Moneyland

In zijn boek Moneyland gidst journalist Oliver Bullough ons door het wereldwijd vertakte land waar superrijken samen met dieven en andere oplichters hun foute geld stockeren en verbergen. “Een Moneylander kan zich àlles permitteren.”

 

Aan de overkant van het parlement in Londen staat een groepje anti-brexit-demonstranten te verkleumen. “Ik lag vroeger niet wakker van de EU, maar hoe dichter die vermaledijde brexit nadert, hoe meer heimwee ik naar Europa krijg”, zegt de Britse onderzoeksjournalist Oliver Bullough. “Behalve mijn schoonouders ken ik niemand die voor de brexit gestemd heeft. Nu wordt die nachtmerrie werkelijkheid.” We zijn op weg naar een koffiehuis een straat verder, om te praten over Bulloughs boek Moneyland. Daarin beschrijft hij de stichting en onstuitbare opkomst van een grensoverschrijdend ‘land’ waar rijken, superrijken en criminelen hun dubieuze geld uit handen van de fiscus houden en immuniteit voor zichzelf en hun dierbaren kopen.

Oliver Bullough: “De brexit is voor de inwoners van Moneyland uitstekend nieuws. Want het Verenigd Koninkrijk zal dan de status terugkrijgen van vóór de aansluiting bij de EU in 1973: die van piratenstaat. Het is niet voor niets dat een paar bankiers uit de Londense City aan de basis liggen van Moneyland. De toekomst lacht al degenen toe die zich specialiseren in het creëren van veilige havens voor vuil geld. Want een steeds groter deel van de rijkdom van de wereld wordt gestolen en verborgen.”

 

Gestolen en verborgen door wie?

“Je zou denken dat vooral ordinaire criminelen zich daarmee bezighouden, maar de inwoners van Moneyland zijn zeer divers. Met ‘Moneyland’ bedoel ik heel de structuur die faciliteiten biedt om geld te versluizen en verstoppen. Vandaag strekt Moneyland zich uit over al die plekken wereldwijd waar geld is. En ook al vind je het niet terug in een atlas of op Google Maps, toch krijgt Moneyland steeds meer de karakteristieken van een écht land. Het bezit ongeveer tien procent van al het geld dat wereldwijd in omloop is en anonimiteit is het voornaamste wat het zijn burgers te bieden heeft.

“Moneylanders zijn immuun voor de wet. Ze maken dankbaar gebruik van de exclusieve faciliteiten van hun nieuwe ‘vaderland’ om hun geld te laten stromen tot niemand er een spoor van terugvindt. Anno 2019 is er dus een globaal systeem dat het mogelijk maakt dat vermogende mensen hun geld kunnen sturen naar landen met de voor hen meest interessante belastingwetten.”

 

Dat klinkt als een samenzweringstheorie.

“Dat is het niet: Moneyland is organisch gegroeid, zonder dat er in het verborgene een verdorven meesterbrein aan sleutelt. Het zou makkelijker te bestrijden zijn als er wel een SPECTRE-achtige organisatie achter zou schuilgaan. Moneyland is gewoon een gevolg van het feit dat geld internationaal is, terwijl onze wetten dat niet zijn. Stel dat jij een Belgische ondernemer bent die zeer goed boert, maar liever wat minder belastingen zou betalen. De Zwitserse fiscale wetgeving lijkt je een interessanter alternatief dan de Belgische. Als Moneylander huur je dan een fiscaal expert in die je helpt om al dat zuurverdiende geld naar Zwitserland te versluizen. Wordt Zwitserland te link? Dan is Bermuda misschien een goed alternatief. Of Malta. Moneylanders weten dankzij hun royaal betaalde ‘vermogensbeheerders’ ook in welke steden ze onroerend goed moeten opkopen om zoveel mogelijk belastingen te drukken. Dat kan hier in Londen zijn, Brussel, Parijs of New York. Elk vrij en open land kan interessant zijn voor een inwoner van Moneyland: België, Groot-Brittannië, Nederland, Canada of de VS.

“Voor gewone burgers zijn landsgrenzen belangrijk. Kijk naar wat er nu hier in mijn land gebeurt: als de brexit echt plaatsvindt, heb ik binnenkort misschien een visum nodig voor de overtocht naar België. Voor geld zijn landsgrenzen totaal irrelevant: dan bestaan ze zelfs niet meer.”

 

Wie rijk genoeg is kan zelf kiezen in welk land hij geen belastingen wenst te betalen?

“Juist. Hij gaat dan op zoek naar dat land waar hij anoniem en in alle rust zwart geld kan witwassen, zijn reputatie kan laten opkalefateren en een paspoort kan kopen. Wie genoeg geld heeft om inwoner van Moneyland te worden, kan zich àlles permitteren.”

 

Uw zoektocht naar Moneyland start in Oekraïne, in 2014, vlak na de afzetting en vlucht van de Russisch gezinde president Viktor Janoekovitsj.

“In 1999 verhuisde ik naar Rusland, om er als journalist aan de slag te gaan. Ik versloeg er onder andere de oorlog in Tsjetsjenië. In 2006 keerde ik terug naar Londen, maar mijn interesse voor al die landen van de voormalige Sovjet-Unie bleef. Zo kwam ik na de Euromaidan-protesten in Oekraïne terecht. Vlak na de val van Viktor Janoekovitsj in februari 2014 bracht ik een bezoek aan het presidentiële paleis Mezhyhirya, ten noorden van Kiev. Ik wist dat Janoekovitsj corrupt was en er geen graten in zag om overheidsgeld achterover te drukken, maar wat ik in zijn paleis aantrof, tartte elke verbeelding. Het was net de grot van Ali Baba. Janoekovitsj en zijn vrienden vergaarden honderden miljoenen dollars, terwijl de levensstandaard van de modale Oekraïner er amper op vooruitging.

“Officieel verdiende president Viktor Janoekovitsj jaarlijks 100.000 dollar. Op het immense domein van zijn paleis had hij een fortuin gespendeerd aan watervallen, fonteinen, een golfterrein, twee landingsbanen voor helikopters, tennisterreinen, een jachthaven en een Griekse tempel. Ik zag een verzameling onbetaalbare iconen, antieke geweren en zwaarden, gouden kandelaars, marmeren beelden en in alle kamers hingen imposante portretten van hemzelf. De president had elf badkamers ter zijner beschikking en moet een problematische stoelgang gehad hebben: in zijn ruim bemeten presidentiële toilet hingen twee televisietoestellen op zithoogte. (lacht) Door Viktor Janoekovitsj raakte ik geïnteresseerd in het fenomeen corruptie. Een van de belangrijkste drijfveren van de Oekraïense revolutie was de onvoorstelbaar grote corruptie en kleptocratie: de machthebbers bestalen hun burgers.”

 

Corruptie komt in heel wat voormalige Oostbloklanden voor, niet alleen in Oekraïne.

“Zeker, en wij zijn snel geneigd om te denken dat corruptie op grote schaal typisch is voor die landen. Terwijl de kern van het probleem volgens mij niet de landen uit het Oostblok, het Midden-Oosten of Afrika zijn, maar al die plekken waar het corruptiegeld naar toevloeit. Dat zijn dan steden als Londen of Amsterdam. Jaarlijks zou wereldwijd meer dan 20 biljoen dollar op een of andere manier door Moneylanders aan belasting ontdoken of van burgers gestolen worden. Corruptie ondermijnt alles: gezondheidszorg, veiligheid, onderwijs… In Afghanistan is corruptie de voornaamste reden waarom het regime de terreur van de taliban niet onder controle krijgt. Waarom vluchten nu zoveel wanhopige mensen naar het westen? De grondoorzaak is: corruptie. Maar wie legaliseert het corruptiegeld van de rijke Afrikanen, Arabieren en Russen? ‘Wij’: de Britten, Belgen, Nederlanders, Duitsers, Zwitsers, Amerikanen. Hier in het westen wonen de helers. Zij tonen de weg naar Moneyland.”

 

In 2010 werd de verkiezingscampagne van Viktor Janoekovitsj geleid door de Amerikaanse politieke consultant Paul Manafort. Hij leidde ook de campagne van Donald Trump en zit nu in de gevangenis voor fraude. Manafort speelt een hoofdrol in het lopende onderzoek naar Russische inmenging.

“Manafort verdiende zijn sporen als campagneleider bij onder anderen Ronald Reagan en vader George Bush. In 2010 presenteerde hij Janoekovitsj aan de Oekraïners als de toekomstige president van de verstotenen en behoeftigen. Hij was zogezegd een man van het volk, tegen de elite. Manafort herhaalde in 2016 exact hetzelfde kunstje voor Donald Trump. Net als Trump later, won ook Janoekovitsj en Paul Manafort werd dik betaald, waarna hij zijn geld verborg in Moneyland. Hij ‘investeerde’ het in onroerend goed in de VS en in luxegoederen. Manafort is interessant omdat hij laat zien dat je geen Oekraïense gangster of Russische oligarch moet zijn om inwoner te worden van Moneyland. Als het geld binnenstroomt, wordt de verleiding soms te groot. Hij gebruikte exact dezelfde middelen van de oligarch en verborg zijn fortuin via het belastingparadijs St. Vincent en de Grenadines. Net als Viktor Janoekovitsj had hij een ‘shell company’, een lege vennootschap in Londen, en anonieme rekeningen in Cyprus.”

 

Eén van de poortwachters van Moneyland is de Zwitserse advocaat Christian Kälin. Welke diensten levert hij?

“Kälin is de voorzitter van het in Londen gevestigde Henley & Partners en verkoopt paspoorten van over de hele wereld. Zijn organisatie prijst zichzelf aan als: ‘global leader in residence and citizenship planning’. Christian Kälin vond de paspoortenverkoop niet uit, maar tilt hem wel op een ander niveau. Hij is handelaar in burgerschap van verschillende landen; zijn idee is dat een paspoort iets is dat je moet kunnen kopen zoals een pak koekjes. Vóór Kälin zijn business op poten zette, moest je als superrijke mens die staatsburger wou worden van een fatsoenlijk land of een belastingparadijs, eerst lange onderhandelingen voeren. Die procedure voor een nieuwe nationaliteit sleepte soms jaren aan. Kälin maakt daar komaf mee: als je bij hem op de juiste knoppen duwt en het gepaste bedrag neertelt, bezorgt hij je in twee maanden tijd het paspoort dat je wenst.

“Stel: je bent een Russische oligarch en je geld is veilig offshore. Het enige vervelende is dat visum dat je telkens weer nodig hebt om te reizen. Tot je dat netjes door mijnheer Kälin geregelde paspoort in handen krijgt waardoor je ook een gerespecteerd burger van Oostenrijk wordt. Voortaan reis je vrij in de Schengenzone rond.”

 

Voor de echt rijken onder ons zijn de grenzen dus altijd open?

“Ja. Voor hen zijn er geen grenzen meer, tenzij ze die grenzen zélf willen. Een Russische oligarch die hier een misdaad gepleegd heeft en naar Rusland vlucht, is net heel blij met de grens. Zeker als dankzij zijn uitstekende contacten met de clan rond Vladimir Poetin de politie in eigen land in zijn binnenzak zit. Voor onze rijke medemensen uit Moneyland is het allerbelangrijkste dat hun geld vrijelijk de wereld kan blijven rondreizen, zonder belemmeringen.”

 

Dat is niet altijd zo geweest?

“Nee. In 1944 tekenden alle geallieerde landen de akkoorden van Bretton Woods in het gelijknamige vakantiedorp in de Amerikaanse staat New Hampshire. In de jaren twintig en dertig waren er ook geen grenzen voor geld, met als gevolg: een financiële crisis die eindigde in het nazisme. Ik wil geen doemdenker zijn, maar onze tijd begint sterk te lijken op de jaren dertig. De financiële crisis van 2008 was óók het resultaat van vrij stromend speculatief geld. De gevolgen daarvan zijn nog lang niet verteerd.

“Bretton Woods schetste de economische architectuur die ongecontroleerde geldstromen aan banden legde. Er werden voor alle munten vaste wisselkoersen in verhouding tot de Amerikaanse dollar ingevoerd. Die dollar werd gekoppeld aan een vaste goudwaarde. Bretton Woods betekende de herinvoering van de goudstandaard. De ondertekenaars hoopten dat zo een einde zou komen aan de praktijken van sommige regeringen om handel als oorlogswapen te gebruiken. Ze wilden zo ook verhinderen dat bankiers nog winst maakten op de kap van de democratie. De Grote Depressie na de beurscrash van 1929 had de angst en de armoede gevoed. Dat zorgde voor een vruchtbare bodem voor het fascisme. Bretton Woods kwam er onder impuls van de beroemde Britse econoom John Maynard Keynes. Het ultieme doel was om ervoor te zorgen dat geld minder machtig werd dan regeringen. Het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank werden opgericht en kapitaalverkeer werd strikt gecontroleerd.”

 

Na Bretton Woods konden geld en goud enkel nog de grenzen overgesmokkeld worden, zoals in de James Bondfilm Goldfinger uit 1964?

“Precies. Vijf jaar eerder kwam de gelijknamige roman van Ian Fleming uit waarop die film gebaseerd is. James Bond gaat erin de strijd aan met de sjoemelende zakenman Auric Goldfinger. Via het chassis van zijn Rolls Royce smokkelt Goldfinger gigantische hoeveelheden goud van Engeland naar Zwitserland en ondermijnt zo het Britse muntsysteem. Vandaag lijkt dat verhaal complete nonsens: waarom goud smokkelen als je je geld met een muisklik van de ene uithoek van de planeet naar de andere kan verplaatsen? In die tijd ging het echt zo. Belastingen waren hoog, mensen stapelden hun auto’s vol zuurverdiende zwarte centen en reden er in het geniep mee naar Zwitserland. Iedereen was toen Auric Goldfinger. (lacht) In Zwitserland was het geld veilig voor de fiscus, alleen gebeurde er niets mee. Het zat er vast achter grenzen. Tot begin jaren zestig de ‘eurobonds’ ontwikkeld werden door de Schotse journalist-bankier Ian Fraser. Hij gaf geld opnieuw de vrijheid.”

 

Wie is Ian Fraser en wat zijn eurobonds?

“De in 2003 overleden Ian Fraser was bij leven en welzijn zeer invloedrijk in de Londense City. Tijdens WO II werd hij gedecoreerd als oorlogsheld. Daarna ging hij in het buitenland aan de slag als journalist bij het persbureau Reuters. In 1956 ruilde hij de journalistiek in voor de zakenbank Warburg. Daar ontwikkelde hij samen met zijn collega Peter Spira de eurobond. De opdracht van hun baas was: creëer een instrument waarmee controles en belastingen op internationaal rondreizend geld vleugellam gemaakt worden. Zorg er tezelfdertijd voor dat het rondreizend geld op de fiscaal meest interessante plek terechtkomt. Ongeveer 5 procent van alle geld zat op dat moment geblokkeerd in Zwitserland. Het positieve was dat je geen belastingen betaalde, het negatieve dat je er niets mee kon aanvangen. Rijke mensen wilden hun geld dolgraag activeren en bankiers in Londen droomden ervan om daar een graantje van mee te pikken. Dus verzonnen Fraser en Spira het principe van de eurobond: een obligatie die wordt uitgegeven in een andere munteenheid dan die van het land van uitgifte. Als Fraser zijn eurobonds in Groot-Brittannië uitgaf, moest hij een belasting van 4 procent betalen. Dus zette hij er als plaats van uitgifte de Nederlandse luchthaven Schiphol op. Als hij de intresten in Engeland liet uitbetalen, moest hij daar weer een andere belasting voor ophoesten, dus zorgde hij ervoor dat intresten uitbetaald werden in Luxemburg. En ook al werden de eurobonds niet in Groot-Brittannië uitgegeven, toch wist hij de Londense beurs ervan te overtuigen ze te aanvaarden. De gouverneurs van centrale banken van verschillende Europese landen maakten zich zorgen over de impact van die nieuwe obligaties, maar Fraser praatte ze allemaal onder tafel. Zijn eurobonds waren net magie: verborgen rijkdom die tot voor kort in Zwitserland lag te verkommeren, werd nieuw leven ingeblazen. De baasjes van al dat geld konden nu vellen papier kopen die ze overal mee naartoe konden nemen. Die eurobonds leverden belastingvrije intresten op en werden overal probleemloos ingewisseld. Dankzij Ian Fraser kreeg iedereen met geld toegang tot ‘offshore’. In zijn autobiografie schreef hij: ‘Het geheim van de eurobonds is dat ze totaal anoniem zijn, dat de coupons belastingvrij uitgekeerd worden en dat de ‘rijpe’ obligaties terugbetaald worden zonder vragen te stellen.’ Zo werden de controles op geldverkeer gesloopt en werd voor de inwoners van Moneyland alles mogelijk.”

 

Wat wil ‘offshore’ eigenlijk zeggen?

“Die term stamt uit de tijd van de piratenzenders. Die liep parallel met de creatie van de eurobonds. In de jaren zestig werd popmuziek steeds populairder bij tieners. Maar de BBC had daar geen oren naar. Alleen de staatszender mocht legaal in het VK uitzenden. De onvrede bij de jeugd groeide en een paar reders zagen daar brood in. Ze bouwden een boot om tot een zendstation, gingen buiten de Britse territoriale wateren voor anker, en zonden nieuwe opwindende popmuziek uit, afgewisseld met reclame. Aan de wal waren offshore radiostations even prominent aanwezig als de BBC, maar juridisch waren ze afwezig en moeilijk te bestrijden. Dat offshore-concept werd door de financiële wereld geadopteerd. Het staat voor: juridisch afwezig zijn, terwijl je fysiek wél aanwezig bent. ‘Waar mijn dubieuze transacties plaatsvinden, doet er niet toe, zolang het maar niet hier is.’ Offshore is: nergens. Van zodra geld nergens is, is het overal.”

 

U vindt de gevolgen van offshore desastreus?

“Offshore is de uitvinding die de wereld gebroken heeft. De schade is verschrikkelijk. Neem een land als Rusland: de 1 procent superrijke Russen bezitten 52 procent van de rijkdom van het hele land. Al hun geld is offshore. Als er morgen een revolutie uitbreekt en Vladimir Poetin aan de kant gezet wordt, verliest de nieuwe regering meteen meer dan de helft van ’s lands rijkdom. Want al dat offshore-geld van de oligarchen zal dan spoorloos verdwenen zijn. Offshore is een immens probleem, omdat geld niet langer meer onderworpen is aan democratisch toezicht.

“In 1999 werd in de Verenigde Staten de voormalige Oekraïense eerste-minister Pavlo Lazarenko gearresteerd. Hij stond internationaal geseind voor corruptie. Lazarenko werd in 2004 veroordeeld voor grootschalige diefstal, fraude en witwaspraktijken. Hij kreeg een miljoenenboete én een gevangenisstraf. In 2012 werd hij vrijgelaten, maar zijn fortuin dat geschat wordt op minstens 250 miljoen dollar, konden de Amerikaanse autoriteiten tot hiertoe niet recupereren. Twintig jaar na Lazarenko’s arrestatie, is al dat gestolen geld via belastingparadijzen nog steeds ‘veilig’ en onaantastbaar. Dat zegt iets over de kracht van Moneyland. Zelfs de machtige Verenigde Staten zijn niet in staat om die structuren te kraken.”

 

Zijn alle rijke mensen per definitie inwoners van Moneyland?

“Dat is toch waar velen naar streven. Alles hangt af van hoe sterk hun ethisch bewustzijn is. Ik twijfel er niet aan dat sommige superrijken wél belastingen betalen en niet geïnteresseerd zijn in een toegangsticket tot Moneyland. Maar het lijkt me niet makkelijk om te weerstaan aan die lokroep van totale immuniteit. Een Russische oligarch heeft eigenlijk geen andere keuze dan burger worden van Moneyland. Anders is hij zijn rijkdom snel weer kwijt. Hetzelfde geldt voor een rijke Nigeriaan. Hij moet wel gek zijn om zijn geld in eigen land te laten, want in een mum van tijd wordt het ingepikt door andere gulzigaards.”

 

U organiseert de ‘Londen Kleptocracy Tours’. Wat moet ik me daarbij voorstellen?

“Samen met mijn kompaan Roman Borisovich leg ik voor de geïnteresseerden bustours in Londen in langs de huizen van Russische oligarchen, prinsen en kroonprinsen uit het Midden-Oosten en Nigeriaanse politici. (lacht) De meeste Moneylanders dromen ervan om een huis te bezitten in West-Londen: Knightsbridge, St. James Wood, St. John’s Wood… Geen enkele doorsneeburger kan zich daar nog een huis permitteren. Je vindt er geen winkels of pubs meer en een sociaal leven is er onbestaande. Het zijn plekken geworden waar geld bewaard wordt, zogenaamde ‘investeringen’. Soms passeert de eigenaar er voor een week; eigenlijk zijn het niet meer dan walgelijk dure hotels. In Brussel zijn er waarschijnlijk ook zo’n wijken die in handen zijn van Moneylanders en waar de lokale gemeenschappen intussen uitgestorven zijn.

“Ook al die huizen zijn offshore; via officiële weg kom je niet te weten van wie ze zijn. Daar moet je enig opzoekingswerk in offshore-belastingparadijzen zoals Gibraltar, St. Kitts of Panama voor ondernemen. Iedereen weet dat een deel van het Londense patrimonium in overzeese, niet al te koosjere stinkend rijke handen is. Alleen heeft zo goed als niemand er echt zicht op.”

 

U bezocht een aantal van die belastingparadijzen.

“Wat je op die plaatsen zeker niet aantreft, is het geld van de Moneylanders. Het passeert er alleen maar. Mijn favoriete belastingparadijs is Nevis, een eiland in de Caribische Zee. De hoofdstad heet Charlestown en het eiland telt 11.000 zielen. In 1983 werd het samen met zustereiland St. Kitts onafhankelijk van Groot-Brittannië. Nevis is prachtig, schattig en klein. Je stapt van de boot rechtstreeks de kantoorgebouwen binnen waar je je schimmige zaakjes kan regelen. Tot hiertoe bleef Nevis uit de schijnwerpers als offshore-eiland. De bewindslui voelden de druk nog niet om te verbergen dat hun eiland een belastingparadijs is. In Jersey of Noord-Ierland wordt heel wat mist gespuid over ‘vermogensbeheer’, ‘risicokapitaal’ en ‘interessante beleggingen’. In Nevis laten ze voorlopig de bullshit achterwege. Zij produceren niets, maar verkopen enkel absolute geheimhouding en immuniteit. Elke dollar die daar passeert, blijft de waarde houden van een dollar, alleen wordt de herkomst er gewist.”

 

U sprak er met Heidi-Lynn Sutton, toezichter van de Nevis Financial Services Regulatory Commission.

“Zij moet erop toezien dat de structuren van het eiland niet misbruikt worden door criminelen. Een rapport uit 2017 van de Amerikaanse overheid noemt Nevis nochtans dé favoriete bestemming van criminelen die geld willen verbergen en witwassen. Sutton ontkent dat staalhard.

“Nevis erkent geen vonnissen van buitenlandse rechtbanken. Al wie een op Nevis gevestigd bedrijf wil aanklagen, moet dat doen via het hof van het eiland. Maar voor je begint te procederen, moet je eerst 100.000 dollar storten. Als het misdrijf een jaar oud is, wordt je klacht sowieso geseponeerd. Wie wil procederen tegen een rechtspersoon op Nevis, wens ik veel succes. De wetten in Nevis zijn geschreven door Amerikaanse advocaten. Rijke Amerikanen die van hun vrouw willen scheiden zonder haar uit te betalen, brengen hun bezittingen nu op papier onder in Nevis. Dan zijn ze safe en kan mevrouw naar de centen fluiten. De regering van Nevis bestaat uit de spreekwoordelijke drie man en een paardenkop. Zij accepteerden de door de advocaten voorgekauwde wetten met veel plezier. Het fiscale wetboek van Nevis is dus geschreven door Amerikaanse advocaten om rijke Amerikaanse burgers te ‘beschermen’ tegen de Amerikaanse justitie. Intussen maken ook rijke Russen, Saoedi’s en Oekraïners er dankbaar gebruik van. Alleen gaan zij nog iets meer in overdrive.”

 

Hoe kunnen we Moneyland aan banden leggen?

“Dat kan alleen op internationaal vlak. Sommigen klagen steen en been over de EU, maar de Europese instellingen waren wel altijd een belangrijk platform voor grensoverschrijdende resoluties. Al moeten we tezelfdertijd niet overdrijven: ook veel Europese landen hebben de voorbije decennia hun witwasschandalen gekend. Maar de EU onderneemt tenminste nog pogingen om basisregels voor ethisch geldverkeer vast te leggen. Zonder EU zouden alle Europese landen razendsnel transformeren in fullblown belastingparadijzen. Ik ben bang dat na de brexit Groot-Brittannië het Nevis van Europa zal worden.”

 

Oliver Bullough, Moneyland: Why Thieves And Crooks Now Rule The World And How To Take It Back, Profile, 20,99 euro – De Nederlandse vertaling verschijnt eind februari bij uitgeverij Tomas Rap.

(c) Jan Stevens

 

 

Advertenties

“In veel landgenoten huist een klein Hitlertje”

De haven van Zeebrugge is populair bij vluchtelingen die dromen van de grote oversteek naar Groot-Brittannië. Pastoor Fernand Maréchal geeft hen onderdak en kreeg daar deze zomer doodsbedreigingen voor. “Als de Catalaanse minister-president zijn land ontvlucht, wordt hij met open armen ontvangen. Een sukkelaar die uit de oorlog komt, wordt het leven moeilijk gemaakt. Voor mij is iedereen gelijk.”

 

Sinds 2015 zet pastoor Fernand Maréchal de deuren van zijn Sint-Donatuskerk open voor mensen op de vlucht. Ze krijgen er eten en drinken, een douche en een toilet en mogen er in de wintermaanden overnachten. Fernand Maréchals hulp aan vluchtelingen wordt niet door iedereen geapprecieerd. Onder anderen Carl Decaluwé, gouverneur van West-Vlaanderen met een CD&V-etiket, is geen fan van de Zeebrugse priester die in zijn kerk hongerige vluchtelingen spijst. “Al wie vluchtelingen voedsel geeft, trekt er nog meer aan”, stelde hij in 2016 op de radio. “Een heel merkwaardige uitspraak voor een christen-democraat”, vindt pastoor Maréchal. “De woorden van de gouverneur waren nog niet koud, of de media sprongen erop. Plots stonden reporters van alle mogelijke radio- en tv-stations uit heel Europa aan mijn voordeur. Drie ploegen uit Italië liepen elkaar voor de voeten. ‘Wel, waar zijn die vluchtelingen?’, vroegen ze. Ze geloofden echt dat het een overrompeling was. Terwijl het over hooguit dertig mensen ging. Ik zei: ‘Bij jullie in Italië komen er duizend per dag via de Middellandse Zee binnen en jullie reizen naar Zeebrugge om een pastoor te filmen die eten geeft aan dertig mensen?’ Weet u wat het grootste probleem is? De perceptie: de buitenwereld heeft een compleet vertekend beeld van wat er zich hier afspeelt. Op een bepaald moment kreeg ik verschillende anonieme telefoontjes en werd ik op straat toegeroepen: ‘We vinden je wel!’, ‘We maken je een kopje kleiner!’, ‘Je dagen zijn geteld!’ Ik vond dat niet fijn, maar er gaapt nog een grote kloof tussen dreigen en tot actie overgaan. Ik vertelde een paar van mijn vrijwilligers over die bedreigingen. Zij schrokken en lichtten hun advocaat in. Die stapte vervolgens naar de pers; dat was niet mijn bedoeling. Door de persaandacht zijn de doodsbedreigingen gelukkig wel gestopt.”

 

U bent 70. U zou eigenlijk van uw pensioen moeten genieten.

Fernand Maréchal: “Dat is zo. Ik was 26 jaar hoofdaalmoezenier in het AZ Sint-Jan in Brugge en was ingeschreven als bediende bij het OCMW. Op mijn 65e kon ik niet anders dan daar afscheid nemen, maar ik was nog tamelijk fit en zag het wel zitten om als parochiepriester een paar jaar te gaan uitbollen in Zeebrugge. Alleen kwam ik hier in een storm terecht. Maar ik kan deze plek nu niet zomaar in de steek laten. Zolang ik gezond ben, werk ik verder.”

 

Op het eerste gezicht lijkt de rust in uw parochie weergekeerd.

“Nu is de toestand ietwat gestabiliseerd, maar tijdens de gemeenteraadsverkiezingen probeerden bepaalde politieke partijen munt uit de vluchtelingenopvang te slaan. Ik hoef u niet te zeggen dewelke.”

 

N-VA en Vlaams Belang?

“Precies. N-VA’ers van buiten Brugge kwamen hier stoken. Ik overleefde intussen vier betogingen georganiseerd door Voorpost, N-VA en Vlaams Belang. Daar liepen niet veel mensen uit Zeebrugge tussen. De demonstranten kwamen vooral uit Antwerpen, Gent en Sint-Niklaas. Ze leggen daar elke keer speciaal een bus voor in. Ik kan me niet voorstellen dat N-VA’ers die vroeger tot de Volksunie behoorden, zo blij zijn met dat racistische gedachtengoed in hun huidige partij.

“Er wordt soms met stenen gegooid door gefrustreerde mensen van Zeebrugge. Of ze zetten plakkaten in mijn tuin. Mijn principe is: mensen die je kwaad doen, moet je met liefde behandelen. Ik zeg ze goeiendag en dan schrikken ze. Ik blijf vriendelijk tegen al wie mij niet genegen is. Dat is niet altijd even makkelijk maar er kruipt minder energie in dan in een uitputtend gevecht met tegenstanders. Ik heb hier al een paar critici over de vloer gehad die het gesprek met me wilden aangaan. Dat is prima. Ook zij hebben het recht om hun gedacht te zeggen. Er is persvrijheid maar ik heb soms het gevoel dat er geen godsdienstvrijheid meer is. Wie zijn godsdienst wil beleven, wordt geboycot.”

 

Hoe bedoelt u?

“Wanneer ik als priester en als christen mensen in nood probeer te helpen, word ik geboycot. Met dit werk beleef ik enkel mijn geloof, maar dat wordt niet aanvaard door een groepje met een bepaalde mentaliteit. Ik leef toch in een vrij land en mag mijn geloof toch beleven zoals het hoort?”

 

Met dat ‘groepje’ neemt u ook politici in het vizier zoals Carl Decaluwé en Renaat Landuyt, de bijna ex-burgemeester van Brugge?

“Ja. In 2016 kreeg ik de Prijs voor Mensenrechten in het stadhuis van Gent, waar toen ook een socialistische burgemeester aan de macht was. Daar werd ik gehuldigd en hier werd ik door de burgemeester belachelijk gemaakt en geboycot. Landuyt heeft bij veel Bruggelingen krediet verloren door zijn houding tegenover mij. Dat is zijn eigen keuze, ik ga hem niet proberen bekeren.”

 

U verschaft onderdak aan zogenaamde ‘transmigranten’. Wat vindt u van dat woord?

“Ik vind het een betere term dan ‘illegalen’. Zowel huidige als gewezen staatssecretarissen voor Migratie én partijvoorzitters nemen dat woord maar al te graag in de mond.

“De mensen die ik help, kwamen eerst uit Syrië, Irak en Iran. Daarna uit Eritrea, Somalië, Mali, Niger, Soedan. Echte oorlogsvluchtelingen die in zeer penibele omstandigheden leven. Er zijn zelden ‘gelukszoekers’ bij. Ik probeer me altijd in te leven in die mensen. Wanneer laat iemand alles achter en vlucht hij weg naar een ver land? Je moet toch al heel diep zitten vooraleer je aan zo’n risicovolle tocht begint?”

 

De meeste vluchtelingen die bij u over de vloer komen, willen dolgraag naar Engeland. Waar komt die rare illusie vandaan dat aan de overkant van het Kanaal het land van melk en honing ligt?

“Wij zeggen hen ook: ‘Engeland is niet zoals jij het je voorstelt. Je wordt er uitgebuit in het zwarte circuit.’ Maar een euro per uur is al massaal veel geld voor hen. In hun eigen land moeten ze daar een week of een maand voor werken. Met zo’n argumenten hou je ze niet tegen. Dat beeld van ‘beloofde land’ zit diep in hun hersenen ingebakken. Hoe dat komt, weet ik niet. Misschien omdat ze er relaties hebben. Ze horen verhalen van anderen die hen voorgingen en die het er goed stellen. Ik ken er een paar die er nu studeren aan de universiteit. Dat klinkt bij die jongens hier als muziek in de oren. Daar komt bij dat je er tamelijk anoniem kan leven.

“Ik probeer vluchtelingen er altijd van te overtuigen om hier asiel aan te vragen. Soms lukt dat, maar niet vaak. Ze vertrouwen ons systeem niet. ‘Als we hier na vier jaar ingeburgerd zijn, vliegen we toch terug’, zeggen ze. Ze kennen verhalen van gezinnen die na een jaar of zeven teruggestuurd worden, ook al hebben ze kinderen die hier geboren zijn.”

 

De bedoeling van dat harde terugkeerbeleid is misschien net ook: vluchtelingen en migranten ontraden om België als veilige haven te kiezen.

“Met al die harde maatregelen hou je die mensen tóch niet tegen. Geloof me vrij: ze zullen blijven komen. Het enige wat de nieuwe staatssecretaris voor Migratie Maggie De Block moet doen, is die mensen verzorgen. Geef hen bed, brood en bad. Pas dan weet je wie er hier rondloopt en kun je hen heroriënteren naar een andere plaats. Dat is veel menselijker en zorgt voor heel wat minder overlast. Al die razzia’s zijn verloren geld. Twee uur later worden ze toch weer vrijgelaten.”

 

Vinden er bij u razzia’s plaats?

“Ja. Met de zeevaartpolitie heb ik een goede band: soms sturen zij iemand in nood naar ons. Zo was er die door zijn werkgever zwaar uitgebuite vrachtwagenchauffeur uit Montenegro. Ze brachten die arme man naar hier en vroegen of we hem een dag of twee konden verzorgen. De agenten van de zeevaartpolitie respecteren wat ik doe. De federale politie is wat anders. Als er betogingen zijn, beschermen ze me. Daar mag ik niet over klagen. Maar ze houden met veel machtsvertoon hun razzia’s op momenten dat wij voedsel uitdelen. Dan zitten al die uitgehongerde mensen samen in de kerk en dan valt de politie binnen. Dat vind ik moreel onverantwoord.”

 

Er bestaat toch zoiets als kerkasiel?

“De federale politie beweert van niet.”

 

Hebt u nog contact met vluchtelingen die tot in Engeland geraakt zijn?

“Zeker. Ze zijn niet te tellen, al degenen die hier gepasseerd zijn en de overtocht gemaakt hebben. Het zijn er honderden.”

 

En zijn ze nu gelukkig?

“Ja.”

 

Of zeggen ze dat omdat ze niet willen toegeven dat ze van de regen in de drop beland zijn?

“Ik werk samen met een aantal vrijwilligers. Zij zitten op facebook en hebben regelmatig contact met vluchtelingen in Engeland. Ik zit niet op sociale media; Ik begrijp trouwens niet waar politici de tijd vandaan halen om te twitteren. Een paar vrijwilligers hebben ook mensen in Engeland opgezocht. Twee maanden geleden kwam zo’n jongen nog bij mij op bezoek. Hij had een doos pralines bij om me te bedanken.”

 

Bent u voorstander van open grenzen?

“Ja. De wereld is een dorp. Met het sluiten van de grenzen bereiken we niets. Vrijheid dragen we hoog in ons vaandel en dus moet elke mens ook vrij zijn om te gaan en staan waar hij wil. De multiculturele samenleving is een feit; we kunnen de klok niet meer terugdraaien. Sommige politici willen dat wel, maar dat is een zinloze strijd. Neem de vreemdelingen weg en onze economie stort als een kaartenhuisje ineen. Wij kunnen niet zonder die mensen, uit welk land ze ook komen.”

 

U ben niet bang dat het avondland door massa-immigratie ten onder zal gaan?

“Kijk, in de koloniale tijd hebben wij Afrika leeggezogen. Alle rijkdom is naar hier gebracht. Ik vind het niet meer dan normaal dat die mensen nu naar hier komen en zeggen: ‘Jullie hebben ons geplunderd, geef eens wat terug.’ Afrika wordt vandaag nog steeds geplunderd door multinationals. Natuurlijk zullen mensen minder geneigd zijn om te migreren als er ter plaatse een degelijk beleid gevoerd wordt. Maar de corrupte systemen in veel landen maken het vandaag onmogelijk om er degelijke maatschappijen op te bouwen.

“Als de Catalaanse minister-president zijn land ontvlucht, wordt hij met open armen ontvangen. Een sukkelaar die uit de oorlog komt, wordt het leven moeilijk gemaakt. Voor mij zijn alle mensen gelijk. Ik heb de indruk dat er in veel landgenoten een klein Hitlertje huist. Ze lijken vergeten te zijn wat er bij ons in de jaren dertig gebeurd is, toen duizenden Vlamingen naar Amerika en Canada trokken op zoek naar een beter leven. Ze herinneren zich ook de Eerste Wereldoorlog niet meer, toen honderduizenden mensen op de vlucht sloegen.”

 

Hoe komt het dat de vluchtelingen die u over de vloer krijgt bijna altijd jonge mannen zijn?

“Omdat de sterkste van de familie eerst wordt gezonden. Hij komt de weg banen voor de latere hereniging van het gezin. Al die nieuwkomers kunnen een positieve bijdrage leveren aan onze samenleving. Ik begrijp dat sommige Vlamingen daar bang voor zijn, maar hun angst werkt verlammend. Ze zien alleen nog het negatieve. Maar liefde opent en overwint.”

 

Staat de katholieke kerk achter u?

“Ja. Het bisdom Brugge zeker, al zijn er natuurlijk altijd individuen die het niet met me eens zijn. Het bisdom heeft ook geïnvesteerd in de container met twee douches en een toilet in mijn tuin. Toen die geplaatst werd, was er ook een hele hetze. Ze dachten dat door die container Zeebrugge het nieuwe Calais zou worden. Maar die mensen komen niet naar Zeebrugge omdat ze hier kunnen douchen of een kom soep krijgen. De bange blanke man weeft soms rare hersenspinsels. Ik help een paar mensen en ze denken meteen dat alle vluchtelingen uit Calais of Duinkerke naar hier zullen toestromen.”

 

Waarom bent u ooit priester geworden?

“Ik kom uit een sociaal geëngageerd gezin. Mijn moeder was verpleegkundige. In de jaren dertig mochten vrouwen na hun huwelijk geen verpleegster in een ziekenhuis meer zijn. Wij woonden in Assebroek en de zieke mensen uit de buurt kwamen naar ons huis. Mijn vader stond aan de wieg van het Wit-Gele Kruis en runde het secretariaat. Ik heb nog een grote ijzeren archiefkast vol fiches van toen. Als kind al zag ik veel kwetsbare mensen. Ik wou iets voor hen betekenen. Ik ben gelovig en wou dat als priester proberen. Tijdens mijn studies heb ik veel getwijfeld, maar ik heb die stap toch gezet. In 1974 ben ik tot priester gewijd.

“Ik haal veel inspiratie bij monseigneur Romero, de aartsbisschop van El Salvador die jammer genoeg vermoord is. Het is gemakkelijk om in een kerk te staan preken over God die liefde is. Ik vind dat je dat ook in daden moet omzetten. Geen woorden maar daden.”

 

De recente kerkgeschiedenis oogt niet zo fraai met al die verhalen over misbruik, denk ook maar aan Roger Vangheluwe, de vroegere bisschop van Brugge.

“Er zijn vreselijke dingen gebeurd waar ik echt niet goed van ben. De oorzaak is machtswellust. Of dat misbruik ook met het celibaat te maken heeft? Dat weet ik niet. Misbruik vind je ook elders.”

 

Wordt seks dan geen obsessie als het niet mag?

“Maar hoeveel misbruik is er niet in de sport? Die mensen hebben geen celibaatsplicht. Als ik gehuwd zou zijn, zou mijn huwelijk door mijn werk waarschijnlijk niet lang hebben standgehouden. Van mij mogen priesters gerust huwen en ik heb er ook niets op tegen dat vrouwen tot priester gewijd worden. In het Vaticaan lopen te veel hoge geestelijken rond die vasthouden aan de macht. Als ze ook voor dienstbaarheid en liefde hadden gekozen, stonden we nu veel verder.”

 

(c) Jan Stevens

“Elk moment van de dag wacht ik op Ahmad”

Voor het derde eindejaar op rij valt er niets te vieren voor Vida Mehrannia, vrouw van de terdoodveroordeelde VUB-professor Ahmadreza Djalali. “Soms vraagt onze zoon: ‘Is papa dood?’”

 

Eind juni was Vida Mehrannia (44) even in Brussel. Ze ontmoette er Europese en Vlaamse gezagsdragers en smeekte hen om het Iraanse regime onder druk te zetten om haar man Ahmadreza Djalali vrij te laten. De aan de VUB verbonden Zweeds-Iraanse professor Djalali werd op 25 april 2016 in Iran gearresteerd. Anderhalf jaar later werd hij in een showproces ter dood veroordeeld voor spionage. Alle politici die Vida Mehrannia in Brussel sprak, beloofden haar dat ze Iran het vuur aan de schenen zouden blijven leggen. De Vlaamse minister-president Geert Bourgeois (N-VA) vertelde haar dat hij er de Iraanse ambassadeur én de Iraanse vicepresident Sorena Sattari over had aangesproken. “Dat klonk allemaal zeer hoopvol”, zegt Vida Mehrannia. “Een tijdlang geloofde ik ook echt dat ze het Iraanse regime hard zouden aanpakken, maar tot hiertoe heb ik daar helemaal niets van gemerkt. Ik heb nog geen enkele Europese politicus tegen de ayatollahs horen zeggen: ‘Zolang jullie de mensenrechten niet respecteren, vertikken we het om handel met jullie te drijven.’ In werkelijkheid kiezen ze ervoor om met de dictators zaken te blijven doen.”

Vandaag woont Vida Merhannia samen met haar dochter Ariyo (16) en zoontje Amitis (6) in een flat in een voorstad van Stockholm. “Ik ben naar hier verhuisd toen Ahmadreza al in de gevangenis zat. Vlak voor zijn vertrek hadden we de oude flat opgezegd en het contract voor de nieuwe getekend. In mijn eentje moest ik toen de hele verhuis regelen.”

 

Hoe was 2018 voor u?

Vida Merhannia: “Vreselijk, maar iets minder vreselijk dan 2017. Eigenlijk veranderde er in 2018 niets, alleen kreeg ik in 2017 zowat elke dag slecht nieuws te verwerken. De voorbije maanden was ik vooral aan het wachten. Elk moment van de dag wacht ik op Ahmad. Ik hoop dat hij in 2019 wordt vrijgelaten.”

 

Hoe gaat het nu met hem?

“Niet goed. Hij zou zeer dringend een grondig medisch onderzoek moeten ondergaan. Maandenlang al heeft hij een tekort aan witte bloedcellen. Vorige week nam de gevangenisdokter een bloedstaal af. Hij zei: ‘We beslissen later wel wat we met je zullen aanvangen.’ Op 19 november moest Ahmad met spoed geopereerd worden vanwege een ingeklemde liesbreuk. Toen namen ze een eerste bloedstaal af. Ahmad is zelf dokter en kan dus goed inschatten wanneer symptomen ernstig zijn. We hopen dat zijn bloed deze keer serieus onderzocht wordt.”

 

Voor die spoedoperatie werd hij vanuit de Evin-gevangenis in Teheran overgebracht naar een ziekenhuis?

“Ja. In het ziekenhuis ketenden ze hem aan zijn bed vast. De dag na de operatie brachten ze hem al terug naar zijn cel. In de gevangenis is geen ziekenboeg en er is ook geen fatsoenlijke nazorg mogelijk. Er is alleen die gevangenisdokter die een voorraadje pillen heeft om hoofd- en tandpijn te bestrijden. Meer is er niet. Psychisch is Ahmad er zeer slecht aan toe. Hij ziet geen enkel lichtpuntje meer aan het eind van de tunnel.”

 

U spreekt hem nog steeds elke dag via de telefoon?

“Elke dag spreken we elkaar, ja. Sinds zes maanden heeft hij contact met me via Messenger. Maar hij is zo moedeloos en ik ben bang dat hij in een diepe depressie beland is. Dagenlang al lijdt hij aan slaapstoornissen. Om 11 uur ’s avonds valt hij in slaap en om twee uur ’s nachts is hij weer klaarwakker. Zijn bloeddruk is veel te hoog.

“Vaak zegt hij: ‘Ik weet niet of ik ooit nog bij jullie terug zal kunnen komen.’ Ik troost hem dan en spreek hem moed in. ‘Nee, Ahmad, je zal snel thuis zijn. Ik beloof het je.’ Ik vertel hem over onze toekomst samen, over hoe we terug als een gewoon gezin zullen leven in onze flat in Stockholm.”

 

Maar hij kan op elk moment geëxecuteerd worden?

“Ja. Iran heeft een bedenkelijke reputatie als het op het uitvoeren van de doodstraf aankomt. De veroordeelde zelf of zijn familieleden worden niet op voorhand geïnformeerd. Als om middernacht je celdeur geopend wordt, weet je dat je laatste uur geslagen is. Dan word je meegenomen naar de plaats waar je zal opgehangen worden. Continu leven wij met die vreselijke onzekerheid. We hebben al talloze keren aan de Iraanse autoriteiten om duidelijkheid gesmeekt. Ahmads advocaat heeft ondertussen verschillende beroepen tegen het vonnis ingespannen die allemaal werden afgewezen. Maar hij gelooft dat er nog een kans is en diende daarom nu opnieuw beroep in. Ik weet het niet meer. Ahmad vertelde hoe een van zijn medegevangenen na drie jaar opsluiting om twaalf uur ’s nachts uit zijn cel gehaald werd en overgebracht naar een andere gevangenis. Daar werd vervolgens het doodvonnis uitgevoerd.”

 

Was Ahmad met die man bevriend?

“Nee, al is hij intussen wel bevriend met een paar medegevangenen. Hij zit niet tussen moordenaars en dieven, maar in de vleugel van de politieke gevangenen. Zijn megegevangenen zijn vooral advocaten en leerkrachten. De leraars zitten vast omwille van hun politieke overtuiging; de advocaten omdat ze burgers met ‘afwijkende meningen’ verdedigden. Ahmad kookt alle dagen voor hemzelf en zijn celvrienden. (lachje) Hij leest boeken uit de gevangenisbibliotheek. Veel keuze is er niet. Hij piekert ook voortdurend over nieuwe invalshoeken om zijn proces te laten herzien.

“De eerste drie maanden zat hij in een isoleercel van twee op drie meter. Zeven maanden lang kreeg hij geen advocaat. Twee keer ging hij in hongerstaking om zijn recht op verdediging af te dwingen: in totaal 88 dagen. Hij verloor bijna 27 kilo. Maar de autoriteiten gaven niet toe. Ahmad kreeg een lijst van ‘goedgekeurde’ advocaten voorgelegd en koos murw en moegestreden voor meester Daryabeighi. De beruchte ‘rechter des doods’ Abolqasem Salavati veroordeelde Ahmad ter dood, en een week lang lichtte Daryabeighi daar niemand over in. Ik kwam het uiteindelijk toch te weten en belde die man. ‘Ja, mijnheer Djalali kreeg vorige week de doodstraf.’ Ik vroeg waarom hij me niets had laten weten. ‘Omdat ik ook van niets wist.’ Onzin. Intussen heeft Ahmadreza een advocaat die wel deugt.”

 

U hebt uw man sinds hij gevangen zit nog niet kunnen bezoeken?

“Nee, 32 maanden lang heb ik hem niet meer in levende lijve gezien. Het is onmogelijk voor mij en mijn kinderen om naar Teheran te reizen. Zijn familie in Iran bezoekt hem wel. Ik ben bang dat ook ik gearresteerd zal worden als ik voet op Iraanse bodem zet. In mijn geboorteland is alles mogelijk.”

 

Niet alleen Geert Bourgeois, maar ook Federica Mogherini, de hoge vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken van de EU, beloofde om u te helpen. Hoe staat het daarmee?

“Ze verzekeren me allemaal telkens weer dat ze Ahmads zaak op de voet volgen. Maar wat er precies gebeurt, weten wij niet. We zijn Zweeds staatsburger, wat dus ook wil zeggen dat de Zweedse overheid ons moet bijstaan als we in het buitenland in de problemen komen. Ik loop de deur van het Zweedse ministerie van Buitenlandse Zaken plat, voorlopig vergeefs. Twee maanden geleden vroeg ik: ‘Wat hebben jullie de voorbije 30 maanden ondernomen?’ Weet u wat het antwoord was? ‘We volgen de zaak van uw man op de voet.’ Ik vroeg of ze me alstublief wat meer details konden geven. ‘We mogen daar verder niets over kwijt.’ Ik vroeg ook aan Federica Mogherini wat zij ondernomen had. Haar antwoord: ‘We volgen Ahmads zaak.’ Die nietszeggende antwoorden zijn zo frustrerend. Ondertussen verandert er geen sikkepit in zijn toestand.”

 

U weet niet of er iets achter de schermen gebeurt?

“Nee. Ik hoopte een tijdje op een gevangenenruil, want in het verleden is die er al geweest. Begin 2016 sloten Amerika en Iran een deal om vier door Iran gevangengenomen Amerikaanse staatsburgers te ruilen voor zeven gearresteerde Iraniërs. In Zweden zitten geen Iraniërs in de gevangenis die in aanmerking komen voor een ruil met mijn man. Maar misschien zijn er elders in Europa, daarom ook stelde ik zoveel hoop op het Europese Parlement en op Mogherini. Ik hoor niets meer over die piste. De Belgische en Zweedse afdelingen van Amnesty International proberen ook het vuur brandend te houden; voorlopig is er enkel onheilspellende stilte. Ook van de Belgische autoriteiten komt er geen nieuws.”

 

Na de Amerikaanse sancties tegen Iran zijn de ayatollahs misschien toch bereid tot onderhandelen met Europa?

“Misschien is dit inderdaad hét moment voor Europa om mijn man vrij te krijgen. Alleen lijken de EU en het Europees Parlement in de eerste plaats geïnteresseerd in zakendoen met Iran. Ik vrees dat ze enkel met de mond belijden dat mensenrechten belangrijk zijn.”

 

Hoe is het met uw kinderen?

“Onze zoon Amitis mist Ahmad heel erg. Hij weet niet dat zijn vader in de gevangenis zit en ter dood veroordeeld is. Hij denkt dat papa op zakenreis is in Iran. Ik kan hem dat nieuws nu nog niet vertellen, want hij is al zo droef over zijn vader die maar niet naar huis komt. Elke dag vraagt hij: ‘Wanneer komt papa terug?’ Elke dag.

“Onze dochter Ariyo weet alles; zij wacht op zijn thuiskomst. De kinderen praten regelmatig met Ahmad via Messenger. Dat zijn soms zeer emotionele gesprekken. Mijn zoon is jarig op 28 december, hij wordt dan zeven. Hij zei: ‘Zal papa dan terug zijn? Ik wil dat hij naar mijn verjaardagsfeestje komt.’”

 

Ooit zal u het hem toch moeten vertellen wat er werkelijk aan de hand is?

“(stilte) Soms vraagt Amitis: ‘Is papa dood?’ Ik antwoord dan: ‘Natuurlijk niet, je praat toch af en toe met hem via de telefoon? Dat is toch papa?’ Ik zie hoe hij er emotioneel onder lijdt. Hij is nog zo klein; ik kan hem dat nu zomaar niet vertellen. Hij moet eerst groter en sterker worden. Zeven jaar is toch te vroeg? Als Ahmad niet vrij komt, zal ik onze zoon de waarheid vertellen nadat hij tien geworden is.

“Onze dochter studeert volgend jaar af aan de middelbare school. Zij wil dolgraag dat haar papa erbij is als ze haar diploma krijgt. Amitis’ verjaardag zonder zijn vader maakt het jaareinde extra zwaar. Weet u, de druk op mij weegt als lood en neemt alleen maar toe. Ik kan het me niet permitteren om compleet in te storten, want de kinderen hebben mij nodig. Maar ook mijn man heeft me nodig; voor hem moet ik ook sterk zijn.”

 

U hebt geen familie in Zweden?

“Nee. Ik heb een paar goede vrienden in Stockholm waar ik altijd op kan rekenen, maar zonder familie blijft het moeilijk. Ik werk deeltijds en ben nu ook de enige kostwinner van het gezin. Mijn grootste bezorgdheid is en blijft mijn man. We moeten ervoor zorgen dat hij levend en wel terug naar huis komt. Dat is het enige dat telt, al de rest is bijzaak. Ik voel me daarin erg gesteund door zijn collega’s van de universiteit, door onze familie en door de hele wetenschappelijke wereld. Op 9 december stuurden 121 Nobelprijswinnaars een brief naar ayatollah Khamenei waarin ze de vrijlating van Ahmad vragen. Ze schrijven dat mijn man net als zij een wetenschapper is. Ze willen dat hij fatsoenlijk behandeld wordt en zo snel mogelijk op vrije voeten wordt gesteld. Ik ben hen daar zeer dankbaar voor.”

 

Zou u ermee kunnen akkoord kunnen gaan dat uw man eerst een nieuw, eerlijk proces krijgt?

“Zeker, daar hoop ik ook op. Ahmads advocaat zegt dat mijn man zonder bewijs veroordeeld is. Hij is compleet onschuldig en heeft bij een eerlijk proces dan ook niets te vrezen. Iran telt verschillende hooggerechtshoven. Door bij hen in beroep te gaan, proberen we een nieuw proces af te dwingen. Tot hiertoe werd de doodstraf telkens door zo’n hooggerechtshof bevestigd, maar misschien zijn er nog rechters die wél de moed hebben om Ahmad een faire kans te geven.”

 

Waarom werd hij op 25 april 2016 gearresteerd?

“De universiteit van Teheran had hem uitgenodigd voor een workshop. Hij was in de jaren daarvoor wel meer naar Iran gereisd, vaak op uitnodiging van diezelfde universiteit. Hij gaf dan workshops als professor en dokter gespecialiseerd in de rampengeneeskunde. Die 25e april reed hij van Teheran naar de vijftig kilometer verder gelegen stad Karaj. Onderweg werd hij gearresteerd door leden van de veiligheidsdiensten. Tien dagen lang hoorde ik niets van hem. Tot ik telefoon kreeg van onze familie in Iran. ‘Ahmad is opgepakt.’ Dat kon enkel een vergissing zijn. ‘Binnenkort wordt hij vrijgelaten’, dacht ik. Maar ze stopten hem in de isolatiecel.”

 

Was hij politiek actief?

“Nee, helemaal niet. Hij is een wetenschapper en politiek interesseerde hem niet. We leidden een gelukkig leven en we hebben in Iran nooit problemen gehad. Elk jaar in de zomervakantie reisden we samen naar ons geboorteland.

“Ahmads arrestatie was een donderslag bij heldere hemel, voor iedereen die hem kent. Ze beschuldigden hem ervan een spion te zijn voor de Israëlische geheime dienst Mossad. Ahmadreza werd er onder andere van beschuldigd de Mossad informatie te hebben gegeven waarmee ze dodelijke aanslagen op twee Iraanse nucleaire wetenschappers konden plegen. Mijn man heeft daar niets mee te maken. Hij is nu een gijzelaar van het Iraanse regime. 32 maanden lang al is het me totaal onduidelijk waarom ze hem dat doodvonnis gegeven hebben. Het is onmogelijk dat hij verantwoordelijk zou zijn voor de dood van twee wetenschappers. Er is geen flard bewijs dat hij een spion voor Israël is. Hij is nog nooit in dat land geweest en had geen contact met Israëli’s.”

 

Hij heeft toch toegegeven dat hij niet lang voor zijn arrestatie benaderd werd door een paar zakenmensen die informatie over Iran van hem wilden?

“Dat waren geen Israëliërs maar Europeanen. Zij werkten niet voor een Israëlisch bedrijf of voor de Mossad, maar stelden zichzelf voor als vertegenwoordigers van een farmaceutische onderneming gespecialiseerd in rampengeneeskunde. Ze vroegen Ahmad of hij toegang had tot data in Iran die interessant voor hen zouden kunnen zijn. ‘Nee’, antwoordde hij. ‘Ik ben een dokter, hoe zou ik toegang moeten hebben tot overheidsinformatie?’”

 

Hij legde op 17 december 2017 bekentenissen af op de Iraanse tv.

“Nee. Hij had het toen over ‘sommige mensen’ die hem gecontacteerd hadden en die net als hij specialisten waren in rampengeneeskunde. De Iraniërs hebben die beelden vervolgens gemanipuleerd en er een andere stem tussen gemonteerd. Die levert commentaar en beweert dat Ahmad toegeeft dat hij een Mossad-spion is. Ze lieten niet horen hoe Ahmad expliciet zei dat hij geweigerd had informatie over Iran aan die Europeanen te geven.”

 

Hebt u achteraf contact gezocht met die twee zakenmensen?

“Nee, ik ken hun namen niet en ik weet ook niet voor welk bedrijf ze werkten.”

 

Zou het kunnen dat ze door de Iraanse overheid op uw man waren afgestuurd om hem te ‘testen’?

“Dat is mogelijk. De hardheid en onverzettelijkheid van de Iraanse overheid baart mij grote zorgen. Ik heb stapels brieven gestuurd naar president Rohani die zogezegd een hervormer zou zijn. Hij heeft me nooit geantwoord. Sommigen geloven nog steeds dat Rohani vooruitstrevend is en de Iraanse burgers meer vrijheid wil geven, maar ik ben bang dat ze zich vergissen. Ik heb ook brieven geschreven naar Sadeq Larijani, de opperrechter van Iran en het hoofd van Justitie. Hij kan met een vingerknip de gevangenschap van mijn man ongedaan maken. Ook hij hult zich in stilzwijgen.

“Er zijn momenten waarop ik alle hoop verlies. Maar dan komt er een actie zoals die brief van de Nobelprijswinnaars en dan flakkert de hoop even op. Ik moét blijven hopen dat Ahmad op een dag terug thuis zal zijn. Ik krijg psychologische hulp, anders ga ik er compleet onderdoor. Weet u dat ze sommige terdoodveroordeelden nooit executeren, maar levenslang laten wegrotten in de cel? Ik heb het rare gevoel dat ze ook Ahmad nooit zullen executeren. Ik wil niet dat ze hem zijn leven lang vasthouden. Ze moéten hem laten gaan. Want levenslang in een Iraanse gevangenis is erger dan de dood.”

(c) Jan Stevens

 

 

Het kalifaatmeisje

In het boek Laura H., het kalifaatmeisje uit Zoetermeer, reconstrueert de Nederlandse journalist Thomas Rueb de belevenissen van Nederlands bekendste Syriëreizigster. Vader Eugène H. betaalde 10.000 euro aan een schimmige organisatie om zijn dochter te redden uit het kalifaat. “Ik blijf geloven dat ze Laura écht hielpen ontsnappen. Alleen hebben zij liever dat iedereen gelooft dat ze alles verzinnen.”

 

Op 12 juli 2016 troffen de Koerdische Peshmerga aan de frontlinie tussen het kalifaat van Islamitische Staat en Iraaks Koerdistan een jonge vrouw aan. Ze dwaalde door de woestijn met een peuter en een baby. Dezelfde dag nog verklaarde ze op de Koerdische tv dat ze Laura heette, in Den Haag geboren was en afkomstig uit ‘Sweet Lake City’. Ze was ontsnapt uit IS-gebied en wou naar huis, naar Zoetermeer, waar haar vader Eugène op haar wachtte.

“Bij aankomst op Schiphol werd Laura gearresteerd en opgesloten in de zwaarbeveiligde terroristenafdeling van de gevangenis van Vught”, vertelt Eugène H. aan de eettafel in zijn doorzonwoning. Eugène is vooraan in de vijftig en HR-manager bij een grote sociale onderneming. Jaren geleden scheidde hij van de moeder van Laura. Hij hertrouwde en leeft vandaag met zijn vrouw en hun achtjarige dochter in een buitenwijk van Zoetermeer. “Laura zat in Vught naast Mohammed Bouyeri, de moordenaar van Theo Van Gogh”, zegt Eugène. “Justitie dacht dat ze door IS naar Nederland gestuurd was om hier een aanslag te plegen, net zoals Nicholas Brody in de serie Homeland. Volslagen onzin.”

Vandaag leeft de pas 23 geworden Laura H. met dochter en zoontje terug in Zoetermeer. “Op straat herkent niemand haar zonder hoofddoek”, zegt vader Eugène. “Dat is prima. We komen liever niet met ons gezicht of onze familienaam in de media. We zijn voorzichtig.”

 

Omwille van doodsbedreigingen?

Eugène H.: “Nee, maar we willen liefst snel in de luwte verdwijnen. Dat is beter voor Laura en de kinderen. Nu is er dit boek van Thomas Rueb, daarna houdt het op.”

 

Wat vindt u van het boek?

“Ik ben diep onder de indruk. Maar ik ben ook erg geschrokken, want een aantal zaken wist ik niet. Jaren geleden moest ik op de middelbare school Christiane F. lezen. Dat boek raakte me midscheeps. Tijdens de lectuur van Laura H. bekroop me hetzelfde gevoel. Niet zo lang geleden was ik razend op de manier waarop het Openbaar Ministerie mijn dochter aangepakt heeft en op de wijze waarop haar proces werd gevoerd. Maar dankzij het boek begrijp ik beter waarom er zoveel verwarring was. Wat niet wil zeggen dat ik begrip heb voor hoe ze Laura behandeld hebben. Haar opsluiting in Vught was buitensporig en heeft haar voor het leven beschadigd.”

 

Hoe gaat het nu met haar?

“Uitstekend. Ik ben heel trots op haar. Gisteren was haar verjaardag; het was fantastisch. Ik heb twee blije kleinkinderen en Laura is een mooie, stevige moeder. Ze staat als een huis. Ze volgt een opleiding en zit vol toekomstplannen. Later wil ze meisjes begeleiden die hetzelfde meegemaakt hebben.

Laura is geboren in 1995 en was een vrolijk kind. Een dromertje, maar verder was er niets op haar aan te merken. Ze was dol op Ingmar, haar twee jaar jongere broertje. Hij was ernstig ziek, kreeg daardoor een groeiachterstand en is op 3 mei 2014 overleden.

Door dit boek weet ik nu hoe heftig haar tienerjaren waren. Natuurlijk wisten we dat er veel misliep, maar dat het zo erg was, is nieuw voor mij. Ze had als meisje van dertien al problemen met haar identiteit en ik maakte me daar veel zorgen over. Ze had het vooral lastig met de ziekte van Ingmar en de aandacht en zorg die daar naartoe ging. De levensbedreigende ziekte van onze zoon zette ook druk op de relatie met mijn ex-vrouw. Ons hele gezin begon te wankelen.

Alles draaide rond Ingmar en bijna krampachtig probeerden we om het tussen onze kinderen weer gelijk te trekken. Als hij een cadeautje kreeg, kreeg zij er ook een. Maar als we op straat een bekende tegenkwamen, vroeg die altijd: ‘Hoe is het met Ingmar?’ In de kleine Laura leek niemand geïnteresseerd. Ze verweet Ingmar niet dat de wereld rond hem draaide, maar ze ging wel op zoek naar liefde en aandacht. Daar is de kiem gelegd. Op de middelbare school raakte ze zo op het verkeerde spoor en kreeg ze te vroeg seksueel contact.”

 

Met jongens van Marokkaanse origine.

“Dat waren de jongens waar zij op viel en die achter haar aan gingen.”

 

Zij beschouwden haar rond haar dertiende en veertiende als een hoertje.

“Dat klinkt heel cru, maar het is waar. In het boek las ik voor het eerst hoe het er echt aan toe ging. Dat was erg schrikken. Ik wist wel dat er problemen op school waren. Er waren verschillende gesprekken met leerkrachten, maar ook zij zagen een aantal cruciale dingen niet. Op school zou er echt veel meer aandacht voor sommige subculturen moeten zijn. Laura was veertien toen ze haar naam veranderde in het islamitische Lamyae en in de klas een hidjab begon te dragen. Thuis zag ze er toen nog heel gewoon uit. Maar op school stelde niemand zich daar vragen over.”

 

Lang voor Laura ook maar een woord uit de Koran las, droeg ze een hoofddoek en at ze halal. De uiterlijke kenmerken van de islam leken haar meer te interesseren dan het inhoudelijke?

“Je mag gerust stellen dat ze de islam inhoudelijk nooit helemaal omarmd heeft. Moslima worden, was haar manier om aan te sluiten bij de rest van de groep. Je kan zelfs stellen dat ze nooit echt geradicaliseerd is. Ze wou alleen maar zo graag bij de jongeren uit haar klas horen.”

 

Op een dag kwam ze met haar hoofddoek thuis. Hoe reageerde u?

“Enorme discussies vloeiden daaruit voort. Twee jaar eerder was ze op een vreselijke manier door een paar van die jongens mishandeld, het was een soort verkrachting. Ik kwam daar toevallig achter en nam haar mee naar het politiebureau om aangifte te doen, maar zij wou niet meewerken. Toen ze met haar hoofddoek thuiskwam, zei ik: ‘Maar Laura toch, voor de jongens die jou indertijd zoiets hebben aangedaan, draag jij nu een hoofddoek?’ Ze antwoordde: ‘Wie heeft dat meegemaakt? Jij of ik?’ Toen waren we uitgepraat.”

 

Als ze haar hoofddoek opzette en haar naam veranderde, verdween Laura met al haar problemen, en kwam de ‘zuivere’ Lamyae in de plaats?

“Precies. Ze worstelde met een knoert van een identiteitscrisis en in haar zoektocht naar liefde botste ze telkens weer op de verkeerde kerels. Door het boek ken ik nu al die gasten en het maakt me zo verdrietig dat er geen geschikte jongen tussen zat die haar écht wou helpen.”

 

Met Ibrahim, de meest gewelddadige, vertrok ze naar het kalifaat.

“Dat is het meest schokkende. Zij geloofde in eerste instantie dat ze niet naar het kalifaat trok, maar naar ‘Sham’, naar moslimland waar ze volgens de wetten van de islam kon leven. Dan zou alles goed komen. Ze wilde hier weg en Turkije en Egypte stonden op haar verlanglijst. Ibrahim mishandelde haar zwaar en veelvuldig.”

 

Hebt u daar ooit iets van gemerkt?

“Eén keer. We hebben toen ook aangifte gedaan. Ze was achttien, had een dochtertje uit een vorige problematische relatie en was zwanger van haar zoontje. We kwamen bij Veilig Thuis terecht, het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling. De politie, Jeugdzorg, thuishulp en talloze andere diensten zijn daarin actief. Samen met Laura zat ik met die mensen rond tafel en toen kwam hij binnen. Iemand zei: ‘Als Ibrahim je weer in elkaar slaat, bestaat de kans dat we de kinderen bij je weghalen.’ Dat was het laatste duwtje dat ze nodig had om te vertrekken. Hij maakte haar wijs: ‘In Sham mag ik je niet meer slaan, want daar is alles mooi en islamitisch.’”

 

Ibrahim kwam zelf uit een gewelddadig milieu en werd zwaar mishandeld door zijn vader.

“Zeker, maar is dat een excuus om later je vrouw op regelmatige basis in elkaar te slaan? Hij had veel meegemaakt, was daar behoorlijk verknipt door geraakt en was ook écht geradicaliseerd. Hij wou doelbewust naar het IS-kalifaat. Eerder deze week zei Laura me: ‘Door te doen wat Allah vroeg, hoopte ik dat het goed zou komen.’”

 

Ze boekten een all inclusive strandvakantie in het Turkse Alanya. Van daaruit vertrokken ze met hun twee kleine kinderen via de grensstad Gaziantep naar Manbij in Syrië, IS-gebied. Wanneer hoorde u dat uw dochter in het kalifaat zat?

“Ibrahims oudste zus Eva belde me midden september 2015. Het was anderhalf jaar nadat Ingmar was overleden. Het nieuws dat mijn dochter samen met haar kindjes in het kalifaat zat, kon ik bizar genoeg moeilijker plaatsen dan het definitieve einde van mijn zoon. Ik snap dat gevoel zelf niet, maar het was er. (stilte) Na dat telefoontje van Eva kon ik niet meer praten.

Ik ging naar de politie en die rechercheur zei: ‘Wacht nog even af. Uw dochter zoekt binnen een paar weken contact met u. Ze zal zeggen: “Ik ben veilig. Het is hier goed en het is mijn eigen keuze.”’ Ik begon Laura te bestoken met berichtjes, en het bleef stil. Tot zij me contacteerde via Whatsapp, net zoals die politieman voorspeld had. Ze leefden eerst in Raqqa, de hoofdstad van het kalifaat, waar het een zootje was. In hun propagandafilmpjes stelde IS het leven in het kalifaat voor als een paradijs, maar in werkelijkheid was het doffe ellende. Niet veel later verhuisden ze naar Mosoel in Irak. Daar was het niet veel beter.

Na dat eerste appje werd het wekenlang stil. Tot kerstavond, 2015. Toen kreeg ik een tekstbericht van Piet, een man uit Den Haag die ik niet kende. ‘Je dochter heeft contact met mijn dochter’, las ik. Ik belde hem meteen. Piet bleek de vader van een bekeerd meisje dat ook naar het kalifaat was afgereisd en in Mosoel was beland. Daar was ze Laura tegen het lijf gelopen. ‘Mijn dochter wil naar huis,’ zei Piet. ‘Ze zegt dat Laura dat ook wil.’ Ik was zo blij. Niet veel later dacht ik: ‘Wat nu, Laura? Hoe krijgen we je daar weg?’ Begin januari probeerden de twee meisjes samen via een smokkelaar te ontsnappen, maar dat mislukte. Want de vermeende smokkelaar bleek een taxichauffeur te zijn die enkel op geld uit was. We waren terug bij af.”

 

Toen maakte u kennis met Daniël Köhler?

“We werden bijgestaan door Familiesteunpunt Radicalisering, intussen omgedoopt tot Landelijk Steunpunt Extremisme. Niet lang na Laura’s mislukte ontsnapping wezen zij me een nieuwe casemanager toe. Die vrouw bracht me in contact met de Duitse radicaliseringsexpert Daniël Köhler. Volgens haar had hij overal contacten. Google Daniël en je zal zien dat hij als directeur van het German Institute on Radicalization and De-radicalization Studies (GIRDS) inderdaad betrouwbaar oogt. Het Familiesteunpunt huurde hem in om trainingen te geven. Ik mailde Daniël met een verzoek om hulp. Een paar dagen later antwoordde hij dat hij zijn ‘team on the ground’ ging inschakelen om Laura te redden. Dat zou me 10.000 euro kosten, wat ik ook betaald heb.”

 

Een paar maanden geleden vertelde Fatima Ezzarhouni, moeder van een Antwerpse Syriëstrijder, in een interview met Knack dat zij lezingen gevolgd had van die Daniël Köhler. “Vroeger werkte hij met families van neonazi’s, nu ook met families van jihadi’s”, zei ze. Na lezing van het boek van Thomas Rueb kan ik me niet van de indruk ontdoen dat Köhler u opgelicht heeft.

“Ik blijf voorzichtig met mijn oordeel. Mijn advocaat zei ook: ‘Er klopt niets van die man zijn verhaal’. Maar ik weet vrij zeker dat de Britten uit zijn team veel ondernomen hebben.”

 

Hebt u het dan over Gavin Kirkum, heftruckchauffeur uit Essex en ex-buitenwipper van discotheek The Pink Toothbrush? Hij is de man naar wie u op Köhlers verzoek 10.000 euro overschreef. Kirkum vertelde later aan de politie dat hij geen enkele militaire of operationele ervaring had, maar wel ooit bij de Britse spionagedienst gesolliciteerd had.

“Nee, ik heb het over W., de man achter Kirkum.”

 

Auteur Thomas Rueb ontmoette de illustere ‘spion W.’ Het beeld dat hij van die man schetst, is niet al te fraai. Een James Bond met overgewicht die vooral gespecialiseerd lijkt in cowboyverhalen.

“Ik weet dat Thomas zijn twijfels heeft, maar ik ken W. intussen echt goed. Ik heb vaak contact met hem gehad en W. is geen fantast. Ik kan me niet voorstellen dat zijn bedoelingen slecht waren of dat hij de interventies van zijn team in IS-gebied verzon.”

 

Dat wil dus zeggen dat er een geheime gespecialiseerde groep actief is die de voorbije jaren verschillende Syriëgangers op gevaar voor eigen leven ging terughalen?

“Daar ben ik vrij zeker van. Alleen is het een voorzichtige organisatie die liever heeft dat iedereen gelooft dat ze alles verzinnen.”

 

Rueb reisde naar Irak en sprak daar met iedereen die iets weet over de ontsnapping van uw dochter. De conclusie is: in geen velden of wegen waren speciale agenten te bekennen. Uw dochter en haar kinderen hadden veel geluk dat ze de ontsnapping overleefden. Met uw 10.000 euro is niets ondernomen.

“Dat weet ik niet. Het is wel zo dat Köhler het verhaal heeft aangedikt. Met hem heb ik naderhand geen contact meer gehad. Tijdens het gerechtelijk onderzoek legde hij verklaringen af die leken te bevestigen dat Laura dubbel spel speelde. In een verhoor in december 2016 noemde hij Laura’s vluchtverhaal ‘merkwaardig’ en ‘niet geloofwaardig’. Hij sloot ook niet uit dat ze nog geradicaliseerd was en een aanslag wou plegen. Dat neem ik hem kwalijk. Maar of het nu cowboyverhalen zijn of niet: als mensen zoals Köhler en W. er niet waren geweest, hadden we Laura er nooit van kunnen overtuigen om te ontsnappen. Dan hadden we die actie nooit aangedurfd. Ze is nu terug thuis met de kinderen en dat is me die 10.000 euro meer dan waard, wat W. of Köhler er ook mee hebben aangevangen. (lacht)

Het is niet toevallig dat ze tijdens haar vlucht aan de frontlinie niet werd neergeschoten. Ze kwam recht uit IS-gebied en de Koerden hadden haar net zo goed als een zelfmoordterrorist kunnen zien. Maar nee, ze namen haar gevangen en lieten haar interviewen voor de Koerdische tv. Ik geloof dat het dankzij de scherpte van het team is dat ze vrij is. Misschien is dat dom van mij en wil ik dat alleen graag geloven. Maar wat niet te ontkennen valt, is dat het dankzij W. is dat Laura erin slaagde om Ibrahim zo te manipuleren dat ook hij wou ontsnappen. Want enkel met haar man kon ze Mosoel verlaten. W. gaf mij instructies die ik vervolgens via Whatsapp aan Laura doorgaf. Dat lukte wonderwel. Via Laura maakten we Ibrahim wijs dat ze beter naar een land zoals Turkije zouden ontsnappen, zodat hij vandaar aanslagen kon plegen. Hij tuinde daar met ogen wijd open in.

Het plan was dat ze in hun gammele Toyota tot aan de frontlinie met de Koerden zouden rijden, waar het speciale team Ibrahim zou uitschakelen en Laura en de kinderen veilig naar het Nederlandse consulaat in Erbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan zou overbrengen.”

 

Maar het liep anders: aan de frontlinie werden ze door IS beschoten en raakte Ibrahim zwaargewond; Laura en de kinderen werden door Koerdische Peshmerga opgepakt. Daniël Köhler liet u dezelfde dag nog weten dat de ontsnapping mislukt was en dat zijn speciale team zich terugtrok.

“Ik dacht: ‘Mijn god, het is helemaal fout gelopen. Hoe moet ik dit aan mijn ex-vrouw en mijn moeder vertellen?’ Ik ging met mijn buurman naar de Gamma hier in Zoetermeer. Ik snap zelf niet waarom ik die plek uitkoos, een andere vader was misschien een café ingelopen om de schok met drank te verdoven. Ik trok naar de Gamma. (lacht) Daar kreeg ik telefoon van mijn vrouw. ‘Je moeder is gebeld door RTL.’ Ik keerde terug naar huis en kreeg die journalist aan de lijn. ‘Proficiat met de ontsnapping van je dochter’, zei hij. ‘Ik zie haar op dit moment geïnterviewd worden op de Koerdische tv.’ Ik surfte meteen naar de site van Kurdistan24. Ik zag Laura en ze zei: ‘I was born in Den Haag and I lived in Sweet Lake City.’ (lacht) Dat was een grapje dat ik altijd tegen haar maakte toen ze nog een kind was: ‘We live in Sweet Lake City.’”

 

De Koerdische militairen die haar in niemandsland oppikten, vroegen haar of de zwaargewonde Ibrahim bij haar hoorde. “Laat hem maar liggen”, zei ze. Zo tekende ze zijn doodvonnis?

“Ja. Ik had haar dat voor het vertrek ook geadviseerd. Hij had wapens en was gevaarlijk. Het team wist dat. ‘Wat er ook gebeurt, Laura, maak dat je wegkomt.’ Ze heeft het daar achteraf moeilijk mee gehad, nu nog. We weten niet of Ibrahim toen gestorven is. Er zijn vermoedens van niet.

Ik zag Laura voor het eerst terug in Vught. Ik stond ook lang op de verdachtenlijst. Ze hebben me nooit formeel ‘verdachte’ genoemd, maar mijn advocaat zei op een bepaald moment: ‘Vermoedelijk pakken ze je deze week op.’ Ik had dat geld overgemaakt en zij dachten dat ik IS betaald had. Ze geloofden ons niet. Als ik een vader met Marokkaanse roots was geweest, hadden ze me waarschijnlijk gearresteerd. Ze stopten me niet in de cel omdat ik een witte Nederlander ben, jurist van opleiding en HR-manager.

Ik vind het logisch dat justitie je een tik op de vingers geeft wanneer je als Nederlander een tijd in het kalifaat bent gaan wonen. Ik had geen ballonnen op Schiphol voor Laura verwacht, maar ik had ook niet verwacht dat ze op die zwaarbewaakte afdeling in Vught terecht zou komen.”

 

Een jaar lang zat ze er opgesloten?

“Dat was heel moeilijk. De dag nadat Laura ontsnapt was, zat hier een rechercheur. Ik gaf hem meteen mijn smartphone zodat hij hem kon uitlezen. Ik dacht: ‘Dan hebben ze het hele verhaal.’ Al die appjes van en naar mijn dochter lezen als een boek. Daar kwam bij dat mijn telefoon maandenlang werd afgetapt; ze wisten dus alles. Ook dat Laura intussen haar geloof had afgezworen. Ik was ervan overtuigd dat alle betrokkenen van alles op de hoogte waren. Tot het Openbaar Ministerie aan zet was en zij deden alsof ze van niets wisten. Nu ik dat boek gelezen heb, snap ik beter waar het fout liep. Want het probleem is dat de geheime dienst geen informatie mag delen met het Openbaar Ministerie. Toch blijf ik het er moeilijk mee hebben.”

 

Er kwam een proces en op 13 november 2017 werd uw dochter als eerste vrouwelijke Syriëganger in Nederland veroordeeld tot twee jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk.

“Ze werd schuldig bevonden aan het plegen van voorbereidingshandelingen met een terroristisch oogmerk, maar vrijgesproken van deelname aan een terroristische organisatie. Laura was volgens de rechtbank geen lid van IS, maar door zich vrijwillig in het kalifaat te vestigen, had ze wel bijgedragen aan de doelstelling van de terreurgroep. Ze was erg aangeslagen door dat vonnis. Omdat ze al een jaar in de cel gezeten had, kwam ze vrij. Ook al zijn we het niet eens met het vonnis, toch besloten we niet in beroep te gaan. In nog een paar jaar onzekerheid hadden we echt geen zin meer.”

 

De Belgische regering staat zeer weigerachtig tegenover het terughalen van kinderen van Syriëstrijders die nu met hun moeders in Koerdische kampen verblijven. Het standpunt is: “Kinderen onder tien kunnen terugkomen, alleen gaan we ze niet actief ophalen.” Het resultaat is dat ze er gewoon blijven zitten. Wat vindt u daarvan?

“In Nederland is het net hetzelfde. Mijn kleinkinderen hebben nog nooit iemand kwaad gedaan; het zijn schatjes. Waarom zouden zij in ’s hemelsnaam een gevaar vormen voor de samenleving? Ze zijn echt niet gedrild of getraind om zichzelf op te blazen. Dat de ouders gescreend en gestraft worden, is terecht. Maar die kinderen zijn onschuldig en veroordelen we zo goed als ter dood door ze in die kampen te laten zitten. Het gemak waarmee een man als onze premier Rutte zich daarvan afmaakt, vind ik stuitend. Een grote schande is het.”

 

Thomas Rueb, Laura H., het kalifaatmeisje uit Zoetermeer, Das Mag, 538 blz., 25,99 euro

(c) Jan Stevens

“Nieuws maakt mensen pessimistischer. Hun drive om mee te helpen aan een betere wereld, kwijnt weg”

De Correspondent blaast vijf kaarsjes uit. Om dat te vieren, ligt binnenkort ‘Dit was het nieuws niet’ in de boekhandel, een bundeling reportages en verhalen. Intussen werkt oprichter en hoofdredacteur Rob Wijnberg vanuit New York met The Correspondent aan de verovering van de rest van de wereld. “Als het niet lukt, ben ik gauw weer thuis.”

 

Vijf jaar geleden, op 30 september 2013, ging decorrespondent.nl van start. Een half jaar eerder had filosoof en journalist Rob Wijnberg (36) in het Nederlandse praatprogramma ‘De wereld draait door’ de crowdfunding voor zijn journalistieke droom aangekondigd. Samen met mede-oprichter Ernst-Jan Pfauth zocht hij 15.000 mensen die minstens zestig euro wilden investeren in een nieuw, advertentievrij, digitaal journalistiek medium. Een maand later klokte de uiterst succesvolle geldinzamelactie af op 18.933 ‘leden’, of betalende abonnees. Vandaag telt De Correspondent 60.000 leden die in ruil voor 70 euro lidgeld onbeperkt toegang hebben tot de artikels, video’s en podcasts van onder anderen Rutger Bregman, David Van Reybrouck en sinds kort ook Joris Luyendijk. De avontuurlijke start-up groeide uit tot een middelgroot mediabedrijf met 51 werknemers, waaronder 21 voltijdse journalisten.

“Vijf jaar geleden was Joris Luyendijk een van onze grote inspiratiebronnen”, zegt Rob Wijnberg. “Hij is dan ook onze gedroomde correspondent. Veel collega’s op de redactie kijken naar hem op; hij is echt een intellectuele mastodont. Hij werkte in Londen bij The Guardian, maar wou om familiale redenen terug naar Nederland. Ik vroeg hem of hij zin had om bij ons te komen werken. Daar moest hij geen twee keer over nadenken.”

Eind vorig jaar verhuisde Wijnberg naar New York, waar hij samen met Ernst-Jan Pfauth werkt aan de opstart van de Engelstalige The Correspondent.

Rob Wijnberg: “We wonen hier nu tien maanden, maar zijn eigenlijk al meer dan een jaar bezig met het uitbouwen van een netwerk en met het smeden van plannen. We hebben een Engelstalig boekje gedrukt met onze ‘Ten Founding Principles for independent, inclusive, and ad-free journalism’. We drinken sloten koffie met geïnteresseerden en praten met hen over ons manifest. We letten er wel goed op dat we dat woord niet gebruiken, anders bestempelen ze ons als communist. We noemen het onze ‘grondwet’, dat snappen ze wel.”

 

Wie zijn die ‘geïnteresseerden’?

“Journalisten, activisten, mediacritici, wetenschappers… We leggen hen onze journalistiek uit en proberen hen als ambassadeurs te strikken. De lijst groeit gestaag. Onder anderen Rosanne Cash, de dochter van Johnny, en Alan Rusbridger, oud-hoofdredacteur van The Guardian, helpen nu bij de verspreiding van ons evangelie.”

 

Waarom willen jullie per se vanuit New York in het Engels aan de slag?

“Amerika heeft een grote markt voor journalistiek en er loopt zeer veel talent rond. We kunnen hier ook nauw met een van onze grote inspirators samenwerken: Jay Rosen, professor journalistiek aan de universiteit van New York. Hij voert onderzoek naar internetjournalistiek en naar de rol van lezers bij journalistieke projecten. Eigenlijk is het ook gewoon heel leuk om in deze stad te wonen en werken. New York is geen must, maar de Engelse taal wel. Het is niet onze bedoeling om De Correspondent te kopiëren naar de VS, wel om ons project uit te breiden naar het enorme Engelse taalgebied. Onze journalistiek richt zich niet op de waan van de dag, maar op grote structurele en fundamentele ontwikkelingen die de wereld vorm geven. Wij hebben aandacht voor thema’s als klimaatverandering, belastingontduiking, onderwijs en mobiliteit. Onze artikels en reportages hebben alle baat bij een wereldtaal.

Reacties van lezers zijn heel belangrijk voor ons. We betrekken hen bij alles wat we schrijven en vragen hen om hun kennis en ervaringen met ons te delen. Van zodra dat in het Engels kan, zullen ontzettend veel mensen van over de hele wereld hun wijsheid op ons platform delen. Onze journalistiek kan daar alleen maar beter van worden.”

 

U bent niet bang om zeurpieten en complottheoretici uit de vier windstreken aan te trekken?

“De commentaarsecties op de nieuwssites van klassieke journalistieke media hebben een slechte naam met hun complottheorieën en scheldpartijen. Maar misschien ligt een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor al die ontspoorde onzin bij de sites zelf. Want er volgt geen enkele consequentie, zowel positief als negatief, op de commentaar die iemand levert. De journalist die het oorspronkelijke stuk geschreven heeft, doet er helemaal niets mee. Het gevolg is dat die commentaren ontsporen. Dat is doodjammer. Door onze lezers ernstig te nemen en in ons werk te betrekken, hebben wij ervaren dat zij vaak een grote bron van kennis zijn. Bijna 50 % van het werk van De Correspondent-journalisten bestaat uit dialogeren met de leden. Ze beantwoorden vragen, en stellen er ook. Onze leden delen hun expertise met ons, die wij vervolgens gebruiken voor nieuwe verhalen. Er is een cultuur gegroeid waarin de meeste mensen die reageren ook écht iets weten. Onze voedselcorrespondent krijgt altijd meteen interessante reacties van boeren en melkveehouders; onze onderwijscorrespondent communiceert met leraars, leerlingen en schooldirecteurs. De reacties op onze artikels zijn geen ‘comments’, maar ‘bijdragen’. Dat verschil lijkt subtiel, maar toont wel hoe wij met onze leden communiceren. Anonieme reacties zijn niet toegestaan. Dat zorgt ervoor dat mensen niet snel complottheorieën delen.”

 

Wanneer gaat The Correspondent de lucht in?

“Dat weten we nog niet. We organiseren eerst een ledencampagne via crowdfunding, net als vijf jaar geleden in Nederland. Wanneer die precies van start gaat, is koffiedik kijken.”

 

Klopt het dat jullie met een oorlogskas van 1,8 miljoen dollar naar New York vertrokken zijn?

“Die 1,8 miljoen dollar is het startkapitaal om onze crowdfunding te financieren. We hebben een paar maanden geleden Zainab Shah in dienst genomen als onze Operations Lead. Zij komt over van BuzzFeed. We werken samen met Blue State Digital, het bureau achter beide digitale presidentiële campagnes van Barack Obama. Dat kost ook geld. We bouwen alles op van nul in de hoop dat we zo tienduizenden mensen kunnen overtuigen om lid te worden van iets dat ze niet kennen. Als het niet lukt, ben ik gauw weer thuis.”

 

In het voorwoord van ‘Dit was het nieuws niet’ schrijft u: “Vergeet nepnieuws. Echt nieuws is minstens zo misleidend.”

“Daar voeg ik meteen ook aan toe: ‘Ik realiseer me dat dat een boude stelling is.’ (lacht) Met ‘nieuws’ bedoel ik niet ‘journalistiek’, want dat begrip dekt veel ladingen. Niet alle kunst is een schilderij. Nieuws bestaat uit sensationele, uitzonderlijke, negatieve, recente gebeurtenissen. Het journaal zal eerder openen met: ‘Er is een bom ontploft’, dan met: ‘Vandaag zijn er in dat land weer mensen onderdrukt.’ Want dat laatste is geen uitzonderlijke, sensationele en recente gebeurtenis, maar vindt elke dag plaats. Er wordt gezegd: als je nieuws volgt, weet je wat er in de wereld aan de hand is. Maar dat is níet zo, omdat nieuws net gaat over dat uitzonderlijke. Je krijgt nooit de regel te zien, altijd de uitzondering. Terwijl de dingen die elke dag gebeuren net veel invloedrijker zijn. Iedereen denkt dat de financiële crisis in 2008 begon omdat er zich toen iets spectaculairs en uitzonderlijks voltrok: een grote bank, Lehman Brothers, ging overkop. De aanloop was geen nieuws, want verliep te traag en te structureel. De opgestapelde risico’s die banken namen, leidden tot de crisis, maar bleven onder de nieuwsradar.

Door naar structuren te kijken, ontdek je paradoxaal genoeg dat het veel beter met de wereld gaat dan het nieuws laat uitschijnen. In Amerika zeggen ze: ‘If it bleeds, it leads.’ Als het bloedt, haalt het de voorpagina. Terwijl je nooit iets ziet over wat goed gaat. Elke dag vertrekken tien miljoen Nederlanders naar hun werk. Pas als iemand een ongeluk krijgt, is het nieuws. Al die andere mensen die veilig aankomen, zijn geen berichtje waard.

Wie op een andere manier naar de werkelijkheid kijkt en op zoek gaat naar structuren en patronen, wordt misschien wel optimistischer en positiever dan wie enkel het nieuws volgt. Nieuws maakt mensen pessimistischer: ze krijgen minder vertrouwen in hun medemens en worden cynisch. Hun drive om mee te helpen aan een betere wereld, kwijnt weg.”

 

Is dat niet vooral te wijten aan sociale media? Kranten en tijdschriften brachten en brengen nog steeds achtergrondverhalen. Is het drama niet dat krant en magazine ingeruild worden voor Facebook, Instagram of Twitter?

“Door het internet is de laatste decennia nieuws zeker invloedrijker geworden. Vroeger werden we er een paar keer per dag mee geconfronteerd: ’s morgens als de krant op de mat viel, ’s middags als we naar het journaal op de radio luisterden en ’s avonds als we voor de tv gingen zitten. Nu is het nieuws alomtegenwoordig. Vroeger lieten we ons stemgedrag bepalen door onze ideologie, nu door het nieuws. Wat een paar weken voor de verkiezingen in het nieuws komt, is doorslaggevend voor wie onze stem wel of niet zal krijgen. Kijk, de meeste journalisten zijn links…”

 

Dat wordt gezegd.

“Dat wordt niet alleen gezegd, dat is ook onderzocht. Twee derde van de Engelse journalisten stemt links, maar het nieuws is rechts. Als je aan een links persoon vraagt wat de grondoorzaak van criminaliteit is, zal hij op structuren wijzen en antwoorden: ‘Armoede, ongelijkheid, opvoeding, gebroken families.’ Vraag het aan een rechts persoon en hij zal antwoorden: ‘Het is de individuele keuze van die man of vrouw om het verkeerde pad te kiezen.’ Daarom vinden rechtse mensen zwaardere straffen een logische manier om criminaliteit te bestrijden. Rechts denken heeft een individuele moraal en links denken een structurele. Bijna alle nieuws is een bevestiging van rechts filosofisch denken. Sluit iemand op in een kamer en laat hem een jaar lang enkel naar het journaal kijken. Ik durf er alles op verwedden dat hij rechtser uit die kamer komt dan hij erin ging. Hij zal pleidooien houden voor zwaardere straffen en meer politie op straat. Je zal hem niet horen zeggen: ’99 procent van de mensen zijn te vertrouwen’, of: ‘Armoede is een structureel probleem.’ Nieuws maakt conservatief, want het toont enkel slechte veranderingen.”

 

Conservatieve politici hebben er dus alle belang bij dat mensen het nieuws volgen en achtergrond en duiding links laten liggen? N-VA-voorzitter Bart De Wever weigert interviews aan magazines en kranten van de kwaliteitspers. In de populaire pers maakt hij dan weer wel graag zijn opwachting. Dat is onderdeel van een bewuste strategie?

“De Wever is niet de enige conservatieve politicus met die strategie. Er is geen betere reclamespot voor zijn wereldbeeld denkbaar dan het nieuws. Er is ook niets meer naast de waarheid dan een rechts populistische conservatief die beweert dat de media zijn wereldbeeld niet in beeld brengen. Sterker nog: zijn wereldbeeld is zowat ontleend aan wat je in het nieuws ziet.

Nieuws is een geprofessionaliseerde vorm van geroddel. Als het afgeschaft wordt, ontstaat het vanzelf terug. ‘Zeg Jan, heb je gehoord dat het huis van de buurman afgebrand is?’ ‘Is het echt? Heb ik je al verteld dat achter de hoek twee auto’s op elkaar zijn ingereden?’ Mensen willen nu eenmaal weten wat er aan gevaar dreigt. Als je die neiging tot roddelen professionaliseert, heb je nieuws. Het wordt problematisch van zodra je dat professioneel geroddel beschouwt als het venster op wat er écht gebeurt in de wereld. Dan krijg je een extreem eenzijdige visie op de werkelijkheid. Het zorgwekkende is dat het politieke beleid op dat eenzijdige wereldbeeld gebaseerd wordt. 80 procent van alle vragen in het Nederlandse parlement komen voort uit nieuwsberichten. Afgelopen jaren zijn er acht keer zoveel vragen gesteld over geweldincidenten op straat. Straatgeweld groeide uit tot een obsessie en er werden veel maatregelen tegen getroffen. In werkelijkheid nam ondertussen het geweld op straat alleen maar af. Met De Correspondent gaan we daar lijnrecht tegenin: wij willen medicijn zijn tegen die waan van de dag.”

 

De Correspondent-journalist Jesse Frederik zei eerder dit jaar in een interview met het Nederlandse journalistenvakblad Villamedia dat hij het jammer vond dat zijn stukken nooit opgepikt werden door de klassieke media.

“Ik snap dat Jesse dat niet leuk vindt, want hij schrijft fantastische artikels over grote, vaak onbesproken problemen. Zo heeft hij naar voor gebracht dat de armoede in Nederland veel groter is dan de officiële cijfers doen vermoeden. Want schulden worden niet in die cijfers verwerkt. Volgens de statistiek kan je dus rijk zijn, terwijl je tot over je oren in de schuld zit. Jesse schrijft daar schitterende verhalen over, alleen zit er geen haakje aan om ze hier en nu op de frontpagina van de klassieke krant te zetten. Misschien moeten we daar in de toekomst beter op letten.”

 

Frederik zei in datzelfde interview: “Collega-journalisten vinden ons toontje stomvervelend. Zelf word ik ook gek van dat borstklopperige gedoe.” U ook?

“Misschien zit er soms een betweterig toontje in onze titels, maar in de klassieke media zit veel betweterigheid in de mentaliteit. De traditionele cultuur in de journalistiek is al jarenlang: ‘Wij bepalen wat belangrijk is. Wij presenteren het en lezers mogen het vervolgens consumeren. Klaar.’ Wie dat voorgekauwde nieuws niet volgt, is geen goede burger, want hij is apathisch. Terwijl een journalist zich zou moeten afvragen: ‘Waarom volgen ze ons niet? Wat kunnen we verbeteren?’ Tegen al die mensen uit de klassieke media die vinden dat wij wijsneuzerig zijn, zeg ik dat wij onze lezers wél zeer serieus nemen.”

(c) Jan Stevens

“Maak schrijvers zelfredzaam. Het is hun enige kans op redding”

Met zijn uitgeefplatform Pottwall Publishers zoekt Marnix Peeters een manier om zijn schrijverschap rendabel te maken. Voor subsidies bedankt hij. “Ik heb nog nooit een cent van de staat gekregen.” Niet al zijn collega’s zijn even enthousiast. “Zo goed als geen schrijver kan leven van zijn boekenverkoop.”

 

Woensdag 12 september stelde Marnix Peeters zijn nieuwe roman ‘Ik heb aids van Johnny Diamond’ voor in een chique gentleman’s club in Antwerpen. Het blonde gerstenat vloeide er rijkelijk dankzij een bevriende brouwerij uit Steenhuffel. “Ik ben niet vies van bedrijven die mijn boeken of boekvoorstellingen willen sponsoren”, zegt Peeters. Begin vorig jaar richtte hij zijn eigen uitgeefplatform Pottwall Publishers op. “Niet uit onvrede met mijn toenmalige uitgever, maar omdat ik het creatieve proces zelf in handen wou nemen. Een moderne uitgeverij heeft 250 titels per jaar, waarvan jouw boek slechts één onderdeeltje is. Het technische aspect van boeken uitgeven, zoals drukken en distribueren, besteed ik uit aan Standaard Uitgeverij. Al de rest doe ik samen met mijn vrouw Jana. We zoeken zelf redacteurs en grafici en verzorgen onze eigen promotie. ‘Ik heb aids van Johnny Diamond’ is als volledig afgewerkt pakket bij Standaard Uitgeverij afgeleverd. De cover was klaar en mijn mediacampagne stond op punt. Het enige wat zij nog moesten doen, is de boeken drukken en versturen.”

Pottwall Publishers wordt van vers kapitaal voorzien door een privé-investeerder. Marnix Peeters: “Ik stapte zelf naar Bart Embrechts, stichter en baas van ‘incubator’ Gumption. Na een gesprek van een half uur was alles in kannen en kruiken. Gumption financiert een deel van mijn werkingskosten in ruil voor media-aandacht. Hun logo prijkt klein maar fijn op de achterflap van mijn boeken. De commentaar van sommige collega’s is vernietigend: ‘Dat bedrijfslogo op je boek is cultuurschennis!’ Terwijl ze wel allemaal graag het logo van het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) op de titelpagina van hun roman zetten, om zo te tonen dat ze 10.000 euro uit de zakken van de overheid geklopt hebben. Ik hou niet van subsidies. Ik heb nog nooit een cent van de staat gekregen.”

 

Win for life

“Zo goed als geen enkele schrijver kan van de verkoop van zijn boeken leven”, zegt Matthijs de Ridder, voorzitter van de Vlaamse Auteursvereniging (VAV), de belangenvereniging van Vlaamse schrijvers. “De royalty’s bedragen doorgaans 10 % van de verkoopprijs en die volstaan niet, tenzij een schrijver meer dan 20.000 exemplaren van al zijn boeken per jaar verkoopt. Er zijn er maar een paar die dat halen. De werkbeurzen van het VFL helpen de anderen overleven.”

In juni hield Het Nieuwsblad het VFL tegen het licht. In 2018 kregen 103 auteurs een werkbeurs, goed voor bijna 900.000 euro. De krant ploos uit dat sinds 2000 zeven schrijvers elk jaar opnieuw langs de kassa passeren. Structurele grootverdieners zijn Leonard Nolens (met in totaal 368.192 euro), Klaas Verplancke (347.904 euro), Bart Moeyaert (309.256 euro) en Paul Claes (305.006 euro). Dat leverde hen de voorbije achttien jaar een netto maandloon op dat schommelde tussen 1.300 en 1.600 euro. Het Nieuwsblad bedacht voor hen het koosnaampje ‘win for life-club’. “Goed gevonden, maar nergens op gebaseerd”, vindt Matthijs de Ridder. “Want die werkbeurzen worden door onafhankelijke commissies toegekend aan schrijfprojecten die constant worden geëvalueerd.”

Is dat zo? Een schrijver kreeg een beurs voor een roman. Onderweg haakte zijn uitgeverij af. De schrijver hing zijn pen aan de haak, renoveerde met het subsidiegeld zijn keuken, leverde geen boek in en werd door het VFL nooit op het matje geroepen. Matthijs de Ridder: “Als een schrijver echt de boel belazert, kan hij dat één keer doen. Want er mag aan een subsidie geen resultaatsverbintenis verbonden zijn. Maar daarna zal hij uiteraard geen beurs meer krijgen. Er is echter ook zoiets als het recht om te mislukken. Als je intenties goed zijn, of de uitgeverij ligt dwars en het lukt niet, word je niet gestraft.”

“Er wordt altijd beweerd dat het VFL onafhankelijk over werkbeurzen beslist, maar ik schrik als ik zie hoe een groep schrijvers al jaren structureel bediend wordt”, reageert Marnix Peeters. “Veel aanvragers hebben trouwens een job; vaak zijn het docenten of journalisten. Waarom moeten zij overheidsgeld krijgen? Gesubsidieerde auteurs vinden het soms de moeite niet om zelf de handen uit de mouwen te steken om hun boeken verkocht te krijgen. Waarom zouden ze? Dankzij het VFL is hun boek toch al betaald. Marketeers van uitgeverijen trekken zich de haren uit het hoofd: wanhopig worden ze van schrijvers die weigeren een auteurspagina op Facebook te maken. In zeldzame interviews snoeven die schrijvers dan dat ze hun auteurschap niet in het gedrang laten brengen door deelname aan tv-spelletjes zoals De slimste mens. Het is niet voor niets dat er zoveel protest is tegen de benoeming van Mia Doornaert tot nieuwe VFL-voorzitter. Het boeken-establishment is bang dat zij het status-quo komt verstoren. Als ik Mia was, zou ik al de poen die die uiertrekkers jaarlijks krijgen, investeren in dingen die er werkelijk toe doen. Organiseer een cursus marketing voor schrijvers. Maak ze zelfredzaam. Het is hun enige redding.”

Het verhaal gaat dat Marnix Peeters zo gebeten is op het VFL omdat hij ooit zelf naast een beurs greep. Peeters: “Onzin. In 2014 waagde ik het al om kritiek op het VFL te hebben en meteen sneerde directeur Koen van Bockstal: ‘Meneer Peeters heeft óók een subsidie gekregen voor een Italiaanse vertaling van zijn debuut.’ Wat een leugen is. Op een dag zat er een brief van het VFL in de bus met de mededeling dat een vertaalster 1500 euro had ontvangen om mijn eerste roman te vertalen. Ik heb die vertaalsubsidie nooit zelf aangevraagd en dat geld ook nooit gekregen. Ik dacht: ‘Waarom probeert die Van Bockstal mij verdacht te maken?’”

 

Koffieboeren

Van 2011 tot en met 2013 organiseerde de Vlaamse Auteursvereniging onder haar 600 leden een bevraging naar hun inkomen. Het gemiddelde gezinsinkomen van 60 % van de literaire auteurs bleek onder 3000 euro per maand te liggen. Ter vergelijking: in 2008 bedroeg het beschikbare maandinkomen per huishouden in Vlaanderen gemiddeld 3.287 euro. Amper 10 % van het maandelijkse gezinsinkomen van twee derde van de literaire auteurs was afkomstig van hun schrijfwerk. Slechts 20 % kon echt van zijn pen leven.

De Universiteit Gent voerde in 2014 een groot onderzoek naar het inkomen van Vlaamse kunstenaars en nam toen ook de literaire auteurs onder de loep. Bijna 40 % van de schrijvers was zelfstandige in hoofdberoep. Hun gemiddeld netto-jaarinkomen bedroeg 19.884 euro. 28% was zelfstandig schrijver in bijberoep. Hun schrijverschap leverde hen gemiddeld 8.201 euro netto per jaar op; hun hoofdjob in vaste loondienst 31.904 euro. 7 % werkte met uitzendcontracten en verdiende gemiddeld 21.752 euro. De rest werd vooral uitbetaald in onkostenvergoedingen.

“Schrijvers zijn de koffieboeren van het boekenvak”, zegt Erik Vlaminck, voltijds literair schrijver. “Ik verdien meer met mijn theaterwerk dan met mijn romans. Maar ik zou geen theateropdrachten krijgen als ik geen romans zou schrijven. Ik werk enkel voor professionele toneelgezelschappen en krijg doorgaans voor elke opdracht een schrijfpremie die varieert van 3000 tot 10.000 euro. Die premie is geen voorschot, maar een vergoeding voor het te schrijven stuk. Daarna ontvangt de auteur 10 procent op de recette. Aan een theaterstuk werk ik twee tot zes maanden; aan een roman ben ik twee of drie jaar bezig. Mijn vergoeding als romanschrijver bedraagt 10 % van de verkoopprijs van elk verkocht boek. De meeste boeken halen in Vlaanderen een oplage van een paar duizend exemplaren of minder. Natuurlijk is onze boekenmarkt te klein om rendabel te zijn. Maar als een gemeenschap literatuur belangrijk vindt, moet ze bereid zijn om subsidies te geven die de markt corrigeren. In tegenstelling tot Marnix Peeters vind ik dat het VFL wel goed werk levert. De hele boekensector stelt direct en indirect duizenden mensen tewerk, in bibliotheken en boekhandels, bij uitgeverijen, in drukkerijen, bij transportbedrijven en culturele organisaties. Al die mensen hebben een fatsoenlijk loon en een sociaal vangnet. De enigen die dat niet hebben, zijn de schrijvers, terwijl zij de grondstof leveren. ‘We kunnen het ons niet permitteren om schrijvers meer dan 10 % te geven’, zeggen uitgevers. Bullshit. Als een schrijver 20 % krijgt, wordt een boek 2 euro duurder. Laat een lezer een boek links liggen omdat het 22 in plaats van 20 euro kost?”

 

Onvruchtbare tegenstelling

Jeroen Overstijns is ceo van Standaard Uitgeverij, de grootste uitgeefgroep in Vlaanderen. Cijfers over vergoedingen voor auteurs geeft hij niet, al is hij de eerste om toe te geven dat het geen vetpot is. “Een gevolg van de relatief beperkte markt waar Vlaamse auteurs voor schrijven”, zegt hij. “Het is voor hen zeer moeilijk om in Nederland door te breken. De echt grote namen geraken de grens wel over, maar halen gemiddeld niet de verkoopcijfers van hun Nederlandse collega’s. We geloven graag dat bij onze noorderburen het gras groener is, maar ook Nederlandse schrijvers komen tegenwoordig moeilijk rond. De voorbije tien jaar is de boekenmarkt er met een vijfde gekrompen. Het is dus te gemakkelijk om met een beschuldigende vinger naar uitgeverijen te wijzen. Op heel veel boeken draaien zij verlies, terwijl ze wel altijd het risico dragen. Als een boek niet verkoopt, blijft de uitgeverij met de kosten achter.”

Commerciële mensen in een uitgeverij hebben een mooi loon en een auto van de firma, terwijl de schrijvers – de grondstofleveranciers – het meestal moeten stellen met die schamele 10 procent. Wringt dat niet? Jeroen Overstijns: “Ik vind dat een onvruchtbare tegenstelling: alsof auteurs veel geld moeten verdienen en uitgeverijen veroordeeld moeten zijn tot de bedelstaf. Alsof het verkeerd is dat er in een uitgeverij mensen met een salaris rondlopen. Een auteur is gebaat met een goede uitgeverij en een uitgever is gebaat met een goede schrijver. Samen proberen ze kwaliteitsboeken te maken die ook geld opbrengen.”

“We mogen niet alle verantwoordelijkheid bij de uitgeverijen leggen”, vindt ook schrijfster Gaea Schoeters. “Zij maken niet de grote winsten. Ongeveer de helft van de opbrengst van een boek gaat naar distributie en tussenleveranciers. Ik geloof echt dat een aantal uitgevers graag de gebruikelijke royalty’s van 8 tot 15 procent zouden willen optrekken tot misschien zelfs 50 procent. Alleen is dat onmogelijk.”

Hoe moet het dan wel? Gaea Schoeters: “Literatuur schrijven is als topsport, maar dan zonder sponsors en prijzengeld. De teloorgang van de literaire prijzen is een groot probleem: geen enkele heeft nog een fatsoenlijke prijzenpot. Ik ben het totaal oneens met Marnix Peeters’ stelling dat schrijvers nog wat harder moeten werken en dan ooit zullen krijgen wat ze verdienen. Waarom moet een professioneel schrijver overdag bij de bakker gaan werken? Dat vragen ze toch ook niet aan een professioneel concertpianist? Ik geloof erg in gesubsidieerd kunstenaarschap, maar niet zoals het nu in Vlaanderen georganiseerd is. De hoogte van de werkbeurzen is een grap. Ik heb er zelf een en die bedraagt 5000 euro. Dat wil zeggen: ongeveer 400 euro per maand om van te leven.”

Moet er dan een kunstenaarsstatuut voor schrijvers komen, zoals er al een is voor acteurs? “Ja. In Scandinavië worden scheppende kunstenaars wel structureel ondersteund. Misschien kunnen we daar inspiratie opdoen?”

 

 

Hoe verdienen schrijvers hun dagelijks brood?

 

Marnix Peeters, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Ik kan mijn columns niet missen”

“Mijn topsellers zijn ‘De dag dat we Andy zijn arm afzaagden’ en ‘Natte dozen’. De aantallen die daarvan verkocht zijn, gaan richting 20.000. Ik heb ook mindere titels. Van ‘Kijk niet zo konijntje’ zijn er maximaal 5000 verkocht. ‘Ik heb Aids van Johnny Diamond’ verschijnt op 4000 exemplaren. Dat is veel naar Vlaamse normen, maar ik doe er dan ook extreem hard mijn best voor, met filmpjes en teasers, websites en een heuse sociale mediastrategie. Ik ben daar samen met mijn vrouw makkelijk drie maanden per jaar voltijds zoet mee. We hebben zo ondertussen een trouw lezerspubliek opgebouwd.

“Om te kunnen overleven kan ik mijn columns niet missen. Ik vind dat ook geen oneervol genre, integendeel. Ik krijg er veel warme reacties op, blijkbaar raak ik bij lezers een gevoelige snaar.”

 

 

Gaea Schoeters, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Een jaar romanschrijven, levert evenveel op als een dag soapscenario’s schrijven”

“Ik werk zeven dagen op zeven. Als ik een jaar aan een roman schrijf, verdien ik evenveel als wanneer ik een maand voor het theater, een week voor de krant of een dag scenario’s voor een soapserie op tv geschreven heb. In het verleden heb ik aan zo’n series meegewerkt, en een dag brainstormen bracht me tussen de 500 en 800 euro bruto op. Ik teer nog op de reserves van toen: zij maken het mee mogelijk dat ik nu aan mijn romans kan werken.

“Ik besef heel goed dat ik als auteur nooit hoge oplages zal halen. Als de verkoop van een van mijn romans 2.500 exemplaren haalt, is dat een groot succes. Ik werk drie jaar aan een boek en verdien dan gemiddeld 1,2 euro per exemplaar. Een roman levert me dus 1000 euro per jaar op. Evenveel als indertijd een aflevering voor een soap, waar ik anderhalve dag zoet mee was.”

 

 

Christophe Vekeman, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Iedereen gelijk voor de wet”

“Ik beschouw alles wat ik doe – romans schrijven, maar ook boeken bespreken, optreden, lezingen geven en zelfs dj-en – als deel van mijn schrijverschap. Al die activiteiten zijn een manier om mezelf literair tot uitdrukking te brengen. Zo overleef ik al sinds 2005 als zelfstandige.

“Daar ik gemiddeld zes of zeven weken doe over het schrijven van een roman, is het geld dat ik aan zo’n boek verdien redelijk in verhouding met die werktijd. Al blijft het natuurlijk jammer dat ik niet gebekt blijk te zijn naar de smaak van het brede publiek en dat ik dus af en toe niet meer loon naar arbeid ontvang.

“Ik zou het mooi vinden wanneer subsidievrije schrijvers als ikzelf voor hun zelfredzaamheid van overheidswege werden beloond met een klein belastingvoordeel. Ik heb grote problemen met de willekeur die met het toekennen van subsidies aan individuele schrijvers gepaard gaat. Stel je voor dat je om subsidies te krijgen voor het renoveren van je gevel een commissie op je stoep moet dulden die vervolgens in beraad gaat om uit te maken of een gevel in de door jou gewenste kleur inderdaad wel overheidsgeld waard is. Ik vind: iedereen gelijk voor de wet, anders hoeft het niet voor mij.”

 

 

Jeroen Olyslaegers, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Waarom krijgen schrijvers geen 30 procent auteursrecht?”

“Je kan als schrijver overleven door ook columns of toneelstukken te schrijven. Ik moét wel verschillende activiteiten combineren om het leefbaar te houden: pas dan kan ik mijn rekeningen betalen. Het gangbare voorschot voor het schrijven van een roman is 1.500 of 2.000 euro. Pas van zodra je meer dan 5.000 exemplaren verkoopt, begin je een beetje geld te verdienen. En vanaf 10.000 exemplaren zit je goed. Maar dat zijn de uitzonderingen.

“De gemiddelde verkoop van een boek schommelt tussen de 2.000 en 3.000 exemplaren. Vroeger waren dat ook mijn aantallen. Van ‘Wil’ zijn er nu meer dan 40.000 verkocht. Het grote probleem is die 10 procent auteursrecht. Dat percentage geldt wereldwijd, alleen hebben wij de pech dat we in een klein taalgebied leven. Waar gaat die andere 90 procent naartoe? Daar wordt vaak geheimzinnig over gedaan. Ik heb ooit aan verschillende uitgevers voorgesteld om de zaken om te draaien. Op de eerste 5.000 exemplaren zou ik dan 30 procent verdienen, waarna dat percentage stelselmatig zou zakken tot 8 procent, ook als het een gigantische bestseller is. De uitgeverij heeft er dan alleen maar alle belang bij dat het boek goed verkoopt. Maar geen enkele uitgever had oren naar mijn voorstel.”

 

 

 

Erik Vlaminck, zelfstandig schrijver in hoofdberoep

“Ik overleef omdat ik combineer”

“Mijn roman ‘Brandlucht’ was een bestseller: daar gingen 10.000 exemplaren van over de toonbank. Ik verdiende er 2 euro per exemplaar aan; dat boek leverde me dus 20.000 euro bruto op. Dat is echt uitzonderlijk. Gelukkig zijn dat auteursrechten: als roerende inkomsten zijn die onderworpen aan een gunstig fiscaal regime van 15 %. Ik kan van mijn schrijverschap overleven omdat ik combineer: naast het schrijven van romans en toneelstukken, geef ik ook nog lezingen. Ik sta ook op de auteurslijst van het VFL en ontvang voor een lezing 100 euro subsidie bovenop de bijdrage van de organisator. Maandelijks verdien ik ongeveer 2.700 euro bruto, inclusief de werkbeurs van het VFL.

“Ik ben al drie keer bij de fiscus moeten langskomen om uitleg te geven over mijn belastingaangifte. De auteursrechtenregeling is zo ingewikkeld dat zelfs belastinginspecteurs er hun jongen niet in thuisvinden. Ik moest hen telkens zeggen hoe de vork aan de steel zit. ‘U zal wel gelijk hebben’, hoorde ik dan. ‘Wij raken er niet wijs uit.’”

 

 

Aantal verkochte boeken: feit & fictie

Auteurs en uitgevers pochen graag dat ze ‘duizenden exemplaren’ van een boek in Vlaanderen verkocht hebben. Maar exacte cijfers worden nooit gecommuniceerd. Die zijn nochtans bekend: marktonderzoeksbureau GfK houdt die in opdracht van Boek.be nauwgezet bij. “De GfK-cijfers zijn een betrouwbaar meetinstrument voor romans op de Vlaamse markt”, zegt Jeroen Overstijns, ceo van Standaard Uitgeverij. “De verkoopcijfers zijn registraties van kassa-aanslagen; veel juister kan niet.”

De Morgen kreeg via een bron toegang tot de ‘geheime’ cijfers van GfK.

Marnix Peeters zou telkens bijna 20.000 exemplaren van ‘De dag dat we Andy zijn arm afzaagden’ en van ‘Natte dozen’ verkocht hebben. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen respectievelijk 5.140 en 6.555.

Van ‘Kijk niet zo konijntje’ zouden er 5000 verkocht zijn. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen 1.657.

Erik Vlaminck zou 10.000 exemplaren van ‘Brandlucht’ verkocht hebben. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen 3.296.

Jeroen Olyslaegers zou meer dan 40.000 exemplaren van ‘Wil’ verkocht hebben. Volgens GfK waren dat er in Vlaanderen 31.613.

 

(c) Jan Stevens

Het WK voetbalgokken

Het WK voetbal zorgt voor hoogspanning in wedkantoren en op goksites. “Het vertrouwen in de Rode Duivels is groot en wij profiteren daarvan”, glundert de directeur online van de marktleider in sportgokken. Intussen boomt in de hulpverlening het aantal piepjonge probleemsportgokkers. “Vroeger waren ze verslaafd aan bingo, nu aan online voetbalwedden.”

 

Hulpverlener Ronny Willemen van het Centrum voor Alcohol- en andere Drugproblemen (CAD) Limburg krijgt dagelijks mensen met een gokverslaving over de vloer. “Vroeger waren ze verslaafd aan bingo en elektronische roulette”, zegt hij. “Nu aan sportwedden. Online wordt er vooral gespeeld door zeer prille twintigers, want ‘live betting’ via de smartphone is hip. Die weddenschappen zijn de voorbije jaren zo opgepept dat ze op casinospelen lijken. De spelers kennen meteen het resultaat en zetten direct weer in. Toen sportgokken nog enkel in wedkantoren plaatsvond, was het relatief ‘onschuldig’. Je zette in vóór de match en pas nadien kende je het resultaat. Nu zet je tijdens de wedstrijd op alles en nog wat in, en is de spanning extreem hoog. Spelers raken in een rush, hebben geen oog meer voor de match, maar alleen voor winst of verlies. 1 op 5 online sportgokkers ontwikkelt zo een gokprobleem. De meesten zijn nog geen 29.”

In de aanloop naar het WK voetbal organiseerde de Kansspelcommissie een preventiecampagne voor online sportweddenschappen. De campagne kwam er op initiatief van minister van Justitie Koen Geens (CD&V). Wie liever geen lid van de voetbalclub FC Losers wordt, gokt volgens #Fanvanverliezen best enkel met geld dat hij kan missen. Bijna tezelfdertijd lanceerde de belangenvereniging van de kansspelsector BAGO (Belgian Association of Gaming Operators) haar eigen preventiecampagne #Playsafe. Met haar vijf leden (Ardent Group, Napoleon Games, Golden Palace, Unibet en BetFirst) vertegenwoordigt BAGO 70% van de Belgische gokindustrie. “Laat het spel niet met jou spelen. Speel verantwoord”, luidt haar advies.

Sportwedden is booming business, zeker nadat in 2011 onlinegokken in België officieel werd toegelaten. In 2015 werd er in ons land voor ruim 206,4 miljoen euro op sportwedstrijden gewed: 60,9 miljoen online en 145,5 miljoen offline – 22,4 procent meer dan het jaar voordien. In 2015 was er nochtans geen EK of WK voetbal. In vergelijking met 2011 steeg het sportgokken zelfs met 276,74 procent. Volgens onderzoek van de UC Leuven-Limburg waagde 51,5 procent van de Vlaamse jongeren tussen 12 en 20 jaar in 2016 al eens een gokje offline. 23,5 procent gokte online; de meesten op sportwedstrijden. Bijna 4 procent vergokte minstens wekelijks online zijn zakgeld.

Tijdens het WK gokten tot hiertoe dagelijks 110.000 Belgen online tijdens de wedstrijden. Een verdubbeling tegenover eind mei, toen dagelijks ongeveer 50.000 spelers actief waren. Op de openingswedstrijd van de Rode Duivels tegen Panama werd er door 123.000 mensen online gewed. 9.341 nieuwe spelers registreerden zich die dag, tegenover 2.000 op een gewone dag begin mei. In totaal telt België nu meer dan 800.000 geregistreerde spelers. Uit een studie van het internationale onafhankelijke onderzoeksbureau Gambling Compliance bedroeg in 2015 de totale omzet van de privégoksector in ons land 5,3 miljard euro. Met de 1,2 miljard euro van de Nationale Loterij erbij, vergokken we samen jaarlijks 6,5 miljard.

Frederik* (26) zette op zijn zesde zijn eerste stapjes in de wondere wereld van het sportwedden. “Mijn ouders namen me mee naar de paardenkoers. Wat niet wil zeggen dat ik toen al gokte. Pas rond mijn twaalfde mocht ik vlak voor de laatste koers de naam van mijn favoriete paard tegen mijn vader zeggen. Als het won, kreeg ik een euro.”

Vandaag verdient Frederik naar eigen zeggen een extra inkomen met wedden op sportwedstrijden. De preventiecampagnes van de Kansspelcommissie en BAGO vindt hij belachelijk. “Het zijn eerder reclamecampagnes.”

 

Speelt u voor grote bedragen?

Frederik: “Soms investeer ik meer dan duizend euro, soms vijftig. Ik heb meer vertrouwen in weddenschappen dan in de 2 procent rente bij de bank. De kunst is blij te zijn met een bescheiden winst. Met twintig euro extra koop ik ’s anderendaags brood en beleg.”

 

U bent niet bang om verslaafd te raken?

“Nee, ik kan gerust wedstrijden bekijken zonder te gokken. Ik ken de verhalen van mensen die kopje onder gingen. Je moet weten wanneer je best stopt en dat leer je enkel door ervaring. Ik maak mij zorgen over al die jonge gasten die niet met verlies om kunnen en nog minder met winst. Sportgokken is vandaag voor iedereen toegankelijk; in wedkantoren zijn zelfs minderjarigen welkom terwijl de toegangsleeftijd er op 18 ligt. Ik ken tieners die de ene week 5000 euro winnen en de week erna komen bedelen om 100 euro te lenen. Uitbaters van kantoren knijpen een oog dicht omdat justitie te laks is. In Engeland krijgen gokproviders miljoenenboetes opgelegd als ze de wet overtreden. Alleen verdienen ze die boetes ook zeer snel weer terug.”

 

Voetbalgokken op de sofa

Psycholoog Tony Van Rooij van het Nederlandse Trimbos-instituut voert onderzoek naar game- en gokverslaving. In 2015 onderzocht hij in samenwerking met de Universiteit Gent gokgedrag in België. “Hoe sneller het spel, hoe groter de kans op verslaving”, zegt hij. “Een loterij verloopt langzaam, maar een fruitautomaat gaat razend snel. Er zijn meer mensen die worstelen met problemen door het gebruik van digitale fruitautomaten dan door het kopen van een loterijlotje. Ik interviewde verschillende Vlamingen die online op voetbalwedstrijden gokten. Sommigen konden dat moeilijk onder controle houden, anderen dan weer wel. Ze deelden allemaal dezelfde zorg: tijdens het voetbalwedden werden ze continu verleid om over te stappen naar riskantere gokspellen zoals digitale roulette. De operators trachtten hen met bonussen en andere trucs in hun fuik te vangen om ze vervolgens naar gevaarlijker, winstgevender gokwateren te leiden. Bij online voetbalgokken zitten de spelers thuis op de bank, met hun smartphone in de aanslag. Als er ook nog bier gedronken wordt, kan dat het spelgedrag beïnvloeden. Want dan vallen grenzen weg, verliezen spelers controle en nemen ze soms gevaarlijke financiële beslissingen.”

Moet onlinegokken dan verboden worden? Tony Van Rooij: “Nee, want dan ontstaat er een illegaal circuit. Bij kansspelen is het verstandiger om mensen te kanaliseren naar een aanbod waarin de overheid eventueel kan ingrijpen. In Nederland is onlinegokken illegaal, en toch belanden veel probleemspelers in afkickklinieken. Wie per se online wil spelen, vindt altijd wel een manier om de wet te omzeilen.”

SP.A-volksvertegenwoordiger Peter Vanvelthoven is het daar niet mee eens. “Er moét een verbod op onlinegokken komen”, vindt hij. “Kinderpornosites zijn ook buiten de wet gesteld, waarom zouden we goksites wel tolereren?”

Als eerste stap diende Vanvelthoven op 17 mei een wetsvoorstel in voor een verbod op reclame voor onlinegokken. “We willen ook een verbod om bonussen aan spelers toe te kennen. Op de lijst van uitgesloten spelers van de Kansspelcommissie prijken 329.000 namen. Dat zijn voornamelijk mensen die door het gokken zwaar in financiële moeilijkheden geraakt zijn. Dat wijst er toch op dat we gokverslaving niet mogen onderschatten? Binnenkort voeren we gesprekken met internetproviders en kredietmaatschappijen om te onderzoeken hoe we een totaal verbod op onlinegokken kunnen organiseren. Maar eerst moet dat reclameverbod er komen. Want ik geloof nooit dat de sector zichzelf zal reguleren. Er valt te veel geld mee te verdienen.”

 

Wim Cox is directeur online van Betcenter dat met 52 wedkantoren, 12 franchisehouders, 16 dagbladhandelaars en een online wedterminal marktleider in sportwedden is in Vlaanderen. “Peter Vanvelthoven vergist zich”, vindt Cox. “In Nederland wil de overheid van het verbod op onlinegokken af. Want ondanks dat verbod wordt er ontzettend veel gespeeld. De Nederlanders vinden makkelijk de weg naar internationale grote kansspelproviders. Of ze gaan illegaal, zonder bescherming. Vanvelthoven lijkt ook te vergeten dat de overheid door een algemeen verbod veel inkomsten zal verliezen.”

 

Gokken is voor de overheid qua belastingen minstens even interessant als roken en alcohol?

Wim Cox: “Ik vergelijk ons daar niet graag mee, maar dat is inderdaad zo. Dankzij het WK is het in onze wedkantoren nu zeer druk. Het vertrouwen in de Rode Duivels is groot en wij profiteren daarvan. Wij gingen pas in 2015 online, in tegenstelling tot de meeste andere kansspelproviders die in 2011 al het digitale pad kozen. Een wedkantoor is een sociale plek waar mensen samen koffie drinken en discussiëren over voetbal. Er wordt geen alcohol geschonken. Dat is bij wet verboden en ik vind dat prima, want zo blijven mensen op hun hoede.”

 

Jongeren onder 18 zijn er niet welkom. Worden identiteitskaarten stelselmatig gecontroleerd?

“Nee. Overal is goed geafficheerd dat toegang onder 18 verboden is. We hebben er alle belang bij om minderjarigen te weren, want door hen kunnen we onze licentie verliezen.”

 

Tegengestelde belangen

Psychiater Frieda Matthys van UZ Brussel werkte mee aan een recent advies van de Hoge Gezondheidsraad (HGR) over gokstoornissen. Een van de aanbevelingen luidt: verbied alle gokreclame. “Nu zien we net het omgekeerde”, zegt ze. “Er wordt alleen maar meer reclame voor gokken gemaakt. Terwijl gokken en gokverslaving in de lift zitten. De HGR wil dat het zorgaanbod uitgebreid wordt, want het loopt achter op de groeiende groep probleemgokkers. Er is ook een gebrek aan cijfermateriaal. De kansspelsector heeft die informatie, maar houdt ze liever voor zichzelf. Een overheidsinstelling als de Kansspelcommissie zou die sector moeten controleren en de spelers beschermen, maar ze faalt omdat ze veel te dicht bij de industrie staat. Op haar website staat dat ze er is om de belangen van zowel aanbieders als spelers te behartigen. Onzin, want gokkers en de kansspelsector hebben tegengestelde belangen. ”

Peter Naessens, directeur van de Kansspelcommissie, is geen voorstander van een verbod op gokreclame. “Het risico is te groot dat spelers dan net als vroeger hun toevlucht zoeken bij illegale goksites. Dan zijn we alle controle kwijt en creëren we een vals gevoel van veiligheid. Er was afgesproken met de kansspelsector dat ze geen reclame zou maken rond de wedstrijden van de Rode Duivels op het WK. Jammer genoeg werd er na de eerste wedstrijd tóch reclame uitgezonden. De sector heeft beloofd dat ze die fout wil herstellen, en ik vind dat heel positief. De gereguleerde kansspelsector neemt meer haar verantwoordelijkheid dan de frisdrank- of alcoholsector.”

 

De Kansspelcommissie zou veel te dicht bij de kansspelaanbieders aanleunen. Ze wordt zelfs de UNIZO van de goksector genoemd.

Peter Naessens: “We zijn niet de belangenorganisatie van de kansspelsector, maar het rode kruis dat tussenkomt bij zware problemen. Er zitten zes ministers in onze commissie; zij weerspiegelen de belangen die wij behartigen. Wij worden geacht rekening te houden met justitie, binnenlandse zaken, economie, de Nationale Loterij en volksgezondheid.”

 

De kritiek klopt dan toch dat u tegengestelde belangen moet verdedigen: de economische van de gokindustrie en de gezondheid van de spelers?

“Wij verdedigen de belangen van de industrie niet. Zij is niet vertegenwoordigd in de Kansspelcommissie.”

 

Komt ze bij jullie lobbyen?

“Ja, maar wat is het beste antwoord op lobbyen?”

 

Lobbyisten de deur wijzen?

“Toch niet, want dan kloppen ze aan bij mensen die geen kennis hebben. Wij hebben die wel en kunnen de zinvolle van de niet-zinvolle informatie onderscheiden.”

 

Hebt u écht al die kennis in handen? Online gokoperators hebben de voorbije jaren een goudmijn aan kennis over spelers verzameld. Delen ze die informatie met u?

“Nee. Het is inderdaad frustrerend dat niet alle informatie wordt vrijgegeven. Wij vragen sinds 2011 om meer middelen en meer personeel. Dat is ons ook toegezegd en minister van Justitie Koen Geens steunt ons, maar tot hiertoe is daar niets van in huis gekomen.”

 

Zou het kunnen dat er op andere ministeries gelobbyd is om de Kansspelcommissie vleugellam te houden?

“In het verleden wou men zeker geen sterke regulator die de vinger aan de pols houdt en boetes oplegt. Toch kregen we de voorbije jaren het gevoel dat Koen Geens ons wél goed gezind is. Alleen moeten we vaststellen dat we na zeven jaar nog steeds niet genoeg mensen hebben mogen aanwerven. De vraag is dus misschien terecht: willen ze eigenlijk wel een sterke Kansspelcommissie?”

 

*Frederik is een schuilnaam

 

 

Getuigenis – Joeri Verbraeken & Debora Putteman: “Vandaag is elke krantenwinkel een gokkantoor”

 

Debora Putteman: “Ik leerde Joeri in de zomer van 2008 kennen. Liefde op het eerste gezicht. We gingen snel samenwonen, ons eerste kind werd geboren en we bouwden een huis. Ons geluk leek onaantastbaar. Joeri had me ooit verteld dat zijn vader hem in zijn tienerjaren uit cafés was komen halen waar hij bingo speelde, maar dat leken stoere jeugdherinneringen.”

Joeri Verbraeken: “Twintig jaar geleden, op mijn 18e, begon het al mis te gaan. Mijn loon verdween toen in de bingokasten op café. Vandaag ben ik veertien maanden clean en sta ik even lang droog. Want in combinatie met het gokken had ik ook een drankprobleem ontwikkeld. Ik zat in een vicieuze cirkel. Op nuchtere momenten zag ik de afschuwelijke ellende die ik mezelf en mijn gezin aandeed. Dus dronk ik om te vergeten en begon ik terug te spelen. Door de drank verloor ik alle controle tijdens het spel.”

Debora: “We woonden een tijdje samen toen ik aanmaningen kreeg voor onbetaalde rekeningen van Joeri. Hij had daar een uitleg voor, ik schreef het geld over en alles leek weer oké. In 2012 begon hij zich ’s nachts raar te gedragen. Hij kon niet slapen, lag te woelen en verdween continu uit bed. Hij zat voortdurend achter de computer en ik begon me zorgen te maken.”

Joeri: “Ik had onlinegokken ontdekt én de Nationale Loterij. Op een bepaald moment kocht ik voor 600 euro Euromillions-formulieren om al mijn verliezen te compenseren. Ik was er rotsvast van overtuigd dat ik in een klap rijk zou zijn. Ik dook enthousiast in het online sportgokken omdat ik als fervente voetballiefhebber geloofde dat ik genoeg kennis bezat om het spel te doorzien. Toen begon de ellende pas echt.”

Debora: “Dat online sportgokken wordt bijna voorgesteld als een onschuldig tijdverdrijf. Maar die gokspellen worden zwaar opgedreven en er wordt gul met bonussen getrakteerd. Joeri joeg er online tienduizenden euro’s door. Echt onschuldig is dat niet.

Ik vond een zak met 1500 euro aan Win-for-life-krasbiljetten in Joeri’s auto. Ik checkte onze spaarrekeningen en zag dat hij ze geplunderd had. Eerst ontkende hij, maar toen leek het alsof hij zich bewust werd van zijn probleem en zijn leven wou beteren. Hij liet zich vrijwillig op de lijst van uitgesloten spelers van de Kansspelcommissie zetten. Dat was een pak van mijn hart. ‘Nu kan hij nergens meer gokken’, geloofde ik.”

Joeri: “Met mijn identiteitskaart raakte ik niet meer op de goksites, dus pikte ik die van Debora. Als dat niet meer zou lukken, kon ik nog altijd naar de krantenwinkel. Daar is toch geen controle. Vandaag is elke krantenwinkel een gokkantoor. De operators zetten er ‘live betting terminals’ waar je geen identiteitskaart hoeft in te steken.

Er stond 60.000 euro op de rekening van mijn zaak. Bijna al dat geld vergokte ik in drie weken tijd non-stop online aan voetbalmatchen. Ik sliep amper. Er bleef 5000 euro over. Ik zette die om drie uur ’s nachts in op een wedstrijd in Brazilië uit derde klasse, om er vanaf te zijn. Ik won 80.000 euro en was dolgelukkig. Ik maakte Debora wakker om haar het ‘goede nieuws’ te vertellen. Zij was diep teleurgesteld, want voor de zoveelste keer had ik mijn belofte gebroken om niet meer te gokken.”

Debora: “We zijn een paar keer uit elkaar geweest. Hij vertelde zijn familie dat er met mij niet viel samen te leven. Niemand wist wat er écht aan de hand was. Ik zweeg, want ik schaamde me. Hij was vaak maanden weg. Tot hij weer op de drempel stond. ‘Nu is het de laatste keer’, zei ik dan voor de zoveelste keer. Maar ik zie hem graag en we hebben samen twee kinderen. In zijn nuchtere periodes was hij de lieve en zalige man waar ik ooit verliefd op geworden was.”

Joeri: “Ik zakte steeds dieper weg tot ik besefte: er moét iets gebeuren. Ik smeekte Debora om hulp en een week later zat ik in een privé-afkickkliniek in Zuid-Afrika.”

Debora: “Twee maanden moest hij daar verblijven. Ik was opgelucht dat hij weg was. (lacht)”

Joeri: “In Vlaanderen is de expertise over gokverslaving niet bijster groot en de wachtlijsten zijn enorm. De kliniek in Afrika is gespecialiseerd in gokverslaving en er werken veel ervaringsdeskundigen. Die aanpak heeft mij gered, want zij weten wat ik heb doorgemaakt. Ik volg nu een driejarige opleiding om zelf later als ervaringsdeskundige anderen te helpen.”

Debora: “Het vertrouwen in Joeri is de voorbije 14 maanden teruggekomen, maar bankkaarten krijgt hij niet. Als hij geld nodig heeft, moet hij het vragen. De schrik blijft dat hij al ons spaargeld er nog eens zal doorjagen.”

Joeri: “Ik ben ook bang om te hervallen. Die schrik houdt me alert, want ik wil nooit meer terug naar af.”

 

Joeri en Debora willen lotgenoten helpen. Meer info op www.fellowsupport.be

 

(c) Jan Stevens