‘Die laatste zeven maanden voerde ik diepe gesprekken met papa. Dat is een luxe die veel mensen jammer genoeg niet hebben’

Weduwe Lieve Seuntjens en zoon Ben Van Duppen blikken terug op hun leven met Dirk Van Duppen. “Het motto hier in huis was: Erst das Fressen und dann die Moral.”

 

Op maandag 30 maart overleed Dirk Van Duppen omringd door zijn geliefden. Zelfs de grootste politieke tegenstander had woorden van lof voor de marxistische dokter die geneesmiddelen goedkoper wou maken met het kiwimodel, een kruis hielp zetten over de Lange Wapperbrug, zijn partij PVDA de weg naar succes wees en lang voor Rutger Bregman tot de conclusie kwam dat alle mensen deugen. “Ik liet nog eens alle kaartjes voor Dirk door mijn handen gaan”, zegt zijn vrouw Lieve Seuntjens (59), eveneens PVDA-dokter. “Mensen uit alle geledingen van de samenleving, van patiënten tot syndicalisten, stuurden een steunbetuiging. Die kaartjes staan symbool voor waar Dirk voor stond: mensen verbinden.”

We zitten in de tuin van de bescheiden rijwoning van doktersfamilie Van Duppen in Deurne. De zon schijnt uitbundig. “Op het einde zei papa dat hij het heel tof vond dat ik ook in de politiek gestapt ben”, zegt zoon Ben Van Duppen (30), onderzoeker in de kwantumfysica aan de Universiteit Antwerpen (UA) en PVDA-districtsschepen in Borgerhout. “Papa vond wetenschappelijk onderzoek ontzettend belangrijk. Toen ik eind vorig jaar de Prijs Robert Oppenheimer van de Onderzoeksraad van de UA won, was hij ontzettend trots.”

 

Hoe gaat het nu met jullie?

Ben Van Duppen: “We mochten de voorbije zeven maanden ontzettend veel verbondenheid ervaren, zowel hier, als in de buitenwereld. Dat heeft ons erg geholpen, ook al was het een vreemde periode. Die verbondenheid is een groot geschenk van papa aan ons om dat verdriet te helpen verwerken. Ik kan daar nu altijd op terugvallen. Wat niet wil zeggen dat er geen verdriet meer is, integendeel.”

 

Toen ik eind januari Dirk kwam interviewen, vroeg ik me voor ik hier binnenstapte af: waarom investeert hij zoveel kostbare tijd in lange gesprekken met wildvreemde journalisten? Toen ik weer buiten stapte, wist ik waarom.

Lieve Seuntjens: “Je moest Dirk aan het woord horen om dat te begrijpen. Veel mensen maken op het einde van hun leven een balans op; Dirks afscheidsinterviews pasten daarin. Toen hij in De afspraak op Canvas te gast was, werden er beelden getoond uit de tijd dat wij in de Palestijnse kampen in Beiroet aan het werk waren. Ik was daar zeer dankbaar voor.”

 

U leerde hem kennen in uw studententijd aan de UA.

Lieve: “Ik was negentien en had op een humaniora gezeten waar de geest van mei ’68 rondwaarde en waar ‘rode nonnen’ de plak zwaaiden. Ze hadden veel aandacht voor solidariteit met de derde wereld.

“De Antwerpse universiteit was toen vrij internationaal, met nogal wat Duitse en Nederlandse medestudenten. Dat sprak mij aan. In het tweede jaar geneeskunde zat ik in een groep van 15 studenten die politiek actief waren. Daar behoorden ook de gebroeders Jan en Dirk Van Duppen toe die allebei een uitgesproken mening hadden. Zij vielen fel op. Dirk was vier jaar ouder dan mij en had al op een fabriek gewerkt. Ze waren lid van de PVDA.”

 

Probeerden ze zieltjes te winnen voor de partij?

Lieve: “Ik heb dat nooit zo aangevoeld. Ze zwengelden discussies aan en nodigden ons uit om over veel thema’s na te denken. Het draaide niet enkel om politiek, maar ging vaak ook over praktische zaken, zoals: hoe pak je best je studies aan? In het derde jaar reden we met een bus vol studenten naar Limburg; de sluiting van de mijnen was in volle gang. Dat was toch iets anders dan de cantussen die Ben in zijn studententijd organiseerde. (lacht) De studentenfilosofie ‘Eins, zwei, zaufen!’, vonden wij maar niets.”

 

Ben Van Duppen deed daar als student wel aan mee?

Lieve: “Als wij ’s morgens naar het werk vertrokken, kwam Ben thuis. We vonden dat best grappig.”

Ben: “In 2010 was ik praeses van studentenclub WINAK, de wiskunde-, informatica- en natuurkundekring van de UA. Ik organiseerde onder andere cantussen en nam daar ook aan deel. Mama en papa dachten: ‘Waar houdt Ben zich nu mee bezig?’ We probeerden vooral de studenten van de campus te bereiken. Akkoord, er werd gedronken, maar dat was niet ons ultieme doel. Ja, wij organiseerden fantastische feestjes, maar we lieten ook de studenten die geen fuifnummers waren niet in de steek. We wilden eerst en vooral mensen bij elkaar brengen, liefst op de campus.

“Tijdens de praesesverkiezingen worden alle kandidaten schriftelijk ondervraagd. Een van de vragen tijdens mijn verkiezing was: ‘Naar wie kijk je op?’ Ik schreef: ‘Mijn vader. Want hij blijft altijd vechten voor verandering in de samenleving. Soms lijkt zijn strijd onmogelijk. Maar altijd gaat hij ervoor en zo verzet hij bakens.’ Dat kwam recht uit het hart. Achteraf pestten mijn studiemakkers me daar mee: ‘Papa, papa, papa…’ Het is en blijft een studentenclub, hé. (lacht)”

 

In oktober 1985 vertrok het pas afgestudeerde dokterspaar Lieve Seuntjens en Dirk Van Duppen naar Beiroet. Wie trok toen het hardst aan de kar om het veilige België in te ruilen voor het door burgeroorlog verscheurde Libanon?

Lieve: “Dat zal ik wel geweest zijn. We praatten toen veel over wat we met ons leven wilden aanvangen: worden we dokter in België of in het buitenland? Ik wou weg. Wij waren niet de enige studenten geneeskunde die daarover discussieerden. In een van de laatste jaren richtten we met gelijkgezinden een ‘werkgroep derde wereld’ op. In die tijd kon je als pas afgestudeerde dokter nog vrij makkelijk in een project in het zuiden stappen. Goeie vrienden van ons trokken naar Nicaragua en El Salvador.

“In de nasleep van de slachtingen in de Palestijnse vluchtelingenkampen van Sabra en Shatila in Beiroet in 1982 was de Palestijnse Rode Halve Maan op zoek naar hulpverleners die ook wilden getuigen. Onder de hoede van de Noorse NGO Norwegian Aid Committee (NORWAC) kwamen wij als enige twee Belgen in de kampen in Beiroet terecht. Er woedde een burgeroorlog en wij belandden er in een wespennest van fracties. Gelukkig werden we heel goed door NORWAC begeleid. Die organisatie zette projecten op voor zowel Libanezen als Palestijnen, en gold daarom als neutraal. Wij hielpen zowel in de Libanese dorpen in Zuid-Beiroet, als in de Palestijnse kampen.”

 

Hoe ingrijpend was dat jaar in Beiroet?

Lieve: “Ik was 26, een beetje jonger dan Ben nu, en had nooit oorlog meegemaakt. We voerden in Libanon zeer veel discussies met collega’s. Wij zagen onszelf als ambassadeurs van de Palestijnse zaak. Niet al onze internationale collega’s hadden zoals Dirk Van Duppen een duidelijke politieke visie op medisch solidariteitswerk. Sommigen hadden louter humanitaire drijfveren. Maar dat zorgde niet voor wrevel, want over de meeste kwesties waren we het eens.

“Tijdens een belegering van 40 dagen vielen er in ons kamp 65 doden op een bevolking van 10.000 mensen. Dat is gigantisch, maar op dat moment had ik dat niet in de gaten. We waren dag in, dag uit op de spoedafdeling in de weer, en de doden hoorden erbij. De corona-crisis duurt inmiddels ook iets van een 40 dagen en brengt bij mij de herinneringen van toen naar boven. Mensen sterven nu ook heel snel.”

 

Na Beiroet hadden jullie geen last van posttraumatische stress?

Lieve: “Nee, dat komt omdat we er een boek over schreven, Dagboek uit Beiroet, en omdat we honderden lezingen over de Palestijnen gaven. Dat was meteen ook ons verwerkingsproces.”

Ben: “Ik las Dagboek uit Beiroet als scholier. Na de humaniora ging ikzelf met een groep jongeren een paar weken meehelpen in Palestijnse kampen in Libanon. Dat was in 2007; ik zal die reis nooit vergeten. We bouwden een centrum voor de kinderen van de kampen. Ze groeien er op een vierkante kilometer op. We konden regelen dat een groep kinderen van zeven en acht mee mocht op uitstap naar de Bekavallei. Voor het eerst in hun leven zagen ze bomen en een rivier. Dan vraag je je toch af hoe het mogelijk is dat kinderen in zo’n omstandigheden moeten opgroeien. Voor zo’n onrecht kun je toch nooit je ogen sluiten?”

Lieve: “Wij kwamen in Libanon als vreemdelingen toe en een jaar later zeiden onze Palestijnse vrienden bij het afscheid: ‘Ons huis is jullie huis.’ Veel Belgen slagen er vandaag nog niet in om dat te zeggen tegen mensen met vreemde roots die hier al jaren leven en werken.

“Als koppel praatten wij veel over onze common ground. Veertig jaar samen met datzelfde engagement is toch iets apart. Op een bepaald moment ging de PVDA met Abou Jahjah onder de vlag Resist in zee. ‘Is dat wel verstandig?’, vroegen wij ons dan aan de keukentafel af. Dat debat tussen ons beiden vond ik altijd heel boeiend. Wij hadden geen blind engagement, en er waren uiteraard periodes dat we twijfelden. We zagen ook veel mensen komen en gaan. Als je een engagement niet vernieuwt of er niet langer warm van wordt, stopt het. Ik vond het fijn om te zien hoe Dirk zijn engagement telkens opnieuw onderbouwde. Het ene moment was dat met de strijd rond het kiwimodel, het andere rond het fijn stof of de Lange Wapperbrug. Of dan spitte hij zijn mensbeeld helemaal uit. Dirk inspireerde zo niet alleen mij, maar ook veel anderen.”

 

Op 30 augustus vorig jaar kreeg hij de diagnose terminale pancreaskanker. In het half jaar dat daarop volgde, schreef hij het boekje Zo verliep de tijd die me toegemeten was, gaf hij al die afscheidsinterviews en was er dat grote afscheidsfeest in de Roma. Net zoals na Beiroet begonnen jullie ook na Dirks doodvonnis bijna meteen aan de verwerking?

Lieve: “Eigenlijk wel. Dat boekje van 120 bladzijden en die afscheidsinterviews vertellen dat samengebalde krachtige verhaal van Dirks leven en dat maakt het zo speciaal. Maar zijn leven speelde zich natuurlijk over veel langere tijd af.”

Ben: “We moesten papa veel te vroeg afgeven, maar het is alsof de laatste 25 jaren van zijn leven geconcentreerd werden in dat laatste halve jaar. Ik had hem veel liever nu nog bij ons gehad en vlak na die diagnose was het vreselijk zwaar. In het begin kon ik dat niet aanvaarden. Ik ben mama en andere mensen uit mijn omgeving dankbaar die zeiden: ‘Ben, je moet hier nu de tijd voor nemen.’ Die laatste zeven maanden voerde ik diepe gesprekken met papa. Dat is een luxe die veel mensen jammer genoeg niet hebben of zich zelfs niet eens kunnen permitteren.

“Op het einde van zijn leven beklemtoonde papa dat we geen wolven voor elkaar zijn. Hij vroeg zich af waar die gedachte vandaan komt dat beschaving niet meer is dan een dun laagje vernis. En dat, van zodra je eraan begint te krabben, de zogezegd ‘ware’ zelfzuchtige aard van de mens naar boven komt. Hij had dat zelf nooit zo ervaren, maar misschien was hij een uitzondering op de regel. Hij begon dat nauwgezet en wetenschappelijk te onderzoeken, en vond overvloedig bewijs dat de mens van nature solidair en behulpzaam is. Solidariteit is datgene wat ons precies tot mensen maakt. Hij schreef dat in 2016 neer in De supersamenwerker en was erg fier op dat boek. In deze corona-crisis wordt toch heel duidelijk dat papa gelijk heeft? Ontzettend veel mensen zijn solidair en volgen spontaan de regels om zichzelf en anderen te beschermen. Hulpinitiatieven schieten als paddenstoelen uit de grond, met bijvoorbeeld al die mensen die mondmaskertjes naaien voor de zorg. Zelfs de hamsteraars waren solidair. Ik ken nogal wat mensen die stapels WC-papier insloegen, maar nu wel mondmaskers aan het naaien zijn. In mijn laatste gesprek met papa zei hij dat ook de coronacrisis ons laat zien dat de mens intrinsiek goed is.”

 

Als die crisis lang blijft duren en het economische weefsel zware averij oploopt, zou het misschien wel eens kunnen tegenvallen met die solidariteit?

Ben: “Dat zal afhangen van hoe die economische schade zal gefinancierd worden. Wordt het business as usual en gaan we er met z’n allen op achteruit? Of durven we het aan om ons systeem zo te wijzigen dat die kleine rijke toplaag die al decennia van de economie profiteert, eindelijk haar bijdrage levert? Omdat de mens van nature solidair is, wordt volgens papa de samenleving best opgebouwd volgens een model dat die solidariteit laat bloeien. Zo raken we allemaal samen vooruit.”

Lieve: “Dat is dus het marxisme. Dirk bekeek de werkelijkheid altijd door een wetenschappelijke bril en trok zelf op onderzoek. Daarnaast analyseerde hij ook op wetenschappelijke wijze de economische tegenstellingen in de samenleving. De essentie is: draait het in de economie om het verhogen van de winst of in het voorzien van de basisbehoeften van de mens? Dirk kon niet anders dan de kant kiezen van de werkende mens.”

 

De Sovjet-Unie was een praktische uitwerking van dat marxisme. Een groot succes kunnen we dat experiment toch niet noemen? En dan hebben we het nog niet over het stalinisme, waar de PVDA lang mee flirtte.

Ben: “Het imago van het marxisme is sterk aan het veranderen. Denk maar aan de beweging rond Bernie Sanders. Mensen kijken naar de nieuwe voorbeelden en niet naar de oude. We onderzoeken de tegenstellingen in onze huidige maatschappij en zoeken manieren hoe we nú stap voor stap kunnen vooruitgaan.”

 

Maar zoiets als het sovjetcommunisme bewees het marxisme toch geen dienst?

Ben: “Papa heeft op het einde ook heel duidelijk geantwoord dat dat problematisch was.”

Lieve: “Er vonden dingen plaats die niet te verdedigen zijn.”

Ben: “Voor de PVDA is dat sinds 2008 een afgesloten hoofdstuk. Toen stelde de partij zich open en een paar jaar later raakte ik ook écht in haar geïnteresseerd.”

 

Werd er in dit huis altijd veel gediscussieerd?

Ben: “Nee. (Kijkt naar zijn moeder) Jij vindt van wel? Jullie twee misschien wel, maar wij niet echt. Ik heb jullie ook nooit tegen ons horen zeggen: ‘Kom, we gaan nu Marx lezen.’ We waren het trouwens vaak niet met jullie eens. Dat is net heel gezond. Als ik met een vraag bij papa kwam, zei hij: ‘Daar ligt een boek over dat onderwerp. Lees het eens.’ Papa is een groot voorstander van het organische: wijsheid en inzicht moeten vanzelf groeien. Je kan niet aan iemand doceren hoe het precies moet. Aan dat dogmatische had hij een hekel. Je moet zelf ontdekken hoe iets ineenzit. Ik ben daar ongelooflijk dankbaar voor.”

Lieve: “Hij bracht ook thema’s aan: ‘Zoek dit maar eens uit.’ Hij is de zoon van twee leerkrachten en was een groot aanhanger van de socratische bevraging. Daar hadden we het vaak over. ‘Door de juiste vragen te stellen, prikkel je mensen.’ We deden dat ook met onze kinderen, maar niet bewust. We gaven ze vertrouwen en dat werkte.”

Ben: “Papa’s socratische bevragingen op vakantie vonden we soms heel fijn, maar ook soms vreselijk vervelend. We waren niet voor niets pubers. Jullie zorgden er wel voor dat we ons op materieel vlak nooit zorgen moesten maken. Tot aan het einde van het middelbaar smeerde papa elke ochtend onze boterhammen. Dat was toch beschamend lang. Het motto hier in huis was: Erst das Fressen und dann die Moral. (lacht)”

 

© Jan Stevens

“Mijn echte vader heb ik nooit gekend”

In de beklijvende reeks Kinderen van de Holocaust op Canvas getuigen twaalf nabestaanden zeven weken lang over de vervolging en uitroeiing van hun familieleden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een van hen is de 78-jarige Norbert Vos. “Hoe ouder ik word, hoe groter het gemis.”

 

Norbert Vos was amper één jaar oud toen zijn vader Albert Obstfeld op 3 september 1942 opgepakt en een maand later naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd werd. Moeder Léa Zwaaf dook samen met haar zoontje onder bij een gezin in Kortrijk. Na de oorlog hertrouwde ze met haar uit Auschwitz teruggekeerde neef Emiel Vos.

We zitten op het terras van Norbert Vos’ huis in Antwerpen. Op de tafel staan de foto’s van zijn vader Albert, moeder Léa, adoptievader Emiel en van het Kortrijkse echtpaar Raymond Verhaegen en Julia Leenknecht.

“Ik noemde mijn ‘onderduikouders’ Raymond en Julia altijd vader en moeder”, zegt hij. “Mijn echte vader heb ik nooit gekend. Hij was 39 jaar toen hij in Auschwitz is vermoord. Mijn adoptievader Emiel Vos overleefde het concentratiekamp. Op de foto kunt u het getatoeëerde kampnummer op zijn arm zien. Hij verloor zijn vrouw en drie kinderen. Ook zij werden vermoord, net als zijn ouders en zussen.”

 

U werd geboren in juli 1940 in de Zuid-Franse stad Pau. Uw ouders waren er op de vlucht voor de oorlog?

Norbert Vos: “Toen de oorlog uitbrak, vluchtten mijn ouders naar onbezet gebied in Frankrijk. Vader wilde net als zijn broer de Spaanse grens oversteken en verder reizen naar Portugal. Mijn oom had daar de boot genomen naar Cuba. Papa wou dezelfde route volgen, maar mijn moeder wou terug naar België. Mama was nog maar 22 jaar oud, met een pasgeboren baby. Ze kon zich niet voorstellen dat ze ooit Europa zou moeten verlaten en wou haar ouders niet achterlaten.

“Mijn papa was 18 jaar ouder dan mama. Toen ze in juli 1939 trouwden, was zij niet echt verliefd op haar kersverse man. Maar mijn grootmoeder vond, zeker met de oorlogsdreiging in de lucht, dat mijn vader een geschikte partij was voor haar dochter. Want Albert Obstfeld was een knappe man en verdiende goed zijn boterham. Mama en papa keerden samen met mij vanuit Pau terug naar Brussel, wat achteraf een vreselijke vergissing bleek te zijn.”

 

Had uw moeder daar later schuldgevoelens over?

“Ik denk het wel, maar we hebben daar nooit over gesproken. Ik heb haar daar ook nooit verwijten over gemaakt, want ze was een heel goede moeder. Maar het is inderdaad zo dat onze terugkeer naar België het leven van mijn vader heeft gekost.

“Mijn moeder haar ouders woonden in de Marsstraat in Berchem. Marcus Zwaaf, 51 jaar, en Sarah Vos, 53 jaar, werden op 28 augustus 1942 om 5 uur ’s morgens door Antwerpse politieagenten van hun bed gelicht. Ze kregen een half uur tijd om zich klaar te maken. Dankzij recent onderzoek van historicus Herman Van Goethem werd duidelijk dat de politie van Antwerpen onder leiding van oorlogsburgemeester Leo Delwaide actief Joodse mensen opspoorde voor deportatie. Daarom ook werd het Delwaidedok vorig jaar herdoopt tot Bevrijdingsdok. Toen mijn grootouders Marcus en Sarah opgepakt werden, was mijn moeder toevallig bij hen blijven slapen. Zij hielp mee met het smeren van hun boterhammen en het pakken van hun valies. Op dat moment geloofde ze nog dat haar ouders in Duitsland of Polen moesten gaan werken en dat ze ooit zouden terugkeren. De Duitse bezetter had aan burgemeester Delwaide een lijst van de Joden in Antwerpen gevraagd. Omdat mijn moeder in Brussel woonde, stond zij daar niet op. Toen een politieagent haar vroeg wie zij was, antwoordde ze: ‘De huishoudster.’ Mijn grootouders werden meegenomen naar een school in de Grotehondstraat waar alle Joden verzameld werden. Mijn moeder ging hen daar opzoeken in een jas zonder davidster.”

 

Wat toen een overtreding was?

“Ja. Mama probeerde haar ouders ervan te overtuigen om met haar te vluchten, wat vanwege de totale chaos op dat moment nog mogelijk was. Maar Marcus en Sarah weigerden. ‘Neem je zusje en je nichtje mee’, zeiden ze. ‘Wij zullen wel voor de Duitsers gaan werken en keren later terug.’

“Mama ging naar huis en op 3 september werd papa in Brussel gearresteerd. Waar precies weet ik niet. Hij had daar nog zaken te regelen. Hij was groothandelaar in stoffen, knopen, gespen en voeringen voor regenjassen. Ze sloten hem op in de gevangenis van Sint-Gillis. Daar schreef hij een paar brieven naar mama. Dat heeft zij me later verteld. Hij zat daar een maand in de cel in dezelfde broek, hetzelfde ondergoed, hetzelfde hemd, dezelfde sokken. Douches waren er niet.”

 

Hebt u zijn brieven nog?

“Nog één brief die hij in de Kazerne Dossin in Mechelen schreef, het ‘Sammellager’ of verzamelkamp voor Joden. Telkens wanneer de Duitse SS daar duizend Joden verzameld had, vertrok er een volle trein naar Auschwitz-Birkenau. Papa werd op 8 oktober overgebracht naar de Dossinkazerne en schreef die brief vlak voor zijn vertrek naar het concentratiekamp. Hij had potlood en papier weten te bemachtigen, zijn brief werd naar buiten gesmokkeld en bereikte mijn moeder. Hij schreef dat zijn arrestatie de droevigste dag uit zijn leven was omdat hij toen vrouw en kind moest achterlaten. Dat was zijn laatste teken van leven.

“In 1962 moest ik een deel van mijn legerdienst vervullen in diezelfde Kazerne Dossin. Zes maanden heb ik daar toen geleefd. Er was nog een Joodse jongen wiens vader van daaruit gedeporteerd was en nooit teruggekomen is.”

 

Hebt u daar toen iets van gezegd tegen de legerleiding?

“Nee, we spraken er wel over met de Joodse aalmoezenier. Maar die legerdienst was een zeer bevreemdende ervaring.

“Mijn latere adoptievader Emiel Vos kwam in 1942 ook in Kazerne Dossin terecht, samen met zijn vrouw en drie kinderen. Ze moesten slapen op stro dat op de grond lag. Er was één waterkraan voor duizend mensen. De treinreis naar Auschwitz duurde drie dagen. Ze kregen geen eten of drinken en er waren geen wc’s. Enkel een emmer in de beestenwagon. Het konvooi stopte in Kosel, vlak voor Auschwitz. Alle mannen tussen 15 en 50 jaar moesten eruit; zij waren nog geschikt om te werken. Emiel kreeg een duw in de rug en had zelfs geen tijd om afscheid te nemen van zijn gezin. De ouderen, vrouwen en kinderen reden daarna direct door naar de gaskamers.

“De Joodse gevangenen werden voor twee mark per dag voor slavenwerk uitgeleend aan grote Duitse firma’s zoals Krupp, Siemens of Volkswagen. Ze moesten werken tot ze doodvielen of naar de gaskamer gingen. Er zijn 1,5 miljoen Joden vermoord in Auschwitz. Emiel moest slavenarbeid verrichten voor IG Farben, het huidige Bayer.”

 

In het concentratiekamp van Auschwitz hebben Emiel en uw vader elkaar ontmoet?

“Iemand zei tegen Emiel: ‘Er is hier familie van jou.’ Toen hebben ze elkaar gezien. Emiel vertelde later dat mijn vader geloofde dat wij in veiligheid waren. Op zekere dag was Emiel zijn gamel voor zijn dagelijkse portie waterige soep kwijt. Twee dagen zonder soep of brood betekende de hongerdood. Mijn vader leende toen zijn etensblik aan Emiel uit en redde zo diens leven.

“Emiel zag papa nog op het einde. Hij was doodziek en had waarschijnlijk tyfus. Hij gaf het op en kwam terecht in de Krankenstube, voorportaal voor de gaskamer. In de jaren dertig was papa een echte zakenman, met internationale connecties. Mijn moeder heeft de brieven bijgehouden van de Engelse ondernemers waarmee hij in contact stond. Van de ene dag op de andere werd hij behandeld als slaaf, voorbestemd om vermoord te worden. Hij had geen enkele waarde of eigenwaarde meer.”

 

Na de arrestatie van uw vader dook uw moeder samen met u onder in Kortrijk?

“Veel Joodse mensen doken onder in Wallonië, maar mijn moeder vluchtte naar Otegem bij Kortrijk, naar een klant van mijn vader. Ze kende niemand anders die haar kon helpen. Maar die man wou van de toestand profiteren en maakte ongewenste avances. Ze vertrok en vond een onderkomen op een boerderij, waar ze heel snel bezoek kreeg van de pastoor. ‘Als je je tot het christendom bekeert, zal ik je helpen’, zei hij. ‘Anders geef ik je aan bij de Duitsers.’ Ze vluchtte opnieuw weg, blondeerde haar haar en geraakte aan een vals paspoort. Ze had dringend geld nodig en vond werk als vertegenwoordiger in producten voor ziekenhuizen en apotheken.

“We kwamen toevallig bij Raymond Verhaegen en Julia Leenknecht terecht. Zij hadden een café in Kortrijk. Het was guur buiten en mama stapte er met mij op de arm binnen om een kop koffie te drinken. Julia voelde meteen sympathie voor die kleine baby. Mama vroeg voorzichtig of ze iemand wist waar ze terechtkon. Raymond en Julia beslisten om ons in hun huis op te nemen. Dat was zeer moedig van hen. De hele oorlog zijn we bij hen gebleven, en ik voelde me daar goed. Hun dochter Mona is als een zus voor mij. Als Mona op school een appelsien of een reep chocola kreeg, bewaarde ze die om met mij te delen. Zij trouwde later met de kunstenaar Octave Landuyt. We zijn nog altijd heel nauw met elkaar verbonden en telefoneren een paar keer per week. Alles wat ik van toen weet, hebben Mona en mijn moeder me verteld.”

 

Wanneer wist uw moeder dat uw vader dood was?

“Vanaf april 1945 kwamen er treinen met overlevenden uit de concentratiekampen. Mijn moeder nam me toen mee naar het station. Ze had een foto van papa bij die ze aan iedereen toonde. Vergeefs.

“Emiel Vos was een van de weinige overlevenden. Van de 25.000 Joodse Belgen hebben 1.200 de oorlog overleefd. Op 18 januari 1945 vertrok de SS uit Auschwitz. Ze lieten 2.000 Joden voor halfdood in de infirmerie achter en stuurden 20.000 anderen op dodenmars naar het honderden kilometers verder gelegen concentratiekamp Buchenwald. In april kwam Emiel daar totaal uitgeput aan. Hij moest er opnieuw gaan werken, maar hij kon niet meer. Hij verstopte zich tussen de lijken. Op 11 april werd het kamp bevrijd door de Amerikanen. Emiel was zo verzwakt dat hij niet meer kon eten. Ze verzorgden hem en brachten hem na twee maanden over naar Nederland, om verder te herstellen. Vervolgens reisde hij naar zijn schoonbroer in Antwerpen.”

 

Wist hij toen al dat zijn vrouw en kinderen dood waren?

“Ja. Hij was nog niet lang in Auschwitz toen hij tegen een medegevangene begon over zijn gezin dat hij in Kosel had moeten achterlaten. Die man zei: ‘Zie je de rook uit die schoorsteen daar? Dàt zijn je vrouw en kinderen.’

“In Antwerpen hoorde Emiel dat een nichtje, mijn moeder, het overleefd had en dat ze in het huis van haar ouders in Berchem woonde. Hij belde aan en mama herkende hem eerst niet. Hij woog 34 kilo. Ze bood hem tijdelijk onderdak aan. ‘Tot je voldoende hersteld bent om te gaan werken.’ Maar hij is gebleven en in 1950 zijn ze getrouwd.”

 

Hij adopteerde u. Was dat moeilijk voor u?

“Zeker. Ik was nog maar vier jaar, maar toch begreep ik heel goed wat er gebeurde. Want mijn moeder had tijdens de oorlog voortdurend verteld over papa Albert. Ik zag dat Mona een moeder én vader had, en ik vroeg steeds naar mij́n vader. Toen trok Emiel bij ons in en na een tijd deelde hij de slaapkamer met mijn moeder. Ik wist heel goed wat dat betekende en ik aanvaardde dat niet.”

 

U zag het als verraad van uw moeder aan uw vader?

“Precies. Ik heb het nooit over mijn lippen gekregen om Emiel papa te noemen. Voor mij bleef hij altijd ‘oom Miel’. Voor hem was dat natuurlijk ook een moeilijke situatie. Hij zag er totaal anders uit dan ik. Hij had rood haar en een witte huid met sproeten. Ik had een bruine teint, donkere ogen en zwart haar. Zijn overleden kinderen leken op hem. In het memoriaal van Kazerne Dossin kunt u een video zien waarin hij vertelt over het leven met zijn kinderen. Dat is heel aandoenlijk. Maar ik kon hem pas ‘paps’ noemen na het overlijden van mama in 1985. Hij was toen al 75, maar ‘papa’ lukte nog steeds niet.

“Mama was een sterke vrouw die altijd alles regelde. Na haar dood moest ik haar plaats innemen. Ik zorgde ervoor dat Emiel niets te kort kwam en goed omringd was. Ik ging overal mee met hem. Hij stierf op de voorlaatste dag van 1999.

“Emiel kon heel goed in het openbaar spreken en kwam indertijd veel op televisie. Hij hield van opera en schrijven en was een fervent museumbezoeker. Ik heb veel van hem geleerd en hij heeft me gevormd. Mijn smaak voor kunst heb ik van hem.”

 

Toch bleef uw relatie met hem altijd een beetje ongemakkelijk?

“Hij accepteerde mij als de zoon van zijn tweede vrouw; ik denk dat dat de juiste omschrijving is. Want hij zag mijn moeder heel graag. In ’45 was ze nog maar 25 jaar oud en knap. Zij dacht er eerst niet aan om iets met hem te beginnen. Maar op een dag kwam hij terug van een reis naar Nederland en hij had een hemdje voor mij meegebracht. Dat was het moment waarop mijn moeder besefte dat hij misschien een goede vader voor haar zoon kon zijn. Hij was ook goed voor mij, en ik voor hem. Maar in een huwelijk zijn er soms discussies en ik koos dan de kant van mijn moeder, altijd.”

 

U mist nog steeds uw echte vader?

“Steeds meer. Hoe ouder ik word, hoe groter dat gemis.”

 

(c) Jan Stevens

‘Het wordt nooit meer zoals voorheen’

Volgens het IMF wordt de Grote Lockdown de ergste wereldwijde recessie sinds WO II. “Hoog tijd dat onze politici een échte federale regering vormen”, vindt econoom Koen Schoors. “De speeltijd is voorbij; de school staat in brand.”

 

Dinsdag stelde het Internationaal Monetair Fonds (IMF) een update van zijn World Economic Outlook voor. IMF-hoofdeconoom Gita Gopinath nam geen blad voor de mond. “Als gevolg van de coronacrisis kan het verlies aan wereldwijde economische activiteit in 2020 en 2021 samen 9.000 miljard dollar bedragen”, voorspelde ze. “Dat is meer dan de economieën van Japan en Duitsland samen.” Ontwikkelde economieën zouden gemiddeld met 6 procent krimpen; België dreigt 5,4 procent te verliezen. Gopinath doopte de grootste crisis sinds de Grote Depressie van de jaren dertig: ‘de Grote Lockdown’. “Geen goede naamkeuze”, vindt Koen Schoors, professor economie aan de UGent. “Die term wijst met een beschuldigende vinger naar overheden die een lockdown organiseren. Maar niet de lockdown veroorzaakt de recessie, wel het coronavirus.”

 

Het IMF erkent toch het belang van een lockdown om een nog grotere economische inzinking te voorkomen?

“Zeker. Er is ook geen alternatief. Als we het coronavirus vrij spel geven, is de dodelijkheid 2 procent. Van de 10 miljoen Belgen zullen dan in een half jaar tijd 200.000 mensen het niet overleven. Geen enkele samenleving kan in zo korte tijd zoveel overlijdens verwerken. Dan pas wordt de chaos totaal, valt ons hele systeem als dominostenen omver en slaan mensen aan het plunderen. De kost van de lockdown is gigantisch, maar ligt veel lager dan de kost van de totale chaos. Maar als alle overheden hun lockdowns internationaal hadden gecoördineerd, was de chaos nóg minder geweest en de kostprijs ook.”

 

Europa heeft het laten afweten?

“De Europese Unie krijgt van de lidstaten altijd de schuld: ofwel doet ze te veel, ofwel te weinig. In dit geval valt de EU niets te verwijten, want ze heeft niets te zeggen over gezondheidszorg: die bevoegdheid zit nog steeds bij de natiestaten.

“Op het moment dat China in lockdown ging, had de rest van de wereld meteen moeten volgen. De economische kost zou dan ook immens geweest zijn, alleen was het virus dan nu misschien zo goed als verdwenen. Maar de lockdowns volgden het tempo van het virus, dat op zijn beurt onze handels- en reisroutes volgde. Het ene na het andere land sloot de grenzen, telkens toen de besmetting uit de hand begon te lopen. De lockdowns worden de komende weken één na één teruggeschroefd, en dat zal opnieuw voor problemen zorgen. De textielcentra in China die een groot deel van onze kleren produceren, zijn terug actief, maar in Europa en de VS blijven de winkels voorlopig dicht. Onze bedrijven die nog produceren en een belangrijke buitenlandse afzetmarkt hebben, krijgen hun goederen niet zomaar tot op de bestemming. Want het internationale transport via schepen en vliegtuigen is zwaar verstoord. Een internationaal gecoördineerde lockdown was dus véél beter geweest.

“Een bijkomend probleem is dat verschillende bedrijven dood zullen zijn op het moment dat onze lockdown opgeheven wordt. De overheid probeert nu in de mate van het mogelijke het aantal faillissementen te beperken. Ik hoop echt dat dat lukt, want hoe meer ondernemingen deze crisis niet overleven, hoe groter de gevolgen. Het zou wel eens kunnen dat door een gebrek aan leveranciers sommige basisproducten dan niet meer, of met vertraging geleverd worden.”

 

Er zullen toch ook bedrijven overkop gaan die vóór de coronacris al aan het zwalpen waren?

“Natuurlijk, en sommige van die zombies steken nu misschien hun inefficiëntie op corona, waardoor ze hun leven door de steunmaatregelen nog wat langer kunnen rekken. Dat is niet goed, want zo wordt de druk op de gezonde ondernemingen vergroot. Alleen is het soms heel moeilijk om te bepalen welk bedrijf een zombie is en welk niet.”

 

Dat is in handen gelegd van de banken met hun staatswaarborg van 50 miljard euro aan coronakredieten voor getroffen bedrijven?

“Ja, en daarnaast zijn er ook de verschillende vormen van inkomenssteun van zowel de federale als de regionale regeringen. Denk maar aan de 4000 euro hinderpremie voor zelfstandigen die noodgedwongen hun bedrijf moesten sluiten, of het stelsel van tijdelijke werkloosheid. Dat zijn uitstekende maatregelen die dienen om het economische weefsel zoveel mogelijk in stand te houden. Door tijdelijke werkloosheid moeten ondernemingen geen mensen ontslaan, verliezen ze hun goede werkkrachten niet en kunnen ze bij de heropstart de draad snel weer oppakken. Ons huidige systeem met automatische stabilisatoren werkt prima. Alleen: hoe langer die lockdown duurt, hoe groter de schade aan ons economische weefsel toch zal zijn.”

 

Volgens het IMF zal deze crisis in België voor 100.000 extra werkzoekenden zorgen. Misschien is dit een goed moment om de discussie over het basisinkomen nieuw leven in te blazen?

“Velen pleiten nu voor een basisinkomen, maar ik vind dat onzin. Ons huidige tijdelijke werkloosheidsstelsel zou je een vorm van basisinkomen kunnen noemen. Voor 1 miljoen werklozen kost ons dat nu 1,7 miljard euro per maand. Een echt basisinkomen moet continu betaald worden aan minstens 5 miljoen Belgen. Hoe gaan we dat financieren? ‘Schaf alle andere uitkeringen en sociale voorzieningen af’, wordt dan gezegd. Maar die berekening zou wel eens lelijk kunnen tegenvallen.”

 

Maatregelen zoals tijdelijke werkloosheid en de hinderpremies kosten de overheid tientallen miljarden. Ooit moeten die schulden terugbetaald worden?

“Toch niet. Een jarenlang opgestapeld tekort op de begroting moet terugbetaald worden, maar een eenmalig groot begrotingstekort veroorzaakt door een ingrijpende externe schok, is niet erg. De bijkomende tientallen miljarden om de coronacrisis te bezweren, komen bij de staatsschuld. Die zal inderdaad stijgen tot 110 à 115 procent (in het derde kwartaal van 2019 bedroeg die 102,3 procent – JS). Van zodra de economie weer aantrekt, er geen tekorten meer opgestapeld worden en de rente lager blijft dan de economische groei, smelt die schuld vanzelf zachtjes weg.”

 

Dat is dan in de veronderstelling dat er geen nieuwe lockdowns volgen? Een pas in Science gepubliceerde Harvard-studie stelt dat we bij uitblijvend vaccin tot in 2022 onszelf minstens vier keer per jaar zullen moeten opsluiten.

“Als die voorspelling uitkomt, zitten we in een totaal ander scenario. Maar als er eerder een vaccin komt en we later dit jaar toch nog eens één keer in lockdown moeten, blijft dat voor de begroting een eenmalige grote schok. Die schulden moeten we niet terugbetalen op voorwaarde dat onze economie groeit en de rente laag blijft.”

 

Onze economie moét dus gebaseerd blijven op groei?

“Ik hoor veel mensen nu zeggen: ‘Zie je wel hoe belangrijk investeren in gezondheidszorg is?’ Ze hebben gelijk. Tezelfdertijd zingen ze de lof van een economie in stilstand: ‘Nu kun je tenminste genieten van de heldere blauwe lucht. Eindelijk zijn we van die files vanaf.’ Ze vergeten alleen dat een stevig gefinancierde gezondheidszorg niet mogelijk is in een economie die op apegapen ligt. Zonder groei is er geen extra geld voor zorg. En zonder groei wordt een eenmalige operatie om een crisis zoals deze te overbruggen, totaal onmogelijk.

“Ik pleit voor duurzame, groene economische groei, voor groei die goed is voor mens en maatschappij. Dan gaat het over bouwen van elektrische auto’s in plaats van benzinewagens, bijvoorbeeld. Of over de productie van zonnepanelen en windmolens. Groei mag geen doel zijn, maar is een randvoorwaarde om de schuld onder controle te houden en zo meer zorg mogelijk te maken. Wie ontkent dat groei nodig is, beseft niet hoeveel zorg kost en hoe groot de schuld is. Wie deze lockdown aangrijpt om de lof van het basisinkomen te bezingen, kan niet rekenen. Dan eindigen we met een diepe depressie zoals in Griekenland. Dat wil niemand meemaken. Na deze eenmalige ingreep moet de begroting terug op orde gebracht worden. Ons grote probleem is dan die 12 miljard euro begrotingstekort van vóór de coronacrisis.”

 

Deze crisis zou onze kibbelende politici met de neus op de feiten moeten drukken en hen moeten aanzetten tot het vormen van een echte federale regering?

“Zonder twijfel, alleen vrees ik dat zij nog steeds volop hun politieke spelletjes aan het spelen zijn. De eerstvolgende volwaardige federale regering draagt een verpletterende verantwoordelijkheid, want de crisis wordt zeer diep.”

 

Om Pieter De Crem te citeren: de speeltijd is voorbij?

“De speeltijd is al een tijd voorbij; de school staat in brand. Als deze coronacrisis eenmalig blijft, is de kans groot dat het op economisch vlak goed komt. Alleen zal het nog even duren en het wordt nooit meer zoals vroeger. We zullen anders naar de wereld kijken. Want mensen die nu telewerken hebben ontdekt dat ze niet alle dagen in de file hoeven te staan. Voor twintigers en dertigers is deze crisis een enorme schok. Ondanks de klimaatverandering en de financiële crisis groeiden ze op in een vrij stabiele wereld. De kwetsbaarheid komt voor hen nu plots zeer dichtbij. Dat kan niet anders dan hun wereldbeeld beïnvloeden. De maatschappij zál daardoor veranderen, alleen weten we nog niet hoe.”

 

Een belasting op vermogen was tot hiertoe onbespreekbaar. Tijd om dat taboe te laten sneuvelen?

“Ik hoop het. De belastingen zijn in dit land te hoog, maar ook niet eerlijk verdeeld. Vooral de middenklasse betaalt veel belastingen, terwijl de upperclass de dans weet te ontspringen. Kapitaal wordt quasi ongemoeid gelaten en wordt ongeschonden doorgegeven van de ene op de andere generatie. Die constructies moeten dringend tegen het licht gehouden worden.”

 

Betekent deze crisis het einde van de globalisering?

“Die verdwijnt niet, al zal er meer lokaal geproduceerd worden. Een geglobaliseerd netwerk is zowel robuust als fragiel. Doordat het zo groot is, heeft het veel buffers die schokken kunnen opvangen. Maar als de schok op te veel plekken voelbaar is, werkt het netwerk als brandversneller. Hoe afhankelijker we van elkaar zijn, hoe kwetsbaarder ons netwerk wordt. Jarenlang ving de globalisering de schokken op, nu worden ze versterkt. Met als logische gevolg dat landen van het netwerk afkoppelen en lokaal proberen produceren.”

 

Ze worden protectionistisch?

“Ja, en ze gooien meteen de grenzen dicht. Dat is exact wat nu bij ons gebeurt. Vandaag raak je België niet meer binnen of buiten. Later koppelen we ons wel terug aan dat netwerk aan. Alleen wordt het nooit meer zoals voorheen, want we kennen nu de kostprijs van te veel afhankelijkheid.”

 

© Jan Stevens

‘Bij Facebook heiligt het doel de middelen’

Drie jaar lang hing Steven Levy rond in het hoofdkwartier van Facebook in Menlo Park, Californië. Zijn doel: zoveel mogelijk materiaal verzamelen voor zijn boek Facebook, the inside story. “De voornaamste prioriteit van Facebook is: nóg groter worden. Ten koste van alles.’”

 

De inmiddels 69-jarige New Yorkse journalist Steven Levy is niet de eerste, de beste. In 1978 vond hij als jonge reporter de verdwenen hersenen van Albert Einstein terug in een glazen pot op de schouw van patholoog-anatoom Thomas Harvey. Toen Harvey in april 1955 op de pas overleden Einstein een autopsie uitvoerde, kon hij niet aan de verleiding weerstaan het brein van ’s werelds grootste genie mee naar huis te nemen. Levy’s levendige verslag van zijn zoektocht naar Einsteins hersenen markeerde meteen ook de start van zijn journalistieke carrière. Hij specialiseerde zich in digitale technologie en is vandaag ‘editor at large’ bij het maandblad Wired.

Tussen 2016 en 2019 voerde Levy lange gesprekken met Facebook-baas Mark Zuckerberg in diens door de iconische architect Frank Gehry ontworpen glazen kantoor, bijgenaamd The Aquarium. In Facebook, the inside story merkt Levy op dat de glazen wanden van Zuckerbergs kantoor bekleed zijn met de slogan: ‘Be the nerd’.

 

U was een ‘embedded journalist’ bij Facebook?

Steven Levy: “Ik had geen badge waarmee ik naar hartenlust kon in- en uitchecken, en mocht ook niet aanschuiven bij vergaderingen. Maar ik mocht wel op het hoofdkantoor rondwandelen en had de toestemming om te praten met wie ik maar wou. Ik zocht ook ex-werknemers van Facebook op. Sommigen wilden enkel praten met toestemming van Facebook; anderen spaarden hun kritiek niet. Facebook had geen enkele controle over mijn boek en mocht het niet nalezen.”

 

Waarom kreeg u die totale vrijheid?

“Die kwam niet vanzelf. Tijdens de voorbereidende gesprekken wees ik hen verschillende keren op het historische belang van hun social mediaplatform. Ik zei: ‘Ooit voelt iemand zich geroepen om die geschiedenis te schrijven. Misschien heeft die man of vrouw dan een verborgen agenda. Met mij weten jullie wat voor vlees je in de kuip hebt.’”

 

Dat ‘historische belang’ is dat Facebook via digitale weg de wereld tracht te ‘verenigen’?

“Precies. Facebook wil dat ene netwerk zijn waar elke wereldburger deel van uitmaakt. Al was dat niet het eerste opzet van Mark Zuckerberg toen hij in februari 2004 op zijn studentenkamer in Harvard met het toenmalige Thefacebook van start ging. Dat was niet meer dan een poging om de medestudenten van zijn campus online met elkaar te verbinden.

“Thefacebook was eerlijk gezegd ook niet bijster origineel: aan de universiteit bestonden er al lang plakboeken met de foto’s en namen van studenten. Zuckerbergs verdienste was dat hij dat Harvard-plakboek digitaliseerde. Het duurde niet lang of hij wou uitbreiden naar andere universiteitscampussen. Want zo zit hij in elkaar: ongebreidelde groei is wat hem drijft. Toen hij dan een paar maanden later naar Silicon Valley verhuisde, drong het tot hem door dat Thefacebook wel eens heel groot zou kunnen worden. Hij begon er toen ook ‘groots’ over te denken, liet ‘The’ vallen en Facebook startte zijn onstuitbare opmars.”

 

Hij begon zijn verovering van de wereld?

“Ja, en dat mag je zeer letterlijk interpreteren. Als puber was hij geobsedeerd door veroveraars zoals Julius Caesar en Alexander de Grote. In de beginjaren van Facebook organiseerde hij elke vrijdag een vergadering waarop al zijn medewerkers hem vragen mochten stellen. Op het einde van die vergaderingen riep hij altijd: ‘Domination!’ (lacht)”

 

Is hij de verpersoonlijking van de slogan op zijn kantoor: ‘Be the nerd’?

“Als opgroeiende jongen wel. Hij vertelde me dat hij een hartsgrondige hekel had aan honkbal, een sport waar de doorsnee Amerikaanse jonge gast wild van is. Van op jonge leeftijd creëerde hij spelletjes voor computers.”

 

U ontmoette Zuckerberg voor het eerst in maart 2006?

“Ik werkte toen voor Newsweek. Het was de tijd van Web 2.0, toen er nieuwe bedrijven actief werden die mensen via het internet met elkaar wilden verbinden. De social mediapioniers van toen waren Flickr, YouTube en MySpace. Ik hoorde nogal enthousiaste verhalen over een nieuw Web 2.0-bedrijfje, Facebook, dat blijkbaar heel populair was bij scholieren. Ik zocht contact met de stichter, ene Mark Zuckerberg. We spraken af om samen te gaan lunchen. Ik zou hem dan meteen ook interviewen. Hij was 21 en zag er erg groen achter de oren uit. Ik stelde hem een paar doodsimpele vragen om het ijs te breken, maar hij antwoordde niet en staarde me aan. Minutenlang bleef hij staren, zonder met de ogen te knipperen. Het was alsof hij dwars door me heen keek. Ik was stomverbaasd: was deze weirdo de CEO van een veelbelovende start-up? Ik begon aan mezelf te twijfelen: misschien stelde ik foute vragen, of had ik in het verleden iets geschreven dat hem op de lever lag.”

 

Maar het lag niet aan u?

“Nee, ik hoorde later van collega’s gelijkaardige verhalen. In die tijd reageerde hij gewoon zo: je stelde een vraag, hij staarde je aan en zweeg. In de loop der jaren verminderden die ongemakkelijke momenten.”

 

Hij volgde communicatietrainingen?

“Toch niet, hij trainde zichzelf. Hij had snel door dat zijn starende stiltes nogal lullig overkwamen en zijn reputatie geen deugd deden. Tijdens de interviews voor mijn boek viel hij bijna nooit stil. Maar heel af en toe gebeurde het toch, zeker bij een onverwacht lastige vraag. Een Facebook-kaderlid vertrouwde me toe dat ze hun baas soms het ‘oog van Sauron’ noemen, uit Lord of the Rings. (lacht)”

 

In zijn beginjaren was Mark Zuckerberg zeer opportunistisch. Zo vertraagde hij in 2003 doelbewust ConnectU, een gelijkaardig project als Facebook.

“Eind 2002 maakten de Harvard-studenten Divya Narendra en de tweelingbroers Cameron en Tyler Winklevoss plannen voor de website ConnectU. Die leek inderdaad als twee druppels op Facebook. Een programmeerder raadde hen ene Mark Zuckerberg aan om de site online te krijgen. Narendra en de gebroeders Winklevoss spraken in november 2003 met hem af en hij reageerde razend enthousiast. Hij zou dat klusje voor hen klaren. Maar er gebeurde helemaal niets. Want intussen was hij begonnen aan zijn Thefacebook. Telkens wanneer het trio vroeg wanneer hun site gelanceerd zou worden, kwam hij met een smoes. Tot Cameron Winklevoss door een vriend getipt werd dat Mark Zuckerberg hen aan het belazeren was. Tijdens een chatconversatie had Zuckerberg gezegd: ‘Iemand probeert al een datingsite te bouwen. Maar ze maakten een fout, haha. Want ze vroegen mij. Dus ben ik dat nu op de lange baan aan het schuiven zodat mijn Facebook-ding eerst kan uitkomen.’ ConnectU werd een paar maanden na Facebook gelanceerd en ging de mist in. Al was dat niet Zuckerbergs fout; de site deugde gewoon niet.”

 

Is Zuckerberg nog steeds zo’n opportunist?

“Ik denk het wel, maar dat hoeft toch niet per se negatief te zijn? Je voordeel proberen halen uit elke kans die zich aanbiedt, is vaak dé sleutel naar succes. Dat is precies wat hij bij de start van Thefacebook deed: iedereen in Harvard was al verbonden met elkaar via hetzelfde netwerk. Het was spotgoedkoop om op dat bestaande intranet zijn site te lanceren.”

 

Maar is hij vandaag nog altijd bereid om anderen zonder scrupules een hak te zetten?

“Als het over Facebook gaat? Zonder twijfel. Zijn motto is: ‘Start meteen nu, excuses zijn voor later.’ Dat is de rode draad doorheen zijn hele carrière als Facebook-CEO. Maar als je een netwerkje op een universiteitscampus runt, zijn de consequenties van cowboygedrag natuurlijk veel kleiner dan wanneer je een wereldwijd digitaal imperium aanstuurt. In sommige door oorlog en geweld geteisterde landen is Facebook zowat de enige bron van nieuws. Als je dan de verspreiding van nepnieuws tolereert, oproepen tot genocide laat passeren en vervolgens alle verantwoordelijkheid afwijst, moet je niet schrikken dat er lastige vragen over je platform worden gesteld.

“Of ik hem daarover aangesproken heb? Natuurlijk. Hij zegt dan: ‘We waren lang verschrikkelijk naïef. Je mag nooit vergeten dat Facebook geboren is op een studentenkamer.’ Hij vergeet erbij te vertellen dat hij amper een jaar na de start al in Silicon Valley aan het onderhandelen was met grote investeerders. Hij haalde veel geld op bij stevige bedrijven en werd geadviseerd door ervaren slimme managers. Zijn excuus dat ze bij Facebook lang zo vreselijk naïef waren, houdt dus geen steek.”

 

De eerste keer dat Zuckerberg voor het snelle geld kiest, eindigt hij in tranen op de vloer van een mannentoilet. Dat was meteen ook het definitieve einde van zijn ‘naïviteit’?

“Precies, en hij was toen amper 20. De oudere en meer ervaren Matt Cohler, één van de stichters van LinkedIn, was net bij Facebook in dienst getreden als Zuckerbergs rechterhand. Zuckerberg was een bewonderaar van Don Graham, de toenmalige uitgever en voorzitter van The Washington Post. In 2005 ging hij Graham opzoeken en sloten ze met een handdruk een deal: de Post zou Facebook begeleiden en financieel steunen. Ik heb als journalist nog voor Graham gewerkt en ik kan je verzekeren: die man heeft het hart op de juiste plaats. Hij had ontzettend veel sympathie voor de plannen van de jonge Zuckerberg. Maar Matt Cohler was van oordeel dat Facebook moest kiezen voor het snelle geld van durfkapitalisten. Hij organiseerde een etentje met een durfinvesteerder en Zuckerberg ging overstag. Halverwege het etentje verdween Mark naar het toilet. Toen hij iets te lang wegbleef, ging Cohler kijken. Hij vond de CEO van Facebook wenend op de vloer. Zuckerberg voelde zich een verrader.

“Hij jammerde dat hij het zo lastig had met dat ‘morele dilemma’: kiezen voor snel geld of goed begeleide langzame ontwikkeling. Voor mij zegt dat veel over wie Mark Zuckerberg écht is. Als juist ethisch handelen dan toch zo belangrijk voor hem was, was er van een ‘moreel dilemma’ toch geen sprake? Ik ben ervan overtuigd dat je Zuckerberg nu nooit meer wenend op de vloer van een mannentoilet zal vinden. Want vandaag is zijn credo: ‘Mijn missie is ethisch juist, daarom zijn alle middelen om die missie te doen slagen dat ook.’ Het doel heiligt de middelen.

“Of zijn plan om alle wereldburgers met elkaar te verbinden ‘ethisch juist’ is, kan ik moeilijk beoordelen. Maar het is op zijn minst wel uniek. Toen Zuckerberg in oktober 2012 bekend maakte dat Facebook 1 miljard leden telde, drong bij mij de grootsheid van zijn ambitie pas echt goed door. Toen wist ik: hier schrijf ik een boek over. (lacht) Nu telt Facebook bijna 3 miljard leden. Het verhaal over hoe dat megalomane plan uitgerold werd, moést gewoon verteld worden. Wie zijn de mensen die daarachter zitten? En hoe gaan ze om met de gevolgen van hun realisatie?”

 

Een van die gevolgen is de enorme wereldwijde macht die ze verzamelden.

“Die macht is inderdaad gigantisch. Zuckerberg en co. zijn zich daar ook zeer bewust van. Intussen is Facebook uitgegroeid tot één van de grootste bedrijven ter wereld, met in 2019 een omzet van bijna 71 miljard dollar en wereldwijd 53.000 werknemers. Of ze de voorbije jaren ook op een verantwoordelijke manier met hun macht omgingen, is weer een ander paar mouwen. Dat kunnen we best omschrijven als ‘a work in progress’.

“De verstoring die ze op de advertentiemarkt aanrichtten, is ook gigantisch. Media raakten adverteerders aan Facebook kwijt, en moesten op zoek naar andere inkomstenbronnen. Het advertentiemodel van Facebook flirt met wat geoorloofd is en wat niet. Het vertrekt vanuit het vergaren van big data. Die private gegevens van gebruikers worden vervolgens ingezet om hen met reclameboodschappen te ‘bewerken’. Manipulatie is nooit ver weg, met het schandaal rond het door de extreemrechtse stokebrand Steve Bannon opgerichte Cambridge Analytica als één van de trieste hoogtepunten. Jarenlang ‘oogstte’ Cambridge Analytica overvloedig data van miljoenen nietsvermoedende Facebook-gebruikers én hun vrienden. Maar ook andere softwareontwikkelaars kochten al die private informatie. Dat handeltje leverde Facebook fortuinen op en gaf een man als Bannon de kans om in de aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016 kiezers gericht te beïnvloeden.

“De voornaamste prioriteit van Facebook is de eigen groei: wereldwijd nóg groter worden. Ten koste van alles. Mark Zuckerberg besteedde de collateral damage uit aan zijn luitenant Sheryl Sandberg. Toen zij in 2008 bij Facebook kwam werken, werd er een duidelijke taakverdeling tussen haar en Zuckerberg afgesproken: zij zou zich bezighouden met het dagelijkse beleid, met de communicatie, het lobbyen en de regelgeving. Hij kon zich dan volop storten op zijn dada: het technologische speelgoed dat Facebook draaiend houdt. Toen leek dat zinvol, alleen werd die splitsing in de daaropvolgende jaren tot in het absurde doorgetrokken. Sandberg lichtte Zuckerberg nooit in over de legale en maatschappelijke problemen waar Facebook mee geconfronteerd werd. Alex Stamos, de voormalige Chief Security Officer (CSO) van Facebook, maakte zich grote zorgen over de Russische inmenging op het platform. Maar doordat hij onder de vleugels van Sandberg moest opereren, raakte hij nooit tot bij Zuckerberg. Vier jaar lang sprak de CSO nooit rechtstreeks met de CEO. Dat is smeken om miserie.”

 

Hoe groot acht u de kans dat na de Amerikaanse presidentsverkiezingen in november, Facebook een half jaar later opnieuw met een soort van Cambridge Analytica-schandaal zit?

“Ze letten bij Facebook nu alleszins beter op. Ze zeggen dat ze op tijd zullen proberen ingrijpen, maar voegen er meteen ook aan toe dat ze niet alles kunnen tegenhouden. Het platform is door Mark Zuckerberg zo ontworpen dat het in een recordtijd sensationeel nieuws de wereld rondstuurt. De news feeds dragen de algoritmekiemen in zich om sensatie te promoten. Indertijd kreeg Zuckerberg daar applaus voor, want die sensatiemotor versnelde de groei van Facebook. Nu komt dat als een boemerang in zijn gezicht terug, want de algoritmes versnellen ook de distributie van nepnieuws.”

 

Ik hoor van steeds meer twintigers en dertigers dat ze Facebook links laten liggen.

“De jongere generatie ruilt het platform in voor Instagram of WhatsApp. Daarom kocht Mark Zuckerberg die ook op. (lacht) Toen hij Instagram en WhatsApp overnam, beloofde hij de stichters dat ze onafhankelijk zouden blijven. Achteraf bleek dat onzin te zijn.”

 

Heeft Facebook de wereld ten goede of ten slechte veranderd?

“Ik merk dat tijdens deze coronacrisis Facebook mensen echt wel bij elkaar brengt. Vanuit onze lockdown kunnen we op een levendige wijze blijven communiceren met vrienden en bekenden. Dat is heel positief. Maar dat neemt niet weg dat dit medium soms zeer destructief is. Er wordt nu ook massaal gemanipuleerde en foute informatie over corona gedeeld die mensen bang, paniekerig, opstandig of verzuurd maakt.”

 

Wat vindt Mark Zuckerberg van uw boek?

“Hij mailde me dat hij het niet met alles eens is. ‘Maar je probeert tenminste eerlijk te zijn’, schreef hij.”

 

Steven Levy, Facebook, the inside story, Penguin, 592 blz., 17,99 euro

 

Steven Levy

  • Geboren in 1951
  • Studeerde Engelse literatuur
  • Was technologiejournalist voor o.a. Newsweek, The New York Times Magazine en The New Yorker
  • Is ‘editor at large’ voor Wired
  • Schreef verschillende boeken over technologie, waaronder in 2011 In the Plex over de werking van Google.

 

© Jan Stevens

‘Corona is een kans om België te resetten’

Ivan Van de Cloot, hoofdeconoom bij denktank Itinera, waarschuwde al heel vroeg voor de gevaren van corona. Sommigen vonden hem een alarmist. Nu adviseert hij samen met Itinera-ceo Leo Neels de overheid. “We roepen onze parlementairen op: kom uit jullie lethargie.”

 

Het hoofdkwartier van de naar eigen zeggen onafhankelijke denktank Itinera ligt aan het Brusselse Warandepark, vlakbij het parlement en de ambtswoning van eerste-minister Sophie Wilmès. Op straat zijn er parkeerplaatsen in overvloed en in het park laten wandelaars hun hond uit, sommigen gewapend met mondmasker.

In de vergaderzaal in het gebouw van Itinera zitten we elk aan onze zijde van de grote tafel: ceo Leo Neels, hoofdeconoom Ivan Van de Cloot, een fotograaf en een journalist. De social distancing is verzekerd. Van de Cloot was een van de eerste economen die waarschuwde voor de gevaren van corona. “In januari was ik al gealarmeerd en elke dag maakte ik me meer zorgen”, zegt hij. “In februari zei ik mijn vakantie naar Venetië, Padua en Ferrara af, ook al keek ik er erg naar uit. Op dat moment was er geen enkel reisadvies dat het vertrek naar Italië afraadde, maar ik zag het toen al misgaan.”

 

Meneer Van de Cloot, aan de telefoon zei u me dat jullie samen met de overheid aan een plan werken voor tijdens en na corona.

Ivan Van de Cloot: “Ik word geconsulteerd en heb hen gezegd dat het goed is dat ze mensen met verschillende perspectieven raadplegen.”

 

U wordt geconsulteerd door de Vlaamse regering?

Van de Cloot: “Ja. Dit huis werkt als een ontmoetingscentrum. Politici overleggen in deze vergaderruimte met ons, al gebeurt dat nu vooral via de telefoon. Ze toetsen ook ideeën bij ons af. Het is toch belangrijk dat ze advies inwinnen en niet in hun ivoren toren blijven?”

Leo Neels: “Wij onderzoeken, publiceren boeken en geven lezingen. Daarnaast vindt u ons ook vaak in de Wetstraat, op het Martelarenplein én in Namen. We adviseren zowel federaal als regionaal, bij autoriteiten en administraties. En ook bij sociale partners. Dat gebeurt allemaal heel discreet; wij communiceren daar niet over. We brengen wetenschappelijke kennis samen en geven intellectueel voedsel. We verstrekken aanbevelingen voor het beleid. Wij durven zeggen: ‘Die keuze is verstandig. Die niet.’”

 

Zit daar ideologie achter?

Neels: “Overal zit ideologie achter. Onze belangrijkste drijfveer is goed bestuur. We geven ook aanbevelingen over ‘best practices’: wat hebben andere landen ondernomen? Waarom werkt de ene aanpak en de andere niet? Niet iedereen moet het met onze keuzes eens zijn.

“Itinera is gesticht in 2006 door ondernemers die zich afvroegen: kan dit land de welvaart blijven garanderen voor onze kleinkinderen? Ze engageerden academici die niet enkel kennis wilden verzamelen, maar ook invloed wilden uitoefenen, zoals professor arbeidsrecht Marc De Vos. Onze allereerste publicatie ging over de arbeidsmarkt en heette: Van baanzekerheid naar werkzekerheid.”

Van de Cloot: “Die titel stond letterlijk in het regeerakkoord van 2014, acht jaar later.”

 

Itinera noemt zich een ‘onafhankelijke denktank’, is die ‘stichting door ondernemers’ dan geen handicap?

Neels: “Dat is net een enorm voordeel. Zij bieden ons wel degelijk totale intellectuele onafhankelijkheid. De analyses van onze academici hebben een onbetwistbaar hoge kwaliteit en dienen geen enkel particulier belang. De wetenschappelijke basis van al onze publicaties moét kloppen. Natuurlijk mag er gedebatteerd worden over de keuzes die wij maken.”

Van de Cloot: “De Marshallplannen in Wallonië komen uit de koker van academici van PS-signatuur. Omdat de instellingen waar zij voor werken door de overheid gefinancierd worden, zouden zij wèl onafhankelijk zijn? Dat snap ik niet. De onafhankelijkheid zit toch in de analyse? Onze financiële partners staan trouwens al jaren open en bloot op onze website.”

 

Zijn onze bewindvoerders door corona in paniek?

Van de Cloot: “Alles evolueert heel snel. De eerste kennismaking met de pandemie was een schok, maar iedereen werd gedwongen snel te schakelen. We zitten niet helemaal op onontgonnen terrein. De voorbije jaren waren er wereldwijd wel meer epidemieën zoals SARS, Ebola, de Mexicaanse griep. Er is dus kennis voorhanden.

“Ik ben een ‘prudentieel econoom’. Mijn leidmotief is dat je in goede jaren reserves opbouwt die je in crisistijd nodig zal hebben. We hebben geen nood aan ‘goed-weer-beleid’ dat doet alsof de zon altijd schijnt en er nooit een storm zal opsteken. Nu hoor je iedereen zeggen dat onze overheid klaar moet staan om de noden te lenigen. Alleen zijn er in het verleden geen budgettaire reserves opgebouwd en torsen we een torenhoge schuld. Duitsland en Nederland bouwden wél reserves op en kunnen nu dus meer geld inzetten dan wij.”

Neels: “Een half jaar geleden vroegen de Nederlanders zich nog af wat ze met al hun miljarden zouden aanvangen. Nu weten ze het. België zal selectiever moeten zijn. In betere tijden hebben we ons geld eigenlijk weggegooid. Daardoor zitten we met een veel groter gat in de begroting dan eerst gedacht.”

 

Terwijl toch vooral onze overheid de economische gevolgen van de coronacrisis zal moeten dempen? Volgens Stefaan Michielsen van De Tijd is zij de enige die daar voldoende financiële slagkracht voor heeft.

Van de Cloot: “Wij vinden niet dat het alleen aan de overheid is. Burgers hebben ook hun verantwoordelijkheid. Velen nemen nu trouwens al sterkere maatregelen dan de regering van hen verlangt. Terwijl de overheid nog wat zoekende is, gaan burgers en ondernemingen vaak al radicaler in lockdown.”

 

Econoom Geert Noels noemde in een inmiddels gewiste tweet de laatste maatregelen tegen corona van de Belgische politieke overheid ‘chaos’.

Neels: “We leven in een democratische rechtsstaat. Soms is goed beleid dan een beetje morsig, maar dat moeten we accepteren, want de overheid wil rekening houden met de vrijheden van 11 miljoen Belgen. In een dictatuur is het altijd simpel: wat de dictator beslist, is wet en wie het daar niet mee eens is, wordt opgepakt. Ik verkies de onvolmaaktheid van de vrijheid boven de vermeende volmaaktheid van de onvrijheid.

“In ons land worden complexe beslissingen heel traag genomen. Collega Marc De Vos merkte het onlangs nog op: écht ingrijpende beslissingen komen er in België pas bij een grote externe schok, zoals de devaluatie van de Belgische frank in 1982 door wijlen Wilfried Martens of het Globaal Plan van wijlen Jean-Luc Dehaene voor de toetreding tot de euro. In beide gevallen stond het land er slecht voor en werden er noodscenario’s met volmachten uitgedokterd die onze democratie en ons overlegmodel volledig buiten spel zetten.”

 

Wat nu herhaald wordt?

Neels: “Dat lijkt inderdaad zo, met de federale minderheidsregering zonder volheid van bevoegdheid. Ze kreeg enkel het vertrouwen voor lopende zaken, maar daarnaast kreeg ze óók nog het vertrouwen voor volmachten. Die grondwettelijke absurditeit kan symbool staan voor het gebrek aan daadkracht in dit land.

“Nu voeren we oorlog tegen die onbekende vijand, dat coronavirus. Deze oorlog dwingt ons veel ambitieuzer dan ooit te zijn. Gelukkig hebben we een solide gezondheidssysteem en gedragen de meeste Belgen zich voorbeeldig, afgezien van extreme hamsteraars. We blijken tot veel in staat, nu de omstandigheden ons ertoe dwingen. Het zou goed zijn als we daar ook op langere termijn lessen uit zouden kunnen trekken. Tien maanden geleden, op 26 mei 2019, trokken we naar de stembus. Sindsdien gebeurde er niets fundamenteels meer. Onze verkozenen zitten stil, loeren naar elkaar en zijn bang om te handelen met het mandaat dat ze van hun kiezers kregen.”

 

Des te verontrustender is het dat onze politici er zelfs met het mes op de keel niet in slaagden om het vorige weekend een volwaardige noodregering te vormen?

Van de Cloot: “We mogen ons niet blindstaren op één weekend. Wat vandaag niet is, lukt morgen misschien wel. Daarom is het belangrijk dat er nu vanuit de samenleving boodschappen uitgestuurd worden naar de politiek en het parlement. Politici schoten misschien niet snel genoeg in gang, maar burgers wel. Zo zijn vandaag huisvrouwen mondmaskers voor rusthuizen aan het naaien. Onze maatschappij blijkt toch geen verzameling burgers te zijn die lijdzaam wacht op beslissingen van de overheid.”

Neels: “Eén van de onderschatte risico’s van onze massieve verzorgingsstaat is dat ze actieve burgers omvormt tot passieve consumenten die enkel nog hun rechten kennen. Die hun rug keren naar de politiek, luisteren naar de sirenenzang van populisten of stemmen op extreme partijen. Nu nemen die burgers zélf het initiatief.”

Van de Cloot: “Ondernemingen worden ertoe gedwongen zichzelf heruit te vinden in bijna één dag tijd. Denk maar aan restaurants die een afhaalservice organiseren. Dat toont ook de veerkracht van onze maatschappij. Dan moet je niet zeggen: ‘Ach, die restaurateurs proberen gewoon geld te verdienen.’ Nee, zij willen in moeilijke tijden hun medeburgers blijven voeden.”

 

Een grote groep ondernemers moest zijn zaak sluiten en heeft geen enkel alternatief.

Van de Cloot: “Het ene bedrijf wordt harder getroffen dan het andere. Het is lastig om sectoren met elkaar te vergelijken, maar het is best mogelijk dat volgend jaar bijvoorbeeld de bouwsector heropleeft. Als dit achter de rug is, houdt niets mensen nog tegen hun opgeborgen bouwplannen alsnog uit te voeren. Een pretpark dat nu misschien maanden gesloten zal zijn, kan de verloren inkomsten natuurlijk nooit meer recupereren. Sommige bedrijven lijden een permanent inkomstenverlies.”

 

Er zijn ook bedrijven die dit gewoon niet overleven.

Van de Cloot: “Dat is een delicate discussie. Sommige bedrijven konden in goede tijden enkel overleven omdat de rente quasi nul was. Zo bouwden ze enorm veel schulden op. Volgens onderzoek zijn ongeveer 8 tot 10 % van alle ondernemingen zombiebedrijven, gedoemd om ooit te verdwijnen. Natuurlijk moeten we levensvatbare bedrijven helpen overbruggen met bijvoorbeeld uitstel van betaling, maar over die andere moet toch eens goed nagedacht worden.”

 

Moeten de scenario’s om bedrijven al dan niet te hulp te schieten nu niet gewoon op tafel liggen?

Van de Cloot: “Jawel, maar dat moet niet altijd op het publieke forum besproken worden, ook al zijn het geen geheimen. Dat is een taak voor banken, kredietbeoordelaars, verzekeraars. De Nationale Bank leidt dat in goede banen. Na de financiële crisis van 2008 werden de banken verplicht meer reserves op te bouwen. Ze werden ook verplicht om bij een nieuwe schok die reserves in te zetten. Ze moeten dat weldoordacht doen en niet in het wilde weg: niet iedereen die een lening wil, zal die zomaar krijgen. De banken krijgen daar nu instructies voor van de Nationale Bank.”

 

We mogen blij zijn met de crisis uit 2008, anders zaten we nu pas echt goed in de shit?

Van de Cloot: “Goh, omdat de overheid toen moest bijspringen, steeg de overheidsschuld met 100 miljard euro. Dat zullen we nu ook moeten uitzweten. In Nederland is er meer budgettaire ruimte, maar dat wil nog niet zeggen dat deze crisis bij hen minder impact heeft. De Nederlandse overheid kiest voor het scenario van sneller opbouwen van groepsimmuniteit. Later zal blijken of dat de juiste keuze was. Elk land moet zijn verantwoordelijkheid nemen en legt eigen accenten.”

 

En Europa?

Van de Cloot: “Europa zal nu moeten bewijzen dat het kan presteren wanneer het erop aankomt. Ik wil niet veroordelen, maar stel soms verkeerde inschattingen vast. Dat is normaal in deze omstandigheden. Er vonden een paar zeer ongelukkige gebeurtenissen plaats, zoals vrachtwagens vol beschermingsmateriaal voor onze dokters die aan een landsgrens werden tegengehouden. Daarom is het extreem belangrijk dat er in Europese kringen crisisoverleg georganiseerd wordt.

“Ik ben voorstander van anti-roekeloosbeleid. Dat wil zeggen dat de overheid zich altijd bewust moet zijn van de kwetsbare plekken in de samenleving. Het gezondheidssysteem is daar één van. In tijden waarin alles normaal lijkt te verlopen, moeten dan toch regelmatig vragen gesteld worden als: hoeveel capaciteit aan bedden is er? Hoe zit het met onze strategische voorraden aan mondmaskers? Ook grote instellingen en organisaties hebben niet voor niets specialisten in dienst die scenario’s voor de strijd tegen een pandemie uittekenen. Wie als overheid daarop beknibbelt, riskeert later de rekening gepresenteerd te krijgen. Hier geldt: penny wise, pound foolish. Gierigheid bedriegt de wijsheid.”

Neels: “In 2009 waren we heel goed voorbereid op de Mexicaanse griep. Gelukkig brak die epidemie bij ons niet door. Marc Van Ranst werd door sommigen als angstzaaier weggezet. Er werd toen een strategische voorraad mondmaskers aangelegd. Nu blijkt dat die in legerdepots lag te beschimmelen. Dat is toch een teken dat er bij ons onvoldoende aandacht was voor ‘prudentieel’ of anti-roekeloosbeleid? Dat er té veel achteloosheid is?”

Van de Cloot: “Die achteloosheid is er al lang en geldt niet enkel voor de overheid. Ze nestelde zich diep in verschillende culturen; je vindt ze bijvoorbeeld ook terug bij de media, die te veel de waan van de dag volgen en te weinig aandacht hebben voor diepere achtergronden.”

 

Volgen de media in hun corona-verslaggeving ook de waan van de dag?

Neels: “Bij de start van de epidemie was de toon iets te dramatisch en overdreven, vond ik. De verslaggeving stond niet in verhouding met de feiten zoals ze toen waren gekend. Soms was er een stuitend gebrek aan kennis. Daar moeten redacties dringend iets aan doen. De reguliere media laten hun agenda te veel bepalen door sociale media. Dat is een zware fout. De pers zou zich net van sociale media moeten onderscheiden met kennis en gevalideerde informatie. Intussen hebben de virologen in ons land de leiding van het beleid genomen. Dat is echt uniek. De 9 ministers die iets met gezondheidszorg te maken hebben, volgen hen. Dat is prima, maar misschien kunnen we daar ook lessen uit trekken voor toekomstig beleid. Nu laat de pers in haar berichtgeving ook de kennis van die virologen domineren. Uitstekend, want zo wordt de bevolking gemobiliseerd op basis van kennis.”

 

Eind februari twitterde Geert Noels: ‘Ik krijg berichten dat er dingen verzwegen worden. Dat deze ziekte onverwachte complicaties heeft die men niet durft communiceren. (…) zoals bij Tsjernobyl wekenlang de waarheid verzwijgen is vandaag geen optie meer.’ Noels is geen journalist maar een econoom.

Neels: “Die tweet was vreselijke onzin.”

Van de Cloot: “Twitter is een gevaarlijk medium en soms zijn tweets iets te snel geplaatst. Al in het begin benaderde ik discreet journalisten met mijn bezorgdheden en voelde ik weerstand. Er was ook bij redacties de neiging om te minimaliseren. ‘We moeten oppassen met wat we brengen, want we zouden burgers kunnen verontrusten.’

“Weet u wat soms het probleem is? Een mens luistert vaak liefst naar de klok die het mooist klinkt. Voor hij het beseft, zit hij in een tunnelvisie en neemt hij ondoordachte beslissingen. Daarom zeg ik ook tegen de minister: luister naar verschillende klokken vooraleer je beslist.”

 

Tegen welke minister zegt u dat?

Van de Cloot: “Dat ga ik u niet vertellen. (lacht)”

Neels: “Wij spreken met politici van verschillende gezindheden. Meerderheid of oppositie speelt voor ons geen rol: de oppositie van vandaag is de meerderheid van morgen.

“Jarenlang dachten onze beleidmakers dat we het ons konden permitteren geen keuzes te maken. Dus kozen we alles tegelijk en financierden dat met schuld. De rente was toch quasi nul. Maar goed bestuur wil zeggen dat er wèl keuzes gemaakt worden. Net dat hebben wij verleerd. Waarom komt er geen volwaardige federale regering? Omdat niemand durft kiezen.”

 

Sommige economen vinden dat we ervoor moeten kiezen om ons nog dieper in de schuld te steken.

Neels: “Nu wel. Nu heeft austeriteit of soberheidsbeleid geen zin. Er moet dus geïnvesteerd worden, zeker in het gezondheidssysteem, in noodmaatregelen en in het eerste herstel na de recessie die zal volgen. We moeten voorkomen dat die een depressie wordt. Daar bestaan geen 36 remedies voor, behalve investeren.”

Van de Cloot: “Misschien is de tijd nu ook voor onze parlementsleden aangebroken om keuzes te maken. In plaats van op een soort verlengd verlof te vertrekken, kunnen zij zich beter over de huidige crisis buigen. Wat houdt hen tegen om te discussiëren over de crisismaatregelen? Of over hoe de wereld er na corona zal uitzien? Het parlement moét functioneren. Als de rest van de maatschappij digitaal kan vergaderen, kunnen parlementsleden dat toch ook?”

 

Nu lijkt het te veel alsof parlementsleden zeggen: “We geven de regering volmachten; dat ze het maar oplost”?

Van de Cloot: “Ja, waarna ze achteroverleunen.”

Neels: “Die volmachten zijn een zwaktebod. We gaven een mandaat aan parlementsleden die nu op bevel van hun partijvoorzitters niets mogen ondernemen. Dat is slechte particratie. Terwijl in dat parlement talentvolle, verstandige mensen zitten. Ze hebben tijd en middelen. De senaat zit als rust- en verzorgingstehuis te verkommeren. Dat is toch onaanvaardbaar? We hebben net nu alle talent en brains broodnodig.”

 

Misschien is dat meteen ook het uitgelezen moment om die andere grote crisis, de klimaatverandering, aan te pakken?

Van de Cloot: “We zitten nu in een gezondheidscrisis. Laten we die eerst in goede banen leiden voor we over het klimaat beginnen.”

 

De gevolgen van de klimaatverandering worden misschien nog veel ingrijpender dan wat we nu meemaken.

Van de Cloot: “De ernst van de toestand lijkt bij u niet helemaal door te dringen. Het gaat nu over dagen en mensenlevens. Weet u welke catastrofe er zich in Italië aan het voltrekken is? Wij lopen misschien hoogstens tien dagen achter op hen.”

 

En toch zijn er ook stemmen die waarschuwen voor de gevolgen als we nu geen ingrijpende maatregelen nemen tegen de klimaatverandering. Deze crisis zou wel eens een schijntje kunnen zijn van wat er dan op ons afkomt.

Van de Cloot: “Dat kan best zijn, maar nu staan we voor twee weken waarin we moeten vechten voor ons overleven. Laat ons elke dag maximaal benutten om déze crisis het hoofd te bieden.”

Neels: “De urgentie is nu niet het klimaat. Even niet. Als dit achter de rug is kan de klimaatcrisis terug op de agenda. Wie weet, komen er nog andere crisissen tussen. We don’t know.”

 

Is het gevaar niet heel erg groot dat het na deze crisis terug business as usual wordt?

Neels: “Uit deze crisis moeten we proberen goede lessen te trekken, wat bij voorgaande crisissen inderdaad helaas niet gebeurd is. Vandaar onze oproep aan onze parlementairen: zit niet te niksen en kom uit jullie lethargie. We moesten mondmaskers importeren uit het buitenland, met alle gevolgen van dien. Misschien is het hoog tijd dat we de maakindustrie terug in eigen handen nemen, in plaats van ze uit te voeren naar lageloonlanden. We beseffen het nog niet, maar die globalisering is voorbij.”

Van de Cloot: “In 2017 brachten wij die boodschap over de maakindustrie al. De meeste media hadden daar toen geen aandacht voor. Vandaag roept iedereen: ‘Hoe komt het dat we geen strategische voorraad mondmaskers hebben?’ Misschien kan nu dan wel doordringen dat je voor je strategische sectoren niet zomaar ongestraft afhankelijk kunt zijn van een land aan de andere kant van de wereld.”

 

Veel economen hebben de globalisering lang bezongen.

Van de Cloot: “U veralgemeent en maakt een intentieproces. Er waren genoeg economen kritisch over de globalisering.”

Neels: “Toch klopt het dat veel economen dat inderdaad wel deden. Maar in 2017 wezen wij op het belang van onze maakindustrie voor ons economisch weefsel en niemand lette daar toen op. Vorig jaar zetten we het belang van familiebedrijven in het licht en ook daar was weinig belangstelling van de media voor. We moeten ons echt afvragen: waarom maken we hier geen mondmaskers? Waarom produceren we reagentia, testproducten, in een onbetrouwbaar land als Puerto Rico? Die dwaze uitbesteding van productie van fundamentele goederen aan verre buitenlanden moét stoppen.”

Van de Cloot: “Ik zeg als econoom al jaren: de piekglobalisering is een vergissing. Ik kan u daar oude artikels over bezorgen. We moeten op zoek naar een nieuw evenwicht. Misschien wordt mijn boodschap vandaag eindelijk wél gehoord.”

 

De antiglobalisten hebben gelijk?

Van de Cloot: “Ze leggen de vinger op de wonde, maar hun oplossingen zijn zo radicaal dat ze geen enkel draagvlak in de samenleving hebben. In plaats van aan slogans hebben we behoefte aan een rationeel debat.”

Neels: “Antiglobalisten hebben geen gelijk. Ze hebben wel terecht de overdreven globalisering aangekaart. Lang werden ze niet gehoord omdat ze tezelfdertijd ook het verzet predikten tegen het economische stelsel dat rust op waardecreatie door ondernemingen in een democratische rechtstaat. Maar dat is nog steeds het best functionerende stelsel ter wereld. Ik ken geen enkel land met een planeconomie dat geneesmiddelen ontwikkelt.”

Van de Cloot: “De coronacrisis kan als een elektroshock voor onze bewindvoerders werken. Misschien worden ze zich er van bewust dat ze voortaan beroep moeten doen op de kennis van experts. Nu kunnen ze niet anders en moeten ze wel luisteren naar virologen en epidemiologen. Dat is niet typisch voor ons land en zijn we niet gewoon.”

Neels: “Corona is een kans om België te resetten. Elke baby die nu geboren wordt, torst meteen 50.000 euro staatsschuld. Die absurditeit moeten we stoppen. Nu moet de overheid niet in soberheid wegvluchten, maar bedrijven, gezinnen en mensen in moeilijkheden selectief en verstandig steunen. Dat is haar sociale opdracht. Maar daarna moet ze wél een twintigjarenplan opstellen voor fundamenteel herstel. We mogen onze kleinkinderen niet met de schuld van onze luxe opzadelen.”

Van de Cloot: “We hebben zo’n plan eerst en vooral nodig voor ons gezondheidssysteem, waar de schok enorm is. Maar ook in onze economie: een flink stuk wordt midscheeps getroffen. We hebben een uitstekend stelsel van tijdelijke werkloosheid dat goed functioneert. Maar als men mij onmiddellijk had geconsulteerd, had ik als advies gegeven om de eerste maand 100 % van het loon uit te betalen in plaats van de 70 % die nu tot 30 juni geldt. De tweede maand zou dan 90 % worden en geleidelijk zakken tot 70 %. Zo creëer je perspectief en kunnen mensen hun levensstijl aanpassen. Nu verdwijnt er meteen 30 % van hun loon.”

 

Veel zelfstandige ondernemers en freelancers zonder werk krijgen helemaal niets. Is het een goed idee om ook hen tijdelijk toe te laten tot het stelsel van de werkloosheidsuitkering?

Van de Cloot: “Dat is een van die zaken die besproken moet worden, al is uw opmerking terecht. Ambtenaren hebben quasi werkzekerheid en zullen op financieel vlak geen hinder van corona ondervinden. Andere beroepsgroepen betalen een zeer zware prijs en incasseren de schok integraal. Dat kan niet. Er moeten solidariteitsmechanismen tussen de verschillende groepen overwogen worden. Wat de overheid wel nu meteen kan doen, is haar 1,7 miljard euro aan achterstallige facturen bij leveranciers betalen.”

 

Dit vertelt u ook aan onze bewindvoerders? Hoe reageren ze daarop?

Van de Cloot: “Zij luisteren en lijken meer dan gewoon ontvankelijk voor advies. Ons gezondheidssysteem lijkt te werken. Oef. We mogen al die mensen die hun job zo uitmuntend uitvoeren daar zeer dankbaar voor zijn. Zij maken het verschil. Over hun werk moet niet te veel gepalaverd worden. Wel over de economische maatregelen. Zoals: hoeveel budget is er eigenlijk voor tijdelijke werkloosheid? Welke sectoren moeten zeker geholpen worden? Dáár moet het parlement over discussiëren.”

 

Misschien moet het parlement dan ook discussiëren over de opvang van vluchtelingen in tijden van corona? Dienst Vreemdelingenzaken registreert geen nieuwe asielaanvragen meer en voor nieuwe asielzoekers is geen opvang meer voorzien.

Van de Cloot: “Zonder twijfel. Het Brusselse Samusocial vangt ook geen daklozen meer op omwille van het besmettingsrisico. Dat kan echt niet. Dit is zo’n moment waarop we in onze samenleving het beste en het slechtste naar boven zien komen.”

 

© Jan Stevens

 

‘Een levenseinde kan ook heel vredevol zijn’

Jeroen Nilis vroeg om psychische redenen euthanasie aan. Aan Geerdt Magiels vroeg hij zijn ‘testament’ te schrijven over het belang van een goede dood. “Jeroen zag euthanasie als ‘bevrijdende mogelijkheid’.”

 

Jeroen Nilis werd op 20 november 1967 geboren met een hersenletsel. Hij hield er een licht motorische handicap aan over, maar was normaal begaafd en studeerde in 1997 af als historicus. In datzelfde jaar kreeg hij op een werk- en studiereis naar Rome zijn eerste psychose. Hij geloofde dat hij Jezus was, dat hij de wereld moest redden en aan het kruis zou sterven. Vanaf dan werd hij elk jaar in de Goede Week voor Pasen getroffen door angstaanjagende wanen en psychoses. Zijn bestaan werd gaandeweg ondraaglijker. Op 23 maart 2018 stierf hij omringd door geliefden een ‘goede dood’, twee jaar nadat hij de procedure voor euthanasie startte.

In Liever sterven schetst bioloog en wetenschapsfilosoof Geerdt Magiels het leven en de dood van Jeroen Nilis. Zeer genuanceerd verkent Magiels euthanasie bij uitzichtloos psychisch lijden. Toen hij twee jaar geleden zijn boek begon te schrijven, wist Geerdt Magiels nog niet dat vlak voor publicatie het assisenproces rond Tine Nys de schijnwerper zou richten op die zelfgekozen dood. “Mijn uitgever had Liever sterven liever halverwege vorig jaar al zien verschijnen”, zegt hij. “Maar ik was toen nog niet klaar.”

 

Waarom vroeg Jeroen Nilis u om dit boek te schrijven?

Geerdt Magiels: “Ik ontmoette hem in 2017 in een psychiatrisch ziekenhuis tijdens de voorbereiding voor Al te gek, een boek dat ik schreef in opdracht van ‘Te gek’. Ik interviewde Jeroen als ervaringsdeskundige. Hij vertelde me dat hij net een euthanasieaanvraag had ingediend. Hij keek echt uit naar het einde, want elk jaar had hij vreselijk veel last van die Paas-psychoses. Die waren verschrikkelijk en wou hij nooit meer meemaken. Hij had in een manuscript zijn levensverhaal neergeschreven. Hij vroeg of ik hem dat later kon helpen uitgeven en we spraken af om contact te houden.

“Ik sprak hem terug begin 2018. Hij zei toen dat zijn euthanasieaanvraag was goedgekeurd. We hadden nog een paar maanden om samen te bedenken wat we met zijn biografie konden aanvangen. Hij vond het verhaal over zijn wanen en psychoses niet echt uniek, want daar bestaan intussen veel getuigenissen over. Hij wou het vooral hebben over euthanasie als ‘bevrijdende mogelijkheid’.”

 

Hij had een paar zelfmoordpogingen achter de rug?

“Ja, hij kende ook alle verhalen van lotgenoten die door zelfdoding om het leven waren gekomen. Hij wist hoe verschrikkelijk dat was en daarom wilde hij dat zelf niet meer. Hij was dus heel blij met de mogelijkheid van euthanasie. Dàt verhaal wilde hij vertellen. Maar je kunt niet over euthanasie praten als je het ook niet over suïcide hebt. Want het gaat over mensen die niet meer willen voortleven, om welke reden dan ook. Ze willen niet per se dood, maar ze willen niet meer verder met het leven dat ze leiden. Ik beschrijf in mijn boek de psychologische evolutie die iemand meemaakt die de hand aan zichzelf wil slaan. Dat is niet vanzelfsprekend, want het gaat over geweldpleging tegenover jezelf. Daar gaat een lang proces van gewenning en ‘oefening’ aan vooraf.”

 

Op het einde van dat proces vernauwt het bewustzijn van die mensen tot een tunnel met als enige exit: de dood?

“Dat is zo. Tenminste: we veronderstellen dat het zo is. We zijn natuurlijk nooit getuige van de daad. Dat is het gruwelijke aan zelfdoding: het gebeurt altijd in eenzaamheid, in een verschrikkelijk hopeloze toestand. Soms overleeft iemand een poging en hij is dan verminkt of zwaar gehandicapt. Zelfdoding wordt nog steeds zelfmoord genoemd, om het gruwelijke te onderlijnen. Een rode lijn in Liever sterven is dat we door te praten over een doodswens automatisch bij vragen belanden zoals: ‘Waarom leef je nog?’, of: ‘Wat kan je helpen om voort te blijven leven?’ Het gesprek over de dood leidt dan vanzelf tot een gesprek over het leven en over wat mogelijk is. Als er geen mogelijkheden meer zijn, is er misschien nog euthanasie.”

 

Is het boek een neerslag van de gesprekken die u met Jeroen voerde?

“Niet helemaal. We hebben zeer uitgebreid gepraat en ik denk dat er niets in staat waar hij het niet mee eens is. Maar ik sprak ook zijn psychiater, zijn huisarts, zijn broer, en andere ervaringsdeskundigen.”

 

Jeroens euthanasie verliep zeer zorgvuldig en hij praatte op voorhand uitgebreid met alle mensen die ertoe deden.

“Als dit boek al een boodschap heeft, is het dat het heel belangrijk is om goed afscheid te nemen van alle naast- en nabestaanden. Alleen zo kun je een levensverhaal mooi afronden. Dat geldt niet alleen bij psychisch lijden, maar bij elke euthanasie. De Nederlandse dokter en levenseindedeskundige Bert Keizer zegt: ‘Een mooie dood is het mooiste cadeau dat je kunt hebben.’ Niet enkel voor degene die sterft, maar ook voor degenen die overblijven. Omdat het mensen op een milde manier leert na te denken over hun eigen dood. Je ontdekt zo dat het levenseinde niet afschrikwekkend hoeft te zijn, maar ook vredevol kan zijn.”

 

Er is zo goed als geen verzet meer tegen euthanasie voor wie terminaal is en uitzichtloos lichamelijk lijdt. Euthanasie bij uitzichtloos psychisch lijden blijft een heet hangijzer, kijk maar naar het assisenproces rond Tine Nys.

“Dat heeft ook te maken met de overtuiging dat psychisch lijden totaal anders is dan lichamelijk lijden. Maar het idee dat lichaam en geest van elkaar te onderscheiden zijn, is wetenschappelijk al lang bij het oud vuil gezet.

“De geneeskunde is vandaag tot veel in staat, en toch zijn er nog grenzen. Niet alle lichamelijke of psychische klachten kunnen we genezen. Heel veel mensen die omwille van lichamelijk lijden euthanasie aanvragen, gaan ook gebukt onder psychisch lijden. Het ene is niet los te koppelen van het ander. Mensen met psychisch lijden hebben ook heel vaak lichamelijke klachten.”

 

Toch zijn er psychologen en psychiaters die euthanasie omwille van uitzichtloos psychisch lijden problematisch blijven vinden.

“Een euthanasieaanvraag is een langdurig proces, dat is niet met een vingerknip opgelost. Het is niet zo dat je euthanasie online bestelt en dat de week erna iemand langskomt met een spuitje. Jeroens huisarts zei me: ‘Ik moest met mezelf eerst in het reine komen of euthanasie de goede oplossing was.’ Pas als iedereen aanvoelt dat het de beste optie is, kan het ook echt goed gebeuren. Er moet alleszins meer opleiding en ondersteuning komen voor iedereen die daarbij betrokken is. Veel professionals voelen zich nog niet capabel genoeg om op een goede manier een vraag tot euthanasie te beantwoorden. De dood is sowieso een onderwerp waar veel mensen niet graag over praten. Zeker niet als het over hun eigen levenseinde gaat. Hoeveel keer heb jij al aan iemand gevraagd: ‘Denk je soms aan zelfdoding?’, of: ‘Heb je doodsgedachten?’ Niet vaak, terwijl die vragen net heel belangrijk zijn bij suïcidepreventie. Mensen die zichzelf uiteindelijk van het leven beroven, lopen soms al jaren in eenzaamheid rond met plannen voor zelfdoding. Doordat er niet over gepraat werd, bleef die gedachte groeien.”

 

Zijn er veel aanvragen voor euthanasie bij ondraaglijk psychisch lijden?

“Het aantal mensen dat euthanasie met enkel een diagnose psychiatrische stoornis krijgt, schommelt rond de vijftig per jaar. Dat is een fractie van alle euthanasieaanvragen. Ter vergelijking: in 2018 werden in totaal 2.357 euthanasieën geregistreerd. Elk jaar sterven er in België veertigmaal meer mensen door zelfdoding dan door euthanasie bij psychisch lijden. Er zijn ook mensen die een aanvraag indienen en het uiteindelijk niet laten gebeuren. Ik zag ook bij Jeroen dat hij rust vond toen zijn aanvraag was goedgekeurd. Bij hem was die diepe vrede niet voldoende om toch nog even door te gaan, maar bij sommige anderen wel. Wat niet wil zeggen dat ze verder vrolijk fluitend door het leven gaan. Het blijven kwetsbare mensen met een wankele gezondheid, zowel lichamelijk als psychisch. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen welke strijd zij elke dag opnieuw moeten voeren om in leven te willen blijven.”

 

Bij Jeroen was de oorzaak van zijn psychoses aangeboren?

“Hij miste een stuk van zijn hersenen, dat is pas later vastgesteld. Maar hij leidde een rijk intellectueel leven. Hij studeerde geschiedenis en zat met zijn hoofd in de boeken. Hij was een filmfanaat, maar op het einde kon hij alleen nog maar beeldje per beeldje bekijken.

“Hij had een mentor, Jan Roegiers, professor aan de KULeuven. Bij hem vond hij rust in psychotische tijden. Hoe slecht Jeroen er ook aan toe was, bij Roegiers was hij altijd welkom. Toen die man in 2013 stierf, verloor Jeroen zijn dierbaarste vriend en dat was het definitieve breekpunt. Zijn laatste vangnet viel weg. Toen werd het steeds moeilijker.”

 

Jeroen was uitbehandeld?

“Dat is één van de voorwaarden voor euthanasie bij psychisch lijden, al is dat natuurlijk voor interpretatie vatbaar, want wat is ‘uitbehandeld’? Jeroen had in de geestelijke gezondheidszorg zowat alles geprobeerd, van psychotherapie over elektroconvulsietherapie tot medicijnen, inclusief vervelende bijwerkingen. Hij kende de isoleercel als geen ander. Op een bepaald moment houdt het op en hoef je de zoveelste nieuwe pil inclusief nare bijwerkingen niet meer. Jeroen vond zinvol werk in een archief, maar moest na een paar dagen toegeven: ‘Hoe graag ik dit ook wil, het lukt niet.’ Hij kon geen betekenisvolle invulling voor zijn leven meer vinden. Tot het einde is van alles geprobeerd op alle mogelijke manieren, tot iedereen inzag: het heeft geen zin meer.”

 

In uw boek lees ik: ‘Tussen 2011 en 2017 vroegen 23 gedetineerden en geïnterneerden in Vlaanderen euthanasie aan. In twee gevallen ging het om mensen met terminale kanker, in de andere gevallen ging het om ondraaglijk psychisch lijden.’ Hebben die mensen de juiste psychische zorg gehad? Waren zij ‘uitbehandeld’?

“Dat is een heel moeilijk dossier en is eigenlijk stof voor een apart boek. Onze reguliere geestelijke gezondheidszorg is met onder andere zijn veel te lange wachtlijsten voor veel verbetering vatbaar, maar in onze gevangenissen is de toestand pas echt dramatisch. België is daar al vaak door Europa voor op de vingers getikt.

“Dé vraag die ook door heel mijn boek zindert, is: hoe gaan wij om met geestelijke kwetsbaarheid in onze samenleving? Van het totale gezondheidsbudget gaat maar een fractie naar geestelijke gezondheidszorg, terwijl 1 mens op 4 in zijn leven een of ander psychisch probleem krijgt. Veel mensen worstelen met slaapstoornissen. De huisarts schrijft dan slaapmedicatie voor, wat het probleem eigenlijk nog erger maakt. Zo’n pil verdooft maar zorgt niet voor een goede slaap, zeker niet als die verstoord wordt door gepieker over je werk, je relatie of pesterijen. Een huisarts kan daar weinig aan doen. Wat er wel zou moeten komen, is een in de wijk geïntegreerd gezondheidscentrum waar psychische, sociale en lichamelijke problemen samen worden aangepakt. Maar daar is geen geld voor, want er wordt bezuinigd op preventie. Terwijl iedereen weet dat elke euro die in preventie wordt geïnvesteerd, driedubbel terugverdiend wordt omdat er achteraf minder uitgaven in de zorg nodig zijn.”

 

Jeroen zegt in uw boek dat hij zijn familie niet te vroeg maar ook niet te laat over zijn op stapel staande euthanasie inlichtte. Waarom was dat belangrijk?

“Zijn redenering was dat ze op je beginnen inpraten als je het te lang op voorhand doet. Want dan zijn er altijd mensen die dat niet willen aanvaarden. Als je te lang wacht, en je zegt het pas net voor je euthanasie, komt het even hard aan als een zelfdoding. Out of the blue ben je dan weg. Vrienden en nabestaanden hebben geen tijd om eraan te wennen en afscheid te nemen. Jeroen adviseerde om een gulden middenweg te zoeken. Hij bracht dat ook samen met zijn broer in de praktijk. Ze bespraken op voorhand wie ze wilden inlichten en wie ze gingen uitnodigen voor de afscheidsceremonie. Samen creëerden ze een band met iedereen die met Jeroen betrokken was. Dat is het mooie van zijn verhaal.”

 

Omdat nabestaanden zijn keuze voor euthanasie zo beter konden begrijpen en aanvaarden?

“Ik denk het wel. Een mooi woord in deze context vind ik ‘uitklaren’: de euthanasievraag uitklaren. Dat wil zeggen dat je verduidelijkt waar jouw vraag voor euthanasie vandaan komt.”

 

Dat lukt toch niet altijd? Denk maar aan kinderen die in onmin leven met hun ouders.

“Dat is ook vaak een probleem in de psychiatrie: mensen die opgenomen worden en niets met hun familie te maken willen hebben. Daarom staat ook specifiek in de wet op de patiëntenrechten dat zonder jouw toestemming niemand jouw dossier mag inkijken. Dat is ontzettend frustrerend en verdrietig voor mensen die je graag zien en niet meer tot bij jou kunnen komen. Als het dan over euthanasie gaat, is dat natuurlijk vreselijk. Dan komen die conflicten in families plots op hun scherpst naar boven. Achteraf kan dat er dan voor zorgen dat mensen zich verongelijkt voelen of niet gehoord. Met alle kwaadheid van dien.”

 

Wat in het geval van Tine Neys tot dat afschuwelijke assisenproces heeft geleid.

“Ja, ik denk dat dat daar heeft meegespeeld. Al ken ik die mensen niet. We kunnen dit nu zo invullen, maar we weten niet of het ook echt klopt. We waren er niet bij.

“Maar wat wel duidelijk is: het was ontzettend pijnlijk omdat dingen niet uitgeklaard zijn en niet gezamenlijk konden gedragen worden. Heel dikwijls weten de omstaanders van niets, net zoals bij mensen die zelfdoding zoeken. Velen weten niet eens hoe erg het gesteld is binnenin het hoofd van een familielid of vriend. Dan komt het natuurlijk als een donderslag bij heldere hemel wanneer iemand er ineens wil uitstappen of er al uitgestapt is. Precies daarom moeten we het aandurven om over suïcidale gedachten, psychisch lijden en de dood te praten. We lossen niets op door er stil over te blijven zwijgen. De kans is groot dat ze je gek verklaren als je tegen iemand zegt dat je eraan denkt om te sterven. En dan beland je in de psychiatrie.”

 

U hebt twee jaar lang aan dit boek geschreven. Wat doet het met uzelf om zo lang intensief met de dood bezig te zijn?

“Ik was daar al veel langer mee bezig. Omdat ik nogal wat over gezondheidszorg en geneeskunde geschreven heb, is die dood nooit ver weg. Daarnaast zag ik ook mensen in mijn omgeving sterven, sommigen jonger dan ikzelf. Net als ieder ander mens moet ik daarmee leren omgaan. Toen vrienden en kennissen me de afgelopen twee jaar vroegen waar ik mee bezig was, volgden er vaak warme gesprekken over verlies, lijden en psychisch leed. Iedereen lijkt wel iemand te kennen die zwaar lijdt onder psychische problemen. Dat bleek toch uit al die gesprekken die ondanks het trieste onderwerp altijd heel fijn waren. De kwetsbaarheid die we allemaal met ons meedragen, is toch wat ons tot mensen maakt? We zijn niet allemaal van staal.”

 

Geerdt Magiels, Liever sterven – zelfgekozen dood bij psychisch lijden, Polis, 224 blz., 20 euro

 

© Jan Stevens

“Niet iedereen heeft het geluk op deze manier te kunnen sterven”

Sinds 30 augustus vorig jaar weet dokter en PVDA-politicus Dirk Van Duppen (63) dat hij terminaal is. In Zo verliep de tijd die mij toegemeten was maakt hij de balans op van leven en werk. 

 

In de woonkamer van doktersechtpaar Dirk Van Duppen en Lieve Seuntjens in Deurne staat een wiegje voor als hun eerste kleinkind Louis op bezoek is. “Hij is geboren op 30 december”, zegt Dirk. “Onze oudste zoon Ward had het er moeilijk mee dat Louis zijn opa niet zal leren kennen. Ward had een uitstekende band met zijn opa, mijn in 2009 overleden vader Louis. Mijn boek Zo verliep de tijd die mij toegemeten was is daarom ook bedoeld voor mijn kleinkind dat ik nooit zal zien opgroeien. Zo leert hij later de betekenis van het leven van zijn opa kennen.”

PVDA-dokter Dirk Van Duppen raakte de voorbije veertig jaar bij het grote publiek bekend als boegbeeld van Geneeskunde voor het Volk (GVHV) en als onvermoeibaar strijder tegen de farma-industrie en het fijnstof in Antwerpen. Samen met actievoerders zoals Wim Van Hees en Manu Claeys hield hij de bouw van de Lange Wapper tegen. Tot voor kort was Van Duppen een stevig gebouwde man met een weelderige haardos. Vandaag oogt hij mager en frêle en is hij bijna kaal. Zijn lichaam takelt snel af, maar zijn geest blijft alert.

“Na de verkiezingen van mei vorig jaar was ik moe”, zegt hij. “We hadden hard campagne gevoerd en die vermoeidheid leek een logisch gevolg. Maar ik voelde me ook down en dat vond ik raar, want de PVDA behaalde een uitstekende uitslag. (lachje) Mijn suikerwaarden waren hoog. Ik had overgewicht en we dachten aan diabetes type 2. Dus nam ik medicatie, ging ik op dieet en begon ik stevig te fietsen, tien weken lang. Na afloop was ik tien kilo kwijt, maar mijn suikerwaarden bleven hoog.

“Er werd een CT-scan gemaakt. Op vrijdag 30 augustus zat ik hier in de zetel op telefoon van de radioloog te wachten. Die kwam maar niet. Ik belde naar het ziekenhuis en kreeg niemand te pakken. Ik werd steeds ongeruster. Als dokter heb ik toegang tot mijn eigen medisch dossier. Ik klapte mijn laptop open en las: ‘terminale pancreaskanker’. Ik wist meteen: dit is het einde.”

 

Het lijkt me verschrikkelijk om zo uw doodvonnis te moeten lezen.

“Het was alsof iemand met een voorhamer op mijn hoofd sloeg. Ik belde Lieve. Zij liet alles op de groepspraktijk vallen en kwam meteen naar huis. We zaten hier samen te huilen. ’s Anderendaags lichtten we onze drie kinderen en hun partners in. Dat was zwaar. Iemand opperde om allemaal samen een weekend weg te gaan, naar een vakantiepark in Limburg. Daar hebben we veel gepraat. Dat deed deugd. Geen enkele vraag gingen we uit de weg en er werd niets verdoezeld. Er was groot verdriet, maar ook verbondenheid.”

 

Er is geen behandeling mogelijk?

“Nee. Er wordt weinig onderzoek gevoerd naar de behandeling van pancreaskanker. Big pharma is daar niet in geïnteresseerd. De tumor is te complex en er zijn te weinig zieken. De chemotherapie die ik nu krijg, is al meer dan 25 jaar dezelfde. Ze remt de groei van kankercellen en vernietigt ze, maar ze maakt geen onderscheid tussen gezonde en zieke cellen.”

 

Een groot deel van uw leven streed u net tegen die Big Pharma.

“Ja, dat komt nu op een bizarre manier naar me terug, net als mijn strijd tegen luchtvervuiling. Ik sprak met de oncoloog over de mogelijke oorzaken van pancreaskanker: roken, morbide obesitas, alcoholisme, weerkerende alvleesklierontstekingen en familiale vatbaarheid. Geen enkele risicofactor geldt voor mij. Toen zei hij: ‘Er is ook nog luchtvervuiling.’ Wie binnen vijfhonderd meter van een snelweg woont, krijgt de meeste vervuiling te slikken. De ring ligt vlakbij en er razen een paar honderdduizend voertuigen per dag voorbij. In Antwerpen ligt het aantal kankers en hartinfarcten niet voor niets significant hoger dan in de rest van Vlaanderen.”

 

Als dokter weet u zeer goed hoe de ziekte evolueert. Alle illusies waren van in het begin weg?

“Zeker. Oncologen waren voorzichtig en probeerden niet al te pessimistisch te klinken. Maar ik kende mijn mediane overleving (maanden of jaren die 50 % van de mensen na diagnose of behandeling nog in leven zijn – red.) Met chemo is dat acht maanden, zonder vier.”

 

U koos voor chemo, met alle daarbijhorende ongemakken.

“Vier maanden vond ik nog de moeite. (lacht) Met die chemo begon inderdaad ook de aftakeling. Ze zorgt voor extreme vermoeidheid die door veel rust of slaap niet verdwijnt.

“Lieve bleef thuis. Dat zette nogal wat druk op de groepspraktijk, want er vielen zo twee dokters van de tien weg. Eerst werd aan de patiënten meegedeeld: ‘Dirk heeft een ernstige ziekte.’ Dat zorgde voor vragen zoals: ‘Komt hij nog terug?’ of: ‘Mogen we hem bezoeken?’ Waarna we in ons patiëntenkrantje duidelijk communiceerden wat er met mij aan de hand is. Dat gaf rust: onze patiënten begrepen het, leefden mee en de druk viel weg. Ze kwamen kaartjes afgeven. Daarna zetten we het op Facebook. Mensen reageerden opnieuw massaal. Ook Bart De Wever. Dat vond ik fijn. Hij schreef samen met het schepencollege een schoon kaartje. In oktober gaf ik een afscheidsinterview aan Humo en daar kwamen nog meer aanmoedigende reacties op.”

 

U zei daarnet dat uw zoon een uitstekende relatie had met zijn opa, uw vader. Dat is ook de man waar u als kind harde klappen van kreeg.

“Tegenover zijn kleinkinderen was vader totaal anders: een heel lieve opa. Veel generatiegenoten die nu op bezoek komen, vertellen gelijkaardige verhalen over hun gewelddadige vaders.”

 

Uw vader was onderwijzer. Was hij op school ook zo streng?

“Zeker. In zo goed als heel de basisschool was geweld de norm. Slechts een paar onderwijzers sloegen niet. Ik was vijftien toen het ophield. Mijn jongste broer Piet gaf een verjaardagsfeestje. Vader haalde uit naar mij, maar ik duwde hem en hij viel op de grond. Piets vriendjes zagen die strenge meester Van Duppen vallen. Na dat incident heeft vader ons nooit meer aangeraakt. Hij veranderde en er kwam een vorm van respect. Daarom voel ik geen rancune tegenover hem. Op de middelbare school politiseerde ik.”

 

Dat wil zeggen: u werd communist en lid van AMADA of ‘Alle Macht Aan De Arbeiders’, de voorganger van de PVDA.

“Precies. Vader liet me doen, ook al spijbelde ik om aan poorten van andere scholen pamfletten uit te delen. Hij kreeg bezoek van de BOB, de bijzondere opsporingsbrigade van de rijkswacht. ‘Uw minderjarige zoon verkoopt opruiende taal. Bent u daarvan op de hoogte?’ Vader werd toen niet boos op mij, maar wel op de BOB’ers.”

 

Eind jaren tachtig nam een vriend me mee naar een lezing van wijlen Ludo Martens, op dat moment voorzitter van de PVDA. Ik hoorde die man de lof van Jozef Stalin zingen. Hij verdedigde de Stalinistische zuiveringen en vond zelfs dat er te weinig ‘reactionairen’ waren weggezuiverd. Ik vond dat schokkend.

“Zoiets heb ik nooit gehoord. Er woedde in de partij wel een hevig debat over het stalinisme. Dat is in 2008 definitief afgesloten. Ludo Martens schreef indertijd het boek Een andere kijk op Stalin. Veel van wat daarin staat, is niet per se verkeerd. Zo schreef hij dat tijdens het bewind van Stalin de Sovjet-Unie veel wetenschappers en ingenieurs telde, en dat voor een land dat net uit de feodale tijd kwam. Maar het boek was eenzijdig en selectief. De repressie onder Stalin was misdadig.”

 

De Sovjet-Unie draaide uit op een compleet fiasco en China en Noord-Korea zijn niet meteen toonbeelden van staten waar de mensenrechten geëerbiedigd worden. De praktische uitvoering van het communisme is geen groot succes.

“Alles hangt af van welke inhoud je aan het begrip communisme geeft. In De meeste mensen deugen beschrijft Rutger Bregman hoe in het middelbaar een leraar vertelde: ‘Communisme is: iedereen naargelang zijn behoeften en capaciteiten.’ Ik had ook een leraar in het middelbaar die net hetzelfde zei, dertig jaar voor Bregman. Die leraar raadde mij aan Het communistisch manifest van Karl Marx te lezen. Dat sprak mij aan. Ik ben een overtuigd marxist en geen stalinist. Op mijn kamer hing een affiche met een uitspraak van bevrijdingstheoloog Don Helder Camara: ‘Als ik de armen eten geef ben ik een heilige. Vraag ik waarom ze arm zijn, dan ben ik een communist.’ Dat is voor mij de essentie.

“Wij hebben goede banden met de Cubanen. Wat niet wil zeggen dat we Cuba als blauwdruk zien. Maar daar werken we wel concreet aan gezondheidsprojecten in de oude wijken van Havana. We kennen de gezondheidszorg in Cuba inmiddels goed. We hebben daar dingen zien gebeuren die zeer mooi zijn.”

 

Er zitten in Cuba mensen in de gevangenis omwille van hun overtuiging.

“Niet zoveel meer. U moet een onderscheid maken tussen propaganda en de realiteit.”

 

Elke mens die omwille van zijn overtuiging in de cel gestopt wordt, is er toch één te veel?

“De les die wij geleerd hebben, is om zoiets niet te verdedigen en om te stoppen met het dogmatisch kopiëren van buitenlandse voorbeelden. Haar grootste crisis beleefde mijn partij in 2003 na de deelname aan de federale verkiezingen als Resist met Dyab Abou Jahjah.”

 

De verkiezingsuitslag viel toen lelijk tegen en Resist werd een mislukte verruimingsoperatie?

“Een verruimingsoperatie zou ik dat niet noemen, eerder een geval van tunnelvisie. In maart 2003 brak de golfoorlog uit en wij waren actief in het verzet. Maar het was een vergissing om dat terechte verzet te koppelen aan de provocatieve stijl van Abou Jahjah. De mensen vonden dat er ver over. Ik voelde dat heel goed in onze dokterspraktijk. Ik hoorde en zag: met Resist gaan we de boot in. In diezelfde periode schreef ik De cholesteroloorlog, een aanklacht tegen de geldhonger van de farma-industrie. Het patent op een cholesterolverlager was vervallen en ik vroeg aan het RIZIV een terugbetaling voor een generiek middel, identiek aan het origineel, maar 40 % goedkoper. Die aanvraag werd geweigerd. Blijkbaar golden de nieuwe soepele voorwaarden voor de generieken enkel voor het origineel. Ik begon dieper te graven en dat onderzoek resulteerde in De cholesteroloorlog. Mijn boek verscheen in 2004 en sloeg in als een bom. Het ACV en het ziekenfonds CM steunden mij, wat toen heel bijzonder was. Want de PVDA werd nog beschouwd als een sektaire communistische club. Maar nu betoogden die grote katholieke organisaties samen met ons. Ik heb toen geleerd dat we rond heel concrete projecten moeten werken.”

 

U was lang voorzitter van de groepspraktijken van GVHV. Jarenlang werden ze verketterd door de Orde van Geneesheren. In juni vorig jaar keerde de Orde op haar stappen terug. Ondervoorzitter Michel Deneyer zei zelfs dat hij vond dat GVHV kwalitatief sterk werk levert.

“Michel Bafort is de voormalige voorzitter van de Orde van Geneesheren Oost-Vlaanderen. Hij las mijn afscheidsinterview in Humo en stuurde me een pakkende mail. Hij schreef dat ik de geneeskunde in dit land blijvend veranderd heb en menselijker heb gemaakt. ‘De universiteit van Gent zegt: durf te denken. Jij zegt: durf ook iets te doen.’ Dat was heel speciaal, want het conflict met de Orde was veertig jaar oud. Al die tijd betaalde ik geen lidgeld; dit jaar was de eerste keer. Jarenlang stond de Orde onder invloed van het reactionaire artsensyndicaat BVAS van Marc Moens. De codex van de Orde bulkte van het corporatisme en draaide vooral rond de eer en de waardigheid van het beroep. In 2015 bood Michel Bafort tijdens een speech zijn excuses aan GVHV aan. Jarenlang was Bafort een hardliner. In 2014 sleurde hij onze artsen in Zelzate nog voor de rechter. Hij sloeg compleet om. Ik schreef een opiniestuk in de krant tegen de prestatiegeneeskunde. ‘Doe beroep op de motivatie van binnenuit van de artsen.’ Michel Bafort was het met me eens en wou met me praten. Hij vertelde toen dat in zijn provincie de prestatiegeneeskunde een aantal specialisten tot zelfmoord had gedreven. De ziekenhuisdirecties zweepten dokters op om zoveel mogelijk patiënten de revue te laten passeren. Ze knapten daarop af. Sommigen vluchtten weg in de drank of kregen een burn-out, anderen pleegden zelfmoord. Bafort richtte Arts in Nood op, een organisatie die collega’s met psychische problemen bijstaat. Ik vind dat een heel mooi initiatief. We vonden elkaar: de codex van de Orde werd in samenspraak met ons herschreven en de strijdbijl begraven.”

 

Uw broer Jan was in zijn jonge jaren ook lid van Amada. Vandaag heeft hij oor voor Theodore Dalrymple, de Britse oerconservatieve psychiater die vindt dat het de ‘onderklasse’ aan wilskracht ontbreekt.

“Dalrymple is onwaarschijnlijk rechts en dat is dan nog vriendelijk gezegd. Ja, het verliep merkwaardig. Wij zijn nu net zoals Bruno en Bart De Wever.”

 

Een dubbelinterview met uw broer zag u niet zitten.

“Nee, niet op het einde van mijn leven. Jan is oprecht bezorgd over mij en komt zoveel mogelijk langs. Onze broederband is hersteld.”

 

Als jullie samen zijn, spreken jullie niet over politiek?

“Dat heeft moeder ons op haar sterfbed gevraagd. Daarvoor hadden we een paar keer klinkende ruzie. Dat was niet slim van mij. In april 2009 kwam Tine Van Rompuy, de zus van CD&V-politici Herman en Eric, op voor de PVDA. Ondanks hun politieke meningsverschillen, praatten de broers altijd met veel respect over hun zus én omgekeerd. Dat had het voorbeeld voor mij moeten zijn. Al tijdens onze studies groeiden Jan en ik ideologisch uit elkaar. Hij werd in 1999 Vlaams parlementslid voor de sp.a. Hij kreeg ruzie met Patrick Janssens en Steve Stevaert en nam verbitterd afscheid. De laatste tien jaar van zijn carrière werkte hij als huisarts in een achterstandswijk in Rotterdam.”

 

In uw boek schrijft u: ‘Er leven twee opvattingen over de aard van de mens. De eerste luidt: de mens is van nature goed maar in staat tot het kwade. De tweede zegt precies het omgekeerde: de mens is van nature kwaad maar in staat tot het goede.’ U koos voor de eerste opvatting; uw broer voor de tweede?

“Ja, we kozen een verschillend mensbeeld. Volgens sommigen is onze beschaving een dun laagje vernis. Van zodra je eraan begint te krabben, komt de ware, zelfzuchtige aard van de mens naar boven. Die theorie floreerde lang, maar werd de laatste jaren bedolven onder wetenschappelijk bewijs dat de mens vanaf de geboorte de neiging heeft tot empathie, hulpgedrag en samenwerking. De mens is van nature solidair en behulpzaam. Ik schreef daar in 2016 samen met moleculair bioloog Johan Hoebeke De supersamenwerker over. Ik ben heel trots op dat boek en beschouw het als het sluitstuk van mijn levensengagement.”

 

Als dokter kunt uzelf goed inschatten hoe lang u nog heeft?

“Dat zijn niet veel maanden meer, eerder weken. Stilaan raak ik daarmee verzoend. Ik ben blij dat de euthanasiewet bestaat. Want een natuurlijk einde met pancreaskanker is creperen. Nu houd ik de pijn nog met morfine onder controle, maar dat blijft niet duren. Alles is uitgesproken, of toch bijna alles. Ik voerde de voorbije weken ontzettend veel gesprekken. Niet iedereen heeft het geluk op deze manier te kunnen sterven.”

 

Dirk Van Duppen en Thomas Blommaert, Zo verliep de tijd die mij toegemeten was, EPO, 122 blz., 15 euro

(c) Jan Stevens