Sean French: ‘Samen schrijven ís onze relatie’ – Nicci Gerrard: ‘Sorry Sean, maar ik ben het daar niet mee eens’

In hun gloednieuwe literaire thriller Huis vol leugens verkent het bijna dertig jaar lang gehuwde schrijversechtpaar Nicci French de diepe krochten van een lang huwelijk. “Huis vol leugens, dat zijn wij.”

 

In de nazomer van 1996 hoorde ik voor het eerst over het schrijversechtpaar Nicci French. Ik werkte voor het Belgische bijhuis van hun Nederlandse uitgeverij en woonde een vergadering bij in het hoofdkwartier aan de Keizersgracht in Amsterdam. Met veel zwier stelde (de inmiddels legendarische) uitgever Robbert Ammerlaan zijn nieuwe vondst Het geheugenspel voor, de in februari 1997 te verschijnen allereerste literaire thriller ooit. Op de stijlvolle zwart-witcover prijkte het beeld van een engel op een grafzerk. Op de achterflap stond een pasfotootje van de debuterende schrijfster Nicci French, ‘journalist en woonachtig in Londen.’ Ammerlaan vertrouwde ons toe dat de illustere mevrouw Nicci French eigenlijk een echtpaar was, maar dat mijnheer French verkoos in de luwte te blijven. Hij vroeg ons dat stil te houden.

23 jaar later zit ik samen met het inmiddels wereldberoemde schrijvende koppel Sean French en Nicci Gerrard in de bar van een Amsterdams hotel. Op tafel ligt hun nieuwste thriller Huis vol leugens. Op de cover ditmaal geen marmeren wraakengel, maar hun schrijversnaam in grote witte letters. Van op de zijflap glimlachen ze hun miljoenen lezers in kleur toe. “Ga je schrijven dat je ons al heel lang kent?”, vraagt Nicci. “Maar natuurlijk”, zegt Sean. “Schrijf: ‘Ik was met die twee op stap toen ze nog niets voorstelden.’”

In de jaren na het overdonderende succes van hun debuut voerde ik Nicci en Sean naar inmiddels ter ziele gegane literaire festivals in Vlaanderen. Tijdens signeersessies op de Antwerpse Boekenbeurs schreef ik hen in drukletters de namen voor van hun Vlaamse fans die rijen dik stonden aan te schuiven. We ontdekten een gedeelde liefde voor de muziek van Elliott Smith en praatten over onze opgroeiende kinderen. Nadat ik de boekenwereld voor de journalistiek inruilde, verloren we elkaar uit het oog, al las ik wel trouw elke nieuwe thriller die sindsdien verscheen.

 

Hoe lang waren jullie samen toen jullie debuut uitkwam?

Sean French: “We werden een koppel in 1990. Op 1 januari 1995 begonnen we Het geheugenspel te schrijven. We werkten allebei als journalist en hadden op dat moment zelfs nog geen uitgever. Of het boek ooit gepubliceerd zou worden, was niet onze eerste bekommernis.”

Nicci Gerrard: “Het geheugenspel was niet meer dan een spel voor ons, een experiment: we wilden uittesten of we samen een roman tot een goed einde konden brengen.”

 

Was het ook een relatietest?

Nicci: “Dat werd het uiteindelijk toch wel.”

Sean: “We kennen een paar andere koppels die ook samen hebben proberen schrijven. Hun relaties zijn er niet op gestrand, maar het is hen nooit gelukt om een boek af te werken. In je eentje schrijven is hard labeur; met twee kan het nog erger worden. Want die andere sleutelt dan aan jouw vondsten en knoeit met jouw zinnen. Schrijvers ervaren zoiets als zeer ingrijpend en dat kan alleen als je elkaar blind vertrouwt. Samen schrijven mag nooit een strijd om controle worden of ontaarden in een gevecht om macht.”

Nicci: “Door samen te schrijven kregen we ook inzage in elkaars verbeelding. Dat is soms heel bizar.”

 

Dat moet dan zeker gelden voor Huis vol leugens, een boek dat bulkt van het overspel.

Nicci: “Huis vol leugens is niet enkel een thriller; het is ook een portret van een huwelijk, met een man en een vrouw die al heel lang getrouwd zijn. De vragen komen dan vanzelf: hoe kun je zolang samenblijven? Hoe slaag je erin om al die jaren zowel vrij als loyaal te zijn?”

Sean: “In vergelijking met de meeste andere echtparen brachten wij de voorbije jaren ontzettend veel tijd samen door. Niet alleen naast elkaar, maar ook in elkaars hoofd. We zijn zo beginnen geloven dat we elkaar vanbinnen en -buiten kennen. Huis vol leugens zette ons met beide voeten terug op de grond. Want tijdens het schrijven van dit boek kwamen we erachter dat we wel degelijk allebei nog onontgonnen innerlijk terrein hebben. Hebben we trouwens niet allemaal onze geheimen, zelfs voor de mensen die het dichtst bij ons staan?”

Nicci: “De hoofdpersonages uit Huis vol leugens, vijftigers Neve en Fletcher, zijn al hun hele volwassen leven samen en zijn té gewend aan elkaar geraakt. Neve wordt door anderen gezien als: ‘de goede moeder’, ‘goede vrouw’, ‘goede vriendin’, ‘goede werknemer’… Zelf wil ze dat ook heel graag zijn en ze voelt zich ook verantwoordelijk voor het welzijn van anderen. Maar onder die laag van voorbeeldige echtgenote zit een andere Neve verborgen: de vrouw die avonturen wil beleven en het juk van die verantwoordelijkheden wil afwerpen. Als je als vrouw lang met iemand getrouwd bent en kinderen hebt, is de kans groot dat je je net als Neve gaat voelen.”

Sean: “Zeker als je man net zoals ik constant in huis rondhangt. Dan bega je als vrouw vanzelf een misdaad. (lacht)”

Nicci: “Ons vertrekpunt voor Huis vol leugens was: wat zou deze ‘goede vrouw’ Neve doen als ze het lichaam van haar vermoorde minnaar in hun afspraakflat vindt?”

 

De politie bellen?

Nicci: “Omdat het een Nicci French-thriller is, belt ze die net niet.”

Sean: “Nee, ze begint als een gek de flat te poetsen.”

Nicci: “In dit boek wordt heel wat afgepoetst. Het is een huishoudelijke thriller geworden, vol poetsen, koken, eten en drinken. (lacht) Voor Neve’s kennissen en vrienden lijkt haar leven gewoon verder te gaan, terwijl ze in werkelijkheid van de ene in de andere crisis belandt. Ze is voortdurend bang om ontmaskerd te worden als de minnares die de plaats delict een grondige poetsbeurt gaf. Tijdens het schrijven raakten we ons er gaandeweg van bewust dat we ook die kroniek van een lang huwelijk aan het optekenen waren.”

Sean: “Vóór dit boek schreven we jarenlang over psychotherapeute Frieda Klein, een vrouw die mijlenver van ons verwijderd stond. Huis vol leugens, dat zijn wij.”

 

Neve en Fletcher zijn Nicci en Sean?

Sean: “Toch niet, maar dit boek is wel de wereld waarin wij leven. Dat mag je heel letterlijk nemen: de flat waar Neve het lichaam van haar minnaar Saul vindt, was onze flat in de Londense wijk Covent Garden. Intussen hebben we die verkocht en zijn we verhuisd naar Islington.”

Nicci: “Onze flat in Covent Garden lag in een andere straat, maar de indeling is exact zoals in het boek.”

Sean: “Onze kinderen waren in alle staten toen ze ontdekten dat we die flat als decor voor overspel en moord gebruikten. Neve en Fletcher wonen in Clapton, de buurt waar de kinderen nu wonen. Neve’s fietstocht van Clapton naar het centrum van Londen kennen zij als hun broekzak.”

 

Jullie kinderen vinden het niet fijn dat jullie delen van hun leven in jullie boeken verwerken?

Sean: “Toen jij ons voor het eerst ontmoette, zaten ze op de lagere schoolbanken. In die tijd gebruikten we in onze fictie ook al plekken en gebeurtenissen uit hun en ons bestaan. Toen beseften ze dat niet, nu wel. Intussen zijn ze onze eerste lezers geworden. Ze beginnen altijd heel nerveus aan een nieuw boek: ‘Wat hebben onze oudjes nu weer uitgespookt?’ We hebben een paar boeken vol donkere seksuele obsessies geschreven waarvan ik me afvraag wat ik als kind ervan gevonden zou hebben als ze van mijn ouders kwamen. Ik vermoed dat ik met schaamrood op de wangen ‘O my god’ gepreveld zou hebben. Nicci is ervan overtuigd dat er één boek is dat onze kinderen niet willen lezen omdat ze bang zijn er door getraumatiseerd te raken.”

 

Welk boek?

Sean: “Bezeten van mij, over een jonge vrouw die meegesleurd wordt in een allesverzengende liefdesaffaire met een volslagen vreemde.”

Nicci: “Misschien is het maar best dat ze dat boek nooit lezen.”

Sean: “Maar het zijn intussen dertigers, Nicci.”

 

Spraken jullie tijdens het schrijven van Huis vol leugens vaak over trouw en ontrouw?

Sean: “De hele tijd.”

Nicci: “We kennen koppels die getrouwd blijven omdat ze nu eenmaal getrouwd zijn. Ze blijven samen omdat ze niet uiteengaan. Er zit geen enkele positieve dynamiek in hun relatie. Ze zitten in een uitzichtloze situatie waar ze nooit meer uit geraken. Ik mag er niet aan denken dat ons huwelijk ooit zo deprimerend wordt. We praten er dus vaak over hoe we elkaar de mogelijkheid kunnen geven om te veranderen, om open te staan voor de wereld terwijl we elkaars veilige haven blijven.”

 

Om Sting te citeren: ‘If you love somebody, set them free’?

Nicci: “Ja, maar dan vrij om jezelf te zijn, niet vrij om een affaire te hebben. Vrij om op eigen benen te staan en niet het bezit van een ander te worden.”

Sean: “Neve rijdt geen scheve schaats enkel voor de lol of omdat ze geen geweten heeft. Ze schrikt van haar eigen overspel, want ze vindt zichzelf helemaal niet het prototype van de ontrouwe partner. De voornaamste reden waarom ze de politie niet belt, is omdat ze haar gezin wil sparen. Ze voelt zich schuldig en wil niet dat haar man en kinderen omwille van haar daden de vernieling ingaan.”

Nicci: “Ze is zich bewust van de schade die ze haar gezin zou berokkenen, maar ook van hoe de mensen over haar zouden denken. Ze voelde zich gevangen in haar leven en die affaire was een manier om los te breken. Ze vindt het oneerlijk om gestraft te worden omdat ze het lijk van haar minnaar vindt.”

 

Heeft bijna 25 jaar samen schrijven jullie relatie veranderd?

Sean: “Samen schrijven ís onze relatie. Het is als een klimpant die zich rond een boom slingert: na jaren kun je die twee ook niet meer uit elkaar halen. Bijna elke dag merkt een van ons op: ‘Zit daar geen verhaal in?’”

Nicci: “Sorry Sean, maar ik ben het er niet mee eens dat schrijven onze relatie is. Er zijn ook nog andere dingen. Ik aanvaard dat niet.”

Sean: “Maar het samen schrijven kan toch niet losgezien worden van onze relatie?”

Nicci: “Het klopt dat het moeilijk is om die twee te ontwarren, maar onze relatie is toch veel meer dan al die gezamenlijke boeken? Door samen te schrijven hebben we elkaar wel leren kennen zoals dat op geen enkele andere manier mogelijk geweest zou zijn. We zijn dingen van elkaar te weten gekomen die we anders nooit hadden ontdekt.”

 

Zoals?

Nicci: “Hoe vreemd Sean is. (lacht) Ik heb toegang gekregen tot de rare kronkels in zijn brein. Ik vind ons gezamenlijk schrijven met alles wat eraan vasthangt, heel fijn. We hebben samen succes en gaan samen ook de mist in. We kunnen niet meer aan elkaar ontsnappen, maar dat weegt niet op tegen het gelijkwaardige, kameraadschappelijke plezier dat we beleven aan het samen creëren van fictie.”

Sean: “Het is alsof we samen voortdurend een nieuw huis aan het bouwen zijn. ‘Het dak ligt er bijna op. Oei, waar komt dat lek vandaan? Probeer jij het te dichten of doe ik het?’”

 

Jullie schrijven nooit samen aan dezelfde tafel?

Sean: “Nee. Zelfs als een redacteur ons vraagt om een woord te vervangen, zullen we dat nooit samen doen. Een van ons beiden trekt zicht dan terug, denkt na en beslist.”

Nicci: “Tijdens het schrijven moet je je zelfbewustzijn verliezen; dat lukt enkel als je alleen bent.”

 

Net als in jullie Frieda Klein-reeks speelt Londen opnieuw een belangrijke rol. Jullie houden van die stad?

Nicci: “We hebben een haat-liefdeverhouding met Londen. De helft van de tijd wonen we in de stad en de andere helft in een dorp in Suffolk.”

Sean: “Als baby leefde ik al in Londen. (lacht) Rond ons veertigste kregen we een midlifecrisis en trokken we met de kinderen naar dat dorp op het platteland. Een paar jaar lang zetten we bijna geen voet meer in Londen. Tot we terug te veel heimwee naar de stad kregen en de flat in Covent Garden kochten. Weet je wat zo raar was? Van zodra we in dat dorp woonden, begonnen we te verlangen naar Londen.”

 

Londen is een personage in dit boek.

Sean: “Ja, en dat was de stad ook al in de Frieda Klein-thrillers. Eigenlijk zijn we geobsedeerd door Londen. Ondanks de gruwelijke en walgelijke kanten van die stad.”

 

Welke ‘gruwelijke en walgelijke kanten’?

Nicci: “Ze telt tien miljoen inwoners en is overbevolkt. Je vindt er de meest afstotelijke rijkdom en goorste armoede. Neve en al haar vrienden zijn geen armoezaaiers. Ze hebben misschien niet veel geld op de bank staan, maar ze wonen wel in hun eigen huizen. Wie eigenaar is van een huis in een gegeerde Londense wijk, is rijk.”

Sean: “Vandaag zijn er veel vijftigers zoals Neve die in de jaren tachtig een Londens huis gekocht hebben toen het nog betaalbaar was.”

Nicci: “Onze kinderen kunnen zich geen huis in Londen permitteren. Voor wie in armoede leeft, is de stad ongenadig en hard. Er leven ontzettend veel arme mensen. Tezelfdertijd is het een superdiverse, opwindende plek. In tegenstelling tot wat er zich nu in ons land afspeelt, blijft Londen verwelkomend en gastvrij. Ongeacht waar je vandaan komt: in Londen vind je een thuis.”

 

En toch verlieten jullie met jullie vier kinderen die stad. Omdat jullie niet wilden dat ze daar opgroeiden?

Nicci: “Helemaal niet. De oudste was toen al bijna elf.”

Sean: “Hun tienerjaren brachten ze door in dat dorp. Daarna gingen ze naar de universiteit en dachten we: ‘Ze zullen nu wel uitzwermen over Groot-Brittannië naar prachtige steden als Manchester. Maar ze trokken alle vier terug naar Londen. Daar beleven ze nu de tijd van hun leven, ook al huren ze hun appartementen. Een van onze dochters is dokter en verdient goed haar boterham. Toch lukt het ook haar niet om huiseigenaar te worden. Dat is enkel weggelegd voor bankiers uit de City en Russische oligarchen.”

 

In Huis vol leugens kwam ik maar één keer het woord ‘brexit’ tegen.

Nicci: “Oei, staat dat erin? Waar precies?”

 

Bladzijde 93.

Nicci: “Dat was niet de bedoeling, ook al vergiftigt ‘brexit’ nu alle Britse conversaties.”

Sean: “We schrijven doelbewust nooit over politiek, want dan is een boek snel gedateerd. Dat ‘brexit’ er nu toch één keer ingeslopen is, komt waarschijnlijk doordat het all over the place is.”

 

Misschien ook omdat hij onafwendbaar is?

Sean: “Bijlange niet.”

Nicci: “Niemand weet wat er zal gebeuren. Er raakt gewoon geen enkele brexit-deal door het parlement.”

 

Als Boris Johnson premier wordt, komt er een no deal-brexit.

Nicci: “Een ‘no deal’ komt er enkel als Johnson als premier geen poot meer uitsteekt en alles op zijn beloop laat. Niemand wil dat. Als hij voor een no deal gaat en de hele boel laat crashen, verlaat hij het pad van de democratie. Ach, ik weet het niet. Wij hopen nog steeds dat er iets gebeurt waardoor er geen brexit komt, al is dat wellicht wishful thinking.”

Sean: “Groot-Brittannië, en zeker Engeland, zijn in twee gesplitst. De ene helft is internationaal en kijkt met open blik naar de rest van de wereld, de andere helft kruipt in zijn schulp en verlangt naar de 19e eeuw. De wereld waarin onze verhalen zich afspelen, wordt bevolkt door mensen die openstaan voor outsiders en ze ook verwelkomt. In onze boeken vind je Engeland zoals het bedoeld was te zijn.”

 

Ooit was Boris Johnson de razend populaire burgemeester van Londen.

Sean: “Boris is het vleesgeworden opportunisme. Toen hij nog journalist bij The Telegraph was, zoog hij het ene na het andere eurofobische verhaal uit zijn duim. Om toch maar burgemeester van Londen te kunnen worden, mat hij zich een tof stedelijk imago aan. Plots hield hij van homo’s en lesbiennes én van vreemdelingen. ‘Oh, they’re so great!’”

Nicci: “Wij houden niet van hem. Hij is verwerpelijk.”

Sean: “Nu hij de stemmen van al die oude leden van de Conservatieve Partij nodig heeft, valt hij vreemdelingen en moslims aan.”

Nicci: “Vrouwen die niqabs dragen, noemt hij brievenbussen en reduceert hij zo tot objecten. Er is niets goeds over die man te zeggen. Daarom vernoemen we hem ook niet in ons boek. (lacht)”

 

Hebben jullie ooit overwogen om samen een compleet andere roman dan een thriller te schrijven?

Sean: “Dan zou het geen Nicci French zijn. Die naam staat voor dit soort van psychologische thrillers. Dit is onze core business.”

Nicci: “Ik ben het daar niet mee eens. Ik zeg niet dat we nu een andere roman zullen schrijven, maar ik sluit ook niet uit dat het ooit gebeurt.”

 

Was de reeks rond Frieda Klein een poging om het over een andere boeg te gooien?

Nicci: “Dat was meer dan een poging; we hebben het acht boeken lang volgehouden. Als we het juiste personage vinden, gebeurt dat misschien nog wel eens opnieuw.”

Sean: “We voelen ons geen gijzelaars van ons genre. Er zijn onwaarschijnlijk veel invalshoeken om een psychologische thriller te schrijven. In onze boeken over Frieda Klein hebben we ook heel wat geëxperimenteerd. We zijn nu de laatste hand aan het leggen aan een thriller waarin we weer compleet nieuwe paden verkennen.”

 

Huis vol leugens ligt nog maar pas in de winkel en de volgende is al af?

Sean: “Ik schat dat we er nog zes uur werk aan hebben. Op de trein terug naar huis werken we dat boek definitief af.”

 

Is het hoofdpersonage opnieuw een sterke vrouw, zoals in al jullie boeken?

Nicci: “Het zijn niet altijd sterke vrouwen.”

Sean: “Maar het zijn wel altijd vrouwen die soms een sterkte in zichzelf ontdekken.”

Nicci: “Frieda Klein was een bijzondere vrouw, maar de meeste andere vrouwen uit ons oeuvre zijn heel gewoon. En oké, vaak zijn ze sterk, maar het zouden je vriendinnen kunnen zijn.”

 

Is het denkbaar dat een toekomstig hoofdpersonage een man is?

Nicci: “Alleen als er een goede reden voor is.”

Sean: “Nu vindt iedereen het vanzelfsprekend en zelfs toe te juichen dat de vrouwelijke ‘Nicci French’ altijd een vrouw als belangrijkste personage heeft. Maar zou er evenveel lof gekomen zijn als ik onder mijn mannelijke alter ego Sean French al die boeken solo geschreven zou hebben? ‘Waarom schrijft die kerel constant over vrouwen? Is hij geobsedeerd? Waarom steelt die patriarch al die vrouwelijke eigenschappen?’ Als deel van het Nicci French-duo kan ik nu als man vanuit een vrouwelijk perspectief schrijven zonder dat iemand daar vragen over stelt. Ik vind dat fantastisch. Eigenlijk is dat heel toevallig zo gegroeid. Het verhaal van onze eersteling Het geheugenspel kon alleen maar verteld worden door een vrouw. Als ons eerste idee geschreeuwd had om een man als hoofdpersonage, denk ik dat al onze thrillers er anders hadden uitgezien.”

Nicci: “Het was toch van in het begin vrij duidelijk dat de auteur ‘Nicci French’ meer vrouw dan man zou worden?”

Sean: “Misschien omdat ik meer in vrouwen geïnteresseerd ben dan jij in mannen? (lacht)”

Nicci: “Nee Sean, we wilden van meet af aan de vrouwelijke stem in het thrillergenre laten doorklinken. Want we vonden dat die al te lang verdrongen was. Dus waarom zouden we dan voor ons debuut een mannenstem gecreëerd hebben? De hele literatuur bulkt van de kerels.”

Sean: “Ja, je hebt gelijk. Zeker in onze beginperiode was een vrouwelijk tegenwicht nodig, al is dat intussen veranderd.”

Nicci: “Vind je? Hoe krachtig vrouwen nu ook zijn, ze staan nog steeds aan de zijlijn. Hoe zwak mannen ook zijn, zij blijven het centrum bezetten.”

 

Saul, de dode vijftiger in Huis vol leugens, hopte van de ene minnares naar de andere. Voor Neve was Saul haar eerste minnaar.

Nicci: “We wilden dat ze verliefd werd op een sleazebag, een immorele, corrupte vent. Een charmante praatjesmaker die haar zegt dat hij haar graag ziet, maar enkel met haar van bil wil gaan. Ze mocht niet verliefd worden op een held. De Sauls van deze wereld delen nog steeds de lakens uit in bedrijven en regeringen.”

Sean: “Op veel terreinen in de Britse samenleving brengen vrouwen het er veel beter vanaf dan mannen. Aan de richting geneeskunde studeren meer vrouwen af dan mannen. Binnen een paar jaar zijn al onze dokters vrouwen. Vrouwen overklassen mannen op de maatschappelijke ladder en toch is er zoiets als de MeToo-beweging. De top van de grote ondernemingen in Groot-Brittannië wordt nog steeds gedomineerd door mannen. Ook al doen vrouwen het veel beter dan mannen, als het op ‘leiderschap’ aankomt, vallen ze meestal uit de boot. Kijk naar de zich op gang trekkende presidentscampagne in Amerika. Bij de Democraten werpen vervelende oude mannen als Joe Biden en Bernie Sanders zich in de race. Ze worden uitgedaagd door dynamische jongere vrouwen als Kamala Harris en Elizabeth Warren. Toch hoor je mensen klagen: ‘Ik weet het niet hoor, die Warren heeft een vreselijk irritante stem.’”

Nicci: “Of: ‘We vinden haar te bazig.’”

Sean: “Of ze vragen: ‘Hoe zal u uw politieke leven combineren met de opvang van de kleinkinderen?’ Zo’n Joe Biden heeft een geheugen als gatenkaas en ziet eruit als een zielenpoot. Toch wordt hij opgehemeld tot ‘sterke kandidaat’.”

 

Jullie hebben pas de drempel van 60 overschreden. Lonkt het pensioen?

Nicci: “Zolang mensen ons willen lezen, blijven we samen schrijven. Van in het begin hebben we een afspraak gemaakt: we stoppen ermee als een van beiden vindt dat het schrijven een opdracht wordt, begint te vervelen, of in een formule ontaardt. We zijn niet bang dat de ideeën ooit opdrogen. Want die halen we uit het leven zelf.”

Sean: “We zien wel vrienden van ons op pensioen gaan. Sommigen zijn blij dat ze eindelijk van hun strontjob verlost zijn en kunnen gaan vissen. Voor mij was schrijven van meetafaan mijn droomjob. Ik heb geen enkele behoefte om ermee op te houden. Ik bezoek graag kunstgalerieën en lees graag boeken van anderen, maar daar heb ik geen pensioen voor nodig.”

 

Is schrijven dan geen uitputtende geestelijke inspanning?

Nicci: “Toch wel. Het is zeer vermoeiend. Maar een van de voordelen van ouder worden, is dat je een leeftijd bereikt waarop je niets meer hoeft te bewijzen. Ik ben niet meer ambitieus; ik doe gewoon mijn zin.”

Sean: “Toneelauteur Noel Coward zei: ‘Work is much more fun than fun.’ Hij heeft gelijk. Mijn grootste momenten van geluk zijn die waarop ik tijdens het schrijven in een flow geraak. Want het is zalig om amper bewust van de rest van de wereld, de woorden van een tekst in elkaar te zien passen.”

 

Nicci French, Huis vol leugens, Ambo/Anthos, 400 blz., 21,99 euro

 

Bio

 

Nicci Gerrard

  • Geboren in 1958 in Worcestershire.
  • Studeerde Engelse literatuur aan de universiteit van Oxford.
  • Werkte als journalist voor The New Statesman toen ze Sean French ontmoette.
  • In 2003 verscheen haar solodebuut De onderstroom.

 

Sean French

  • Geboren in 1959 in Bristol.
  • Studeerde Engelse literatuur aan de universiteit van Oxford.
  • Werkte als columnist voor The New Statesman toen hij Nicci Gerrard ontmoette.
  • In 2004 verscheen zijn solodebuut Dit is het begin.

 

Nicci French

  • Samen schreven Nicci en Sean sinds 1997 21 thrillers en een handvol novelles.
  • In Vlaanderen en Nederland alleen al verkochten ze meer dan zes miljoen boeken.
  • Hun bekendste werk is de achtdelige Frieda Klein-reeks.
  • Omwille van hun gigantische succes in de Lage Landen verschijnt Huis vol leugens eerst in het Nederlands. De Engelse editie komt pas uit in oktober.

(c) Jan Stevens

Advertenties

‘Er hangt een grote schietschijf op de rug van journalisten’

Jim Acosta, Witte Huiscorrespondent voor CNN, werd als eerste journalist ooit door president Donald Trump ‘vijand van het volk’ genoemd. In zijn boek ‘Vijand van het volk’ beschrijft Acosta de gevolgen van Trumps aanvallen op de pers. “Fans van de president posten doodsbedreigingen zoals: ‘Ik zou je heel graag in de ogen kijken terwijl ik het laatste restje lucht uit je strot knijp.’”

 

De Amerikaanse president Donald Trump trapte dinsdagavond in Florida zijn verkiezingscampagne voor zijn tweede termijn af. Al vroeg in zijn toespraak wees hij naar de journalisten achteraan in de zaal. “Dat is veel nepnieuws daar. Veel nepnieuws.” Waarna 20.000 Trump-supporters in koor scandeerden: “CNN sucks.”

Witte Huisverslaggever Jim Acosta herinnert zich nog haarscherp wanneer Donald Trump hem en zijn zender CNN voor het allereerst ‘nepnieuws’ en ‘vijand van het volk’ noemde. “Het was op een persconferentie die Trump gaf vlak voor hij in januari 2017 ingezworen zou worden. Ik kan u verzekeren: dat kwam keihard aan. Ik wens geen enkele Europese collega toe dat zijn premier of president hem ‘vijand van het volk’, ‘nepnieuws’, ‘tuig’, ‘verrader’, ‘onderkruiper’, ‘dief’, ‘ergste van het ergste’, ‘walgelijk’ of ‘oneerlijk’ noemt.”

Trump slingerde het de voorbije jaren allemaal naar Jim Acosta’s hoofd. Op 7 november 2018 werd Acosta zelf even wereldnieuws toen zijn perskaart werd ingetrokken en hij tien dagen lang persona non grata was op het Witte Huis.

Jim Acosta: “De ochtend na de tussentijdse verkiezingen gaf Trump een persconferentie. Dat was het moment waarop een stagiaire van het Witte Huis probeerde de microfoon af te pakken terwijl ik de president vragen aan het stellen was. Hij noemde me toen ‘een heel onbeschoft iemand’. Zijn persverantwoordelijke Sarah Sanders beweerde dat ik de stagiaire een ‘karateslag’ had toegediend en postte een door de schimmige website Infowars gemanipuleerd filmpje. Mijn perskaart voor het Witte Huis werd ingetrokken en Sanders stuurde een van de pot gerukte tweet de wereld in: ‘President Trump is voorstander van een vrije pers en juicht moeilijke vragen over hem en zijn regering toe. We zullen echter nooit tolereren dat een verslaggever met zijn handen aan een jonge vrouw zit.’ Iedereen die de niet gemanipuleerde beelden gezien heeft, weet dat dit volslagen onzin is. Gelukkig troffen we een rechter die de persvrijheid hoog in het vaandel voert en het Witte Huis verplichtte me mijn perskaart terug te geven.”

 

Sarah Sanders neemt eind deze maand afscheid van het Witte Huis. Zal u haar missen?

“Niet echt. Toen ze nog als campagneleider voor diverse andere politici werkte, kon ze het goed met de pers vinden. Ze dronk graag borrels met ons. Maar van zodra ze voor Donald Trump begon te werken, ging het mis. Op persbriefings stond ze vaak regelrecht te liegen en had ze de gewoonte dat te vergoelijken door te zeggen dat ze ‘de beste informatie verschafte die ze had’. Tijdens persconferenties negeerde ze bij voorkeur journalisten van CNN, net als haar baas.”

 

De ondertitel van uw boek ‘Vijand van het volk’ luidt: ‘Een gevaarlijke tijd om de waarheid te vertellen’. Is de persvrijheid in Amerika in gevaar?

“Ja. We zijn in een situatie aanbeland waarin het bijna dagelijkse kost is dat de Amerikaanse president leden van de pers brandmerkt als ‘vijanden van het volk’. U kunt zich echt niet voorstellen wat dat aanricht. Ontzettend veel supporters van Trump hebben die vijandigheid tegenover de pers overgenomen. Ik heb dat zelf aan den lijve ervaren tijdens die Trump-rally’s voor de tussentijdse verkiezingen. Ik was op dat moment al heel wat gewoon, want er werden doodsbedreigingen op mijn Facebook-account gepost zoals: ‘Ik zou je heel graag in de ogen kijken terwijl ik het laatste restje lucht uit je strot knijp.’ Tijdens de campagne van 2018 werd die haat levensecht. Een van de eerste rally’s die ik bijwoonde, vond plaats in Nashville, Tennessee. President Donald Trump was in ‘bloedvorm’. Hij had het over ‘Crooked Hillary’ en noemde ons ‘nepnieuws’. Naast het persvak stond een man continu ‘uitschot’ en ‘klootzak’ naar me te schreeuwen. Een half uur lang. Tot een collega van de New York Times hem vroeg ermee op te houden. Toen begon hij tegen haar te schreeuwen.”

 

Amerika wordt een gevaarlijke plek voor journalisten?

“Zonder twijfel. U herinnert zich ongetwijfeld nog de fanatieke Trump-aanhanger Cesar Sayoc die in oktober 2018 dertien pakketjes met pijpbommen stuurde naar CNN en verschillende Democratische doelwitten. Dat was een rechtstreeks gevolg van de vileine aanvallen van Trump op de pers en op zijn opposanten. Op Sayocs witte bestelbusje plakte een sticker met de geliefde kreet van Trump-supporters: ‘CNN sucks’. De man had me ook rechtstreeks op Twitter bedreigd: ‘Jij bent de volgende.’ Hij stuurde me een foto van een onthoofde geit en haar afgehakte kop. In plaats van olie op de golven te gieten, wakkerde Trump het vuur verder aan. Vijf dagen nadat de pijnbommen bij CNN waren toegekomen, tweette hij: ‘Er heerst grote woede in ons Land die gedeeltelijk wordt veroorzaakt door onzorgvuldige, en zelfs bedrieglijke verslaggeving. De Nepnieuwsmedia, de ware Vijand van het Volk, moeten stoppen met hun openlijke & duidelijke vijandigheid en het nieuws zorgvuldig & eerlijk verslaan. Dat zal enorm helpen de vlam te doven.’”

 

Creëert Trump die vijandigheid doelbewust?

“Het is een soort toneelstuk dat hij opvoert. Hij denkt dat hij nog steeds zijn programma The Apprentice aan het presenteren is. De pers beschouwt hij als onderdeel van zijn reality-tv-presidentschap. Door ons ‘de walgelijke, oneerlijke nieuwsmedia’ te noemen, probeert hij ons te controleren en in de mand te sturen als hij vindt dat dat nodig is. Maar het grote probleem is dat zijn fans niet doorhebben dat Trump de ster speelt in zijn nieuwste televisieshow. Zijn nepnieuwsretoriek is geëscaleerd en ik vrees dat hij er zich niet van bewust is dat zijn voortdurende uithalen naar de pers afschuwelijke consequenties kunnen hebben.”

 

U noemt het een uit de hand gelopen toneelstuk, maar de bedenker van het etiket ‘vijand van het volk’ is toch Trumps voormalige oerconservatieve topstrateeg Steve Bannon?

“Ik heb Steve Bannon voor mijn boek geïnterviewd en hij vertelde me dat hij in de eerste weken van de regering vaak met Trump discussieerde over de media. Ze waren diep ongelukkig over de berichtgeving van sommige zenders en kranten. ‘Speciaal voor zenders als CNN en kranten als de New York Times bedachten wij toen tijdens het brainstormen samen ‘vijand van het volk’’, zei Bannon me. Verschillende goedgeplaatste bronnen binnen het Witte Huis vertrouwden me later toe dat de term ‘vijand van het volk’ integraal uit de koker komt van Steve Bannon.

“Waar Bannon wel zelf alle eer voor wil opstrijken, is de strategie om de pers als ‘dé oppositiepartij’ te labelen. Niet lang na zijn eerste grote persconferentie, tweette de pas geïnstalleerde president Trump: ‘De nepnieuwsmedia (falende @nytimes, @nbcnews, @abc, @cbs, @cnn) zijn niet mijn vijand, ze zijn de vijand van het Amerikaanse volk!’ Die demonisering van de pers als te bashen ‘oppositie’, is copy/paste van de vreselijkste dictaturen. Er hangt nu een grote schietschijf op de rug van journalisten. Te veel collega’s hebben dat nog niet door. Ze beschouwen het als wat jennen en trollen op Twitter, maar zien niet dat sommigen dat spelletje heel serieus nemen.”

 

U voelt zich bedreigd?

“Ja, en ik had nooit gedacht dat het in dit land zo ver zou komen. De Verenigde Staten waren altijd een baken van democratie voor de rest van de wereld. De vrije pers was essentieel. Maar hoe kunnen wij nu nog een democratisch voorbeeld zijn met een president die journalisten ‘vijanden van het volk’ noemt?”

 

Vijandschap tegenover de pers is toch niet iets typisch Amerikaans? In België worden de zogenaamde ‘mainstreammedia’ gelabeld als ‘leugenpers’, voornamelijk door extreemrechts. Ook in de rest van Europa gonst het van ‘Lügenpresse’ en ‘fake news media’.

“Dat is juist. Bij ons in de VS heeft een ultranationalistische beweging via Trump de macht gegrepen. Dat model wordt nu over de hele wereld gekopieerd. Populisten zien Trumps beleid als een ticket naar succes, terwijl het volgens mij een enkeltje naar de hel is. In maart hield Jair Bolsonaro, de nieuwe president van Brazilië, samen met Trump een persconferentie in de Rose Garden van het Witte Huis. Hij bestempelde toen alle verhalen waar hij niet van houdt ook als nepnieuws. Het is als een virus dat zich over heel onze planeet verspreidt. Maar is dit de weg die we met z’n allen willen inslaan? Ik heb al aan heel wat vooraanstaande Republikeinse en Democratische politici gevraagd: ‘Is dit de samenleving die jullie willen achterlaten voor jullie kinderen en kleinkinderen?’ Geen enkele burger verdient het om door zijn politieke leiders vogelvrij verklaard te worden en uitgeroepen tot volksvijand.”

 

De manier waarop Donald Trump Amerika leidt en de pers aanpakt, verandert het land fundamenteel?

“Als ik met buitenlanders praat, zeg ik altijd: ‘Blijf alsjeblieft vertrouwen hebben in de VS.’ Want we hebben natuurlijk nog steeds een parlement met democratisch verkozen vertegenwoordigers van het volk. In ons politiek systeem zijn checks and balances ingebouwd. We hebben onze grondwet en elke vier jaar zijn er verkiezingen. Het blijft wel degelijk mogelijk om dingen te corrigeren als het te veel uit de hand loopt.”

 

Vlak na Trumps overwinning werd ook al sussend gezegd: “Hij kan niet zomaar zijn zin doen.” Maar ik denk dat velen de voorbije twee jaar vol verbazing naar zijn capriolen hebben staan kijken.

“Het is de voorbije jaren zeker flink misgegaan en ik begrijp uw vrees dat het nog meer de dieperik zal induiken. Trumps presidentschap is alleszins een stresstest voor onze democratie. Ik vraag me af of deze neerwaartse spiraal zal stoppen als Trump niet herverkozen raakt.

“Donald Trump richt zijn giftige pijlen op CNN, NBC, de New York Times, de Washington Post, maar conservatieve media zoals Fox News bejubelt hij. Behalve dan rechtgeaarde Fox-journalisten zoals Shepard Smith en Bret Baier die het aandurven om zijn beleid kritisch onder de loep te nemen. Ook ultranationalistische websites zoals Breitbart, de Daily Caller of het Christian Broadcasting Network liggen in zijn bovenste schuif. Bij sommige Fox-collega’s merk ik nu een lichte vorm van angst: ze maken zich zorgen over een mogelijke machtsovername door de Democraten in 2020. Ze zijn bang dat een Democratische president ‘the Donald’ zal imiteren en de conservatieve media op hun beurt zal uitroepen tot vijanden van het volk. Voor alle duidelijkheid: ik zou dat niet toejuichen, integendeel. Al vraag ik me wel af hoe figuren als Sean Hannity en Tucker Carlson dan zullen reageren als ze bij wijze van spreken in mijn schoenen staan. Zij maken op Fox News louter propaganda voor Trump.”

 

U acht het mogelijk dat de eventuele Democratische opvolger van Trump wraak neemt op Fox News?

“Ik hoop dat geen enkele volgende president, Democraat of Republikein, de pers in het vizier zal nemen. Er zijn trouwens ook heel wat Republikeinen die het totaal oneens zijn met de manier waarop Trump ons viseert. Alleen durven de meesten hun mond niet open te doen. En dat is jammer.”

 

Is er solidariteit onder Witte Huis-journalisten?

“Die is toch groter dan ik dacht. Het is niet vanzelfsprekend om een collega ter hulp te springen als hij op een persconferentie door de president himself met de grond gelijk wordt gemaakt. Maar er waren best wel wat momenten waarop collega’s het voor me opnamen. Toen mijn perskaart werd afgenomen, stonden zelfs de Fox News-journalisten achter mij.”

 

President Trump neemt graag een loopje met de waarheid. Hoe lastig is het om als journalist daar voortdurend tegenin te moeten gaan?

“Trumps tactiek is: liegen of het gedrukt staat. De factcheckers van de Washington Post turfden tienduizend onjuiste of leugenachtige uitspraken in de eerste twee jaar van zijn presidentschap. Tezelfdertijd valt hij iedereen frontaal aan die hem op zijn leugens wijst, in de eerste plaats dus de pers. Journalisten zijn uren kwijt aan het controleren van zijn ‘alternatieve feiten’. Dat vindt hij niet fijn, waardoor hij nog wat meer begint te schelden. Ook zijn supporters vinden ons journalistieke werk een ware schande. Maar wat moeten we dan in godsnaam doen? Al die leugens en halve waarheden gewoon blauwblauw laten? Dat kan toch niet? Veel Amerikanen lijken dit politieke leugenpaleis geaccepteerd te hebben. Ik vind dat onbegrijpelijk.”

 

Is Trump een pathologische leugenaar of maken de vele leugens ook deel uit van het toneelstuk dat hij opvoert?

“Ik ben geen psychiater en kan geen diagnose stellen over hoe het mentaal met hem gesteld is. Maar op een dag ging ik iets drinken met een hoge functionaris uit het Witte Huis. Hij was vreselijk gefrustreerd en zei op een bepaald moment: ‘De president is gek.’ Ik vroeg hem wat hij daarmee bedoelde. Hij zei: ‘Trump begrijpt niet hoe onze grondwet ineen zit. Hij weet niet hoelang een minister kan aanblijven en kent de regels niet voor het benoemen van een kabinetslid. Hij weet van toeten noch blazen.’ Maar hij is niet zo geschift dat hij zelf niet meer weet wat hij doet. ‘Hij is crazy like a fox. Hij weet wel degelijk waar hij mee bezig is.’ Ik praatte met een andere hoge pief uit het Witte Huis. ‘De president regeert door middel van instabiliteit’, zei hij. ‘Trump wint door alles om hem heen instabiel te maken. Zo beheerst hij de chaos.’ Dat is iets anders dan een compleet gestoorde idioot die willens nillens de boel in de war stuurt.”

 

Dat is misschien nog veel verontrustender?

“Dat vinden sommige van zijn eigen mensen in het Witte Huis ook. Om tegenwicht te bieden, lekken ze doelgericht naar de pers, of proberen ze al dan niet subtiel het presidentiële beleid een beetje bij te sturen. Zelfs Trumps trouwste vazallen maken zich soms zorgen over hun president. Zijn adviseur Kellyanne Conway vertelde me dat ze niet gelukkig is met zijn uitdrukking ‘vijand van het volk’. Ze gaf zelfs toe dat die retoriek gevaarlijk is. Ze was het ook niet eens met zijn maatregel om aan de grens kinderen te scheiden van hun ouders. Ik vind het veelzeggend dat ze me dat on the record toevertrouwde.”

 

Iedereen kent Kellyanne Conway, maar Trumps belangrijkste binnenlandse adviseur Stephen Miller blijft in de schaduw, terwijl zijn invloed op de president niet te onderschatten is?

“Zonder twijfel. Miller is de architect van de moslimban en de inspirator van het beeld van Amerika dat overspoeld wordt door illegale Mexicaanse criminelen en verkrachters. Hij is een van de anciens en staat Trump bij sinds de campagne. Tijdens de verkiezingsrally’s was Miller zijn publieksopwarmer. In opruiende speeches introduceerde hij hem. Hij schreef ook de van doom and gloom doortrokken inauguratiespeech. Ze zijn zeer close en delen hetzelfde uiterst rechtse en ultraconservatieve gedachtengoed. Amerika is een land gebouwd op immigratie en hun denkbeelden gaan daar lijnrecht tegenin.”

 

U bent zelf de zoon van een Cubaanse immigrant.

“Daarom raakt de afschuwelijke retoriek van de president over migranten me recht in het hart. Mijn vader ontvluchtte als kind samen met zijn moeder de communistische dictatuur van Fidel Castro. Toen ze in de staat Virginia aankwamen, werden ze niet opgewacht door een vijandige menigte of een president die hen uitschold voor het vuil van de straat. Ze werden warm ontvangen door een plaatselijke kerkgemeenschap en ontmoetten vooral vriendelijkheid en gastvrijheid.”

 

Zijn Miller en Trump fascisten?

“De feiten spreken voor zich. Luister naar wat ze vertellen en hoe ze over mensen spreken. Kijk naar waar ze in geloven, en naar wat ze beslissen. Hoe ze Amerikaanse burgers opzetten tegen elkaar. Dat staat allemaal haaks op de waarden van de Verenigde Staten.”

 

 

Bio

  • Geboren op 17 april 1971 in Washington DC
  • Studeerde communicatiewetenschappen
  • Volgde voor CNN de presidentscampagnes van Barack Obama, Hillary Clinton, Mitt Romney en Donald Trump
  • Is sinds januari 2018 hoofdcorrespondent Witte Huis voor CNN

 

Jim Acosta, Vijand van het volk, HarperCollins, 336 blz, 21,99 euro

(c) Jan Stevens

‘Ik ben tegen excuses aan Congo’

In zijn boek Mijn drie levens haalt Etienne Davignon herinneringen op aan zijn leven als diplomaat, eurocommissaris en zakenman. “Ik zeg gewoon wat ik denk. Ik ben daar intussen oud genoeg voor.”

 

Op zijn 86e houdt graaf Etienne Davignon kantoor op de 13e verdieping van het hoofdkwartier van energiereus Engie in de Brusselse Noordwijk. Vanuit zijn bureaustoel heeft hij zicht op het Atomium, het koninklijk kasteel van Laken en op de Onze-Lieve-Vrouwekerk waar koning Boudewijn begraven ligt. Met de huidige koning Filip heeft de machtigste man van België naar eigen zeggen een uitstekende band. Die werd gesmeed op de jaarlijkse ‘geheime’ bijeenkomsten van de gecontesteerde Bilderberg-groep waar Davignon erevoorzitter van is. Met Filips oom Boudewijn was die band iets minder innig. In zijn pas verschenen herinneringenboek Mijn drie levens beschrijft Davignon hoe hij in april 1975 samen met Boudewijn naar de Sovjet-Unie reisde. Hij was toen politiek directeur van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Renaat Van Elslande (CVP), die hij langs zijn neus weg ‘ontzettend lui’ noemt. “Boudewijn wilde absoluut Leonid Brezjnev ontmoeten, maar we hadden hem gezegd dat dit onmogelijk was”, schrijft hij. “De koning sputterde tegen, maar hield zich uiteindelijk aan het protocol.” Zonder dat Boudewijn het wist, ging Davignon vervolgens met de hulp van een hooggeplaatste vriend uit de communistische partij zelf bij Brezjnev in het Kremlin op audiëntie. “Brezjnev en ik hadden elkaar niets bijzonders te vertellen. In de auto zei ik achteraf tegen mijn vriend: ‘Je kunt mijn carrière kelderen als je zegt dat ik Brezjnev heb ontmoet terwijl de koning hier op bezoek was.’ Maar hij heeft er nooit over gerept en niemand heeft het ooit geweten.” Tot nu dus.

In Mijn drie levens verhaalt graaf Etienne Davignon hoe hij van WO II tot vandaag al dan niet discreet zijn stempel drukte op beslissende momenten in België en de rest van de wereld. Zo onderhandelde hij mee over de onafhankelijkheid van de Belgische kolonie Congo. Auteur Ludo De Witte wees in zijn in 2014 verschenen boek Huurlingen, geheim agenten en diplomaten Davignon aan als een van de medeverantwoordelijken voor de moord op de Congolese eerste premier Patrice Lumumba. “Ik ontken mijn betrokkenheid totaal”, reageert Etienne Davignon. “Ik weet wat ik toen wel of niet gedaan heb. Dit zat er niet bij. Veel mensen hebben het er moeilijk mee om te begrijpen dat dit een zaak was tussen Congolezen. Ze waren bang van Lumumba. Jacques Brassinne heeft de moord uitgebreid onderzocht en zijn conclusie is: het is een Congolese affaire. Natuurlijk heeft misschien hier en daar een Belg een rol gespeeld. Maar dan enkel als individu en niet als vertegenwoordiger van de Belgische staat.”

 

Schreef u Mijn drie levens om een aantal misvattingen over uw macht en invloed recht te zetten?

Etienne Davignon: “Nee. Ik heb dit boek geschreven omdat mijn kinderen en kleinkinderen meer wilden weten over wat ik als immer afwezige vader en grootvader uitspookte. Toen ze klein waren, was ik aan het werk en maakte ik geen deel uit van hun geschiedenis. Ze hoorden soms namen vallen en dat maakte hen nieuwsgierig. Mijn boek staat vol souvenirs voor mijn kinderen en kleinkinderen.”

 

Wat vonden ze ervan?

“Ze hebben het nog niet gelezen. Ik zal u dat later vertellen. (lacht)”

 

Zij komen in uw boek niet voor.

“Dat is precies zoals ik het wou. Er heeft altijd een hoge, stevige muur gestaan tussen mijn beroeps- en privéleven. Mijn kinderen wilden er ook zelf nooit bij betrokken worden. Op een bepaald moment stond ik op de hitlist van de Italiaanse terreurgroep Rode Brigades. Ik moest beveiligd worden, want de dreiging was zeer ernstig. Mijn kinderen werden toen naar school gevoerd met mijn auto. Ze vonden dat allesbehalve prettig. Ze wilden niet dat de auto voor de schoolpoort parkeerde, en vroegen om het blokje om te rijden. Zo konden ze gewoon hun school binnenwandelen. Ze hadden overschot van gelijk.”

 

Over uw plaats op de hitlist van de Rode Brigades lees ik niets in uw boek.

“Niet alles wat er in mijn leven gebeurde, staat erin.”

 

De Rode Brigades waren in 1978 de koelbloedige moordenaars van de Italiaanse ex-premier Aldo Moro. Dat moet toch zeer beangstigend voor u geweest zijn?

“Dat is het verleden. Van zodra de bedreiging wegebt, vergeet je zoiets snel. Ik ben een geboren optimist. Ik besefte dat ik voorzichtig moest zijn, maar ik was er ook van overtuigd dat ik de dans zou ontspringen.”

 

U bent nooit in de Belgische politiek gestapt omdat u dan in de clinch zou geraakt zijn met uw vrouw Antoinette Spaak, ‘de ster van het FDF’ zoals u haar noemt. Was u premier van België geworden als uw vrouw niet politiek actief was geweest?

“Dat is koffiedik kijken; misschien was mijn politieke carrière dan wel uitgedraaid op een totale mislukking. Ik ben geen liefhebber van ‘wat als’-vragen. In de politiek bewerkstellig je in je eentje zo goed als niets. Dat is altijd het werk van een ploeg. Halverwege de jaren tachtig bevond ik me bij de PSC, de voorloper van het huidige CdH, in het gezelschap van Gérard Deprez, Melchior Wathelet sr. en Philippe Maystadt. Mijn tweede mandaat als Europees commissaris liep ten einde en ik werd door Deprez en Wathelet uitgenodigd om een belangrijke rol te spelen in de Belgische verkiezingen. Maar Maystadt wou onafhankelijk blijven en geen positie over mij innemen. Ik had toen niet het gevoel dat ik door een hecht team gesteund werd en heb geweigerd. Ach, zelfs met de steun van Maystadt had ik het nog niet gedaan. Want het zou inderdaad een slechte invloed gehad hebben op mijn persoonlijke leven.”

 

In 1936 werd uw vader Jacques Davignon Belgisch ambassadeur in Berlijn. U was toen vier jaar oud.

“Ik was veel te klein om iets te begrijpen van de ideologie van de nazi’s, maar ik was wel onder de indruk van hun propaganda. Berlijn hing vol grote banieren met swastika’s. ’s Avonds werden die verlicht en ik stond daar met open mond naar te kijken.

“Bij mijn vader merkte ik angst voor de toekomst. Hij geloofde niet in het scenario van België als neutrale staat. Hij was er zeker van dat Adolf Hitler zich niet zou laten tegenhouden door wat voor wet ook over de neutraliteit van België. Mijn vader wist: op het moment dat Hitler écht beslist om oorlog te gaan voeren, ziet het er voor ons land slecht uit. Hij was er zeker van dat er oorlog zou komen. Hij zette dat ook op papier en dat werd hem niet in dank afgenomen. Wie slecht nieuws brengt, is nooit populair.”

 

Tijdens de oorlog groeide u samen met uw oudere broer op in Zwitserland.

“Eind juni 1941 zou mijn vader ambassadeur in Londen worden. Maar toen de oorlog in mei 1940 uitbrak, werden we met de trein uit Berlijn geëvacueerd. Op dat moment had mijn vader geen adres in België waar hij ons kon huisvesten. Er was toen ook nog geen Belgische regering in ballingschap in Londen. Vader wist niet waar hij met ons naartoe moest. We belandden uiteindelijk in Vichy, waar de meeste Belgische ministers naartoe gevlucht waren. Koning Leopold III vroeg vader om terug te keren naar Brussel en hij gehoorzaamde.”

 

Dat had hij misschien beter niet gedaan.

“U hebt gelijk. Maar jammer genoeg kunnen we de geschiedenis niet terugdraaien. Vader was inderdaad beter naar Londen uitgeweken in plaats van naar Brussel. Dan had hij nooit tegen zijn zin Leopold moeten vergezellen naar een onderhoud met Hitler in Berchtesgaden. Vader was niet voor niets ambassadeur van de koning en vond dus dat hij loyaal moest zijn aan Leopold III. Toen hij in 1940 naar Brussel vertrok, liet hij me met mijn broer achter in Zwitserland. Hij beloofde dat hij ons snel zou komen halen. Het zou tot 1945 duren voor we naar België konden terugkeren.”

 

In Zwitserland werd u opgevoed door een Britse nanny. Was u toen eenzaam?

“Nee, ik heb daar een mooie kindertijd beleefd. We woonden in een klein dorp en ik was kind onder de andere kinderen. Ik werd niet naar de internationale school gestuurd, maar naar de dorpsschool. In de vakantie bracht ik samen met mijn vriendjes de koeien naar de alpenweide en plukte ik abrikozen. Mijn ambitie was: skileraar worden. (lacht)”

 

Je hoort vaak dat onze huidige tijd op de jaren dertig lijkt. Vindt u dat ook?

“Misschien is het goed dat we ons er bewust van zijn dat dictators zoals Hitler en Mussolini via democratische weg aan de macht gekomen zijn. Wat in het verleden gebeurd is, kan zich herhalen, al hoeft dat niet per se zo te zijn. Maar vandaag zijn de risico’s groter. Van het Vlaams Belang kennen we de origine en we mogen ook niet vergeten dat de PVDA in wezen een traditionele communistische partij is. Tegenwoordig staan veel mensen wantrouwig tegenover de representatieve democratie. Ze stemmen een aantal politici in het parlement waar ze quasi meteen ontevreden over zijn. Dat fenomeen is niet typisch Belgisch; het heeft zich verspreid over heel Europa.”

 

Dat verontrust u?

“Jawel. In plaats van representatieve democratie, willen burgers een vorm van rechtstreekse democratie, alleen werkt dat niet. Kijk maar naar wat het Brexit-referendum ons aan ellende oplevert. Hoe legitiem is zo’n uitslag van 49% tegenover 51% eigenlijk?”

 

In de jaren vijftig kwam u in de diplomatie terecht. U wou bewust in de voetsporen van uw vader Jacques Davignon treden?

“In mijn familie is er een lange traditie van begaan zijn met publieke zaken, de ‘res publica’. Mijn overgrootvader Gilles schreef in 1830 mee aan de grondwet van het nieuwe België. Grootvader Julien was minister van Buitenlandse zaken en vader Jacques was diplomaat. Er is dus die lijn van publieke dienstverlening. Mijn vader vond dat zeer belangrijk, maar mijn oudere broer was daar niet in geïnteresseerd. Ik zag hoe vader worstelde met depressies. Ik had niet veel zin om diplomaat te worden, maar wou omwille van hem toch proberen de traditie in ere te houden.”

 

Als jonge diplomaat speelde u een belangrijke rol bij de onafhankelijkheid van Congo. U was ambitieus?

“Dat was per ongeluk. Op 13 januari 1959 kondigde koning Boudewijn de nakende onafhankelijkheid van Congo aan. Er werd een Belgisch-Congolese rondetafelconferentie samengeroepen. Het was eerst onduidelijk wie daar als Congolese vertegenwoordigers in zouden zetelen. Uiteindelijk werd dat een mix van deelnemers met verschillende achtergronden, met vooral mensen die in de verschillende regio’s politiek actief waren. Onder anderen Joseph Kasavubu, Patrice Lumumba en Joseph-Désiré Mobutu zaten aan de tafel. De Belgische delegatie werd voorgezeten door vice-premier Albert Lilar. Er moest ook een vertegenwoordiger van minister van Buitenlandse Zaken Pierre Wigny in zetelen en die taak kreeg ik op mijn bord. Op dat moment was ik nog een eenvoudige stagiair. Met mijn benoeming wilde Wigny duidelijk maken dat hij als voormalig minister van Koloniën niets met de onafhankelijkheid te maken wilde hebben. Daarom stuurde hij zijn laagste ambtenaar, al had hij nog veel liever de conciërge gestuurd. Ik had dat eerst niet door en leefde in de overtuiging dat ik uitverkoren was omwille van mijn talenten. (lacht) Zo leerde ik de eerste generatie Colonese leiders goed kennen.”

 

Schatte de Belgische regering het Congolese onafhankelijkheidsstreven totaal verkeerd in?

“Ze was veel te optimistisch en maakte de foute gok dat ze snel afscheid van de kolonie kon nemen. Terwijl er een lange periode van onrust en ontevredenheid in Congo aan die conferentie voorafging. De redenering van de Belgische overheid was: ‘We laten Congo los en de technische ambtenaren blijven als raadgevers. Zo zal het wel lukken.’ Niet dus. Ik geloof niet dat het ooit had kunnen lukken. De infrastructuur was goed, de scholen werkten uitstekend, alleen had geen enkele Congolees ervaring met het opnemen van publieke verantwoordelijkheid.”

 

Ze hadden geen inspraak in het beleid?

“Nee. Dat was niet hun fout. In minder dan zes maanden moesten er verkiezingen georganiseerd worden. De nieuw verkozenen hadden geen ervaring. ‘Ze zullen zich laten bijstaan door de Belgische raadgevers.’ Onzin natuurlijk. Als je aan de macht komt, wil je die ook uitoefenen en niet van iemand anders afhangen. Na de verkiezingen brak er muiterij uit in de Force Publique, het Congolese leger. Toen was het hek van de dam. Die opstand richtte zich niet tegen de Belgen, maar tegen de kersverse premier Patrice Lumumba, die ook minister van Defensie was.”

 

Op 23 juni 1960 werd Lumumba de eerste premier van Congo en op 4 september van datzelfde jaar werd hij door president Kasavubu ontslagen. U was daar blij mee. U schrijft: ‘Je kunt moeilijk ongelukkig zijn als je een eerste minister ziet vertrekken die een vijandig beleid voert ten opzichte van je land.’ Had u een hekel aan Lumumba?

“In mijn portret van hem schilder ik toch ook zijn kwaliteiten? Hij wou voor heel Congo zorgen, en niet alleen voor zijn eigen regio. Hij had ambitie en talent. Hij was geen communist, maar een nationalist. Alleen kon hij niet opboksen tegen de omstandigheden. Samen met de onzekerheid kwam de onrust. Op een bepaald moment besliste de Belgische regering in paniek om troepen naar Congo te sturen. Zij moesten de orde handhaven en Belgen evacueren, maar de regering vergat om de Belgische ambassadeur in Congo te verwittigen. Waardoor hij niet op voorhand Lumumba kon geruststellen.”

 

De Congolese regering zag de Belgische invasie terecht als een daad van agressie?

“Eigenlijk wel, ook al was dat niet onze intentie. De Congolezen gingen klagen bij de Verenigde Naties, waarna zij beslisten om een veiligheidstroepenmacht op te richten. Zo groeide Congo uit tot een internationaal conflict en was de chaos compleet.”

 

Moet België zich verontschuldigen voor wat er tijdens de kolonisatie gebeurd is?

“Ik ben tegen excuses. De Congolese bevolking heeft geen slecht gevoel over België. Enkele maanden geleden opende in Katanga een herinneringspark; daar staat een standbeeld van Leopold II.”

 

De man die in ‘zijn’ Congo Vrijstaat handen liet afhakken.

“U ziet meteen hoe ingewikkeld het is. Het is verkeerd om met de waarden van vandaag te oordelen over feiten van honderd jaar geleden. Natuurlijk hebben we vergissingen begaan; godzijdank hebben we ook zaken verwezenlijkt die wél goed zijn. Alleen wil ik het verleden niet beoordelen door de bril van vandaag.”

 

Wijlen Renaat Van Elslande (CVP) was van 1973 tot 1977 minister van Buitenlandse Zaken. U was zijn politiek directeur. In uw boek noemt u hem ‘ontzettend lui’.

“Renaat Van Elslande leeft niet meer en het is makkelijk om zaken te vertellen over mensen die zich niet meer kunnen verdedigen.”

 

Maar u schrijft het wel.

“Ik wou gewoon uitleggen dat mijn situatie op Buitenlandse Zaken niet houdbaar was. Van Elslande was heel intelligent en had al een mooie politieke carrière achter de rug. Maar hij nam zijn portefeuille niet ernstig en daarom overlegden buitenlandse gesprekspartners liever met mij dan met hem. Zoiets blijft nooit duren: een ambtenaar kan niet de plaats innemen van zijn minister. De toenmalige eerste minister Leo Tindemans heeft mij gered door me naar de Europese Commissie te sturen.”

 

U noemt Paul Vanden Boeynants dan weer ‘een uitstekende eerste minister’. Ik vermoed dat niet iedereen het daarmee eens is.

“Ik zeg gewoon wat ik denk; ik ben daar intussen oud genoeg voor. Dat wil nog niet zeggen dat alles wat ik zeg ook altijd correct is.” (lacht)

 

We zitten hier 13 hoog in de met kantoortorens bezaaide Brusselse Noordwijk. Vroeger was dit een levendige buurt met cafés, cinema’s en winkels, waar 12.000 mensen woonden. Onder impuls van Vanden Boeynants is dat met de grond gelijk gemaakt.

“Ik ken zijn fouten, maar toen hij verantwoordelijkheid had over de staat, was hij een staatsman. In de jaren dat hij premier was, heeft hij het land goed geleid.”

 

Van 1977 tot 1985 was u Europees commissaris, waarvan de eerste vier jaar onder de Britse voorzitter Roy Jenkins. De nakende Brexit stemt u droevig?

“De Brexit heeft niet veel met Europa te maken, maar vooral met de lamentabele toestand van de Britse Conservatieve Partij. David Cameron schreef indertijd het referendum uit om zijn partij te redden. Het was niet de bedoeling dat Leave een meerderheid zou halen. Het plan was: de Brexit wordt weggestemd en dat betekent meteen het einde van de verdeeldheid onder de conservatieven. Dat werd een totale mislukking.

“Europa is broodnodig, alleen heeft het project de voorbije jaren aan populariteit ingeboet. Europa werd steeds meer een kwestie van management, waardoor het politieke perspectief vervaagde. Als je twee bladzijden nodig hebt om uit te leggen waarom Europa nodig is, zit je met een probleem. Want een paar paragrafen zouden moeten volstaan: Europa waarborgt ons een betere toekomst en is een baken van zekerheid in een veranderende wereld.

“De regeringen van verschillende lidstaten klagen: ‘Europa verplicht ons vervelende maatregelen te nemen.’ Ze vergeten er bij te vertellen dat ze daartoe verplicht zijn omdat ze daar zelf ooit hun zegen over gegeven hebben. Europa kan geen beslissingen nemen zonder het akkoord van de lidstaten. In Brussel knikken ze braaf ja, maar thuis maken ze hun burgers wijs dat ze door Europa onder druk gezet worden.”

 

Zoals de Hongaarse premier Viktor Orban?

“Ik ben in Boedapest geboren en had eerlijk gezegd nooit gedacht dat een regime zoals dat van Orban mogelijk zou worden. Na de val van de muur kregen de Europese landen die al die jaren onder het communistische juk leefden, de kans zichzelf heruit te vinden. West-Europa had toen ook kunnen zeggen: ‘Trek jullie plan.’ Gelukkig deden we dat niet en aanvaardden we onze politieke verantwoordelijkheid. Maar we hadden nooit gedacht dat dat zou leiden tot verkeerde interpretaties. Die landen in ontwikkeling kregen veel financiële steun van Europa. Terecht, want we willen iedereen op het hoogste niveau tillen. Alleen staat in de verdragen niet geschreven dat we die landen moeten opvolgen. Daarom kan Orban twee registers blijven bespelen. Aan de ene kant bazuint hij rond dat hij niets moet weten van de Europese bemoeienis, aan de andere kant kan hij met het geld dat hij van Europa krijgt in eigen land economisch succes boeken.”

 

In 1988 werd u benoemd tot voorzitter van de Generale Maatschappij. Volgens sommigen organiseerde u in die functie de uitverkoop van België.

“Dat weet ik.”

 

Begin vorig jaar tweette Geert Noels: ‘Etienne Davignon verkocht telkens strategische Belgische activa en werd Minister Van Staat. #saynomore’.

“Ik heb Noels voorgesteld om daarover in debat te gaan. Hij wou niet. De Generale Maatschappij had geen stabiel aandeelhouderschap. Daarom kon de Italiaanse zakenman Carlo de Benedetti begin 1988 een bod op 35% van de Generale Maatschappij uitbrengen. Daarmee zou hij meteen ook de controle verwerven, want het aandeel van de vaste aandeelhouders bedroeg slechts 10%. Precies daarom bood ik de Belgische regering een belang van 20% aan in het kapitaal van de Generale. De regering was in lopende zaken en Jean-Luc Dehaene voerde onderhandelingen over de samenstelling van de regering Martens VIII. Ik voel veel vriendschap en respect voor wijlen Jean-Luc. Hij zei: ‘Zo’n beslissing kan niet in lopende zaken.’ De toenmalige staatsbank ASLK was nochtans bereid om dat belang te nemen. Toch ging het niet door en België liet een grote kans liggen. Want dan zou het Franse Suez nooit de enige aandeelhouder van de Generale Maatschappij geworden zijn, zoals nu wel gebeurde. Sterker nog: misschien hadden wij ooit Suez overgenomen.”

 

Electrabel kwam ook voor 100 % in handen van Suez. Hoe gezond is het dat onze stroomvoorziening gecontroleerd wordt door een buurland?

“Dat wou ik ook niet. Toch moeten we correct blijven: hebben die Franse overnames gevolgen gehad voor de tewerkstelling in België? Zijn al die overgenomen ondernemingen in waarde gezakt? Nee, ze bleven succesrijk. Ik minimaliseer niet dat het beslissingscentrum niet meer voor honderd procent in België ligt. Maar over de toekomst van al die bedrijven wordt toch vooral hier nagedacht. De gevolgen voor de Belgische economie en tewerkstelling zijn bijna nihil.”

 

U schrijft dat de grootste fout uit uw carrière was om in volle bankencrisis voorzitter te worden van de raad van bestuur van Fortis.

“Maurice Lippens had ontslag genomen en ze kwamen me vragen of ik hem wou opvolgen. Ik had toen nee moeten zeggen, ook al was ik in theorie capabel voor die functie. De aandeelhouders die de waarde van hun aandelen hadden zien kelderen, stemden me begin december 2018 weg op de bijzondere aandeelhoudersvergadering op de Heizel in Brussel. Ze zagen me als een man van het verleden. Maurice Lippens is een vriend en ik was niet bereid om hem tot vijand uit te roepen. Voor al die gedupeerde aandeelhouders was hij boosdoener nummer 1 en ik deelde in de klappen. Ik vond Lippens zijn beleid niet goed, maar dat wil niet zeggen dat je niet bevriend kan blijven. Figuren als Mischaël Modrikamen zweepten de gemoederen op.”

 

Er werden door woedende aandeelhouders schoenen naar u gegooid.

“Ik heb wel meer pijnlijke algemene vergaderingen meegemaakt, hoor. Alleen kon ik in de Heizel door het door Modrikamen aangevuurde kabaal niet eens iets zeggen. In Nederland had ik op de algemene vergadering een nipte meerderheid gehaald, in Brussel haalde ik die net niet. Achteraf beschouwd was die stemming een zegen. Ik stond gewoon niet in de juiste positie om het vertrouwen te winnen van de mensen die slachtoffer waren van de hele situatie. Dat had ik op voorhand beter moeten inschatten.”

 

Eind 2018 besloot het Brusselse gerecht om niemand van de verantwoordelijken voor het Fortis-débacle te vervolgen. Klopt de perceptie dat de topbankiers de dans ontspringen, terwijl de kleine aandeelhouders berooid achterblijven?

“De rechtbank heeft beslist. Moesten er geen gerechtelijke onderzoeken geweest zijn, sneed uw opmerking hout. Nu niet. Er is ook een minnelijke schikking getroffen.”

 

U staat op goede voet met koning Filip. Is hij na de verkiezingsuitslag van 26 mei in paniek? 43% van de Vlamingen stemde voor separatistische partijen.

“Koning Filip is niet snel in paniek. Hij wil zijn job goed uitoefenen en hij pakt de zaken uitstekend aan. Zijn beslissing om twee informateurs in te schakelen, is verstandig. Ik geloof trouwens niet dat er aan Vlaamse kant bijna een meerderheid is voor Vlaamse onafhankelijkheid. Onder de uitslag van 26 mei schuilt een andere werkelijkheid. Onderzoek van de Universiteit Antwerpen, KU Leuven, VUB, ULB en UCL laat zien dat de publieke opinies in Vlaanderen, Brussel en Wallonië opvallend gelijklopen. Het enige waarover ze verschillen, is migratie.

“Toen Filip nog kroonprins was, heb ik hem geïntroduceerd bij de Bilderberggroep. Ik had gezien hoe belangrijk Bilderberg was voor de vorming van de Nederlandse prinses Beatrix, toen zij samen met haar vader prins Claus de eerste bijeenkomsten bijwoonde. Ze leerde er veel mensen kennen. Tussen 1992 en 2012 is Filip een tiental keer op mijn uitnodiging langsgekomen. Zo leerden we elkaar kennen en respecteren.”

 

Volgens sommigen is de Bilderberg-conferentie dé plek waar de machtigen der aarde en het grootkapitaal duistere complotten smeden.

“Complottheorieën zijn van alle tijden. Als het klopt dat de Bilderberg-groep de wereld leidt, moet ze onmiddellijk ontslag nemen, want het eindresultaat is niet fameus.”

 

U bent 86 en houdt kantoor op deze 13e verdieping. Het pensioen lonkt nog niet?

“Ik was altijd onafhankelijk en heb nooit het statuut van bediende gehad. Er staat bijgevolg geen datum op mijn pensioen.”

 

Wilt u sterven in het harnas?

“Nee, ik wil nog niet zo vlug dood. U mag er zeker van zijn dat ik zal sterven op het moment dat ik geen professionele activiteit meer uitoefen. Ik bouw af. In vergelijking met drie jaar geleden, doe ik nu minder. Mijn voorzitterschap van de raad van bestuur van BOZAR telt niet mee, want dat is vrijwilligerswerk. Ik zit nog in de raad van bestuur van Brussels Airlines en heb ervoor gezorgd dat vanaf 9 juli ook Jan Smets toetreedt.”

 

De voormalige gouverneur van de Nationale Bank wordt daar uw opvolger?

“In al mijn activiteiten heb ik mijn opvolging voorbereid. Daarom werk ik nu minder dan vroeger. Ooit wordt dat nul.”

 

Etienne Davignon, Mijn drie levens, Lannoo, 280 blz, 25,99 euro

(c) Jan Stevens

Stella Goldschlag, de Joodse vrouw die haar vrienden naar de gaskamer stuurde

In Stella brengt de Duitse schrijver Takis Würger de Joodse ‘Greifer’ Stella Goldschlag opnieuw tot leven. Tijdens WO II assisteerde zij in Berlijn de Gestapo bij het opsporen van Joodse onderduikers. ‘Schandaalroman’ Stella zette de voorbije maanden Duitsland op stelten. “Iemand vroeg zelfs een verbod. Al die heisa deed verschrikkelijk veel pijn. Na lectuur van de zoveelste vernietigende commentaar in de krant zat ik soms een potje te wenen.”

 

Begin dit jaar verscheen in Duitsland Takis Würgers tweede roman Stella. Zijn debuut Der Club leverde hem in 2017 niets dan lovende recensies op. “Mijn eersteling werd de meest succesvolle debuutroman van dat jaar”, herinnert hij zich. “‘De nieuwe Hemingway is opgestaan’, jubelden de laaiend enthousiaste recensenten in koor.”

De historische figuur Stella Goldschlag speelt de hoofdrol in Würgers nieuweling Stella. Ze werd geboren in 1922 in Berlijn als het enige kind van Gerhard en Toni Goldschlag. Als Joods meisje ervoer ze in de jaren dertig het oprukkende antisemitisme aan den lijve. Vanwege haar afkomst werd ze van de openbare school gestuurd. In augustus 1943 werd ze samen met haar ouders door de Gestapo opgepakt. Stella werd eerst gefolterd en later gerekruteerd voor de Jüdischer Fahnungsdienst, de Joodse Opsporingsdienst. Voortaan ging ze door het leven als ‘Greifer’, als ‘vanger van Joden’. In ruil voor elke Joodse onderduiker die ze verlinkte, kreeg ze 200 Rijksmark. De Gestapo beloofde haar ook dat haar ouders niet naar een kamp op transport gezet zouden worden. Niet veel later werden ze toch naar Theresienstadt gedeporteerd. Maar ook daarna bleef Stella als Greifer actief. De nazi’s gaven haar als koosnaampje ‘het blonde gif’ en na de oorlog werd ze in de Duitse pers opgevoerd als ‘de Jodin die al haar vrienden naar de gaskamer stuurde.’

Meteen na publicatie van Stella op 11 januari in Duitsland, verschenen ook de eerste recensies. De Süddeutsche Zeitung kopte: ‘Een verschrikking, een belediging en een overtreding’, en catalogeerde het boek als: ‘verraad aan de geschiedenis en de herinnering’. De Frankfurter Allgemeine vroeg zich af: ‘Waarom dit nazi-verhaal voor dummies?’ De recensent van Die Zeit vatte een dag later Stella samen tot: ‘Gruwel in kinderboekenstijl.’ De openbare omroep Deutschlandfunk noemde Würgers roman ‘holocaust-kitsch’.

Takis Würger: “Gelukkig waren er ook tegengeluiden, zo riep de Duitse televisiezender NDR op hetzelfde moment Stella uit tot boek van de maand. Omdat mijn tweede roman over de holocaust gaat, volstaat dat voor de Duitse critici om mij met de grond gelijk te maken. Na mijn succesvolle debuut had ik dit scenario perfect kunnen voorspellen en me kunnen voorbereiden op die storm, maar toch was ik er niet klaar voor. De negatieve kritieken kwamen keihard binnen, zeker in het begin. Ik moest op zoek naar een manier om ermee om te gaan. Als romanschrijver heb je geen andere keuze dan ze gewoon aanvaarden. Critici zijn er om boeken te bekritiseren. Punt. Daniel Kehlmann is momenteel in Duitsland dé topauteur. Hij mailde me om me een hart onder de riem te steken, net als nog veel andere succesvolle Duitse schrijvers. “Die kritiek is normaal”, schreven ze. “Wen eraan.” Ze hebben gelijk, alleen gingen de hardheid en de wreedheid bij Stella in overtreffende trap.”

 

Kwam dat door de gevoeligheid van het onderwerp: de holocaust?

“Nee. Het was heel persoonlijk. U hebt mijn boek gelezen. Vindt u het ook zo schokkend dat het de gemoederen tot een kookpunt kan drijven? Nee, toch? Natuurlijk geeft Stella stof om over na te denken. Maar om daar dan compleet hysterisch over te worden? Er bestaan ook nog échte schandaalboeken. Ik heb niets nieuws verzonnen. Stella is een liefdesverhaal dat zich afspeelt tijdens de holocaust, met een vrouw in de hoofdrol die gebaseerd is op een historische controversiële figuur.”

 

Misschien is het meest choquerende dat Greifer Stella Goldschlag in uw roman sympathiek, begeerlijk, slim en kunstzinnig is.

“Ik kan me voorstellen dat sommigen dat over the top vinden, alleen is daar merkwaardig genoeg nooit een opmerking over gemaakt. De voornaamste kritiek luidt: ‘Mag die Würger wel zo’n roman schrijven?’ Waarom niet? Kunst is vrij; àlles mag geschreven worden. We gaan toch geen boeken verbannen? Weet u dat iemand me juridisch vervolgde voor mijn roman? De Berlijnse advocaat Karl Alich sleepte me voor de rechter en wou Stella uit de rekken.”

 

Waarom?

“Omdat ik ‘de doden verstoorde’. Volgens mij verstoor je de doden als je op het kerkhof een lijk opgraaft en vervolgens met de beenderen begint te spelen. De rechter stuurde Alich wandelen. Meteen nadat die man me aangeklaagd had, stonden de kranten weer vol: ‘Aanklacht tegen Takis Würger’. Wie wil, kan tegenwoordig om het even wie voor om het even wat voor de rechter slepen.

“Ik heb een vreselijk bizar voorjaar achter de rug. Ik ben nu writer in residence aan de universiteit van New York en ben blij dat er die fysieke afstand is tussen mij en Duitsland. Een paar dagen geleden landde ik op de luchthaven van Schiphol en ik dacht: ‘O nee, nu krijg ik die shit opnieuw over me heen.’ Maar iedereen is hier heel meelevend. Mensen vragen voorzichtig: ‘Wat is er aan de hand in Duitsland?’ Stella verscheen gelijktijdig in Duitsland en Italië. Mijn boek werd ook gerecenseerd door de grote Italiaanse bladen. Ze hielden er allemaal van en niemand riep op tot een verbod. Ach, misschien is het wel goed dat de Duitsers de herinnering aan de holocaust en hun nazi-verleden zo onder de microscoop leggen. Al deed de heisa rond Stella me verschrikkelijk veel pijn en zat ik vaak te wenen na lectuur van de zoveelste vernietigende recensie.”

 

Boekhandelaars verdedigden u. Eind februari schreven ze in een open brief in hun vakblad Börsenblatt dat ze uw roman ondanks alles graag en van harte wilden verkopen.

“Ik ben hen zeer dankbaar. Intussen is Stella uitgegroeid tot de meest succesvolle roman van het voorjaar. Op de laatste bladzijde staat mijn e-mailadres. Ik ontving duizenden mails, die ik allemaal beantwoord heb. De overgrote meerderheid is positief. Niet dat al mijn lezers me de hemel in prijzen, maar ze laten me weten dat mijn boek hen aan het denken zet. Sinds de publicatie van Stella gaf ik in Duitsland zowat vijftig lezingen, voor telkens vijfhonderd mensen. Het was hallucinant. Op een van die lezingen begonnen ze tegen elkaar te roepen. In normale omstandigheden komen enkel fans naar hun favoriete schrijver luisteren. Nu verschijnen er ook fervente tegenstanders van Stella op mijn lezingen. Dat zorgt voor een rare sfeer. De eerste keren schrok ik, intussen vind ik dat niet zo erg meer. Natuurlijk wil je dat mensen van je werk houden, maar misschien is het nog belangrijker dat je boek een debat aanvuurt. De discussie gaat nu over hoe we ons de holocaust en de misdaden van de nazi’s willen herinneren.

“Toen ik voor het eerst over Stella Goldschlag hoorde, besefte ik dat ik haar keuzes niet kon beoordelen. Ik heb nog steeds geen idee wat ik in haar plaats gedaan zou hebben. Ik durf geen oordeel vellen over hoe schuldig ze is. Open vragen zijn een goed vertrekpunt voor een roman. Ik las alles wat ik over haar kon vinden. Haar leven is vrij uitgebreid gedocumenteerd. Ik ben geen historicus gespecialiseerd in de holocaust.”

 

U bent journalist en werkt deeltijds voor Der Spiegel.

“Precies. Ik wou niet als journalist over Stella schrijven, maar als romancier. Langzaamaan groeide het idee om haar leven in Berlijn te beschrijven via de fictieve jongeman Friedrich.”

 

Hij is stinkend rijk en afkomstig uit Zwitserland. Waarom dat land?

“Ik had een reden nodig waarom Stella precies hem als minnaar zou willen. Die reden is zijn Zwitserse paspoort: dat gaf haar de mogelijkheid om als zijn echtgenote nazi-Duitsland te ontvluchten. Hun relatie startte op een moment dat het voor haar nog mogelijk was om Berlijn te verlaten. Zwitserland zou een ideale bestemming geweest zijn. Zij raakt pas in Friedrich geïnteresseerd op het moment dat ze doorheeft dat hij Zwitser is.”

 

Was de echte Stella Goldschlag ook een opportuniste?

“Ik denk het wel. Ze was tot alles bereid om te kunnen overleven. Als Joodse in Duitsland had ze natuurlijk niet veel keuze.”

 

Uw roman speelt zich af in 1942. Uw fictieve Stella is op dat moment actief als Greifer. De echte Stella begon pas joden te verlinken vanaf 1943.

“Dat klopt, maar u mag niet uit het oog verliezen dat mijn Stella geïnspireerd is op de historische Stella Goldschlag. In tegenstelling tot mijn Stella, was zij in 1942 een getrouwde vrouw. Toch zijn de gelijkenissen tussen beide Stella’s frappant: ze collaboreerden allebei met de nazi’s, waren allebei blond, slim en mooi en zongen allebei in een jazzband. De Jodin Stella Goldschlag was het prototype van het Arische ideaal en zette zo de rassenleer van de nazi’s een neus. De meeste Joden die erin slaagden om de Tweede Wereldoorlog in Berlijn te overleven, waren blond en leken totaal niet op het clichébeeld dat de nazi’s van hen schilderden. Ik koos voor 1942 omdat het in dat jaar nog perfect mogelijk was om naar Berlijn te reizen. In januari ’43 zou dat complete waanzin geweest zijn. Want dan kwam de oorlog naar Duitsland.”

 

Volgens uw roman was Berlijn in ’42 een behoorlijk swingende stad.

“De meeste mensen hebben een totaal vertekend beeld van Berlijn tijdens WO II. Ze zien een verwoeste, platgebombardeerde stad, maar dat is het Berlijn van 1944 en ’45 uit de film Der Untergang. Ik las stapels historische boeken over Berlijn in de jaren veertig en tijdens het schrijven ging ik te rade bij drie historici. De Amerikaanse radiojournalist William Shirer leefde in het begin van de oorlog in Berlijn. Hij hield een dagboek bij en schreef over feestjes en over de illegale jazzclubs die hij bezocht.”

 

Een van uw hoofdpersonages, de in luxe levende dandy Tristan van Appen, zou in 1942 een levensechte Berliner geweest kunnen zijn?

“Zeker. Tristan is gemodelleerd naar Gestapo-baas Reinhard Heydrich. Tristan staat symbool voor het feit dat cultuur je niet beschermt tegen slechtheid. Net als Tristan was Reinhard Heydrich de zoon van een componist. Heydrich weende makkelijk tijdens het luisteren naar klassieke muziek, tezelfdertijd plande hij aan de Wannsee nauwgezet de moord op de Europese Joden. Mijn personage Tristan von Appen houdt ook van muziek, is een gastronoom en lijkt een aardige kerel. Later zal blijken dat hij Obersturmbannführer bij de SS is. Duitse lezers schrikken als ze dat halverwege de roman te weten komen. Wij Duitsers lijken nog steeds te geloven dat het nazisme in 1933 door buitenaardse wezens in Duitsland geïnstalleerd is. We vergeten dat de nazi’s Duitsers waren en de Duitsers nazi’s. Niet alle nationaalsocialisten waren domme bruten. Sommigen waren professor, historicus, componist, muzikant, vader, beste vriend, drinkebroer… Mensen zoals u en ik.”

 

De Belgische historicus Herman Van Goethem schreef een boek over 1942. Onze huidige tijd doet hem sterk denken aan de jaren dertig.

“Ik heb professor Van Goethem ontmoet en was onder de indruk. Maar met die stelling ben ik het niet eens. De NSDAP, de nazi-partij, was diep in de kern antidemocratisch. Dat geldt niet voor de huidige rechtspopulistische partijen. Ik maak me zorgen over hun opkomst, maar zolang ze de democratie niet aanvallen en er deel van uitmaken, moéten we ze aanvaarden. Een groot verschil met 1933 is dat er op dit moment geen enkele betekenisvolle antisemitische partij actief is. Al maak ik me wel zorgen over antisemitische bewegingen in Duitsland en Frankrijk. Toch is het niet juist om onze huidige tijd te vergelijken met de jaren dertig.”

 

Volgens historicus Wolfgang Benz, voormalig directeur van het Berlijnse Instituut voor Antisemitisme, is islamofobie de huidige variant van het 19e en 20e-eeuwse antisemitisme.

“Ook daar ben ik het niet mee eens. Islamofobie op dezelfde lijn plaatsen als antisemitisme is waanzin. Sommigen koesteren ongetwijfeld vooroordelen tegenover de islam, maar er bestaan geen vernietigingskampen voor moslims en er worden ook geen plannen voor gesmeed. De georganiseerde vernietiging van een heel volk door de nazi’s is een unieke misdaad. Intolerantie tegenover moslims is fout en moeten we veroordelen. Van mij mag je een hele dag bidden, zolang je de mensenrechten eerbiedigt.”

 

De historische Stella Goldschlag verklikte Joden om haar ouders te redden. Volgens sommige schattingen droeg ze 3000 mensen bij de nazi’s over.

“Die schattingen zijn overdreven. Het zullen er een paar honderd geweest zijn.”

 

Ze wist wat die mensen te wachten stond?

“Ze probeerde te vermijden dat haar vader en moeder naar de kampen op transport gezet werden. Ze moet dus inderdaad geweten hebben dat er mensen vermoord werden.”

 

Maar ook na de deportatie van haar ouders blijft ze als Greifer actief.

“We weten niet waarom ze mensen bleef verklikken. Misschien om haar eigen hachje te redden? Volgens sommige historici kickte ze op de macht om over andermans lot te beschikken. Maar was dat echt zo? Het enige waarover we zekerheid hebben, is dat ze zowel dader als slachtoffer was.”

 

Na de oorlog werd ze door de Sovjets veroordeeld tot tien jaar gevangenschap. Na haar vrijlating verhuisde ze naar West-Berlijn waar ze opnieuw tot tien jaar veroordeeld werd.

“Omdat ze al tien jaar cel achter de rug had, moest ze toen niet nog eens naar de gevangenis.”

 

Ze hertrouwde vijf keer en sprong in 1994 uit het raam van haar flat in Freiburg. Weet u waarom ze zelfmoord pleegde?

“Nee. Ze liet geen afscheidsbrief achter en sprak er op voorhand met niemand over. De historische Stella Goldschlag was, net als mijn Stella, een vrouw vol geheimen. Eigenlijk weten we niet hoe ze over zichzelf dacht, of hoe ze met schuldgevoelens omging, in de veronderstelling dat ze die had.”

 

Wat wel zeker is: ze werd samen met haar ouders gearresteerd en door de nazi’s gefolterd.

“Ja. Na die foltersessie werd ze Greifer. Haar ouders waren in levensgevaar, maar hoe ze daarover dacht of wat ze daarvan vond, weten we niet. Elk hoofdstuk begin ik met een kroniek van die tijd. Alles wat daarin beschreven staat, is hard feitenmateriaal, inclusief de 10 geboden voor iedere nationaalsocialist van Joseph Goebbels, nazi-minister van Volksvoorlichting en Propaganda. Als je als Duitser over de Tweede Wereldoorlog wil schrijven, zelfs in een roman, moét je de feiten juist hebben. Mijn eigen grootvader diende als soldaat in de Wehrmacht en mijn grootmoeder gaf voordrachten over de superioriteit van het Arische ras.”

 

Zij was een overtuigde nazi?

“Zonder twijfel. Over de Wehrmacht-soldaten werd tot lang na de oorlog gezegd: ‘Zij waren de good guys; ze hielden zich aan de regels.’ Onzin, denk maar aan wat de Duitse Wehrmacht in Rusland heeft aangericht. Ze maakten er zich schuldig aan de ene misdaad na de andere. Ter voorbereiding van dit boek was ik drie maanden in Tel Aviv en sprak ik zowat dagelijks met Auschwitz-overlevende Noah Klieger. Hij stierf in december vorig jaar en heeft nog een tijd in België gewoond. Hij was 92 toen ik hem ontmoette. Hij vertelde me hoe het was om als jood onder de nazi’s te leven. Hij zei: ‘Die oorlog was compleet verkeerd. Polen binnenvallen omdat je gelooft dat je meer Lebensraum nodig hebt: dat was toch waanzin?’ Hij had gelijk, en het was niet zo dat de soldaten van de Wehrmacht zich tegen die inval verzetten. Integendeel.”

 

Sprak u ooit met uw grootouders over hun oorlogsjaren?

“Mijn grootvader stierf voor mijn geboorte. Mijn grootmoeder heb ik wel nog gekend. Zij groeide op in een klein dorp in Pruisen en wou nooit veel over haar rol in de oorlog kwijt. Ik moest dus op zoek naar andere getuigen.”

 

U sprak ook met nazi’s?

“Als je in Duitsland leeft, is de kans vrij groot dat je af en toe met een nazi spreekt. (lacht) Ik ging inderdaad ook met een paar stokoude nazi’s praten. Ik wou de Berlijnse atmosfeer van die eerste oorlogsjaren zo getrouw mogelijk reconstrueren. Mijn hoofdpersonage Friedrich vertelt hoe de stad ruikt: ‘Berlijn rook naar kolen, naar harszeep, naar de geur van verplaatsbare houtgaskachels, boenwas en gekookte bieten.’ Dat was de authentieke geur. Het heeft me vreselijk veel moeite gekost om daarachter te komen, want de meeste inwoners van Berlijn uit 1942 zijn dood. Uiteindelijk vond ik een vrouw die zich de geur nog levendig kon herinneren. De journalist in mij wil al die feiten juist hebben.”

 

Doorheen uw boek staan getuigenissen over de verklikacties van Stella Goldschlag.

“Die zijn authentiek en heb ik geput uit de processtukken die bewaard worden in het Landesarchiv Berlin. Ze vormen een tegenwicht voor mijn sympathieke Stella. Haar verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van een man die dolverliefd is op haar. Ze brengt Friedrichs hoofd op hol. De getuigenissen over mensen die door Stella verlinkt zijn en in Auschwitz vermoord werden, zetten de lezer weer met beide voeten op de grond.”

 

Die Friedrich is zeer naïef, vind ik.

“Dat is een bewuste keuze. Kijk, wij weten nu wat er gebeurd is. Friedrich wist dat niet. Hij stond er middenin en stelde zich niet al die vragen waarvan wij vinden dat hij ze zich had moeten stellen. Ik vind dat zeer aannemelijk, wat niet wil zeggen dat ik hem als vriend zou willen. Liever niet.”

 

In 1945 kreeg Stella Goldschlag een dochter, Yvonne. Zij leeft nog. Hebt u haar ontmoet?

“Nee. Toen Stella in de gevangenis zat, werd Yvonne geadopteerd. Zij werd verpleegster en verhuisde naar Tel Aviv. Yvonne heeft altijd tegen beter weten in verkondigd dat Stella Goldschlag niet haar biologische moeder is. Haar leven lang voert Yvonne Meissl een strijd om zich te bevrijden van Stella. Met de hulp van een Israëlische journalist kon ik haar in Tel Aviv opsporen. Maar op het laatste nippertje besloot ik haar met rust te laten. Ze wil niet aan Stella gelinkt worden en ik vind dat ik dat moet respecteren.”

 

Is dat toch geen gemiste kans?

“Vanuit journalistiek oogpunt wel. Maar het is toch ook belangrijk dat je iemands wil respecteert? Ik wil Yvonne niet kwetsen. Voor Stella geldt dat argument niet: zij is 25 jaar dood.”

 

Bio

 

  • Geboren in 1985
  • Studeerde journalistiek
  • Redacteur bij Der Spiegel
  • Werkte als oorlogsjournalist in Afghanistan, Libië en Irak
  • Werd in 2010 genomineerd als een van de dertig Duitse topjournalisten onder de dertig
  • Debuteerde in 2017 met Der Club als romanschrijver

 

Takis Würger, Stella, Signatuur, 192 blz, 17,99 euro

 

(c) Jan Stevens

“Te vaak is internationale adoptie vermomde kinderhandel”

“Onder het mom van adoptie werd ik in 1980 als baby in India ontvoerd”, zegt Rani T’Kindt. Opdrachtgever was adoptiebureau De Vreugdezaaiers. In 2011 verloor die organisatie haar erkenning; een half jaar later nam het nu in opspraak gekomen Ray of Hope alle dossiers over. “Zolang er met adoptie geld te verdienen valt, zál er gefraudeerd worden.”

 

“Ik ben illegaal geadopteerd en heb dus ook op een illegale manier verblijfspapieren gekregen”, stelt Rani T’Kindt (40). “Toch riep niemand tot hiertoe op om mij uit te wijzen, zelfs het Vlaams Belang niet.”

Op 5 juli 1980 kwam de toen anderhalf jaar oude Rani met het vliegtuig vanuit India in België aan. “Mijn biologische ouders behoorden tot de laagste kaste in de stad Puducherry”, vertelt ze. “Mijn moeder beviel van een meisje en mijn vader was daar niet gelukkig mee. Hij liet haar in de steek. Mama stond met haar pasgeboren dochter op straat en wist van geen hout pijlen maken. De nonnen van het katholieke weeshuis boden haar een job als kokkin aan. Als kleine baby groeide ik op tussen de weesjes. ‘s Nachts moest mama op straat slapen; ik kreeg een bedje tussen de andere kinderen. Mijn Indiaase moeder kon niet lezen of schrijven, maar net als veel andere analfabeten kon ze wel haar naam op papier zetten. De nonnen lieten haar formulieren tekenen waardoor ze zonder het te beseffen mij afstond. Op een ochtend kwam ze in het weeshuis aan en was ik verdwenen. Ik ben nu zelf mama; ik kan me niet voorstellen dat ik mijn dochter van anderhalf zonder morren aan een paar nonnen zou hebben afgestaan. Mijn mama was in paniek. ‘Je hebt zelf getekend’, zeiden de nonnen. ‘Maak je geen zorgen: je dochter is in Parijs. Daar zal ze geneeskunde studeren. Later komt ze terug als dokter.’ Niet lang na mijn ontvoering, keerde mijn biologische vader terug naar zijn vrouw. Zijn geweten knaagde omdat hij mij in de steek had gelaten. Maar ik was verdwenen. Hij was razend. Mijn ouders werden bij de nonnen ontboden en kregen te horen dat ik gestorven was.”

 

Zaaiers van vreugde

Het katholieke weeshuis van Puducherry leverde tegen vergoeding kinderen aan de Gentse adoptiedienst De Vreugdezaaiers. Die organisatie werd eind jaren 50 opgericht door Franciscaner-pater Eugène Delooz. Hij specialiseerde zich in vakanties voor kinderen uit de Parijse bidonvilles bij Nederlandse en Belgische gezinnen. Eind jaren zestig schakelde hij over op adopties van Indiase weeskinderen. Hij sloot een deal met de weeshuizen van Moeder Theresa en op Kerstmis 1970 verscheepte de pater zijn eerste lading Indiase adoptiekinderen. De vraag van kinderloze Belgische en Nederlandse echtparen steeg en de pater legde contacten met andere Indiase weeshuizen, waaronder dat van Puducherry. “Ik heb een foto uit 1980 waarop ik als meisje van anderhalf tussen de weesjes poseer”, zegt Rani. “Pontificaal in het midden zit zuster Blanche met een baby op haar schoot. Ik zit naast haar op de schoot van een meisje met een witte haarband. Die foto diende om in Nederland en België promotie te maken voor het kinderaanbod van De Vreugdezaaiers. Zuster Blanche was een van de daders die mij in samenspraak met De Vreugdezaaiers ontvoerd en verkocht heeft. Die non werd later naar België uitgenodigd om er gevierd te worden als grote weldoenster.”

In november 2011 trok Kind en Gezin de erkenning van De Vreugdezaaiers in. Reden: ze plaatsten te weinig kinderen. Vandaag is de organisatie nog steeds actief als fondsenwerver voor Indiase schoolkinderen. De lopende adoptiedossiers werden in april 2012 overgenomen door het deze week in opspraak gekomen adoptiebureau Ray of Hope (DM 02/05).

 

Uit de doden opgestaan

In België groeide de jonge Rani op in een warm nest. “Ik heb een innige band met mijn Belgische ouders”, zegt ze. “Mijn papa is gestorven op zijn 65e; hij was net op pensioen. Datzelfde jaar is mijn dochter geboren. Ik herinner me dat ik tien was en in bad zat. Ik vroeg mijn mama: ‘Waarom gaat dat bruin niet van mijn lijf?’ Ze antwoordde: ‘Omdat je in India op de wereld gekomen bent. Je Indiase mama was arm en kon niet voor je zorgen. Daarom stuurde ze je naar hier.’”

Op haar negentiende vertrok Rani met haar toenmalige vriend voor een rondreis van een jaar door India. “Van onze trip wilden we een boek maken. ‘Zullen we op zoek gaan naar je biologische mama?’, suggereerde mijn vriend. Tot dan had ik in de veronderstelling geleefd dat ik als baby was gedumpt door een vrouw die niets om me gaf. En toch wou ik haar vinden. In mijn adoptiedossier stond enkel haar voornaam: Mary. De Vreugdezaaiers kwamen te weten dat ik haar in India aan het zoeken was. Ze namen contact op met mijn Belgische mama: ‘Er is niemand meer in Puducherry. Rani’s vader is lang dood en haar moeder stierf onlangs.’ Ik was helemaal van slag. Eerst overwoog ik die stad links te laten liggen. Toch bleven we zoeken en zo ontdekte ik dat mijn beide ouders nog in leven waren. Een non van dat weeshuis kreeg medelijden en hielp me.”

In 1998 ontmoette Rani voor het allereerst haar biologische ouders. “Dat was hartverscheurend en hakte er zowel bij hen als bij mij diep in. Hun kind was uit de doden opgestaan. Zij wisten niet dat ik geadopteerd was. Mijn mama weende en raakte me constant aan, van top tot teen. Ze wilde dat kind voelen dat ze ooit op de wereld gezet had. Ik worstelde daarmee: een vreemde vrouw die op mij leek, kon niet van me afblijven. Ik was haar enig kind. Nadat ik uit haar leven verdween, was haar verdriet zo groot dat ze geen andere kinderen meer wou. Ze smeekte me om voorgoed te blijven, trof zelfs voorbereidingen voor een huwelijksfeest en ging op zoek naar een bruidegom. Ze maakte kennis met mijn Belgische mama en dat was ontzettend moeilijk. Je hoopt om het ontbrekende puzzelstukje van je leven te vinden, maar dat blijkt toch niet zo goed te passen.”

In 2008 bezocht Rani haar biologische ouders opnieuw. Ze organiseerde toen ook een benefiet voor hen in het Gentse. “Ik gaf een interview in een krant waarin ik kritiek uitte op De Vreugdezaaiers, zonder de organisatie bij naam te noemen. Een paar dagen later zat er een anonieme dreigbrief in de brievenbus van mijn ouders. ‘Wij weten waar jullie mee bezig zijn. Let op, of wij treffen maatregelen!’ Het interview zat erbij, met de passages over de Vreugdezaaiers aangeduid in fluo.”

 

Aanklacht tegen kinderhandel

In oktober vorig jaar zag Rani T’Kindt haar moeder in India voor het laatst. “Vier weken geleden is ze gestorven. Ze was 62. Ik ben blij dat ik haar samen met mijn dochter van zeven nog ben gaan opzoeken. In de lente van vorig jaar liet een Indiase neef me weten dat ze ernstig ziek was. Ik wou dat ze voor haar dood haar enige kleinkind zag. In oktober hielden mijn dochter June en mijn mama Mary elkaars handen vast. Dat laatste bezoek aan mijn Indiase moeder heb ik gefilmd, want ik wil een documentaire maken, een aanklacht tegen kinderhandel. Te vaak is internationale adoptie vermomde handel in kinderen. Er moét een waarheidscommissie komen die alle internationale adopties onderzoekt, én een meldpunt. Het getuigenis vorige week van dat Ethiopische meisje over haar frauduleuze adoptie uit 2009, illustreert dat er bitter weinig veranderd is. Ondanks alle regels en wetten. Want zolang er met adoptie geld te verdienen valt, zál er gefraudeerd worden.”

 

(c) Jan Stevens

“Meer dan ooit is er behoefte aan een waarheidscommissie over adoptie”

Na getuigenissen over fraude met adopties uit Ethiopië, belooft minister van Welzijn Jo Vandeurzen een onderzoek. Adinda Aelvoet en Priyani Libert blijven met een wrang gevoel achter. “Omdat het bijna verkiezingen zijn, schieten onze politici nu in gang. Toen wij anderhalf jaar geleden met ons adoptieverhaal naar buiten kwamen, gebeurde er niets.”

 

Zaterdag getuigde in Het Laatste Nieuws de 17-jarige Thereza De Wannemaeker uit Denderleeuw over haar frauduleuze adoptie uit Ethiopië in 2009. Volgens de officiële documenten was haar biologische moeder verdwenen en haar vader overleden. Later ontdekte Thereza dat er van dat verhaal niets klopte. De voorbije dagen liepen bij de krant nog vijftien getuigenissen binnen over vermoedelijke adoptiefraude. Spin in het web is adoptiebureau Ray of Hope (RoH) dat van 1997 tot 2017 samenwerkte met een volgens de getuigenissen volstrekt onbetrouwbaar Ethiopisch contactpersoon. Vlaams parlementslid Lorin Parys (N-VA) wil nog voor de verkiezingen een extra zitting van het Vlaams parlement over de mogelijk frauduleuze adopties. Hij pleit voor een ‘diepgaand en onafhankelijk onderzoek’. Ook Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) is voorstander van zo’n onderzoek naar adoptiepraktijken uit het verleden. Die plotse daadkracht bezorgt Adinda Aelvoet en Priyani Libert een wrang gevoel. “Nu het bijna verkiezingen zijn, schieten onze politici in gang. Maar toen wij begin vorig jaar met ons adoptieverhaal naar buiten kwamen, gebeurde er helemaal niets.”

 

Stichting FLASH

Op 27 januari 2018 getuigden Priyani en Adinda in weekendbijlage Zeno over hun eigen vermoedelijk frauduleus verlopen adoptie uit Sri Lanka in de jaren 80. Bij hun zoektocht naar hun biologische ouders kwamen ze een paar jaar geleden via Kind & Gezin (K&G) en Steunpunt Adoptie bij RoH’s plaatselijke contactpersoon Sunil Wijewardena terecht. Tussen 1997 en 2011 regelde hij voor RoH alle 49 adopties uit Sri Lanka. In de jaren erna schakelde de adoptiedienst hem ook voor hun ‘nazorg’ in. Adoptiekinderen die zoals Priyani en Adinda naar hun biologische ouders op zoek waren, werden aan Wijewardena toevertrouwd. Op 27 september 2017 bracht deze krant aan het licht dat Wijewardena in de jaren tachtig nauw betrokken was bij grootschalige adoptiefraude van de Nederlandse Stichting FLASH. Van de duizenden Sri Lankaanse baby’s die in de jaren 80 via dat adoptiebureau in Nederland werden geadopteerd, bleek bij 70 procent de papieren vervalst te zijn. Kinderen werden geroofd van hun ouders en voor grof geld doorverkocht. Op babyfarms werden zelfs adoptiekinderen ‘gekweekt’. Wijewardena stond toen in voor het vervoer van de adoptiekinderen van FLASH.

Naar aanleiding van onze berichtgeving vroeg Lorin Parys op 10 oktober 2017 in de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin meer uitleg aan Jo Vandeurzen. De minister antwoordde dat er geen aanwijzing van fraude was en dus geen aanleiding voor een onderzoek.

Adinda Aelvoet: “Een van de argumenten van Jo Vandeurzen was dat volgens hem alles veranderd was. RoH ging in 1994 van start en Vandeurzen stelde dat op dat moment interlandelijke adoptie veel strikter geregeld was dan in de tachtiger jaren. Dat RoH en Steunpunt Adoptie tot minstens 2017 met een figuur als Wijewardena samenwerkten, vond Vandeurzen geen probleem. ‘Er is geen bezwaar tegen dat een Vlaamse dienst samenwerkt met iemand die ook met een Nederlandse vergunde dienst samenwerkt’, stelde hij in de Commissie Welzijn. Die ‘Nederlandse vergunde dienst’ was Stichting FLASH die in de lente van 2017 op de Nederlandse tv ontmaskerd was als grootschalige zwendelaar in adopties. De adoptie van Thereza De Wannemaeker dateert van 2009. In werkelijkheid is er dus sinds de jaren 80 helemaal niets veranderd.”

 

Integriteitsonderzoek

Priyani Libert is in 1984 in Sri Lanka geadopteerd en wilde in 2015 op zoek naar haar biologische ouders.

Priyani Libert: “Ik vroeg hulp aan Kind & Gezin. Zij stuurden mijn dossier door naar Ray of Hope, want die adoptiedienst had een contactpersoon in Sri Lanka, gespecialiseerd in het traceren van biologische ouders: Sunil Wijewardena. In twee weken tijd vond hij mijn vermeende biologische ouders. K&G nodigde me uit om Sunils onderzoek te bekijken. Dat bestond uit een paar foto’s waarop mijn zogenaamde biologische ouders samen met hem poseerden. Kopieën van identiteitsbewijzen of andere officiële documenten ontbraken. Sunils rekening bedroeg 450 euro, of twee Sri Lankaanse maandlonen. Die betaalde ik via K&G. Eerst beweerde Sunil dat mijn negen nieuwe broers en zussen van mijn bestaan op de hoogte waren. Later zei hij dat ze niet van mijn bestaan afwisten. Een DNA-onderzoek werd afgewimpeld. ‘Money’ was het enige waarin mijn zogenaamde biologische ouders geïnteresseerd leken. Eind 2016 verbrak ik alle contact.”

Adinda Aelvoet: “Ik vind het onbegrijpelijk dat Kind & Gezin én Steunpunt Adoptie minstens tot eind 2017 met Sunil Wijewardena van RoH zijn blijven samenwerken. Misschien werken ze nog steeds samen, want er is nooit een officiële stopzetting aangekondigd. Na mijn bijzonder slechte ervaringen met Sunil in 2013 liet ik weten dat hij totaal ongeschikt was voor het organiseren en begeleiden van rootsreizen. Hij was enkel op geld uit en probeerde ons te manipuleren. De adoptiecoach van Steunpunt Adoptie zei dat ze er niet goed van was. Toch werd er niet ingegrepen en bleven ze met hem in zee gaan. Minister Vandeurzen deelde in oktober 2017 mee dat RoH een integriteitsonderzoek naar Wijewardena zou laten uitvoeren. Is dat er ook écht geweest, wat zijn de resultaten en wordt er nu nog beroep op die man gedaan? Ik zou dat graag willen weten.”

 

Voorzitster met twee petjes

Een paar dagen na haar getuigenis in deze krant kreeg Adinda Aelvoet een mail van de directeur van Steunpunt Adoptie. “Zij bood me nazorggesprekken aan en schreef dat ze werkte aan de opstart van buddywerking voor geadopteerden. ‘Dit komt voor mij veel te laat’, antwoordde ik. Een onderzoek naar mijn eigen dossier kwam er niet: er werd van mij verwacht dat ik zelf eerst de bewijzen voor fraude leverde. Wat de wereld op zijn kop is, want ik wil net een onderzoek om te weten of er fraude gepleegd is.”

Priyani Libert werd door Kind & Gezin uitgenodigd voor een gesprek. “Daar zou ook Vlaams parlementslid Katrien Schryvers (CD&V) bij aanwezig zijn. Zij is voorzitster van de raad van bestuur van RoH en is ondervoorzitster van de Vlaamse parlementaire Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Ik vond het vreemd dat zij als RoH-voorzitster bij mijn gesprek met K&G wou aanschuiven. Ik kreeg het onbehaaglijke gevoel dat ze me wilden paaien. Daarom liet ik dat gesprek aan mij voorbijgaan.”

Adinda Aelvoet: “Omdat Schryvers ook voorzitster is van RoH, moest ze op die bewuste commissievergadering van 10 oktober 2017 haar voorzittershamer even doorgeven aan een collega van de N-VA. De commissie die het adoptiebeleid uitstippelt, wordt dus mede geleid door iemand die voorzitter is van de raad van bestuur van een adoptiebureau. Dat is toch te gek voor woorden?”

Priyani Libert: “K&G stelde voor om mijn dossier te laten uitspitten door de Centrale Adoptieautoriteit in Sri Lanka, maar daar heb ik totaal geen vertrouwen in. Want net daar liep het ooit met mijn adoptie fout: die Centrale Autoriteit was één van de spelers in de fraude. Ik moest dus mijn adoptiedossier laten onderzoeken door een dader. Daar heb ik vriendelijk voor bedankt.”

 

Waarheidscommissie

De problemen met adoptie in Sri Lanka, Congo en Ethiopië zijn volgens Adinda en Priyani geen op zichzelf staande gevallen. Adinda Aelvoet: “Net als in Nederland loopt er ook bij ons van ver in de jaren 70 een rode lijn van bedrog. De Nederlandse overheid neemt dat ernstig en heeft een commissie samengesteld die diepgaand onderzoek naar alle vormen van adoptiezwendel voert. Bij ons worden nu na Ethiopië vage beloften gemaakt. Al dat getreuzel is een gevolg van die innige verstrengeling met de politiek.”

Priyani Libert: “Na onze getuigenissen hoorden we veel gelijkaardige verhalen van kennissen die ook uit Sri Lanka geadopteerd zijn. Maar zij zijn bang voor de impact van de media-aandacht. Na Ethiopië mogen we er van uitgaan dat er aan nog meer interlandelijke adopties van RoH een reukje zit. Dat moet toch op zijn minst onderzocht worden. Wij vroegen een onderzoek naar alle Sri Lanka-dossiers en kregen van de Commissie voor Welzijn en van minister Vandeurzen nul op het rekest. Dat kwam keihard aan. Twee weken geleden had ik de eer om Michelle Obama te ontmoeten in Amsterdam. Als er één ding is dat ik van haar geleerd heb, is het dat iedereen meetelt. Als minister Vandeurzen wél de Ethiopische adoptiedossiers laat onderzoeken, maar de Sri Lankaanse links laat liggen, zal het voor ons zijn alsof niet iedereen hier meetelt.”

Adinda Aelvoet: “Toen anderhalf jaar geleden de adoptiefraude in Sri Lanka aan het licht kwam, zakte de grond onder mijn voeten weg. Als adoptiekind weet je weinig over je oorsprong. Als er dan ernstig adoptiebedrog aan het licht komt, raak je helemaal gedestabiliseerd. Want plots staat álles op losse schroeven. Je identiteit wordt opnieuw een groot vraagteken. Om mezelf te beschermen, probeerde ik dat verhaal af te sluiten. Maar zolang er geen groot onderzoek naar onze adoptiegeschiedenis komt, is dat moeilijk. Want nu is er dat nieuws over Ethiopië en binnen een paar maanden gaat het misschien over adoptiefraude uit een ander land. Telkens weer worden wij ermee geconfronteerd. Dat is zeer pijnlijk en ik wil andere geadopteerden daarvoor behoeden. Daarom is er meer dan ooit behoefte aan een waarheidscommissie over adoptie, zonder taboes. Zolang die er niet is, stopt het nooit.”

 

 

Ray of Hope: van hobbyist tot hoofdspeler in internationale adoptie

 

  • De vzw Ray of Hope werd in 1994 als Children’s Welfare Adoption in Berlare opgericht door Guy De Meester en zijn vrouw. Zij importeerden rotanmeubelen uit Azië en adopteerden zelf zes kinderen. De Meester zetelt nog steeds in de raad van bestuur van RoH.
  • Bij aanvang schreef de inspectie negatieve rapporten omdat RoH zich vooral toelegde op snelle adopties uit Haïti. Maar Kind & Gezin erkende toch. In 2003 gaf Guy De Meester in Knack een verklaring voor die snelle adopties: “Ons eerste kanaal had toevallig meteen veel kinderen ter beschikking.” Dat ‘eerste kanaal’ was Yva Samedy, directrice van de Foyer de la Nouvelle Vie die honderden adoptiekinderen leverde aan verschillende landen.
  • In 1997 trok de inspectie op missie naar Haïti. In haar rapport schreef ze dat de samenwerking met Samedy onmiddellijk moest stoppen. Samedy werd beschuldigd van financiële fraude. Kind & Gezin vond dat RoH met haar mocht blijven samenwerken, op voorwaarde dat ze kinderen leverde die écht in de steek gelaten waren.
  • In 2001 stapten drie families die via RoH een Vietnamees kind geadopteerd hadden, naar de rechter. Hun klachten: de documenten waren niet in orde en de contactpersoon was niet bekwaam.
  • Na een reportage op Telefacts over door RoH geregelde adopties in Vietnam, verloor de organisatie in december 2002 haar erkenning.
  • RoH trok naar de Raad van State en kreeg in 2004 gelijk.
  • Van 2004 tot 2014 was voormalig minister van Welzijn Wivina Demeester (CD&V) voorzitter van de raad van bestuur van RoH. Op 2 januari 2016 nam ze in een opiniestuk in de krant De Standaard afstand van interlandelijke adoptie. Zelf adopteerde ze in 1974 een Indiaas meisje. Buitenlandse adoptie vond ze geen goed idee meer omwille van de wachttijd en de kostprijs. ‘Tussen de beslissing om je als ouders voor te bereiden op een interlandelijke adoptie en de aankomst van je kind verloopt nu vijf tot zeven jaar’, schreef ze. ‘Toen was dat 18 maanden. Ik beschouwde het als een verlengde zwangerschap. De ‘kostprijs’ was redelijk. Vandaag is het vele jaren wachten. Te lang. En de kostprijs is zeer hoog.’ Over de gevolgen op langere termijn voor de geadopteerden repte ze met geen woord. Wel dat de drie nog bestaande interlandelijke adoptiediensten (RoH, FIAC-Horizon en Het kleine mirakel) best tot één dienst voor buitenlandse adoptie zouden fusioneren.
  • Vlaams CD&V-parlementslid Katrien Schryvers nam in 2014 de RoH-voorzittersfakkel van Wivina Demeester over. Schryvers is eveneens ondervoorzitter van de parlementaire Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin die ook adoptie behandelt. In de raad van bestuur van RoH zetelt onder anderen ook Wilfried Verniest. Van 1987 tot aan zijn pensioen in 2012 was hij directielid bij K&G en in 2007 schopte hij het zelfs even tot waarnemend administrateur-generaal. Net als Wivina Demeester pleitte Schryvers voor één eengemaakte gesubsidieerde buitenlandse adoptiedienst.
  • Begin april van dit jaar besliste de Vlaamse regering dat vanaf 1 januari 2023 de drie adoptiediensten tot één dienst zullen samensmelten. De beschikbare financiële middelen, kennis en expertise moeten vanaf dan gebundeld worden. N-VA-parlementslid Lorin Parys juichte die beslissing toe, maar had in de Standaard van 8 april toch een paar bedenkingen. “Elke adoptiedienst vertegenwoordigt een bepaalde levensbeschouwing”, zei hij. “Het is niet de bedoeling dat een van die overtuigingen aan het stuur gaat zitten, wel dat de eengemaakte dienst pluralistisch is. Het kan ook niet dat een volksvertegenwoordiger er voorzitter van wordt. Want in het parlement controleer je dan het Vlaams centrum voor adoptie dat op zijn beurt jou controleert als voorzitter van een adoptieorganisatie.”

 

(c) Jan Stevens

‘Ik heb 250 jihadi’s gedood. Ongeveer’

Van 2014 tot 2016 was Azad Cudi sluipschutter bij het YPG, het aan de PKK gelieerde Koerdische leger in Syrië. In anderhalf jaar tijd schoot hij eigenhandig 250 IS-strijders dood. “Dat waren geen mensen, maar jihadi’s.”

 

Achttien maanden lang was Azad Cudi in het Koerdische leger YPG actief als sluipschutter tegen IS. Negen maanden lang vocht hij in de belegerde noordelijke Syrische stad Kobani. De allereerste man die hij neerschoot, staat voor eeuwig in zijn geheugen gegrift. “Dat was één van de moeilijkste momenten uit mijn leven”, zegt hij met zachte stem. Azad Cudi is een attente gentleman met de looks van een jonge academicus. De elegante handen waarmee hij 250 mensen doodschoot, lijken die van een pianospeler.

“Na die allereerste keer volgden gauw meer van dat soort van ervaringen.” Het valt op: Cudi praat niet over ‘doden’ of ‘slachtoffers’, maar over ‘ervaringen’. “Snel werd dat dagelijks”, vervolgt hij. “Zeker tijdens de huis-aan-huisgevechten tijdens de slag om Kobani.” Waarna hij naar een plek op het tafelblad staart en in stilte verzinkt, gevolgd door een diepe zucht.

In zijn pas verschenen boek Long shot beschrijft Azad Cudi in detail zijn deelname aan de oorlog tegen IS. ‘Azad’ is niet zijn echte naam, maar de naam die hij als sniper of sluipschutter in het Koerdische leger droeg. “’Azad’ betekent ‘vrijheid’.” Zijn echte naam moet geheim blijven en hij wil enkel onherkenbaar voor de lens van de fotograaf. Cudi beseft heel goed dat hij met zijn palmares en zijn ‘coming-out’ weleens de ‘hitlist’ van IS-sympathisanten zou kunnen gaan aanvoeren. Azad Cudi: “Toch ben ik niet van plan om de rest van mijn bestaan te laten overheersen uit angst voor hun wraak. Ik blijf vrij op straat rondlopen.”

 

Hebt u in de oorlog geleerd dat u altijd klaar moet zijn om te sterven?

“We maakten toen vooral grapjes over onze eigen dood. (lacht) Het was de enige manier om ermee om te gaan. Aan de oorlog deelnemen, was mijn keuze. Ik was bereid om de prijs te betalen voor de strijd voor democratie en vrijheid. Als je in een land als Syrië tegenover de barbaren van IS staat, weet je dat die prijs erg hoog kan zijn. Tijdens de Tweede Wereldoorlog sneuvelden op de stranden van Normandië ook veel jonge soldaten voor exact dezelfde waarden.”

 

Werkte het schrijven van Long Shot therapeutisch?

“Ik heb dit boek niet als therapie geschreven.”

 

U hebt ontzettend veel mensen gedood.

“Dat waren geen mensen, maar jihadi’s.”

 

Toch zijn het mensen van vlees en bloed.

“(lange stilte) Het is heel lastig om daar als mens mee te moeten leven. Maar het is niet lastig als ik mijn acties kader in de zaak waarvoor ik vocht: voor de vrijheid, voor de democratie, voor mijn mensen, voor alle waarden die wij in onze samenleving hoog achten. Het doden was nodig om het kwaad te verslaan. Wij werden in ons eigen huis aangevallen. We moésten het verdedigen en de consequentie is dat sommigen doodgeschoten zijn. Oorlog is geen weekendfuif.”

 

U bent geboren in Iran?

“Ik zag het levenslicht in 1983 in het stadje Sardasht in de Koerdische regio. Volgens de geopolitieke grenzen stond mijn wieg in Iran, maar ik beschouw mezelf niet als Iraniër. Een paar jaar voor mijn geboorte was er de revolutie die de ayatollahs aan de macht bracht. Het probleem met de Iraniërs is dat ze weten wat ze niet willen, maar niet wat ze wél willen. Eind jaren zeventig waren ze het erover eens dat sjah Reza Pahlavi weg moest. Want hij was door en door corrupt en nam het niet nauw met de mensenrechten. De revolutie tegen het regime van de sjah werd gedragen door heel wat strekkingen in de Iraanse samenleving. Eens de ayatollahs de macht veroverd hadden, vermoordden ze alle andere kinderen van de revolutie. Hun seculiere medestanders hingen ze op. Dat zijn de twee gezichten van de islam. Zolang moslims in de verdediging zitten en zwak zijn, praten ze over compassie, broederschap, hulp en ondersteuning. Dan spelen ze een mooie sociale rol in de samenleving. Maar van zodra ze aan de macht komen, trekken ze hun zwaarden. Als niet-moslim sta je dan voor de keuze: onderwerping of onthoofding. Die twee gezichten vinden hun oorsprong in de wortels van de islam. Zolang de profeet Mohammed zich in een zwakke positie bevond, ronselde hij mensen. Van zodra hij voldoende volgelingen rond zich verzameld had, viel hij aan. Nu de geestelijken de macht in Iran in handen hebben, gedragen ze zich net als hun profeet en zijn ze aan een veroveringstocht bezig in Irak, Libanon, Pakistan, Palestina en Syrië.”

 

U bent atheïst?

“Ja, maar met mijn moslimachtergrond versta ik de jihadistenmentaliteit. Ik weet waar hun wreedheid en absoluut gebrek aan mededogen vandaan komt.”

 

Uit wat voor nest stamt u?

“Uit een doodnormaal arbeidersgezin. Het Koerdisch en het Perzisch zijn twee totaal verschillende talen. Als jongen van zeven had ik het op school moeilijk met simpele woorden als brood, melk of water. Ik groeide op als vreemdeling in mijn eigen land. Dat gevoel van vervreemding werd alleen maar groter. Ik zag hoe de Iraniërs de lakens uitdeelden en het besef hoe onrechtvaardig dat was, groeide met de dag. Als je zelfs op school je eigen taal niet mag spreken of bestuderen, blijven zij je altijd een stap voor.”

 

Op uw 18e deserteerde u uit het Iraanse leger. Waarom?

“In het leger kreeg ik te horen dat ze de grenzen gingen ‘opkuisen’ en ‘indringers’ wilden oppakken. Een bevriende beroepsmilitair vertelde me wat dat in werkelijkheid inhield. Die zogenaamde ‘indringers’ waren Koerdische guerrillero’s. Ik werd dus gedwongen om tegen mijn eigen mensen te vechten. De Iraanse officieren beslisten dat de Koerdische rekruten het strijdperk moesten betreden in hun traditionele uniformen. Wie schieten Koerdische revolutionairen eerst dood als ze oog in oog staan met het Iraanse leger, denkt u?”

 

De traditioneel geklede Koerden?

“Natuurlijk, want zij zijn de verraders. Daarom deserteerde ik. Eerst dook ik onder. Ik kon niet zomaar afscheid nemen van mijn familie en vrienden. Ik vluchtte van het ene huis naar het andere, van de ene stad naar de andere. Ik had me aangesloten bij het Koerdische verzet, ook al was op dat moment mijn politieke bewustzijn niet zo groot. Ik droeg pamfletten rond, praatte en discussieerde met vrienden en leerde zo een andere wereld kennen dan die van de religieuze propaganda uit de Iraanse kranten. Ik ontdekte de begrippen vrijheid, democratie en mensenrechten.”

 

U sloot aan bij de PKK?

“Nee, op dat moment kende ik de PKK zelfs niet. Maar toen werden vrienden uit mijn groep opgepakt en was er geen ander alternatief dan wegvluchten. Als ik bleef, riskeerde ik de strop. In ruil voor een klein fortuin hielp een mensensmokkelaar me het land uit. Ik kwam in Engeland terecht, kreeg daar het vluchtelingenstatuut en probeerde in de stad Wakefield ten zuiden van Leeds een nieuw leven uit te bouwen. Álles was nieuw: de gebouwen, de mensen, de cultuur, het politieke systeem. In het begin was ik zeer nieuwsgierig én opgelucht omdat ik vrij kon rondwandelen en ademen. Er heerste vrede. Die eerste jaren waren best oké. Ik voelde me bevoorrecht omdat ik eindelijk in een vrij land leefde. Maar onderhuids knaagde het gemis. Ik miste familie en vrienden, het eten, de muziek. Ik stond met de ene voet in Wakefield en met de andere in Koerdistan. In mijn droom was ik in Iran op de vlucht voor de militairen om badend in het zweet wakker te worden in mijn kamer in Wakefield. Dat was zo bizar.”

 

U was getraumatiseerd?

“Precies, en ik vermoed dat elke vluchteling, waar ook ter wereld, zoiets meemaakt. Je hoofd zit vol verlangen naar thuis; tezelfdertijd wordt in je nieuwe land van je verwacht dat je open en flexibel bent. Je moet je zo snel mogelijk aanpassen aan die nieuwe omgeving, zonder dat je emoties je daarbij een hak mogen zetten. Je moet dus op zoek naar een gezonde manier om je verleden met het heden te verbinden. Als dat niet lukt, eindig je in totale eenzaamheid, in wanhoop. Dan ben je een gevangene in een vrij land.”

 

Hoe kwam u in 2014 als sluipschutter aan het front in het noorden van Syrië terecht?

“Ik had besloten dat ik deel moest worden van de revolutie in Rojava, zoals wij Noord-Syrië noemen. De vrijheid, integriteit en gelijkheid die ik in Engeland ervaren had, wou ik voor alle Koerden. De burgeroorlog in Syrië maakte het voor mijn volk mogelijk om ons eigen lot verder in handen te nemen. Onze sinds 1999 in Turkse gevangenschap verblijvende leider Abdullah Öcalan leefde een tijd in Noord-Syrië. De Koerden in Rojava kenden onze revolutionaire ideeën: de fundamenten waren er al gelegd. Eind 2013 was ik aan de slag als maatschappelijk werker in de stad Qamishli, toen we aangevallen werden door IS. Ze vuurden mortieren op de huizen in de buitenwijken af. Ik had toen kunnen weglopen, maar ik bleef. Ik sloot aan bij ons leger, de People’s Protection Units of YPG, en nam de wapens op. De omstandigheden dwongen me daartoe.”

 

Als sociaal werker en later als sluipschutter was u in dienst van de PKK. Volgens de Turkse president Erdogan is dat een terroristische organisatie. Kent u de Gentse professor Dries Lesage? Ook hij is formeel: de PKK is net als IS een terreurgroep.

“Ik ken die meneer Lesage niet. Ik weet ook niet wat zijn motieven zijn. In Europa heerst terecht vrijheid van meningsuiting; het staat die man dus volledig vrij om te zeggen wat hij wil. Het klopt dat de PKK op dezelfde terreurlijst van organisaties zoals Al Qaeda of IS staat. De PKK is op die lijst terechtgekomen door mensen wier voornaamste motivatie is: ‘We houden niet van die Koerdische fuckers.’ Ze creëerden hun eigen terreurlijst en overhandigden hem aan de Verenigde Naties en het Europese Parlement. De als terrorist gelabelde Koerden kregen zelfs de kans niet om zich fatsoenlijk te verdedigen. In een rechtszaak is het recht op verdediging fundamenteel. Maar de PKK werd niet eens gehoord.”

 

Maar u kan toch niet ontkennen dat de PKK in Turkije zware en bloedige aanslagen op haar actief heeft, met vele doden en gewonden?

“Ik ken al die zaken niet en ik ken ook alle redenen niet waarom ze plaatsvonden. Ik kan daar geen algemene uitspraken over doen. Je kan toch niet zomaar 20 miljoen mensen op een terreurlijst plaatsen? Een terreurgroep is enkel en alleen geïnteresseerd in geweld, terwijl wij over democratie praten.”

 

Is de PKK een communistische organisatie?

“Nee. We zijn sociaal-democratisch en propageren directe democratie van het volk en van lokale gemeenschappen. In Rojava beslissen de dorpsbewoners over hun bestaan. Regionale raden geven advies, maar de beslissingen worden genomen door het volk. Er is geen staat in Rojava, er is enkel anarchie die gedragen wordt door de gewone mensen en hun families. Bij ons vind je de meest radicale feministes. In onze samenleving organiseren de vrouwen zichzelf. Ze zijn totaal onafhankelijk, zowel in het leger als in de economie. Wij nemen ook de ecologische problemen zeer ernstig en zetten bijvoorbeeld volop in op zonne-energie. Vindt u het juist om al die mensen die volgens die waarden leven, terroristen te noemen? Komaan, zeg.”

 

Wie besliste dat u sluipschutter zou worden?

“Ikzelf.”

 

U koos er dus heel bewust voor om veel mensen dood te gaan schieten?

Snipers zijn verdedigers, geen aanvallers. Met een lang, zwaar geweer val je niet zomaar aan. Ik volgde eerst een training. We tekenden doelwitten op kartonnen borden. Blijkbaar had ik talent.

“Een goede sluipschutter heeft arendsogen, is een geduldige waarnemer en heeft een uitstekend gehoor. Hij beschikt over een analytische geest. Hij overschouwt het terrein, verzamelt informatie, slaat die op, analyseert en beslist. Hij moet ook zeer praktisch ingesteld zijn. Soms zit je urenlang te wachten op een kans waarvan je weet dat die zich misschien nooit zal voordoen. Toch blijf je rustig doorademen. Je bent dan in opperste concentratie; klaar om binnen de seconde toe te slaan.”

 

Want als je treuzelt of te laat bent, kan dat jou of je medestanders het leven kosten?

“Nooit is er een tweede kans. Ik was me voortdurend extreem bewust van alles wat er om me heen gebeurde. Alert zijn was mijn tweede natuur. Er was geen ruimte voor emoties of voor dieper nadenken over mijn handelingen. Gevoelens zijn wild en instinctief. Ik mocht die niet toelaten, want dan was ik misschien in een hoekje beginnen huilen.”

 

Wat toch een perfect normale reactie lijkt?

“Ik héb ook gehuild. Maar die emoties werden snel geblokkeerd door mijn overlevingsinstinct. Want met paniek, verdriet of extreme angst, tekende ik mijn doodvonnis. De stress en de hormonen verplichtten mijn hersens ertoe zich te focussen en strategisch te beginnen nadenken.”

 

De balans van uw achttien maanden aan het front: u doodde 250 mensen.

“Ongeveer. (stilte) Op elk moment van de dag of nacht sloegen de jihadi’s van IS toe. Ze waren gehard in de strijd en namen ongehoorde risico’s. Hun strijders kwamen uit honderd verschillende landen en aarzelden niet. Ze brachten allemaal hun ‘creativiteit’ mee naar de oorlog. De oude Moedjahedien die tegen de Sovjets in Afghanistan vochten, vielen pas aan na het ochtendgebed. Daar houden moderne jihadisten geen rekening mee. Zo dom zijn ze nu ook weer niet. ’s Nachts leek het nóg erger dan overdag. De duisternis zorgde voor meer onzekerheid en angst. Ach, de oorlog verkruimelt je hoofd en je hart.”

 

U verloor veel vrienden?

“Ik ben veel erg goede vrienden kwijt. Mensen aan wie ik mijn diepste gedachten toevertrouwde, met wie ik zij aan zij vocht. Mannen en vrouwen met wie ik zeer moeilijke momenten deelde. Ik verloor ook veel mensen die ik nooit persoonlijk ontmoet heb, maar die hetzelfde pad bewandelden. Onze kerkhoven zijn immens. In Kobani verloren we meer dan duizend mensen; in totaal sneuvelden er 3000 Koerden in de strijd tegen IS. Ons offer is vreselijk groot. Dagelijks worden er op de kerkhoven van Rojava nieuwe graven gedolven. Het gevecht is niet voorbij.”

 

Hebt u ooit gesprekken gevoerd met jihadi’s die door uw legereenheid gevangengenomen waren?

“Nee, in die 18 maanden sprak ik met geen enkele jihadist. In het begin leek het echt alsof IS onverslaanbaar was. De miljoenenstad Mosoel werd in juni 2014 in een paar dagen ingenomen. Het Iraakse leger vormde geen partij voor hen. In september 2014 viel IS Kobani aan en ook daar wonnen ze in sneltreinvaart terrein. Ze vielen met velen aan, waren uiterst agressief en hadden een aura van onoverwinnelijkheid. Ze waren bereid om te sterven: de dood op het slagveld was hun garantie op het paradijs. Jihadi’s gevangen nemen, was geen optie. Ze gaven zich niet over en waren vastberaden: doden of gedood worden.

“IS-jihadi’s zijn net paarden met oogkleppen. Ze zien de wereld door hun gewelddadige salafistische bril en kunnen er niet uit losbreken. De ideologie palmt hun gevoelswereld compleet in. Grote emoties zoals angst, vreugde, liefde en spijt zijn deel geworden van hun religieuze verhalen. Ze zijn hun vleesgeworden ideologie. Ze vormen een zwarte massa die een deel van het zonlicht tegenhoudt. Als sluipschutter heb ik mijn kleine bijdrage geleverd bij de afbraak van dat zwarte scherm voor de zon.”

 

U zag geen enkel ander alternatief dan hen afknallen als konijnen?

“Er werd niet onderhandeld over het uitwisselen van gevangenen. Zij onthoofden gewoon iedereen die ze gevangen namen. Ze voelden zich zo machtig en boven alles en iedereen verheven, dat het zelfs niet in hun hoofd kwam om het leven van de vader van een klein kind te sparen. Telkens wanneer ze een veroveringsaanval inzetten, gijzelden ze eerst burgers. We moesten tot het uiterste gaan om hen tegen te houden. We hebben àlles op het spel gezet. De prijs is enorm. Al dat bloed, al die opofferingen, al die wonden. Het duurde heel lang voor sommige IS-strijders begonnen te twijfelen en zich overgaven.

“Mijn totale oorlogservaring was overweldigend en in die 18 maanden was er geen seconde tijd voor verwerking. Het is moeilijk om erover te praten, ook nu. Dat wordt nooit makkelijk. Soms is het alsof er een muur vlak voor me staat. Een paar uur lang raak ik dan gevangen in mezelf. In het slechtste geval voel ik me een dag of drie zo. Dan moet ik mezelf ertoe dwingen om op zoek te gaan naar de redenen voor mijn oorlogsdaden. Ik kàn ze rationaliseren en aanvaarden. Er was een reden voor alles wat ik deed. Ik heb er vrede mee.”

 

Eind vorig jaar kondigde president Donald Trump aan dat hij zijn troepen wil terugtrekken. Voelt u zich door de Amerikanen in de steek gelaten?

“De Amerikanen verschenen pas op het strijdtoneel na de grote IS-aanslagen in Europa. De internationale druk werd heel groot om eindelijk tegen IS in Syrië en Irak op te treden. De Amerikanen voelden zich moreel verantwoordelijk en sprongen ons bij. Ze konden ook niet blind blijven voor onze strijd. U mag niet vergeten: Europa was ernstig bedreigd als IS Kobani integraal in handen had gekregen. Dan was die grote grens met Turkije hun toegangspoort tot Europa en zwaaiden de jihadisten nu misschien de scepter in Wenen of Parijs. De Amerikanen én Europeanen werden bang en sloten zich daarom bij ons aan.

“In december vorig jaar geloofde Donald Trump echt dat IS verslagen is. Ik begrijp zijn beslissing en ik respecteer ze ook. Hij houdt van het leger en wou dat zijn militairen thuis kerst konden vieren. Maar dan was er in januari van dit jaar die zelfmoordaanslag op een Amerikaanse patrouille in Manbij in het noordoosten van Syrië. De terugtrekking werd meteen vertraagd.”

 

Het was dus niet zo slim van Trump om de terugtrekking aan te kondigen?

“Het is sowieso veel te vroeg; IS is nog lang niet verslagen. Zij kennen de woestijn als hun broekzak. Ze verbergen zich en duiken onder in dorpen en steden. Ze zijn daar zeer ervaren in. Zowel in Syrië als in Irak bulkt het nu van de slapende IS-cellen.

“We worden geholpen door meer dan zestig landen, waaronder Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk. Als de Amerikanen zich terugtrekken, zijn er nog al die anderen die ons wél willen verder helpen. Niet iedereen in de Amerikaanse regering is het eens met Trump. In het Pentagon lopen belangrijke mensen rond die beloofd hebben dat ze ons niet in de steek zullen laten. Zelfs binnen de Republikeinse partij is er ongenoegen over Trumps beslissing. Ook de Amerikaanse militairen in Rojava vinden terugtrekking geen goed idee. Zij weten heel goed dat IS niet verslagen is. Er speelt trouwens nog veel meer dan de strijd tegen de jihadisten. Iran is heel actief in Syrië en dat baart de Israëliërs flink wat zorgen. Kijk, het staat de Amerikanen vrij om de aftocht te blazen. De YPG hangt niet van hen af en is niet door hen gecreëerd. Op het moment dat zijn ons kwamen steunen, vochten wij al twee jaar tegen IS. Wij leverden gigantische veldslagen in plaatsen als Serê Kaniyê‎ en Tilkoçer, waar toen geen haan naar kraaide.”

 

Keert u nog terug naar het front?

“Voorlopig weet ik niet wat mijn volgende stap wordt. Ik heb de oorlog ervaren en ik weet hoe slecht, verwoestend en lelijk hij is. Nu zou ik me liefst toeleggen op vrede en rechtvaardigheid. Die worden niet afgedwongen met wapens, maar met diplomatie en onderhandelingen. Ik wil me concentreren op de vrede, omdat ik mijn portie bloedvergieten wel gehad heb. Eigenlijk heeft iedereen er genoeg van. Er is niets romantisch aan deze oorlog tegen de jihadisten. Doden, bloed, vernietiging, gebroken families, vrouwen die als slaven genomen worden, zelfmoordaanslagen, homo’s die van flatgebouwen gegooid worden, verwoeste steden… Pure horror. We moeten er zo snel mogelijk voor zorgen dat alle getroffen mensen weer kunnen ademhalen en leven. Misschien moet de moeilijkste strijd nog beginnen: die voor de democratie.”

 

Er woedt al een tijdje een discussie of België gevangen IS-strijders, -weduwen en -kinderen moet terughalen. Wat vindt u?

“De vrouwen en kinderen nemen een andere positie in dan de strijders. Al waren zij wel getuige van de terreur. Ze leefden in IS-gebied en vonden al die gruwel normaal. We moeten oppassen dat we de kracht van die ideologie niet onderschatten. Het is een levensstijl én een mentaliteit. Ik vrees dat het uiterst moeilijk wordt om de geesten van IS-aanhangers te herformatteren.”

 

Deradicaliseren is een illusie?

“Het is niet onmogelijk, maar je hebt er wel zeer ervaren psychologen, historici en theologen voor nodig. Mensen die de finesses van die religie begrijpen en weerwerk kunnen bieden. De integratie van ex-IS’ers in de maatschappij zal veel belastinggeld kosten, maar is mensen een tweede kans geven niet precies waar een Europees land zoals België voor staat? Ongeacht wat iemand mispeuterd heeft: hij verdient een nieuwe kans. Zonder dat jullie daarbij naïef moeten zijn, want de veiligheid van de burgers komt eerst.”

 

Azad Cudy, Long Shot – My Life As a Sniper in the Fight Against ISIS, 272 blz, 19,99 euro. Eind mei verschijnt bij uitgeverij Luitingh Sijthoff de Nederlandse vertaling

 

(c) Jan Stevens