op Park Avenue South in New York de gerenommeerde Franse brasserie Les Halles . “Ik heb er geen spijt van dat ik ooit van ’s morgens tot ’s avonds met mijn handen in het vuile afwaswater gezeten heb. Als er zich in mijn restaurant een Mexicaanse bordenwasser en een jonge afgestudeerde van het CIA voor een job aanbieden, dan maakt de Mexicaan de meeste kans. De koksopleiding is fantastisch, maar als je het in dit vak wilt maken, dan moet je eerst ervaren hoe het er in de echte wereld toe gaat. Elke would-be chef zou zich eerst zes maanden als bordenwasser moeten uitsloven. Als hij het dan nog ziet zitten, dan lacht de toekomst hem toe.”

 

In Kitchen confidential schetst u geen fraai beeld van de restaurantwereld. U beschrijft uw collega’s als verslaafde gedegenereerden, dieven, sletten en psychopaten. Kijken andere koks u nu met de nek aan?

Bourdain: ,,Na de publicatie van Kitchen confidential heeft geen enkele andere chef me de huid vol gescholden. Ik sta, daar eerlijk gezegd, zelf van te kijken. (lacht)  Eind 2000 ben ik in opdracht van de zender Food Network op wereldreis vertrokken. Het resultaat was de televisieserie en het boek A cook’s tour , waarin ik op zoek ging naar ‘de perfecte maaltijd’. Veel van mijn overzeese collega’s kenden Kitchen confidential en mijn reputatie. Maar ik werd overal even hartelijk ontvangen, met overdadig veel wijn, uitgebreid eten, sigaren en cognac. Professionele chefs vonden weinig onthullingen in mijn boek. Wij, keukenprinsen, kennen onszelf. We weten dat we geen engelen zijn. We zijn geen respectabele leden van de gemeenschap; we leven en werken altijd op het scherp van de snee, en daardoor verschillen we fundamenteel van onze ‘brave’ klanten.

Deze business trekt mensen aan die hunkeren naar melodrama en sensatie. Het is dan ook normaal dat de meeste chefs na het werk vaak flink uit de bol gaan en zich te goed doen aan seks, drugs en rock-‘n-roll. Een fijn orgietje op zijn tijd kan geen kwaad.

 

Kitchen confidential is geen afrekening met de restaurantwereld. Het is een eerlijke beschrijving van hoe het er in die branche werkelijk toe gaat. De meeste chefs zijn het eens met de inhoud van mijn boek. De enige zure reacties kwamen van schrijvers en ‘literaire recensenten’ die vonden dat ik beter in mijn kookpotten was blijven roeren.”

 

Wat doet u het liefst, schrijven of koken?

,,Schrijven is veruit het gemakkelijkste. In mijn geval is het totaal onverwachts ook het lucratiefst gebleken. Ik sta nu dertig jaar in het vak, en ook al is koken een hondenstiel, toch geeft het me de meeste voldoening. Het is eerlijk, hard labeur. Schrijven voelt aan als iets vergankelijks, het gaat te moeiteloos, het geeft me het gevoel dat ik de boel belazer. Maar mijn boeken hebben me wel in staat gesteld om de wereld te zien. Ik heb andere chefs ontmoet en de meest waanzinnige, unieke ervaringen meegemaakt. Ik heb cobrahart, gestoofde vleermuis, halfgare leguaan en lamsballen gegeten. En dat waren de beste testikels die ik ooit in mijn mond gehad heb. (grijnst) Ik klaag dus niet.

Koken geeft echt wel meer bevrediging. In de restaurantwereld heerst camaraderie en trots. Maar ik geef toe, schrijven is een leuke bijverdienste. Ik schrijf graag, en ik breng daardoor jammer genoeg veel minder tijd in de keuken door dan vroeger. Koken zal altijd mijn eerste liefde blijven.”

 

U bent een beroemde kok en een gerespecteerd schrijver, een ,,ster”. Bent u blij met die positie?

,,Ik vertrouw het niet helemaal. Met het geld dat ik nu verdien, kan ik op tijd mijn huur betalen. Ik ben heel blij dat ik dankzij mijn status de wereld rond mag reizen. Andere koks en chefs beschouwen me als een soort van cultfiguur en willen daardoor met veel plezier nachtenlang met mij doorzakken. I love that! Of ik een kick krijg als volstrekte vreemden me op straat herkennen? Niet echt. Ooit houdt dit hele circus op en eindig ik zoals ik begonnen ben: met mijn handen in het afwaswater.

Beroemd zijn is vervelend. Misschien zijn chefs wel de minst aangewezen figuren om sterren te worden. Maar ik troost me met de gedachte dat koks als Antonio Carluccio, Jamie Oliver en ik de mensheid in contact hebben gebracht met goed eten.

Ik ben geen fan van Jamie Oliver, nee. Zijn televisieprogramma’s zijn fake . Ik heb hem ooit een uitslover, een oplichter en een bedrieger genoemd, maar hij heeft wel de verdienste dat hij de Britten enige eetcultuur bijgebracht heeft.”

 

Met de eetcultuur is het in de Verenigde Staten zo mogelijk nog poverder gesteld dan in Engeland. Wilt u later herinnerd worden als de chef die zijn volk leerde eten?

,,Correctie: ik ben geen Amerikaan, ik ben een New Yorker. New York is my home, man. Ik zou in geen enkele andere stad in dit land gedijen. Deze plaats is een oase, midden in de Amerikaanse puriteinse woestijn. Nu de neoconservatieven de macht overgenomen hebben, is het er niet beter op geworden. Wat ik van George W. Bush vind? Ik heb niet voor die kerel gestemd. Meer wil ik er niet over kwijt. De muren hebben oren, weet je. (lacht)

Ik maak er een erezaak van om in mijn restaurant goed eten te serveren voor een eerlijke prijs. Verder reiken mijn ambities niet. Maar het klopt dat grote delen van Amerika op culinair gebied onderontwikkeld zijn. Toch leeft niet elke Amerikaan op een dieet van hamburgers en cola. De laatste jaren schieten in alle staten de gesofisticeerde restaurants als paddenstoelen uit de grond. Momenteel werken er in dit land ongelooflijk veel briljante chefs, zowel autochtone als allochtone. Vooral in steden als New York, San Francisco, Los Angeles en Chicago vind je koks die niet onder hoeven te doen voor hun Europese collega’s. En dan heb je nog de talloze migrantengemeenschappen met hun eigen chefs, gewoonten, ingrediënten en markten.

Ik ben een sushi-fanaat. Je kunt nergens zo’n lekkere sushi eten als in New York. Je vindt hier Indische restaurants, Italiaanse trattorias , elke mogelijke en onmogelijke variant op de Zuid-Amerikaanse keuken, Aziatische tenten. Dagelijks komen er nieuwe bij. De interesse van mensen voor allerlei soorten voedsel van overal ter wereld, vindt haar oorsprong in New York. Dat fenomeen heeft zich van hieruit verplaatst naar Londen, Sydney, Melbourne en de rest van het westen.

Ken je Charlie Trotter of David Bouley? Nooit van gehoord? Zij zijn de Paul Bocuses, de Pierre Wynantsen van Amerika. Alleen hebben zij meer guts , meer lef. Hun gerechten zijn even verheven als die van hun Franse of Belgische evenknieën, maar zij durven net dat tikkeltje meer. ‘De Traditie’ ligt niet als een loden mantel om hun schouders. Ze zijn niet bang om af te wijken van de door Escoffier en consorten platgetreden paden.

Mijn vader is geboren in Frankrijk. Vlak na mijn geboorte immigreerden mijn ouders naar de Verenigde Staten. Als kind ben ik vaak bij de familie van mijn vader op bezoek geweest. Elke zomervakantie trokken we naar het Franse platteland. Toen ik als kleine jongen mijn eerste oester in de Gironde at, wist ik dat ik later kok zou worden. Ik ben niet de enige chef in New York met Franse roots : Vongerichten, Ripert, Ducasse houden de Gallische eer hoog. Net als ik zijn zij geen puristen. Ze laten zich beïnvloeden door andere eetculturen; daardoor zijn het stuk voor stuk echte Amerikaanse chefs.

De Amerikaanse keuken is een afspiegeling van het Amerikaanse volk: het is een mengelmoes, en dat maakt het eten en het leven hier juist zo boeiend. De Amerikaanse keuken bestaat eigenlijk niet, net zoals er geen Amerikaans volk bestaat. Oorspronkelijk komen wij allemaal van ergens anders. We brachten onze gewoonten en onze invloeden samen en we vermengden die in één grote ketel. Het merkwaardige is dat we ons verleden niet verloochend hebben. Kijk naar mij: ik ben geboren in Frankrijk en ik ben een Franse chef geworden. Misschien omdat ik niets anders kan.”

 

U schetst een lyrisch beeld van de Amerikaanse keuken, maar is Amerika niet het land bij uitstek waar voedsel en eten herleid zijn tot één gigantische industrie?

,,Fastfood is altijd het gevaarlijkste Amerikaanse exportproduct geweest. Ketens als McDonald’s beschouw ik als mijn persoonlijke vijanden. Niet omdat ik bang ben dat ze me uit de markt prijzen, maar omdat ze lijnrecht ingaan tegen het begrip eetcultuur .

 

Je kunt van de Fransen zeggen wat je wilt, maar ze weten hoe ze een fatsoenlijke maaltijd moeten bereiden. Ze komen in opstand tegen onze idiote hamburgerketens, terwijl de Amerikanen die rotzooi omarmen. Ik kan daar alleen maar plaatsvervangende schaamte voor voelen. In plaats van op te roepen tot een boycot van Franse producten, zouden de neocons beter de massa mobiliseren om geen Big Macs meer te consumeren.”

 

Waarom hebt u zo’n hartgrondige hekel aan vegetariërs?

,,Vegetariërs zijn elitaire angsthazen die de pest hebben aan andere mensen en culturen. Snobisme is de enige ware zonde. We leven in een grote, soms angstaanjagende, soms stinkende, maar altijd fantastische wereld, waar ontzettend veel voor het grijpen ligt. Ik weiger om daar ook maar één aspect van te missen in naam van een rigide, fundamentalistische filosofie. Het leven is te kort, ik wil alles proberen.

Onlangs was ik op bezoek bij een vriendelijke rijstboer in de Mekong-delta. Stel je voor dat ik zijn aanbod afgeslagen had om samen met hem kip te eten. Je gastheer beledigen doe je toch niet? Vegetariërs missen tact en inlevingsvermogen. Daar walg ik van.”

 

In uw thrillers keren altijd dezelfde thema’s terug: de maffia, beminnelijke criminelen en het restaurantleven. Zijn zij ook bepalend geweest in uw leven?

,,In het verleden zeker wel. Nu rest me alleen nog het restaurantleven. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw werden heel wat New Yorkse restaurants gecontroleerd door de Italiaanse maffia. Ik werkte toen in hun eethuizen en nachtclubs. Ik heb me nooit met hun zaakjes ingelaten en ik ben ook nooit getuige geweest van een moord. Maar ik werd wel omringd door pooiers, dealers, ritselaars en oplichters. Soms hoor ik echo’s van hun stemmen in mijn slaap. Ze zijn aan mijn ribben blijven plakken.

Bobby Gold, het hoofdpersonage uit mijn laatste thriller, is gebaseerd op een aantal louche figuren uit mijn verleden. Bobby heeft een tijd in de gevangenis gezeten, hij werkt als buitenwipper in een nachtclub van een maffioso en heeft een affaire met de vrouwelijke souschef. Ik hou van de sfeer van toen, net zoals ik er ook van hou om mijn thrillers te larderen met recepten en weetjes uit de keuken. Dat zal wel beroepsmisvorming zijn, zeker?

Voor de vorm waarin The Bobby Gold stories is gegoten, heb ik me laten inspireren door The Pat Hobby stories van F. Scott Fitzgerald. Het zijn aan elkaar gelinkte verhalen, met één centrale hoofdfiguur. Daar houdt de gelijkenis met Fitzgerald op. Ik geraak niet eens aan de tippen van zijn tenen. Ik bewonder hem, hij is een van de grootste Amerikaanse schrijvers. Maar ik wil me niet met hem vergelijken, dat zou onbescheiden zijn. Mijn stijl is meer geïnspireerd door het werk van Hunter Thompson, Elmore Leonard en Lester Bangs.”

 

Er was sprake van dat Kitchen confidential verfilmd zou worden met Brad Pitt in de rol van Anthony Bourdain. Hoe ver staat het met die plannen?

,,Die film komt er niet. De regisseur, David Fincher, is er niet in geslaagd het nodige geld bijeen te schrapen. Er zijn wel plannen voor een televisieserie, iets in de lijn van de maffiasoap The Sopranos . Ik probeer aan al die plannen niet te veel aandacht te schenken. Ik kook en ik schrijf boeken. En ik hou de wijze uitspraak van mijn vader in gedachten: ‘Verwacht het ergste, dan word je nooit teleurgesteld.’ ”

 

© Jan Stevens

 

Smokkelaar van de filosofie

Vlak voor WO II smokkelde de jonge pater Herman Leo Van Breda het persoonlijke archief van de filosoof Edmund Husserl nazi-Duitsland uit. Hij bracht het onder in de universiteit van Leuven. Vandaag is het Husserl-Archief wereldvermaard. Toon Horsten schreef de biografie van pater Van Breda, de lievelingsneef van zijn oma. “Het Husserl-Archief was zijn obsessie. Alles moest er voor wijken.”

 

‘Iedereen noemde hem “de Pater”. In de filosofiewereld was dat zijn bijnaam’, zegt Toon Horsten, stripuitgever en biograaf van Herman Leo Van Breda, pater, redder, stichter en behoeder van het Husserl-Archief aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de Leuvense universiteit. ‘Ik was samen met mijn vader in een fotoboek van zijn familie aan het kijken. Er stond een foto in van mijn grootmoeder met naast haar een priester met een sigaret tussen de vingers. Je zag meteen dat mijn oma die man graag zag. ‘Wie is dat?’ vroeg ik. ‘Pater Van Breda, oma’s lievelingsneef’, antwoordde vader. ‘Wat deed hij?’ ‘Iets met filosofie in Leuven.’ ‘Wat precies?’ ‘Geen idee.’ Waarna mijn vader een doodsbrief uit een doos bovenhaalde. Herman Leo Van Breda heette de man. Geboren in Lier op 28 februari 1911, gestorven in Leuven op 4 maart 1974, drie jaar na mijn grootmoeder. “Ridder in de Leopoldsorde, Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, Weerstander, Eremedaille van West-Duitsland, een doctoraat in Freiburg en eremedaille van Yad Vashem, uitgereikt bij de 20e verjaardag van de opstand in het getto van Warschau.” Ik vond dat erg intrigerend en wou weten wat die man precies had gedaan. Ik ben er vijf jaar zoet mee geweest.’

Het resultaat is de uitstekend gedocumenteerde biografie De Pater en de filosoof, waarin Horsten beschrijft hoe Herman Leo Van Breda deed wat Martin Heidegger naliet: de intellectuele nalatenschap redden van Edmund Husserl, een van de belangrijkste 20e-eeuwse Duitse filosofen.

Toon Horsten: ‘Leo Van Breda trad in bij de Franciscanen en werd pater Herman. Meteen na zijn priesterwijding ging hij halverwege de jaren dertig van de vorige eeuw filosofie studeren aan de universiteit van Leuven. Zijn licentiaatsthesis handelde over het vroege werk van Edmund Husserl. Voor zijn doctoraatsthesis wou hij het late werk van de filosoof behandelen. Hij wist dat Husserl nog heel wat ongepubliceerde manuscripten in zijn persoonlijke archief in zijn thuisstad Freiburg had liggen. Hij wou die graag inkijken.’

 

Wat was er zo fascinerend aan de filosofie van Husserl?

Horsten: In de 19e eeuw werden de wetenschappen steeds belangrijker en won het mathematische denken fors terrein. Tezelfdertijd ontstond de psychologie die bewustzijn als onderwerp had. Het leek alsof de filosofie een koning zonder land geworden was. De filosoof Friedrich Nietzsche reageerde daarop met het ontwikkelen van een zeer individualistisch, op persoonlijkheid gebouwd wereldbeeld. Edmund Husserl deed net het tegenovergestelde: in de geest van Plato wou hij van de filosofie weer een absolute en alomvattende wetenschap maken. Hij vond zelfs dat we die doelstelling bijna bereikt hadden. Sterker nog: hij beweerde dat hij de sluitsteen kon leveren om dat ideaal waar te maken.

 

Bescheiden was hij niet.

Horsten: Zeker niet. ‘De filosofie als alomvattende en absolute wetenschap vestigen’, het is een ambitie die moderne mensen niet meer koesteren. Husserl zag zichzelf als een Christoffel Columbus die een nieuwe wereld had ontdekt: het zuivere bewustzijn. Hij geloofde dat we door reflectie en door met alle ballast komaf te maken, de dingen kunnen zien zoals ze écht zijn. Hij had daar ook een methode voor ontwikkeld: de fenomenologische reductie. De toepassing van die ingewikkelde methode bepaalde volgens Husserl niet alleen het lot van de filosofie, maar van de hele wereld. Want pas als we de wereld met behulp van de fenomenologische reductie helemaal doorgrond zullen hebben, kunnen we het ideaal van een rationele en liefdevolle wereld verwezenlijken. Het doel van de fenomenologische reductie was om alle verschijnselen en begrippen die zich aan ons bewustzijn opdringen tot hun essentie te herleiden. Om tot het wezen van de dingen te kunnen doordringen, moest de filosoof afstand nemen van alle overtuigingen, vragen en persoonlijke omstandigheden die hij in zijn bewustzijn aantrof. Over die methode en de grondslagen van zijn filosofie had Edmund Husserl ontzettend veel geschreven en gepubliceerd. Daarnaast had hij ook de praktische toepassingen van zijn filosofie op papier gezet en veel van die geschriften waren nog niet uitgegeven.

 

Dat waren zelfs gigantisch veel geschriften.

Horsten: Ruim 40.000 bladzijden, geschreven in Husserls persoonlijke variant van het Gabelsberger steno. Tijdens zijn actieve leven was dat steno vrij goed ingeburgerd, maar eind jaren dertig beheersten steeds minder mensen die techniek. Als je zo’n manuscript van Husserl nu onder ogen krijgt, moet je het twee keer interpreteren. Eerst moet je het steno ontcijferen, en dan moet je nog eens op zoek naar wat de filosoof precies heeft willen zeggen. Dat is dus geen lachertje.

 

Husserl stierf op 27 april 1938. Op 29 augustus van datzelfde jaar belde pater Herman aan bij Husserls weduwe Malvine in Freiburg.

Horsten: Hij hoopte toen om voor zijn doctoraatsthesis een paar van die manuscripten te kunnen inkijken. Hij was zich zeer goed bewust van de toestand in nazi-Duitsland. Twee maanden later zou de Kristallnacht plaatsvinden. Edmund Husserl en zijn vrouw waren Joods en hun kinderen waren geëmigreerd naar Amerika. Op voorhand had pater Herman met zijn professoren afgesproken dat de universiteit van Leuven een paar van die manuscripten zou uitgeven. Want in Duitsland was dat onmogelijk geworden. Hij logeerde in Freiburg bij de franciscanen in de Adolf-Hitler-Straße. Op die eerste ontmoeting klikte het tussen de 27-jarige pater en de tachtigjarige weduwe Malvine Husserl. Toen haar man nog leefde, waren ze al van plan om het archief en de bibliotheek met 2.700 boeken uit het huis in Freiburg te verhuizen en in het buitenland in veiligheid te brengen. Dat was vooralsnog niet gelukt en de weduwe was de wanhoop nabij. Pater Van Breda gaf haar nieuwe hoop. Hij maakte meteen ook kennis met Eugen Fink, de laatste assistent van Husserl, en met de Senegalees-Franse filosoof Gaston Berger, de vader van choreograaf Maurice Béjart.

 

Martin Heidegger, de opvolger van Husserl als hoogleraar filosofie aan de universiteit van Freiburg, was er op die bijeenkomst niet bij?

Horsten: Heidegger was fan van de nazi’s én lid van de NSDAP. Ooit was Husserl zijn leermeester, maar gaandeweg nam Heidegger steeds meer afstand. Hij stuurde zelfs zijn kat naar Husserls begrafenis. Op Martin Heidegger kon Malvine dus helemaal niet rekenen. Op pater Van Breda des te meer: tijdens dat allereerste bezoek zei hij meteen: ‘We gaan het archief redden.’ Het oorspronkelijke plan was om de 40.000 bladzijden naar Zwitserland te smokkelen naar de psychiater Ludwig Binswanger, die als ex-student in nauw contact was gebleven met Edmund Husserl en een op de fenomenologie gebaseerde psychologie had ontwikkeld. Een bevriende Zwitserse kloosterzuster trok op verkenning en klopte aan bij Binswanger: ‘Kunnen we Husserls archief tijdelijk bij u onderbrengen?’ Het antwoord was: ‘Wij zijn voor de nazi’s. Laat ons met rust.’ Op dat moment besliste Van Breda: ‘Dan smokkel ik het archief naar Leuven.’ Hij wou de documenten als diplomatieke post via de Belgische ambassade de grens over krijgen, maar dan moest hij ze eerst tot in Berlijn brengen.

 

Vanwaar al die geheimzinnigheid? Het ging toch maar over 40.000 bladzijden vol filosofische teksten in steno die niemand begreep?

Horsten: Ik kan je verzekeren dat Herman Leo Van Breda echt zijn leven riskeerde wanneer hij met drie loodzware hutkoffers vol papier met de trein van het zuiden van Duitsland naar Berlijn reisde. Bij een controle was de kans groot dat de nazi’s zouden denken dat hij een spion was. Want de documenten leken geschreven te zijn in codetaal. Daarom ook durfde hij met die koffers de grens niet over en moesten ze als diplomatieke post verstuurd worden. Met drie koffers die samen 100 kilo wogen, reisde hij in zijn eentje eind september 1938 heel Duitsland door. Voor zijn vertrek had hij samen met Malvine een document opgemaakt waarin zij tijdelijk het eigendomsrecht van het archief aan hem afstond. Want enkel Belgische papieren mochten mee met de diplomatieke post van onze ambassade.

De ambassadeur in Berlijn was Jacques Davignon, de vader van Etienne die het tot vice-voorzitter van de Europese Commissie schopte. Davignon was degene die zijn zegen voor de verzending moest geven, maar door de gespannen politieke toestand was hij weggeroepen uit Berlijn. Zijn plaatsvervanger was burggraaf Jo Berryer en voor pater Herman leek dat wel een geschenk uit de hemel. Berryer was een avonturier die tijdens de Spaanse burgeroorlog op het consulaat in het door de republikeinen gecontroleerde Madrid werkte en daar onderdak geboden had aan medestanders van Franco. Hij was meteen gewonnen voor Van Breda’s plan. Die keerde terug naar Leuven, waar hij het bestuur van de universiteit nog moest overtuigen om van start te gaan met een heus Husserl-archief. Hij stelde de universiteit min of meer voor een voldongen feit.

 

Op dat moment waren het ook in België zeer onzekere tijden?

Horsten: Zonder twijfel. Er hing toen ontzettend veel spanning in de lucht. De documenten raakten via de ambassade tot in België en Eugen Fink en Ludwig Landgrebe, een andere assistent van Husserl, kwamen over naar Leuven om er in het gloednieuwe Husserl-Archief de geschriften te ontsluiten. Zij beheersten Husserls steno en kenden zijn filosofie van naaldje tot draadje.

Van zodra het archief veilig en wel in Leuven was, probeerde Van Breda de weduwe van Husserl te overhalen om Duitsland te ontvluchten. Na de Kristallnacht schakelde de Jodenvervolging een paar versnellingen hoger en er werden synagogen in brand gestoken en boeken verbrand. Malvine wou naar haar kinderen in Amerika, maar ze geraakte niet aan een visum. Van Breda stelde haar voor om eerst naar België te reizen. ‘Dan ben je tenminste al veilig. Dat visum komt dan later wel.’ Ze ging akkoord, op voorwaarde dat ook de bibliotheek van haar man en zijn uitgebreide correspondentie met andere grote filosofen mee naar Leuven verhuisde. Hij regelde een container en pas op het moment dat alle goederen in veiligheid waren, stapte Malvine samen met haar huishoudster Joséphine Näpple op de trein richting België. Hij hielp de weduwe en haar huishoudster onderduiken in een klooster in Herent, tot hij een visum voor Amerika voor hen kon bemachtigen. Dat lukte niet en uiteindelijk zou het tot mei 1946 duren voor Malvine Husserl en Joséphine Näpple aan de overtocht naar Amerika konden beginnen.

Tijdens de bezetting werden Joden verplicht tot het dragen van de Davidster. De gemeentesecretaris van Herent stuurde op 3 juni 1942 een ster voor Malvine naar ‘Pater Herman Leo Van Breda’. Blijkbaar wist de secretaris dat de weduwe van Husserl ondergedoken zat in het plaatselijke klooster. Malvine heeft die ster nooit gedragen.

Als het nodig was onderhandelde Van Breda met de Duitse bezetter. Hij had geluk dat Leuven bestuurd werd door Major Wehrkreiskommandeur Reinold von Thadden, een Pruis van adellijke afkomst die zich in de jaren dertig als lid van de protestantse Bekennende Kirche verzet had tegen pogingen van de nazi’s om de kerk aan banden te leggen. Die kerk had zich ook uitgesproken tegen de Jodenvervolging. Von Thaddens halfzuster Elisabeth was trouwens in het verzet actief, en werd in september 1944 geëxecuteerd. Van Breda had een erg goede verstandhouding met Von Thadden. Ik vermoed dat de majoor Malvine de hand boven het hoofd hield, waardoor ze als Joodse de oorlog overleefde.

 

Had ze in Antwerpen ondergedoken gezeten, was ze in een vernietigingskamp beland?

Horsten: Antwerpen was de enige stad waar de politie aan razzia’s meewerkte. Daar had ze inderdaad waarschijnlijk het einde van de oorlog niet gehaald.

Tijdens de bezetting viel de werking van het Husserl-Archief stil. Fink keerde terug naar Freiburg, Landgrebe reisde naar Hamburg. Van Breda had geen personeel meer, maar hij regelde het zo dat verschillende ondergedoken Joden van op hun onderduikadres teksten van Husserl begonnen te transcriberen.

 

Betaalde hij hen daarvoor?

Horsten: Hij zag dat vooral als bezigheidstherapie. Hij had toen zelf niet veel geld, maar sommige Joodse mensen namen het hem achteraf zeer kwalijk dat hij hen niet betaalde op het moment dat zij aan de grond zaten.

 

Ze voelden zich door hem gebruikt?

Horsten: Ja. Het Husserl-Archief was voor hem een obsessie. Hij was er toevallig in gerold, maar maakte er al zeer snel zijn levensmissie van. Alles moest er voor wijken. Hij droeg de titel ‘professor’ aan de Leuvense universiteit, waar velen hem niet meteen als een grote filosoof beschouwden. ‘Hij heeft amper iets gepubliceerd.’ Dat is waar, maar hij heeft wel de hele intellectuele nalatenschap van een grote Duitse filosoof gered én toegankelijk gemaakt. Vandaag zouden we hem een cultuurmanager noemen. Hij had een gigantisch netwerk dat hij zijn leven lang gebruikte en inzette om zijn geesteskind springlevend te houden.

Van Breda was zeer bedreven in het vinden van geld. Veertig jaar lang trok hij als een echte bedelpater van de ene rijke familie naar de andere. Het geld dat hij ophaalde, investeerde hij in zijn archief. Hij hield daar geen boekhouding van bij, waardoor ik niet al zijn geldschieters heb kunnen traceren. Wat ik wel weet, is dat hij fondsen kreeg van de Franqui-Stichting, de Unesco, het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek en NV De Gids. Dat was het bedrijf dat na de oorlog de krant De Standaard uitgaf. Zij schonken 500.000 frank. Het ging vaak over fikse bedragen, al nam hij ook genoegen met minder. Het zou te negatief zijn om te stellen dat hij voortdurend geld aan het aftroggelen was, maar hij leefde wel op giften.

 

Wat voor een mens was pater Herman Leo Van Breda?

Horsten: Er circuleren een aantal verhalen over zijn opvliegende karakter. Hij leed aan diabetes en de behandeling daarvan stond nog in de kinderschoenen. Het zou best kunnen dat veel van zijn verbale uitvallen een gevolg waren van zijn ziekte. Als het op de uitbouw van zijn archief aankwam, kon hij heel innemend zijn. Kapitaalkrachtige mensen wist hij er vrij makkelijk toe te overhalen om hun portemonnee te trekken. Hij maakte grapjes, babbelde een beetje hier en een beetje daar en probeerde zo zijn zin te krijgen. Hij was ijdel. Wijlen Samuel IJsseling, zijn opvolger als directeur van het Husserl-Archief omschreef hem vrij accuraat: ‘Van Breda had een groot ego, maar was geen egoïst.’

Hij correspondeerde uitgebreid met de filosoof Maurice Merleau-Ponty. Die was goed bevriend met Jean-Paul Sartre. Van Breda schreef dat hij Sartre niet echt een interessante filosoof vond, maar voegde er toch aan toe: ‘Kun je geen afspraak met hem regelen?’ (lacht) Hij heeft Sartre ook ontmoet én gebruikt toen hij geld voor zijn archief nodig had. Zo schermde hij met de naam Sartre om bij de Unesco aan geld te geraken.

 

Eigenlijk was hij een opportunist?

Horsten: Ja. Anna Katz, de moeder van de Antwerpse schepen Claude Marinower, heeft hem tijdens de oorlog zeer goed gekend. Zij leefde samen met haar man Marcel Marinower ondergedoken in Leuven. Ik heb haar voor het boek uitgebreid gesproken en het werd snel duidelijk dat ze een grondige hekel aan Van Breda had, precies door dat opportunisme. Marcel Marinower werd in februari ’44 door de Duitsers opgepakt en op transport naar Auschwitz gezet. Zijn vrouw gaf een envelop met familiefoto’s in bewaring bij pater Herman. Ze vertelde me dat die foto’s Marcels kostbaarste bezit waren en zijn enige herinnering aan zijn familie. Van Breda beloofde dat hij ze zou bijhouden tot na de oorlog. Hij heeft dat niet gedaan, maar ze verbrand. Anna’s man overleefde Auschwitz en toen ze de foto’s terugvroegen, kregen ze nul op het rekest. Ze zei me: ‘Als je 40.000 bladzijden kunt verstoppen, kun je toch gemakkelijk een envelop met foto’s bijhouden?’ Toen Marcel Marinower was opgepakt, vroeg ze Van Breda ook of hij een brief aan de Duitsers wou schrijven ten gunste van haar man. Hij weigerde. ‘Dat kan ik niet,’ zei hij. ‘Want ik ben professor. Het is te gevaarlijk.’ Op een bepaald moment vroeg Van Breda aan Anna Katz om Malvine Husserl te bezoeken, zodat de weduwe haar zinnen wat kon verzetten. ‘Ze droeg ontzettend veel juwelen’, herinnerde Anna zich. ‘Tijdens het gesprek stelde zij zich hautain op. Ik vond het een vreselijk mens. Ik ben er nooit meer terug geweest.’

 

Toon Horsten, De pater en de filosoof, Vrijdag, 296 blz., 22,50 euro

 

Toon Horsten

  • 1969 geboren in Hoogstraten
  • Studie Germaanse filologie en Neerlandistiek
  • 1994 – 2000 journalist bij Gazet van Antwerpen
  • 2000 – 2006 podiumprogrammator bij cultuurcentrum De Warande in Turnhout
  • 2006 – 2016 hoofdredacteur Stripgids
  • 2006 – nu freelancejournalist en auteur van onder andere het boek Landlopers
  • 2017 – nu uitgeefdirecteur strips bij Standaard Uitgeverij

 

(c) Jan Stevens

De koning der koningen

Na vijf bestsellers over le petit caporal Napoleon schreef voormalig tv-journalist Johan Op de Beeck De Zonnekoning, een heerlijke vuistdikke biografie over Frankrijks koning der koningen Louis XIV. “Eerst zette hij Frankrijk op de kaart, om het daarna terug te katapulteren naar de donkerste tijden uit de Europese geschiedenis.”

 

In De Zonnekoning noemt Johan Op de Beeck zijn hoofdpersonage consequent Louis XIV en niet Lodewijk de Veertiende. ‘We spreken vandaag toch ook niet over “Karel van Wales” als we het over prins Charles hebben of over “Filip” als we de Spaanse koning Felipe bedoelen?’, zegt hij. ‘Ik begrijp niet goed waarom dat plots niet meer geldt als het over een Franse koning uit de zeventiende eeuw gaat. In de van verzinsels en halve waarheden aaneenhangende tv-reeks Versailles praat Louis XIV Engels. Dat klinkt als gevloek in mijn oren. Ik hoorde de producent in een interview zeggen: “De Zonnekoning was zo’n universeel figuur dat hij Engels zou spreken als hij vandaag zou leven.” Alleen een Brit kan zoiets over de grootste Franse vorst ooit beweren.’ (lacht)

 

Waar komt uw fascinatie voor de Zonnekoning vandaan?

Johan Op de Beeck: Ik heb Versailles verschillende keren bezocht en ervoer dat telkens als een heel speciale plek. Ondanks het feit dat Louis XIV bigger than life is en zichzelf ook graag verheven voorstelde, is hij toch zeer menselijk. Zo was er zijn gevecht om in het leven iets te bereiken en na zijn dood iets achter te laten. Hij reikte naar de sterrenhemel en belandde in de goot.

Als koning had hij een goddelijke status. Van toen hij nog heel klein was, werd hem voorgehouden dat hij het centrum van alles was. In de geschiedenis van de mensheid zijn er maar een paar andere figuren van zijn kaliber: Alexander de Grote, Napoleon en Frederik I Barbarossa. Ze namen de herculische taak op hun schouders om de wereld te veranderen.

Louis XIV had een middelmatige intelligentie, maar was op politiek vlak zeer sluw. De eerste tientallen jaren van zijn koningschap stonden in het teken van explosieve vernieuwing. Hij voerde maatschappelijke veranderingen door en stimuleerde de kunsten. Tot hij de verandering op een verstikkende manier stopte omdat hij zijn verwezenlijkingen koste wat kost wou consolideren. Hij vond dat zijn doel bereikt was: hij had de feodaliteit beëindigd en Frankrijk gecentraliseerd. Hij regeerde niet langer met mensen die minister waren omdat er blauw bloed door hun aderen stroomde, maar omdat ze onder zijn absolute dictatuur uitvoerden wat hij wou. Maar hij moest zijn veranderingen ook stopzetten omdat Frankrijk blut was. Hij was verwikkeld geraakt in te veel oorlogen die handenvol geld kosten. De laatste tien jaar van zijn bewind voerde hij een pure overlevingsstrijd.

Vier generaties lang bleef hij aan de macht. Hij wou alles stevig in handen houden en kon er geen afstand van nemen. Zijn absolutisme zou ervoor zorgen dat er een eeuw lang zo goed als geen hervormingen mogelijk waren. Die domper op de vernieuwing maakte volgens mij de Verlichting mogelijk. Hij heeft die nooit gewild, maar wel mee veroorzaakt. Dat is dus positief, al hij had schaduwkanten. Zo voerde hij veel te graag oorlog, wat hij op zijn sterfbed ook toegaf. Misschien wel de zwartste bladzijde uit zijn koningschap is de intrekking van de geloofsvrijheid met het Edict van Fontainebleau uit 1685. Hij zette toen de deur open voor de genadeloze vervolging van andersdenkenden. Protestanten en atheïsten werden vogelvrij. Dat was een erg domme beslissing, want hij joeg hooggeschoolden op de vlucht en amputeerde zo zijn eigen economie. Eerst zette hij Frankrijk op de kaart, om het daarna terug te katapulteren naar de donkerste tijden uit de Europese geschiedenis.

 

In wat voor een Frankrijk kwam Louis XIV in 1638 ter wereld?

Op de Beeck: Het land was toen op alle vlakken achterlijk. De Italianen noemden de Fransen niet voor niets ‘de barbaren’. De Engelsen, Hollanders en Duitsers stelden met veel genoegen vast dat de Fransen van handeldrijven geen kaas gegeten hadden.

Frankrijk was een lappendeken van baronieën. De adel zwaaide de plak en de koning werd getolereerd. Hij mocht op zijn troon zitten van God, maar moest vooral niet te vaak denken dat hij ook nog iets te zeggen had. Het verfijnde Frans zoals wij dat nu kennen, werd nog niet gesproken. De doorsnee Fransman bediende zich van een erbarmelijk taaltje. De prachtige Franse taal zou pas in de eeuw van de Zonnekoning tot volle wasdom komen en bepaalde mee de uitstraling van Frankrijk over de rest van de wereld.

 

Het zag er lang naar uit dat de Zonnekoning nooit geboren zou worden?

Op de Beeck: Zijn vader Louis XIII was niet echt voor de vrouwen. Hij speelde liever ondeugende spelletjes met wufte edellieden en met zijn koetsier. Het duurde achttien jaar voor Louis XIII en zijn vrouw Anna van Oostenrijk met succes de liefde bedreven. Niet omdat de vorst er plots zoveel zin in had, maar omdat kardinaal Richelieu, de eerste minister, vond dat het de hoogste tijd was dat er voor een troonsopvolger gezorgd werd. Richelieu wou de centrale macht in handen van de koning brengen. Om dat plan door te voeren, had hij een geschikte dauphin nodig. Op bevel van de kardinaal maakten Louis XIII en Anna vervolgens een kleine. Twee jaar later volgde nog een zoon: Philippe. Die groeide op in de schaduw van zijn oudere broer.

Louis XIV cijferde zichzelf als mens volledig weg in functie van ‘l’état’, het staatsbelang, het koningschap. Er wordt gezegd dat hij ooit zou uitgeroepen hebben: ‘L’État, c’est moi!’, maar dat is niet meer dan een historisch verzinsel. Hij cijferde niet alleen zichzelf, maar ook alle anderen weg, inclusief zijn eigen broer. Philippe d’Orléans had niets te zeggen. Toen bleek dat Philippe een betere veldheer was dan Louis, werd hij onmiddellijk uit het leger gehaald.

 

Philippe werd aan het hof als meisje opgevoed.

Op de Beeck: Het was in die tijd niet ongebruikelijk dat kleine jongens tot hun zesde in meisjeskleren rondliepen. Bij Philippe bleef dat maar duren. Richelieu en diens opvolger kardinaal Jules Mazarin wilden hem verwijfd maken. Zo probeerden ze te vermijden dat Philippe ooit ambities zou krijgen om zijn broer van de troon te stoten. Ze vertrouwden hem als kind toe aan een notoire pedofiel. Veel later zou Philippe zich aan het hof van Versailles manifesteren als vrouw. In die tijd kon een gewone burger voor homoseksuele betrekkingen veroordeeld worden tot branden aan de staak. Maar in Versailles nam niemand daar aanstoot aan. Mannelijke edellieden mochten probleemloos met elkaar van bil gaan. Tot Louis XIV vond dat ze te veel een kliek vormden. Hij vertrouwde geen kliekjes en wou daarom alle homo’s weg uit de top van het leger. Dat plan werd weer opgeborgen toen hij erachter kwam dat hij dan de helft van de legertop zou verliezen. (lacht)

Ik twijfel er trouwens niet aan dat de beide broers elkaar graag zagen. Louis werd net geen 77, wat in die tijd erg oud was. In de loop der jaren zag de koning de ene na de andere sterven. Zijn zoon, zijn kleinzoon, zijn achterkleinkind… Ze gingen allemaal dood. Ook zijn broer. Er zijn talloze getuigenissen dat hij daaronder leed en met depressies kampte. Louis had ook nogal wat fysieke problemen, met een fistel aan de anus die hij ten einde raad op 17 november 1686 zonder verdoving liet wegsnijden. Een jaar eerder kwam zijn linkerbovenkaak mee toen de tandartsen zonder verdoving zijn rottende tanden aan het trekken waren. Het gat dat zo tussen neus en mondholte ontstond, probeerden ze verschillende keren dicht te schroeien met gloeiende ijzers en hete kolen. Ook zonder verdoving, want van anesthesie was in de 17e eeuw jammer genoeg geen sprake.

Er werd nauwgezet bijgehouden wat Louis at, dronk, hoeveel keer hij naar het toilet ging, hoe vaak hij ziek was en aan welke kwalen hij leed. We weten echt alles over hem en we weten ook wat en hoe de absolutist der absolutisten dacht. Vóór zijn veertigste schreef hij al zijn memoires, want hij was ervan overtuigd dat hij net als de doorsnee Fransman niet veel ouder zou worden. Die geschriften zijn meer dan louter memoires: het is een handleiding voor de volgende koning: zó leid je dit land, zó moet je je gedragen en zó voer je politiek.

 

Hoe belangrijk was kardinaal Jules Mazarin in de vorming van Louis XIV?

Op de Beeck: Zijn belang kan niet onderschat worden. Kardinaal Richelieu duidde op zijn sterfbed Jules Mazarin als zijn opvolger aan. Richelieu leerde Mazarin hoe je tezelfdertijd het land en jezelf kunt verrijken. Beide kardinalen waren financiële genieën. Mazarin slaagde er als eerste minister in om de staatskas te vullen én om tegelijkertijd een van de rijkste mensen van Europa te worden. Hij was niet alleen kardinaal en eerste minister, maar ook de minnaar van Louis’ moeder Anna. Daarnaast was hij wapenhandelaar, smokkelaar, sjoemelaar en fraudeur op grote schaal.

Zijn grootste uitvinding is zonder twijfel Louis XIV. Mazarin had heel vroeg door dat de Dauphin niet de zoveelste koning zou worden, maar de potentie had om uit te groeien toe een heel grote vorst. Mazarin wist ook: regeren is communiceren. Een van de grote middelen daarvoor was toen de kunst. Hij leerde Louis niet alleen kunst appreciëren, maar er ook de macht van ontdekken. De Galerie des Glaces in Versailles is een van de mooiste zalen in Europa. Het plafond is beschilderd met prachtige fresco’s van Charles Le Brun. Die zijn stuk voor stuk ondertiteld in het Frans en niet in het Latijn zoals toen de gewoonte was. Ze werden gebruikt als propagandamiddel, net als al die andere kunst- en cultuuruitingen die fors ondersteund werden. Met kunst propageerden Mazarin en Louis het koningschap niet alleen in Frankrijk, maar in heel Europa.

 

Is dat een van de redenen waarom de Zonnekoning het paleis en de tuinen van Versailles bouwde?

Op de Beeck: Zonder twijfel. Maar er zijn ook andere redenen: Versailles was een overwinning van de mens op de chaos. Eerst lagen er enkel moerassen. Iedereen verklaarde Louis gek. Zijn minister van Financiën Jean-Baptiste Colbert zat met de handen in het haar. De tuinen en het paleis van Versailles zouden elk jaar zes procent van het totale nationale budget opsouperen. ‘Laat ons het Louvre uitbouwen’, suggereerde Colbert. Louis dreef toch zijn wil door: hij overwon het moeras en de vijandigheid. Versailles was een persoonlijk statement van de vorst: ‘De mensheid, ons land, ons volk, de koning: wij kunnen hogerop.’ Versailles vatte ook de drie grote principes van de architectuur van de klassieke oudheid samen in één gebouw: de venustas – de schoonheid, de soliditas – de sterkte van de constructie, en de commoditas – je moest er comfortabel in kunnen leven. Al mislukte dat laatste ietwat, want er waren amper toiletten en de koning was de enige die een badkamer had. De duizenden andere bewoners en bezoekers moesten het stellen met een waskommetje.

Met Versailles had Louis ook een politieke bedoeling: hij wou zo zijn grip vergroten op de verschillende baronieën. Hij lokte de edellieden uit de departementen met belastingvoordelen en privileges naar Versailles. Daar bevond zich voortaan het centrum van de macht waar het echte politieke leven zich afspeelde. ‘Als je het wil maken, moet je dicht bij de koning zijn.’ Louis XIV was de zon en Versailles the place to be. Louis ontpopte zich tot een meester in het het verlenen van gunsten en privileges. De edellieden gingen er helemaal in op. Als hertog bereikte je het summum als je de nachtkaars mocht vasthouden wanneer de koning in bed kroop. Een etentje met de vorst in Château de Marly gold als opperste erkenning. Edellieden lobbyden zich suf om op de lijst van genodigden te komen. Tijdens Louis’ dagelijkse wandeling door de Galerie des Glaces smeekten ze met gebogen ruggen: ‘Sire, Marly?’ De meesten kwamen er nooit.

Marly was de plek waar Louis helemaal zichzelf was. Aan het begin van de 19e eeuw is dat kasteel jammer genoeg vernield. Te paard lag het op een uur rijden van Versailles. Volgens de schrijver Racine gedroeg hij zich in Marly veel vrijer dan in Versailles. ‘De koning laat de remmen hier los en is lief’, schreef hij. Louis’ moeder Anna van Oostenrijk en kardinaal Mazarin hadden hem geleerd dat hij een masker moest opzetten als hij als vorst wou overleven. Hij moest ‘ondoordringbaar’ zijn en mocht geen emoties tonen. Zijn plannen en werkelijke intenties moesten verborgen blijven.

 

Hij was nog heel jong toen hij die levenslessen opgelepeld kreeg?

Op de Beeck: Zeker. Hij was tien toen de troon wankelde en er oproer in Parijs was. De edellieden hadden het in die tijd niet begrepen op het streven van kardinaal Mazarin naar ‘potestas absoluta’, de absolute heerschappij van de kroon én de eerste minister, die alleen de wetten stelden en geen rekenschap hoefden af te leggen aan andere instellingen. De opstand daartegen, of de Fronde, bestond uit een warrige combinatie van parlementairen en geestelijken die het volk bespeelden. In het holst van de nacht van 5 op 6 januari 1649 werd de kleine Louis van zijn bed getild en moest hij samen met zijn familie voor de opstandelingen op de vlucht. Het plebs plunderde de stad en Louis voelde zich vreselijk vernederd toen hij hoorde dat zijn moeder haar juwelen had moeten verpanden om de soldij van de soldaten te kunnen betalen. In Engeland werd koning Charles I op bevel van het parlement onthoofd. Anna van Oostenrijk zag al hetzelfde met haar zoon gebeuren en in overleg met Mazarin sloot ze een akkoord met het Franse parlement. Het koningshuis was gered, maar tezelfdertijd werden zowat alle eisen van de tegenstanders ingewilligd. Al wie zich tegen de kroon had gekeerd kreeg amnestie. Louis zwoer dat zoiets nooit meer mocht gebeuren. De koning moest daarom alle macht in handen krijgen. Hij wou die absolute macht niet omdat hij een soort van Hitler was. Nee, hij wou die absolute macht omdat hij de maatschappij wou laten vooruitgaan. ‘Dat kunnen we toch niet langer overlaten aan die “vertegenwoordigers van het volk”?’, vond hij. ‘Want die edellieden zijn zakkenvullers die enkel geïnteresseerd zijn in hun eigenbelang. Ik ben de garantie voor de welvaart en het welzijn van mijn volk.’ Louis XIV had dus zeker de eerste decennia van zijn koningschap een echte missie.

 

Hij verwekte heel wat kinderen, niet alleen bij zijn echtgenote Maria Theresia van Oostenrijk. Ik leer uit uw boek dat hij naast zes reguliere kinderen ook nog zestien bastaardkinderen bij verschillende minnaressen had.

Op de Beeck: Veel van die kinderen stierven heel jong. De kindersterfte was in die tijd enorm; we kunnen ons dat nu niet meer voorstellen. Louis koesterde al zijn overlevende kinderen, óók de bastaarden die hij erkende, en hij was een echte papa voor hen. Dat staat compleet haaks op zijn keiharde imago. Hij was ook een opa met een peperkoeken hart. Toen hij zijn kleinzoon naar Spanje stuurde om daar koning te worden, stond het huilen hem nader dan het lachen.

Louis XIV werd in zijn puberteit ontmaagd op bevel van zijn moeder. Zij zag hoe de vrouwen in bosjes voor hem vielen en maakte zich daar zorgen over. Hij mocht zeker niet verliefd worden en zich binden aan een vrouw die niet paste binnen de politiek van de staat. Dus besloot Anna van Oostenrijk dat haar zoon zo snel mogelijk met seks kennis moest maken, in de hoop dat hij daarna voorgoed van zijn driften verlost zou zijn. Ze schakelde de veertigjarige schele hofdame Catherine Bellier in. Chroniqueur Primi Visconti beschrijft wat er gebeurde: ‘De vorst was nog zeer jong toen ze hem in een uithoek van het Louvre terzijde nam en verkrachtte, of toch tenminste derwijze verraste dat ze van hem kreeg wat ze verlangde.’ De ontmaagding had een totaal tegengesteld effect: het betekende voor Louis de start van een gevuld liefdesleven met talloze minnaressen.

 

Bepaalden die minnaressen achter de schermen mee zijn politieke beleid?

Op de Beeck: Er zijn notulen van een ministerraad waarin hij toegaf dat hij iets te veel naar de vrouwen keek. Hij zei tot zijn ministers: ‘Als u ooit merkt dat een vrouw ook maar de geringste macht over mij uitoefent, dan beveel ik u om mij te waarschuwen.’

Zijn minnaressen hadden geen politieke invloed, maar sommige beïnvloedden hem wel op andere manieren. Marie Mancini, een nicht van kardinaal Mazarin, en Athénaïs de Montespan, de vleesgeworden erotiek, wekten bij hem de zin voor het esthetische op. Maar het veelvuldige overspel speelde hem ook parten. Als diepchristelijke koning was hij de behoeder van het katholieke geloof. Naarmate hij ouder werd, werd hij gevoeliger voor de kritiek van de devoten aan het hof. Zijn lange relatie met de eveneens getrouwde De Montespan vonden zij not done. Een dubbel overspelige katholieke vorst met de uitstraling van Louis XIV was in Frankrijk en de rest van Europa niet meteen reclame voor de kerk. Een nieuwe maîtresse, de katholieke Françoise Scarron bracht soelaas. Hij werd dolverliefd op haar, terwijl zij onder een hoedje met de kerk speelde. Ze wordt door de geschiedschrijving heiliger voorgesteld dan ze was, want uit haar brieven blijkt dat ook zij verliefd was op Louis, niet alleen geestelijk. Terwijl ze met hem sliep, trok ze hem weg van De Montespan en overtuigde ze hem er zelfs van om terug met zijn vrouw naar bed te gaan. Na de dood van Marie Theresia hertrouwde Louis met Scarron. Zo groeide zij als Madame de Maintenon uit tot één van de machtigste vrouwen van Frankrijk. Dat huwelijk betekende meteen ook het einde van Versailles met de vele feesten. Langzaam maar zeker veranderde het ooit zo liederlijke paleis in een museum.

 

Johan Op de Beeck, De Zonnekoning, Horizon, 736 blz., 34,99 euro

 

Johan Op de Beeck

  • 1957 geboren in Duffel
  • Studeerde communicatiewetenschappen aan de VUB
  • 1980 begon te werken als journalist en nieuwslezer bij de VRT
  • 1990 verliet de VRT en richtte zijn eigen mediabedrijf op
  • 1993 werd de eerste hoofdredacteur van TV Limburg
  • 1996 leidde de redactie van nieuwszender Euronews
  • 1999 startte mee Kanaal Z op en werd er directeur informatie
  • 2003 – 2005 netmanager van Ketnet en Canvas
  • Maakte verschillende tv-documentaires zoals Masters of the Game en Atlantik Wall
  • Naast vijf bestsellers over Napoleon en zijn tijd schreef hij ook nog Het verlies van België en De bedreigde vrijheid.

 

 

(c) Jan Stevens

“Soms moet je je handen durven vuilmaken”

In zijn boek Dubbel leven legt Montasser AlDe’emeh zijn motieven om burgerspion te worden op tafel. Rik Torfs schreef het voorwoord. “Waarom kan een informant van de Staatsveiligheid niet het beste met zijn medemens voorhebben?”

 

Een paar dagen nadat Montasser AlDe’emeh in juli 2016 in een interview met De Morgen bekendmaakte dat hij als informant voor de Staatsveiligheid gewerkt had, stuurde de jihadexpert een mail naar Rik Torfs. AlDe’emeh vroeg aan de kerkjurist of hij hem aan een woning kon helpen. Een dag later antwoordde de toenmalige rector van de KULeuven dat hij een huis gevonden had, ergens op het platteland. “Met mijn rectorschap had dat niets te maken”, zegt Rik Torfs. “Het was gewoon een kwestie van twee mensen die elkaar helpen. Af en toe zaten we samen in een debat. Zo leerden we elkaar kennen en appreciëren. Montasser zocht een discrete plek waar hij goed aan zijn doctoraat kon werken en ik kon hem daar toevallig bij helpen. Dat gebeurde in alle stilte, zoals het hoort.”

Montasser AlDe’emeh: “Professor Torfs wist niet dat ik voor de Staatsveiligheid werkte. Niemand wist dat, zelfs mijn beste vrienden én mijn familie waren niet op de hoogte. In de zomer van 2016 vertrok ik op reis naar Cuba. Daar las ik op een ochtend op mijn smartphone dat het Belgische gerecht mij voor schriftvervalsing wou vervolgen. Mijn contactpersonen bij de Staatsveiligheid hadden me nochtans toevertrouwd dat die zaak wel geseponeerd zou worden. Ik had er genoeg van en nam een vlucht naar Canada waar ik asiel wou aanvragen. Vlak na de landing in Toronto las ik het nieuws over de aanslag op de Promenade des Anglais in Nice. Ik had twee jaar van mijn leven opgeofferd en veel risico’s genomen om dit soort van afschuwelijke aanslagen te vermijden en werd nu door de Belgische justitie vervolgd. Ik moest dat nieuws dan nog eens in de krant lezen. Op dat moment besloot ik om via De Morgen wereldkundig te maken dat ik een informant geweest was. Ik hoopte zo ook dat de Belgische politici eindelijk het belang van degelijk inlichtingenwerk zouden inzien. Daarna vloog ik terug naar huis, waar ik tot mijn stomme verbazing merkte dat de sleutel niet meer op het slot van mijn flat paste. Ik belde mijn broer en hij zei me dat mijn familie na mijn interview besloten had om mijn flat leeg te halen en een nieuw slot te plaatsen. Want ze waren bang dat IS-aanhangers wraak op mij zouden nemen. Ik stond op straat en dacht: ‘Wie kan me helpen?’ Mijn eigen familie was geen optie. Dus stuurde ik een mail naar professor Torfs.”

 

Hoe vlot uw doctoraat?

AlDe’emeh: “Het einde komt na vier jaar in zicht. Een tijd geleden kwam ik tot het besef dat ik voor dat doctoraat een andere weg moest inslaan. In het begin probeerde ik te achterhalen waarom jongeren naar Syrië vertrokken. Nu focus ik me op de radicaal islamitische ideologie van organisaties zoals IS, Al Qaeda, Boko Haram, al-Shabaab. Het materiaal dat ik in Syrië en België verzamelde terwijl ik informant voor de Staatsveiligheid was, heb ik om deontologische redenen opzij geschoven.”

Torfs: “Je ervaringen neem je natuurlijk wel mee.”

AlDe’emeh: “Die maken mijn onderzoek ook sterker. Mijn uitstappen naar Jordanië, Syrië, Tunesië en Irak blijven in mijn hoofd nazinderen. Mijn visie is daardoor veel breder geworden.”

 

Mijnheer Torfs, was het een schok toen u las dat Montasser AlDe’emeh voor de Staatsveiligheid gewerkt had?

Torfs: “Ik ben niet snel geshockeerd en eigenlijk vond ik dat geen slecht idee. Het is slim dat er samenwerking is tussen mensen die voor veiligheid zorgen en mensen die zoals Montasser het veld kennen. Er zijn in ons land veel deskundigen die vanop de zijlijn weten hoe het allemaal moet. De praktijk is vaak ingewikkelder: dan komt het aan op praten met de juiste mensen. Uit Montassers boek blijkt heel duidelijk hoeveel tijd hij in al die intense gesprekken investeerde. Hij voelde ook goed aan wanneer jonge mensen begonnen te radicaliseren. Het was toch ideaal dat Staatsveiligheid met hem kon samenwerken?”

 

Montasser AlDe’emeh combineerde zijn informantenwerk bij de Staatsveiligheid ook met journalistiek en met deradicaliseringswerk in zijn centrum ‘De weg naar’. Iemand die professioneel als deradicaliseerder aan de slag is, zei me onlangs dat AlDe’emehs bekentenis zijn sector een slechte dienst bewezen heeft. Geradicaliseerde jongeren vertrouwen hulpverleners niet meer, want ze verdenken hen ervan ook voor de Staatsveiligheid te werken.

AlDe’emeh: “Tijdens mijn eerste contacten met de Staatsveiligheid zei ik dat ik me na mijn reis naar Syrië veel zorgen maakte. Ik had er jihadisten gesproken die zich zeer vijandig opstelden tegenover de westerse samenleving. Ik had die vijandigheid gehoord en gezien en ik wist dat er aanslagen in het westen zouden plaatsvinden. Dat was in 2014, toen veel Vlamingen niet van die dreiging wakker lagen. Syriëstrijders werden vergeleken met de oostfronters en in een traditie van Vlaamse vertrekkers geplaatst. Ik zei toen tegen de Staatsveiligheid: ‘We moeten die frustraties zo snel mogelijk kanaliseren. Ik wil dat op mijn manier doen.’ Dus richtte ik het centrum ‘De weg naar’ op waar geradicaliseerde jongvolwassenen met mij konden komen praten. Ze zagen mij niet als ambtenaar, psycholoog of maatschappelijk werker, maar als rolmodel. Met mijn contactpersonen bij de Staatsveiligheid had ik afgesproken dat ik hen alle relevante informatie zou bezorgen die die gesprekken opleverden. Ik vind het zo merkwaardig dat na al het verdriet en de pijn van alle aanslagen sommigen nog steeds niet begrijpen wat mij dreef om informant te worden. Voor het geld moest ik het niet doen, want er viel zo goed als niets mee te verdienen. Integendeel, ik heb er veel centen ingestoken. De meeste mensen die ik als informant sprak, zaten in Syrië. De geradicaliseerden hier verwees ik altijd door naar anderen. Ik snap dus niet waarom mijn werk de hele deradicaliseringssector zou ondermijnd hebben. Ik heb mezelf nooit als deradicaliseerder beschouwd en heb mezelf ook nooit geprofileerd als journalist. Ik sprak met die mensen als onderzoeker en merkte dat die gesprekken best relevant waren voor onze samenleving. Daarom publiceerde ik in het magazine Knack.”

Torfs: “Na de moorden op Sharon Tate en haar vrienden door de sekte van Charles Manson werd in de jaren zeventig in de Verenigde Staten gestart met deprogramming. Dat liep niet van een leien dakje. Soms werd de deprogrammers verweten dat ze ook sectair waren. Deradicalisering is moeilijke en delicate materie. Het lijkt me daarom iets te gemakkelijk om een bekend iemand die voor de Staatsveiligheid werkte, verantwoordelijk te stellen voor het gebrek aan vertrouwen bij geradicaliseerde jongeren. Waarom kan een informant van de Staatsveiligheid niet het beste met zijn medemens voorhebben?”

 

In Dubbel leven schrijft Montasser AlDe’emeh verschillende keren dat hij in zijn periode bij de Staatsveiligheid ook als journalist werkte, met een perskaart. Nu hoor ik hem zeggen dat hij zich nooit als journalist geprofileerd heeft. Voor alle duidelijkheid: ik vind dat een journalist nooit voor de Staatsveiligheid mag werken.

AlDe’emeh: “Ik werkte soms als freelancejournalist, dat is juist. Maar u zou ervan staan kijken hoeveel andere journalisten informatie aan de Staatsveiligheid leveren. Na mijn onthulling maakte ik met Knack de afspraak dat ik een jaar lang geen artikels zou schrijven. Die ontluizingsperiode is intussen voorbij. Niemand kan bewijzen dat ik stukken in Knack gepubliceerd heb die pasten in mijn werk voor de Staatsveiligheid. Ik heb informatie over staatsgevaarlijke individuen met de veiligheidsdiensten gedeeld die ze zelf niet konden krijgen. Ik kan me niet voorstellen dat dat tegen de journalistieke deontologie indruist.”

 

Kan Rik Torfs zich voorstellen dat hij ervoor kiest om informant voor de Staatsveiligheid te worden?

Torfs: “Dat is een zeer hypothetische vraag. Ik heb nooit voor die keuze gestaan. Montasser werd geconfronteerd met een acute crisis die door al die aanslagen steeds scherper werd. Een mens kan dan twee houdingen aannemen: ofwel word je vanuit je principes geen informant, ofwel doe je dat wel omdat je vindt dat het je plicht is. Ik begrijp dat Montasser uit affiniteit met onze samenleving de keuze voor samenwerking met de Staatsveiligheid maakte. Ik kom uit een andere tijd. Ik heb legerdienst gedaan in plaats van burgerdienst. Ik was geen gewetensbezwaarde, misschien bij gebrek aan geweten. Ik werd ook geen officier, bij gebrek aan talent en interesse. Ik was gewoon milicien, rustig, zonder principieel bezwaar.

Montasser koos geen makkelijke weg, want hoe ver kon en moest hij gaan met het vertrouwen dat anderen hem schonken? Het is altijd makkelijk om te stellen: ‘Ik doe dit om principiële redenen niet.’ Het leven is complex en de kunst bestaat erin om verstandig met paradoxale kwesties om te gaan als je, zoals Montasser, een duidelijk doel voor ogen hebt. Hij was nog jong en in zijn boek geeft hij eerlijk toe dat hij af en toe een inschattingsfout maakte. Dat vind ik geen reden om vervolgens te besluiten dat hij beter helemaal niets ondernomen had. Ik geloof nogal in les maines sales: soms moet je je handen durven vuilmaken. Zeker als de crisis acuut is, wat zo was met die aanslagen. Je hoort dan sommigen stellen dat er veel meer slachtoffers vallen bij verkeersongevallen dan bij terreuraanslagen. Maar er is een groot verschil tussen een moordaanslag en een verkeersongeval: het is niet correct om die cijfers zomaar naast elkaar te zetten. Nu lijkt het bijna alsof we die aanslagen achter ons gelaten hebben. Ik hoorde eerder deze week dat de toeristen terug naar Vlaanderen komen. Er wordt ook gesuggereerd dat IS verslagen zou zijn. Ik zou toch maar oppassen met die jubelberichten.”

AlDe’emeh: “Ik werkte eerst als informant, maar werd na verloop van tijd ook infiltrant. Ik heb daar geen spijt van, zelfs niet na mijn veroordeling voor zogenaamde schriftvervalsing. Op een bepaald moment vroeg iemand me via de telefoon of ik een verklaring kon schrijven dat zijn broer in mijn centrum gederadicaliseerd was, zonder dat die jongen daar ooit een voet gezet had. Ik dacht meteen aan de informatie over IS-kopstuk Hicham Chaïb die die verklaring me kon opleveren. Chaïb was en is wereldwijd een van de meest gezochte terroristen en het nichtje van die man behoorde tot Chaïbs entourage in Syrië. Toen ik het verzoek kreeg om die verklaring te schrijven, hadden de aanslagen van 22 maart nog niet plaatsgevonden. Chaïb maakte later een video om ze op te eisen. Waarmee ik maar wil zeggen: het zou stom geweest zijn om die kans te laten schieten. Daarom schreef ik die beruchte deradicaliseringsverklaring.”

 

De processen in eerste aanleg en beroep waarop u telkens veroordeeld werd voor valsheid in geschrifte waren harde noten om te kraken?

AlDe’emeh: “Natuurlijk. Als infiltrant genoot ik geen bescherming. Minister van Justitie Koen Geens brengt daar met zijn wetsontwerp over de burgerinfiltrant eindelijk verandering in. Het besef dat het nuttig kan zijn dat een burger infiltreert, kwam bij onze politici pas na de aanslagen van 22 maart. De Staatsveiligheid was al veel langer vragende partij, maar zij moest roeien met de riemen die ze had. Kijk, ik heb een zuiver geweten. Dat is voor mij belangrijker dan mijn strafblad. Natuurlijk heb ik een kladversie van dat deradicaliseringsattest geschreven, maar ik heb het nooit ondertekend, want ik had niet de intentie het te gebruiken. Dat paste enkel in mijn werk voor de Staatsveiligheid. De advocaat die samen met mij veroordeeld werd, heeft er mijn handtekening onder gezet en hij gaf dat ook toe. Ik werd dus vervolgd én veroordeeld voor een attest dat iemand anders met mijn naam tekende. Op het proces overhandigde ik mijn geheimhoudingscontract van de Staatsveiligheid aan de rechter. De echtheid daarvan werd niet betwist. Ik betaalde drie advocaten, niet de eerste de beste, want ik wou winnen. Na mijn veroordeling in eerste aanleg ging ik in beroep omdat ik aan jonge mensen het signaal wou geven dat ik blijf geloven in de rechtstaat. Ook daar werd ik veroordeeld voor het schrijven van een door anderen gedicteerd kladje van een deradicaliseringsattest. Misschien was mijn veroordeling een signaal van de rechter: de rechtstaat staat boven de veiligheidsdiensten.”

 

Vindt Rik Torfs dat Montasser AlDe’emeh veroordeeld is door ‘wereldvreemde rechters’?

Torfs: “Ik ken het dossier onvoldoende om daar uitspraken over te doen. Uit Montassers boek blijkt heel duidelijk dat zijn intenties en bedoelingen nobel waren. Zijn veroordeling mag er dus niet toe leiden dat we hem voortaan onbetrouwbaar vinden. Want Montasser zet zich enorm in voor onze samenleving. Ik wil het proces van de rechters niet maken. Maar het is wel zo dat radicalisme en jihadisme relatief nieuwe fenomenen zijn voor magistraten. Het zou daarom misschien niet slecht zijn dat er in het algemeen een cursus komt waarin de drijfveren en de culturele achtergronden van religieus radicalisme in onze samenleving aan bod komen. Door de razendsnelle secularisering is de religieuze kennis in ons land er sterk op achteruit gegaan, en dat net op het moment dat we die kennis nodig hebben om de dialoog aan te gaan met moslims en nieuwkomers uit Afrika of Oost-Europa met nog andere religies.”

AlDe’emeh: “Weet u dat ik bereid was om mijn leven voor België te geven? In het licht daarvan is mijn veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf met uitstel en een boete van zeshonderd euro draaglijk. Dat is geen valse romantiek, maar pure dankbaarheid. Wat ik als informant voor België gedaan hebt, verzinkt in het niets in vergelijking met wat België voor mij gedaan heeft. Ik ben in een Palestijns vluchtelingenkamp in Jordanië geboren en heb hier samen met mijn familie een veilige thuis gevonden. Ik kon hier naar de universiteit. Mijn vader is vorige maand gestorven, maar de dokters deden er alles aan om zijn leven te redden. Ze deden er ook alles aan om mijn leven te redden toen ik acht was en hersenvliesontsteking kreeg. België heeft mij àlles gegeven. Weet u wat ik zo verdomd moeilijk vond? Dat ik in de media genuanceerd over jihadisten sprak, terwijl ik met mijn hart compleet andere taal wou spreken. Ik las en hoorde dat Vlamingen me bestempelden als jihadistenknuffelaar. Ze wisten niet dat ik hen achter de schermen beschermde.”

 

Zou Rik Torfs zijn leven geven voor België?

Torfs: “Niet voor een land, maar misschien wel voor sommige ideeën. Al weet je nooit op voorhand hoe dapper je zal zijn op cruciale momenten. Pater Maximiliaan Kolbe bood zich in gevangenschap in Auschwitz aan als plaatsvervanger van iemand anders, net als de Franse politieman Arnaud Beltrame bij de gijzeling in Trèbes. Zal ik dat ook doen in een gelijkaardige situatie? Ik weet het niet. Het martelaarschap is niet iets wat je nastreeft, maar wat je tegen heug en meug overkomt. Wie het nastreeft is geen martelaar, maar een carrièrist.”

AlDe’emeh: “Ik zocht het martelaarschap niet. Ik nam voorzorgsmaatregelen om mezelf te beschermen. Een van de grote problemen met veel jonge moslims is hun gebrek aan kritische zin. Ronselaars spelen daar op in. In 2015 chatte ik regelmatig met Abdelmalek Boutalliss, een Kortrijkse jongen die naar Syrië vertrok nadat hij geronseld was door Olivier Calebout. Ik stond ook in contact met Abdelmaleks ouders, die via mij meer informatie over hun zoon probeerden te krijgen. Hij had zich op de kandidatenlijst voor zelfmoordaanslagen gezet. Ik bewoog hemel en aarde om hem op andere gedachten te brengen, maar op 10 november 2015 blies hij zich in een bomauto op in Irak. Zijn moeder vertelde me dat hij haar toen hij nog thuis was had toevertrouwd dat hij bang was van God. Waarom moet iemand bang zijn van God?”

Torfs: “Daar zit inderdaad een heel vreemd godsbeeld achter. Veel jonge moslims vrezen de hel en zijn bang voor bestraffing en marteling na hun dood in hun graf.”

AlDe’emeh: “De moslimwereld bulkt van de taboes. Ik ken veel jonge mensen die niet in het openbaar durven spreken over hun relatie waardoor hypocrisie de norm geworden is. In het geheim hebben ze een lief, maar hun vader maken ze wijs dat ze nog steeds braaf vrijgezel zijn. Al die taboes zorgen voor extra druk. Jongeren mogen niet open en eerlijk zijn. Daar komt dan nog eens de sociale en economische achterstelling bij, de geopolitieke toestand die via satellietzenders en sociale media elke dag de huiskamer inkomt én starre imams die de taal van de jongeren niet spreken. Het resultaat zijn tikkende tijdbommen. De voedingsbodem voor de radicale ideologie blijft omdat de vervreemding van veel moslimjongeren onverminderd doorgaat.”

 

Net als de vervreemding bij bange, blanke mannen en vrouwen van middelbare leeftijd die de diverse samenleving als bedreigend ervaren, professor Torfs?

Torfs: “Ik ben de eerste om te zeggen dat je mensen niet moet sussen met ‘alles komt wel goed’, om vervolgens helemaal niets te ondernemen. Een tijdlang was dat in België de officiële leer, vooral als reactie op het groeiende succes van het Vlaams Blok dat later vervelde tot Vlaams Belang. Het antwoord op de extreme en soms ontoelaatbare ‘oplossingen’ van het Belang kon toch nooit zijn: ‘We doen niets.’ Terwijl dat in werkelijkheid wel degelijk was wat er gebeurde.

We moeten oppassen dat we niet in een verkrampt secularisme terecht komen. Door religie te negeren, lossen we het radicalisme nooit op. We moeten ook oppassen met uitspraken als: ‘Alles moet op de schop.’ Natuurlijk moet achteruitstelling aangepakt worden, maar dat doe je in de eerste plaats door voor uitstekend onderwijs te zorgen en door mensen op een fatsoenlijke manier te begeleiden. Niet door al onze maatschappijstructuren radicaal om te gooien.”

 

Volgens sommigen moeten we allemaal, zowel autochtonen als allochtonen, nieuwe burgers in de superdiverse samenleving worden.

Torfs: “Ik vind: blijf vooral jezelf. Vandaaruit kan je dan op zoek gaan naar hoe je het beste in de samenleving functioneert. Ik ben er niet voor om tegen iemand te zeggen: ‘Je moét veranderen.’ Geef mensen kansen waardoor ze eventueel aan zichzelf beginnen werken en zo zelf voor hun verandering zorgen. Dan heb ik het zowel over autochtonen als allochtonen. Pas er toch mee op om van inwoners van een dorp zoals Baardegem waar Montasser opgroeide, te verlangen dat ze zich plots allemaal anders, als ‘nieuwe burgers’, gedragen. Vervreemding bestrijd je nooit door nóg meer vervreemding te creëren. We kunnen ons veel beter afvragen: hoe zorgen we ervoor dat àlle mensen zich in dit land thuis voelen? Dat lukt nooit als we mensen niet als personen, maar enkel als groep benaderen. Want dat is precies wat we doen: we vervallen snel in groepsdenken. Montasser is daar een grote uitzondering op: hij is heel goed in gesprekken van mens tot mens. Dat komt omdat hij altijd rekening houdt met de unieke gebruiksaanwijzing van elk individu.”

 

Montasser AlDe’emeh, Dubbel leven, Achter de schermen va de Staatsveiligheid en IS, Lannoo, 256 blz., 22,99 euro

(c) Jan Stevens

Dianne Lake, het jongste liefje van sekteleider Charles Manson: ‘Hij keek in mijn ogen en ik smolt’

In The Summer of Love van 1967 slikte Dianne Lake haar allereerste LSD-tablet. Ze was pas veertien en haar vader stopte het haar toe. Aan het eind van dat jaar sloot ze zich aan bij The Family van Charles Manson en werd zijn jongste liefje. Twee jaar later vermoordden Mansons volgelingen zes mensen, waaronder Roman Polanski’s zwangere vrouw Sharon Tate. “Hij vroeg mij niet mee, want ik was een smartass, een betwetertje.”

 

Jarenlang deed Dianne Lake (65) alsof ze de jaren zestig als braaf burgermeisje had doorgebracht, spelend met Barbie, Ken en het Barbie Dreamhouse dat ze in 1963 van de kerstman kreeg. Tot ze in 2008 telefoon kreeg van de gepensioneerde politieagent Paul Dostie, gespecialiseerd in cold cases. “Hij vroeg: ‘Bent u Dianne Lake?’”, herinnert ze zich. “Ik schrok, want zo goed als niemand kende mijn meisjesnaam. Laat staan dat ze wisten dat ik eind jaren zestig een trouwe volgelinge en een van de liefjes was van Charles Manson, Amerika’s beruchtste hippiecrimineel. Alleen mijn man, een paar heel goede vrienden en de pastoor in mijn kerk waren op de hoogte. Verder had ik er niemand iets over verteld, ook mijn schoonfamilie en mijn drie kinderen niet. Al die jaren leefde ik met dat grote geheim. Ik gebruikte de achternaam van mijn man en het was me altijd gelukt om onder de radar te blijven. Maar heel die tijd was ik bang dat mijn verleden als een etterbuil zou openbarsten.”

Dat moment leek gekomen toen Paul Dostie in 2008 aan de telefoon zei dat hij zijn lijkenhond Buster had laten rondsnuffelen op de Barker Ranch, een verlaten mijndorp in het Death Valley National Park in Californië.

Dianne Lake: “‘De hond heeft een paar plekken gevonden waar misschien menselijke resten begraven liggen’, zei Paul. In 1968 en ‘69 was Barker Ranch een van de plekken waar ik samen met Charles Manson en de rest van de Family verbleef. Daar werden we twee maanden na de moorden op onder anderen Sharon Tate en haar vrienden ook opgepakt. Ik werd gearresteerd door Jack Gardiner. Hij moet toen iets in mij gezien hebben, want hij kwam me regelmatig in de gevangenis opzoeken en na mijn vrijlating namen hij en zijn vrouw me op als hun pleegkind. Volgens Dostie had ik ooit tegen Jack gezegd dat ik dacht dat er op de Barker Ranch nog lijken begraven lagen. Ik kon me dat niet meer herinneren, al was het best mogelijk. Later bleek het vals alarm te zijn, maar op die dag in 2008 kreeg ik het gevoel alsof mijn bestaan op instorten stond. Want als er nog slachtoffers van Manson waren, was dat gegarandeerd groot nieuws. Mijn kinderen zouden dan te weten komen dat hun moeder op haar veertiende een van de liefjes van Charles Manson was. ‘Ze mogen dat toch nooit horen van een nieuwslezer’, panikeerde ik. Dus raapte ik al mijn moed bijeen en vertelde hen mijn verhaal. Tot mijn grote opluchting veroordeelden ze me niet; ik bleef gewoon hun moeder.”

 

Uw verhaal hebt u nu ook in ‘Mijn leven met Charles Manson’ te boek gesteld voor het grote publiek. Nu weet iedereen dat Dianne Lake op haar veertiende Mansons jongste liefje was.

Lake: “Ja, en het schrijven van dat boek was niet echt makkelijk, zoals het niet vanzelfsprekend is om nu met een wildvreemde over mijn tienerjaren in de sixties te praten. Maar dat is wel nodig, want ik merk dat vandaag nogal wat jonge mensen verlangend kijken naar de hippie- en drugscultuur uit mijn jeugd. Misschien kan mijn boek een waarschuwing zijn. Wist u dat Charles Manson in Amerika lang als boeman gebruikt werd? Als kinderen zich niet gedroegen, werd ermee gedreigd dat Manson of één van zijn volgelingen hen zou komen halen. Charles Manson was het monster onder het bed. Ook voor mijn kinderen toen ze nog klein waren. (lacht)”

 

In de loop der jaren zijn er honderden boeken over Manson verschenen. Las u die?

Lake: “Voor ik mijn boek begon te schrijven, had ik er maar twee gelezen: The Family uit 1971 van schrijver en muzikant Ed Sanders en Helter Skelter uit 1974 van Vincent Bugliosi. Als openbare aanklager vervolgde hij Charles Manson en mijn vroegere vrienden voor de moorden. Hij was ook degene die mij over de streep trok om op het proces tegen Manson te getuigen.”

 

Bent u de eerste ‘insider’ die een boek over The Family schreef?

Lake: “Wijlen Paul Watkins schreef al in 1979 het boek My life with Charles Manson. Paul sloot laat bij The Family aan, maar schopte het snel tot Mansons rechterhand. Net als ik had hij totaal niets met de moorden te maken en ik vond hem best een fijne kerel. Hij stierf in 1990 aan de gevolgen van kanker. Een paar maanden na mijn arrestatie in oktober 1969 ruilde ik de gevangenis in voor een psychiatrische instelling. Ik was zestien en zwaar verslaafd aan LSD. Ik kreeg ernstige afkickverschijnselen en werd met een LSD-psychose opgenomen in het Patton State Hospital in San Bernardino, Californië. Later hoorde ik dat Paul me daar had proberen opzoeken. Toen vond ik dat erg bedreigend, want ik was bang dat hij me in opdracht van Charles Manson een kopje kleiner kwam maken. Die angst was niet terecht en ik heb er nu spijt van dat ik later geen contact meer met Paul gezocht heb.”

 

Uit wat voor een nest komt u?

Lake: “Mijn ouders waren eigenlijk heel gewone mensen uit Minneapolis, de hoofdstad van de noordelijke staat Minnesota. Alleen hield mijn vader Clarence erg van kunst. Overdag schilderde hij de muren van huizen en ’s nachts maakte hij schilderijen. Hij droomde ervan om een kunstenaar te worden of leraar plastische kunst. Hij was een echte intellectueel die door omstandigheden in de voetsporen van zijn vader trad en huisschilder werd. Mijn moeder Shirley was huisvrouw. Ik ben de oudste van drie kinderen en werd geboren op 28 februari 1953, in hetzelfde jaar waarin de Koreaanse oorlog eindigde. Mijn vader had daarin gevochten en volgens mijn moeder was hij daardoor veranderd. Hij las veel en raakte in de ban van de boeken van de auteurs van de Beat Generation. Jack Kerouac, Allen Ginsberg, William S. Burroughs en Timothy Leary waren zijn favorieten. Mijn ouders hadden het voortdurend met elkaar over die ‘nieuwe manier van denken’, over ‘het openen en verruimen van de geest’. Op dat moment zaten ze nog niet aan de drugs. Papa droomde ervan om naar Berkeley te verhuizen om daar aan de Universiteit van Californië zijn master in de beeldende kunst te halen. Die droom werd een obsessie en op een bepaald moment besloten mijn ouders om ons huis te ruilen voor een caravan. Zo konden we aan onze versie van Kerouacs klassieker On the road beginnen, met als ultieme doel: Californië.”

 

Jullie huis was geen bouwval?

Lake: “Nee, het was een gezellig alleenstaand huis met twee verdiepingen. Mijn ouders hadden het in 1960 gekocht, om het een jaar later met een buur te ruilen voor een aftandse caravan van zeven meter lang. Dat ding was tot op de draad versleten. De dag dat we met heel ons hebben en houden vertrokken, bleek dat onze auto niet zwaar genoeg was om die caravan te trekken. We eindigden op een vieze camping in Burnside, een voorstad van Minneapolis. Daar kampeerden we een klein jaar. Mijn vader was een vrij getalenteerd schilder, en dat heeft ons toen gered. Hij raakte bevriend met een rijk kunstminnend koppel dat zijn werk erg kon appreciëren. Ze hadden een galerij en wilden er zijn schilderijen verkopen. Hij werd hun vaste leverancier, ze richtten een atelier voor hem in en gaven ons de sleutels van een klein huis met tuin. We dumpten de caravan en vader werd voltijds artiest. Zijn Californië-droom leek weg te ebben en het leven lachte ons toe. Tot vaders atelier afbrandde en al zijn schilderijen de fik ingingen. Hij was een kettingroker en had de nog gloeiende inhoud van zijn overvolle asbak in de vuilbak gedumpt. Op het moment dat zijn atelier tot as herleid werd, stond hij op het hoogtepunt van zijn artistieke carrière. Hij verkocht goed, was een kinderboek aan het illustreren en plots was alles weg. Daardoor raakte hij in een zware depressie. Op een dag liet hij ons in de steek en verdween met mijn moeders beste vriendin naar Californië. Twee jaar later liep de relatie met zijn minnares op de klippen en zocht hij met hangende pootjes terug contact met mijn moeder. Zij ging overstag en in de zomer van 1965 verhuisden we met z’n allen naar een mooi huis in Santa Monica, Californië, waar papa een job had als grafisch vormgever bij een telefoonbedrijf. Mijn moeder kon aan de slag bij de RAND Corporation, een denktank, en ze was daar zeer trots op. Een half jaar lang verliep alles voorspoedig.”

 

Tot uw ouders marihuana ontdekten?

Lake: “Mijn moeder liet zich door de buren verleiden om eens een keertje marihuana te roken. (lacht) Dat was meteen ook het begin van het einde. De volgende dag presenteerde ze vader een joint die de buren haar hadden meegegeven. Vervolgens zag ik ze samen stoned worden. Papa was altijd wel geïnteresseerd geweest in drugs, maar tot dan had hij nooit moeite gedaan om zelf weed te kopen of ermee te experimenteren. In die tijd kon je in Californië marihuana in het openbaar roken zonder opgepakt te worden. Heel de staat was in de ban van weed.”

 

Hoe oud was u toen u het ook begon te roken?

Lake: “Dertien. Mijn vader bood het me aan: ‘Je moet dit echt eens proberen, Dianne.’ Ik was nog heel jong, maar in heel die tegencultuur van beatniks en hippies was blowen de gewoonste zaak van de wereld. Zelfs mijn twee jaar jongere broer en zes jaar jongere zus mochten af en toe aan een joint trekken. Mijn vader gaf me in de zomer van 1967 mijn allereerste LSD-tablet. Het was tijdens een feestje. Hij deelde LSD aan alle gasten uit en gaf mij en mijn twee beste vriendinnen een kleinere dosis. ‘Leg ze op jullie tong en jullie zullen aangenaam verrast zijn.’ Hij legde de nieuwe Beatles-LP Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band op en ik beleefde mijn eerste acid-trip. Tijdens het nummer ‘Being for the Benefit of Mr. Kite!’ ging ik helemaal uit mijn dak. Alle figuren uit die song kwamen voor mijn ogen tot leven. Het was een steengoede trip. (lachje) Ik herinner me hoe ik op de grond lag en mijn buik moest vasthouden van het lachen. Mijn ouders waren constant high of aan het hallucineren.

“Een bevriend hippiekoppel van mijn ouders stelde me voor aan een dikke fotograaf van halverwege de dertig. ‘Je bent zo een mooi meisje; hij maakt een fotomodel van je.’ Die man kwam me thuis ophalen en nam me mee naar het bos. Ik begon de fotosessie met mijn kleren aan, maar eindigde naakt in de meest onsmakelijke poses. Hij pushte me steeds verder en ik ging daar gewillig in mee. Hij begon me te strelen en ik begon te wenen. We hadden geen seks, maar hij probeerde het wel. Hij bracht me terug naar huis en niemand vroeg zich af waar ik geweest was of wat ik met die kerel gedaan had. Niemand maakte zich zorgen over dat dertienjarige meisje. Het was een recipe for a disaster. Die fotograaf schoot honderden naaktfoto’s van me. Mijn moeder vertelde me later dat ze af en toe wel eens een paar foto’s tegenkwam in huizen van vrienden en dat ze die dan in haar handtas moffelde en verscheurde. (lacht)”

 

Hoe kwam u in contact met Charles Manson?

Lake: “Ik verhuisde samen met mijn ouders naar de Hog Farm Commune, een van de grootste hippiecommunes uit die tijd. Ze was gesticht door de vredesactivist Hugh Romney alias ‘Wavy Gravy’ en zijn vrouw Bonnie Beecher, een actrice die meespeelde in Star Trek. Op een dag namen Hugh en Bonnie me apart en maakten me duidelijk dat ze me liever kwijt dan rijk waren. Als meisje van veertien vormde ik een bedreiging voor de commune. Ze vonden me te oud, maar niet oud genoeg. Elke jonge kerel die seks met mij had, was volgens de wet een verkrachter en kon in de cel gegooid worden. Ze suggereerden dat ik best zo snel mogelijk andere oorden opzocht. Richard en Allegra, een hippiekoppel dat ik van haar noch pluimen kende, bood me spontaan onderdak in hun huis aan. In die periode ontmoetten mijn ouders op Hog Farm Charlie Manson. Ze raakten bevriend en trokken er samen voor een paar dagen op uit in de Mojavewoestijn. Terug in de commune gaf mijn moeder een foto van mij aan Manson. ‘Dit is mijn dochter Dianne. Doe haar de groeten als je haar ziet. Misschien vindt ze het wel leuk om een tijdje met jullie op stap te gaan.’ Ik wist daar helemaal niets van. Eind november 1967 stelden Richard en Allegra me voor om naar een feestje te gaan in The Spiral Staircase House, een hippiehuis in Topanga. Het meisje dat de voordeur opendeed, begon meteen te roepen: ‘Charlie, Dianne is hier!’ Ik stapte naar binnen en iedereen herhaalde dat zinnetje: ‘Dianne is hier! Oh, Dianne, je bent hier!’ Ik was overdonderd. ‘Hoe kennen jullie mij?’ Het leek pure magie. Charlie Manson keek in mijn ogen en ik smolt. Ik voelde me door hem aanbeden en geliefd. Ik voelde me welkom bij hem.”

 

Charles Manson noemde zijn sekte The Family?

Lake: “Ja, en zo voelde het in het begin ook aan. Ze reden met een zwart geverfde schoolbus rond waarop stond: ‘Hollywood Production’. (lacht) Charlie was toen 33. Het klopt toch niet dat een meisje van veertien de liefde bedreef met een kerel van 33? Mijn oudste zoon is nu 35. Charlie was een vieze jonge man. Hij had lang haar, speelde gitaar en had een grote tattoo op zijn arm. Ik vond dat exotisch. Er werd gefluisterd dat hij in de gevangenis had gezeten en gearresteerd was voor verschillende vergrijpen. Zijn laatste veroordeling was voor oplichting. In de jaren vijftig had hij zich proberen herscholen tot pooier, maar zijn meisjes bleven meestal nooit lang voor hem werken. Toen ik hem ontmoette, was hij eigenlijk nog steeds een pooier. Ik had dat niet door, want ik wist amper wat prostitutie was. In 1967 vrijde iedereen met iedereen, en voor pooier Charlie was dat natuurlijk een probleem. Want waarom zou je nog voor seks betalen als iedereen het gratis met je wil doen? De meisjes die rond Charlie zweefden, vormden zijn harem. In maart 1967 kwam hij uit de gevangenis en het meisje waar hij het eerst mee aanlegde, heette Mary Brunner. Ze raakte zwanger van hem en ik was erbij toen in 1968 Valentine Michael Manson geboren werd. We noemden de baby Pooh Bear en hij werd het lievelingetje van de hele Family.”

 

Op dat moment had Manson nog twee andere zonen bij twee andere vrouwen: Charles Manson Jr. en Charles Luther Manson. De eerste pleegde zelfmoord in 1993, over de tweede is niets geweten.

Lake: “Echt? Er was een vermoeden dat er misschien nog een zoon was, maar die hebben we nooit gezien. Hij praatte daar nooit over. Charlie was een meestermanipulator. Hij was ook een meester in het lezen van mensen. Hij zag meteen wie je was, wat je nodig had, wat je talenten waren. En hij dacht alleen maar aan zichzelf.”

 

Hoe raakten jullie aan geld?

Lake: “(stilte) Dat is een goede vraag. Toen ik er pas bij was, gebruikten een paar meisjes de kredietkaarten van hun vader. Maar waar de rest van het geld vandaan kwam? Geen idee. Ik stond daar ook niet bij stil. Er was LSD en marihuana in overvloed. En er werd veel geneukt. Koppels apart of in groep. Toen ik Manson in november leerde kennen, was ik 14. Eind februari 1968 werd ik 15. Charlie gebruikte mij om aan zijn pleziertjes te geraken, net zoals hij alle andere meisjes uit de groep gebruikte. Misschien liet hij oudere meisjes als prostituee voor hem werken en raakte hij zo aan geld.”

 

In mei 1968 nam The Family haar intrek in Spahn Ranch, een televisieboerderij in Los Angeles waar Bonanza en Zorro werden opgenomen.

Lake: “Charlie lulde zich overal naar binnen en Spahn Ranch werd een tijdlang ons hoofdkwartier. In die periode leerde hij Dennis Wilson, de in 1983 overleden drummer van de Beach Boys, kennen. Dennis raakte in de ban van Manson en samen met Family-leden Nancy Pitman en Ruth Moorehouse trok ik voor een maand of vier bij hem in. Charlie had dat zo beslist. De anderen stuurde hij naar de hippiekolonie in Mendocino nabij San Francisco. Ze moesten daar nieuwe leden gaan rekruteren. Dennis Wilson was heel vatbaar voor vriendschap, seks en drugs. Hij had net een echtscheiding achter de rug en vond het fijn om met Charlie en zijn meisjes te chillen. In die tijd stelden nog meer muzieksterren in Los Angeles en omstreken in naam van de flower power hun huizen open voor free sex, drugs en drank. De door Charlie bevolen moorden op Sharon Tate en co in augustus 1969 betekenden het abrupte einde van al die open deuren. Dennis Wilson was er heel trots op dat hij met Charles Manson bevriend was. Hij vond het fantastisch dat we zijn huis hadden uitverkoren en stelde Charlie voor aan andere muzikanten.”

 

Manson was in die tijd een societyfiguur? Een celebrity?

Lake: “Celibrity is misschien een beetje overdreven, maar hij werd wel geaccepteerd door de echte celebrities. Voor velen was hij een goeroe. Een paar maanden eerder had Dennis Wilson met de andere Beach Boys in Parijs de Maharishi ontmoet. De Beatles, Mia Farrow en Elizabeth Taylor waren volgelingen van diens leer. Dennis herkende in Charlie iets wat hij in de Maharishi had gezien. Charlie gedroeg zich ook als een goeroe. Hij ‘postuleerde’ heel graag. Hij vroeg dan aan het universum op voorhand om een parkeerplaats. Als hij die dan ook kreeg, schreef hij dat toe aan zijn spirituele kracht.”

 

Was hij gewelddadig?

Lake: “Hij kon soms hevig uit zijn krammen schieten en ik moest af en toe klappen incasseren. Maar hij had geen gewelddadig karakter.”

 

Hij heeft u verkracht.

Lake: “Dat is waar. Al interpreteerde ik het op dat moment niet zo. Maar het was zeker verkrachting. Zonder twijfel. Ik wou met hem vrijen, maar hij nam me op een afschuwelijke manier, zoals ik het echt niet wou.”

 

Zag hij zichzelf als een nieuwe messias?

Lake: “Dat geloofde hij rotsvast. Wij namen ontzettend veel drugs; hij veel minder want hij had een paar bad trips achter de rug. maar ondanks zijn beperkte druggebruik was hij er van overtuigd dat hij de opvolger van Jezus Christus was. ‘Ik ben “Man Son”, de zoon van de mens’, oreerde hij. Van veel verschillende filosofieën en religies had hij zijn eigen potje gebrouwd. Wij, naiëve meisjes met iets te veel weed en acid in hun lijf dan goed voor ze was, gingen daar kritiekloos in mee. Het was allemaal zo geheimzinnig. ‘Die kerel is verbonden met het universum.’ (lacht) Hij versterkte dat mystieke alleen maar en wij begonnen echt te geloven dat hij bovennatuurlijk was.”

 

Toen The White Album van The Beatles op 22 november 1968 uitkwam, sloegen bij hem de stoppen helemaal door?

Lake: “Hij geloofde dat de Beatles vier profeten waren die met hun White Album een rassenoorlog, de Helter Skelter, aankondigden. Charlie zag zichzelf als de verlosser die de oorlog in gang moest zetten. De apocalyps bestond in zijn visie uit een bloedige strijd van blank tegen zwart. Afro-Amerikanen waren er volgens hem op uit om de macht over te nemen. Hij moest dat stoppen.”

 

Charles Manson was een white supremacist in hippieverpakking?

Lake: “Precies. De moorden in augustus 1969 moesten die rassenoorlog in gang zetten. Charlie heeft me daar nooit in betrokken, nooit iets over gezegd, nooit iets over gevraagd. Hij had daar anderen voor ‘uitverkoren’. Zij voerden de moorden nauwgezet volgens zijn instructies uit. Ik hoorde daar pas een week later over. Het was een vreselijke schok toen mijn vriendinnen Leslie Van Houten, Susan ‘Sadie’ Atkins en Patricia ‘Patty’ Krenwinkel me vertelden hoe ze Leno en Rosemary LaBianca op aansturen van Charlie hadden afgeslacht. Natuurlijk had ik gevoeld dat de stemming in The Family gaandeweg veranderd was. Charlie wou me terugsturen naar mijn ouders, maar door de drugs was ik weg van de wereld. Hij had me totaal gehersenspoeld en ik wou hem niet verlaten. Telkens wanneer ik zijn stem hoorde, steeg ik op naar de zevende hemel. Zijn liedjes speelden continu door mijn hoofd. Ik kon zijn filosofie van voor naar achter en van achter naar voor aframmelen. Hij had me compleet in zijn macht.”

 

Als hij u gevraagd om Sharon Tate te vermoorden, had u dat gedaan?

Lake: “Er is een reden waarom hij het mij niet gevraagd heeft: ik was namelijk niet erg gehoorzaam. (lacht) Natuurlijk was ik gehersenspoeld, maar ik was ook een smartass, een betwetertje.”

 

Op het proces hebt u tegen Charles Manson getuigd.

Lake: “Ik had geen moment spijt van mijn getuigenis tegen hem. Mijn opname in de psychiatrie heeft mijn leven gered. Daar ben ik van de LSD én van Charlie afgekickt. Daar verloor ik ook mijn angst voor hem. Op 5 november 1970 heb ik in het gerechtshof voor de jury getuigd over hoe het er in The Family aan toeging. Ik vertelde ook wat de andere leden me over de moorden hadden toevertrouwd. Charlie, Patty, Leslie en Sadie werden ter dood veroordeeld. Hun straffen werden later omgezet in levenslang. Sadie stierf in 2009 in de gevangenis; Leslie en Pattie zitten nog steeds in de cel. Charlie verwisselde het tijdelijke voor het eeuwige in november vorig jaar. Een paar weken geleden pas hebben ze hem begraven. Drie mensen eisten eerst zijn lichaam op. De ene was een verzamelaar van Manson-memorabilia, de andere iemand die beweerde een zoon van hem te zijn, en de derde zijn kleinzoon Jason Freeman. De rechter besliste uiteindelijk dat de kleinzoon zijn opa mocht begraven. Terecht, vind ik.”

 

Hebt u ooit contact met een van de andere leden van The Family gehad?

Lake: “Nee. De enige die ik veel later nog eens teruggezien heb, is Barbara Hoyt. Zij was ook niet betrokken bij de moorden en getuigde ook op het proces. Andere leden van the Family hebben nog geprobeerd om haar om het leven te brengen met een overdosis LSD in een hamburger. Eén van de veroordeelden heeft onlangs vanuit de gevangenis contact met mij gezocht. Tot hiertoe heb ik nog niet de moed gevonden om te reageren. Want ik weet echt niet wat ik tegen haar moet zeggen.”

 

Dianne Lake, Mijn leven met Charles Manson, Harper Collins

(c) Jan Stevens

Vida Mehrannia, de vrouw van de ter dood veroordeelde VUB-professor Ahmadreza Djalali: ‘Hij zit emotioneel helemaal aan de grond’

Sinds de arrestatie en terdoodveroordeling van haar man Ahmadreza Djalali is het leven van Vida Mehrannia een nachtmerrie. “In Europa ben je onschuldig tot het tegendeel bewezen wordt. In Iran ben je schuldig van zodra ze met de vinger naar je wijzen.”

_DSC0016

Op 25 april 2016 werd professor in de rampengeneeskunde en VUB-gastdocent Ahmadreza Djalali in Iran gearresteerd. Anderhalf jaar later werd hij ter dood veroordeeld voor spionage. “Elke seconde denk ik aan hem”, zegt zijn vrouw Vida Mehrannia. “En alles wat ik nu onderneem, doe ik alleen voor hem. We willen hem niet kwijt. Ik ging onlangs met onze zoon van zes en onze dochter van vijftien naar een restaurant. We kregen een tafeltje met vier stoelen. Mijn zoon zei: ‘Eén stoel is voor papa.’ Ik verlang er naar om samen met mijn man en mijn kinderen terug een gezin te vormen. De Iraanse overheid moét hem laten gaan, want wij hebben hem nodig. Telkens wanneer hij me belt, wil hij weten wat wij aan het doen zijn. Hij mist ons ook zo verschrikkelijk hard.”

Vida Mehrannia spreekt zacht en behoedzaam. Haar lichaamstaal verraadt dat de last die ze draagt loodzwaar is. We zitten aan de keukentafel in haar flat in een voorstad van Stockholm. Voor haar ligt de thesis van haar man waarmee hij hij in 2012 aan de Zweedse Karolinska-universiteit doctoreerde in de rampengeneeskunde. “Zijn thesis handelt over de behandeling van slachtoffers van rampen over de hele wereld, maar vooral over de slachtoffers van de aardbeving van 2003 in de Iraanse stad Bam. Ze is ook opgedragen aan de slachtoffers van Bam.” Vida’s dochter heeft de griep; haar zoontje kijkt in de kamer ernaast naar een film. Vlak naast het tv-toestel staan foto’s waarop Ahmadreza Djalali samen met vrouw en kinderen poseert.

Vida Mehrannia: “Mijn man heeft deze flat nooit gezien. Niet lang na zijn arrestatie moesten we verhuizen naar een ander appartement. En niet veel later moesten we nóg eens verhuizen naar deze flat. Het is zo verdomd moeilijk om in Stockholm een betaalbare woonst te vinden. Vanaf dag één stond ik onder extreem zware druk. We hadden net samen een nieuw appartement gezocht en het was de bedoeling dat we zouden verhuizen nadat hij terug kwam van Iran. Maar hij kwam niet meer terug. De oude flat was opgezegd en het contract voor de nieuwe getekend, dus moest ik ons hele hebben en houden in mijn eentje inpakken. Ik crashte en zocht hulp bij een psycholoog, want ik raakte mijn bed niet meer uit. Ik dacht alleen maar aan hem en aan wat hij moest doorstaan. Maar ook mijn kinderen hadden mijn steun nodig. Ik slik pillen nu; die houden me overeind. Ons zoontje weet niet wat er met zijn papa gebeurd is. Hij denkt dat Ahmad in Iran aan het werk is. Hij weet niet dat hij in de gevangenis zit en ter dood veroordeeld is.”

 

Hoort hij daar op school dan niets over?

Mehrannia: “Nee. Ik heb heel de situatie uitgelegd aan de schooldirectie en de leerkrachten. Ze weten dat hij gelooft dat zijn papa lang in Iran moet blijven om er te werken. Elke dag zegt mijn zoontje: ‘Ik wou dat papa terug was.’ Ik sus hem dan: ‘Binnenkort is hij weer thuis.’ Ik breng hem ’s morgens naar school. Soms zegt hij: ‘Ik zou het zo fijn vinden als papa mij naar school bracht.’ Hij ziet hoe zijn klasgenootjes door hun papa’s worden gebracht of afgehaald; voor hem blijft dat een wensdroom. Af en toe praat hij met zijn papa aan de telefoon. Ahmad doet dan alsof hij van op zijn ‘werk’ in Iran belt. ‘Ik weet nog niet wanneer, maar ooit kom ik terug naar huis’, zegt hij dan. Onze dochter weet wel wat er aan de hand is. Ook zij loopt gebukt onder de stress. We hadden het al zo vreselijk moeilijk en dan kwam die veroordeling tot de doodstraf in oktober vorig jaar er nog eens bovenop. In de maanden daarvoor was er nog een beetje hoop. ‘Misschien laten ze hem vrij.’ Dat doodvonnis sloeg al onze hoop aan diggelen.”

 _DSC0081

Wanneer hebt u uw man voor het laatst gehoord?

Mehrannia: “Hij belt me nu elke dag een paar minuten. Hij is er emotioneel zeer slecht aan toe. Hij is erg ziek en heeft dringend medische hulp nodig. Maar de gevangenisdirectie en de Iraanse overheid weigeren hem te helpen. De laatste weken is hij 25 kilo vermagerd; hij kan niet goed eten en klaagt over buikpijn. Als dokter herkent hij symptomen bij zichzelf waar hij zich grote zorgen over maakt. We hebben meermaals gevraagd om hem naar een ziekenhuis over te brengen, maar ze doen alsof ze onze smeekbeden niet horen. Het interesseert hen niet dat mijn man ernstig ziek is. Op dit moment zit hij in de Evin-gevangenis in Teheran, in de vleugel van de politieke gevangenen. Hij deelt de cel met advocaten en leraars. De leerkrachten zitten gevangen omwille van hun politieke overtuiging; de advocaten omdat ze het aangedurfd hebben burgers met ‘afwijkende meningen’ te verdedigen. De eerste drie maanden van zijn gevangenschap zat hij in een isolatiecel van twee op drie meter. Zeven maanden lang mocht hij geen advocaat raadplegen. Daarna kreeg hij van de autoriteiten te horen dat ze de advocaat die hij wou niet accepteerden. Hij stelde vervolgens een nieuwe advocaat voor, maar ook die werd niet aanvaard. Ze gaven daar geen enkele reden of verklaring voor. Ahmadreza ging twee keer in hongerstaking om zijn recht op verdediging af te dwingen: eerst 44 dagen en daarna nóg eens 44 dagen. Hij verloor bijna 27 kilo. Maar ze gaven geen duimbreed toe. Uiteindelijk koos hij meester Daryabeighi uit een lijst van advocaten die hem door de rechter werd voorgelegd. Die heeft vervolgens mijn man in eerste aanleg ‘verdedigd’.”

 

Dat was ook de advocaat die vergat’ om beroep aan te tekenen nadat uw man de doodstraf gekregen had?

Mehrannia: “Dat klopt. Daryabeighi wist dat Ahmadreza ter dood veroordeeld was, maar een week lang lichtte hij daar niemand over in. Ik kwam het toch te weten en belde hem. ‘Uw man heeft inderdaad vorige week de doodstraf gekregen.’ Ik vroeg hem waarom hij mij niets had laten weten. ‘Omdat ik ook van niets wist.’ Wat ik onmogelijk kan geloven.”

 

Uw man werd op 25 april 2016 gearresteerd op beschuldiging van spionage voor de Israëlische geheime dienst Mossad.

Mehrannia: “Ahmad ontkent alles. Ze hebben geen enkel bewijs op tafel gelegd om hun beschuldigingen te staven. Hij was naar Iran gereisd voor een workshop op uitnodiging van de universiteit van Teheran. Of die uitnodiging opgezet spel was om hem in de val te lokken? Nee, in de loop der jaren reisde hij vaak naar Iran, meestal op uitnodiging van dezelfde universiteit. Die bezoeken verliepen altijd vlekkeloos. Ahmadreza ging naar die workshops in Teheran als wetenschapper, als professor en dokter gespecialiseerd in de rampengeneeskunde. Soms nodigde hij ook collega’s uit van de Italiaanse universiteit waaraan hij verbonden is. Ze reisden dan samen naar Teheran. Een jaar eerder hadden ze dat nog gedaan.”

 

Was uw man politiek actief?

Mehrannia: “Nee, dat is hij nooit geweest. Die 25e april was hij op weg van Teheran naar de vijftig kilometer verder gelegen stad Karaj. Hij werd tegengehouden en gearresteerd door leden van de veiligheidsdiensten. Tien dagen lang wist ik niet wat er gebeurd was. Ik hoorde niets meer van hem of van iemand anders. Tot ik telefoon kreeg van zijn familie in Iran. ‘Ahmad is door de veiligheidsdiensten opgepakt.’ Dat kon alleen maar een vergissing zijn. ‘Binnenkort laten ze hem vrij’, dacht ik. Maar ze stopten hem in de isolatiecel. Zijn familie in Iran mocht hij elke week een paar minuten bellen; zijn gezin in Zweden elke maand drie minuten. Net genoeg tijd om hem te laten weten dat alles goed met ons ging, ook al voelde ik me ellendig. We wisten nooit wanneer hij precies zou bellen. Hij maakte zich ontzettend veel zorgen over ons, want ze hadden gezegd dat ze zijn kinderen hier in Stockholm zouden oppakken.”

 

Werd hij gefolterd?

Mehrannia: “Lichamelijk niet, mentaal wel. Ze dreigden er vaak mee dat ze hem standrechtelijk zouden executeren. Voor de verhoren werd hij middenin de nacht vanuit de gevangenis geblinddoekt naar een andere plek gevoerd. Op die momenten was hij doodsbang dat ze hem zouden terechtstellen. Tot vandaag wordt hij psychisch zwaar mishandeld. Ook ik ben aan het eind van mijn Latijn. Sinds april 2016 heb ik enkel slecht nieuws te verwerken gekregen. (zucht) Soms verlies ik alle hoop en heel af en toe flakkert die dan toch weer op, bijvoorbeeld door de steun die we krijgen van de vele mensen die via Amnesty International brieven naar de Iraanse overheid schrijven. Maar dan komt er weer een onheilstijding en zakt alle moed me opnieuw in de schoenen.”

 

Ahmadreza Djalali gaf les aan de European Master in Disaster Medicine van de universiteit van Piemonte Orientale en de VUB. Daardoor had hij overal ter wereld contacten, ook met Israëlische collega’s.

Mehrannia: “Hij kende een paar Israëliërs uit de cursus, maar zeker geen agenten van de Mossad. Zijn Iraanse ondervragers beschuldigden hem ervan rechtstreekse contacten te onderhouden met de Israëlische geheime dienst. Ahmad zou de Mossad geheime informatie over Iran bezorgd hebben. Dat is nonsens, want al wie in Iran toegang heeft tot top secret-informatie, krijgt nooit toestemming om het land te verlaten. Mijn man reisde talloze malen naar Iran en kon altijd probleemloos de grens weer over. Niet lang voor hij de laatste keer naar Iran vertrok, had hij een ontmoeting met een paar Europeanen die hier in Zweden een bedrijf hebben dat gespecialiseerd is in rampenmedicatie. Zij hebben hem toen gevraagd of hij hen inlichtingen over Iran kon verschaffen. ‘Ik heb helemaal geen informatie over mijn land’, zei hij tegen hen.”

 

Er zijn dus wel degelijk mensen die uw man als informant wilden engageren?

Mehrannia: “Ja, maar dat waren Europeanen in dienst van een Europese onderneming en geen Israëliërs. Ik ben er zeker van dat ze niet in opdracht van de Mossad handelden. Ahmad heeft dat ook tegen zijn ondervragers gezegd: ‘Ik heb die mensen nooit geheime informatie over Iran bezorgd.’”

 

Maar waarom pakten ze dan juist hem op, als hij politiek nooit actief geweest is en geen enkele toegang had tot gevoelige informatie?

Mehrannia: “Omdat ze een voorbeeld wilden stellen. Ze hebben een hele zaak tegen hem gefabriceerd, integraal samengesteld uit verzinsels. Ze waren een puzzel aan het leggen en zagen mijn man als het ontbrekende stukje. Ahmadreza werd er onder andere van beschuldigd de Mossad informatie te hebben bezorgd waarmee ze dodelijke aanslagen konden plegen tegen twee Iraanse nucleaire wetenschappers. Mijn man heeft daar niets mee te maken. Op 5 maart schreef de Amerikaanse website Politico dat een van de bazen van de Mossad in mei 2003 aan zijn collega’s een plan presenteerde om een paar Iraanse nucleaire wetenschappers uit te schakelen. Het ultieme doel was vermijden dat Iran een kernwapen zou kunnen bouwen. In 2003 leefde Ahmadreza in Iran. Hij was bij die vergadering dus niet aanwezig. De Iraanse veiligheidsdienst beweert ook dat hij vlak voor de aanslagen in 2010 contact had met de Israëli’s. Dat is een pertinente leugen. Mijn man is onschuldig.”

 

Hij legde op 17 december vorig jaar wel bekentenissen af op de Iraanse tv.

Mehrannia: “Nee. Hij had het over ‘sommige mensen’ die contact met hem gezocht hadden en die net als hij gespecialiseerd zijn in rampengeneeskunde. Precies zoals ik het u daarnet heb uitgelegd. De Iraniërs hebben die beelden vervolgens gemanipuleerd, waardoor het leek alsof hij bekende dat hij een spion voor de Mossad is. Ze lieten niet zien dat mijn man zei dat hij geweigerd had om informatie over Iran aan die Europeanen te geven. Ze hebben er ook stemmen van anderen tussen gemonteerd die zeggen dat hij collaboreerde met Israël en de Mossad informatie bezorgde. Maar hij had helemaal geen toegang tot geheime documenten. Ongeveer acht jaar geleden hebben we Iran verlaten om in Europa te gaan wonen en werken. Hoe zou hij dan de voorbije jaren toegang gehad moeten hebben tot al die supergeheime informatie? En hoe komt het dan dat hij nooit aan de grens werd tegengehouden?”

 

De bijnamen van de rechter waar uw man voor moest verschijnen, zijn ‘the hanging judge’ en ‘the judge of death’. Dat voorspelde niet veel goeds?

Mehrannia: “Rechter Abolqasem Salavati heeft in zijn carrière talloos veel mensen de dood ingejaagd. Sinds de revolutie zijn in Iran een recordaantal mensen veroordeeld tot de strop of tot een andere barbaarse vorm van executie. Ahmads terdoodveroordeling was voor ons een gruwelijke schok. Hij is een briljante wetenschappelijke onderzoeker die in zijn hele leven nooit iets heeft mispeuterd. Hij is geen misdadiger of spion en is ter dood veroordeeld voor iets wat hij nooit gedaan heeft. Ik kan echt niet geloven dat hij voor de Mossad gespioneerd zou hebben en de dood van twee wetenschappers op zijn geweten zou hebben. Niemand van onze familie houdt dat voor mogelijk.”

 

Is zijn familie in Iran bang dat hen iets zal overkomen?

Mehrannia: “Zeker. Zijn moeder is de enige die het aandurft om zijn zaak op de voet te volgen. Zijn broers en zussen zijn bang, houden zich afzijdig en laten zich informeren door zijn huidige advocaat. Dat is gelukkig niet langer de favoriete meester van rechter Salavati, maar de raadsman die Ahmadreza oorspronkelijk zelf wou. Een paar weken geleden reisde het Zweedse Europarlementslid Lars Adaktusson naar Teheran. Hij wou Ahmads advocaat ontmoeten, maar de veiligheidsdiensten wilden dat niet toestaan.”

 

Bent u bedreigd door de Iraanse veiligheidsdiensten?

Mehrannia: “Nee. Ze hebben me ook nooit gecontacteerd. Ik heb zelf verschillende brieven gestuurd naar de Iraanse president Rohani van wie gezegd wordt dat hij een hervormer is. Hij heeft nooit gereageerd. Ahmad heeft hem vanuit de gevangenis ook een brief gestuurd waarin hij alle valse beschuldigingen weerlegt. Hij stuurde ook brieven naar Iraanse parlementairen en naar het hoofd van de Iraanse geheime dienst. Iedereen zwijgt.”

 

Gelooft u dat de briefschrijfacties van Amnesty International een verschil kunnen maken?

_DSC0005

Mehrannia: “Ik ben al die mensen die brieven schrijven om Ahmad vrij te krijgen ontzettend dankbaar. Wat de Belgische en Italiaanse afdelingen van Amnesty International voor ons doen, is fenomenaal. Ik ben ook heel blij met de hulp en de steun voor mijn man vanuit de Europese Gemeenschap. Ik heb een brief gekregen van Federica Mogherini, de hoge vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken van de EU, nadat ik haar hulp gevraagd had. Ze schreef dat ze ons steunde en dat ze vragen zou stellen aan de Iraanse overheid. Tot hiertoe heeft dat niets opgeleverd. Een paar weken geleden kreeg ik hier in mijn huis bezoek van uw minister-president Geert Bourgeois. Hij was heel vriendelijk en begripvol. Hij beloofde me dat hij contact met me zou blijven houden en ons zou blijven steunen. Die blijvende internationale druk is van levensbelang. Ahmads zaak brengt nog maar eens voor het voetlicht dat het met de mensenrechten in Iran slecht gesteld is. Toen we er zelf nog leefden, hielden we ons afzijdig van de politiek. We hadden van niemand last en ik vond het dagelijkse leven best oké. Nu weet ik dat er in de Iraanse gevangenissen ontzettend veel mensen zitten die geen beroep mogen doen op een advocaat. Als het op mensenrechten aankomt, gaapt er een hemelsbrede kloof tussen Europa en Iran. Het recht op verdediging bestaat in mijn geboorteland niet en de rechters hebben er geen bewijzen nodig om iemand ter dood te veroordelen. In Europa is zoiets onmogelijk. Hier ben je onschuldig tot het tegendeel bewezen wordt. In Iran ben je schuldig van zodra ze met de vinger naar je wijzen.”

 

 

Al dan niet vermeende spionnen zijn soms onderdeel van een gevangenenruil. Is dat een mogelijke uitweg?

Mehrannia: “In het verleden is er al zo’n gevangenenruil geweest. Begin 2016 maakten de VS en Iran een deal om vier door Iran gevangen genomen Amerikaanse staatsburgers te ruilen voor zeven gearresteerde Iraniërs. De internationale aanklachten tegen 14 andere werden ingetrokken. Wij zijn sinds kort Zweeds staatsburger, maar Zweden heeft jammer genoeg geen Iraniërs in de gevangenis zitten die geruild kunnen worden met mijn man. Ik heb ondertussen wel gehoord dat er ergens in Europa Iraniërs gevangen zitten, alleen weet ik nog niet waar. Ik stel mijn hoop nu op de Europarlementariërs. Misschien kunnen zij die mensen traceren en onderhandelingen over een ruil opstarten.”

 

Kan het Zweedse staatsburgerschap dat uw man op 17 februari kreeg, helpen om hem vrij te krijgen?

Mehrannia: “Er bestaat een groot misverstand over dat staatsburgerschap: hij heeft dat niet gekregen van de Zweedse regering als reactie op zijn veroordeling. Het is hem toegekend door de Zweedse immigratiedienst. We hadden onze vraag om Zweeds staatsburger te worden al een hele tijd eerder ingediend. We hebben de administratieve weg afgelegd, net als elke andere immigrant die Zweed wil worden. Het is toeval dat we de nationaliteit nu gekregen hebben.

“Ahmads advocaat heeft een verzoek ingediend voor een nieuw beroep. Of het aanvaard wordt, hangt af van de goodwill van het hooggerechtshof. Iran heeft verschillende hooggerechtshoven en de advocaat klopte al twee keer bij andere hoven aan, waar de rechters telkens de doodstraf bevestigden. We hopen dat het hof deze keer Ahmads zaak echt ernstig onder de loep neemt, maar misschien is dat wishful thinking. Toen het hooggerechtshof de eerste keer Ahmads doodstraf bekrachtigde, was ik twee weken out. Ik sleepte me door de dag en de nacht. Maar diep vanbinnen knaagde het besef dat ik mijn kinderen en mijn man niet in de steek kon laten. Dus verplichtte ik mezelf om verder te gaan. Ik krijg veel steun, maar sta toch overal alleen voor. Mijn man zit ver weg in die gevangenis en ik leef in Stockholm als een vreemdeling. Behalve mijn twee kinderen heb ik hier geen familie. Geen broer, zus, moeder of vader bij wie ik steun kan zoeken. Al mijn familieleden wonen in Iran en zijn doodsbang. Ik maak me dus ook nog eens zorgen over hen. Ik ben nu de enige die zorg draagt voor onze kinderen. Maar ik voel me psychisch niet goed en elke keer als er slecht nieuws uit Iran komt, zink ik nog dieper. Toen mijn man me de allereerste keer belde, kon ik hem bijna niet verstaan. Hij klonk zo zwak. Hij heeft nu boeken gekregen, maar lezen lukt hem niet, want ook hij zit emotioneel helemaal aan de grond. Het enige waar hij aan kan denken, is: ‘Hoe geraak ik uit de gevangenis?’ In onze telefoongesprekken begint hij altijd over hetzelfde: ‘Spreek zoveel mogelijk politici aan. Misschien kunnen zij me redden.’”

 

Houdt u er rekening mee dat jullie telefoongesprekken worden afgeluisterd?

Mehrannia: “Ja. Ik let dan ook altijd heel goed op wat ik tegen hem zeg. Want ze kunnen wraak nemen en hem terug in de isolatiecel gooien. Hij mag enkel naar mij bellen, naar een paar andere naaste familieleden en naar zijn advocaat. Ik heb hem verteld over de briefschrijfacties en over de steun uit België en andere Europese landen. Dat doet hem deugd. Zonder die internationale steun was hij al lang dood. Ze weten dat de wereld toekijkt. Zolang de ogen van de internationale gemeenschap op Ahmadreza gericht zijn, zullen ze hem misschien niet executeren. Normaal gezien krijgt een terdoodveroordeelde meteen een executiedatum. Ahmad heeft die nooit gekregen. Dat is geen teken van hoop, maar wil eerder zeggen dat ze afwachten tot de internationale steun afzwakt. Ik ben bang dat ze hem in stilte zullen doden van zodra de aandacht afneemt. De recente Iraanse geschiedenis leert me dat het zo werkt. Van zodra de internationale gemeenschap zwijgt, treedt de beul in actie.

“Elke dag schiet de gedachte door mijn hoofd: ‘Misschien laten ze hem binnenkort gaan en komt hij straks terug naar huis. Wie weet vandaag.’ Ik wil dat blijven geloven en klamp me daar aan vast. Ik kan niet aanvaarden dat onze kinderen hun papa nooit meer zullen zien.”

_DSC0037

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey