‘De Belgische overheid is een witwasmachine’

De sinds augustus vorig jaar gepensioneerde BBI-directeur Karel Anthonissen schreef samen met VRT-journalist Wim Van den Eynde zijn memoires. In ‘Achter de schermen bij de BBI’ ontziet hij niets of niemand. “Fanatiek of onredelijk ben ik nooit geweest.”

In april 2014 noemde voormalig De Morgen-hoofdredacteur Yves Desmet in een interview met Knack voormalig BBI-directeur Karel Anthonissen een ‘caractériel’. Hij bedoelde dat niet als compliment. Aanleiding was het jarenlange dispuut tussen Open VLD-politicus Karel De Gucht en de Gentse afdeling van de Bijzondere Belastinginspectie. “Een heksenjacht”, volgens Desmet. “Lees Anthonissens geschriften, analyseer zijn optreden, kijk naar de manier waarop zijn collega’s hem uitspuwen. Hij schrijft stukjes in ‘t Scheldt. Vergeleken met dat blad is Filip Dewinter een linkse jongen. Ranziger bestaat niet in dit land.”

Vandaag prijkt ‘caractériel’ als een geuzennaam op de cover van Karel Anthonissens memoires Achter de schermen van de BBI. “Als het betekent dat ik rechtlijnig en onverzettelijk ben, vind ik die middle name best oké”, zegt hij. “Fanatiek of onredelijk ben ik nooit geweest. Altijd was ik bereid tot compromis.”

U schreef wel jarenlang voor de extreemrechtse website ’t Scheldt, als enige niet-anonieme medewerker.

Karel Anthonissen: “Dat klopt, maar dat wil niet zeggen dat ook ik extreemrechts ben. Begin jaren tachtig stond ik mee aan de wieg van Agalev, de voorloper van Groen. Ik schopte het zelfs tot nationaal voorzitter, al mocht dat woord toen niet gebruikt worden en was ik ‘gespreksleider’. Wij waren noch links, noch rechts. In ‘85 schreef ik samen met een werkgroep het belastinghoofdstuk voor het economische programma van Agalev. Net als ‘klein links’ ijverden wij voor een serieuze herverdeling van de rijkdom. Maar met de praktijken van Lenin en co wilden we niets te maken hebben. Onteigening en nationalisering vonden wij te brutaal. We wilden op een democratische manier herverdelen. Dat doe je met belastingen. Ik bén de belastingman: de beleefde herverdeler die de mensenrechten en de wetten respecteert en aan de rijken vraagt: ‘Zouden jullie niet iets meer bijdragen?’

“In 1988 stond ik ook mee aan de wieg van het cordon sanitaire rond het Vlaams Blok. Na de veroordeling van het Blok voor racisme schreef ik in 2005 een opiniestuk. Ik vond het vanuit democratisch oogpunt niet goed dat een politieke partij via gerechtelijke weg monddood gemaakt werd. Ik stuurde mijn stuk naar zowat alle media, onder andere naar De Standaard en De Morgen. Niemand publiceerde het, behalve ‘t Scheldt en ‘t Pallieterke.

“Op het hof van Beroep legde Karel De Gucht een aantal artikels van mij uit ‘t Scheldt neer. Waarop ik artikels neerlegde die ik voor Apache geschreven heb, de nieuwswebsite die zich in extreemlinks vaarwater bevindt. De rechters kwamen tot de conclusie dat mijn teksten onder de meningsvrijheid van ambtenaren vallen.”

U hebt geen spijt van die artikels in ‘t Scheldt?

“Nee, dat is gebeurd. Bovendien las niemand die toen, behalve misschien de jonge Bart De Wever. (lacht)”

Hebt u tijdens uw dispuut met Karel De Gucht ooit een gesprek met hem gevoerd?

“Al in een vroege fase liet zijn advocaat Victor Dauginet weten: ‘Meneer De Gucht wil u spreken.’ De Gucht was toen Europees commissaris. We prikten een datum, maar vlak voor hij naar ons BBI-kantoor aan de Gentse Zuiderpoort zou afzakken, besefte ik: Jean-Marie Dedecker huist met zijn partij in hetzelfde gebouw. Ik wou niet dat ons belastingonderzoek naar Europees commissaris Karel De Gucht in de openbaarheid kwam. Dus belde ik Dauginet en stelde hem voor om de afspraak naar zijn kantoor in Antwerpen te verleggen. Tegen De Gucht zei ik: ‘Sorry dat ik uw agenda dooreengeschud heb, maar ik zou niet willen dat onze ontmoeting in de krant komt.’ Hij repliceerde: ‘Wat kan mij dat schelen.’ De toon was gezet en we kwamen niet tot een oplossing of akkoord.”

De strijd tussen u en Karel De Gucht was nooit persoonlijk?

“Van mijn kant niet, van zijn kant wel. Hij noemde de man die de overheid vertegenwoordigde, een machtswellusteling. Als je dat tegen een politieagent zegt, heb je een proces wegens smaad aan je broek.”

U schrijft dat in het begin vooral uw medewerker ‘Rik’ achter De Gucht aanging.

“In de structuur van de BBI of van de fraudebestrijding staat de inspecteur op het niveau van een procureur: hij is belast met het onderzoek. Rik had in de krant gelezen dat de familie De Gucht begin oktober 2008 haar Fortis-aandelen verkocht had, één dag voor de finale crash. Het parket van Oost-Vlaanderen had daarop een gerechtelijk onderzoek gevoerd naar handel in voorkennis. Dat dossier werd geseponeerd. Rik had de bevoegdheid om inzage te vragen in dat afgesloten gerechtsdossier. Daar kwam dan de informatie uit over het echtpaar De Guchts landgoed in Toscane met een geschatte waarde van vijf miljoen euro. Zelfs voor een politicus en een magistraat, mevrouw De Gucht was politierechter, is dat veel geld. Later pronkte hij nog met die villa op tv. Het is perfect normaal dat een belastinginspecteur daar vragen over stelt; dat is net zijn job. De Gucht weigerde beleefde vragen te beantwoorden.”

Die vragen werkten als een rode lap op een stier?

“Hij kwam met alle mogelijke argumenten af: ‘Die villa ligt in Italië; daar hebben jullie niets mee te maken’, of: ‘Ze is niet van mij, maar van een vennootschap.’ Hij wou dat we opkrasten. Wij gingen uiteindelijk over tot een ‘indiciaire taxatie’. We hadden vastgesteld dat er volgens de belastingaangifte niet genoeg geld was om die investering te betalen. Als iemand geen uitleg heeft voor zo’n verschil, beschouwt de belastingwet dat als belastbaar inkomen. Normaal gezien heeft de fiscus de plicht om jouw inkomen te bewijzen, maar nu werden de rollen omgedraaid. Natuurlijk is dat altijd een beetje flou. Dus zei ik tegen de inspecteur: ‘Met zo’n zaak stappen we niet naar de rechtbank. Ik wil niet voor aap staan.’ De Gucht ging nergens mee akkoord en de rechtszaal zou vol camera’s staan. Het was zijn woord tegen het onze. Daar begon ik niet aan. Maar toen werd mee onder impuls van Karel De Guchts partij het bankgeheim opgeheven. Als er aanwijzingen van fraude zijn, mag de inspecteur aan de betrokkene zijn bankgegevens opvragen. Als die weigert, kan de inspecteur het aan de bank vragen. Op 6 oktober 2011 vroeg Rik aan De Guchts bank inzage in diens rekeningen. Als gewestelijk directeur had ik die aanvraag mee ondertekend. Karel De Gucht reageerde als door een wesp gestoken en zijn advocaat Victor Dauginet daagde ons meteen voor de rechter. Vele jaren later, veel te laat, besliste het hof van Cassatie dat een buitenlands vermogen, een rekening in Zwitserland en een villa in Italië op zich geen aanwijzingen zijn voor fraude. Terwijl het net wél aanwijzingen zijn als je tijdens de ondervraging door de controleur geen behoorlijke uitleg kunt of wilt geven.”

Uiteindelijk won Karel De Gucht de rechtszaken.

“Niet helemaal; er is nog een kleine zaak hangende. De Gucht bracht in 2010 het verlies van 41.000 euro van zijn Italiaanse domein in zijn individuele Belgische belastingaangifte in. In mei vorig jaar besliste de rechtbank van eerste aanleg dat hij ongeveer 25.000 euro achterstallige belastingen moest betalen. Hij ging in beroep en de zaak komt dit jaar opnieuw voor.”

Op maandag 30 januari 2012 viel u de kantoren van Optima in Gent binnen. De vermogensbeheerder Optima had vergevorderde plannen voor de overname van de Ethias-bank. In uw boek lees ik dat banken beschouwd worden als no-gozone voor de BBI. Uw hiërarchie en collega-directeurs hadden bedenkingen bij uw inval. Toch zette u door. Waarom?

“Ik was pas gewestelijk directeur in Gent, toen in 2008 de bankencrisis uitbrak. De toen nog grote, belangrijke bank Dexia had een immens ponzischema ontwikkeld en veel opbrengsten beloofd aan onder andere de aandeelhouders van Arco en de gemeentebesturen. Om die beloofde grote intresten te kunnen waarmaken, ging Dexia roekeloos beleggen in Amerika. Er werd ook massaal gefraudeerd. Dexia had honderden offshore-constructies in Luxemburg, voor haar klanten met zwart geld. Dexia was in die tijd niet de enige bank met dergelijke faciliteiten, maar wel de meest roekeloze. Tijdens de bankencrisis dreigde dat hele kaartenhuis ineen te storten. De toenmalige premier Yves Leterme redde de banken met miljarden op de rug van de toekomstige belastingbetalers. De Belgische staat dekte alle schulden van Dexia, Fortis en alle anderen. Toch kon ik daar mee leven, want anders dreigde er een nog veel grotere financiële ramp.

“Na de redding zouden we met een fiscale controle de fraude kunnen blootleggen en een flink deel van dat smartgeld recupereren. Dus stelde ik de BBI voor om binnen te vallen in het pas genationaliseerde Belfius, kort daarvoor nog bekend als Dexia. Daar was totaal geen animo voor, want inderdaad, banken zijn een no-gozone. Een inval was not done, er mochten zelfs geen schriftelijke vragen over gesteld worden. Mijn voorstel voor een grootschalig onderzoek bij alle banken werd op een BBI-vergadering in Brussel weggelachen. Ik besloot dan maar de kleine provinciale fraudeurs aan te pakken. Zo kwam de vermogensbeheerder Optima met zijn Luxemburgse tak 23-spaarverzekeringen in het vizier.”

Jeroen Piqueur, stichter en grote baas van Optima, had dus gewoon pech?

“Pech dat hij in Gent zat, of pech dat ik in Gent zat. (lacht)”

U vindt dat hij onterecht hard aangepakt is door de Nationale Bank, toen zij in 2016 de Optima Bank richting faillissement stuurde?

“Piqueur is te hard aangepakt omdat de andere banken zich aan net dezelfde praktijken bezondigden. Hij werd op een futiliteit gepakt, terwijl hij netjes de instructies van de Nationale Bank aan het uitvoeren was. Zijn vrienden van de socialistische beweging hadden hem gevraagd hun zieltogende Ethias-bank te redden.”

Zij hebben hem gerold?

“U mag gerust stellen dat hij erin geluisd is, ja. De bedoeling was om Ethias voor een tijdje aan zijn wagentje aan te haken waardoor die bank niet failliet zou gaan.”

Waardoor Piqueur een banklicentie kreeg en Optima voor u ook no-gozone werd?

“Dat was inderdaad zijn voordeel. Hij kende mijn standpunt en wist dat ik er vroeg of laat zou staan. Zijn socialistische vrienden, waaronder Luc Van den Bossche, boden hem in de vorm van Ethias een banklicentie aan. In ruil bood hij hen de opkuis aan. Win-win. Ethias was met 800 miljoen euro deposito’s geen grote bank. Op het moment van het faillissement waren die al gezakt tot onder 100 miljoen. Het vliegtuigje was aan het landen toen de Nationale Bank het uit de lucht schoot.”

Uw inval bij Optima werd door de rechter beoordeeld als ‘niet toegelaten machtsafwending’. U had zich te veel als een cowboy gedragen?

“Nee, daar ging het niet om. Ik ken de rechter, hij was nog substituut-procureur. In zijn vonnis werden geen cowboypraktijken bekritiseerd. In de wetgeving staat sinds jaar en dag: de fiscus mag vrij binnentreden in bedrijfsruimten, schepen of fabrieken. Dat is dan niet om koffie te drinken, maar om informatie op te halen. Enige uitzonderingen zijn banken en privéwoningen. De rechter bevestigde dat wij het recht hadden om Optima binnen te vallen. Maar ik had in de rechtbank gezegd dat het niet de bedoeling was de 5000 klanten van Optima voor fraude te pakken en belasten. We hadden daar de middelen niet voor. Wel dat we ze zo bang wilden maken en aansporen tot regularisering. Volgens de rechter was dat ‘doelafwending’, omdat het doel van de fiscale procedure volgens hem het vestigen en innen van belastingen is. Ik ging toen niet in beroep omdat het veel te lang zou duren, al had ik dat misschien wel gewonnen. Ik maakte toen trouwens zelf met Jeroen Piqueur een dading. Er stond in dat hij zijn klanten zou aansporen om te regulariseren. Hij tekende ook een regularisatie voor zichzelf, alleen was hij zo dom die later nooit te betalen. Hij had geen zin in de verkoop van zijn luxejacht.”

Frank Philipsen, uw grote baas bij de BBI, en uw vier collega-directeurs waren het regelmatig met uw acties oneens.

“In 2015 werd ik geschorst naar aanleiding van een tweet gericht aan de toenmalige minister van Financiën Johan Van Overtveldt: ‘De onwil om veel verdoken geld te vangen, kwam van de vorige regering (Geens) en van de voorzitter (D’Hondt). Is dat nog zo?’ Daar volgden zes maanden verplichte betaalde vakantie op. Kijk, ik heb me nooit laten intimideren. Ik was een soort van klokkenluider en voerde mijn strijd binnen de regels van het spel. Binnen de BBI hadden we een meningsverschil. Het hoofdbestuur vond, samen met de overheid en met bijvoorbeeld minister van Financiën Didier Reynders, dat enkel de inkomsten van de laatste zeven jaar rechtgezet kunnen worden. Dat staat ook in de fiscale wet, maar ik ben het daar niet mee eens. Ten tijde van KB Lux was de periode nog vijf jaar. Al die fraudeurs die toen tegen de lamp liepen, moesten 25 % belastingen betalen op wat ze de laatste vijf jaar met hun zwart geld verdiend hadden. Dat kwam neer op amper 5 procent van het totaal. 9000 KB Lux-klanten zagen hun zwart Luxemburgs geld witgewassen worden aan een tarief van amper 5 procent. Natúúrlijk kwamen andere banken meteen bij Reynders aankloppen: ‘Dat willen wij ook!’ In 2003 kregen ze hun zin met de eerste eenmalige bevrijdende aangifte.”

De Belgische overheid werd in die tijd een grote witwasmachine?

“Dat is ze nog steeds.”

Karel Anthonissen & Wim Van den Eynde, Achter de schermen van de BBI, Memoires van een caractériel, Kritak, 320 blzn, 22,99 euro

Bio

  • Geboren op 15 juli 1954 in Brasschaat
  • Studeerde economie aan de KUL (1976) en later rechten aan de UGent (2002)
  • Begon zijn carrière bij de fiscus in 1977 als belastingcontroleur
  • Werkte sinds 1995 voor de BBI; werd in 2007 gewestelijk directeur van de BBI-Gent
  • Ging op 1 augustus 2019 met pensioen

© Jan Stevens

‘Social distancing is de Japanse levensstijl’

Voormalig VRT-journalist Paul Muys is in de ban van Japan. Heimwee naar de VRT heeft hij dan weer niet. “Ik stoor me mateloos aan het populisme van Het Journaal.”

In de jaren tachtig van vorige eeuw was Paul Muys reportagemaker en ankerman bij het VRT-actualiteitenprogramma Panorama, voorloper van het huidige Pano. In 1995 ruilde hij de journalistiek in voor het woordvoerderschap bij een chemiebedrijf. Hij is gefascineerd door Azië en schreef jaren geleden al een boek over China. In Geen zee te hoog richt hij de focus op Japan. Hij schreef het omdat hij naar eigen zeggen moest vaststellen dat er in het Nederlandse taalgebied weinig achtergrondliteratuur over Japan voorhanden is. “Er zijn wel veel reisgidsen en boeken over ikebana, bloemschikken, of sumoworstelen. Maar een boek dat de Japanse samenleving probeert te doorgronden, was er niet.”

De coronacrisis zorgt op redacties voor hoogspanning, maar doet de handen van ex-journalist Paul Muys niet jeuken. “Ik heb geen heimwee”, zegt hij. “Eerlijk gezegd zou ik niet meer bij de VRT willen werken. Ik stoor me mateloos aan het populisme. In Het Journaal word ik als kijker aangesproken als een klein kind. Ik hoor dan: ‘De Franse hoofdstad Parijs’, alsof ik dat niet weet. Nieuwsankers tonen met hun gelaatsexpressie wat de kijkers over iets moéten vinden. Die verontwaardiging die ik soms in het gezicht van onze ankermannen en -vrouwen zie… Hoe erg iets is, zullen wij zelf wel uitmaken.”

Door hun mimiek vermengen de VRT-nieuwsankers verslaggeving met opiniëring?

“Dat is uw interpretatie, maar daar komt het inderdaad op neer. Dit ligt natuurlijk heel gevoelig, omdat sommige ankers zich daar wellicht niet van bewust zijn.”

Was dat een van de redenen waarom u bij de VRT wegging?

“Ik kreeg een mooi aanbod om woordvoerder te worden bij een chemie- en farmabedrijf en na twintig jaar bij de openbare omroep had ik het gezien. De kijkcijferterreur heerste toen ook al; daar knapte ik op af.”

Waar komt uw fascinatie voor Japan vandaan?

“Japan intrigeert me al heel lang. Vóór mijn eerste bezoek aan het land was ik verschillende keren in China. Hun grootste economische rivaal is precies Japan. Voor een westerse buitenstaander zijn er zowel in China als Japan behoorlijk wat onbegrijpelijke zaken. Ik beweer niet dat ik Japan helemaal snap, maar ik probeer in mijn boek wel om vaststaande opinies te verbeteren of aan te vullen. Ik spreek geen Japans en natuurlijk is dat een handicap. Alleen duurt het een jaar of zeven om die taal onder de knie te krijgen; daar ben ik iets te oud voor geworden.”

Is het uitstel van de Olympische Spelen door de coronacrisis een zware klap voor Japan?

“Het is geen nationaal trauma, maar wel een zware organisatorische dreun die hen flink wat geld zal kosten. Het coronavirus zelf lijkt er minder hard dan bij ons te hebben toegeslagen. Dat komt ook omdat social distancing nu eenmaal hun levensstijl is. Ze kussen niet en hebben nauwelijks fysiek contact.”

Het huidige Japan is een samenleving van grijsaards.

“Net zoals de onze, of zoals Duitsland en Italië. Alleen valt het bij ons minder op door de immigratie: veel werkende mensen zijn hier van buitenlandse origine.”

Japan kende geen immigratie?

“Elke Japanse politicus die het woord ‘migratie’ nog maar durft uitspreken, kan bij wijze van spreken een kruis over zijn carrière maken. Natuurlijk werken er buitenlanders in Japan, maar die worden ‘stagiaires’ genoemd. Ze komen uit armere landen als Sri Lanka en Bangladesh en hebben tijdelijke contracten van maximum een paar jaar. Officieel om ‘een stiel te leren’.

“De angst voor immigratie is eerder bezorgdheid over de gaafheid van de eigen cultuur. Dat komt omdat Japan 200 jaar lang in totaal isolement leefde. De Hollanders waren de enigen die van 1641 tot 1859 een beperkte toegang tot het eiland hadden. Carlos Ghosn, de zwaar in opspraak gekomen Braziliaanse ex-voorzitter van autoconstructeur Nissan, introduceerde onder veel dwang Engels als voertaal op het hoofdkwartier van Nissan. Dat zat de Japanners zéér hoog. Ik zeg niet dat ze hem daarom ontslagen en vernederd hebben, maar zijn Japanse entourage zou helemaal niets ondernomen hebben om hem te verdedigen.”

In de 19e eeuw opende Yukichi Fukuzawa, een schrijver en journalist, het venster van Japan naar de rest van de wereld. Wat voor iemand was hij?

“Een prachtige figuur. Fukuzawa haalde zijn landgenoten uit het isolationisme. Hij stamde uit een verarmde familie en was boos omdat hij daarom niet verder mocht studeren. Scholen weigerden hem, waarna hij het heft in eigen handen nam en zelf Nederlands begon te leren. Want rond 1850 was Nederland dé poort naar het Westen. Hij leerde zo ook de westerse wetenschap en techniek kennen en reisde als een van de eerste Japanners naar de Verenigde Staten. Nadien trok hij door Europa. In eigen land verspreidde hij het West-Europees cultureel erfgoed. Maar het was niet omdat hij interesse in het Westen had, dat Japan in ruil van datzelfde Westen onvoorwaardelijke hulp aangeboden kreeg.

“De grote wereldmachten van die tijd hadden allemaal kolonies en hun oog viel ook op Japan. Waarna het land een aantal verdragen sloot om zo die dreigende kolonisatie af te wenden. Tezelfdertijd lijfde het zelf kolonies in, want dat was toen nu eenmaal een manier om in de wereld voor vol te worden aanzien. Eerst bezetten de Japanners Korea en Taiwan en later Mantsjoerije.

“Japan was eind 19e eeuw een feodale samenleving, met toch een paar zeer moderne eigenschappen. Er was industrie, een wegennet én onderwijs. Persoonlijke hygiëne en reinheid waren vanzelfsprekend. In vergelijking met Boston of New York was Tokio een propere stad. Ziektes als cholera of tyfus kwamen in Japan amper voor.”

Japan evolueerde in de eerste helft van de 20e eeuw ook tot een militaristische samenleving.

“Die fascistische stroming die in de jaren twintig en dertig in Japan sterk opgang maakte, was niet zo uniek. Denk maar aan de nazi’s in Duitsland of de fascisten in Italië. Maar ook in Frankrijk, Spanje én bij ons groeide het rechtse extremisme. De druk van de economische crisis in de jaren dertig was tot in Japan voelbaar. De beurscrash van Wall Street maakte ook veel Japanners werkloos. In 1937 viel Japan ook nog China binnen.”

Tijdens WO II gedroegen Japanse militairen zich meedogenloos en wreed?

“Zonder twijfel. Achteraf zijn daar excuses voor aangeboden, maar die klonken niet zo oprecht als het Duitse mea culpa.

“Tijdens WO II hield de Japanse keizer Hirohito de touwtjes stevig in handen. Hij schaarde zich aan de kant van de militairen en draagt dus grote verantwoordelijkheid. Maar de Amerikanen dachten daar na de oorlog anders over. Generaal Douglas MacArthur leidde het bezettingsleger en overtuigde zijn regering ervan om uit strategische en opportunistische overwegingen de Japanse keizer op de troon te laten zitten. Hij was bang dat het totaal verwoeste land zonder Hirohito nog in grotere chaos zou belanden. Er kwam een proces in Tokio tegen 28 Japanse gezagsdragers die van oorlogsmisdaden werden beschuldigd. Hirohito was daar niet bij. De keizer werd wel al zijn macht afgenomen. Toen Hirohito op 15 augustus 1945 de capitulatie aankondigde, hadden de gewone Japanners nog nooit zijn stem gehoord. De keizer was een god en de schok was groot toen hij machteloos werd.

“De eerste jaren na de oorlog waren zeer hard. Zes miljoen Japanners moesten teruggehaald worden uit de vroegere bezette gebieden Taiwan, Korea, Siberië en Mantsjoerije. Die repatriëring verliep vrij goed, maar de terugkeerders vulden het miljoenenleger van werklozen aan.”

Zorgde dat voor een opstoot van antiamerikanisme?

“Nee, integendeel. Veel gewone Japanners waren blij dat de oorlogsellende voorbij was en omarmden de normaliteit. Dat verklaart ook de snelle heropbouw en het naoorlogse Japanse economische mirakel. Met als ‘kroon op het werk’: de organisatie van de Olympische Zomerspelen in 1964.”

De Amerikaanse atoombommen op Hiroshima en Nagasaki in 1945 waren snel ‘vergeten en vergeven’?

“Ze bepaalden alleszins niet de mening van de Japanners over de Amerikanen en zorgden ook niet voor diepe, blijvende haat. De Amerikaanse bezetting werd vlot aanvaard. Intussen zijn er conservatieve groeperingen actief die willen dat Japan opnieuw zijn mannetje staat. De huidige premier Shinzo Abe is lid van Nippon Kaigi (NK), ‘Japanse Conferentie’, een conservatief-nationalistische lobbyorganisatie met 35.000 leden, die ervan droomt om de keizer weer meer macht te geven. Ze doet ook nogal luchtig over het dictatoriale karakter van het vooroorlogse Japan en ijvert voor een autoritaire opvoeding op scholen.

“Shinzo Abe’s grootvader Nobusuke Kishi voerde als onderminister voor Industriële Ontwikkeling met succes de industrialisering van het in 1932 geannexeerde Mantsjoerije alias Mantsjoekwo door. Dat nieuwe wingewest moest het industriële hart van het Japanse keizerrijk worden. Kishi hield de teugels strak in handen en ontwikkelde het gebied met inzet van de dwangarbeid van duizenden Chinezen. Je mag Kishi gerust de Japanse Albert Speer noemen, de minister van Bewapening in nazi-Duitsland die de wapenfabrieken aan de praat hield met gevangenen uit concentratiekampen. Na de capitulatie sloten de Amerikanen Kishi op voor oorlogsmisdaden. Drie jaar later vonden ze het niet langer nodig om hem te vervolgen. Ze beschouwden hem als een nuttige bondgenoot. Kishi werd een van de oprichters van de machtige Liberaal-Democratische Partij, de LDP. In 1957 schopte hij het zelfs tot premier. Stel u voor dat Albert Speer in de jaren vijftig in Duitsland bondskanselier was geworden.”

Premier Abe is goed bevriend met Donald Trump.

“Mijn Japanse gesprekspartners lachen daarmee. Ze noemen Abe het schoothondje van Trump. Terecht, vind ik. Hij was nog maar pas herverkozen, of Trump stond er al. De Amerikaanse president was ook de eerste die vorig jaar werd ontvangen door de nieuwe keizer Naruhito. Japan heeft zogezegd geen eigen leger, een erfenis van WO II, maar het was wel het eerste land dat het Amerikaanse gevechtsvliegtuig F35 kocht, en dan liefst 147 exemplaren. Voor een ‘land zonder leger’ is dat toch sterk.”

Abe’s Liberaal Democratische Partij regeert bijna ononderbroken sinds WO II. Hoe gezond is dat?

“Er werd in Japan altijd samengespannen tussen leidende politici en grote ondernemers. Er was een periode dat het vooral in de wereld van projectontwikkelaars en aannemers van grote bouwwerken de spuigaten uitliep, waarbij ons-kent-ons regeerde. Door strengere regels rond partijfinanciering werd dat min of meer aan banden gelegd. Niet dat het niet meer bestaat, want de bouwsector is in Japan zeer dominant. Beton is er overal, en de natuur betaalt de prijs. Na de tsnumami van 2011 die de kernramp in Fukushima veroorzaakte, is de hele Japanse kustlijn gebetonneerd met anti-tsunamistormweringen. Ook daar werd de betonlobby beter van.”

Japanse werknemers staan bekend voor hun totale inzet voor het bedrijf en hun aan waanzin grenzende perfectie. Waar komt dat vandaan?

“Die drang naar perfectie heeft zeer diepe wortels en vloeit vermoedelijk voort uit dat isolement. Toen de Nederlandse zeevaarders in de 17e eeuw in Japan aankwamen, troffen ze er producten aan van uitstekende kwaliteit. De zwaarden en het papier waren superieur aan wat Europa produceerde. Dat was precies het resultaat van eeuwenoud ambachtelijk meesterschap. Samoeraizwaarden zijn zo scherp dat ze met één houw een krant in twee kunnen klieven.”

Veel westerse bedrijven zien de voordelen van die Japanse attitude om een project allemaal samen tot een zo volmaakt mogelijk einde te brengen?

“Ja, ook zij introduceerden die ‘kaizen-filosofie’, dat streven naar permanente kwaliteitsverbetering. In de jaren tachtig bezocht ik als journalist een fabriek van Nissan in Engeland. Ik maakte toen voor het eerst kennis met kaizen. Die filosofie gaat niet alleen over perfectie nastreven, maar ook over het overbodig maken van zinloos hard werk, het vermijden van verspilling en het zo menselijk mogelijk inrichten van een werkomgeving. In die Nissan-fabriek merkte ik dat de bazen er op een andere manier omgingen met hun personeel. Ze leken er meer in groep te werken en wisselden taken af. Ze voelden zich samen verantwoordelijk voor de auto’s die ze bouwden. Kaizen is intussen wijdverspreid; toen leek dat nog iets uniek.”

Zorgt die totale overgave aan het werk niet voor burn-out?

“De term ‘burn-out’ kennen Japanners niet, maar dat wil niet zeggen dat het massale overwerken niet voor gezondheidsproblemen zorgt. Veel Japanners lijden onder stress, krijgen hartziekten en werken zich bijna letterlijk dood. Dat heet karoshi, dood door overwerk. Nogal wat jonge mensen stappen uit de ratrace. Ze sluiten zich op in hun kamer en vluchten weg in gamen. Dat zijn de zogenaamde hikikimori, en ze zouden inmiddels met 600.000 zijn.

“Ook de vergrijzing zet een rem op het ver doorgedreven overwerken, waardoor de hele Japanse samenleving vertraagt. Er is een groot tekort aan arbeidskrachten. De maatschappij zou die hikikomori, die jonge mensen met een vorm van burn-out, nu net heel goed kunnen gebruiken. Sommigen onder hen keerden de samenleving trouwens al de rug toe toen ze nog op de schoolbanken zaten, nadat ze daar gepest waren.”

Want pesten is in Japan een groot probleem?

“In het schooljaar 2017-’18 waren er meer dan 414.000 meldingen van pestgedrag of ‘ijime’. Typisch Japans is dat pesters niet gestraft worden en dat de slachtoffers de schuld krijgen. Leerkrachten vinden dat gepeste kinderen maar wat meer voor zichzelf moeten opkomen.”

Is het een harde samenleving?

“Het is een egalitaire, sociale samenleving, waar veel samenhorigheid heerst. Je ziet er weinig stuitende vormen van rijkdom. Iedereen is bekommerd om de ander. Toeristen worden er zo in de watten gelegd, dat het bijna genant wordt.

“Talloos veel buitenlandse ondernemingen draaien op Japans kapitaal. Ze zijn één van de grootste geldschieters van de wereld, terwijl ze zelf zeer diep in de schulden zitten. Japan heeft een overheidsschuld van 240 % van het bnp. De Belgen zijn dan in paniek omdat hun overheidsschuld 105 % bedraagt.”

We kunnen ons in deze barre coronatijden dus nog wat schuld permitteren?

“Er zijn toch een paar belangrijke verschillen: Japanse bedrijven hebben zeer sterke buitenlandse vestigingen. Wij hebben alleen nog kmo’s. Zelfs Janssen Pharmaceutica is een dochter van de Amerikaanse multinational Johnson & Johnson. Wie wil nog in een land als België investeren met zijn hoge schuldgraad en zijn lage werkmoraal? De Japanse staat heeft schuld bij zijn eigen bevolking. Ze heeft nooit geld bij een ander land of buitenlandse instelling ontleend. De Japanse overheidsschuld is gefinancierd met het spaargeld van de Japanners. De Belgen investeerden hun spaarcenten niet in de overheid, maar hielden ze bij.”

Zou u in Japan kunnen leven?

“Dan moet ik toch eerst de taal leren. Eens die handicap weggewerkt, lijkt leven in Japan me best aangenaam.”

Paul Muys, Geen zee te hoog, Uitgeverij Vrijdag, 296 blz., 22,50 euro

Paul Muys

  • Geboren in 1945
  • Studeerde Germaanse filologie en pers- en communicatiewetenschappen
  • Gaf van 1967 tot 1972 Nederlands aan de normaalschool van Oostakker
  • Werkte van 1972 tot 1995 bij de VRT, toen nog BRT
  • Werkte nadien als woordvoerder voor Solvay en later als zelfstandig communicatieconsultant

© Jan Stevens

‘De PVDA heeft zich nooit verontschuldigd voor de wantoestanden die ze verdedigde’

Louis Van Dievel nam leven en werk van gepensioneerd huisarts en ex-politicus Jan Van Duppen als basis voor zijn nieuwe boek De dokter is uw kameraad niet. “Het is een portret van een generatie die in de jaren 70 radicaliseerde en blind in het maoïsme geloofde.”

‘Een biografictie’ noemt auteur Louis Van Dievel zijn nieuwe boek De dokter is uw kameraad niet. Daarin vertelt hij het leven van Guust Van Mol, de in 1953 geboren oudste zoon van een Kempisch onderwijzersechtpaar. Op jonge leeftijd wordt Guust lid van Amada, de stalinistisch-maoïstische voorloper van de PVDA. Op bevel van de partij breekt hij begin jaren 70 zijn studies psychologie af om in de fabriek te gaan werken. Hij wordt mijnwerker en later trambestuurder. In 1978 begint hij geneeskunde te studeren. Na een teleurstellende reis naar ‘lichtend voorbeeld’ China, breekt Guust met de partij. Hij wordt huisarts in Turnhout, sluit aan bij de SP, later sp.a, en schopt het in 1999 tot Vlaams parlementslid. Vijf jaar later neemt hij ontgoocheld afscheid en verkast naar Rotterdam, waar hij arts in een achterstandswijk wordt. Daar raakt hij in de ban van de boeken van de Britse oerconservatieve psychiater Theodore Dalrymple.

Het leven van ‘Guust Van Mol’ vertoont opvallende gelijkenissen met dat van Jan Van Duppen, gepensioneerd huisarts en oudere broer van de eerder dit jaar overleden PVDA-dokter Dirk Van Duppen. “Guust Van Mol is niet Jan Van Duppen”, zegt Jan Van Duppen. Toch zitten we in zijn tuin in het centrum van Turnhout samen met schrijver Louis Van Dievel. “Guust is wel en niet Jan”, vindt die. “De dokter is uw kameraad niet is een portret van een generatie slimme jonge mensen die in de jaren 70 radicaliseerde. Ze bekeerden zich tot het maoïsme en geloofden er blind in. Siegfried Bracke zegt: ‘Amada zat vol verstandige mensen die er op een bepaald moment allemaal in slaagden hun verstand uit te schakelen.’ Hij heeft gelijk.”

Wie kwam op het idee voor De dokter is uw kameraad niet?

Louis Van Dievel: “Ik. De evolutie die mijn vriend doormaakte, fascineerde me.”

Jullie zijn vrienden?

Van Dievel: “We kennen elkaar toch al sinds 1980.”

Jan Van Duppen: “Hoe omschrijft u vriendschap?”

Een vriend is iemand die je voor bijna 100 procent kunt vertrouwen.

Van Duppen: “Dan heeft u net als ik heel weinig vrienden. Ik heb Louis toen hij aan zijn boek aan het werken was nooit voor 100 procent vertrouwd. Hij is een oude trotskist en die zijn per definitie onbetrouwbaar. (lacht) Louis kon me na verloop van tijd en na veel gesprekken min of meer overtuigen. Maar dit is niet mijn boek en ik ben het ook niet met alles eens. Het is Louis’ boek. Ik gaf hem 80 procent van mijn archief en hij heeft daar naar eigen zeggen 20 procent van gebruikt. Hij maakte zijn eigen keuzes. Al wat ik goed vond, heeft hij er natuurlijk niet in gezet. Maar er staan ook geen zaken in die ik belachelijk vind.”

U gaf hem de volledige vrijheid?

Van Duppen: “Nee, hij nam die. We discussieerden er wel over en in sommige gevallen kon hij me overtuigen, in andere niet. Het positieve was dat hij me zo dwong mijn verleden eindelijk onder ogen te zien. Ik worstelde daar al heel lang mee, maar probeerde de confrontatie te omzeilen of uit te stellen. Het is echt niet simpel om een verleden op te delven dat niet zo fraai is geweest. Ik wou weten: waarom werd ik ooit lid van een partij als Amada? En ik zag frappante gelijkenissen met hoe IS jonge mensen rekruteert en radicaliseert. Louis dwong me mij́n radicalisering van een halve eeuw geleden grondig uit te spitten.”

Waren trotskisten minder strikt in de leer dan maoïsten?

Van Duppen: “Het trotskisme was om te lachen. Wij waren de zuiveren, zij waren de ‘renegaten’, de afvalligen. Trotski was in onze ogen een fascist.”

Van Dievel: “Ik ben niet lang in dat milieu blijven hangen. Na vier jaar hield ik het voor bekeken. Ik was een lauwe gelovige en las niet graag de teksten. Het verschil tussen maoïsten en trotskisten was dat wij tot ‘s avonds laat op café zaten.”

Van Duppen: “Wij zaten niet op café omdat we om vier uur ’s morgens moesten opstaan om aan de fabriek pamfletten uit te delen. Dan lag jij nog in je nest te stinken, als je er dan al in lag.”

Van Dievel: “Ik zag hoe veel leeftijdsgenoten zich tot het maoïsme bekeerden en daar blind in geloofden. Amada, vanaf 1979 de PVDA, was als een sekte. Al die intelligente jonge mensen volgden alle rare kronkels van de partij, en dat waren er massaal veel. Wandaden in China, Vietnam of Cambodja werden goed gepraat. Sommigen bleven de partij trouw en zijn er nog steeds bij. Anderen begonnen na verloop van tijd te beseffen dat er iets niet klopte. Ze werden eruit gesjot, of stapten zelf op, zoals Jan. Velen onder hen worstelen nu ook met een onverwerkt verleden. Met alle ex-maoïsten samen kun je een voetbalcompetitie beginnen. Jan komt met zijn verhaal naar buiten, maar de meesten zwijgen. Want het is niet plezant om ervoor uit te komen dat je indertijd een blinde aanhanger was van Mao en Stalin.

“Wat ik zo fascinerend vind aan de levensgeschiedenis van Jan, is dat hij na de breuk met de maoïsten sociaaldemocraat werd, een tijdlang geloofde dat hij bij de sp.a iets kon bereiken, om later ontgoocheld op te schuiven naar rechts. Vandaag is Jan een zeer conservatief mens.

“Elke keer als Jan een naam uit de tijd van Amada noemde, googelde ik die. Zo merkte ik dat veel van de oude ijzervreters nog steeds actief zijn bij de huidige PVDA, zoals de bekende Kris Merckx, maar ook Boudewijn Deckers. Je gaat mij niet vertellen dat ze allemaal dat stalinistische verleden afgezworen hebben.”

Wat de PVDA nu wel beweert.

Van Duppen: “Ik geloof daar niets van.”

Van Dievel: “Ik ook niet. Ze hebben zich nooit verontschuldigd voor alle rampzalige theorieën die ze ooit verkondigden en in de praktijk probeerden te brengen. Of voor de wantoestanden die ze verdedigden. Ze nemen er afstand van, ja. Dat is zoals Roger Vangheluwe die zei: ‘Sorry’, om vervolgens van zijn pensioen te gaan genieten in een klooster in Frankrijk.”

Eind jaren tachtig nam een vriend me mee naar een lezing van wijlen Ludo Martens, op dat moment voorzitter van de PVDA. Ik hoorde die man de lof van Jozef Stalin zingen en de zuiveringen verheerlijken. Het waren er volgens Martens alleen niet genoeg.

Van Duppen: “Martens vertolkte daarmee niet meer dan de marxistische stelling dat het in de genen zit. Je ouders, grootouders en kinderen dragen evenveel verantwoordelijkheid. Als jij geliquideerd wordt, moeten ook zij uit het maatschappelijk weefsel verwijderd worden. Stalin had volgens Ludo Martens dus niet goed genoeg gezuiverd. Maar ikzelf vond die zuiveringen er flink over en was nooit een grote fan van Stalin. Veel partijgenoten wel. De reden waarom al die fatsoenlijke jonge mannen en vrouwen uit katholieke gezinnen in die vreselijke verhalen meegingen, had precies te maken met het feit dat Amada een sekte was. De manier waarop ze ons rekruteerden en loszongen van onze omgeving, was exact zoals sektes dat doen.”

De partij wou dat u stopte met studeren en stuurde u naar de fabriek, om er te gaan ‘proletariseren’.

Van Duppen: “Al die pas gerekruteerde jonge studenten kwamen natuurlijk uit ‘kleinburgerlijke milieus’. Volgens de marxistisch-leninistische leer zouden de arbeiders het voortouw nemen in de bevrijding van de mensheid. De arbeidersklasse was de enige die de dictatuur kon uitoefenen over de slechte rijken. De dictatuur van het proletariaat was per definitie goed, want ze zou zich nooit keren tegen de armen of de zwakken. Om te weten te komen hoe die reddende klasse leefde en dacht, moesten we ‘proletariseren’ en in de fabrieken gaan werken.”

U moest uw collega’s in de fabriek intussen ook proberen bekeren?

Van Duppen: “Uiteraard. Elke week leverden we lijsten in van hoeveel uur we besteed hadden aan militeren en het verkopen van onze ‘krant’ Solidair. In die periode oefende ik eigenlijk drie jobs uit: het partijwerk, het thuiswerk en het werk in de fabriek. We voelden ons heroïsch.”

Uw broer Dirk vertelde in zijn afscheidsinterviews dat hij als jongeman uit eigen keuze bij de para’s ging. Uit dit boek leer ik dat hij door de partij gestuurd werd.

Van Duppen: “Alle jongemannen moesten van de partij bij de para’s gaan. Het proletariaat moest met de wapens kunnen omgaan en in het leger konden interessante sabotagetechnieken geleerd worden. Sommige partijleden werden door de militaire geheime dienst ‘ontmaskerd’ en schilden de rest van hun diensttijd patatten.

“Toen ik voor mijn legerdienst werd opgeroepen, werkte ik als mijnwerker in Beringen. Daardoor had ik automatisch recht op vrijstelling, maar de partij besliste dat ook ik naar het leger moest. Ik kwam niet bij de para’s terecht, maar bij de logistiek van de landmacht. In mijn dossier stond dat ik Amada-lid was. De kolonel sloot een deal: als ik me gedeisd hield en de boel niet ophitste; kreeg ik in ruil een ‘schone job’ als chauffeur. Ik hapte toe.”

In 1978 ging u geneeskunde studeren. Was dat ook opgelegd door de partij?

Van Duppen: “Nee, dat vonden ze een ramp. Dirk en ik besloten op hetzelfde moment om geneeskunde te gaan studeren. Iedereen met naam en faam in de partij werd op ons afgestuurd om dat tegen te houden.”

Van Dievel: “Jan werkte toen als wattman bij de Antwerpse MIVA, de latere Lijn. In mijn boek staat een hilarische scène waarin PVDA-dokter Kris Merckx een tramrit lang Jan ervan probeert te overtuigen om toch maar niet voor dokter te gaan studeren. ‘Tien jaar geleden was geneeskunde nog makkelijker, nu zijn die studies veel ingewikkelder, met honderden soorten antibiotica. Het lukt niet meer zoals in onze tijd.’ (lacht)”

Waarom wilden ze dat niet?

Van Duppen: “Als wij de fabriek verlieten om te gaan studeren, vormden wij meteen het levende bewijs dat de theorie van het proletariseren niet vol te houden was.”

Werd u net als in een sekte continu in de gaten gehouden?

Van Duppen: “We controleerden onszelf met kritiek en zelfkritiek.”

Van Dievel: “Je hele leven stond in het teken van de partij, er was niets anders. Jans vrouw was ook lid van de partij, maar ze liepen nooit hand in hand. Tijdens het partijwerk mocht niemand zien dat ze een koppel waren. Hun relatie had geen enkel belang; de partij was alles.”

Van Duppen: “Als je er toch uitstapte, werd je gevolgd. Een jaar of tien na mijn afscheid sprak een partijlid van toen me aan op een literair festival in Antwerpen. Ik had geen zin in een praatje met hem, maar hij drong aan. Hij vertelde me dat hij de voorbije jaren verantwoordelijk was geweest voor het verzamelen van inlichtingen over mijn doen en laten. Hij moest daarover wekelijks verslag uitbrengen bij het politbureau. Hij was inmiddels zelf uit de partij gezet en bood zijn verontschuldigingen aan.”

Dat lijkt op praktijken van de Stasi.

Van Duppen: “Het was exact hetzelfde. Misschien is dat bij de huidige PVDA nog zo, ik weet het niet. Ik mag daar natuurlijk niets over zeggen, nu ze zogezegd opnieuw maagd geworden zijn.”

Na de eerste Zwarte Zondag in november 1991 werd u lid van de sp.a, toen nog SP. Acht jaar later werd u voor die partij verkozen tot Vlaams parlementslid. De sp.a verschilt dag en nacht van de PVDA?

Van Duppen: “Natuurlijk. De sp.a was geen sekte, maar een belangenvereniging.”

Van Dievel: “Een gezelligheidsvereniging waar je bij wijze van tijdverdrijf naartoe ging. In de tijd van de verzuiling hadden ze hun eigen fanfare en café; je kon je altijd wel ergens amuseren.”

Van Duppen: “Ik begreep niets van die grote overwinning van het Vlaams Blok. Ik was huisarts hier in Turnhout en een groot deel van mijn patiënten had op die partij gestemd. Terwijl dat mensen waren die bij wijze van spreken het socialisme in deze stad hadden opgericht. Hun grootvaders liepen op de eerste mei met de vlag in de stoet. Ik vroeg waarom precies zij voor het Blok hadden gestemd. De meesten voelden zich achtergesteld: ze vonden dat vreemdelingen altijd werden voorgetrokken.

“De SP vroeg me omdat ze een potentiële lokale stemmentrekker in me zagen. Ik raakte nipt verkozen. Dat was een zeer interessante ervaring, want ik kreeg zo zicht op wat er zich achter de coulissen van de macht afspeelt. Ik kon ook een paar dingen proberen verwezenlijken. Ik ben niet zo negatief over die periode. Kijk, ik weet ook wel waar u, net als Louis, op kickt: eerst was die Van Duppen extreemlinks, dan sociaaldemocraat en nu is hij extreemrechts.”

Van Dievel: “Je bent stevig rechts en niet extreemrechts. Dat is een groot verschil.”

Van Duppen: “Oké, alleen ben ík niet veranderd, maar de rest wel. Ik geloofde namelijk dat links bedoeld was om zoveel mogelijk mensen mee te laten deelnemen aan de samenleving. Maar ik kreeg al snel door dat dat onder de dictatuur van het proletariaat toch iets anders verliep. Dat viel dus lelijk tegen. Bij de sociaaldemocratie kwam ik erachter dat het ‘gezellige socialisme’ enkel diende om mensen horig te maken. Ik was erg begaan met de problematiek van de internering en probeerde daar als Vlaams parlementslid iets aan te doen. Een belangrijk sp.a-politicus sprak me daarover aan: ‘Wat maak jij je druk over die geïnterneerden? Die kunnen niet eens voor je stemmen.’ Dat is meteen de essentie van de sociaaldemocratie: je onderneemt enkel iets als je zo mensen aan je kunt binden. Volgens mij is dat niet links, maar rechts.”

Van Dievel: “Ik ben zelf een overtuigde sociaaldemocraat en geloof echt niet dat sociaaldemocraten mensen aan zich proberen binden om macht over hen uit te oefenen.”

U schrijft dat ‘Guust Van Mol’ goeroe Marx inruilde voor goeroe Theodore Dalrymple.

Van Dievel: “De aanhangers van Dalrymple vormen geen sekte, maar als hobbyfilosoof geniet hij bij de conservatieven wel een grote aanhang. Ik begrijp niet goed waarom. Zijn geschriften over ‘de onderklasse die het aan wilskracht ontbreekt’ staan bol van de clichés. Zijn observaties zijn soms waar, alleen toont hij een geweldig gebrek aan respect en eerbied voor mensen die hij ‘de onderkanters’ noemt.”

Van Duppen: “Ik vind net dat hij enorm veel respect voor hen heeft en ze au sérieux neemt. Ik ontdekte Dalrymple toen ik in Rotterdam als dokter aan de slag was. Patiënten met een vluchtelingenstatuut vertelden me dat ze de boel opzettelijk belazerd hadden. ‘We kwamen naar hier omdat we een handeltje wilden opzetten. Maar vertel het niet voort.’ Ik kon dat niet vatten. Toen stuitte ik toevallig op de boeken van Theodore Dalrymple. Ik heb alles van hem gelezen en vind dat hij heel realistisch beschrijft hoe die zogenaamde onderklasse door de hulpverleningssector aan het infuus gehouden wordt. Die hulpverleners doen dat in de eerste plaats om zichzelf te helpen, niet de anderen. Zo beroven ze hun cliënten van elke mogelijkheid om hun lot in eigen handen te nemen.”

Van Dievel: “Ik ben het totaal oneens met die stelling van Dalrymple: ‘De bedoeling van de hulpverlening is niet to do good, maar: to feel good.’ Dat is een aanfluiting van wat hulpverleners doen.”

Van Duppen: “Het begint als goed doen, maar evolueert naar goed doen om zichzelf goed te voelen. Wat er wél zou moeten gebeuren, is mensen hun zelfrespect teruggeven.”

Van Dievel: “Dat doe je niet door ze à la Theodore Dalrymple te misprijzen.”

Van Duppen: “Dat doet hij niet, vind ik. Ik heb ze zeker nooit misprezen. Mijn werk tien jaar lang in die moeilijke wijk in Rotterdam is daar het levende bewijs van. Als je die mensen misprijst, dragen ze je gewoon naar buiten. Dalrymple werd ook nooit ergens buiten gedragen.”

Louis Van Dievel, De dokter is uw kameraad niet, Uitgeverij Vrijdag, 368 blz., 22,50 euro

© Jan Stevens

‘Die laatste zeven maanden voerde ik diepe gesprekken met papa. Dat is een luxe die veel mensen jammer genoeg niet hebben’

Weduwe Lieve Seuntjens en zoon Ben Van Duppen blikken terug op hun leven met Dirk Van Duppen. “Het motto hier in huis was: Erst das Fressen und dann die Moral.”

 

Op maandag 30 maart overleed Dirk Van Duppen omringd door zijn geliefden. Zelfs de grootste politieke tegenstander had woorden van lof voor de marxistische dokter die geneesmiddelen goedkoper wou maken met het kiwimodel, een kruis hielp zetten over de Lange Wapperbrug, zijn partij PVDA de weg naar succes wees en lang voor Rutger Bregman tot de conclusie kwam dat alle mensen deugen. “Ik liet nog eens alle kaartjes voor Dirk door mijn handen gaan”, zegt zijn vrouw Lieve Seuntjens (59), eveneens PVDA-dokter. “Mensen uit alle geledingen van de samenleving, van patiënten tot syndicalisten, stuurden een steunbetuiging. Die kaartjes staan symbool voor waar Dirk voor stond: mensen verbinden.”

We zitten in de tuin van de bescheiden rijwoning van doktersfamilie Van Duppen in Deurne. De zon schijnt uitbundig. “Op het einde zei papa dat hij het heel tof vond dat ik ook in de politiek gestapt ben”, zegt zoon Ben Van Duppen (30), onderzoeker in de kwantumfysica aan de Universiteit Antwerpen (UA) en PVDA-districtsschepen in Borgerhout. “Papa vond wetenschappelijk onderzoek ontzettend belangrijk. Toen ik eind vorig jaar de Prijs Robert Oppenheimer van de Onderzoeksraad van de UA won, was hij ontzettend trots.”

 

Hoe gaat het nu met jullie?

Ben Van Duppen: “We mochten de voorbije zeven maanden ontzettend veel verbondenheid ervaren, zowel hier, als in de buitenwereld. Dat heeft ons erg geholpen, ook al was het een vreemde periode. Die verbondenheid is een groot geschenk van papa aan ons om dat verdriet te helpen verwerken. Ik kan daar nu altijd op terugvallen. Wat niet wil zeggen dat er geen verdriet meer is, integendeel.”

 

Toen ik eind januari Dirk kwam interviewen, vroeg ik me voor ik hier binnenstapte af: waarom investeert hij zoveel kostbare tijd in lange gesprekken met wildvreemde journalisten? Toen ik weer buiten stapte, wist ik waarom.

Lieve Seuntjens: “Je moest Dirk aan het woord horen om dat te begrijpen. Veel mensen maken op het einde van hun leven een balans op; Dirks afscheidsinterviews pasten daarin. Toen hij in De afspraak op Canvas te gast was, werden er beelden getoond uit de tijd dat wij in de Palestijnse kampen in Beiroet aan het werk waren. Ik was daar zeer dankbaar voor.”

 

U leerde hem kennen in uw studententijd aan de UA.

Lieve: “Ik was negentien en had op een humaniora gezeten waar de geest van mei ’68 rondwaarde en waar ‘rode nonnen’ de plak zwaaiden. Ze hadden veel aandacht voor solidariteit met de derde wereld.

“De Antwerpse universiteit was toen vrij internationaal, met nogal wat Duitse en Nederlandse medestudenten. Dat sprak mij aan. In het tweede jaar geneeskunde zat ik in een groep van 15 studenten die politiek actief waren. Daar behoorden ook de gebroeders Jan en Dirk Van Duppen toe die allebei een uitgesproken mening hadden. Zij vielen fel op. Dirk was vier jaar ouder dan mij en had al op een fabriek gewerkt. Ze waren lid van de PVDA.”

 

Probeerden ze zieltjes te winnen voor de partij?

Lieve: “Ik heb dat nooit zo aangevoeld. Ze zwengelden discussies aan en nodigden ons uit om over veel thema’s na te denken. Het draaide niet enkel om politiek, maar ging vaak ook over praktische zaken, zoals: hoe pak je best je studies aan? In het derde jaar reden we met een bus vol studenten naar Limburg; de sluiting van de mijnen was in volle gang. Dat was toch iets anders dan de cantussen die Ben in zijn studententijd organiseerde. (lacht) De studentenfilosofie ‘Eins, zwei, zaufen!’, vonden wij maar niets.”

 

Ben Van Duppen deed daar als student wel aan mee?

Lieve: “Als wij ’s morgens naar het werk vertrokken, kwam Ben thuis. We vonden dat best grappig.”

Ben: “In 2010 was ik praeses van studentenclub WINAK, de wiskunde-, informatica- en natuurkundekring van de UA. Ik organiseerde onder andere cantussen en nam daar ook aan deel. Mama en papa dachten: ‘Waar houdt Ben zich nu mee bezig?’ We probeerden vooral de studenten van de campus te bereiken. Akkoord, er werd gedronken, maar dat was niet ons ultieme doel. Ja, wij organiseerden fantastische feestjes, maar we lieten ook de studenten die geen fuifnummers waren niet in de steek. We wilden eerst en vooral mensen bij elkaar brengen, liefst op de campus.

“Tijdens de praesesverkiezingen worden alle kandidaten schriftelijk ondervraagd. Een van de vragen tijdens mijn verkiezing was: ‘Naar wie kijk je op?’ Ik schreef: ‘Mijn vader. Want hij blijft altijd vechten voor verandering in de samenleving. Soms lijkt zijn strijd onmogelijk. Maar altijd gaat hij ervoor en zo verzet hij bakens.’ Dat kwam recht uit het hart. Achteraf pestten mijn studiemakkers me daar mee: ‘Papa, papa, papa…’ Het is en blijft een studentenclub, hé. (lacht)”

 

In oktober 1985 vertrok het pas afgestudeerde dokterspaar Lieve Seuntjens en Dirk Van Duppen naar Beiroet. Wie trok toen het hardst aan de kar om het veilige België in te ruilen voor het door burgeroorlog verscheurde Libanon?

Lieve: “Dat zal ik wel geweest zijn. We praatten toen veel over wat we met ons leven wilden aanvangen: worden we dokter in België of in het buitenland? Ik wou weg. Wij waren niet de enige studenten geneeskunde die daarover discussieerden. In een van de laatste jaren richtten we met gelijkgezinden een ‘werkgroep derde wereld’ op. In die tijd kon je als pas afgestudeerde dokter nog vrij makkelijk in een project in het zuiden stappen. Goeie vrienden van ons trokken naar Nicaragua en El Salvador.

“In de nasleep van de slachtingen in de Palestijnse vluchtelingenkampen van Sabra en Shatila in Beiroet in 1982 was de Palestijnse Rode Halve Maan op zoek naar hulpverleners die ook wilden getuigen. Onder de hoede van de Noorse NGO Norwegian Aid Committee (NORWAC) kwamen wij als enige twee Belgen in de kampen in Beiroet terecht. Er woedde een burgeroorlog en wij belandden er in een wespennest van fracties. Gelukkig werden we heel goed door NORWAC begeleid. Die organisatie zette projecten op voor zowel Libanezen als Palestijnen, en gold daarom als neutraal. Wij hielpen zowel in de Libanese dorpen in Zuid-Beiroet, als in de Palestijnse kampen.”

 

Hoe ingrijpend was dat jaar in Beiroet?

Lieve: “Ik was 26, een beetje jonger dan Ben nu, en had nooit oorlog meegemaakt. We voerden in Libanon zeer veel discussies met collega’s. Wij zagen onszelf als ambassadeurs van de Palestijnse zaak. Niet al onze internationale collega’s hadden zoals Dirk Van Duppen een duidelijke politieke visie op medisch solidariteitswerk. Sommigen hadden louter humanitaire drijfveren. Maar dat zorgde niet voor wrevel, want over de meeste kwesties waren we het eens.

“Tijdens een belegering van 40 dagen vielen er in ons kamp 65 doden op een bevolking van 10.000 mensen. Dat is gigantisch, maar op dat moment had ik dat niet in de gaten. We waren dag in, dag uit op de spoedafdeling in de weer, en de doden hoorden erbij. De corona-crisis duurt inmiddels ook iets van een 40 dagen en brengt bij mij de herinneringen van toen naar boven. Mensen sterven nu ook heel snel.”

 

Na Beiroet hadden jullie geen last van posttraumatische stress?

Lieve: “Nee, dat komt omdat we er een boek over schreven, Dagboek uit Beiroet, en omdat we honderden lezingen over de Palestijnen gaven. Dat was meteen ook ons verwerkingsproces.”

Ben: “Ik las Dagboek uit Beiroet als scholier. Na de humaniora ging ikzelf met een groep jongeren een paar weken meehelpen in Palestijnse kampen in Libanon. Dat was in 2007; ik zal die reis nooit vergeten. We bouwden een centrum voor de kinderen van de kampen. Ze groeien er op een vierkante kilometer op. We konden regelen dat een groep kinderen van zeven en acht mee mocht op uitstap naar de Bekavallei. Voor het eerst in hun leven zagen ze bomen en een rivier. Dan vraag je je toch af hoe het mogelijk is dat kinderen in zo’n omstandigheden moeten opgroeien. Voor zo’n onrecht kun je toch nooit je ogen sluiten?”

Lieve: “Wij kwamen in Libanon als vreemdelingen toe en een jaar later zeiden onze Palestijnse vrienden bij het afscheid: ‘Ons huis is jullie huis.’ Veel Belgen slagen er vandaag nog niet in om dat te zeggen tegen mensen met vreemde roots die hier al jaren leven en werken.

“Als koppel praatten wij veel over onze common ground. Veertig jaar samen met datzelfde engagement is toch iets apart. Op een bepaald moment ging de PVDA met Abou Jahjah onder de vlag Resist in zee. ‘Is dat wel verstandig?’, vroegen wij ons dan aan de keukentafel af. Dat debat tussen ons beiden vond ik altijd heel boeiend. Wij hadden geen blind engagement, en er waren uiteraard periodes dat we twijfelden. We zagen ook veel mensen komen en gaan. Als je een engagement niet vernieuwt of er niet langer warm van wordt, stopt het. Ik vond het fijn om te zien hoe Dirk zijn engagement telkens opnieuw onderbouwde. Het ene moment was dat met de strijd rond het kiwimodel, het andere rond het fijn stof of de Lange Wapperbrug. Of dan spitte hij zijn mensbeeld helemaal uit. Dirk inspireerde zo niet alleen mij, maar ook veel anderen.”

 

Op 30 augustus vorig jaar kreeg hij de diagnose terminale pancreaskanker. In het half jaar dat daarop volgde, schreef hij het boekje Zo verliep de tijd die me toegemeten was, gaf hij al die afscheidsinterviews en was er dat grote afscheidsfeest in de Roma. Net zoals na Beiroet begonnen jullie ook na Dirks doodvonnis bijna meteen aan de verwerking?

Lieve: “Eigenlijk wel. Dat boekje van 120 bladzijden en die afscheidsinterviews vertellen dat samengebalde krachtige verhaal van Dirks leven en dat maakt het zo speciaal. Maar zijn leven speelde zich natuurlijk over veel langere tijd af.”

Ben: “We moesten papa veel te vroeg afgeven, maar het is alsof de laatste 25 jaren van zijn leven geconcentreerd werden in dat laatste halve jaar. Ik had hem veel liever nu nog bij ons gehad en vlak na die diagnose was het vreselijk zwaar. In het begin kon ik dat niet aanvaarden. Ik ben mama en andere mensen uit mijn omgeving dankbaar die zeiden: ‘Ben, je moet hier nu de tijd voor nemen.’ Die laatste zeven maanden voerde ik diepe gesprekken met papa. Dat is een luxe die veel mensen jammer genoeg niet hebben of zich zelfs niet eens kunnen permitteren.

“Op het einde van zijn leven beklemtoonde papa dat we geen wolven voor elkaar zijn. Hij vroeg zich af waar die gedachte vandaan komt dat beschaving niet meer is dan een dun laagje vernis. En dat, van zodra je eraan begint te krabben, de zogezegd ‘ware’ zelfzuchtige aard van de mens naar boven komt. Hij had dat zelf nooit zo ervaren, maar misschien was hij een uitzondering op de regel. Hij begon dat nauwgezet en wetenschappelijk te onderzoeken, en vond overvloedig bewijs dat de mens van nature solidair en behulpzaam is. Solidariteit is datgene wat ons precies tot mensen maakt. Hij schreef dat in 2016 neer in De supersamenwerker en was erg fier op dat boek. In deze corona-crisis wordt toch heel duidelijk dat papa gelijk heeft? Ontzettend veel mensen zijn solidair en volgen spontaan de regels om zichzelf en anderen te beschermen. Hulpinitiatieven schieten als paddenstoelen uit de grond, met bijvoorbeeld al die mensen die mondmaskertjes naaien voor de zorg. Zelfs de hamsteraars waren solidair. Ik ken nogal wat mensen die stapels WC-papier insloegen, maar nu wel mondmaskers aan het naaien zijn. In mijn laatste gesprek met papa zei hij dat ook de coronacrisis ons laat zien dat de mens intrinsiek goed is.”

 

Als die crisis lang blijft duren en het economische weefsel zware averij oploopt, zou het misschien wel eens kunnen tegenvallen met die solidariteit?

Ben: “Dat zal afhangen van hoe die economische schade zal gefinancierd worden. Wordt het business as usual en gaan we er met z’n allen op achteruit? Of durven we het aan om ons systeem zo te wijzigen dat die kleine rijke toplaag die al decennia van de economie profiteert, eindelijk haar bijdrage levert? Omdat de mens van nature solidair is, wordt volgens papa de samenleving best opgebouwd volgens een model dat die solidariteit laat bloeien. Zo raken we allemaal samen vooruit.”

Lieve: “Dat is dus het marxisme. Dirk bekeek de werkelijkheid altijd door een wetenschappelijke bril en trok zelf op onderzoek. Daarnaast analyseerde hij ook op wetenschappelijke wijze de economische tegenstellingen in de samenleving. De essentie is: draait het in de economie om het verhogen van de winst of in het voorzien van de basisbehoeften van de mens? Dirk kon niet anders dan de kant kiezen van de werkende mens.”

 

De Sovjet-Unie was een praktische uitwerking van dat marxisme. Een groot succes kunnen we dat experiment toch niet noemen? En dan hebben we het nog niet over het stalinisme, waar de PVDA lang mee flirtte.

Ben: “Het imago van het marxisme is sterk aan het veranderen. Denk maar aan de beweging rond Bernie Sanders. Mensen kijken naar de nieuwe voorbeelden en niet naar de oude. We onderzoeken de tegenstellingen in onze huidige maatschappij en zoeken manieren hoe we nú stap voor stap kunnen vooruitgaan.”

 

Maar zoiets als het sovjetcommunisme bewees het marxisme toch geen dienst?

Ben: “Papa heeft op het einde ook heel duidelijk geantwoord dat dat problematisch was.”

Lieve: “Er vonden dingen plaats die niet te verdedigen zijn.”

Ben: “Voor de PVDA is dat sinds 2008 een afgesloten hoofdstuk. Toen stelde de partij zich open en een paar jaar later raakte ik ook écht in haar geïnteresseerd.”

 

Werd er in dit huis altijd veel gediscussieerd?

Ben: “Nee. (Kijkt naar zijn moeder) Jij vindt van wel? Jullie twee misschien wel, maar wij niet echt. Ik heb jullie ook nooit tegen ons horen zeggen: ‘Kom, we gaan nu Marx lezen.’ We waren het trouwens vaak niet met jullie eens. Dat is net heel gezond. Als ik met een vraag bij papa kwam, zei hij: ‘Daar ligt een boek over dat onderwerp. Lees het eens.’ Papa is een groot voorstander van het organische: wijsheid en inzicht moeten vanzelf groeien. Je kan niet aan iemand doceren hoe het precies moet. Aan dat dogmatische had hij een hekel. Je moet zelf ontdekken hoe iets ineenzit. Ik ben daar ongelooflijk dankbaar voor.”

Lieve: “Hij bracht ook thema’s aan: ‘Zoek dit maar eens uit.’ Hij is de zoon van twee leerkrachten en was een groot aanhanger van de socratische bevraging. Daar hadden we het vaak over. ‘Door de juiste vragen te stellen, prikkel je mensen.’ We deden dat ook met onze kinderen, maar niet bewust. We gaven ze vertrouwen en dat werkte.”

Ben: “Papa’s socratische bevragingen op vakantie vonden we soms heel fijn, maar ook soms vreselijk vervelend. We waren niet voor niets pubers. Jullie zorgden er wel voor dat we ons op materieel vlak nooit zorgen moesten maken. Tot aan het einde van het middelbaar smeerde papa elke ochtend onze boterhammen. Dat was toch beschamend lang. Het motto hier in huis was: Erst das Fressen und dann die Moral. (lacht)”

 

© Jan Stevens

“Mijn echte vader heb ik nooit gekend”

In de beklijvende reeks Kinderen van de Holocaust op Canvas getuigen twaalf nabestaanden zeven weken lang over de vervolging en uitroeiing van hun familieleden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een van hen is de 78-jarige Norbert Vos. “Hoe ouder ik word, hoe groter het gemis.”

 

Norbert Vos was amper één jaar oud toen zijn vader Albert Obstfeld op 3 september 1942 opgepakt en een maand later naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd werd. Moeder Léa Zwaaf dook samen met haar zoontje onder bij een gezin in Kortrijk. Na de oorlog hertrouwde ze met haar uit Auschwitz teruggekeerde neef Emiel Vos.

We zitten op het terras van Norbert Vos’ huis in Antwerpen. Op de tafel staan de foto’s van zijn vader Albert, moeder Léa, adoptievader Emiel en van het Kortrijkse echtpaar Raymond Verhaegen en Julia Leenknecht.

“Ik noemde mijn ‘onderduikouders’ Raymond en Julia altijd vader en moeder”, zegt hij. “Mijn echte vader heb ik nooit gekend. Hij was 39 jaar toen hij in Auschwitz is vermoord. Mijn adoptievader Emiel Vos overleefde het concentratiekamp. Op de foto kunt u het getatoeëerde kampnummer op zijn arm zien. Hij verloor zijn vrouw en drie kinderen. Ook zij werden vermoord, net als zijn ouders en zussen.”

 

U werd geboren in juli 1940 in de Zuid-Franse stad Pau. Uw ouders waren er op de vlucht voor de oorlog?

Norbert Vos: “Toen de oorlog uitbrak, vluchtten mijn ouders naar onbezet gebied in Frankrijk. Vader wilde net als zijn broer de Spaanse grens oversteken en verder reizen naar Portugal. Mijn oom had daar de boot genomen naar Cuba. Papa wou dezelfde route volgen, maar mijn moeder wou terug naar België. Mama was nog maar 22 jaar oud, met een pasgeboren baby. Ze kon zich niet voorstellen dat ze ooit Europa zou moeten verlaten en wou haar ouders niet achterlaten.

“Mijn papa was 18 jaar ouder dan mama. Toen ze in juli 1939 trouwden, was zij niet echt verliefd op haar kersverse man. Maar mijn grootmoeder vond, zeker met de oorlogsdreiging in de lucht, dat mijn vader een geschikte partij was voor haar dochter. Want Albert Obstfeld was een knappe man en verdiende goed zijn boterham. Mama en papa keerden samen met mij vanuit Pau terug naar Brussel, wat achteraf een vreselijke vergissing bleek te zijn.”

 

Had uw moeder daar later schuldgevoelens over?

“Ik denk het wel, maar we hebben daar nooit over gesproken. Ik heb haar daar ook nooit verwijten over gemaakt, want ze was een heel goede moeder. Maar het is inderdaad zo dat onze terugkeer naar België het leven van mijn vader heeft gekost.

“Mijn moeder haar ouders woonden in de Marsstraat in Berchem. Marcus Zwaaf, 51 jaar, en Sarah Vos, 53 jaar, werden op 28 augustus 1942 om 5 uur ’s morgens door Antwerpse politieagenten van hun bed gelicht. Ze kregen een half uur tijd om zich klaar te maken. Dankzij recent onderzoek van historicus Herman Van Goethem werd duidelijk dat de politie van Antwerpen onder leiding van oorlogsburgemeester Leo Delwaide actief Joodse mensen opspoorde voor deportatie. Daarom ook werd het Delwaidedok vorig jaar herdoopt tot Bevrijdingsdok. Toen mijn grootouders Marcus en Sarah opgepakt werden, was mijn moeder toevallig bij hen blijven slapen. Zij hielp mee met het smeren van hun boterhammen en het pakken van hun valies. Op dat moment geloofde ze nog dat haar ouders in Duitsland of Polen moesten gaan werken en dat ze ooit zouden terugkeren. De Duitse bezetter had aan burgemeester Delwaide een lijst van de Joden in Antwerpen gevraagd. Omdat mijn moeder in Brussel woonde, stond zij daar niet op. Toen een politieagent haar vroeg wie zij was, antwoordde ze: ‘De huishoudster.’ Mijn grootouders werden meegenomen naar een school in de Grotehondstraat waar alle Joden verzameld werden. Mijn moeder ging hen daar opzoeken in een jas zonder davidster.”

 

Wat toen een overtreding was?

“Ja. Mama probeerde haar ouders ervan te overtuigen om met haar te vluchten, wat vanwege de totale chaos op dat moment nog mogelijk was. Maar Marcus en Sarah weigerden. ‘Neem je zusje en je nichtje mee’, zeiden ze. ‘Wij zullen wel voor de Duitsers gaan werken en keren later terug.’

“Mama ging naar huis en op 3 september werd papa in Brussel gearresteerd. Waar precies weet ik niet. Hij had daar nog zaken te regelen. Hij was groothandelaar in stoffen, knopen, gespen en voeringen voor regenjassen. Ze sloten hem op in de gevangenis van Sint-Gillis. Daar schreef hij een paar brieven naar mama. Dat heeft zij me later verteld. Hij zat daar een maand in de cel in dezelfde broek, hetzelfde ondergoed, hetzelfde hemd, dezelfde sokken. Douches waren er niet.”

 

Hebt u zijn brieven nog?

“Nog één brief die hij in de Kazerne Dossin in Mechelen schreef, het ‘Sammellager’ of verzamelkamp voor Joden. Telkens wanneer de Duitse SS daar duizend Joden verzameld had, vertrok er een volle trein naar Auschwitz-Birkenau. Papa werd op 8 oktober overgebracht naar de Dossinkazerne en schreef die brief vlak voor zijn vertrek naar het concentratiekamp. Hij had potlood en papier weten te bemachtigen, zijn brief werd naar buiten gesmokkeld en bereikte mijn moeder. Hij schreef dat zijn arrestatie de droevigste dag uit zijn leven was omdat hij toen vrouw en kind moest achterlaten. Dat was zijn laatste teken van leven.

“In 1962 moest ik een deel van mijn legerdienst vervullen in diezelfde Kazerne Dossin. Zes maanden heb ik daar toen geleefd. Er was nog een Joodse jongen wiens vader van daaruit gedeporteerd was en nooit teruggekomen is.”

 

Hebt u daar toen iets van gezegd tegen de legerleiding?

“Nee, we spraken er wel over met de Joodse aalmoezenier. Maar die legerdienst was een zeer bevreemdende ervaring.

“Mijn latere adoptievader Emiel Vos kwam in 1942 ook in Kazerne Dossin terecht, samen met zijn vrouw en drie kinderen. Ze moesten slapen op stro dat op de grond lag. Er was één waterkraan voor duizend mensen. De treinreis naar Auschwitz duurde drie dagen. Ze kregen geen eten of drinken en er waren geen wc’s. Enkel een emmer in de beestenwagon. Het konvooi stopte in Kosel, vlak voor Auschwitz. Alle mannen tussen 15 en 50 jaar moesten eruit; zij waren nog geschikt om te werken. Emiel kreeg een duw in de rug en had zelfs geen tijd om afscheid te nemen van zijn gezin. De ouderen, vrouwen en kinderen reden daarna direct door naar de gaskamers.

“De Joodse gevangenen werden voor twee mark per dag voor slavenwerk uitgeleend aan grote Duitse firma’s zoals Krupp, Siemens of Volkswagen. Ze moesten werken tot ze doodvielen of naar de gaskamer gingen. Er zijn 1,5 miljoen Joden vermoord in Auschwitz. Emiel moest slavenarbeid verrichten voor IG Farben, het huidige Bayer.”

 

In het concentratiekamp van Auschwitz hebben Emiel en uw vader elkaar ontmoet?

“Iemand zei tegen Emiel: ‘Er is hier familie van jou.’ Toen hebben ze elkaar gezien. Emiel vertelde later dat mijn vader geloofde dat wij in veiligheid waren. Op zekere dag was Emiel zijn gamel voor zijn dagelijkse portie waterige soep kwijt. Twee dagen zonder soep of brood betekende de hongerdood. Mijn vader leende toen zijn etensblik aan Emiel uit en redde zo diens leven.

“Emiel zag papa nog op het einde. Hij was doodziek en had waarschijnlijk tyfus. Hij gaf het op en kwam terecht in de Krankenstube, voorportaal voor de gaskamer. In de jaren dertig was papa een echte zakenman, met internationale connecties. Mijn moeder heeft de brieven bijgehouden van de Engelse ondernemers waarmee hij in contact stond. Van de ene dag op de andere werd hij behandeld als slaaf, voorbestemd om vermoord te worden. Hij had geen enkele waarde of eigenwaarde meer.”

 

Na de arrestatie van uw vader dook uw moeder samen met u onder in Kortrijk?

“Veel Joodse mensen doken onder in Wallonië, maar mijn moeder vluchtte naar Otegem bij Kortrijk, naar een klant van mijn vader. Ze kende niemand anders die haar kon helpen. Maar die man wou van de toestand profiteren en maakte ongewenste avances. Ze vertrok en vond een onderkomen op een boerderij, waar ze heel snel bezoek kreeg van de pastoor. ‘Als je je tot het christendom bekeert, zal ik je helpen’, zei hij. ‘Anders geef ik je aan bij de Duitsers.’ Ze vluchtte opnieuw weg, blondeerde haar haar en geraakte aan een vals paspoort. Ze had dringend geld nodig en vond werk als vertegenwoordiger in producten voor ziekenhuizen en apotheken.

“We kwamen toevallig bij Raymond Verhaegen en Julia Leenknecht terecht. Zij hadden een café in Kortrijk. Het was guur buiten en mama stapte er met mij op de arm binnen om een kop koffie te drinken. Julia voelde meteen sympathie voor die kleine baby. Mama vroeg voorzichtig of ze iemand wist waar ze terechtkon. Raymond en Julia beslisten om ons in hun huis op te nemen. Dat was zeer moedig van hen. De hele oorlog zijn we bij hen gebleven, en ik voelde me daar goed. Hun dochter Mona is als een zus voor mij. Als Mona op school een appelsien of een reep chocola kreeg, bewaarde ze die om met mij te delen. Zij trouwde later met de kunstenaar Octave Landuyt. We zijn nog altijd heel nauw met elkaar verbonden en telefoneren een paar keer per week. Alles wat ik van toen weet, hebben Mona en mijn moeder me verteld.”

 

Wanneer wist uw moeder dat uw vader dood was?

“Vanaf april 1945 kwamen er treinen met overlevenden uit de concentratiekampen. Mijn moeder nam me toen mee naar het station. Ze had een foto van papa bij die ze aan iedereen toonde. Vergeefs.

“Emiel Vos was een van de weinige overlevenden. Van de 25.000 Joodse Belgen hebben 1.200 de oorlog overleefd. Op 18 januari 1945 vertrok de SS uit Auschwitz. Ze lieten 2.000 Joden voor halfdood in de infirmerie achter en stuurden 20.000 anderen op dodenmars naar het honderden kilometers verder gelegen concentratiekamp Buchenwald. In april kwam Emiel daar totaal uitgeput aan. Hij moest er opnieuw gaan werken, maar hij kon niet meer. Hij verstopte zich tussen de lijken. Op 11 april werd het kamp bevrijd door de Amerikanen. Emiel was zo verzwakt dat hij niet meer kon eten. Ze verzorgden hem en brachten hem na twee maanden over naar Nederland, om verder te herstellen. Vervolgens reisde hij naar zijn schoonbroer in Antwerpen.”

 

Wist hij toen al dat zijn vrouw en kinderen dood waren?

“Ja. Hij was nog niet lang in Auschwitz toen hij tegen een medegevangene begon over zijn gezin dat hij in Kosel had moeten achterlaten. Die man zei: ‘Zie je de rook uit die schoorsteen daar? Dàt zijn je vrouw en kinderen.’

“In Antwerpen hoorde Emiel dat een nichtje, mijn moeder, het overleefd had en dat ze in het huis van haar ouders in Berchem woonde. Hij belde aan en mama herkende hem eerst niet. Hij woog 34 kilo. Ze bood hem tijdelijk onderdak aan. ‘Tot je voldoende hersteld bent om te gaan werken.’ Maar hij is gebleven en in 1950 zijn ze getrouwd.”

 

Hij adopteerde u. Was dat moeilijk voor u?

“Zeker. Ik was nog maar vier jaar, maar toch begreep ik heel goed wat er gebeurde. Want mijn moeder had tijdens de oorlog voortdurend verteld over papa Albert. Ik zag dat Mona een moeder én vader had, en ik vroeg steeds naar mij́n vader. Toen trok Emiel bij ons in en na een tijd deelde hij de slaapkamer met mijn moeder. Ik wist heel goed wat dat betekende en ik aanvaardde dat niet.”

 

U zag het als verraad van uw moeder aan uw vader?

“Precies. Ik heb het nooit over mijn lippen gekregen om Emiel papa te noemen. Voor mij bleef hij altijd ‘oom Miel’. Voor hem was dat natuurlijk ook een moeilijke situatie. Hij zag er totaal anders uit dan ik. Hij had rood haar en een witte huid met sproeten. Ik had een bruine teint, donkere ogen en zwart haar. Zijn overleden kinderen leken op hem. In het memoriaal van Kazerne Dossin kunt u een video zien waarin hij vertelt over het leven met zijn kinderen. Dat is heel aandoenlijk. Maar ik kon hem pas ‘paps’ noemen na het overlijden van mama in 1985. Hij was toen al 75, maar ‘papa’ lukte nog steeds niet.

“Mama was een sterke vrouw die altijd alles regelde. Na haar dood moest ik haar plaats innemen. Ik zorgde ervoor dat Emiel niets te kort kwam en goed omringd was. Ik ging overal mee met hem. Hij stierf op de voorlaatste dag van 1999.

“Emiel kon heel goed in het openbaar spreken en kwam indertijd veel op televisie. Hij hield van opera en schrijven en was een fervent museumbezoeker. Ik heb veel van hem geleerd en hij heeft me gevormd. Mijn smaak voor kunst heb ik van hem.”

 

Toch bleef uw relatie met hem altijd een beetje ongemakkelijk?

“Hij accepteerde mij als de zoon van zijn tweede vrouw; ik denk dat dat de juiste omschrijving is. Want hij zag mijn moeder heel graag. In ’45 was ze nog maar 25 jaar oud en knap. Zij dacht er eerst niet aan om iets met hem te beginnen. Maar op een dag kwam hij terug van een reis naar Nederland en hij had een hemdje voor mij meegebracht. Dat was het moment waarop mijn moeder besefte dat hij misschien een goede vader voor haar zoon kon zijn. Hij was ook goed voor mij, en ik voor hem. Maar in een huwelijk zijn er soms discussies en ik koos dan de kant van mijn moeder, altijd.”

 

U mist nog steeds uw echte vader?

“Steeds meer. Hoe ouder ik word, hoe groter dat gemis.”

 

(c) Jan Stevens