‘Schrijven is voor mij hetzelfde als geluk’

Met Nachttrein naar Lissabon scoorde romancier Pascal Mercier begin deze eeuw een internationale megaseller. Na meer dan tien jaar doorbreekt hij zijn oorverdovende stilte met een nieuwe roman: Het gewicht van de woorden. “Ik ben een ouderwetse man die altijd ouderwetse boeken geschreven heeft.”

_DSC0004

In 1995 debuteerde de Duits-Zwitserse filosoof Peter Bieri op zijn 45e als romanschrijver onder de schuilnaam Pascal Mercier. “Ik werkte aan de universiteit van Berlijn als professor analytische filosofie”, zegt hij. “Dat is de hardste en strengste tak uit de filosofie. Ik publiceerde mijn debuutroman Perlmanns zwijgen als Pascal Mercier om mezelf te beschermen. Want ik was bang voor het schandaal wanneer mijn collega’s zouden ontdekken dat ik het had aangedurfd mijn verbeelding te gebruiken. Het boek werd een succes en mijn ware identiteit raakte bekend, met als gevolg dat sommige collega’s aan de universiteit jaloers werden op het geld en de roem. De Duitse academische wereld wordt bevolkt door haaien, alleen konden ze mij niet verslinden.”

We zitten in Pascal Merciers schrijfkamer in zijn huis in een groene buitenwijk van Berlijn. De muren zijn bekleed met boeken. “Voor het schrijven van Het gewicht van de woorden zat ik de drie jaar lang op deze stoel”, zegt hij. “De eerste honderd bladzijden schreef ik met de hand, om alle finesses te doorgronden. Daarna schakelde ik over op tekstverwerker. Tijdens het schrijven vloog de tijd van de buitenwereld voorbij. Uren, dagen, maanden. Maar dat telde niet. Het enige wat ertoe deed, waren de uren die ik doorbracht in het rijk van de verbeelding. Het mooiste aan schrijven, is dat je je eigen poëtische tijd creëert, die exclusief van jou is.”

Het gewicht van de woorden vertelt het verhaal van de zestiger Simon Leyland. Hij krijgt te horen dat hij nog maar een paar maanden te leven heeft, verkoopt zijn bloeiende uitgeverij in het Italiaanse Triëste en verhuist naar Londen, de stad waar hij volwassen werd en zijn vrouw Livia leerde kennen. Zij stierf tien jaar eerder. Leyland probeert zich met zijn levenseinde te verzoenen en herleest de brieven die hij in de loop der jaren aan zijn overleden vrouw schreef. Wanneer blijkt dat zijn medische dossier verwisseld is met dat van een andere man, krijgt hij terug een toekomst en moet hij zijn leven heruitvinden.

 

Waarom duurde het zo lang om Het gewicht van de woorden te schrijven? Uw laatste roman dateert van 2007.

Pascal Mercier: “Tussen die twee romans in schreef ik nog een filosofisch boek over menselijke waardigheid. Daar kroop al snel vier jaar van mijn leven in. Het gewicht van woorden spookte ongeveer tien jaar lang in mijn hoofd. Het was heel moeilijk om de juiste architectuur te vinden. Deze roman vertelt het levensverhaal van iemand die op zoek is naar zijn eigen stem. Niet alleen naar zijn letterlijke stem met zijn eigen woorden, maar ook naar zijn emoties en zijn fantasieën. Ik wou zowel de buitenkant als het innerlijk van Simon Leyland vatten. Technisch is het echt niet eenvoudig om die twee perspectieven te combineren. Want ik schreef niet vanuit de ‘ik-persoon’, maar vanuit ‘hij’. Tot ik op het idee kwam om hem brieven te laten schrijven naar zijn dode vrouw. Heel het schrijfproces was een lange ontdekkingsreis naar wie die Simon Leyland écht is. Bij de start had ik totaal geen idee. Al schrijvende leerde ik hem steeds beter kennen.”

 

_DSC0052Leyland is niet alleen uitgever, maar ook vertaler en later schrijver. Op het einde van de roman vraagt zijn dochter: “Hoe dicht sta je bij je personages? Zijn ze familie geworden?” Wat zou u daarop antwoorden?

“Ze staan heel dicht bij mij. Als schrijver kun je een personage pas goed ontwikkelen wanneer je je ermee kunt identificeren. Je moet hun innerlijke wereld kennen. Dat geldt zeker voor het hoofdpersonage Simon Leyland. Wat niet wil zeggen dat hij een kopie is van mezelf. Maar ik begrijp zijn emoties zeer goed. Ik voel me ook verwant met zijn gestorven vrouw Livia en hun twee kinderen, en met zijn Londense buurman en vriend Kenneth Burke. Dan is er nog die ene prachtige figuur waar ik ontzettend van hou, de Russische gevangene Andrej Koezmin. Eigenlijk heb ik aan geen enkel door mij verzonnen personage in deze roman een hartsgrondige hekel. (lacht)”

 

Ik heb het gevoel dat u graag namen verzint, zoals Simon Leyland en Andrej Koezmin, maar ook Raimund Gregorius uit Nachttrein naar Lissabon en uw eigen pseudoniem, Pascal Mercier.

“Dat voelt u goed aan. Namen verzinnen is een fascinerende en zeer ingewikkelde activiteit. Het kostte me meer dan een half jaar om Leyland te vinden. Ik trof die naam uiteindelijk aan in een dik boek met enkel Britse familienamen. Ik doorploegde die lijst met in het achterhoofd de vraag welke naam paste bij het innerlijk beeld dat ik van dat personage had. Ik kan geen boek schrijven zonder dat ik ervan overtuigd ben dat ik de correcte namen voor de karakters gevonden heb. Ik ben bezig aan een nieuwe roman en zit in de ondraaglijke fase van het vinden van namen. Schrijven is voor mij hetzelfde als geluk. Als de juiste zinnen, namen en metaforen komen, ben ik perfect gelukkig. Maar als ik een valse start neem of het verhaal de verkeerde kant uitstuur, verpest dat soms maanden van mijn leven.”

 

Probeert u al schrijvende te ontsnappen aan de gruwel van de echte wereld?

“Misschien wel. De wereld die ik gecreëerd heb, is zeker minder lelijk en minder wreed. Mijn schepsels hebben meer begrip voor elkaar dan de mensen van vlees en bloed die je hier in Berlijn op straat tegenkomt. Maar toch is dat maar de halve waarheid. Want ik ontvlucht niet alleen de echte wereld, ik creëer ook een nieuwe.”

 

Die lijkt in deze roman uit het verleden te stammen, want hij wordt vooral bevolkt door uitgevers, schrijvers, dichters en vertalers. Terwijl de wereld van nu toch vooral beheerst wordt door beelden.

“U hebt gelijk, hoor. Mijn boek gaat over oude tijden en is ‘old fashioned’. Ik ben een ouderwetse man die altijd ouderwetse boeken geschreven heeft. (lacht) ‘Ouderwets’ heeft niets met het conservatisme uit de politiek te maken. Het wil gewoon zeggen dat ik vasthou aan een bepaalde manier van leven waar ik geen afstand van wil nemen. Ik weersta aan alle veranderingen die me door welke media ook worden opgelegd. Daarom schreef ik een roman over een minnaar van woorden, over iemand wiens hele leven bepaald wordt door zijn liefde voor poëzie.”

 

Er wordt heel wat afgepaft in uw roman. Uw personages lurken continu aan sigaretten. Erg politiek correct is dat niet.

“Tijdens het schrijven denk ik nooit in politiek correcte termen. Niet omdat ik per se politiek incorrect wil zijn, maar omdat dat gewoon niet in me opkomt. In Nachttrein naar Lissabon wil Raimund Gregorius om zes uur in de ochtend weten wanneer een bepaalde trein vertrekt. Hij neemt de telefoon en belt naar de spoorwegen, maar het is nog veel te vroeg en hij blijft op zijn honger zitten. Op een lezing vroeg iemand uit het publiek: ‘Meneer Mercier, waarom zocht hij die informatie niet op internet?’ Ik antwoordde: ‘Gregorius weet niet eens dat er internet is.’ (lacht)”

 

In Het gewicht van de woorden speelt de dood een prominente rol. U bent 75. Dat thema begint u te achtervolgen?

“Ja, ik denk heel vaak aan de dood. Zo dwing ik mezelf onderscheid te maken tussen wat nog belangrijk is in mijn leven en wat niet. Net als Simon Leyland die te horen krijgt dat hij een hersentumor heeft. Zijn dagen zijn geteld en in het licht daarvan neemt hij ingrijpende beslissingen. Tot blijkt dat hij het slachtoffer is van een verkeerde diagnose en iemand anders die tumor heeft. De poorten van de toekomst gaan opnieuw open. Intussen communiceert hij bijna constant met zijn dode vrouw Livia. De dood wordt voor hem poëzie. Ik weet het, Het gewicht van de woorden is zwaar en soms donker. Tezelfdertijd is het ook een optimistisch en positief boek. Mensen veranderen en vinden een nieuwe toekomst. Voor Leyland geldt dat wel heel letterlijk, op het moment dat hij te horen krijgt dat zijn tumor in werkelijkheid enkel een zware vorm van migraine is.”

 

In de maand tussen zijn doodvonnis en zijn heropstanding verkoopt hij zijn uitgeverij om de laatste maanden van zijn leven vrij te zijn. Nam hij toen ook ‘de nachttrein naar Lissabon’?

“Hij startte compleet opnieuw, ja. Net als andere personages, zoals zijn dochter Sofia die haar opleiding geneeskunde wel afmaakt, maar na die foute diagnose zweert nooit dokter te worden.”

 

Net als in Nachttrein naar Lissabon horen we nu opnieuw de filosoof Peter Bieri die stelt dat je bereid moet zijn je schepen achter je te verbranden van zodra je je ware roeping in het leven gevonden hebt?

“Ja. In Nachttrein naar Lissabon zei Raimund Gregorius van de ene dag op de andere zijn gemakkelijke bestaan als leraar vaarwel. En hij nam de nachttrein naar Lissabon, op zoek naar de Portugese schrijver die hem tot die ingrijpende beslissing inspireerde. Als professor filosofie aan de universiteit van Berlijn schreef ik nogal wat technische filosofische boeken. Mijn eerste filosofische werk voor een breed publiek verscheen in het begin van deze eeuw en heette Het handwerk van de vrijheid, met als belangrijke ondertitel: Over de ontdekking van de eigen wil. Dat filosofische werk zit door heel Het gewicht van de woorden geweven. Dat kon gewoon niet anders, want het vlechtwerk van vrijheid, tijd, de dood, een open toekomst en zelfbeschikkingsrecht vormt nu eenmaal de kern van mijn denken.”

 

Zoals ook het recht dat elke mens heeft om zijn eigen dood te kiezen of om iemand te assisteren bij zijn zelfgekozen dood?

“U verwijst naar de man die in mijn boek zijn vrouw doodt omdat ze ondraaglijk lijdt? Ik laat Simon Leyland op een bepaald moment zeggen: ‘In een cultuur die echt aandacht heeft voor het menselijke zou men het vanzelfsprekend vinden dat iemand hulp wil krijgen om te sterven.’ In mijn geboorteland Zwitserland helpen verenigingen zoals Dignitas en Exit uitzichtloos lijdende mensen zelfmoord plegen. Net als de Nederlanders hebben jullie een euthanasiewet. Dat is een fantastische verwezenlijking. Hier in Duitsland is dat onbespreekbaar. Die discussie wordt zwaar bezoedeld door het verleden, door wat er gebeurd is tijdens de Tweede Wereldoorlog. Elke keer wanneer het woord euthanasie valt, associëren sommige Duitsers dat automatisch met ‘concentratiekamp’. Zo wordt elk broodnodig ethisch debat over een zelfgekozen levenseinde telkens weer vakkundig de nek omgedraaid.”

_DSC0017

De autobiografie Dear Tom, letters from home van de Britse acteur Tom Courtenay loopt als een rode draad door uw boek. Waarom?

“Omdat ik erg van die man hou. Ik hield al van hem, lang voor ik hem ontmoette. Ik hield van zijn manier van acteren, van hoe hij zijn rollen ontwikkelde. In 1962 was hij amper 25 toen hij een glansprestatie neerzette in de film The loneliness of the long distance runner. Hij speelde ook mee in de verfilming door de Deense regisseur Bille August van Nachttrein naar Lissabon. In 2012 ontmoette ik hem in een hotel waar alle acteurs aanwezig waren om de film voor het eerst integraal te bekijken. We hebben een uur gepraat. Tom is erg gevoelig en hij raakte me diep. Hij vertelde me over zijn autobiografie uit 2000 waarin hij alle brieven van zijn moeder had opgenomen. Ik zei dat ik zijn boek graag wou lezen. Een week later zat het hier in de bus. ‘Peter, het was fijn om je te leren kennen’, had hij er ingeschreven. Die band die ik met Courtenay heb, vond zijn weg in mijn roman.”

 

Weet hij dat?

“Ik denk het niet. Maar hij moést er gewoon in. (lacht)”

 

Simon Leyland leerde alle talen rond de Middellandse Zee. Net als Peter Bieri alias Pascal Mercier.

“Ja, dat is uit mijn leven gegrepen, zowel die talen, als de Middellandse Zee. Het was de eerste zee die ik als kind van zeven zag. Zwitserse gezinnen gingen in de jaren vijftig altijd op vakantie naar de Middellandse Zee. We reisden met de trein naar de Ligurische kust in Italië. In Zwitserland was alles grijs en conventioneel. In de Alpen doken we de tunnel in, en van zodra we eruit kwamen, was er fel licht en lawaai. De ijsjes proefden anders. Wat nog opviel: elke Italiaan gooide zijn sigarettenpeuk op de grond. Voor een tot in de puntjes gestructureerde Zwitser was dat een ramp. Italië was pure chaos en ik was daar dol op.

“Als scholier al studeerde ik veel talen, zoals Latijn, Grieks, Sanskriet en Oud-Hebreeuws. Ik had er liever nog veel meer geleerd. Zo is het me tot nu niet gelukt om Arabisch te spreken. Ik kan het wel lezen, maar ik heb vreselijk veel moeite met de keelklanken. Ik hou van grammaticaboeken en vocabulaires en lees er regelmatig in. Die wand daar staat vol met dat soort boeken. Ik ben gepassioneerd door woorden en wil er steeds meer kennen.”

 

Volgt u Twitter?

“Nee, ik weet amper wat dat is.”

 

Moderne mensen sturen er continu kleine berichten cyberspace in. Soms zijn die boodschappen niet meer dan giftige scheldpartijen.

“Ach, in deze digitale tijden zijn mensen vergeten wat woorden zijn en wat taal is. Poëzie is een zeldzaamheid geworden. Dat maakt me enorm triest. Mijn roman komt daartegen in opstand en wil woorden en poëzie revalideren.”

 

U bent somber over de huidige digitale tijd, maar uw boeken worden wel bestsellers. Van Nachttrein naar Lissabon gingen wereldwijd miljoenen exemplaren over de toonbank. Hebt u daar een verklaring voor?

“Ik vraag mijn lezers soms waarom ze zo verzot zijn op mijn boeken. Altijd komen er twee dingen bovendrijven: de existentiële diepte en de poëtische taal. Ik probeer existentiële poëtische boeken te schrijven die vol spanning zitten. Maar dan niet op de wijze van Alfred Hitchcock. Want er wordt niemand vermoord.”

 

En er zit ook niet veel seks in.

“Geen. (lacht) Lezers willen weten hoe het Simon Leyland, die minnaar van woorden, zal vergaan. Ze willen niet dat hij sterft of zelfmoord pleegt. Daar zit de spanning in, en niet in geweld.”

 

De stad Londen speelt ook een hoofdrol. U woonde daar een tijdje?

“Als student werd ik verliefd op een meisje uit Bern. Zij wist dat niet. Ze ging als au pair in Londen werken. Ik volgde haar op een soort van kamikazemissie. In Londen maakte ik lastige momenten mee, maar ik beschouw mijn verblijf daar nog steeds als mijn toegang tot het echte leven. De wereld ging er voor mij open. In de monumentale bioscopen mocht je gewoon zitten roken. Zalig. Na een jaar keerde ik terug naar huis. Mijn vader wachtte me op het treinstation van Bern op. Toen ik hem zag, besefte ik meteen dat ik onmogelijk nog kon terugkeren. Dus moest ik hem en moeder ervan overtuigen me te laten gaan. Ik trok naar de universiteit van Heidelberg. Dat was toen de allerbeste filosofische universiteit van de hele wereld. Daar werd ik professor filosofie. Maar alles begon met die onmogelijke liefde in Londen.”

 

Pascal Mercier, Het gewicht van woorden, Werelbibliotheek, 448 blz., 24,99 euro

 

 

Bio

_DSC0053Pascal Mercier alias Peter Bieri

        • Geboren in 1944 in Bern
        • Studeerde filosofie aan de universiteit van Heidelberg
        • Professor emeritus analytische filosofie aan de Freie Universität Berlin
        • Scoorde in 2004 een internationale megaseller met Nachttrein naar Lissabon

 

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

‘Het rookhok is ons anti-stresskot’

In Nederland zijn sinds eind vorig jaar alle rookruimtes in de horeca op rechterlijk bevel dicht. Ziekenhuizen en bedrijven volgen en sluiten hun rookhok. Kom op tegen Kanker wil ook bij ons een verbod en trok naar de rechter. Giert er naast nicotine nu ook paniek door de aders van de rookhokrokers? “Het lijkt soms op een heksenjacht.”

 

Eind september vorig jaar verklaarde de Hoge Raad, het hooggerechtshof van Nederland, het gerechtelijk vonnis definitief van kracht dat de onmiddellijke sluiting van alle rookruimtes in de horeca oplegde. Het arrest van de Raad vormde het juridische sluitstuk van jarenlang procederen door de antirooklobby Clean Air Nederland (CAN). De Nederlandse staatssecretaris van Volksgezondheid Paul Blokhuis reageerde verheugd op het verbod. Hij is een fervent tegenstander van roken: als het van hem afhangt, kost een pakje sigaretten morgen minstens 20 euro en worden alle terrassen meteen rookvrij. De 7000 horecazaken met rookruimte kregen van Blokhuis nog een maand om hun rokende klandizie richting stoep te begeleiden. Het vonnis werd door horeca-uitbaters op boe-geroep onthaald, maar inspireerde ook heel wat bedrijven om vanaf januari 2020 hun rookruimtes te sluiten. Zo moeten vanaf nieuwjaarsdag de medewerkers van het ABN Amro-hoofdkantoor in Amsterdam een blokje om als ze een sigaret willen opsteken. Zelfs roken op het binnenplein is er voortaan verboden. Achmea, een van de grootse Nederlandse verzekeraars, verwijderde vlak voor nieuwjaar resoluut alle rookruimtes uit alle kantoren. Verwacht wordt dat binnen afzienbare tijd de rest van de Nederlandse ondernemingen al dan niet gedwongen zal volgen. Want na de horecarookhokken richt CAN haar pijlen op de rookruimtes op het werk. Het ultieme doel is de roker compleet uit beeld te laten verdwijnen. Zien roken, doet immers roken. Het enige wat daartegen helpt, is volgens CAN de sigaret overal verbannen.

Het succes van CAN inspireerde Kom op tegen Kanker. Meteen na het arrest van de Hoge Raad kondigde de organisatie aan dat ze ook bij ons via de rechter een verbod op aparte rookruimtes in cafés en restaurants wil afdwingen. Later volgen wellicht de rookhokken in onze bedrijven. Bij DPG Media, het moederhuis van deze krant, is dat nu al het geval: in het gloednieuwe kantoorgebouw in Antwerpen zijn rookruimtes taboe.

 

De laatste roker

In De Koekenfabriek in Merksem zijn ze hun tijd nóg verder vooruit. Ooit werden er Antwerpse koekjes gebakken, nu is het een hip complex waar freelancers, zelfstandig ondernemers en satellietwerkers co-worken. “We hebben geen rookruimte nodig omdat er geen rokers meer zijn”, zegt coördinator Katrien bijna verontschuldigend. “De laatste roker veranderde onlangs van werk. Hier staat dus zelfs nooit nog iemand op straat een sigaret te roken.”

In Het huis van Parein, een ander tot kantorencentrum omgebouwd voormalig Antwerps koekjesimperium, werken wel nog rokers maar is geen rookhok. “Enkel een asbak aan de voordeur”, zegt de vriendelijke coördinator Sergio. “U mag er gerust een tijd naast komen staan om met rokende collega’s te praten.” De asbak van Parein zit vol en stinkt als de pest, maar op een kille donkere dag in januari lijkt zelfs de meest verstokte roker er zijn verslaving de baas.

Het Justitiepaleis aan de overkant van de straat heeft een rustgevende binnentuin die dienst doet als rookruimte voor het personeel. Rechters, advocaten, procureurs, zaalwachters en griffiers verbroederen en verzusteren er tijdens hun pauzes terwijl ze hun longen vol rook en nicotine zuigen. Dé plek om te peilen naar de moraal van de geviseerde rookruimteroker. Maar de behulpzame receptionist heeft slecht nieuws: “Onze voorzitter zegt neen.” We bedanken vriendelijk en wandelen richting Museum voor Schone Kunsten. Want in de grote Delhaize-supermarkt vlakbij mag het personeel naar hartenlust dampen in de halfopen rookruimte vlak aan de straat.

 

Anti-stresskot

“Het zou een ramp zijn moest dit fijn rokershok verdwijnen”, zegt Delhaize-medewerkster Candy (37). “We zijn met flink wat rokers en hebben de gewoonte aangekweekt om elk kwartier pauze twee sigaretten te roken. Vervolgens moeten we er weer twee uur tegen kunnen. Toen deze plek er nog niet was, stonden we in de zomer op straat te roken. Sommige buurtbewoners vonden dat niet zo leuk. Heel begrijpelijk. Dit rookhok is ideaal. Aan de ene kant van het hek is de overdekte fietsenstalling voor de klanten; aan de andere kant kunnen wij overdekt een sigaretje roken. Die bank staat hier nog niet zolang. De rookpauze is het enige moment dat wij even kunnen zitten. Zalig. Niet-rokende collega’s komen hier soms ook kletsen, zeker in de zomer.”

Is het niet te koud in de winter? “Toch wel. Ziet u de buitenunits van de airco? In de zomer blazen die warme en in de winter koude lucht. In de zomer wordt het in dit hok soms té warm en staan we op de rooster op het trottoir te roken. Daarom ligt die vol peuken. Niet al mijn collega’s zijn even proper. Er hangt een asbak, maar voor sommigen kost het blijkbaar te veel moeite om hun sigaretten daarin te doven.”

Krijgt Candy soms opmerkingen van voorbijgangers? “Nee, maar af en toe beginnen klanten die hun fiets aan het stallen zijn demonstratief te kuchen.”

Denkt ze aan stoppen met roken? “Vaak. Delhaize biedt ook ondersteuning aan om te stoppen. Ik heb tot hiertoe één poging ondernomen met Champix, maar dat ging fout. Ik was continu misselijk: van ’s morgens tot ’s avonds voelde ik me net zwanger. Nu durf ik stoppen bijna niet meer aan. Ik ben ook bang dat ik te veel kilo’s zal bijkomen. Of ik spijt heb dat ik ooit ben beginnen roken? Nee, want ik geniet nog steeds van elke sigaret. Alleen kost het een klein fortuin. Als ik met niet-rokende vrienden een stapje in de wereld zet, schaam ik me soms voor mijn gewoonte. Want dan sta ik daar alleen met mijn sigaret te stinken.”

Candy’s kwartier is om. “Ik moet dringend prikken.” Tien minuten later stapt Sophie (54) de rookruimte binnen, sigaret in de aanslag. “Dit is een ideale plek voor sociaal contact”, zegt ze. “In de rustzaal binnen is dat anders: daar zit iedereen te tokkelen op zijn telefoon. De rokers zijn minder aan hun smartphone verslaafd en praten met elkaar. Soms komen ook mensen uit de buurt een sigaretje meeroken. Vaak is dit ons anti-stresskot. Met sommige collega’s rook ik liever dan met andere. We proberen onze pauzes aan elkaar te koppelen; het is toch logisch dat het met de ene mens beter klikt dan met de andere?”

Hoe lang rookt Sophie? “Van mijn achttiende. Ik stopte voor mijn eerste zwangerschap en negen jaar lang was ik niet-roker. Door mijn echtscheiding ben ik terug begonnen, een pakje per dag. Of ik nu nog wil stoppen? Mijn vriend rookt ook, dat maakt het extra moeilijk. In de zomer roken we op ons terras; in de winter klikken we het dakvenster een beetje open. Ik heb spijt dat ik ooit ben beginnen roken, maar voorlopig ben ik niet van plan ermee te kappen.”

Roken haar kinderen? “Mijn dochter is radicaal tegen. Als ik met haar op stap ben, rook ik zeer weinig. Mijn zoon rookt af en toe tijdens het uitgaan. Het probleem is dat ik elke sigaret nog altijd even lekker vind. Ik heb een paar maanden de e-sigaret geprobeerd, maar dat is niet hetzelfde.”

Dreigt er een rokersopstand als ook in België alle rookruimtes dicht moeten? Sophie: “Nee, rokers zullen dat braaf ondergaan, net als die nieuwe vreselijke zwarte sigarettenverpakkingen.” Ze vist een pakje uit haar schort. “Gruwelijk. Vroeger was mijn pakje tenminste nog groen omdat ik mentholsigaretten rook.” Vanaf 20 mei 2020 zijn die toch in heel Europa verboden omdat ze roken te aantrekkelijk maken? “Ik weet het”, zucht ze. “Dat wordt voor mij een enorm probleem.”

 

Smokers inside the hospital doors

Zestiger Luc werkt als vrijwilliger aan het onthaal van ziekenhuis AZ Nikolaas in Sint-Niklaas. Hij heeft pauze en geniet van een sigaret in de rokersruimte buiten, vlakbij de ingang. “Je vindt me hier altijd tijdens mijn pauzes”, zegt hij. “Ik heb er nog nooit een opmerking over gekregen. Ik zou het vreselijk vinden als dit rokerskot wordt afgeschaft. Zowel personeel, als bezoekers en patiënten moeten toch de kans krijgen om een sigaretje te roken? U zegt dat roken niet gezond is?” Hij wrijft zich over de borst. “Dit is gerookt vlees en dat blijft lang goed.” Staan hier ook soms dokters te paffen? “Nooit. Het is een groot mysterie waar zij hun sigaretten opsteken.”

Luc wil niet op de foto, net als de verpleegster die op een bankje plaatsneemt en haar sigaret aansteekt. “Sorry, maar ik wil niet in de problemen komen. Ik ben nu aan het werk. Geen commentaar.”

Luc neemt ons mee naar binnen. “Dit ziekenhuis heeft ook een knus verwarmd intern rokershok”, zegt hij. “Het zit daar altijd stampvol.” De rokerskamer van AZ Nikolaas ziet blauw van de rook. De muren zijn gelig; het is niet duidelijk of het verf of teer is. Op de stoelen zitten vijf patiënten en één personeelslid te roken en te hoesten. De patiënten zijn te herkennen aan hun kamerjassen, verbanden en/of infuusstandaarden, het personeelslid aan haar zwart t-shirt met het logo van het ziekenhuis. Ze draagt een haarnetje en werkt in de cafetaria. Ze heeft geen zin in een gesprek. De anderen wel. Een vrouw in peignoir klemt haar ene hand rond haar infuusstandaard; de middelvinger en wijsvinger van haar andere hand liefkozen een sigaret. “Waar moeten wij dan gaan roken als net als in Nederland alle rokerskoten afgeschaft worden?”, vraagt ze vertwijfeld. “Buiten voor de hospitaaldeuren”, antwoordt Nashota West, transvrouw en professioneel singer/songwriter van countrymuziek. “Met als gevolg dat zeker in de winter nóg meer mensen ziek zullen worden.” Nashota (55) zit hand in hand met haar transvrouw Jenny (57). In hun andere handen balanceren sigaretten.

Nashota: “Natuurlijk is roken ongezond, toch vind ik dat er zowel in bedrijven als in ziekenhuizen altijd plekken moeten zijn waar je een sigaret kan opsteken.”

Jenny: “Hoe je het draait of keert, roken is een sociale bezigheid. Natuurlijk betaal je daar ooit een prijs voor.”

Jenny is ziek en toch rookt ze dapper door. “Haar ziekte heeft niets met het roken te maken”, sust Nashota. “Jenny had een abces op een tand en dat liep door naar haar hersenen.”

Jenny: “Mijn linkerkant viel uit. Ik ben hier sinds 2 december. Vrijdag mag ik eindelijk naar huis.”

Nashota: “Door de druk op de hersenen kon ze niet meer lezen en schrijven. Dat komt nu langzaam terug. Jenny heeft ook niet veel longcapaciteit meer, maar dat heeft niets met haar rookgewoonten te maken.”

Eigenlijk zou Jenny niet meer mogen roken? Jenny: “Inderdaad. Ik probeer het tot twee sigaretten per dag te beperken in de plaats van twintig.”

Nashota: “Wil je er nog eentje, schat? Kijk, het enige dat we met zekerheid over roken weten, is dat het genezingsproces erdoor vertraagt. Voor de rest is het voor elk individu verschillend. De ene roker krijgt op zijn 35e kanker, de andere wordt probleemloos 90.”

Hoe lang roken Nashota en Jenny? Nashota: “Jenny begon op haar zestiende; ik op mijn 33e. Mijn relatie ging voor de zoveelste keer om zeep. Uit balorigheid greep ik naar de sigaret, want mijn toenmalige vrouw zei altijd: ‘Begin daar nooit mee.’”

Hoeveel pogingen hebben beide dames ondernomen om te stoppen? Nashota: “Allebei nog maar één. Ik schakelde toen over naar de e-sigaret. Maar elke trek deed verschrikkelijk pijn in luchtwegen en longen. Dat was geen goed idee. Het plan is om binnenkort definitief te stoppen, maar zelfs dan zullen we nog naar het rokerskot komen. Het is hier veel te gezellig.”

 

Derderangsburgers

“Ze hebben vannacht gaatjes in mijn stembanden gemaakt”, zegt Marielle (52) met hese stem terwijl ze uit een pakje Elixyr een sigaret opdelft. “Niemand kent dit merk.” Over haar keel zit een verband. Is het verstandig om nu te roken? Ze reageert als door een wesp gestoken: “Meneer, u moet niet lullen, u zit hier tussen rokers. Ja, het doet een beetje pijn; het zijn open wonden. U vraagt of ik mag roken, terwijl we hier allemaal verslaafd zijn aan nicotine. Een patiënt met een zwaar drankprobleem zal ook zijn uiterste best doen om aan alcohol te geraken. Mijn kinderen zijn twintigers. Ze zijn geboren met een keizersnede. Weet u wat de verpleegster zei? ‘Rokers die in de kliniek terecht komen, zijn veel sneller te been dan niet-rokers.’ Weet u waarom? Omdat ze zo snel mogelijk hun drang naar nicotine willen bevredigen. Een niet-roker laat zich liever bedienen.”

Een rokende vrouw in een rolstoel roept: “We zijn derderangsburgers!” Marielle knikt. “De overheid is helemaal niet bezorgd over onze gezondheid. Moesten ze daarmee inzitten, waren er geen sigaretten meer te koop. Denken ze nu echt dat er door die zwarte verpakkingen minder gerookt zal worden? Ik overweeg in de toekomst mijn rookwaar in het buitenland te kopen. Met het geld dat je hier voor vier sloffen sigaretten neertelt, koop je er in Luxemburg vijf.” Ze haalt haar pakje Elixyr opnieuw tevoorschijn. “Neem er ook een”, zegt ze.

Nadia (63) lurkt liever aan haar e-sigaret. Ze komt vanuit het verre Helchteren in Limburg voor een behandeling naar Sint-Niklaas. Het is haar eerste dag. “Nog negen te gaan. Een tijd geleden lag ik in het ziekenhuis in Genk. Ze hebben nooit gemerkt dat ik in het geniep onder de lakens elektrisch lag te roken. Vier jaar geleden ruilde ik de sigaret voor de vaper in. Mijn favoriete smaak is tabak en er zit 18 mg nicotine in een capsule. Als mijn zoon of dochter aan mijn e-sigaret trekken, krijgen ze een hoestbui.” Waarom schakelde ze over? “Omdat mijn man astma heeft. Ik moest kiezen: buiten roken of de e-sigaret. Ik heb sindsdien geen enkele ouderwetse sigaret meer aangeraakt.”

 

Obsessie

In biljartcafé Enjoy onder de kerktoren van het Oost-Vlaamse dorp Oordegem heeft het rokershok een prominente plaats vooraan. “Met zicht op de Grand Place.” Het is de favoriete plek van stamgasten Rudy (53) en Eric (52). “Een verbod op rokersruimtes is een ramp voor mijn café”, zegt waard Peter Rosschaert. “Ik heb veel geïnvesteerd in dat hok. Het afzuigsysteem alleen al kost 4000 euro. De mensen uit de buurt zullen het me niet in dank afnemen als mijn cliënteel buiten staat te roken.”

Rudy verlangt naar de goede oude tijd van voor het rookverbod op café. “Weet u dat ik sinds dan meer ben beginnen roken? Vroeger dacht ik niet zo vaak aan die sigaret, maar dat rookkot werkt als een magneet. Om de zoveel tijd moét ik er daar eentje gaan opsteken. Als ik Eric naar het rookkot zie stappen, volg ik automatisch.”

Het rookkot is een obsessie geworden? Rudy: “Ja. Eens ik daar zit, rook ik de ene na de andere sigaret.”

Wil hij ervan af? “Liever niet. Vorig jaar ben ik ook beginnen vapen. Ik vind die smaakjes wel lekker. Nu is het dubbelop.”

Eric is een fan van de rookruimte. “Ik voel die drang niet om er zoals Rudy continu te gaan zitten paffen. Moest er geen rookverbod in deze ruimte zijn, stond ik hier nu wel met een sigaret tussen de vingers.”

Rudy: “Soms zitten er in de rookruimte ook niet-rokers. Ze trekken zich daar dan terug om in het ‘geheim’ over iets te beraadslagen. Op café hebben de meeste niet-rokers trouwens niets tegen rokers. De grootste ambetanteriken zijn de ex-rokers. Ik vermoed dat ze niet volledig van hun verslaving af zijn en ons daarom graag de les lezen.”

Eric: “Rokers, niet-rokers en ex-rokers moeten respect hebben voor elkaar.”

Rudy: “Precies. Als morgen alle rokers beslissen om te stoppen, zit de overheid met een gigantisch inkomstenprobleem. Al die gederfde taksen zullen moeten gecompenseerd worden. Ook al die niet-rokers die zo graag op de kap van de rokers zitten, zullen die dan mee mogen ophoesten. Dat ze daar maar eens goed over nadenken.”

 

Heksenjacht

Johan (70) is een gepensioneerde politieagent en liefhebber van Cubaanse sigaren. De rookkamer van cocktailbar La Bodeguita del Medio in Kortrijk is zijn favoriete pleisterplaats. “De tolerantie tegenover het roken van sigaren is gelukkig groter dan tegenover sigaretten”, zegt hij. Liefdevol jaagt hij het vuur door een Cohiba van 30 euro. “Ik rook een sigaar of drie per dag. Ik denk niet dat ik verslaafd ben. Ik inhaleer niet en geniet van het aroma vooraan in mijn mond.”

Sommigen omschrijven het aroma van sigaren als pure stank. Johan: “Als sigarenroker vind ik dat sigaretten ook stinken. Toen ik nog werkte, mocht er zowat overal gerookt worden. Ik zat vaak op kantoor en iedereen pafte gewoon aan zijn bureau. Op restaurant vroeg ik altijd eerst of het niet stoorde dat ik een sigaar opstak. Nu moeten alle rokers naar buiten.”

Rokers zijn paria’s geworden? “Misschien wel. Het lijkt soms op een heksenjacht. In deze stad krijg je een gasboete als je een peuk op de grond gooit. Er worden steeds zwaardere maatregelen tegen rokers genomen. Terwijl kleine kinderen die nooit gerookt hebben, ook aan kanker sterven.”

 

© Jan Stevens

‘We hebben de democratie een loer gedraaid’

Van 2014 tot 2018 werkte Brittany Kaiser (1986) bij Cambridge Analytica. Op niet al te koosjere wijze hielp ze zo de Brexit aan een meerderheid en Donald Trump in het zadel. Na haar ontslag werd ze klokkenluider. “Cambridge Analytica hielp Trump aan de macht en draaide zo de democratie een loer.”

 

In 2008 werkte Brittany Kaiser vol enthousiasme mee aan de eerste verkiezingscampagne van Barack Obama. Ze onderbrak er zelfs haar studies internationale betrekkingen aan de Universiteit van Edinburgh voor en verhuisde naar Chicago. Acht jaar later hielp ze als directeur programmaontwikkeling bij databedrijf Cambridge Analytica Obama’s tegenpool Donald Trump aan de macht. “Na Trumps overwinning liep ik op wolkjes: door Amerikaanse burgers individueel op sociale media te benaderen, had Cambridge Analytica op revolutionaire wijze een presidentsverkiezing gewonnen. Tezelfdertijd was ik bedroefd, want diep in mijn hart hoopte ik dat Hillary Clinton zou winnen.” Vandaag is ze nog steeds lid van de Democratische Partij. “Dat klinkt ongelooflijk, maar er is een verzachtende omstandigheid. Ooit waren mijn ouders welgesteld; na de kredietcrisis van 2008 raakten ze alles kwijt. Mijn moeder werkte voor het failliete Enron en mijn vader zat in het vastgoed. Eind 2013 was ik dringend op zoek naar een goedbetaalde job om mijn familie te kunnen onderhouden.”

In haar zowel fascinerende als angstaanjagende boek De datadictatuur brengt Kaiser verslag uit van hoe Cambridge Analytica de Amerikaanse presidentsverkiezingen manipuleerde.

Brittany Kaiser: “Ik leerde Cambridge Analytica kennen toen ik aan het doctoreren was aan de universiteit van Londen. Drie jaar lang werkte ik rond ‘preventieve’ diplomatie en mensenrechten. De Verenigde Naties en verschillende grote ngo’s zochten een manier om aan de hand van big data gruweldaden zoals de genocide in Rwanda te voorkomen. Bij preventieve datamonitoring wordt zowat alles bijgehouden en in kaart gebracht, van de prijs van een brood tot racistische praat op sociale media. Al die informatie maakt het mogelijk om gevaarlijke tendensen in de samenleving sneller op te sporen. De hamvraag van mijn doctoraatsonderzoek was: kunnen big data mensenrechtenschendingen, hongersnood en misschien zelfs oorlog helpen voorkomen? Aan de universiteit was niemand op de hoogte van preventieve big data analytics. Alexander Nix, de ceo van het Britse verkiezingsbedrijf Cambridge Analytica, wel. Zo kwam ik met hem in contact. Toen hij me vroeg om bij hem te komen werken, ging ik daar graag op in.”

 

Omdat het tussen u en hem klikte?

“Alexander leek een heel charmante man. In het begin had ik echt het gevoel dat hij het goed meende. Ik heb trouwens ook veel van hem geleerd. Hij stamt uit een aristocratische familie, uit de upper-upper class. Van bij zijn geboorte kijkt Nix op een andere manier naar de wereld dan een doorsnee mens. Ik ontmoette hem de allereerste keer begin 2014, tijdens een lunch in de chique Londense wijk Mayfair. Een vriend stelde me aan hem voor. Zowel Alexander als ikzelf hadden er een afspraak met twee buitenlanders die hulp zochten voor digitale verkiezingscommunicatie. Ik hoopte zo aan een adviseursjob te geraken, tot ik doorhad dat Alexander Nix een krak was in verkiezingspropaganda. Ik maakte geen schijn van kans. (lacht)”

 

Toen u voor Nix begon te werken, bestond Cambridge Analytica nog maar een jaar?

“Ja. Cambridge Analytica was onderdeel van de in 1993 opgerichte SCL Group, waarbij SCL staat voor Strategic Communication Laboratories. SCL was gespecialiseerd in gedragsonderzoek en strategische communicatie en paste datamining en -analyse toe om het gedrag van mensen te beïnvloeden en sturen. SCL’s eerste opdracht was de allereerste democratische verkiezing in Zuid-Afrika in 1994. Het bedrijf werkte nauw samen met Nelson Mandela en toen Alexander Nix daarover vertelde, klonk me dat als muziek in de oren. Op het moment dat ik in dienst trad, runde SCL tien verkiezingen per jaar, vaak in Afrika en de Caraïben. Daarnaast werkte het bedrijf voor multinationals en voor organisaties als de NAVO, de CIA en het FBI. Cambridge Analytica werd in 2013 speciaal opgericht voor de Amerikaanse markt. Nix’ plan was om via de tussenverkiezingen Amerika te veroveren. Zijn ultieme doel: het verzorgen van de digitale communicatie voor een presidentscampagne.”

 

Het kwam erop neer dat geprobeerd werd potentiële kiezers via sociale media warm te maken voor de opdrachtgevende politici en partijen?

“Precies. SCL verzamelde eerst data van mensen uit een bepaalde regio en gebruikte vervolgens de principes van de sociale en gedragspsychologie om ze te interpreteren. Een vrij nieuwe manier om aan data te geraken, is een online-bevraging. Vóór de digitalisering moest je van deur tot deur gaan, of eindeloos telefoneren. Nu worden die drie methodes gecombineerd waardoor je als onderzoeker zeer veel te weten komt over een plaatselijke bevolking. Wij gebruikten het OCEAN-scorestelsel uit de psychologie om die bevolking vervolgens onder te verdelen in verschillende ‘types’, waarbij ‘O’ stond voor ‘open’, ‘C’ voor ‘consciëntieus’, ‘E’ voor ‘extravert’, ‘A’ voor ‘aardig’ en ‘N’ voor ‘neurotisch’. Via onze database verzamelden we types, waarna we ze via sociale media gericht ‘bewerkten’ met reclameboodschappen. Cambridge Analytica was het eerste bedrijf dat daar zeer ver in ging én succesvol was. ‘Gedragsmicrotargeting’ is nu een algemeen bekend begrip, maar komt uit de koker van Alexander Nix en werd door Cambridge wettelijk gedeponeerd. Ondanks onze reputatie waren wij pioniers. Vandaag doen talloos veel verkiezingsbedrijven exact hetzelfde.”

 

De data haalde Cambridge Analytica bij Facebook?

“Tussen 2004 en 2015 ‘oogsten’ SCL en Cambridge Analytica overvloedig big data van Facebook-gebruikers én hun vrienden. U herinnert zich misschien nog die persoonlijkheidstestjes die jarenlang furore maakten op Facebook, zoals ‘Welk land ben jij?’ Je moest dan een paar vragen beantwoorden, waarna de app bepaalde: ‘Jij bent Duitsland!’ (lacht) Die spelletjes leken grappig en onschuldig, terwijl ze dodelijk waren voor de privacy. Candy Crush was razend populair. Wie die app op Facebook opstartte en de servicevoorwaarden aanvaardde, verleende meteen ook toestemming aan de appontwikkelaar om al zijn data én die van zijn vrienden gratis te gebruiken. De appdesigner verkocht die schat aan informatie vervolgens door aan bedrijfjes zoals Cambridge. Facebook maakte dat mogelijk met het inmiddels beruchte dataportaal ‘Friends-API’. In vergelijking met Europa hebben de VS een zeer lakse datawetgeving, maar toch was het ook daar niet toegestaan om in naam van andere volwassenen toestemming te geven voor de exploitatie van hun data. De Friends-API leverde Facebook fortuinen op. Meer dan veertigduizend softwareontwikkelaars, waaronder Cambridge Analytica, verzamelden intussen jarenlang ongestoord data van miljoenen nietsvermoedende Facebookgebruikers. Cambridge hield zo nauwgezet bij waar al die mensen zich elke dag online mee bezighielden.”

 

Op het moment dat u bij Cambridge Analytica aan de slag ging, was die illegale roof van Facebook-data volop bezig?

“Ik begon er in december 2014 te werken en bleef er tot januari 2018. Facebook doekte de in opspraak gekomen Friends-API op 30 april 2015 op. Niet veel later kwam ik erachter dat Cambridge op 6 mei 2015 ook nog data gekocht had via die Facebook-API, wat op dat moment zogezegd onmogelijk was. Mijn bazen verzekerden me dat ze die database vernietigd hadden nu ze illegaal geworden was, en dat ik spoken zag. Ik koos ervoor ze te geloven. In het begin liet Alexander me werken aan een aantal sociale campagnes voor liefdadigheidsorganisaties. Ik vond dat zalig.”

 

Maar het was een rookgordijn?

“Toch niet, Cambridge was toen nog klein. Er was in de VS ook nog niet zoveel controverse over privacy en data. Alles veranderde toen we in 2015 voor de campagne van de Republikeinse presidentskandidaat Ted Cruz begonnen te werken. Hij was allesbehalve populair, maar toch presteerde hij tegen ieders verwachtingen in vrij goed. Iedereen was het erover eens dat dat de verdienste van Cambridge Analytica was en zo haalden we voor het eerst de pers. Het tijdschrift Forbes en The Washington Post waren enthousiast over het gebruik van datawetenschap in de politiek. Een journalist vroeg zich zelfs af of we met onze methodes uit het digitale tijdperk ook de gedrukte pers zouden kunnen redden. Als we een waardeloze kandidaat als Cruz via sociale media konden pimpen, moest het ons volgens hem ook lukken om mensen terug kranten of tijdschriften te laten kopen. Op dat moment voelden we ons als Mark Zuckerberg bij de start van Facebook: het leek alsof we belangrijke en ingrijpende nieuwe technologie aan het bouwen waren.”

 

De uiterst rechtse, homofobe Ted Cruz stond haaks op alles waar u als ‘liberal’ in geloofde. Toch werkte u vol enthousiasme voor hem.

“Ik werkte nooit rechtstreeks voor zijn campagne; hij was gewoon één van onze klanten. Ik hield me vooral bezig met de verdere ontwikkeling van het bedrijf. Ik ontmoette potentiële klanten en probeerde ze met een wervende pitch over de streep te trekken. Eens binnengehaald, liet ik ze over aan mijn collega’s die de digitale strategie voor hen uitstippelden.”

 

Toen Cruz op 1 februari 2016 de Republikeinse voorverkiezing in de staat Iowa won, postte u op Twitter: ‘WE HEBBEN IOWA BINNEN!!!!!’

“Ik was die avond dronken. Ik geef toe dat ik ook mijn kritische geest kwijt was en me liet verblinden door de opmerkelijke resultaten die Cambridge Analytica tijdens verkiezingen leek te halen. ’s Anderendaags las ik wat mijn progressieve vrienden vonden van mijn steun aan Ted Cruz. Hun zeer negatieve commentaren kwamen keihard binnen.”

 

De financiers van Cambridge Analytica waren de libertaire miljardair Bob Mercer en zijn dochter Rebekah. De man die in werkelijkheid de touwtjes bij Cambridge Analytica in handen had, was Steve Bannon, de latere extreemrechtse adviseur van Donald Trump. Ook hun denkbeelden stonden haaks op de uwe.

“Dat klopt. De steenrijke Mercers zijn minstens even rechts als Steve Bannon. Ik had vooral contact met Bekah Mercer. In de dagelijkse omgang was ze joviaal en vriendelijk en ik heb haar nooit iets aanstootgevends horen zeggen. Ze wist dat ik een Democraat ben en gedroeg zich diplomatisch tegenover mij. Met haar ngo Reclaim New York is Bekah een groot voorvechter van totale overheidstransparantie. Ze wist dat ik het daarmee eens ben en speelde daar handig op in. We deelden ons kantoor met Reclaim New York en ik dacht: ‘Misschien is ze toch niet zo slecht.’”

 

Maar dat was een vergissing?

“Ja. Ik kende op dat moment haar echte ideologische agenda niet. Ik was slecht geïnformeerd en geloofde dat haar vader Bob een goedaardig briljant datawetenschapper was die fortuin gemaakt had. Ik neem het mezelf nog steeds kwalijk dat ik op voorhand de Mercers niet door Google gehaald had.”

 

Zij wilden de macht in de VS veroveren. Eerst via Ted Cruz en toen die de mist inging via Donald Trump.

“Trump brengt nu trouw al hun plannen ten uitvoer. Daar dragen wij met Cambridge Analytica een verpletterende verantwoordelijkheid voor. Donald Trump geloofde zelf niet eens dat hij kon winnen en wou zelfs geen president worden. Volgens Alexander Nix zag Trump zijn kandidatuur als een manier om reclame te maken voor de nog op te richten zender Trump TV. Niemand van zijn team geloofde trouwens in de zege.”

 

In het najaar van 2015 raakte Cambridge Analytica betrokken bij de Leave.eu-campagne van de brexiteers onder leiding van miljonair en verzekeringsmakelaar Arron Banks.

“Het was Alexanders idee om met Leave.eu te gaan samenwerken. Niet veel later kwam ik erachter dat die opdracht eigenlijk kwam van Steve Bannon. Hij had nauwe banden met opperbrexiteer Nigel Farage. Op een vrijdag in oktober kwamen de kopstukken van Leave.eu naar ons Londense kantoor. Ze waren enthousiast over onze presentatie en Arron Banks bestelde meteen voorbereidend werk ter waarde van 41.500 pond. Onze opdracht was om de data over alle leden van Farage’s partij UKIP te analyseren, zodat we meer inzicht kregen in de redenen waarom mensen afscheid wilden nemen van de EU. Dat had interessante achtergrondinformatie kunnen opleveren voor ons verdere werk, alleen kwam dat er nooit. Want Banks vertikte het om zijn eerste factuur te betalen. De man die met ons basismateriaal aan de slag ging en via microtargeting ervoor zorgde dat de brexiteers het referendum wonnen, was de Amerikaanse politieke adviseur Gerry Gunster. Hij is de echte architect van de brexit en gebruikte daarbij ‘onze’ technieken van microtargeting.”

 

Cambridge Analytica hielp wel tot het einde mee aan de campagne van Trump?

“Tot het bittere einde, ja. Tijdens de campagne had ik niet eens in de gaten dat er illegale dingen gebeurden; daar werd ik me pas een maand na de verkiezing van Trump bewust van. Onze telefoons stonden roodgloeiend: alle grote ondernemingen en politici van over de hele wereld wilden met ons in zee. Wij wilden van het Trump-team horen wat ze online ondernomen hadden met het materiaal dat wij hen hadden geleverd. Eerst hielden ze de boot af, maar wij drongen aan want we hadden die informatie nodig om andere politici aan een verkiezingsoverwinning te helpen. In december 2016 werden we uitgenodigd voor een ‘post-mortem-bespreking’, een analyse van de campagne van het Trump-team. Twee dagen lang gaven ze ons inzage in alles. Toen bleek dat ze overtuigde Hillary-stemmers hadden overhaald niet te gaan stemmen.”

 

Dat mocht niet?

“Nee, dat is volstrekt illegaal. Ik schrok toen ik dat hoorde, en ik was niet de enige. De Trumpers hadden uitspraken van Hillary en van Michèle Obama uit hun context gerukt en angstaanjagende filmpjes vol nepnieuws gecreëerd. Die zagen er uit als nieuwsitems van Politico of andere betrouwbare media. Aan de hand van de door ons geleverde en geanalyseerde data wisten ze perfect wie ze met welk nepbericht op de sociale media moesten voederen. Ze wonnen de verkiezingen met een karrevracht aan leugens.”

 

Wanneer besloot u klokkenluider te worden?

“Nadat ik ontslag genomen had en de eerste artikels verschenen waarin stond dat Cambridge Analytica nooit de Facebook-database vernietigd had. Toen zond de Britse televisiezender Channel 4 een reportage uit over een vier maanden durende undercoveroperatie bij Cambridge Analytica. De journalisten deden zich voor als vertegenwoordigers van Sri-Lankaanse miljardairs die een smerige verkiezingscampagne wilden financieren. Alexander Nix lunchte en dronk cocktails met hen, terwijl hij opschepte over wat hij allemaal in het geheim voor hen kon regelen. Hij zei dat hij goede relaties had bij internationale spionagediensten en makkelijk ‘dirt’ over politieke tegenstanders kon bovenspitten. Ik was in shock, zocht contact met de journalist Paul Lewis van The Guardian en gaf hem inzage in al mijn e-mails. Pas toen zag ikzelf al die linken tussen Mercer, Bannon, Trump en Farage en hoe ze op slinkse wijze met de hulp van Cambridge Analytica de democratie een loer draaiden en de macht wisten te veroveren. Op 1 mei 2018 werden Cambridge Analytica en SLC Group opgedoekt.”

 

U getuigde voor het Britse parlement en werd ondervraagd door Robert Mueller.

“De ondervraging door Mueller ging vooral over Russische inmenging via het Trump-team in de Amerikaanse verkiezingen. Daar had Cambridge Analytica voor zover ik weet niets mee te maken. Mijn getuigenis voor het Britse parlement ging over de rol die Cambridge speelde in de aanloop naar het brexit-referendum.”

 

De klokkenluider die de ondergang van Cambridge Analytica in 2018 in gang zette, was de Canadees Christopher Wylie.

“Hij werkte maar heel even voor Cambridge Analytica. Toen ik er in 2014 begon, was hij al weg. Ik sprak hem één keer aan de telefoon, maar heb hem nooit ontmoet. Toch praat hij nu voluit over zaken die hij zelf nooit heeft meegemaakt. Zijn voornaamste onthulling dat hij 50 miljoen Facebookprofielen had helpen oogsten in opdracht van Steve Bannon, was correct. Alleen gebeurde veel van wat hij vertelt na zijn vertrek. Hij werd dus vermoedelijk door een ex-collega bij Cambridge getipt. Een echte klokkenluider heeft niets ‘van horen zeggen’, maar maakte het zoals ik van op de eerste rij mee. Als je iets als feit verkoopt, moet je er honderd procent zeker van zijn. Anders riskeer je zelf te eindigen als leverancier van nepnieuws.”

 

Brittanny Kaiser, De datadictatuur, HarperCollins, 416 blz., 21,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘De CIA stelde me voor de keuze: trouwen of mijn vriend verlaten’

Vermomd als kunsthandelaar infiltreerde Amaryllis Fox terreurnetwerken voor de CIA. “Eigenlijk waren wij toen nog kinderen.”

 

Amaryllis Fox zat in het laatste jaar aan de universiteit toen ze benaderd werd door een recruiter van de CIA. Ze hapte toe en op haar tweeëntwintigste werd ze gevraagd voor het elitekorps van undercoveragenten. Na een intense training van zes maanden was ze ‘undercover agent under non-official cover’, de meest risicovolle spionnenjob bij de geheime dienst. Vanuit de Chinese stad Shanghai infiltreerde ze vermomd als kunsthandelaar terroristische netwerken in het Midden-Oosten en Azië. Tot ze in 2010 de CIA vaarwel zei. “Ik wou dat mijn dochter een gewoon leven kreeg.” In haar autobiografie Mijn leven undercover klapt ze uit de biecht over haar leven als spion.

Amaryllis Fox: “Het was een eenzame bezigheid en we waren allemaal piepjong. Daar was een goede reden voor: hoe ouder een undercoveragent is, hoe moeilijker het wordt een volledig nieuw personage te zijn. Hij of zij sleept dan te veel bagage mee. Een jonge pas afgestudeerde agent is ‘maagdelijk’. Eigenlijk waren wij toen nog kinderen. Maar we waren niet uniek. Want het blijft altijd onder de radar hoe jong sommigen zijn die op een of andere manier de koers van de wereld beïnvloeden. T.E. Lawrence was amper halverwege de twintig toen hij tijdens en na WO I de kaart van het Midden-Oosten hertekende. Eigenlijk is dat angstaanjagend.”

 

Kreeg u de zegen van de CIA voor dit boek?

“Daar mag ik niets over kwijt. Sommige zaken zijn weggelaten om identiteiten te beschermen. Er is ook een hoofdstuk waarin drie scènes verwerkt zijn tot één. Met die veranderingen kan ik leven, omdat ze niet essentieel zijn voor wat er echt gebeurd is.”

 

Het was niet uw meisjesdroom om geheim agent te worden?

“Nooit. Eerst wou ik journalist worden. Tot ik op een bepaald moment begon te dromen van een carrière als astronaut. Ik kreeg zelfs toelating voor de United States Naval Academy voor de studie lucht- en ruimtevaarttechniek. (lacht) In de plaats daarvan werd het de universiteit van Oxford waar ik theologie en internationaal recht ging studeren.”

 

Maar eerst trok u voor een jaar naar Thailand, waar u aan de grens met Myanmar vluchtelingen hielp opvangen.

“Ik was achttien en dat was een onvergetelijke ervaring. Toen besefte ik dat mijn echte roeping in de journalistiek lag. In Thailand raakte ik goed bevriend met politieke vluchtelingen uit Myanmar. We kregen het waanzinnige idee om oppositieleidster Aung Sang Suu Kyi te gaan interviewen. Zij leefde in ballingschap in haar eigen land, onder bewaking van militairen. Het lukte ons wonderwel om tot bij haar te geraken en die ontmoeting veranderde mijn leven. Ik was erg onder de indruk van die kleine, tengere vrouw die enkel met woorden het militaire regime de stuipen op het lijf joeg. Mijn ouders wisten niets van mijn bezoek aan Myanmar. Het was in het vroege najaar van 1999, toen je nog niet continu online was en pas om de paar weken met het thuisfront communiceerde in een internetcafé.”

 

Er hing een foto van Aung Sang Suu Kyi op uw slaapkamer. Vandaag deelt zij mee de lakens uit in Myanmar en is ze van haar sokkel gevallen. Hangt die foto er nog steeds?

“Ik heb hem omgedraaid; dat is mijn klein protest. Ik ben hard van haar houding tegenover de Rohingya-minderheid geschrokken. Ik vermoed dat zij vindt dat ze voorlopig geen andere keuze heeft dan deze ‘realpolitik’. Ze moet nog steeds rekening houden met de militairen. Wat niet wegneemt dat ik vreselijk teleurgesteld ben. Ik geloofde dat ze voor de vrijheid van àlle Myanmarezen vocht, en niet alleen voor haar eigen etnische groep.”

 

U stak de grens van Thailand naar Myanmar over samen met een Britse investeringsbankier. Jullie hadden valse papieren en waren zogezegd man en vrouw. Dat was uw allereerste undercoverrol?

“Zo zou je het wel kunnen noemen, ja. Ik kende die investeringsbankier exact anderhalf uur voor we samen als ‘man en vrouw’ naar Myanmar afreisden. We hadden heel dat scenario uitgedacht omdat het de beste manier was om een visum te krijgen. Ik speelde mijn rol moeiteloos. Ik groeide op in een gezin dat vaak van de ene plek naar de andere verhuisde. Mijn vader is Amerikaans en mijn moeder Brits. Als kind leerde ik me voortdurend aanpassen aan nieuwe omgevingen. Maar tijdens mijn trip naar Suu Kyi was het inderdaad de eerste keer dat ik mezelf om veiligheidsredenen vermomde. In mijn hoofd was ik toen geen geheim agent, maar onderzoeksjournalist. Die twee jobs verschillen trouwens niet zoveel van elkaar.”

 

Toen u in Oxford studeerde, werd u benaderd door drie mannen van een Britse geheime dienst. Ze wilden u rekruteren, maar vingen bot. Pakten ze het verkeerd aan?

“Ik weet nog altijd niet van welke geheime dienst ze precies waren, MI5, MI6 of GCHQ. Ze praatten iets te paternalistisch over de landen buiten het Westen. Ze leken zich superieur te voelen en wilden hun visie doordrukken. Dat stootte me af.”

 

Toen u niet veel later aan de universiteit van Georgetown in Washington DC verder studeerde en benaderd werd door een CIA-recruiter, zei u wel ja. Wat was het verschil?

“De aanslagen van 11 september 2001. Die dinsdagochtend was ik in Washington DC. Ik zag de rook boven het Pentagon nadat vlucht 77 zich daar had ingeboord. Mijn zusjes zaten er vlakbij op school en moesten geëvacueerd worden. Op de radio werd gezegd dat het oorlog was. Die aanslagen deden me terugdenken aan het grote trauma uit mijn jeugd. Ik was acht toen mijn allerbeste vriendin Laura samen met haar hele familie omkwam op de Pan Am-vlucht die door Libische terroristen boven het Schotse plaatsje Lockerbie werd opgeblazen. Dat was de allereerste keer dat ik met de dood geconfronteerd werd. Dat was ook de eerste keer dat ik het woord ‘terrorisme’ hoorde. Vanaf dan waren dood en terreur voor mij gelijk. Mijn vader zei: ‘Je moet de krachten begrijpen die Laura wegnamen, anders raak je erdoor overweldigd.’ Toen leerde hij me de krant The Times lezen. Aan de universiteit van Georgetown ging ik voor mijn thesis op zoek naar een manier om te ontdekken of een regio kans maakt ooit gebruikt te worden als terroristische uitvalsbasis. Ik spoorde werkelijk àlle gegevens over elke binnenlandse en buitenlandse aanslag van de afgelopen tweehonderd jaar op en bracht die in kaart. Daaruit leidde ik een algoritme af dat kan bepalen hoe waarschijnlijk het is dat er in een gebied tereuraanslagen worden voorbereid. Mijn thesis trok de aandacht van een man aan de universiteit die ook voor de CIA rekruteerde. Hij was nederig, stil en nieuwsgierig.”

 

Hij was geen macho?

“Helemaal niet. Het was een kleine man met een lange witte baard. Hij zag eruit als de kerstman. (lacht) Hij sprak verschillende talen en was zeer bezorgd over het leefmilieu en over bedreigde culturen.”

 

Was dat echt of gespeeld?

“Dat was heel echt, zo is hij. Hij was nooit underoveragent, maar is leraar en analist. Een eerlijke, ernstige kerel.”

 

Een beetje zoals Saul Berenson, de mentor van CIA-agente Carrie Mathison uit de serie Homeland?

“Ik heb ooit de allereerste aflevering gezien, maar die stond me niet echt aan. Mijn moeder is verzot op die reeks, dus misschien heb ik ze te snel afgeschreven. Ik haat de stereotiepe manier waarop vrouwen uit geheime diensten in films en reeksen worden afgeschilderd. Dat hoort waarschijnlijk zo bij entertainment.”

 

Uw boek wordt ook een reeks voor het nieuwe Apple tv+.

“Ja, en daar heb ik wel alle vertrouwen in. Mijn rol zal gespeeld worden door Brie Larson.”

 

Wou u van in het begin bij de CIA undercoveragent worden?

“Helemaal niet. Ik werkte als onderzoeker en verzamelde zoveel mogelijk informatie over terreurdreiging. Ik wist niets over dat speciale eliteprogramma, tot ze me er voor vroegen. Toen was het hek wel van de dam. Ik wou dolgraag aansluiten, want dat was het allerhoogste niveau voor een agent.”

 

Een van uw eerste opdrachten als undercoveragent-in-spe was onthoofdingsvideo’s bestuderen.

“We bekeken dezelfde video’s honderd keer na elkaar, op zoek naar kleine aanwijzingen waar ze gefilmd konden zijn. Dag in, dag uit. Emotioneel was dat zeer belastend. Soms vonden we iets, vaker vonden we niets.”

 

Niet veel later werd u naar een opleidingscentrum voor die elite-eenheid gestuurd. Zes maanden lang zat u op ‘The Farm’. Dat centrum heet echt zo?

“Tien jaar geleden toch nog, maar ik weet niet hoe het inmiddels geëvolueerd is. Vandaag is er veel meer technologie bijgekomen, waardoor die opleiding ingrijpend veranderd zal zijn. Ik leerde nog de technieken die stammen uit de Koude Oorlog, nu draait alles rond biometrie en gezichtsherkenning. The Farm lag toen op een gigantische afgelegen militaire basis, ergens in de staat Virginia.”

 

Vlakbij Langley waar het hoofdkwartier van de CIA gevestigd is?

“Nee. Ik mag niet zeggen waar precies. The Farm bestaat uit iets wat op een uit de kluiten gewassen dorp lijkt en er grenst een woud aan.”

 

De training bestond uit een half jaar lang rollenspellen?

“Ja. 24 uur op 24, zeven dagen lang zaten we in een fictie. Elke ‘diplomaat’, ‘terrorist’, ‘collega’ die ik daar tegen het lijf liep, werd gespeeld door een voormalige agent die trainer geworden was. Af en toe dacht ik wel eens om eruit te stappen, maar als researcher had ik zowat elke dag gezien wat de terreur van Al Qaeda wereldwijd aanrichtte. Ik wou begrijpen wat die mensen ertoe aanzette om terrorist te worden. En ik wou dat ook stoppen. Ik nam geen genoegen met het riedeltje zoals dat nog steeds in de media weerklinkt: ‘Ze haten ons omdat we vrij zijn.’ Daar koop je niets mee, want dat wil zeggen dat ze ons in de islamitische wereld voor eeuwig zullen haten. Mijn ultieme doel was: met die mensen een gesprek voeren.”

 

U was net bij de CIA aan de slag toen de Duitser Khaled el-Masri in 2003 in Macedonië door CIA-agenten ontvoerd werd en afgevoerd naar een gevangenis in Afghanistan. Daar werd hij maandenlang door uw collega’s gemarteld. Tot ze doorhadden dat ze de verkeerde Khaled el-Masri hadden gekidnapt. In plaats van een Al Qaeda-terrorist was deze man een brave huisvader met vijf kinderen.

“Ik vernam dat pas veel later via de media. Weet u wat een van onze grote problemen was? Onderling deelden we amper informatie met elkaar, waardoor er soms niet op tijd gecorrigeerd werd. Later lazen we dan in kranten of tijdschriften vreselijke verhalen over de zogenaamde CIA-renditions van gevangenen naar ‘black sites’ in Afghanistan.”

 

In januari 2005 berichtte The New York Times voor het eerst over het geval El-Masri. Sprak u daar toen over met uw collega’s?

“Ik heb nooit contact gehad met het ‘Enhanced Interrogation Program’ van de CIA. Tot de dag van vandaag ben ik ontzettend dankbaar dat ze me daar nooit voor vroegen. Ik werd dus nooit gedwongen om te zeggen: ‘Hier doe ik niet aan mee.’ Tijdens de lunch in de CIA-kantine werd er wel levendig over gediscussieerd. Sommigen vroegen zich terecht af of we met die ondervragingstechnieken niet de karakteristieken verloochenden van het land waarvoor we aan het vechten waren.”

 

Vlak voor u naar The Farm vertrok, verplichtte de CIA u met uw toenmalige vriend te trouwen.

“Hij wist niet dat ik bij de CIA werkte. Niemand wist dat, iedereen dacht dat ik voor een reguliere multinational aan de slag was. De CIA stelde me voor de keuze: trouw met je vriend, of laat hem in de steek. Hij was geen Amerikaans staatsburger en alleen daarom al ‘verdacht’. Ik mocht hem in principe zelfs niet eens zoenen. Trouwen was de enige manier om onze relatie in stand te houden, en vervolgens moest hij een leugendetectortest afleggen. Hij was in shock, maar bedekte alles toch met de mantel der liefde. Dat vond ik vertederend. (lacht)”

 

Na uw opleiding was uw flat leeg en was hij weg.

“Voor mij was dat een grote opluchting. Ik neem hem dat niet kwalijk, hij verdiende iemand die niet enkel geobsedeerd was door haar werk. Want dat was ik toen: volledig gefocust op mijn missie als CIA-undercoveragent. Er was niets anders.”

 

Uw collega Dan werd naar Afghanistan gestuurd om mensen te liquideren.

“Dat was tijdens de zogenaamde ‘surge’ in Afghanistan, de troepenversterking om het geweld te counteren. In The Farm werden we opgeleid om zonder wapens langzaam relaties op te bouwen met Afghanen, Irakezen of wie dan ook. De CIA ging er altijd prat op dat wapens in het inlichtingenwerk overbodig waren. Het is een echte schande dat collega’s zoals Dan in de nasleep van de invasie in Afghanistan naar het front gestuurd werden.”

 

Worden er nu nog CIA-agenten als doodseskaders ingezet?

“De elite-agenten die een opleiding op The Farm achter de rug hebben, worden nu niet meer gewapend in oorlogszones ingezet. Een halfjaarlijkse training op The Farm kost een fortuin. Het is een ongelooflijke verkwisting om net die agenten met hun uitzonderlijke vaardigheden het slagveld op te sturen. Daar heb je militairen voor nodig, en geen elite-undercoveragenten. De CIA heeft geleerd uit die fouten van het verleden. Het agentschap is bezig het paramilitaire af te stoten en keert terug naar haar core business: inlichtingenwerk.”

 

Ook onder de huidige president Donald Trump?

“De CIA heeft intussen wel geleerd politieke druk te weerstaan. De geschiedenis van de VS is een aaneenschakeling van turbulente tijden. Nu is er Trump, maar de jaren zestig waren ook best hevig met de oorlog in Vietnam. We vergeten snel en elke nieuwe generatie denkt dat haar problemen uniek zijn.”

 

Na uw opleiding in The Farm nam u een volledig nieuwe identiteit aan en vertrok u naar China.

“Ik mag daar niets over vertellen, ook al schrijf ik erover in mijn boek. Wat daarin beschreven staat, is gereviewed. Ik kan die gebeurtenissen niet opnieuw tegen u vertellen, want dan gebruik ik sowieso andere zinnen en krijg ik ernstige problemen met de CIA. Alles wat ik daarover tegen iemand zeg, is een overtreding, want heeft geen review ondergaan.”

 

Amaryllis Fox zwijgt en ziet de teleurstelling bij haar gesprekspartner. Ze schudt het hoofd en zegt: “U hebt mijn boek gelezen, ik hoef u dus ook niet te entertainen met wat u al weet.” In Mijn leven undercover vertelt ze, met de zegen van de CIA, hoe haar baas haar inlicht over wat haar nieuwe spionnenjob overzee zal inhouden. Ze schrijft: ‘Mijn cover behelst de vestiging van een Aziatisch kantoor voor de zaak, vertelt hij me, gericht op aanstormende kunstenaars door het hele Midden-Oosten. Tot nu toe heeft mijn fictieve carrière in de inheemsekunsthandel gefungeerd als smoes tegenover de douane en mijn vrienden en familie bij mijn korte uitstapjes naar het buitenland. Niemand heeft me er ooit meer dan twintig minuten lang vragen over gesteld. Maar in China gaat het om vierentwintig uur per dag en zal de handel net zoveel tijd gaan kosten als een echt bedrijf, waarbij ik ook nog ruimte zal moeten maken voor mijn spionagewerkzaamheden. Ik volg een week lang een spoedcursus MBA, waar ik onder meer leer hoe mijn boekhouding in elkaar steekt, mocht ik worden ondervraagd door de buitenlandse autoriteiten. Ik ontvang uitdrukkelijke instructies om geen enkel onderdeel van welke operatie dan ook in China zelf te ondernemen. Het wordt alleen een thuisbasis, hoewel ik er in principe wel van moet uitgaan dat ik bijna continu in de gaten zal worden gehouden. Alle spionageactiviteiten zullen in andere landen plaatsvinden, meestal onder mijn eigen naam maar soms onder een alias, wat vliegen naar een ander land betekent, mijn documenten wisselen en verder reizen naar de spionagebestemming met mijn fictieve identiteit. Het idee achter de non official cover is het wegblijven van de stank van het officiële domein, dus de documentenwissel kan niet in ambassades plaatsvinden. In plaats daarvan zijn we afhankelijk van de brush pass, een ongemerkte uitruil waarbij je een andere agent passeert op een bepaald tijdstip op een vooraf afgesproken plek – een tunnel of een steegje, dusdanig afgezonderd dat geen achtervolger de kans krijgt om te zien dat er documenten worden verwisseld terwijl we vlak langs elkaar lopen zonder onze pas te vertragen.’

 

Vlak voor u naar China vertrok, trouwde u met een andere undercoveragent. Jullie vestigden zich in Shanghai als kunsthandelaars en kregen er een baby. Dat was tezelfdertijd het échte leven en een undercoverleven?

“Hoe dichter undercoverwerk het echte leven benadert, hoe beter het rendeert. Mijn toenmalige man en ik speelden onze rol, maar de interacties tussen ons beiden waren echt. Als die fake zijn, lukt het nooit. De clou van goed undercoverwerk is authenticiteit.”

 

U kreeg uw opdrachten, uw man kreeg er andere, maar jullie wisten van elkaar niet waar jullie mee bezig waren. Jullie mochten er tijdens het avondeten zelfs niet over praten.

“We communiceerden tussen de lijnen door. Vrienden die mijn boek gelezen hebben, zeggen me: ‘Ik heb ook zo’n relatie.’ Soms is het verstandiger om lastige kwesties niet rechtstreeks te benoemen, maar er een beetje omheen te fietsen. Je weet dan allebei dat je niet over de gaarheid van de spaghetti aan het discussiëren bent, maar over iets totaal anders. (lacht)”

 

Hebt u als undercoveragent veel levens gered?

“Dat is zeer moeilijk in te schatten, en dat vind ik lastig. Je kan het heel snel verknoeien en dat merk je dan meteen als de aanslag wordt uitgevoerd. Maar je weet nooit wanneer je iets betekenisvols of goeds gedaan hebt. Ik ken de consequenties van mijn inlichtingenwerk niet. Tijdens mijn opleiding leerde ik met een Glock-pistool schieten. Ik heb dat later nooit in de praktijk moeten brengen.”

 

U zorgde ervoor dat een Hongaarse leverancier van Sovjetrestanten voor nucleair wapentuig informant van de CIA werd.

“Ja, maar niet alle bedreigen die zo gerapporteerd werden, bleken duizelingwekkend gevaarlijk te zijn. Informanten werden betaald, waardoor ze af en toe bedreigingen verzonnen. Of ze hadden ergens iets horen waaien dat totaal niet bleek te kloppen. Soms werden er wel eens zo’n Sovjetonderdelen aan een terreurgroep verkocht, maar die dingen waren gelukkig stokoud en van slechte makelij.”

 

Kijkt u na alles wat u als CIA-agent gezien en meegemaakt heeft nu met een bange blik naar de wereld?

“Nee, integendeel. Ik heb uren doorgebracht met mannen waarvan gezegd wordt dat ze monsters zijn. Ik heb ontdekt dat ook zij driedimensionele menselijke wezens zijn, net zoals u en ik. Als strijdend individu maakten ze zich vaak schuldig aan walgelijke daden. Maar ze zijn ook ouders, broers en zonen die op het verkeer sakkeren en niet graag belastingaangiftes invullen. Daardoor heb ik ook beter leren begrijpen waarom ze hun toevlucht nemen tot geweld. Dat geldt trouwens ook voor onze kant.”

 

Net zoals u hen als terroristen zag, beschouwden zij de CIA als een terroristische organisatie?

“Precies. We zijn allemaal tezelfdertijd banaal én gruwelijk. Zolang je niet begrijpt welke kleine, fragiele menselijke emoties die grote gewelddaden aandrijven, zal je ze nooit kunnen vermijden. Want het zijn schaamte, vernedering, angst of wrok die mensen afschuwelijk foute beslissingen laten nemen. Eens je dat doorhebt, kun je proberen ingrijpen. Misschien kun je je dan zelfs in hun gedachtenwereld inleven.”

 

Zelfs in die van Islamitische Staat?

“De cultuur van IS verschilt totaal van die van Al Qaeda. Maar de redenen waarom jonge mensen lid worden van IS of van Al Qaeda zijn dezelfde. Ze voelen zich machteloos en bij dat terreurnetwerk komen ze thuis. Dan zijn ze broeders onder elkaar, die samen vechten voor een hoger doel. Hebt u de film Joker gezien? Op een bepaald moment zegt de gewelddagige clown Arthur Fleck alias Joaquin Phoenix: ‘Niemand luisterde naar mij. Nú beginnen ze te luisteren.’ Net daarom grijpen mensen naar terreur.

 

Amaryllis Fox, Mijn leven undercover als topagente van de CIA, AmboAnthos, 272 blz, 20,99 euro

 

Bio

Amaryllis Fox

  • Geboren op 1 september 1980 in New York als Amaryllis Damerell Thornber.
  • Haar vader Edgar Thornber is economist en adviseerde Michael Gorbatschov en Margaret Thatcher.
  • Haar moeder Lalage Damerell is actrice.
  • Vandaag is ze programmamaker en vredesactivist.
  • Samen met haar derde man Bobby Kennedy III, kleinzoon van de in 1968 vermoorde presidentskandidaat Robert Kennedy, en haar twee kinderen leeft ze in Los Angeles.

 

(c) Jan Stevens

‘Escobar had een ego zo groot als Colombia’

Steve Murphy en Javier Peña werden door de Netflix-hitserie Narcos wereldberoemd als de jagers op Pablo Escobar. In hun autobiografie Manhunters rekenen de inmiddels gepensioneerde DEA-agenten af met de mythische status van de Colombiaanse drugsbaron. “Al zijn zogenaamde goede werken financierde hij met corruptie, drugshandel en moord.”

 

In Narcos werden de hoofdrollen van de twee Amerikaanse DEA-agenten Steve Murphy en Javier Peña vertolkt door de acteurs Boyd Holbrook en Pedro Pascal. De tv-reeks brengt in beeld hoe beiden van eind jaren zeventig tot begin jaren negentig op Pablo Escobar en zijn beruchte Medellín-drugskartel joegen. Bedenker, scenarioschrijver en regisseur José Padilha zocht in de aanloop van het eerste seizoen in 2015 contact met de inmiddels gepensioneerde échte manhunters Peña en Murphy. Hij praatte uitgebreid met hen en nodigde hen in de laatste aflevering van het tweede seizoen uit voor een amper opgemerkte cameo, met een toast van beiden op de dood van Escobar. Pas nu vertellen Steve Murphy en Javier Peña zelf het verhaal van de jacht op Escobar in hun autobiografie Manhunters. “Eigenlijk is het jammer dat we daar zo lang mee gewacht hebben”, vindt Javier Peña. “Escobar werd doodgeschoten op 2 december 1993 en in de jaren erna stonden wij gewoon niet stil bij het belang van onze rol om hem te vinden. Dat besef kwam pas toen we betrokken raakten bij Narcos. Ik wou nu dat we Manhunters al veel eerder geschreven hadden.”

Steve Murphy: “Toen Netflix onze medewerking vroeg, zei een vriend: ‘Zorg voor een clausule in jullie contract waarbij jullie het recht behouden zelf jullie leven te boek te stellen. Je weet nooit.’ Toen begon die eerste Narcos-serie met onze alter ego’s in de hoofdrollen, en dat was meteen een gigantische hit. We leerden een literair agent kennen: ‘De tijd is rijp voor jullie versie van de feiten.’ And here we are.”

 

Waarom gingen jullie ooit bij de politie?

Peña: “Ik ben geboren en getogen in Texas, niet ver van de Mexicaanse grens. Om mijn studies sociologie te bekostigen, vond ik een bijbaantje als hulpsheriff. Overdag studeerde ik en ’s nachts patrouilleerde ik in de straten van Laredo als ordehandhaver voor het sheriffbureau van Webb County.”

Murphy: “Ik groeide op vlakbij Nashville, Tenessee. Daar maakte ik als lagere schooljongen op een zomeravond voor het eerst kennis met een politiepatrouille in actie. Een van mijn vrienden raakte niet binnen in zijn eigen huis en we probeerden een slaapkamerraam open te prutsen. Een buur waarschuwde de politie en niet veel later werden we ‘aangehouden’ door twee agenten in uniform. Ik was daar danig van onder de indruk en ik wist meteen wat ik later wou worden: politieagent. Een paar jaar later verhuisden we naar de staat West Virginia. In 1975 nam ik op mijn 19e dienst bij de geüniformeerde politie. Ik genoot ervan een flik te zijn, elke dag van de zes jaar die ik bij het Bluefield Police Department diende. Alleen kreeg ik er een armzalig loon voor in de plaats. Ik was intussen getrouwd, gescheiden en had twee kinderen. Er moest dus brood op de plank en daarom stapte ik eind 1981 noodgedwongen over naar de veel beter betalende spoorwegpolitie. Mijn salaris verdubbelde, maar ik voelde me er doodongelukkig. Ik was niet bij de politie gegaan om een hele dag op een trein rond te lummelen. Ik wou boeven vangen en mijn ultieme droom was undercoveragent in het drugsmilieu. De VS werden in de jaren zeventig geteisterd door drugs zoals marihuana, heroïne en cocaïne. Ik zag de vreselijke verwoesting die ze bij talentvolle jonge mensen aanrichtten en mijn handen jeukten om daar iets tegen te ondernemen.”

 

Ook de handen van de toenmalige president Richard Nixon jeukten in 1973: toen richtte hij de Drug Enforcement Administration of DEA op. Met die nieuwe federale politiedienst verklaarde hij de oorlog aan de dealers én de gebruikers?

Murphy: “Begin jaren zeventig werd cocaïne steeds populairder. Nixon zat halverwege 1973 middenin het Watergate-schandaal en was wanhopig op zoek naar een bliksemafleider. Daarom verklaarde hij met veel aplomb een wereldwijde oorlog tegen drugs. Op 1 juli van dat jaar werd op bevel van de president de DEA boven de doopvont gehouden, het federaal bureau dat drugsgebruik inderdaad streng ging aanpakken en de drugssmokkel moest beëindigen. De DEA werd in de wandelgangen ‘The Single Mission Agency’ genoemd, omdat de focus enkel en alleen gericht was op de strijd tegen drugs.”

Peña: “Je mag ook niet vergeten welke ellende heroïne in die tijd aanrichtte. Die kwam vanuit de Gouden Driehoek in het verre oosten ons land binnen via Zuid-Frankrijk. De heroïne werd door de Siciliaanse maffia of de beruchte ‘French Connection’ vanuit de havenstad Marseille verscheept naar New York.”

 

Vandaag worden de VS geteisterd door synthetische drugs zoals crystal meth. In Manhunters vind ik daar geen spoor van terug.

Peña: “In de jaren zeventig en tachtig leken synthetische drugs nog niet zo’n immens probleem. Wij noemden ze ‘kiddie dope’. (lacht) De DEA concentreerde zich op heroïne en cocaïne en schonk geen aandacht aan die ‘onnozele’ verdovende middelen uit het labo. Dat was een vergissing.”

 

Hoe kwamen jullie bij de DEA terecht?

Peña: “In 1977 was ik bijna afgestudeerd als socioloog toen ik op het mededelingenbord van de faculteit een jobvacature voor de DEA zag hangen. Bij de sheriff van Laredo verdiende ik op dat moment 10.000 dollar per jaar. Geen vetpot, daarom was ik geïnteresseerd in die vacature. Al wist ik eerlijk gezegd toen niet eens wat de DEA was. (lacht) Zij betaalden 17.000 dollar en ik stuurde mijn sollicitatiebrief. Ik wou ook weg uit Laredo. Een van de wervingsslogans van de DEA was toen: ‘Kom bij ons werken en je zal de wereld zien.’ Het duurde een jaar voor ik aangenomen werd. Mijn plan was om er twee jaar te blijven, maar voor ik het goed en wel besefte, zwaaide ik pas dertig jaar later af.”

Murphy: “Mijn naaste collega bij de spoorwegpolitie had een tijdje als undercoveragent bij de DEA gewerkt. Tijdens onze nachtdiensten vertelde hij heroïsche verhalen. Ik solliciteerde, maar dat ging niet van een leien dakje. Pas na twee jaar werd ik eindelijk door de DEA aangenomen.”

 

U moest eerst een opleiding volgen aan de DEA Academy in Quantico, Virginia?

Murphy: “Ja, en die was niet van de poes. Na dertien weken keiharde training was ik twaalf kilo vermagerd. Daarna werd ik naar Miami gestuurd. Mijn grootste cocaïnevangst ooit in mijn twaalfjarige carrière als gewoon politieagent, was welgeteld 60 gram. Bij mijn allereerste zaak als DEA-agent in Miami, nam ik 400 kilo coke in beslag. Toen wist ik: mijn keuze voor de DEA was de enige juiste.”

 

Jullie werkten allebei undercover?

Murphu: “Ja, maar ik mengde me niet zo actief onder de producenten en dealers als Javier. De cocaïnetoevoer en handel was volledig in handen van Latijns-Amerikanen en hispanics. Als witte kerel zou ik heel snel door de mand vallen. In Miami hield ik me vooral bezig met rekrutering van informanten en het ondersteunende werk achter de schermen.”

Peña: “Ik heb Mexicaanse roots en thuis en op school spraken we Spaans. Ik begon mijn carrière als DEA-undercoveragent in de Texaanse hoofdstad Austin. Toen ik daar in 1984 toekwam, was ik de enige Latino-agent op het bureau. Ik werd dan ook meteen ingezet voor heel wat undercoverwerk. Iedereen denkt nu dat wij ook in Colombia als undercoveragenten actief waren om Pablo Escobar uit te schakelen, maar dat is niet zo. Wij waren daar als verbindingsagenten en werkten nauw samen met de Colombiaanse politie.”

 

Jullie schrijven met veel sympathie over de Colombiaanse politiemensen en noemen ze ‘de echte helden’ in de strijd tegen Escobar. In september 1989 verscheen in The New York Times een vernietigend artikel, waarin de Colombiaanse politie ervan beschuldigd werd zo corrupt te zijn als de pest. Ze zou zwaar geïnfiltreerd zijn door de drugsbaronnen.

Murphy: “Dat is precies een van die grote mythes die wij met dit boek willen doorprikken. Wij verhuisden naar de Colombiaanse hoofdstad Bogotá op vraag van de Colombiaanse Nationale Politie. Wij hebben ons nooit opgedrongen; het was hún verzoek hen te helpen in de jacht op Pablo Escobar.”

Peña: “Natuurlijk vonden wij dat een uitstekend idee. Wij hadden in die tijd kantoren over de hele wereld en wisselden informatie uit. Maar dat was de allereerste keer dat een land de hulp van de DEA inriep om samen actief op zoek te gaan naar een misdadiger.”

 

Eind jaren tachtig was Bogotá oorlogsgebied?

Peña: “Ik arriveerde er in 1988 en schrok van wat ik er aantrof. De handlangers van Escobar pleegden aanslagen en terroriseerden zowel Bogotá als de tweede belangrijkste stad Medellín. Vraag vandaag aan om het even welke volwassen inwoner van Bogotá hoe hij of zij zich de jaren voor en na 1990 herinnert, en je krijgt antwoorden als: ‘Mijn tante kwam om in een bomaanslag’, of: ‘Mijn oom werd neergekogeld op straat.’ Winkelcentra lagen er verlaten bij en het uitgangsleven was zo dood als een pier.”

 

Het was open oorlog tussen het Medellín-kartel en de overheid?

Peña: “Ja, en daar kwam nóg een oorlog bij tussen het Medellín-kartel van Escobar en het Cali-kartel. Escobar begon op een bepaald moment ook bommen te plaatsen in de auto’s van concurrerende drughandelaars.”

Murphy: “Maar de belangrijkste oorlog was toch die tussen Escobar en Colombia.”

Peña: “Zeker. Iedereen was een potentieel slachtoffer. Escobar en zijn handlangers vermoordden onschuldige mensen in supermarkten, winkels, op straat, in restaurants of cafés. De Zona Rosa-wijk in Bogotá stikt van de restaurants. Wij vermeden die buurt omdat daar continu bommen ontploften.”

Murphy: “De Colombiaanse bevolking werd zwaar geterroriseerd. Ik kwam op 16 juni 1991 toe in Bogotá. Drie dagen later gaf Pablo Escobar zichzelf aan bij de politie. Er is geen enkel verband tussen die twee feiten. (lacht) Bij de DEA wordt niemand zonder inspraak naar het buitenland gestuurd, je moet er je kandidatuur voor stellen. Zo vertrekken er alleen gemotiveerde agenten. Maar van zodra ik die 16e juni de internationale luchthaven El Dorado binnenliep, kreeg ik al spijt van mijn kandidatuur. Het leek net een grauwe sovjetbunker waar de chaos hoogtij vierde. Ik voelde me vreselijk geïntimideerd. Op dat moment wist ik nog niet dat ik ingeschakeld zou worden in de strijd tegen Escobar en zijn Medellín-kartel. Dat werd een dag later duidelijk toen ik voor het eerst kennismaakte met Javier en zijn partner Gary Sheridan. Javier en Gary waren op dat moment dé Medellín-experten in Colombia. Toen Gary promotie kreeg, werd ik Javiers vaste partner.”

 

Jullie hadden elkaar nooit eerder in de VS ontmoet?

Peña: “Nooit. Maar we werden snel hechte vrienden. Steve is zeer georganiseerd en ik ben een chaoot. We vullen elkaar dus perfect aan. (lacht)”

 

Op 19 juni ’91 gaf Escobar zich over. Jullie hadden dat niet zien aankomen?

Peña: “Niemand. De Colombiaanse regering ging akkoord met een overgave op zijn voorwaarden omdat ze zo veel mensenlevens kon redden. Hij mocht zijn zaakjes verder blijven runnen in de gevangenis, in zeer luxueuze omstandigheden. In ruil beloofde hij dat er geen bommen meer zouden ontploffen. Op dat moment vonden wij dat gruwelijke onzin. We waren daar echt kapot van, maar in werkelijkheid stopten de aanslagen ook. Nu weet ik: Baby, it was the best we could get.”

 

Escobar gaf zich over uit schrik voor een aanslag op zijn eigen leven?

Murphy: “De grond was hem te heet geworden onder zijn voeten. De regering bouwde op zijn kosten zijn gevangenis, bijgenaamd La Catedral, volledig naar zijn wensen: met een zwembad, jacuzzi, voetbalveld en luxueuze woonvertrekken. Hij mocht zijn trouwe handlangers en ‘bedienden’ meenemen naar binnen. De zware beveiliging moest zijn vijanden buitenhouden.”

Peña: “Op het moment van zijn overgave was niemand daarvan op de hoogte. Maar veel Colombianen namen daar achteraf vrede mee. Zij waren al lang blij dat de aanslagen stopten. Een belangrijk onderdeel van de deal was dat de overheid de handel van Escobar niet verder zou controleren. Hij had voor zichzelf dus een vrijgeleide onderhandeld om verder cocaïne te exporteren naar de VS. Hij bleef vanuit La Catedral orders uitdelen om concurrenten en in ongenade gevallen zakenpartners uit te schakelen of ontvoeren. Een jaar na zijn overgave moest zelfs de regering erkennen dat er behalve de bomaanslagen niet veel veranderd was. Ze besloten hem over te plaatsen naar een echte gevangenis, maar hij wachtte daar niet op, gijzelde een paar regeringsfunctionarissen en ontsnapte via een tunnel. Pas na Escobars ontsnapping zagen we de luxe waarin hij zich een jaar lang had gewenteld.”

 

U bracht toen de nacht door in Escobars bed. Waarom?

Peña: “Meteen na zijn ontsnapping kamden we La Catedral uit en een Colombiaanse kolonel zei: ‘Wedden dat je vannacht niet in Escobars bed durft slapen?’ Dat moest hij geen twee keer zeggen. (lacht) Eerlijk gezegd heb ik die nacht geen oog dichtgedaan. Boven Escobars bed stond een beeldje van de Maagd Maria. Ik lag naar dat beeldje te staren en dacht: ‘Die man heeft honderden doden op zijn geweten, en toch bad hij tot Maria.’ Al die drugsbaronnen geloofden in God en toch aarzelden ze niet om onschuldige mensen af te knallen.”

 

Was Pablo Escobar een psychopaat?

Murphy: “Volgens sommigen was hij een volbloed psychopaat. Anderen beweren dat hij een meervoudige persoonlijkheidsstoornis had. Nog anderen zien hem als een geniale ondernemer die in de verkeerde branche terechtgekomen is. Zij beweren dat hij ook in de bovenwereld minstens even rijk zou geworden zijn. Dat is volstrekte onzin, want zijn zakelijke model was gebouwd op terreur. ‘Als je niet doet wat ik zeg, maak ik je af.’ Hij had een ego zo groot als Colombia. Hij geloofde echt dat elke Colombiaan hem bewonderde en steunde. Dat was niet zo, maar in ’82 raakte hij wel verkozen tot plaatsvervangend volksvertegenwoordiger in het parlement. Hij droomde er zelfs van om president van Colombia te worden. Hij overschatte zijn ‘populariteit’ grandioos. Hij was niet populair; mensen waren doodsbang voor hem.”

 

Toch waren veel piepjonge Colombianen bereid hun leven voor hem op te offeren, zoals die jongen van 17 die in opdracht van Escobar tien agenten had doodgeschoten.

Peña: “Het verhoor van die jongen zit voor altijd in mijn geheugen gegrift. Hij kreeg 100 dollar per dode agent en gaf zijn loon bijna integraal aan zijn moeder. Hij zei dat Escobar hem een nieuw leven gaf in de krottenwijk waarin hij was geboren. Dankzij Pablo zaten ze niet langer in de goorste armoede. Ze hadden nu tenminste een koelkast, eten en een dak boven het hoofd. Die jongen was er zich heel goed van bewust dat de levensverwachting onder Escobars huurmoordenaars of sicarios amper 22 jaar was. Hij toonde geen greintje berouw over die tien dode agenten. Escobar had minstens 500 sicarios in dienst.”

 

Op 2 december 1993, de dag na zijn 44e verjaardag, werd hij in zijn onderduikadres in de wijk Los Olivos in Medellín door de Colombiaanse politie doodgeschoten.

Murphy: “Wij kwamen er toe meteen nadat hij gedood was. Luitenant Hugo Martínez van de Colombiaanse Nationale Politie was een crack in het uit de lucht plukken van radiosignalen. Op een dag hoorde hij een gesprek tussen Escobar en een van zijn secondanten. Hij kon de zender traceren en zo kwamen ze Pablo Escobar op het spoor. Martínez vertelde me achteraf hoe hij voor een rijhuis stopte en door het venster Escobar zag telefoneren. In het vuurgevecht dat daarop volgde, werd Escobar doodgeschoten. Daarom zijn de échte helden de inmiddels overleden luitenant Martínez en zijn collega’s van de Colombiaanse Nationale Politie.”

 

Volgens de zoon van Pablo Escobar schoot de drugsbaron zichzelf door het hoofd.

Murphy: “Leugens. Je moet maar eens surfen naar de foto’s die genomen zijn van het lijk van Escobar, niet lang nadat hij was doodgeschoten en op dat dak lag. Ik was de fotograaf. Er wordt beweerd dat hij zichzelf door het oor geschoten zou hebben. Als dat zo was, zou de huid rond het oor brandwondjes moeten hebben. Als je van dichtbij een kogel afvuurt, vliegen er restjes buskruit in je gezicht. Bekijk de foto’s maar eens goed, je zal geen brandwonde aantreffen. Hij pleegde geen zelfmoord.”

Peñas: “Zijn dood zorgde voor een uitbarsting van vreugde, maar ook voor verdriet. Want veel arme Colombianen zagen Pablo paradoxaal genoeg als hun redder. Ik kom er nog regelmatig en zelfs vandaag denken ze met weemoed aan hem terug. Ze geloven dat hij een sympathieke Robin Hood was die stal van de rijken en gaf aan de armen. Maar al zijn zogenaamde goede werken financierde hij met corruptie, drugshandel en moord. Op 27 november 1989 liet hij een passagiersvliegtuig opblazen: 107 passagiers en bemanningsleden vonden de dood. Zo wou hij een paar politie-informanten die aan boord waren uit de weg ruimen. Duizenden onschuldigen vermoordde hij. Erg sympathiek was dat niet.”

 

Steve Murphy & Javier Peña, Manhunters – Onze jacht op Pablo Escobar, Kosmos Uitgevers, 416 blz., 20 euro

 

(c) Jan Stevens

“Volslagen eerlijkheid maakt het leven ondraaglijk”

Op zijn 63e debuteert Rik Torfs met de roman ‘Het grote gelijk’, waarin de champagne rijkelijk vloeit en er lust in de lucht hangt. “In een roman mag het wat ruiger en onfatsoenlijker dan in een keurig artikel.”

 

Bang voor de recensies van ‘Het grote gelijk’ is professor kerkelijk recht Rik Torfs niet. “Die zijn toch negatief”, zegt hij met een bulderlach. “Ik maak me daar geen illusies over. Journalisten zullen denken: ‘Nu gelooft Torfs ook nog dat hij romans kan schrijven.’ Ik vind dat niet erg. Ik heb mijn best gedaan en kan mijn werk volledig verdedigen. Anderen hebben het volstrekte recht het niet goed te vinden.”

In ‘Het grote gelijk’ wordt hoofdpersonage Walter Holsters na een lange carrière op christendemocratische kabinetten eindelijk minister. Hij komt op Justitie terecht, niet meteen zijn eerste keuze. Daar erft hij de ‘personal assistant’ van zijn voorganger. Ze heet Ingrid en blijkt de vijftien jaar jongere vrouw te zijn van Holsters’ jeugdvriend Olivier. Meteen bekruipt hem de gedachte: “Ik zou willen dat ze meer van mij was dan ze is.”

Vóór Walter Holsters naar de politiek overstapte, was hij professor aan de universiteit, net als zijn geestelijke vader Rik Torfs. “Collega’s doen er graag gewichtig over, maar het is een gemakkelijke baan”, laat Torfs zijn personage in ‘Het grote gelijk’ zeggen. “Onderzoeksprogramma’s uitschrijven aan de lopende band, papers publiceren die niemand leest. Ik draaide er mijn hand niet voor om. Er bleef veel vrije tijd over.” Holsters vulde die met het opstarten van een bedrijf; Rik Torfs schreef een roman.

 

Waarom debuteert u op uw 63e als romancier?

Rik Torfs: “Vindt u het nog te jong? (lacht) In een roman kun je anders te werk gaan dan in een essay of wetenschappelijk artikel. Het is makkelijker om doorheen de tijd te reizen. Je kunt personages ideeën of visies laten hebben die je in een essay nooit kwijt kan. Het mag wat ruiger en onfatsoenlijker dan in een keurig artikel. Je hoeft als schrijver ook niet achter alle opvattingen van je personages te staan.”

 

Toch zullen lezers denken dat ze via ‘Het grote gelijk’ uw diepste zielenroerselen op het spoor komen.

“Het is geen autobiografisch verhaal, al zitten er wel scènes in uit mijn jeugd. De onderwijzers op de lagere school die tijdens de les sigaretten stonden te roken, bijvoorbeeld. Groene Michel, zonder filter. Dat was stoer, maar ze gingen wel vroeg dood. Ik gebruik persoonlijke ervaringen om het verleden te reconstrueren. Ik schrijf niet over tijdperken die ik enkel ken van horen zeggen. Ik weet dat de jaren vijftig bestaan hebben, maar maakte ze niet bewust mee. Wat zich in het heden afspeelt, is volledig ontsproten uit mijn fantasie.”

 

Niet veel mensen wisten dat u de voorbije twee jaar aan deze roman aan het werken was.

“Ik heb in het verleden wel een paar keer gezegd dat ik dit ooit wou doen. Niemand geloofde me omdat ik zoveel vertel. (lacht) Ik vond het belangrijk om een gedegen Nederlandse uitgever te hebben. Zo ontsnapte ik uit het gemakkelijke sfeertje van het bekende Vlamingen-schap. Tegen mijn redacteur zei ik herhaaldelijk dat hij niet kritisch genoeg kon zijn. Het mocht geen ‘roman van Rik Torfs’ worden. Zoiets lukt veel beter in Nederland.”

 

U schrijft over ‘de lange hete zomer van 1974’. Ik heb het even gecheckt: de zomer van ’74 was eerder koel en nat.

“De zomer van 1976 was heet en lang. Die van ’74 is dat ook in de ervaring van mijn personages. Ik heb die zomer een upgrade gegeven omdat die voor hen een ‘turning point’ is. In 1976 zat ik in het tweede jaar rechten. Ik was bezig aan het examen logica. Tijdens de schriftelijke voorbereiding viel er een zweetdruppel op de blauwe inkt die daardoor werd uitgewist. Dat ene moment zit in mijn geheugen gegrift.”

 

Walter Holsters is een ingenieur. Waarom moest het hoofdpersonage een exacte wetenschapper zijn?

“Ik geloof in de theoretische mogelijkheid dat exacte wetenschappers een brede cultuur bezitten. (lacht) Ik zocht iemand die heel systematisch kan zijn, maar toch genoeg finesse heeft om in de politiek een heerlijk foute rol te spelen.”

 

Een christendemocraat.

“Zeker in de jaren zeventig en tachtig lag het voor de hand dat mensen die macht nastreefden, voor de christendemocratie kozen. Er zijn ooit pogingen geweest van de toenmalige CVP om zelfs Paul Goossens te rekruteren. Ik zie Walter Holsters als iemand die niet de moeite doet om in opstand te komen tegen een systeem. Ik heb veel mensen gekend die ook zo waren. Ze glipten de christendemocratie binnen als technici op kabinetten en werden later minister. Zo zijn er nu nog.”

 

Ze belandden ‘toevallig’ in de politiek, maar waren tezelfdertijd opportunistisch?

“Ja. Ze wisten dat dat niet helemaal koosjer was, maar vonden het net niet fout genoeg om het nog voor zichzelf te kunnen verantwoorden.”

 

Spreekt u nu voor uzelf? Van 2010 tot 2013 zat u in de senaat voor CD&V.

“Nee. Ik had achter de schermen nooit contact met ‘cabinetards’. Dat is ook een van de redenen waarom ik het niet lang in de politiek heb volgehouden.”

 

Zijn de ervaringen van minister Walter Holsters gebaseerd op gesprekken met levensechte ervaringsdeskundigen?

“Het is een mix van observatie en flarden van gesprekken. Maar ik heb nooit iemand rechtstreeks gevraagd hoe het voelt om minister te zijn. Ik sprak wel met hen over wat ze voelden in hun leven, en dan kwam hun ministerschap natuurlijk ter sprake. Walter vond het belangrijker om minister te worden dan om het te zijn; dat is iets wat ik een aantal echte ministers ook heb horen vertellen. Ik heb natuurlijk ook geput uit de periode dat ik rector van de KULeuven was. Net als minister van Justitie Walter Holsters kreeg ik toen heel wat mensen over de vloer met vragen die ik niet kon oplossen.”

 

Zoals de twee Antwerpse onderzoeksrechters die bij Walter Holsters komen klagen. “We verdrinken in het werk”, zegt de ene, en Holsters denkt: “Eerder in de alcohol.” Ze zullen het in Antwerpen graag lezen.

“Ik weet het. (lacht) Walter kan perfect voorspellen wat de onderzoeksrechters zullen vertellen, speelt daarop in en stuurt ze met een dooie mus terug naar huis. Na afloop zijn ze zeer tevreden. Dat is ook de manier waarop een echt politicus mensen afscheept, of de bal zo lang mogelijk in bezit probeert te houden. Walter weet dat ze ooit zullen terugkomen; intussen is hij er een half jaar of langer van verlost.”

 

Wat niet echt verstandig is, want dat komt als een boemerang terug.

“Ja. Nederlandse politici bezondigen zich daar minder aan dan Vlaamse. Onze ministers zeggen niet graag waar het op staat. In plaats van: ‘Ik kan jullie niet helpen’, sussen ze: ‘Ik ben ermee bezig’, of: ‘Ik sta aan jullie kant.’

“Toen ik senator was, zat ik in de commissie Justitie. Daar werden best interessante gesprekken gevoerd. Maar ik heb geen enkele minister van Justitie gekend die erin slaagde de grote hervormingen door te voeren waar hij of zij van droomde. Het is justitieministers Stefaan De Clerck, Laurette Onkelinx, Annemie Turtelboom én Koen Geens niet gelukt. Ze hadden daar gewoon niet genoeg tijd voor. En dan vergeet ik nog ‘witte ridder’ Marc Verwilghen die het na de affaire Dutroux allemaal ging oplossen: hij vertegenwoordigt misschien wel de pijnlijkste mislukking van alle ministers van Justitie. Waarschijnlijk beschikten sommigen onder hen niet over voldoende capaciteiten, maar allemaal moesten ze kampen met die beperkte tijd van een legislatuur. Nu is dat maximum vijf jaar, ooit was het vier. Die korte periode maakt hervormen zeer moeilijk.”

 

Walter Holsters is jaloers op zijn jeugdvriend Olivier die de vijftien jaar jongere Ingrid aan de haak heeft weten te slaan. Zij wordt Walters ‘personal assistent’ en vanaf hun eerste ontmoeting kijkt hij naar haar met begerige blik.

“Mensen die macht verwerven, worden aantrekkelijk. Het klopt dat macht erotiseert, ik heb dat bij veel politici gezien. Ik heb ook gezien hoe serieuze mensen gemakkelijk toegeven aan die erotiserende effecten eens ze macht verwerven, en zich zo in nesten werken. Gelukkig leven wij in een land waar het privéleven van politici niet door de media te grabbel wordt gegooid. Maar soms destabiliseren ze hun eigen bestaan en dat van anderen en richten zo veel verdriet aan.”

 

Later zal Walter door Ingrid beschuldigd worden van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Klopt mijn aanvoelen dat u vindt dat de #MeToo-slinger doorgeslagen is?

“Ik probeer enkel te beschrijven en #MeToo is een van de thema’s van onze tijd. De seksuele vrijheid van zowel vrouwen als mannen moet terecht volledig worden gerespecteerd. Daar bestaat geen discussie over, maar het wordt interessant in de grensgebieden. Ik geef geen details over wat er precies tussen Ingrid en Walter is gebeurd. Dat heeft eigenlijk ook geen belang; de beschuldiging is er en Walter valt uit de lucht. Hij houdt niet van Ingrid; bij hem ging het meer over fysieke drang dan over liefde. In de aanloop naar het incident drinken ze champagne en vertelt Walter haar over een Italiaanse roman die hij in Franse vertaling las: ‘Au feu de Dieu’ van Walter Siti. Ik heb dat boek zelf gelezen. Het hoofdpersonage is Don Leo, een 33-jarige priester die zijn hele leven met pedofiele neigingen worstelt. Meer dan tien jaar geleden beging hij één misstap die hij zichzelf nooit heeft vergeven. Sindsdien ging hij ook nooit meer over de schreef. Tot op een dag een jongen van elf uit een ontworteld gezin hem eerst zijn liefde verklaart en daarna vraagt: ‘Je peux toucher ton zizi?’ De priester schrikt en weigert. De jongen pleegt later zelfmoord. Het Italiaans Cultureel Instituut in Brussel organiseerde in maart vorig jaar een debat over dat boek tussen mij en Walter Siti. De vraag werd toen gesteld: kan het eigenlijk wel dat zo’n jongen van elf het initiatief neemt? Waarop Siti vertelde dat hijzelf als jongen van zestien een bouwvakker van dertig had verleid. Die ‘bekentenis’ veroorzaakte nogal wat opschudding. In mijn boek is de plaats van het debat verhuist naar Parijs en speel ik geen enkele rol, maar is het Walter Holsters die getuige is van Siti’s ontboezeming. Holsters vertelt aan Ingrid hoe Siti forse tegenwind van het publiek kreeg. Dat vond dat een kind enkel slachtoffer kan zijn, nooit dader, omdat de verhoudingen te ongelijk zijn. Treft een minderjarige nooit schuld? Die vraag stel ik, zonder er een antwoord op te geven of een oordeel over uit te spreken. Ik stel ze, omdat het een vraag is van vandaag.”

 

De manier waarop er na het #MeToo-incident met Walter afgerekend wordt, is ook zeer hedendaags.

“Absoluut. Dat is uit het leven gegrepen, met de partijvoorzitter die zijn bezorgdheid over Walter veinst, maar in werkelijkheid enkel aan zichzelf denkt. Vlak nadat Walter door Ingrid beschuldigd is van grensoverschrijdend gedrag, wordt hij gebeld door een krantenjournaliste. Ze duwt hem meteen in het offensief en hij voelt dat hij het niet uitgelegd krijgt. Zijn wanhoop neemt toe.”

 

U klaagt ‘trial by media’ aan?

“Justitie werkt heel traag, maar het nieuws gaat supersnel. Het verschil in snelheid tussen die twee wordt enkel groter. Zo’n schandaal wordt door de media verslagen en ministers moeten aftreden. Soms blijkt dan drie jaar later dat er juridisch niets aan de hand was. Dit is geen verwijt aan de media, maar opnieuw gewoon een vaststelling.”

 

In maart 2017 kwam u als rector ook in het oog van een mediastorm te staan met de affaire rond de problematische klinische studies van topdokter Stefan Van Gool. Heeft die ervaring u geholpen bij het beschrijven van de gevolgen van ongewenste media-aandacht?

“Ik heb daar veel uit geleerd, ook al was het eigenlijk een dossier dat mijn voorganger kende maar nooit gemeld had. Het was de baas van het ziekenhuis die mij inlichtte dat er problemen waren met die studies. Een ontslag om dringende reden kon juridisch niet omdat het dus om feiten ging die al langer bekend waren. We hebben vervolgens een oplossing gezocht en een dading gesloten waarbij de betrokkene een jaar de tijd kreeg om een nieuwe job te zoeken. Ik vond niet dat die man aan de schandpaal moest. Later werd hij daar wel aan genageld, maar niet door mij. Dat namen de media op zich, meer bepaald De Standaard.”

 

Na de berichtgeving over de affaire Van Gool stopte u als columnist voor die krant. Tot nu zijn de plooien niet gladgestreken.

“Ik vind nog altijd dat De Standaard toen in de fout gegaan is en zij vinden nog steeds van niet. Maar ik heb nooit een interview gehad zoals Walter dat in mijn boek moest ondergaan. Het kan gewoon niet dat er een positieve recensie over mijn boek in De Standaard zal verschijnen. Dat is uitgesloten. Kijk, in ‘Het grote gelijk’ reken ik met niemand af, maar ik heb uit al mijn ervaringen wel geleerd om sommige scènes met enige geloofwaardigheid te beschrijven.”

 

Is er een gebrek aan hypocrisie in onze huidige samenleving, waardoor we niets meer van elkaar kunnen verdragen?

“Nee, er is net méér hypocrisie, alleen moeten we ze verbergen. Toen Guy Verhofstadt begin deze eeuw premier was, hielden politici er openlijk een nogal losse levensstijl op na. Het was een decadentere periode, maar het gebeurde niet in het verborgene. Dat was ook zo in de dagen dat schrijver Hugo Claus glorieerde. Seksuele bevrijding voerde de boventoon en Claus veranderde geregeld van huis en vrouw. De tijd was minder hypocriet. Onder druk van de meer rigide moraal worden mensen vandaag gedwongen hypocrieter te zijn.

“Zonder enige hypocrisie wordt het leven onmogelijk. Maar de vraag is: hoeveel hypocrisie hebben we nodig? Totale hypocrisie kunnen we missen als kiespijn, maar volslagen eerlijkheid tegenover iedereen, of zelfs tegenover je eigen partner, maakt het leven ondraaglijk.”

 

Wordt die volslagen eerlijkheid nu van ons geëist?

“Voor een deel wel. Weet u wat ik ontzettend grappig vind? Mannen die plots feminist worden, zoals Alexander De Croo. Ik heb sympathie voor hem en hij is een goed politicus. Maar zou hij zichzelf ook nog uitroepen tot feminist als dat niet van hem verwacht zou worden? (lacht)”

 

Is Rik Torfs een reactionair?

“Ik begrijp uw vraag, maar ik heb altijd alle tijdsgeesten gewantrouwd. De jaren zestig, zeventig, tachtig en negentig hadden elk hun dominante stroming waar je je makkelijk op kon laten meedrijven. Ik ben daar niet tegen, maar vond dat nooit vanzelfsprekend. Dat vind je ook terug in mijn roman. Denk aan Ingrids leraar Nederlands die midden jaren tachtig op een afschuwelijk autoritaire manier de vrijheid van Hugo Claus predikt. Hij is zo autoritair als de pest, terwijl hij zogezegd het tegendeel verdedigt. Ik sta sceptisch tegenover het autoritarisme van elke tijd. Is dat reactionair? Nee, want ik wil niet terug naar een andere tijd. Ja, want elke tijd verdient niet alleen applaus, maar ook kritiek.”

 

Rik Torfs, Het grote gelijk, Van Oorschot, 288 blz., 20 euro

 

(c) Jan Stevens

“Hoe meer geld je vraagt, hoe meer je ook moet geven”

In haar boek Hoerenchance presenteert prostituée Sigrid Schellen zich als ‘happy hooker’ die van haar hobby haar beroep maakte. “Het is maar seks, hé. Oké, ik word ervoor betaald, en dan?”

 

Het interview met prostituée en auteur Sigrid Schellen is nog geen tien minuten bezig, of het is bijna alweer voorbij. Volgens haar boek Hoerenchance is dat de gemiddelde duur van een bezoek van haar klandizie uit het Limburgse Bree. Aanleiding is de vraag of ze in het begin van haar carrière in het zwart werkte. Schellen alias ‘Sascha’ reageert als door een wesp gestoken: “Over zwart geld wil ik het niet hebben, of we stoppen.”

 

Vandaag bent u zelfstandig ondernemer?

Sigrid Schellen: “Ik heb een eenmanszaak. Ik werk drie en een halve dag per week. De andere dagen zorg ik voor mijn dochter van vijf. Mijn werkdagen zitten volgepropt.”

 

Met seks?

“Dat valt best mee. In het begin ontving ik zeer veel klanten. Het was toen niet mijn bedoeling om dit te blijven doen. Het oorspronkelijke plan was: één week. Maar dat werden er twee en die liepen uit tot een maand. Vervolgens mikte ik op drie maanden en uiteindelijk besliste ik er onbepaalde duur van te maken. Toen heb ik ook het aantal klanten per dag teruggeschroefd. Tien tot vijftien mannen per dag is echt niet vol te houden. Tenzij wanneer je in de raamprostitutie werkt en de klanten hoogstens een kwartier blijven.”

 

Kent uw dochter uw beroep?

“Ik heb haar verteld dat sommige papa’s niemand hebben om mee te knuffelen en dat die dan voor een knuffel naar mij komen.”

 

Waarom schreef u Hoerenchance?

“Niemand wist wat ik deed en ik durfde het aan niemand te vertellen, dus begon ik een dagboek te schrijven. Na verloop van tijd begon het te dagen dat mijn eigen neergeschreven verhaal een interessant boek kon opleveren.”

 

Begin mei was u op tv te gast bij Van Gils & gasten en sprak u voor het eerst open en bloot over uw job als sekswerker. Waarom?

“Omdat de situatie in België hypocriet is. Prostitutie wordt gedoogd, maar in de wet staat een artikel dat mensen strafbaar maakt die prostitutie mogelijk maken. In de praktijk is dat dus iedereen die mij op een of andere manier helpt bij de uitoefening van mijn job. Die hypocrisie wou ik aanklagen.

“De belangrijke mensen in mijn leven had ik voor de uitzending ingelicht. Dat zijn er niet zoveel, want ik heb geen uitgebreid sociaal leven. Als je iemand voor het eerst ontmoet, is een voor de hand liggende vraag: ‘Wat is jouw job?’ Die vraag wou ik vroeger liefst vermijden en daarom meed ik in mijn vrije tijd ontmoetingen met anderen. Ik kan me best voorstellen dat veel vage bekenden tijdens die uitzending dachten: ‘Aha, daar houdt ze zich mee bezig.’”

 

Waarom bent u er ooit mee begonnen?

“Ik was seksueel heel actief en wou veel ervaren. Ik ben geen nymfomane; ik kan makkelijk een week zonder seks. Ik heb controle over mijn seksleven, maar heb gewoon een hoog libido. Ik wou de prostitutie eens uitproberen. Ik was nieuwsgierig en wou weten hoe het er echt aan toegaat.”

 

Het geld speelde geen rol?

“Natuurlijk speelde dat mee. Niet veel, maar toch.

“Vroeger werkte ik in kledingwinkels en fabrieken. Mijn overstap naar de prostitutie kwam door een samenloop van omstandigheden. Het jaar liep ten einde en de feestdagen stonden voor de deur. Ik was een alleenstaande jonge moeder die zich geen extraatjes kon permitteren. Toen ik mijn allereerste advertentie op een dinsdagmorgen online zette, dacht ik: ‘Vrijdag stop ik ermee. Dan heb ik genoeg voor de feestdagen, is er rust in mijn hoofd en kan ik verder.’ Ik had niet verwacht dat het zou meevallen. Misschien had ik geluk dat ik die eerste week enkel leuke klanten over de vloer kreeg.”

 

Toch kan ik me voorstellen dat uw allereerste klant helemaal niet zo fijn geweest moet zijn.

“Dat viel best mee, alleen was ik bloednerveus omdat ik de finesses nog niet kende. Hoe begin je eraan? Spring je direct op die man of knoop je eerst een gesprek aan? Aan de telefoon klonk hij oké en hij vertelde wat hij wou: een massage en seks. Ik wist ook niet hoe ik met hem moest afrekenen: vraag ik meteen geld of ontvang ik zijn centen na afloop? Wat als hij over de prijs begint te onderhandelen? Ontvang ik hem met mijn kleren aan? Verwacht hij een striptease? Over al dat soort praktische zaken maakte ik me zorgen. Ik had genoeg mannen in bed gehad om niet bang te zijn voor seks met een wildvreemde.”

 

Wist die man dat hij uw allereerste klant was?

“Nee, ik deed alsof ik heel ervaren was. (lacht) Hij vroeg ook: ‘Ben je hier al lang aan de slag?’ Ik antwoordde: ‘Toch al een half jaar.’ Ik wou niet dat hij op een of andere manier misbruik zou maken van mijn onervarenheid.”

 

Hoe voelde u zich achteraf?

“Goed, normaal, ik voelde niets raars en hield er geen schuldgevoel aan over. Ik begin nooit aan iets als ik weet dat ik er achteraf spijt van zal krijgen. Het is maar seks, hé. Oké, ik word ervoor betaald, en dan?”

 

In het begin ontving u mensen bij u thuis?

“Ja, en ik stelde me daar geen vragen bij. Mijn buren hebben daar nooit iets van gemerkt. Kijk, je moet goed opletten wie je binnenlaat en op welke uren. Je maakt ook best niet te veel lawaai. Maar in zo’n appartementsgebouw wonen heel wat mensen en dan valt bezoek sowieso minder op.”

 

U portretteert een aantal van uw klanten in uw boek. Verwacht u nu reacties van mannen die zichzelf herkennen?

“Nee, want de meesten zijn getrouwd. Ik heb namen aangepast, maar het zou inderdaad best kunnen dat ze zichzelf herkennen. De kans dat ze reageren is onbestaande, want dan geven ze meteen toe dat ze zijn vreemdgegaan. Zo dom zijn ze niet.”

 

Het leven van een prostituee is toch niet altijd rozengeur en maneschijn?

“Dat cliché horen mensen graag. Ze zien prostitutie als iets duister en onthouden vooral de negatieve ervaringen. Ik luister altijd heel goed als een potentiële klant me belt. Als ik geen klik voel, of ik hoor aan de andere kant van de lijn iemand met een vervelend karakter, laat ik die man niet komen. Het moeilijkste in mijn job is de miserie die ik soms te horen krijg. Mannen vertellen hun verhaal, want ze komen echt niet alleen voor seks. Als het hen enkel om seks te doen is, trekken ze wel naar de ramen.

“Mijn klanten vertellen me af en toe schrijnende verhalen. Eigenlijk ben ik ook een beetje een psycholoog. Bij velen ligt de drempel voor een bezoek aan een echte psycholoog te hoog.”

 

Verhalen over relatieproblemen?

“Ook. Maar vaak vertellen klanten over naaste dierbaren die overleden zijn. Of over financiële tegenslagen of problemen op het werk.”

 

Hoeveel vraagt u per uur?

“200 euro. Dat ligt iets boven de marktprijs bij privé-ontvangst van 150 euro. Mijn prijs is een goede filter: een deel van het cliënteel wordt zo op voorhand al uitgesloten. De marginale figuren wil ik vermijden. Als ik meer dan 200 euro zou vragen, trek ik degenen aan die denken dat met geld alles te koop is. De nouveaux riches die vinden dat ze in ruil voor 350 euro per uur zich alles mogen permitteren. Hoe meer geld je vraagt, hoe meer je ook moet geven. Mijn prijs is afgestemd op wat ik te bieden heb.”

 

Wat doet u dan voor die prijs?

“Ik vind veiligheid zeer belangrijk en zal nooit seks hebben zonder condoom. Ik laat ook niemand klaarkomen in mijn mond. Want die vragen worden soms gesteld, maar ik weet niet zeker of die mannen dat dan ernstig menen of dat het fantasten zijn. Want kan iemand echt zo dom zijn om zonder condoom met een wildvreemde te vrijen? Blijkbaar wel, anders waren er geen soa’s.”

 

Wat voor seks willen uw klanten?

“Niets ongewoons. Eigenlijk zijn ze op zoek naar een vorm van liefde. Net dat maakt mijn job zo moeilijk: de confrontatie met mensen die zeer veel intimiteit te kort komen. Niet de seks; dat is het gemakkelijkste. Ik heb seks en gevoelens altijd van elkaar kunnen scheiden. Ik hoef niet verliefd op iemand te zijn om met hem te kunnen vrijen.”

 

U schrijft dat u geniet van de seks met uw cliënteel. Echt?

“Dat is nu precies wat mensen niet willen horen: dat een vrouw seks fijn vindt. Als je dat durft te zeggen, word je als slet bestempeld. Daarom ook dat ik blijf herhalen: ik geniet ervan. Ik hoef iemand niet eerst beter te leren kennen. Al geef ik wel toe dat het een andere vorm van seks is.”

 

Hoe lang wilt u dit blijven doen?

“Zolang ik dit fysiek aankan. Ik veronderstel dat het gedaan zal zijn zodra de menopauze zijn intrede doet. (lacht) Ik werk met mijn lijf en blijf niet jong. Ik hoop dat ik het nog tien jaar volhoud, maar zeker is dat niet. Ik wil zo een mooi kapitaal opbouwen. Daar zal ik dan iets anders mee doen, al weet ik op dit moment nog niet wat. Nu komt er veel geld binnen.”

 

Vliegt het ook snel weer buiten?

“In het begin wel, maar dat heb ik afgeleerd. Het cliché wil natuurlijk dat meisjes zoals ik handtassen en schoenen kopen. We zijn niet allemaal zo.”

 

Hoe oud bent u?

“32, en dat is mijn echte leeftijd. Ik weet dat collega’s daar vaak over liegen en ik dacht eerst ook dat ik jong moest blijven om aan de bak te komen. Dat blijkt helemaal niet zo te zijn. Het is niet slim om over leeftijd te liegen. Als je als veertiger in je advertentie beweert dat je een twintiger bent, stel je sommige klanten teleur. Die ben je dan voorgoed kwijt.”

 

Is er plaats voor een vaste relatie?

“Niet zolang ik deze job uitoefen. Op werkdagen ben ik van acht uur ’s morgens tot tien uur ’s avonds beschikbaar. Al wil dat niet zeggen dat er dan continu klanten bij me binnen zitten.”

 

De vraag naar seks is groot?

“De markt is heel groot. Dagelijks krijg ik telefoon van nieuwe klanten. Mannen die met mij contact opnemen, zullen geen affaire met hun secretaresse beginnen of met de buurvrouw vreemdgaan. Dat vind ik positief, want met mij sluiten ze een puur zakelijke overeenkomst. Vreemdgaan kan veel kapotmaken. Bij mij zijn mannen safe, want er is geen echte liefde in het spel. Ze moeten me niet verleiden en moeite en tijd in me investeren. Ze hoeven niet constant te bellen of sms’en om de relatie te onderhouden. Wie een affaire begint, doet dat wel. Dàt is bedrog. Bij mij is het niet meer dan seks en een praatje slaan. Daarna is het voorbij, klaar.”

 

Acteert u tijdens het werk?

“Ja. Ik vind niet elke klant interessant of lief. Maar als hij in mijn bed ligt, is het wel de bedoeling dat hij het gevoel heeft dat ik hem fantastisch vind.”

 

Worden klanten soms verliefd op u?

“Dat gebeurt. Dat wordt pas een probleem als zo’n man begint te dromen van een leven met mij aan zijn zij. Er zijn klanten die verliefd op me worden en beseffen dat dat geen toekomst heeft. Maar als iemand een zware crush op me heeft en daarom elke dag wil langskomen, blok ik hem af. Want dat zal hem handenvol geld kosten, en dat wil ik niet. Ik wil niet de oorzaak van persoonlijke drama’s zijn.”

 

Klopt het dat u oudere mannen interessanter vindt dan jongere?

“Dat hebt u goed opgemerkt. (lacht) Oudere mannen hebben meer ervaring én zijn rustiger. Ze kunnen beter relativeren en voelen niet meer de drang om zich te bewijzen. Een vijftiger heeft zich meestal al bewezen. Bij mannen onder de 25 is het alsof ze op sollicitatiegesprek komen. Ze pochen over hun job of hun dikke auto en willen zichzelf verkopen. Oudere heren zijn relaxed. De seks is ook veel beter.”

 

In uw boek schrijft u heel expliciet over seks.

“Ik vind dat we daar veel te preuts over praten. Het is maar seks jongens, doe niet zo onnozel. (lacht) Ik schrijf zoals ik ben en heb geen zin om dingen te verbloemen.”

 

Waarom hopt u van de ene provincie naar de andere?

“Omdat je het als nieuw meisje altijd beter doet. In het begin heb je dan veel klanten: mannen willen je wel eens komen proberen. Ik werk in verschillende regio’s en bouw daar telkens ook een vast cliënteel op. Mijn thuisadres is in Limburg: daar speelt mijn privéleven zich af. Mijn huidige werkflat in Puurs huur ik tijdelijk.”

 

Weten uw huisbazen wat zich daar afspeelt?

“Nee. U zal van mij niet horen dat zij dat weten, want dan zijn ze volgens de wet strafbaar. Ik wil de mensen in mijn omgeving niet in problemen brengen omwille van de keuzes die ik maak. Politici die dat bewuste wetsartikel willen herschrijven, maken zich niet populair, dus blijft het bestaan.”

 

Dat artikel bestaat misschien ook om pooiers te kunnen bestraffen die meisjes uitbuiten of zich bezondigen aan mensenhandel? Er is toch verwevenheid tussen prostitutie en criminaliteit?

“Die verwevenheid is er in elke sector waar veel geld omgaat. Pooiers hebben geprobeerd me in te lijven, want ik ben interessant voor hen omdat ik een Vlaams meisje ben dat niet tegen haar zin werkt. Voor een pooier ben ik een delicatesse. Ze weten ook wel wat ik kan verdienen en daar willen zij een stukje van.”

 

In de rosse buurt achter het Brusselse Noordstation zitten toch vaak slachtoffers van mensenhandel achter de vitrines?

“Hebt u daar al eens rondgewandeld en naar de meisjes gekeken? Zien ze eruit alsof ze daar tegen hun zin zitten? Weet u of ze een slachtoffer zijn of is dat een verhaal dat we graag in stand houden?”

 

Twee jaar geleden rolde de politie het prostitutienetwerk op van `Mama Leather’, een Nigeriaanse hoerenmadam die 56 slachtoffers van mensenhandel uitbuitte in de buurt van de Aarschotstraat.

“Ik ontken niet dat mensenhandel en gedwongen prostitutie bestaan. Die problemen moéten aangepakt worden. Maar dat wil niet zeggen dat alle prostitutie onder dwang plaatsvindt. Ik hoef geen pooier, want ik regel mijn eigen klanten en heb niemand nodig om de telefoon op te nemen. Maar er zijn genoeg meisjes die dat liever wel uit handen geven. Zij voelen zich veiliger onder de vleugels van een pooier.”

 

Beschouwt u zichzelf nu als voorvechter van rechten voor sekswerkers?

“Dat is een gigantische taak die ik er echt niet kan bijnemen. Mijn boek is broodnodig om het vertekende beeld over prostitutie bij te stellen. Het stoort me dat mensen mijn werk verkeerd inschatten en me met een bezorgde blik nakijken. Ik doe dit graag, maar zo goed als niemand lijkt dat te geloven. Het is erin gestampt dat prostitutie altijd gedwongen is. Ik word daar heel kwaad over omdat dat mijn leven erg bemoeilijkt.”

 

U werd een tijdje gechanteerd door een ex-vriend.

“Hij kon het niet verkroppen dat ik het had uitgemaakt, begon me te stalken en later dreigde hij ermee me bij de politie aan te geven. Sorry, maar ik heb daar klanten. Toch durfde ik zelf die stalker niet aan te geven. Hij schreef me constant brieven waarin hij om de drie zinnen naar mijn beroep verwees. Ten einde raad stapte ik naar een advocaat. Hij zei: ‘Maak je geen zorgen, je doet niets verkeerd. Als zelfstandig ondernemer ben je met alles in orde. We stappen rechtstreeks naar de onderzoeksrechter.’ Op dat moment moet mijn stalker beseft hebben dat het me menens werd, want nog voor ik klacht tegen hem kon indienen, hield hij er abrupt mee op.”

 

U zei dat u klanten bij de politie hebt. Maakt u daar soms gebruik van voor een wederdienst?

“Ik heb in alle sectoren klanten, maar ik maak daar nooit gebruik van. Dat is een kwestie van professionaliteit. Klanten bieden me ook geen ‘wederdiensten’ aan, omdat ik me profileer als een vrouw die sterk in haar schoenen staat. Ik heb niemand nodig.”

 

Op 11 juli werd de toenmalige Vlaamse parlementsvoorzitter Kris Van Dijck door P-Magazine ‘ontmaskerd’ als klant van escort Lynn. Wat vond u daarvan?

“Schandalig. Ik werd woedend toen ik dat artikel op de site van P-Magazine las. Waarom mag die man geen escort bezoeken? Wat is daar mis mee? Natuurlijk mocht hij haar geen ‘wederdienst’ leveren, maar voor de rest: so what? ‘Hij gaat met ons belastinggeld naar de hoeren.’ Weet u hoeveel leerkrachten ik als klant heb? Die krijgen hun loon ook van de overheid. Mogen zij dan ook niet meer langskomen?”

 

De huisbaas van escort Lynn hing haar flat vol camera’s.

“Ik heb apparatuur om mijn werkplek op verborgen camera’s te screenen. Ze hebben me één keer gechanteerd, en dat wil ik nooit meer meemaken. Ik ken het klappen van de zweep. Als een klant binnenstapt, let ik op waar hij zijn telefoon legt. Ik wil niet dat hij stiekem filmt.

“Iedereen staat nu op zijn achterste poten over de gefnuikte carrière van Kris Van Dijck, maar over Lynns carrière die om zeep geholpen is, hoor ik geen woord. Terwijl de gevolgen voor haar desastreus zijn, want alle discretie is weg en geen klant vertrouwt haar nog. Maar dat vinden we blijkbaar normaal.”

 

Sigrid Schellen, Hoerenchance, Uitgeverij Vrijdag, 192 blz., 19,95 euro

 

(c) Jan Stevens