‘Soms volstaat één grote tegenslag’

Begin november stierven in Antwerpen twee daklozen in een fietsparking. Burgemeester Bart De Wever (N-VA) omschreef ‘die categorie’ als ‘totaal haveloos’. Hij noemde hen ‘allemaal toxicomaan’. “Ze hebben bijna een dierlijke manier van leven.” Zes Antwerpenaars die dakloos zijn of waren, dienen hun burgervader van antwoord. “Ik leefde een doodnormaal leven.”

Stefan (28): ‘Soms volstaat één grote tegenslag’

“Een mens hoeft niet aan de drank of de drugs te zitten om op straat terecht te komen. De uitspraak van Bart De Wever op ATV dat de meeste daklozen ‘haveloos en toxicomaan’ zijn, sluit naadloos aan bij zijn manier van communiceren. Wellicht klinkt dat goed in de oren van veel Antwerpse burgers, maar onze burgemeester vergist zich. Ik ben het levende bewijs dat dak- of thuisloos worden, iedereen kan overkomen. Soms volstaat één grote tegenslag om je te desoriënteren.

“Ik woonde samen met mijn vriendin. Ik werkte en het leven lachte ons toe. Toen eind 2018 onze relatie spaak liep, liet ik het hoofd hangen. Het huurcontract van het appartement liep af en ik vergat het te verlengen. Mijn tijdelijke job stopte en ik had even geen zin in iets anders. Ik ging stempelen, moest het huis uit en vond onderdak bij een vriend. Ik stond er niet bij stil dat ik me bij hem moest domiciliëren, waardoor ik geen officieel adres meer had en na een half jaar ambtshalve werd geschrapt.

“Ik wou mijn vriend geen last blijven berokkenen en op een dag zei ik dat ik een flat voor mezelf gevonden had. Een leugen, maar ik schaamde me voor hem. Ik ging in hostels slapen. Toen stopte mijn uitkering, want wie ambtshalve geschrapt is, bestaat niet meer. Zonder geld sloeg de miserie pas goed toe. In de zomer van 2019 belandde ik op straat.

“Uit diepe schaamte verbrak ik alle contact met mijn ouders. Ik wou niet dat ze wisten hoe slecht het met me ging. Ik sliep op de plek waar die twee mensen stierven, aan de fietsenstalling in de parkeergarage onder het Koningin Astridplein. Ik probeerde me zoveel mogelijk af te schermen van andere daklozen. Voortdurend spookte de gedachte door mijn hoofd: ‘Ik moét hier uit geraken’, alleen wist ik niet hoe. Ik zag veel dingen rondom mij gebeuren die niet koosjer waren. Want laat er geen misverstand over bestaan: er circuleert inderdaad nogal wat drugs en drank.

“Ikzelf heb nooit gedronken of gebruikt. Ik arriveerde altijd zo laat mogelijk aan de fietsparking, meestal rond half twee ’s nachts. Dan liep er amper nog publiek rond. Ik wou niet dat iemand me zag. Om vijf uur ’s morgens stond ik op en was ik weer weg. Echt slapen deed ik niet. Ik lag op een paar kranten, gehuld in een dikke trui en warme jas en was continu op mijn hoede. Overdag schuimde ik de straten af op zoek naar voedsel. Zowel fysiek als mentaal kwam ik nooit tot rust. Na een paar maanden was ik totaal op.

“In de eerste week van oktober 2019 zag ik rond middernacht een paar wildvreemden aan de liften van de parkeergarage. Ik wou op die plek gaan slapen, want het was er iets warmer dan aan de fietsenstalling. Ze spraken me aan, maar ik draaide me om en wandelde weg. Een uur later stonden ze er nog. Ik draaide me opnieuw om, maar nu volgden ze me. Op het Koningin Astridplein tikte iemand op mijn schouder. ‘Heb je hulp nodig?’ Ze nodigden me uit, ’s anderendaags in het daklozenrestaurant Kamiano van Sant’Egidio in de Kammenstraat. ‘Misschien kunnen we iets voor jou betekenen.’ Die nacht sliep ik nog slechter dan anders. Ik piekerde: ‘Willen die mensen me écht helpen of lokken ze me in de val?’

“De dag erna kwam ik toch naar Kamiano. Ik heb het me nooit beklaagd. Zij regelden een bed voor me in de nachtopvang en pluisden mijn administratieve rompslomp uit. Ze zochten ook contact met mijn ouders. Het weerzien met mijn moeder was zeer emotioneel.

“In december 2020 vond ik een appartement. Ik kwam terug onder de levenden en volg nu een bachelor fotografie. De toekomst lacht me weer toe.”

Anwar* (44): ‘Ik bezeerde mijn rug, kon niet meer werken en belandde op straat’

“Acht jaar lang werkte ik in Egypte in de toeristische sector. Ik leerde elke interessante historische plek kennen en had goede contacten met hotelketens zoals Sheraton, Intercontinental en Marriott. Ik was gelukkig. Tot op een dag de manager me bij zich riep: ‘Ik moet je ontslaan.’ Ik besloot niet bij de pakken neer te zitten en ging mijn droom waarmaken: een in Egypte gespecialiseerd reisbureau openen in Europa.

“Ik vroeg een visum aan en reisde naar Amsterdam, want daar leven veel Egyptenaren. Ik huurde er een kamer en vond werk in een café vlakbij het Centraal Station. Ik werkte elke dag van vier in de namiddag tot één uur ’s nachts. Daarna ging ik nog poetsen in een bar, want ik wou sparen om mijn droom waar te maken. In het café verdiende ik 300 euro per week en in de bar kreeg ik tien euro per nacht. De huur van mijn kamer kostte 250 euro. Ik was opnieuw gelukkig, ook al sliep ik alleen nog op maandag, mijn vrije dag.

“Ik werd verliefd op een collega uit de bar. Er volgde een relatie en ze trok bij me in. Toen ik op een ochtend van het werk thuiskwam, betrapte ik haar met een ander. Mijn stoppen sloegen door en ik sloeg die man in het ziekenhuis. De rechter veroordeelde me tot tien maanden op een gevangenisboot in Zaandam. Dat was een vreselijke periode.

“Na mijn vrijlating verhuisde ik naar Antwerpen. Op 5 november 2011 kwam ik in deze stad aan, huurde een kamer en raakte snel aan werk in een groentekraam op het Sint-Jansplein. Halverwege december vroor het dat het kraakte. Tijdens het inladen van de bestelwagen gleed ik uit en kwam op mijn rug terecht. Ik voelde niet meteen iets en werkte gewoon verder. Maar thuis zette in mijn rug een stekende pijn op. Die werd ondraaglijk en ik kwam op de spoed terecht. Er werden röntgenfoto’s gemaakt, ik kreeg pijnstillers en mocht terug naar huis.

“Ik ruilde het groentekraam in voor een beter betaalde job in de bouw. Dat was hard labeur en de aannemer betaalde me in het zwart, waardoor ik met niets in orde was. Ik stond daar toen niet bij stil, want ik had dat werk en het geld broodnodig. De knagende rugpijn bestreed ik met pijnstillers. Op 14 maart 2014 wou ik net als elke andere werkdag om 6 uur opstaan. Maar ik kon mijn lichaam niet meer bewegen en geraakte niet uit bed. Ik verging van de pijn en belde een vriendin. Zij kwam meteen langs en belde een ziekenwagen. De brandweer moest me via het raam van mijn kamer op de derde verdieping naar beneden takelen. In het ziekenhuis kreeg ik een injectie in mijn rug. Ik moest rusten en de neurochirurg schreef krachtiger pijnstillers voor, waaronder opioïden. Ik begon terug te werken, maar twee weken later zat ik er weer onderdoor. De dokter schreef een briefje voor een verse lading pijnstillers. Zo slikte ik jarenlang minstens vijftien pillen per dag: vier paracetamols van 1000 mg, vier Ibuprofens van 1000 mg, drie Tramadols, één contramal en een handvol cortisonetabletten. Dat kostte mij een fortuin.

“In 2019 crashte ik compleet: ik kon niet meer werken, kon geen beroep doen op de sociale zekerheid, raakte mijn kamer kwijt en belandde op straat. Ik was de wanhoop nabij. Een maatschappelijk werker zorgde ervoor dat ik een bed kreeg bij Victor, de nachtopvang voor de dak- en thuislozen van Antwerpen. Je zal mij geen kwaad woord over die instelling horen zeggen en de mensen die er werken doen hun uiterste best. Alleen durf ik hen amper iets te vragen, want ik schaam me diep over de toestand waarin ik ben aanbeland. Ik voel me beschaamd tegenover mijn familie in Egypte, mijn vader en mijn broer. Ik schaam me ook omdat ik me soms niet kan wassen en vuil ben. Ik ben dankbaar dat ik tijdelijk een bed heb, maar dat is geen thuis. Ik heb niets meer. Zero. Mijn toekomst is gitzwart.”

Aleksander* (54): ‘Ik leefde een doodnormaal leven’

“Ik ben geboren in Sczcecin, een Poolse stad niet ver van Berlijn. Tijdens het communisme groeide ik op als een heel gewone jongen. Na de middelbare school ging ik als loodgieter aan de slag op een grote scheepswerf. In theorie golden er strenge veiligheidsmaatregelen; in werkelijkheid was het een levensgevaarlijke werkplek. We stonden onbeveiligd op torenhoge steigers. Als we naar beneden keken, staarden we in de diepe afgrond van het scheepsruim. Ik stond doodsangsten uit. Op een dag gaf ik mijn ontslag en ging aan de slag als huisschilder. Een tijdlang verdiende ik goed mijn boterham.

“Rond mijn dertigste wou ik de wereld zien. Dus vertrok ik in 1997 met mijn spaargeld naar Duitsland. Daarna reisde ik verder naar België, met in mijn achterhoofd het plan om later Parijs te ontdekken. Maar ik ontmoette hier een vrouw en we begonnen een relatie. We gingen samenwonen en ik vond snel werk. Eerst in de bouw, later in een fietswinkel, nog later in een bakkerij. Vandaag kunnen Polen overal in de Europese Unie vrij aan de slag; toen was dat onmogelijk. Dus werd ik betaald in het zwart. Elke drie maanden moest ik even de Poolse grens over om mijn toeristenvisum te verlengen. Ik was jong, werd nooit ziek en had geen sociale zekerheid nodig. Ik leefde een doodnormaal leven: overdag werken, ’s avonds tv-kijken en in het weekend ontspannen.

“Ik hoorde op het nieuws dat Poolse burgers voortaan vrij en legaal in België konden werken. Ik was volstrekt tevreden met mijn zwarte job en dacht: er is nog tijd genoeg om legaal werk te zoeken. Ik was loyaal en wou mijn baas niet in de steek laten. Een vergissing van formaat, want in 2010 dumpte hij me zonder scrupules. Dat was het begin van mijn afdaling in de hel.

“Ik kon niet stempelen of terecht bij het OCMW. Mijn relatie liep op de klippen en ik zag mijn spaargeld smelten als sneeuw voor de zon. Ik registreerde me bij de werkwinkel van de VDAB en ging langs bij een uitzendkantoor. Ze vonden een job voor me in een fabriek op een industrieterrein, een flinke eind buiten Antwerpen. Ik had geen auto, maar ze zeiden dat ze vervoer voor me konden regelen. ‘We laten het u weten van zodra dat in orde is.’ Dat klonk als muziek in mijn oren en ik wachtte geduldig op hun verlossende telefoontje. Dat kwam maar niet, dus stapte ik na een paar weken opnieuw het uitzendkantoor binnen. ‘Dat vervoer lukt niet, sorry, u moet er op eigen kracht geraken.’ Met het openbaar vervoer was dat onmogelijk. Ik moest die job laten schieten en kon de huur niet meer betalen. Ik verkocht mijn tv en zoveel mogelijk andere spullen, maar dat zette niet veel zoden aan de dijk. Mijn huisbaas liet me weten dat ik moest opkrassen. Voor mij was dat een gigantische schok.

“In de zomer van 2011 kwam ik op straat terecht. Ik had toen nog vrienden en mocht mijn karige bezittingen bij hen onderbrengen. Al die zogenaamde vrienden ben ik inmiddels kwijt. Hoe langer ik dakloos was, hoe meer afstand ze namen. Een échte vriend laat je nooit in de steek. Mijn vrienden zagen hoe ik viel, kopje onder ging en overeind probeerde te krabbelen. Niemand stak een hand uit.

“In het begin was ik nog optimistisch. Ik geloofde écht dat het niet lang zou duren. ‘Ik krijg dit wel onder controle.’ Maar het ging van kwaad naar erger. Elke dag was een uitputtende zoektocht naar eten en een plek om te slapen. In het begin kende ik nog geen opvangplaatsen zoals het dak- en thuislozenrestaurant Kamiano. Voor een dakloze is dat de beste plek in de hele stad.

“Het werd herfst, ik ging op zoek naar een shelter en ontdekte zo De Steenhouwer in de Provinciestraat. Daar kreeg ik mijn eerste voedselpakket. Mijn hoop dat het ooit goed zou komen, veranderde in wanhoop. Toen ik nog een zorgeloos burgerleven leidde, dronk ik in het weekend met de vrienden graag een glas. Op de Groenplaats begon ik bier te drinken om mezelf te verdoven. Dat werkte alleen maar averechts en ik ben daar snel mee gestopt. Ik drink al jaren geen druppel meer en gebruik geen drugs. Alles om me heen is helder. Wat ik zie, is niet zo fraai.

“Ik wou niet als dakloze leven. ‘Dit is toch niets voor mij?’ Maar ik had geen keuze. Ik probeerde wel om altijd proper te zijn. Sommige mensen op straat laten zich volledig gaan, ik niet. Mijn prioriteit was en is: níet vervuilen. Dat is niet altijd even makkelijk, maar tot hiertoe lukt dat. Ik ken alle vrij toegankelijke douches en toiletruimtes in de stad. Omdat ik zo op mijn hygiëne let, geloven mensen niet altijd dat ik een dakloze ben. Ik zie er te goed uit om op straat te leven. (lacht)

“Ik sta mijn mannetje, maar het leven op straat blijft onvoorspelbaar en is soms gevaarlijk. Ik heb bijna geen bezittingen en toch werd ik al vaak door lotgenoten bestolen. Maar dat wil niet zeggen dat wij ons als dieren gedragen, zoals onze burgemeester lijkt te geloven. We zijn mensen. U spreekt nu met mij en begrijpt alles wat ik zeg. Lijk ik op een dier? Zelfs op straat gedraag ik me zeer menselijk. (lacht) Oké, misschien raakten mijn gevoelens wat afgestompt, maar dat is een gevolg van dat harde bestaan.

“Ik heb nooit gebedeld. Ik wil dat niet. Op straat kun je veel spullen vinden, ook geld. Het weekend is ideaal, want ’s avonds laat drinken sommigen zoveel dat ze soms biljetten verliezen. Ik raap lege bierflesjes op en verzamel zo elke dag een paar euro’s statiegeld. Dat volstaat voor wat eten en drinken.

“Mijn blik op de wereld is totaal veranderd. Ik zie nu details die ik als goedverdienende, hardwerkende burger nooit zag. Al wil ik mijn situatie niet romantiseren, integendeel. (stilte) Soms ga ik in een kerk zitten mediteren. Ondanks al deze ellende geloof ik dat er een god is die het goed met me voorheeft. Ik blijf ervan overtuigd dat ik ooit terug normaal zal leven.”

Nathalie (54): ‘Wij waren gewone burgers die door omstandigheden geen huis hadden’

“Vijf jaar geleden kwam er een nieuwe man in mijn leven. Ik heb altijd als verkoopster gewerkt, maar was net werkloos en zat er mentaal onderdoor. Jan was een jurist van eind de dertig. Hij had zijn dochtertje verloren, waardoor zijn ooit zo belangrijke carrière totaal onbelangrijk geworden was. We werden smoorverliefd en ik blies mijn toenmalige relatie op. Jan was gescheiden en zijn ex-vrouw wou hun huis niet meteen verkopen. Ze wou er ook niet uit. Dat was een lelijke streep door onze rekening, want wij hadden op dat huis gerekend. Noodgedwongen moesten we op hotel. Na twee maanden was ons geld op en kwamen we op straat terecht. Jan had een ziekte-uitkering, maar ik was door mijn mentale dip met niets meer in orde. Ik had alles veel te lang laten slingeren. Een jaar lang waren we dakloos. Toen raakte het huis toch verkocht en konden we ons eindelijk een appartementje veroorloven. Maar het noodlot bleef ons achtervolgen, want net dan kreeg Jan een hartaderbreuk. De liefde van mijn leven stierf.

“Ons daklozenleven begon in december 2018. We konden de hotelrekening niet meer betalen en van de ene dag op de andere stonden we op straat. Wij kenden het straatleven totaal niet. Eerst trokken we naar De Biekorf, de nachtopvang voor daklozen in de Dambruggestraat. Daar was geen plaats. Vervolgens namen we de trein naar Namen. Daar vonden we wel een bed voor de nacht. Zes maanden lang leefden we daar op straat. Om onze ellende te vergeten, begonnen we te drinken. Wij waren gewone burgers die door omstandigheden geen huis hadden. Het straatleven was een verschrikking. Alcohol was ons verdovingsmiddel, onze pijnstiller. Dat maakte onze toestand alleen maar erger; in plaats van vooruit gingen we achteruit. Niet dat we ons laveloos zopen, maar we leefden in een roes.

“We begonnen te bedelen. Elke avond om zeven uur zette het personeel van Carrefour onverkocht voedsel voor de deur, speciaal voor de daklozen. Zo konden we overleven.

“Terug in Antwerpen probeerden we met Jans uitkering een spaarpotje aan te leggen voor een huurwaarborg. We stopten met drinken en investeerden al onze energie in het vinden van een appartement. ’s Nachts sliepen we meestal in De Biekorf. Dat was soms moeilijk, want daar verblijven veel junkies. Het is er ieder voor zich. We probeerden ons te verzorgen. Er zijn nogal wat plaatsen waar je kunt douchen en kleren wassen. Er zijn ook professionals die je de hand reiken, maar je moet natuurlijk zélf de ellende achter je willen laten. Het CAW hielp onze papieren in orde maken. Zij zorgden voor een referentieadres zodat onze post weer fatsoenlijk bezorgd kon worden.

“Mijn leven lang geloofde ik nooit dat ik dakloos kon worden. Nu weet ik dat het soms een smalle richel is. Ik stoor me erg aan mensen die op daklozen neerkijken, net omdat ik ervaringsdeskundige ben. De meeste thuislozen verlangen naar een beter leven, maar door de slechte omstandigheden waarin ze leven, vervuilen ze. Zo raken ze in een vicieuze cirkel en zakken steeds dieper weg.

“Ik herinner me een discussie met Jan, nog voor wij zelf op straat leefden. Hij zei: ‘Zo’n dakloze vraagt er toch zelf om?’ Ik antwoordde: ‘Stel dat je als man door je vrouw gedumpt wordt. Zij neemt de kinderen mee en jij raakt in een zware depressie waardoor je werkloos wordt en het huis niet meer kunt afbetalen. Dan kan het toch snel gaan?’ Niet veel later hadden we zelf geen dak meer boven ons hoofd. Jan was jurist, maar we kwamen op straat ook een dokter tegen en een ingenieur. Het kan écht iedereen overkomen.”

Dimitri (52): ‘Mijn jeugdjaren verliepen harmonieus’

“Mijn vader was leraar. Na zijn studies trok hij naar Kongo waar hij mijn moeder leerde kennen. Zij heeft Haïtiaanse roots. Ze was 18 toen ik geboren werd; vader was 26. Ze verhuisden naar België, maar hun huwelijk hield niet lang stand. Zij leerde een Haïtiaanse dokter kennen en samen vertrokken ze naar New York. Ik was een jaar of zeven toen vader een relatie begon met de vrouw die mijn stiefmoeder zou worden. Samen kregen ze nog drie kinderen.

“Ik had een goede band met mijn stiefmoeder en noemde haar mama. Mijn jeugdjaren verliepen harmonieus. Na de geboorte van mijn jongste zus, worstelde mama met een postnatale depressie. Ons huis was toen net een crèche, met twee kleine broers en mijn pasgeboren zus. Moeder kon die drukte niet aan en ik kreeg het gevoel dat ik als puber van twaalf in de weg liep. Vader was een zeer belezen man, maar had nooit geleerd zijn emoties te uiten. Hij begon mij en mijn stiefmoeder te slaan en ik was ervan overtuigd dat dat mijn fout was. Ik begon te spijbelen en weg te lopen. Begin jaren 1980 waren sommige jeugdrechters zeer streng. Door mijn opstandige gedrag belandde ik in een instelling. Ik vond dat als jongen van 13 zeer onrechtvaardig en liep opnieuw weg. Zo begon ik aan een tocht door jeugdinstellingen. Nooit voor strafbare feiten, maar altijd omdat ik wegvluchtte. Ik leerde in die instellingen ook joints smoren.

“Ik was 16 toen ik een tijdje bij mijn biologische moeder in New York ging wonen. Iedereen was het erover eens dat die andere omgeving me deugd zou doen. Het weerzien werd een koude douche. Ik stond oog in oog met een wildvreemde vrouw. Zij wou me knuffelen, maar ik kreeg daar kippenvel van. In die tijd werd New York overspoeld door crack. Ik leerde dat goedje vlug kennen. Een jaar later stuurde mijn moeder me terug naar Antwerpen, omdat ze doodsbang was dat me er iets zou overkomen. Toen was ik boos, nu kan ik haar beslissing goed begrijpen. Ze wou me tegen mezelf beschermen.

“Terug thuis zette ik de bloemen stevig buiten. Ik ging van school af en experimenteerde met heroïne. Toen ging het in een rotvaart bergaf. Ik begon te stelen en werd opgepakt. De procureur stelde me voor de keuze: afkicken of de gevangenis. Ik koos voor het eerste. Dat was een keihard programma, maar het lukte. Ik herpakte me en hernam mijn studies.

“Het ging een tijd heel goed, tot ik verliefd werd op een vrouw die gebruikte. Het duurde niet lang of ik gebruikte mee. Dat kostte handenvol geld, ik zette mijn studies stop en belandde op straat. Ik begon te stelen, werd verschillende keren opgepakt en voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Tot de rechter het beu was en al mijn voorwaardelijke straffen omzette in zes jaar effectief. Dat was hard ontwaken.

“Op mijn 29e kwam ik uit de gevangenis en belandde meteen weer op straat. Zo sukkelde ik jarenlang van de straat in de gevangenis en terug. Telkens wanneer ik werd vrijgelaten, had ik het gevoel dat ik tussen wal en schip viel. Echte hulp was er niet, een dak boven mijn hoofd had ik niet en zo bleef ik aanmodderen.

“Tot twaalf jaar geleden mijn zoon werd geboren. Die gebeurtenis schudde me helemaal dooreen. Toen vond ik eindelijk de kracht om de drugs voorgoed af te zweren en mijn leven weer op orde te krijgen. Ik vond werk in tweedehandswinkel Laudato Si` op Linkeroever en huur een appartement. Alle weekends en vakanties is mijn zoon bij mij. Hij heeft mij gered.”

Sam* (33): ‘Ik was een doorsnee jongen met een goede vaste job’

“In 2010 ben ik getrouwd; in 2016 liep mijn huwelijk op de klippen. Gelukkig hadden we geen kinderen. Ik ontdekte dat mijn vrouw me bedrogen had. Mijn leven stortte in. Ik was 28 en vluchtte weg in de cocaïne. Ik had daarvoor nooit gesnoven of aan andere harddrugs gezeten, maar op dat moment kon het me niets meer schelen. Ik had pech, want ik raakte zo goed als meteen hopeloos aan dat spul verslaafd. Het snuiven werd zeer snel roken.

“Ik was vroeger een doorsnee jongen met een goede vaste job. Ik werkte ’s nachts op het sorteercentrum van bpost en voelde me daar als een vis in het water. Ik had werk, een appartement en een vrouw. Toen mijn vrouw uit mijn leven verdween, verging ik van verdriet in die flat. Ik moést er weg en vroeg aan mijn vader of ik even bij hem kon komen wonen. Het OCMW zocht intussen een crisisappartement voor mij.

“Mijn baas begon te merken dat ik een stevige verslaving aan het ontwikkelen was. Ik neem die man niets kwalijk; hij probeerde te helpen en gaf me overvloedig veel kansen. Ik vind bpost nog steeds een topbedrijf. Ze stuurden me naar de dokter en ik mocht even thuisblijven om mijn probleem aan te pakken. In een week tijd joeg ik er mijn loon door. Ik rookte mezelf overdag weg van de wereld en ging ’s nachts bij mijn collega’s om eten bedelen. In het bedrijfsrestaurant bestelde ik maaltijden op de poef. Ik zong het nog twee jaar bij bpost uit, tot ze me met coke op zak betrapten. Toen werd ik ontslagen.

“Ik was continu high. Dat crisisappartement liet ik links liggen, want ik spendeerde mijn centen liever aan drugs dan aan de huur. Als je een half jaar lang geen officieel adres hebt, word je ambtshalve geschrapt. In de praktijk komt het erop neer dat je ‘vogelvrij’ wordt. Het is een hele klus om daarna terug met alles in orde te raken. Eens ambtshalve geschrapt, ben je een vogel voor de kat.

“In 2018 was ik mijn werk kwijt en bestond ik niet meer voor de overheid. Ik belandde op straat. Eerst logeerde ik bij vrienden, daarna had ik een bed in de nachtopvang. Begin dit jaar ging ik afkicken in een drughulpverleningscentrum. Ik raakte er in conflict en ze zetten me aan de deur. In april zwierf ik terug door de straten van Antwerpen. Ik vervuilde en begon te stinken. Iemand wees me de weg naar Kamiano, waar ik kon douchen. Die plek is nu heilig voor mij.

“Ik kwam een Sloveens meisje tegen. Ze zei: ‘Voor een dakloze is Kopenhagen beter dan deze stad.’ Een jongen vertelde hetzelfde. In juni vertrok ik halsoverkop zwartrijdend en liftend naar Denemarken.

“In Borup werkte ik een week op een boerderij. Met mijn loon kocht ik een treinticket naar Kopenhagen. Daar verbleef ik vier maanden lang. De opvang voor daklozen is er fenomenaal. Het leven op straat is er draaglijker dan hier. En cocaïne kost er zoveel dat ik wel verplicht was om op eigen kracht af te kicken. Ik ben nu clean.

“Ik verbleef een tijdje in de Vrijstaat Christiania, de zogenaamd onafhankelijke hippiewijk van Kopenhagen. In september vierden ze er hun vijftigjarig bestaan. Ik dronk iets te veel, lette even niet op en al mijn spullen waren weg, gestolen. Ik had nog contact met mijn vader en hij maakte het mogelijk dat ik twee weken geleden naar Antwerpen kon terugkeren.

“Ik snak naar rust en wil opnieuw een gewoon leven. Op straat is het koud, met wind en regen. Het is er nooit stil; altijd is er lawaai en chaos. Als ik zeer dringend naar het toilet moet, is dat soms een gigantisch probleem. Ik kan niet zomaar bij wildvreemden aanbellen en vragen of ik even de wc mag gebruiken. Ook in cafés ben ik niet welkom. Ik droom van een eigen huis waar ik een tijdje ongestoord op het toilet kan zitten. (lacht) Ik lees veel en verlang naar een avond in mijn eigen zetel met een goed boek.”

*Anwar, Sam en Aleksander zijn schuilnamen.

© Jan Stevens

‘De agressie zal nog toenemen’

De coronarellen in Brussel en Rotterdam zijn volgens psycholoog en agressie-expert Arno van Dam symptomen van een groot maatschappelijk ongenoegen. “Sommigen beginnen te geloven dat ze de macht moeten grijpen om iets te veranderen.”

De coronabetoging in Brussel van vorige zondag eindigde in geweld. Een groep gemaskerde mannen richtte vernielingen aan en de politie werd met stenen en vuurwerk bekogeld. Drie agenten en één betoger raakten gewond; 44 herrieschoppers werden gearresteerd. De Brusselse politie had het over ‘de meest gewelddadige betoging sinds de Black Lives Matter-manifestaties (juni 2020) en het havenprotest (april 2014).’ Organisatoren wezen met een beschuldigende vinger naar ‘Brusselse reljongeren en antifascisten’. Volgens sommige demonstranten waren de onlusten in gang gezet door ‘politie-infiltranten’.

De coronarellen in Brussel werden eerder dat weekend voorafgegaan door nog zwaarder geweld in de straten van Rotterdam. Daar voelden agenten zich zo bedreigd dat ze met scherp schoten. Ook op andere plaatsen in Nederland kwam het tot oproer. De voorbije maanden was het ook alsof op en rond Nederlandse voetbalpleinen het hooliganisme van eind vorige eeuw weer de kop opstak, met vechtpartijen en heetgebakerde supporters die elkaar verrot sloegen. Nederlandse media omschrijven dat als ‘postcorona-hooliganisme’, of antisociaal geweld als gevolg van lockdowns en vrijheidsinperkende coronamaatregelen.

Arno van Dam is aan de universiteit van Tilburg professor ‘antisociaal gedrag, psychiatrie en maatschappij’. De voorbije twintig jaar behandelde hij als psycholoog honderden mensen met een ‘antisociale persoonlijkheidsstoornis’. “Zij hebben het moeilijk om zich aan regels, afspraken en maatschappelijke normen te houden”, zegt hij. “Ze zijn verhoogd impulsief, hebben behoefte aan prikkels en zoeken daarom voortdurend spannende situaties op. Ze hebben een kort lontje: ze raken makkelijk geïrriteerd en worden dan agressief. Ze nemen soms roekeloze besluiten, met weinig aandacht voor de mogelijke gevolgen voor anderen. Achteraf voelen ze weinig spijt.”

Speciaal voor hen ontwikkelde u de behandelmethode ‘Niet meer door het lint’, met technieken uit de cognitieve gedragstherapie?

“Veel mensen met agressieproblemen vinden het helemaal niet fijn dat ze zo snel agressief worden. Want hun woedeaanvallen hebben soms enorme consequenties. Als je met een agressieprobleem worstelt, raak je je baan kwijt, kan je relatie op de klippen lopen of verlies je de zorg over je kinderen. Daarom kiezen velen voor een behandeling. Wij kúnnen hen ook helpen. Alleen is er bij hulpverleners jammer genoeg te veel angst voor deze doelgroep en heerst er te veel pessimisme over de hulpmogelijkheden. Mijn methode leert agressieve mensen de signalen van oplopende spanning in hun lichaam te herkennen, zodat ze tijdig een time-out nemen en bijvoorbeeld een blokje om gaan wandelen.”

De geweldplegers in Brussel en Rotterdam hebben niet allemaal last van een antisociale persoonlijkheidsstoornis?

“Er zaten er ongetwijfeld tussen, maar niet allemaal. We mogen die rellen vooral níet ‘psychiatriseren’, maar ook niet criminaliseren. Ik vind dat vandaag mensen té snel met een psychiatrische stoornis gediagnosticeerd worden en dat er veel te weinig aandacht is voor samenlevingsproblemen. Want de verklaring voor de huidige opstoten van agressie moeten we niet enkel in de psychiatrie zoeken, maar ook in onze maatschappij. Ik weet niet hoe het in België is, maar in Nederland werd de laatste jaren enorm bezuinigd op de sociale samenhang: op buurtwerk, onderwijs en gezondheidszorg. Het gevolg is dat Nederlandse burgers zich steeds minder met de samenleving verbonden voelen. Rotterdammers vernielden tijdens de rellen hun eigen straat. Dat wijst erop dat ze amper verbondenheid ervaren met hun eigen buurt.”

Die vervreemding drijft hen in de armen van extreme organisaties en bewegingen?

“Dat gebrek aan verbondenheid vormt daar inderdaad een voedingsbodem voor. Mensen zullen zich pas sociaal gedragen als er vertrouwen is, zowel in elkaar als in overheidsinstanties. De eerste achterliggende gedachte is dan: ‘Als ik het goed heb, zullen anderen het ook goed hebben.’ De tweede achterliggende gedachte is er één van wederkerigheid: ‘Als ik me goed gedraag, mag ik in ruil óók iets goeds verwachten.’ In Nederland was het vertrouwen in de overheid nog nooit zo laag. Is dat bij jullie ook zo?”

Net als in Nederland heeft ook in België minder dan 30 procent van de bevolking nog vertrouwen in de federale overheid.

“Mensen met een laag vertrouwen vinden makkelijker aansluiting bij die extremere netwerken, zeker op momenten van onrust in de samenleving zoals nu. Ze verwachten minder van een ander en zijn daardoor ook minder geneigd om zich tegenover anderen sociaal op te stellen.”

In België hadden de grote levensbeschouwingen vroeger sterke verenigingen. Door de ontzuiling zijn veel van die organisaties nog schimmen van zichzelf. Ook mede daardoor kwam de sociale samenhang onder druk?

“Die sociale verbanden van weleer zijn er nu inderdaad veel minder, ook in Nederland. De maatschappij is veranderd, maar er kwamen zo goed als geen alternatieven voor die vroegere verenigingen. Integendeel, in Nederland werd nog eens enorm bezuinigd op jeugdzorg en buurtwerk. Wijkagenten hebben steeds minder zicht op wat er in hun straten aan het gebeuren is en op wat er bij jongeren leeft. In sommige wijken vinden de boven- en onderwereld elkaar nu makkelijker dan ooit tevoren.”

Dekt de term ‘postcorona-hooliganisme’ de lading van het geweld op coronodemonstraties?

“Met zo’n term gooi je natuurlijk iedereen die erbij betrokken is op één hoop. In iedere tijd en in iedere cultuur zijn er groepen jonge mannen die zich gewelddadig opstellen en overgaan tot grensoverschrijdend gedrag. Dat zal altijd zo zijn en blijven; meestal verdwijnt dat vanzelf. Als die mannen wat ouder worden, stoppen ze ermee. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat er niet tegen moet worden opgetreden.”

In Brussel liepen tussen de ongemaskerde gezinnen met kinderen jonge gemaskerde mannen rond, azend op een kans op amok.

“Dat is precies die kleine groep van jonge, geweldzoekende mannen die er altijd al is geweest. Ze kicken op geweld. Dat zijn bijna nooit oudere heren. Dat soort van hooliganisme is van alle tijden. Alleen sluiten zich nu mensen bij die groep aan die dat anders nooit zouden doen. Dat is een gevolg van die sterk verminderde sociale samenhang én van de oplopende frustratie onder de bevolking.”

Toenemende frustratie in combinatie met angst?

“Vooral frustratie omdat mensen zich in hun vrijheid gefnuikt voelen. Ze vertrouwen de bewindvoerders niet en geloven niet dat de coronamaatregelen ook in hun belang genomen zijn.”

Nogal wat deelnemers aan de coronabetoging in Brussel geloven dat de Belgische overheid via maatregelen zoals de coronapas bezig is met het installeren van de dictatuur. George Orwells roman 1984 wordt volgens hen nu werkelijkheid.

“Ook veel Nederlanders hechten geloof aan die complottheorieën. Sommigen zien een heuse blauwdruk van de totalitaire staat, bij anderen is het veel vager: ‘Er klopt iets niet: het lijkt alsof ze ons willen controleren. Daarom demonstreer ik mee.’”

Degenen die effectief op demonstraties tot geweld overgaan, zijn allemaal mannen?

“In Nederland waren er toch ook vrouwen bij de coronarellen betrokken. Maar de overgrote meerderheid zijn inderdaad mannen. Ook bij huiselijk geweld zijn mannen oververtegenwoordigd, net als bij geweld in gevangenissen. Een man grijpt eerder naar geweld dan een vrouw. Daarin spelen biologische factoren een rol, net als socialisatie.”

Volgens schrijver Abdelkader Benali zijn de coronarellen ook te verklaren doordat de positie van veel jonge mannen in staat van verval is. Ze worden van de arbeidsmarkt verjaagd door gedisciplineerde, hoger opgeleide jonge vrouwen. Corona perkt hun actieterrein fel in en zet een rem op hun haantjesgedrag. Op een coronabetoging kunnen ze nog eens lekker voluit gaan door met verkeersborden naar agenten te gooien en combi’s in brand te steken.

“Je moet oppassen met veralgemeningen. Er zit zeer veel variatie in die groepen. Sommige deelnemers aan de rellen zijn gewoon meelopers, anderen nemen dan weer graag het voortouw. Er zijn verschillende motieven en allerlei achtergronden waarom mensen tijdens of na een demonstratie overgaan tot geweld. Sommige mannen zullen perfect beantwoorden aan het profiel dat Benali schetst, maar beslist niet allemaal. We mogen niet alles en iedereen over één kam scheren, want dan riskeren we dat onze aanpak van het probleem veel te beperkt wordt.”

Mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis worden soms ook sociopaten of psychopaten genoemd?

“Ja, en daar kan ik me nogal druk om maken. Want ze verschillen wel degelijk van elkaar. In tegenstelling tot iemand met een antisociale persoonlijkheidsstoornis, heeft een psychopaat een verminderd vermogen tot empathie. We kunnen dat zien in zijn hersenen. ‘Moeder’ roept normaal gezien allerlei gevoelens, herinneringen en beelden op; bij psychopaten blijft dat woord zonder betekenis. Zij ervaren enkel het rationele.

“Mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis zijn niet zo beperkt in hun gevoelens, maar liepen wel vaak een trauma op als gevolg van emotionele verwaarlozing. Daarom ook dat antisociaal gedrag vaker in onveilige buurten voorkomt. Want net daar staat het vertrouwen op een zeer laag pitje en leerden mensen niet zich wederkerig te gedragen. Dat is precies ook de reden waarom ik zo huiverig sta tegenover snelle psychiatrische diagnoses. Dat gebeurt vandaag echt veel te vaak. Met hun DSM-5 handboek in de hand bepalen psychiaters wie welke stoornis heeft, intussen vergeten ze dat er achter menselijk gedrag soms grote sociale problemen schuilgaan.”

Meerdere mentale aandoeningen hebben wortels in sociale omstandigheden?

“Zeker. Zo kunnen eenzaamheid en armoede een zeer grote rol spelen bij een depressie. Dan moet niet alleen de psycholoog ingeschakeld worden, maar moeten we ook op zoek hoe we de samenhang in de samenleving kunnen verhogen. En dan hoeft er misschien ook niet meteen naar medicatie te worden gegrepen.”

Moeten we niet oppassen met het diaboliseren van medicatie zoals antidepressiva? Vaak helpen ze toch bij het overwinnen van zware depressies?

“Ik vind dat we de psychiatrie moeten terugbrengen naar de kern: het behandelen van mensen met een psychische stoornis. Dat is echt een kleine groep en die heeft inderdaad ook baat bij antidepressiva en psychotherapie. Maar we mogen zowel de psychiatrie als justitie niet herleiden tot bezemwagen voor de maatschappij. ‘Al wie niet meekan of buiten de lijntjes kleurt, stoppen we in die wagen en krijgt een diagnose of straf.’ Dat is niet de juiste aanpak.”

Zijn we met de opeenvolgende lockdowns en inperkingen van onze sociale contacten dan geen groot mentaal probleem in onze samenleving aan het creëren?

“Dat probleem creëerden we al véél eerder. Nu zitten we midden in een gezondheidscrisis en het coronavirus dwong ons maatregelen te nemen om de pandemie in te dijken. We kunnen de zorg niet overbelasten; corona is een écht probleem. Alleen moet er voldoende samenhang in de maatschappij zijn om die crisis goed te kunnen opvangen. Mensen moeten zich onderdeel van die samenleving voelen én de communicatie over die aanpak vertrouwen.”

Net daar knelt het schoentje? Velen lijken de informatie van de reguliere media niet meer te vertrouwen. Kranten en tv-zenders worden weggezet als te wantrouwen ‘mainstreammedia’ of ‘regimepers’. Waarna mensen hun toevlucht nemen tot nepnieuws op dubieuze websites.

“Dat is zo. Bij de toeslagenaffaire in Nederland werden tienduizenden ouders onterecht door overijverige belastingcontroleurs beschuldigd van fraude met subsidies voor kinderopvang. De sociale gevolgen voor die ouders waren verschrikkelijk. Velen raakten in armoede door de schulden die ze opliepen en gingen er ook mentaal onderdoor. Die affaire vormt nu bij ons een enorme voedingsbodem voor al wie zich afkeert van de overheid. Want het grote wantrouwen wordt door de toeslagenaffaire alleen maar bevestigd. ‘Zie je wel? Er klopt iets niet.’ Ik vind dat de overheid beter gewoon kan toegeven dat ze fouten gemaakt heeft. Onze bewindslui zouden daar voor zichzelf consequenties aan moeten verbinden.

“Er woedt bij ons nu ook een stevige discussie over ‘fantoomgroei’ in de economie. Al jaren maken bedrijven steeds meer winst; de coronacrisis verandert daar niets aan. Maar werkende mensen merken daar nauwelijks iets van in hun portemonnee. Ook al groeit de economie, zij gaan er niet op vooruit. Intussen wordt er bezuinigd in de zorg, het onderwijs en bij de politie. Bij velen overheerst het gevoel: ‘Hoe hard ik ook werk, het maakt niets uit. Ik pluk toch de vruchten niet van die groeiende en bloeiende economie.’ Ze ervaren geen wederkerigheid meer: ‘Ik geef iets en krijg niets in ruil.’ Het gevolg is dat ze zich minder sociaal gedragen en voor zichzelf kiezen. Vervolgens primeert het recht van de sterkste en stellen mensen hun eigen regels.”

Waardoor de agressie in de samenleving toeneemt?

“Over de recente situatie bestaat nog geen hard onderzoek, maar op grond van de huidige ontwikkelingen vrees ik dat de agressie inderdaad vergroot.”

Hoe lossen we dat op?

“De overheid zal door haar beleid de samenhang moeten herstellen. Doordat alternatieve communicatiekanalen nu welig tieren en jongeren nog amper tv kijken, wordt dat geen makkelijke klus. Onderschat ook niet de invloed van sociale media.”

35.000 mensen namen deel aan de coronabetoging in Brussel. Bij massademonstraties in het verleden speelden vakbonden en grote verenigingen een belangrijke rol in het mobiliseren van mensen. Nu verliep de hele rekruteringscampagne op sociale media door soms schimmige organisaties.

“Het verschil met vroeger is immens. Maar wat we nu vooral niet mogen doen, is alle deelnemers aan coronademonstraties wegzetten als ‘wappies’. We moeten proberen begrijpen waar hun onbehagen vandaan komt. Hoe komt het dat ze zich niet langer aangesloten voelen bij de maatschappij? Door hen met de vinger te wijzen en te verwijten dat ze onverantwoorde antivaxers zijn, vergroten we enkel het probleem. Het zou goed zijn als onze overheden eens de hand in eigen boezem steken en zich afvragen: ‘Hoe zijn we deze mensen kwijtgeraakt?’, om vervolgens opnieuw het gesprek met hen aan te gaan. De geschiedenis leert ons dat er revoluties kunnen volgen wanneer mensen zich uitgesloten voelen. Vandaag beginnen sommigen ook echt te geloven dat ze de macht moeten grijpen om iets te veranderen.”

We zijn in een prerevolutionair klimaat beland?

“Jazeker. Mensen verzetten zich tegen de macht en beginnen zich te organiseren. Ze voelen zich niet meer herkend in de reguliere mechanismen van macht en tegenmacht. Vroeger kozen mensen voor een politieke partij of een vakbond waar ze zich mee vereenzelvigden. Nu verliezen partijen en vakbonden leden, zeker bij jongeren. Die verbinden zich op andere manieren. Ik zeg niet dat er binnenkort een grote revolutie losbarst, maar er is wel een klimaat ontstaan met ontevreden mensen die manieren zoeken om de maatschappij te veranderen. We kunnen dat alleen oplossen door hen opnieuw het gevoel te geven dat ze gehoord worden. Bij veel politici lijkt dat besef nog niet te zijn doorgedrongen. Kijk naar de regeringsvorming in Nederland: die wekt niet echt veel vertrouwen. De regering trad af omwille van die beruchte toeslagenaffaire. Er werd toen burgers écht onrecht aangedaan. De nieuwe regering die nu in de lucht hangt, zal bestaan uit dezelfde partijen met dezelfde minister-president. Hoe kun je dan verwachten dat mensen geloven dat er iets zal veranderen? Het kan overigens best zijn dat premier Mark Rutte het goed bedoelt, maar soms zijn symbolische ingrepen zeer belangrijk voor het herstel van vertrouwen.”

Die landen waar de voorbije jaren de populisten aan de macht kwamen, zijn natuurlijk ook geen toonbeelden van goed bestuurde, florerende samenlevingen.

“Nee, dat klopt. Populisten bieden ook geen oplossingen. De kern van de zaak is dat iedereen zich weer onderdeel moet voelen van de samenleving. Elke mens moet het gevoel hebben dat hij gehoord wordt en dat het hem ook iets kan opleveren als hij meedoet. Alleen zo raken we uit deze toestand.”

Bio

  • Geboren in 1965
  • Studeerde (klinische) psychologie aan de Rijksuniversiteit van Leiden en promoveerde in 2013 aan de Radboud Universiteit Nijmegen
  • Is professor antisociaal gedrag, psychiatrie en maatschappij aan Tilburg University
  • Heeft als psychotherapeut jarenlange ervaring met de behandeling van mensen met agressieproblemen
  • Voerde wetenschappelijk onderzoek naar o.a. burn-out, chronische vermoeidheid, motivatie, antisociaal gedrag en de behandeling van agressieproblematiek
  • Is hoofd wetenschappelijk onderzoek van het Nederlandse Landelijk Steunpunt Extremisme

© Jan Stevens

‘Als geld belangrijk voor mij was, zat ik hier niet’

12 jaar lang was Duco Sickinghe als CEO van Telenet een bekende Nederlander in Vlaanderen. Nadat hij eind 2013 zijn investeringsmaatschappij Fortino oprichtte, verdween hij uit de schijnwerpers. “Nu ben ik de souffleur in de coulissen.”

Een paar dagen per week pendelt Duco Sickinghe van zijn woonplaats Kraainem naar zijn kantoor in het Post X-complex vlakbij het station van Berchem. In juni 2019 ruilde hij met zijn investeringsmaatschappij Fortino Zaventem in voor Antwerpen. “Het is misschien nogal raar om je eigen bedrijf verder weg van je eigen huis te verhuizen”, zegt de stichter en managing partner. “Maar Berchem is een ideale plek. De tocht van Antwerpen of Gent naar Zaventem was voor bezoekers vaak een hele opgave, en een rit naar de Brusselse binnenstad was gewoon niet meer te doen. We zitten nu vlakbij een treinstation en er zijn meer dan voldoende parkeerplaatsen. Onze Nederlandse ondernemers reizen iets makkelijker naar Antwerpen dan naar Brussel. Franse ondernemers kennen Brussel dan weer goed, maar willen ook graag Antwerpen ontdekken.”

U geeft niet veel interviews meer sinds de oprichting van Fortino.

“In dit vak vinden ondernemers discretie belangrijk. Als investeringsfirma halen wij geld op om dat vervolgens in hun bedrijven te investeren. Zij beslissen of ze al dan niet hun verhaal naar buiten willen brengen. Wij staan hen met raad en daad bij. Ik sta dus niet meer op de bühne, maar ben de souffleur in de coulissen.

“Fortino helpt twee soorten bedrijven. De eerste zijn de kleinere die tegen één miljoen euro omzet aanhikken en groter willen worden. We noemen dat ‘venture capital’, investeringen met risicokapitaal. De tweede zijn bedrijven met minstens vijf miljoen euro omzet die tot 100 miljoen willen doorgroeien. Dat noemen we ‘groeikapitaal’. Vaak gaat het dan over ondernemingen die internationaal willen doorbreken.”

De bedrijven waarin u investeert zijn allemaal actief in de softwarebranche?

“Ja. Tegenwoordig zit die software altijd in de cloud: bedrijven slaan ze op bij Amazon, Google of anderen. Zo krijgen klanten van overal in de wereld er toegang toe. Vroeger stond die software ergens in een hoekje op kantoor op een server te draaien, waarop je moest inbellen. Die tijd is definitief voorbij.”

Nu is al die software toevertrouwd aan een handvol grote techbedrijven die zo nog meer macht in handen krijgen?

“De invloed van Google of Amazon is groot, maar die wordt niet groter omdat ze ook nog eens enorme hosting-machines zijn. Dat is gewoon een zakelijke dienstverlening aan andere bedrijven. Die kiezen zelf van welke cloud ze gebruik wil maken: die van IBM, Amazon of Microsoft.”

Waarom ging u met Fortino van start?

“Mijn vader zei altijd: ‘Neem nooit twee keer na elkaar eenzelfde hond in huis.’ Na ruim twaalf jaar bij Telenet dacht iedereen dat ik als CEO overal alles aankon. Terwijl ik vond dat ik iets compleet anders moést doen. Het leek me ook fijn om een eigen onderneming te hebben. Ik dacht: ‘Als ik met een investeringsmaatschappij van start ga, mag ik de rest van mijn professionele leven bij mijn klanten op de koffie.’ Vandaag zitten er ongeveer dertig bedrijven in onze portefeuille. Ik mag nu dus bij dertig CEO’s op bezoek om over hun zaken te praten en hen verder te helpen. Dat is echt een droom.”

Investeren lijkt toch een heel risicovolle onderneming?

“Dat dacht ik in het begin ook. Vandaag beheren we ruim 430 miljoen euro. Had u me dat zeven jaar geleden verteld, had ik waarschijnlijk geantwoord: ‘Dan doe ik ’s nachts geen oog meer dicht.’ Nu het zover is, slaap ik als een roos. Gaandeweg leerde ik dit vak en groeide ik in mijn rol. Ik weet in welke bedrijven ik investeer en hoe zij risico’s nemen en afdekken. Dat zorgt toch voor een geruster gevoel. Want het is niet zo dat al dat geld in de wijde natuur verdwijnt of dat wij geen flauw idee hebben wat ermee gebeurt. Integendeel, wij weten zeer precies waar onze centen zitten.”

Daarom dat het koffiedrinken met ondernemers zo belangrijk is?

“Ja, maar ik doe dat niet alleen, want intussen werken er bij Fortino twintig mensen. Het is ontzettend belangrijk dat zowel de ondernemer als de investeerder bekwaam zijn voor hun functie én dezelfde data onder ogen krijgen. Als dat zo is, komen ze meestal tot hetzelfde besluit over waar ze met het bedrijf naartoe willen. Pas als mensen verschillende data zien, of als de één of de ander niet competent is, loopt het fout. Maar ook als iedereen op dezelfde golflengte zit, wisselen moeilijkere periodes af met voorspoedige. Het is nooit een grafiek met een mooie, rechte lijn richting noordoost.”

U investeert met andermans geld. Was het in het begin moeilijk om dat in te zamelen?

“Ach, in de begindagen van Telenet klonk ook heel meewarig: ‘Telefoon en internet via de kabel? Tégen Belgacom? Wie geeft die jongens een kans?’ Wij zegden toen tegen elkaar: ‘De prijzen worden uitgereikt aan de finish.’ Bij Telenet lag die eindmeet rond 2008; toen pas begonnen we erkenning te krijgen voor wat we allemaal aan het bouwen waren. Bij Fortino gebeurde net hetzelfde: ‘Duco wil zichzelf nog een beetje entertainen voor hij met pensioen gaat.’ Vandaag kan iedereen zien dat Fortino uitgroeide tot een uiterst professionele investeringsfirma. Intern hanteren we zeer strakke spelregels; we werden een serieuze club.

“Een van onze lijfspreuken is: ‘Good news travels fast, bad news should travel faster.’ Als er iets misgaat, moeten we dat snel tegen elkaar durven zeggen. Als dingen goed gaan, komen de complimentjes wel vanzelf. Er heerst hier een open cultuur, zonder angst om problemen snel op tafel te leggen. Als we dat niet zouden doen, levert dat alleen maar stress op.

“We leven in een samenleving waarin we graag allemaal het goede van onszelf willen laten zien. Maar dat is niet het échte leven. Want bij elke mens gaat het soms goed en soms fout. Daar moeten we eerlijk over durven zijn. Je wordt toch geen slecht mens omdat er iets in de soep loopt? We leren toch elke dag?”

Zette jullie veel druk op ondernemingen om investeringen te laten renderen?

“We kijken altijd naar het financieel plaatje op lange termijn, anders moeten we er geen geld in stoppen.”

Maar het einddoel is: er centen aan verdienen?

“Daar moeten we niet geheimzinnig over doen: wie op de beurs een aandeel koopt, hoopt daar ook beter van te worden. Waar wij bij een interessant bedrijf eerst en vooral op letten, is of het team oké is. Als de goede mensen op de juiste plaats zitten, schept dat veel vertrouwen.”

De miljoenen vliegen u bij wijze van spreken dagelijks rond de oren. Hoe belangrijk is geld voor u?

“Dat zijn niet mijn miljoenen, hé. Wij moeten daar wel verstandig mee omgaan. Als geld belangrijk voor mij was, zat ik hier niet en deed ik iets anders. Toch kies ik voor Fortino omdat ik het leuk vind om met mensen te werken en aan bedrijven te bouwen. Ook privé: de aannemer die jaren geleden mijn huis bouwde, vertrouwde me toe dat hij graag projectontwikkelaar wou worden. ‘Ik zoek daar wat geld voor.’ Toen richtten we samen de onderneming Domus Next op. We realiseren nu een paar projecten, niet op heel grote schaal, maar toch. Zo leren we wat er in die wereld mogelijk is. Zelfs als je een gemeente een heel mooi plan aanbiedt, duurt het soms jaren eer je een vergunning krijgt. Dat is in dit land een énorm probleem.

“De democratie was altijd een weergave van het kleurrijke beeld van onze samenleving. Ze gaf ook ruimte aan grote nuance in de besluitvorming. Nu neigen we naar versnippering en versplintering. België heeft al een fraai palet aan politieke partijen, maar in Nederland is het nog erger. Je kunt niet stellen dat het aantoonbaar slécht is dat er zoveel partijen zijn, maar wel dat het steeds ingewikkelder wordt om in het parlement tot een besluit te komen. De keuze is dan: moet er lang en genuanceerd gedebatteerd worden waardoor we kwalitatief hoogstaande beslissingen krijgen? Of moeten we pragmatischer worden en sneller besluiten door het parlement loodsen? En moeten we dan misschien ook makkelijker vergunningen afleveren? Ik vind dat zeer moeilijke afwegingen. In het bedrijfsleven hoor ik vaak mensen mopperen over politici. Terwijl de politieke stiel ontzettend veel moeilijker is dan het runnen van een onderneming.”

Vandaag krijgen ministers en toppolitici op sociale media soms karrenvrachten drek over zich heen.

“Dat is echt afschuwelijk. Tijdens de coronalockdowns ontvingen de bedrijven van zowat alle Europese landen binnen anderhalve maand overheidssteun. Overheden zitten in een veel groter keurslijf dan ondernemingen; toch lukte het om vrij snel al die geldstromen op gang te brengen. Ik heb nog geen artikels gelezen dat al dat geld verkeerd terecht kwam. Ik ga er dus vanuit dat die reddingsacties over het algemeen goed verliepen én zo onze economie hebben gered. Vandaag staan onze wegen weer vol files, dat is misschien niet zo leuk, maar het is wel een teken dat we die coronagolven goed doorsparteld hebben. We hadden nu ook in een gigantische depressie kunnen zitten. Dat gebeurde niet. Chapeau dus voor de Europese overheden.”

Zorgde de start van de coronapandemie bij Fortino voor paniek?

“Eigenlijk niet. De softwarebusiness leed heel weinig onder corona, integendeel. Nogal wat ondernemingen voerden de digitalisering versneld door en hadden grote nood aan de producten van onze bedrijven. Natuurlijk zijn er ook uitzonderingen: zo zit er een firma in onze portefeuille die software-oplossingen levert voor de reisindustrie. Daar is nu toch wat werk aan de winkel.”

Maakt u zich zorgen over de grote macht die de technologiemastodonten de voorbije decennia verzamelden?

“De media hebben het bij techbedrijven al snel over ‘macht’. Terwijl zeer veel mensen in dit land macht hebben, denk maar aan ambtenaren op sleutelposities die vergunningen afleveren. We vergeten wel eens dat velen ons leven kunnen verzuren of verbeteren. Al staat het buiten kijf dat Facebook en Google zeer machtig geworden zijn. Maar worden die bedrijven beter als we ze opbreken? Het antwoord is niet zomaar: ‘Zeker!’ In 1984 werd het Amerikaanse telecombedrijf AT&T gedwongen om in een aantal zelfstandige delen op te breken. Veranderde daardoor de markt in de VS fundamenteel? Nee, want alles kwam terug, maar op een andere manier. Wat we ons nu in het geval van Facebook bijvoorbeeld moeten afvragen, is: gaat dat techbedrijf goed om met zijn macht?”

Het heeft er alle schijn van dat Facebook vooral geïnteresseerd is in zijn inkomsten.

“Daar lijkt het inderdaad op, dat is verkeerd en daarop moet worden ingegrepen. Als in ons democratisch systeem een premier of president de macht naar zijn hand probeert te zetten, worden wij daar allemaal zeer onrustig van. Bij Facebook zien we iets gelijkaardigs gebeuren.

“Ik hoor dat steeds meer jongeren Facebook niet meer gebruiken; ze zitten allemaal op Instagram of TikTok. Aan de basis van de leeftijdspiramide is Facebook dus aan het verdwijnen. Het bedrijf heeft nog veel macht, maar niet meer bij iedereen. We kunnen over die machtspositie blijven klagen, maar we moeten ook eerlijk zijn: voor Facebook, Instagram of WhatsApp betalen we helemaal niets.”

Ze verzamelen privégegevens en gebruiken die als pasmunt.

“Net daarom is het een gratis dienst. Je moet er dan maar tegen kunnen dat ze op een of andere manier aan je proberen te verdienen. Je kunt pas je eisen stellen van zodra je voor een dienst betaalt. Als consument mag je niet naïef zijn. Je betaalt niet voor het gebruik van WhatsApp en Facebook, maar geeft wel privégegevens in ruil. Als je dat onaanvaardbaar vindt, laat je die producten gewoon links liggen.”

Werd er indertijd bij Telenet over het beheer van de privégegevens van klanten nagedacht?

“Zeker, want wij transporteerden immens veel persoonlijke data. Dat moest met zeer veel integriteit gebeuren, zodat niemand aan die gegevens kon.”

Er zijn toch altijd mensen die erbij kunnen?

“Je moet het voor indringers natuurlijk technologisch zeer moeilijk maken. Bij Telenet werd hard gewerkt aan het beveiligen van data en het beteugelen van spam. We wilden geen hack. Het was precies ons vak om op een nette manier data te transporteren die niet van ons waren. Al hadden we niet op alles vat. Het mooie van het internet is dat het een wereldwijd open netwerk is, wat er meteen ook het nadeel van is.”

Op dat wereldwijde netwerk vechten inlichtingendiensten van verschillende landen intussen een digitale oorlog uit. Zo braken in 2013 Britse en Amerikaanse geheime diensten op het netwerk van het toenmalige Belgacom in. Op 27 juni 2017 legden Russische hackers heel Oekraïne plat.

“Op het internet worden nu inderdaad stille oorlogen uitgevochten. Wie vandaag een land snel wil platleggen, doet dat best via het internet en niet met tanks. Ook de georganiseerde criminaliteit ontdekte het wereldwijde web. We wisten lang niets van drugsboerderijen, tot speurders ze op het spoor kwamen en ontmantelden. Daar schrokken we toen hevig van. Alles wat onzichtbaar is en plots aan de oppervlakte verschijnt, zorgt voor onbehagen.

“Weet u waar ik me grote zorgen over maak? Over het massaal gedeelde fake news op het internet. Want als niemand nog weet wat online waar is of niet, wordt het heel moeilijk om een samenleving fatsoenlijk te laten functioneren. Op termijn bieden crypto en blockchain soelaas. Want als in de toekomst onze informatievoorziening via die technologie verloopt, weten we altijd zeker met wie we te maken hebben en of de bron bonafide is.”

Ondermijnt de wilde koers van cryptomunten zoals Bitcoin niet de geloofwaardigheid van blockchain?

“Elke nieuwe technologie wordt eerst gehypet, waarna iedereen ervan wegloopt. Zeven jaar later maakt die technologie dan een comeback en wordt een groot succes. Kijk naar Internet of Things: een paar jaar geleden was dat een enorme hype met te veel beloftes die niet werden ingelost. De teleurstelling was groot. Nu is Internet of Things aan het uitgroeien tot iets groots én belangrijks. In 1980 riep het magazine Time de pc uit tot ‘person of the year’. Het zou nog tien jaar duren vooraleer de eerste computer voor de gewone consument in de winkel lag.

“De prijs van de Bitcoin schiet het ene moment de hoogte in en duikelt vervolgens de dieperik in. Als je daar niet tegen kunt, laat je die munt best links liggen. Maar begin niet te roepen dat Bitcoin en blockchain waardeloos zijn, want dat is niet zo.”

Toen u in 2001 bij Telenet aan de slag ging, verhuisde u van Nederland naar België. Was dat een cultuurschok?

“Ik heb nooit het gevoel dat ik in België een buitenlander ben. De laatste jaren kom ik wat meer terug in Nederland, omdat Fortino daar ook actief is en in Amsterdam een kantoor heeft. Voor de Vlamingen klink ik als een volbloed Nederlander, terwijl de Nederlanders me erop wijzen dat ik veel Vlaamse zinssneden gebruik. Zij vinden dat nogal apart. Eigenlijk zit ik in niemandsland. Het zou best kunnen dat België me wat zachter heeft gemaakt.”

Is de Nederlandse samenleving dan harder dan de Belgische?

“Nederlanders spreken zich duidelijker uit, wat natuurlijk voordelen heeft. Maar de Nederlandse assertiviteit maakt de samenleving inderdaad ook harder. Is dat beter of slechter? Ieder huis heeft zijn kruis. Het ene land zet andere accenten dan het andere. Zowel Nederland als België hebben hun fraaie en minder fraaie kanten.”

Vindt u de toenemende ongelijkheid in de samenleving zorgwekkend?

“Ja. Mensen met geld op de beurs hebben de voorbije jaren flink wat verdiend, de anderen konden enkel in hun levensonderhoud voorzien.”

Hebt u geld op de beurs?

“Ik heb ook geld op de beurs, ja. Naast de verdeling van het geld worden dé thema’s van onze tijd: mobiliteit, medische zorg, onderwijs en de volgens mij onbeheersbaar geworden klimaatverandering. Ik vrees echt dat het te laat is om die nog onder controle te houden. Daarom moeten we ons nu voorbereiden op de calamiteiten. Pas van zodra dat besef bij iedereen ingezonken is, zal er geld vrijgemaakt worden om technologie te ontwikkelen die ons kan beschermen. Dat is het drama van de politiek: een politicus die zich bewust is van een nakende ramp, kan pas ingrijpen als ook het volk de ellende onder ogen ziet.”

Was minister worden iets voor u?

“Mijn vader had politieke ambities, maar zette de stap nooit. Ik koesterde die ambities ook, en heb het ook niet gedaan.”

Voor welke partij?

“Dat hou ik liever voor mezelf. Ik heb met alle Belgische politieke centrumpartijen altijd goede contacten onderhouden. Als je in de politiek gaat, moet je er tegen kunnen dat je ziel eigendom wordt van het grote publiek. Wie wil dat tegenwoordig nog? Een minister of staatssecretaris werkt maandenlang keihard en wordt na één slechte kamerzitting zonder mededogen door het slijk gehaald. Het is écht een ondankbare stiel. De manier waarop Alexander De Croo premier is, vind ik heel mooi. Met al zijn jeugdige energie probeert hij iets in beweging te krijgen. Dat is knap.”

Sinds 2015 bent u voorzitter van de Nederlandse telecomgroep KPN. Onder uw impuls maakte Dominique Leroy begin september 2019 de overstap als CEO van Proximus naar KPN. Niet veel later raakte bekend dat ze een maand eerder haar Proximus-aandelen had verkocht. De overstap ging niet door, Leroy werd in verdenking gesteld voor handel met voorkennis en trof later een minnelijke schikking. Hoe kijkt u terug op die periode?

“Het klikte tussen Dominique en KPN. Na Proximus was KPN voor haar een prachtige klus. Het hele plaatje klopte, maar er was dat ongelukkige voorval waarbij volgens mij Dominique niet de intentie had om iets fout te doen. Maar de impact was enorm. Het werd heel moeilijk om alles aan boord te houden.”

Was het dan een afrekening met Dominique Leroy, ingegeven door afgunst?

“Ik weet het niet, al kan ik dat niet uitsluiten. (stilte) Sommige dingen in het leven verlopen op een buitengewoon ongelukkige wijze. Alle betrokkenen betreuren de gang van zaken rond Dominique en hadden het graag anders zien aflopen. Naar eer en geweten hebben ze het zo goed mogelijk proberen oplossen, inclusief Dominique. Het gaat nu hartstikke goed met haar als CEO Europa bij Deutsche Telekom. Ze is en blijft een topmanager, daar heeft niemand ooit aan getwijfeld.”

Bio

  • Geboren op 19 maart 1953 in Utrecht
  • Studeert rechten aan de Universiteit van Utrecht en haalt een MBA aan Columbia University, New York
  • Begint zijn carrière in 1985 bij Hewlett-Packard
  • Start in 1993 een eigen softwarebedrijf en wordt drie jaar later algemeen manager bij uitgeverij Kluwer
  • Wordt op 28 juni 2001 CEO van Telenet
  • Stapt er eind maart 2013 op en richt in december van dat jaar samen met Renaat Berckmoes Fortino op

© Jan Stevens

‘De betonstop is niet: stoppen met beton’

Veertig jaar geleden bespeurde Willy Naessens zijn ideale opvolger in Dirk Deroose, het zoontje van zijn nicht. Vandaag is Deroose ceo van de 650 miljoen euro sterke Willy Naessens Group. Intussen probeert de hoogbejaarde stichter en voorzitter afscheid van zijn levenswerk te nemen. “Ik voel dat ik er een streep onder kan trekken. Stap voor stap.”

In 2014 maakte Vlaanderen in het eerste seizoen van The Sky is the Limit kennis met de flamboyante ondernemer Willy Naessens. Ruim zeven jaar later werkt Naessens opnieuw mee aan Peter Boeckx’ docureeks over het rijkemensenleven zoals het is. Al lopen de opnames voor deze finale ‘all stars’-editie niet van een leien dakje.

“Eerst gooide corona roet in het eten en nu zijn er bevoorradingsproblemen”, zegt de 82-jarige zwembadtycoon, industriebouwer en voedingsdistributeur. “We moesten met onze club ‘de culinaire menners’ nu in Schotland met een Range Rover aan het crossen zijn. Paardenmennen is onze hobby en alle clubleden hebben een oldtimer, de meesten een Range Rover. Maar die uitstap wordt voor de derde keer uitgesteld. Eerst door de pandemie, nu omdat ons hotel geen maaltijden kan garanderen. Er is geen benzine en de grootwarenhuizen kampen met lege rekken, een gevolg van het grote gebrek aan vrachtwagenchauffeurs in het Verenigd Koninkrijk. Na de Brexit met zijn strenge reglementering gaan buitenlanders liever elders in Europa aan de slag.”

We zitten in Naessens’ kantoor in het hypermoderne hoofdkwartier van de Willy Naessens Group in zijn geboortedorp Elsegem. Ceo Dirk Deroose schuift mee aan. “Iedereen in het bedrijf weet dat Dirk na mijn dood de algemene leiding blijft hebben”, zegt de founding father. “Ik ben nog steeds voorzitter van de groep, maar ik hou me niet meer met details bezig. Het dagelijkse bestuur is in handen van Dirk en van mijn kinderen en kleinkinderen. Vijf jaar geleden kondigde ik aan: ‘Vanaf nu stop ik.’ Eerst werkte ik één dag minder, dan een tweede, een derde en een vierde. Tot ik besloot: ‘Nu is het echt helemaal gedaan. Ik trek het me niet meer aan.’ Alleen als ze willen investeren, moeten ze me dat laten weten.”

‘Ik trek het me niet meer aan’, is dus niet helemaal waar.

Naessens: “Nee, maar toch voor 95 procent en soms zelfs voor 98 procent.”

U hebt nog steeds dit kantoor en komt hier alle dagen langs?

Naessens: “Natuurlijk. Vanmorgen sprak ik voor een lokale zender een rekruteringsspotje voor ons dakwerkbedrijf MUTEC in. Ik moest mijn tekst in mijn dialect, het Elsegems, zeggen. Dat was heel plezant. (lacht)”

Is meedoen aan The Sky is the Limit even plezant?

Naessens: “Bij de allereerste opnames had ik last van de camera die me constant op de hielen zat, nu niet meer. Ik had er eerst geen zin in, maar ze bleven bellen. Op een keer vroeg ik: ‘Wie doet er nog mee?’ Ze antwoordden: ‘Vic Swerts van Soudal en Fernand Huts van Katoen Natie.’ Dat zag ik wel zitten.”

Swerts en Huts deden nooit mee. Hun namen werden gebruikt om u over de streep te trekken?

Naessens: “Daar kwam ik tijdens de opnames achter.”

Deroose: “Je was eerst bang dat The Sky is the Limit niet goed zou zijn voor het imago van het bedrijf, maar dat was niet zo.”

Naessens: “Integendeel, de reeks gaf ons juist veel naamsbekendheid. We merkten dat aan de verkoopcijfers van onze zwembaden. Als we in Limburg op straat rondwandelen, worden ik en mijn vrouw continu herkend. ‘Willy en Marie-Jeanne!’ Alle Limburgers lijken ons te kennen.”

In The Sky is the Limit laat u de rest van Vlaanderen zien hoe rijk u bent?

Naessens: “Tja, hoe rijk we zijn… We laten zien hoe we leven.”

Dat is niet het leven van een doorsneekijker.

Naessens: “Dat is juist. Kijkers willen zien hoe wij leven en sommigen proberen ons te imiteren. Mijn mede-acteurs wilden in de voorbije seizoenen hun rijkdom tonen, alleen zaten er een paar tussen die helemaal niet rijk zijn.”

Moest maker Peter Boeckx voor deze ‘all star’-reeks hard aandringen?

Naessens: “Ik wou meteen meedoen, maar vroeg wel aan Peter om er deze keer de echt extreme gevallen uit te laten. ‘Dat kan ik niet’, antwoordde hij. ‘Anders hebben we geen succes. We hebben dat onderzocht.’ Blijkbaar bevredigen de extreme gevallen de nieuwsgierigheid van de gewone mens. Akkoord, ik bén flamboyant, maar veel andere deelnemers moeten voor mij niet onder doen. Als je een succesvolle film of reportage wil maken, moéten er extremen inzitten, anders kijkt er geen kat. Ik kom vaak mensen tegen die bij hoog en bij laag beweren: ‘Ik heb The Sky is the Limit nog nooit gezien!’ Tot ik doorvraag, dan blijkt dat ze er meer over weten dan ikzelf.”

Denken jullie na over de toekomst van de Willy Naessens Group zonder de mediagenieke ondernemer Willy Naessens?

Deroose: “De naamsbekendheid van Willy is uitstekend om ergens voor het eerst binnen te geraken. Maar de aaneensluitende bouwprojecten voor trouwe klanten hebben we in de eerste plaats toch te danken aan ons kwalitatief hoogstaand werk. Willy is trouwens niet ons enige publicitaire uithangbord.”

Naessens: “We maken ook nog ‘gewone’ reclame in vakbladen. Ik heb wel geprobeerd om mijn dochter Veerle ervan te overtuigen voor het voetlicht te komen. Ze is niet echt flamboyant, maar wordt door iedereen graag gezien. De ene keer ziet ze dat zitten, de andere keer heeft ze er geen tijd voor.”

Deroose: “Misschien wordt dat later een taak voor één van je kleinkinderen?”

Naessens: “Mijn oudste kleinkind Celestine zou dat volgens mij zeer goed doen. De verdeling van het bedrijf is zo dat Dirk de algemene leiding heeft. Mijn dochter is verantwoordelijk voor de voeding, mijn zoon houdt zich bezig met het onderhoud van de gebouwen en mijn schoonzoon met de productie-eenheden. Zo is de toekomst na mij verzekerd. Alles is geregeld voor na mijn dood: mijn kinderen weten wat dan mag en moet. Ik heb gezorgd voor gegarandeerde continuïteit. Dat maakt me gelukkig.”

Soms helpen kinderen de moeizaam opgebouwde succesvolle zaak van hun ouders om zeep.

Naessens: “Mijn kinderen zijn niet in luxe opgevoed en we hebben een uitstekende leidinggevende structuur uitgebouwd. De toekomst is hier écht verzekerd.”

Deroose: “Dit is geen patriarchaal bedrijf meer, maar een groep met één boegbeeld, Willy.”

Naessens: “De kinderen doen hun best, net als de kleinkinderen en mijn opvolgers. Het bedrijf draait. We hebben geen geld te veel of te weinig. Zolang ze het goed doen, zien ze mij niet veel, tenzij voor een kopje koffie. Ze doen het allemaal wreed goed, dus nu drink ik vooral kopjes koffie.”

Bent u bang voor de dood?

Naessens: “Ik denk daar niet aan. Maar als ik ziek ben, word ik wel bang. Ik had vier keer kanker, de laatste keer was zestien jaar geleden. Nu is alles goed. Ik ben een gelovig man; baat het niet, dan schaadt het niet. Er is iets dat ons overstijgt. Wie zorgt ervoor dat alles groeit en bloeit? Ik heb nog geen enkel nadeel ondervonden van katholiek zijn.”

Meneer Deroose, wanneer werd u ceo van de Willy Naessens Group?

Deroose: “In 2006. Meteen nadat ik in 1992 als ingenieur bouwkunde afstudeerde, begon ik hier te werken.”

Naessens: “Dirks moeder is mijn nicht. Zijn vader hielp ons na zijn uren. De jonge Dirk bezocht ons regelmatig samen met zijn ouders.”

Deroose: “Willy’s vrouw en mijn moeder waren goede vriendinnen. Mijn vader was schrijnwerker en ik wou dat ook graag worden, maar dat mocht niet van hem. ‘Ga maar voor ingenieur studeren.’ Ik slaagde, solliciteerde bij een bedrijf en mocht daar ook beginnen. Rond die tijd kwam Willy langs. ‘Wát gaat Dirk doen? Hij moet bij ons komen werken. Ik zoek nog iemand voor onze betonfabriek Megaton in Ninove. Maandag start hij.’ Er werd toen niet onderhandeld over een auto van de zaak, smartphone of laptop. Ik wist zelfs niet hoeveel ik zou verdienen. Het was bang afwachten op mijn eerste loon. (lacht)”

Speelde toen al in het hoofd van Willy Naessens: ‘Ooit leidt Dirk Deroose mijn onderneming’?

Naessens: “Dirks vader zei altijd over zijn zoon: ‘Hem moet je in de gaten houden.’ Ik voelde dat hij gelijk had. Ik dacht al snel: ‘Of er nu een job voor hem is of niet, Dirk hoort bij ons.’ Hij wou direct productieleider worden. Ik zei: ‘Hola ventje, zo gaat dat niet. De beste universiteit is de praktijk. Begin aan de basis en dan zien we wel verder.’ Na een paar weken schopte hij het tot ploegbaas. Anderhalf jaar later was Dirk algemeen directeur van Megaton. Toen hij er begon, draaide het bedrijf verlies. Zeven jaar later maakte het een mooie winst.”

Mag Dirk Deroose zijn zin doen als ceo?

Deroose: “We overlegden altijd zeer veel en gaandeweg tastte ik de grenzen af. ‘Kan ik dit helemaal zelf beslissen of toch maar beter niet?’ We werken intussen al zolang samen dat we elkaar door en door kennen. We denken over veel zaken in de onderneming hetzelfde; ik schat dat we voor bijna 90 procent op dezelfde golflengte zitten.”

Naessens: “In zijn jeugdjaren zat Dirk in het weekend vaak bij ons. De gesprekken tussen zijn vader en mij gingen altijd over het werk. Hij luisterde dan aandachtig. De meeste beslissingen die hij als ceo neemt, zouden van mij kunnen komen. Zijn investeringen om te groeien zijn beredeneerd en geen wilde gok.”

Zo hebt u het ook altijd gedaan?

Naessens: “Ja, al volgde ik toch iets meer mijn buikgevoel. Maar het was een andere tijd, met grotere marges.”

Deroose: “Als er toen iets misging, viel dat makkelijker te verteren. Nu zijn de risico’s veel groter, maar ook het bedrijf werd groter. Onze schaalgrootte zorgt ervoor dat we tegen een stootje kunnen. Aan de overkant van de straat bouwen we een aluminiumatelier. Dat is een serieuze investering met gesofisticeerde machines. Het zal een tijd duren voor die investering begint te renderen, maar ze is grondig berekend en past volledig binnen Willy’s filosofie.”

Naessens: “Die van de verticale integratie.”

Deroose: “Dat wil zeggen dat we zoveel mogelijk zelf doen. Zo bouwen we onze aluminiumconstructies voortaan zelf, in plaats van ze aan anderen uit te besteden. Ik weet dat ik aan Willy geen plan moet voorleggen waarin ik werk outsource. Willy Naessens Group houdt het heft altijd in eigen handen.”

Gaat dat niet tegen de tijdsgeest in?

Deroose: “Met onze filosofie van verticale integratie werden we inderdaad lang als ouderwets gezien, maar stilaan begint dat te veranderen. Wij vinden: een kraan moet je niet huren of leasen. Als je ze 65 procent van de tijd kunt inzetten, moét je ze kopen. Vervolgens zoek je werk voor de resterende 35 procent.”

Een andere pijler van de Willy Naessens-filosofie is ‘diversificatie’. Dat wil zeggen dat jullie je eieren niet in dezelfde mand wilden leggen en daarom naast de zwembad- en industriebouw ook in de voedingsindustrie stapten?

Deroose: “Ja. ‘Diversificatie’ klinkt sexy, maar is niet altijd even vanzelfsprekend. Want de verschillen tussen de bouw en de voedingssector zijn immens.”

Naessens: “We hebben ook nog een poot ‘investeringen’, met projectontwikkeling.”

Deroose: “Soms hebben klanten een lap grond, maar beschikken ze niet over voldoende middelen om erop te bouwen. Dan durven ze ons wel eens vragen om met hen in zee te gaan. We houden dat bewust beperkt, want de helft van ons vaste cliënteel bestaat uit projectontwikkelaars.”

Schoten jullie in paniek toen de vorige Vlaamse regering een ‘betonstop’ aankondigde, wat onder de huidige regering verwaterde tot een ‘bouwshift’?

Deroose: “We schrokken toen heel erg van die term ‘betonstop’, maar niet van de doelstelling. Want die is niet: stoppen met beton, maar wel: ‘densifiëren’. Dat wil zeggen dat de ruimte efficiënt benut moet worden en dat er in de hoogte gebouwd moet worden. Net daarin zijn wij specialisten. Op dit moment bouwen we in Vilvoorde een zogenaamd ‘multi storage magazijn’. Vrachtwagens en bestelwagens zullen er een paar verdiepingen naar boven kunnen rijden, waardoor op een kleinere oppervlakte drie keer meer logistiek mogelijk wordt. Dat is precies wat de betonstop of bouwshift nastreeft: minder grondgebruik en verharding.”

Naessens: “Toen de coronacrisis losbarstte, schoten we wél in paniek. Alles ging dicht. Die eerste dagen maakten we ons grote zorgen over de gevolgen. Na drie weken mochten we gelukkig terug aan de slag, waardoor we de schade konden beperken.”

Deroose: “Willy behoort als tachtiger tot een risicogroep en besliste meteen om thuis te blijven, terwijl wij, directieleden, regelmatig naar kantoor bleven komen. Het is hier groot genoeg en de bedienden werkten van thuis. Elke dag belde ik een paar keer met Willy. Ik denk niet dat er veel managementboeken bestaan met een handleiding over hoe best een pandemie aan te pakken. Echt voorbereid waren we dus niet.”

Er werden parallellen getrokken tussen de lockdown en oorlogstijd. U maakte de Tweede Wereldoorlog mee, meneer Naessens. Klopt die vergelijking?

Naessens: “Ik ben geboren in 1939 en herinner me van die oorlogsjaren dus maar een klein beetje. Materieel kwamen we tijdens de lockdown niets te kort: er was voldoende eten en we konden allemaal kleren kopen. Onze grootste frustratie was dat we moesten thuisblijven. Contact met andere mensen was uit den boze.”

Voor sommigen was dat mentaal zeer belastend.

Naessens: “Ik kon daar vrij makkelijk mee overweg. Ik had geen andere keuze dan thuisblijven, want ik was nog niet gevaccineerd. Intussen heb ik drie inentingen gekregen. Ik wandelde op mijn domein en zoomde af en toe met de mensen op kantoor. Marie-Jeanne en ik waren continu samen. Ik zou graag stoppen met werken, maar mijn vrouw nog niet.”

Tijdens de coronalockdown ervaarde u heel even wat het is om gepensioneerd te zijn?

Naessens: “Ja, al was het toch geen écht pensioen, want ik vergaderde regelmatig online met mijn directieleden. Pensioen wil zeggen dat je aan iets totaal anders begint. Maar Marie-Jeanne is het gewoon om hier als mijn secretaresse te werken en ze kan dat niet zomaar stopzetten. Ik voel dat ik er wel een streep onder kan trekken. Stap voor stap.”

Hebben jullie lessen getrokken uit corona?

Deroose: “De coronacrisis schudde ons hele systeem zwaar dooreen, maar zorgde soms ook voor een flinke stroomversnelling. Vandaag is iedereen doordrongen van het belang van ethisch en duurzaam ondernemen. Wie dat blijft ontkennen, is al ziende blind.

“Vóór corona waren wij daar net als de meeste andere bedrijven vooral over aan het praten: ‘Duurzaamheid is belangrijk. We moeten toch eens goed nadenken hoe we dat aanpakken.’ Corona zorgde ervoor dat het streven naar duurzaamheid meteen bovenaan onze agenda werd gekatapulteerd. Eind dit jaar zal heel onze werkvloer gecertificeerd CO2-neutraal zijn. Die investering kost veel geld, maar ik ben er zeker van: als in deze tijden van klimaatverandering een klant de keuze heeft tussen een ethisch duurzame en een gewone aannemer, kiest hij voor de eerste.”

Wat voor maatregelen nemen jullie dan om op zo’n korte termijn compleet CO2-neutraal te worden?

Deroose: “Het voorbije anderhalf jaar inventariseerden we de ecologische voetafdruk van de hele groep. Die inventaris vormt het vertrekpunt voor nieuwe procedures. Zo hebben al onze betonfabrieken intussen het ‘nullozerstatuut’. Een betonfabriek verbruikt zeer veel water. Dat werd vroeger altijd geloosd. Wij hebben al onze fabrieken uitgerust met waterzuiveringsinstallaties en hergebruiken het gezuiverde water. We legden ook zonneparken aan, bouwden windmolens, installeerden warmtepompen en investeren in warmtekrachtkoppeling.”

Naessens: “Heel dit gebouw wordt verwarmd met warmtepompen en met die zonnepanelen zijn we al jaren bezig. Er ligt nu al zeker 300.000 m2. Dirk is erg bekommerd over de CO2-uitstoot.”

Deroose: “Ik ben een groot voorstander van het circulaire en van recupereren van materialen. Wij bouwen kantoren in prefab: heel dat systeem kan na verloop van tijd perfect gerecupereerd worden of aan nieuwe noden aangepast worden. De horizon voor algemene CO2-neutraliteit is 2050. Dat was ook eerst onze planning. Tot corona uitbrak.”

De pandemie schudde jullie écht wakker?

Deroose: “In tijden van oorlog en pandemie wordt veel mogelijk. Kijk maar naar de definitieve doorbraak van de e-commerce. Iedereen werd plots verplicht om online te bestellen. Zelfs de grootste twijfelaars hadden geen andere keuze. We werden er ons ook pijnlijk van bewust dat we in eigen land voorraden moeten hebben. Ik denk dat velen intussen doordrongen zijn van onze kwetsbaarheid. U herinnert zich misschien nog de blokkade van het Suezkanaal dit voorjaar, die onze toevoerlijnen nog eens extra onder druk zette.”

Naessens: “Zelfs mijn dochter van 54 bestelt nu graag online. Drie jaar geleden begonnen wij zwembadartikelen te verkopen via bol.com. Dat gaat dan over kleine filters, stofzuigers, thermometers, badmutsen of chloorpillen. Elk jaar steeg de omzet en nu zitten we aan maar liefst 3 miljoen euro. Vaak zijn dat producten die amper vijf of tien euro kosten. De totale omzet van onze zwembadafdeling bedraagt vandaag ongeveer 17 miljoen. Om maar te zeggen: de e-commerce barst uit zijn voegen. Pakjesvervoer zit in de lift en om dat allemaal te kunnen ververwerken, moeten er in snel tempo logistieke centra gebouwd worden. Wij bouwen nu nieuwe magazijnen in Nederland, Frankrijk, Luxemburg, Roemenië, Denemarken en Zweden. Het zijn er echt ontzettend veel.”

Eigenlijk beleven jullie dankzij corona gouden tijden?

Deroose: “We hebben zeer veel werk, en je zou dan inderdaad verwachten dat ons resultaat navenant is. Alleen is dat niet zo, want de grondstofprijzen schoten als een raket de hoogte in. Dat is vaak problematisch, omdat prijsafspraken voor projecten die een paar maanden geleden gemaakt zijn, ondermijnd worden door die steeds duurder wordende grondstoffen. Zeer veel klanten die al lang met ons samenwerken, tonen begrip en zijn bereid om een deel van die historisch hoge grondstofprijzen te compenseren. In ruil vragen ze ons om de schaarse voorraad aan grondstoffen en materialen te reserveren voor hun magazijn in aanbouw.

“Sommige collega’s hebben het zeer lastig. Zo ging onlangs een in staalconstructies gespecialiseerde aannemer failliet. Hij had vooral overheidsopdrachten en slaagde er niet in om eerder gemaakte aanbestedingen te heronderhandelen. Wij beleven dus geen gouden, maar vooral razend drukke tijden.”

Willy Naessens

  • Geboren in 1939 als molenaarszoon
  • Stopte op zijn 15de met school
  • Voorzitter van Willy Naessens Group met 1.950 werknemers en 650 miljoen euro omzet
  • Hobby: beoefent op zijn stoeterij Strohoeve het paardenmennen

Dirk Deroose

  • Geboren in 1970
  • Industrieel ingenieur bouwkunde
  • Werkt sinds 1992 voor Willy Naessens
  • Werd in 2006 ceo en is medeaandeelhouder
  • Hobby: duivensport

© Jan Stevens

‘Brussels Airport wordt een laboratorium voor vergroening’

De jonge Arnaud Feist droomde van een carrière als straaljagerpiloot. “Maar mijn ogen waren niet goed genoeg.” Vandaag staat hij zestien jaar aan de top van Brussels Airport, eerst als financieel directeur en sinds 2010 als ceo. “Ik heb in mijn leven nooit zo hard gewerkt als tijdens de coronacrisis.”

“De luchtvaart fascineert me al mijn hele leven”, zegt luchthavenbaas Arnaud Feist. “Toen ik in 2005 op de luchthaven van Zaventem kon komen werken, greep ik die kans dan ook met beide handen. Ik vind mijn job nog even boeiend als in het prille begin. Op Brussels Airport is er never a dull moment.”

Ook toen in de lente van 2020 de luchthaven door de lockdown volledig stilviel, was er voor Feist geen tijd voor verveling. “Ik heb in mijn leven nooit zo hard gewerkt als tijdens de coronacrisis”, bekent hij. “Die eerste weken verloren we bijna al onze vluchten. Ik moest meteen overleggen met de luchtvaartmaatschappijen en al onze andere partners. De situatie was totaal nieuw en we moesten op zoek naar manieren om het schip drijvende te houden. Er is toen ontzettend veel gepraat.”

Was er paniek?

“We waren verrast, maar niet in paniek. De snelheid waarmee de pandemie over de wereld raasde, was ongezien. Niemand wist hoe lang het zou duren. Die onzekerheid was meteen ook onze grootste uitdaging. We namen beslissingen zonder te weten of die de volgende dag nog zinvol waren.”

Lag er een plan in de schuif voor het runnen van de luchthaven in tijden van pandemie?

“We hebben scenario’s klaarliggen voor verschillende crisissituaties, maar er is geen plan voor elk mogelijk risico. Er waren draaiboeken voor het geleidelijk stilleggen van onze activiteiten, maar niet voor een vrij plotse stilstand zoals deze. De gevolgen van een pandemie à la corona waren niet te voorzien.

“In de eerste maanden van de crisis verloren we 99,5 procent van al onze trafiek. We hadden gelukkig nog de tijd om alles op een ordelijke manier stop te zetten. Tezelfdertijd kozen we er heel bewust voor om de luchthaven toch open te houden. Als bedrijf dat al zijn activiteiten teloor zag gaan, hadden we ook kunnen beslissen onze deuren voor een paar maanden te sluiten. Dat deden we niet, want we wilden bijvoorbeeld Belgen die uit het buitenland gerepatrieerd werden, niet in de steek laten. Of buitenlanders die in België verbleven en terug naar huis wilden. Het vrachtvervoer ging intussen wel verder. In het begin voor de import van producten zoals mondmaskers, later voor de export van de vaccins van Pfizer uit Puurs. Die vluchten groeiden uit tot een gigantische activiteit: tot hiertoe werden meer dan 350 miljoen vaccins vanuit onze luchthaven naar de rest van de wereld verstuurd.”

Heeft Brussels Airport zich de voorbije zomer min of meer hersteld?

“In juli en augustus mochten we 2,7 miljoen reizigers verwelkomen. Dat is redelijk goed, maar nog altijd slechts de helft van de 5,3 miljoen van de zomer van 2019. In vergelijking met de 1 miljoen passagiers van 2020 was deze zomer dan weer een groot succes. Vandaag blijven we hangen op de helft van onze normale reizigersaantallen.”

Mensen blijven bang om in groep te reizen?

“Ik denk niet dat ze bang zijn, of schrik hebben van het virus. Vooral de onzekerheid blijft hen ook nu nog afremmen om op reis te gaan. De regels rond quarantaine veranderen in heel veel landen van week tot week, en dat duurt nu al anderhalf jaar. Wij organiseren regelmatig enquêtes bij reizigers en niet-reizigers. Daaruit blijkt dat vooral die onzekerheid velen afschrikt. Er mogen gerust maatregelen tegen de verspreiding van het virus genomen worden, alleen zouden die voor langere tijd moeten gelden. Want mensen zullen pas geneigd zijn om opnieuw te reizen als er meer stabiliteit is. Al begrijp ik heel goed dat door de pandemie de toekomst onvoorspelbaar blijft.

“Daar komt bij dat veel intercontinentale bestemmingen nog steeds gesloten zijn. Zo wordt er nog altijd veel minder naar Azië gevlogen dan voor de crisis.”

In een vliegtuig zitten een paar honderd wildvreemden dicht opeengepakt samen in een relatief compacte ruimte. Is dat niet de ideale broedhaard voor coronabesmettingen?

“Nee, integendeel. De luchthaven en het vliegtuig zijn op dit moment zowat de plaatsen met het minst kans op een covid-besmetting. Al wie wil reizen, moet ofwel in het bezit zijn van een covid safe-ticket, ofwel een recente negatieve PCR-test voorleggen. Alle passagiers in onze luchthaventerminals zijn dus ofwel gevaccineerd, ofwel coronavrij. Die garantie heb je niet als je met de trein of de bus reist. Wie onze luchthaven binnenstapt, weet meteen: iedereen in dit gebouw is ofwel volledig gevaccineerd, ofwel getest. Aan boord van een vliegtuig geldt nog steeds de mondmaskerplicht tijdens de hele vlucht. Daar komt bij dat elk toestel een krachtig ventilatiesysteem heeft. Om de paar minuten wordt de lucht integraal ververst.”

Na de aanslag in 2016 is dit de tweede grote crisis in uw carrière als luchthavenbaas.

“De aanslag in de luchthaven op 22 maart 2016 was emotioneel zeer zwaar, met de vele gewonden, de slachtoffers die het niet overleefden en hun nabestaanden. Ik trok me toen op aan de solidariteit in de hele luchthavengemeenschap. Iedereen hielp iedereen; dat was echt indrukwekkend. Die crisis was véél korter dan de huidige gezondheidscrisis, maar hakte er emotioneel harder in. De slachtoffers waren zichtbaar; nu valt de miserie veel minder op. Terwijl er ook vandaag flink wat slachtoffers zijn: zo kostte corona de ondernemingen op de luchthaven van Zaventem 4.000 jobs. Dat was nooit een vette kop in de krant, maar van 24.000 jobs op de luchthaven vóór de pandemie blijven er nu 20.000 over. Door het faillissement van bagageafhandelaar Swissport verloren in één klap 1.500 mensen hun werk. Ook wijzelf moesten medewerkers laten vertrekken, net als Brussels Airlines, Interparking en taxfreewinkeluitbater Lagardère.”

Hoe groot is de schade in de hele luchtvaartsector?

“Wereldwijd waren er in de luchtvaartsector faillissementen, al konden ook veel ondernemingen dankzij staatssteun toch overleven. Wij hebben zelf geen subsidies gevraagd of gekregen. Bij de start van de crisis waren wij een gezond bedrijf met voldoende financiële reserves. Luchtvaartmaatschappijen werden wel gesteund, zo kreeg Brussels Airlines een staatslening.”

Die onderhandelingen over een reddingsboei van 290 miljoen euro voor Brussels Airlines sleepten toen toch heel lang aan?

“Ik zat niet mee aan de onderhandelingstafel. (lacht) Het is niet abnormaal dat gesprekken over zoveel geld veel tijd in beslag nemen. Het is een lening, wat wil zeggen dat ze ooit door de luchtvaartmaatschappij terugbetaald moet worden. Tijdens de onderhandelingen werd meteen ook gedebatteerd over de vergroening van Brussels Airlines en over de verdere ontwikkeling van de ‘hub Brussels Airport’. De overheid was vragende partij voor een nieuwe, groenere vloot met minder CO2-uitstoot. Brussels Airlines liet ook weten dat ze nieuwe vliegtuigen besteld hebben, de Airbus A320neo. Dat type vliegtuig heeft een nieuw soort motor die minder verbruikt en dus ook minder CO2 de lucht inblaast. Het verschil met de vorige generatie vliegtuigen is groot: de A320neo stoot tot 40 procent minder CO2 uit. Als luchthaven kunnen wij die evolutie alleen maar toejuichen.”

Hoeveel verlies hebben jullie geleden?

“In 2020 bedroeg ons nettoverlies ongeveer 150 miljoen euro. Ook dit jaar zullen we nog een verlies van tientallen miljoenen euro’s moeten boeken. Dat is vooral op rekening te schrijven van de eerste helft van 2021. We verwachten nu dat we tot het einde van dit jaar rond 50 procent van onze normale capaciteit blijven schommelen.”

Ondanks die zware verliezen van het voorbije anderhalf jaar is Brussels Airport nog steeds financieel gezond?

“Toch wel, we hebben genoeg reserves. Al wordt het bij elke nieuwe golf moeilijker. De voorbije maanden moesten we noodgedwongen onaangename maatregelen nemen om kosten te besparen. Als die vierde golf er komt, zal er opnieuw op alle mogelijke manieren bespaard moeten worden. De tijdelijke werkloosheid maakte het mogelijk om zoveel mogelijk werknemers aan boord te houden. Het belang van die regeling kan moeilijk onderschat worden.”

Toch moest ook Brussels Airport honderden mensen ontslaan.

“Ons personeelsbestand is 16 procent minder dan anderhalf jaar geleden. Noodgedwongen namen we afscheid van zowel vaste als tijdelijke medewerkers. Dat waren zeer moeilijke beslissingen, maar we hadden geen andere keuze. Altijd hebben we geprobeerd om het aantal ontslagen tot het absolute minimum te beperken. Tot hiertoe is ons dat gelukt.”

In 2019 ontving Brussels Airport in totaal 26,4 miljoen passagiers. Het plan was toen om dat aantal tegen 2040 op te drijven tot 40 miljoen. Koesteren jullie die ambitie nog steeds?

“Na corona moeten alle plannen op lange termijn opnieuw tegen het licht gehouden worden. We verwachten dat het nog tot 2024 of ‘25 zal duren vooraleer we terug het niveau van 2019 halen. We kampen dus al minstens met vijf jaar vertraging. Dit is de grootste crisis die wij ooit hebben meegemaakt. We weten niet hoe het verder zal evolueren, want er is ook nog de klimaatverandering.”

De luchtvaartsector slaagde er lang in om uit het vizier te blijven als het aankwam op maatregelen tegen de klimaatverandering.

“Vanaf 2010 nam Brussels Airport heel wat maatregelen om CO2-neutraal te worden. Sinds 2018 zijn we dat ook voor onze eigen activiteiten.”

Dat is dan zonder de uitstoot van de vliegtuigen. De NGO Transport & Environment brengt op airporttracker.org de klimaatimpact van 1300 luchthavens in kaart. Voor Brussels Airport bedraagt die 2,37 miljoen ton CO2 per jaar, of het equivalent van de jaarlijkse uitstoot van 1,18 miljoen auto’s.

“Ik kan me niet uitspreken over de juistheid van die cijfers. Ik zeg alleen dat de luchthaven zelf haar huiswerk gemaakt heeft en CO2-neutraal is. Onze elektriciteit is groen, alle lampen op de start- en landingsbanen zijn vervangen door LED en alle bussen voor het passagiersvervoer rijden elektrisch. Ik weet ook wel dat daarmee de kous niet af is. Daarom moet elk bedrijf op de luchthaven zijn verantwoordelijkheid nemen, net zoals wij gedaan hebben.

“We werken nu hard aan ‘Net Zero Carbon’, of totaal geen CO2-uitstoot meer. De coronacrisis heeft ons doen inzien dat we versneld duurzaam moeten worden. We keren niet meer terug naar ‘het oude normaal’ en bouwen aan een nieuwe, groene luchthaven. Dat zal veel geld kosten, maar er is geen andere keuze, want de gevolgen van de klimaatverandering worden steeds erger. De ramp in Wallonië van de voorbije zomer drukt ons keihard met de neus op de feiten. In het kader van de Europese Green Deal krijgen we 24,8 miljoen euro subsidies om de volgende vijf jaar samen met meer dan twintig partners op onze luchthaven projecten te ontwikkelen voor de vergroening van de luchtvaart. ”

Brussels Airport wordt een proeftuin?

“Jawel, wij worden een soort van laboratorium voor vergroening. Zo gaan we experimenteren in het ontwikkelen van biobrandstoffen voor vliegtuigen. Kerosine kan moeilijk integraal vervangen worden door elektriciteit of andere duurzame brandstoffen. Wat wel kan, is ze voor een paar procenten vermengen met biobrandstof. Wij willen een mengmachine bouwen en zo stap voor stap ontdekken hoe ver we kunnen gaan in het toevoegen van biobrandstof. Want minder kerosine betekent minder CO2.”

Waarom is kerosine nog steeds belastingvrij?

“Er is geen BTW op kerosine, dat klopt. Ik ben niet tegen een belasting, alleen moet die dan minstens op Europees niveau ingevoerd worden. Want als België alleen de BTW zou invoeren, prijzen we ons uit de markt. Al staat het in de sterren geschreven dat die internationale taks er ooit komt.”

Leggen jullie strenge CO2-normen op aan luchtvaartmaatschappijen die in Zaventem willen landen?

“Als privéonderneming mogen wij geen quota opleggen. We zijn wel van plan om de landingsrechten voor lawaaierige en vervuilende toestellen op te trekken. Nu betalen de oudste en vervuilendste vliegtuigen al tot drie keer meer dan de moderne zuinigste. Vanaf april 2023 wordt dat twintig keer meer. Het zal dan zeer duur worden om met een oud toestel op Brussels Airport te landen.”

Waarom worden die landingsrechten niet sneller aangepast?

“Omdat onze tarieven om de vijf jaar worden vastgelegd. Eerst was die aanpassing voorzien voor april van dit jaar, maar door covid schuift dat nu twee jaar op. Dat is wettelijk zo bepaald en dat kunnen wij niet veranderen. Onze boodschap aan de luchtvaartmaatschappijen zal in april 2023 klaar en duidelijk zijn: ‘Vlieg niet op Brussels Airport met jullie oude, vervuilende vliegtuigen. We willen ze niet meer zien.’

“De luchtvaartmaatschappijen werden zich trouwens erg bewust van hun verantwoordelijkheid. Uit gesprekken met onze belangrijkste maatschappijen weet ik dat ze volledig meestappen in dat verhaal. Ze begrijpen allemaal het belang van de strijd tegen CO2.”

Ook de lagekostenmaatschappijen?

“Net zij vliegen met heel moderne toestellen. Die verbruiken minder, zijn zuinig en stoten daardoor ook minder broeikasgassen uit. Maar ook de andere maatschappijen volgen. Denk maar aan de bestelling door Brussels Airlines van de nieuwe Airbus A320neo. TUI vliegt met de nieuwe Boeing 737 MAX. Die stoot net als de A320neo tot 40 procent minder CO2 uit. Een ander groot voordeel is dat die vliegtuigen minder lawaai maken.”

Hoe is het eigenlijk gesteld met de geluidsoverlast door landende en stijgende vliegtuigen in en rond Brussel?

“Ik kan heel goed begrijpen dat omwonenden soms reageren. Het is een oud zeer dat er in sommige zones rond de luchthaven meer geluid is dan in andere. Tijdens de coronacrisis waren er veel minder vluchten, waardoor de impact tijdelijk kleiner werd.”

De luchthaven ligt in een dichtbevolkt gebied.

“Ja, maar toen de luchthaven meer dan een halve eeuw geleden gebouwd werd, was dat niet zo. De luchthaven zorgde voor economische activiteit en trok zo mensen aan. Er werden steeds meer huizen gebouwd, waardoor ook steeds meer nieuwe bewoners last kregen van het geluid van de vliegtuigmotoren. Vandaag kunnen we deze luchthaven niet zomaar verplaatsen. Wij zijn vragende partij voor een stabiel juridisch kader, voor de fameuze vliegwet waar al lang sprake van is, maar die nog steeds op zich laat wachten. We hopen dat die er binnen twee jaar eindelijk zal zijn.”

Wat zal die vliegwet inhouden?

“Die zal voor lange tijd de vliegroutes bepalen én de procedure die gevolgd moet worden om die routes eventueel te veranderen. De huidige vliegroutes zijn niet wettelijk vastgelegd en dat zorgt voor juridische onzekerheid. Daarom ook waren er in het verleden verschillende rechtszaken waarbij de ene rechter de andere tegensprak. Een vliegwet met duidelijke vliegroutes is in het voordeel van omwonenden, luchtvaartmaatschappijen én de luchthaven. Want dan is er een helder wettelijk kader voor iedereen. Nu is er vooral veel frustratie bij alle betrokkenen.”

Woont u zelf in de buurt van de luchthaven?

“Ik woon in de oostrand, in Overijse, en ik ken het geluid van een nachtvlucht. Maar de voorbije twintig jaar is het aantal nachtvluchten met 40 procent gedaald. De huidige vliegtuigen maken ook veel minder lawaai dan die van rond de millenniumwissel. De evolutie is positief, wat niet wegneemt dat er nog steeds ’s nachts gevlogen wordt. Ook al zijn de vliegtuigen stiller, toch hoor je ze nog overvliegen.”

Wil en kan Brussels Airport nog uitbreiden?

“We hebben geen behoefte aan meer start- en landingsbanen. Er zijn er nu drie en dat is ruim voldoende voor de volgende decennia. Onze banen hebben wel capaciteit om nog meer vluchten dan net voor corona te verwerken. In 2000 hadden we 326.000 vluchten; in 2019 waren dat er 240.000. De vluchten waren met een derde verminderd, maar het aantal passagiers was wél gestegen. Want de vliegtuigen werden groter en waren beter gevuld. We willen het passagiersaantal verder laten groeien, wat niet wil zeggen dat ook het aantal vliegbewegingen moet toenemen. De cijfers van de voorbije twintig jaar tonen duidelijk aan dat dat niet hoeft.”

Waarom stoppen de Thalys en de Eurostar niet in het Station Brussels Airport?

“Vroeger stopte de Thalys hier wel, maar contractueel was bepaald dat wij alle verliezen moesten compenseren. We vinden de hogesnelheidsverbindingen met Amsterdam, Parijs en andere steden heel belangrijk, maar vonden het niet onze taak om voor de verliezen te blijven opdraaien. Wij trokken er toen de stekker uit, ook al zijn we nog steeds vragende partij voor hogesnelheidsverbindingen met steden. Want onze toekomst ligt net in die combinatie van lucht en spoor. Wij willen dus zeer graag meer treinen.”

Intussen zijn er dagelijks vluchten van Zaventem naar Amsterdam of Parijs. Dat is toch niet meer te verantwoorden?

“Er moet natuurlijk een alternatief met de trein mogelijk zijn, en dan liefst een HST-verbinding. Pas dan kunnen die korte afstandsvluchten afgeschaft worden. We supporteren niet voor vluchten naar Amsterdam of Parijs. Integendeel, maar zolang er geen deftige treinverbindingen vanuit Brussels Airport zijn, hebben we ze wel nog nodig.”

Van 2013 tot mei van dit jaar was Marc Descheemaecker voorzitter van de raad van bestuur van Brussels Airport. Daarvoor was hij jarenlang ceo van de NMBS. Hij kreeg die treinverbindingen voor u niet geregeld?

“Hij deed wat mogelijk was. Maar het verhaal is ingewikkelder, omdat het niet alleen een zaak van België is, maar ook van Nederland en Frankrijk. Nu is er de context van de klimaatverandering, waardoor er een unieke kans is om eindelijk een stap verder te zetten in de richting van die ideale mix lucht en spoor. Wij praten daar nu over met minister van Mobiliteit Georges Gilkinet (Ecolo) en met Sophie Dutordoir, de ceo van de NMBS. Wij zijn alvast bereid om een aantal korte afstandsvluchten af te schaffen als er goede alternatieven zijn. Ik ben optimistisch en geloof dat we tot een goed akkoord kunnen komen.”

Er is nog geen vervanger voor N-VA’er Descheemaecker. Wie wordt uw nieuwe voorzitter van de raad van bestuur?

I don’t know, echt waar. (lacht)”

De voorzitter van de raad van bestuur van Brussels Airport is een politieke benoeming?

“Neenee. De luchthaven is een privébedrijf: 75 procent is in handen van private investeerders en 25 procent van de Belgische staat. De benoeming van de voorzitter is een gezamenlijke beslissing: een akkoord tussen alle aandeelhouders. Dat is dus geen politieke benoeming as such.”

Bio

  • Geboren in 1966 in Elsene
  • Studeerde voor handelsingenieur aan de Solvay Business School en haalde een master fiscaliteit (ULB)
  • Was van 1990 tot 1995 auditeur bij Coopers & Lybrand (nu PWC)
  • Bekleedde van 1995 tot 2005 managementfuncties bij SCA Packaging
  • Werd in 2005 cfo bij Brussels Airport en is er sinds 2010 ceo
  • Omschrijft zichzelf als: “Veeleisend, pragmatisch én principieel. Waarden zoals integriteit, loyaliteit en professionalisme vind ik zeer belangrijk.”

© Jan Stevens

%d bloggers liken dit: