Stella Goldschlag, de Joodse vrouw die haar vrienden naar de gaskamer stuurde

In Stella brengt de Duitse schrijver Takis Würger de Joodse ‘Greifer’ Stella Goldschlag opnieuw tot leven. Tijdens WO II assisteerde zij in Berlijn de Gestapo bij het opsporen van Joodse onderduikers. ‘Schandaalroman’ Stella zette de voorbije maanden Duitsland op stelten. “Iemand vroeg zelfs een verbod. Al die heisa deed verschrikkelijk veel pijn. Na lectuur van de zoveelste vernietigende commentaar in de krant zat ik soms een potje te wenen.”

 

Begin dit jaar verscheen in Duitsland Takis Würgers tweede roman Stella. Zijn debuut Der Club leverde hem in 2017 niets dan lovende recensies op. “Mijn eersteling werd de meest succesvolle debuutroman van dat jaar”, herinnert hij zich. “‘De nieuwe Hemingway is opgestaan’, jubelden de laaiend enthousiaste recensenten in koor.”

De historische figuur Stella Goldschlag speelt de hoofdrol in Würgers nieuweling Stella. Ze werd geboren in 1922 in Berlijn als het enige kind van Gerhard en Toni Goldschlag. Als Joods meisje ervoer ze in de jaren dertig het oprukkende antisemitisme aan den lijve. Vanwege haar afkomst werd ze van de openbare school gestuurd. In augustus 1943 werd ze samen met haar ouders door de Gestapo opgepakt. Stella werd eerst gefolterd en later gerekruteerd voor de Jüdischer Fahnungsdienst, de Joodse Opsporingsdienst. Voortaan ging ze door het leven als ‘Greifer’, als ‘vanger van Joden’. In ruil voor elke Joodse onderduiker die ze verlinkte, kreeg ze 200 Rijksmark. De Gestapo beloofde haar ook dat haar ouders niet naar een kamp op transport gezet zouden worden. Niet veel later werden ze toch naar Theresienstadt gedeporteerd. Maar ook daarna bleef Stella als Greifer actief. De nazi’s gaven haar als koosnaampje ‘het blonde gif’ en na de oorlog werd ze in de Duitse pers opgevoerd als ‘de Jodin die al haar vrienden naar de gaskamer stuurde.’

Meteen na publicatie van Stella op 11 januari in Duitsland, verschenen ook de eerste recensies. De Süddeutsche Zeitung kopte: ‘Een verschrikking, een belediging en een overtreding’, en catalogeerde het boek als: ‘verraad aan de geschiedenis en de herinnering’. De Frankfurter Allgemeine vroeg zich af: ‘Waarom dit nazi-verhaal voor dummies?’ De recensent van Die Zeit vatte een dag later Stella samen tot: ‘Gruwel in kinderboekenstijl.’ De openbare omroep Deutschlandfunk noemde Würgers roman ‘holocaust-kitsch’.

Takis Würger: “Gelukkig waren er ook tegengeluiden, zo riep de Duitse televisiezender NDR op hetzelfde moment Stella uit tot boek van de maand. Omdat mijn tweede roman over de holocaust gaat, volstaat dat voor de Duitse critici om mij met de grond gelijk te maken. Na mijn succesvolle debuut had ik dit scenario perfect kunnen voorspellen en me kunnen voorbereiden op die storm, maar toch was ik er niet klaar voor. De negatieve kritieken kwamen keihard binnen, zeker in het begin. Ik moest op zoek naar een manier om ermee om te gaan. Als romanschrijver heb je geen andere keuze dan ze gewoon aanvaarden. Critici zijn er om boeken te bekritiseren. Punt. Daniel Kehlmann is momenteel in Duitsland dé topauteur. Hij mailde me om me een hart onder de riem te steken, net als nog veel andere succesvolle Duitse schrijvers. “Die kritiek is normaal”, schreven ze. “Wen eraan.” Ze hebben gelijk, alleen gingen de hardheid en de wreedheid bij Stella in overtreffende trap.”

 

Kwam dat door de gevoeligheid van het onderwerp: de holocaust?

“Nee. Het was heel persoonlijk. U hebt mijn boek gelezen. Vindt u het ook zo schokkend dat het de gemoederen tot een kookpunt kan drijven? Nee, toch? Natuurlijk geeft Stella stof om over na te denken. Maar om daar dan compleet hysterisch over te worden? Er bestaan ook nog échte schandaalboeken. Ik heb niets nieuws verzonnen. Stella is een liefdesverhaal dat zich afspeelt tijdens de holocaust, met een vrouw in de hoofdrol die gebaseerd is op een historische controversiële figuur.”

 

Misschien is het meest choquerende dat Greifer Stella Goldschlag in uw roman sympathiek, begeerlijk, slim en kunstzinnig is.

“Ik kan me voorstellen dat sommigen dat over the top vinden, alleen is daar merkwaardig genoeg nooit een opmerking over gemaakt. De voornaamste kritiek luidt: ‘Mag die Würger wel zo’n roman schrijven?’ Waarom niet? Kunst is vrij; àlles mag geschreven worden. We gaan toch geen boeken verbannen? Weet u dat iemand me juridisch vervolgde voor mijn roman? De Berlijnse advocaat Karl Alich sleepte me voor de rechter en wou Stella uit de rekken.”

 

Waarom?

“Omdat ik ‘de doden verstoorde’. Volgens mij verstoor je de doden als je op het kerkhof een lijk opgraaft en vervolgens met de beenderen begint te spelen. De rechter stuurde Alich wandelen. Meteen nadat die man me aangeklaagd had, stonden de kranten weer vol: ‘Aanklacht tegen Takis Würger’. Wie wil, kan tegenwoordig om het even wie voor om het even wat voor de rechter slepen.

“Ik heb een vreselijk bizar voorjaar achter de rug. Ik ben nu writer in residence aan de universiteit van New York en ben blij dat er die fysieke afstand is tussen mij en Duitsland. Een paar dagen geleden landde ik op de luchthaven van Schiphol en ik dacht: ‘O nee, nu krijg ik die shit opnieuw over me heen.’ Maar iedereen is hier heel meelevend. Mensen vragen voorzichtig: ‘Wat is er aan de hand in Duitsland?’ Stella verscheen gelijktijdig in Duitsland en Italië. Mijn boek werd ook gerecenseerd door de grote Italiaanse bladen. Ze hielden er allemaal van en niemand riep op tot een verbod. Ach, misschien is het wel goed dat de Duitsers de herinnering aan de holocaust en hun nazi-verleden zo onder de microscoop leggen. Al deed de heisa rond Stella me verschrikkelijk veel pijn en zat ik vaak te wenen na lectuur van de zoveelste vernietigende recensie.”

 

Boekhandelaars verdedigden u. Eind februari schreven ze in een open brief in hun vakblad Börsenblatt dat ze uw roman ondanks alles graag en van harte wilden verkopen.

“Ik ben hen zeer dankbaar. Intussen is Stella uitgegroeid tot de meest succesvolle roman van het voorjaar. Op de laatste bladzijde staat mijn e-mailadres. Ik ontving duizenden mails, die ik allemaal beantwoord heb. De overgrote meerderheid is positief. Niet dat al mijn lezers me de hemel in prijzen, maar ze laten me weten dat mijn boek hen aan het denken zet. Sinds de publicatie van Stella gaf ik in Duitsland zowat vijftig lezingen, voor telkens vijfhonderd mensen. Het was hallucinant. Op een van die lezingen begonnen ze tegen elkaar te roepen. In normale omstandigheden komen enkel fans naar hun favoriete schrijver luisteren. Nu verschijnen er ook fervente tegenstanders van Stella op mijn lezingen. Dat zorgt voor een rare sfeer. De eerste keren schrok ik, intussen vind ik dat niet zo erg meer. Natuurlijk wil je dat mensen van je werk houden, maar misschien is het nog belangrijker dat je boek een debat aanvuurt. De discussie gaat nu over hoe we ons de holocaust en de misdaden van de nazi’s willen herinneren.

“Toen ik voor het eerst over Stella Goldschlag hoorde, besefte ik dat ik haar keuzes niet kon beoordelen. Ik heb nog steeds geen idee wat ik in haar plaats gedaan zou hebben. Ik durf geen oordeel vellen over hoe schuldig ze is. Open vragen zijn een goed vertrekpunt voor een roman. Ik las alles wat ik over haar kon vinden. Haar leven is vrij uitgebreid gedocumenteerd. Ik ben geen historicus gespecialiseerd in de holocaust.”

 

U bent journalist en werkt deeltijds voor Der Spiegel.

“Precies. Ik wou niet als journalist over Stella schrijven, maar als romancier. Langzaamaan groeide het idee om haar leven in Berlijn te beschrijven via de fictieve jongeman Friedrich.”

 

Hij is stinkend rijk en afkomstig uit Zwitserland. Waarom dat land?

“Ik had een reden nodig waarom Stella precies hem als minnaar zou willen. Die reden is zijn Zwitserse paspoort: dat gaf haar de mogelijkheid om als zijn echtgenote nazi-Duitsland te ontvluchten. Hun relatie startte op een moment dat het voor haar nog mogelijk was om Berlijn te verlaten. Zwitserland zou een ideale bestemming geweest zijn. Zij raakt pas in Friedrich geïnteresseerd op het moment dat ze doorheeft dat hij Zwitser is.”

 

Was de echte Stella Goldschlag ook een opportuniste?

“Ik denk het wel. Ze was tot alles bereid om te kunnen overleven. Als Joodse in Duitsland had ze natuurlijk niet veel keuze.”

 

Uw roman speelt zich af in 1942. Uw fictieve Stella is op dat moment actief als Greifer. De echte Stella begon pas joden te verlinken vanaf 1943.

“Dat klopt, maar u mag niet uit het oog verliezen dat mijn Stella geïnspireerd is op de historische Stella Goldschlag. In tegenstelling tot mijn Stella, was zij in 1942 een getrouwde vrouw. Toch zijn de gelijkenissen tussen beide Stella’s frappant: ze collaboreerden allebei met de nazi’s, waren allebei blond, slim en mooi en zongen allebei in een jazzband. De Jodin Stella Goldschlag was het prototype van het Arische ideaal en zette zo de rassenleer van de nazi’s een neus. De meeste Joden die erin slaagden om de Tweede Wereldoorlog in Berlijn te overleven, waren blond en leken totaal niet op het clichébeeld dat de nazi’s van hen schilderden. Ik koos voor 1942 omdat het in dat jaar nog perfect mogelijk was om naar Berlijn te reizen. In januari ’43 zou dat complete waanzin geweest zijn. Want dan kwam de oorlog naar Duitsland.”

 

Volgens uw roman was Berlijn in ’42 een behoorlijk swingende stad.

“De meeste mensen hebben een totaal vertekend beeld van Berlijn tijdens WO II. Ze zien een verwoeste, platgebombardeerde stad, maar dat is het Berlijn van 1944 en ’45 uit de film Der Untergang. Ik las stapels historische boeken over Berlijn in de jaren veertig en tijdens het schrijven ging ik te rade bij drie historici. De Amerikaanse radiojournalist William Shirer leefde in het begin van de oorlog in Berlijn. Hij hield een dagboek bij en schreef over feestjes en over de illegale jazzclubs die hij bezocht.”

 

Een van uw hoofdpersonages, de in luxe levende dandy Tristan van Appen, zou in 1942 een levensechte Berliner geweest kunnen zijn?

“Zeker. Tristan is gemodelleerd naar Gestapo-baas Reinhard Heydrich. Tristan staat symbool voor het feit dat cultuur je niet beschermt tegen slechtheid. Net als Tristan was Reinhard Heydrich de zoon van een componist. Heydrich weende makkelijk tijdens het luisteren naar klassieke muziek, tezelfdertijd plande hij aan de Wannsee nauwgezet de moord op de Europese Joden. Mijn personage Tristan von Appen houdt ook van muziek, is een gastronoom en lijkt een aardige kerel. Later zal blijken dat hij Obersturmbannführer bij de SS is. Duitse lezers schrikken als ze dat halverwege de roman te weten komen. Wij Duitsers lijken nog steeds te geloven dat het nazisme in 1933 door buitenaardse wezens in Duitsland geïnstalleerd is. We vergeten dat de nazi’s Duitsers waren en de Duitsers nazi’s. Niet alle nationaalsocialisten waren domme bruten. Sommigen waren professor, historicus, componist, muzikant, vader, beste vriend, drinkebroer… Mensen zoals u en ik.”

 

De Belgische historicus Herman Van Goethem schreef een boek over 1942. Onze huidige tijd doet hem sterk denken aan de jaren dertig.

“Ik heb professor Van Goethem ontmoet en was onder de indruk. Maar met die stelling ben ik het niet eens. De NSDAP, de nazi-partij, was diep in de kern antidemocratisch. Dat geldt niet voor de huidige rechtspopulistische partijen. Ik maak me zorgen over hun opkomst, maar zolang ze de democratie niet aanvallen en er deel van uitmaken, moéten we ze aanvaarden. Een groot verschil met 1933 is dat er op dit moment geen enkele betekenisvolle antisemitische partij actief is. Al maak ik me wel zorgen over antisemitische bewegingen in Duitsland en Frankrijk. Toch is het niet juist om onze huidige tijd te vergelijken met de jaren dertig.”

 

Volgens historicus Wolfgang Benz, voormalig directeur van het Berlijnse Instituut voor Antisemitisme, is islamofobie de huidige variant van het 19e en 20e-eeuwse antisemitisme.

“Ook daar ben ik het niet mee eens. Islamofobie op dezelfde lijn plaatsen als antisemitisme is waanzin. Sommigen koesteren ongetwijfeld vooroordelen tegenover de islam, maar er bestaan geen vernietigingskampen voor moslims en er worden ook geen plannen voor gesmeed. De georganiseerde vernietiging van een heel volk door de nazi’s is een unieke misdaad. Intolerantie tegenover moslims is fout en moeten we veroordelen. Van mij mag je een hele dag bidden, zolang je de mensenrechten eerbiedigt.”

 

De historische Stella Goldschlag verklikte Joden om haar ouders te redden. Volgens sommige schattingen droeg ze 3000 mensen bij de nazi’s over.

“Die schattingen zijn overdreven. Het zullen er een paar honderd geweest zijn.”

 

Ze wist wat die mensen te wachten stond?

“Ze probeerde te vermijden dat haar vader en moeder naar de kampen op transport gezet werden. Ze moet dus inderdaad geweten hebben dat er mensen vermoord werden.”

 

Maar ook na de deportatie van haar ouders blijft ze als Greifer actief.

“We weten niet waarom ze mensen bleef verklikken. Misschien om haar eigen hachje te redden? Volgens sommige historici kickte ze op de macht om over andermans lot te beschikken. Maar was dat echt zo? Het enige waarover we zekerheid hebben, is dat ze zowel dader als slachtoffer was.”

 

Na de oorlog werd ze door de Sovjets veroordeeld tot tien jaar gevangenschap. Na haar vrijlating verhuisde ze naar West-Berlijn waar ze opnieuw tot tien jaar veroordeeld werd.

“Omdat ze al tien jaar cel achter de rug had, moest ze toen niet nog eens naar de gevangenis.”

 

Ze hertrouwde vijf keer en sprong in 1994 uit het raam van haar flat in Freiburg. Weet u waarom ze zelfmoord pleegde?

“Nee. Ze liet geen afscheidsbrief achter en sprak er op voorhand met niemand over. De historische Stella Goldschlag was, net als mijn Stella, een vrouw vol geheimen. Eigenlijk weten we niet hoe ze over zichzelf dacht, of hoe ze met schuldgevoelens omging, in de veronderstelling dat ze die had.”

 

Wat wel zeker is: ze werd samen met haar ouders gearresteerd en door de nazi’s gefolterd.

“Ja. Na die foltersessie werd ze Greifer. Haar ouders waren in levensgevaar, maar hoe ze daarover dacht of wat ze daarvan vond, weten we niet. Elk hoofdstuk begin ik met een kroniek van die tijd. Alles wat daarin beschreven staat, is hard feitenmateriaal, inclusief de 10 geboden voor iedere nationaalsocialist van Joseph Goebbels, nazi-minister van Volksvoorlichting en Propaganda. Als je als Duitser over de Tweede Wereldoorlog wil schrijven, zelfs in een roman, moét je de feiten juist hebben. Mijn eigen grootvader diende als soldaat in de Wehrmacht en mijn grootmoeder gaf voordrachten over de superioriteit van het Arische ras.”

 

Zij was een overtuigde nazi?

“Zonder twijfel. Over de Wehrmacht-soldaten werd tot lang na de oorlog gezegd: ‘Zij waren de good guys; ze hielden zich aan de regels.’ Onzin, denk maar aan wat de Duitse Wehrmacht in Rusland heeft aangericht. Ze maakten er zich schuldig aan de ene misdaad na de andere. Ter voorbereiding van dit boek was ik drie maanden in Tel Aviv en sprak ik zowat dagelijks met Auschwitz-overlevende Noah Klieger. Hij stierf in december vorig jaar en heeft nog een tijd in België gewoond. Hij was 92 toen ik hem ontmoette. Hij vertelde me hoe het was om als jood onder de nazi’s te leven. Hij zei: ‘Die oorlog was compleet verkeerd. Polen binnenvallen omdat je gelooft dat je meer Lebensraum nodig hebt: dat was toch waanzin?’ Hij had gelijk, en het was niet zo dat de soldaten van de Wehrmacht zich tegen die inval verzetten. Integendeel.”

 

Sprak u ooit met uw grootouders over hun oorlogsjaren?

“Mijn grootvader stierf voor mijn geboorte. Mijn grootmoeder heb ik wel nog gekend. Zij groeide op in een klein dorp in Pruisen en wou nooit veel over haar rol in de oorlog kwijt. Ik moest dus op zoek naar andere getuigen.”

 

U sprak ook met nazi’s?

“Als je in Duitsland leeft, is de kans vrij groot dat je af en toe met een nazi spreekt. (lacht) Ik ging inderdaad ook met een paar stokoude nazi’s praten. Ik wou de Berlijnse atmosfeer van die eerste oorlogsjaren zo getrouw mogelijk reconstrueren. Mijn hoofdpersonage Friedrich vertelt hoe de stad ruikt: ‘Berlijn rook naar kolen, naar harszeep, naar de geur van verplaatsbare houtgaskachels, boenwas en gekookte bieten.’ Dat was de authentieke geur. Het heeft me vreselijk veel moeite gekost om daarachter te komen, want de meeste inwoners van Berlijn uit 1942 zijn dood. Uiteindelijk vond ik een vrouw die zich de geur nog levendig kon herinneren. De journalist in mij wil al die feiten juist hebben.”

 

Doorheen uw boek staan getuigenissen over de verklikacties van Stella Goldschlag.

“Die zijn authentiek en heb ik geput uit de processtukken die bewaard worden in het Landesarchiv Berlin. Ze vormen een tegenwicht voor mijn sympathieke Stella. Haar verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van een man die dolverliefd is op haar. Ze brengt Friedrichs hoofd op hol. De getuigenissen over mensen die door Stella verlinkt zijn en in Auschwitz vermoord werden, zetten de lezer weer met beide voeten op de grond.”

 

Die Friedrich is zeer naïef, vind ik.

“Dat is een bewuste keuze. Kijk, wij weten nu wat er gebeurd is. Friedrich wist dat niet. Hij stond er middenin en stelde zich niet al die vragen waarvan wij vinden dat hij ze zich had moeten stellen. Ik vind dat zeer aannemelijk, wat niet wil zeggen dat ik hem als vriend zou willen. Liever niet.”

 

In 1945 kreeg Stella Goldschlag een dochter, Yvonne. Zij leeft nog. Hebt u haar ontmoet?

“Nee. Toen Stella in de gevangenis zat, werd Yvonne geadopteerd. Zij werd verpleegster en verhuisde naar Tel Aviv. Yvonne heeft altijd tegen beter weten in verkondigd dat Stella Goldschlag niet haar biologische moeder is. Haar leven lang voert Yvonne Meissl een strijd om zich te bevrijden van Stella. Met de hulp van een Israëlische journalist kon ik haar in Tel Aviv opsporen. Maar op het laatste nippertje besloot ik haar met rust te laten. Ze wil niet aan Stella gelinkt worden en ik vind dat ik dat moet respecteren.”

 

Is dat toch geen gemiste kans?

“Vanuit journalistiek oogpunt wel. Maar het is toch ook belangrijk dat je iemands wil respecteert? Ik wil Yvonne niet kwetsen. Voor Stella geldt dat argument niet: zij is 25 jaar dood.”

 

Bio

 

  • Geboren in 1985
  • Studeerde journalistiek
  • Redacteur bij Der Spiegel
  • Werkte als oorlogsjournalist in Afghanistan, Libië en Irak
  • Werd in 2010 genomineerd als een van de dertig Duitse topjournalisten onder de dertig
  • Debuteerde in 2017 met Der Club als romanschrijver

 

Takis Würger, Stella, Signatuur, 192 blz, 17,99 euro

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

“Te vaak is internationale adoptie vermomde kinderhandel”

“Onder het mom van adoptie werd ik in 1980 als baby in India ontvoerd”, zegt Rani T’Kindt. Opdrachtgever was adoptiebureau De Vreugdezaaiers. In 2011 verloor die organisatie haar erkenning; een half jaar later nam het nu in opspraak gekomen Ray of Hope alle dossiers over. “Zolang er met adoptie geld te verdienen valt, zál er gefraudeerd worden.”

 

“Ik ben illegaal geadopteerd en heb dus ook op een illegale manier verblijfspapieren gekregen”, stelt Rani T’Kindt (40). “Toch riep niemand tot hiertoe op om mij uit te wijzen, zelfs het Vlaams Belang niet.”

Op 5 juli 1980 kwam de toen anderhalf jaar oude Rani met het vliegtuig vanuit India in België aan. “Mijn biologische ouders behoorden tot de laagste kaste in de stad Puducherry”, vertelt ze. “Mijn moeder beviel van een meisje en mijn vader was daar niet gelukkig mee. Hij liet haar in de steek. Mama stond met haar pasgeboren dochter op straat en wist van geen hout pijlen maken. De nonnen van het katholieke weeshuis boden haar een job als kokkin aan. Als kleine baby groeide ik op tussen de weesjes. ‘s Nachts moest mama op straat slapen; ik kreeg een bedje tussen de andere kinderen. Mijn Indiaase moeder kon niet lezen of schrijven, maar net als veel andere analfabeten kon ze wel haar naam op papier zetten. De nonnen lieten haar formulieren tekenen waardoor ze zonder het te beseffen mij afstond. Op een ochtend kwam ze in het weeshuis aan en was ik verdwenen. Ik ben nu zelf mama; ik kan me niet voorstellen dat ik mijn dochter van anderhalf zonder morren aan een paar nonnen zou hebben afgestaan. Mijn mama was in paniek. ‘Je hebt zelf getekend’, zeiden de nonnen. ‘Maak je geen zorgen: je dochter is in Parijs. Daar zal ze geneeskunde studeren. Later komt ze terug als dokter.’ Niet lang na mijn ontvoering, keerde mijn biologische vader terug naar zijn vrouw. Zijn geweten knaagde omdat hij mij in de steek had gelaten. Maar ik was verdwenen. Hij was razend. Mijn ouders werden bij de nonnen ontboden en kregen te horen dat ik gestorven was.”

 

Zaaiers van vreugde

Het katholieke weeshuis van Puducherry leverde tegen vergoeding kinderen aan de Gentse adoptiedienst De Vreugdezaaiers. Die organisatie werd eind jaren 50 opgericht door Franciscaner-pater Eugène Delooz. Hij specialiseerde zich in vakanties voor kinderen uit de Parijse bidonvilles bij Nederlandse en Belgische gezinnen. Eind jaren zestig schakelde hij over op adopties van Indiase weeskinderen. Hij sloot een deal met de weeshuizen van Moeder Theresa en op Kerstmis 1970 verscheepte de pater zijn eerste lading Indiase adoptiekinderen. De vraag van kinderloze Belgische en Nederlandse echtparen steeg en de pater legde contacten met andere Indiase weeshuizen, waaronder dat van Puducherry. “Ik heb een foto uit 1980 waarop ik als meisje van anderhalf tussen de weesjes poseer”, zegt Rani. “Pontificaal in het midden zit zuster Blanche met een baby op haar schoot. Ik zit naast haar op de schoot van een meisje met een witte haarband. Die foto diende om in Nederland en België promotie te maken voor het kinderaanbod van De Vreugdezaaiers. Zuster Blanche was een van de daders die mij in samenspraak met De Vreugdezaaiers ontvoerd en verkocht heeft. Die non werd later naar België uitgenodigd om er gevierd te worden als grote weldoenster.”

In november 2011 trok Kind en Gezin de erkenning van De Vreugdezaaiers in. Reden: ze plaatsten te weinig kinderen. Vandaag is de organisatie nog steeds actief als fondsenwerver voor Indiase schoolkinderen. De lopende adoptiedossiers werden in april 2012 overgenomen door het deze week in opspraak gekomen adoptiebureau Ray of Hope (DM 02/05).

 

Uit de doden opgestaan

In België groeide de jonge Rani op in een warm nest. “Ik heb een innige band met mijn Belgische ouders”, zegt ze. “Mijn papa is gestorven op zijn 65e; hij was net op pensioen. Datzelfde jaar is mijn dochter geboren. Ik herinner me dat ik tien was en in bad zat. Ik vroeg mijn mama: ‘Waarom gaat dat bruin niet van mijn lijf?’ Ze antwoordde: ‘Omdat je in India op de wereld gekomen bent. Je Indiase mama was arm en kon niet voor je zorgen. Daarom stuurde ze je naar hier.’”

Op haar negentiende vertrok Rani met haar toenmalige vriend voor een rondreis van een jaar door India. “Van onze trip wilden we een boek maken. ‘Zullen we op zoek gaan naar je biologische mama?’, suggereerde mijn vriend. Tot dan had ik in de veronderstelling geleefd dat ik als baby was gedumpt door een vrouw die niets om me gaf. En toch wou ik haar vinden. In mijn adoptiedossier stond enkel haar voornaam: Mary. De Vreugdezaaiers kwamen te weten dat ik haar in India aan het zoeken was. Ze namen contact op met mijn Belgische mama: ‘Er is niemand meer in Puducherry. Rani’s vader is lang dood en haar moeder stierf onlangs.’ Ik was helemaal van slag. Eerst overwoog ik die stad links te laten liggen. Toch bleven we zoeken en zo ontdekte ik dat mijn beide ouders nog in leven waren. Een non van dat weeshuis kreeg medelijden en hielp me.”

In 1998 ontmoette Rani voor het allereerst haar biologische ouders. “Dat was hartverscheurend en hakte er zowel bij hen als bij mij diep in. Hun kind was uit de doden opgestaan. Zij wisten niet dat ik geadopteerd was. Mijn mama weende en raakte me constant aan, van top tot teen. Ze wilde dat kind voelen dat ze ooit op de wereld gezet had. Ik worstelde daarmee: een vreemde vrouw die op mij leek, kon niet van me afblijven. Ik was haar enig kind. Nadat ik uit haar leven verdween, was haar verdriet zo groot dat ze geen andere kinderen meer wou. Ze smeekte me om voorgoed te blijven, trof zelfs voorbereidingen voor een huwelijksfeest en ging op zoek naar een bruidegom. Ze maakte kennis met mijn Belgische mama en dat was ontzettend moeilijk. Je hoopt om het ontbrekende puzzelstukje van je leven te vinden, maar dat blijkt toch niet zo goed te passen.”

In 2008 bezocht Rani haar biologische ouders opnieuw. Ze organiseerde toen ook een benefiet voor hen in het Gentse. “Ik gaf een interview in een krant waarin ik kritiek uitte op De Vreugdezaaiers, zonder de organisatie bij naam te noemen. Een paar dagen later zat er een anonieme dreigbrief in de brievenbus van mijn ouders. ‘Wij weten waar jullie mee bezig zijn. Let op, of wij treffen maatregelen!’ Het interview zat erbij, met de passages over de Vreugdezaaiers aangeduid in fluo.”

 

Aanklacht tegen kinderhandel

In oktober vorig jaar zag Rani T’Kindt haar moeder in India voor het laatst. “Vier weken geleden is ze gestorven. Ze was 62. Ik ben blij dat ik haar samen met mijn dochter van zeven nog ben gaan opzoeken. In de lente van vorig jaar liet een Indiase neef me weten dat ze ernstig ziek was. Ik wou dat ze voor haar dood haar enige kleinkind zag. In oktober hielden mijn dochter June en mijn mama Mary elkaars handen vast. Dat laatste bezoek aan mijn Indiase moeder heb ik gefilmd, want ik wil een documentaire maken, een aanklacht tegen kinderhandel. Te vaak is internationale adoptie vermomde handel in kinderen. Er moét een waarheidscommissie komen die alle internationale adopties onderzoekt, én een meldpunt. Het getuigenis vorige week van dat Ethiopische meisje over haar frauduleuze adoptie uit 2009, illustreert dat er bitter weinig veranderd is. Ondanks alle regels en wetten. Want zolang er met adoptie geld te verdienen valt, zál er gefraudeerd worden.”

 

(c) Jan Stevens

“Meer dan ooit is er behoefte aan een waarheidscommissie over adoptie”

Na getuigenissen over fraude met adopties uit Ethiopië, belooft minister van Welzijn Jo Vandeurzen een onderzoek. Adinda Aelvoet en Priyani Libert blijven met een wrang gevoel achter. “Omdat het bijna verkiezingen zijn, schieten onze politici nu in gang. Toen wij anderhalf jaar geleden met ons adoptieverhaal naar buiten kwamen, gebeurde er niets.”

 

Zaterdag getuigde in Het Laatste Nieuws de 17-jarige Thereza De Wannemaeker uit Denderleeuw over haar frauduleuze adoptie uit Ethiopië in 2009. Volgens de officiële documenten was haar biologische moeder verdwenen en haar vader overleden. Later ontdekte Thereza dat er van dat verhaal niets klopte. De voorbije dagen liepen bij de krant nog vijftien getuigenissen binnen over vermoedelijke adoptiefraude. Spin in het web is adoptiebureau Ray of Hope (RoH) dat van 1997 tot 2017 samenwerkte met een volgens de getuigenissen volstrekt onbetrouwbaar Ethiopisch contactpersoon. Vlaams parlementslid Lorin Parys (N-VA) wil nog voor de verkiezingen een extra zitting van het Vlaams parlement over de mogelijk frauduleuze adopties. Hij pleit voor een ‘diepgaand en onafhankelijk onderzoek’. Ook Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) is voorstander van zo’n onderzoek naar adoptiepraktijken uit het verleden. Die plotse daadkracht bezorgt Adinda Aelvoet en Priyani Libert een wrang gevoel. “Nu het bijna verkiezingen zijn, schieten onze politici in gang. Maar toen wij begin vorig jaar met ons adoptieverhaal naar buiten kwamen, gebeurde er helemaal niets.”

 

Stichting FLASH

Op 27 januari 2018 getuigden Priyani en Adinda in weekendbijlage Zeno over hun eigen vermoedelijk frauduleus verlopen adoptie uit Sri Lanka in de jaren 80. Bij hun zoektocht naar hun biologische ouders kwamen ze een paar jaar geleden via Kind & Gezin (K&G) en Steunpunt Adoptie bij RoH’s plaatselijke contactpersoon Sunil Wijewardena terecht. Tussen 1997 en 2011 regelde hij voor RoH alle 49 adopties uit Sri Lanka. In de jaren erna schakelde de adoptiedienst hem ook voor hun ‘nazorg’ in. Adoptiekinderen die zoals Priyani en Adinda naar hun biologische ouders op zoek waren, werden aan Wijewardena toevertrouwd. Op 27 september 2017 bracht deze krant aan het licht dat Wijewardena in de jaren tachtig nauw betrokken was bij grootschalige adoptiefraude van de Nederlandse Stichting FLASH. Van de duizenden Sri Lankaanse baby’s die in de jaren 80 via dat adoptiebureau in Nederland werden geadopteerd, bleek bij 70 procent de papieren vervalst te zijn. Kinderen werden geroofd van hun ouders en voor grof geld doorverkocht. Op babyfarms werden zelfs adoptiekinderen ‘gekweekt’. Wijewardena stond toen in voor het vervoer van de adoptiekinderen van FLASH.

Naar aanleiding van onze berichtgeving vroeg Lorin Parys op 10 oktober 2017 in de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin meer uitleg aan Jo Vandeurzen. De minister antwoordde dat er geen aanwijzing van fraude was en dus geen aanleiding voor een onderzoek.

Adinda Aelvoet: “Een van de argumenten van Jo Vandeurzen was dat volgens hem alles veranderd was. RoH ging in 1994 van start en Vandeurzen stelde dat op dat moment interlandelijke adoptie veel strikter geregeld was dan in de tachtiger jaren. Dat RoH en Steunpunt Adoptie tot minstens 2017 met een figuur als Wijewardena samenwerkten, vond Vandeurzen geen probleem. ‘Er is geen bezwaar tegen dat een Vlaamse dienst samenwerkt met iemand die ook met een Nederlandse vergunde dienst samenwerkt’, stelde hij in de Commissie Welzijn. Die ‘Nederlandse vergunde dienst’ was Stichting FLASH die in de lente van 2017 op de Nederlandse tv ontmaskerd was als grootschalige zwendelaar in adopties. De adoptie van Thereza De Wannemaeker dateert van 2009. In werkelijkheid is er dus sinds de jaren 80 helemaal niets veranderd.”

 

Integriteitsonderzoek

Priyani Libert is in 1984 in Sri Lanka geadopteerd en wilde in 2015 op zoek naar haar biologische ouders.

Priyani Libert: “Ik vroeg hulp aan Kind & Gezin. Zij stuurden mijn dossier door naar Ray of Hope, want die adoptiedienst had een contactpersoon in Sri Lanka, gespecialiseerd in het traceren van biologische ouders: Sunil Wijewardena. In twee weken tijd vond hij mijn vermeende biologische ouders. K&G nodigde me uit om Sunils onderzoek te bekijken. Dat bestond uit een paar foto’s waarop mijn zogenaamde biologische ouders samen met hem poseerden. Kopieën van identiteitsbewijzen of andere officiële documenten ontbraken. Sunils rekening bedroeg 450 euro, of twee Sri Lankaanse maandlonen. Die betaalde ik via K&G. Eerst beweerde Sunil dat mijn negen nieuwe broers en zussen van mijn bestaan op de hoogte waren. Later zei hij dat ze niet van mijn bestaan afwisten. Een DNA-onderzoek werd afgewimpeld. ‘Money’ was het enige waarin mijn zogenaamde biologische ouders geïnteresseerd leken. Eind 2016 verbrak ik alle contact.”

Adinda Aelvoet: “Ik vind het onbegrijpelijk dat Kind & Gezin én Steunpunt Adoptie minstens tot eind 2017 met Sunil Wijewardena van RoH zijn blijven samenwerken. Misschien werken ze nog steeds samen, want er is nooit een officiële stopzetting aangekondigd. Na mijn bijzonder slechte ervaringen met Sunil in 2013 liet ik weten dat hij totaal ongeschikt was voor het organiseren en begeleiden van rootsreizen. Hij was enkel op geld uit en probeerde ons te manipuleren. De adoptiecoach van Steunpunt Adoptie zei dat ze er niet goed van was. Toch werd er niet ingegrepen en bleven ze met hem in zee gaan. Minister Vandeurzen deelde in oktober 2017 mee dat RoH een integriteitsonderzoek naar Wijewardena zou laten uitvoeren. Is dat er ook écht geweest, wat zijn de resultaten en wordt er nu nog beroep op die man gedaan? Ik zou dat graag willen weten.”

 

Voorzitster met twee petjes

Een paar dagen na haar getuigenis in deze krant kreeg Adinda Aelvoet een mail van de directeur van Steunpunt Adoptie. “Zij bood me nazorggesprekken aan en schreef dat ze werkte aan de opstart van buddywerking voor geadopteerden. ‘Dit komt voor mij veel te laat’, antwoordde ik. Een onderzoek naar mijn eigen dossier kwam er niet: er werd van mij verwacht dat ik zelf eerst de bewijzen voor fraude leverde. Wat de wereld op zijn kop is, want ik wil net een onderzoek om te weten of er fraude gepleegd is.”

Priyani Libert werd door Kind & Gezin uitgenodigd voor een gesprek. “Daar zou ook Vlaams parlementslid Katrien Schryvers (CD&V) bij aanwezig zijn. Zij is voorzitster van de raad van bestuur van RoH en is ondervoorzitster van de Vlaamse parlementaire Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Ik vond het vreemd dat zij als RoH-voorzitster bij mijn gesprek met K&G wou aanschuiven. Ik kreeg het onbehaaglijke gevoel dat ze me wilden paaien. Daarom liet ik dat gesprek aan mij voorbijgaan.”

Adinda Aelvoet: “Omdat Schryvers ook voorzitster is van RoH, moest ze op die bewuste commissievergadering van 10 oktober 2017 haar voorzittershamer even doorgeven aan een collega van de N-VA. De commissie die het adoptiebeleid uitstippelt, wordt dus mede geleid door iemand die voorzitter is van de raad van bestuur van een adoptiebureau. Dat is toch te gek voor woorden?”

Priyani Libert: “K&G stelde voor om mijn dossier te laten uitspitten door de Centrale Adoptieautoriteit in Sri Lanka, maar daar heb ik totaal geen vertrouwen in. Want net daar liep het ooit met mijn adoptie fout: die Centrale Autoriteit was één van de spelers in de fraude. Ik moest dus mijn adoptiedossier laten onderzoeken door een dader. Daar heb ik vriendelijk voor bedankt.”

 

Waarheidscommissie

De problemen met adoptie in Sri Lanka, Congo en Ethiopië zijn volgens Adinda en Priyani geen op zichzelf staande gevallen. Adinda Aelvoet: “Net als in Nederland loopt er ook bij ons van ver in de jaren 70 een rode lijn van bedrog. De Nederlandse overheid neemt dat ernstig en heeft een commissie samengesteld die diepgaand onderzoek naar alle vormen van adoptiezwendel voert. Bij ons worden nu na Ethiopië vage beloften gemaakt. Al dat getreuzel is een gevolg van die innige verstrengeling met de politiek.”

Priyani Libert: “Na onze getuigenissen hoorden we veel gelijkaardige verhalen van kennissen die ook uit Sri Lanka geadopteerd zijn. Maar zij zijn bang voor de impact van de media-aandacht. Na Ethiopië mogen we er van uitgaan dat er aan nog meer interlandelijke adopties van RoH een reukje zit. Dat moet toch op zijn minst onderzocht worden. Wij vroegen een onderzoek naar alle Sri Lanka-dossiers en kregen van de Commissie voor Welzijn en van minister Vandeurzen nul op het rekest. Dat kwam keihard aan. Twee weken geleden had ik de eer om Michelle Obama te ontmoeten in Amsterdam. Als er één ding is dat ik van haar geleerd heb, is het dat iedereen meetelt. Als minister Vandeurzen wél de Ethiopische adoptiedossiers laat onderzoeken, maar de Sri Lankaanse links laat liggen, zal het voor ons zijn alsof niet iedereen hier meetelt.”

Adinda Aelvoet: “Toen anderhalf jaar geleden de adoptiefraude in Sri Lanka aan het licht kwam, zakte de grond onder mijn voeten weg. Als adoptiekind weet je weinig over je oorsprong. Als er dan ernstig adoptiebedrog aan het licht komt, raak je helemaal gedestabiliseerd. Want plots staat álles op losse schroeven. Je identiteit wordt opnieuw een groot vraagteken. Om mezelf te beschermen, probeerde ik dat verhaal af te sluiten. Maar zolang er geen groot onderzoek naar onze adoptiegeschiedenis komt, is dat moeilijk. Want nu is er dat nieuws over Ethiopië en binnen een paar maanden gaat het misschien over adoptiefraude uit een ander land. Telkens weer worden wij ermee geconfronteerd. Dat is zeer pijnlijk en ik wil andere geadopteerden daarvoor behoeden. Daarom is er meer dan ooit behoefte aan een waarheidscommissie over adoptie, zonder taboes. Zolang die er niet is, stopt het nooit.”

 

 

Ray of Hope: van hobbyist tot hoofdspeler in internationale adoptie

 

  • De vzw Ray of Hope werd in 1994 als Children’s Welfare Adoption in Berlare opgericht door Guy De Meester en zijn vrouw. Zij importeerden rotanmeubelen uit Azië en adopteerden zelf zes kinderen. De Meester zetelt nog steeds in de raad van bestuur van RoH.
  • Bij aanvang schreef de inspectie negatieve rapporten omdat RoH zich vooral toelegde op snelle adopties uit Haïti. Maar Kind & Gezin erkende toch. In 2003 gaf Guy De Meester in Knack een verklaring voor die snelle adopties: “Ons eerste kanaal had toevallig meteen veel kinderen ter beschikking.” Dat ‘eerste kanaal’ was Yva Samedy, directrice van de Foyer de la Nouvelle Vie die honderden adoptiekinderen leverde aan verschillende landen.
  • In 1997 trok de inspectie op missie naar Haïti. In haar rapport schreef ze dat de samenwerking met Samedy onmiddellijk moest stoppen. Samedy werd beschuldigd van financiële fraude. Kind & Gezin vond dat RoH met haar mocht blijven samenwerken, op voorwaarde dat ze kinderen leverde die écht in de steek gelaten waren.
  • In 2001 stapten drie families die via RoH een Vietnamees kind geadopteerd hadden, naar de rechter. Hun klachten: de documenten waren niet in orde en de contactpersoon was niet bekwaam.
  • Na een reportage op Telefacts over door RoH geregelde adopties in Vietnam, verloor de organisatie in december 2002 haar erkenning.
  • RoH trok naar de Raad van State en kreeg in 2004 gelijk.
  • Van 2004 tot 2014 was voormalig minister van Welzijn Wivina Demeester (CD&V) voorzitter van de raad van bestuur van RoH. Op 2 januari 2016 nam ze in een opiniestuk in de krant De Standaard afstand van interlandelijke adoptie. Zelf adopteerde ze in 1974 een Indiaas meisje. Buitenlandse adoptie vond ze geen goed idee meer omwille van de wachttijd en de kostprijs. ‘Tussen de beslissing om je als ouders voor te bereiden op een interlandelijke adoptie en de aankomst van je kind verloopt nu vijf tot zeven jaar’, schreef ze. ‘Toen was dat 18 maanden. Ik beschouwde het als een verlengde zwangerschap. De ‘kostprijs’ was redelijk. Vandaag is het vele jaren wachten. Te lang. En de kostprijs is zeer hoog.’ Over de gevolgen op langere termijn voor de geadopteerden repte ze met geen woord. Wel dat de drie nog bestaande interlandelijke adoptiediensten (RoH, FIAC-Horizon en Het kleine mirakel) best tot één dienst voor buitenlandse adoptie zouden fusioneren.
  • Vlaams CD&V-parlementslid Katrien Schryvers nam in 2014 de RoH-voorzittersfakkel van Wivina Demeester over. Schryvers is eveneens ondervoorzitter van de parlementaire Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin die ook adoptie behandelt. In de raad van bestuur van RoH zetelt onder anderen ook Wilfried Verniest. Van 1987 tot aan zijn pensioen in 2012 was hij directielid bij K&G en in 2007 schopte hij het zelfs even tot waarnemend administrateur-generaal. Net als Wivina Demeester pleitte Schryvers voor één eengemaakte gesubsidieerde buitenlandse adoptiedienst.
  • Begin april van dit jaar besliste de Vlaamse regering dat vanaf 1 januari 2023 de drie adoptiediensten tot één dienst zullen samensmelten. De beschikbare financiële middelen, kennis en expertise moeten vanaf dan gebundeld worden. N-VA-parlementslid Lorin Parys juichte die beslissing toe, maar had in de Standaard van 8 april toch een paar bedenkingen. “Elke adoptiedienst vertegenwoordigt een bepaalde levensbeschouwing”, zei hij. “Het is niet de bedoeling dat een van die overtuigingen aan het stuur gaat zitten, wel dat de eengemaakte dienst pluralistisch is. Het kan ook niet dat een volksvertegenwoordiger er voorzitter van wordt. Want in het parlement controleer je dan het Vlaams centrum voor adoptie dat op zijn beurt jou controleert als voorzitter van een adoptieorganisatie.”

 

(c) Jan Stevens

‘Ik heb 250 jihadi’s gedood. Ongeveer’

Van 2014 tot 2016 was Azad Cudi sluipschutter bij het YPG, het aan de PKK gelieerde Koerdische leger in Syrië. In anderhalf jaar tijd schoot hij eigenhandig 250 IS-strijders dood. “Dat waren geen mensen, maar jihadi’s.”

 

Achttien maanden lang was Azad Cudi in het Koerdische leger YPG actief als sluipschutter tegen IS. Negen maanden lang vocht hij in de belegerde noordelijke Syrische stad Kobani. De allereerste man die hij neerschoot, staat voor eeuwig in zijn geheugen gegrift. “Dat was één van de moeilijkste momenten uit mijn leven”, zegt hij met zachte stem. Azad Cudi is een attente gentleman met de looks van een jonge academicus. De elegante handen waarmee hij 250 mensen doodschoot, lijken die van een pianospeler.

“Na die allereerste keer volgden gauw meer van dat soort van ervaringen.” Het valt op: Cudi praat niet over ‘doden’ of ‘slachtoffers’, maar over ‘ervaringen’. “Snel werd dat dagelijks”, vervolgt hij. “Zeker tijdens de huis-aan-huisgevechten tijdens de slag om Kobani.” Waarna hij naar een plek op het tafelblad staart en in stilte verzinkt, gevolgd door een diepe zucht.

In zijn pas verschenen boek Long shot beschrijft Azad Cudi in detail zijn deelname aan de oorlog tegen IS. ‘Azad’ is niet zijn echte naam, maar de naam die hij als sniper of sluipschutter in het Koerdische leger droeg. “’Azad’ betekent ‘vrijheid’.” Zijn echte naam moet geheim blijven en hij wil enkel onherkenbaar voor de lens van de fotograaf. Cudi beseft heel goed dat hij met zijn palmares en zijn ‘coming-out’ weleens de ‘hitlist’ van IS-sympathisanten zou kunnen gaan aanvoeren. Azad Cudi: “Toch ben ik niet van plan om de rest van mijn bestaan te laten overheersen uit angst voor hun wraak. Ik blijf vrij op straat rondlopen.”

 

Hebt u in de oorlog geleerd dat u altijd klaar moet zijn om te sterven?

“We maakten toen vooral grapjes over onze eigen dood. (lacht) Het was de enige manier om ermee om te gaan. Aan de oorlog deelnemen, was mijn keuze. Ik was bereid om de prijs te betalen voor de strijd voor democratie en vrijheid. Als je in een land als Syrië tegenover de barbaren van IS staat, weet je dat die prijs erg hoog kan zijn. Tijdens de Tweede Wereldoorlog sneuvelden op de stranden van Normandië ook veel jonge soldaten voor exact dezelfde waarden.”

 

Werkte het schrijven van Long Shot therapeutisch?

“Ik heb dit boek niet als therapie geschreven.”

 

U hebt ontzettend veel mensen gedood.

“Dat waren geen mensen, maar jihadi’s.”

 

Toch zijn het mensen van vlees en bloed.

“(lange stilte) Het is heel lastig om daar als mens mee te moeten leven. Maar het is niet lastig als ik mijn acties kader in de zaak waarvoor ik vocht: voor de vrijheid, voor de democratie, voor mijn mensen, voor alle waarden die wij in onze samenleving hoog achten. Het doden was nodig om het kwaad te verslaan. Wij werden in ons eigen huis aangevallen. We moésten het verdedigen en de consequentie is dat sommigen doodgeschoten zijn. Oorlog is geen weekendfuif.”

 

U bent geboren in Iran?

“Ik zag het levenslicht in 1983 in het stadje Sardasht in de Koerdische regio. Volgens de geopolitieke grenzen stond mijn wieg in Iran, maar ik beschouw mezelf niet als Iraniër. Een paar jaar voor mijn geboorte was er de revolutie die de ayatollahs aan de macht bracht. Het probleem met de Iraniërs is dat ze weten wat ze niet willen, maar niet wat ze wél willen. Eind jaren zeventig waren ze het erover eens dat sjah Reza Pahlavi weg moest. Want hij was door en door corrupt en nam het niet nauw met de mensenrechten. De revolutie tegen het regime van de sjah werd gedragen door heel wat strekkingen in de Iraanse samenleving. Eens de ayatollahs de macht veroverd hadden, vermoordden ze alle andere kinderen van de revolutie. Hun seculiere medestanders hingen ze op. Dat zijn de twee gezichten van de islam. Zolang moslims in de verdediging zitten en zwak zijn, praten ze over compassie, broederschap, hulp en ondersteuning. Dan spelen ze een mooie sociale rol in de samenleving. Maar van zodra ze aan de macht komen, trekken ze hun zwaarden. Als niet-moslim sta je dan voor de keuze: onderwerping of onthoofding. Die twee gezichten vinden hun oorsprong in de wortels van de islam. Zolang de profeet Mohammed zich in een zwakke positie bevond, ronselde hij mensen. Van zodra hij voldoende volgelingen rond zich verzameld had, viel hij aan. Nu de geestelijken de macht in Iran in handen hebben, gedragen ze zich net als hun profeet en zijn ze aan een veroveringstocht bezig in Irak, Libanon, Pakistan, Palestina en Syrië.”

 

U bent atheïst?

“Ja, maar met mijn moslimachtergrond versta ik de jihadistenmentaliteit. Ik weet waar hun wreedheid en absoluut gebrek aan mededogen vandaan komt.”

 

Uit wat voor nest stamt u?

“Uit een doodnormaal arbeidersgezin. Het Koerdisch en het Perzisch zijn twee totaal verschillende talen. Als jongen van zeven had ik het op school moeilijk met simpele woorden als brood, melk of water. Ik groeide op als vreemdeling in mijn eigen land. Dat gevoel van vervreemding werd alleen maar groter. Ik zag hoe de Iraniërs de lakens uitdeelden en het besef hoe onrechtvaardig dat was, groeide met de dag. Als je zelfs op school je eigen taal niet mag spreken of bestuderen, blijven zij je altijd een stap voor.”

 

Op uw 18e deserteerde u uit het Iraanse leger. Waarom?

“In het leger kreeg ik te horen dat ze de grenzen gingen ‘opkuisen’ en ‘indringers’ wilden oppakken. Een bevriende beroepsmilitair vertelde me wat dat in werkelijkheid inhield. Die zogenaamde ‘indringers’ waren Koerdische guerrillero’s. Ik werd dus gedwongen om tegen mijn eigen mensen te vechten. De Iraanse officieren beslisten dat de Koerdische rekruten het strijdperk moesten betreden in hun traditionele uniformen. Wie schieten Koerdische revolutionairen eerst dood als ze oog in oog staan met het Iraanse leger, denkt u?”

 

De traditioneel geklede Koerden?

“Natuurlijk, want zij zijn de verraders. Daarom deserteerde ik. Eerst dook ik onder. Ik kon niet zomaar afscheid nemen van mijn familie en vrienden. Ik vluchtte van het ene huis naar het andere, van de ene stad naar de andere. Ik had me aangesloten bij het Koerdische verzet, ook al was op dat moment mijn politieke bewustzijn niet zo groot. Ik droeg pamfletten rond, praatte en discussieerde met vrienden en leerde zo een andere wereld kennen dan die van de religieuze propaganda uit de Iraanse kranten. Ik ontdekte de begrippen vrijheid, democratie en mensenrechten.”

 

U sloot aan bij de PKK?

“Nee, op dat moment kende ik de PKK zelfs niet. Maar toen werden vrienden uit mijn groep opgepakt en was er geen ander alternatief dan wegvluchten. Als ik bleef, riskeerde ik de strop. In ruil voor een klein fortuin hielp een mensensmokkelaar me het land uit. Ik kwam in Engeland terecht, kreeg daar het vluchtelingenstatuut en probeerde in de stad Wakefield ten zuiden van Leeds een nieuw leven uit te bouwen. Álles was nieuw: de gebouwen, de mensen, de cultuur, het politieke systeem. In het begin was ik zeer nieuwsgierig én opgelucht omdat ik vrij kon rondwandelen en ademen. Er heerste vrede. Die eerste jaren waren best oké. Ik voelde me bevoorrecht omdat ik eindelijk in een vrij land leefde. Maar onderhuids knaagde het gemis. Ik miste familie en vrienden, het eten, de muziek. Ik stond met de ene voet in Wakefield en met de andere in Koerdistan. In mijn droom was ik in Iran op de vlucht voor de militairen om badend in het zweet wakker te worden in mijn kamer in Wakefield. Dat was zo bizar.”

 

U was getraumatiseerd?

“Precies, en ik vermoed dat elke vluchteling, waar ook ter wereld, zoiets meemaakt. Je hoofd zit vol verlangen naar thuis; tezelfdertijd wordt in je nieuwe land van je verwacht dat je open en flexibel bent. Je moet je zo snel mogelijk aanpassen aan die nieuwe omgeving, zonder dat je emoties je daarbij een hak mogen zetten. Je moet dus op zoek naar een gezonde manier om je verleden met het heden te verbinden. Als dat niet lukt, eindig je in totale eenzaamheid, in wanhoop. Dan ben je een gevangene in een vrij land.”

 

Hoe kwam u in 2014 als sluipschutter aan het front in het noorden van Syrië terecht?

“Ik had besloten dat ik deel moest worden van de revolutie in Rojava, zoals wij Noord-Syrië noemen. De vrijheid, integriteit en gelijkheid die ik in Engeland ervaren had, wou ik voor alle Koerden. De burgeroorlog in Syrië maakte het voor mijn volk mogelijk om ons eigen lot verder in handen te nemen. Onze sinds 1999 in Turkse gevangenschap verblijvende leider Abdullah Öcalan leefde een tijd in Noord-Syrië. De Koerden in Rojava kenden onze revolutionaire ideeën: de fundamenten waren er al gelegd. Eind 2013 was ik aan de slag als maatschappelijk werker in de stad Qamishli, toen we aangevallen werden door IS. Ze vuurden mortieren op de huizen in de buitenwijken af. Ik had toen kunnen weglopen, maar ik bleef. Ik sloot aan bij ons leger, de People’s Protection Units of YPG, en nam de wapens op. De omstandigheden dwongen me daartoe.”

 

Als sociaal werker en later als sluipschutter was u in dienst van de PKK. Volgens de Turkse president Erdogan is dat een terroristische organisatie. Kent u de Gentse professor Dries Lesage? Ook hij is formeel: de PKK is net als IS een terreurgroep.

“Ik ken die meneer Lesage niet. Ik weet ook niet wat zijn motieven zijn. In Europa heerst terecht vrijheid van meningsuiting; het staat die man dus volledig vrij om te zeggen wat hij wil. Het klopt dat de PKK op dezelfde terreurlijst van organisaties zoals Al Qaeda of IS staat. De PKK is op die lijst terechtgekomen door mensen wier voornaamste motivatie is: ‘We houden niet van die Koerdische fuckers.’ Ze creëerden hun eigen terreurlijst en overhandigden hem aan de Verenigde Naties en het Europese Parlement. De als terrorist gelabelde Koerden kregen zelfs de kans niet om zich fatsoenlijk te verdedigen. In een rechtszaak is het recht op verdediging fundamenteel. Maar de PKK werd niet eens gehoord.”

 

Maar u kan toch niet ontkennen dat de PKK in Turkije zware en bloedige aanslagen op haar actief heeft, met vele doden en gewonden?

“Ik ken al die zaken niet en ik ken ook alle redenen niet waarom ze plaatsvonden. Ik kan daar geen algemene uitspraken over doen. Je kan toch niet zomaar 20 miljoen mensen op een terreurlijst plaatsen? Een terreurgroep is enkel en alleen geïnteresseerd in geweld, terwijl wij over democratie praten.”

 

Is de PKK een communistische organisatie?

“Nee. We zijn sociaal-democratisch en propageren directe democratie van het volk en van lokale gemeenschappen. In Rojava beslissen de dorpsbewoners over hun bestaan. Regionale raden geven advies, maar de beslissingen worden genomen door het volk. Er is geen staat in Rojava, er is enkel anarchie die gedragen wordt door de gewone mensen en hun families. Bij ons vind je de meest radicale feministes. In onze samenleving organiseren de vrouwen zichzelf. Ze zijn totaal onafhankelijk, zowel in het leger als in de economie. Wij nemen ook de ecologische problemen zeer ernstig en zetten bijvoorbeeld volop in op zonne-energie. Vindt u het juist om al die mensen die volgens die waarden leven, terroristen te noemen? Komaan, zeg.”

 

Wie besliste dat u sluipschutter zou worden?

“Ikzelf.”

 

U koos er dus heel bewust voor om veel mensen dood te gaan schieten?

Snipers zijn verdedigers, geen aanvallers. Met een lang, zwaar geweer val je niet zomaar aan. Ik volgde eerst een training. We tekenden doelwitten op kartonnen borden. Blijkbaar had ik talent.

“Een goede sluipschutter heeft arendsogen, is een geduldige waarnemer en heeft een uitstekend gehoor. Hij beschikt over een analytische geest. Hij overschouwt het terrein, verzamelt informatie, slaat die op, analyseert en beslist. Hij moet ook zeer praktisch ingesteld zijn. Soms zit je urenlang te wachten op een kans waarvan je weet dat die zich misschien nooit zal voordoen. Toch blijf je rustig doorademen. Je bent dan in opperste concentratie; klaar om binnen de seconde toe te slaan.”

 

Want als je treuzelt of te laat bent, kan dat jou of je medestanders het leven kosten?

“Nooit is er een tweede kans. Ik was me voortdurend extreem bewust van alles wat er om me heen gebeurde. Alert zijn was mijn tweede natuur. Er was geen ruimte voor emoties of voor dieper nadenken over mijn handelingen. Gevoelens zijn wild en instinctief. Ik mocht die niet toelaten, want dan was ik misschien in een hoekje beginnen huilen.”

 

Wat toch een perfect normale reactie lijkt?

“Ik héb ook gehuild. Maar die emoties werden snel geblokkeerd door mijn overlevingsinstinct. Want met paniek, verdriet of extreme angst, tekende ik mijn doodvonnis. De stress en de hormonen verplichtten mijn hersens ertoe zich te focussen en strategisch te beginnen nadenken.”

 

De balans van uw achttien maanden aan het front: u doodde 250 mensen.

“Ongeveer. (stilte) Op elk moment van de dag of nacht sloegen de jihadi’s van IS toe. Ze waren gehard in de strijd en namen ongehoorde risico’s. Hun strijders kwamen uit honderd verschillende landen en aarzelden niet. Ze brachten allemaal hun ‘creativiteit’ mee naar de oorlog. De oude Moedjahedien die tegen de Sovjets in Afghanistan vochten, vielen pas aan na het ochtendgebed. Daar houden moderne jihadisten geen rekening mee. Zo dom zijn ze nu ook weer niet. ’s Nachts leek het nóg erger dan overdag. De duisternis zorgde voor meer onzekerheid en angst. Ach, de oorlog verkruimelt je hoofd en je hart.”

 

U verloor veel vrienden?

“Ik ben veel erg goede vrienden kwijt. Mensen aan wie ik mijn diepste gedachten toevertrouwde, met wie ik zij aan zij vocht. Mannen en vrouwen met wie ik zeer moeilijke momenten deelde. Ik verloor ook veel mensen die ik nooit persoonlijk ontmoet heb, maar die hetzelfde pad bewandelden. Onze kerkhoven zijn immens. In Kobani verloren we meer dan duizend mensen; in totaal sneuvelden er 3000 Koerden in de strijd tegen IS. Ons offer is vreselijk groot. Dagelijks worden er op de kerkhoven van Rojava nieuwe graven gedolven. Het gevecht is niet voorbij.”

 

Hebt u ooit gesprekken gevoerd met jihadi’s die door uw legereenheid gevangengenomen waren?

“Nee, in die 18 maanden sprak ik met geen enkele jihadist. In het begin leek het echt alsof IS onverslaanbaar was. De miljoenenstad Mosoel werd in juni 2014 in een paar dagen ingenomen. Het Iraakse leger vormde geen partij voor hen. In september 2014 viel IS Kobani aan en ook daar wonnen ze in sneltreinvaart terrein. Ze vielen met velen aan, waren uiterst agressief en hadden een aura van onoverwinnelijkheid. Ze waren bereid om te sterven: de dood op het slagveld was hun garantie op het paradijs. Jihadi’s gevangen nemen, was geen optie. Ze gaven zich niet over en waren vastberaden: doden of gedood worden.

“IS-jihadi’s zijn net paarden met oogkleppen. Ze zien de wereld door hun gewelddadige salafistische bril en kunnen er niet uit losbreken. De ideologie palmt hun gevoelswereld compleet in. Grote emoties zoals angst, vreugde, liefde en spijt zijn deel geworden van hun religieuze verhalen. Ze zijn hun vleesgeworden ideologie. Ze vormen een zwarte massa die een deel van het zonlicht tegenhoudt. Als sluipschutter heb ik mijn kleine bijdrage geleverd bij de afbraak van dat zwarte scherm voor de zon.”

 

U zag geen enkel ander alternatief dan hen afknallen als konijnen?

“Er werd niet onderhandeld over het uitwisselen van gevangenen. Zij onthoofden gewoon iedereen die ze gevangen namen. Ze voelden zich zo machtig en boven alles en iedereen verheven, dat het zelfs niet in hun hoofd kwam om het leven van de vader van een klein kind te sparen. Telkens wanneer ze een veroveringsaanval inzetten, gijzelden ze eerst burgers. We moesten tot het uiterste gaan om hen tegen te houden. We hebben àlles op het spel gezet. De prijs is enorm. Al dat bloed, al die opofferingen, al die wonden. Het duurde heel lang voor sommige IS-strijders begonnen te twijfelen en zich overgaven.

“Mijn totale oorlogservaring was overweldigend en in die 18 maanden was er geen seconde tijd voor verwerking. Het is moeilijk om erover te praten, ook nu. Dat wordt nooit makkelijk. Soms is het alsof er een muur vlak voor me staat. Een paar uur lang raak ik dan gevangen in mezelf. In het slechtste geval voel ik me een dag of drie zo. Dan moet ik mezelf ertoe dwingen om op zoek te gaan naar de redenen voor mijn oorlogsdaden. Ik kàn ze rationaliseren en aanvaarden. Er was een reden voor alles wat ik deed. Ik heb er vrede mee.”

 

Eind vorig jaar kondigde president Donald Trump aan dat hij zijn troepen wil terugtrekken. Voelt u zich door de Amerikanen in de steek gelaten?

“De Amerikanen verschenen pas op het strijdtoneel na de grote IS-aanslagen in Europa. De internationale druk werd heel groot om eindelijk tegen IS in Syrië en Irak op te treden. De Amerikanen voelden zich moreel verantwoordelijk en sprongen ons bij. Ze konden ook niet blind blijven voor onze strijd. U mag niet vergeten: Europa was ernstig bedreigd als IS Kobani integraal in handen had gekregen. Dan was die grote grens met Turkije hun toegangspoort tot Europa en zwaaiden de jihadisten nu misschien de scepter in Wenen of Parijs. De Amerikanen én Europeanen werden bang en sloten zich daarom bij ons aan.

“In december vorig jaar geloofde Donald Trump echt dat IS verslagen is. Ik begrijp zijn beslissing en ik respecteer ze ook. Hij houdt van het leger en wou dat zijn militairen thuis kerst konden vieren. Maar dan was er in januari van dit jaar die zelfmoordaanslag op een Amerikaanse patrouille in Manbij in het noordoosten van Syrië. De terugtrekking werd meteen vertraagd.”

 

Het was dus niet zo slim van Trump om de terugtrekking aan te kondigen?

“Het is sowieso veel te vroeg; IS is nog lang niet verslagen. Zij kennen de woestijn als hun broekzak. Ze verbergen zich en duiken onder in dorpen en steden. Ze zijn daar zeer ervaren in. Zowel in Syrië als in Irak bulkt het nu van de slapende IS-cellen.

“We worden geholpen door meer dan zestig landen, waaronder Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk. Als de Amerikanen zich terugtrekken, zijn er nog al die anderen die ons wél willen verder helpen. Niet iedereen in de Amerikaanse regering is het eens met Trump. In het Pentagon lopen belangrijke mensen rond die beloofd hebben dat ze ons niet in de steek zullen laten. Zelfs binnen de Republikeinse partij is er ongenoegen over Trumps beslissing. Ook de Amerikaanse militairen in Rojava vinden terugtrekking geen goed idee. Zij weten heel goed dat IS niet verslagen is. Er speelt trouwens nog veel meer dan de strijd tegen de jihadisten. Iran is heel actief in Syrië en dat baart de Israëliërs flink wat zorgen. Kijk, het staat de Amerikanen vrij om de aftocht te blazen. De YPG hangt niet van hen af en is niet door hen gecreëerd. Op het moment dat zijn ons kwamen steunen, vochten wij al twee jaar tegen IS. Wij leverden gigantische veldslagen in plaatsen als Serê Kaniyê‎ en Tilkoçer, waar toen geen haan naar kraaide.”

 

Keert u nog terug naar het front?

“Voorlopig weet ik niet wat mijn volgende stap wordt. Ik heb de oorlog ervaren en ik weet hoe slecht, verwoestend en lelijk hij is. Nu zou ik me liefst toeleggen op vrede en rechtvaardigheid. Die worden niet afgedwongen met wapens, maar met diplomatie en onderhandelingen. Ik wil me concentreren op de vrede, omdat ik mijn portie bloedvergieten wel gehad heb. Eigenlijk heeft iedereen er genoeg van. Er is niets romantisch aan deze oorlog tegen de jihadisten. Doden, bloed, vernietiging, gebroken families, vrouwen die als slaven genomen worden, zelfmoordaanslagen, homo’s die van flatgebouwen gegooid worden, verwoeste steden… Pure horror. We moeten er zo snel mogelijk voor zorgen dat alle getroffen mensen weer kunnen ademhalen en leven. Misschien moet de moeilijkste strijd nog beginnen: die voor de democratie.”

 

Er woedt al een tijdje een discussie of België gevangen IS-strijders, -weduwen en -kinderen moet terughalen. Wat vindt u?

“De vrouwen en kinderen nemen een andere positie in dan de strijders. Al waren zij wel getuige van de terreur. Ze leefden in IS-gebied en vonden al die gruwel normaal. We moeten oppassen dat we de kracht van die ideologie niet onderschatten. Het is een levensstijl én een mentaliteit. Ik vrees dat het uiterst moeilijk wordt om de geesten van IS-aanhangers te herformatteren.”

 

Deradicaliseren is een illusie?

“Het is niet onmogelijk, maar je hebt er wel zeer ervaren psychologen, historici en theologen voor nodig. Mensen die de finesses van die religie begrijpen en weerwerk kunnen bieden. De integratie van ex-IS’ers in de maatschappij zal veel belastinggeld kosten, maar is mensen een tweede kans geven niet precies waar een Europees land zoals België voor staat? Ongeacht wat iemand mispeuterd heeft: hij verdient een nieuwe kans. Zonder dat jullie daarbij naïef moeten zijn, want de veiligheid van de burgers komt eerst.”

 

Azad Cudy, Long Shot – My Life As a Sniper in the Fight Against ISIS, 272 blz, 19,99 euro. Eind mei verschijnt bij uitgeverij Luitingh Sijthoff de Nederlandse vertaling

 

(c) Jan Stevens

‘Vijftig jaar lang hebben antibiotica mensenlevens gered en nu riskeren we terug naar af te gaan’

Terwijl Heidi Larson aan de Universiteit Antwerpen een eredoctoraat ontvangt, geeft haar man Peter Piot in de coulissen een interview. “Sinds twee weken ben ik Brit. Uit pure noodzaak.”

 

Donderdag ontving de Amerikaanse antropologe Heidi Larson op de Universiteit Antwerpen een eredoctoraat, als ‘wereldautoriteit op het vlak van gevoelens die mensen hebben bij vaccinatie.’ Larson is professor aan de London School of Hygiene & Tropical Medicine (LSHTM) en is getrouwd met Peter Piot (70), rector van diezelfde universiteit en wereldautoriteit op het vlak van aidsonderzoek. Begin dit jaar wees het echtpaar Piot-Larson een verzoek voor een dubbelinterview beleefd van de hand. Een solo-interview zag Peter Piot dan weer wel zitten, al was dat niet voor meteen omdat hij voor het werk voortdurend onderweg was. Tot hij begin deze week liet weten deze donderdagvoormiddag in Antwerpen tijd te hebben.

Terwijl Heidi Larson samen met Nobelprijswinnaar Denis Mukwege in de Aula Rector Dhanis ter ere van hun eredoctoraat een masterclass verzorgen, beantwoordt Humo’s invloedrijkste Belg ter wereld van 2017 al staande mijn vragen. “Ik werk ook altijd rechtopstaand aan mijn bureau”, verontschuldigt hij zich. “Want van zitten krijg ik rugpijn.”

 

U bent in de wolken met het eredoctoraat voor uw vrouw?

Peter Piot: “Zeker. Nu ben ik haar man in de schaduw die haar hier in Antwerpen begeleidt. Ik vind het trouwens heel fijn dat De Morgen afgelopen maandag naar aanleiding van Heidi’s eredoctoraat haar werk rond vaccinaties zo in het zonnetje zette.”

 

Uw vrouw probeerde de voorbije tien jaar ‘anti-vaxxers’ en hun negatieve gevoelens tegenover vaccinatie te begrijpen. Onze inmiddels gepensioneerde huisdokter was eind jaren tachtig, begin jaren negentig geen fan van vaccineren tegen mazelen. Met als gevolg dat ook onze kinderen daar niet tegen gevaccineerd zijn. Hij was toen niet de enige dokter die dat soort vaccinaties overbodig vond.

“Daarom zitten we nu opnieuw opgezadeld met epidemieën van ziektes zoals mazelen. Vorig jaar zijn er in Europa meer mazelen gesignaleerd dan in heel Afrika. Er stierven ook mensen aan. Wie niet tegen mazelen vaccineert omwille van ‘de natuurlijke weg’, zet zijn kinderen op weg naar blindheid, hersenontsteking of de dood.”

 

Mijn volwassen kinderen zijn nu in gevaar en moeten dat vaccin zo snel mogelijk gaan halen?

“Ja, want misschien komen ze op reis wel in contact met iemand die mazelen heeft. De gevolgen voor volwassenen kunnen best ernstig zijn. In 2015 raakten zo 70 mensen besmet met de mazelen na een bezoekje aan Disneyland Californië. Eén drager van de ziekte had op een dag tijd al die anderen die nog niet gevaccineerd waren, aangestoken. Omdat die besmetting in het massaal bezochte Disneyland plaatsvond, verspreidde het mazelenvirus zich over de hele Verenigde Staten.”

 

Een ander acuut gezondheidsprobleem: in 2017 besliste minister van Volksgezondheid Maggie De Block (open VLD) om de kostprijs van antibiotica voor patiënten te verhogen. Ze wou zo de overconsumptie tegengaan. Haar redenering was dat patiënten duurdere antibiotica links zouden laten liggen. Uit onderzoek van de Christelijke Mutualiteit (CM) blijkt nu dat die prijsverhoging geen effect had. Geen enkele patiënt smeekt zijn dokter geen antibiotica voor te schrijven.

“In België wordt veel meer antibiotica voorgeschreven dan in Nederland, het Verenigd Koninkrijk of Scandinavië. Alleen Frankrijk is nóg erger. Die overconsumptie is zeer gevaarlijk. Ik heb daar met Maggie De Block over gesproken. Er zijn steeds meer infecties in ziekenhuizen die door resistentie aan antibiotica niet meer te behandelen zijn. Er ligt een grote verantwoordelijkheid bij de artsen. Zij moeten zeggen: ‘Sorry, maar voor uw verkoudheid schrijf ik geen antibiotica voor.’ In Engeland zijn de dokters daar zeer strikt in. Terecht. Hier in België lijkt dat niet te lukken.”

 

Herman Goossens, microbioloog aan het UZ Antwerpen, vindt dat dokters die te veel antibiotica voorschrijven, desnoods beboet moeten worden. “Het Riziv weet perfect welke artsen dat zijn”, zegt hij.

“Als er echt niets anders helpt, moet er inderdaad misschien wel gepenaliseerd worden. We moeten er dringend iets aan doen, anders zadelen we de volgende generatie op met een regelrechte ramp. Een Amerikaanse kennis van ons van amper veertig overleed aan een onbehandelbare ziekenhuisinfectie. Vijftig jaar lang hebben antibiotica mensenlevens gered en nu riskeren we terug naar af te gaan, naar een tijdperk waarin zware chirurgie onmogelijk is en mensen aan infecties sterven. De ziekenhuizen zijn zich de laatste jaren bewust geworden van de gevaren en nemen wel maatregelen. Nu moet nog het voorschrijfgedrag van artsen aangepakt worden. Het heeft geen zin om door een prijsverhoging de verantwoordelijk bij de patiënt te leggen, want als het om zijn gezondheid gaat, is hij bereid om het even welke prijs te betalen.”

 

U bent zeventig en rector of directeur van een prestigieuze universiteit: de London School of Hygiene & Tropical Medicine. Had u niet al lang op pensioen moeten zijn?

“In Engeland wordt verplichte oppensioenstelling gezien als een schending van de mensenrechten. Het geldt er als discriminatie op basis van leeftijd. Waarom worden mensen op hun 65e uit de samenleving gestoten? Natuurlijk was vroeger iemand van 65 oud; velen haalden zelfs die leeftijd niet. Wie het wel tot zijn 65e uitzong, zwaaide af en had dan hoogstens een paar jaar om te genieten van zijn pensioen. Ons huidige pensioenstelsel is een anachronisme, want vandaag leven we veel langer. Wie nu 65 is, heeft volgens de statistieken nog twintig jaar voor de boeg. In het Verenigd Koninkrijk kan je dan zonder problemen op pensioen gaan, en toch verkiezen velen om verder te werken. Sommigen deeltijds, want je mag je pensioen combineren met een job.”

 

Er zijn natuurlijk ook veel Britten die niet rondkomen met hun pensioentje en dus verplicht tot op hoge leeftijd moeten bijklussen.

“Dat is waar. Het Belgische pensioen is beter dan het Britse. Maar velen blijven ook verder werken omdat de mens nu eenmaal een sociaal dier is. Natuurlijk heeft niet iedereen een even interessante job zoals ik en zijn sommige beroepen fysiek zeer zwaar. Ik kan dus heel goed begrijpen dat niet iedereen na 65 verder wil blijven werken. Ik pleit voor flexibiliteit, want het verplichte pensioen is een verkwisting van talent.”

 

Heeft u een moment voor ogen waarop u er toch de riem zal afleggen?

“Het zwaarste aan mijn job is het management: politiek voeren en ervoor zorgen dat er voldoende geld is. Dat is soms vermoeiend, maar ik bulk nog steeds van energie. Ik ben fitter dan toen ik zestig was, omdat ik meer aan mijn conditie werk. Ik reis ontzettend veel, want de LSHTM is actief over de hele wereld. We hebben 3000 mensen die voor ons werken. Meer dan de helft woont en werkt buiten het Verenigd Koninkrijk, in Afrika of Azië. Dat is interessant, maar ook heel ingewikkeld. Af en toe ga ik ze bezoeken, want als directeur moet ik ervoor zorgen dat de banden intact blijven. Dat heeft niet veel met wetenschap te maken, maar meer met diplomatie.

“Voorlopig ben ik niet van plan om te stoppen, maar ik kan me wel inbeelden dat ik binnen een paar jaar iets doe met minder verantwoordelijkheid: lesgeven of schrijven. Als prille zeventiger ben ik me heel bewust van mijn sterfelijkheid. Misschien word ik honderd, maar ik kan straks ook pancreaskanker krijgen en binnen een paar maanden dood zijn. Daarom is elke dag belangrijk.”

 

U woont in Londen. Blijft u daar ook na de brexit?

“Precies twee weken geleden ben ik uit pure noodzaak Brit geworden. Naast die Britse nationaliteit heb ik nog steeds de Belgische. De eerstvolgende jaren blijven we in Londen, maar daarna? Als de brexit op termijn helemaal in vreemdelingenhaat ontspoort, vertrekken we. In Londen voelen we daar tot hiertoe gelukkig niets van. 65 % van de Londenaars stemde in het referendum voor Europa. Ongeveer de helft van de inwoners van Londen is niet in het Verenigd Koninkrijk geboren. Je wordt er als immigrant heel makkelijk opgenomen. Ik voel me totaal geen migrant. Onze burgemeester Sadiq Khan is een moslim van Pakistaanse oorsprong. Zijn ouders verhuisden in 1968 van Pakistan naar Londen, waar hij twee jaar later geboren werd. Zijn vader was buschauffeur en zijn moeder poetsvrouw. Khan is ontzettend populair, zelfs bij conservatieven, ook al is hij dan van Labour. Hij was mensenrechtenadvocaat en is nu als burgemeester pragmatisch en verzoenend. Tijdens de verkiezingen in 2016 voor de burgemeester van de grootste stad van Europa, was Sadiq Khans uitdager de Joodse Londenaar Zac Goldsmith. Hun afkomst speelde geen enkele rol. Amper vijf procent van de Londenaars is moslim en toch raakte Khan met 57 % van de stemmen verkozen. Dat wil zeggen dat zijn religie voor mijn stadsgenoten totaal irrelevant is. Ik vind dat fantastisch en dat is ook één van de redenen waarom ik zo graag in Londen woon.”

 

Dan moet het voor u toch een bizarre ervaring zijn dat Groot-Brittannië zich met de brexit afkeert van de rest van de wereld?

“Wees daar maar zeker van. De voorstanders van de brexit vormen een bijzonder merkwaardige coalitie. Aan de ene kant bestaat die uit Britten die amper de touwtjes aan elkaar kunnen knopen: al die mensen die niet van de globalisering geprofiteerd hebben en er zelfs het slachtoffer van zijn. Je vindt hen vooral in het oude industriële bekken in Noord-Engeland. Daar heerst veel werkloosheid en volgens de inwoners is dat de fout van de Europese Unie. Hun ‘Leave’-proteststem kan ik nog begrijpen; zij hebben goede redenen om ontevreden te zijn. Maar aan de andere kant van die coalitie zijn er de zogenaamde ‘brexiteers’, met figuren zoals Boris Johnson. Zij zijn de ‘nostalgici’ die verlangen naar het oude ‘Empire’ van tussen de twee wereldoorlogen. Goedboerende populisten zoals Johnson nemen die grote groep van arme verliezers van de globalisering op sleeptouw.”

 

Populisten als rattenvangers van Hamelen is toch een wereldwijd fenomeen?

“Ja, maar in Engeland komt er iets heel specifieks bij: dat verlangen naar een herstel van een glorieus verleden. Bij Donald Trump hoor je dezelfde echo: ‘Make America Great Again.’ Een van de favoriete slogans van de brexiteers is: ‘Take back control.’ De verkiezing van Jeremy Corbyn tot voorzitter van Labour ademt trouwens diezelfde nostalgie naar de tijd van toen, ‘toen alles beter was’.

“De Britse parlementsleden liggen nu zwaar onder vuur omdat ze er niet in slagen om het eens te worden over hun brexit. Zij vertegenwoordigen de verdeeldheid die leeft in de hele Britse samenleving. De Britten waren altijd zeer pragmatisch en zorgden ervoor dat de zaken goed draaiden. Het is niet voor niets dat de Londense City zoveel financiële macht verzamelde. Maar nu wordt dat allemaal weggegooid voor ‘identiteit’. In Groot-Brittannië wordt door de brexit die identiteitsdiscussie nu op het scherp van de snee gevoerd, maar ook in veel andere landen zie je dat krampachtige vastklampen aan identiteit de kop opsteken. Hoe omschrijf je zo’n fenomeen? ‘Arm maar proper?’”

 

Misschien beter: ‘Arm maar zuiver’?

“Misschien wel. Op het einde van de rit zullen de grootste slachtoffers in Groot-Brittannië al degenen uit de arme gebieden zijn die voor Leave gestemd hebben. Voor ons is die brexit hoogstens vervelend. Als het leven in Londen echt ondraaglijk wordt, kunnen wij altijd vertrekken. Maar voor mijn universiteit ziet het er minder goed uit. Ongeveer 20 % van het onderzoeksgeld van de LSHTM komt van de Europese Unie. Vorig jaar was dat in totaal 60 miljoen euro. Honderden mensen werden daarmee aan het werk gezet. Als dat wegvalt, moet ik al die mensen ontslaan. Eén derde van onze professoren komt uit Europese landen. 28 % van onze studenten is Brits; alle anderen komen van over de hele wereld. De Europeanen betalen hetzelfde tarief als de Britten, want zij worden mee gesubsidieerd. Maar als het VK de EU verlaat, zullen wij veel meer geld aan onze overzeese Europese studenten moeten vragen. Wales kreeg de voorbije decennia ontzettend veel Europese subsidies en leefde op. Toch stemden de Welshmen overweldigend tegen Europa. Dat lijkt onbegrijpelijk, maar er was ontzettend veel fake news: via sociale media werden er regelrechte leugens verspreid, en mensen geloofden die.”

 

Er is niet alleen nepnieuws, maar ook nepwetenschap. Eind februari schreef de Washington Post dat het Witte Huis een groep aan het samenstellen is met geselecteerde wetenschappers die ten strijde moet trekken tegen de wetenschappelijke consensus dat fossiele brandstoffen slecht zijn voor het klimaat.

“Echt? Je vindt altijd wetenschappers die zich daartoe lenen, of er andere ideeën op nahouden. Zij beroepen zich dan soms op Copernicus: ‘Iedereen was ervan overtuigd dat de aarde plat was, maar hij zei dat ze rond was.’ Vaak kiemt wetenschappelijke kennis ook op die manier, daarom vind ik dat wetenschappers de consensus mogen aanvechten. Alleen is het voor buitenstaanders dan soms moeilijk in te schatten of de wetenschapper in kwestie tot de consensus van 99 % behoort, of tot de critici van 1 %.

“Ik kreeg vijftien jaar geleden zelf met de gevolgen van fake science te maken toen ik als hoofd van UNAIDS in de clinch raakte met Thabo Mbeki, de toenmalige president van Zuid-Afrika. Hij betwiste het bestaan van HIV. Uren en uren heb ik met hem gesproken. Ik zei hem: ‘Ik heb het met mijn eigen ogen gezien.’ Het drong niet tot hem door. Hij haalde wetenschappelijke publicaties aan die door alle bonafide wetenschappers als volstrekte onzin beschouwd werden. Dat was echt een onmogelijke discussie. Het internet geeft die nepwetenschap jammer genoeg alleen maar een boost.”

 

Hoeveel mensenlevens heeft Mbeki’s halsstarrige geloof in fake science gekost?

“Volgens een studie van Harvard University kostte dat 350.000 mensenlevens. Door Mbeki’s houding vertraagde Zuid-Afrika de introductie van antiretrovirale therapie met minstens twee jaar. Thabo Mbeki werd in september 2008 tot aftreden gedwongen en opgevolgd door vice-president Kgalema Motlanthe. Die begon meteen met het aanbieden van therapie tegen aids. De passage van Mbeki is des te tragischer als je beseft dat Zuid-Afrika rijk genoeg is om aids-slachtoffers te behandelen.

“Ik hou mijn hart vast voor de gevolgen van het nepnieuws en de nepwetenschap rond de klimaatverandering. Die zullen ook mensenlevens kosten. De slachtoffers van de milieuvervuiling vallen minder op dan de mensen die vroeger stierven aan aids. Maar ik vraag me af wat later het effect zal zijn van het fijn stof dat onze kinderen nu opsnuiven. Want die deeltjes dringen door tot in hun hersenen en hun bloedvaten. Wij waren ouder toen we daaraan blootgesteld werden. Ik groeide op in de bossen van Keerbergen. Daar hing toen gezonde lucht. Het was heel fijn om er als kind te ravotten, maar er gebeurde niets en op een bepaald moment wou ik er weg. (lacht)”

 

Dus trok u naar Gent om daar aan de universiteit te gaan studeren?

“Alle andere jonge mensen uit Keerbergen kozen eind jaren zestig voor Leuven. Mijn grootmoeder woonde daar en als ik in Leuven ging studeren, moest ik bij haar op kot. Dat zag ik niet zitten. Ik wou vér weg; Gent was toen nog ver genoeg. Ik was goed in wiskunde en fysica en droomde ervan om ingenieur te worden. Maar na kerstmis schakelde ik over naar geneeskunde. Ik wou iets voor de mens doen en was gefascineerd door biologie en het lichaam. Die ingenieursstudies stonden mijlenver af van het menselijke. Ik besefte heel snel dat ik de verkeerde keuze gemaakt had. Is het niet absurd dat jonge mensen op hun achttiende moeten beslissen wat ze met de rest van hun leven zullen aanvangen? Ik was een jongen uit de bossen van Keerbergen en wist van niets. In Gent sprak ik die eerste maanden met andere studenten en ontdekte zo de geneeskunde. Tijdens die studies raakte ik in de ban van microben, epidemieën en infecties.”

 

Dat klinkt als een afwijking.

“(lacht) Als kind was ik geabonneerd op de reeks ‘Jongens en Wetenschap’. Misschien was ik wel een beetje een nerd. Na mijn doktersstudies volgde ik nog tropische geneeskunde. Ik voelde me als een vis in het water en wou als ontwikkelingswerker in Afrika aan de slag. Net op dat moment kwam er een baan vrij voor een assistent microbiologie in het Instituut voor Tropische Geneeskunde in Antwerpen. Ik solliciteerde en werd tot mijn grote verbazing ook aanvaard. Ik had geen enkele veldervaring. Maar dat is nu eenmaal het leven: toeval speelt vaak een grote rol. Zo isoleerden we in 1976 ook bij toeval het ebolavirus. Ik vertrok daarna naar het toenmalige Zaïre, het huidige Congo, om er een epidemie te onderzoeken. Dat was mijn eerste Afrika-ervaring. Mijn hele leven en carrière is een mengeling van toeval en goed voorbereid zijn. Op mijn bejaarde leeftijd geef ik in Amerika en Engeland soms career counseling aan jonge mensen. ‘Hoe moeten we ons leven plannen?’, is hun hoofdbekommernis. ‘Don’t plan anything’, zeg ik dan. ‘Zorg er wel voor dat je eerst een paar vaardigheden goed onder de knie hebt.’ Na Afrika wou ik naar Amerika omdat zich daar de absolute top van het academische leven bevindt. In de wereldwijde top tien van universiteiten prijken acht Amerikaanse en twee Britse. In de top honderd vind je voor België enkel de universiteiten van Leuven en Gent.”

 

Begin jaren tachtig voerde u samen met Paul Stoffels pioniersonderzoek naar HIV en aids. Stoffels is vandaag Chief Scientific Officer en Executive Vice President bij farmagigant Johnson & Johnson (J&J). Vanuit het hoofdkwartier in de Amerikaanse staat New Jersey stuurt hij wereldwijd een team aan van 15.000 wetenschappers en beheert hij een budget van ruim 8 miljard euro. Dat had u kunnen zijn.

“Paul Stoffels is nog steeds een goede vriend. Ik vind dat hij als farmabaas fantastisch werk levert. Natuurlijk moet hij zijn aandeelhouders tevreden houden en succesvolle geneesmiddelen op de markt brengen. Maar Paul is nooit zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid vergeten. Hij heeft het ebola-vaccin ontwikkeld en een medicament tegen tuberculose. Dat is het eerste nieuwe geneesmiddel tegen tbc sinds ik student was. Hij zal daar nooit geld mee verdienen. Toch investeert hij daarin. Hij maakt gebruik van zijn positie om goed te doen voor de gezondheid van de hele wereld, zonder mercantiele bijbedoelingen. Misschien had ik ook op zo’n bedrijf kunnen terechtkomen; ik ben niet tegen de farma-industrie.”

 

Hebben ze ooit aan uw mouw getrokken?

“Ja, vooral in Amerika. Daar is het heel normaal dat mensen overstappen van de universiteit naar de industrie of de overheid. Soms roept dat vragen over belangenvermenging op, maar die soepelheid heeft ook voordelen. Hier in België blijft iedereen vastgeroest in zijn wereldje zitten: ofwel ben je een academicus, ofwel werk je in de industrie, ofwel bij de staat. Ik vind dat niet zo goed. Als directeur van UNAIDS en assistent secretaris-generaal van de Verenigde Naties (VN) had ik ook een overheidsfunctie. Dat was een bureaucratie.”

 

Een bureaucratie met alles erop en eraan?

“Absoluut. Ik werd eind 1994 UNAIDS-directeur omdat ik de aids-epidemie wou stoppen, niet omdat ik een lucratieve VN-carrière ambieerde. Al betaalden ze heel goed en waren er veel voordelen. Via het Instituut voor Tropische Geneeskunde kwam ik vaak in Congo en Kenia. Ik zag de aids-epidemie groeien. Ik onderzoek graag, want ik ben nieuwsgierig van aard. Nieuwsgierigheid is de moeder van de wetenschap. In 1992 ging ik voor een jaar aan de slag als directeur bij de aids-programma’s van de Wereldgezondheidsorganisatie. Dat was mijn allereerste beleidsfunctie en ik merkte al snel dat ik dat ontzettend graag deed. Daarna werd ik benoemd tot directeur van UNAIDS. De VN startten dat programma in ’94 op omdat aids in Afrika een ware ravage aan het aanrichten was. Toen ze me vroegen om mijn kandidatuur te stellen, had ik daar niet zoveel zin in. Ik, bureaucraat? No way. Tot ik de namen van de andere kandidaten zag. ‘Dat is niet mogelijk’, dacht ik. Dus stelde ik als statement mijn kandidatuur. Opnieuw kreeg ik tot mijn eigen stomme verbazing de job.”

 

Twaalf jaar lang draaide u mee aan de top van de Verenigde Naties.

“Heel die tijd was er niet één dag zonder stress. Ik moest voortdurend schipperen en lag zelf onder de microscoop. Er werden continu machtsspelletjes gespeeld. Dat is niet uniek voor de VN, maar vind je terug in veel instellingen. Ik was nogal naïef toen ik bij UNAIDS begon te werken en had niet meteen door hoe belangrijk dat politieke gedoe was. Ik keek in het begin te veel door de bril van de wetenschapper en verloor zo kostbare tijd.”

 

U had meedogenlozer moeten zijn?

“Ja, en ik had ook sneller het belang van machtsverhoudingen moeten doorzien en inschatten. Ik had ook eerder in zee moeten gaan met de farmaceutische industrie, want lang zag ik hen als de slechteriken, enkel geïnteresseerd in geld. Ik begon dan toch met hen samen te werken en ontmoette zo verschillende mensen met het hart op de juiste plaats. Velen waren écht bekommerd om het lot van zwaar zieken. Of je het leuk vindt of niet: we hebben die farma-industrie nodig.

“Op het einde van mijn mandaat bij UNAIDS snakte ik naar vrijheid. In 2008 stapte ik over naar de academische wereld en werd professor Global Health aan het Imperial College London. Tot ik in 2010 directeur van de LSHTM werd.”

 

Aids is intussen een behandelbare chronische ziekte geworden.

“Vorig jaar stierven er wereldwijd toch nog 850.000 mensen aan aids. Ofwel omdat ze nooit een diagnose kregen, ofwel omdat ze de middelen niet hadden om zich te laten behandelen. Ook in het westen raken nog veel mensen geïnfecteerd. In de VS zijn er een paar staten met veel nieuwe infecties. De toestand is zo ernstig dat begin dit jaar Donald Trump in zijn State of the Union aankondigde dat hij een budget wil vrijmaken om de hiv-epidemie in de VS binnen 10 jaar te stoppen. Ook in landen als Oekraïne en Rusland is aids aan een opmars bezig. Wereldwijd zijn er jaarlijks twee miljoen nieuwe geïnfecteerden. Maar het klopt: bij ons sterven mensen normaal gezien niet meer aan aids. Dat hebben we te danken aan onze uitstekende sociale zekerheid. Het Riziv betaalt al die medicijnen. In andere landen kunnen besmette mensen in armoede zich soms geen behandeling permitteren.”

 

Het is ook dankzij u dat aids onder controle is.

“Ik heb daar veel tijd in geïnvesteerd en hard aan gewerkt, maar ik was lang niet de enige.”

 

Bio

 

Peter Piot

  • Geboren op 17 februari 1949 in Keerbergen
  • Studeerde in 1974 aan de Universiteit Gent af als arts
  • Isoleerde in 1976 het ebolavirus
  • Doctoreerde in 1980 als microbioloog en ging aan de slag in het Antwerpse Instituut voor Tropische Geneeskunde
  • Voerde vanaf 1991 tot 2008 strijd tegen aids, van ’94 tot 2008 als hoofd van UNAIDS en als assistent secretaris-generaal van de VN
  • Werd in 1995 als baron in de adelstand opgenomen
  • Is directeur van de London School of Hygiene & Tropical Medicine

 

(c) Jan Stevens

“Elke Palestijn moet continu het gevoel hebben dat er een Israëlische soldaat op zijn schouder zit”

Tien jaar geleden joeg de jonge Israëlische soldaat Avner Gvaryahu de Palestijnse inwoners van de bezette Westelijke Jordaanoever schrik aan. Vandaag brengt hij als directeur van Breaking the Silence aan de hand van getuigenissen van militairen de dagelijkse terreur van de bezetting in kaart. “Ik vrees dat na de verkiezingen van 9 april voor onze ngo de doodsklokken zullen luiden.”

_DSC0072 (2)

Op de vijfde verdieping van een grijs kantoorgebouw in de zakenwijk Ramat Gan in Tel Aviv, huist de ngo Breaking the Silence. Een naamkaartje of deurbel ontbreken, er hangt enkel een camera boven de versterkte stalen deur. Wie geen afspraak heeft, raakt er niet in. Hier worden getuigenissen verzameld, gecheckt en gepubliceerd van Israëlische militairen die niet in het reine komen met hoe ze de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden behandelden. Een van die berouwvolle soldaten is Yavner Gvaryahu. Tien jaar geleden liep hij tijdens zijn legerdienst patrouille in de Palestijnse stad Nablus op de bezette Westelijke Jordaanoever. ’s Nachts viel hij er huizen binnen om kinderen van hun bed te lichten en te arresteren. Vandaag is hij directeur van Breaking the Silence; in de ogen van veel Israëliërs staat dat gelijk met landverraad.

Gvaryahu maakt zich geen enkele illusie over de uitslag van de verkiezingen van 9 april. “Rechts en extreem-rechts zullen zegevieren”, zegt hij. “Links kan amper nog een deuk in een pakje boter slaan. Wie premier wordt, Benjamin Netanyahu of zijn grootste uitdager Benny Gantz, maakt voor Breaking the Silence geen verschil. Ze willen ons allebei monddood maken. Ik hou mijn hart vast voor wat er voor ons zal volgen na 9 april.”

Breaking the Silence startte in juni 2004 met zestig veteranen die schriftelijke getuigenissen en foto’s tentoonstelden over hun diensttijd in Hebron.

Yavner Gvaryahu: “Zij maakten de Tweede Intifada mee. Die woedde tussen 2000 en 2005 op de Westelijke Jordaanoever en was voor het Israëlische leger een bloedige ervaring, met tientallen gesneuvelden. Er vielen aan beide zijden ook veel burgerslachtoffers, waaronder een Israëlische baby die doodgeschoten werd door een Palestijnse sluipschutter en een 14-jarig Palestijns meisje dat doodgestoken werd door een Israëlische kolonist. Zestig militairen die in die waanzin ondergedompeld gezeten hadden, voelden zich moreel verplicht om de stilte te doorbreken. Dus organiseerden ze die tentoonstelling met niets verhullende beelden en getuigenissen van hoe de bezetting van Hebron écht verliep.”

 

Dat sloeg in Israël in als een bom?

“Israëliërs konden wel vermoeden dat het er niet al te koosjer aan toeging, maar ze dachten daar liever niet te veel over na. De muur tussen Israël en de Palestijnse gebieden was nog in opbouw. Op dat moment werden er in de straten van Tel Aviv bussen opgeblazen en mensen neergestoken. Er hing angst in de lucht én een verlangen naar afscheiding. Duizenden Israëliërs bezochten die allereerste tentoonstelling van Breaking the Silence in een galerij hier in de stad. Een paar weken lang waren de foto’s en getuigenissen van veteranen gespreksonderwerp nummer één. De expo was als een rollende sneeuwbal, want nóg meer soldaten klopten bij ons aan. Allemaal worstelden ze met hoe ze de Palestijnen in de bezette gebieden moesten behandelen. De meeste getuigenissen zijn anoniem, maar van de allereerste groep van zestig, getuigden velen met met naam en toenaam.”

 

Zij werden nog niet gezien als landverraders?

“Nee. De rechtse haviken en kolonisten hielden niet van hen, maar dat lag in de lijn der verwachtingen. De toenmalige regering onder leiding van wijlen Ariel Sharon nam Breaking the Silence ernstig en luisterde. De soldaten werden door de legerleiding op het matje geroepen, maar ze werden niet onder druk gezet. De legertop voelde dat de publieke opinie ons gunstig gezind was. Ze zag af van een proces tegen de veteranen en hield de doos van Pandora liever gesloten.”

 

Vandaag vinden de meeste Israëliërs jullie wel verraders.

“Die verandering kwam geleidelijk. Eerst vonden mijn landgenoten die eendagsvlieg sympathiek, tot duidelijk werd dat Breaking the Silence vastbesloten was om met hallucinante verhalen over de bezetting naar buiten te blijven komen. De getuigenissen van militairen stopten niet en wij bleven ze publiceren. In 2009 kantelde alles. We brachten toen een boekje vol getuigenissen uit over Cast Lead, de drie weken durende gewelddadige Israëlische militaire operatie in Gaza van december 2008 tot januari 2009. Zolang het over Hebron en die gekke kolonisten ging, werden we nog getolereerd. Maar met de getuigenissen van militairen over hun getroubleerde acties in Gaza, raakten we een openliggende zenuw. Soldaten vertelden over Palestijnse families die uitgemoord werden en over kinderen die levend verbrandden. Eind maart 2009 werd Benjamin Netanyahu premier en vanaf dan veranderde de houding van politici tegenover ons radicaal. De afgelopen tien jaar bouwde Netanyahu coalities met racisten en volgelingen van de rechts-extremistische rabbijn Meir Kahane. Met zijn Kach-partij wou Kahane alle Arabieren uit Israël verdrijven. In 1990 kwam hij in een aanslag om het leven, maar zijn ideologie is springlevend. Israëlische politici verkondigen nu zonder verpinken: ‘Joods terrorisme bestaat niet. Israëlische terreur is fictie.’ Met alle mogelijke middelen probeert de regering van Netanyahu critici van de bezetting het zwijgen op te leggen.”

 

Hoe gaat ze daarbij te werk?

“Progressieve politici worden onder druk gezet, journalisten afgedreigd en ngo’s wordt het werken onmogelijk gemaakt. In januari filmden vijf Israëlische soldaten zichzelf terwijl ze een vader en zijn zoon aan het afranselen waren. De beelden zijn afschuwelijk. Ze braken de ribben van de vader voor de ogen van zijn zoon. De Palestijnen waren zo hard toegetakeld, dat de dokters in het ziekenhuis aan de alarmbel trokken. De soldaten verschenen onlangs voor een militaire rechtbank en werden tot een paar maanden gevangenisstraf veroordeeld. Als dat filmpje niet was uitgelekt, had er geen haan naar gekraaid. Enige ‘verzachtende omstandigheid’ was dat een maand eerder een vriend van de soldaten vermoord was door een kennis van de vader. Ik kan begrijpen dat ze daardoor van slag zijn, maar dat is geen reden om mensen te mishandelen. Toen dat filmpje een paar weken geleden op televisie getoond werd, waarschuwde de nieuwslezeres: ‘Opgelet, de Israëlische soldaten gedragen zich als beesten.’ Zij werd meteen op sociale media de huid volgescholden door rechtse politici. Nu kan ze de straat niet meer op zonder lijfwacht. Het McCarthyisme viert hoogtij in dit land. Er worden door Netanyahu en consorten verwoede pogingen ondernomen om de media, justitie en de universiteiten in het gareel te dwingen. Ze willen de poortwachters van de democratie en van de mensenrechten het zwijgen opleggen.”

 

Dat zijn zware woorden.

“Ja, maar de bewijzen liggen voor het rapen. Vanaf 2015 lieten ze alle remmen los en startten ze met georchestreerde campagnes.”

_DSC0064

Avner Gvaryahu klapt zijn laptop open en toont een Youtube-filmpje waarin hij en andere Israëlische mensenrechtenactivisten gelabeld worden als verraders in dienst van ‘Palestijnse terroristen’ en ‘buitenlandse mogendheden’. Gvaryahu: “De video is in 2015 gemaakt door de radicaalrechtse organisatie Im Tirtzu, wat wil zeggen: ‘Als je het wil, (is het geen droom)’, een quote van Theodor Herzl, de 19e-eeuwse grondlegger van het zionisme. Im Tirtzu heeft innige banden met Netanyahu. Dat filmpje markeerde de start van een beschadigingscampagne die tot vandaag voortduurt. Er werden ‘ngo-wetten’ gestemd die onze buitenlandse financiering willen droogleggen én ons de toegang ontzeggen tot scholen en overheidsinstellingen.”

 

Dat lijkt sterk op de anti-ngo-wetten van de Russische president Vladimir Poetin of de Hongaarse premier Viktor Orban.

“Netanyahu is een goede vriend van Orban en samen doen ze hun best om ngo’s zoals Breaking the Silence te muilkorven. Een kwart van onze inkomsten komt van Israëlische onafhankelijke filantropische stichtingen en 15 procent wordt gestort door privépersonen. Iets minder dan de helft van ons budget komt van Europese regeringen en van de Europese Unie. Een vers gestemde wet bestempelt ngo’s die meer dan de helft van hun financiën uit het buitenland krijgen als ‘vreemde agenten’. Wij zitten net onder de helft, waardoor we de dans nipt ontspringen, ook al was die wet in de eerste plaats bedoeld om ons buitenspel te zetten.”

 

Israël gaat er prat op de enige democratie in het Midden-Oosten te zijn. Dat is niet langer zo?

“Kijk, Israël heeft een democratisch karakter, maar van zodra een regering probeert te verhinderen dat een politieke opponent zijn mening in de publieke ruimte verkondigt, ondermijnt ze die democratie. De linkerzijde was de voorbije tien jaar oorverdovend stil. De sociaal-democratische partij Labour is verschrompeld tot een oppositiepartij die te laf is om tegen de bezettingspolitiek van de rechtse bewindvoerders in te gaan. De huidige leider Avi Gabbay is een terecht voorvechter van homorechten, maar de bezetting van de Palestijnse gebieden durft hij niet in twijfel trekken. Dan haakt ook hij af. De Labour-boegbeelden ijverden vroeger voor een oplossing voor de Palestijnse kwestie, nu niet meer. Uit electorale overwegingen laten ze die hete aardappel over aan centrum-rechts en extreem-rechts. Met alle gevolgen van dien. De polls voorspellen dat links van 24 zetels naar 10 zetels in de Knesset, ons parlement, zal zakken. Grote slokop van die zetels wordt naar verwachting de rechtse partij Israel Resilience Party van generaal Benny Gantz, chef defensie van het Israëlische leger van 2011 tot 2015. Zijn agenda is even nationalistisch en agressief als die van Netanyahu.”

 

Begin 2016 werd uw vrijwilliger ‘Chai’ ontmaskerd als een mol van de rechtse actiegroep Ad Kan, gespecialiseerd in het infiltreren van linkse organisaties.

“’Chai’, alias Chaim Fremd, was niet de eerste infiltrant. De voorbije jaren kregen we zo vier mollen over de vloer. De allereerste probeerde ons een verzonnen getuigenis op de mouw te spelden. Ene Asaf Hazan zocht in 2015 contact en vertelde dat hij in Gaza gediend had. Zijn verhaal bulkte van de gruwel. Toen ik het nalas, begon ik te twijfelen: de horror lag er te dik op. Hij hoopte dat we zijn getuigenis zouden publiceren, waarna hij ons had kunnen ontmaskeren als verspreiders van fake news. Maar wij zijn geen idioten: elk verhaal wordt nauwgezet gecontroleerd en gedubbelcheckt. Hazan viel door de mand en zijn getuigenis verdween in de papiermand. Niet veel later zagen we de man in kwestie in de Knesset aantreden als Oren Hazan, volksvertegenwoordiger voor Likoed, de partij van Netanyahu.”

 

Hij infiltreerde uw ngo in opdracht van Netanyahu?

“Net als Chaim Fremd was hij door Ad Kan naar ons gestuurd. Een paar jaar later voederde hun infiltrant Roy Peled ons top secret-informatie. Daar kwamen we achter toen we zijn getuigenis voorlegden aan de censor van het Israëlische leger. Voor u klinkt het waarschijnlijk bizar, maar alle getuigenissen van militairen moeten wij eerst voorleggen aan de censor. Die filtert er dan de strategisch belangrijke informatie uit. Meestal worden er geen wezenlijke zaken geschrapt. Bij Peled wel en toen gingen bij ons de alarmbellen af. We hebben zijn getuigenis nooit gepubliceerd, maar een tv-zender besteedde er aandacht aan, waarna Netanyahu ons verraders noemde. Maandenlang werden we publiekelijk aan de schandpaal genageld. Er volgde een gerechtelijk onderzoek dat onlangs zonder gevolg afgesloten is. Bij elke nieuwe getuige die zich aanmeldt, zijn we nu extreem voorzichtig.”

_DSC0056

U diende zelf ook in bezet gebied.

“Net als de meeste andere jonge Israëliërs werd ik op mijn 18e opgeroepen voor de verplichte legerdienst van drie jaar. Al zijn er vandaag steeds meer die eraan ontsnappen. Zo moeten de meeste ultra-orthodoxe Joden het leger niet in, net als de Arabische Israëli’s.”

 

Omdat de overheid die laatste groep niet vertrouwt?

“Dat zou je zo kunnen interpreteren, maar er is ook een historische verklaring: sinds de oprichting van Israël worden zowel ultra-orthodoxen als Israëlische staatsburgers met Arabische roots niet opgeroepen. Op dit moment woedt er een groot debat om daar komaf mee te maken. Ikzelf groeide op in de religieus-nationalistische gemeenschap. De ultra-orthodoxen zijn de mannen met de zwarte hoeden en pakken; de religieus-nationalisten dragen altijd een keppel. De meeste kolonisten in de bezette gebieden zijn religieus-nationalisten.

“Als 18-jarige stelde ik me niet veel vragen over mijn legerdienst; zowat al mijn leeftijdsgenoten, zowel jongens als meisjes, gingen onder de wapens. Ik ben genoemd naar Avner Schatz, een paracommando die in 1973 in de Jom Kipoeroorlog sneuvelde. Mijn vader was een para, net als mijn oudere broer. Ik nam zonder morren ook dienst als para. Ik beschouwde legerdienst als mijn verdomde plicht. De zelfmoordcijfers onder 18, 19 en 20-jarigen in de Israel Defence Forces (IDF) of ‘Tzahal’ liggen schrikwekkend hoog. Die legerjaren zijn niet van de poes, zeker niet voor zoekende adolescenten. Wat niet wil zeggen dat elke milicien in de hel of op het strijdtoneel terechtkomt. Je kan je legerdienst ook vervullen als ‘jobnik’. U hebt ze hier misschien in Tel Aviv rond lunchtijd wel op een terrasje zien zitten: de jongens en meisjes in legeruniform. Hun dienstplicht is een kantoorjob in de Kyria, de militaire basis in het centrum van de stad. Ongeveer 15 % van de miliciens is in bezet gebied aan de slag.”

 

U bent geen pacifist?

“Nee. Ik geloof dat de staat Israël bestaansrecht heeft en vind het leger zinvol. Ik vind het oké dat het in actie schiet op momenten dat het land verdedigd moet worden. We moéten onze grenzen beschermen. Maar wat ik niet kan aanvaarden is dat mijn vrijheid ten koste gaat van de vrijheid van de Palestijnen.

“Ik diende in een speciale eenheid die in de stad Nablus op de Westelijke Jordaanoever actief was. Middenin de nacht stapte ik Palestijnse huizen binnen om mensen wakker te maken en kinderen te arresteren. Een deel van onze opdracht was om de bevolking in de bezette gebieden te laten voelen dat wij er waren. In plaats van over 52 jaar militaire bezetting, hebben we het beter over 52 jaar militaire dictatuur. De bezetting ontneemt de Palestijnen hun recht op zelfbeschikking en de soldaten helpen daaraan mee.”

 

U was medeplichtig aan het instandhouden van een schrikbewind?

“Precies. Ik had er geen probleem mee dat we mensen met gewelddadige plannen arresteerden, terreurverdachten opspoorden of op zoek gingen naar wapenarsenalen. Dat was een legitiem deel van onze opdracht. Maar van zodra we in bezet gebied begonnen te patrouilleren, bestonden er voor ons geen onschuldige Palestijnen meer. We verdeelden ze in twee groepen: terroristen en potentiële terroristen. We patrouilleerden er met een constant gevoel van schrik; tezelfdertijd boezemden we de Palestijnen doelbewust angst in. Onze opdracht was: de lokale bevolking onafgebroken laten voelen dat wij de plak zwaaiden. Een soldaat die na de Tweede Intifada in Hebron diende, getuigde tegenover ons dat het officiële bevel luidde: ‘Verstoor het dagelijkse leven van de doorsnee Palestijn.’ De beveiliging van onze steeds uitbreidende illegale nederzettingen in Palestijns gebied wordt ‘gegarandeerd’ door het angst aanjagen van de locals. Elke Palestijn moet continu het gevoel hebben dat er een Israëlische soldaat op zijn schouder zit. Het leger creëert dat gevoel door bijna om het uur door de straten te patrouilleren en militairen dag in dag uit te laten rondrijden in een jeep. Intussen schieten ze lekken in watertanks en knallen ze straatlampen kapot.”

 

U raakte zo gedegouteerd van wat u als para in bezet gebied moest doen, dat u uw verhaal anoniem aan Breaking the Silence vertelde?

“Mijn motivatie om naar Breaking the Silence te stappen, was exact dezelfde als waarom ik soldaat werd. Ik was toen bereid om mijn leven voor mijn land te geven. Intussen ben ik ouder en wijzer, maar ik voel me nog steeds even verantwoordelijk voor de plek waar ik leef. Ik hou van Israël. Net daarom vind ik dat we een einde moeten maken aan de bezetting.”

 

Dat wil ook zeggen dat de Palestijnen recht hebben op een onafhankelijke staat?

“Uiteindelijk zal dat een deel van de oplossing moeten worden. Ik was tien toen premier Yitzhak Rabin op 4 november 1995 door de orthodoxe extremist Yigil Amir vermoord werd. Een paar jaar eerder had hij samen met PLO-leider Yasser Arafat de Oslo-akkoorden gesloten. Met de moord op Rabin leek meteen ook de opflakkerende vrede aan flarden te worden geschoten. Toen de Tweede Intifada uitbrak, was ik vijftien. Mijn generatie groeide met niet veel hoop op. Mensen die vijf jaar ouder zijn, herinneren zich nog levendig de opwinding die er heerste toen de Amerikaanse president Bill Clinton de ceremonie leidde rond de ondertekening van de Oslo-akkoorden. Maar sinds de moord op Rabin zit het kamp dat de bezetting wil opheffen in het verdomhoekje.

“Er wordt gezegd: ‘We moeten eerst een vredesakkoord vinden voor we het geweer van schouder veranderen.’ Ik ben een groot voorstander van vredesakkoorden, maar intussen negeren we die woekerende kanker van de militaire bezetting. Al 52 jaar lang is ze de olifant in de kamer. Als we vrede met onze buren willen, moeten we snel afscheid nemen van de militaire dictatuur in bezet gebied. Alleen zijn onze huidige politici niet geïnteresseerd in vrede. Sommigen pleiten voor een staat met enkel Joodse inwoners, anderen vinden dan weer dat alles mag blijven zoals het is.”

 

En dat is een staat die de Zuid-Afrikaanse apartheid in praktijk brengt?

“Daar zijn we toch naar op weg. Op 19 juli 2018 werd in de Knesset de Nation State Bill gestemd, die de Joden uitroept tot de superieure inwoners van Israël. Dat gaat lijnrecht in tegen de gelijkheid die onze stichters predikten. Onze allereerste premier David Ben-Gurion sprak over ‘fundamentelijke gelijkheid’. Het wijdverspreide Arabisch krijgt in de nieuwe wet een ‘speciale status’ en wordt ondergeschikt aan het Hebreeuws. De wet ademt de geest van apartheid.”

 

In een stad als Jeruzalem is er toch al feitelijke apartheid, met strikt van elkaar gescheiden wijken voor Palestijnen en Joden?

“Eigenlijk wel. Hebron is de grootste Palestijnse stad op de Westelijke Jordaanoever. 20 % van het grondgebied van de stad is ingepalmd door Israëlische nederzettingen. Palestijnen mogen er niet op de wegen voor Israëli’s wandelen. Soldaten noemen dat ‘gestereliseerde wegen’, gezuiverd van Palestijnen. Op sommige plaatsen bouwden de Palestijnen kooien om zich te beschermen tegen de stenenregen van de kolonisten. Hebron en Jeruzalem staan model voor al die Palestijnse gebieden die door Israël gecontroleerd worden. Al onze rechtse politici beschouwen die toestand als normaal en legitiem.

“Er wordt gezegd: ‘De bezetting houdt Israël veilig.’ Onzin, de bezetting heeft net het tegengestelde effect. Ze voedt de haat. Ze heeft generaties Palestijnen en Israëliërs voortgebracht die elkaar enkel kennen door het vizier van een geweer. Daar moet zo snel mogelijk een einde aan komen.”

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

Yogasnuivers

“Ik ben een yogasnuiver”, bekent Elias. “Ik snuif, maar heb een hekel aan yoga”, zegt Stan. Tijdens de week leiden ze een druk en duurzaam leven, in het weekend leggen ze lijntjes coke. “Bart De Wever heeft gelijk: zo helpen we criminaliteit in standhouden. Net als al die ondernemers en N-VA-politici die ook in het weekend aan de coke zitten.”

 

In de nasleep van de ontploffende granaten in de Antwerpse war on drugs, wees Bart De Wever (N-VA) dinsdag op Radio 1 op de hypocrisie van ‘yogasnuivers’. “Ik erger me rot aan mensen die over levenskwaliteit en gezonde lucht praten, maar nooit inzitten met drugsgebruik en dat zelfs willen legaliseren”, zei hij in ‘De Wereld Vandaag’. Yogasnuivers identificeerde hij als: “Yuppies die ecologisch bewust in het leven staan. Mensen die in het uitgaansmilieu graag een lijntje snuiven en er geen moeite mee hebben dat ze zo een criminele keten in gang houden.”

Volgens yogasnuiver Elias heeft de burgemeester van Antwerpen een punt. “Ook ik draag met mijn drugsgebruik mijn steentje bij aan het in standhouden van de criminaliteit. Ik voel me daar niet echt fantastisch bij.” De 27-jarige Elias is manager bij een hip bedrijf. “Ik heb de job van mijn leven en wil die niet kwijt.” Daarom wil hij niet met zijn echte naam in de krant. Net als de 26-jarige Stan, operator in een fabriek. “Telkens wanneer ik coke koop, sponsor ik de criminele onderwereld”, zegt hij. “Gebruikers zoals wij denken niet aan het leed dat de drugsmaffia aanricht. We houden ons liever van den domme.”

In de week werken zowel Stan als Elias hard. Stan draait ploegen in een volcontinu-systeem en sport in zijn vrije tijd de ziel uit zijn lijf. “Een paar keer per maand leg ik in mijn vrije weekends een lijntje. Op mijn 18e nam ik mijn eerste snuif. Vooral in Antwerpen is cocaïne een populaire uitgangsdrug. Ik ga soms ook in de provinciestad Sint-Niklaas uit, en ook daar wordt flink gesnoven. Niet alleen De Wevers yogasnuivers poederen in de toiletten van clubs en discotheken hun neus, maar ook ondernemers, advocaten én N-VA-politici. Mijn beste vrienden weten dat ik snuif, ook degenen die zelf niet gebruiken. Mijn familie weet dan weer van niets. Mijn vriendin denkt dat ik maar heel af en toe aan de coke zit. Ze vraagt er nooit naar; uit zelfbescherming denk ik.”

Elias voert duurzaam en verantwoord consumeren hoog in het vaandel, gebruikt consequent het openbaar vervoer en eet zo weinig mogelijk vlees. Elk weekend snuift hij coke en experimenteert hij met andere drugs. “Sommige weekends meer, andere dan weer minder. Drugs geven hetzelfde effect als sport: net als hardlopen of klimmen maken ze mijn geest leeg. Ze zorgen er ook voor dat ik de realiteit op een andere manier bekijk. Steve Jobs kreeg zijn meest fantastische invallen tijdens het trippen op LSD.”

 

Wilde Westen

“Cokeverslaving is aan het uitgroeien tot een enorm probleem, niet alleen in Antwerpen, maar overal in het land, onder alle bevolkingsgroepen”, zegt Helene Key van de Antwerpse afkickkliniek Solutions. “Vroeger trakteerden barkeepers goede klanten met een gratis drankje; nu schuiven ze je een zakje coke toe. Yogasnuivers behoren tot de groep van ‘recreatieve drugsgebruikers’. Ze leggen een lijntje tijdens het uitgaan en leven in de illusie dat ze de controle niet zullen kwijtraken. Ik kén ook mensen die al twintig jaar sporadisch coke gebruiken, maar ik ken er ook die meteen na hun eerste lijn hopeloos verslaafd raakten. Coke is een zeer extreme drug.”

Helene Key’s clientèle ligt niet in de goot. “Solutions is een privékliniek en steeds meer goedboerende mensen die met cocaïne worstelen, melden zich bij ons aan. Coke is niet enkel een uitgangsdrug, maar wordt ook gebruikt door zakenlui, ceo’s en topdokters om scherp te blijven. Een chirurg vertelde me dat hij tijdens een langdurige operatie beter functioneert als hij vooraf een lijn snuift. Al die hoogopgeleiden hebben lange werkdagen en leggen een lijntje om ‘s avonds nóg langer te kunnen doorgaan. In het begin werkt dat, maar na verloop van tijd raak je er zo van opgedraaid dat je niet meer kunt slapen. Mensen zoeken dan hun soelaas in een paar glazen voor het slapengaan, of een joint. Zo komen ze pas echt in een uitzichtloze situatie terecht.”

Is yogasnuiver Elias bang voor verslaving? “Toch wel”, knikt hij. “In het begin echoden de waarschuwingen van mensen uit mijn omgeving in mijn hoofd: ‘Pas op, het is fout wat je doet. Het is verboden!’ Maar mijn eerste lijntjes en pillen bezorgden me vooral leuke ervaringen, waardoor de waarschuwingen weg ebden. Na verloop van tijd begon ik tijdens de weekends meer te gebruiken, tot ik van vrienden te horen kreeg: ‘Kalm aan, Elias.’ Daarna nam ik een tijdje gas terug. Nu schommelt mijn gebruik: weekends na elkaar ligt het laag, tot het weer begint te pieken, om later terug te minderen. Maar altijd is er dat besef dat ik met vuur aan het spelen ben. Er loopt een lijn van verslaving in mijn eigen familie.”

Dat is voor Elias geen waarschuwing om ermee te kappen? “Nee. Alcohol is een legale drug waar ook niet iedereen even goed mee overweg kan. Dat geldt voor alle drugs. Elk individu heeft zijn verantwoordelijkheid. Er zijn ook parachutespringers die een sprong niet overleven.”

Stan: “Ik ben niet bang dat ik verslaafd zal worden, al is dat misschien net het gevaar van cocaïne. Ik heb vrienden die snuiven zoals anderen pinten drinken. Ik heb ook vrienden die er intussen mee gestopt zijn omdat ze vonden dat het uit de hand begon te lopen, of omdat hun partner dat niet leuk vond. Doordat ik in ploegen werk, vallen mijn weekends soms middenin de week. Als ik dan op een dinsdagavond in Antwerpen op café ga, wordt daar cocaïne gesnoven alsof het zaterdagavond is.”

Elias: “Het aantal recreatieve drugsgebruikers zit al jaren in de lift. Niet alleen van cocaïne, ook van ketamine. De gebruikers worden steeds jonger en ze raken er ook makkelijker aan. In het begin dacht ik: ‘Het zal aan mij liggen, ik word een dagje ouder, daarom let ik er meer op.’ Maar dat is niet zo, want bijna iedereen lijkt het te doen. Het is net het Wilde Westen. Sommigen beginnen al op hun 16e en het explodeert vanaf 18. Dan komen al die jonge mensen studeren in de grote stad. In populaire uitgangsbuurten voor studenten, zoals de Gentse Overpoort bijvoorbeeld, zijn drugs alomtegenwoordig.”

 

Legaliseren

Bart De Wever is geen voorstander van legalisering van drugs. “Dan zet je de deur open voor de maffia en word je een narcostaat”, zei hij op Radio 1. Elias is het daar niet mee eens. “Repressie tegen drugs is net hetzelfde als een muur bouwen om vluchtelingen tegen te houden; dat werkt ook niet. Verbieden is zinloos. Sluit één club en gebruikers vinden elders hun gading. Je kunt dat gewoon niet meer tegenhouden. Mijn voorstel: laat de verkoop van gecontroleerde drugs toe, hef er taksen op zoals op alcohol en investeer dat geld in opbouwprojecten in buurten als Antwerpen-Noord of Borgerhout. Ik zie regelmatig andere drugsconsumenten de teugels verliezen. Maar dat is net een gevolg van het feit dat de drugsscene in de illegaliteit zit. De problemen zullen verminderen van zodra drugs gelegaliseerd zijn. Drugsgebruik is van alle tijden. Als het verboden is, gebeurt het in het verborgene en is er geen enkele controle. Wanneer dan iemand in een nachtclub aan een overdosis XTC sterft, zoals in de Gentse Kompass Klub, moet de zaak dicht. Dat is toch de wereld op zijn kop? In plaats van de drugswereld aan criminelen over te laten, zou de overheid veel beter toezien op de productie van veilige middelen én de juiste informatie over gebruik verstrekken.”

Stan: “Misschien zou het beter zijn om drugs te legaliseren, alleen: waar trek je de lijn? Mag heroïne dan ook? Ik vind dat een moeilijke discussie.”

 

‘The sky is the limit’

Waarom vluchten hardwerkende jongelui zoals Elias en Stan in het weekend weg in de drugs? Elias: “Dat vraag ik me zelf vaak af. Misschien was het leven vroeger eenvoudiger. Na de school kwam je op een fabriek of een kantoor terecht waar je werk bestond uit het uitvoeren van een afgelijnde routineuze taak. Dat vooraf uitgestippelde parcours is verdwenen en vandaag moeten jonge mensen kiezen uit talloos veel mogelijkheden. De angst om verkeerde keuzes te maken, verhoogt de druk. Mijn baan vergt net als veel andere jobs tegenwoordig heel wat creativiteit. Het tempo ligt hoog, de verwachtingen zijn hooggespannen en ook dat verhoogt de stress. Het gaat niet langer over broodjes smeren of muren metsen, maar over: the sky is the limit. Bij eerdere generaties was de grootste bekommernis: komen we deze maand rond met ons zuurverdiende geld? Mijn generatie stelt zich vragen over het klimaat, duurzaamheid, vrijheid, verantwoordelijkheid en identiteit. Drugs helpen ons daar even aan te ontsnappen en te relativeren.”

Stan: “Ik word gewoon socialer en gelukkiger van coke. Op de juiste feestjes neem ik ook wel eens XTC en als tiener heb ik nog geblowd, maar coke is en blijft mijn favoriet.”

Hoeveel geld besteden ze aan weekenddrugs? Elias: “Dat hangt ervan af of ik in een piek of een dal zit. Vroeger was cannabis de populairste recreatieve drug onder jongeren. Stevige blowers met een commerciële inslag bekostigden hun eigen gebruik door wiet door te verkopen aan vrienden en kennissen. Hetzelfde fenomeen zie je nu met cocaïne, ketamine en XTC. Recreatieve gebruikers kopen zelf meer van het spul in en verkopen dat dan door aan hun vrienden. Er wordt dus ontzettend veel gedeald door weekendgebruikers. Dat zijn dan geen mocro-maffiadealertjes in een patserauto, maar keurig opgevoede mensen met een fijne, uitdagende job die in het weekend met hun vrienden de stress wegfeesten.”

Stan: “Ik koop gemiddeld 1 à 2 gram per maand; een gram kost gemiddeld 50 euro. Elke week krijg ik tientallen sms’en van dealers. ‘Hoi. Nieuw topspul voor lepel en neus!’ Ik stuur dan mijn bestelling, waarna die netjes door een koerier wordt geleverd. Af en toe voeren ze promotie: ‘Mooie promo van drie plus één! Topservice tot aan de deur.’ Maar hoe groter de promotie, hoe meer rommel erin versneden is. Mijn neusgaten staan vaak in brand.”

 

Debat

“Het is de hoogste tijd voor een parlementair debat over hoe we omgaan met druggebruik”, vindt de Antwerpse advocaat John Maes, die heel wat cliënten heeft met drugsproblemen. “Er komen tonnen coke binnen via de haven; die zijn niet enkel bedoeld voor de zogenaamde ‘yogasnuivers’. Mijn zoon van twintig zei enkele weken geleden: ‘Ik ben die coke kotsbeu. Overal word ik ermee geconfronteerd.’ Er wordt openlijk in toiletten gebruikt en dat zorgt voor een zeer onaangename sfeer. Het moet toch de spuigaten uitlopen als zelfs een jonge gast van twintig daarover klaagt? De tijd dat de meeste druggebruikers in de marginaliteit zaten, is al lang voorbij. Integendeel, coke snuiven lijkt zelfs trendy.”

De war on drugs moet ook de gebruikers in het vizier nemen? John Maes: “Nu focussen we ons enkel op het bestrijden van de verkoop en wordt het gebruik gewoon doodgezwegen. Ik juich de war on drugs en het Stroomplan toe, maar we moeten eindelijk ook eens debatteren over hoe we dat gebruik best aanpakken: sensibiliseren, legaliseren, criminaliseren of iets daartussen? Laat ons daarom eerst luisteren naar experts én naar gebruikers, met hun goede en slechte ervaringen. En dan heb ik het niet alleen over yogasnuivers, maar over de cokesnuivers uit alle geledingen van de samenleving.”

(c) Jan Stevens