“Nieuws maakt mensen pessimistischer. Hun drive om mee te helpen aan een betere wereld, kwijnt weg”

De Correspondent blaast vijf kaarsjes uit. Om dat te vieren, ligt binnenkort ‘Dit was het nieuws niet’ in de boekhandel, een bundeling reportages en verhalen. Intussen werkt oprichter en hoofdredacteur Rob Wijnberg vanuit New York met The Correspondent aan de verovering van de rest van de wereld. “Als het niet lukt, ben ik gauw weer thuis.”

 

Vijf jaar geleden, op 30 september 2013, ging decorrespondent.nl van start. Een half jaar eerder had filosoof en journalist Rob Wijnberg (36) in het Nederlandse praatprogramma ‘De wereld draait door’ de crowdfunding voor zijn journalistieke droom aangekondigd. Samen met mede-oprichter Ernst-Jan Pfauth zocht hij 15.000 mensen die minstens zestig euro wilden investeren in een nieuw, advertentievrij, digitaal journalistiek medium. Een maand later klokte de uiterst succesvolle geldinzamelactie af op 18.933 ‘leden’, of betalende abonnees. Vandaag telt De Correspondent 60.000 leden die in ruil voor 70 euro lidgeld onbeperkt toegang hebben tot de artikels, video’s en podcasts van onder anderen Rutger Bregman, David Van Reybrouck en sinds kort ook Joris Luyendijk. De avontuurlijke start-up groeide uit tot een middelgroot mediabedrijf met 51 werknemers, waaronder 21 voltijdse journalisten.

“Vijf jaar geleden was Joris Luyendijk een van onze grote inspiratiebronnen”, zegt Rob Wijnberg. “Hij is dan ook onze gedroomde correspondent. Veel collega’s op de redactie kijken naar hem op; hij is echt een intellectuele mastodont. Hij werkte in Londen bij The Guardian, maar wou om familiale redenen terug naar Nederland. Ik vroeg hem of hij zin had om bij ons te komen werken. Daar moest hij geen twee keer over nadenken.”

Eind vorig jaar verhuisde Wijnberg naar New York, waar hij samen met Ernst-Jan Pfauth werkt aan de opstart van de Engelstalige The Correspondent.

Rob Wijnberg: “We wonen hier nu tien maanden, maar zijn eigenlijk al meer dan een jaar bezig met het uitbouwen van een netwerk en met het smeden van plannen. We hebben een Engelstalig boekje gedrukt met onze ‘Ten Founding Principles for independent, inclusive, and ad-free journalism’. We drinken sloten koffie met geïnteresseerden en praten met hen over ons manifest. We letten er wel goed op dat we dat woord niet gebruiken, anders bestempelen ze ons als communist. We noemen het onze ‘grondwet’, dat snappen ze wel.”

 

Wie zijn die ‘geïnteresseerden’?

“Journalisten, activisten, mediacritici, wetenschappers… We leggen hen onze journalistiek uit en proberen hen als ambassadeurs te strikken. De lijst groeit gestaag. Onder anderen Rosanne Cash, de dochter van Johnny, en Alan Rusbridger, oud-hoofdredacteur van The Guardian, helpen nu bij de verspreiding van ons evangelie.”

 

Waarom willen jullie per se vanuit New York in het Engels aan de slag?

“Amerika heeft een grote markt voor journalistiek en er loopt zeer veel talent rond. We kunnen hier ook nauw met een van onze grote inspirators samenwerken: Jay Rosen, professor journalistiek aan de universiteit van New York. Hij voert onderzoek naar internetjournalistiek en naar de rol van lezers bij journalistieke projecten. Eigenlijk is het ook gewoon heel leuk om in deze stad te wonen en werken. New York is geen must, maar de Engelse taal wel. Het is niet onze bedoeling om De Correspondent te kopiëren naar de VS, wel om ons project uit te breiden naar het enorme Engelse taalgebied. Onze journalistiek richt zich niet op de waan van de dag, maar op grote structurele en fundamentele ontwikkelingen die de wereld vorm geven. Wij hebben aandacht voor thema’s als klimaatverandering, belastingontduiking, onderwijs en mobiliteit. Onze artikels en reportages hebben alle baat bij een wereldtaal.

Reacties van lezers zijn heel belangrijk voor ons. We betrekken hen bij alles wat we schrijven en vragen hen om hun kennis en ervaringen met ons te delen. Van zodra dat in het Engels kan, zullen ontzettend veel mensen van over de hele wereld hun wijsheid op ons platform delen. Onze journalistiek kan daar alleen maar beter van worden.”

 

U bent niet bang om zeurpieten en complottheoretici uit de vier windstreken aan te trekken?

“De commentaarsecties op de nieuwssites van klassieke journalistieke media hebben een slechte naam met hun complottheorieën en scheldpartijen. Maar misschien ligt een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor al die ontspoorde onzin bij de sites zelf. Want er volgt geen enkele consequentie, zowel positief als negatief, op de commentaar die iemand levert. De journalist die het oorspronkelijke stuk geschreven heeft, doet er helemaal niets mee. Het gevolg is dat die commentaren ontsporen. Dat is doodjammer. Door onze lezers ernstig te nemen en in ons werk te betrekken, hebben wij ervaren dat zij vaak een grote bron van kennis zijn. Bijna 50 % van het werk van De Correspondent-journalisten bestaat uit dialogeren met de leden. Ze beantwoorden vragen, en stellen er ook. Onze leden delen hun expertise met ons, die wij vervolgens gebruiken voor nieuwe verhalen. Er is een cultuur gegroeid waarin de meeste mensen die reageren ook écht iets weten. Onze voedselcorrespondent krijgt altijd meteen interessante reacties van boeren en melkveehouders; onze onderwijscorrespondent communiceert met leraars, leerlingen en schooldirecteurs. De reacties op onze artikels zijn geen ‘comments’, maar ‘bijdragen’. Dat verschil lijkt subtiel, maar toont wel hoe wij met onze leden communiceren. Anonieme reacties zijn niet toegestaan. Dat zorgt ervoor dat mensen niet snel complottheorieën delen.”

 

Wanneer gaat The Correspondent de lucht in?

“Dat weten we nog niet. We organiseren eerst een ledencampagne via crowdfunding, net als vijf jaar geleden in Nederland. Wanneer die precies van start gaat, is koffiedik kijken.”

 

Klopt het dat jullie met een oorlogskas van 1,8 miljoen dollar naar New York vertrokken zijn?

“Die 1,8 miljoen dollar is het startkapitaal om onze crowdfunding te financieren. We hebben een paar maanden geleden Zainab Shah in dienst genomen als onze Operations Lead. Zij komt over van BuzzFeed. We werken samen met Blue State Digital, het bureau achter beide digitale presidentiële campagnes van Barack Obama. Dat kost ook geld. We bouwen alles op van nul in de hoop dat we zo tienduizenden mensen kunnen overtuigen om lid te worden van iets dat ze niet kennen. Als het niet lukt, ben ik gauw weer thuis.”

 

In het voorwoord van ‘Dit was het nieuws niet’ schrijft u: “Vergeet nepnieuws. Echt nieuws is minstens zo misleidend.”

“Daar voeg ik meteen ook aan toe: ‘Ik realiseer me dat dat een boude stelling is.’ (lacht) Met ‘nieuws’ bedoel ik niet ‘journalistiek’, want dat begrip dekt veel ladingen. Niet alle kunst is een schilderij. Nieuws bestaat uit sensationele, uitzonderlijke, negatieve, recente gebeurtenissen. Het journaal zal eerder openen met: ‘Er is een bom ontploft’, dan met: ‘Vandaag zijn er in dat land weer mensen onderdrukt.’ Want dat laatste is geen uitzonderlijke, sensationele en recente gebeurtenis, maar vindt elke dag plaats. Er wordt gezegd: als je nieuws volgt, weet je wat er in de wereld aan de hand is. Maar dat is níet zo, omdat nieuws net gaat over dat uitzonderlijke. Je krijgt nooit de regel te zien, altijd de uitzondering. Terwijl de dingen die elke dag gebeuren net veel invloedrijker zijn. Iedereen denkt dat de financiële crisis in 2008 begon omdat er zich toen iets spectaculairs en uitzonderlijks voltrok: een grote bank, Lehman Brothers, ging overkop. De aanloop was geen nieuws, want verliep te traag en te structureel. De opgestapelde risico’s die banken namen, leidden tot de crisis, maar bleven onder de nieuwsradar.

Door naar structuren te kijken, ontdek je paradoxaal genoeg dat het veel beter met de wereld gaat dan het nieuws laat uitschijnen. In Amerika zeggen ze: ‘If it bleeds, it leads.’ Als het bloedt, haalt het de voorpagina. Terwijl je nooit iets ziet over wat goed gaat. Elke dag vertrekken tien miljoen Nederlanders naar hun werk. Pas als iemand een ongeluk krijgt, is het nieuws. Al die andere mensen die veilig aankomen, zijn geen berichtje waard.

Wie op een andere manier naar de werkelijkheid kijkt en op zoek gaat naar structuren en patronen, wordt misschien wel optimistischer en positiever dan wie enkel het nieuws volgt. Nieuws maakt mensen pessimistischer: ze krijgen minder vertrouwen in hun medemens en worden cynisch. Hun drive om mee te helpen aan een betere wereld, kwijnt weg.”

 

Is dat niet vooral te wijten aan sociale media? Kranten en tijdschriften brachten en brengen nog steeds achtergrondverhalen. Is het drama niet dat krant en magazine ingeruild worden voor Facebook, Instagram of Twitter?

“Door het internet is de laatste decennia nieuws zeker invloedrijker geworden. Vroeger werden we er een paar keer per dag mee geconfronteerd: ’s morgens als de krant op de mat viel, ’s middags als we naar het journaal op de radio luisterden en ’s avonds als we voor de tv gingen zitten. Nu is het nieuws alomtegenwoordig. Vroeger lieten we ons stemgedrag bepalen door onze ideologie, nu door het nieuws. Wat een paar weken voor de verkiezingen in het nieuws komt, is doorslaggevend voor wie onze stem wel of niet zal krijgen. Kijk, de meeste journalisten zijn links…”

 

Dat wordt gezegd.

“Dat wordt niet alleen gezegd, dat is ook onderzocht. Twee derde van de Engelse journalisten stemt links, maar het nieuws is rechts. Als je aan een links persoon vraagt wat de grondoorzaak van criminaliteit is, zal hij op structuren wijzen en antwoorden: ‘Armoede, ongelijkheid, opvoeding, gebroken families.’ Vraag het aan een rechts persoon en hij zal antwoorden: ‘Het is de individuele keuze van die man of vrouw om het verkeerde pad te kiezen.’ Daarom vinden rechtse mensen zwaardere straffen een logische manier om criminaliteit te bestrijden. Rechts denken heeft een individuele moraal en links denken een structurele. Bijna alle nieuws is een bevestiging van rechts filosofisch denken. Sluit iemand op in een kamer en laat hem een jaar lang enkel naar het journaal kijken. Ik durf er alles op verwedden dat hij rechtser uit die kamer komt dan hij erin ging. Hij zal pleidooien houden voor zwaardere straffen en meer politie op straat. Je zal hem niet horen zeggen: ’99 procent van de mensen zijn te vertrouwen’, of: ‘Armoede is een structureel probleem.’ Nieuws maakt conservatief, want het toont enkel slechte veranderingen.”

 

Conservatieve politici hebben er dus alle belang bij dat mensen het nieuws volgen en achtergrond en duiding links laten liggen? N-VA-voorzitter Bart De Wever weigert interviews aan magazines en kranten van de kwaliteitspers. In de populaire pers maakt hij dan weer wel graag zijn opwachting. Dat is onderdeel van een bewuste strategie?

“De Wever is niet de enige conservatieve politicus met die strategie. Er is geen betere reclamespot voor zijn wereldbeeld denkbaar dan het nieuws. Er is ook niets meer naast de waarheid dan een rechts populistische conservatief die beweert dat de media zijn wereldbeeld niet in beeld brengen. Sterker nog: zijn wereldbeeld is zowat ontleend aan wat je in het nieuws ziet.

Nieuws is een geprofessionaliseerde vorm van geroddel. Als het afgeschaft wordt, ontstaat het vanzelf terug. ‘Zeg Jan, heb je gehoord dat het huis van de buurman afgebrand is?’ ‘Is het echt? Heb ik je al verteld dat achter de hoek twee auto’s op elkaar zijn ingereden?’ Mensen willen nu eenmaal weten wat er aan gevaar dreigt. Als je die neiging tot roddelen professionaliseert, heb je nieuws. Het wordt problematisch van zodra je dat professioneel geroddel beschouwt als het venster op wat er écht gebeurt in de wereld. Dan krijg je een extreem eenzijdige visie op de werkelijkheid. Het zorgwekkende is dat het politieke beleid op dat eenzijdige wereldbeeld gebaseerd wordt. 80 procent van alle vragen in het Nederlandse parlement komen voort uit nieuwsberichten. Afgelopen jaren zijn er acht keer zoveel vragen gesteld over geweldincidenten op straat. Straatgeweld groeide uit tot een obsessie en er werden veel maatregelen tegen getroffen. In werkelijkheid nam ondertussen het geweld op straat alleen maar af. Met De Correspondent gaan we daar lijnrecht tegenin: wij willen medicijn zijn tegen die waan van de dag.”

 

De Correspondent-journalist Jesse Frederik zei eerder dit jaar in een interview met het Nederlandse journalistenvakblad Villamedia dat hij het jammer vond dat zijn stukken nooit opgepikt werden door de klassieke media.

“Ik snap dat Jesse dat niet leuk vindt, want hij schrijft fantastische artikels over grote, vaak onbesproken problemen. Zo heeft hij naar voor gebracht dat de armoede in Nederland veel groter is dan de officiële cijfers doen vermoeden. Want schulden worden niet in die cijfers verwerkt. Volgens de statistiek kan je dus rijk zijn, terwijl je tot over je oren in de schuld zit. Jesse schrijft daar schitterende verhalen over, alleen zit er geen haakje aan om ze hier en nu op de frontpagina van de klassieke krant te zetten. Misschien moeten we daar in de toekomst beter op letten.”

 

Frederik zei in datzelfde interview: “Collega-journalisten vinden ons toontje stomvervelend. Zelf word ik ook gek van dat borstklopperige gedoe.” U ook?

“Misschien zit er soms een betweterig toontje in onze titels, maar in de klassieke media zit veel betweterigheid in de mentaliteit. De traditionele cultuur in de journalistiek is al jarenlang: ‘Wij bepalen wat belangrijk is. Wij presenteren het en lezers mogen het vervolgens consumeren. Klaar.’ Wie dat voorgekauwde nieuws niet volgt, is geen goede burger, want hij is apathisch. Terwijl een journalist zich zou moeten afvragen: ‘Waarom volgen ze ons niet? Wat kunnen we verbeteren?’ Tegen al die mensen uit de klassieke media die vinden dat wij wijsneuzerig zijn, zeg ik dat wij onze lezers wél zeer serieus nemen.”

(c) Jan Stevens

Advertenties

“Maak schrijvers zelfredzaam. Het is hun enige kans op redding”

Met zijn uitgeefplatform Pottwall Publishers zoekt Marnix Peeters een manier om zijn schrijverschap rendabel te maken. Voor subsidies bedankt hij. “Ik heb nog nooit een cent van de staat gekregen.” Niet al zijn collega’s zijn even enthousiast. “Zo goed als geen schrijver kan leven van zijn boekenverkoop.”

 

Woensdag 12 september stelde Marnix Peeters zijn nieuwe roman ‘Ik heb aids van Johnny Diamond’ voor in een chique gentleman’s club in Antwerpen. Het blonde gerstenat vloeide er rijkelijk dankzij een bevriende brouwerij uit Steenhuffel. “Ik ben niet vies van bedrijven die mijn boeken of boekvoorstellingen willen sponsoren”, zegt Peeters. Begin vorig jaar richtte hij zijn eigen uitgeefplatform Pottwall Publishers op. “Niet uit onvrede met mijn toenmalige uitgever, maar omdat ik het creatieve proces zelf in handen wou nemen. Een moderne uitgeverij heeft 250 titels per jaar, waarvan jouw boek slechts één onderdeeltje is. Het technische aspect van boeken uitgeven, zoals drukken en distribueren, besteed ik uit aan Standaard Uitgeverij. Al de rest doe ik samen met mijn vrouw Jana. We zoeken zelf redacteurs en grafici en verzorgen onze eigen promotie. ‘Ik heb aids van Johnny Diamond’ is als volledig afgewerkt pakket bij Standaard Uitgeverij afgeleverd. De cover was klaar en mijn mediacampagne stond op punt. Het enige wat zij nog moesten doen, is de boeken drukken en versturen.”

Pottwall Publishers wordt van vers kapitaal voorzien door een privé-investeerder. Marnix Peeters: “Ik stapte zelf naar Bart Embrechts, stichter en baas van ‘incubator’ Gumption. Na een gesprek van een half uur was alles in kannen en kruiken. Gumption financiert een deel van mijn werkingskosten in ruil voor media-aandacht. Hun logo prijkt klein maar fijn op de achterflap van mijn boeken. De commentaar van sommige collega’s is vernietigend: ‘Dat bedrijfslogo op je boek is cultuurschennis!’ Terwijl ze wel allemaal graag het logo van het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) op de titelpagina van hun roman zetten, om zo te tonen dat ze 10.000 euro uit de zakken van de overheid geklopt hebben. Ik hou niet van subsidies. Ik heb nog nooit een cent van de staat gekregen.”

 

Win for life

“Zo goed als geen enkele schrijver kan van de verkoop van zijn boeken leven”, zegt Matthijs de Ridder, voorzitter van de Vlaamse Auteursvereniging (VAV), de belangenvereniging van Vlaamse schrijvers. “De royalty’s bedragen doorgaans 10 % van de verkoopprijs en die volstaan niet, tenzij een schrijver meer dan 20.000 exemplaren van al zijn boeken per jaar verkoopt. Er zijn er maar een paar die dat halen. De werkbeurzen van het VFL helpen de anderen overleven.”

In juni hield Het Nieuwsblad het VFL tegen het licht. In 2018 kregen 103 auteurs een werkbeurs, goed voor bijna 900.000 euro. De krant ploos uit dat sinds 2000 zeven schrijvers elk jaar opnieuw langs de kassa passeren. Structurele grootverdieners zijn Leonard Nolens (met in totaal 368.192 euro), Klaas Verplancke (347.904 euro), Bart Moeyaert (309.256 euro) en Paul Claes (305.006 euro). Dat leverde hen de voorbije achttien jaar een netto maandloon op dat schommelde tussen 1.300 en 1.600 euro. Het Nieuwsblad bedacht voor hen het koosnaampje ‘win for life-club’. “Goed gevonden, maar nergens op gebaseerd”, vindt Matthijs de Ridder. “Want die werkbeurzen worden door onafhankelijke commissies toegekend aan schrijfprojecten die constant worden geëvalueerd.”

Is dat zo? Een schrijver kreeg een beurs voor een roman. Onderweg haakte zijn uitgeverij af. De schrijver hing zijn pen aan de haak, renoveerde met het subsidiegeld zijn keuken, leverde geen boek in en werd door het VFL nooit op het matje geroepen. Matthijs de Ridder: “Als een schrijver echt de boel belazert, kan hij dat één keer doen. Want er mag aan een subsidie geen resultaatsverbintenis verbonden zijn. Maar daarna zal hij uiteraard geen beurs meer krijgen. Er is echter ook zoiets als het recht om te mislukken. Als je intenties goed zijn, of de uitgeverij ligt dwars en het lukt niet, word je niet gestraft.”

“Er wordt altijd beweerd dat het VFL onafhankelijk over werkbeurzen beslist, maar ik schrik als ik zie hoe een groep schrijvers al jaren structureel bediend wordt”, reageert Marnix Peeters. “Veel aanvragers hebben trouwens een job; vaak zijn het docenten of journalisten. Waarom moeten zij overheidsgeld krijgen? Gesubsidieerde auteurs vinden het soms de moeite niet om zelf de handen uit de mouwen te steken om hun boeken verkocht te krijgen. Waarom zouden ze? Dankzij het VFL is hun boek toch al betaald. Marketeers van uitgeverijen trekken zich de haren uit het hoofd: wanhopig worden ze van schrijvers die weigeren een auteurspagina op Facebook te maken. In zeldzame interviews snoeven die schrijvers dan dat ze hun auteurschap niet in het gedrang laten brengen door deelname aan tv-spelletjes zoals De slimste mens. Het is niet voor niets dat er zoveel protest is tegen de benoeming van Mia Doornaert tot nieuwe VFL-voorzitter. Het boeken-establishment is bang dat zij het status-quo komt verstoren. Als ik Mia was, zou ik al de poen die die uiertrekkers jaarlijks krijgen, investeren in dingen die er werkelijk toe doen. Organiseer een cursus marketing voor schrijvers. Maak ze zelfredzaam. Het is hun enige redding.”

Het verhaal gaat dat Marnix Peeters zo gebeten is op het VFL omdat hij ooit zelf naast een beurs greep. Peeters: “Onzin. In 2014 waagde ik het al om kritiek op het VFL te hebben en meteen sneerde directeur Koen van Bockstal: ‘Meneer Peeters heeft óók een subsidie gekregen voor een Italiaanse vertaling van zijn debuut.’ Wat een leugen is. Op een dag zat er een brief van het VFL in de bus met de mededeling dat een vertaalster 1500 euro had ontvangen om mijn eerste roman te vertalen. Ik heb die vertaalsubsidie nooit zelf aangevraagd en dat geld ook nooit gekregen. Ik dacht: ‘Waarom probeert die Van Bockstal mij verdacht te maken?’”

 

Koffieboeren

Van 2011 tot en met 2013 organiseerde de Vlaamse Auteursvereniging onder haar 600 leden een bevraging naar hun inkomen. Het gemiddelde gezinsinkomen van 60 % van de literaire auteurs bleek onder 3000 euro per maand te liggen. Ter vergelijking: in 2008 bedroeg het beschikbare maandinkomen per huishouden in Vlaanderen gemiddeld 3.287 euro. Amper 10 % van het maandelijkse gezinsinkomen van twee derde van de literaire auteurs was afkomstig van hun schrijfwerk. Slechts 20 % kon echt van zijn pen leven.

De Universiteit Gent voerde in 2014 een groot onderzoek naar het inkomen van Vlaamse kunstenaars en nam toen ook de literaire auteurs onder de loep. Bijna 40 % van de schrijvers was zelfstandige in hoofdberoep. Hun gemiddeld netto-jaarinkomen bedroeg 19.884 euro. 28% was zelfstandig schrijver in bijberoep. Hun schrijverschap leverde hen gemiddeld 8.201 euro netto per jaar op; hun hoofdjob in vaste loondienst 31.904 euro. 7 % werkte met uitzendcontracten en verdiende gemiddeld 21.752 euro. De rest werd vooral uitbetaald in onkostenvergoedingen.

“Schrijvers zijn de koffieboeren van het boekenvak”, zegt Erik Vlaminck, voltijds literair schrijver. “Ik verdien meer met mijn theaterwerk dan met mijn romans. Maar ik zou geen theateropdrachten krijgen als ik geen romans zou schrijven. Ik werk enkel voor professionele toneelgezelschappen en krijg doorgaans voor elke opdracht een schrijfpremie die varieert van 3000 tot 10.000 euro. Die premie is geen voorschot, maar een vergoeding voor het te schrijven stuk. Daarna ontvangt de auteur 10 procent op de recette. Aan een theaterstuk werk ik twee tot zes maanden; aan een roman ben ik twee of drie jaar bezig. Mijn vergoeding als romanschrijver bedraagt 10 % van de verkoopprijs van elk verkocht boek. De meeste boeken halen in Vlaanderen een oplage van een paar duizend exemplaren of minder. Natuurlijk is onze boekenmarkt te klein om rendabel te zijn. Maar als een gemeenschap literatuur belangrijk vindt, moet ze bereid zijn om subsidies te geven die de markt corrigeren. In tegenstelling tot Marnix Peeters vind ik dat het VFL wel goed werk levert. De hele boekensector stelt direct en indirect duizenden mensen tewerk, in bibliotheken en boekhandels, bij uitgeverijen, in drukkerijen, bij transportbedrijven en culturele organisaties. Al die mensen hebben een fatsoenlijk loon en een sociaal vangnet. De enigen die dat niet hebben, zijn de schrijvers, terwijl zij de grondstof leveren. ‘We kunnen het ons niet permitteren om schrijvers meer dan 10 % te geven’, zeggen uitgevers. Bullshit. Als een schrijver 20 % krijgt, wordt een boek 2 euro duurder. Laat een lezer een boek links liggen omdat het 22 in plaats van 20 euro kost?”

 

Onvruchtbare tegenstelling

Jeroen Overstijns is ceo van Standaard Uitgeverij, de grootste uitgeefgroep in Vlaanderen. Cijfers over vergoedingen voor auteurs geeft hij niet, al is hij de eerste om toe te geven dat het geen vetpot is. “Een gevolg van de relatief beperkte markt waar Vlaamse auteurs voor schrijven”, zegt hij. “Het is voor hen zeer moeilijk om in Nederland door te breken. De echt grote namen geraken de grens wel over, maar halen gemiddeld niet de verkoopcijfers van hun Nederlandse collega’s. We geloven graag dat bij onze noorderburen het gras groener is, maar ook Nederlandse schrijvers komen tegenwoordig moeilijk rond. De voorbije tien jaar is de boekenmarkt er met een vijfde gekrompen. Het is dus te gemakkelijk om met een beschuldigende vinger naar uitgeverijen te wijzen. Op heel veel boeken draaien zij verlies, terwijl ze wel altijd het risico dragen. Als een boek niet verkoopt, blijft de uitgeverij met de kosten achter.”

Commerciële mensen in een uitgeverij hebben een mooi loon en een auto van de firma, terwijl de schrijvers – de grondstofleveranciers – het meestal moeten stellen met die schamele 10 procent. Wringt dat niet? Jeroen Overstijns: “Ik vind dat een onvruchtbare tegenstelling: alsof auteurs veel geld moeten verdienen en uitgeverijen veroordeeld moeten zijn tot de bedelstaf. Alsof het verkeerd is dat er in een uitgeverij mensen met een salaris rondlopen. Een auteur is gebaat met een goede uitgeverij en een uitgever is gebaat met een goede schrijver. Samen proberen ze kwaliteitsboeken te maken die ook geld opbrengen.”

“We mogen niet alle verantwoordelijkheid bij de uitgeverijen leggen”, vindt ook schrijfster Gaea Schoeters. “Zij maken niet de grote winsten. Ongeveer de helft van de opbrengst van een boek gaat naar distributie en tussenleveranciers. Ik geloof echt dat een aantal uitgevers graag de gebruikelijke royalty’s van 8 tot 15 procent zouden willen optrekken tot misschien zelfs 50 procent. Alleen is dat onmogelijk.”

Hoe moet het dan wel? Gaea Schoeters: “Literatuur schrijven is als topsport, maar dan zonder sponsors en prijzengeld. De teloorgang van de literaire prijzen is een groot probleem: geen enkele heeft nog een fatsoenlijke prijzenpot. Ik ben het totaal oneens met Marnix Peeters’ stelling dat schrijvers nog wat harder moeten werken en dan ooit zullen krijgen wat ze verdienen. Waarom moet een professioneel schrijver overdag bij de bakker gaan werken? Dat vragen ze toch ook niet aan een professioneel concertpianist? Ik geloof erg in gesubsidieerd kunstenaarschap, maar niet zoals het nu in Vlaanderen georganiseerd is. De hoogte van de werkbeurzen is een grap. Ik heb er zelf een en die bedraagt 5000 euro. Dat wil zeggen: ongeveer 400 euro per maand om van te leven.”

Moet er dan een kunstenaarsstatuut voor schrijvers komen, zoals er al een is voor acteurs? “Ja. In Scandinavië worden scheppende kunstenaars wel structureel ondersteund. Misschien kunnen we daar inspiratie opdoen?”

 

 

Hoe verdienen schrijvers hun dagelijks brood?

 

Marnix Peeters, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Ik kan mijn columns niet missen”

“Mijn topsellers zijn ‘De dag dat we Andy zijn arm afzaagden’ en ‘Natte dozen’. De aantallen die daarvan verkocht zijn, gaan richting 20.000. Ik heb ook mindere titels. Van ‘Kijk niet zo konijntje’ zijn er maximaal 5000 verkocht. ‘Ik heb Aids van Johnny Diamond’ verschijnt op 4000 exemplaren. Dat is veel naar Vlaamse normen, maar ik doe er dan ook extreem hard mijn best voor, met filmpjes en teasers, websites en een heuse sociale mediastrategie. Ik ben daar samen met mijn vrouw makkelijk drie maanden per jaar voltijds zoet mee. We hebben zo ondertussen een trouw lezerspubliek opgebouwd.

“Om te kunnen overleven kan ik mijn columns niet missen. Ik vind dat ook geen oneervol genre, integendeel. Ik krijg er veel warme reacties op, blijkbaar raak ik bij lezers een gevoelige snaar.”

 

 

Gaea Schoeters, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Een jaar romanschrijven, levert evenveel op als een dag soapscenario’s schrijven”

“Ik werk zeven dagen op zeven. Als ik een jaar aan een roman schrijf, verdien ik evenveel als wanneer ik een maand voor het theater, een week voor de krant of een dag scenario’s voor een soapserie op tv geschreven heb. In het verleden heb ik aan zo’n series meegewerkt, en een dag brainstormen bracht me tussen de 500 en 800 euro bruto op. Ik teer nog op de reserves van toen: zij maken het mee mogelijk dat ik nu aan mijn romans kan werken.

“Ik besef heel goed dat ik als auteur nooit hoge oplages zal halen. Als de verkoop van een van mijn romans 2.500 exemplaren haalt, is dat een groot succes. Ik werk drie jaar aan een boek en verdien dan gemiddeld 1,2 euro per exemplaar. Een roman levert me dus 1000 euro per jaar op. Evenveel als indertijd een aflevering voor een soap, waar ik anderhalve dag zoet mee was.”

 

 

Christophe Vekeman, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Iedereen gelijk voor de wet”

“Ik beschouw alles wat ik doe – romans schrijven, maar ook boeken bespreken, optreden, lezingen geven en zelfs dj-en – als deel van mijn schrijverschap. Al die activiteiten zijn een manier om mezelf literair tot uitdrukking te brengen. Zo overleef ik al sinds 2005 als zelfstandige.

“Daar ik gemiddeld zes of zeven weken doe over het schrijven van een roman, is het geld dat ik aan zo’n boek verdien redelijk in verhouding met die werktijd. Al blijft het natuurlijk jammer dat ik niet gebekt blijk te zijn naar de smaak van het brede publiek en dat ik dus af en toe niet meer loon naar arbeid ontvang.

“Ik zou het mooi vinden wanneer subsidievrije schrijvers als ikzelf voor hun zelfredzaamheid van overheidswege werden beloond met een klein belastingvoordeel. Ik heb grote problemen met de willekeur die met het toekennen van subsidies aan individuele schrijvers gepaard gaat. Stel je voor dat je om subsidies te krijgen voor het renoveren van je gevel een commissie op je stoep moet dulden die vervolgens in beraad gaat om uit te maken of een gevel in de door jou gewenste kleur inderdaad wel overheidsgeld waard is. Ik vind: iedereen gelijk voor de wet, anders hoeft het niet voor mij.”

 

 

Jeroen Olyslaegers, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Waarom krijgen schrijvers geen 30 procent auteursrecht?”

“Je kan als schrijver overleven door ook columns of toneelstukken te schrijven. Ik moét wel verschillende activiteiten combineren om het leefbaar te houden: pas dan kan ik mijn rekeningen betalen. Het gangbare voorschot voor het schrijven van een roman is 1.500 of 2.000 euro. Pas van zodra je meer dan 5.000 exemplaren verkoopt, begin je een beetje geld te verdienen. En vanaf 10.000 exemplaren zit je goed. Maar dat zijn de uitzonderingen.

“De gemiddelde verkoop van een boek schommelt tussen de 2.000 en 3.000 exemplaren. Vroeger waren dat ook mijn aantallen. Van ‘Wil’ zijn er nu meer dan 40.000 verkocht. Het grote probleem is die 10 procent auteursrecht. Dat percentage geldt wereldwijd, alleen hebben wij de pech dat we in een klein taalgebied leven. Waar gaat die andere 90 procent naartoe? Daar wordt vaak geheimzinnig over gedaan. Ik heb ooit aan verschillende uitgevers voorgesteld om de zaken om te draaien. Op de eerste 5.000 exemplaren zou ik dan 30 procent verdienen, waarna dat percentage stelselmatig zou zakken tot 8 procent, ook als het een gigantische bestseller is. De uitgeverij heeft er dan alleen maar alle belang bij dat het boek goed verkoopt. Maar geen enkele uitgever had oren naar mijn voorstel.”

 

 

 

Erik Vlaminck, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Ik overleef omdat ik combineer”

“Mijn roman ‘Brandlucht’ was een bestseller: daar gingen 10.000 exemplaren van over de toonbank. Ik verdiende er 2 euro per exemplaar aan; dat boek leverde me dus 20.000 euro bruto op. Dat is echt uitzonderlijk. Gelukkig zijn dat auteursrechten: als roerende inkomsten zijn die onderworpen aan een gunstig fiscaal regime van 15 %. Ik kan van mijn schrijverschap overleven omdat ik combineer: naast het schrijven van romans en toneelstukken, geef ik ook nog lezingen. Ik sta ook op de auteurslijst van het VFL en ontvang voor een lezing 100 euro subsidie bovenop de bijdrage van de organisator. Maandelijks verdien ik ongeveer 2.700 euro bruto, inclusief de werkbeurs van het VFL.

“Ik ben al drie keer bij de fiscus moeten langskomen om uitleg te geven over mijn belastingaangifte. De auteursrechtenregeling is zo ingewikkeld dat zelfs belastinginspecteurs er hun jongen niet in thuisvinden. Ik moest hen telkens zeggen hoe de vork aan de steel zit. ‘U zal wel gelijk hebben’, hoorde ik dan. ‘Wij raken er niet wijs uit.’”

 

 

Aantal verkochte boeken: feit & fictie

Auteurs en uitgevers pochen graag dat ze ‘duizenden exemplaren’ van een boek in Vlaanderen verkocht hebben. Maar exacte cijfers worden nooit gecommuniceerd. Die zijn nochtans bekend: marktonderzoeksbureau GfK houdt die in opdracht van Boek.be nauwgezet bij. “De GfK-cijfers zijn een betrouwbaar meetinstrument voor romans op de Vlaamse markt”, zegt Jeroen Overstijns, ceo van Standaard Uitgeverij. “De verkoopcijfers zijn registraties van kassa-aanslagen; veel juister kan niet.”

De Morgen kreeg via een bron toegang tot de ‘geheime’ cijfers van GfK.

Marnix Peeters zou telkens bijna 20.000 exemplaren van ‘De dag dat we Andy zijn arm afzaagden’ en van ‘Natte dozen’ verkocht hebben. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen respectievelijk 5.140 en 6.555.

Van ‘Kijk niet zo konijntje’ zouden er 5000 verkocht zijn. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen 1.657.

Erik Vlaminck zou 10.000 exemplaren van ‘Brandlucht’ verkocht hebben. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen 3.296.

Jeroen Olyslaegers zou meer dan 40.000 exemplaren van ‘Wil’ verkocht hebben. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen 31.613.

 

(c) Jan Stevens

Het WK voetbalgokken

Het WK voetbal zorgt voor hoogspanning in wedkantoren en op goksites. “Het vertrouwen in de Rode Duivels is groot en wij profiteren daarvan”, glundert de directeur online van de marktleider in sportgokken. Intussen boomt in de hulpverlening het aantal piepjonge probleemsportgokkers. “Vroeger waren ze verslaafd aan bingo, nu aan online voetbalwedden.”

 

Hulpverlener Ronny Willemen van het Centrum voor Alcohol- en andere Drugproblemen (CAD) Limburg krijgt dagelijks mensen met een gokverslaving over de vloer. “Vroeger waren ze verslaafd aan bingo en elektronische roulette”, zegt hij. “Nu aan sportwedden. Online wordt er vooral gespeeld door zeer prille twintigers, want ‘live betting’ via de smartphone is hip. Die weddenschappen zijn de voorbije jaren zo opgepept dat ze op casinospelen lijken. De spelers kennen meteen het resultaat en zetten direct weer in. Toen sportgokken nog enkel in wedkantoren plaatsvond, was het relatief ‘onschuldig’. Je zette in vóór de match en pas nadien kende je het resultaat. Nu zet je tijdens de wedstrijd op alles en nog wat in, en is de spanning extreem hoog. Spelers raken in een rush, hebben geen oog meer voor de match, maar alleen voor winst of verlies. 1 op 5 online sportgokkers ontwikkelt zo een gokprobleem. De meesten zijn nog geen 29.”

In de aanloop naar het WK voetbal organiseerde de Kansspelcommissie een preventiecampagne voor online sportweddenschappen. De campagne kwam er op initiatief van minister van Justitie Koen Geens (CD&V). Wie liever geen lid van de voetbalclub FC Losers wordt, gokt volgens #Fanvanverliezen best enkel met geld dat hij kan missen. Bijna tezelfdertijd lanceerde de belangenvereniging van de kansspelsector BAGO (Belgian Association of Gaming Operators) haar eigen preventiecampagne #Playsafe. Met haar vijf leden (Ardent Group, Napoleon Games, Golden Palace, Unibet en BetFirst) vertegenwoordigt BAGO 70% van de Belgische gokindustrie. “Laat het spel niet met jou spelen. Speel verantwoord”, luidt haar advies.

Sportwedden is booming business, zeker nadat in 2011 onlinegokken in België officieel werd toegelaten. In 2015 werd er in ons land voor ruim 206,4 miljoen euro op sportwedstrijden gewed: 60,9 miljoen online en 145,5 miljoen offline – 22,4 procent meer dan het jaar voordien. In 2015 was er nochtans geen EK of WK voetbal. In vergelijking met 2011 steeg het sportgokken zelfs met 276,74 procent. Volgens onderzoek van de UC Leuven-Limburg waagde 51,5 procent van de Vlaamse jongeren tussen 12 en 20 jaar in 2016 al eens een gokje offline. 23,5 procent gokte online; de meesten op sportwedstrijden. Bijna 4 procent vergokte minstens wekelijks online zijn zakgeld.

Tijdens het WK gokten tot hiertoe dagelijks 110.000 Belgen online tijdens de wedstrijden. Een verdubbeling tegenover eind mei, toen dagelijks ongeveer 50.000 spelers actief waren. Op de openingswedstrijd van de Rode Duivels tegen Panama werd er door 123.000 mensen online gewed. 9.341 nieuwe spelers registreerden zich die dag, tegenover 2.000 op een gewone dag begin mei. In totaal telt België nu meer dan 800.000 geregistreerde spelers. Uit een studie van het internationale onafhankelijke onderzoeksbureau Gambling Compliance bedroeg in 2015 de totale omzet van de privégoksector in ons land 5,3 miljard euro. Met de 1,2 miljard euro van de Nationale Loterij erbij, vergokken we samen jaarlijks 6,5 miljard.

Frederik* (26) zette op zijn zesde zijn eerste stapjes in de wondere wereld van het sportwedden. “Mijn ouders namen me mee naar de paardenkoers. Wat niet wil zeggen dat ik toen al gokte. Pas rond mijn twaalfde mocht ik vlak voor de laatste koers de naam van mijn favoriete paard tegen mijn vader zeggen. Als het won, kreeg ik een euro.”

Vandaag verdient Frederik naar eigen zeggen een extra inkomen met wedden op sportwedstrijden. De preventiecampagnes van de Kansspelcommissie en BAGO vindt hij belachelijk. “Het zijn eerder reclamecampagnes.”

 

Speelt u voor grote bedragen?

Frederik: “Soms investeer ik meer dan duizend euro, soms vijftig. Ik heb meer vertrouwen in weddenschappen dan in de 2 procent rente bij de bank. De kunst is blij te zijn met een bescheiden winst. Met twintig euro extra koop ik ’s anderendaags brood en beleg.”

 

U bent niet bang om verslaafd te raken?

“Nee, ik kan gerust wedstrijden bekijken zonder te gokken. Ik ken de verhalen van mensen die kopje onder gingen. Je moet weten wanneer je best stopt en dat leer je enkel door ervaring. Ik maak mij zorgen over al die jonge gasten die niet met verlies om kunnen en nog minder met winst. Sportgokken is vandaag voor iedereen toegankelijk; in wedkantoren zijn zelfs minderjarigen welkom terwijl de toegangsleeftijd er op 18 ligt. Ik ken tieners die de ene week 5000 euro winnen en de week erna komen bedelen om 100 euro te lenen. Uitbaters van kantoren knijpen een oog dicht omdat justitie te laks is. In Engeland krijgen gokproviders miljoenenboetes opgelegd als ze de wet overtreden. Alleen verdienen ze die boetes ook zeer snel weer terug.”

 

Voetbalgokken op de sofa

Psycholoog Tony Van Rooij van het Nederlandse Trimbos-instituut voert onderzoek naar game- en gokverslaving. In 2015 onderzocht hij in samenwerking met de Universiteit Gent gokgedrag in België. “Hoe sneller het spel, hoe groter de kans op verslaving”, zegt hij. “Een loterij verloopt langzaam, maar een fruitautomaat gaat razend snel. Er zijn meer mensen die worstelen met problemen door het gebruik van digitale fruitautomaten dan door het kopen van een loterijlotje. Ik interviewde verschillende Vlamingen die online op voetbalwedstrijden gokten. Sommigen konden dat moeilijk onder controle houden, anderen dan weer wel. Ze deelden allemaal dezelfde zorg: tijdens het voetbalwedden werden ze continu verleid om over te stappen naar riskantere gokspellen zoals digitale roulette. De operators trachtten hen met bonussen en andere trucs in hun fuik te vangen om ze vervolgens naar gevaarlijker, winstgevender gokwateren te leiden. Bij online voetbalgokken zitten de spelers thuis op de bank, met hun smartphone in de aanslag. Als er ook nog bier gedronken wordt, kan dat het spelgedrag beïnvloeden. Want dan vallen grenzen weg, verliezen spelers controle en nemen ze soms gevaarlijke financiële beslissingen.”

Moet onlinegokken dan verboden worden? Tony Van Rooij: “Nee, want dan ontstaat er een illegaal circuit. Bij kansspelen is het verstandiger om mensen te kanaliseren naar een aanbod waarin de overheid eventueel kan ingrijpen. In Nederland is onlinegokken illegaal, en toch belanden veel probleemspelers in afkickklinieken. Wie per se online wil spelen, vindt altijd wel een manier om de wet te omzeilen.”

SP.A-volksvertegenwoordiger Peter Vanvelthoven is het daar niet mee eens. “Er moét een verbod op onlinegokken komen”, vindt hij. “Kinderpornosites zijn ook buiten de wet gesteld, waarom zouden we goksites wel tolereren?”

Als eerste stap diende Vanvelthoven op 17 mei een wetsvoorstel in voor een verbod op reclame voor onlinegokken. “We willen ook een verbod om bonussen aan spelers toe te kennen. Op de lijst van uitgesloten spelers van de Kansspelcommissie prijken 329.000 namen. Dat zijn voornamelijk mensen die door het gokken zwaar in financiële moeilijkheden geraakt zijn. Dat wijst er toch op dat we gokverslaving niet mogen onderschatten? Binnenkort voeren we gesprekken met internetproviders en kredietmaatschappijen om te onderzoeken hoe we een totaal verbod op onlinegokken kunnen organiseren. Maar eerst moet dat reclameverbod er komen. Want ik geloof nooit dat de sector zichzelf zal reguleren. Er valt te veel geld mee te verdienen.”

 

Wim Cox is directeur online van Betcenter dat met 52 wedkantoren, 12 franchisehouders, 16 dagbladhandelaars en een online wedterminal marktleider in sportwedden is in Vlaanderen. “Peter Vanvelthoven vergist zich”, vindt Cox. “In Nederland wil de overheid van het verbod op onlinegokken af. Want ondanks dat verbod wordt er ontzettend veel gespeeld. De Nederlanders vinden makkelijk de weg naar internationale grote kansspelproviders. Of ze gaan illegaal, zonder bescherming. Vanvelthoven lijkt ook te vergeten dat de overheid door een algemeen verbod veel inkomsten zal verliezen.”

 

Gokken is voor de overheid qua belastingen minstens even interessant als roken en alcohol?

Wim Cox: “Ik vergelijk ons daar niet graag mee, maar dat is inderdaad zo. Dankzij het WK is het in onze wedkantoren nu zeer druk. Het vertrouwen in de Rode Duivels is groot en wij profiteren daarvan. Wij gingen pas in 2015 online, in tegenstelling tot de meeste andere kansspelproviders die in 2011 al het digitale pad kozen. Een wedkantoor is een sociale plek waar mensen samen koffie drinken en discussiëren over voetbal. Er wordt geen alcohol geschonken. Dat is bij wet verboden en ik vind dat prima, want zo blijven mensen op hun hoede.”

 

Jongeren onder 18 zijn er niet welkom. Worden identiteitskaarten stelselmatig gecontroleerd?

“Nee. Overal is goed geafficheerd dat toegang onder 18 verboden is. We hebben er alle belang bij om minderjarigen te weren, want door hen kunnen we onze licentie verliezen.”

 

Tegengestelde belangen

Psychiater Frieda Matthys van UZ Brussel werkte mee aan een recent advies van de Hoge Gezondheidsraad (HGR) over gokstoornissen. Een van de aanbevelingen luidt: verbied alle gokreclame. “Nu zien we net het omgekeerde”, zegt ze. “Er wordt alleen maar meer reclame voor gokken gemaakt. Terwijl gokken en gokverslaving in de lift zitten. De HGR wil dat het zorgaanbod uitgebreid wordt, want het loopt achter op de groeiende groep probleemgokkers. Er is ook een gebrek aan cijfermateriaal. De kansspelsector heeft die informatie, maar houdt ze liever voor zichzelf. Een overheidsinstelling als de Kansspelcommissie zou die sector moeten controleren en de spelers beschermen, maar ze faalt omdat ze veel te dicht bij de industrie staat. Op haar website staat dat ze er is om de belangen van zowel aanbieders als spelers te behartigen. Onzin, want gokkers en de kansspelsector hebben tegengestelde belangen. ”

Peter Naessens, directeur van de Kansspelcommissie, is geen voorstander van een verbod op gokreclame. “Het risico is te groot dat spelers dan net als vroeger hun toevlucht zoeken bij illegale goksites. Dan zijn we alle controle kwijt en creëren we een vals gevoel van veiligheid. Er was afgesproken met de kansspelsector dat ze geen reclame zou maken rond de wedstrijden van de Rode Duivels op het WK. Jammer genoeg werd er na de eerste wedstrijd tóch reclame uitgezonden. De sector heeft beloofd dat ze die fout wil herstellen, en ik vind dat heel positief. De gereguleerde kansspelsector neemt meer haar verantwoordelijkheid dan de frisdrank- of alcoholsector.”

 

De Kansspelcommissie zou veel te dicht bij de kansspelaanbieders aanleunen. Ze wordt zelfs de UNIZO van de goksector genoemd.

Peter Naessens: “We zijn niet de belangenorganisatie van de kansspelsector, maar het rode kruis dat tussenkomt bij zware problemen. Er zitten zes ministers in onze commissie; zij weerspiegelen de belangen die wij behartigen. Wij worden geacht rekening te houden met justitie, binnenlandse zaken, economie, de Nationale Loterij en volksgezondheid.”

 

De kritiek klopt dan toch dat u tegengestelde belangen moet verdedigen: de economische van de gokindustrie en de gezondheid van de spelers?

“Wij verdedigen de belangen van de industrie niet. Zij is niet vertegenwoordigd in de Kansspelcommissie.”

 

Komt ze bij jullie lobbyen?

“Ja, maar wat is het beste antwoord op lobbyen?”

 

Lobbyisten de deur wijzen?

“Toch niet, want dan kloppen ze aan bij mensen die geen kennis hebben. Wij hebben die wel en kunnen de zinvolle van de niet-zinvolle informatie onderscheiden.”

 

Hebt u écht al die kennis in handen? Online gokoperators hebben de voorbije jaren een goudmijn aan kennis over spelers verzameld. Delen ze die informatie met u?

“Nee. Het is inderdaad frustrerend dat niet alle informatie wordt vrijgegeven. Wij vragen sinds 2011 om meer middelen en meer personeel. Dat is ons ook toegezegd en minister van Justitie Koen Geens steunt ons, maar tot hiertoe is daar niets van in huis gekomen.”

 

Zou het kunnen dat er op andere ministeries gelobbyd is om de Kansspelcommissie vleugellam te houden?

“In het verleden wou men zeker geen sterke regulator die de vinger aan de pols houdt en boetes oplegt. Toch kregen we de voorbije jaren het gevoel dat Koen Geens ons wél goed gezind is. Alleen moeten we vaststellen dat we na zeven jaar nog steeds niet genoeg mensen hebben mogen aanwerven. De vraag is dus misschien terecht: willen ze eigenlijk wel een sterke Kansspelcommissie?”

 

*Frederik is een schuilnaam

 

 

Getuigenis – Joeri Verbraeken & Debora Putteman: “Vandaag is elke krantenwinkel een gokkantoor”

 

Debora Putteman: “Ik leerde Joeri in de zomer van 2008 kennen. Liefde op het eerste gezicht. We gingen snel samenwonen, ons eerste kind werd geboren en we bouwden een huis. Ons geluk leek onaantastbaar. Joeri had me ooit verteld dat zijn vader hem in zijn tienerjaren uit cafés was komen halen waar hij bingo speelde, maar dat leken stoere jeugdherinneringen.”

Joeri Verbraeken: “Twintig jaar geleden, op mijn 18e, begon het al mis te gaan. Mijn loon verdween toen in de bingokasten op café. Vandaag ben ik veertien maanden clean en sta ik even lang droog. Want in combinatie met het gokken had ik ook een drankprobleem ontwikkeld. Ik zat in een vicieuze cirkel. Op nuchtere momenten zag ik de afschuwelijke ellende die ik mezelf en mijn gezin aandeed. Dus dronk ik om te vergeten en begon ik terug te spelen. Door de drank verloor ik alle controle tijdens het spel.”

Debora: “We woonden een tijdje samen toen ik aanmaningen kreeg voor onbetaalde rekeningen van Joeri. Hij had daar een uitleg voor, ik schreef het geld over en alles leek weer oké. In 2012 begon hij zich ’s nachts raar te gedragen. Hij kon niet slapen, lag te woelen en verdween continu uit bed. Hij zat voortdurend achter de computer en ik begon me zorgen te maken.”

Joeri: “Ik had onlinegokken ontdekt én de Nationale Loterij. Op een bepaald moment kocht ik voor 600 euro Euromillions-formulieren om al mijn verliezen te compenseren. Ik was er rotsvast van overtuigd dat ik in een klap rijk zou zijn. Ik dook enthousiast in het online sportgokken omdat ik als fervente voetballiefhebber geloofde dat ik genoeg kennis bezat om het spel te doorzien. Toen begon de ellende pas echt.”

Debora: “Dat online sportgokken wordt bijna voorgesteld als een onschuldig tijdverdrijf. Maar die gokspellen worden zwaar opgedreven en er wordt gul met bonussen getrakteerd. Joeri joeg er online tienduizenden euro’s door. Echt onschuldig is dat niet.

Ik vond een zak met 1500 euro aan Win-for-life-krasbiljetten in Joeri’s auto. Ik checkte onze spaarrekeningen en zag dat hij ze geplunderd had. Eerst ontkende hij, maar toen leek het alsof hij zich bewust werd van zijn probleem en zijn leven wou beteren. Hij liet zich vrijwillig op de lijst van uitgesloten spelers van de Kansspelcommissie zetten. Dat was een pak van mijn hart. ‘Nu kan hij nergens meer gokken’, geloofde ik.”

Joeri: “Met mijn identiteitskaart raakte ik niet meer op de goksites, dus pikte ik die van Debora. Als dat niet meer zou lukken, kon ik nog altijd naar de krantenwinkel. Daar is toch geen controle. Vandaag is elke krantenwinkel een gokkantoor. De operators zetten er ‘live betting terminals’ waar je geen identiteitskaart hoeft in te steken.

Er stond 60.000 euro op de rekening van mijn zaak. Bijna al dat geld vergokte ik in drie weken tijd non-stop online aan voetbalmatchen. Ik sliep amper. Er bleef 5000 euro over. Ik zette die om drie uur ’s nachts in op een wedstrijd in Brazilië uit derde klasse, om er vanaf te zijn. Ik won 80.000 euro en was dolgelukkig. Ik maakte Debora wakker om haar het ‘goede nieuws’ te vertellen. Zij was diep teleurgesteld, want voor de zoveelste keer had ik mijn belofte gebroken om niet meer te gokken.”

Debora: “We zijn een paar keer uit elkaar geweest. Hij vertelde zijn familie dat er met mij niet viel samen te leven. Niemand wist wat er écht aan de hand was. Ik zweeg, want ik schaamde me. Hij was vaak maanden weg. Tot hij weer op de drempel stond. ‘Nu is het de laatste keer’, zei ik dan voor de zoveelste keer. Maar ik zie hem graag en we hebben samen twee kinderen. In zijn nuchtere periodes was hij de lieve en zalige man waar ik ooit verliefd op geworden was.”

Joeri: “Ik zakte steeds dieper weg tot ik besefte: er moét iets gebeuren. Ik smeekte Debora om hulp en een week later zat ik in een privé-afkickkliniek in Zuid-Afrika.”

Debora: “Twee maanden moest hij daar verblijven. Ik was opgelucht dat hij weg was. (lacht)”

Joeri: “In Vlaanderen is de expertise over gokverslaving niet bijster groot en de wachtlijsten zijn enorm. De kliniek in Afrika is gespecialiseerd in gokverslaving en er werken veel ervaringsdeskundigen. Die aanpak heeft mij gered, want zij weten wat ik heb doorgemaakt. Ik volg nu een driejarige opleiding om zelf later als ervaringsdeskundige anderen te helpen.”

Debora: “Het vertrouwen in Joeri is de voorbije 14 maanden teruggekomen, maar bankkaarten krijgt hij niet. Als hij geld nodig heeft, moet hij het vragen. De schrik blijft dat hij al ons spaargeld er nog eens zal doorjagen.”

Joeri: “Ik ben ook bang om te hervallen. Die schrik houdt me alert, want ik wil nooit meer terug naar af.”

 

Joeri en Debora willen lotgenoten helpen. Meer info op www.fellowsupport.be

 

(c) Jan Stevens

“We sluiten onze ogen voor kindermishandeling”

Kindermishandeling is volgens de Nederlandse minister van Volksgezondheid ‘het grootste geweldprobleem van Nederland’. Daarom stelde hij onlangs een gespierd plan voor om huiselijk geweld drastisch aan te pakken. Hoe groot het probleem bij ons is, weet niemand. “Het maakt mensen – inclusief onze politici – bang.”

 

“Nederlanders treden graag harder op dan wij”, zegt Pascale Franck, criminoloog en coördinator van het Family Justice Center (FJC) Antwerpen. “Maar of ze betere resultaten halen, is nog maar de vraag.” Nochtans overlegt Franck regelmatig met de medewerkers van de Nederlandse minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge over de aanpak van familiaal geweld. “Dat komt omdat onze noorderburen erg geïnteresseerd zijn in ons FJC, waar alle diensten rond thuisgeweld verzameld zijn op één locatie. Dat willen ze graag kopiëren.”

Vorige maand stelde minister De Jonge zijn nieuwe stevige plan voor. De maximumstraf en verjaringstermijn voor stelselmatige kindermishandeling worden in Nederland verhoogd, er zal keihard opgetreden worden tegen begeleiders die kinderen onder hun hoede mishandelen en ouders met losse handjes krijgen sneller dan ooit een thuisverbod opgelegd. De Jonge noemt kindermishandeling en partnergeweld ‘het grootste geweldsprobleem van Nederland’. “Het gaat jaarlijks over 119.000 kinderen die slachtoffer zijn van kindermishandeling en 200.000 volwassenen die te maken hebben met huiselijk geweld”, zei hij in het praatprogramma Pauw. “Thuis zou veilig moeten zijn, terwijl het vaak een onveilige plek is. Dat moéten we doorbreken.”

Begin april maakte Hulplijn 1712, de telefoondienst van de Vlaamse overheid voor burgers met vragen over geweld, haar statistieken van 2017 bekend. 62 procent van de 4.812 oproepen ging over kindermishandeling; 14 procent over partnergeweld. Ook bij ons lijkt familiaal geweld in aanmerking te komen voor een eerste plaats in de geweldshitparade. Maar de juiste omvang van het probleem kennen we niet. Pascale Franck: “Tot hiertoe is er in Vlaanderen geen groot significant onderzoek naar kindermishandeling gevoerd. Dat is jammer, want als je als overheid thuisgeweld goed wil aanpakken, moet je eerst weten wat er aan de hand is. Maar het maakt mensen, inclusief onze politici, bang. Dus sluiten ze liever de ogen.”

Franck heeft dertig jaar ervaring in de aanpak van familiaal geweld en is een van de drijvende krachten achter de nieuwe Family Justice Centers. “In een FJC zitten onder andere politie, justitie, jeugdzorg en het OCMW op één plek. In het verleden verliep de samenwerking tussen die diensten niet vlot. Als vroeger bij een acuut geval van familiaal geweld de onderzoeksrechter op vrijdagnamiddag besliste om de pleger zonder voorwaarden vrij te laten, konden de slachtoffers enkel bang afwachten. Nu schiet meteen ons hoog-risicoteam in actie. Zij vragen een preventief huisverbod aan, schakelen een vluchthuis in of spreken af met meneer dat hij voorlopig niet thuis blijft wonen. Sinds eind vorig jaar wordt in alle regio’s gewerkt aan de opstart van hoog-risicoteams en drie Vlaamse steden hebben intussen een volwaardig FJC: Antwerpen, Hasselt en Mechelen.”

 

Hebt u de indruk dat familiaal geweld toeneemt?

Pascale Franck: “Nee, maar er zijn wel meer meldingen. Dat wil zeggen dat het bespreekbaarder geworden is. Wat wel opvalt, is dat de aard van de meldingen zwaarder wordt en de kloof tussen rijk en arm groter. Gezinnen in armoede zijn geïsoleerd en hebben geen netwerk waarop ze terug kunnen vallen. Die omstandigheden zorgen ervoor dat de ouders makkelijker hun toevlucht nemen tot geweld.”

 

Enkel in de provincies Antwerpen en Limburg zijn FJC’s opgericht. Wil dat zeggen dat een West-Vlaams kind op dit moment slechter beschermd is bij kindermishandeling dan een Antwerps kind?

“Eigenlijk wel.”

 

Slaan om goed te doen

Kristof Desair is coördinator van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK) Vlaams-Brabant en directeur van het Vlaams Expertisecentrum Kindermishandeling. In de spreekkamers van het VK aan de Leuvense Justus Lipsiusstraat zag hij de voorbije twintig jaar veel gezinnen uit alle lagen van de bevolking passeren. “Onze eerste opdracht is zorgen voor veiligheid”, zegt hij. “Het geweld moét stoppen. Soms is het dan beter dat de geweldplegende ouder een tijd het huis verlaat.”

 

Hoe komen gezinnen bij jullie terecht?

Kristof Desair: “Door een buur, familielid of kennis die bij een kind signalen opvangt die aan kindermishandeling doen denken. Kindermishandeling gaat trouwens niet enkel over fysiek en psychisch geweld of seksueel misbruik, maar ook over kinderen die getuige zijn van partnergeweld. Na een melding sturen we een brief naar de ouders. ‘We maken ons zorgen en willen daar met u over praten.’ Acht keer op tien gaan ouders op onze uitnodiging in. Wij geloven niet dat ouders doelbewust hun kinderen willen kwetsen of vernederen. Kindermishandeling is vaak een foute manier van hen om met stress en frustraties om te gaan. Maar ook al gebeurt het maar één keer, voor een kind kan het zeer ingrijpend zijn.”

 

Kinderen zijn loyaal ten opzichte van hun ouders. Ze wijzen zelden met een beschuldigende vinger naar de mishandelende ouder. Is dat problematisch?

“Loyauteit hoeft niet meteen een probleem te zijn. Integendeel, die natuurlijke hechting tussen kinderen en ouders kan net het fundament zijn waarop wij herstel bouwen. Maar eerst zetten we alles op alles om het geweld meteen te stoppen. Daarna concentreren we ons op de factoren die aan de basis liggen van dat geweld. Alleen zo kunnen we herval vermijden. Dat is werk van lange adem. Moeten we het OCMW inschakelen om ouders die in geldnood zitten er financieel weer bovenop te helpen? Doen we beroep op een thuisbegeleidingsdienst om de ouders pedagogisch te ondersteunen? Verwijzen we ouders met psychische problemen door naar de psychiater? Last but not least werken we dan aan het herstel.”

 

Gebeurt het vaak dat een ouder uit angst, eigenbelang of lafheid niet ingrijpt als de partner een kind mishandelt?

“Als het over seksueel misbruik gaat, hoor je vaak: de moeder zal het wel geweten hebben. Terwijl we daar niet zo zeker van zijn. Soms hebben mensen het écht niet gezien. Dat andere cliché, dat daders vroeger vaak zelf slachtoffers waren, klopt dan weer vaak wel. Als wij aan ouders vragen of ze zelf in hun jeugd mishandeld zijn, is het antwoord dikwijls ja.”

 

Wat toch bizar is, want ze hebben het zelf aan den lijve ondervonden?

“Zeker. Verschillende keren heb ik al gehoord: ‘Jij zegt dat ik mijn kind fysiek mishandel, maar je zou eens moeten weten hoe het bij mij was, dát was pas mishandeling. Ik sla om goed te doen.’

Het fysieke en seksuele geweld wordt meer door mannen gepleegd. Toch hebben we niet het gevoel dat beduidend meer mannen daders zijn dan vrouwen. Vaak is het een gedeelde verantwoordelijkheid waarbij het gedrag van de ene ouder bepaald wordt door het gedrag van de andere.”

 

Hoe oud zijn de mishandelde kinderen?

“Het merendeel is tussen zes en twaalf. Maar we zien kinderen van nul tot achttien en soms zelfs ouder. Gezinnen komen hier gemiddeld tussen drie tot zes maanden over de vloer. We spreken hen dan wekelijks of om de twee weken. Af en toe praten we op school apart met de kinderen.

Onlangs kwam een jonge vrouw me opzoeken die ik gevolgd heb tussen haar zesde en negende. Ze wou haar verleden reconstrueren. Ze wist nog dat ze als kind bij mij geweest was, had de verhalen van haar ouders gehoord en wou een paar hiaten invullen.”

 

Dat wil zeggen dat de mishandeling uit haar jeugd ook in haar volwassen leven blijft nazinderen?

“Geweld in je jeugd heeft een serieuze impact. Wat niet wil zeggen dat je het als volwassene automatisch moeilijk zal hebben. In de jaren negentig is in de VS een groot onderzoek gestart naar de gevolgen van kindermishandeling op lange termijn, de ACE-study of Adverse Childhood Experiences. Er blijkt een heel sterk verband te bestaan tussen de negatieve jeugdervaringen van mensen en de psychische en lichamelijke klachten die ze als volwassene krijgen.”

 

 

 

 

Nadja Lievero (49): “Moeder greep nooit in”

 

“Zolang mijn moeder leefde, heb ik in het openbaar nooit iets over de geestelijke en lichamelijke mishandeling gezegd. Met alles wat ik nu weet, zou ik niet meer tot na haar dood wachten om mijn verhaal te vertellen. Want ik heb mezelf deze ellende niet aangedaan, maar zit nu wel met de shit.

Mijn moeder was op haar achttiende zwanger van mij en wist zogezegd niet wie de vader was. Ze trouwde met de man die mij als zijn wettige dochter erkende. Hij heeft me nooit geaccepteerd. Van toen ik kon lopen, kreeg ik slaag. Moeder werd ook door hem mishandeld. Veel later zei ze: ‘Wat moest ik doen? Waar kon ik naartoe?’

Samen kregen ze nog een dochter. Zij werd ook mishandeld, maar minder. Ik groeide op met de boodschap dat ik een bastaard was en nooit geboren had mogen worden.

Mijn zus zat in de kinderbox. Mijn wettelijke vader, want zo noem ik hem, sloeg me verrot en liet me alle hoeken van de kamer zien. Hij smeet me tegen de box en stampte me daarna de trap af, de kelder in. Daarna bolde hij het af. Mijn zus brulde tot de buren kwamen kijken.

Op een dag moest ik met een blauw oog naar school. Hij had me met mijn hoofd keihard tegen de kast geduwd. Ik zat in het tweede leerjaar en zei tegen de juf: ‘Ik moest van pa zeggen dat ik tegen de kast gelopen ben.’ Er gebeurde helemaal niets. Dat was in die tijd gewoon zo. Jaren later kwam ik te weten dat veel mensen grote vermoedens hadden over het geweld in ons gezin, maar nooit had iemand durven ingrijpen.

Ik kreeg slaag tot mijn ouders uit elkaar gingen. Ik was pas negen. Toen verscheen mijn stiefvader op het toneel. In het begin was hij een vriendelijke, lieve man. Na een tijdje begon hij me seksueel te misbruiken.

Op mijn zestiende liep ik weg bij mijn moeder en mijn stiefvader. Ik kon het misbruik niet meer aan. Het klinkt waarschijnlijk bizar, maar ik klopte bij mijn wettelijke vader en zijn vriendin aan. Bij de man dus die me jarenlang geslagen had. Dat was een vergissing van formaat, maar ik zag geen andere uitweg. Want begin jaren tachtig werd een opvangtehuis nog voorgesteld als ‘het verbeteringsgesticht’. Bij mijn wettelijke vader belandde ik van de regen in de drop. Naast de lichamelijke en psychische mishandeling begon ook hij me seksueel te misbruiken.

De directrice van de middelbare school had door dat er iets mis was. Zij nodigde me uit op haar kantoor en zorgde ervoor dat ik tijdens de turnlessen op therapie kon. Die woensdag ging ik voor het eerst naar een psycholoog. Hij vroeg 20 frank. Ik was zeventien en kon hem niet betalen. Toen ik thuis kwam, wist mijn wettelijke vader waar ik gezeten had. Ik vermoed dat die psycholoog hem gebeld had om zijn ereloon op te eisen.

In 1996 ben ik ingestort. Ik belandde in een zware depressie en werd opgenomen. Jarenlang had ik mezelf wijsgemaakt dat mijn moeder niets wist over het misbruik. Tot ik moest toegeven: natuurlijk wist ze het. Mijn man organiseerde toen een confrontatie met haar. Hij dacht dat het me zou helpen. Op mijn kamer gaf ze toe dat ze het altijd had geweten. Niet veel later riep ze me in de gang van het ziekenhuis toe: ‘Lui wijf, je zou beter voor je gezin zorgen.’ Ik heb haar daarna nooit meer gezien.”

 

 

 

Dirk Verbeeck (49): “Die loyauteit is zo raar”

 

“Mijn ouders pasten niet bij elkaar en maakten veel ruzie. Hun huwelijk eindigde in een vechtscheiding. Mijn moeder nam het me later kwalijk dat ik mijn vader nog graag zag. Ze gingen uit elkaar en vanaf dat moment kwam hij, mijn stiefvader, in ons leven. Hij stierf vijf jaar geleden; mijn moeder is nog maar pas overleden.

Ik ging als kind helemaal mee in moeders verhaal dat mijn vader slecht was en dat zij en haar nieuwe vriend John het beste met ons voorhadden. Moeder en John wilden een ‘perfect gezin’, dat hebben ze ooit zo gezegd. Dus voerden ze een verstikkend regime in. Mijn broer en ik werden strikt gecontroleerd. Telkens wanneer ik het voor mijn vader opnam, wees John me terecht. ‘Je ziet je moeder niet graag’, zei hij dan. ‘Ze is een heilige en je moet haar zo behandelen.’ Als we kattenkwaad uithaalden, noemde hij ons vlakaf: ‘Slechte kinderen.’ Hij richtte zijn pijlen vooral op mij, want ik was de oudste en die moest beter weten.

John had geld en nam ons mee op vakantie naar Spanje. Ik was dertien en had nog nooit gereisd. Moeder zei: ‘Vanaf nu is John vake.’ Dat overviel me, maar ik was voor het eerst van mijn leven in een ver buitenland en ik was gelukkig. ‘Vake’ was ontzettend dominant, wist feilloos onze zwakke plekken te vinden en buitte dat op een schaamteloze wijze uit. Voor de buitenwereld was hij de goedheid zelve. Hij kwam uit een extreemrechts milieu en stuurde ons naar het VNJ. Als puber ontwikkelde ik zo een afkeer tegen extreemrechts. Ik kocht soms De Morgen of Humo en dat vond hij verschrikkelijk. Dan mocht aan tafel tegen mij niet meer gesproken worden. Soms stonden er ’s morgens drie borden klaar in plaats van vier. ‘Wat heb ik nu verkeerd gedaan?’, vroeg ik dan. Ze negeerden me alsof ik lucht was.

Op een keer kroop John bij me in bed. Hij betastte me en dwong me tot seksuele handelingen met hem. Tot vandaag laat dat misbruik sporen na. Hij viel me lastig tot ik een jaar of zestien was.

Elk weekend moesten we naar zijn buitenverblijf. Uitgaan met vrienden was taboe. Elke zaterdag en zondag stond hij daar. Ik snap nog steeds niet waarom ik toen bleef zwijgen. Welke idioot laat zoiets toe? Ik was compleet in de war. Hij misbruikte me niet alleen seksueel, maar ook mentaal. Hij isoleerde en kleineerde me doelbewust. Ik was wat dikker en hij lachte me uit met zijn vrienden erbij. ‘Kijk, Dirk heeft tetjes.’ Als puber wil je zoiets niet horen.

Ik trok naar de universiteit en voelde me daar als een vis in het water. Op een ochtend kwam ik in de kamer en daar stonden weer drie borden op tafel. Ik belde een van mijn studiemakkers: ‘Kom me hier alsjeblief halen.’ Ik trok in bij mijn echte vader in Antwerpen. Een week later wou ik een gesprek met mijn moeder. ‘Ik wil alleen jou zien, niet John.’ Toen ik daar aankwam, stond mijn gerief netjes ingepakt. De boodschap was klaar en duidelijk: bol het af. Al mijn sporen in het huis waren gewist. Ik vertrok, en toch kapte ik niet met hen. Ik bleef moeder braaf bezoeken. Die loyauteit is zo raar; ik heb daar nu spijt van.

Twaalf jaar geleden vroeg moeder aan de telefoon waarom onze oudste zoon niet bij hen mocht blijven slapen. ‘Ik heb daar mijn redenen voor’, zei ik. ‘Hoezo? Is vake misschien een pedofiel?’, vroeg ze. Toen besefte ik: ze weet wat er gebeurd is. ‘Vraag het hem zelf’, zei ik. Ze haakte in en ik heb haar nooit meer gehoord of gezien.

Toen ‘vake’ stierf, hoopte ik op een vorm van erkenning door mijn moeder. Die kwam er niet. Een tante liet me onlangs weten dat zij gestorven was. Ik begon alle begrafenisondernemers uit Lier te bellen. Ik wou op mijn manier afscheid nemen. Bij de tweede had ik prijs. Hij moet zoiets nog meegemaakt hebben, want hij had alle begrip. Hij zei: ‘Neem gerust uw tijd.’ Daar lag ze, dood. Ik voelde verdriet en woede omdat ik wist dat er geen erkenning of verontschuldiging meer komt.”

 

 

Kindermishandeling – de trieste cijfers

 

In 2016 werden 9.133 kinderen gemeld bij de zes Vertrouwenscentra Kindermishandeling (ruim 5 procent meer dan het jaar voordien). 14 procent van de kinderen was jonger dan 3 jaar. 15 procent was ooit al eens gemeld in de jaren ervoor.

28,6 procent van de meldingen ging over lichamelijke mishandeling.

29,9 procent ging over emotionele mishandeling.

14,9 procent over seksueel misbruik.

 

In 2011 organiseerde het Kinderrechtencommissariaat ‘Geweld, gemeld en geteld’, een bevraging bij 2000 kinderen tussen 10 en 18 jaar. “Dat is de enige studie bij ons naar geweld in het gezin”, zegt Kristof Desair. “Het is doodjammer dat ze nooit herhaald is.”

Uit die studie bleek dat 5 tot 7 procent van de jongeren thuis geconfronteerd werd met ernstig verbaal geweld.

7,5 procent werd ooit door een ander lid van het gezin geslagen of geschopt. Ruim 2 procent incasseerde die klappen en schoppen op regelmatige basis.

4 procent kreeg ooit te horen dat hij of zij beter niet geboren was.

Ruim 4 procent had dikwijls het gevoel onbelangrijk te zijn.

13 procent was ooit bang van tegen elkaar roepende en tierende ouders.

7,6 procent was ooit getuige van elkaar slaande of schoppende ouders. 4 procent zag dat dikwijls.

9 procent had vaak het gevoel dat er niemand was die luisterde en hielp toen ze dat het meeste nodig hadden.

1,5 procent werd ooit door een ander lid van het gezin seksueel misbruikt. Bij 0,3 procent vond dat misbruik plaats op regelmatige basis.

 

(c) Jan Stevens

“Soms moet je je handen durven vuilmaken”

In zijn boek Dubbel leven legt Montasser AlDe’emeh zijn motieven om burgerspion te worden op tafel. Rik Torfs schreef het voorwoord. “Waarom kan een informant van de Staatsveiligheid niet het beste met zijn medemens voorhebben?”

 

Een paar dagen nadat Montasser AlDe’emeh in juli 2016 in een interview met De Morgen bekendmaakte dat hij als informant voor de Staatsveiligheid gewerkt had, stuurde de jihadexpert een mail naar Rik Torfs. AlDe’emeh vroeg aan de kerkjurist of hij hem aan een woning kon helpen. Een dag later antwoordde de toenmalige rector van de KULeuven dat hij een huis gevonden had, ergens op het platteland. “Met mijn rectorschap had dat niets te maken”, zegt Rik Torfs. “Het was gewoon een kwestie van twee mensen die elkaar helpen. Af en toe zaten we samen in een debat. Zo leerden we elkaar kennen en appreciëren. Montasser zocht een discrete plek waar hij goed aan zijn doctoraat kon werken en ik kon hem daar toevallig bij helpen. Dat gebeurde in alle stilte, zoals het hoort.”

Montasser AlDe’emeh: “Professor Torfs wist niet dat ik voor de Staatsveiligheid werkte. Niemand wist dat, zelfs mijn beste vrienden én mijn familie waren niet op de hoogte. In de zomer van 2016 vertrok ik op reis naar Cuba. Daar las ik op een ochtend op mijn smartphone dat het Belgische gerecht mij voor schriftvervalsing wou vervolgen. Mijn contactpersonen bij de Staatsveiligheid hadden me nochtans toevertrouwd dat die zaak wel geseponeerd zou worden. Ik had er genoeg van en nam een vlucht naar Canada waar ik asiel wou aanvragen. Vlak na de landing in Toronto las ik het nieuws over de aanslag op de Promenade des Anglais in Nice. Ik had twee jaar van mijn leven opgeofferd en veel risico’s genomen om dit soort van afschuwelijke aanslagen te vermijden en werd nu door de Belgische justitie vervolgd. Ik moest dat nieuws dan nog eens in de krant lezen. Op dat moment besloot ik om via De Morgen wereldkundig te maken dat ik een informant geweest was. Ik hoopte zo ook dat de Belgische politici eindelijk het belang van degelijk inlichtingenwerk zouden inzien. Daarna vloog ik terug naar huis, waar ik tot mijn stomme verbazing merkte dat de sleutel niet meer op het slot van mijn flat paste. Ik belde mijn broer en hij zei me dat mijn familie na mijn interview besloten had om mijn flat leeg te halen en een nieuw slot te plaatsen. Want ze waren bang dat IS-aanhangers wraak op mij zouden nemen. Ik stond op straat en dacht: ‘Wie kan me helpen?’ Mijn eigen familie was geen optie. Dus stuurde ik een mail naar professor Torfs.”

 

Hoe vlot uw doctoraat?

AlDe’emeh: “Het einde komt na vier jaar in zicht. Een tijd geleden kwam ik tot het besef dat ik voor dat doctoraat een andere weg moest inslaan. In het begin probeerde ik te achterhalen waarom jongeren naar Syrië vertrokken. Nu focus ik me op de radicaal islamitische ideologie van organisaties zoals IS, Al Qaeda, Boko Haram, al-Shabaab. Het materiaal dat ik in Syrië en België verzamelde terwijl ik informant voor de Staatsveiligheid was, heb ik om deontologische redenen opzij geschoven.”

Torfs: “Je ervaringen neem je natuurlijk wel mee.”

AlDe’emeh: “Die maken mijn onderzoek ook sterker. Mijn uitstappen naar Jordanië, Syrië, Tunesië en Irak blijven in mijn hoofd nazinderen. Mijn visie is daardoor veel breder geworden.”

 

Mijnheer Torfs, was het een schok toen u las dat Montasser AlDe’emeh voor de Staatsveiligheid gewerkt had?

Torfs: “Ik ben niet snel geshockeerd en eigenlijk vond ik dat geen slecht idee. Het is slim dat er samenwerking is tussen mensen die voor veiligheid zorgen en mensen die zoals Montasser het veld kennen. Er zijn in ons land veel deskundigen die vanop de zijlijn weten hoe het allemaal moet. De praktijk is vaak ingewikkelder: dan komt het aan op praten met de juiste mensen. Uit Montassers boek blijkt heel duidelijk hoeveel tijd hij in al die intense gesprekken investeerde. Hij voelde ook goed aan wanneer jonge mensen begonnen te radicaliseren. Het was toch ideaal dat Staatsveiligheid met hem kon samenwerken?”

 

Montasser AlDe’emeh combineerde zijn informantenwerk bij de Staatsveiligheid ook met journalistiek en met deradicaliseringswerk in zijn centrum ‘De weg naar’. Iemand die professioneel als deradicaliseerder aan de slag is, zei me onlangs dat AlDe’emehs bekentenis zijn sector een slechte dienst bewezen heeft. Geradicaliseerde jongeren vertrouwen hulpverleners niet meer, want ze verdenken hen ervan ook voor de Staatsveiligheid te werken.

AlDe’emeh: “Tijdens mijn eerste contacten met de Staatsveiligheid zei ik dat ik me na mijn reis naar Syrië veel zorgen maakte. Ik had er jihadisten gesproken die zich zeer vijandig opstelden tegenover de westerse samenleving. Ik had die vijandigheid gehoord en gezien en ik wist dat er aanslagen in het westen zouden plaatsvinden. Dat was in 2014, toen veel Vlamingen niet van die dreiging wakker lagen. Syriëstrijders werden vergeleken met de oostfronters en in een traditie van Vlaamse vertrekkers geplaatst. Ik zei toen tegen de Staatsveiligheid: ‘We moeten die frustraties zo snel mogelijk kanaliseren. Ik wil dat op mijn manier doen.’ Dus richtte ik het centrum ‘De weg naar’ op waar geradicaliseerde jongvolwassenen met mij konden komen praten. Ze zagen mij niet als ambtenaar, psycholoog of maatschappelijk werker, maar als rolmodel. Met mijn contactpersonen bij de Staatsveiligheid had ik afgesproken dat ik hen alle relevante informatie zou bezorgen die die gesprekken opleverden. Ik vind het zo merkwaardig dat na al het verdriet en de pijn van alle aanslagen sommigen nog steeds niet begrijpen wat mij dreef om informant te worden. Voor het geld moest ik het niet doen, want er viel zo goed als niets mee te verdienen. Integendeel, ik heb er veel centen ingestoken. De meeste mensen die ik als informant sprak, zaten in Syrië. De geradicaliseerden hier verwees ik altijd door naar anderen. Ik snap dus niet waarom mijn werk de hele deradicaliseringssector zou ondermijnd hebben. Ik heb mezelf nooit als deradicaliseerder beschouwd en heb mezelf ook nooit geprofileerd als journalist. Ik sprak met die mensen als onderzoeker en merkte dat die gesprekken best relevant waren voor onze samenleving. Daarom publiceerde ik in het magazine Knack.”

Torfs: “Na de moorden op Sharon Tate en haar vrienden door de sekte van Charles Manson werd in de jaren zeventig in de Verenigde Staten gestart met deprogramming. Dat liep niet van een leien dakje. Soms werd de deprogrammers verweten dat ze ook sectair waren. Deradicalisering is moeilijke en delicate materie. Het lijkt me daarom iets te gemakkelijk om een bekend iemand die voor de Staatsveiligheid werkte, verantwoordelijk te stellen voor het gebrek aan vertrouwen bij geradicaliseerde jongeren. Waarom kan een informant van de Staatsveiligheid niet het beste met zijn medemens voorhebben?”

 

In Dubbel leven schrijft Montasser AlDe’emeh verschillende keren dat hij in zijn periode bij de Staatsveiligheid ook als journalist werkte, met een perskaart. Nu hoor ik hem zeggen dat hij zich nooit als journalist geprofileerd heeft. Voor alle duidelijkheid: ik vind dat een journalist nooit voor de Staatsveiligheid mag werken.

AlDe’emeh: “Ik werkte soms als freelancejournalist, dat is juist. Maar u zou ervan staan kijken hoeveel andere journalisten informatie aan de Staatsveiligheid leveren. Na mijn onthulling maakte ik met Knack de afspraak dat ik een jaar lang geen artikels zou schrijven. Die ontluizingsperiode is intussen voorbij. Niemand kan bewijzen dat ik stukken in Knack gepubliceerd heb die pasten in mijn werk voor de Staatsveiligheid. Ik heb informatie over staatsgevaarlijke individuen met de veiligheidsdiensten gedeeld die ze zelf niet konden krijgen. Ik kan me niet voorstellen dat dat tegen de journalistieke deontologie indruist.”

 

Kan Rik Torfs zich voorstellen dat hij ervoor kiest om informant voor de Staatsveiligheid te worden?

Torfs: “Dat is een zeer hypothetische vraag. Ik heb nooit voor die keuze gestaan. Montasser werd geconfronteerd met een acute crisis die door al die aanslagen steeds scherper werd. Een mens kan dan twee houdingen aannemen: ofwel word je vanuit je principes geen informant, ofwel doe je dat wel omdat je vindt dat het je plicht is. Ik begrijp dat Montasser uit affiniteit met onze samenleving de keuze voor samenwerking met de Staatsveiligheid maakte. Ik kom uit een andere tijd. Ik heb legerdienst gedaan in plaats van burgerdienst. Ik was geen gewetensbezwaarde, misschien bij gebrek aan geweten. Ik werd ook geen officier, bij gebrek aan talent en interesse. Ik was gewoon milicien, rustig, zonder principieel bezwaar.

Montasser koos geen makkelijke weg, want hoe ver kon en moest hij gaan met het vertrouwen dat anderen hem schonken? Het is altijd makkelijk om te stellen: ‘Ik doe dit om principiële redenen niet.’ Het leven is complex en de kunst bestaat erin om verstandig met paradoxale kwesties om te gaan als je, zoals Montasser, een duidelijk doel voor ogen hebt. Hij was nog jong en in zijn boek geeft hij eerlijk toe dat hij af en toe een inschattingsfout maakte. Dat vind ik geen reden om vervolgens te besluiten dat hij beter helemaal niets ondernomen had. Ik geloof nogal in les maines sales: soms moet je je handen durven vuilmaken. Zeker als de crisis acuut is, wat zo was met die aanslagen. Je hoort dan sommigen stellen dat er veel meer slachtoffers vallen bij verkeersongevallen dan bij terreuraanslagen. Maar er is een groot verschil tussen een moordaanslag en een verkeersongeval: het is niet correct om die cijfers zomaar naast elkaar te zetten. Nu lijkt het bijna alsof we die aanslagen achter ons gelaten hebben. Ik hoorde eerder deze week dat de toeristen terug naar Vlaanderen komen. Er wordt ook gesuggereerd dat IS verslagen zou zijn. Ik zou toch maar oppassen met die jubelberichten.”

AlDe’emeh: “Ik werkte eerst als informant, maar werd na verloop van tijd ook infiltrant. Ik heb daar geen spijt van, zelfs niet na mijn veroordeling voor zogenaamde schriftvervalsing. Op een bepaald moment vroeg iemand me via de telefoon of ik een verklaring kon schrijven dat zijn broer in mijn centrum gederadicaliseerd was, zonder dat die jongen daar ooit een voet gezet had. Ik dacht meteen aan de informatie over IS-kopstuk Hicham Chaïb die die verklaring me kon opleveren. Chaïb was en is wereldwijd een van de meest gezochte terroristen en het nichtje van die man behoorde tot Chaïbs entourage in Syrië. Toen ik het verzoek kreeg om die verklaring te schrijven, hadden de aanslagen van 22 maart nog niet plaatsgevonden. Chaïb maakte later een video om ze op te eisen. Waarmee ik maar wil zeggen: het zou stom geweest zijn om die kans te laten schieten. Daarom schreef ik die beruchte deradicaliseringsverklaring.”

 

De processen in eerste aanleg en beroep waarop u telkens veroordeeld werd voor valsheid in geschrifte waren harde noten om te kraken?

AlDe’emeh: “Natuurlijk. Als infiltrant genoot ik geen bescherming. Minister van Justitie Koen Geens brengt daar met zijn wetsontwerp over de burgerinfiltrant eindelijk verandering in. Het besef dat het nuttig kan zijn dat een burger infiltreert, kwam bij onze politici pas na de aanslagen van 22 maart. De Staatsveiligheid was al veel langer vragende partij, maar zij moest roeien met de riemen die ze had. Kijk, ik heb een zuiver geweten. Dat is voor mij belangrijker dan mijn strafblad. Natuurlijk heb ik een kladversie van dat deradicaliseringsattest geschreven, maar ik heb het nooit ondertekend, want ik had niet de intentie het te gebruiken. Dat paste enkel in mijn werk voor de Staatsveiligheid. De advocaat die samen met mij veroordeeld werd, heeft er mijn handtekening onder gezet en hij gaf dat ook toe. Ik werd dus vervolgd én veroordeeld voor een attest dat iemand anders met mijn naam tekende. Op het proces overhandigde ik mijn geheimhoudingscontract van de Staatsveiligheid aan de rechter. De echtheid daarvan werd niet betwist. Ik betaalde drie advocaten, niet de eerste de beste, want ik wou winnen. Na mijn veroordeling in eerste aanleg ging ik in beroep omdat ik aan jonge mensen het signaal wou geven dat ik blijf geloven in de rechtstaat. Ook daar werd ik veroordeeld voor het schrijven van een door anderen gedicteerd kladje van een deradicaliseringsattest. Misschien was mijn veroordeling een signaal van de rechter: de rechtstaat staat boven de veiligheidsdiensten.”

 

Vindt Rik Torfs dat Montasser AlDe’emeh veroordeeld is door ‘wereldvreemde rechters’?

Torfs: “Ik ken het dossier onvoldoende om daar uitspraken over te doen. Uit Montassers boek blijkt heel duidelijk dat zijn intenties en bedoelingen nobel waren. Zijn veroordeling mag er dus niet toe leiden dat we hem voortaan onbetrouwbaar vinden. Want Montasser zet zich enorm in voor onze samenleving. Ik wil het proces van de rechters niet maken. Maar het is wel zo dat radicalisme en jihadisme relatief nieuwe fenomenen zijn voor magistraten. Het zou daarom misschien niet slecht zijn dat er in het algemeen een cursus komt waarin de drijfveren en de culturele achtergronden van religieus radicalisme in onze samenleving aan bod komen. Door de razendsnelle secularisering is de religieuze kennis in ons land er sterk op achteruit gegaan, en dat net op het moment dat we die kennis nodig hebben om de dialoog aan te gaan met moslims en nieuwkomers uit Afrika of Oost-Europa met nog andere religies.”

AlDe’emeh: “Weet u dat ik bereid was om mijn leven voor België te geven? In het licht daarvan is mijn veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf met uitstel en een boete van zeshonderd euro draaglijk. Dat is geen valse romantiek, maar pure dankbaarheid. Wat ik als informant voor België gedaan hebt, verzinkt in het niets in vergelijking met wat België voor mij gedaan heeft. Ik ben in een Palestijns vluchtelingenkamp in Jordanië geboren en heb hier samen met mijn familie een veilige thuis gevonden. Ik kon hier naar de universiteit. Mijn vader is vorige maand gestorven, maar de dokters deden er alles aan om zijn leven te redden. Ze deden er ook alles aan om mijn leven te redden toen ik acht was en hersenvliesontsteking kreeg. België heeft mij àlles gegeven. Weet u wat ik zo verdomd moeilijk vond? Dat ik in de media genuanceerd over jihadisten sprak, terwijl ik met mijn hart compleet andere taal wou spreken. Ik las en hoorde dat Vlamingen me bestempelden als jihadistenknuffelaar. Ze wisten niet dat ik hen achter de schermen beschermde.”

 

Zou Rik Torfs zijn leven geven voor België?

Torfs: “Niet voor een land, maar misschien wel voor sommige ideeën. Al weet je nooit op voorhand hoe dapper je zal zijn op cruciale momenten. Pater Maximiliaan Kolbe bood zich in gevangenschap in Auschwitz aan als plaatsvervanger van iemand anders, net als de Franse politieman Arnaud Beltrame bij de gijzeling in Trèbes. Zal ik dat ook doen in een gelijkaardige situatie? Ik weet het niet. Het martelaarschap is niet iets wat je nastreeft, maar wat je tegen heug en meug overkomt. Wie het nastreeft is geen martelaar, maar een carrièrist.”

AlDe’emeh: “Ik zocht het martelaarschap niet. Ik nam voorzorgsmaatregelen om mezelf te beschermen. Een van de grote problemen met veel jonge moslims is hun gebrek aan kritische zin. Ronselaars spelen daar op in. In 2015 chatte ik regelmatig met Abdelmalek Boutalliss, een Kortrijkse jongen die naar Syrië vertrok nadat hij geronseld was door Olivier Calebout. Ik stond ook in contact met Abdelmaleks ouders, die via mij meer informatie over hun zoon probeerden te krijgen. Hij had zich op de kandidatenlijst voor zelfmoordaanslagen gezet. Ik bewoog hemel en aarde om hem op andere gedachten te brengen, maar op 10 november 2015 blies hij zich in een bomauto op in Irak. Zijn moeder vertelde me dat hij haar toen hij nog thuis was had toevertrouwd dat hij bang was van God. Waarom moet iemand bang zijn van God?”

Torfs: “Daar zit inderdaad een heel vreemd godsbeeld achter. Veel jonge moslims vrezen de hel en zijn bang voor bestraffing en marteling na hun dood in hun graf.”

AlDe’emeh: “De moslimwereld bulkt van de taboes. Ik ken veel jonge mensen die niet in het openbaar durven spreken over hun relatie waardoor hypocrisie de norm geworden is. In het geheim hebben ze een lief, maar hun vader maken ze wijs dat ze nog steeds braaf vrijgezel zijn. Al die taboes zorgen voor extra druk. Jongeren mogen niet open en eerlijk zijn. Daar komt dan nog eens de sociale en economische achterstelling bij, de geopolitieke toestand die via satellietzenders en sociale media elke dag de huiskamer inkomt én starre imams die de taal van de jongeren niet spreken. Het resultaat zijn tikkende tijdbommen. De voedingsbodem voor de radicale ideologie blijft omdat de vervreemding van veel moslimjongeren onverminderd doorgaat.”

 

Net als de vervreemding bij bange, blanke mannen en vrouwen van middelbare leeftijd die de diverse samenleving als bedreigend ervaren, professor Torfs?

Torfs: “Ik ben de eerste om te zeggen dat je mensen niet moet sussen met ‘alles komt wel goed’, om vervolgens helemaal niets te ondernemen. Een tijdlang was dat in België de officiële leer, vooral als reactie op het groeiende succes van het Vlaams Blok dat later vervelde tot Vlaams Belang. Het antwoord op de extreme en soms ontoelaatbare ‘oplossingen’ van het Belang kon toch nooit zijn: ‘We doen niets.’ Terwijl dat in werkelijkheid wel degelijk was wat er gebeurde.

We moeten oppassen dat we niet in een verkrampt secularisme terecht komen. Door religie te negeren, lossen we het radicalisme nooit op. We moeten ook oppassen met uitspraken als: ‘Alles moet op de schop.’ Natuurlijk moet achteruitstelling aangepakt worden, maar dat doe je in de eerste plaats door voor uitstekend onderwijs te zorgen en door mensen op een fatsoenlijke manier te begeleiden. Niet door al onze maatschappijstructuren radicaal om te gooien.”

 

Volgens sommigen moeten we allemaal, zowel autochtonen als allochtonen, nieuwe burgers in de superdiverse samenleving worden.

Torfs: “Ik vind: blijf vooral jezelf. Vandaaruit kan je dan op zoek gaan naar hoe je het beste in de samenleving functioneert. Ik ben er niet voor om tegen iemand te zeggen: ‘Je moét veranderen.’ Geef mensen kansen waardoor ze eventueel aan zichzelf beginnen werken en zo zelf voor hun verandering zorgen. Dan heb ik het zowel over autochtonen als allochtonen. Pas er toch mee op om van inwoners van een dorp zoals Baardegem waar Montasser opgroeide, te verlangen dat ze zich plots allemaal anders, als ‘nieuwe burgers’, gedragen. Vervreemding bestrijd je nooit door nóg meer vervreemding te creëren. We kunnen ons veel beter afvragen: hoe zorgen we ervoor dat àlle mensen zich in dit land thuis voelen? Dat lukt nooit als we mensen niet als personen, maar enkel als groep benaderen. Want dat is precies wat we doen: we vervallen snel in groepsdenken. Montasser is daar een grote uitzondering op: hij is heel goed in gesprekken van mens tot mens. Dat komt omdat hij altijd rekening houdt met de unieke gebruiksaanwijzing van elk individu.”

 

Montasser AlDe’emeh, Dubbel leven, Achter de schermen va de Staatsveiligheid en IS, Lannoo, 256 blz., 22,99 euro

(c) Jan Stevens

“In Europa hoorde ik extremere dingen dan op de weg naar Mekka”

Van mei 2016 tot september 2017 reisde Jan Leyers door Europa, op zoek naar het gezicht van de islam in het Avondland. Na de bejubelde tv- reeks Allah in Europa die eind vorig jaar door Canvas werd uitgezonden, is er nu het gelijknamige boek, met als ondertitel: Het reisverhaal van een ongelovige. “Ik wou achteraf niet als verwijt krijgen: ‘O, maar hij kijkt als seculiere westerling naar de islam in Europa.’ Natuurlijk kijk ik door die bril; ik bén dan ook een seculiere westerling.”

 

“In een boek kun je een veel ruimer register bespelen dan in een tv-reeks”, zegt muzikant, filosoof, tv-maker en schrijver Jan Leyers. “Op tv kun je maar laten zien wat de camera heeft geregistreerd. Maar veel interessante dingen spelen zich achter de camera af, of op momenten dat hij uitstaat. Onderweg maak ik aantekeningen en schrijf ik indrukken neer; het echte uitschrijven is voor achteraf. Dan weef ik al die gesprekken en ontmoetingen samen met mijn bedenkingen aaneen tot een verhaal. Reizen voelt als grazen, schrijven is herkauwen en er vervolgens melk van brouwen.”

 

Met wat de laatste tien jaar over de islam verschenen is, kunnen we heel dit café waar wij nu zitten, vullen. Wat onderscheidt Allah in Europa van al de rest?

Jan Leyers: “Mijn boek toont dingen die je nergens anders te zien krijgt. Over moslims in Europa bestaan heel wat statistieken en tabellen, de neerslag van weldoordachte antwoorden op weldoordachte vragen. Maar als je écht wilt weten hoe moslims in Europa zich voelen en wat er in hun hoofden en harten omgaat, volstaan die statistieken niet. Dan moet je ook weten wat mensen zich op onbewaakte momenten laten ontvallen. In zo’n uitspraken vertelt iemand vaak meer over zichzelf dan in antwoorden op vragen als: ‘Voelt u wel of niet sympathie voor Islamitische Staat?’ Ik herinner me zo’n moment in Hongarije, waar we te gast waren op een moslimzomerkamp in de poesta. Hongaarse moslims, jong en oud, brachten er een week door in een bungalowpark bij een meer. We mochten er een hele dag filmen. In de eetzaal zaten mannen en vrouwen aan aparte tafels. Onze cameraman maakte een paar shots van de mannen. Daarna draaide hij zijn camera naar een tafel waar zes vrouwen koffie zaten te drinken. Plots riep een man achter ons: ‘Don’t film the women!’ Op een toon alsof die vrouwen zijn eigendom waren. Kijk, als iemand zegt dat je zijn schilderijen of zijn parkieten niet mag filmen, dan heb ik daar begrip voor. Maar vrouwen kunnen daar toch zelf over beslissen? Wat me nog het meest verbijsterde, was dat geen enkele van die vrouwen tegen die man protesteerde. Van zo’n scène steek ik meer op dan van de gemiddelde cijfertabel.”

 

Zou het een ander boek geworden zijn als u in uw eentje door Europa gereisd had, in plaats van met een ploeg van vijf mensen?

“Mensen veranderen als er een camera in de buurt is; het zou dus wel degelijk een ander verhaal geworden zijn. Terzelfdertijd is de camera ook een goede barometer. In de Arabische wereld weet je zonder camera nooit zeker of mensen vrijuit kunnen praten. In een hoekje in een theehuis zullen ze je alles vertellen wat op hun lever ligt. Als je dan vraagt: ‘Durf je dit ook voor een camera te zeggen?’, weet je meteen hoe het met de vrijheid van meningsuiting in hun land gesteld is. Het antwoord is meestal: ‘Neen.’

“Ik heb op deze reis door Europa extremere dingen gehoord dan tien jaar geleden op mijn weg naar Mekka. Omdat je in Europa wel hardop kunt zeggen wat je wilt. Ik heb Britse Korangeleerden zonder blikken of blozen de doodstraf voor geloofsafvalligen horen verdedigen. ‘In een islamitisch land is dat hetzelfde als wat hoogverraad voor jullie is’, zeggen ze. ‘Je krijgt de kans om tot inkeer te komen, maar als je volhardt in de boosheid, betekent dat het einde. Net zoals voor een westerling die hoogverraad pleegt.’ In Londen voerde ik zo’n discussie met sjeik Haitham al-Haddad, die voorzitter is van een zogenaamde shariaraad. Het verschil tussen zijn denkwereld en de mijne kan ik nog het best samenvatten als: twee verschillende vormen van wiskunde met elk hun eigen axioma’s. Een gedachtewisseling is mogelijk, maar een debat is onmogelijk. Dat is zoals voetballen tegen een basketploeg.”

 

Wij, seculiere westerlingen, zien onszelf als de norm. Volgens een studie van het Amerikaanse PEW Research Center uit 2010 identificeren wereldwijd 8 op de tien mensen zich met een of andere religie. De overgrote meerderheid op deze planeet lijkt onze norm dus niet te delen.

“Het klopt dat we onszelf als norm zien. Wij geloven in de rede en aanvaarden geen normen die niet door de rede kunnen worden gestaafd. Dat verschilt radicaal van degene die gelooft dat God tot de mens gesproken heeft en in een boek gedicteerd heeft aan welke wetten wij ons dienen te houden. Voor een seculiere westerling is dat moeilijk te aanvaarden. Op een bepaald moment moet je toch duidelijk stellen: hier wordt de wet niet door God bepaald, maar door de parlementaire democratie. Een fundamentalistische gelovige krijg je daar niet van overtuigd. Hij zal zich daar goedschiks of kwaadschiks bij moeten neerleggen.”

 

Wat niet altijd gebeurt.

“Heel zeker. In Nederland maakte ik kennis met Okay Pala, de lokale woordvoerder van Hizb ut-Tahrir, Arabisch voor de Partij van de Bevrijding. Het streefdoel van die wereldwijd actieve radicaal-islamitische organisatie is naar eigen zeggen de hele mensheid doen inzien dat de islam de door God voorgeschreven levenswijze is en de enige weg naar geluk. Hizb ut-Tahrir is in veel landen verboden. Onze liberale democratie kan volgens hen op geen enkele wijze concurreren met God. Pala en zijn geloofsbroeders noemen de liberale democratie een ‘toevallig historisch compromis’, een ‘idee zonder bewijs’, terwijl de wetten van God er voor eeuwig zijn. Als iemand zoiets tegen je zegt, kun je zelfs niet aan een discussie beginnen. De uitgangspunten zijn te verschillend.”

 

U positioneert zich als ongelovige. ‘Het reisverhaal van een ongelovige’ lees ik op het omslag van uw boek.

“Ik wou van bij de start duidelijk stellen: de reiziger is een westerling die door een seculiere bril naar de werkelijkheid kijkt. Ik wou achteraf niet als verwijt krijgen: ‘O, maar hij kijkt als seculiere westerling naar de islam in Europa.’ Natuurlijk kijk ik door die bril; ik bén dan ook een seculiere westerling. Ik groeide op in de jaren zeventig, was er net als iedereen in die tijd van overtuigd dat religie een aflopende zaak was en zie vandaag verbaasd aan hoe het opperwezen opnieuw terrein herovert.”

 

U beschrijft hoe u eind jaren zestig op uw elfde door uw verknochtheid aan The Beatles voorgoed van uw geloof afviel, toen de onderpastoor het over God als liefde had en zei: ‘Ik heb het niet over de love, love, love waar die mannen van The Beatles tegenwoordig over zingen.’

“Dat was tijdens een catecheseles ter voorbereiding van onze plechtige communie. Als het ging tussen John Lennon en de geur van de kazuifel van onderpastoor Lauryssens was mijn keuze snel gemaakt. (lacht) Ik besef tegelijk dat ik denk zoals ik denk omdat ik toevallig op deze plek en in deze tijd geboren ben. We geloven allemaal graag dat we belangrijke keuzes in ons leven beredeneerd maken. Ik twijfel daaraan. Onze zogenaamd rationele keuzes zijn vaak esthetische voorkeuren: we kiezen voor een universum waar we affiniteit voor voelen. Als tiener was dat voor mij de freedom van de jaren zestig en zeventig, het breken met God en gebod, het onbegrensde experimenteren. Tieners van nu kiezen ook hun ‘esthetisch pakket’; The Beatles hebben ze misschien ingeruild voor hiphop. Je zou eens moeten navragen hoeveel mensen in hun jeugd op hun kamer een vergelijkende studie van de godsdiensten gemaakt hebben: ‘Zou ik nu voor het christendom kiezen of voor de islam?’ Zo werkt dat niet. Elke mens is een kind van zijn cultuur.”

 

Onze samenleving is gediversifieerd. Mensen met ‘esthetische pakketten’ waar wij de finesses niet van snappen, zijn onze buren geworden. Sommige van uw en mijn generatiegenoten die het ‘monoculturele’ Vlaanderen nog meegemaakt hebben, voelen zich vervreemd en ervaren een godsdienst zoals de islam als een bedreiging.

“We hebben moslims als buren gekregen en kijken met verbazing naar dat hele pakket aan islamitische regels dat zij met zich meebrachten. We vinden het onwaarschijnlijk dat iemand zich door zijn religie laat dicteren wat er op zijn bord ligt. Want de regels van de islamitische religie bepalen zowat alle aspecten van het leven. Mensen die het katholicisme in de jaren vijftig en zestig meemaakten, klagen soms over de rigiditeit, maar in vergelijking met een moslim werd je als katholiek met rust gelaten. Er waren geen voorschriften over wat je wel of niet mocht eten en de lengte van je broek werd niet door de pastoor bepaald. De islam is meer dan een godsdienst: het is ook een maatschappijordening. Wat niet wil zeggen dat alle moslims daarin meegaan, maar dat framework is er wel.”

 

Het huis van de islam heeft toch vele kamers, van vredelievende, tolerante soefi’s tot strenge, onverzoenlijke salafisten?

“Dat is zo, en op mijn reis door Europa heb ik ook met vertegenwoordigers van al die verschillende strekkingen kennisgemaakt. In essentie gaat het over het conflict tussen het volgen van de wet en het volgen van je hart. En dat conflict hebben we in het verleden ook in het christendom meegemaakt. Mijn vrouw las me gisteravond een stukje voor uit een biografie van Johannes Calvijn, de grondlegger van het protestants-christelijke calvinisme. We zitten dan in het Genève van de zestiende eeuw. Calvijn verbood er alle muziek en feesten. Plezier maken was uit den boze. Mannen werden gestraft als ze durfden te glimlachen tijdens de doop van hun kind. Schrap de naam Calvijn in de tekst en het is alsof het over een salafistische gemeenschap gaat. In Nederland woedt nu een grote rel die het diepe conflict tussen liberale moslims en hardliners perfect samenvat: de Haagse salafistische imam Fawaz Jneid bestempelde  de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb tot een ‘vijand van de islam’ en ‘een afvallige’. Omdat Aboutaleb te liberaal is en bijvoorbeeld weigerde om de Mohammedcartoons te veroordelen. Daar is veel beroering rond omdat ‘afvallige’ uit de mond van een salafist als een doodvonnis klinkt.”

 

Van Dirk Verhofstadt en Paul Cliteur verscheen onlangs het boek In naam van God, over wat zij het theoterrorisme, terreuraanslagen in naam van God, noemen. Verhofstadt pleit ervoor om het salafisme te verbieden. Volgens hem zijn we te lang te tolerant geweest voor de intoleranten.

“De vraag is: wat ga je precies verbieden? Een salafist is iemand die probeert te leven zoals de profeet en diens eerste gezellen. Ga je dat verbieden? Sommige van die jongens poetsen hun tanden met twijgjes of miswaks, zoals dat in de zevende eeuw de gewoonte was. Moeten miswaks verboden worden?”

 

Het gaat natuurlijk niet over twijgjes of een baard zoals de profeet, maar over wat salafisten verkondigen. Over de manier waarop zij willen dat de wereld wordt ingericht, met de sharia als maatstaf.

“We hebben toch nooit de communistische partij verboden? De dictatuur van het proletariaat die zij wilden installeren, stond ook haaks op de parlementaire democratie.”

 

Wat dan met die salafisten die de jihad verkondigen?

“Die zijn er natuurlijk, maar je mag niet iedereen over dezelfde kam scheren. We gooien alle salafistische strekkingen te makkelijk op dezelfde hoop. Nederland telt zo’n 30.000 salafisten. De overgrote meerderheid zal nooit een aanslag plegen, ook al zijn ze geen fan van Amerika, Israël of van wat het Westen wereldwijd uitspookt. We moeten dringend meer olifantenvel kweken en een beetje Britser en laconieker worden. De voorbije jaren heeft zich in Vlaanderen een middenstandsesthetiek en -ethiek ontwikkeld: alles moet proper en braaf zijn. Alles wat afwijkt is verdacht. Veertig jaar geleden had je hier in mijn gemeente Hove een jeugdhuis recht tegenover de kerk. Wij speelden en repeteerden daar op vrijdag- en zaterdagavond en hingen achteraf in het centrum op straat rond. Vandaag is dat ondenkbaar: de politie zou worden ingezet. Dat klimaat is er gekomen onder invloed van de angstcultuur en onze obsessie met safety en security. De stijgende welvaart heeft er ook voor gezorgd dat alles wat maar een beetje afgebladderd, vuil en goor is, bestreden moet worden. Orde en netheid is het devies. ‘Draag je fluohesje als het schemert, op dat paadje mag je stappen, daar niet.’ Ik word tureluurs van al die door veiligheid en zekerheid doordesemde voorschriften en controles. Wat dat betreft is een islamitische omgeving vaak een verademing. Op een Koranwedstrijd in Hamburg loop je gewoon naar binnen zonder oranje polsbandje en zonder gefouilleerd te worden. Op de moslimbeurs in Antwerpen-Zuid gaat het er even gemoedelijk aan toe als op de Boekenbeurs in 1972. Daar lopen geen sportschoolfiguren met oortjes rond en geen enkele vrouw moet haar handtas openmaken. De bandbreedte van wat we kunnen verdragen is te smal geworden: we weten ons geen raad meer met meningen die radicaal afwijken van de gangbare norm. Als een orthodoxe imam durft te zeggen: ‘Je moet plaatsen mijden waar alcohol gedronken wordt’, is het kot plots te klein. Want dat valt buiten onze geijkte middenstandsmantra.

“Uiteraard wordt het iets helemaal anders als iemand roept: ‘Nu gaan we over tot geweld’, of: ‘Ga vechten met onze geloofsbroeders in Syrië.’ Maar alles wordt te snel tot simpele slogans herleid: islam = salafisme = gaan vechten in Syrië. Op de Promenade des Anglais in Nice ontmoette ik Latifa, een jonge moslima en de dochter van het allereerste slachtoffer van de aanslag op 14 juli 2016. Zij vertelde haar verhaal van de avond van die fatale Quatorze Juillet. Latifa stond naast het met een wit laken bedekte dode lichaam van haar moeder te wenen. Een naderende auto minderde vaart, de bestuurder draaide zijn raampje open en riep haar toe: ‘Bende terroristen!’ Dat gesprek met Latifa maakte voor mij duidelijk dat veel Europese moslim tussen twee vuren zitten. Wij zien maar die ene kant: de islam. Maar hoe afschuwelijk moet het zijn om voor terrorist te worden uitgemaakt als je moeder pas in een aanslag is omgekomen?”

 

In Denemarken bezocht u Kurt Westergaard, de inmiddels hoogbejaarde tekenaar van de verguisde cartoon uit 2006 van Mohammed met een bom als tulband.

“Ik wist net als iedereen dat het leven van die man totaal veranderd is na de doodsbedreigingen aan zijn adres, maar wat dat in werkelijkheid betekent, besefte ik pas ten volle toen ik rechtover die mens in zijn zwaarbewaakte living zat. Elke dag maakte hij een cartoon voor de krant. Op een voormiddag tekende hij Mohammed en zijn leven werd een hel.”

 

Ik leer uit uw boek dat hij eerder al eens een gelijkaardige cartoon getekend had en dat er toen geen haan naar kraaide.

“Die oudere Mohammedcartoon hing in de gang van zijn huis. Hij had die gemaakt voor een tentoonstelling in 1994 en daar nam toen niemand aanstoot aan. Ruim tien jaar later maakt hij een gelijkaardige tekening en het gevolg is dat hij continu door een paar agenten bewaakt wordt.”

 

Wat hebt u van uw reis door Europa geleerd?

“Dat het echte conflict zich niet afspeelt tussen Europa en de islam, maar binnen de islam zelf. Tussen de hardliners en de moslims die ruimte willen scheppen voor twijfel en zelfkritiek. In Brussel ontmoette ik Ahmed, een islamleraar van Marokkaanse origine. Hij vindt het hoog tijd dat moslims hun heilige teksten op een hedendaagse manier beginnen te lezen. Hij vraagt soms aan zijn leerlingen: ‘Wat is belangrijker, de Koran of je eigen hersenen?’ Ze antwoorden dan: ‘De Koran natuurlijk!’ Daarop vertelt Ahmed hun dat een mens zijn hersenen nodig heeft om de Koran te kunnen begrijpen en dat ons verstand belangrijker is. Moslims als Ahmed hebben we meer dan ooit nodig, alleen zijn ze met veel te weinig. Ze krijgen ook te weinig steun van Europeanen. Ze worden te snel weggezet als aandachtzoekers of nestbevuilers.

“In deze krant las ik een recensie van De atheïstische moslim van Ali Rizvi, waarin hij op striemende, maar volstrekt geloofwaardige wijze zijn eigen strijd beschrijft om atheïst te zijn in een islamitisch milieu. ‘Pamflettair’, vond de recensent. Tussen de regels las ik: ‘Waar is al dat gedoe nu eigenlijk voor nodig?’ Dat was ook zo bij Kurt Westergaard. ‘We zijn voor vrije meningsuiting, maar is het eigenlijk wel nodig om al die brave mensen met een cartoon te kwetsen?’ Zouden ze dat indertijd ook tegen Friedrich Nietzsche gezegd hebben toen hij verkondigde dat God dood is? ‘Oei, Friedrich, je kwetst nu zoveel brave Duitse christenen. Publiceer dat maar niet.’ Nee toch? Maar als het over moslims gaat, laten velen hun liberale principes varen. Ik schaam mij nog steeds voor de westerse intellectuelen en schrijvers die indertijd stelden dat Salman Rushdie de fatwa die tegen hem werd uitgesproken aan zichzelf te danken had. ‘Hij had De duivelsverzen maar niet moeten schrijven.’ Ik betwijfel of ze hetzelfde zouden hebben gezegd als de dreiging uit een andere hoek was gekomen, als het een linkse schrijver was geweest tegen wie een of andere extreemrechtse politicus een doodvonnis had uitgesproken. Een echt progressieve krant zou elke dag een foto van Kurt Westergaard in een hoekje bovenaan de frontpagina moeten plaatsen met de tekst: ‘Al zoveel weken met de dood bedreigd en permanent bewaakt.’”

 

Jan Leyers, Allah in Europa, Das Mag, 472 blz., 22,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Niet de N-VA, maar Groen! zou tegen een kernuitstap moeten zijn’

De N-VA lijkt zich vanuit strategische overwegingen neer te leggen bij het Energiepact, en dus bij een kernuitstap. Volgens Maarten Boudry gaat dat lijnrecht in tegen de wil van ecomodernisten, rationele groenen die de geitenwollensokken ontgroeid zijn. 

 

Op woensdag berichtte deze krant dat de N-VA overweegt zich niet langer te verzetten tegen het Energiepact. (DM 31/2/018) Dat plan legt de toekomst van de Belgische energievoorziening vast, met de bouw van windmolens en gascentrales, de installatie van zonnepanelen en de sluiting van de zeven kerncentrales tegen 2025. Die kernuitstap lijkt dus bijna verworven. Alleen vraagt filosoof Maarten Boudry zich af of dat wel zo’n goed idee is. “Er zijn een aantal hinderlijke taboes in de groene beweging die ingaan tegen haar eigen doelstellingen en daarom dringend doorbroken moeten worden. Groen zijn betekent in het publieke debat automatisch: tegen nucleaire energie, tegen Genetisch Gemodificeerde Organismen of GGO’s, vóór bio-landbouw, en vaak ook voor alternatieve geneeswijzen zoals homeopathie. Maar het voortdurende verzet tegen kernenergie en GGO’s is al lang niet rationeel meer en ook bio-landbouw is niet altijd groener of gezonder. Kernenergie is niet alleen één van de meest veilige en minst vervuilende energiebronnen, ze is ook nagenoeg CO2-neutraal. Eigenlijk zou niet de N-VA, maar Groen! moeten pleiten voor het openhouden van de kerncentrales of voor herinvesteren in nucleaire energie. Een kernuitstap betekent in de praktijk altijd meer fossiele energie, en dus ook meer CO2-uitstoot. Kijk maar naar Duitsland, dat nu godbetert bruinkool wil stoken, de goorste fossiele smurrie die er bestaat. En dat allemaal door de Fukushima-hysterie. Het Energiepact wil gascentrales als alternatief; dat is toch waanzin in tijden van klimaatverandering? Zonne- en windenergie zijn geweldig en spelen een belangrijke rol in de strijd tegen klimaatopwarming, maar ze zijn altijd afhankelijk van weersomstandigheden, zeker in het zonnearme Europa. Het is een wensdroom dat wij binnen afzienbare tijd onze energiecapaciteit volledig kunnen vervangen door alternatieve bronnen. De voorbije jaren is er een nieuwe lichting natuurliefhebbers en milieubeschermers opgestaan: de ecomodernisten. Zij delen de meeste doelstellingen en bezorgdheden van de groene beweging, maar ze zijn vooral rationeel groen. Ecomodernisten geloven in wetenschappelijke vooruitgang, in kernenergie en gentechnologie, en zijn ervan overtuigd dat economische groei kan rijmen met ecologie en natuurbehoud. Hun voornaamste argument is dat van ‘ontkoppeling’: we moeten de impact van ons moderne leven loskoppelen van de natuur. Dat betekent dat de mensheid haar voetafdruk moet verkleinen door zich terug te trekken op een kleiner deel van het aardoppervlak en de rest ‘terug te geven’ aan de natuur.”

 

Ecomodernisten geloven in economische groei, zegt u. Is dat niet hét probleem? Oxford-econome Kate Raworth verzet zich in haar boek Donuteconomie hevig tegen het principe van economische groei omdat onze planeet dat niet aankan. Ze houdt een pleidooi voor wat zij een ‘circulaire economie’ noemt. Haar economisch model is even rond als een donut. De buitenste cirkel vertegenwoordigt de ecologische bovengrens: alles wat daar aan economische activiteit buiten valt, schaadt onze planeet. De binnenste cirkel staat voor de sociale ondergrens en geeft weer wat we minimaal nodig hebben om wereldwijd in de basisbehoeften van elke mens te voorzien. In de toekomst moeten we volgens Raworth onze economische activiteit binnen die twee cirkels houden.

“Raworth vat meteen ook één van de kernpunten van het ecomodernisme samen. (lacht) Al is er niets mis met economische groei op zich, want niet elke economische activiteit is belastend voor het milieu. Het raakt ook kant noch wal dat we voortaan tegen ontwikkelingslanden zouden moeten zeggen: ‘Sorry, vanaf nu is het afgelopen met groei, want de planeet kan het niet meer aan.’ Armoede kan enkel door groei opgelost worden.

“Ecomodernisten zijn het met Kate Raworth eens dat we de planeet niet mogen schaden door haar draagcapaciteit te overschrijden en zijn dus eigenlijk ook gewonnen voor een circulaire economie. Tezelfdertijd geloven ze dat economische groei mogelijk blijft op voorwaarde dat je dus ‘ontkoppelt’ en mens en natuur uiteen haalt. Dat zien we nu al gebeuren: rijke landen worden technisch zo efficiënt dat ze in staat zijn om met minder grondstoffen steeds meer te produceren, waardoor de impact op hun leefomgeving verkleint. Groei kan en mag, zolang het niet ten koste gaat van de planeet.

“Ecomodernisten zien meer heil in een leven in de stad dan op het platteland. Doordat in een grootstad alles in geconcentreerde vorm plaatsvindt, zijn de vuilnisbelt en de uitstoot er zichtbaarder. Terwijl steden in werkelijkheid een kleinere ecologische voetafdruk hebben, want ze zijn veel efficiënter. Door in dichtbevolkte steden te leven en het platteland deels te verlaten, schenken we een deel van het aardoppervlak terug aan de natuur.”

 

Hoe is het ecomodernisme ontstaan? Wie zijn de inspirators en de drijvende krachten?

“Het heeft zijn wortels in ‘The Death of Environmentalism’, een essay uit 2004 van Mike Shellenberger en Ted Nordhaus. Ze waren allebei actief in de traditionele milieubeweging, maar vonden dat die ter plaatse bleef trappelen, zich tegen de wetenschap keerde en geen visie op de toekomst had. De voorbije jaren begonnen nog meer mensen binnen de groene beweging zich te storen aan de taboes en de antiwetenschappelijke houding. Stewart Brand, een groene ancien en oprichter van de Whole Earth Catalog, is een vooraanstaande ecomodernist, net als de Britse auteur en activist Mark Lynas. Ooit waren ze allemaal radicaal tegen kernenergie, intussen hebben ze hun kar gekeerd en zijn ze vurige voorstanders. De term ‘ecomodernisme’ is nog heel recent. In 2015 ondertekenden achttien wetenschappers en activisten het invloedrijke ‘Ecomodernistisch Manifest’, dat ook in het Nederlands te lezen is op http://www.ecomodernism.org. Bij onze noorderburen verscheen vorig jaar het boek Ecomodernisme, waaraan de Vlaming Bart Coenen meewerkte.”

 

In de inleiding van het Ecomodernistisch Manifest staat: “Wij bieden dit manifest aan in de overtuiging dat menselijke voorspoed én een ecologisch bruisende planeet niet alleen mogelijk zijn, maar dat ze ook onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.” Deelt u dat eco-optimisme?

“Zeker. We hébben al milieuproblemen opgelost. Door CFK-drijfgassen te verbieden, is het gat in de ozonlaag gedicht. Dat is een verdienste van wetenschappers én milieuactivisten. Het milieu is er vandaag een stuk beter aan toe dan in het begin van de industriële revolutie. In West-Europa is er sindsdien meer bos en biodiversiteit. Doemdenkers zeggen vaak dat de wereld naar de knoppen gaat als alles bij het oude blijft. Dat klopt, alleen blijft niets ooit bij het oude. Niemand kan voorspellen welke nieuwe innovaties voor de volgende doorbraken zullen zorgen. De grootste uitdaging van deze eeuw is natuurlijk de klimaatopwarming. Daarvoor zullen we alle zeilen moeten bijzetten en creatieve oplossingen bedenken. Ecomodernisten vinden dat we niet alleen aan vermindering van CO2-uitstoot moeten denken, maar ook aan ‘carbon capture’ of ‘negatieve emissie’: aan het weghalen van CO2 die al in de atmosfeer zit.”

 

Groenen moeten kernenergie omarmen, vindt u. Maar wat met het afval? En wat met kernrampen als Fukushima of Tsjernobil?

“Die ‘kernrampen’ zijn geweldig overdreven. In Japan is niemand gestorven door de meltdown van Fukushima, en de Wereld Gezondheidsorganisatie verwacht geen stijging van het aantal kankers. In vergelijking met de tsunami was Fukushima een peulschil. Er stierven 15.000 door de tsunami, maar in 2011 deed de hele wereld hysterisch over die kerncentrale waar geen enkele dode viel. In werkelijkheid is kernenergie veruit de veiligste energievorm. Elke jaar sterven er wereldwijd honderdduizenden mensen door de steenkoolindustrie, zowel in de mijnen als door milieuvervuiling. Het probleem van nucleair afval is best beheersbaar. Het is zelfs de enige vorm van vervuiling die zichzelf oplost: na verloop van tijd verdwijnt het vanzelf.”

 

(c) Jan Stevens