archiveren

de morgen

In zijn boek Ons hart noemt Pedro Brugada, topcardioloog en hevig voorstander van verplichte hartscreening, zijn collega Hans Van Brabandt van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg een ‘gokker’. In 2015 adviseerde Van Brabandt de overheid in een rapport dat screening bij jonge sporters zinloos en soms zelfs gevaarlijk is. “Ons rapport is ernstig en allesbehalve een gok”, zegt Van Brabandt. “Het is pseudowetenschap”, houdt Brugada vol.

 

In Ons hart beschrijft de wereldvermaarde cardioloog Pedro Brugada de werking van ons meest vitale orgaan en hoe we het best onderhouden. Hij houdt een warm pleidooi om ons hart regelmatig te laten controleren. “Van zodra onze auto vier jaar oud is, moet hij naar de keuring. Net als een kudde schapen rijden we daar dan elk jaar braaf naartoe. Maar onze eigen motor laten we niet checken.” Professor Brugada is sinds jaar en dag ook voorvechter van een verplichte hartscreening bij amateursportertjes, en bij uitbreiding bij alle kinderen vanaf hun geboorte tot hun 24e. “De ene dag is zo’n kind aan het voetballen of fietsen, de volgende dag valt het dood neer”, zegt hij. “Als we kinderen vooraf screenen, vinden we misschien iets aan hun hart, kunnen we ze genezen en plotse dood voorkomen.”

Met zijn pleidooi voor verplichte hartscreening gaat Brugada lijnrecht in tegen een rapport van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) uit maart 2015. Daarin kwam de aan het Kenniscentrum verbonden cardioloog Hans Van Brabandt samen met een aantal collega’s tot de conclusie dat een verplichte hartscreening bij jonge amateursporters geen enkel voordeel heeft. De aanbeveling van het KCE voor de beleidsmakers was klaar en duidelijk: screening bij sporters van 14 tot 34 is zinloos en soms zelfs gevaarlijk.

Ook in Ons hart verdedigt Pedro Brugada hartscreening bij kinderen. Op het einde van zijn boek noemt hij Hans Van Brabandt en diens collega’s van het KCE ‘gokkers’. “Volgens het KCE is sportgerelateerde hartstilstand een te zeldzaam verschijnsel om met grootschalig preventief onderzoek aan te pakken”, schrijft hij. “In zijn rapport gokt het KCE dat er in preventie van hart- en vaatziekten in België jaarlijks tien gevallen zijn van plotse, sportgerelateerde hartstilstand bij jonge mensen. Dat cijfer komt van buitenlandse gegevens die op hun beurt niet betrouwbaar zijn en geëxtrapoleerd werden naar ons land. De waarheid is dat we niet weten hoe vaak dit drama voorkomt.”

“Wij zijn geen gokkers”, reageert Hans Van Brabandt. “Over één ding zijn we het met Pedro Brugada eens: in België weet niemand hoe de vork precies aan de steel zit. Er zijn geen harde cijfers van het aantal plotse doden bij jongeren. In 2015 hebben wij wel een ernstige poging ondernomen om te schatten hoeveel het er zijn. We zochten eerst naar landen en regio’s waar geteld is. Zo verzamelden we cijfers van plotse hartdoden bij recreatieve sporters van 10 tot 35 jaar in de Nederlandse provincie Noord-Holland, de Italiaanse regio Veneto, Denemarken, Frankrijk en de VS. Die data zijn gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. Uit al dat cijfermateriaal hebben wij volgens de regels van de kunst afgeleid wat dat voor ons land betekent. Van de 1 miljoen jongeren tussen 14 en 34 schatten wij het aantal plotse doden jaarlijks tussen vijf en tien, waarbij tien waarschijnlijk zelfs te veel is.”

Tien plotse hartdoden per jaar: dat is bijna één kind per maand. Er kunnen toch geen bezwaren zijn tegen een screening die tien mensenlevens redt? “Elk leven is voor ons even belangrijk”, knikt Van Brabandt. “Maar de vraag moet eigenlijk zijn: hoeveel van die overlijdens kunnen we met screening voorkomen? Dat weten we niet. Want er zijn geen goede studies uitgevoerd die aantonen dat we met screening levens redden. Voorstanders verwijzen altijd naar een Italiaanse studie uit 2006 van professor Domenico Corrado. Hij is net als Brugada een grote naam onder de cardiologen. In Italië is screening van alle sporters sinds 1978 bij wet verplicht. Maar Corrado’s studie behandelt slechts één regio: Veneto. In het begin van de verplichte screening werden in Veneto 4 plotse hartdoden per 100.000 per jaar geteld. Jaar na jaar daalde het aantal tot 0,87 dode per 100.000 jaar rond de millenniumwissel.”

Is dat niet het ultieme bewijs dat screening een goede maatregel is? Van Brabandt: “Nee. Stel: ik heb griep en veertig graden koorts. Ik neem antibiotica en mijn koorts daalt. Is dat dan dankzij die antibiotica? Natuurlijk niet, want griep is een virale aandoening waar antibiotica niet tegen helpen. Zonder antibiotica was de koorts ook gedaald. Zo kun je je ook afvragen of het aantal plotse doden in Veneto daalde dankzij de verplichte screening. Veneto is trouwens maar een klein stuk van Italië. Hoe beperkter het cijfermateriaal, hoe groter de impact als iemand bij het registreren een streepje in de verkeerde kolom zet. In de VS en Frankrijk wordt niet gescreend maar tellen ze van in de jaren negentig wel de plotse doden. Rond de millenniumwissel lag het aantal in de VS op 0,90 en in Frankrijk op 0,98; bijna evenveel als de 0,87 van Veneto. In eerste instantie gaf ik Domenico Corrado het voordeel van de twijfel. Ik mailde hem mijn opmerkingen en schreef er vorig jaar ook een artikel over in het British Medical Journal (BMJ). Hij reageerde met een boze brief en noemde ons ‘dommeriken’. Maar wij zijn niet de enigen met vragen over zijn studie. Zo vroeg de Britse minister van Volksgezondheid Jeremy Hunt aan zijn Italiaanse collega de follow-up. ‘Wat gebeurde er na 2004?’ Ook wij stelden die vraag meermaals aan Corrado. ‘We werken eraan’, zegt hij. Dat zegt hij nu al jaren. Ik vind dat verdacht. Want als screenen verplicht is, moeten die gegevens er toch zijn?”

 

Negationisme

Pedro Brugada blijft erbij: Hans Van Brabandt gokt er in zijn rapport maar wat op los. “Het KCE bezondigt zich aan pseudowetenschap”, zegt hij. “In zijn brief aan het BMJ schreef Domenico Corrado niet voor niets dat de mensen van het KCE van toeten noch blazen weten. Van Brabandt heeft van Corrado trouwens wél een bevredigend antwoord gekregen op zijn vraag naar cijfers. Domenico is een heel goede vriend van mij en zette me in cc. Hij antwoordde dat het wetenschappelijke cijfermateriaal op dat moment in de publicatiefase zat. Hij kon die data niet met Van Brabandt delen omdat ze toen nog confidentieel waren. Volgens mij zijn ze intussen gepubliceerd in het Giornale Italiano di Cardiologia. Het KCE voert zogezegd wetenschappelijk onderzoek op basis van publicaties van anderen, alleen hebben ze geen toegang tot de originele gegevens. Hoe weten zij dan dat de resultaten kloppen waar ze zich op baseren? Hoe vaak hebben we het in de geneeskunde al niet meegemaakt dat publicaties teruggetrokken moeten worden omdat ze vals bleken te zijn? Domenico Corrado heeft duidelijk aangetoond dat de mortaliteit bij sporters in Italië over bijna veertig jaar met tachtig procent gedaald is. Dat kan je toch niet negeren? Dat is hetzelfde als de holocaust ontkennen. Dat is puur negationisme. Hans Van Brabandt weet niet waarover hij spreekt.”

Het getal van het KCE van tien jonge plotse doden per jaar is volgens Brugada nattevingerwerk. “Het zijn er veel meer. De gegevens van onze noorderburen wijzen op 100 à 200 per jaar. In België zal het niet veel anders zijn. Screening zal ons veel leren omdat we de kinderen dan volgen. Het is heel gemakkelijk om te stellen: we weten het niet, dus een screening is niet nodig. Terwijl de conclusie eigenlijk zou moeten zijn: we weten het niet, dus moeten we wél screenen. Mijn plan is: screening bij de geboorte, op zes, twaalf, achttien en 24 jaar. Zo creëren we ook een grote gegevensbank.”

Wat houdt die screening in? Pedro Brugada: “Ze vertrekt vanuit een vragenlijst die de kinderen samen met hun ouders invullen. Dan zullen ze bijvoorbeeld ook horen dat opa aan longkanker gestorven is omdat hij een roker was. Als dokter kun je daar dan op inpikken, hen wijzen op wat slecht is en op basis van de familiegeschiedenis tonen wat de gevolgen kunnen zijn. Het gaat dus niet enkel over screening, maar ook over bewustmaking.”

In Ons hart vertelt Brugada over de plotse dood van zijn zus Nena in 2006. “Ze was pas vijftig”, zegt hij. “Ze had daarvoor nooit klachten. Ze ging drie keer per week naar de fitness. Ze had met haar man een etentje gepland en ging zich omkleden. Toen ze terug in de living kwam, viel ze dood neer.” In zijn boek schrijft hij: “En dat in een familie met vier hartspecialisten. Mijn moeder heeft ons dat flink onder de neus gewreven. Waarom hebben noch haar kleindochter, noch haar drie zoons, allemaal hartspecialisten, ooit iets gemerkt aan Nena?”

Volgens Hans Van Brabandt zal een verplichte screening in het beste geval zo goed als geen effect hebben. “Ongeveer vijftig verschillende ziekten liggen aan de basis van plotse dood”, zegt hij. “Die ziekten zijn allemaal zeldzaam. Meestal geven ze geen klachten, maar in heel zeldzame gevallen hebben ze als eerste en enige symptoom de plotse dood. De meest frequente ziekte bij sporters is hypertrofische cardiomyopathie, een verdikking van de hartspier. Ze komt voor bij 1000 op 1 miljoen en jaarlijks kost ze 1 sporter op 1 miljoen het leven. Er is geen consensus over hoe die ziekte bij klachtenvrije mensen behandeld moet worden. De therapie varieert van bètablokkers tot een operatie. Een operatie is ingrijpend en wordt meestal niet uitgevoerd omdat we niet goed weten of ze helpt. Als je 500 mensen behandelt, riskeer je door de behandeling één mens te verliezen. Een andere hartziekte die aan de basis van plotse dood ligt, is aangeboren kransslagaderafwijking. Dat kun je alleen maar met een lijkschouwing vaststellen. Screening is dus sowieso zinloos. Nog zo’n zeldzame ziekte is Wolff-Parkinson-White, een overtollige elektrische leiding in je hart. Pedro Brugada is daar een wereldexpert in. Hij brandt die leiding door en zijn patiënt kan weer verder. Ik geloof graag dat de mortaliteit tijdens behandeling bij Brugada nul is, maar dat geldt niet voor ‘gewone’ cardiologen. De kans dat een patiënt bij hen tijdens een behandeling sterft, is uiterst klein maar even groot als de kans dat hij onbehandeld dood neervalt.”

Verplichte screening zal er volgens Hans Van Brabandt ook toe leiden dat een grote groep kinderen ten onrechte vroegtijdig gecatalogeerd wordt als ‘hartpatiënt’. “Verplichte screening zal er in de praktijk op neerkomen dat 1 miljoen jonge mensen zal langsgaan bij een sportarts”, zegt hij. “Dat is meestal een huisarts die het minste geruis als verdacht zal beschouwen. Al die gevallen zal hij doorverwijzen naar de cardioloog. Met als gevolg dat ouders al op voorhand gealarmeerd zullen zijn. Duizenden sportieve kinderen die zich kiplekker voelen, zullen dan het sporten even vaarwel zeggen. De meerderheid zal door de cardioloog gerustgesteld worden, maar een klein deel zal toch onder de scanner moeten. Van de oorspronkelijke 1 miljoen zullen na screening uiteindelijk 5000 kinderen, of 0,5 procent, ziek verklaard worden zonder dat ook maar iemand weet of er iets aan hun lot kan veranderd worden. Dat cijfer is géén wilde gok maar op fatsoenlijke wijze beredeneerd. Van die 5000 zullen er jaarlijks mogelijk tien sterven. Dankzij zijn handigheid zal Brugada van die tien kinderen er misschien één kunnen redden, terwijl bij een collega er misschien één de behandeling niet zal overleven.”

 

Schandpaal

Van Brabandt onderschat zijn collega’s, vindt Brugada. “België heeft uitstekende centra met uitstekende cardiologen”, zegt hij. “Natuurlijk moeten specifieke behandelingen uitgevoerd worden door gespecialiseerde cardiologen. Ik plaats geen stents in kransslagaders. Ik heb dat ooit wel gedaan, maar nu niet meer omdat ik gespecialiseerd ben in de elektriciteit van het hart. Het zeer zeldzame Wolff-Parkinson-White behandel ik wel: dat is elektriciteit. Misschien moet Van Brabandt hier eens consultaties komen volgen. Ik begrijp niet hoe een arts tegen screening kan zijn. Een huisdokter die getraind is om een ecg te lezen, kan perfect screenen. Bij screening vind je iets of niets. Ik geef wel toe dat er iets kan zijn dat de dokter niet vindt, of dat de dokter iets vindt en er niets aan kan doen. Maar bij de meeste afwijkingen kunnen we wél iets ondernemen. Neem hypertrofische cardiomyopathie: dat is erfelijk en doodsoorzaak nummer één in Amerika bij sporters omdat er geen screening is. In Italië is dat geen oorzaak van plotse dood omdat er wél gescreend wordt. Als die afwijking bij een Italiaan wordt vastgesteld, mag hij niet meer sporten. Dat is toch perfect normaal? Als je een hypertrofische cardiomyopathie hebt, kan je tijdens het sporten plots overlijden. Dan sport je toch gewoon niet meer? Kinderen krijgen bij screening dus soms inderdaad de diagnose dat ze een hartpatiënt zijn. Bij een screening vinden we afwijkingen waardoor het niet verstandig is dat mensen verder blijven voetballen. Maar we zullen ook afwijkingen vinden die perfect te genezen zijn. Hoeveel sporters heb ik niet terug op de fiets of de grasmat gezet? Khalilou Fadiga kon dankzij zijn defibrillator terug voetballen, net als Anthony Van Loo. Die mensen waren eerst afgeschreven. Fadiga voetbalde van zijn 22e tot zijn 35e met een defibrillator. Toen ik die dertien jaar geleden inplantte, werd ik door mijn collega’s aan de schandpaal genageld. Ze verklaarden me zot. Nu is een defibrillator de regel.”

Sophie Gerkens, gezondheidseconoom bij het KCE, berekende dat screening elk jaar tussen de 66 en 95 miljoen euro zal kosten. Miljoenen die in de portemonnee van sportartsen, cardiologen en radiologen terecht komen? Hans Van Brabandt: “Ik bekijk screening vanuit het standpunt van het grote publiek en niet van de dokters. Maar u hebt gelijk: als screening er komt, zullen dokters daar bijna 100 miljoen extra mee verdienen.”

Pedro Brugada maakte zijn eigen berekening. “Reken op 50 euro per screening: 400.000 twaalfjarigen screenen kost dan 20 miljoen. That’s it. Natuurlijk zou het fantastisch zijn als de minister van Volksgezondheid zou beslissen om screening terug te betalen. Maar wat is 50 euro voor de gezondheid van je kind? Hoeveel kosten de schoolfoto’s elk jaar? Ouders betalen dat toch zonder verpinken? Waarom dan niet om de zes jaar 50 euro om hun kind te screenen? Daar moeten we toch niet voor gaan bedelen bij de overheid?”

 

 

Pedro Brugada, Ons hart, gebruiksaanwijzing en onderhoudsboekje, Lannoo, 288 blz., 22,50 euro

 

(c) Jan Stevens

Vanaf 1 juli is België het eerste land in Europa waar voor zwangere vrouwen de NIP-test zo goed als gratis wordt. Vanaf dan wordt het een fluitje van een cent om vast te stellen of een ongeboren kind een chromosoomafwijking zoals het Downsyndroom heeft. Voor sommigen is het einde van het lijden van gehandicapte kinderen eindelijk in zicht, terwijl anderen de maatregel een vorm van eugenetica noemen, ‘vermomd in de schaapskleren van menslievendheid’.

 

15 miljoen euro trekt minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD) uit om jaarlijks 100.000 NIP-testen terug te betalen. NIPT is een niet-invasieve test om chromosomale afwijkingen bij een foetus op te sporen. De test wordt uitgevoerd op een bloedstaal en geeft 99,8 procent zekerheid of het ongeboren kind een zogenaamde ‘trisomie-afwijking’ heeft. “De bekendste afwijking is trisomie 21 of het Downsyndroom”, zegt Jean-Jacques Cassiman, wereldvermaard genetica-expert. “Trisomie 21 krijgt nu de meeste aandacht, maar NIPT spoort ook trisomie 18 of het Edwardssyndroom op en trisomie 13 of het Patausyndroom. Al twee jaar staat de test in onze acht genetische centra in België ter beschikking van zwangere vrouwen en nu krijgt iedereen er toegang toe. Dit is dus een belangrijke beslissing. NIPT is intussen ook geëvolueerd, waardoor er nog veel meer dan die drie chromosoomafwijkingen mee opgespoord kunnen worden. Een NIP-test brengt soms afwijkingen aan de oppervlakte waar in eerste instantie niet naar gezocht werd. Zo werd in het UZ-Leuven bij toeval dankzij NIPT in een vroeg stadium kanker bij een zwangere vrouw ontdekt.”

Dat klinkt als bijzonder goed nieuws, alleen wringt volgens Cassiman net daar het schoentje. “De focus ligt nu op het Downsyndroom, terwijl het over zoveel meer gaat. Meer dan ooit is het dus noodzakelijk dat iemand met kennis van zaken alle resultaten en mogelijke consequenties kan duiden. ‘Hoe ernstig is die chromosoomafwijking op korte of lange termijn?’ Dat moet heel goed aan toekomstige ouders uitgelegd worden. Die mensen moeten beseffen dat het niet is omdat een NIP-test negatief is dat hun kind gegarandeerd vrij zal zijn van alle mogelijke afwijkingen. NIPT is veel complexer dan een doorsnee vaderschaps- of dna-test. We moeten ons er ook van bewust zijn dat NIPT de eerste stap is in het opsporen van nog veel meer bij een ongeboren kind. De benadering van genetici was altijd: mensen zoveel mogelijk informatie geven zodat ze bewuste keuzes kunnen maken. Ouders moeten met kennis van zaken beslissen of ze een kind houden of de zwangerschap afbreken. Door de maatregel van minister De Block zal er nu een staal genomen worden dat naar een labo gestuurd wordt, waarna de behandelende huisarts of gynaecoloog het resultaat krijgt. De redenering is dat niet alleen de genetische centra, maar ook andere labo’s die test kunnen uitvoeren. Dat klopt, alleen zorgen zij niet voor de juiste omkadering. Er wordt van uitgegaan dat aan de hand van het resultaat van het labo de huisarts of gynaecoloog alles haarfijn uit de doeken kan doen. Het spijt me, maar bij de meeste huisartsen en gynaecologen is de kennis over dat soort zaken beperkt, net omdat het allemaal zo nieuw is. Ik heb het dan niet over Down, maar over alle andere opspoorbare afwijkingen. De meeste ervaring zit bij onze acht genetische centra. Zij verrichten uitstekend werk en hebben veel ervaring met NIPT. Nu wordt dat helemaal opengebroken. Dat is niet meer of minder dan spelen met de toekomst van kinderen. Want vandaag zijn er al ouders die geen kind willen met een hazenlip en hun toevlucht nemen tot abortus. Wat wordt de volgende stap?”

 

Weldaad

Hendrik Cammu, gynaecoloog en professor aan de VUB, vindt de gratis NIP-test een uitstekende zaak. “Voortaan kan elke vrouw haar ongeboren kind testen op het Downsyndroom. Dat is toch een heel sociale maatregel die de gelijkheid bevordert? Wie niet tot de risicogroep behoorde, betaalde tot nu 290 euro. Dat wordt vanaf 1 juli 8,68 euro en de risicopatiënten betalen niets. Mensen krijgen ook de kans om hun foetus met Down te laten aborteren. Ik vind dat ethisch verantwoord. Het Downsyndroom komt relatief vaak voor: de kans is 1 op 600. Jarenlang werden er in België ongeveer 50 kinderen met Down geboren. Nadat NIPT een paar jaar geleden voorzichtig zijn intrede deed, daalde het aantal tot 40 per jaar. In 2016 kwamen we uit op 30. De tendens is dus duidelijk. Nu de NIP-test voor iedereen toegankelijk wordt, eindigen we waarschijnlijk onder de tien pasgeboren baby’s met Down. In de nabije toekomst zullen enkel nog Down-kinderen geboren worden bij zwangere vrouwen die zich niet laten screenen. Of bij vrouwen die zich hebben laten testen en hun kind willen houden.”

Het syndroom van Down wordt dus iets zeer uitzonderlijks? “Ja. Het is niet ondenkbaar dat ouders met een Down-kind daardoor de afwijzing van de anderen zullen moeten ondergaan. Maar dat mogen we nooit tolereren, zelfs al zijn er maar twee gevallen per jaar. Integendeel, we moeten hen blijven steunen met aangepaste infrastructuur en sociale wetgeving.”

Ook moraalfilosoof Etienne Vermeersch heeft woorden van lof voor de gratis NIP-test. “De weldaden van de test zijn zo overweldigend dat mogelijke bijkomstige omstandigheden daar niet tegenop wegen”, vindt hij. “Voor de meeste mensen is het een zeer grote catastrofe als hun kind geboren wordt met het Downsyndroom. Natuurlijk zijn er verschillende gradaties, maar dat neemt niet weg dat die ziekte voor elke ouder een zwaar probleem is. Natuurlijk leren sommigen daarmee leven; vroeger hadden mensen geen keuze. Hun kind met Down kwam onverwacht en ze moesten er maar het beste van maken. Het is veel beter als je vooraf weet of je ongeboren kind Down heeft. Je kunt je dan perfect door je huisarts laten inlichten over de gevolgen. De meeste mensen gaan vervolgens over tot abortus.”

Etienne Vermeersch schat het aantal genetische ziekten op drie à vierduizend. “Die staan allemaal netjes opgelijst. Een belangrijk aantal is zeer zeldzaam, maar een ander deel is algemeen erkend als sterk nadelig voor het individu. Dat wil dus zeggen dat die ziekten ook sterk nadelig zijn voor de ouders die voor dat individu moeten zorgen. Het wegwerken van zaken die iedereen als een zware handicap beschouwt, is geen idealisering van het kind of het nastreven van een volmaakt kind. Het is niet meer of minder dan streven naar een normaal kind zonder zware handicap. Hoe vroeger we in de zwangerschap alle zware handicaps de wereld uithelpen, hoe beter. Natuurlijk kunnen we mensen daar niet toe dwingen, maar de mentaliteit zal evolueren. Ze zullen tot het besluit komen: ‘Laat die handicap aan mij en aan mijn kind voorbijgaan.’”

Er zullen dus steeds minder ouders een kind met Down krijgen? “Ja. Het is dan ook onvermijdelijk dat die ouders zich alleen zullen voelen. Maar zolang die ziekte bestaat, moeten ouders en hun kinderen geholpen worden. Hoe minder mensen met Down er zijn, hoe makkelijker het wordt om ze nog beter te helpen en begeleiden. We hopen dat ze uiteindelijk zullen uitsterven.”

 

Maatschappelijke druk

“Etienne Vermeersch weet niet wat het Downsyndroom inhoudt”, zegt Babs De Wacker, mama van Maxim, een jongen van acht met Down. “Misschien moet de professor eens langskomen op een van de bijeenkomsten van de vereniging Downsyndroom Vlaanderen, dan kan hij met eigen ogen zien tot wat onze kinderen in staat zijn. Mijn zoon Maxim is gelukkig en heeft plezier in het leven. Twee andere van onze kinderen zijn hoogbegaafd, net als Maxim vallen ook zij ‘buiten de norm’. Zijn zij wel welkom op de wereld omdat ze iets hoger scoren qua IQ en is Maxim dat niet omdat hij lager scoort? Wij zijn supertrots op àl onze kinderen. Maxim bezit een natuurlijke empathie waar iedereen veel van kan leren. Dat is toch belangrijker dan het juiste IQ?”

Babs was een twintiger toen ze zwanger was van Maxim. “Ik liet me testen met de klassieke combinatietest en alles leek in orde. Bij de geboorte bleek dat Maxim het syndroom van Down had. We raakten daar nooit door in zak en as. Zelfs als we het op voorhand hadden geweten, was Maxim welkom geweest.”

De gratis NIP-test vergroot volgens Babs De Wacker de maatschappelijke druk. “Zo goed als elke zwangere vrouw zal zekerheid willen of haar ongeboren kind Down heeft. Ik begrijp niet waarom die test gecommercialiseerd wordt en uit de universitaire centra is weggehaald. Van alle chromosomale afwijkingen die NIPT kan opsporen, is Down het minst erge. En toch ligt nu de nadruk op dat syndroom. Waarom wordt enkel daarop gefocust, terwijl trisomie 18 of 13 veel ernstiger zijn? Waarom wordt de spot gericht op kinderen die gelukkig en gezond zijn? Onze kinderen hebben veel capaciteiten en er is ondertussen zoveel medische vooruitgang geboekt dat de meeste mensen met Down gezond zijn. Sommigen hebben nog een hartafwijking, die perfect geopereerd kan worden. Buiten een licht mentale achterstand is er niks mis met Maxim. Hij is zeer zelfstandig. Ik beweer niet dat hij later ooit zijn belastingsbrief zal kunnen invullen, maar in Nederland halen jongvolwassenen met Down nu hun rijbewijs.”

 

Rassenhygiene

Willem Lemmens is hoogleraar ethiek aan de Universiteit Antwerpen. “Er is geen enkele reden om aan te nemen dat kinderen met Down ongelukkig zouden zijn”, zegt hij. “Toch hoor je soms beweren dat ze geen levenskwaliteit hebben. Ik vermoed dat wij eerder vanuit ons eigen perspectief aannemen dat ze lijden. Terwijl kinderen en volwassenen met Down vaak zeer gelukkig zijn.”

Professor Lemmens vindt het goed dat de NIP-test voortaan voor iedereen toegankelijk is. “Op voorwaarde dat er geïnvesteerd wordt in het verstrekken van degelijke informatie én in zorg voor kinderen met Down. We hebben dat al decennialang gedaan, het zou merkwaardig zijn als daar nu plots op bezuinigd wordt.” Toch maakt Willem Lemmens zich zorgen. “We willen ons tegen allerlei risico’s, onzekerheden of onvolmaaktheden indekken. Hebben we er eigenlijk al eens grondig over nagedacht wat dat op termijn betekent? Stel dat we in de nabije toekomst bij ongeborenen ook erfelijke aanleg voor mogelijke psychische afwijkingen of bepaalde vormen van kanker kunnen opsporen. Ik vrees dat we te weinig nadenken over wat we met die kennis dan zullen aanvangen. Zou jij een genetisch paspoort willen waarin een aantal voorspellingen over je medische toekomst staan? ‘De kans dat je binnen vijftien jaar longkanker krijgt, is 75 procent.’ De meeste volwassenen willen dat liever niet weten. Wil je dat als ouder wél weten over je kind dat nog geboren moet worden? Een kind krijgen is altijd een onzeker avontuur; dat maakt het net zo boeiend. Ondertussen proberen we via de wetenschap daar steeds meer controle over te krijgen. Maar het is een illusie om te geloven dat we ons tegen alle onzekerheden van het leven kunnen verzekeren. Meer nog: dat is een gevaarlijke gedachte waar we tegenin moeten durven gaan.”

Vindt professor Lemmens dat we op een hellend vlak zitten richting eugenitica, de ‘verbetering van de menselijke soort’? “Eugenetica is een zeer beladen begrip. In onze Westerse samenleving loopt op dit moment nergens zo’n programma. Al omschrijven sommigen het recht van ieder individu op het soort van kinderen dat hij of zij wil wel als ‘negatieve eugenetica’. De Australische filosoof, bioethicus en transhumanist Julian Savulescu vindt dat we een ‘plicht hebben tot genetische optimalisatie’. Als je daarover begint na te denken, is dat zeer griezelig. Savulescu zegt niet meer of minder dat we ons ertoe verplicht moeten voelen om alleen die kinderen op de wereld te zetten die genetisch optimaal zijn.”

Begint dat niet heel erg op de eugenetica of Rassenhygiene van de nazi’s te lijken? Willem Lemmens: “Het grote verschil is dat de nazi’s hun collectieve programma aan de burgers oplegden. Wij leven in een liberale samenleving en we hebben nog steeds ‘vrije keuze’. Al is er wel sociale druk. Ouders die er vandaag bewust voor kiezen om hun kind met Down toch geboren te laten worden, krijgen rare blikken toegeworpen.”

 

Eenheidsworst

De Nederlandse filosoof en politicoloog Gerard Adelaar windt er in zijn pas verschenen boek De onverbeterlijke mens geen doekjes rond: we zitten op een hellend vlak, maar hebben het niet door. “De uitvinders en producenten van de NIPT hebben er alle belang bij dat hun test gebruikt wordt”, zegt hij. “Als hij dan zoals bij jullie zo makkelijk beschikbaar gesteld wordt, volgt snel een maatschappelijke norm: de samenleving verwacht gewoon van elke zwangere vrouw dat ze zich laat testen. Hoe autonoom en vrij is haar keuze dan? Wie de test links laat liggen en een Down-kind krijgt, zou het in de toekomst wel eens zwaar te verduren kunnen krijgen. ‘Misschien wordt het tijd dat je zelf voor de kosten opdraait. Je wist toch wat de risico’s waren toen je je niet liet testen?’De twee andere aandoeningen die NIPT aan het licht brengt, zijn zeer ernstig. Een daarvan heb ik in mijn eigen familie gezien. Dat kindje was vanaf de eerste dag al niet levensvatbaar. Ik beweer dus niet bij voorbaat dat de test onzinnig is, alleen wordt er geen maatschappelijk debat over gevoerd. Dat vind ik verontrustend.”

Volgens Adelaar claimt de eugenetica, ‘vermomd in de schaapskleren van de menslievendheid’, een steeds prominentere plaats in onze samenleving. “In Nederland waren er al eerder discussies over andere tests voor het opsporen van erfelijke ziekten. Universitaire medische centra wilden daar graag mee aan de slag en toekomstige ouders konden vòòr de conceptie al testen op genetische risico’s. Op het eerste gezicht wordt zo voorkomen dat er gehandicapte kindjes op de wereld komen, terwijl het in werkelijkheid eugenetica is. Het is wellicht menslievend bedoeld, ook al spelen er economische belangen mee, maar door erfelijke ziekten gaandeweg te elimineren werken we hard aan de verbetering van ons ras. Op termijn filteren we zo de mens tot eenheidsworst. Wat ‘onwenselijk’ is, moet verdwijnen en we houden één type mens over. In Denemarken en IJsland is Down zo goed als verdwenen. Dat is een vorm van rasverbetering.”

 

Prediker in de woestijn

Wilfried Gyselaers, gynaecoloog en professor fysiologie aan de universiteit Hasselt, gelooft niet dat in het nieuwe NIPT-tijdperk het Downsyndroom ten dode opgeschreven is. “Er zullen nog altijd baby’s met Down geboren worden, omdat er altijd mensen zullen zijn die dergelijke testen niet willen ondergaan”, zegt hij. “We moeten daar respect voor hebben.”

Ook Gyselaers vindt de tijd meer dan rijp voor een stevig maatschappelijk debat. “Moest er helemaal niet gescreend worden, zouden er elk jaar meer baby’s met het Down-syndroom geboren worden. Dat komt omdat vrouwen op steeds latere leeftijd zwanger worden. Het Down-risico stijgt met de leeftijd van de moeder, net als het risico op vroeggeboorte. Als we gezonde baby’s willen, moeten we vrouwen ervan proberen te overtuigen om op veel jongere leeftijd voor kinderen te kiezen. Ik leg daar al jaren de nadruk op en breng dat op congressen ter sprake, maar voel me een prediker in de woestijn. Er wordt ontzettend veel geïnvesteerd in technologie om zwangerschapscomplicaties te behandelen, terwijl ze veel makkelijker voorkomen kunnen worden. Als vrouwen van de maatschappij de toelating krijgen om tussen twintig en dertig aan de uitbreiding van hun gezin te werken en daarna verder aan hun carrière, wordt dat een zegen voor de verloskunde en de babyzorg. Moeders die op jonge leeftijd zwanger worden, hebben het meeste kans op een gezonde baby. In de verloskunde wordt nu alles op alles gezet om vroeg in de zwangerschap zoveel mogelijk genetische afwijkingen op te sporen en te verhinderen dat die kinderen geboren zullen worden. Daartegenover staan alle inspanningen die momenteel geleverd worden om extreme vroeggeboorten tot een goed einde te brengen. Daar bespeur ik dan plots een andere houding waarbij veel technieken ingezet worden om zoveel mogelijk premature baby’s in leven te houden. De laatste decennia is er tot en met nu geen daling van aangeboren handicaps vastgesteld. Er is alleen een verschuiving: vroeger ging het vooral over Down, nu gaat het over aangeboren handicaps door vroeggeboorte.”

 

Recht op leven

Pierre Mertens is pleegvader van de 27-jarige Shana, een vrouw met het syndroom van Down. Pierre’s dochter Lies werd 38 jaar geleden geboren met spina bifida, open rug. Lies overleed op 11-jarige leeftijd aan de gevolgen van een medische blunder. Pierre Mertens is actief in de Vereniging voor Spina Bifida & Hydrocephalus. “Mijn pleegdochter Shana is een van de gelukkigste mensen die ik ken”, zegt hij. “Niemand kan beweren dat de kwaliteit van haar leven onvoldoende is of dat ze ondraaglijk lijdt. Ze is ook geen last voor ons. Integendeel: ze draagt bij tot de kwaliteit van ons leven. Shana is zeer zelfstandig, gaat alleen naar haar werk, neemt de bus en gaat soms iets drinken op café. Of ik me zorgen maak over hoe het later met haar verder moet als wij er niet meer zijn? Natuurlijk, maar ik maak me soms ook zorgen over mijn kinderen zonder handicap. Shana’s toekomst bereiden we goed voor. Ik ben er zeker van dat mensen die een kind met Down hebben laten aborteren, twee keer moeten slikken als ze Shana zien.”

Is Pierre Mertens een pro-lifeactivist? “Nee en ik ben ook niet katholiek. Ik spreek vanuit het mensenrechtenperspectief. Ook wie ‘anders’ is heeft recht op leven. Ik heb zeer veel respect voor vrije keuze. Maar je kunt pas vrij kiezen als je volledig geïnformeerd bent. Zo pleit ik er al lang voor om mensen met spina bifida of hun ouders te betrekken bij informatiegesprekken. De informatie die artsen over spina bifida geven, is vaak gekleurd. Het lijkt dan alsof de moeder een monstertje zonder levenskwaliteit zal baren, terwijl mensen met spina bifida hun leven best oké vinden. Het is positief dat de NIP-test gedemocratiseerd wordt, maar ouders zouden eigenlijk al voor hun zwangerschap moeten nadenken over wat ze zullen doen als er iets met hun kind is. Dat lijkt me verstandiger dan iedereen massaal te laten testen om te weten of alles in orde is. Want dan denkt niemand op voorhand écht na over wat er moet gebeuren bij een slechte uitslag.”

Babs De Wacker vreest dat zeer veel mensen foute beslissingen zullen nemen. “Uit onwetendheid. Nu iedereen gratis op Down mag testen, zal de overtuiging groeien dat het iets heel ernstig moet zijn. Ik merk bij ouders die een baby met Down krijgen dat hun toekomstbeeld eerst vertroebeld raakt. Ze komen er snel achter dat het niet slechter wordt, maar anders. Al die ouders zijn naderhand blij dat ze het niet op voorhand wisten. Ze zijn gelukkig met hun kind. Die kans op geluk wordt mensen nu ontnomen.”

 

(c) Jan Stevens

Sinds 2009 trekt de gepensioneerde Duitse dominee Renate Ellmenreich (67) zich het lot aan van Nigeriaanse vrouwen wier man vermoord is door Boko Haram. Met haar organisatie Widows Care bouwt ze huizen voor de weduwen en helpt ze hen met het opstarten van hun eigen zaak. “Ik kan de wereld niet veranderen, maar ik kan wel proberen iets voor hen te betekenen.”

renate el

Pfarrerin Renate Ellmenreich is net terug uit Nigeria. De dominee ontvangt ons in haar flat in het gerenoveerde Oberförstereigehöft, het grote oude boswachtershuis van het pittoreske dorp Joachimsthal. Het huis kijkt uit over het Grimnitzmeer. Zeventig kilometer zuidwaarts ligt Berlijn; dertig kilometer oostwaarts de Poolse grens. “Dit is een heel bijzondere plek”, zegt ze. “Vroeger woonde in dit huis de boswachter van de Duitse koningen en keizers. Na hen kwamen de presidenten en daarna Hitler en zijn trawanten. Rijksmaarschalk Hermann Göring jaagde hier regelmatig. Ten tijde van de DDR was deze streek ook het favoriete jachtterrein van de Stasi-bonzen. In de jaren voor Die Wende kwam Erster Sekretär Erich Honecker in de bossen rond Joachimsthal twee keer per week het wild afschieten. Vlakbij is een gedenkteken waarop geschreven staat: ‘Op 8 november 1989 schoot Erich Honecker hier zijn laatste hert.’ Dat was één dag voor de muur viel.”

Frau Ellmenreich lacht. Een gereserveerde lach, want het hele interview lang straalt de dominee droeve ernst uit, alsof ze een loodzware last torst. “De toestand in Nigeria is op dit moment verschrikkelijk”, zegt ze bijna verontschuldigend. Op haar bureau staat een klein zwart-witfotootje van een langharige, glimlachende jongeman. Op de vensterbank staat een grote kleurenfoto van een vriendelijk ogende veertiger met kort kastanjebruin haar. De twee mannen uit het leven van Renate Ellmenreich. “Als iemand weet wat het betekent om weduwe te zijn, ben ik het wel. Vandaar dat ik in 2009 de vraag om hulp van de Nigeriaanse weduwen niet kon weigeren.”

Renate’s eerste man Matthias Domaschk stierf op 12 april 1981 in de ondervragingsruimte van de Stasi in de Oost-Duitse stad Gera. “Matthias was pas 23. Hij is de vader van mijn dochter. In 1976 ondertekenden we allebei een petitie tegen de verbanning uit de DDR van protestzanger Wolf Biermann. We waren niet gekant tegen het socialisme, maar voerden vanuit onze christelijke overtuiging actie om de theorie met de werkelijkheid in overeenstemming te brengen. Dat werd door de communistische partijbonzen niet in dank aanvaard. Ze arresteerden Matthias op 10 april 1981 en beschuldigden hem ervan dat hij een partijbijeenkomst in Berlijn wou verstoren. Twee dagen later was hij dood. Volgens de Stasi pleegde hij zelfmoord. Iedereen die Matthias ooit gekend heeft, weet dat dat een leugen is. Ze hebben hem vermoord.”

Een jaar voor Matthias Domaschks dood vluchtte Renate Ellmenreich naar West-Duitsland, nadat hun dochtertje door de geheime politie was gekidnapt en in een weeshuis gedropt. Renate werd dominee in Mainz. In 1993 keerde ze naar Gera terug. Zes jaar lang doorploegde ze er de archieven van de Stasi, op zoek naar wat er die 12e april echt gebeurd was. “De documenten uit de Stasi-archieven zijn opgesmukt en vertellen nooit de waarheid”, zegt ze. “Er staat nooit zwart op wit: ‘Toen gaven we hem het genadeschot.’ Ik sprak met veel betrokkenen, maar iedereen zwijgt. Tot de dag van vandaag zoek ik verder en ik denk dat ik nu eindelijk iets op het spoor ben. Ik hoop tegen volgend jaar de waarheid te kunnen bovenspitten.”

 

Uw tweede man Gunnar Berndsen stierf in de woestijn van Nigeria.

Renate Ellmenreich: “Hij overleed er in mei 2004 als gevolg van een virale infectie. De foto op de vensterbank dateert van een week voor zijn dood. Hij was 48. Ik werkte samen met hem in Nigeria van 1999 tot 2004. We waren uitgestuurd door de Zwitserse evangelische ontwikkelingsorganisatie Mission 21. Ons actieterrein lag in de staat Borno in het noordoosten. Gunnar runde in de stad een open universiteit en ik werkte bij de vrouwen op het platteland. Ik begeleidde hen met de bouw en de opening van nieuwe scholen. In 2000 introduceerde de regering van de staat Borno de sharia. Nigeria heeft 36 staten: de zuidelijke zijn voornamelijk christelijk en de noordelijke moslim. Veel noordelijke staten voerden de sharia in nadat in 1999 de christen Olusegun Obasanjo president van het land werd. In tegenstelling tot zijn voorgangers kwam hij niet uit het leger en dat stond de noordelijke machthebbers niet aan. De meeste leerkrachten op de staatsscholen waren christenen en na de verkiezing van Obasanjo schaften de noordelijke staten de staatsscholen af. De gewone Nigerianen waren het daar niet mee eens. Zij wilden goede scholen voor hun kinderen en het kon hen echt niet schelen of de leerkrachten christelijk of islamitisch waren. In die tijd leefden in de dorpen christenen en moslims nog vreedzaam samen. Ik bouwde samen met hen private scholen waar alle kinderen welkom waren. We kregen geen steun van de overheid, maar het lukte ons toch om in Noord-Nigeria in minder dan vijf jaar vijftig basisscholen te bouwen.”

 

Vijftig?

“Jawel, vijftig. (glimlacht) Tot in de lente van 2004 het noodlot toesloeg en Gunnar stierf. De kerkleiding wou dat ik terugkeerde naar Duitsland, maar ik bleef contact houden met mijn mensen die ik had moeten achterlaten. Boko Haram is in 2002 opgericht in Maiduguri, de hoofdstad van Borno. Ik heb de terreurorganisatie weten ‘geboren’ worden. In 2009 was ik in Maiduguri en zag ik met eigen ogen de ellende die ze er had aangericht. Verschillende van mijn vroegere medewerkers klampten me aan en vertelden over de gruwel. ‘Help ons, Renate.’ De vallei waar ik gewerkt had, was bezet door Boko Haram en de overlevenden waren naar Maiduguri gevlucht. ‘Ze hebben al onze mannen vermoord.’”

 

Enkel de mannen?

“Ja. De vrouwen hadden ze nodig als seksslavin. In de Afrikaanse samenleving stellen weduwen niets voor. Ze hebben geen rechten en worden behandeld als paria’s. Eén uitspraak van een weduwe raakte me midscheeps: ‘Jij was ook weduwe in Afrika. Je weet hoe het is.’ Ze hadden gelijk: ja, ik wist het. Ik kon niet anders dan helpen. Ik weet niet hoeveel tijd me nog gegund is en daarom focus ik me enkel op de weduwen. Ik kan de wereld niet veranderen, maar ik kan wel proberen iets voor hen te betekenen.

“Terug in Duitsland begon ik geld in te zamelen. Ik was toen dominee in Mainz, maar ik was niet de enige: met tien vrouwelijke priesters vormden we één team voor de hele stad. Elke maand hielden we onze Stammtisch. (lacht) We vergaderden dan samen en dronken rode wijn. Tijdens zo’n vergadering kreeg ik telefoon uit Maiduguri. Ik hoorde het machinegeweervuur en de explosies, het was verschrikkelijk. De weduwe aan de andere kant van de lijn weende hartverscheurend. Meteen daarna hebben we de stichting Widows Care opgericht en vervolgens vroegen we de Boko Haram-weduwen zich bij ons te registreren.”

 

Dat zijn er ondertussen meer dan 2.000?

“2.120 om precies te zijn. Een groot deel is van Maiduguri gevlucht naar het duizend kilometer verder gelegen IDP-camp Gurku bij de Nigeriaanse hoofdstad Abuja, waar het relatief veilig is. IDP staat voor: Internally Displaced Persons. In Gurku worden binnenlandse oorlogsvluchtelingen opgevangen. Van elke weduwe weten we waar ze vandaan komt, wat er in haar dorp gebeurd is en hoeveel kinderen ze heeft. De vrouwen moesten toezien hoe hun man door leden van Boko Haram vermoord werd. Zelfs kinderen moesten toekijken hoe hun vader afgemaakt werd. Met één meisje voerde ik zeer lange gesprekken. Ze heet Patience, is pas negentien en is nu voor de tweede keer weduwe geworden. Haar dochter is geboren de dag nadat ze haar tweede man vermoord hebben. In Gurku ben ik de enige blanke die Hausa spreekt. Ik ben dan ook de enige die met de weduwen rechtstreeks kan converseren, want zij spreken geen Engels. Dat zorgt voor een sterke band.”

renate E.2

Hoe vergelijkbaar is Boko Haram met IS?

“De ‘ideologie’ van Boko Haram wortelt in het salafistische jihadisme waar ook IS zijn mosterd haalt, maar de Boko Haram-strijders zijn allemaal arme dompelaars. De meesten sluiten aan omwille van het geld. Boko Haram misbruikt religie om mensen te mobiliseren. In Nigeria raak je zonder religie nergens.”

 

De weduwen waar u voor zorgt, zijn allemaal christenen?

“Ja. In het begin sloten een paar moslimweduwen zich bij Widows Care aan, maar ze werden met de nek aangekeken door mensen uit hun eigen gemeenschap. Toen ik twee jaar geleden in Gurku op bezoek was, sprak een Nigeriaanse vriendin me aan: ‘We hebben vanavond geld nodig, want we kunnen een groot stuk land kopen vlak naast het vluchtelingenkamp. De boer wil ervan af: hij wil centen voor de bruidsschat van zijn zoon. Als wij het niet kopen, komt het in handen van een rijke politicus, een bouwspeculant of een legerofficier.’ Ik belde mijn vrienden in Duitsland, die schoten meteen in gang om geld in te zamelen en de volgende ochtend kochten we dat stuk land. Ik had één voorwaarde: het mocht alleen ten goede komen van de weduwen. We bouwden er zestien huizen. Elk huis kostte 2000 euro en heeft een keuken en een badkamer. We beginnen nu met de bouw van nog eens zestien ‘weduwenhuizen’. Het door ons gerunde vluchtelingenkamp Gurku is een buitenbeentje in Nigeria. Zowat alle IDP-camps hebben zwaar te lijden onder de alom verspreide corruptie. De meeste kampen zijn afgesloten van de buitenwereld uit angst voor een inval van Boko Haram. De inwoners kunnen er niet zomaar in of uit en zijn overgeleverd aan de goodwill van hulpverleners en officials. De meeste kampleidingen verkopen de hulpgoederen die ze van internationale NGO’s krijgen door op de zwarte markt. Op dit moment sterven er kinderen in de kampen van de honger of door gebrek aan zorg.”

 

Worden die kampen dan niet geleid of gecontroleerd door het Rode Kruis of het UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties?

“Nee, alle officiële vluchtelingenkampen zijn in handen van de door en door corrupte Nigeriaanse overheidsorganisatie National Emergency Management Agency (NEMA). NGO’s zoals Artsen Zonder Grenzen, Unicef of het Rode Kruis moeten allemaal via NEMA passeren. Ons vluchtelingenkamp Gurku houden we doelbewust buiten de officiële opvang. De administratie wordt er gevoerd door zowel moslims als christenen. Zo willen we laten zien dat vreedzaam samenleven tussen verschillende religies wél mogelijk is. Vandaag leven meer dan 1.400 mensen in het kamp. Er is een medische post, gebouwd door de Zwitserse ambassade, er is een kerk en een moskee en er is een school. Er is drinkwater, er zijn kleine winkels, het is een leefbare plek met een gloednieuw gastenverblijf. In het weduwenkamp vlak naast dat grote vluchtelingenkamp leven nu honderd vrouwen en kinderen.”

 

Waarom zijn de weduwen geïsoleerd van de rest?

“Omdat ze ’s avonds en ’s nachts geen man willen tegenkomen. Kunt u zich dat voorstellen? Ze hebben omheiningen van stromatten rond hun huizen gebouwd, want ze willen geen mannelijk pottenkijkers en verlangen naar privacy. De meeste weduwen hebben psychologische hulp nodig, maar die is er niet. Een paar oudere dames krijgen hun leven niet terug op de sporen. Ze zijn depressief en komen hun huis niet meer uit. Ze krijgen eten van de andere weduwen, maar hun depressie wordt niet verzorgd. Heel veel lagere schoolkinderen hebben ’s nachts zindelijkheidsproblemen, door de trauma’s die ze hebben meegemaakt. Hun moeders begrijpen het verband niet en reageren boos. Ik probeer hen uit te leggen wat er precies aan de hand is.”

 

De kinderen leven zonder vaders?

“De jongens en meisjes groeien op zonder vaderfiguren. Vooral de grotere jongens hebben het daar lastig mee. Ze worden opstandig, willen niet naar school. Opgroeien met enkel vrouwen is niet gezond. Ze krijgen een vertekend beeld van de samenleving, want natuurlijk zijn er ook goeie mannen in Nigeria én in het grote vluchtelingenkamp. Zo zijn er onder de vluchtelingen leraars die spontaan les beginnen geven in de openlucht, onder de bomen. Ze hebben geen boeken, pennen of papier, maar ze zingen, vertellen en gebruiken handen en voeten.

“De traditie in Nigeria wou dat een vrouw die weduwe werd, hertrouwde met de oudste broer van haar man. Met de aidsepidemie ging die traditie langzaam maar zeker op de schop. Na Boko Haram zijn er in het noorden te veel weduwen en te weinig mannen. Duizenden vrouwen verloren hun man; het zijn er veel meer dan onze registratiecijfers laten vermoeden. Een vrouw zonder man mag geen land bezitten, winkel uitbaten of een eigen zaak opzetten. Ze mag zelfs geen bankrekening openen. Maar doordat er zoveel mannen vermoord zijn, is het sociale weefsel drastisch aan het veranderen. Wij proberen de vrouwen ervan te overtuigen dat ze wel degelijk hun eigen zaakje mogen opstarten en geld mogen verdienen om hun kinderen te voeden en naar school te sturen. Jammer genoeg wantrouwen sommige vrouwen ons.”

 

Omdat het een compleet nieuwe manier van denken voor hen is?

“Ja. We zeggen nu tegen een weduwe die op het land van Widows Care komt wonen: ‘Als je een huis wil, moet je bereid zijn om ook je eigen zaak uit de grond te stampen. Je moet in je eigen levensonderhoud kunnen voorzien want er is niet genoeg land om te verbouwen.’ De Nigeriaanse vrouwen hadden traditioneel hun eigen lapje grond waar zij de gewassen op verbouwden. Dat is nu voltooid verleden tijd. De tweede voorwaarde voor een huis is dat al hun kinderen onderwijs moeten volgen. De weduwen doen echt hun best; het is soms ontroerend grappig. (lacht) Het nieuwe gasthuis in het grote kamp wordt beheerd door vrouwen. Slechts een van hen spreekt een klein beetje Engels. Zij moet het nu waarmaken, want zij is de guesthouse manager. Ze neemt haar taak zeer ernstig: ze heeft een boekje waarin ze nauwgezet bijhoudt wie er overnacht en wanneer er gekookt en gepoetst moet worden. Zo leert ze al doende de stiel van een echte hotelmanager. Een paar andere weduwen leggen zich toe op fish farming. Ze hebben twee vijvers gegraven en verdienden een aardige cent met hun eerste visoogst. Niet alle vrouwen zijn succesvol. We bekostigden een naaicursus voor een groep weduwen, maar hun onderneming draaide uit op een fiasco. De kleermaker waar ze voor werkten, ging er met het geld vandoor. Andere weduwen leerden verzorgende zalfjes maken voor gevoelige babyhuidjes.”

 

Uw project Widows Care emancipeert Nigeriaanse vrouwen?

“Eigenlijk wel.”

 

Wat vindt de rest van de samenleving daarvan?

“Ze kijken er vol nijd en afgunst naar. Sommigen zijn verrast dat de weduwengemeenschap zo goed functioneert. Ze vinden het eigenaardig dat er geen corruptie is. De weduwen zijn gelijkwaardig, niemand heeft macht, ze moeten alles zelf doen en voor de rest van de samenleving is dat moeilijk te vatten.”

 

Zien Nigeriaanse mannen hen als een bedreiging?

“Ik vrees van wel. De weduwen regelen dingen op een totaal andere manier dan de mannen. Zo hebben ze heel bijzondere afspraken gemaakt met de Fulani-nomaden. Die mensen leven van hun vee, trekken rond en hebben geen onderwijs genoten. Hun veestapel groeit, maar de beschikbare hoeveelheid land krimpt. Steden zoals Abuja groeien aan een ongekend tempo. Vanop de heuvel vlakbij ons kamp kun je heel goed zien hoe al het land volgebouwd raakt met huizen en hoe er steeds meer dorpen rond de stad groeien. De Fulani hebben niet genoeg plaats voor hun vee, raken gefrustreerd waardoor de criminaliteit stijgt. Ze vallen dorpen binnen en roven huizen leeg. De weduwen onderhandelden een overeenkomst met de Fulani. Wij hebben drie waterpompen op het land van de weduwen geïnstalleerd. Tegen de leiders van de Fulani zeiden ze: ‘Jullie kunnen gratis water voor jullie vee krijgen, maar raak ons niet aan.’ De Fulani gingen akkoord. ‘Op voorwaarde dat jullie geen dieren kweken.’ Dat was voor de vrouwen geen probleem. ‘Als we dan bij jullie vlees kunnen kopen.’ De deal was rond en werkt uitstekend. De weduwen hebben geen runderen, geiten of schapen. Hun vlees kopen ze van de Fulani die op hun beurt gebruik maken van de waterbronnen. De voorbije drie jaar was er geen enkel incident. De weduwen zijn christen, de Fulani moslim en ze leven samen in vrede.”

renate E.

De dorpen in het noorden waar de weduwen vandaan komen, zijn nog steeds in handen van Boko Haram?

“Ja. ‘Mijn’ dorp en alle dorpen errond zijn volledig verwoest. Het missionarishuis waar ik woonde, is zestien jaar geleden gebouwd. De stenen muren waren dik en massief, want het gebouw moest minstens een eeuw meegaan. Boko Haram heeft het compleet vernietigd. Rond het huis lag een mooie tuin. Alle bomen zijn gekapt en het groen is veranderd in woestijn. Zo willen de jihadisten laten zien dat daar nooit nog een christen zal leven. Het dorp waar ik leefde en werkte, was integraal christelijk. Er staat geen huis, school of kerk meer overeind. Het leger kon onlangs een paar oude mensen bevrijden die niet op tijd waren weggeraakt. Ik ben net terug uit Nigeria. Eerst bezocht ik Gurku nabij het relatief veilige Abuja en daarna vlogen we naar Maiduguri in het noorden. Het verschil is immens: de noordelijke stad kreunt onder de Boko Haram-terreur. Ik ontmoette de bevrijde oudjes en dat was heel ontroerend. De ene is blind, de andere steunt op een stok. Ze zijn alles kwijt. Ze vertelden me over het leven onder Boko Haram: een verschrikking. Het Nigeriaanse leger vecht zogezegd tegen de terroristen, maar nooit op volle kracht. Ik weet uit zeer goede bron dat de officieren hun manschappen bevelen om in de lucht te schieten om de strijders van Boko Haram te laten vluchten.”

 

Waarom?

“Zolang de oorlog blijft duren, krijgen de soldaten geld en hebben ze een goed leven. Het is in het belang van het leger dat Boko Haram blijft plunderen en roven, want zo blijft voor hen de kassa rinkelen. De Nigerianen zelf zijn zeer pessimistisch over hun toekomst. Veel mensen uit het noorden zijn gevlucht naar het zuiden, waar meer jobs zijn en grotere kansen op een beter leven. Maar de Zuid-Nigerianen houden niet van de noorderlingen. Op dit moment zijn er bewegingen actief die het hele land willen opsplitsen. In Igboland in het Zuidoosten, het vroegere Biafra, wordt nu net als in de jaren zestig gevochten voor onafhankelijkheid. De Yoruba in het Zuidoosten zijn relatief welvarend. Als zij zich afscheuren, gaat het noorden helemaal kopje onder. Want daar is geen onderwijs, geen industrie, geen economie. Behalve de sharia is er helemaal niets. 95% van de noorderlingen overleeft uitsluitend van het eigen schamele lapje grond. Het geld komt van verwanten in het buitenland, of van politici of ambtenaren van de eigen stam. Zelfs in de steden staat alles in het teken van overleven. Er wordt niets geproduceerd dat doorverkocht kan worden om geld mee te verdienen. Daar komen dan nog eens de gevolgen van de klimaatverandering bij: in Maiduguri zie je de woestijn naderen. Steeds meer mensen ontvluchten het land. Tot hiertoe hebben 200.000 Nigerianen geprobeerd om via Italië Europa binnen te komen. De economie in het zuiden is dan weer vooral gebaseerd op misdaad.”

 

Misdaad die gepaard gaat met geweld?

“Nee, het is een heel aparte vorm van misdaad, bekend als de Nigerian connection. De Nigeriaanse maffia verdient miljoenen met haar wereldwijde e-mailfraude. U kent dat wel, die phishing-berichten waarmee ze argeloze westerlingen ervan proberen te overtuigen hen een smak geld toe te sturen. Het ligt er altijd vingerdik op, maar blijkbaar zijn er hier nog genoeg goedgelovige zielen die er met open ogen intuinen.”

 

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

Begin maart maakte de Ierse overheid bekend dat in de riolering van een voormalig katholiek ‘opvangtehuis’ voor ongehuwde moeders in de stad Tuam een massagraf met kinderlijkjes ontdekt was. De lugubere vondst was een gevolg van de niet aflatende zoektocht die amateur-historica Catherine Corless jarenlang in haar eentje voerde. “Wreedheid was de regel.”

 

 

_DSC0068

Ierland is in shock nadat op 3 maart de door de regering aangestelde Mother and Baby Homes Commission of Investigation in een eerste rapport bekend maakte dat er op de plek waar in Tuam ooit het Bon Secours Mother and Baby Home stond, menselijke resten gevonden zijn in een ‘sceptische put en een ondergrondse structuur verdeeld in twintig kamers, vermoedelijk ooit de riolering’. Onderzoek wees uit dat het de resten zijn van baby’s en kinderen. Koolstofdatering linkt de resten aan de periode dat de katholieke nonnen van de Orde van Bon Secours het tehuis runden. Drie jaar nadat de plaatselijke amateur-historica Catherine Corless (62) internationale beroering veroorzaakte met haar stelling dat tussen 1925 en 1961 de nonnen 796 dode kinderen op hun terrein begraven hadden, kreeg ze begin deze maand ook ‘officieel’ gelijk. De Ierse overheid stelde de onderzoekscommissie in 2015 aan als reactie op haar speurwerk. “Forensische experts zoeken nu uit of er voldoende bewijsmateriaal is voor een moordonderzoek”, zegt ze. “Einde maart zal een nieuw rapport daarover hopelijk meer duidelijkheid zal verschaffen.”

In juni 2014 serveerden verschillende media bij ons Corless’ onderzoek nog af als platte sensatie. Toenmalig ombudsman Tom Naegels van De Standaard noemde het een ‘door en door verdacht verhaal’ en omschreef Corless ietwat denigrerend als: “Een amateur-heemkundige die geld zoekt voor een herdenkingsplakkaat.” Hoofdredacteur Geert De Kerpel van het Belgische katholieke magazine Tertio schreef: “De zusters deden wat ze konden, gedragen door hun geloof. De voorbije weken is er nog een drama bijgekomen: dat van vele media die hun deontologie dumpten in een fictief kerkelijk massagraf.”

Catherine Corless kijkt verbaasd als we Naegels en De Kerpel citeren. “Ik wist dat er in de Verenigde Staten scepsis over mijn bevindingen was, maar niet dat er ook in België aan getwijfeld werd”, zegt ze. “Ik was heel zeker over het materiaal dat ik verzameld had. Alles wat ik ooit over deze zaak gezegd heb, is stevig gedocumenteerd en onderbouwd. Ik heb de voorbije jaren ontzettend veel tijd in dat onderzoek geïnvesteerd. Niemand wist wat er met die dode baby’s en kinderen gebeurd was. Alles wat ik vond, wees maar in één richting: de waarheid zoals die nu door de onderzoekscommissie bevestigd is.”

_DSC0029

We zitten aan de keukentafel in Corless’ huis in Tuam. Buiten valt de regen in beken neer; binnen snort de Aga. Kopieën van oude kaarten, lijsten uit geboorteregisters en foto’s liggen op de tafel opeengestapeld. Haar onderzoek naar het ‘opvangtehuis voor moeders en kinderen’ begon heel onschuldig. “Ik ben inderdaad ‘amateur-heemkundige’”, zegt ze. “Ik verdiep me al jaren in de lokale geschiedenis en in 2012 stelde ik aan de leden van onze heemkundige kring The Old Tuam Society voor om me te verdiepen in de geschiedenis van ‘ons’ tehuis voor moeders en baby’s, The Home zoals de locals het noemen. Aan de hand van mijn research zou ik een essay schrijven voor het jaarlijks verschijnende tijdschrift van de kring. Ik leefde in de overtuiging dat mijn artikel vooral zou handelen over de geschiedenis van het werkhuis waarin het tehuis gevestigd was en over het werk van de nonnen. Maar al snel merkte ik dat er in de archieven van Tuam helemaal niets te vinden was. Geen verslagen van gemeenteraadszittingen waarop de werking van het tehuis ter sprake kwam, geen rapport, nothing at all.”

 

Terwijl de nonnen in dienst van de overheid werkten?

Catherine Corless: “Ja, waardoor het extra bizar was dat er geen enkel document bewaard gebleven is. Ik besloot om naar het hoofdkwartier van de Orde van Bon Secours in Cork te schrijven. De zusters zijn nog steeds zeer actief in Ierland en baten verschillende ziekenhuizen uit. Ik vroeg of er in hun archief documenten over het tehuis zaten. ‘Niets’, antwoordden ze. ‘We hebben alles aan het districtsraadkantoor van het graafschap Galway bezorgd.’ Dus nam ik contact op met de districtsraad. Maar de enige documenten die zij ooit van de nonnen kregen, zijn registers waarin genoteerd staat wanneer de ongehuwde moeders arriveerden, wanneer hun baby geboren werd en hoeveel hij woog. Meer niet.”

 

Het opvangtehuis voor moeders en baby’s was oorspronkelijk een ‘armenhuis’?

“Het is gebouwd in 1840. Het was een gigantisch complex, in de kamer hiernaast staat een maquette die ikzelf ineen geknutseld heb aan de hand van de originele plannen. De armenhuizen uit de 19e eeuw worden in Engeland en Ierland workhouses, werkhuizen, genoemd. Ze zijn in het victoriaanse tijdperk allemaal getekend door één en dezelfde Engelse architect: George Wilkinson. Ierland was eigendom van Engeland en op heel wat plaatsen openden de Engelsen hun werkhuizen, mastodontgebouwen waarin de armen gehuisvest werden en gratis moesten werken. Het was de tijd van The Great Famine, de grote hongersnood. Het menu van de arme Ier bestond ’s morgens, ’s middags en ’s avonds uitsluitend uit aardappelen. Maar toen brak de plaag uit die de complete aardappeloogst vernietigde. De armen stonden voor de keuze: ofwel sterven van de honger, ofwel in een werkhuis in ruil voor kost en inwoon hard labeuren. Na de Ierse onafhankelijkheid in 1922 werden de werkhuizen gesloten, waardoor die enorme gebouwen leeg kwamen te staan. De overheid richtte een aantal werkhuizen in als rust- en verzorgingstehuizen voor bejaarden, andere werden vertimmerd tot hospitaal. Het werkhuis van Tuam moest een ‘opvangtehuis voor moeders en baby’s’ worden. De staat riep de hulp in van de zusters van Bon Secours om het tehuis te leiden. De nonnen waren opgeleide verpleegsters. Ze herdoopten het werkhuis in St. Mary Orphanage, het weeshuis van de heilige Maria, wat al heel snel een bedrieglijke benaming bleek te zijn. In 1925 opende het ‘weeshuis’ zijn deuren; in 1961 gingen ze voorgoed dicht.”

_DSC0044

Het was geen weeshuis, maar een plek waar ongehuwde moeders en tienermoeders kwamen bevallen?

“Precies. De instelling werd volledig bekostigd en ‘gecontroleerd’ door de Ierse staat. In werkelijkheid deden de nonnen hun zin. Inspectieverslagen werden verticaal geklasseerd of gemanipuleerd. Niemand had zicht op wat er zich achter de hoge muren van het drie hectare grote domein afspeelde. Leveranciers geraakten niet verder dan de poort, bezoekers waren niet welkom. De moeders die er kwamen bevallen, moesten er een jaar lang blijven. Ze werkten dan gratis voor de nonnen en verzorgden hun baby. Na dat jaar werden ze weggestuurd en bleven de baby’s achter in het ‘weeshuis’. Van zodra de jongens vijf en de meisjes zeven jaar waren, werden ze naar school gestuurd.”

 

Het uiteindelijke doel was dat ze later geadopteerd zouden worden?

“Nee, het uiteindelijke doel was dat ze in pleeggezinnen terecht zouden komen. Er verschenen regelmatig advertenties in de kranten om pleegouders te ronselen. Die werden per maand betaald en kregen jaarlijks een extra toelage om kleren te kopen. Sommige pleegouders waren oké, maar er waren er jammer genoeg ook heel wat die het pleegouderschap in de eerste plaats als een interessante bijverdienste zagen. Ze incasseerden het geld, behandelden hun kind zeer slecht en lieten het keihard werken zodat het extra opbracht. Ik kan niet anders dan vaststellen dat veel Ieren in die periode zich zeer wreed gedroegen.”

 

U sprak zelf uitgebreid met kinderen uit het tehuis die bij pleegouders terecht kwamen?

“Ja, we noemen die mannen en vrouwen nog steeds de Home Babies. Het enige verzetje dat ze hadden, was de tocht van en naar school. Altijd onder begeleiding: er liep een non vooraan en één achteraan. Hun schooltijd duurde twee jaar. Ik zie sommigen met wie ik samen in de klas zat nog voor me. Ik was toen heel jong, een jaar of zes, maar ik herinner me hoe ze altijd later dan de rest van de leerlingen op school aankwamen en vroeger weer vertrokken. Ze mochten zeker niet vermengd raken met de ‘gewone’ kinderen.”

 

Het was een vorm van apartheid?

“Dat was het zeker. In de klas en op de speelplaats werden ze apart van de rest gehouden. De leerkrachten betrokken hen nooit in de les. De Home Babies zaten er achteraan bij als aliens en werden behandeld als minderwaardig. Onze onderwijzeressen waren ook nonnen, ze behoorden tot de congregatie van de Sisters of Mercy.”

 

Speelde u met die kinderen?

“Dat was verboden. Vermenging was echt des duivels. Ik stelde me daar rond 1960 als klein meisje geen vragen bij. Ik heb intussen met veel oudere stadsgenoten gesproken over hoe zij zich de Home Babies herinneren, en iedereen zegt: ‘Ze waren vel over been.’ Ik sprak ook met pleegouders die het goed met hen voorhadden. Ook zij getuigen dat het kind dat ze onder hun hoede kregen ondervoed was. Sommige kinderen waren zo verzwakt dat hun pleegouders een tijdlang voor hun leven vreesden. De nonnen gaven de kinderen te weinig te eten omdat ze enkel en alleen uit waren op het geld.”

 

Toch niet alle nonnen kunnen zo wreed geweest zijn?

“De verhalen over de eerste moeder-overste, Reverend Mother Hortense, vallen nog mee. Maar na haar vertrek werd wreedheid de regel. Het tehuis werd gerund door amper vijf nonnen. Het is niet zo dat ze de kinderen martelden of zich als sadisten gedroegen, maar ze verwaarloosden hen tot in het absurde. Zowel kleine peuters als grotere kinderen werden aan hun lot overgelaten. Ze hadden geen speelgoed, werden op geen enkele manier gestimuleerd. Herinnert u zich de beelden van die weeshuizen uit Roemenië, met extreem verwaarloosde kinderen die heen en weer zitten wiegen? Ik heb identieke verhalen gehoord over The Home. Pleegouders vertelden me hoe hun kind continu met het hoofd tegen het beddeneinde sloeg. De laatste generatie Home Babies zijn zestigers en zeventigers. Zelfs na al die tijd zijn ze nog beschadigd. Ze worden niet ernstig genomen en krijgen niet de informatie die ze vragen.”

 

Tot vandaag weigert de Orde van Bon Secours met hen te communiceren?

“De nonnen blijven doodstil. Van alle Home Babies die ik gesproken heb, is er geen enkele die financieel gecompenseerd wil worden. Ze willen alleen erkend worden als slachtoffer. Ze willen verontschuldigingen, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor hun moeders. Want die werden beschouwd als zondig, als uitschot. Een survivor zei me dat hij met die verontschuldiging naar het graf van zijn moeder wil om ze luidop voor te lezen.”

 

_DSC0030In 1975 vonden twee jongens van twaalf tijdens het spelen beenderen van kinderen op de site waar het tehuis stond. Toen werd er geen onderzoek opgestart?

“Na het vertrek van de nonnen in 1961 bleef het oude werkhuis tien jaar leegstaan tot het gesloopt werd. Het terrein rond The Home veranderde in een wildernis. In 1975 waren Franny Hopkins en Barry Sweeney twaalf. Een van hen opende tijdens het spelen op dat terrein het deksel van een sceptische put. Dat deksel was ongeveer zo groot als mijn keukentafel. Het volgende ogenblik zagen ze skeletten van kleine kinderen. Doodsbang vertelden ze hun ouders over hun ontdekking. Die lichtten op hun beurt de politie en de kerk in. De eensgezinde conclusie van de Garda en de clerus luidde meteen: het waren beenderen van slachtoffers van The Famine. Maar een paar locals die al jaren vlakbij The Home woonden, geloofden daar niets van. Zij vroegen aan de districtsraad om een muur te bouwen rond de vindplaats. De raad ging daar op in. De locals bouwden een kleine grot met een beeld van Maria. Ze wisten dat er iets gebeurd was, al hadden ze geen idee wat precies. De laatste veertig jaar onderhielden ze dat plekje op eigen kosten. Eén van de buren smeedde een hek met een kruis en hing het aan de ingang. In een hoek zetten ze een plakkaat met de tekst: ‘In loving memory of those buried here.’ Als de jongens toen die beenderen niet gevonden hadden en als de locals dat terreintje niet zo mooi hadden onderhouden, was heel dit verhaal compleet verdwenen in de mist van de geschiedenis.”

 

Het kerkhof van Tuam ligt aan de andere kant van de weg waar het tehuis stond. Waarom lieten de nonnen de kinderen daar niet begraven?

“Omdat ze uit ‘zonde’ geboren waren. De nonnen achtten de gestorven baby’s en kinderen van ongehuwde moeders niet waardig genoeg voor ‘gewijde grond’. Ze dumpten hen liever in de onderaardse gangen van de riolering onder het werkhuis. De kinderen waren allemaal gedoopt, maar toch bleven de nonnen hen als de vrucht van zonde zien. Rond 2012 zocht ik de oude grafdelver van het kerkhof van Tuam op. Hij vertelde me: ‘Er liggen kinderen onder The Home begraven. Niemand praat er over, maar sommigen wéten dat het zo is.’ Ik ging op zoek naar de plannen voor het werkhuis van architect George Wilkinson en zag meteen dat uitgebreide ondergrondse rioleringsstelsel. Vanuit The Home kon je daar indertijd in afdalen. Ik wou vervolgens weten hoeveel kinderen er tussen 1925 en 1961 in het tehuis gestorven zijn. Een behulpzame ambtenaar van het Registration Department Births, Deaths & Marriages in Galway dook in de overlijdensregisters. Ze belde me een paar weken later. ‘798 kinderen”, zei ze. Van twee kinderen vond ik begrafeniscertificaten terug, van de 796 anderen niet.”

 

_DSC0038Slechts twee hadden van de nonnen een officiële begrafenis gekregen?

“Die twee waren echte wezen en geen kinderen van een ongehuwde moeder. Met de hulp van een archivaris zocht ik uit of de kinderen niet op een ander kerkhof ergens in Ierland begraven konden liggen. Hun namen doken nergens op.

“In de jaren dertig werden rond The Home huizen gebouwd. Ik zocht contact met de oudere inwoners. Vanuit hun slaapkamerramen konden ze over de muren kijken. Iemand vertelde me dat hij ’s avonds laat graven had zien delven op het terrein waar nu een speeltuin is. Telkens wanneer dat gebeurde, zei zijn moeder: ‘Get down on your knees and say the rosary, boy. Er is weer een begrafenis in The Home.’

“Mary Moriarty vertelde me hoe ze als jonge twintiger in een onderaardse gang in doeken gewikkelde dode baby’s gestapeld zag liggen. Ze heeft dat verhaal nu onder ede bij de onderzoekscommissie herhaald. Zij woonde in de nieuwe wijk vlakbij het domein van The Home toen ze in 1975 het verhaal van de jongens hoorde. Zij ging samen met vrienden een kijkje nemen op de overwoekerde vindplaats. De bodem was niet stabiel, ze struikelde en viel in een put. Ze moet toen in een van de tunnels terechtgekomen zijn, want ze zag opgestapelde bundels, pakketjes met vermoedelijk de stoffelijke resten van dode baby’s. Haar vrienden hebben haar uit dat hol omhooggetrokken. De inmiddels overleden Julia Devaney die haar hele leven in het tehuis gewerkt heeft, vertelde in de jaren zeventig aan Mary dat een deel van haar werk eruit bestond om dode kinderen in de tunnels te dumpen. “Many a little one I put in there’, zei ze. Ook dat heeft Mary onder ede aan de commissie verklaard.

“Na mijn onderzoek kon ik alleen maar tot de conclusie komen dat de nonnen de rioleringstunnels gebruikten om er de dode kinderen in op te stapelen. Eerst begroeven ze kinderen op het terrein. Toen ze alle beschikbare plek hadden opgebruikt, begonnen ze met het vullen van de tunnels. Alles wat ik gevonden heb, is vorige week door onze minister voor Kinderwelzijn Katherine Zappone bevestigd. Dit is de lijst met alle doden en met hun leeftijden. Het is zo triest. De oudste is acht jaar. De meesten waren anderhalf. Ze stierven aan de gevolgen van grote verwaarlozing.”

 

Maar lag de kindersterfte in die periode in heel Ierland niet erg hoog?

“Natuurlijk waren er veel ziekten, zoals mazelen en difterie. Maar u moet eens op de doodsoorzaken letten die genoteerd werden. Heel vaak was dat buikgriep. Ik begrijp niet goed waarom zoveel kinderen daaraan moesten sterven. Buikgriep is heel besmettelijk, maar kan makkelijk gestopt worden door de zieke kinderen van de gezonde te isoleren. De nonnen waren verpleegsters en moeten dat toch geweten hebben?

“Er is ook nog het op band opgenomen getuigenis van wijlen Julia Deveney. Zij is geboren in 1916, kwam in 1925 als negenjarige bij de nonnen terecht en werkte haar leven lang gratis voor hen als hun dienstmeid en tuinier. Zij tekent een grim portret van hoe de nonnen de kinderen behandelden. Er was aan zelfgekweekte groenten geen gebrek en Julia kweekte ook kippen en varkens voor de nonnen. Zij getuigde dat de kinderen amper te eten kregen. Hun dieet bestond uit aardappelen, brood, melk en een walgelijke variant op pap. Julia zag de kinderen nooit vlees of groenten eten. Het tehuis werd gerund om zoveel mogelijk geld op te brengen.”

 

Waarom hadden de nonnen dat geld nodig?

“In 1945 openden ze een privéziekenhuis in Tuam dat gefinancierd zou zijn met de opbrengst van The Home. Omdat de kinderen in hun ogen toch niet deugden, mochten ze er een flinke stuiver aan verdienen. De nonnen zagen de ongehuwde moeders als gevallen vrouwen. Hoe meer ze afzagen, hoe beter. Over de mannen die de vrouwen bezwangerd hadden, werd met geen woord gerept. Terwijl sommige vrouwen waarschijnlijk verkracht waren of bevrucht door priesters. Ierse ongehuwde moeders hadden geen andere keuze dan in zo’n tehuis bevallen en hun kind afstaan. Ze kregen op geen enkele manier steun om hun baby zelf op te voeden en werden onder druk van de clerus door hun families verstoten.”

 

Heeft de leiding van de katholieke kerk contact met u gezocht?

“Nee, ik heb hen gecontacteerd. Michael Neary, de aartsbisschop van Tuam, heeft me in 2015 na veel aandringen ontvangen. Ik toonde hem mijn research en vroeg of hij met de nonnen wou gaan praten. Hij zei niet nee en niet ja en ik wist: deze man zal helemaal niets ondernemen. Op zondag 5 maart werd hij na de mis opgewacht door cameraploegen van alle nieuwsprogramma’s. Hij zei live hoe afschuwelijk het was. Dat was zijn allereerste blijk van medeleven.”

 

Bent u nog katholiek?

“Ik geloof in Jezus’ boodschap van liefde, maar de georganiseerde religie kunnen we missen als kiespijn. Als niemand het ziet, fluisteren sommige inwoners van Tuam me in het oor: ‘Great job, Catherine.’ Ze zijn nog steeds bang dat ze in de hel zullen branden als ze de kerk openlijk durven bekritiseren. Na al die eeuwen van katholieke indoctrinatie is schuld deel geworden van de Ierse ziel. Van de wieg tot het graf wordt er gedreigd met hel en verdoemenis. Er is nog steeds die innige verstrengeling tussen kerk, overheid én politie. Je moet hier leven om het te kunnen begrijpen.

“Ik heb de voorbije twee weken ontzettend veel brieven van Home Babies gekregen: ‘Catherine, thank you for what you’ve done.’ Als de zusters van Bon Secours in 2014 hun verontschuldigingen hadden aangeboden in plaats van alle verantwoordelijkheid af te wijzen, was het niet tot dit megaschandaal uitgegroeid. Maar op een sorry van de nonnen hoeven de survivors niet te rekenen. Ik vrees dat die er ook nooit zal komen.”

 

***

_DSC0064

Waar vroeger de sombere gebouwen van het Bon Secours Mother and Baby Home het straatbeeld van Dublin Road domineerden, staan nu huizen die dateren uit het midden van de jaren zeventig. De enige fysieke herinneringen aan The Home zijn een granieten muur en de met houten schuttingen afgezette plek waar twee jongens in 1975 kinderskeletten in een beerput vonden. Een groot bord maakt duidelijk dat de plek een ‘construction site’ geworden is waar onbevoegden niet welkom zijn. We klimmen op het muurtje, werpen een blik over de schutting en kijken recht op de grot met Mariabeeld die de locals voor de gestorven kinderen bouwden. Het gazon is vervangen door steenslag. Niet zo lang geleden is hier duchtig gegraven. Aan de schuttingwand hangen de namen van de 796 kinderen. Er liggen verse ruikers bloemen. Het speelpleintje ernaast ligt er verlaten bij. Daar is de graafmachine nog niet gepasseerd. Voor buurtbewoonster Maura Ryan mag dat zo blijven. “Laat de kinderen toch in vrede rusten”, zegt ze. Vanuit haar huis heeft ze zicht op de gruwelsite. “We wisten allemaal dat er hier ergens baby’s begraven waren. Het is een afschuwelijk verhaal, maar de survivors willen al dat gedoe niet. Ze weten nu wat er gebeurd is en verlangen naar rust.” Wat vindt Maura van het speurwerk van Catherine Corless? “Ze mag er mee ophouden, want volgens mij is ze vooral uit op eigen eer en glorie.”

 

© Tekst: Jan Stevens

© Foto’s: Veerle Van Hoey

Het gehandicapte meisje Nujeen Mustafa was vijftien toen ze in september vorig jaar in haar rolstoel via de Balkanroute van Syrië naar Duitsland vluchtte. Ze gruwt van politici die de deur voor Syrische vluchtelingen liefst gesloten willen houden. “Ze denken enkel aan hun eigenbelang en zijn vergeten wat het inhoudt om goed en juist te handelen.”

 

Op nieuwjaarsdag wordt het Syrische vluchtelingenmeisje Nujeen Mustafa zeventien. Haar verjaardag zal ze dan niet vieren. “Misschien vier ik hem nooit meer”, zegt ze. De dag dat ze Aleppo verliet, stopte ze met jarig zijn. “Dat is bijna vijf jaar geleden. De hele wereld feest die dag; ik niet. Ik heb geen enkele reden om wat dan ook te vieren.”

Nujeen vluchtte in september vorig jaar samen met haar tien jaar oudere zus Nasrine vanuit Syrië via de Balkanroute naar Duitsland. Sinds haar geboorte lijdt Nujeen aan spastische tetraplegie. “Ik heb mijn ledematen niet onder controle.” In haar rolstoel en met haar looprekje op schoot legde ze 5.831 kilometer af. Vandaag woont ze met haar zus in een rustig dorp tussen Keulen en Bonn. Ze gaat niet langer zelf of zoek naar nieuws uit Aleppo. “Dat is zo deprimerend. Ik kan bijna niet meer naar beelden van de totaal verwoeste stad kijken. Ik voel me schuldig omdat ik van de ellende wegkijk, want dat is alsof ik mijn landgenoten in de steek laat. Toch kan ik niet in een constante staat van verdriet en droefheid leven. Het nieuws achtervolgt me en overspoelt me toch: het is op tv, Facebook, Twitter, overal. Ik zou de kinderen willen helpen. Ik weet wat ze doormaken, al kan ik voorlopig niets voor ze doen, behalve bidden.”

Samen met de Britse journaliste Christina Lamb schreef Nujeen Mustafa over haar vlucht van het door oorlog verscheurde Syrië naar het veilige Duitsland het aangrijpende boek Nujeen. “Van zodra één lezer vluchtelingen niet langer als een bedreiging ziet, is mijn opdracht geslaagd.” Ze heeft geen begrip voor Belgische politici die Syrische oorlogsvluchtelingen liever kwijt dan rijk zijn, of die ‘Wir schaffen das’ van Angela Merkel een oliedomme uitspraak vinden. “Je naaste helpen, kan volgens mij nooit verkeerd zijn”, zegt ze. “Als het oerdom is om het juiste te doen, is dat maar zo. Die politici denken enkel aan hun eigenbelang en zijn vergeten wat het inhoudt om goed en juist te handelen. Het doet me pijn dat veel mensen angst hebben voor vluchtelingen. We zijn geen aliens waar wormen uitkruipen. Voor het eerst in mijn leven bewijst mijn handicap me een dienst. Want doordat ik in een rolstoel zit, lijk ik totaal ongevaarlijk en krijg ik ook medeleven en aandacht van mensen die alle vluchtelingen liefst willen terugsturen. Wij zijn niet naar Europa gekomen omdat we dromen van een luilekkerlange vakantie. Niemand verlaat zijn geboorteland voor zijn plezier. We ontvluchten de dood en het tragische is dat veel landgenoten op hun helse tocht door de dood worden ingehaald. Sommige vluchtelingen verdrinken, anderen worden vermoord door smokkelaars of teren weg in een overbevolkt vies kamp. Wij zijn niet naar Europa gekomen om sociale voorzieningen te plunderen of jobs in te pikken. We zijn op de vlucht voor oorlog en proberen ons leven van nul herop te bouwen.”

 

In wat voor buurt groeide je op?

Nujeen Mustafa: “In een heel gewone Koerdische wijk in Aleppo. Ik ben geboren in Manbij, een woestijndorp op 100 kilometer van Aleppo. Ik woonde er niet graag. Toen ik vier was, verhuisden we naar de stad. Mijn ouders spraken geen Arabisch en na het streng islamitische Manbij was Aleppo een heuse verademing. Iedereen in onze buurt sprak onze taal, het Kurmanji. Ik had er een zeer gelukkige jeugd, ook al kon ik door mijn handicap niet naar school. We woonden op de vijfde verdieping en er was geen lift, dus bracht ik de meeste tijd door in ons appartement. Ik groeide op tussen volwassenen en had niet veel vrienden van mijn leeftijd. Ik probeerde mezelf les te geven. Ik was heel nieuwsgierig en wou steeds meer weten. Ik keek naar tv en las veel boeken. Ik ben een echte boekenwurm. Met de hulp van mijn zus heb ik leren lezen en schrijven. Ik leerde Engels door naar de Amerikaanse soap Days of our Lives te kijken. Aleppo was vroeger een fiere, levendige, fantastische stad met oude soeks en een rijke geschiedenis. Het was de economische hoofdstad van Syrië. De straten liepen vol toeristen. Dat is nu allemaal weg.”

 

Volgde je in 2011 op tv het begin van de Arabische Lente?

“Natuurlijk. Zeven dagen op zeven, vierentwintig uur lang. Ik hoorde het eerst over de Arabische Lente in januari van dat jaar, toen de Tunesische president Zine El-Abidine Ben Ali zijn land ontvluchtte. Daarna volgden we de revolutie in Egypte. Er was zoveel enthousiasme, er was zoveel hoop op vrijheid. Ook in Syrië. Maar mijn vader en de ouderen wisten dat het bij ons anders zou verlopen dan in andere landen. Zij wisten dat er bij ons een andere mentaliteit heerste. Tegen beter weten in bleven wij hopen dat onze leiders toch beter waren. Dat was niet zo. (Stilte, gevolgd door een lange zucht) Sorry, herinneringen.”

 

In de zomer van 2012 besloten je vader en moeder om uit het belegerde Aleppo weg te vluchten naar Manbij.

“Ik vond Manbij een verschrikking. Ik ben een stadsmeisje. (lacht) Het is niet goed om daar als een van de weinige Koerdische families te leven. We werden door de dorpsbewoners met de nek aangekeken omdat we geen Arabisch spraken. Maar ook voor mensen met een ander Arabisch dialect haalden ze de neus op. Manbij was hard, het was alsof ons leven er tijdelijk stopte. Mijn vader had geen werk en we zaten te wachten op iets dat nooit kwam. We werden bijna dagelijks door Assad en de Russen gebombardeerd en werden echte experts in het herkennen van oorlogstuig. ‘Ik hoor een MIG’, riep een van ons. ‘Er vliegt een helikopter rond.’”

Nujeens zus Nasrine: “Of: ‘Daar ratelt een DschK.’”

Nujeen: “Of: ‘Daar valt een clusterbom.’”

Nasrine: “Is dat geen MIG-21?”

Nujeen: “Nee het is een MIG-23.” (de zussen lachen)

 

Die bommen hadden op jullie hoofd terecht kunnen komen.

“Ja en er was geen enkele manier waarop we ons konden beschermen. Wij zijn moslims en geloven in onze bestemming. Wat moet gebeuren, zal ook gebeuren. Als we vandaag moeten sterven, kan niets of niemand daar iets aan veranderen.

“De angst waarin we leefden, was veel erger dan de dood. We waren uit Aleppo weggevlucht omdat de gevechten en bombardementen steeds dichterbij kwamen. Er leefden in de stad veel verschillende bevolkingsgroepen samen, waardoor de toestand steeds explosiever werd. Toen het leger van Assad binnenviel en de wijk naast de onze met tanks begon te beschieten, besloten mama, papa, ik, mijn grote zus Nasrine en mijn broer Bland te vertrekken naar Manbij. Tankbeschietingen zijn veel erger dan luchtbombardementen. Maar in Manbij was het geen haar beter.”

 

Het dorp werd veroverd door IS?

“Het dorp werd gecontroleerd door verschillende jihadistische groepen, IS was er een van. Vrouwen en meisjes moesten zich sluieren. Ik kwam niet veel buiten, maar als Nasrine de deur uitging, moest ze zich van kop tot teen bedekken. We waren niet alleen bang voor de bommen, maar ook voor de bebaarde mannen die de lakens uitdeelden in het dorp. Eén kleine vergissing volstond om in de gevangenis te vliegen of onthoofd te worden. Het buurdorp Jarabulus aan de Turkse grens was compleet in handen van IS. Ik werd er samen met mijn oom, broer en zus tegengehouden door jihadisten. Ze zagen er angstaanjagend uit, zwaaiden met hun geweren en vroegen waarom ik geen sluier droeg. ‘Ze is pas twaalf en gehandicapt’, zei Bland. We hebben toen veel geluk gehad, want ze lieten ons verder rijden. Bland zei: ‘Dat zijn de gasten die je auto van je afpakken nadat ze drie keer Allahoe Akbar hebben geroepen.’ Hij maakte ook nog een grapje: ‘Jij mag blij zijn dat ze je hoofd niet hebben afgehakt.’ Ik was doodsbang.

“Onze oudste broer Shiar Abdi leeft sinds 1990 in Europa. Hij vluchtte toen als jongen van twintig uit Syrië weg. Hij werkt als regisseur hier in Duitsland en kwam ons in 2013 in Manbij bezoeken. Hij werkte aan zijn film Road to Aleppo. Hij vond dat we zo snel mogelijk Syrië moesten verlaten. ‘Jullie zijn net levende doden’, zei hij. De voortdurende angst was ons aan het ondermijnen. Mijn ouders wilden niet weg. Ze vroegen: ‘Geloven jullie echt dat jullie in een land als Duitsland gelukkig zullen zijn?’ Wij verlangden naar veiligheid. Onze ouders hebben ons helpen vluchten om ons te redden. Zij zijn in Turkije gebleven. Ik heb ze een jaar en vier maanden lang niet meer gezien en ik mis ze. Ik hoop dat ze binnen afzienbare tijd op een fatsoenlijke manier met het vliegtuig naar Duitsland kunnen komen. Het is vandaag trouwens een heel goede dag: ik kreeg net bericht dat ze in aanmerking komen voor familiehereniging.”

 

Hoe moeilijk was het om in Jarabulus de grens over te steken?

“We zaten uren in een oververhitte auto te wachten. Mijn oom Ahmed had de grenswachters omgekocht, maar die beslisten vervolgens dat alleen ik samen met mijn oom Turkije binnen mocht. Vier uur lang heeft Bland toen onderhandeld. Ondertussen probeerde ik in de auto de sfeer erin te houden. Ik vroeg mijn oom de pieren uit zijn neus. ‘Hoeveel steden zijn er in Turkije? Hoeveel mensen wonen er? Leven er ook christenen?’ Uiteindelijk mochten we oversteken en dat was een fantastisch gevoel. Maar er was ook het besef dat ik mijn thuis misschien nooit nog zou weerzien. Ik word heel vaak overvallen door heimwee, maar de werkelijkheid is wat ze is. Ik ben nu veel te ver weg van thuis.”

 

Vanuit Turkije vluchtte je via de Balkanroute naar Duitsland, duizenden kilometers. Jij zat in een rolstoel en had je looprekje bij.

“Ik moest in het Turkse Behram met mijn rolstoel in de rubberboot voor de oversteek naar Griekenland. Het kon niet anders. Sommigen wilden dat ik mijn rolstoel achterliet en me liet dragen, maar zonder rolstoel was ik hier nooit geraakt.”

 

Was je je bewust van het gevaar?

“Ik wist dat veel boten gekapseisd waren. Wij maakten onze overtocht op dezelfde dag dat het lichaam van het driejarige jongetje Aylan op het Griekse strand aanspoelde. Vlak nadat wij voet aan wal op het eiland Lesbos zetten, hoorden we het verhaal van Aylan. Als ze ons dat voor de oversteek hadden verteld, waren we nooit in die boot gestapt. We spraken onszelf moed in: ‘Zoveel mensen zijn ons voorgegaan, we redden het wel.’

“Wij waren met 38 mensen. Mijn oom had de smokkelaar extra betaald voor een nieuwe rubberboot, exclusief voor ons. Maar die boot bleek allesbehalve nieuw: de bodem was gerepareerd. Volgens de verpakking was er plaats voor maximum vijftien personen. In de andere boten die samen met ons vertrokken, zaten tot vijftig mensen opeen gepropt.”

 

Wat vind je van die smokkelaars die zonder scrupules dure plaatsen in opgelapte rubberboten van bedenkelijke makelij verkopen?

“Ik heb geen tijd om te haten of boos op iemand te zijn. Ik hoop alleen dat die smokkelaars zich er heel goed bewust van zijn dat de bootvluchtelingen hun leven riskeren.”

 

Hoeveel heeft je oom voor de oversteek van jou en je zus betaald?

“Drieduizend dollar of 2.660 euro. En honderd euro extra voor onze zwemvesten.”

 

Je oom moest zelf de boot sturen.

“Ja. Hij had dat nog nooit gedaan. Op voorhand had hij een paar filmpjes met vaarinstructies op Youtube bekeken.”

Nasrine: “Wij hebben geluk gehad dat hij dat gedaan heeft. Er vertrokken gelijk met ons nog drie andere boten, maar die mensen hadden geen flauw idee hoe ze de golven op zee moesten bedwingen.”

Nujeen: “Later hoorden we dat één boot bijna meteen na het vertrek omsloeg. Een andere kapseisde vlak voor Lesbos. Gelukkig kon iedereen gered worden. De derde boot werd onderschept door de Turkse kustwacht. Alleen onze boot heeft het dankzij de vaarkunsten van oom Ahmed heelhuids gehaald. Ik schrok heel erg toen we aan land gingen. Journalisten stonden ons er met camera’s en microfoons in de aanslag op te wachten. Niet veel later kwam een gevoel van geluk opzetten, want dit was de eerste stap in mijn nieuwe leven. Vrijwilligers hielpen mij en mijn rolstoel aan wal. Ik besefte: dit is Europa. Hier word je op een totaal andere manier behandeld dan in Syrië. Hier ben je terug een mens.”

 

Was je bang om teruggestuurd te worden?

“Ik kon me niet voorstellen dat ook maar iemand zo een ijskoud hart kon hebben dat hij ons zou terugsturen na alles wat we hadden meegemaakt. Nu is de Balkanroute dicht en zitten veel landgenoten in erbarmelijke omstandigheden vast in Turkije. Wij hebben onwaarschijnlijk veel geluk gehad.”

 

Waarom maakte je met je zus de lange reis naar Duitsland? Was dat omdat Angela Merkel zei: “Wir schaffen das”?

“Als klein kind droomde ik al van een bezoek aan Duitsland waar mijn grote broer woonde. Ik wist ook dat de Duitse ziekenhuizen en dokters een uitstekende reputatie hadden. Ik dacht: ‘Misschien kunnen zij me helpen.’ Maar we hadden daar de middelen niet voor. Vorig jaar was Duitsland zowat het enige land dat oorlogsvluchtelingen uit Syrië warm welkom heette. Waar moesten we anders heen?

“Op Lesbos werden we door vrijwilligers opgevangen in een centrum. We kregen droge kleren. De nacht moesten we op straat doorbrengen, aan een bushalte. De volgende ochtend zou een bus ons komen ophalen, maar die kwam nooit. Een vrijwilligster heeft voor ons dan een taxi betaald die ons naar Mytilini bracht, de hoofdstad van het eiland. Daar hebben we pizza gegeten. Het viel me op dat het Griekse alfabet erg op het Hebreeuwse lijkt.”

 

Jij was de enige die Engels sprak. Jij moest altijd het woord voeren?

“Ja, ik moest in een café aan een kelnerin een kop hete chocola vragen voor mijn zus. (lacht) In Mytilini liepen we een Koerdische man tegen het lijf en het was een verademing om eindelijk een serieuze conversatie te kunnen voeren.”

 

Toen jullie op weg waren naar Duitsland, was Hongarije naarstig bezig met het bouwen van de beruchte omheining aan de grens.

“De dag nadat wij die grens overstaken, ging de poort onherroepelijk dicht. Afschuwelijk. Ik begrijp die Hongaarse eerste-minister Viktor Orban niet. Waarom is hij zo bang van ons? Zien we er soms uit als monsters? Het lijkt alsof de wereld gek aan het worden is, met een nieuwe Amerikaanse president die ook zo’n muur wil bouwen. Het is triest dat wereldwijd zo weinig mensen nog willen zien wat wij allemaal gemeenschappelijk hebben. Alleen de verschillen worden benadrukt.”

 

De hele reis lang was je bang dat je ergens je vingerafdrukken zou moeten achterlaten, want dan moest je in dat land ook asiel aanvragen.

“Dat was een echte griezelfilm. ‘Geef geen vingerafdrukken! Nee, geen vingerafdrukken!’ We werden experts in het ontwijken van grenswachters en agenten die uit waren op onze vingerafdrukken. We bleven op de hoogte via verschillende Facebook-groepen. In een paar weken tijd kenden we de Europese wetten beter dan de meeste Europeanen. (lacht) We goochelden met begrippen als ‘Schengen’ en ‘Maastricht’. We reisden met bussen, taxi’s, treinen, veerboten en af en toe te voet. Elk transportmiddel was goed.”

 

Maar altijd met je rolstoel en je looprek. Dat moet toch een last geweest zijn?

“Voor mij lijkt het alsof heel Europa aangepast is aan de noden van rolstoelgebruikers zoals ik. Er was altijd wel een plek waar ik mijn rolstoel kon stallen, al was het toch een zware tocht. Nasrine droomde ook elke nacht dat ze op een bus zat, op weg naar ergens. (lacht) Mijn grote zus is de volwassene van ons twee; ik was degene die de hele reis grappen maakte. Ik had medelijden met haar: die rolstoel duwen, was best vermoeiend. De tocht was niet altijd even prettig, maar het heeft geen zin om daarover te blijven kniezen. Ik ben optimistisch van aard en dat helpt me vooruit.”

 

Voelde aankomen in Duitsland op een of andere manier als ‘thuiskomen’?

“Nee, echt niet. Ik voelde me wel welkom en ik voelde ook heel snel verwantschap met de Duitsers. Ik merkte dat ze gefocust zijn op werk en dat ze heel goed georganiseerd zijn. Je hangt hier niet zomaar doelloos rond. Dat beviel me en ik begon zelf ook te ‘verduitsen’. Ik zag het wel zitten om Duits te leren, naar een Duitse school te gaan, Duitse vriendinnen te hebben en één van hen te zijn.

“Mijn leven is nu duizend keer beter dan een jaar geleden. Ik ga elke dag naar school en ben daar zeer dankbaar voor. Maandag had ik een toets Duits en donderdag heb ik een toets wiskunde. Ik heb het druk en ik vind dat heel fijn. Ik werk hard en ik wil bewijzen dat ik een goede burger in deze samenleving kan zijn. Ik ben hier te gast en moet daarom een uitstekende indruk maken. Ik wil een goede ambassadeur van mijn land zijn. Ik ga hard werken zoals de Duitsers dat doen. Ik wil fysicus worden, want ik hou van ingewikkelde vraagstukken. Mijn grote droom is: astronaut worden.”

 

Keer je ooit terug naar Syrië?

“Zeker.”

 

Het lijkt erop alsof Assad de oorlog aan het winnen is.

“De dictator zal nooit winnen. (stilte) Maar ooit ga ik terug. (diepe zucht) Misschien duurt het nog twintig, dertig, veertig jaar. Ik moét gewoon terug.”

 

Nujeen Mustafa, Christina Lamb, Nujeen, Harper Collins, 17,95 euro

 

© Jan Stevens

Bijna veertig procent van de Amerikaanse technologie-start-ups haalt zijn vierde verjaardag niet. De helft van de gefailleerden gaat ten onder aan mismanagement. Dat blijkt uit cijfers van de universiteiten van Illinois en Tenessee. Maar ook veel ‘succesvolle survivors’ zijn volgens technologiejournalist Dan Lyons niet meer dan reuzen op lemen voeten. Zoals het tien jaar oude HubSpot dat 3 miljard dollar waard is, duizend mensen tewerkstelt en de miljoenenverliezen opeenstapelt. Lyons schreef er het ontluisterende Disrupted over.

 

Vorige week vond in New York de Robin Hood-conferentie plaats, een van de belangrijkste congressen in Amerika voor hefboomfondsinvesteerders. Tijdens een lezing zei investeerder Mark Spiegel dat het door velen bewierookte Tesla welgeteld nul euro waard is. Meer zelfs, door de torenhoge schuld bevindt de waarde van Tesla zich mijlenver onder nul. “Spiegel omschrijft dat hele bedrijf nog net niet als een zwendel”, zegt technologiejournalist Dan Lyons. “Hij gaf een overzicht van alle leugenachtige verklaringen die ooit door Elon Musk de wereld ingestuurd zijn, en dat was een stevige lijst. Volgens Spiegel zijn alle huidige aandeelhouders en investeerders misleid. Ik vind die man heel dapper, want hij gaat resoluut in tegen het Wall Street-koor dat de lof van Tesla blijft zingen.”

Lyons stoort zich mateloos aan de beate bewondering voor technologiestart-ups zoals Tesla. “Bijna veertig procent van de Amerikaanse tech-start-ups haalt zijn vierde verjaardag niet. De helft is ten onder gegaan aan mismanagement. Vijf jaar geleden gingen 65 Amerikaanse start-ups op de beurs. De overgrote meerderheid had op dat moment nog nooit winst gemaakt en verloren massaal veel geld. Het start-up-evangelie luidt als volgt: ‘We pompen veel geld in zo’n bedrijf om het de kans te geven om klanten te winnen, zo snel mogelijk te groeien en zo groot mogelijk te worden. Ooit moet dan het moment komen waarop het bedrijf het grootst mogelijke marktaandeel verworven heeft. Als het zover is, verdienen we handenvol geld.’ Maar ik vrees dat dit zakenmodel vooral bubbels creëert. De durfkapitalisten die erin investeren, promoten het omdat ze er zelf rijker van worden. Ze passeren langs de kassa van zodra het opgepompte bedrijf op de beurs gaat en de aandelenkoers grote hoogten bereikt. De stichters doen net hetzelfde. Ook zij verdienen geld aan de bubbel die ze zelf hebben gecreëerd. De grootste slachtoffers zijn de brave burgers die al die onzin geloven en met hun zuurverdiende spaarcenten aandelen kopen: zij worden het kind van de rekening.”

Op 15 april 2013 stapte de toen 52-jarige Dan Lyons het kleurrijke hoofdkwartier van start-up HubSpot in Boston binnen. HubSpot boekt sinds zijn oprichting in 2006 elk jaar miljoenenverliezen, 46 miljoen dollar in 2015, en toch bedraagt de beurswaarde vandaag drie miljard dollar. Dan Lyons werkte jarenlang voor Forbes en Newsweek en was een tijdlang hoofdredacteur van de in San Francisco gevestigde IT-nieuwssite ReadWrite. Hij solliciteerde bij HubSpot omdat hij het wekelijkse pendelen tussen zijn thuisstad Boston en San Francisco spuugzat was. Wanneer Lyons zich op zijn eerste werkdag aan de receptie aanmeldde, bleek niemand van zijn komst op de hoogte. De baas voor wie hij ging werken, was er niet. Uiteindelijk nam een prille twintiger hem op sleeptouw voor een rondleiding door het in een 19e-eeuwse fabriekspand gevestigde kantoor. Dan passeerde langs de dutjeskamer waar vermoeide werknemers een oog dichtknijpen, wierp een blik op de ruimte vol muziekinstrumenten voor spontane jamsessies, stond oog in oog met een gigantische glazen wand vol snoep en gaf de loslopende honden een aai. “Tot zover leek HubSpot een kopie van Facebook of Google”, zegt hij. “Al die hippe technologiebedrijven zien eruit als de kleuterschool waar mijn kinderen op zaten. Ik voelde me door de kille ontvangst niet meteen verontrust. Terwijl de alarmbellen toen al hadden moeten afgaan, want mijn rechtstreekse baas was op geen enkele manier in mij geïnteresseerd. Sterker nog: hij was me liever kwijt dan rijk. Ik had in mijn leven als technologiejournalist heel wat start-ups in Silicon Valley en New York bezocht, en ik kende dat type van ‘knusse’ kantoren met zitzakken, ijskasten vol gratis bier, pingpongtafels en vrolijk ronddrentelende honden. Het kantoor zelf was die eerste dag geen verrassing, wel de manier waarop mijn nieuwe baas me door zijn afwezigheid vanaf de eerste seconde liet voelen dat ik wat hem betrof quantité négligable was.”

Dan Lyons kreeg een zitbal en een bureau toegewezen. “De bal wist ik snel in te ruilen voor een echte bureaustoel.” Anderhalf jaar later vertrok hij met slaande deuren. Sinds de zomer van dit jaar ligt zijn boek Disrupted in de Amerikaanse boekhandel waarin hij op vaak hilarische wijze afrekent met HubSpot en bij uitbreiding met zowat de hele Amerikaanse start-up-industrie. ‘Silicon Valley-bedrijven’ worden volgens Lyons te vaak geleid door ongemanierde sociopaten met een acuut gebrek aan leiderschap, die er dankzij de gretige media-aandacht in slagen massaal veel geld op te halen. Lyons werd door HubSpot aangeworven voor het schrijven van een serieuze journalistieke blog, maar belandde vanaf dag één op de content factory, waar hij blogposts moest schrijven met titels als ‘Vijf manieren om je homepage awesome te maken.’

 

Vandaag werkt u terug als echte journalist.

Dan Lyons: “Ja, en dat is een opluchting. De wereld van HubSpot staat mijlenver af van die van de journalistiek. In vergelijking met de meeste andere Silicon Valley-achtige start-ups is HubSpot misschien wel het meest geschifte bedrijf. HubSpot wil niet alleen gezien worden als producent van marketingsoftware, maar ook als een onderneming die experimenteert met nieuwe manieren van werken. Ze presenteren zichzelf als ‘revolutionair’ en de oprichters geven TedTalks over hoe hun start-up de wereld zal verbeteren. Veel van wat zij als eerste in de praktijk brachten, is ondertussen ingeburgerd bij andere start-ups. Bij HubSpot werken geen werknemers, maar ‘rockstars’ die ‘magie maken’. Elke mail die ze naar elkaar versturen, eindigt met ‘Go HubSpot Go!!!!’ De cultuur van het bedrijf lijkt op die van een sekte, en is ondertussen wijdverspreid bij heel wat andere start-ups.”

 

U was 52 toen u bij HubSpot startte; uw collega’s konden uw kinderen zijn.

“De gemiddelde leeftijd bedroeg 26. Dat is een bewuste keuze van de oprichters: ze willen enkel jonge mensen in dienst omdat ze zo de loonkost kunnen drukken. Er speelt nog een andere reden: jonge, pas afgestudeerde personeelsleden zijn makkelijker te manipuleren. Ze durven niet kritisch uit de hoek te komen, zijn zich minder bewust van hun rechten en laten zich sneller intimideren. De meesten blijven niet lang in dienst en worden zonder al te veel plichtplegingen op straat gezet. Twee jaar is zowat de maximale termijn.”

 

Waarom namen ze u dan als enige vijftiger aan?

“Ik dacht dat ze me omwille van mijn ervaring wilden. Ik heb veertien jaar als technologiejournalist gewerkt en leefde in de veronderstelling dat HubSpot wou dat ik voor hen ook een journalistiek project op poten ging zetten. Ondertussen weet ik beter. Ik vermoed dat mijn aanwerving vooral een goedkope publiciteitsstunt was.”

 

Uw overstap kreeg veel aandacht in de pers?

“De rekrutering van een gekende technologiejournalist zorgde voor buzz in de gespecialiseerde pers. Maar wat ook meespeelde, is dat het klikte tussen mij en de twee oprichters van HubSpot. Onze allereerste ontmoeting tijdens de sollicitatieprocedure verliep zeer gemoedelijk. Het leken fijne kerels en we deelden hetzelfde gevoel voor humor. Ik ben ervan overtuigd dat ze toen dachten: ‘Die Dan Lyons is best een geschikte peer.’”

 

De stichters en eigenaars Brian Halligan en Dharmesh Shah zijn 49.

“Ze zijn niet echt piepjong meer. Ik vermoed dat het daarom tijdens dat gesprek zo goed klikte. Maar de kerels net onder hen waren helemaal niet in mij geïnteresseerd. Omdat de twee opperbazen zo enthousiast waren, durfden de tussenbazen mijn aanwerving niet openlijk aanvechten. Al beschouwden ze me eerder als een last dan als een aanwinst.”

 

Kent u de roman De Cirkel? Daarin beschrijft Dave Eggers hoe de prille twintiger Mae gelooft dat ze in het paradijs terechtkomt wanneer ze aan de slag kan bij De Cirkel, het belangrijkste internetbedrijf ter wereld. Het ultieme doel van haar ‘bevlogen’ ceo’s is: complete ‘transparantie’. ‘Transparantie’ is ook wat de ceo’s van HubSpot nastreven. Uw boek Disrupted is De Cirkel, maar dan in het echt.

“Ik moet die roman dringend lezen. (lacht) U bent niet de eerste die me op de gelijkenissen wijst. Eggers haalde voor De Cirkel zijn mosterd bij Google. Ik heb in het verleden vaak over dat bedrijf geschreven, maar ik kon er nooit diep genoeg in binnendringen om te weten hoe het er écht aan toe gaat. Bij HubSpot raakte ik wel helemaal ondergedompeld in de cultuur en het was alsof ik bij Scientology zat. Er was geen plaats voor afwijkende meningen. De stichters hadden er hun bizarre versie van de realiteit gecreëerd en iedereen die er werkte was het er gloeiend over eens: die realiteit ís de werkelijkheid. Ofwel ga je daar als werknemer in mee, ofwel zoek je zo snel mogelijk andere oorden op. Ik kon niet meestappen in het HubSpot-universum, maar ik was wel gefascineerd door hoe anderen alles meteen aanvaarden. De eerste weken vroeg ik me af: ‘Doen ze ook alsof? Weten ze dat het bullshit is, maar willen ze hun job niet verliezen en spelen ze daarom het spelletje mee? Of zijn het echte gelovigen?’ Na verloop van tijd wist ik het zeker: de collega’s geloofden echt en waren compleet gehersenspoeld. Werken bij HubSpot riep herinneringen op aan mijn door de katholieke kerk gedomineerde jeugdjaren. Ik zag hoe jonge mensen geïndoctrineerd werden met de zweverige The HubSpot Culture Code zoals die is neergeschreven door Dharmesh Shah. Die code schetst HubSpot als een soort Utopia, waar het individu ondergeschikt is aan de groep en evenwicht tussen werk en leven van geen tel is omdat het werk het leven is. De ideale ‘HubSpotter’ is een werknemer die de vijf eigenschappen van het door Shah verzonnen concept HEART in zich verenigt. HEART staat voor Humble (bescheiden), Effective (doeltreffend), Adaptable (flexibel), Remarkable (opvallend) en Transparant (doorzichtig). De ultieme HubSpotter maakt volgens Shah magie door met die vijf eigenschappen te goochelen.”

 

Start-up-goeroes zoals Shah en Halligan zijn hedendaagse versies van de pastoors en missionarissen uit uw jeugd?

“Precies. Bij HubSpot wordt het werk religie. Maar de gelovigen zitten niet alleen in het bedrijfsgebouw in Boston. Elk jaar organiseert HubSpot de ‘Inbound Conference’ en vorig jaar kwamen daar maar liefst 10.000 enthousiaste gelovigen op af. Veel gebruikers van de HubSpot-software gaan kritiekloos mee in dat new age-achtige geneuzel. De stichters van HubSpot zeggen over hun eigen bedrijf dat het niet zomaar een softwareontwikkelaar is, maar een ‘beweging die de wereld wil veranderen’. Ze zijn gespecialiseerd in het door henzelf bedachte ‘inbound marketing’. Hun inspiratie haalden ze bij life coach en salesgoeroe Tony Robbins. Hij is de auteur van bestsellers met veelzeggende titels als: Unleash the Power Within en Awaken the Giant Within. Ze hebben ook hun oor te luisteren gelegd bij tele-evangelist Joel Osteen.”

 

Wat HubSpot ‘inbound marketing’ noemt, is volgens u niets meer dan op grote schaal versturen van spam?

“Het is een duur woord voor contentmarketing, waarbij ‘ordinaire’ reclameboodschappen vervangen zijn door reclameboodschappen die eruitzien als journalistieke artikels of filmpjes. HubSpot richt zich vooral op kleine en middelgrote ondernemers en verkoopt hen een software-abonnement. In ruil voor hun lidgeld hebben ze toegang tot de HubSpot-cloud. Met de niet eens zo gesofisticeerde cloudsoftware kunnen ze hun eigen blog uitbouwen, e-mails versturen en mensen beginnen spammen. HubSpot noemt dat geen spam, maar ‘lovable marketing content’. Ze hebben daar zelfs een hele campagne rond gebouwd met t-shirts met daarop de boodschap: ‘Make love not spam’, terwijl hun inbound marketing vooral bestaat uit het versturen van mails naar miljoenen mensen. Dat is toch spammen?”

 

De newspeak van HubSpot lijkt op die van George Orwell in zijn Big Brother-roman 1984.

“Het is er een perfecte doorslag van. Ik noem het ‘Hubspeak’. (lacht) De eerste dagen hoorde ik mijn collega’s ratelen over TOFU, MOFU of SLA. Het bleken zelfverzonnen afkortingen te zijn, zo staat SLA voor ‘Service-Level Agreement’. Ze hanteerden er zoveel dat ze er op de interne bedrijfswebsite hun eigen woordenboek mee hadden samengesteld, speciaal voor nitwits zoals ik. Transparantie was een van de grootste waarden, terwijl de kerels aan de top allesbehalve transparant waren. Mensen werden continu ontslagen: een collega die de ene dag vrolijk naast je zat, was de volgende ochtend verdwenen. Van zodra je je mailbox opende, wist je waarom: ‘Bettina has graduated and will not be back in the morning – Bettina is afgestudeerd en komt vanmorgen niet meer langs.’ ‘Graduation’ of afstuderen is Hubspeak voor ontslag. Het was net 1984.”

 

Was u niet bang dat HubSpot u na publicatie van Disrupted voor de rechter zou sleuren?

“Die angst was er zeker. In mijn arbeidscontract stond dat ik geen firmageheimen mocht openbaar maken en dat heb ik in mijn boek ook niet gedaan. Ik heb enkel geschreven over mijn hoogstpersoonlijke werkervaring. Op 20 november 2014 kreeg ik op een niet al te elegante wijze mijn eigen ‘graduation’. In de zomer van 2015, een paar weken nadat ik de eerste versie van Disrupted bij de uitgever had ingeleverd, las ik een persbericht van HubSpot waarin ze de benoeming van een nieuwe Chief Marketing Officer (CMO) aankondigden. In de tweede paragraaf schreven ze dat de vorige CMO Mike Volpe, mijn directe baas die in mijn boek Cranium heet, op staande voet ontslagen was omdat hij de ethische code van het bedrijf overtreden had. Hij bleek verschillende pogingen ondernomen te hebben ‘om een manuscript in handen te krijgen van een boek over HubSpot’. Ik viel bijna van mijn stoel toen ik dat las. Meteen wist ik waarom mijn laptop de laatste maanden kuren had: Volpe en een van zijn collega’s hadden hem proberen hacken. Van de FBI kwam ik te weten dat ze zowel bij mij als bij mensen van de uitgeverij naar informatie gezocht hadden om ons te chanteren.”

 

Hebt u nog contact met uw ex-collega’s?

“Nee.”

 

Ik kan me voorstellen dat ze zich door u belachelijk gemaakt voelen en boos zijn.

“Ja, ongetwijfeld.”

 

Zij zijn jonge twintigers en onervaren, maar de stichters van wat u een zeepbel noemt, zijn bijna vijftig. De ‘bad guys’ behoren tot uw generatie.

(stilte) Misschien wel. Voorlopig is de HubSpot-zeepbel nog niet geëxplodeerd. Er is die beroemde uitdrukking: ‘De markten kunnen langer irrationeel blijven dan dat een belegger zijn verliezen kan dragen.’ Toch zal het ooit misgaan. Alleen weet niemand of het dan met een luide knal zal zijn, of met een langgerekte sissende wind die uit de ballon ontsnapt.”

 

Dan Lyons, Disrupted. My Misadventure in the Start-Up Bubble, Hachette Books

 

 

© Jan Stevens

De Britse Pakistaan Sohail Ahmed groeide op in een salafistisch milieu en leerde van kindsbeen af andersgelovigen en homo’s hartsgrondig haten. Vandaag heeft hij de radicale islam vaarwel gezegd en staat hij als homoactivist op de barricaden.

 

Een paar dagen voor het interview mailt Sohail Ahmed (24) dat het hem misschien niet zal lukken. “Ik voel me niet lekker.” Een halve dag later laat hij weten dat hij er toch zal zijn, maar dan liefst dicht bij de plek waar hij woont. We spreken af in een pub vlak bij zijn flat, ergens in Oost-Londen. Hij is een half uur te laat en verontschuldigt zich. “Ik moest mezelf even oppeppen. Sinds mijn jeugd worstel ik met depressies. De voorbije maanden ging het veel beter, maar soms wordt het moeilijk. Gelukkig heb ik een goede therapeut.”

Sohail Ahmed groeide samen met zijn twee broers en twee zussen op in een salafistisch gezin, waar ze de ideologie van Islamitische Staat met de paplepel meekregen. “Alle niet-salafisten waren onze vijand.” Op zijn zestiende begon hij in alle stilte aan een lang deradicaliseringsproces. Hij was acht toen hij zich voor het eerst tot een jongen aangetrokken voelde. “Volgens de salafistische leer zijn homo’s bezeten door de duivel.” Tot zijn 21e worstelde hij met zijn geloof en met zijn seksuele geaardheid. “Ik was bang dat mijn ouders me zouden vermoorden.” Toen zijn vader ontdekte dat zijn oudste zoon homo was, stuurde hij Sohail naar een exorcist. “Na een paar sessies wou ik zelfmoord plegen.” Een jaar en negen maanden geleden klapte hij de deur van het ouderlijke huis definitief achter zich dicht. Vandaag noemt hij zichzelf ‘agnostisch atheïst’, is hij homorechtenactivist en hoopt hij dat zijn verhaal een steun in de rug is voor die vele andere jongens en meisjes die door hun religie met hun geaardheid worstelen.

“Mijn ouders wonen hier niet ver vandaan”, zegt hij. “Ik heb ze sinds mijn vertrek niet meer gehoord of gezien, net als de rest van mijn familie. Mijn broers, zussen, ooms, tantes, neven en nichten lieten me zo goed als allemaal vallen als een baksteen.”

 

Stammen uw ouders uit een salafistisch milieu?

Sohail Ahmed: “Nee, helemaal niet. Toen ze trouwden, waren ze nog heel gewone gematigde moslims. Religie speelde geen grote rol in hun leven. Ik was een jaar of vier toen ze zich bekeerden tot die specifieke radicale vorm van de islam: het salafisme of wahabisme. Van toen af werd ook ik als kind ondergedompeld in die fundamentalistische islamvariant. Salafisten zeggen hun inspiratie te halen bij de eerste volgelingen van de profeet Mohammed. Het enige wat voor hen telt is de sharia, of de wet van God. Hun interpretatie van de Koran wordt vandaag door Islamitische Staat op gruwelijke wijze in de praktijk gebracht. Als kind werd mij dag na dag, week na week, maand na maand ingestampt dat er een eeuwige oorlog woedt tussen moslims en niet-moslims. ‘Niet-moslims zijn er enkel op uit om de islam totaal te vernietigen.’ Mijn vader en moeder hielden me voor dat ik geen Brit ben en dat het Verenigd Koninkrijk een vijandige staat is. Op school kreeg ik les van leraars over wie ik thuis te horen kreeg dat ze mijn vijanden waren. Dat was echt heel raar. Mijn ouders noemden hen kufar of kafir, ongelovigen. Alle niet-salafisten waren vijanden, inclusief andere moslims. We werden vooral gewaarschuwd voor de niet-moslims. Vanaf mijn vierde levensjaar werd me ingepompt: ‘Wees uiterlijk vriendelijk voor niet-moslims, maar haat hen met heel je hart.’”

 

Dat zeiden uw ouders tegen u?

“Ja, en niet alleen zij. Dat werd ook gepredikt in onze moskee, stond in de boeken die ik te lezen kreeg en hoorde ik op salafistische media. Dat is toch totaal geschift? (lacht) Als ik er nu op terugkijk, kan ik amper geloven dat het me gelukt is om op eigen kracht met die onzin te kappen.”

 

Uw moest uw vriendjes op school hartsgrondig haten?

“Daar raakte ik danig door in de war. Ik vond veel niet-moslimvrienden best aardig. ‘Moet ik ze allemaal haten?’ Ik voelde instinctief dat er iets niet klopte.”

 

Onder wiens invloed zijn uw ouders geradicaliseerd?

“Er kwamen nieuwe salafistische buren in ons flatgebouw wonen. Ze namen mijn ouders mee naar de Masjid al-Tawhidmoskee in Leyton, die opgericht was door de toenmalige grootmoefti van Saoedi-Arabië. Hij werkte aan wat hij de ‘Islamic Revival’ in het Westen noemde. Met die islamitische heropstanding bedoelde hij het salafisme. De moskee werd mijn ouders’ favoriete pleisterplaats. Ik kan me maar heel vaag herinneren hoe ze waren voor ze radicaliseerden, maar zij zetten wel een trend: na hun bekering kozen zowat alle leden van mijn familie het salafistische pad. Eind jaren negentig surften mijn vader en moeder mee op de eerste golf van salafisme die over Groot-Brittannië spoelde. Vanaf dan is die extreem onverdraagzame vorm van islam zich als een koorts beginnen verspreiden. In de beginjaren keek de rest van de moslimgemeenschap neer op die minderheid van salafistische clowns met hun te korte broeken en te lange baarden. Vandaag is dat totaal veranderd: het salafisme is sterk gegroeid en beïnvloedt het maatschappelijk leven. Hebt u daarnet in deze buurt rondgewandeld? Dan zag u ze in grote getale lopen, de mannen in hun outfit van de profeet en de vrouwen die zich van kop tot teen bedekken. De klederdracht van mijn eigen moeder kan model staan voor heel die recente evolutie. Eerst droeg ze een hoofddoek, vervolgens de hidjab, dan de chador waarmee ze haar hele lichaam bedekte, iets later de nikab die alleen haar ogen nog vrijliet, en in het laatste stadium droeg ze ook altijd handschoenen.

“Ik herinner me nog haarscherp hoe ik als zevenjarige de imam van de Masjid al-Tawhid moskee hoorde prediken: ‘De gewelddadige jihad is een fundamenteel deel van de islam. Als de geleerden zeggen dat de tijd gekomen is, zullen wij allemaal opstaan om tegen de kufar te vechten.’ De grote moskee zat toen afgeladen vol met minstens 300 mensen.”

 

Dezelfde ideologie als die van Islamitische Staat werd vijftien jaar geleden al in belangrijke moskeeën in de buitenwijken van Londen gepredikt?

“Precies. De ideologie van de salafisten is exact dezelfde als die van IS. Ze haten homo’s en lesbiennes, verwerpen gelijke rechten voor mannen en vrouwen. Ook hun straffen zijn identiek: homo’s moeten van daken geworpen worden, overspeligen moeten tot ter dood gestenigd worden, de handen van dieven afgehakt. Alleen de methodologie verschilt. Salafisten zeggen: ‘We zullen overgaan tot het over de kling jagen van de kafir en het instellen van de sharia van zodra de geleerden beslist hebben dat het kalifaat gevestigd is.’ Ze hebben problemen met het kalifaat dat in juli 2014 door IS-leider Abu Bakr al-Baghdadi uitgeroepen is, maar niet met de dagelijkse gruwelpraktijken in de islamitische staat. Als de geleerden die zij hoog achten het teken geven om met het kalifaat van start te gaan, hangt er een volstrekt gelijkaardig scenario als dat van IS in de lucht. Hun doel is óók om vervolgens de wapens op te nemen en de hele wereld te veroveren.”

 

U gelooft niet in het onderscheid dat gemaakt wordt tussen het niet-politieke en politieke salafisme, waarbij het niet-politieke salafisme beschouwd wordt als een ongevaarlijke sekte van middeleeuwse godsdienstfanaten?

“Dat onderscheid is er wel degelijk; mijn ouders maken deel uit van de niet-politieke tak. Het is ook juist dat de niet-politieke salafisten vandaag geen acuut gevaar voor de samenleving vormen. Maar dat is slechts tijdelijk. ‘Niet-politiek’ is zeer misleidend, want in werkelijkheid zijn het allemaal tikkende tijdbommen. Als hun geleerden de tijd rijp achten, is het hek ook hier van de dam. De niet-politieke salafisten zijn er zich heel goed van bewust dat ze ooit politiek zullen moéten worden: op het moment namelijk dat hun geleerden het ‘echte’ kalifaat uitroepen.”

 

Wanneer begon u aan uw geloof te twijfelen?

“Ik herinner me dat ik het als kind lastig had met de wrede straffen uit de sharia. Daar zat niets menselijks in, vond ik. Na verloop van tijd schoof ik die twijfels toch opzij. Nooit heb ik iemand van mijn geloofsgenoten twijfels horen uiten. Ik vermoed dat sommigen er wel mee worstelden, alleen hielden ze die voor zichzelf.

“Al van toen ik een jaar of acht was, voelde ik me aangetrokken tot andere jongens. En toch haatte ik net als mijn salafistische medebroeders alle homo’s. Niet alleen salafisten vinden homo’s ziek: voor de meeste moslims is homoseksualiteit het werk van de duivel. Ik voelde me verschrikkelijk schuldig. ‘Ik val niet op mannen zoals die Westerlingen.’

“Op school blonk ik uit voor de wetenschappelijke vakken. Ik vond wetenschap geweldig. Toen ik op mijn vijftiende over de evolutietheorie leerde, raakte ik compleet in de war. ‘Alle wetenschappers zijn het erover eens dat evolutie een feit is. Hoe is het mogelijk dat ze de bal zo misslaan?’ Salafisten geloven net als veel andere moslims rotsvast in Adam en Eva. Tot ik op een dag een van de salafistische imams in mijn moskee hoorde verkondigen dat hij in de evolutietheorie geloofde. ‘Evolutie is niet in tegenspraak met de Koran.’ De man heet Usama Hasan en hij gaf die vrijdag meteen ook zijn laatste preek in de Masjid al-Tawhidmoskee. Ze gooiden hem er uit. Maar zijn woorden bleven hangen. ‘Misschien moet ik hem ernstig nemen.’ De anderen lachten hem vierkant uit. ‘Usama Hasan zegt dat hij een aap is.’ Ik verdedigde hem. ‘Misschien moeten we toch eens naar hem luisteren.’ Zo kreeg ik ruzie met mijn eigen familie. Hasan is niet de eerste de beste: hij is niet alleen imam, maar ook fysicus. Er sloop steeds meer twijfel bij mij naar binnen.”

 

Sprak u daar met bevriende niet-moslims over?

“Nee. Wie met niet-moslims over religieuze twijfels durfde te praten, bracht schande over de islam. Vier jaar lang veegde ik mijn twijfels onder het tapijt. Maar ze verdwenen niet en ik bleef me afvragen of Usama Hasan gelijk had met zijn aanvaarding van evolutie. Waarna ik besloot om in het grootste geheim zelf op onderzoek uit te trekken. Ik las alles wat ik over de evolutietheorie kon vinden en ik kon niet anders dan vaststellen dat ze juist is. Die kennis zette meteen ook alles waarin ik geloofde op de helling. Ik dacht: ‘Ofwel is datgene waarin ik geloof fout, ofwel interpreteer ik mijn religie verkeerd.’ Usama Hasan had toen de radicale islam al lang vaarwel gezegd en door zijn geschriften vond ik aansluiting bij de progressieve soefistroming in de islam. Spiritualiteit is het allerbelangrijkste, dacht ik.

“Mijn ouders wisten niet waar ik mee bezig was. Ik had mezelf in stilte gederadicaliseerd via het internet en door het lezen van boeken. Usama Hasan werkt nu als onderzoeker bij de Quilliam Foundation, een Londense deradicaliseringsdenktank. Het is vooral dankzij de publicaties van Quilliam op het internet en door hun interviews online dat ik mijn salafistische gedachtengoed zoetjesaan begon in te ruilen voor progressieve ideeën. Op een bepaald moment noemde ik mezelf net als Usama Hasan ‘een salafistische soefi’. Mijn godsbeeld was nog steeds salafistisch, maar de sharia had ik ingeruild voor soefiwijsheid. Ik stapte toen ook naar mijn ouders en zei: ‘Ik geloof in evolutie.’ Een week lang spraken ze geen woord meer tegen mij. Ik kon hun woede alleen doorbreken door op mijn stappen terug te keren: ‘Ik geloof niet meer in evolutie. Sorry.’ (lacht)”

 

Waren er op school geen leerkrachten die u in vertrouwen kon nemen?

“Ook dat durfde ik niet. U moet weten dat mijn ouders fysiek geweld niet schuwden. Ik zat in het eerste jaar geneeskunde en werd bang dat ik door mijn twijfels over islam zou branden in de hel. Ik raakte steeds dieper in de put en moest mijn studies stopzetten. In het schooljaar 2013-2014 zat ik thuis met een zware depressie. Ik had een zee van tijd en besloot dat het de hoogste tijd was om mijn eigen seksualiteit te onderzoeken. Ik had nog steeds niet aanvaard dat ik homo was, want Allah zette nu eenmaal geen flikkers op de wereld. Ik ging op zoek naar alle mogelijke wetenschappelijke onderzoeken over menselijke seksualiteit. Ik kwam tot een voor mij zeer verrassende conclusie: homoseksualiteit is een honderd procent natuurlijke geaardheid die niet veranderd kan worden. ‘I am gay’, wist ik. Ik was 21.

“Ik las artikels van denkers en wetenschappers als Sam Harris en Christopher Hitchens. Richard Dawkins’ boek God als misvatting gaf me een stevig duwtje richting agnosticisme en atheïsme. ‘We hebben helemaal geen God nodig in ons universum.’ Mijn afscheid aan religie voelde als een bevrijding. Ik zag op Youtube een debat over islam versus atheïsme tussen de natuurkundige vrijdenker Lawrence Krauss en de extremistische bekeerling Hamza Tzortzis. Dat was het moment waarop het voor mij glashelder werd: ik geloof niet meer in de islam. Voor het eerst in mijn leven kon ik denken wat ik wou, zonder door wie ook aan banden gelegd te worden. Jarenlang had mijn geest gevangen gezeten in het strakke keurslijf van een religie. Nu was ik eindelijk vrij en werd alles mogelijk. Dat voelde als een religieuze ervaring. (lacht)”

 

Maar voor de buitenwereld was u nog steeds een salafist?

“Ik kreeg steeds meer meningsverschillen met mijn ouders. Ik kon het geschimp op niet-moslims niet meer aanhoren. Op een dag werd ik zo woedend dat ik riep: ‘Ik geloof niet meer in God.’ ‘Maak dat je uit ons huis bent’, briesten ze. Ik stopte wat kleren in een rugzak en zocht het goedkoopste hotel in Londen. Het was vrijdagavond en ik kon bij geen enkele instantie terecht voor hulp. ’s Anderendaags ging ik ten einde raad naar mijn grootmoeder. Ik vertelde haar niet dat ik goddeloos geworden was, maar zei: ‘Ik heb twijfels over de islam.’ Ik had een plek nodig om te overnachten. (lacht) Oma belde mijn ouders. Eerst gaf ze mijn moeder door en daarna kreeg ik mijn vader aan de telefoon. Hij zei: ‘Weet je nog dat je ons een paar weken geleden iets wou vertellen? We weten ondertussen wat.’ Een paar weken eerder was ik naar mijn ouders toegestapt en had ik gezegd: ‘Mama, papa, ik moet jullie iets vertellen.’ Ik kwam toen bijna uit de kast, maar op het allerlaatste nippertje durfde ik niet. Toen ik mijn vader hoorde zeggen: ‘We weten ondertussen wat’, liep er een ijskoude rilling over mijn rug. In mijn hele leven was ik nog nooit zo bang geweest. Pure doodsangst was het, want misschien stuurden ze me naar Pakistan of zouden ze me vermoorden. Ik wist dat ze daartoe in staat waren.”

 

Is dat dan al gebeurd in het Londense salafistische milieu?

“Die verhalen doen de ronde. Ik wou niet terug naar huis, maar ze wisten met te overtuigen. Mijn vader schold me de huid vol. ‘Heb je een vriend?’ vroeg hij. Ik antwoordde naar waarheid: ‘Nee.’ ‘Heb je ooit iets gedaan met een andere kerel?’ Ik loog en zei: ‘Nee.’ Ik kon alleen blijven als ik akkoord ging met een duiveluitdrijving. Dik tegen mijn zin gaf ik toe, want ik kon voorlopig nergens anders terecht. Pas drie maanden later zou er een studentenkamer aan de universiteit vrijkomen. In die laatste maanden in het ouderlijke huis werd ik verschillende keren onderworpen aan een duiveluitdrijving. Exorcisme in de islam is vaak gewelddadig, bij mij viel het nogal mee. Mijn ouders hadden geen enkel bezwaar tegen lichamelijk geweld, maar ik zette de hakken in het zand. ‘Ik wil dat niet.’ Ze brachten me naar een exorcist. Hij las de Koran, blies op me, liet me baden in heilig water en gaf me heilige honing te eten. Met mijn verstand wist ik dat exorcisme onzin is, maar toch had het een grote impact op mijn geestelijke en emotionele welbevinden. Ik vond het afschuwelijk vernederend. Na een paar sessies wou ik een einde aan mijn leven maken en me verhangen op mijn kamer. Mijn vader ‘betrapte’ me net op tijd. ‘Dood jezelf niet’, zei hij.”

 

Hebt u ooit liefde van uw ouders gevoeld?

“Ik wist dat ze me al die ellende aandeden omdat ze om me gaven, omdat ze me graag zien. Dat besef maakte het alleen maar erger. (stilte) Op een ochtend stapte mijn moeder mijn kamer binnen. Ze weende en bleef herhalen: ‘Je kan niet datgene zijn wat je beweert te zijn.’ De woorden ‘homo’ of ‘gay’ hebben mijn ouders nooit uitgesproken. Ik had mijn moeder nog nooit zo hard horen wenen. ‘Je kan niet zo zijn, Allah maakt mensen zo niet. Allah zou je dat nooit aandoen.’ Ze bleef dat maar herhalen; het klonk als een litanie. Ze probeerde niet mij te overtuigen, maar zichzelf.”

 

U bent nu een homoactivist. Bent u niet bang voor de wraak van uw vroegere geloofsgenoten?

“Ik ben me bewust van de risico’s en ik ben ook bereid om die te nemen. Ik heb zelf ondervonden hoe bevrijdend het is om van al die last verlost te zijn. Ik heb tot hiertoe geen doodsbedreigingen gekregen en ik hoop dat het zo blijft. Ik ben geen islamofoob; ik doe zelfs nog mee aan de belangrijke islamitische feesten. Zij maken nu eenmaal deel uit van mijn culturele leven. Ik hoop wel dat de hele islamitische gemeenschap in het westen veel vooruitstrevender wordt. Als dat niet gebeurt, of niet snel genoeg, vrees ik dat de relaties tussen moslims en niet-moslims zullen verzuren. Mijn grote angst is dat we aan het afstevenen zijn op een burgeroorlog. Als jonge salafist was ik bereid om mijn eigen leven te offeren voor het vernietigen van mijn land. Nu ben ik bereid om mijn leven te geven om dit land te redden.”

 

© Jan Stevens