“Hij is nog steeds een jihadist”

De Noorse schrijver Demian Vitanza leerde eind 2015 in de gevangenis de teruggekeerde Syriëstrijder Ishaq Ahmed kennen. Hij herdoopte Ishaq tot Tariq en kneedde zijn verhaal tot een indringende roman. “Ik vroeg meermaals: ‘Waarom vertrok je naar Syrië?’ In het begin antwoordde hij: ‘Om tegen Assad te vechten.’ Op het einde zei hij: ‘Omdat ik wou sterven.’”

 

Meer dan een jaar lang bezocht de Noorse schrijver Demian Vitanza twee keer per week een teruggekeerde Syriëstrijder in een van de meest beveiligde gevangenissen van Noorwegen. Die urenlange gesprekken vormden de basis voor Vitanza’s roman In dit leven of het volgende. “Ik nam geen enkel gesprek op”, zegt hij. “Ik wou geen materiaal verzamelen dat compromitterend voor mijn gesprekspartner zou kunnen zijn. We hielden er rekening mee dat we in de bezoekersruimte van de gevangenis afgeluisterd werden. Telkens wanneer hij me iets wou toevertrouwen dat de politie niet mocht weten, schreef hij dat op, liet het me lezen en at daarna het velletje papier op.”

In In dit leven of het volgende vertelt Tariq, een Noor met Pakistaanse roots, hoe hij als tiener op het slechte pad geraakte en een drugsdealer werd, tot hij als twintiger de islam omarmde. Via het internet en onder invloed van radicale geloofsgenoten raakte hij in de greep van het salafisme. In september 2013 vertrok hij met een vriend met Tsjetsjeense roots in een bestelauto naar Syrië om er als jihadist te gaan vechten tegen Assad. Begin 2014 kreeg hij een kogel in het been, stak de Syrische grens terug over en zocht in Turkije hulp in de Noorse ambassade. Een jaar na zijn terugkeer in Noorwegen werd hij gearresteerd en in juli 2015 werd hij veroordeeld tot acht jaar gevangenschap voor lidmaatschap van een terreurorganisatie.

“Ik ontmoette hem toen ik eind 2015 een week schrijfcursus aan gedetineerden gaf in de zwaarbeveiligde gevangenis in mijn thuisstad Halden”, zegt Demian Vitanza. “Op de vierde dag kwam die jongen naar me toe. ‘Ik heb een verhaal’, zei hij. ‘Ik heb je hulp nodig om het naar buiten te brengen.’ Ik ben een roman- en toneelschrijver en zijn verzoek stond haaks op wat ik doe: ik schrijf niet iemand anders verhaal. Op mijn schrijfcursussen gebruik ik literatuur als werkmiddel voor de cursisten om zichzelf beter te leren uiten. Maar hij bleef aandringen. ‘Waarover gaat het?’ vroeg ik. ‘Ik vocht in Syrië’, antwoordde hij. Dat prikkelde mijn nieuwsgierigheid. Niet veel jongemannen die naar Syrië trokken, zijn bereid om hun verhaal te delen met de rest van de wereld. De teruggekeerden willen geen problemen voor hun familie, vrezen wraakacties van andere jihadisten of hebben geen zin in extra ondervragingen. Medegevangenen houden sowieso niet van ‘verklikkers’. Ze hebben dus weinig te winnen met het openbaar maken van hun verhaal.”

 

Hij wou dat u zijn verhaal als roman verpakte?

Demia Vitanza: “Nee, ik heb er een roman van gemaakt omdat ik zo meer vrijheid kreeg, maar ook om hem te beschermen. Sommige dingen die hij me vertelde, stigmatiseerden zijn familie of creëerden ernstige problemen voor zijn radicale moslimvrienden in Noorwegen.”

 

Mensen die hem kennen, weten na lezing van In dit leven of het volgende toch perfect wie ‘Tariq’ in werkelijkheid is?

“Zeker. Eind 2015 zaten er zeven Syriëstrijders in Noorse cellen, nu zijn het er negen. Het was niet zo moeilijk voor de Noorse media om de identiteit van mijn hoofdpersonage te achterhalen. We waren ons er zeer goed van bewust dat zijn naam snel bekend zou raken. In de eerste recensie in een Noorse krant stond zijn echte naam Ishaq Ahmed meteen netjes gespeld. (lacht) De aanpassingen van de realiteit in mijn roman waren voor ons een spel. We verplaatsten de jonge Ishaq alias Tariq van Fredrikstad naar Halden. Zijn thuisstad ligt op dertig kilometer van de mijne en door ‘zijn’ Fredrikstad in te ruilen voor ‘mijn’ Halden kon ik meteen ook alle kennis over mijn eigen stad in zijn verhaal integreren. Door Fredrisktad te vervangen door Halden vermeden we ook dat mensen uit zijn omgeving gestigmatiseerd raakten. In het begin had Ishaq het lastig met die laag fictie, maar na verloop van tijd zag hij er de voordelen van in. Hij begreep dat fictie soms meer waarheid vertelt dan non-fictie. Soms vroeg ik hem: ‘Ishaq, is het wel verstandig om dit te vertellen?’ Waarna hij me aankeek en zei: ‘Het is een roman.’ (lacht)”

 

U beschrijft heel mooi hoe Tariq alias Ishaq van kleine drugsdealer evolueert naar devote moslim. Hoe hij de leegte van een bestaan vol geld, drugs en gangsterrap inruilt voor het gebed.

“Ik ben blij dat u dat zegt, want het vinden van de islam was voor hem inderdaad iets heel moois. Voor veel mensen eindigt het daar ook: ze omarmen op een bepaald moment hun geloof en volgen daarna een vredevol levenspad. Maar bij Ishaq waren de frustraties zo hoog dat het intens beleven van een spirituele islam niet volstond. Hij was op dat moment al een aanhanger van complottheorieën, zoals die over de duistere genootschappen van de illuminati die het universum regeren. Daar kwam nog eens de toestand in de wereld bij, met onder andere de oorlogen in het Midden-Oosten.”

 

Ishaq werd salafist onder invloed van de Britse bekeerling Abdurraheem Green. Als je naar de website van Greens organisatie IERA surft, krijg je de indruk dat de man een boodschap van liefde verspreidt. Toch wordt zijn organisatie gelinkt aan de ‘Portsmouth Jihadis’, zes jonge moslims die zich aansloten bij IS. Hij is een wolf in schaapsvacht?

“Laat me eerst duidelijk stellen dat ikzelf areligieus ben en heel erg sceptisch sta tegenover het salafistische gedachtegoed. Toch wil ik het onderscheid maken tussen salafisme en extremisme. Extremisten zijn bereid om geweld te gebruiken om zo hun doel te bereiken. Dat is meteen ook de definitie van extremisme volgens de Noorse staatsveiligheid. Abdurraheem Green beschouw ik niet als zo’n extremist. Hij is een salafist, maar roept niet op tot geweld of terreur. Ik gebruik de term extremist enkel voor gelovigen die tot geweld willen overgaan. De anderen zijn salafisten, of geschifte kerels. (lacht) Mijn indruk is dat Green geweld afwijst, al durf ik er mijn hand niet voor in het vuur te steken.

“De interesse van Ishaq voor het salafisme werd zeker in het begin serieus aangewakkerd door het internet. Eerst kwam hij terecht bij de zeer devote tablighi die je kan vergelijken met de evangelische christenen. Op het internet ging hij op zoek naar vragen waarmee hij worstelde, zag salafistische video’s en werd erdoor aangesproken. De salafistische ideologie is helder als pompwater: door je strikt aan alle regels te houden, word je een goede moslim. Salafisme is een handleiding voor het leven. Als je op het internet begint te zoeken, leiden de achterliggende algoritmes je op basis van je zoekgeschiedenis en surfgedrag verder in één welbepaalde richting. Zo werd Ishaq als vanzelf de salafistische tunnel ingezogen, richting jihadisme.

“In Noorwegen bestaat er een organisatie die Islam Net heet. Zij organiseren elk jaar een conferentie en focussen zich op studenten. Officieel zijn ze niet salafistisch, in de praktijk wel. Ishaq raakte in 2012 gecharmeerd door hen en bezocht hun conferentie. Daar leerde hij de echte extremisten en jihadisten kennen van Profetens Ummah, onze variant van jullie Sharia4Belgium. ‘Het is onze plicht om in Syrië te gaan vechten’, vonden zij, terwijl ze door Islam Net werden tegengesproken. ‘Nee dat moeten we niet doen. We moeten helpen met gebed, geld of het inzamelen van kleding.’ Maar Ishaq raakte steeds meer in de ban van de oproep tot jihad van Profetens Ummah. De meer gematigden van islam Net vond hij huichelaars, bezorgd over hun eigen imago.”

 

Dus vertrok Ishaq in september 2013 naar Syrië om er tegen de dictator te gaan vechten. U gelooft hem wanneer hij beweert nooit lid van IS te zijn geweest?

“Hij vertrok op een moment dat IS net op het slagveld verschenen was. Het zou nog bijna een jaar duren voor ze hun kalifaat uitriepen, toen was Ishaq al terug thuis met een kogel in zijn been. Een van zijn opties was aansluiten bij Jabhat al-Nusra, de jihadisten van Al-Qaida, of bij het door Tsjetsjenen gedomineerde JMA, Jaish al-Muhajireen wal-Ansar. Uiteindelijk koos hij voor JMA, maar net voor hij contact met hen zocht, viel die groep uiteen. Sommige leden stapten over naar IS; andere vormden een nieuwe militie. Het was een zootje en Ishaq vertelde me dat hij niet meer wist bij wie hij terecht kon. Misschien heeft hij me over zijn periode in Syrië niet de hele waarheid verteld, al ben ik toch geneigd hem te geloven als hij zegt dat hij nooit bij IS gevochten heeft. Uiteindelijk kwam hij bij een groep terecht die niet op een terreurlijst stond, maar in werkelijkheid wel onder de vleugels van Al-Qaida opereerde. Hij wou vechten tegen de dictator Assad, dat was zijn hoofdmotivatie. Al valt niet te ontkennen dat het idee van een Islamitische staat in Syrië en Irak toen al furore maakte en dat hij daarin sterk geïnteresseerd was.”

 

De reis van Ishaq met zijn Tsjetsjeense kompaan in een bestelauto van Noorwegen via Turkije naar Syrië lijkt op een vaudeville. Er waren ontzettend veel momenten onderweg waarop iemand hen had kunnen tegenhouden, maar iedereen kneep een oog dicht.

“Veel mensen denken dat de geheime uittocht van de Syriëstrijders met militaire precisie voorbereid werd, maar niets is minder waar. Het waren gewoon een stel jongens die op een waanzinnige roadtrip vertrokken. Ze wisten niet precies hoe ze moesten rijden, en verzonnen onderweg de meest idiote smoezen. Toen Ishaq afreisde, waren de politiediensten van verschillende landen bijlange nog niet zo alert als nu voor het fenomeen van de foreign fighters. Vermoedelijk waren er ook mensen die dachten: ‘Laat ze maar sneuvelen in Syrië. Dan is dat probleem opgelost.’

“Hij zegt dat hijzelf geen mensen gedood heeft en ik geloof hem. Hij hield de wacht en haalde aan het front de gewonden op en verzorgde ze.”

 

Het merkwaardige is dat alle teruggekeerde Syriëstrijders hetzelfde verhaal vertellen: ze waren allemaal ziekenbroeder.

“U hebt gelijk. Of we zijn verhaal aan het front dan moeten geloven of niet? Misschien wel, al zegt mijn intuïtie eerder van niet.”

 

Doordat hij gewond raakte, overleefde hij zijn Syrië-avontuur.

“Het was net als in de Eerste Wereldoorlog: degenen die een kogel in het been kregen, waren toen ook de gelukkigen. Zij mochten naar huis en overleefden. In een verslag uit die tijd las ik dat soldaten weenden van vreugde toen ze in hun been geraakt werden. Ishaq weende niet van vreugde, want door zijn kogelwonde miste hij als martelaar zijn afspraak met het paradijs.”

 

Het is toch onbegrijpelijk dat een jongen van 22 zo graag dood wil?

“Ik denk niet dat hij dood wou, maar eerder dat hij niet wou leven. Veel jonge mensen van begin twintig hebben het moeilijk met het leven, omdat het in hun ogen zinloos lijkt. Ze plegen geen zelfmoord, maar zien ook weinig toekomst. Dat is de enige manier waarop ik de keuze van jonge Syriëstrijders voor het martelaarschap kan begrijpen. Het jihadisme weet die staat van zijn van jonge mensen op een krachtige manier te exploiteren. Hij geeft het niet graag toe, maar in de gesprekken die ik met Ishaq voerde, bespeurde ik af en toe toch twijfel over de echtheid van dat martelaarschap. Een vriend van hem vertelde in zijn rechtszaak hoe hij zijn steun aan IS opgaf toen hij op een keer merkte dat lijken van IS-strijders aan het ontbinden waren en uren in de wind stonken.”

 

Terwijl de mythe van het martelaarschap net wil dat de lijken van martelaars naar musk ruiken?

“Precies. Op het moment dat die geur van verrotting in de neus van die jongen binnendrong, besefte hij dat het door IS voorgespiegelde martelaarschap bullshit is. Ishaq zelf vertelde me dat hij aan gesneuvelde vrienden gesnuffeld had. ‘Ze roken lekker’, beweerde hij.”

 

Gelooft hij nog in de jihad?

“Hij blijft de strijd tegen Assad vanuit religieus oogpunt gerechtvaardigd vinden. Dus ja, eigenlijk is hij nog steeds een jihadist. Maar IS steunt hij niet meer. Hij heeft nooit problemen gehad met de manier waarop het kalifaat functioneerde, of met de sharia. Ik heb hem gevraagd wat hij van de executies van homo’s vond, en hij antwoordde: ‘Ik weet niet wat Allah wil. Thuis mag je homo zijn, maar toon het dan niet op straat.’

“Hij zal nog minstens drie jaar in de gevangenis moeten doorbrengen en studeert automechanica. Hij verlangt naar een eenvoudig leven en hoopt dat zijn moeder hem zal helpen een vrouw voor hem te vinden.”

 

Ishaqs vader Hassan Ahmed werd in augustus 2016 in een Noorse rechtbank veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf. Een half jaar nadat zijn zoon uit Syrië teruggekeerd was, maakte hij de omgekeerde beweging en sloot zich aan bij IS. In uw boek wordt daar met geen woord over gerept en verdwijnt Ishaqs ‘afwezige vader met een crimineel verleden’ al snel spoorloos uit beeld.

“Hassan Ahmed had lang totaal geen interesse in de islam. Hij heeft een gangsterverleden en zat in de bak toen Ishaq nog klein was. Hij maakte zich grote zorgen over de radicalisering van zijn zoon en was woest op de islamisten die Ishaq inspireerden om naar Syrië te gaan. Het kwam als een totale verrassing toen hij in de zomer van 2014 zelf naar het kalifaat afreisde.

“Ik mocht van Ishaq niet over Hassans reis naar Syrië schrijven. Hij was ontzettend bang dat hij zijn vader en de rest van zijn familie daardoor nog meer in de shit zou brengen. Hij had niet echt ongelijk, want de kans bestond dat stukken uit het boek later op het proces van de vader gebruikt zouden worden. Mijn roman is trouwens ook als bewijsmateriaal opgevoerd in een zaak van een vriend van Ishaq. Toch vond ik het zonde om die fascinerende link tussen vader en zoon zomaar te moeten laten liggen. Maar telkens ik erover begon, werd Ishaq bleek van angst. Hij sloeg dan helemaal dicht. Op een bepaald moment wou hij me zelfs niet meer zien en overwoog hij om te kappen met het boek. Tot ik hem na een paar weken van absolute stilte dan maar zelf voorstelde om zijn vader helemaal weg te schrijven. Zo kon ik het boek redden.”

 

Is Ishaq een vriend geworden?

“Ja. Ik geloof niet dat hij me ziet als een vuile kafir of ongelovige, want dan was dit boek er nooit gekomen. Als ik een journalist geweest was, had ik een kritische afstand gehouden. Maar ik ben een literaire schrijver die de kritische nabijheid opzoekt. Ik ben veel kritischer tegen mijn vrienden dan tegen mensen die ik niet zo goed ken. Ik heb hem in al die uren die we samenzaten, meermaals gevraagd: ‘Waarom vertrok je naar Syrië?’ In het begin antwoordde hij: ‘Om tegen Assad te vechten.’ Op het einde zei hij: ‘Omdat ik wou sterven.’”

 

Demian Vitanza, In dit leven of het volgende, Manteau, 320 p., 21,99 euro

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

“Met liefde alleen redden ze het niet”

Adoptie kan een kind ernstige trauma’s opleveren, zeker als die adoptie het gevolg is van fraude. Professor Nicole Vliegen behandelt al jaren adoptiekinderen met traumatische ervaringen. “Kinderen met een moeilijke achtergrond die zo goed als geen aandacht vragen, zijn even zorgwekkend als kinderen met ernstige gedragsproblemen. Kinderen die vallen, opstaan en verder wandelen zonder te huilen. Zij hebben geleerd om geen troost of hulp meer te vragen.”

 

In ‘Wanneer adoptie zwendel wordt’ getuigde de in 1986 door Vlaamse ouders in Sri Lanka geadopteerde Suleika Van der Jeugdt hoe ze tien jaar geleden op haar rootsreis van de ene verrassing in de andere viel. Haar officiële geboorteakte stond vol fouten, haar adoptie was geregeld door een fixer die er grof geld aan verdiend had en haar geboortemoeder bleek na een dag haar echte moeder niet te zijn. Die echte moeder vond Suleika uiteindelijk toch. Behalve wat kleren en schoenen had zij geen cent verdiend aan het onder dwang afstaan van haar dochter. Interlandelijke adoptie was diep in de jaren tachtig in Vlaanderen de speeltuin van advocaten, idealisten, sjoemelaars en al dan niet goed menende hobbyisten. Dat blijkt ook uit de reeks Adoptie zonder Grenzen die eerder deze maand in Humo liep. “Interlandelijke adoptie is ingewikkelde materie”, zegt professor Nicole Vliegen, hoofddocent klinische psychologie aan de KU Leuven. “Hoe een kind opgroeit, hangt in grote mate af van hoe een kind in het land van herkomst verzorgd werd en hoe het hier opgevangen werd. Het moet zeker schrikken zijn als je ontdekt dat je adoptie indertijd niet al te koosjer verlopen is. De eerste levensperiode is ontzettend belangrijk. Hoe slechter je ervaringen in die eerste fase, hoe groter het risico dat je later minder weerbaar zal zijn.”

Samen met haar collega Patrick Luyten leidt Nicole Vliegen de Leuvense Adoptiestudie (LAS), de tien jaar geleden opgestarte eerste langlopende studie naar de ontwikkeling van adoptiekinderen in Vlaanderen. In het universitaire praktijkcentrum PraxisP in het hart van Leuven behandelt ze samen met twaalf gespecialiseerde therapeuten kinderen die worstelen met onder andere ontwikkelings- of gedragsproblemen. “Wij werken veel met adoptie- en pleegkinderen”, zegt ze. “In de loop der jaren hebben we de reputatie opgebouwd dat we met die jongens en meisjes iets kunnen bereiken.” In oktober publiceert ze samen met Eileen Tang en Patrick Meurs het boek ‘Van kwetsuur naar litteken, hulpverlening aan kinderen met een complex trauma’. Op 20 en 21 oktober vindt rond hetzelfde thema in Leuven een congres plaats.

 

De eerste levensperiode is ontzettend belangrijk, zegt u. Suleika Van der Jeugdt was dertien dagen oud op het moment van haar adoptie. Heel veel kan er in die korte periode toch niet misgelopen zijn?

Nicole Vliegen: “Geadopteerd worden op de leeftijd van dertien dagen, is een behoorlijk goede omstandigheid. Wat niet wil zeggen dat dat helemaal niets is. Adoptie is er ooit gekomen om kinderen die in moeilijke omstandigheden geboren zijn, toch een goed nest te bezorgen. Het moet hard aankomen om als volwassene te ontdekken dat er fraude rond je adoptie hing.”

 

In de jaren tachtig werd er heel wat gefraudeerd bij interlandelijke adoptie, en niet alleen in Sri Lanka.

“Het internationale Adoptieverdrag van Den Haag dat kinderen en hun families tegen de risico’s van illegale adopties naar het buitenland beschermt, dateert van 1993. Dat verdrag vormt een breekpunt met het tijdperk van de minder goed geregelde adopties dat eraan voorafging. In de tachtiger jaren verliepen adopties snel; na het Haags Adoptieverdrag moeten adoptieouders vaak lang wachten omdat er eerst een gedegen onderzoek gevoerd wordt. Dat wachten duurt zelfs zo lang dat sommigen zich luidop afvragen: ‘Waarom mogen kinderen in nood niet sneller gered worden?’ Maar het Haags verdrag is er net gekomen om kwaadaardige praktijken als kinderhandel en adoptiezwendel de wereld uit te helpen. Landen die het verdrag ondertekend hebben, moeten eerst onderzoeken of er in het land van herkomst een oplossing voor het kind voorhanden is. Er moet ook nagegaan worden of de adoptie niet plaatsvindt tegen de wil van de biologische ouders in. In de jaren tachtig werd wellicht niet altijd gezien dat er vaak druk uitgeoefend werd op moeders: ‘Je kind zal in het Westen een veel betere toekomst hebben dan hier.’ Het Adoptieverdrag van Den Haag is een zeer goede zaak en beschermt ook adoptieouders. Want nu kunnen ze een kind in nood een veilige plek geven, zonder ongewild en onbewust mee te werken aan een vorm van mensenhandel.”

 

De kinderen die hier bij u over de vloer komen, worstelen met hun adoptie?

“De overgrote meerderheid waarmee wij werken, worstelt daar inderdaad mee. Sommige adoptiekinderen brachten hun eerste levensmaanden in slechte omstandigheden door, waardoor ze van bij de start ernstig getraumatiseerd raakten. Soms heeft een kind echt honger gekend, of kreeg het te weinig aandacht. Of bleken kinderen bij aankomst veel ouder te zijn dan eerst werd aangenomen. Zij beseften heel goed wat er aan het gebeuren was op het moment dat ze voor adoptie werden afgestaan, maar hun entourage had dat niet in de gaten. Een adoptiekind heeft veel meer onaangename ervaringen in zijn mandje liggen dan een biologisch kind. Natuurlijk kan een biologisch kind òòk anders starten aan zijn ontwikkeling door bijvoorbeeld een genetische aandoening of zuurstoftekort bij de geboorte, maar het risico is kleiner. Elke ouder die een kind krijgt, verwacht dat het gezond zal zijn. Als dat niet zo is, doorprikt dat je verwachtingspatroon. Je verwacht ook dat je biologische kind iets van jezelf zal hebben, liefst een paar van je goede eigenschappen. (lacht) Bij adoptie is dat helemaal niet zo.”

 

Je weet niet waar je kind vandaan komt, of wat er gebeurd is bij de geboorte?

“Je hebt geen genetische informatie. Misschien was een van de ouders mentaal beperkt of had de moeder een alcoholprobleem waardoor haar baby moest afkicken na de geboorte. Die dingen bepalen mee de ontwikkeling van een kind. Wij krijgen de meest gekwetste kinderen in onze praktijk, waardoor mijn beeld zeker gekleurd is. Natuurlijk hebben niet alle kinderen problemen. Er is ook een groot verschil met vroeger: adoptie- en pleegouders zijn nu goed voorbereid waardoor ze zich meer bewust zijn van mogelijke ontwikkelingsproblemen.”

 

Misschien meer dan biologische ouders?

“Misschien wel, ja. Het Adoptieverdrag van Den Haag zorgde bij ons ook voor verstrengde wetgeving rond adoptie. De vereisten waaraan adoptieouders moeten voldoen, liggen nu vrij hoog. Ouders worden op voorhand geëvalueerd en goed voorbereid. Vroeger waren potentiële adoptieouders er zich niet van bewust dat hun kind misschien wel een rugzak vol moeilijke bagage met zich meedroeg; ze verwachtten dat het in de eerste plaats behoefte had aan een warme plek om te wonen. Er was veel minder kennis over wat er al in het rugzakje van adoptiekinderen zat. Vandaag weten ouders dat wel. Ze zijn alerter en zullen ook sneller op consultatie komen als ze signalen opvangen dat de ontwikkeling anders verloopt.

“Een van de moeilijkste aspecten van onze hulpverlening is dat alle kinderen hun adoptie op een verschillende manier ervaren. Er zijn geen wetmatigheden. We kunnen gedrag uit het heden wel begrijpen vanuit vroegere ervaringen, maar we kunnen nooit voorspellen hoe het actuele gedrag verder zal evolueren. We helpen ouders het gedrag van hun kind interpreteren: welke signalen wijzen op een gezonde ontwikkeling? Hoe zien we dat er iets fout loopt? Wat is er nodig om een verstoorde ontwikkeling terug op het juiste spoor te krijgen?”

 

Adoptie- en pleegouders worden gescreend en voorbereid; biologische ouders niet.

“Een Duitse collega zegt soms: ‘Als je een hond wil, moet je naar de hondenschool. Als je een baby wil, vraagt niemand je of je weet hoe je met dat kind moet omgaan.’ Adoptie- en pleegouders zijn inderdaad beter voorbereid op dat nieuwe kind in huis. Pleegouders worden nadien verder begeleid en gecoacht, adoptieouders niet. Van zodra het adoptiekind er is, volgt er wel nog een nazorggesprek, maar daarna valt de omkadering weg.”

 

Zou het kunnen dat mensen met een kinderwens vaak niet goed inschatten wat hen te wachten staat?

“Zeker. Niet iedereen denkt daar even hard over na. Of er dan een soort van cursus zou moeten komen voor toekomstige ouders? Misschien is het belangrijker dat er plekken bestaan waar ouders terecht kunnen, zoals de ‘Huizen van het Kind’. Ouders durven nu wel sneller dan vroeger aangeven dat de opvoeding van hun kind niet van een leien dakje loopt. Maar er is nog werk aan de winkel. Te veel mensen blijven er jammer genoeg van overtuigd dat problemen met hun kinderen binnenshuis gehouden moeten worden.”

 

Waaruit bestaat de screening van adoptieouders?

“Ze worden onder andere gescreend op hun ‘reflectief vermogen’: of ze in staat zijn om te kunnen blijven nadenken over de redenen waarom een kind bepaald gedrag stelt. ‘Waarom doet mijn kind zoiets? Wat is het achterliggende motief? Hoe kunnen we ons kind helpen zodat het dat soort van gedrag kan loslaten en nieuw gedrag zal durven uitproberen?’ Dat is totaal anders dan de klassieke actie-reactie: ‘Je misdraagt je en daarom straf ik je’, want zo beland je in een systeem van straffen en belonen en dat is bij de meeste kwetsbare adoptiekinderen niet altijd even verstandig. Onderzoek heeft aangetoond dat kinderen met een trauma-rugzakje minder gevoelig zijn voor straffen en belonen. Een woede-uitbarsting bij een adoptiekind kan een uiting zijn van angst: ‘Als iemand achter mijn rug zijn handen op mijn schouders legt, interpreteer ik dat als gevaar en dan sla ik erop.’ Het is dan veel zinvoller om met dat kind op zoek te gaan naar wat er precies gebeurd is. ‘Hoe kunnen we die uitbarsting begrijpen? Hoe zorgen we ervoor dat je de volgende keer niet meer begint te slaan, maar anders reageert?’ Van adoptieouders wordt dus eigenlijk zeer veel gevraagd.”

 

Bij een gezin met adoptiekinderen uit mijn omgeving zag ik dat die ouders op een bepaald moment stevige verwijten van een van hun kinderen moesten incasseren.

“Wanneer kinderen in hun leven ooit op traumatische wijze gekwetst werden, zoeken ze een kapstok voor hun kwetsuren. Vaak krijgen dan de mensen die bij hen blijven de volle laag. Degenen die hen diep gekwetst hebben, zijn er niet meer. Het kan dus een goed teken zijn als je kind zijn boosheid op je richt, maar makkelijk is dat niet. Het wijst er wel op dat je kind zich veilig genoeg voelt om te tonen hoe boos het is, al maken dat soort van woede-uitbarstingen het gezinsleven soms complex en zwaar.

“Het is niet leuk om als ouder te moeten horen: ‘Je zorgt niet goed voor mij’, of als er ook nog een biologisch kind is: ‘Je houdt meer van hem dan van mij.’ Adoptiekinderen gaan soms tegen de leerkracht op school vertellen: ‘Ik krijg van mijn ouders geen woordenboek.’ Of ze zeggen als ze op schoolreis zijn tegen de juf of de meester: ‘Ik heb nog nooit een speeltuin gezien.’ Op het eerstvolgende oudercontact krijgen ouders dan te horen: ‘Jullie kind krijgt dit niet en mag dat niet.’ Waarna die ouders verbaasd reageren: ‘Maar hij mag dat wel.’ Op zo’n momenten is het goed dat je weet dat je kind in werkelijkheid op zoek is naar kapstokken voor ervaringen uit het verleden. Tijdens de therapie hoorde ik een kind zeggen: ‘Ik krijg thuis geen kleren.’ Waarop ik repliceerde: ‘Maar wat je nu toevallig vandaag aanhebt, is heel mooi.’ ‘O ja, dat heb ik wel nog gekregen.’ (lacht) We moeten die kinderen vaak heel erg helpen nadenken over ervaringen uit hun geschiedenis die voortdurend als dia’s voor alle andere beelden schuiven, waardoor ze concluderen: ‘Ze zien die andere liever.’ Die gedachten zitten geworteld in een gevoel dat ze ooit tekort gedaan zijn.”

 

Dat gevoel van tekort gedaan zijn, dateert uit hun babytijd?

“Ja. Kinderen die op dit moment voor adoptie afgestaan worden, zijn doorgaans veel ouder dan de dertien dagen van Suleika. Twee en een half jaar geldt nu zelfs al als behoorlijk jong. Soms zijn kinderen vier jaar of ouder. Hun ervaringen van ‘tekort’ kunnen immens zijn. Elk tekort is een ‘te veel’ voor hun stresssysteem. Vroeger leefde de overtuiging dat die tekorten teniet gedaan konden worden door die kinderen veel liefde te schenken. Maar zo werkt het niet. Een van onze kinderen hier kon jaren niet gaan slapen als er geen eten op zijn nachtkastje lag. ‘Als ik wakker word, moet er eten klaarstaan, anders sla ik in paniek.’ Hij kon ook nergens heen zonder dat er een appel in zijn zak zat. Soms vertellen ouders me over hun adoptiekind: ‘In het begin schrokte hij zijn eigen bord leeg en begon daarna onder tafel de kruimels van de vloer te rapen.’ Sommige kinderen dragen dat gevoel van tekort fundamenteel in hun lijf en hun systeem mee en dat kan zeer lang hun gedrag bepalen.”

 

Hoe los je zoiets op?

“We helpen kinderen dat bij zichzelf te herkennen. Het gaat meestal niet weg. De titel van ons boek, Van kwetsuur naar litteken, is niet toevallig gekozen. De kwetsuren uit het verleden blijven littekens, gevoeligheden voor de rest van hun leven. Als je geleerd hebt om op tijd bij jezelf te voelen wanneer die oude kwetsuren weer de kop dreigen op te steken, zal het je beter lukken om te vermijden dat je in je gedrag weer helemaal door het lint zal gaan. Dan lukt het misschien ook beter om niet opnieuw je omgeving in je ontregeling mee te sleuren.

“Een jongen zei me: ‘Ik stop met school. Er is niets goeds aan.’ Toen ik vroeg wat voor vakken hij kreeg, antwoordde hij: ‘O, maar dat ene vak vind ik tof en dat andere ook.’ Hij was nieuw op die school en in zijn klas zat een jongen uit hetzelfde land van herkomst. In de refter had die jongen hem meteen een high five gegeven. Ik zei al lachend: ‘Goh, dat klinkt inderdaad als een heel slechte school. Nieuwe vrienden, toffe vakken…’ Op dat moment drong tot hem door: ‘Ai, daar ga ik weer.’ Het feit dat hij dat moment herkende, is hoopvol. Want van zodra je als kind daar vat op krijgt, kan je je eigen gedrag bijsturen.”

 

Helpt medicatie?

“Bij deze kinderen zijn geneesmiddelen zoals antidepressiva, antipsychotica of angstremmers soms nodig. Sommigen hebben het in hun leven zeer lastig en worstelen met ernstige problemen. Als pillen helpen vermijden dat je binnenwereld geregeld zo overspoeld wordt dat het lijkt alsof je gek wordt, zijn ze verantwoord. Ook als ze helpen vermijden dat je door je ontregelde gedrag vijf keer na elkaar van school gestuurd wordt. Afgezien daarvan vind ik wel dat kinderen in het algemeen te snel medicijnen slikken.”

 

Van biologische ouders wordt gezegd dat ze van bij de geboorte van hun kind onvoorwaardelijke liefde voelen. Ervaren adoptieouders hetzelfde als ze hun kind gaan ophalen?

“Heel vaak wel. Er zijn best wel wat gezinnen waar vanuit die grote onvoorwaardelijke liefde zeer lang heel moeilijke dingen gedragen worden. Soms gaat dat over zaken waarvan ik denk: in een gewoon gezin was dat kind al lang opgenomen. Veel ouders geven niet op. Als er al biologische kinderen zijn en er wordt een kind geadopteerd omdat er nog plaats in het gezin is, kan het jammer genoeg knap lastig worden. Want als het dan misgaat, krijgen ouders soms het gevoel: ‘We kunnen amper nog goede ouders zijn voor onze biologische kinderen.’ Dat knaagt dan aan die onvoorwaardelijke liefde.”

 

Zou het adoptieouders helpen als ze net als pleegouders hun ouderlijke carrière lang begeleid worden?

“Dat denk ik wel. Een adoptiekind opvoeden is anders. Geadopteerd worden zorgt altijd voor een breuk in je levensverhaal, zelfs als je op je dertiende levensdag door je adoptieouders afgehaald wordt en in een zorgzaam gezin terechtkomt.”

 

Suleika Van der Jeugdt trok op rootsreis, op zoek naar haar biologische moeder. Ze kwam bij een vrouw terecht die na een dag niet haar biologische moeder bleek te zijn. Zo’n ervaringen moeten toch zeer ingrijpend zijn?

“Zonder twijfel. Wie vanuit het buitenland geadopteerd is, weet nooit waar hij tijdens een rootsreis op zal stoten. Het is sowieso al moeilijk om onder ogen te zien dat je biologische ouders je hebben afgestaan. Al kan dat wel voor een deel gecorrigeerd worden als je in een gezin terechtgekomen bent waar ze je net heel graag wensten.

“Ik vraag me af waarom de biologische moeder zo snel uit beeld verdween. Misschien om te vermijden dat ze van adoptie zou afzien? Bij binnenlandse adoptie krijgen biologische ouders twee maanden bedenktijd. Een kind gaat dan eerst naar een pleeggezin of naar het adoptiegezin. De adoptieouders zijn er zich dan wel van bewust dat de kans bestaat dat ze het kind terug zullen moeten geven als de biologische ouders zich bedenken. Dat is heel hard, maar het geeft afstandsouders wel de kans om niet meteen na de bevalling een onomkeerbare beslissing te moeten nemen.”

 

We zien kinderen doorgaans als weerloze, onschuldige wezens. Zou het toch niet kunnen dat er af en toe ook gewoon echte ettertjes tussen zitten?

“(lacht) Ze worden soms ettertjes, want soms is de omgeving manipuleren de enige manier om voor zichzelf veiligheid te creëren. Kinderen hebben dan geleerd: ‘Als ik het zo aanpak, krijg ik mijn zin. Als ik braaf blijf zitten, heb ik niets.’ Alle kinderen worden geboren met een verschil in temperament. Er zijn hevige duiveltjes en rustige jongens en meisjes. De heftigere temperamenten lopen iets meer risico om in slechte omstandigheden uit te groeien tot moeilijke kinderen.”

 

De brave kindertjes lopen dan weer misschien het risico dat ze in hun kindertijd alles lijdzaam ondergaan en daar op latere leeftijd mentaal een prijs voor betalen.

“Dat klopt. De kinderen met een moeilijke achtergrond die het minst aandacht vragen, vind ik minstens even zorgwekkend. Een kind waarvan de ouders zeggen: ‘Hij is zo gemakkelijk.’ Kinderen die vallen en opstaan en verder wandelen zonder te huilen. Zij hebben geleerd om geen troost of hulp meer te vragen. Ze hebben elk contact met zichzelf verloren, weten niet meer wat ze interessant vinden en zijn daardoor soms extra vatbaar voor depressie. Als je niet als baby of peuter geleerd hebt om te tonen wat je nodig hebt, zal je in de lagere school bijvoorbeeld niet zo makkelijk gepassioneerd raken door hobby’s. Ze beginnen aan hun puberteit zonder te weten wat ze willen en raken afgesloten van hun eigen gevoelswereld. Die kinderen zullen niet zo snel vanwege wangedrag op school worden buiten gegooid omdat ze onder de radar blijven.”

 

(c) Jan Stevens

Wanneer adoptie zwendel wordt

Het Nederlandse onderzoeksprogramma Zembla bracht twee weken geleden een ophefmakende reportage over adoptiefraude vanuit Sri Lanka naar Nederland. Boosdoener was het in 2010 ter ziele gegane adoptiebureau Stichting FLASH. De Sri Lankaanse minister van Volksgezondheid bevestigde in de reportage het bestaan van babyfarms, kweekboerderijen voor adoptiekinderen. Een van de Sri Lankaanse contactpersonen van Stichting FLASH bemiddelde ook voor het Vlaamse adoptiebureau Ray of Hope en organiseert rootsreizen voor hen. “De alarmbellen hadden bij Ray of Hope al veel eerder moeten afgaan.”

 

In mei onthulde het onderzoeksprogramma Zembla op de Nederlandse openbare omroep een grootschalige adoptiefraude: van de duizenden baby’s die in de jaren tachtig vanuit Sri Lanka naar Nederland werden geadopteerd, bleek 70 % van de papieren vervalst te zijn. Grote spin in het fraudeweb was het in 2010 ter ziele gegane adoptiebureau Stichting FLASH. Hun plaatselijke contactpersonen hadden handenvol geld verdiend met de handel in kinderen. Over de redenen voor adoptie logen ze schaamteloos, de afstandsmoeders bleken niet de echte biologische moeders te zijn en geboortedata waren gewijzigd. Twee weken geleden zond Zembla het vervolg ‘Adoptiefraude 2’ uit, waarin journalisten Erwin Otten en Norbert Reintjens op onderzoek trokken naar Sri Lanka. In een ziekenhuis in de zuidwestelijke stad Matugama hoorden ze van verpleegkundigen dat er in de jaren tachtig pasgeboren kinderen verkocht werden voor adoptie. Een moeder wier baby volgens de artsen kort na de geboorte was overleden, vertelde hen dat een familielid had gezien hoe een dokter het kindje levend het ziekenhuis uitdroeg. Pasgeborenen werden bij hun moeders weg geroofd of voor een habbekrats gekocht en door valse afstandsmoeders of ‘acting mothers’ afgestaan voor adoptie. Een voormalige acting mother verklaarde dat ze voor haar diensten als nepafstandsmoeder door het ziekenhuis beloond werd met 2000 roepi (10 euro). De Sri Lankaanse minister van Volksgezondheid Rajitha Senaratne gaf voor de Zembla-camera voor het eerst het bestaan toe van babyfarms, plaatsen waar baby’s voor adoptie ‘gekweekt’ werden. Hij beloofde een diepgaand onderzoek en de oprichting van een bureau waar ouders en kinderen hun DNA kunnen laten testen. “Zo kunnen we makkelijk vaststellen of de moeder echt of nep is.”

Hardnekkige geruchten over babyfarms in Sri Lanka doen al sinds de jaren tachtig de ronde, maar werden door de overheid altijd staalhard ontkend. Een politie-inval in zo’n farm in de Sri Lankaanse hoofdstad Colombo eind januari 1987 zorgde er volgens minister Senaratne voor dat adoptie door buitenlanders tijdelijk verboden werd. De politie trof toen op een ommuurd domein 20 zuigelingen en 22 vrouwen aan. De vrouwen hadden hun baby’s voor een peulschil verkocht en werden door een kinderhandelaar in gevangenschap gehouden tot de adopties geregeld waren. De Zembla-reportage bracht ook aan het licht dat de adoptiefraude georganiseerd werd door een kleine groep van advocaten, dokters, verpleegkundigen en ambtenaren van de Sri Lankaanse kinderbescherming. Ze werkten nauw samen met Westerse adoptiebureaus en verdienden zo handenvol geld.

“In totaal gaat het om 11.000 kinderen die in de jaren tachtig door westerse koppels geadopteerd zijn”, zegt Zembla-onderzoeksjournalist Norbert Reintjens. “Daarvan kwamen er ongeveer 4000 in Nederland terecht. De rest ging naar Groot-Brittannië, Zweden en Duitsland.” Niet naar België? “Toch wel, alleen hebben wij daar geen cijfers over. Wij concentreerden ons tijdens ons onderzoek in de eerste plaats op Nederland. Al stootten we wel een paar keer op het Belgische adoptiebureau Ray of Hope.”

 

Touroperator

Ray of Hope (RoH) is een van de drie door de Vlaamse overheid erkende diensten voor buitenlandse adoptie. Als enige bureau regelde het tussen 1997 en 2011 adopties uit Sri Lanka, in totaal gaat het om 49 kinderen. Topjaren waren 2002 en 2003, toen RoH telkens 7 Sri Lankaanse kinderen liet adopteren. “De afgelopen vijf jaar waren er geen adopties uit Sri Lanka meer”, zegt coördinator Erika Van Beek. “Maar we hebben daar wel nog een contactpersoon voor eventuele nazorg of vragen over rootsreizen. De Sri Lankaanse overheid heeft zelf de procedure voor adoptie beëindigd omdat er voldoende mogelijkheden waren voor inlandse adoptie. De adopties die in Zembla ter sprake komen, dateren van voor de jaren negentig, toen RoH nog niet actief was. Wij zijn pas vanuit Sri Lanka beginnen adopteren van zodra in 1991 alles via de overheid verliep. Dat is toch compleet anders dan wat er in de jaren tachtig in Nederland gebeurde; toen verliep alles via advocaten. Babyfarms dateren ook van voor 1991. Die bestaan nu niet meer. Eind 2001 ondertekende Sri Lanka het internationale Adoptieverdrag van Den Haag en sindsdien werken ze helemaal volgens de regels.”

Over adoptiefraude of kinderhandel vanuit Sri Lanka weet Erika Van Beek naar eigen zeggen niets. Al schrok ze wel toen ze in mei de eerste Zembla-reportage over de grootschalige adoptiezwendel naar Nederland zag. “Ik belde toen onze contactpersoon in Sri Lanka; ik wou weten of er risico bestond voor onze adopties. Hij verzekerde me dat alles oké was.”

De contactpersoon van Ray of Hope in Sri Lanka is Sunil Wijewardena. “Hij is touroperator”, zegt Erika Van Beek. “Hij begeleidt mensen op rootsreizen en was onze tussenpersoon bij de adopties. De overheid wees kindjes toe en hij begeleidde de adoptieouders als ze ter plaatse kwamen. Hij haalde ze op in het hotel, reed met hen naar het weeshuis en hielp de papieren in orde brengen.”

De adopties regelde RoH rechtstreeks met de Sri Lankaanse overheid? Erika Van Beek: “Sunil ging daarvoor langs bij de overheid; de papieren die hij kreeg waren officieel.”

Sunil Wijewardena en zijn broer Gamini werkten al van in de jaren tachtig voor de in opspraak gekomen Nederlandse Stichting FLASH. “In de aflevering van Adoptiefraude uit mei van dit jaar zit een stukje van een oude reportage uit de actualiteitenrubriek Tros Aktua die uitgezonden werd op 4 januari 1983”, zegt Norbert Reintjens. “In de oorspronkelijke Tros Aktua-reportage zie je de nog jonge Sunil samen met zijn broer Gamini aan het werk voor FLASH. Wij wilden de gebroeders in Sri Lanka voor de tweede aflevering van Adoptiefraude opzoeken, maar ze gaven niet thuis. De namen van Sunil en Gamini komen vaak voor in adoptiedossiers die wij hebben gezien. Ze zijn allebei al lang betrokken bij adopties. Sunil richtte samen met de Nederlander Erik Kuiken de nog maar onlangs opgedoekte Stichting Santhosa op die rootsreizen organiseerde naar Sri Lanka. Kuiken was van 2004 tot 2009 voorzitter van Stichting FLASH.”

De alarmbellen hadden al veel eerder bij Ray of Hope moeten afgaan? Norbert Reintjens: “Zonder twijfel.”

“Sunil heeft voor de stichting Santhosa mensen op rootsreis begeleid”, bevestigt Erika Van Beek. “Maar ik weet niet of hij ooit voor Stichting FLASH gewerkt heeft.”

Sunil Wijewardena is volgens de man aan de andere kant van de lijn in Sri Lanka niet thuis. “Over Stichting FLASH of Ray of Hope weet ik niet veel, Sir. Ik vraag Sunil om u terug te bellen.” Wanneer is hij te bereiken? “Hij is een tijdje weg, Sir, maar ik beloof u: ooit belt hij u terug.”

De vzw Ray of Hope werd in 1994 als Children’s Welfare Adoption opgericht. In juli 2003 schreef het magazine Knack dat RoH van in het begin de ene negatieve evaluatie na de andere opstapelde. Na een reportage op Telefacts over door RoH geregelde adopties in Vietnam, verloor de organisatie in december 2002 haar erkenning. RoH trok naar de Raad van State en kreeg in maart 2004 gelijk. “Dat dateert van ver voor mijn tijd”, zegt Katrien Schryvers, sinds 2014 voorzitter van de raad van bestuur van Ray of Hope. Schryvers is daarnaast ook Vlaams parlementslid voor CD&V en ondervoorzitter van de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. “De betrouwbaarheid van plaatselijke contactpersonen is essentieel als het over adoptie gaat”, zegt ze. “Voor een adoptiebureau is het lastig om daar van hieruit 100 procent zekerheid over te krijgen. Buitenlandse Zaken zou daarom ook initiatief voor die screening moeten nemen. Ik heb dat onlangs voorgesteld aan het parlement. Ik zal nu aan de andere leden van de raad van bestuur vragen om een onderzoek in te stellen naar de contactpersoon in Sri Lanka, want het kan niet dat hij nog rootsreizen voor adoptiekinderen organiseert als er twijfel bestaat over zijn integriteit.”

 

Babyboerderij

Volgens de Zweedse antropoloog met Sri Lankaanse roots Daniel Cidrelius werden er tussen 1964 en 1994 welgeteld 281 kinderen door Belgen geadopteerd. Dat cijfer kreeg hij in 2013 van het Sri Lankaanse ‘Department of Probation and Child Care Services’. In maart 1982 verscheen in het Britse tijdschrift New Internationalist een van de eerste artikels over babyfarms in Sri Lanka. Volgens de Sri Lankaanse auteur T.B. Peramunetilleke waren van de 642 baby’s die een jaar eerder door buitenlanders geadopteerd waren, slechts negen adopties op een koosjere manier verlopen. “Adoptieouders betalen 5000 dollar voor hun baby, waarvan de moeder 50 dollar overhoudt. De rest gaat naar de ‘bemiddelaars’, professionals met uitstekende connecties met buitenlanders, waarvan sommigen moeders inhuren voor de productie van baby’s.” Peramunetilleke wees met een beschuldigende vinger naar verplegers en dokters in ziekenhuizen: “Zij spelen go-between tussen de kopers en de moeders.” Hij somde ook de landen op die ‘gekweekte’ baby’s aankochten: “Zweden, Nederland, Noorwegen, Italië, de VS, Canada en België.”

Suleika Van der Jeugdt werd eind 1986 als baby uit Sri Lanka geadopteerd door Vlaamse ouders. Tien jaar geleden reisde ze terug naar haar geboorteland, op zoek naar haar biologische mama. “Mijn officiële geboorteakte bevatte foute informatie”, zegt ze. “Sommige dingen waren slecht in het Engels vertaald, maar er stonden ook feiten op die gewoon niet klopten, zoals de naam van mijn biologische mama.”

In Sri Lanka klopte Suleika eerst bij de overheid aan voor hulp om haar moeder te vinden. “Dat draaide op niets uit. Dus reisde ik door naar de regio waar ik volgens mijn geboorteakte vandaan kwam. Ik sprak er lokale mensen waarvan ik hoopte dat ze zich nog iets konden herinneren van de jaren tachtig. Ik ging eerst langs in het kleine ziekenhuis van Kiriella, een klein dorp in de jungle.” Kiriella ligt 45 km. ten noorden van Matugama, de stad waar Zembla getuigenissen over adoptiefraude verzamelde. “De directie verwees me door naar een man die in de jaren tachtig de adopties regelde. Ik zocht hem op in zijn huis diep in de jungle. Hij beweerde dat hij mijn biologische moeder niet kende en dat hij niets over adopties wist. Na veel omwegen ontmoette ik eindelijk een vrouw van wie ik dacht dat zij mijn mama was. Dat was een emotioneel ‘weerzien’, maar na een dag samen, was het voor mij duidelijk dat zij mijn biologische moeder niet kòn zijn.”

Geloofde die vrouw eerst echt dat Suleika haar dochter was, of speelde ze toneel? Suleika Van der Jeugdt: “Ze had een kind afgestaan in dezelfde periode. Ik keerde terug naar het ziekenhuis, waar ze me opnieuw naar de man diep in de jungle verwezen. Ook andere contacten verzekerden me dat hij degene was die adopties geregeld had. Ik zocht hem een tweede keer op en uiteindelijk gaf hij dik tegen zijn zin toe dat hij indertijd de fixer was.” De naam van de man mag niet in de krant. “Alle Sri Lankanen weten dat adoptie in de jaren tachtig een louche affaire was. Het zijn trotse mensen die het verschrikkelijk vinden dat moeders hun kinderen moesten afstaan. Die man verdiende grof geld met adoptie en wil nu anoniem blijven, omdat hij bang is dat families wraak op hem zullen nemen. Mijn adoptie was indertijd geregeld door het bureau National and International Adoption Organisation (NIAO). Dat verliep niet al te vlot. Mijn adoptieouders werden eind november 1986 door NIAO verwittigd dat er een boorling op hen lag te wachten in Sri Lanka. Ze vertrokken spoorslags en bij aankomst kregen ze een kind van twee jaar en een half aangeboden. Mijn mama schrok en protesteerde, waarna ze op zoek gingen naar een boorling. Dat was ik dus; ik was maar dertien dagen oud. Tijdens haar zwangerschap woonde mijn biologische mama bij het gezin van de man in de jungle. Daar is ze ver van haar familie bevallen. Een paar dagen later werd haar gevraagd of ze mij wou afstaan. Zij heeft daar geen cent voor gekregen; alles verdween in de zakken van de adoptiefixer. Mijn adoptiemama heeft mijn biologische mama op het moment van mijn overdracht ontmoet en haar kleren en schoenen gegeven. Via de fixer heb ook ik haar uiteindelijk gezien. Ze spreekt geen Engels, waardoor het nu moeilijk is om van op afstand contact te blijven onderhouden.”

Suleika Van der Jeugdt is een van de weinige adoptiekinderen uit de jaren tachtig met Sri Lankaanse roots die op zoek ging naar haar afstandsmoeder. “Voor wie via een weeshuis geadopteerd is, is het sowieso een onmogelijke opdracht, want veel officiële documenten zijn verdwenen of nooit ingevuld. Op mijn geboorteakte stond dan wel een foute naam van mijn biologische mama; ik had tenminste toch iets als aanknopingspunt.”

Het adoptiebureau National and International Adoption Organization was opgericht in september 1983 en gevestigd aan de Kortrijksesteenweg in Gent. Suleika Van der Jeugdt: “Het is een tijd na mijn adoptie in duistere omstandigheden verdwenen.” Volgens het boekje ‘Adoptie, een praktische handleiding’ van uitgeverij Die Keure uit 1990 was NIAO gespecialiseerd in adopties uit Guatemala, Haïti, India, Columbia, Brazilië, Costa Rica, El Salvador, Nicaragua en Sri Lanka. De te adopteren kinderen zouden allemaal uit weeshuizen stammen en hun leeftijd zou variëren van 7 maanden tot 10 jaar. Een adoptiedossier opstarten, kostte 45.000 frank (1.115 euro). Adoptieouders die ‘niet geselecteerd’ werden, waren dat geld sowieso kwijt. Aan een Sri Lankaans adoptiekind hing een bijkomend prijskaartje van 250.0000 frank (6.200 euro) met daarnaast alle bijkomende kosten voor ‘onderzoeken’ en ‘reis en procedure herkomstland’. Het gsm-nummer van de vroegere directrice van NIAO is afgesloten; verzoeken via mail voor meer informatie blijven onbeantwoord.

 

(c) Jan Stevens

Speeddaten met genieën op leeftijd

Sinds 1951 organiseert de Council for the Lindau Nobel Laureate Meetings jaarlijks in het Zuid-Duitse stadje Lindau een discrete ontmoeting tussen Nobelprijswinnaars en een select gezelschap van jonge wetenschappers van overal ter wereld. Er hangt een parfum van exclusiviteit rond de Lindau-meetings: voor ambitieuze jonge wetenschappers zou Lindau het equivalent zijn van wat Davos voor regeringsleiders, ondernemers en bankiers is. 

DSC02541

Zondagnamiddag in Lindau, een stadje op een eiland in het Bodenmeer waar Adolf Hitler van 1933 tot 2005 ereburger was. De zon schijnt uitbundig op de hoofden van de zwaarbewapende politieagenten voor de ingang van het Stadttheater. Hoog boven het stadscentrum cirkelt een helikopter. Binnen een paar minuten begint de openingsceremonie van de 67e Lindau Nobel Laureate Meeting in het bijzijn van Johanna Wanka, de Duitse minister van Onderwijs. Zij zal er 28 Nobelprijswinnaars en 420 jonge briljante wetenschappers van over de hele wereld verwelkomen die een week lang, van maandag 26 juni tot en met vrijdag 30 juni, met elkaar zullen ‘verbroederen’ op het ‘Davos van de wetenschap’. In de praktijk komt het erop neer dat de jonge wetenschappers elke voormiddag in het Stadttheater naar lezingen van de Nobelprijswinnaars zullen luisteren om in de namiddag op andere plekken in de stad met hen in dialoog te treden.

“De strenge politiebewaking is een gevolg van de terreurdreiging”, zegt Rebecca Henrichs, communicatiemedewerkster van de organiserende Council for the Lindau Nobel Laureate Meetings. “De overheid wil geen enkel risico nemen, zeker niet wanneer een minister en al die Nobelprijswinnaars en jonge knappe koppen zich samen in één ruimte bevinden.”

DSC02546De Lindau Nobel Laureate Meeting werd voor het eerst georganiseerd in 1951 door de lokale artsen Franz Karl Hein en Gustav Wilhelm Parade. Rebecca Henrichs: “Ze wilden na Wereldoorlog II de wetenschappelijke dialoog tussen Duitsland en de rest van de wereld herstellen. Ze hadden daarvoor geld nodig en klopten aan bij graaf Lennart Bernadotte af Wisborg, de kleinzoon van de Zweedse koning Gustaaf V en eigenaar van het naburige eiland Mainau. Dankzij zijn Zweedse roots had graaf Bernadotte connecties met de Zweedse vertegenwoordigers van het Nobelcomité in Stockholm. De jaarlijkse Lindau Nobel Laureate Meetings draaien nu rond natuurwetenschappen en economie. Deze week staat bijna volledig in het teken van chemie en in augustus organiseren we de zesde Lindau Meeting over economie.”

Graaf Lennart Bernadotte stierf in 2004 en kreeg een standbeeld voor het Lindause Stadttheater. Vandaag wordt de Council for the Lindau Nobel Laureate Meetings voorgezeten door zijn 43-jarige dochter gravin Bettina Bernadotte, ceo van Mainau GmbH. Via dat familiebedrijf beheert ze haar jaarlijks door miljoenen toeristen bezochte ‘bloemeneiland’ Mainau.

Alternative facts

Klokslag vier spreekt gravin Bernadotte op het podium van het op een grote pralinedoos lijkende Stadttheater haar openingsspeech uit. Op de eerste rijen voor haar zitten de 28 overwegend grijze en mannelijke Nobelprijswinnaars, geflankeerd door notabelen en sponsors. De rijen erna worden ingenomen door 420 jonge exacte wetenschappers uit meer dan 70 landen. Sommigen zijn masterstudenten, anderen werken aan hun doctoraat, nog anderen zijn als postdoc-researcher verbonden  aan een universiteit. Op het hoofd van de gravin staat een hoed zoals die door dames van haar stand gedragen wordt op de Royal Ascot paardenraces. Het duurt niet lang of haar speech krijgt een opvallend politieke toon. “Toen ik vorig jaar de Lindau Nobel Laureate Meeting opende, was de wereld een totaal andere plek”, zegt ze. “Het was vòòr de verkiezing van Donald Trump en vòòr de Hongaarse regering probeerde om de Central European University in Boedapest te sluiten. Jarenlang waren de Lindau Nobel Laureate Meetings een plek om over wetenschap te discussiëren. Wetenschap oversteeg de verschillen in nationaliteit, religie of geslacht. De reden daarvoor is dat wetenschap vertrouwt op bewezen, waarneembare feiten in plaats van op geloof en overtuiging. Wetenschappers stellen alles in vraag, inclusief zichzelf. Elke theorie is waar tot het tegendeel bewezen is.”

Gravin Bettina Bernadotte ontpopt zich in haar openingsspeech tot een voorvechtster van evidence based science. In juni 2013 droeg ze op een driedaags congres van de organisatie Homeopaten Zonder Grenzen in Berlijn dan weer een andere Ascot-pet. Toen prees ze in de programmaflyer de onbewezen alternatieve geneeswijze homeopathie aan als ‘een zachte methode die rekening houdt met de gehele, holistische mens’. Nu vraagt de gravin haar wetenschappelijke toehoorders om in het huidige post-truth-tijdperk in verweer te komen tegen de verspreiders van alternative facts. “Nonsens tot waarheid uitroepen en wetenschap als nonsens catalogeren is hetzelfde als de ogen sluiten voor de werkelijkheid”, zegt ze. “Onze Lindau-meetings waren altijd a-politiek. De bedoeling was om te onderwijzen, inspireren en verbinden. Deze Lindau Nobel Laureate Meeting handelt nog steeds over wetenschap, maar wetenschappers kunnen niet negeren wat er in de wereld gebeurt.” Dus roept Gravin Bernadotte op tot verzet tegen ‘wetenschapsnegationisme’ en verwijst ze naar een andere ‘politieke mijlpaal’ uit het verleden van de Lindau-meetings: “In 2015 ondertekenden 36 Nobellaureaten de Mainau-verklaring over de gevaren van de klimaatverandering.” Wat ze er niet bij vertelt, is dat van de 65 Nobelprijswinnaars die in 2015 in Lindau te gast waren, 29 de verklaring niet ondertekenden. Ze vergeet ook te vermelden dat een van haar gasten toen Nobelprijswinnaar en notoir klimaatontkenner Ivan Giaever was. Tijdens zijn op Youtube te bekijken Lindau-lezing Global Warming Revisited noemde hij de klimaatverandering een ‘non-problem’.

Op het einde van haar speech dankt gravin Bettina Bernadotte de grootste sponsors van de Lindau Nobel Laureate Meeting: Mars, Rolex, BASF en de vereniging van de Duitse scheikundige industrie VCI. Applaus op alle banken.

Posterboy

DSC02553De zaterdagavond voor de openingsceremonie waren veertig jonge wetenschappers door de Council uitgenodigd voor een ‘avant-diner’ met de Nobellaureaten. S. was één van hen. “In het midden van de zaal zaten de Nobelprijswinnaars samen met de sponsors”, vertelt ze. “Wij, young scientists, zaten aan tafels verspreid rond hen. Het was alsof we aan de kindertafel gezet werden, terwijl sommigen onder ons notabene hun eigen onderzoeksgroep leiden. Bij de start van de openingsceremonie op zondag moesten alle jonge wetenschappers via een achteringang binnenkomen terwijl de sponsors en de nobellaureaten langs de grote poort binnentraden. Het was raar om zo stiefmoederlijk behandeld te worden.”

In 2015 was onze Nobelprijswinnaar fysica François Englert ook te gast op de Lindau Nobel Laureate Meeting. Zijn handtekening prijkt niet op de Mainau-verklaring over klimaatverandering. Volgens Englert tellen bezoekende studenten een flinke smak geld neer. “Dat klopt, alleen worden alle deelnemende studenten gesponsord”, zegt Ivo Stassen, postdoctoraal onderzoeker van het FWO bij de KULeuven. “De vergoeding om als jonge wetenschapper een week lang te mogen deelnemen, bedraagt 5.000 euro. De helft van mijn verblijf wordt betaald door het FWO. De resterende 2.500 is gesponsord door een Duits wetenschapsfonds.” Hoe is Ivo geselecteerd geraakt? “Het FWO organiseerde een oproep voor jonge wetenschappers. Ik werd genomineerd en stuurde vervolgens mijn cv en motivatie naar Lindau. Ik moest ook een klein essay schrijven.” Welke selectiecriteria hanteert de Lindau Council? “Je moet wetenschappelijk ‘excellent’ zijn, of goede wetenschappelijke publicaties op je actief hebben. Maar ook je motivatie is belangrijk.”

Ivo wil op de Lindau-meeting zijn netwerk verder uitbouwen. “Ik ontmoet hier mensen van mijn generatie van over de hele wereld die de Lindau Council veelbelovend vindt. Ik hoop hier een paar collega’s tegen het lijf te lopen waar ik de rest van mijn professionele leven contact mee kan houden.”

Houdt de academische wereld meer rekening met een jonge wetenschapper die deelnam aan een Lindau-meeting? “Het is zeker een verdienste dat je hier terechtkwam en een poster mocht presenteren.” Wat bedoelt Ivo met ‘een poster presenteren’? “Een wetenschappelijke poster houdt het midden tussen een grafische samenvatting en een tekst over een bepaald project. Mijn poster is door de Council geselecteerd en hangt hier een hele week. Ik zal er later deze week ook naast gaan staan om vragen van andere jonge wetenschappers te beantwoorden of om in discussie te gaan. Dat lijkt me een boeiende manier om te praten over wetenschap.”

Buitenkans

Maandagnamiddag, halftwee. Sammy Verbruggen, post-docresearcher aan de Universiteit Antwerpen, drinkt een biertje op een zomers terras op een steenworp van het Stadttheater. “Ik vond de openingsspeech van Betinna Bernadotte best oké”, zegt hij. “Ook een wetenschapper mag een standpunt innemen, want wij bepalen mee het beleid. De gravin wist voor wie ze sprak: er zaten geen Trump-aanhangers in de zaal. Mijn Amerikaanse collega’s hier verontschuldigen zich voor hun regering. Het eerste wat de Britten zeggen, is: ‘Sorry voor de brexit.’”

Dankzij Steven Chu, Nobelprijswinnaar fysica 1997 en van 2009 tot 2013 minister van Energie onder Barack Obama, heeft Sammy tijd voor een biertje. Chu had normaal gezien daarnet een lezing moeten geven, maar hij keerde drie dagen geleden onverrichterzake naar de VS terug nadat zijn vrouw in Amsterdam haar been brak. Chu stond ook geprogrammeerd om te speechen na de openingsrede van gravin Bernadotte, maar was toen al van het toneel verdwenen. Zijn collega William Moerner, Nobelprijswinnaar scheikunde 2008, las Chu’s speech over ‘klimaatverandering en de rol van de wetenschap in het post-truth-tijdperk’ voor, nadat hij erop gewezen had dat ‘ik’ in de tekst stond voor Steven Chu.

Sammy Verbruggen is bio-ingenieur in katalytische technologie. “Ik heb me via het FWO kandidaat gesteld voor deze Lindau Nobel Laureate Meeting. Geen idee of dit nu goed zal ogen op mijn cv. Dat was alleszins niet mijn drijfveer. Het gebeurt zelden of nooit dat er op een wetenschappelijk congres een Nobelprijslaureaat uitgenodigd wordt, terwijl de Lindau-meeting uit bijna niets anders dan lezingen van Nobelprijswinnaars bestaat. Dit is dus een buitenkans.”

De voorbije ochtend kuierden toeristen door zonovergoten straten, terwijl 420 jonge wetenschappers in een verduisterde theaterzaal aandachtig luisterden naar lezingen van Nobelprijswinnaars. De Nederlandse professor Ben Feringa beet om negen uur stipt de spits af. Hij kreeg vorig jaar de Nobelprijs scheikunde voor zijn onderzoek naar moleculaire nanomachines. Met veel schwung vertelde de 66-jarige chemicus over zijn persoonlijke zoektocht naar wetenschappelijk geluk. “Ik heb genoten van Feringa’s lezing”, zegt Sammy. “De materie waarin hij zich verdiept, is fascinerend. Het is heel fijn om mijn grote voorbeelden aan het werk te zien. Contacten leggen met andere wetenschappers gaat ook verrassend makkelijk. We hebben allemaal dezelfde ingesteldheid: iedereen is open en enthousiast.”

Revolutie

Karen Stroobants werkt als post-docresearcher aan de universiteit van Cambridge, waar ze onderzoek voert naar ziekten zoals Alzheimer en Parkinson. “Ik heb een beurs van de Europese Commissie voor mijn onderzoek in Cambridge”, zegt ze. “De Commissie heeft me voor de Lindau-meeting voorgedragen.”

Was hier aanwezig zijn een van Karens dromen? “Eerlijk gezegd had ik nog nooit van de Lindau Nobel Laureate Meeting gehoord, al is het een speciale ervaring. Ik heb ondertussen een paar Nobellaureaten persoonlijk gesproken. Als jonge wetenschapper kom je hier veel rolmodellen tegen. Het is jammer dat het nog steeds vooral mannen zijn.”

Vooral bejaarde mannen, zoals de 79-jarige Tomas Lindahl, Nobelprijswinnaar scheikunde 2015, die op maandagmorgen een lezing geeft over zijn stokpaardje: DNA-instabiliteit. De professor is slecht te been en zijn lezing klinkt als een kurkdroge les chemie. Zijn 15 jaar oudere collega Rudolph Marcus (Nobelprijs chemie 1992) bestijgt een uur later het trapje naar het podium met kwieke tred, maar worstelt tijdens zijn lezing met de moderne technologie.

Ook Karen Stroobants vindt dat sommige lezingen voor verbetering vatbaar zijn. “Wetenschappers moeten beter leren communiceren, zelfs mensen van dit niveau.” Heeft Karen al verrassend nieuwe dingen gehoord? “Niet echt, maar Martin Chalfie (Nobelprijs scheikunde 2008) presenteerde wel onderzoek dat ik nog niet kende. Ben Feringa vond ik dan weer zeer inspirerend door zijn levensverhaal.” Feringa is een van de jongsten van de club. Karen Stroobants: “Vermoedelijk is hij daardoor ook degene die het best getraind is in communiceren. Bettine Bernadotte’s openingsspeech komt niet zomaar uit de lucht vallen: er zijn wel degelijk problemen in hoe de wetenschap met het grote publiek en met de politiek communiceert. De ongerustheid onder wetenschappers is groot. Wetenschap had lang de reputatie de brenger van waarheid te zijn. Het voorbije jaar zijn er serieuze pogingen ondernomen om die reputatie te ondermijnen. Mensen die zoals gravin Bernadotte wetenschapsevenementen organiseren en wetenschappers voelen zich daardoor gekwetst.”

Hebben sommige wetenschappers zelf geen boter op het hoofd? Er zijn er toch die knoeien met onderzoeksresultaten of –procedures? Denk maar aan topdokter Stefaan Van Gool. “Ik kan niet begrijpen waarom een wetenschapper zoiets doet”, zegt Karen. “Daar zijn geen verzachtende omstandigheden voor.” Een te hoge publicatiedruk misschien? “Daar schort inderdaad iets aan. Begrijp me niet verkeerd: publiceren is belangrijk. Maar grote tijdschriften als Nature en Science hebben een monopolie en oefenen zo macht uit over de carrière van onderzoekers. Een onderzoek duurt soms vijf jaar vooraleer er een publicatie uit voortvloeit. Op het moment dat wij onze resultaten willen publiceren, moeten wij die tijdschriften betalen voor het afdrukken van bijvoorbeeld figuren in kleur. Als een collega in het kantoor naast het mijne dat artikel vervolgens wil lezen, moet hij het tijdschrift betalen. Ikzelf verdien geen cent met mijn publicaties, maar Nature is wel uitgegroeid tot een zeer rijk bedrijf. Wie als wetenschapper vooruit wil, is zo goed als verplicht om in Nature of Science te publiceren. Die tijdschriften maken en kraken carrières.” Wordt daar met de Nobelprijswinnaars over gesproken? “Ja. Aaron Ciechanover (Nobelprijs scheikunde 2004) riep ons zelfs op om ons als jonge wetenschappers te verenigen en een vuist tegen de grote tijdschriften te maken.” Broeit er op de Lindau-meeting iets revolutionairs? “Er wordt alleszins veel over gepraat, alleen vrees ik dat het business as usual is van zodra we terug aan het werk zijn.”

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

Clash tussen cardiologen

In zijn boek Ons hart noemt Pedro Brugada, topcardioloog en hevig voorstander van verplichte hartscreening, zijn collega Hans Van Brabandt van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg een ‘gokker’. In 2015 adviseerde Van Brabandt de overheid in een rapport dat screening bij jonge sporters zinloos en soms zelfs gevaarlijk is. “Ons rapport is ernstig en allesbehalve een gok”, zegt Van Brabandt. “Het is pseudowetenschap”, houdt Brugada vol.

 

In Ons hart beschrijft de wereldvermaarde cardioloog Pedro Brugada de werking van ons meest vitale orgaan en hoe we het best onderhouden. Hij houdt een warm pleidooi om ons hart regelmatig te laten controleren. “Van zodra onze auto vier jaar oud is, moet hij naar de keuring. Net als een kudde schapen rijden we daar dan elk jaar braaf naartoe. Maar onze eigen motor laten we niet checken.” Professor Brugada is sinds jaar en dag ook voorvechter van een verplichte hartscreening bij amateursportertjes, en bij uitbreiding bij alle kinderen vanaf hun geboorte tot hun 24e. “De ene dag is zo’n kind aan het voetballen of fietsen, de volgende dag valt het dood neer”, zegt hij. “Als we kinderen vooraf screenen, vinden we misschien iets aan hun hart, kunnen we ze genezen en plotse dood voorkomen.”

Met zijn pleidooi voor verplichte hartscreening gaat Brugada lijnrecht in tegen een rapport van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) uit maart 2015. Daarin kwam de aan het Kenniscentrum verbonden cardioloog Hans Van Brabandt samen met een aantal collega’s tot de conclusie dat een verplichte hartscreening bij jonge amateursporters geen enkel voordeel heeft. De aanbeveling van het KCE voor de beleidsmakers was klaar en duidelijk: screening bij sporters van 14 tot 34 is zinloos en soms zelfs gevaarlijk.

Ook in Ons hart verdedigt Pedro Brugada hartscreening bij kinderen. Op het einde van zijn boek noemt hij Hans Van Brabandt en diens collega’s van het KCE ‘gokkers’. “Volgens het KCE is sportgerelateerde hartstilstand een te zeldzaam verschijnsel om met grootschalig preventief onderzoek aan te pakken”, schrijft hij. “In zijn rapport gokt het KCE dat er in preventie van hart- en vaatziekten in België jaarlijks tien gevallen zijn van plotse, sportgerelateerde hartstilstand bij jonge mensen. Dat cijfer komt van buitenlandse gegevens die op hun beurt niet betrouwbaar zijn en geëxtrapoleerd werden naar ons land. De waarheid is dat we niet weten hoe vaak dit drama voorkomt.”

“Wij zijn geen gokkers”, reageert Hans Van Brabandt. “Over één ding zijn we het met Pedro Brugada eens: in België weet niemand hoe de vork precies aan de steel zit. Er zijn geen harde cijfers van het aantal plotse doden bij jongeren. In 2015 hebben wij wel een ernstige poging ondernomen om te schatten hoeveel het er zijn. We zochten eerst naar landen en regio’s waar geteld is. Zo verzamelden we cijfers van plotse hartdoden bij recreatieve sporters van 10 tot 35 jaar in de Nederlandse provincie Noord-Holland, de Italiaanse regio Veneto, Denemarken, Frankrijk en de VS. Die data zijn gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. Uit al dat cijfermateriaal hebben wij volgens de regels van de kunst afgeleid wat dat voor ons land betekent. Van de 1 miljoen jongeren tussen 14 en 34 schatten wij het aantal plotse doden jaarlijks tussen vijf en tien, waarbij tien waarschijnlijk zelfs te veel is.”

Tien plotse hartdoden per jaar: dat is bijna één kind per maand. Er kunnen toch geen bezwaren zijn tegen een screening die tien mensenlevens redt? “Elk leven is voor ons even belangrijk”, knikt Van Brabandt. “Maar de vraag moet eigenlijk zijn: hoeveel van die overlijdens kunnen we met screening voorkomen? Dat weten we niet. Want er zijn geen goede studies uitgevoerd die aantonen dat we met screening levens redden. Voorstanders verwijzen altijd naar een Italiaanse studie uit 2006 van professor Domenico Corrado. Hij is net als Brugada een grote naam onder de cardiologen. In Italië is screening van alle sporters sinds 1978 bij wet verplicht. Maar Corrado’s studie behandelt slechts één regio: Veneto. In het begin van de verplichte screening werden in Veneto 4 plotse hartdoden per 100.000 per jaar geteld. Jaar na jaar daalde het aantal tot 0,87 dode per 100.000 jaar rond de millenniumwissel.”

Is dat niet het ultieme bewijs dat screening een goede maatregel is? Van Brabandt: “Nee. Stel: ik heb griep en veertig graden koorts. Ik neem antibiotica en mijn koorts daalt. Is dat dan dankzij die antibiotica? Natuurlijk niet, want griep is een virale aandoening waar antibiotica niet tegen helpen. Zonder antibiotica was de koorts ook gedaald. Zo kun je je ook afvragen of het aantal plotse doden in Veneto daalde dankzij de verplichte screening. Veneto is trouwens maar een klein stuk van Italië. Hoe beperkter het cijfermateriaal, hoe groter de impact als iemand bij het registreren een streepje in de verkeerde kolom zet. In de VS en Frankrijk wordt niet gescreend maar tellen ze van in de jaren negentig wel de plotse doden. Rond de millenniumwissel lag het aantal in de VS op 0,90 en in Frankrijk op 0,98; bijna evenveel als de 0,87 van Veneto. In eerste instantie gaf ik Domenico Corrado het voordeel van de twijfel. Ik mailde hem mijn opmerkingen en schreef er vorig jaar ook een artikel over in het British Medical Journal (BMJ). Hij reageerde met een boze brief en noemde ons ‘dommeriken’. Maar wij zijn niet de enigen met vragen over zijn studie. Zo vroeg de Britse minister van Volksgezondheid Jeremy Hunt aan zijn Italiaanse collega de follow-up. ‘Wat gebeurde er na 2004?’ Ook wij stelden die vraag meermaals aan Corrado. ‘We werken eraan’, zegt hij. Dat zegt hij nu al jaren. Ik vind dat verdacht. Want als screenen verplicht is, moeten die gegevens er toch zijn?”

 

Negationisme

Pedro Brugada blijft erbij: Hans Van Brabandt gokt er in zijn rapport maar wat op los. “Het KCE bezondigt zich aan pseudowetenschap”, zegt hij. “In zijn brief aan het BMJ schreef Domenico Corrado niet voor niets dat de mensen van het KCE van toeten noch blazen weten. Van Brabandt heeft van Corrado trouwens wél een bevredigend antwoord gekregen op zijn vraag naar cijfers. Domenico is een heel goede vriend van mij en zette me in cc. Hij antwoordde dat het wetenschappelijke cijfermateriaal op dat moment in de publicatiefase zat. Hij kon die data niet met Van Brabandt delen omdat ze toen nog confidentieel waren. Volgens mij zijn ze intussen gepubliceerd in het Giornale Italiano di Cardiologia. Het KCE voert zogezegd wetenschappelijk onderzoek op basis van publicaties van anderen, alleen hebben ze geen toegang tot de originele gegevens. Hoe weten zij dan dat de resultaten kloppen waar ze zich op baseren? Hoe vaak hebben we het in de geneeskunde al niet meegemaakt dat publicaties teruggetrokken moeten worden omdat ze vals bleken te zijn? Domenico Corrado heeft duidelijk aangetoond dat de mortaliteit bij sporters in Italië over bijna veertig jaar met tachtig procent gedaald is. Dat kan je toch niet negeren? Dat is hetzelfde als de holocaust ontkennen. Dat is puur negationisme. Hans Van Brabandt weet niet waarover hij spreekt.”

Het getal van het KCE van tien jonge plotse doden per jaar is volgens Brugada nattevingerwerk. “Het zijn er veel meer. De gegevens van onze noorderburen wijzen op 100 à 200 per jaar. In België zal het niet veel anders zijn. Screening zal ons veel leren omdat we de kinderen dan volgen. Het is heel gemakkelijk om te stellen: we weten het niet, dus een screening is niet nodig. Terwijl de conclusie eigenlijk zou moeten zijn: we weten het niet, dus moeten we wél screenen. Mijn plan is: screening bij de geboorte, op zes, twaalf, achttien en 24 jaar. Zo creëren we ook een grote gegevensbank.”

Wat houdt die screening in? Pedro Brugada: “Ze vertrekt vanuit een vragenlijst die de kinderen samen met hun ouders invullen. Dan zullen ze bijvoorbeeld ook horen dat opa aan longkanker gestorven is omdat hij een roker was. Als dokter kun je daar dan op inpikken, hen wijzen op wat slecht is en op basis van de familiegeschiedenis tonen wat de gevolgen kunnen zijn. Het gaat dus niet enkel over screening, maar ook over bewustmaking.”

In Ons hart vertelt Brugada over de plotse dood van zijn zus Nena in 2006. “Ze was pas vijftig”, zegt hij. “Ze had daarvoor nooit klachten. Ze ging drie keer per week naar de fitness. Ze had met haar man een etentje gepland en ging zich omkleden. Toen ze terug in de living kwam, viel ze dood neer.” In zijn boek schrijft hij: “En dat in een familie met vier hartspecialisten. Mijn moeder heeft ons dat flink onder de neus gewreven. Waarom hebben noch haar kleindochter, noch haar drie zoons, allemaal hartspecialisten, ooit iets gemerkt aan Nena?”

Volgens Hans Van Brabandt zal een verplichte screening in het beste geval zo goed als geen effect hebben. “Ongeveer vijftig verschillende ziekten liggen aan de basis van plotse dood”, zegt hij. “Die ziekten zijn allemaal zeldzaam. Meestal geven ze geen klachten, maar in heel zeldzame gevallen hebben ze als eerste en enige symptoom de plotse dood. De meest frequente ziekte bij sporters is hypertrofische cardiomyopathie, een verdikking van de hartspier. Ze komt voor bij 1000 op 1 miljoen en jaarlijks kost ze 1 sporter op 1 miljoen het leven. Er is geen consensus over hoe die ziekte bij klachtenvrije mensen behandeld moet worden. De therapie varieert van bètablokkers tot een operatie. Een operatie is ingrijpend en wordt meestal niet uitgevoerd omdat we niet goed weten of ze helpt. Als je 500 mensen behandelt, riskeer je door de behandeling één mens te verliezen. Een andere hartziekte die aan de basis van plotse dood ligt, is aangeboren kransslagaderafwijking. Dat kun je alleen maar met een lijkschouwing vaststellen. Screening is dus sowieso zinloos. Nog zo’n zeldzame ziekte is Wolff-Parkinson-White, een overtollige elektrische leiding in je hart. Pedro Brugada is daar een wereldexpert in. Hij brandt die leiding door en zijn patiënt kan weer verder. Ik geloof graag dat de mortaliteit tijdens behandeling bij Brugada nul is, maar dat geldt niet voor ‘gewone’ cardiologen. De kans dat een patiënt bij hen tijdens een behandeling sterft, is uiterst klein maar even groot als de kans dat hij onbehandeld dood neervalt.”

Verplichte screening zal er volgens Hans Van Brabandt ook toe leiden dat een grote groep kinderen ten onrechte vroegtijdig gecatalogeerd wordt als ‘hartpatiënt’. “Verplichte screening zal er in de praktijk op neerkomen dat 1 miljoen jonge mensen zal langsgaan bij een sportarts”, zegt hij. “Dat is meestal een huisarts die het minste geruis als verdacht zal beschouwen. Al die gevallen zal hij doorverwijzen naar de cardioloog. Met als gevolg dat ouders al op voorhand gealarmeerd zullen zijn. Duizenden sportieve kinderen die zich kiplekker voelen, zullen dan het sporten even vaarwel zeggen. De meerderheid zal door de cardioloog gerustgesteld worden, maar een klein deel zal toch onder de scanner moeten. Van de oorspronkelijke 1 miljoen zullen na screening uiteindelijk 5000 kinderen, of 0,5 procent, ziek verklaard worden zonder dat ook maar iemand weet of er iets aan hun lot kan veranderd worden. Dat cijfer is géén wilde gok maar op fatsoenlijke wijze beredeneerd. Van die 5000 zullen er jaarlijks mogelijk tien sterven. Dankzij zijn handigheid zal Brugada van die tien kinderen er misschien één kunnen redden, terwijl bij een collega er misschien één de behandeling niet zal overleven.”

 

Schandpaal

Van Brabandt onderschat zijn collega’s, vindt Brugada. “België heeft uitstekende centra met uitstekende cardiologen”, zegt hij. “Natuurlijk moeten specifieke behandelingen uitgevoerd worden door gespecialiseerde cardiologen. Ik plaats geen stents in kransslagaders. Ik heb dat ooit wel gedaan, maar nu niet meer omdat ik gespecialiseerd ben in de elektriciteit van het hart. Het zeer zeldzame Wolff-Parkinson-White behandel ik wel: dat is elektriciteit. Misschien moet Van Brabandt hier eens consultaties komen volgen. Ik begrijp niet hoe een arts tegen screening kan zijn. Een huisdokter die getraind is om een ecg te lezen, kan perfect screenen. Bij screening vind je iets of niets. Ik geef wel toe dat er iets kan zijn dat de dokter niet vindt, of dat de dokter iets vindt en er niets aan kan doen. Maar bij de meeste afwijkingen kunnen we wél iets ondernemen. Neem hypertrofische cardiomyopathie: dat is erfelijk en doodsoorzaak nummer één in Amerika bij sporters omdat er geen screening is. In Italië is dat geen oorzaak van plotse dood omdat er wél gescreend wordt. Als die afwijking bij een Italiaan wordt vastgesteld, mag hij niet meer sporten. Dat is toch perfect normaal? Als je een hypertrofische cardiomyopathie hebt, kan je tijdens het sporten plots overlijden. Dan sport je toch gewoon niet meer? Kinderen krijgen bij screening dus soms inderdaad de diagnose dat ze een hartpatiënt zijn. Bij een screening vinden we afwijkingen waardoor het niet verstandig is dat mensen verder blijven voetballen. Maar we zullen ook afwijkingen vinden die perfect te genezen zijn. Hoeveel sporters heb ik niet terug op de fiets of de grasmat gezet? Khalilou Fadiga kon dankzij zijn defibrillator terug voetballen, net als Anthony Van Loo. Die mensen waren eerst afgeschreven. Fadiga voetbalde van zijn 22e tot zijn 35e met een defibrillator. Toen ik die dertien jaar geleden inplantte, werd ik door mijn collega’s aan de schandpaal genageld. Ze verklaarden me zot. Nu is een defibrillator de regel.”

Sophie Gerkens, gezondheidseconoom bij het KCE, berekende dat screening elk jaar tussen de 66 en 95 miljoen euro zal kosten. Miljoenen die in de portemonnee van sportartsen, cardiologen en radiologen terecht komen? Hans Van Brabandt: “Ik bekijk screening vanuit het standpunt van het grote publiek en niet van de dokters. Maar u hebt gelijk: als screening er komt, zullen dokters daar bijna 100 miljoen extra mee verdienen.”

Pedro Brugada maakte zijn eigen berekening. “Reken op 50 euro per screening: 400.000 twaalfjarigen screenen kost dan 20 miljoen. That’s it. Natuurlijk zou het fantastisch zijn als de minister van Volksgezondheid zou beslissen om screening terug te betalen. Maar wat is 50 euro voor de gezondheid van je kind? Hoeveel kosten de schoolfoto’s elk jaar? Ouders betalen dat toch zonder verpinken? Waarom dan niet om de zes jaar 50 euro om hun kind te screenen? Daar moeten we toch niet voor gaan bedelen bij de overheid?”

 

 

Pedro Brugada, Ons hart, gebruiksaanwijzing en onderhoudsboekje, Lannoo, 288 blz., 22,50 euro

 

(c) Jan Stevens

Schat, gaan we een kindje zonder afwijkingen maken?

Vanaf 1 juli is België het eerste land in Europa waar voor zwangere vrouwen de NIP-test zo goed als gratis wordt. Vanaf dan wordt het een fluitje van een cent om vast te stellen of een ongeboren kind een chromosoomafwijking zoals het Downsyndroom heeft. Voor sommigen is het einde van het lijden van gehandicapte kinderen eindelijk in zicht, terwijl anderen de maatregel een vorm van eugenetica noemen, ‘vermomd in de schaapskleren van menslievendheid’.

 

15 miljoen euro trekt minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD) uit om jaarlijks 100.000 NIP-testen terug te betalen. NIPT is een niet-invasieve test om chromosomale afwijkingen bij een foetus op te sporen. De test wordt uitgevoerd op een bloedstaal en geeft 99,8 procent zekerheid of het ongeboren kind een zogenaamde ‘trisomie-afwijking’ heeft. “De bekendste afwijking is trisomie 21 of het Downsyndroom”, zegt Jean-Jacques Cassiman, wereldvermaard genetica-expert. “Trisomie 21 krijgt nu de meeste aandacht, maar NIPT spoort ook trisomie 18 of het Edwardssyndroom op en trisomie 13 of het Patausyndroom. Al twee jaar staat de test in onze acht genetische centra in België ter beschikking van zwangere vrouwen en nu krijgt iedereen er toegang toe. Dit is dus een belangrijke beslissing. NIPT is intussen ook geëvolueerd, waardoor er nog veel meer dan die drie chromosoomafwijkingen mee opgespoord kunnen worden. Een NIP-test brengt soms afwijkingen aan de oppervlakte waar in eerste instantie niet naar gezocht werd. Zo werd in het UZ-Leuven bij toeval dankzij NIPT in een vroeg stadium kanker bij een zwangere vrouw ontdekt.”

Dat klinkt als bijzonder goed nieuws, alleen wringt volgens Cassiman net daar het schoentje. “De focus ligt nu op het Downsyndroom, terwijl het over zoveel meer gaat. Meer dan ooit is het dus noodzakelijk dat iemand met kennis van zaken alle resultaten en mogelijke consequenties kan duiden. ‘Hoe ernstig is die chromosoomafwijking op korte of lange termijn?’ Dat moet heel goed aan toekomstige ouders uitgelegd worden. Die mensen moeten beseffen dat het niet is omdat een NIP-test negatief is dat hun kind gegarandeerd vrij zal zijn van alle mogelijke afwijkingen. NIPT is veel complexer dan een doorsnee vaderschaps- of dna-test. We moeten ons er ook van bewust zijn dat NIPT de eerste stap is in het opsporen van nog veel meer bij een ongeboren kind. De benadering van genetici was altijd: mensen zoveel mogelijk informatie geven zodat ze bewuste keuzes kunnen maken. Ouders moeten met kennis van zaken beslissen of ze een kind houden of de zwangerschap afbreken. Door de maatregel van minister De Block zal er nu een staal genomen worden dat naar een labo gestuurd wordt, waarna de behandelende huisarts of gynaecoloog het resultaat krijgt. De redenering is dat niet alleen de genetische centra, maar ook andere labo’s die test kunnen uitvoeren. Dat klopt, alleen zorgen zij niet voor de juiste omkadering. Er wordt van uitgegaan dat aan de hand van het resultaat van het labo de huisarts of gynaecoloog alles haarfijn uit de doeken kan doen. Het spijt me, maar bij de meeste huisartsen en gynaecologen is de kennis over dat soort zaken beperkt, net omdat het allemaal zo nieuw is. Ik heb het dan niet over Down, maar over alle andere opspoorbare afwijkingen. De meeste ervaring zit bij onze acht genetische centra. Zij verrichten uitstekend werk en hebben veel ervaring met NIPT. Nu wordt dat helemaal opengebroken. Dat is niet meer of minder dan spelen met de toekomst van kinderen. Want vandaag zijn er al ouders die geen kind willen met een hazenlip en hun toevlucht nemen tot abortus. Wat wordt de volgende stap?”

 

Weldaad

Hendrik Cammu, gynaecoloog en professor aan de VUB, vindt de gratis NIP-test een uitstekende zaak. “Voortaan kan elke vrouw haar ongeboren kind testen op het Downsyndroom. Dat is toch een heel sociale maatregel die de gelijkheid bevordert? Wie niet tot de risicogroep behoorde, betaalde tot nu 290 euro. Dat wordt vanaf 1 juli 8,68 euro en de risicopatiënten betalen niets. Mensen krijgen ook de kans om hun foetus met Down te laten aborteren. Ik vind dat ethisch verantwoord. Het Downsyndroom komt relatief vaak voor: de kans is 1 op 600. Jarenlang werden er in België ongeveer 50 kinderen met Down geboren. Nadat NIPT een paar jaar geleden voorzichtig zijn intrede deed, daalde het aantal tot 40 per jaar. In 2016 kwamen we uit op 30. De tendens is dus duidelijk. Nu de NIP-test voor iedereen toegankelijk wordt, eindigen we waarschijnlijk onder de tien pasgeboren baby’s met Down. In de nabije toekomst zullen enkel nog Down-kinderen geboren worden bij zwangere vrouwen die zich niet laten screenen. Of bij vrouwen die zich hebben laten testen en hun kind willen houden.”

Het syndroom van Down wordt dus iets zeer uitzonderlijks? “Ja. Het is niet ondenkbaar dat ouders met een Down-kind daardoor de afwijzing van de anderen zullen moeten ondergaan. Maar dat mogen we nooit tolereren, zelfs al zijn er maar twee gevallen per jaar. Integendeel, we moeten hen blijven steunen met aangepaste infrastructuur en sociale wetgeving.”

Ook moraalfilosoof Etienne Vermeersch heeft woorden van lof voor de gratis NIP-test. “De weldaden van de test zijn zo overweldigend dat mogelijke bijkomstige omstandigheden daar niet tegenop wegen”, vindt hij. “Voor de meeste mensen is het een zeer grote catastrofe als hun kind geboren wordt met het Downsyndroom. Natuurlijk zijn er verschillende gradaties, maar dat neemt niet weg dat die ziekte voor elke ouder een zwaar probleem is. Natuurlijk leren sommigen daarmee leven; vroeger hadden mensen geen keuze. Hun kind met Down kwam onverwacht en ze moesten er maar het beste van maken. Het is veel beter als je vooraf weet of je ongeboren kind Down heeft. Je kunt je dan perfect door je huisarts laten inlichten over de gevolgen. De meeste mensen gaan vervolgens over tot abortus.”

Etienne Vermeersch schat het aantal genetische ziekten op drie à vierduizend. “Die staan allemaal netjes opgelijst. Een belangrijk aantal is zeer zeldzaam, maar een ander deel is algemeen erkend als sterk nadelig voor het individu. Dat wil dus zeggen dat die ziekten ook sterk nadelig zijn voor de ouders die voor dat individu moeten zorgen. Het wegwerken van zaken die iedereen als een zware handicap beschouwt, is geen idealisering van het kind of het nastreven van een volmaakt kind. Het is niet meer of minder dan streven naar een normaal kind zonder zware handicap. Hoe vroeger we in de zwangerschap alle zware handicaps de wereld uithelpen, hoe beter. Natuurlijk kunnen we mensen daar niet toe dwingen, maar de mentaliteit zal evolueren. Ze zullen tot het besluit komen: ‘Laat die handicap aan mij en aan mijn kind voorbijgaan.’”

Er zullen dus steeds minder ouders een kind met Down krijgen? “Ja. Het is dan ook onvermijdelijk dat die ouders zich alleen zullen voelen. Maar zolang die ziekte bestaat, moeten ouders en hun kinderen geholpen worden. Hoe minder mensen met Down er zijn, hoe makkelijker het wordt om ze nog beter te helpen en begeleiden. We hopen dat ze uiteindelijk zullen uitsterven.”

 

Maatschappelijke druk

“Etienne Vermeersch weet niet wat het Downsyndroom inhoudt”, zegt Babs De Wacker, mama van Maxim, een jongen van acht met Down. “Misschien moet de professor eens langskomen op een van de bijeenkomsten van de vereniging Downsyndroom Vlaanderen, dan kan hij met eigen ogen zien tot wat onze kinderen in staat zijn. Mijn zoon Maxim is gelukkig en heeft plezier in het leven. Twee andere van onze kinderen zijn hoogbegaafd, net als Maxim vallen ook zij ‘buiten de norm’. Zijn zij wel welkom op de wereld omdat ze iets hoger scoren qua IQ en is Maxim dat niet omdat hij lager scoort? Wij zijn supertrots op àl onze kinderen. Maxim bezit een natuurlijke empathie waar iedereen veel van kan leren. Dat is toch belangrijker dan het juiste IQ?”

Babs was een twintiger toen ze zwanger was van Maxim. “Ik liet me testen met de klassieke combinatietest en alles leek in orde. Bij de geboorte bleek dat Maxim het syndroom van Down had. We raakten daar nooit door in zak en as. Zelfs als we het op voorhand hadden geweten, was Maxim welkom geweest.”

De gratis NIP-test vergroot volgens Babs De Wacker de maatschappelijke druk. “Zo goed als elke zwangere vrouw zal zekerheid willen of haar ongeboren kind Down heeft. Ik begrijp niet waarom die test gecommercialiseerd wordt en uit de universitaire centra is weggehaald. Van alle chromosomale afwijkingen die NIPT kan opsporen, is Down het minst erge. En toch ligt nu de nadruk op dat syndroom. Waarom wordt enkel daarop gefocust, terwijl trisomie 18 of 13 veel ernstiger zijn? Waarom wordt de spot gericht op kinderen die gelukkig en gezond zijn? Onze kinderen hebben veel capaciteiten en er is ondertussen zoveel medische vooruitgang geboekt dat de meeste mensen met Down gezond zijn. Sommigen hebben nog een hartafwijking, die perfect geopereerd kan worden. Buiten een licht mentale achterstand is er niks mis met Maxim. Hij is zeer zelfstandig. Ik beweer niet dat hij later ooit zijn belastingsbrief zal kunnen invullen, maar in Nederland halen jongvolwassenen met Down nu hun rijbewijs.”

 

Rassenhygiene

Willem Lemmens is hoogleraar ethiek aan de Universiteit Antwerpen. “Er is geen enkele reden om aan te nemen dat kinderen met Down ongelukkig zouden zijn”, zegt hij. “Toch hoor je soms beweren dat ze geen levenskwaliteit hebben. Ik vermoed dat wij eerder vanuit ons eigen perspectief aannemen dat ze lijden. Terwijl kinderen en volwassenen met Down vaak zeer gelukkig zijn.”

Professor Lemmens vindt het goed dat de NIP-test voortaan voor iedereen toegankelijk is. “Op voorwaarde dat er geïnvesteerd wordt in het verstrekken van degelijke informatie én in zorg voor kinderen met Down. We hebben dat al decennialang gedaan, het zou merkwaardig zijn als daar nu plots op bezuinigd wordt.” Toch maakt Willem Lemmens zich zorgen. “We willen ons tegen allerlei risico’s, onzekerheden of onvolmaaktheden indekken. Hebben we er eigenlijk al eens grondig over nagedacht wat dat op termijn betekent? Stel dat we in de nabije toekomst bij ongeborenen ook erfelijke aanleg voor mogelijke psychische afwijkingen of bepaalde vormen van kanker kunnen opsporen. Ik vrees dat we te weinig nadenken over wat we met die kennis dan zullen aanvangen. Zou jij een genetisch paspoort willen waarin een aantal voorspellingen over je medische toekomst staan? ‘De kans dat je binnen vijftien jaar longkanker krijgt, is 75 procent.’ De meeste volwassenen willen dat liever niet weten. Wil je dat als ouder wél weten over je kind dat nog geboren moet worden? Een kind krijgen is altijd een onzeker avontuur; dat maakt het net zo boeiend. Ondertussen proberen we via de wetenschap daar steeds meer controle over te krijgen. Maar het is een illusie om te geloven dat we ons tegen alle onzekerheden van het leven kunnen verzekeren. Meer nog: dat is een gevaarlijke gedachte waar we tegenin moeten durven gaan.”

Vindt professor Lemmens dat we op een hellend vlak zitten richting eugenitica, de ‘verbetering van de menselijke soort’? “Eugenetica is een zeer beladen begrip. In onze Westerse samenleving loopt op dit moment nergens zo’n programma. Al omschrijven sommigen het recht van ieder individu op het soort van kinderen dat hij of zij wil wel als ‘negatieve eugenetica’. De Australische filosoof, bioethicus en transhumanist Julian Savulescu vindt dat we een ‘plicht hebben tot genetische optimalisatie’. Als je daarover begint na te denken, is dat zeer griezelig. Savulescu zegt niet meer of minder dat we ons ertoe verplicht moeten voelen om alleen die kinderen op de wereld te zetten die genetisch optimaal zijn.”

Begint dat niet heel erg op de eugenetica of Rassenhygiene van de nazi’s te lijken? Willem Lemmens: “Het grote verschil is dat de nazi’s hun collectieve programma aan de burgers oplegden. Wij leven in een liberale samenleving en we hebben nog steeds ‘vrije keuze’. Al is er wel sociale druk. Ouders die er vandaag bewust voor kiezen om hun kind met Down toch geboren te laten worden, krijgen rare blikken toegeworpen.”

 

Eenheidsworst

De Nederlandse filosoof en politicoloog Gerard Adelaar windt er in zijn pas verschenen boek De onverbeterlijke mens geen doekjes rond: we zitten op een hellend vlak, maar hebben het niet door. “De uitvinders en producenten van de NIPT hebben er alle belang bij dat hun test gebruikt wordt”, zegt hij. “Als hij dan zoals bij jullie zo makkelijk beschikbaar gesteld wordt, volgt snel een maatschappelijke norm: de samenleving verwacht gewoon van elke zwangere vrouw dat ze zich laat testen. Hoe autonoom en vrij is haar keuze dan? Wie de test links laat liggen en een Down-kind krijgt, zou het in de toekomst wel eens zwaar te verduren kunnen krijgen. ‘Misschien wordt het tijd dat je zelf voor de kosten opdraait. Je wist toch wat de risico’s waren toen je je niet liet testen?’De twee andere aandoeningen die NIPT aan het licht brengt, zijn zeer ernstig. Een daarvan heb ik in mijn eigen familie gezien. Dat kindje was vanaf de eerste dag al niet levensvatbaar. Ik beweer dus niet bij voorbaat dat de test onzinnig is, alleen wordt er geen maatschappelijk debat over gevoerd. Dat vind ik verontrustend.”

Volgens Adelaar claimt de eugenetica, ‘vermomd in de schaapskleren van de menslievendheid’, een steeds prominentere plaats in onze samenleving. “In Nederland waren er al eerder discussies over andere tests voor het opsporen van erfelijke ziekten. Universitaire medische centra wilden daar graag mee aan de slag en toekomstige ouders konden vòòr de conceptie al testen op genetische risico’s. Op het eerste gezicht wordt zo voorkomen dat er gehandicapte kindjes op de wereld komen, terwijl het in werkelijkheid eugenetica is. Het is wellicht menslievend bedoeld, ook al spelen er economische belangen mee, maar door erfelijke ziekten gaandeweg te elimineren werken we hard aan de verbetering van ons ras. Op termijn filteren we zo de mens tot eenheidsworst. Wat ‘onwenselijk’ is, moet verdwijnen en we houden één type mens over. In Denemarken en IJsland is Down zo goed als verdwenen. Dat is een vorm van rasverbetering.”

 

Prediker in de woestijn

Wilfried Gyselaers, gynaecoloog en professor fysiologie aan de universiteit Hasselt, gelooft niet dat in het nieuwe NIPT-tijdperk het Downsyndroom ten dode opgeschreven is. “Er zullen nog altijd baby’s met Down geboren worden, omdat er altijd mensen zullen zijn die dergelijke testen niet willen ondergaan”, zegt hij. “We moeten daar respect voor hebben.”

Ook Gyselaers vindt de tijd meer dan rijp voor een stevig maatschappelijk debat. “Moest er helemaal niet gescreend worden, zouden er elk jaar meer baby’s met het Down-syndroom geboren worden. Dat komt omdat vrouwen op steeds latere leeftijd zwanger worden. Het Down-risico stijgt met de leeftijd van de moeder, net als het risico op vroeggeboorte. Als we gezonde baby’s willen, moeten we vrouwen ervan proberen te overtuigen om op veel jongere leeftijd voor kinderen te kiezen. Ik leg daar al jaren de nadruk op en breng dat op congressen ter sprake, maar voel me een prediker in de woestijn. Er wordt ontzettend veel geïnvesteerd in technologie om zwangerschapscomplicaties te behandelen, terwijl ze veel makkelijker voorkomen kunnen worden. Als vrouwen van de maatschappij de toelating krijgen om tussen twintig en dertig aan de uitbreiding van hun gezin te werken en daarna verder aan hun carrière, wordt dat een zegen voor de verloskunde en de babyzorg. Moeders die op jonge leeftijd zwanger worden, hebben het meeste kans op een gezonde baby. In de verloskunde wordt nu alles op alles gezet om vroeg in de zwangerschap zoveel mogelijk genetische afwijkingen op te sporen en te verhinderen dat die kinderen geboren zullen worden. Daartegenover staan alle inspanningen die momenteel geleverd worden om extreme vroeggeboorten tot een goed einde te brengen. Daar bespeur ik dan plots een andere houding waarbij veel technieken ingezet worden om zoveel mogelijk premature baby’s in leven te houden. De laatste decennia is er tot en met nu geen daling van aangeboren handicaps vastgesteld. Er is alleen een verschuiving: vroeger ging het vooral over Down, nu gaat het over aangeboren handicaps door vroeggeboorte.”

 

Recht op leven

Pierre Mertens is pleegvader van de 27-jarige Shana, een vrouw met het syndroom van Down. Pierre’s dochter Lies werd 38 jaar geleden geboren met spina bifida, open rug. Lies overleed op 11-jarige leeftijd aan de gevolgen van een medische blunder. Pierre Mertens is actief in de Vereniging voor Spina Bifida & Hydrocephalus. “Mijn pleegdochter Shana is een van de gelukkigste mensen die ik ken”, zegt hij. “Niemand kan beweren dat de kwaliteit van haar leven onvoldoende is of dat ze ondraaglijk lijdt. Ze is ook geen last voor ons. Integendeel: ze draagt bij tot de kwaliteit van ons leven. Shana is zeer zelfstandig, gaat alleen naar haar werk, neemt de bus en gaat soms iets drinken op café. Of ik me zorgen maak over hoe het later met haar verder moet als wij er niet meer zijn? Natuurlijk, maar ik maak me soms ook zorgen over mijn kinderen zonder handicap. Shana’s toekomst bereiden we goed voor. Ik ben er zeker van dat mensen die een kind met Down hebben laten aborteren, twee keer moeten slikken als ze Shana zien.”

Is Pierre Mertens een pro-lifeactivist? “Nee en ik ben ook niet katholiek. Ik spreek vanuit het mensenrechtenperspectief. Ook wie ‘anders’ is heeft recht op leven. Ik heb zeer veel respect voor vrije keuze. Maar je kunt pas vrij kiezen als je volledig geïnformeerd bent. Zo pleit ik er al lang voor om mensen met spina bifida of hun ouders te betrekken bij informatiegesprekken. De informatie die artsen over spina bifida geven, is vaak gekleurd. Het lijkt dan alsof de moeder een monstertje zonder levenskwaliteit zal baren, terwijl mensen met spina bifida hun leven best oké vinden. Het is positief dat de NIP-test gedemocratiseerd wordt, maar ouders zouden eigenlijk al voor hun zwangerschap moeten nadenken over wat ze zullen doen als er iets met hun kind is. Dat lijkt me verstandiger dan iedereen massaal te laten testen om te weten of alles in orde is. Want dan denkt niemand op voorhand écht na over wat er moet gebeuren bij een slechte uitslag.”

Babs De Wacker vreest dat zeer veel mensen foute beslissingen zullen nemen. “Uit onwetendheid. Nu iedereen gratis op Down mag testen, zal de overtuiging groeien dat het iets heel ernstig moet zijn. Ik merk bij ouders die een baby met Down krijgen dat hun toekomstbeeld eerst vertroebeld raakt. Ze komen er snel achter dat het niet slechter wordt, maar anders. Al die ouders zijn naderhand blij dat ze het niet op voorhand wisten. Ze zijn gelukkig met hun kind. Die kans op geluk wordt mensen nu ontnomen.”

 

(c) Jan Stevens

“Weduwen leren hier op eigen benen te staan”

Sinds 2009 trekt de gepensioneerde Duitse dominee Renate Ellmenreich (67) zich het lot aan van Nigeriaanse vrouwen wier man vermoord is door Boko Haram. Met haar organisatie Widows Care bouwt ze huizen voor de weduwen en helpt ze hen met het opstarten van hun eigen zaak. “Ik kan de wereld niet veranderen, maar ik kan wel proberen iets voor hen te betekenen.”

renate el

Pfarrerin Renate Ellmenreich is net terug uit Nigeria. De dominee ontvangt ons in haar flat in het gerenoveerde Oberförstereigehöft, het grote oude boswachtershuis van het pittoreske dorp Joachimsthal. Het huis kijkt uit over het Grimnitzmeer. Zeventig kilometer zuidwaarts ligt Berlijn; dertig kilometer oostwaarts de Poolse grens. “Dit is een heel bijzondere plek”, zegt ze. “Vroeger woonde in dit huis de boswachter van de Duitse koningen en keizers. Na hen kwamen de presidenten en daarna Hitler en zijn trawanten. Rijksmaarschalk Hermann Göring jaagde hier regelmatig. Ten tijde van de DDR was deze streek ook het favoriete jachtterrein van de Stasi-bonzen. In de jaren voor Die Wende kwam Erster Sekretär Erich Honecker in de bossen rond Joachimsthal twee keer per week het wild afschieten. Vlakbij is een gedenkteken waarop geschreven staat: ‘Op 8 november 1989 schoot Erich Honecker hier zijn laatste hert.’ Dat was één dag voor de muur viel.”

Frau Ellmenreich lacht. Een gereserveerde lach, want het hele interview lang straalt de dominee droeve ernst uit, alsof ze een loodzware last torst. “De toestand in Nigeria is op dit moment verschrikkelijk”, zegt ze bijna verontschuldigend. Op haar bureau staat een klein zwart-witfotootje van een langharige, glimlachende jongeman. Op de vensterbank staat een grote kleurenfoto van een vriendelijk ogende veertiger met kort kastanjebruin haar. De twee mannen uit het leven van Renate Ellmenreich. “Als iemand weet wat het betekent om weduwe te zijn, ben ik het wel. Vandaar dat ik in 2009 de vraag om hulp van de Nigeriaanse weduwen niet kon weigeren.”

Renate’s eerste man Matthias Domaschk stierf op 12 april 1981 in de ondervragingsruimte van de Stasi in de Oost-Duitse stad Gera. “Matthias was pas 23. Hij is de vader van mijn dochter. In 1976 ondertekenden we allebei een petitie tegen de verbanning uit de DDR van protestzanger Wolf Biermann. We waren niet gekant tegen het socialisme, maar voerden vanuit onze christelijke overtuiging actie om de theorie met de werkelijkheid in overeenstemming te brengen. Dat werd door de communistische partijbonzen niet in dank aanvaard. Ze arresteerden Matthias op 10 april 1981 en beschuldigden hem ervan dat hij een partijbijeenkomst in Berlijn wou verstoren. Twee dagen later was hij dood. Volgens de Stasi pleegde hij zelfmoord. Iedereen die Matthias ooit gekend heeft, weet dat dat een leugen is. Ze hebben hem vermoord.”

Een jaar voor Matthias Domaschks dood vluchtte Renate Ellmenreich naar West-Duitsland, nadat hun dochtertje door de geheime politie was gekidnapt en in een weeshuis gedropt. Renate werd dominee in Mainz. In 1993 keerde ze naar Gera terug. Zes jaar lang doorploegde ze er de archieven van de Stasi, op zoek naar wat er die 12e april echt gebeurd was. “De documenten uit de Stasi-archieven zijn opgesmukt en vertellen nooit de waarheid”, zegt ze. “Er staat nooit zwart op wit: ‘Toen gaven we hem het genadeschot.’ Ik sprak met veel betrokkenen, maar iedereen zwijgt. Tot de dag van vandaag zoek ik verder en ik denk dat ik nu eindelijk iets op het spoor ben. Ik hoop tegen volgend jaar de waarheid te kunnen bovenspitten.”

 

Uw tweede man Gunnar Berndsen stierf in de woestijn van Nigeria.

Renate Ellmenreich: “Hij overleed er in mei 2004 als gevolg van een virale infectie. De foto op de vensterbank dateert van een week voor zijn dood. Hij was 48. Ik werkte samen met hem in Nigeria van 1999 tot 2004. We waren uitgestuurd door de Zwitserse evangelische ontwikkelingsorganisatie Mission 21. Ons actieterrein lag in de staat Borno in het noordoosten. Gunnar runde in de stad een open universiteit en ik werkte bij de vrouwen op het platteland. Ik begeleidde hen met de bouw en de opening van nieuwe scholen. In 2000 introduceerde de regering van de staat Borno de sharia. Nigeria heeft 36 staten: de zuidelijke zijn voornamelijk christelijk en de noordelijke moslim. Veel noordelijke staten voerden de sharia in nadat in 1999 de christen Olusegun Obasanjo president van het land werd. In tegenstelling tot zijn voorgangers kwam hij niet uit het leger en dat stond de noordelijke machthebbers niet aan. De meeste leerkrachten op de staatsscholen waren christenen en na de verkiezing van Obasanjo schaften de noordelijke staten de staatsscholen af. De gewone Nigerianen waren het daar niet mee eens. Zij wilden goede scholen voor hun kinderen en het kon hen echt niet schelen of de leerkrachten christelijk of islamitisch waren. In die tijd leefden in de dorpen christenen en moslims nog vreedzaam samen. Ik bouwde samen met hen private scholen waar alle kinderen welkom waren. We kregen geen steun van de overheid, maar het lukte ons toch om in Noord-Nigeria in minder dan vijf jaar vijftig basisscholen te bouwen.”

 

Vijftig?

“Jawel, vijftig. (glimlacht) Tot in de lente van 2004 het noodlot toesloeg en Gunnar stierf. De kerkleiding wou dat ik terugkeerde naar Duitsland, maar ik bleef contact houden met mijn mensen die ik had moeten achterlaten. Boko Haram is in 2002 opgericht in Maiduguri, de hoofdstad van Borno. Ik heb de terreurorganisatie weten ‘geboren’ worden. In 2009 was ik in Maiduguri en zag ik met eigen ogen de ellende die ze er had aangericht. Verschillende van mijn vroegere medewerkers klampten me aan en vertelden over de gruwel. ‘Help ons, Renate.’ De vallei waar ik gewerkt had, was bezet door Boko Haram en de overlevenden waren naar Maiduguri gevlucht. ‘Ze hebben al onze mannen vermoord.’”

 

Enkel de mannen?

“Ja. De vrouwen hadden ze nodig als seksslavin. In de Afrikaanse samenleving stellen weduwen niets voor. Ze hebben geen rechten en worden behandeld als paria’s. Eén uitspraak van een weduwe raakte me midscheeps: ‘Jij was ook weduwe in Afrika. Je weet hoe het is.’ Ze hadden gelijk: ja, ik wist het. Ik kon niet anders dan helpen. Ik weet niet hoeveel tijd me nog gegund is en daarom focus ik me enkel op de weduwen. Ik kan de wereld niet veranderen, maar ik kan wel proberen iets voor hen te betekenen.

“Terug in Duitsland begon ik geld in te zamelen. Ik was toen dominee in Mainz, maar ik was niet de enige: met tien vrouwelijke priesters vormden we één team voor de hele stad. Elke maand hielden we onze Stammtisch. (lacht) We vergaderden dan samen en dronken rode wijn. Tijdens zo’n vergadering kreeg ik telefoon uit Maiduguri. Ik hoorde het machinegeweervuur en de explosies, het was verschrikkelijk. De weduwe aan de andere kant van de lijn weende hartverscheurend. Meteen daarna hebben we de stichting Widows Care opgericht en vervolgens vroegen we de Boko Haram-weduwen zich bij ons te registreren.”

 

Dat zijn er ondertussen meer dan 2.000?

“2.120 om precies te zijn. Een groot deel is van Maiduguri gevlucht naar het duizend kilometer verder gelegen IDP-camp Gurku bij de Nigeriaanse hoofdstad Abuja, waar het relatief veilig is. IDP staat voor: Internally Displaced Persons. In Gurku worden binnenlandse oorlogsvluchtelingen opgevangen. Van elke weduwe weten we waar ze vandaan komt, wat er in haar dorp gebeurd is en hoeveel kinderen ze heeft. De vrouwen moesten toezien hoe hun man door leden van Boko Haram vermoord werd. Zelfs kinderen moesten toekijken hoe hun vader afgemaakt werd. Met één meisje voerde ik zeer lange gesprekken. Ze heet Patience, is pas negentien en is nu voor de tweede keer weduwe geworden. Haar dochter is geboren de dag nadat ze haar tweede man vermoord hebben. In Gurku ben ik de enige blanke die Hausa spreekt. Ik ben dan ook de enige die met de weduwen rechtstreeks kan converseren, want zij spreken geen Engels. Dat zorgt voor een sterke band.”

renate E.2

Hoe vergelijkbaar is Boko Haram met IS?

“De ‘ideologie’ van Boko Haram wortelt in het salafistische jihadisme waar ook IS zijn mosterd haalt, maar de Boko Haram-strijders zijn allemaal arme dompelaars. De meesten sluiten aan omwille van het geld. Boko Haram misbruikt religie om mensen te mobiliseren. In Nigeria raak je zonder religie nergens.”

 

De weduwen waar u voor zorgt, zijn allemaal christenen?

“Ja. In het begin sloten een paar moslimweduwen zich bij Widows Care aan, maar ze werden met de nek aangekeken door mensen uit hun eigen gemeenschap. Toen ik twee jaar geleden in Gurku op bezoek was, sprak een Nigeriaanse vriendin me aan: ‘We hebben vanavond geld nodig, want we kunnen een groot stuk land kopen vlak naast het vluchtelingenkamp. De boer wil ervan af: hij wil centen voor de bruidsschat van zijn zoon. Als wij het niet kopen, komt het in handen van een rijke politicus, een bouwspeculant of een legerofficier.’ Ik belde mijn vrienden in Duitsland, die schoten meteen in gang om geld in te zamelen en de volgende ochtend kochten we dat stuk land. Ik had één voorwaarde: het mocht alleen ten goede komen van de weduwen. We bouwden er zestien huizen. Elk huis kostte 2000 euro en heeft een keuken en een badkamer. We beginnen nu met de bouw van nog eens zestien ‘weduwenhuizen’. Het door ons gerunde vluchtelingenkamp Gurku is een buitenbeentje in Nigeria. Zowat alle IDP-camps hebben zwaar te lijden onder de alom verspreide corruptie. De meeste kampen zijn afgesloten van de buitenwereld uit angst voor een inval van Boko Haram. De inwoners kunnen er niet zomaar in of uit en zijn overgeleverd aan de goodwill van hulpverleners en officials. De meeste kampleidingen verkopen de hulpgoederen die ze van internationale NGO’s krijgen door op de zwarte markt. Op dit moment sterven er kinderen in de kampen van de honger of door gebrek aan zorg.”

 

Worden die kampen dan niet geleid of gecontroleerd door het Rode Kruis of het UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties?

“Nee, alle officiële vluchtelingenkampen zijn in handen van de door en door corrupte Nigeriaanse overheidsorganisatie National Emergency Management Agency (NEMA). NGO’s zoals Artsen Zonder Grenzen, Unicef of het Rode Kruis moeten allemaal via NEMA passeren. Ons vluchtelingenkamp Gurku houden we doelbewust buiten de officiële opvang. De administratie wordt er gevoerd door zowel moslims als christenen. Zo willen we laten zien dat vreedzaam samenleven tussen verschillende religies wél mogelijk is. Vandaag leven meer dan 1.400 mensen in het kamp. Er is een medische post, gebouwd door de Zwitserse ambassade, er is een kerk en een moskee en er is een school. Er is drinkwater, er zijn kleine winkels, het is een leefbare plek met een gloednieuw gastenverblijf. In het weduwenkamp vlak naast dat grote vluchtelingenkamp leven nu honderd vrouwen en kinderen.”

 

Waarom zijn de weduwen geïsoleerd van de rest?

“Omdat ze ’s avonds en ’s nachts geen man willen tegenkomen. Kunt u zich dat voorstellen? Ze hebben omheiningen van stromatten rond hun huizen gebouwd, want ze willen geen mannelijk pottenkijkers en verlangen naar privacy. De meeste weduwen hebben psychologische hulp nodig, maar die is er niet. Een paar oudere dames krijgen hun leven niet terug op de sporen. Ze zijn depressief en komen hun huis niet meer uit. Ze krijgen eten van de andere weduwen, maar hun depressie wordt niet verzorgd. Heel veel lagere schoolkinderen hebben ’s nachts zindelijkheidsproblemen, door de trauma’s die ze hebben meegemaakt. Hun moeders begrijpen het verband niet en reageren boos. Ik probeer hen uit te leggen wat er precies aan de hand is.”

 

De kinderen leven zonder vaders?

“De jongens en meisjes groeien op zonder vaderfiguren. Vooral de grotere jongens hebben het daar lastig mee. Ze worden opstandig, willen niet naar school. Opgroeien met enkel vrouwen is niet gezond. Ze krijgen een vertekend beeld van de samenleving, want natuurlijk zijn er ook goeie mannen in Nigeria én in het grote vluchtelingenkamp. Zo zijn er onder de vluchtelingen leraars die spontaan les beginnen geven in de openlucht, onder de bomen. Ze hebben geen boeken, pennen of papier, maar ze zingen, vertellen en gebruiken handen en voeten.

“De traditie in Nigeria wou dat een vrouw die weduwe werd, hertrouwde met de oudste broer van haar man. Met de aidsepidemie ging die traditie langzaam maar zeker op de schop. Na Boko Haram zijn er in het noorden te veel weduwen en te weinig mannen. Duizenden vrouwen verloren hun man; het zijn er veel meer dan onze registratiecijfers laten vermoeden. Een vrouw zonder man mag geen land bezitten, winkel uitbaten of een eigen zaak opzetten. Ze mag zelfs geen bankrekening openen. Maar doordat er zoveel mannen vermoord zijn, is het sociale weefsel drastisch aan het veranderen. Wij proberen de vrouwen ervan te overtuigen dat ze wel degelijk hun eigen zaakje mogen opstarten en geld mogen verdienen om hun kinderen te voeden en naar school te sturen. Jammer genoeg wantrouwen sommige vrouwen ons.”

 

Omdat het een compleet nieuwe manier van denken voor hen is?

“Ja. We zeggen nu tegen een weduwe die op het land van Widows Care komt wonen: ‘Als je een huis wil, moet je bereid zijn om ook je eigen zaak uit de grond te stampen. Je moet in je eigen levensonderhoud kunnen voorzien want er is niet genoeg land om te verbouwen.’ De Nigeriaanse vrouwen hadden traditioneel hun eigen lapje grond waar zij de gewassen op verbouwden. Dat is nu voltooid verleden tijd. De tweede voorwaarde voor een huis is dat al hun kinderen onderwijs moeten volgen. De weduwen doen echt hun best; het is soms ontroerend grappig. (lacht) Het nieuwe gasthuis in het grote kamp wordt beheerd door vrouwen. Slechts een van hen spreekt een klein beetje Engels. Zij moet het nu waarmaken, want zij is de guesthouse manager. Ze neemt haar taak zeer ernstig: ze heeft een boekje waarin ze nauwgezet bijhoudt wie er overnacht en wanneer er gekookt en gepoetst moet worden. Zo leert ze al doende de stiel van een echte hotelmanager. Een paar andere weduwen leggen zich toe op fish farming. Ze hebben twee vijvers gegraven en verdienden een aardige cent met hun eerste visoogst. Niet alle vrouwen zijn succesvol. We bekostigden een naaicursus voor een groep weduwen, maar hun onderneming draaide uit op een fiasco. De kleermaker waar ze voor werkten, ging er met het geld vandoor. Andere weduwen leerden verzorgende zalfjes maken voor gevoelige babyhuidjes.”

 

Uw project Widows Care emancipeert Nigeriaanse vrouwen?

“Eigenlijk wel.”

 

Wat vindt de rest van de samenleving daarvan?

“Ze kijken er vol nijd en afgunst naar. Sommigen zijn verrast dat de weduwengemeenschap zo goed functioneert. Ze vinden het eigenaardig dat er geen corruptie is. De weduwen zijn gelijkwaardig, niemand heeft macht, ze moeten alles zelf doen en voor de rest van de samenleving is dat moeilijk te vatten.”

 

Zien Nigeriaanse mannen hen als een bedreiging?

“Ik vrees van wel. De weduwen regelen dingen op een totaal andere manier dan de mannen. Zo hebben ze heel bijzondere afspraken gemaakt met de Fulani-nomaden. Die mensen leven van hun vee, trekken rond en hebben geen onderwijs genoten. Hun veestapel groeit, maar de beschikbare hoeveelheid land krimpt. Steden zoals Abuja groeien aan een ongekend tempo. Vanop de heuvel vlakbij ons kamp kun je heel goed zien hoe al het land volgebouwd raakt met huizen en hoe er steeds meer dorpen rond de stad groeien. De Fulani hebben niet genoeg plaats voor hun vee, raken gefrustreerd waardoor de criminaliteit stijgt. Ze vallen dorpen binnen en roven huizen leeg. De weduwen onderhandelden een overeenkomst met de Fulani. Wij hebben drie waterpompen op het land van de weduwen geïnstalleerd. Tegen de leiders van de Fulani zeiden ze: ‘Jullie kunnen gratis water voor jullie vee krijgen, maar raak ons niet aan.’ De Fulani gingen akkoord. ‘Op voorwaarde dat jullie geen dieren kweken.’ Dat was voor de vrouwen geen probleem. ‘Als we dan bij jullie vlees kunnen kopen.’ De deal was rond en werkt uitstekend. De weduwen hebben geen runderen, geiten of schapen. Hun vlees kopen ze van de Fulani die op hun beurt gebruik maken van de waterbronnen. De voorbije drie jaar was er geen enkel incident. De weduwen zijn christen, de Fulani moslim en ze leven samen in vrede.”

renate E.

De dorpen in het noorden waar de weduwen vandaan komen, zijn nog steeds in handen van Boko Haram?

“Ja. ‘Mijn’ dorp en alle dorpen errond zijn volledig verwoest. Het missionarishuis waar ik woonde, is zestien jaar geleden gebouwd. De stenen muren waren dik en massief, want het gebouw moest minstens een eeuw meegaan. Boko Haram heeft het compleet vernietigd. Rond het huis lag een mooie tuin. Alle bomen zijn gekapt en het groen is veranderd in woestijn. Zo willen de jihadisten laten zien dat daar nooit nog een christen zal leven. Het dorp waar ik leefde en werkte, was integraal christelijk. Er staat geen huis, school of kerk meer overeind. Het leger kon onlangs een paar oude mensen bevrijden die niet op tijd waren weggeraakt. Ik ben net terug uit Nigeria. Eerst bezocht ik Gurku nabij het relatief veilige Abuja en daarna vlogen we naar Maiduguri in het noorden. Het verschil is immens: de noordelijke stad kreunt onder de Boko Haram-terreur. Ik ontmoette de bevrijde oudjes en dat was heel ontroerend. De ene is blind, de andere steunt op een stok. Ze zijn alles kwijt. Ze vertelden me over het leven onder Boko Haram: een verschrikking. Het Nigeriaanse leger vecht zogezegd tegen de terroristen, maar nooit op volle kracht. Ik weet uit zeer goede bron dat de officieren hun manschappen bevelen om in de lucht te schieten om de strijders van Boko Haram te laten vluchten.”

 

Waarom?

“Zolang de oorlog blijft duren, krijgen de soldaten geld en hebben ze een goed leven. Het is in het belang van het leger dat Boko Haram blijft plunderen en roven, want zo blijft voor hen de kassa rinkelen. De Nigerianen zelf zijn zeer pessimistisch over hun toekomst. Veel mensen uit het noorden zijn gevlucht naar het zuiden, waar meer jobs zijn en grotere kansen op een beter leven. Maar de Zuid-Nigerianen houden niet van de noorderlingen. Op dit moment zijn er bewegingen actief die het hele land willen opsplitsen. In Igboland in het Zuidoosten, het vroegere Biafra, wordt nu net als in de jaren zestig gevochten voor onafhankelijkheid. De Yoruba in het Zuidoosten zijn relatief welvarend. Als zij zich afscheuren, gaat het noorden helemaal kopje onder. Want daar is geen onderwijs, geen industrie, geen economie. Behalve de sharia is er helemaal niets. 95% van de noorderlingen overleeft uitsluitend van het eigen schamele lapje grond. Het geld komt van verwanten in het buitenland, of van politici of ambtenaren van de eigen stam. Zelfs in de steden staat alles in het teken van overleven. Er wordt niets geproduceerd dat doorverkocht kan worden om geld mee te verdienen. Daar komen dan nog eens de gevolgen van de klimaatverandering bij: in Maiduguri zie je de woestijn naderen. Steeds meer mensen ontvluchten het land. Tot hiertoe hebben 200.000 Nigerianen geprobeerd om via Italië Europa binnen te komen. De economie in het zuiden is dan weer vooral gebaseerd op misdaad.”

 

Misdaad die gepaard gaat met geweld?

“Nee, het is een heel aparte vorm van misdaad, bekend als de Nigerian connection. De Nigeriaanse maffia verdient miljoenen met haar wereldwijde e-mailfraude. U kent dat wel, die phishing-berichten waarmee ze argeloze westerlingen ervan proberen te overtuigen hen een smak geld toe te sturen. Het ligt er altijd vingerdik op, maar blijkbaar zijn er hier nog genoeg goedgelovige zielen die er met open ogen intuinen.”

 

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey