‘Een levenseinde kan ook heel vredevol zijn’

Jeroen Nilis vroeg om psychische redenen euthanasie aan. Aan Geerdt Magiels vroeg hij zijn ‘testament’ te schrijven over het belang van een goede dood. “Jeroen zag euthanasie als ‘bevrijdende mogelijkheid’.”

 

Jeroen Nilis werd op 20 november 1967 geboren met een hersenletsel. Hij hield er een licht motorische handicap aan over, maar was normaal begaafd en studeerde in 1997 af als historicus. In datzelfde jaar kreeg hij op een werk- en studiereis naar Rome zijn eerste psychose. Hij geloofde dat hij Jezus was, dat hij de wereld moest redden en aan het kruis zou sterven. Vanaf dan werd hij elk jaar in de Goede Week voor Pasen getroffen door angstaanjagende wanen en psychoses. Zijn bestaan werd gaandeweg ondraaglijker. Op 23 maart 2018 stierf hij omringd door geliefden een ‘goede dood’, twee jaar nadat hij de procedure voor euthanasie startte.

In Liever sterven schetst bioloog en wetenschapsfilosoof Geerdt Magiels het leven en de dood van Jeroen Nilis. Zeer genuanceerd verkent Magiels euthanasie bij uitzichtloos psychisch lijden. Toen hij twee jaar geleden zijn boek begon te schrijven, wist Geerdt Magiels nog niet dat vlak voor publicatie het assisenproces rond Tine Nys de schijnwerper zou richten op die zelfgekozen dood. “Mijn uitgever had Liever sterven liever halverwege vorig jaar al zien verschijnen”, zegt hij. “Maar ik was toen nog niet klaar.”

 

Waarom vroeg Jeroen Nilis u om dit boek te schrijven?

Geerdt Magiels: “Ik ontmoette hem in 2017 in een psychiatrisch ziekenhuis tijdens de voorbereiding voor Al te gek, een boek dat ik schreef in opdracht van ‘Te gek’. Ik interviewde Jeroen als ervaringsdeskundige. Hij vertelde me dat hij net een euthanasieaanvraag had ingediend. Hij keek echt uit naar het einde, want elk jaar had hij vreselijk veel last van die Paas-psychoses. Die waren verschrikkelijk en wou hij nooit meer meemaken. Hij had in een manuscript zijn levensverhaal neergeschreven. Hij vroeg of ik hem dat later kon helpen uitgeven en we spraken af om contact te houden.

“Ik sprak hem terug begin 2018. Hij zei toen dat zijn euthanasieaanvraag was goedgekeurd. We hadden nog een paar maanden om samen te bedenken wat we met zijn biografie konden aanvangen. Hij vond het verhaal over zijn wanen en psychoses niet echt uniek, want daar bestaan intussen veel getuigenissen over. Hij wou het vooral hebben over euthanasie als ‘bevrijdende mogelijkheid’.”

 

Hij had een paar zelfmoordpogingen achter de rug?

“Ja, hij kende ook alle verhalen van lotgenoten die door zelfdoding om het leven waren gekomen. Hij wist hoe verschrikkelijk dat was en daarom wilde hij dat zelf niet meer. Hij was dus heel blij met de mogelijkheid van euthanasie. Dàt verhaal wilde hij vertellen. Maar je kunt niet over euthanasie praten als je het ook niet over suïcide hebt. Want het gaat over mensen die niet meer willen voortleven, om welke reden dan ook. Ze willen niet per se dood, maar ze willen niet meer verder met het leven dat ze leiden. Ik beschrijf in mijn boek de psychologische evolutie die iemand meemaakt die de hand aan zichzelf wil slaan. Dat is niet vanzelfsprekend, want het gaat over geweldpleging tegenover jezelf. Daar gaat een lang proces van gewenning en ‘oefening’ aan vooraf.”

 

Op het einde van dat proces vernauwt het bewustzijn van die mensen tot een tunnel met als enige exit: de dood?

“Dat is zo. Tenminste: we veronderstellen dat het zo is. We zijn natuurlijk nooit getuige van de daad. Dat is het gruwelijke aan zelfdoding: het gebeurt altijd in eenzaamheid, in een verschrikkelijk hopeloze toestand. Soms overleeft iemand een poging en hij is dan verminkt of zwaar gehandicapt. Zelfdoding wordt nog steeds zelfmoord genoemd, om het gruwelijke te onderlijnen. Een rode lijn in Liever sterven is dat we door te praten over een doodswens automatisch bij vragen belanden zoals: ‘Waarom leef je nog?’, of: ‘Wat kan je helpen om voort te blijven leven?’ Het gesprek over de dood leidt dan vanzelf tot een gesprek over het leven en over wat mogelijk is. Als er geen mogelijkheden meer zijn, is er misschien nog euthanasie.”

 

Is het boek een neerslag van de gesprekken die u met Jeroen voerde?

“Niet helemaal. We hebben zeer uitgebreid gepraat en ik denk dat er niets in staat waar hij het niet mee eens is. Maar ik sprak ook zijn psychiater, zijn huisarts, zijn broer, en andere ervaringsdeskundigen.”

 

Jeroens euthanasie verliep zeer zorgvuldig en hij praatte op voorhand uitgebreid met alle mensen die ertoe deden.

“Als dit boek al een boodschap heeft, is het dat het heel belangrijk is om goed afscheid te nemen van alle naast- en nabestaanden. Alleen zo kun je een levensverhaal mooi afronden. Dat geldt niet alleen bij psychisch lijden, maar bij elke euthanasie. De Nederlandse dokter en levenseindedeskundige Bert Keizer zegt: ‘Een mooie dood is het mooiste cadeau dat je kunt hebben.’ Niet enkel voor degene die sterft, maar ook voor degenen die overblijven. Omdat het mensen op een milde manier leert na te denken over hun eigen dood. Je ontdekt zo dat het levenseinde niet afschrikwekkend hoeft te zijn, maar ook vredevol kan zijn.”

 

Er is zo goed als geen verzet meer tegen euthanasie voor wie terminaal is en uitzichtloos lichamelijk lijdt. Euthanasie bij uitzichtloos psychisch lijden blijft een heet hangijzer, kijk maar naar het assisenproces rond Tine Nys.

“Dat heeft ook te maken met de overtuiging dat psychisch lijden totaal anders is dan lichamelijk lijden. Maar het idee dat lichaam en geest van elkaar te onderscheiden zijn, is wetenschappelijk al lang bij het oud vuil gezet.

“De geneeskunde is vandaag tot veel in staat, en toch zijn er nog grenzen. Niet alle lichamelijke of psychische klachten kunnen we genezen. Heel veel mensen die omwille van lichamelijk lijden euthanasie aanvragen, gaan ook gebukt onder psychisch lijden. Het ene is niet los te koppelen van het ander. Mensen met psychisch lijden hebben ook heel vaak lichamelijke klachten.”

 

Toch zijn er psychologen en psychiaters die euthanasie omwille van uitzichtloos psychisch lijden problematisch blijven vinden.

“Een euthanasieaanvraag is een langdurig proces, dat is niet met een vingerknip opgelost. Het is niet zo dat je euthanasie online bestelt en dat de week erna iemand langskomt met een spuitje. Jeroens huisarts zei me: ‘Ik moest met mezelf eerst in het reine komen of euthanasie de goede oplossing was.’ Pas als iedereen aanvoelt dat het de beste optie is, kan het ook echt goed gebeuren. Er moet alleszins meer opleiding en ondersteuning komen voor iedereen die daarbij betrokken is. Veel professionals voelen zich nog niet capabel genoeg om op een goede manier een vraag tot euthanasie te beantwoorden. De dood is sowieso een onderwerp waar veel mensen niet graag over praten. Zeker niet als het over hun eigen levenseinde gaat. Hoeveel keer heb jij al aan iemand gevraagd: ‘Denk je soms aan zelfdoding?’, of: ‘Heb je doodsgedachten?’ Niet vaak, terwijl die vragen net heel belangrijk zijn bij suïcidepreventie. Mensen die zichzelf uiteindelijk van het leven beroven, lopen soms al jaren in eenzaamheid rond met plannen voor zelfdoding. Doordat er niet over gepraat werd, bleef die gedachte groeien.”

 

Zijn er veel aanvragen voor euthanasie bij ondraaglijk psychisch lijden?

“Het aantal mensen dat euthanasie met enkel een diagnose psychiatrische stoornis krijgt, schommelt rond de vijftig per jaar. Dat is een fractie van alle euthanasieaanvragen. Ter vergelijking: in 2018 werden in totaal 2.357 euthanasieën geregistreerd. Elk jaar sterven er in België veertigmaal meer mensen door zelfdoding dan door euthanasie bij psychisch lijden. Er zijn ook mensen die een aanvraag indienen en het uiteindelijk niet laten gebeuren. Ik zag ook bij Jeroen dat hij rust vond toen zijn aanvraag was goedgekeurd. Bij hem was die diepe vrede niet voldoende om toch nog even door te gaan, maar bij sommige anderen wel. Wat niet wil zeggen dat ze verder vrolijk fluitend door het leven gaan. Het blijven kwetsbare mensen met een wankele gezondheid, zowel lichamelijk als psychisch. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen welke strijd zij elke dag opnieuw moeten voeren om in leven te willen blijven.”

 

Bij Jeroen was de oorzaak van zijn psychoses aangeboren?

“Hij miste een stuk van zijn hersenen, dat is pas later vastgesteld. Maar hij leidde een rijk intellectueel leven. Hij studeerde geschiedenis en zat met zijn hoofd in de boeken. Hij was een filmfanaat, maar op het einde kon hij alleen nog maar beeldje per beeldje bekijken.

“Hij had een mentor, Jan Roegiers, professor aan de KULeuven. Bij hem vond hij rust in psychotische tijden. Hoe slecht Jeroen er ook aan toe was, bij Roegiers was hij altijd welkom. Toen die man in 2013 stierf, verloor Jeroen zijn dierbaarste vriend en dat was het definitieve breekpunt. Zijn laatste vangnet viel weg. Toen werd het steeds moeilijker.”

 

Jeroen was uitbehandeld?

“Dat is één van de voorwaarden voor euthanasie bij psychisch lijden, al is dat natuurlijk voor interpretatie vatbaar, want wat is ‘uitbehandeld’? Jeroen had in de geestelijke gezondheidszorg zowat alles geprobeerd, van psychotherapie over elektroconvulsietherapie tot medicijnen, inclusief vervelende bijwerkingen. Hij kende de isoleercel als geen ander. Op een bepaald moment houdt het op en hoef je de zoveelste nieuwe pil inclusief nare bijwerkingen niet meer. Jeroen vond zinvol werk in een archief, maar moest na een paar dagen toegeven: ‘Hoe graag ik dit ook wil, het lukt niet.’ Hij kon geen betekenisvolle invulling voor zijn leven meer vinden. Tot het einde is van alles geprobeerd op alle mogelijke manieren, tot iedereen inzag: het heeft geen zin meer.”

 

In uw boek lees ik: ‘Tussen 2011 en 2017 vroegen 23 gedetineerden en geïnterneerden in Vlaanderen euthanasie aan. In twee gevallen ging het om mensen met terminale kanker, in de andere gevallen ging het om ondraaglijk psychisch lijden.’ Hebben die mensen de juiste psychische zorg gehad? Waren zij ‘uitbehandeld’?

“Dat is een heel moeilijk dossier en is eigenlijk stof voor een apart boek. Onze reguliere geestelijke gezondheidszorg is met onder andere zijn veel te lange wachtlijsten voor veel verbetering vatbaar, maar in onze gevangenissen is de toestand pas echt dramatisch. België is daar al vaak door Europa voor op de vingers getikt.

“Dé vraag die ook door heel mijn boek zindert, is: hoe gaan wij om met geestelijke kwetsbaarheid in onze samenleving? Van het totale gezondheidsbudget gaat maar een fractie naar geestelijke gezondheidszorg, terwijl 1 mens op 4 in zijn leven een of ander psychisch probleem krijgt. Veel mensen worstelen met slaapstoornissen. De huisarts schrijft dan slaapmedicatie voor, wat het probleem eigenlijk nog erger maakt. Zo’n pil verdooft maar zorgt niet voor een goede slaap, zeker niet als die verstoord wordt door gepieker over je werk, je relatie of pesterijen. Een huisarts kan daar weinig aan doen. Wat er wel zou moeten komen, is een in de wijk geïntegreerd gezondheidscentrum waar psychische, sociale en lichamelijke problemen samen worden aangepakt. Maar daar is geen geld voor, want er wordt bezuinigd op preventie. Terwijl iedereen weet dat elke euro die in preventie wordt geïnvesteerd, driedubbel terugverdiend wordt omdat er achteraf minder uitgaven in de zorg nodig zijn.”

 

Jeroen zegt in uw boek dat hij zijn familie niet te vroeg maar ook niet te laat over zijn op stapel staande euthanasie inlichtte. Waarom was dat belangrijk?

“Zijn redenering was dat ze op je beginnen inpraten als je het te lang op voorhand doet. Want dan zijn er altijd mensen die dat niet willen aanvaarden. Als je te lang wacht, en je zegt het pas net voor je euthanasie, komt het even hard aan als een zelfdoding. Out of the blue ben je dan weg. Vrienden en nabestaanden hebben geen tijd om eraan te wennen en afscheid te nemen. Jeroen adviseerde om een gulden middenweg te zoeken. Hij bracht dat ook samen met zijn broer in de praktijk. Ze bespraken op voorhand wie ze wilden inlichten en wie ze gingen uitnodigen voor de afscheidsceremonie. Samen creëerden ze een band met iedereen die met Jeroen betrokken was. Dat is het mooie van zijn verhaal.”

 

Omdat nabestaanden zijn keuze voor euthanasie zo beter konden begrijpen en aanvaarden?

“Ik denk het wel. Een mooi woord in deze context vind ik ‘uitklaren’: de euthanasievraag uitklaren. Dat wil zeggen dat je verduidelijkt waar jouw vraag voor euthanasie vandaan komt.”

 

Dat lukt toch niet altijd? Denk maar aan kinderen die in onmin leven met hun ouders.

“Dat is ook vaak een probleem in de psychiatrie: mensen die opgenomen worden en niets met hun familie te maken willen hebben. Daarom staat ook specifiek in de wet op de patiëntenrechten dat zonder jouw toestemming niemand jouw dossier mag inkijken. Dat is ontzettend frustrerend en verdrietig voor mensen die je graag zien en niet meer tot bij jou kunnen komen. Als het dan over euthanasie gaat, is dat natuurlijk vreselijk. Dan komen die conflicten in families plots op hun scherpst naar boven. Achteraf kan dat er dan voor zorgen dat mensen zich verongelijkt voelen of niet gehoord. Met alle kwaadheid van dien.”

 

Wat in het geval van Tine Neys tot dat afschuwelijke assisenproces heeft geleid.

“Ja, ik denk dat dat daar heeft meegespeeld. Al ken ik die mensen niet. We kunnen dit nu zo invullen, maar we weten niet of het ook echt klopt. We waren er niet bij.

“Maar wat wel duidelijk is: het was ontzettend pijnlijk omdat dingen niet uitgeklaard zijn en niet gezamenlijk konden gedragen worden. Heel dikwijls weten de omstaanders van niets, net zoals bij mensen die zelfdoding zoeken. Velen weten niet eens hoe erg het gesteld is binnenin het hoofd van een familielid of vriend. Dan komt het natuurlijk als een donderslag bij heldere hemel wanneer iemand er ineens wil uitstappen of er al uitgestapt is. Precies daarom moeten we het aandurven om over suïcidale gedachten, psychisch lijden en de dood te praten. We lossen niets op door er stil over te blijven zwijgen. De kans is groot dat ze je gek verklaren als je tegen iemand zegt dat je eraan denkt om te sterven. En dan beland je in de psychiatrie.”

 

U hebt twee jaar lang aan dit boek geschreven. Wat doet het met uzelf om zo lang intensief met de dood bezig te zijn?

“Ik was daar al veel langer mee bezig. Omdat ik nogal wat over gezondheidszorg en geneeskunde geschreven heb, is die dood nooit ver weg. Daarnaast zag ik ook mensen in mijn omgeving sterven, sommigen jonger dan ikzelf. Net als ieder ander mens moet ik daarmee leren omgaan. Toen vrienden en kennissen me de afgelopen twee jaar vroegen waar ik mee bezig was, volgden er vaak warme gesprekken over verlies, lijden en psychisch leed. Iedereen lijkt wel iemand te kennen die zwaar lijdt onder psychische problemen. Dat bleek toch uit al die gesprekken die ondanks het trieste onderwerp altijd heel fijn waren. De kwetsbaarheid die we allemaal met ons meedragen, is toch wat ons tot mensen maakt? We zijn niet allemaal van staal.”

 

Geerdt Magiels, Liever sterven – zelfgekozen dood bij psychisch lijden, Polis, 224 blz., 20 euro

 

© Jan Stevens

“Niet iedereen heeft het geluk op deze manier te kunnen sterven”

Sinds 30 augustus vorig jaar weet dokter en PVDA-politicus Dirk Van Duppen (63) dat hij terminaal is. In Zo verliep de tijd die mij toegemeten was maakt hij de balans op van leven en werk. 

 

In de woonkamer van doktersechtpaar Dirk Van Duppen en Lieve Seuntjens in Deurne staat een wiegje voor als hun eerste kleinkind Louis op bezoek is. “Hij is geboren op 30 december”, zegt Dirk. “Onze oudste zoon Ward had het er moeilijk mee dat Louis zijn opa niet zal leren kennen. Ward had een uitstekende band met zijn opa, mijn in 2009 overleden vader Louis. Mijn boek Zo verliep de tijd die mij toegemeten was is daarom ook bedoeld voor mijn kleinkind dat ik nooit zal zien opgroeien. Zo leert hij later de betekenis van het leven van zijn opa kennen.”

PVDA-dokter Dirk Van Duppen raakte de voorbije veertig jaar bij het grote publiek bekend als boegbeeld van Geneeskunde voor het Volk (GVHV) en als onvermoeibaar strijder tegen de farma-industrie en het fijnstof in Antwerpen. Samen met actievoerders zoals Wim Van Hees en Manu Claeys hield hij de bouw van de Lange Wapper tegen. Tot voor kort was Van Duppen een stevig gebouwde man met een weelderige haardos. Vandaag oogt hij mager en frêle en is hij bijna kaal. Zijn lichaam takelt snel af, maar zijn geest blijft alert.

“Na de verkiezingen van mei vorig jaar was ik moe”, zegt hij. “We hadden hard campagne gevoerd en die vermoeidheid leek een logisch gevolg. Maar ik voelde me ook down en dat vond ik raar, want de PVDA behaalde een uitstekende uitslag. (lachje) Mijn suikerwaarden waren hoog. Ik had overgewicht en we dachten aan diabetes type 2. Dus nam ik medicatie, ging ik op dieet en begon ik stevig te fietsen, tien weken lang. Na afloop was ik tien kilo kwijt, maar mijn suikerwaarden bleven hoog.

“Er werd een CT-scan gemaakt. Op vrijdag 30 augustus zat ik hier in de zetel op telefoon van de radioloog te wachten. Die kwam maar niet. Ik belde naar het ziekenhuis en kreeg niemand te pakken. Ik werd steeds ongeruster. Als dokter heb ik toegang tot mijn eigen medisch dossier. Ik klapte mijn laptop open en las: ‘terminale pancreaskanker’. Ik wist meteen: dit is het einde.”

 

Het lijkt me verschrikkelijk om zo uw doodvonnis te moeten lezen.

“Het was alsof iemand met een voorhamer op mijn hoofd sloeg. Ik belde Lieve. Zij liet alles op de groepspraktijk vallen en kwam meteen naar huis. We zaten hier samen te huilen. ’s Anderendaags lichtten we onze drie kinderen en hun partners in. Dat was zwaar. Iemand opperde om allemaal samen een weekend weg te gaan, naar een vakantiepark in Limburg. Daar hebben we veel gepraat. Dat deed deugd. Geen enkele vraag gingen we uit de weg en er werd niets verdoezeld. Er was groot verdriet, maar ook verbondenheid.”

 

Er is geen behandeling mogelijk?

“Nee. Er wordt weinig onderzoek gevoerd naar de behandeling van pancreaskanker. Big pharma is daar niet in geïnteresseerd. De tumor is te complex en er zijn te weinig zieken. De chemotherapie die ik nu krijg, is al meer dan 25 jaar dezelfde. Ze remt de groei van kankercellen en vernietigt ze, maar ze maakt geen onderscheid tussen gezonde en zieke cellen.”

 

Een groot deel van uw leven streed u net tegen die Big Pharma.

“Ja, dat komt nu op een bizarre manier naar me terug, net als mijn strijd tegen luchtvervuiling. Ik sprak met de oncoloog over de mogelijke oorzaken van pancreaskanker: roken, morbide obesitas, alcoholisme, weerkerende alvleesklierontstekingen en familiale vatbaarheid. Geen enkele risicofactor geldt voor mij. Toen zei hij: ‘Er is ook nog luchtvervuiling.’ Wie binnen vijfhonderd meter van een snelweg woont, krijgt de meeste vervuiling te slikken. De ring ligt vlakbij en er razen een paar honderdduizend voertuigen per dag voorbij. In Antwerpen ligt het aantal kankers en hartinfarcten niet voor niets significant hoger dan in de rest van Vlaanderen.”

 

Als dokter weet u zeer goed hoe de ziekte evolueert. Alle illusies waren van in het begin weg?

“Zeker. Oncologen waren voorzichtig en probeerden niet al te pessimistisch te klinken. Maar ik kende mijn mediane overleving (maanden of jaren die 50 % van de mensen na diagnose of behandeling nog in leven zijn – red.) Met chemo is dat acht maanden, zonder vier.”

 

U koos voor chemo, met alle daarbijhorende ongemakken.

“Vier maanden vond ik nog de moeite. (lacht) Met die chemo begon inderdaad ook de aftakeling. Ze zorgt voor extreme vermoeidheid die door veel rust of slaap niet verdwijnt.

“Lieve bleef thuis. Dat zette nogal wat druk op de groepspraktijk, want er vielen zo twee dokters van de tien weg. Eerst werd aan de patiënten meegedeeld: ‘Dirk heeft een ernstige ziekte.’ Dat zorgde voor vragen zoals: ‘Komt hij nog terug?’ of: ‘Mogen we hem bezoeken?’ Waarna we in ons patiëntenkrantje duidelijk communiceerden wat er met mij aan de hand is. Dat gaf rust: onze patiënten begrepen het, leefden mee en de druk viel weg. Ze kwamen kaartjes afgeven. Daarna zetten we het op Facebook. Mensen reageerden opnieuw massaal. Ook Bart De Wever. Dat vond ik fijn. Hij schreef samen met het schepencollege een schoon kaartje. In oktober gaf ik een afscheidsinterview aan Humo en daar kwamen nog meer aanmoedigende reacties op.”

 

U zei daarnet dat uw zoon een uitstekende relatie had met zijn opa, uw vader. Dat is ook de man waar u als kind harde klappen van kreeg.

“Tegenover zijn kleinkinderen was vader totaal anders: een heel lieve opa. Veel generatiegenoten die nu op bezoek komen, vertellen gelijkaardige verhalen over hun gewelddadige vaders.”

 

Uw vader was onderwijzer. Was hij op school ook zo streng?

“Zeker. In zo goed als heel de basisschool was geweld de norm. Slechts een paar onderwijzers sloegen niet. Ik was vijftien toen het ophield. Mijn jongste broer Piet gaf een verjaardagsfeestje. Vader haalde uit naar mij, maar ik duwde hem en hij viel op de grond. Piets vriendjes zagen die strenge meester Van Duppen vallen. Na dat incident heeft vader ons nooit meer aangeraakt. Hij veranderde en er kwam een vorm van respect. Daarom voel ik geen rancune tegenover hem. Op de middelbare school politiseerde ik.”

 

Dat wil zeggen: u werd communist en lid van AMADA of ‘Alle Macht Aan De Arbeiders’, de voorganger van de PVDA.

“Precies. Vader liet me doen, ook al spijbelde ik om aan poorten van andere scholen pamfletten uit te delen. Hij kreeg bezoek van de BOB, de bijzondere opsporingsbrigade van de rijkswacht. ‘Uw minderjarige zoon verkoopt opruiende taal. Bent u daarvan op de hoogte?’ Vader werd toen niet boos op mij, maar wel op de BOB’ers.”

 

Eind jaren tachtig nam een vriend me mee naar een lezing van wijlen Ludo Martens, op dat moment voorzitter van de PVDA. Ik hoorde die man de lof van Jozef Stalin zingen. Hij verdedigde de Stalinistische zuiveringen en vond zelfs dat er te weinig ‘reactionairen’ waren weggezuiverd. Ik vond dat schokkend.

“Zoiets heb ik nooit gehoord. Er woedde in de partij wel een hevig debat over het stalinisme. Dat is in 2008 definitief afgesloten. Ludo Martens schreef indertijd het boek Een andere kijk op Stalin. Veel van wat daarin staat, is niet per se verkeerd. Zo schreef hij dat tijdens het bewind van Stalin de Sovjet-Unie veel wetenschappers en ingenieurs telde, en dat voor een land dat net uit de feodale tijd kwam. Maar het boek was eenzijdig en selectief. De repressie onder Stalin was misdadig.”

 

De Sovjet-Unie draaide uit op een compleet fiasco en China en Noord-Korea zijn niet meteen toonbeelden van staten waar de mensenrechten geëerbiedigd worden. De praktische uitvoering van het communisme is geen groot succes.

“Alles hangt af van welke inhoud je aan het begrip communisme geeft. In De meeste mensen deugen beschrijft Rutger Bregman hoe in het middelbaar een leraar vertelde: ‘Communisme is: iedereen naargelang zijn behoeften en capaciteiten.’ Ik had ook een leraar in het middelbaar die net hetzelfde zei, dertig jaar voor Bregman. Die leraar raadde mij aan Het communistisch manifest van Karl Marx te lezen. Dat sprak mij aan. Ik ben een overtuigd marxist en geen stalinist. Op mijn kamer hing een affiche met een uitspraak van bevrijdingstheoloog Don Helder Camara: ‘Als ik de armen eten geef ben ik een heilige. Vraag ik waarom ze arm zijn, dan ben ik een communist.’ Dat is voor mij de essentie.

“Wij hebben goede banden met de Cubanen. Wat niet wil zeggen dat we Cuba als blauwdruk zien. Maar daar werken we wel concreet aan gezondheidsprojecten in de oude wijken van Havana. We kennen de gezondheidszorg in Cuba inmiddels goed. We hebben daar dingen zien gebeuren die zeer mooi zijn.”

 

Er zitten in Cuba mensen in de gevangenis omwille van hun overtuiging.

“Niet zoveel meer. U moet een onderscheid maken tussen propaganda en de realiteit.”

 

Elke mens die omwille van zijn overtuiging in de cel gestopt wordt, is er toch één te veel?

“De les die wij geleerd hebben, is om zoiets niet te verdedigen en om te stoppen met het dogmatisch kopiëren van buitenlandse voorbeelden. Haar grootste crisis beleefde mijn partij in 2003 na de deelname aan de federale verkiezingen als Resist met Dyab Abou Jahjah.”

 

De verkiezingsuitslag viel toen lelijk tegen en Resist werd een mislukte verruimingsoperatie?

“Een verruimingsoperatie zou ik dat niet noemen, eerder een geval van tunnelvisie. In maart 2003 brak de golfoorlog uit en wij waren actief in het verzet. Maar het was een vergissing om dat terechte verzet te koppelen aan de provocatieve stijl van Abou Jahjah. De mensen vonden dat er ver over. Ik voelde dat heel goed in onze dokterspraktijk. Ik hoorde en zag: met Resist gaan we de boot in. In diezelfde periode schreef ik De cholesteroloorlog, een aanklacht tegen de geldhonger van de farma-industrie. Het patent op een cholesterolverlager was vervallen en ik vroeg aan het RIZIV een terugbetaling voor een generiek middel, identiek aan het origineel, maar 40 % goedkoper. Die aanvraag werd geweigerd. Blijkbaar golden de nieuwe soepele voorwaarden voor de generieken enkel voor het origineel. Ik begon dieper te graven en dat onderzoek resulteerde in De cholesteroloorlog. Mijn boek verscheen in 2004 en sloeg in als een bom. Het ACV en het ziekenfonds CM steunden mij, wat toen heel bijzonder was. Want de PVDA werd nog beschouwd als een sektaire communistische club. Maar nu betoogden die grote katholieke organisaties samen met ons. Ik heb toen geleerd dat we rond heel concrete projecten moeten werken.”

 

U was lang voorzitter van de groepspraktijken van GVHV. Jarenlang werden ze verketterd door de Orde van Geneesheren. In juni vorig jaar keerde de Orde op haar stappen terug. Ondervoorzitter Michel Deneyer zei zelfs dat hij vond dat GVHV kwalitatief sterk werk levert.

“Michel Bafort is de voormalige voorzitter van de Orde van Geneesheren Oost-Vlaanderen. Hij las mijn afscheidsinterview in Humo en stuurde me een pakkende mail. Hij schreef dat ik de geneeskunde in dit land blijvend veranderd heb en menselijker heb gemaakt. ‘De universiteit van Gent zegt: durf te denken. Jij zegt: durf ook iets te doen.’ Dat was heel speciaal, want het conflict met de Orde was veertig jaar oud. Al die tijd betaalde ik geen lidgeld; dit jaar was de eerste keer. Jarenlang stond de Orde onder invloed van het reactionaire artsensyndicaat BVAS van Marc Moens. De codex van de Orde bulkte van het corporatisme en draaide vooral rond de eer en de waardigheid van het beroep. In 2015 bood Michel Bafort tijdens een speech zijn excuses aan GVHV aan. Jarenlang was Bafort een hardliner. In 2014 sleurde hij onze artsen in Zelzate nog voor de rechter. Hij sloeg compleet om. Ik schreef een opiniestuk in de krant tegen de prestatiegeneeskunde. ‘Doe beroep op de motivatie van binnenuit van de artsen.’ Michel Bafort was het met me eens en wou met me praten. Hij vertelde toen dat in zijn provincie de prestatiegeneeskunde een aantal specialisten tot zelfmoord had gedreven. De ziekenhuisdirecties zweepten dokters op om zoveel mogelijk patiënten de revue te laten passeren. Ze knapten daarop af. Sommigen vluchtten weg in de drank of kregen een burn-out, anderen pleegden zelfmoord. Bafort richtte Arts in Nood op, een organisatie die collega’s met psychische problemen bijstaat. Ik vind dat een heel mooi initiatief. We vonden elkaar: de codex van de Orde werd in samenspraak met ons herschreven en de strijdbijl begraven.”

 

Uw broer Jan was in zijn jonge jaren ook lid van Amada. Vandaag heeft hij oor voor Theodore Dalrymple, de Britse oerconservatieve psychiater die vindt dat het de ‘onderklasse’ aan wilskracht ontbreekt.

“Dalrymple is onwaarschijnlijk rechts en dat is dan nog vriendelijk gezegd. Ja, het verliep merkwaardig. Wij zijn nu net zoals Bruno en Bart De Wever.”

 

Een dubbelinterview met uw broer zag u niet zitten.

“Nee, niet op het einde van mijn leven. Jan is oprecht bezorgd over mij en komt zoveel mogelijk langs. Onze broederband is hersteld.”

 

Als jullie samen zijn, spreken jullie niet over politiek?

“Dat heeft moeder ons op haar sterfbed gevraagd. Daarvoor hadden we een paar keer klinkende ruzie. Dat was niet slim van mij. In april 2009 kwam Tine Van Rompuy, de zus van CD&V-politici Herman en Eric, op voor de PVDA. Ondanks hun politieke meningsverschillen, praatten de broers altijd met veel respect over hun zus én omgekeerd. Dat had het voorbeeld voor mij moeten zijn. Al tijdens onze studies groeiden Jan en ik ideologisch uit elkaar. Hij werd in 1999 Vlaams parlementslid voor de sp.a. Hij kreeg ruzie met Patrick Janssens en Steve Stevaert en nam verbitterd afscheid. De laatste tien jaar van zijn carrière werkte hij als huisarts in een achterstandswijk in Rotterdam.”

 

In uw boek schrijft u: ‘Er leven twee opvattingen over de aard van de mens. De eerste luidt: de mens is van nature goed maar in staat tot het kwade. De tweede zegt precies het omgekeerde: de mens is van nature kwaad maar in staat tot het goede.’ U koos voor de eerste opvatting; uw broer voor de tweede?

“Ja, we kozen een verschillend mensbeeld. Volgens sommigen is onze beschaving een dun laagje vernis. Van zodra je eraan begint te krabben, komt de ware, zelfzuchtige aard van de mens naar boven. Die theorie floreerde lang, maar werd de laatste jaren bedolven onder wetenschappelijk bewijs dat de mens vanaf de geboorte de neiging heeft tot empathie, hulpgedrag en samenwerking. De mens is van nature solidair en behulpzaam. Ik schreef daar in 2016 samen met moleculair bioloog Johan Hoebeke De supersamenwerker over. Ik ben heel trots op dat boek en beschouw het als het sluitstuk van mijn levensengagement.”

 

Als dokter kunt uzelf goed inschatten hoe lang u nog heeft?

“Dat zijn niet veel maanden meer, eerder weken. Stilaan raak ik daarmee verzoend. Ik ben blij dat de euthanasiewet bestaat. Want een natuurlijk einde met pancreaskanker is creperen. Nu houd ik de pijn nog met morfine onder controle, maar dat blijft niet duren. Alles is uitgesproken, of toch bijna alles. Ik voerde de voorbije weken ontzettend veel gesprekken. Niet iedereen heeft het geluk op deze manier te kunnen sterven.”

 

Dirk Van Duppen en Thomas Blommaert, Zo verliep de tijd die mij toegemeten was, EPO, 122 blz., 15 euro

(c) Jan Stevens

‘Ik gunde die Duitsers het plezier niet om mij kapot te maken’

Het joodse meisje Selma Velleman was zeventien toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Ze dook onder en sloot zich aan bij het verzet als de niet-joodse Marga van der Kuit. Ze werd gearresteerd, maar overleefde. Op haar 97e brengt ze in Mijn naam is Selma het relaas van haar bewogen oorlogsjaren. “Ik dacht aldoor: ‘Ik gun die Duitsers het plezier niet om mij kapot te maken.’”

 

“Houd ik mijn jasje aan of trek ik het uit?”, vraagt ze aan de fotograaf. “Lach ik of kijk ik ernstig?” Op 7 juni van dit jaar viert Selma van de Perre, geboren Velleman, haar 98e verjaardag, maar ze lijkt minstens twintig jaar jonger. Ze woont in Londen; voor de voorstelling van haar boek Mijn naam is Selma is ze even in Nederland, in haar geboortestad Amsterdam. Daar zag ze in 1922 het levenslicht als dochter van acteur Barend Velleman en hoedenmaakster Fem Spier. Er waren al twee zonen, Louis en David, en later zou nog een dochter volgen, Clara. Bij de geboorte van Selma woonde de joodse familie Velleman-Spier op de Prinsengracht. Later verhuisden ze naar de wijk De Pijp. Toen WO II uitbrak, was Selma zeventien. In 1942 sloot ze zich onder de naam Margareta, ‘Marga’, van der Kuit als niet-joodse aan bij het verzet. Ze vervalste documenten en koerierde over heel Nederland. In 1944 werd ze door de nazi’s opgepakt en na een verblijf in kamp Vught op transport gezet naar het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück. Haar ouders en zus Clara overleefden de gruwel niet. Tot aan haar bevrijding wist niemand dat Selma joods was. Na de oorlog verhuisde ze naar Engeland waar ze buitenlandcorrespondent werd voor de Nederlandse omroep AVRO en verschillende Belgische kranten. In Londen leerde ze de inmiddels overleden Belgische buitenlandcorrespondent Hugo van de Perre kennen. “Er was maar een smalle gang tussen onze kantoren bij de BBC. We spraken allebei Nederlands en dat schepte een band. Hugo was de enige Vlaamse journalist in die dagen; de anderen waren allemaal Franssprekend. Dus gingen we vaak samen lunchen. Na een paar jaar trouwden we en kregen we een zoon. Hugo’s vader Alfons was volksvertegenwoordiger en stond aan de wieg van de krant De Standaard.”

 

Waarom hebt u zo lang gewacht om dit boek te schrijven?

“Mijn neven zijn in de zeventig. Meer dan tien jaar geleden zeiden ze al: ‘Selma, jij bent de enige van papa’s generatie die nog in leven is. Schrijf je ervaringen op.’ Ze bleven maar zeuren. (lacht) Rond 2004 begon ik dan maar aantekeningen te maken. Maar dat lukte niet zo goed, want ik leidde een druk leven met lesgeven, schilderen en golven. Het was ook niet makkelijk om me die periode opnieuw voor de geest te halen. Ik had die verdrongen.”

 

U was bang voor uw herinneringen?

“Ja. Op een bepaald ogenblik zei mijn neef die professor is: ‘Selma, je moét een boek schrijven. Aantekeningen zijn niet genoeg.’ Hij bleef maar zeuren: ‘Hoe ver ben je?’ Ik had dus geen andere keuze.”

 

In wat voor gezin groeide u op?

“Mijn vader was een heel liberale jood en wij hadden ontzettend veel niet-joodse vrienden. Mijn vriendinnetjes waren bijna allemaal katholiek of protestants. Ik was niet in het geloof opgevoed, niet naar inhoud en ook niet naar vorm. Toen we vanaf 3 mei 1942 als joden de ster moesten dragen, was dat een afschuwelijke ervaring. We mochten geen gebruik meer maken van openbaar vervoer, theaters, hotels, bioscopen, restaurants en zwembaden.”

 

De Amsterdamse joden hadden pas laat door hoe ernstig de toestand was?

“Inderdaad. Lang waren ze ervan overtuigd dat er alleen maar werkkampen waren. Ik herinner me heel goed hoe ze met violen en gitaren in stoet naar het station trokken. Niemand wist dat de nazi’s intussen een machinerie in gang gezet hadden om de joden te vernietigen. De bezetters waren heel slim en deden er alles aan om opstanden te vermijden. Ze richtten een ‘Joodsche Raad’ op en er werden fantasieverhalen de wereld ingestuurd over die werkkampen voor joden.”

 

Uw vader trok nietsvermoedend naar zo’n kamp.

“Wij kregen geen kranten meer, maar wel elke week ‘Het Joodsche Weekblad’, het officiële blad van de Joodsche Raad waarin alle Duitse verordeningen voor de joden werden gepubliceerd. Daar stond in dat vrouw en kinderen vrij zouden zijn als de man ging werken in een kamp in Drenthe. De avond van zijn aankomst werd vader naar doorgangskamp Westerbork gestuurd. Alle vrouwen en kinderen werden opgehaald en op transport gezet. Wij konden de dans toen gelukkig ontspringen. We doken toen ook meteen onder, mijn moeder, mijn zusje en ikzelf. Al wie onderdook, kreeg een nieuw persoonsbewijs dat gestolen was, gevonden of geschonken. Foto’s werden veranderd en er werd een stempel op je eigen foto gezet. In het begin kreeg ik de identiteit van Wilhelmina Buter, een Amerikaanse studente die na de inval van de Duitsers met de laatste boot naar Amerika was vertrokken.”

 

Hoe reageerden uw niet-joodse buren?

“Veel niet-joodse Nederlanders sloten zich aan bij het verzet, maar niet genoeg. In vergelijking met Denemarken en België, zijn er in Nederland té weinig joden gered. Ik bood mezelf bij het verzet aan, om zo anderen te helpen. Ze vroegen me of ik proefkonijn wou zijn voor een nieuw persoonsbewijs. Toen werd ik de niet-joodse Marga van der Kuit.”

 

U was 20 toen u bij het verzet aansloot. Dat is toch heel jong?

“Ik was nog een kind en ontzettend naïef. Ik besefte niet altijd even goed hoe gevaarlijk het was. Zo liep ik gewoon op straat op het moment dat de Duitsers joodse meisjes van mijn leeftijd aan het oppakken waren. Ik heb vaak ontzettend veel geluk gehad. Ook veel oudere verzetslui waren naïef en schatten het gevaar verkeerd in. Nu kennen we de geschiedenis en weten we wat de risico’s waren. Maar op dat moment hadden we daar geen zicht op.”

 

Wat hield uw verzetswerk in?

“In het begin stopte ik verzetsblaadjes in enveloppen. Niet veel later vroegen ze me om koffers vol met pakken met verzetsbladen met de trein naar andere grote steden te brengen. Het ene ondergrondse blad was De Vonk en het andere Trouw.”

 

Als de Duitsers je daarmee oppakten, hing je leven aan een zijden draadje?

“Zeker, maar ik had dat niet door. Ik geloofde in die tijd nog dat alles me kon lukken. De allereerste keer dat ik met een koffer vol verzetsbladen op stap ging, werd ik al aangehouden. Er was controle aan de uitgang van het station van Leiden. Een SS’er vroeg: ‘Wat zit er in die koffer?’ Ik zei: ‘Ondergoed.’ Toen riep hij: ‘Openmaken!’ Ik schrok me dood. In de koffer zaten vijf pakken vol verzetsbladen. Hij keek ernaar en zei: ‘Oké, dichtmaken en doorgaan.’”

 

In juni 1944 werd u gearresteerd.

“Voor ons verzetswerk hadden we onder andere vingerafdrukdoosjes, stempelinktkussentjes en gereedschap om foto’s op de persoonsbewijzen vast te maken. Gevaarlijk materiaal dat ik in een koffer onder mijn bed bewaarde. Verzetsmakker Frans Gerritsen was handig en had me boekenplanken met geheime laatjes voor mijn vervalsingsmateriaal beloofd. Ik ging die ophalen in het huis van Bob Jesse, een andere verzetsmakker. Maar die dag werd Bob gearresteerd door twee agenten van de Grüne Polizei. Ze pakten mij meteen ook op. Ik deed alsof ik enkel op bezoek was. Dat hadden we op voorhand zo afgesproken.”

 

Geloofden ze u?

“Die twee agenten wel. Het waren hele dikke Duitsers. Op weg naar de gevangenis zat ik tussen hen in en ik kon bijna niet bewegen. (lacht) Eerst was ik bang, maar omdat ik zag dat ze me geloofden, verdween de angst. Tot ik ’s anderendaags voor Willy Lages, het hoofd van de Sicherheitsdienst in Nederland moest verschijnen. ‘Was ist das?’, blafte hij. De Duitser die me begeleidde, antwoordde: ‘O, das Mädchen hat nicht damit zu tun.’ Ik voelde meteen een enorme opluchting. Maar Lages zei: ‘Glaub ich nicht.’ De moed zonk me in de schoenen. Ik moest gaan zitten en toch bleef ik glimlachen. Mijn tas werd meegenomen. Ik lachte schaapachtig naar de jongens in militair uniform. Vanbinnen stierf ik. Toen brachten ze mijn tas terug: mijn papieren met mijn niet-joodse identiteit van Marga van der Kuit bleken in orde. Godzijdank. Want het waren echte gemeentedocumenten die we gekregen hadden van ambtenaren die clandestien met ons samenwerkten. De Duitsers stuurden me naar Vught. Mijn kleren werden afgenomen, ik werd in bad gestopt, kreeg een blauwe overal en een blauw hoofddoekje met witte stippen.”

 

U werd beschouwd als politiek gevangene?

“Ja. Ze hebben gelukkig nooit ontdekt dat ik joods ben. Vanuit Vught werden we op transport gezet naar het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück. In vergelijking met Ravensbrück was Vught een sanatorium, terwijl daar ook mensen gemarteld en doodgeschoten werden. Maar in Vught kon je tenminste af en toe douchen en kreeg je eten. Ravensbrück was de hel. We werden ingeschakeld in de oorlogsindustrie, werkten ons te pletter en werden mishandeld. Negen maanden lang probeerde ik te overleven. Ik dacht aldoor: ‘Ik gun die Duitsers het plezier niet om mij kapot te maken.’

“Op 23 april 1945 moesten alle Nederlandse en Belgische vrouwen na het dagelijkse appel naar de hoofdstraat wandelen. We dachten dat ons laatste uur geslagen was. Tot er in de verte een sportauto kwam aanrijden. Een jongeman opende het portier en zei dat hij ons kwam bevrijden. ‘Ik kom uit Zweden’, zei hij. Dat was een surrealistisch tafereel. Hij gaf me een sigaret en een dag later werden we in veiligheid gebracht.”

 

Wanneer wist u wat er met uw familie was gebeurd?

“Van mijn moeder en zusje wist ik het vrij vlug. Ik vond hun namen op de lijsten van vermoorde mensen aan de muur van het gemeentehuis. Mijn broers waren in veiligheid in Engeland en van vader had ik geen nieuws. Ik verhuisde ook naar Engeland en hoopte dat papa door de Russen bevrijd was. Maar een half jaar later kreeg ik bericht van het Rode Kruis dat hij op 7 december 1942 al vermoord was in Auschwitz.”

 

Volgens sommigen leven we terug in de jaren dertig. Vindt u dat ook?

“Dat is iets te sterk. Natuurlijk zijn er opnieuw autoritaire leiders en is het vooral in het Midden-Oosten heel gevaarlijk. Toch hoop ik dat de mensheid haar lesje geleerd heeft. Het enige wat ons kan redden, is tolerantie. Niet voor de volle honderd procent, want heel sterke intolerantie mag je nooit tolereren. Maar we moeten wel zo verdraagzaam mogelijk zijn. Zelfs als je het met iemand oneens bent, moet je toch proberen even in zijn schoenen te gaan staan. En als je er dan toch niet uit raakt, laat je elkaar best met rust. Leven en laten leven, daar geloof ik in.”

 

Selma van de Perre, Mijn naam is Selma, Uitgeverij Thomas Rap, 256 blz., 19,99 euro

(c) Jan Stevens

‘Schrijven is voor mij hetzelfde als geluk’

Met Nachttrein naar Lissabon scoorde romancier Pascal Mercier begin deze eeuw een internationale megaseller. Na meer dan tien jaar doorbreekt hij zijn oorverdovende stilte met een nieuwe roman: Het gewicht van de woorden. “Ik ben een ouderwetse man die altijd ouderwetse boeken geschreven heeft.”

_DSC0004

In 1995 debuteerde de Duits-Zwitserse filosoof Peter Bieri op zijn 45e als romanschrijver onder de schuilnaam Pascal Mercier. “Ik werkte aan de universiteit van Berlijn als professor analytische filosofie”, zegt hij. “Dat is de hardste en strengste tak uit de filosofie. Ik publiceerde mijn debuutroman Perlmanns zwijgen als Pascal Mercier om mezelf te beschermen. Want ik was bang voor het schandaal wanneer mijn collega’s zouden ontdekken dat ik het had aangedurfd mijn verbeelding te gebruiken. Het boek werd een succes en mijn ware identiteit raakte bekend, met als gevolg dat sommige collega’s aan de universiteit jaloers werden op het geld en de roem. De Duitse academische wereld wordt bevolkt door haaien, alleen konden ze mij niet verslinden.”

We zitten in Pascal Merciers schrijfkamer in zijn huis in een groene buitenwijk van Berlijn. De muren zijn bekleed met boeken. “Voor het schrijven van Het gewicht van de woorden zat ik de drie jaar lang op deze stoel”, zegt hij. “De eerste honderd bladzijden schreef ik met de hand, om alle finesses te doorgronden. Daarna schakelde ik over op tekstverwerker. Tijdens het schrijven vloog de tijd van de buitenwereld voorbij. Uren, dagen, maanden. Maar dat telde niet. Het enige wat ertoe deed, waren de uren die ik doorbracht in het rijk van de verbeelding. Het mooiste aan schrijven, is dat je je eigen poëtische tijd creëert, die exclusief van jou is.”

Het gewicht van de woorden vertelt het verhaal van de zestiger Simon Leyland. Hij krijgt te horen dat hij nog maar een paar maanden te leven heeft, verkoopt zijn bloeiende uitgeverij in het Italiaanse Triëste en verhuist naar Londen, de stad waar hij volwassen werd en zijn vrouw Livia leerde kennen. Zij stierf tien jaar eerder. Leyland probeert zich met zijn levenseinde te verzoenen en herleest de brieven die hij in de loop der jaren aan zijn overleden vrouw schreef. Wanneer blijkt dat zijn medische dossier verwisseld is met dat van een andere man, krijgt hij terug een toekomst en moet hij zijn leven heruitvinden.

 

Waarom duurde het zo lang om Het gewicht van de woorden te schrijven? Uw laatste roman dateert van 2007.

Pascal Mercier: “Tussen die twee romans in schreef ik nog een filosofisch boek over menselijke waardigheid. Daar kroop al snel vier jaar van mijn leven in. Het gewicht van woorden spookte ongeveer tien jaar lang in mijn hoofd. Het was heel moeilijk om de juiste architectuur te vinden. Deze roman vertelt het levensverhaal van iemand die op zoek is naar zijn eigen stem. Niet alleen naar zijn letterlijke stem met zijn eigen woorden, maar ook naar zijn emoties en zijn fantasieën. Ik wou zowel de buitenkant als het innerlijk van Simon Leyland vatten. Technisch is het echt niet eenvoudig om die twee perspectieven te combineren. Want ik schreef niet vanuit de ‘ik-persoon’, maar vanuit ‘hij’. Tot ik op het idee kwam om hem brieven te laten schrijven naar zijn dode vrouw. Heel het schrijfproces was een lange ontdekkingsreis naar wie die Simon Leyland écht is. Bij de start had ik totaal geen idee. Al schrijvende leerde ik hem steeds beter kennen.”

 

_DSC0052Leyland is niet alleen uitgever, maar ook vertaler en later schrijver. Op het einde van de roman vraagt zijn dochter: “Hoe dicht sta je bij je personages? Zijn ze familie geworden?” Wat zou u daarop antwoorden?

“Ze staan heel dicht bij mij. Als schrijver kun je een personage pas goed ontwikkelen wanneer je je ermee kunt identificeren. Je moet hun innerlijke wereld kennen. Dat geldt zeker voor het hoofdpersonage Simon Leyland. Wat niet wil zeggen dat hij een kopie is van mezelf. Maar ik begrijp zijn emoties zeer goed. Ik voel me ook verwant met zijn gestorven vrouw Livia en hun twee kinderen, en met zijn Londense buurman en vriend Kenneth Burke. Dan is er nog die ene prachtige figuur waar ik ontzettend van hou, de Russische gevangene Andrej Koezmin. Eigenlijk heb ik aan geen enkel door mij verzonnen personage in deze roman een hartsgrondige hekel. (lacht)”

 

Ik heb het gevoel dat u graag namen verzint, zoals Simon Leyland en Andrej Koezmin, maar ook Raimund Gregorius uit Nachttrein naar Lissabon en uw eigen pseudoniem, Pascal Mercier.

“Dat voelt u goed aan. Namen verzinnen is een fascinerende en zeer ingewikkelde activiteit. Het kostte me meer dan een half jaar om Leyland te vinden. Ik trof die naam uiteindelijk aan in een dik boek met enkel Britse familienamen. Ik doorploegde die lijst met in het achterhoofd de vraag welke naam paste bij het innerlijk beeld dat ik van dat personage had. Ik kan geen boek schrijven zonder dat ik ervan overtuigd ben dat ik de correcte namen voor de karakters gevonden heb. Ik ben bezig aan een nieuwe roman en zit in de ondraaglijke fase van het vinden van namen. Schrijven is voor mij hetzelfde als geluk. Als de juiste zinnen, namen en metaforen komen, ben ik perfect gelukkig. Maar als ik een valse start neem of het verhaal de verkeerde kant uitstuur, verpest dat soms maanden van mijn leven.”

 

Probeert u al schrijvende te ontsnappen aan de gruwel van de echte wereld?

“Misschien wel. De wereld die ik gecreëerd heb, is zeker minder lelijk en minder wreed. Mijn schepsels hebben meer begrip voor elkaar dan de mensen van vlees en bloed die je hier in Berlijn op straat tegenkomt. Maar toch is dat maar de halve waarheid. Want ik ontvlucht niet alleen de echte wereld, ik creëer ook een nieuwe.”

 

Die lijkt in deze roman uit het verleden te stammen, want hij wordt vooral bevolkt door uitgevers, schrijvers, dichters en vertalers. Terwijl de wereld van nu toch vooral beheerst wordt door beelden.

“U hebt gelijk, hoor. Mijn boek gaat over oude tijden en is ‘old fashioned’. Ik ben een ouderwetse man die altijd ouderwetse boeken geschreven heeft. (lacht) ‘Ouderwets’ heeft niets met het conservatisme uit de politiek te maken. Het wil gewoon zeggen dat ik vasthou aan een bepaalde manier van leven waar ik geen afstand van wil nemen. Ik weersta aan alle veranderingen die me door welke media ook worden opgelegd. Daarom schreef ik een roman over een minnaar van woorden, over iemand wiens hele leven bepaald wordt door zijn liefde voor poëzie.”

 

Er wordt heel wat afgepaft in uw roman. Uw personages lurken continu aan sigaretten. Erg politiek correct is dat niet.

“Tijdens het schrijven denk ik nooit in politiek correcte termen. Niet omdat ik per se politiek incorrect wil zijn, maar omdat dat gewoon niet in me opkomt. In Nachttrein naar Lissabon wil Raimund Gregorius om zes uur in de ochtend weten wanneer een bepaalde trein vertrekt. Hij neemt de telefoon en belt naar de spoorwegen, maar het is nog veel te vroeg en hij blijft op zijn honger zitten. Op een lezing vroeg iemand uit het publiek: ‘Meneer Mercier, waarom zocht hij die informatie niet op internet?’ Ik antwoordde: ‘Gregorius weet niet eens dat er internet is.’ (lacht)”

 

In Het gewicht van de woorden speelt de dood een prominente rol. U bent 75. Dat thema begint u te achtervolgen?

“Ja, ik denk heel vaak aan de dood. Zo dwing ik mezelf onderscheid te maken tussen wat nog belangrijk is in mijn leven en wat niet. Net als Simon Leyland die te horen krijgt dat hij een hersentumor heeft. Zijn dagen zijn geteld en in het licht daarvan neemt hij ingrijpende beslissingen. Tot blijkt dat hij het slachtoffer is van een verkeerde diagnose en iemand anders die tumor heeft. De poorten van de toekomst gaan opnieuw open. Intussen communiceert hij bijna constant met zijn dode vrouw Livia. De dood wordt voor hem poëzie. Ik weet het, Het gewicht van de woorden is zwaar en soms donker. Tezelfdertijd is het ook een optimistisch en positief boek. Mensen veranderen en vinden een nieuwe toekomst. Voor Leyland geldt dat wel heel letterlijk, op het moment dat hij te horen krijgt dat zijn tumor in werkelijkheid enkel een zware vorm van migraine is.”

 

In de maand tussen zijn doodvonnis en zijn heropstanding verkoopt hij zijn uitgeverij om de laatste maanden van zijn leven vrij te zijn. Nam hij toen ook ‘de nachttrein naar Lissabon’?

“Hij startte compleet opnieuw, ja. Net als andere personages, zoals zijn dochter Sofia die haar opleiding geneeskunde wel afmaakt, maar na die foute diagnose zweert nooit dokter te worden.”

 

Net als in Nachttrein naar Lissabon horen we nu opnieuw de filosoof Peter Bieri die stelt dat je bereid moet zijn je schepen achter je te verbranden van zodra je je ware roeping in het leven gevonden hebt?

“Ja. In Nachttrein naar Lissabon zei Raimund Gregorius van de ene dag op de andere zijn gemakkelijke bestaan als leraar vaarwel. En hij nam de nachttrein naar Lissabon, op zoek naar de Portugese schrijver die hem tot die ingrijpende beslissing inspireerde. Als professor filosofie aan de universiteit van Berlijn schreef ik nogal wat technische filosofische boeken. Mijn eerste filosofische werk voor een breed publiek verscheen in het begin van deze eeuw en heette Het handwerk van de vrijheid, met als belangrijke ondertitel: Over de ontdekking van de eigen wil. Dat filosofische werk zit door heel Het gewicht van de woorden geweven. Dat kon gewoon niet anders, want het vlechtwerk van vrijheid, tijd, de dood, een open toekomst en zelfbeschikkingsrecht vormt nu eenmaal de kern van mijn denken.”

 

Zoals ook het recht dat elke mens heeft om zijn eigen dood te kiezen of om iemand te assisteren bij zijn zelfgekozen dood?

“U verwijst naar de man die in mijn boek zijn vrouw doodt omdat ze ondraaglijk lijdt? Ik laat Simon Leyland op een bepaald moment zeggen: ‘In een cultuur die echt aandacht heeft voor het menselijke zou men het vanzelfsprekend vinden dat iemand hulp wil krijgen om te sterven.’ In mijn geboorteland Zwitserland helpen verenigingen zoals Dignitas en Exit uitzichtloos lijdende mensen zelfmoord plegen. Net als de Nederlanders hebben jullie een euthanasiewet. Dat is een fantastische verwezenlijking. Hier in Duitsland is dat onbespreekbaar. Die discussie wordt zwaar bezoedeld door het verleden, door wat er gebeurd is tijdens de Tweede Wereldoorlog. Elke keer wanneer het woord euthanasie valt, associëren sommige Duitsers dat automatisch met ‘concentratiekamp’. Zo wordt elk broodnodig ethisch debat over een zelfgekozen levenseinde telkens weer vakkundig de nek omgedraaid.”

_DSC0017

De autobiografie Dear Tom, letters from home van de Britse acteur Tom Courtenay loopt als een rode draad door uw boek. Waarom?

“Omdat ik erg van die man hou. Ik hield al van hem, lang voor ik hem ontmoette. Ik hield van zijn manier van acteren, van hoe hij zijn rollen ontwikkelde. In 1962 was hij amper 25 toen hij een glansprestatie neerzette in de film The loneliness of the long distance runner. Hij speelde ook mee in de verfilming door de Deense regisseur Bille August van Nachttrein naar Lissabon. In 2012 ontmoette ik hem in een hotel waar alle acteurs aanwezig waren om de film voor het eerst integraal te bekijken. We hebben een uur gepraat. Tom is erg gevoelig en hij raakte me diep. Hij vertelde me over zijn autobiografie uit 2000 waarin hij alle brieven van zijn moeder had opgenomen. Ik zei dat ik zijn boek graag wou lezen. Een week later zat het hier in de bus. ‘Peter, het was fijn om je te leren kennen’, had hij er ingeschreven. Die band die ik met Courtenay heb, vond zijn weg in mijn roman.”

 

Weet hij dat?

“Ik denk het niet. Maar hij moést er gewoon in. (lacht)”

 

Simon Leyland leerde alle talen rond de Middellandse Zee. Net als Peter Bieri alias Pascal Mercier.

“Ja, dat is uit mijn leven gegrepen, zowel die talen, als de Middellandse Zee. Het was de eerste zee die ik als kind van zeven zag. Zwitserse gezinnen gingen in de jaren vijftig altijd op vakantie naar de Middellandse Zee. We reisden met de trein naar de Ligurische kust in Italië. In Zwitserland was alles grijs en conventioneel. In de Alpen doken we de tunnel in, en van zodra we eruit kwamen, was er fel licht en lawaai. De ijsjes proefden anders. Wat nog opviel: elke Italiaan gooide zijn sigarettenpeuk op de grond. Voor een tot in de puntjes gestructureerde Zwitser was dat een ramp. Italië was pure chaos en ik was daar dol op.

“Als scholier al studeerde ik veel talen, zoals Latijn, Grieks, Sanskriet en Oud-Hebreeuws. Ik had er liever nog veel meer geleerd. Zo is het me tot nu niet gelukt om Arabisch te spreken. Ik kan het wel lezen, maar ik heb vreselijk veel moeite met de keelklanken. Ik hou van grammaticaboeken en vocabulaires en lees er regelmatig in. Die wand daar staat vol met dat soort boeken. Ik ben gepassioneerd door woorden en wil er steeds meer kennen.”

 

Volgt u Twitter?

“Nee, ik weet amper wat dat is.”

 

Moderne mensen sturen er continu kleine berichten cyberspace in. Soms zijn die boodschappen niet meer dan giftige scheldpartijen.

“Ach, in deze digitale tijden zijn mensen vergeten wat woorden zijn en wat taal is. Poëzie is een zeldzaamheid geworden. Dat maakt me enorm triest. Mijn roman komt daartegen in opstand en wil woorden en poëzie revalideren.”

 

U bent somber over de huidige digitale tijd, maar uw boeken worden wel bestsellers. Van Nachttrein naar Lissabon gingen wereldwijd miljoenen exemplaren over de toonbank. Hebt u daar een verklaring voor?

“Ik vraag mijn lezers soms waarom ze zo verzot zijn op mijn boeken. Altijd komen er twee dingen bovendrijven: de existentiële diepte en de poëtische taal. Ik probeer existentiële poëtische boeken te schrijven die vol spanning zitten. Maar dan niet op de wijze van Alfred Hitchcock. Want er wordt niemand vermoord.”

 

En er zit ook niet veel seks in.

“Geen. (lacht) Lezers willen weten hoe het Simon Leyland, die minnaar van woorden, zal vergaan. Ze willen niet dat hij sterft of zelfmoord pleegt. Daar zit de spanning in, en niet in geweld.”

 

De stad Londen speelt ook een hoofdrol. U woonde daar een tijdje?

“Als student werd ik verliefd op een meisje uit Bern. Zij wist dat niet. Ze ging als au pair in Londen werken. Ik volgde haar op een soort van kamikazemissie. In Londen maakte ik lastige momenten mee, maar ik beschouw mijn verblijf daar nog steeds als mijn toegang tot het echte leven. De wereld ging er voor mij open. In de monumentale bioscopen mocht je gewoon zitten roken. Zalig. Na een jaar keerde ik terug naar huis. Mijn vader wachtte me op het treinstation van Bern op. Toen ik hem zag, besefte ik meteen dat ik onmogelijk nog kon terugkeren. Dus moest ik hem en moeder ervan overtuigen me te laten gaan. Ik trok naar de universiteit van Heidelberg. Dat was toen de allerbeste filosofische universiteit van de hele wereld. Daar werd ik professor filosofie. Maar alles begon met die onmogelijke liefde in Londen.”

 

Pascal Mercier, Het gewicht van woorden, Werelbibliotheek, 448 blz., 24,99 euro

 

 

Bio

_DSC0053Pascal Mercier alias Peter Bieri

        • Geboren in 1944 in Bern
        • Studeerde filosofie aan de universiteit van Heidelberg
        • Professor emeritus analytische filosofie aan de Freie Universität Berlin
        • Scoorde in 2004 een internationale megaseller met Nachttrein naar Lissabon

 

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

‘Het rookhok is ons anti-stresskot’

In Nederland zijn sinds eind vorig jaar alle rookruimtes in de horeca op rechterlijk bevel dicht. Ziekenhuizen en bedrijven volgen en sluiten hun rookhok. Kom op tegen Kanker wil ook bij ons een verbod en trok naar de rechter. Giert er naast nicotine nu ook paniek door de aders van de rookhokrokers? “Het lijkt soms op een heksenjacht.”

 

Eind september vorig jaar verklaarde de Hoge Raad, het hooggerechtshof van Nederland, het gerechtelijk vonnis definitief van kracht dat de onmiddellijke sluiting van alle rookruimtes in de horeca oplegde. Het arrest van de Raad vormde het juridische sluitstuk van jarenlang procederen door de antirooklobby Clean Air Nederland (CAN). De Nederlandse staatssecretaris van Volksgezondheid Paul Blokhuis reageerde verheugd op het verbod. Hij is een fervent tegenstander van roken: als het van hem afhangt, kost een pakje sigaretten morgen minstens 20 euro en worden alle terrassen meteen rookvrij. De 7000 horecazaken met rookruimte kregen van Blokhuis nog een maand om hun rokende klandizie richting stoep te begeleiden. Het vonnis werd door horeca-uitbaters op boe-geroep onthaald, maar inspireerde ook heel wat bedrijven om vanaf januari 2020 hun rookruimtes te sluiten. Zo moeten vanaf nieuwjaarsdag de medewerkers van het ABN Amro-hoofdkantoor in Amsterdam een blokje om als ze een sigaret willen opsteken. Zelfs roken op het binnenplein is er voortaan verboden. Achmea, een van de grootse Nederlandse verzekeraars, verwijderde vlak voor nieuwjaar resoluut alle rookruimtes uit alle kantoren. Verwacht wordt dat binnen afzienbare tijd de rest van de Nederlandse ondernemingen al dan niet gedwongen zal volgen. Want na de horecarookhokken richt CAN haar pijlen op de rookruimtes op het werk. Het ultieme doel is de roker compleet uit beeld te laten verdwijnen. Zien roken, doet immers roken. Het enige wat daartegen helpt, is volgens CAN de sigaret overal verbannen.

Het succes van CAN inspireerde Kom op tegen Kanker. Meteen na het arrest van de Hoge Raad kondigde de organisatie aan dat ze ook bij ons via de rechter een verbod op aparte rookruimtes in cafés en restaurants wil afdwingen. Later volgen wellicht de rookhokken in onze bedrijven. Bij DPG Media, het moederhuis van deze krant, is dat nu al het geval: in het gloednieuwe kantoorgebouw in Antwerpen zijn rookruimtes taboe.

 

De laatste roker

In De Koekenfabriek in Merksem zijn ze hun tijd nóg verder vooruit. Ooit werden er Antwerpse koekjes gebakken, nu is het een hip complex waar freelancers, zelfstandig ondernemers en satellietwerkers co-worken. “We hebben geen rookruimte nodig omdat er geen rokers meer zijn”, zegt coördinator Katrien bijna verontschuldigend. “De laatste roker veranderde onlangs van werk. Hier staat dus zelfs nooit nog iemand op straat een sigaret te roken.”

In Het huis van Parein, een ander tot kantorencentrum omgebouwd voormalig Antwerps koekjesimperium, werken wel nog rokers maar is geen rookhok. “Enkel een asbak aan de voordeur”, zegt de vriendelijke coördinator Sergio. “U mag er gerust een tijd naast komen staan om met rokende collega’s te praten.” De asbak van Parein zit vol en stinkt als de pest, maar op een kille donkere dag in januari lijkt zelfs de meest verstokte roker er zijn verslaving de baas.

Het Justitiepaleis aan de overkant van de straat heeft een rustgevende binnentuin die dienst doet als rookruimte voor het personeel. Rechters, advocaten, procureurs, zaalwachters en griffiers verbroederen en verzusteren er tijdens hun pauzes terwijl ze hun longen vol rook en nicotine zuigen. Dé plek om te peilen naar de moraal van de geviseerde rookruimteroker. Maar de behulpzame receptionist heeft slecht nieuws: “Onze voorzitter zegt neen.” We bedanken vriendelijk en wandelen richting Museum voor Schone Kunsten. Want in de grote Delhaize-supermarkt vlakbij mag het personeel naar hartenlust dampen in de halfopen rookruimte vlak aan de straat.

 

Anti-stresskot

“Het zou een ramp zijn moest dit fijn rokershok verdwijnen”, zegt Delhaize-medewerkster Candy (37). “We zijn met flink wat rokers en hebben de gewoonte aangekweekt om elk kwartier pauze twee sigaretten te roken. Vervolgens moeten we er weer twee uur tegen kunnen. Toen deze plek er nog niet was, stonden we in de zomer op straat te roken. Sommige buurtbewoners vonden dat niet zo leuk. Heel begrijpelijk. Dit rookhok is ideaal. Aan de ene kant van het hek is de overdekte fietsenstalling voor de klanten; aan de andere kant kunnen wij overdekt een sigaretje roken. Die bank staat hier nog niet zolang. De rookpauze is het enige moment dat wij even kunnen zitten. Zalig. Niet-rokende collega’s komen hier soms ook kletsen, zeker in de zomer.”

Is het niet te koud in de winter? “Toch wel. Ziet u de buitenunits van de airco? In de zomer blazen die warme en in de winter koude lucht. In de zomer wordt het in dit hok soms té warm en staan we op de rooster op het trottoir te roken. Daarom ligt die vol peuken. Niet al mijn collega’s zijn even proper. Er hangt een asbak, maar voor sommigen kost het blijkbaar te veel moeite om hun sigaretten daarin te doven.”

Krijgt Candy soms opmerkingen van voorbijgangers? “Nee, maar af en toe beginnen klanten die hun fiets aan het stallen zijn demonstratief te kuchen.”

Denkt ze aan stoppen met roken? “Vaak. Delhaize biedt ook ondersteuning aan om te stoppen. Ik heb tot hiertoe één poging ondernomen met Champix, maar dat ging fout. Ik was continu misselijk: van ’s morgens tot ’s avonds voelde ik me net zwanger. Nu durf ik stoppen bijna niet meer aan. Ik ben ook bang dat ik te veel kilo’s zal bijkomen. Of ik spijt heb dat ik ooit ben beginnen roken? Nee, want ik geniet nog steeds van elke sigaret. Alleen kost het een klein fortuin. Als ik met niet-rokende vrienden een stapje in de wereld zet, schaam ik me soms voor mijn gewoonte. Want dan sta ik daar alleen met mijn sigaret te stinken.”

Candy’s kwartier is om. “Ik moet dringend prikken.” Tien minuten later stapt Sophie (54) de rookruimte binnen, sigaret in de aanslag. “Dit is een ideale plek voor sociaal contact”, zegt ze. “In de rustzaal binnen is dat anders: daar zit iedereen te tokkelen op zijn telefoon. De rokers zijn minder aan hun smartphone verslaafd en praten met elkaar. Soms komen ook mensen uit de buurt een sigaretje meeroken. Vaak is dit ons anti-stresskot. Met sommige collega’s rook ik liever dan met andere. We proberen onze pauzes aan elkaar te koppelen; het is toch logisch dat het met de ene mens beter klikt dan met de andere?”

Hoe lang rookt Sophie? “Van mijn achttiende. Ik stopte voor mijn eerste zwangerschap en negen jaar lang was ik niet-roker. Door mijn echtscheiding ben ik terug begonnen, een pakje per dag. Of ik nu nog wil stoppen? Mijn vriend rookt ook, dat maakt het extra moeilijk. In de zomer roken we op ons terras; in de winter klikken we het dakvenster een beetje open. Ik heb spijt dat ik ooit ben beginnen roken, maar voorlopig ben ik niet van plan ermee te kappen.”

Roken haar kinderen? “Mijn dochter is radicaal tegen. Als ik met haar op stap ben, rook ik zeer weinig. Mijn zoon rookt af en toe tijdens het uitgaan. Het probleem is dat ik elke sigaret nog altijd even lekker vind. Ik heb een paar maanden de e-sigaret geprobeerd, maar dat is niet hetzelfde.”

Dreigt er een rokersopstand als ook in België alle rookruimtes dicht moeten? Sophie: “Nee, rokers zullen dat braaf ondergaan, net als die nieuwe vreselijke zwarte sigarettenverpakkingen.” Ze vist een pakje uit haar schort. “Gruwelijk. Vroeger was mijn pakje tenminste nog groen omdat ik mentholsigaretten rook.” Vanaf 20 mei 2020 zijn die toch in heel Europa verboden omdat ze roken te aantrekkelijk maken? “Ik weet het”, zucht ze. “Dat wordt voor mij een enorm probleem.”

 

Smokers inside the hospital doors

Zestiger Luc werkt als vrijwilliger aan het onthaal van ziekenhuis AZ Nikolaas in Sint-Niklaas. Hij heeft pauze en geniet van een sigaret in de rokersruimte buiten, vlakbij de ingang. “Je vindt me hier altijd tijdens mijn pauzes”, zegt hij. “Ik heb er nog nooit een opmerking over gekregen. Ik zou het vreselijk vinden als dit rokerskot wordt afgeschaft. Zowel personeel, als bezoekers en patiënten moeten toch de kans krijgen om een sigaretje te roken? U zegt dat roken niet gezond is?” Hij wrijft zich over de borst. “Dit is gerookt vlees en dat blijft lang goed.” Staan hier ook soms dokters te paffen? “Nooit. Het is een groot mysterie waar zij hun sigaretten opsteken.”

Luc wil niet op de foto, net als de verpleegster die op een bankje plaatsneemt en haar sigaret aansteekt. “Sorry, maar ik wil niet in de problemen komen. Ik ben nu aan het werk. Geen commentaar.”

Luc neemt ons mee naar binnen. “Dit ziekenhuis heeft ook een knus verwarmd intern rokershok”, zegt hij. “Het zit daar altijd stampvol.” De rokerskamer van AZ Nikolaas ziet blauw van de rook. De muren zijn gelig; het is niet duidelijk of het verf of teer is. Op de stoelen zitten vijf patiënten en één personeelslid te roken en te hoesten. De patiënten zijn te herkennen aan hun kamerjassen, verbanden en/of infuusstandaarden, het personeelslid aan haar zwart t-shirt met het logo van het ziekenhuis. Ze draagt een haarnetje en werkt in de cafetaria. Ze heeft geen zin in een gesprek. De anderen wel. Een vrouw in peignoir klemt haar ene hand rond haar infuusstandaard; de middelvinger en wijsvinger van haar andere hand liefkozen een sigaret. “Waar moeten wij dan gaan roken als net als in Nederland alle rokerskoten afgeschaft worden?”, vraagt ze vertwijfeld. “Buiten voor de hospitaaldeuren”, antwoordt Nashota West, transvrouw en professioneel singer/songwriter van countrymuziek. “Met als gevolg dat zeker in de winter nóg meer mensen ziek zullen worden.” Nashota (55) zit hand in hand met haar transvrouw Jenny (57). In hun andere handen balanceren sigaretten.

Nashota: “Natuurlijk is roken ongezond, toch vind ik dat er zowel in bedrijven als in ziekenhuizen altijd plekken moeten zijn waar je een sigaret kan opsteken.”

Jenny: “Hoe je het draait of keert, roken is een sociale bezigheid. Natuurlijk betaal je daar ooit een prijs voor.”

Jenny is ziek en toch rookt ze dapper door. “Haar ziekte heeft niets met het roken te maken”, sust Nashota. “Jenny had een abces op een tand en dat liep door naar haar hersenen.”

Jenny: “Mijn linkerkant viel uit. Ik ben hier sinds 2 december. Vrijdag mag ik eindelijk naar huis.”

Nashota: “Door de druk op de hersenen kon ze niet meer lezen en schrijven. Dat komt nu langzaam terug. Jenny heeft ook niet veel longcapaciteit meer, maar dat heeft niets met haar rookgewoonten te maken.”

Eigenlijk zou Jenny niet meer mogen roken? Jenny: “Inderdaad. Ik probeer het tot twee sigaretten per dag te beperken in de plaats van twintig.”

Nashota: “Wil je er nog eentje, schat? Kijk, het enige dat we met zekerheid over roken weten, is dat het genezingsproces erdoor vertraagt. Voor de rest is het voor elk individu verschillend. De ene roker krijgt op zijn 35e kanker, de andere wordt probleemloos 90.”

Hoe lang roken Nashota en Jenny? Nashota: “Jenny begon op haar zestiende; ik op mijn 33e. Mijn relatie ging voor de zoveelste keer om zeep. Uit balorigheid greep ik naar de sigaret, want mijn toenmalige vrouw zei altijd: ‘Begin daar nooit mee.’”

Hoeveel pogingen hebben beide dames ondernomen om te stoppen? Nashota: “Allebei nog maar één. Ik schakelde toen over naar de e-sigaret. Maar elke trek deed verschrikkelijk pijn in luchtwegen en longen. Dat was geen goed idee. Het plan is om binnenkort definitief te stoppen, maar zelfs dan zullen we nog naar het rokerskot komen. Het is hier veel te gezellig.”

 

Derderangsburgers

“Ze hebben vannacht gaatjes in mijn stembanden gemaakt”, zegt Marielle (52) met hese stem terwijl ze uit een pakje Elixyr een sigaret opdelft. “Niemand kent dit merk.” Over haar keel zit een verband. Is het verstandig om nu te roken? Ze reageert als door een wesp gestoken: “Meneer, u moet niet lullen, u zit hier tussen rokers. Ja, het doet een beetje pijn; het zijn open wonden. U vraagt of ik mag roken, terwijl we hier allemaal verslaafd zijn aan nicotine. Een patiënt met een zwaar drankprobleem zal ook zijn uiterste best doen om aan alcohol te geraken. Mijn kinderen zijn twintigers. Ze zijn geboren met een keizersnede. Weet u wat de verpleegster zei? ‘Rokers die in de kliniek terecht komen, zijn veel sneller te been dan niet-rokers.’ Weet u waarom? Omdat ze zo snel mogelijk hun drang naar nicotine willen bevredigen. Een niet-roker laat zich liever bedienen.”

Een rokende vrouw in een rolstoel roept: “We zijn derderangsburgers!” Marielle knikt. “De overheid is helemaal niet bezorgd over onze gezondheid. Moesten ze daarmee inzitten, waren er geen sigaretten meer te koop. Denken ze nu echt dat er door die zwarte verpakkingen minder gerookt zal worden? Ik overweeg in de toekomst mijn rookwaar in het buitenland te kopen. Met het geld dat je hier voor vier sloffen sigaretten neertelt, koop je er in Luxemburg vijf.” Ze haalt haar pakje Elixyr opnieuw tevoorschijn. “Neem er ook een”, zegt ze.

Nadia (63) lurkt liever aan haar e-sigaret. Ze komt vanuit het verre Helchteren in Limburg voor een behandeling naar Sint-Niklaas. Het is haar eerste dag. “Nog negen te gaan. Een tijd geleden lag ik in het ziekenhuis in Genk. Ze hebben nooit gemerkt dat ik in het geniep onder de lakens elektrisch lag te roken. Vier jaar geleden ruilde ik de sigaret voor de vaper in. Mijn favoriete smaak is tabak en er zit 18 mg nicotine in een capsule. Als mijn zoon of dochter aan mijn e-sigaret trekken, krijgen ze een hoestbui.” Waarom schakelde ze over? “Omdat mijn man astma heeft. Ik moest kiezen: buiten roken of de e-sigaret. Ik heb sindsdien geen enkele ouderwetse sigaret meer aangeraakt.”

 

Obsessie

In biljartcafé Enjoy onder de kerktoren van het Oost-Vlaamse dorp Oordegem heeft het rokershok een prominente plaats vooraan. “Met zicht op de Grand Place.” Het is de favoriete plek van stamgasten Rudy (53) en Eric (52). “Een verbod op rokersruimtes is een ramp voor mijn café”, zegt waard Peter Rosschaert. “Ik heb veel geïnvesteerd in dat hok. Het afzuigsysteem alleen al kost 4000 euro. De mensen uit de buurt zullen het me niet in dank afnemen als mijn cliënteel buiten staat te roken.”

Rudy verlangt naar de goede oude tijd van voor het rookverbod op café. “Weet u dat ik sinds dan meer ben beginnen roken? Vroeger dacht ik niet zo vaak aan die sigaret, maar dat rookkot werkt als een magneet. Om de zoveel tijd moét ik er daar eentje gaan opsteken. Als ik Eric naar het rookkot zie stappen, volg ik automatisch.”

Het rookkot is een obsessie geworden? Rudy: “Ja. Eens ik daar zit, rook ik de ene na de andere sigaret.”

Wil hij ervan af? “Liever niet. Vorig jaar ben ik ook beginnen vapen. Ik vind die smaakjes wel lekker. Nu is het dubbelop.”

Eric is een fan van de rookruimte. “Ik voel die drang niet om er zoals Rudy continu te gaan zitten paffen. Moest er geen rookverbod in deze ruimte zijn, stond ik hier nu wel met een sigaret tussen de vingers.”

Rudy: “Soms zitten er in de rookruimte ook niet-rokers. Ze trekken zich daar dan terug om in het ‘geheim’ over iets te beraadslagen. Op café hebben de meeste niet-rokers trouwens niets tegen rokers. De grootste ambetanteriken zijn de ex-rokers. Ik vermoed dat ze niet volledig van hun verslaving af zijn en ons daarom graag de les lezen.”

Eric: “Rokers, niet-rokers en ex-rokers moeten respect hebben voor elkaar.”

Rudy: “Precies. Als morgen alle rokers beslissen om te stoppen, zit de overheid met een gigantisch inkomstenprobleem. Al die gederfde taksen zullen moeten gecompenseerd worden. Ook al die niet-rokers die zo graag op de kap van de rokers zitten, zullen die dan mee mogen ophoesten. Dat ze daar maar eens goed over nadenken.”

 

Heksenjacht

Johan (70) is een gepensioneerde politieagent en liefhebber van Cubaanse sigaren. De rookkamer van cocktailbar La Bodeguita del Medio in Kortrijk is zijn favoriete pleisterplaats. “De tolerantie tegenover het roken van sigaren is gelukkig groter dan tegenover sigaretten”, zegt hij. Liefdevol jaagt hij het vuur door een Cohiba van 30 euro. “Ik rook een sigaar of drie per dag. Ik denk niet dat ik verslaafd ben. Ik inhaleer niet en geniet van het aroma vooraan in mijn mond.”

Sommigen omschrijven het aroma van sigaren als pure stank. Johan: “Als sigarenroker vind ik dat sigaretten ook stinken. Toen ik nog werkte, mocht er zowat overal gerookt worden. Ik zat vaak op kantoor en iedereen pafte gewoon aan zijn bureau. Op restaurant vroeg ik altijd eerst of het niet stoorde dat ik een sigaar opstak. Nu moeten alle rokers naar buiten.”

Rokers zijn paria’s geworden? “Misschien wel. Het lijkt soms op een heksenjacht. In deze stad krijg je een gasboete als je een peuk op de grond gooit. Er worden steeds zwaardere maatregelen tegen rokers genomen. Terwijl kleine kinderen die nooit gerookt hebben, ook aan kanker sterven.”

 

© Jan Stevens

‘We hebben de democratie een loer gedraaid’

Van 2014 tot 2018 werkte Brittany Kaiser (1986) bij Cambridge Analytica. Op niet al te koosjere wijze hielp ze zo de Brexit aan een meerderheid en Donald Trump in het zadel. Na haar ontslag werd ze klokkenluider. “Cambridge Analytica hielp Trump aan de macht en draaide zo de democratie een loer.”

 

In 2008 werkte Brittany Kaiser vol enthousiasme mee aan de eerste verkiezingscampagne van Barack Obama. Ze onderbrak er zelfs haar studies internationale betrekkingen aan de Universiteit van Edinburgh voor en verhuisde naar Chicago. Acht jaar later hielp ze als directeur programmaontwikkeling bij databedrijf Cambridge Analytica Obama’s tegenpool Donald Trump aan de macht. “Na Trumps overwinning liep ik op wolkjes: door Amerikaanse burgers individueel op sociale media te benaderen, had Cambridge Analytica op revolutionaire wijze een presidentsverkiezing gewonnen. Tezelfdertijd was ik bedroefd, want diep in mijn hart hoopte ik dat Hillary Clinton zou winnen.” Vandaag is ze nog steeds lid van de Democratische Partij. “Dat klinkt ongelooflijk, maar er is een verzachtende omstandigheid. Ooit waren mijn ouders welgesteld; na de kredietcrisis van 2008 raakten ze alles kwijt. Mijn moeder werkte voor het failliete Enron en mijn vader zat in het vastgoed. Eind 2013 was ik dringend op zoek naar een goedbetaalde job om mijn familie te kunnen onderhouden.”

In haar zowel fascinerende als angstaanjagende boek De datadictatuur brengt Kaiser verslag uit van hoe Cambridge Analytica de Amerikaanse presidentsverkiezingen manipuleerde.

Brittany Kaiser: “Ik leerde Cambridge Analytica kennen toen ik aan het doctoreren was aan de universiteit van Londen. Drie jaar lang werkte ik rond ‘preventieve’ diplomatie en mensenrechten. De Verenigde Naties en verschillende grote ngo’s zochten een manier om aan de hand van big data gruweldaden zoals de genocide in Rwanda te voorkomen. Bij preventieve datamonitoring wordt zowat alles bijgehouden en in kaart gebracht, van de prijs van een brood tot racistische praat op sociale media. Al die informatie maakt het mogelijk om gevaarlijke tendensen in de samenleving sneller op te sporen. De hamvraag van mijn doctoraatsonderzoek was: kunnen big data mensenrechtenschendingen, hongersnood en misschien zelfs oorlog helpen voorkomen? Aan de universiteit was niemand op de hoogte van preventieve big data analytics. Alexander Nix, de ceo van het Britse verkiezingsbedrijf Cambridge Analytica, wel. Zo kwam ik met hem in contact. Toen hij me vroeg om bij hem te komen werken, ging ik daar graag op in.”

 

Omdat het tussen u en hem klikte?

“Alexander leek een heel charmante man. In het begin had ik echt het gevoel dat hij het goed meende. Ik heb trouwens ook veel van hem geleerd. Hij stamt uit een aristocratische familie, uit de upper-upper class. Van bij zijn geboorte kijkt Nix op een andere manier naar de wereld dan een doorsnee mens. Ik ontmoette hem de allereerste keer begin 2014, tijdens een lunch in de chique Londense wijk Mayfair. Een vriend stelde me aan hem voor. Zowel Alexander als ikzelf hadden er een afspraak met twee buitenlanders die hulp zochten voor digitale verkiezingscommunicatie. Ik hoopte zo aan een adviseursjob te geraken, tot ik doorhad dat Alexander Nix een krak was in verkiezingspropaganda. Ik maakte geen schijn van kans. (lacht)”

 

Toen u voor Nix begon te werken, bestond Cambridge Analytica nog maar een jaar?

“Ja. Cambridge Analytica was onderdeel van de in 1993 opgerichte SCL Group, waarbij SCL staat voor Strategic Communication Laboratories. SCL was gespecialiseerd in gedragsonderzoek en strategische communicatie en paste datamining en -analyse toe om het gedrag van mensen te beïnvloeden en sturen. SCL’s eerste opdracht was de allereerste democratische verkiezing in Zuid-Afrika in 1994. Het bedrijf werkte nauw samen met Nelson Mandela en toen Alexander Nix daarover vertelde, klonk me dat als muziek in de oren. Op het moment dat ik in dienst trad, runde SCL tien verkiezingen per jaar, vaak in Afrika en de Caraïben. Daarnaast werkte het bedrijf voor multinationals en voor organisaties als de NAVO, de CIA en het FBI. Cambridge Analytica werd in 2013 speciaal opgericht voor de Amerikaanse markt. Nix’ plan was om via de tussenverkiezingen Amerika te veroveren. Zijn ultieme doel: het verzorgen van de digitale communicatie voor een presidentscampagne.”

 

Het kwam erop neer dat geprobeerd werd potentiële kiezers via sociale media warm te maken voor de opdrachtgevende politici en partijen?

“Precies. SCL verzamelde eerst data van mensen uit een bepaalde regio en gebruikte vervolgens de principes van de sociale en gedragspsychologie om ze te interpreteren. Een vrij nieuwe manier om aan data te geraken, is een online-bevraging. Vóór de digitalisering moest je van deur tot deur gaan, of eindeloos telefoneren. Nu worden die drie methodes gecombineerd waardoor je als onderzoeker zeer veel te weten komt over een plaatselijke bevolking. Wij gebruikten het OCEAN-scorestelsel uit de psychologie om die bevolking vervolgens onder te verdelen in verschillende ‘types’, waarbij ‘O’ stond voor ‘open’, ‘C’ voor ‘consciëntieus’, ‘E’ voor ‘extravert’, ‘A’ voor ‘aardig’ en ‘N’ voor ‘neurotisch’. Via onze database verzamelden we types, waarna we ze via sociale media gericht ‘bewerkten’ met reclameboodschappen. Cambridge Analytica was het eerste bedrijf dat daar zeer ver in ging én succesvol was. ‘Gedragsmicrotargeting’ is nu een algemeen bekend begrip, maar komt uit de koker van Alexander Nix en werd door Cambridge wettelijk gedeponeerd. Ondanks onze reputatie waren wij pioniers. Vandaag doen talloos veel verkiezingsbedrijven exact hetzelfde.”

 

De data haalde Cambridge Analytica bij Facebook?

“Tussen 2004 en 2015 ‘oogsten’ SCL en Cambridge Analytica overvloedig big data van Facebook-gebruikers én hun vrienden. U herinnert zich misschien nog die persoonlijkheidstestjes die jarenlang furore maakten op Facebook, zoals ‘Welk land ben jij?’ Je moest dan een paar vragen beantwoorden, waarna de app bepaalde: ‘Jij bent Duitsland!’ (lacht) Die spelletjes leken grappig en onschuldig, terwijl ze dodelijk waren voor de privacy. Candy Crush was razend populair. Wie die app op Facebook opstartte en de servicevoorwaarden aanvaardde, verleende meteen ook toestemming aan de appontwikkelaar om al zijn data én die van zijn vrienden gratis te gebruiken. De appdesigner verkocht die schat aan informatie vervolgens door aan bedrijfjes zoals Cambridge. Facebook maakte dat mogelijk met het inmiddels beruchte dataportaal ‘Friends-API’. In vergelijking met Europa hebben de VS een zeer lakse datawetgeving, maar toch was het ook daar niet toegestaan om in naam van andere volwassenen toestemming te geven voor de exploitatie van hun data. De Friends-API leverde Facebook fortuinen op. Meer dan veertigduizend softwareontwikkelaars, waaronder Cambridge Analytica, verzamelden intussen jarenlang ongestoord data van miljoenen nietsvermoedende Facebookgebruikers. Cambridge hield zo nauwgezet bij waar al die mensen zich elke dag online mee bezighielden.”

 

Op het moment dat u bij Cambridge Analytica aan de slag ging, was die illegale roof van Facebook-data volop bezig?

“Ik begon er in december 2014 te werken en bleef er tot januari 2018. Facebook doekte de in opspraak gekomen Friends-API op 30 april 2015 op. Niet veel later kwam ik erachter dat Cambridge op 6 mei 2015 ook nog data gekocht had via die Facebook-API, wat op dat moment zogezegd onmogelijk was. Mijn bazen verzekerden me dat ze die database vernietigd hadden nu ze illegaal geworden was, en dat ik spoken zag. Ik koos ervoor ze te geloven. In het begin liet Alexander me werken aan een aantal sociale campagnes voor liefdadigheidsorganisaties. Ik vond dat zalig.”

 

Maar het was een rookgordijn?

“Toch niet, Cambridge was toen nog klein. Er was in de VS ook nog niet zoveel controverse over privacy en data. Alles veranderde toen we in 2015 voor de campagne van de Republikeinse presidentskandidaat Ted Cruz begonnen te werken. Hij was allesbehalve populair, maar toch presteerde hij tegen ieders verwachtingen in vrij goed. Iedereen was het erover eens dat dat de verdienste van Cambridge Analytica was en zo haalden we voor het eerst de pers. Het tijdschrift Forbes en The Washington Post waren enthousiast over het gebruik van datawetenschap in de politiek. Een journalist vroeg zich zelfs af of we met onze methodes uit het digitale tijdperk ook de gedrukte pers zouden kunnen redden. Als we een waardeloze kandidaat als Cruz via sociale media konden pimpen, moest het ons volgens hem ook lukken om mensen terug kranten of tijdschriften te laten kopen. Op dat moment voelden we ons als Mark Zuckerberg bij de start van Facebook: het leek alsof we belangrijke en ingrijpende nieuwe technologie aan het bouwen waren.”

 

De uiterst rechtse, homofobe Ted Cruz stond haaks op alles waar u als ‘liberal’ in geloofde. Toch werkte u vol enthousiasme voor hem.

“Ik werkte nooit rechtstreeks voor zijn campagne; hij was gewoon één van onze klanten. Ik hield me vooral bezig met de verdere ontwikkeling van het bedrijf. Ik ontmoette potentiële klanten en probeerde ze met een wervende pitch over de streep te trekken. Eens binnengehaald, liet ik ze over aan mijn collega’s die de digitale strategie voor hen uitstippelden.”

 

Toen Cruz op 1 februari 2016 de Republikeinse voorverkiezing in de staat Iowa won, postte u op Twitter: ‘WE HEBBEN IOWA BINNEN!!!!!’

“Ik was die avond dronken. Ik geef toe dat ik ook mijn kritische geest kwijt was en me liet verblinden door de opmerkelijke resultaten die Cambridge Analytica tijdens verkiezingen leek te halen. ’s Anderendaags las ik wat mijn progressieve vrienden vonden van mijn steun aan Ted Cruz. Hun zeer negatieve commentaren kwamen keihard binnen.”

 

De financiers van Cambridge Analytica waren de libertaire miljardair Bob Mercer en zijn dochter Rebekah. De man die in werkelijkheid de touwtjes bij Cambridge Analytica in handen had, was Steve Bannon, de latere extreemrechtse adviseur van Donald Trump. Ook hun denkbeelden stonden haaks op de uwe.

“Dat klopt. De steenrijke Mercers zijn minstens even rechts als Steve Bannon. Ik had vooral contact met Bekah Mercer. In de dagelijkse omgang was ze joviaal en vriendelijk en ik heb haar nooit iets aanstootgevends horen zeggen. Ze wist dat ik een Democraat ben en gedroeg zich diplomatisch tegenover mij. Met haar ngo Reclaim New York is Bekah een groot voorvechter van totale overheidstransparantie. Ze wist dat ik het daarmee eens ben en speelde daar handig op in. We deelden ons kantoor met Reclaim New York en ik dacht: ‘Misschien is ze toch niet zo slecht.’”

 

Maar dat was een vergissing?

“Ja. Ik kende op dat moment haar echte ideologische agenda niet. Ik was slecht geïnformeerd en geloofde dat haar vader Bob een goedaardig briljant datawetenschapper was die fortuin gemaakt had. Ik neem het mezelf nog steeds kwalijk dat ik op voorhand de Mercers niet door Google gehaald had.”

 

Zij wilden de macht in de VS veroveren. Eerst via Ted Cruz en toen die de mist inging via Donald Trump.

“Trump brengt nu trouw al hun plannen ten uitvoer. Daar dragen wij met Cambridge Analytica een verpletterende verantwoordelijkheid voor. Donald Trump geloofde zelf niet eens dat hij kon winnen en wou zelfs geen president worden. Volgens Alexander Nix zag Trump zijn kandidatuur als een manier om reclame te maken voor de nog op te richten zender Trump TV. Niemand van zijn team geloofde trouwens in de zege.”

 

In het najaar van 2015 raakte Cambridge Analytica betrokken bij de Leave.eu-campagne van de brexiteers onder leiding van miljonair en verzekeringsmakelaar Arron Banks.

“Het was Alexanders idee om met Leave.eu te gaan samenwerken. Niet veel later kwam ik erachter dat die opdracht eigenlijk kwam van Steve Bannon. Hij had nauwe banden met opperbrexiteer Nigel Farage. Op een vrijdag in oktober kwamen de kopstukken van Leave.eu naar ons Londense kantoor. Ze waren enthousiast over onze presentatie en Arron Banks bestelde meteen voorbereidend werk ter waarde van 41.500 pond. Onze opdracht was om de data over alle leden van Farage’s partij UKIP te analyseren, zodat we meer inzicht kregen in de redenen waarom mensen afscheid wilden nemen van de EU. Dat had interessante achtergrondinformatie kunnen opleveren voor ons verdere werk, alleen kwam dat er nooit. Want Banks vertikte het om zijn eerste factuur te betalen. De man die met ons basismateriaal aan de slag ging en via microtargeting ervoor zorgde dat de brexiteers het referendum wonnen, was de Amerikaanse politieke adviseur Gerry Gunster. Hij is de echte architect van de brexit en gebruikte daarbij ‘onze’ technieken van microtargeting.”

 

Cambridge Analytica hielp wel tot het einde mee aan de campagne van Trump?

“Tot het bittere einde, ja. Tijdens de campagne had ik niet eens in de gaten dat er illegale dingen gebeurden; daar werd ik me pas een maand na de verkiezing van Trump bewust van. Onze telefoons stonden roodgloeiend: alle grote ondernemingen en politici van over de hele wereld wilden met ons in zee. Wij wilden van het Trump-team horen wat ze online ondernomen hadden met het materiaal dat wij hen hadden geleverd. Eerst hielden ze de boot af, maar wij drongen aan want we hadden die informatie nodig om andere politici aan een verkiezingsoverwinning te helpen. In december 2016 werden we uitgenodigd voor een ‘post-mortem-bespreking’, een analyse van de campagne van het Trump-team. Twee dagen lang gaven ze ons inzage in alles. Toen bleek dat ze overtuigde Hillary-stemmers hadden overhaald niet te gaan stemmen.”

 

Dat mocht niet?

“Nee, dat is volstrekt illegaal. Ik schrok toen ik dat hoorde, en ik was niet de enige. De Trumpers hadden uitspraken van Hillary en van Michèle Obama uit hun context gerukt en angstaanjagende filmpjes vol nepnieuws gecreëerd. Die zagen er uit als nieuwsitems van Politico of andere betrouwbare media. Aan de hand van de door ons geleverde en geanalyseerde data wisten ze perfect wie ze met welk nepbericht op de sociale media moesten voederen. Ze wonnen de verkiezingen met een karrevracht aan leugens.”

 

Wanneer besloot u klokkenluider te worden?

“Nadat ik ontslag genomen had en de eerste artikels verschenen waarin stond dat Cambridge Analytica nooit de Facebook-database vernietigd had. Toen zond de Britse televisiezender Channel 4 een reportage uit over een vier maanden durende undercoveroperatie bij Cambridge Analytica. De journalisten deden zich voor als vertegenwoordigers van Sri-Lankaanse miljardairs die een smerige verkiezingscampagne wilden financieren. Alexander Nix lunchte en dronk cocktails met hen, terwijl hij opschepte over wat hij allemaal in het geheim voor hen kon regelen. Hij zei dat hij goede relaties had bij internationale spionagediensten en makkelijk ‘dirt’ over politieke tegenstanders kon bovenspitten. Ik was in shock, zocht contact met de journalist Paul Lewis van The Guardian en gaf hem inzage in al mijn e-mails. Pas toen zag ikzelf al die linken tussen Mercer, Bannon, Trump en Farage en hoe ze op slinkse wijze met de hulp van Cambridge Analytica de democratie een loer draaiden en de macht wisten te veroveren. Op 1 mei 2018 werden Cambridge Analytica en SLC Group opgedoekt.”

 

U getuigde voor het Britse parlement en werd ondervraagd door Robert Mueller.

“De ondervraging door Mueller ging vooral over Russische inmenging via het Trump-team in de Amerikaanse verkiezingen. Daar had Cambridge Analytica voor zover ik weet niets mee te maken. Mijn getuigenis voor het Britse parlement ging over de rol die Cambridge speelde in de aanloop naar het brexit-referendum.”

 

De klokkenluider die de ondergang van Cambridge Analytica in 2018 in gang zette, was de Canadees Christopher Wylie.

“Hij werkte maar heel even voor Cambridge Analytica. Toen ik er in 2014 begon, was hij al weg. Ik sprak hem één keer aan de telefoon, maar heb hem nooit ontmoet. Toch praat hij nu voluit over zaken die hij zelf nooit heeft meegemaakt. Zijn voornaamste onthulling dat hij 50 miljoen Facebookprofielen had helpen oogsten in opdracht van Steve Bannon, was correct. Alleen gebeurde veel van wat hij vertelt na zijn vertrek. Hij werd dus vermoedelijk door een ex-collega bij Cambridge getipt. Een echte klokkenluider heeft niets ‘van horen zeggen’, maar maakte het zoals ik van op de eerste rij mee. Als je iets als feit verkoopt, moet je er honderd procent zeker van zijn. Anders riskeer je zelf te eindigen als leverancier van nepnieuws.”

 

Brittanny Kaiser, De datadictatuur, HarperCollins, 416 blz., 21,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘De CIA stelde me voor de keuze: trouwen of mijn vriend verlaten’

Vermomd als kunsthandelaar infiltreerde Amaryllis Fox terreurnetwerken voor de CIA. “Eigenlijk waren wij toen nog kinderen.”

 

Amaryllis Fox zat in het laatste jaar aan de universiteit toen ze benaderd werd door een recruiter van de CIA. Ze hapte toe en op haar tweeëntwintigste werd ze gevraagd voor het elitekorps van undercoveragenten. Na een intense training van zes maanden was ze ‘undercover agent under non-official cover’, de meest risicovolle spionnenjob bij de geheime dienst. Vanuit de Chinese stad Shanghai infiltreerde ze vermomd als kunsthandelaar terroristische netwerken in het Midden-Oosten en Azië. Tot ze in 2010 de CIA vaarwel zei. “Ik wou dat mijn dochter een gewoon leven kreeg.” In haar autobiografie Mijn leven undercover klapt ze uit de biecht over haar leven als spion.

Amaryllis Fox: “Het was een eenzame bezigheid en we waren allemaal piepjong. Daar was een goede reden voor: hoe ouder een undercoveragent is, hoe moeilijker het wordt een volledig nieuw personage te zijn. Hij of zij sleept dan te veel bagage mee. Een jonge pas afgestudeerde agent is ‘maagdelijk’. Eigenlijk waren wij toen nog kinderen. Maar we waren niet uniek. Want het blijft altijd onder de radar hoe jong sommigen zijn die op een of andere manier de koers van de wereld beïnvloeden. T.E. Lawrence was amper halverwege de twintig toen hij tijdens en na WO I de kaart van het Midden-Oosten hertekende. Eigenlijk is dat angstaanjagend.”

 

Kreeg u de zegen van de CIA voor dit boek?

“Daar mag ik niets over kwijt. Sommige zaken zijn weggelaten om identiteiten te beschermen. Er is ook een hoofdstuk waarin drie scènes verwerkt zijn tot één. Met die veranderingen kan ik leven, omdat ze niet essentieel zijn voor wat er echt gebeurd is.”

 

Het was niet uw meisjesdroom om geheim agent te worden?

“Nooit. Eerst wou ik journalist worden. Tot ik op een bepaald moment begon te dromen van een carrière als astronaut. Ik kreeg zelfs toelating voor de United States Naval Academy voor de studie lucht- en ruimtevaarttechniek. (lacht) In de plaats daarvan werd het de universiteit van Oxford waar ik theologie en internationaal recht ging studeren.”

 

Maar eerst trok u voor een jaar naar Thailand, waar u aan de grens met Myanmar vluchtelingen hielp opvangen.

“Ik was achttien en dat was een onvergetelijke ervaring. Toen besefte ik dat mijn echte roeping in de journalistiek lag. In Thailand raakte ik goed bevriend met politieke vluchtelingen uit Myanmar. We kregen het waanzinnige idee om oppositieleidster Aung Sang Suu Kyi te gaan interviewen. Zij leefde in ballingschap in haar eigen land, onder bewaking van militairen. Het lukte ons wonderwel om tot bij haar te geraken en die ontmoeting veranderde mijn leven. Ik was erg onder de indruk van die kleine, tengere vrouw die enkel met woorden het militaire regime de stuipen op het lijf joeg. Mijn ouders wisten niets van mijn bezoek aan Myanmar. Het was in het vroege najaar van 1999, toen je nog niet continu online was en pas om de paar weken met het thuisfront communiceerde in een internetcafé.”

 

Er hing een foto van Aung Sang Suu Kyi op uw slaapkamer. Vandaag deelt zij mee de lakens uit in Myanmar en is ze van haar sokkel gevallen. Hangt die foto er nog steeds?

“Ik heb hem omgedraaid; dat is mijn klein protest. Ik ben hard van haar houding tegenover de Rohingya-minderheid geschrokken. Ik vermoed dat zij vindt dat ze voorlopig geen andere keuze heeft dan deze ‘realpolitik’. Ze moet nog steeds rekening houden met de militairen. Wat niet wegneemt dat ik vreselijk teleurgesteld ben. Ik geloofde dat ze voor de vrijheid van àlle Myanmarezen vocht, en niet alleen voor haar eigen etnische groep.”

 

U stak de grens van Thailand naar Myanmar over samen met een Britse investeringsbankier. Jullie hadden valse papieren en waren zogezegd man en vrouw. Dat was uw allereerste undercoverrol?

“Zo zou je het wel kunnen noemen, ja. Ik kende die investeringsbankier exact anderhalf uur voor we samen als ‘man en vrouw’ naar Myanmar afreisden. We hadden heel dat scenario uitgedacht omdat het de beste manier was om een visum te krijgen. Ik speelde mijn rol moeiteloos. Ik groeide op in een gezin dat vaak van de ene plek naar de andere verhuisde. Mijn vader is Amerikaans en mijn moeder Brits. Als kind leerde ik me voortdurend aanpassen aan nieuwe omgevingen. Maar tijdens mijn trip naar Suu Kyi was het inderdaad de eerste keer dat ik mezelf om veiligheidsredenen vermomde. In mijn hoofd was ik toen geen geheim agent, maar onderzoeksjournalist. Die twee jobs verschillen trouwens niet zoveel van elkaar.”

 

Toen u in Oxford studeerde, werd u benaderd door drie mannen van een Britse geheime dienst. Ze wilden u rekruteren, maar vingen bot. Pakten ze het verkeerd aan?

“Ik weet nog altijd niet van welke geheime dienst ze precies waren, MI5, MI6 of GCHQ. Ze praatten iets te paternalistisch over de landen buiten het Westen. Ze leken zich superieur te voelen en wilden hun visie doordrukken. Dat stootte me af.”

 

Toen u niet veel later aan de universiteit van Georgetown in Washington DC verder studeerde en benaderd werd door een CIA-recruiter, zei u wel ja. Wat was het verschil?

“De aanslagen van 11 september 2001. Die dinsdagochtend was ik in Washington DC. Ik zag de rook boven het Pentagon nadat vlucht 77 zich daar had ingeboord. Mijn zusjes zaten er vlakbij op school en moesten geëvacueerd worden. Op de radio werd gezegd dat het oorlog was. Die aanslagen deden me terugdenken aan het grote trauma uit mijn jeugd. Ik was acht toen mijn allerbeste vriendin Laura samen met haar hele familie omkwam op de Pan Am-vlucht die door Libische terroristen boven het Schotse plaatsje Lockerbie werd opgeblazen. Dat was de allereerste keer dat ik met de dood geconfronteerd werd. Dat was ook de eerste keer dat ik het woord ‘terrorisme’ hoorde. Vanaf dan waren dood en terreur voor mij gelijk. Mijn vader zei: ‘Je moet de krachten begrijpen die Laura wegnamen, anders raak je erdoor overweldigd.’ Toen leerde hij me de krant The Times lezen. Aan de universiteit van Georgetown ging ik voor mijn thesis op zoek naar een manier om te ontdekken of een regio kans maakt ooit gebruikt te worden als terroristische uitvalsbasis. Ik spoorde werkelijk àlle gegevens over elke binnenlandse en buitenlandse aanslag van de afgelopen tweehonderd jaar op en bracht die in kaart. Daaruit leidde ik een algoritme af dat kan bepalen hoe waarschijnlijk het is dat er in een gebied tereuraanslagen worden voorbereid. Mijn thesis trok de aandacht van een man aan de universiteit die ook voor de CIA rekruteerde. Hij was nederig, stil en nieuwsgierig.”

 

Hij was geen macho?

“Helemaal niet. Het was een kleine man met een lange witte baard. Hij zag eruit als de kerstman. (lacht) Hij sprak verschillende talen en was zeer bezorgd over het leefmilieu en over bedreigde culturen.”

 

Was dat echt of gespeeld?

“Dat was heel echt, zo is hij. Hij was nooit underoveragent, maar is leraar en analist. Een eerlijke, ernstige kerel.”

 

Een beetje zoals Saul Berenson, de mentor van CIA-agente Carrie Mathison uit de serie Homeland?

“Ik heb ooit de allereerste aflevering gezien, maar die stond me niet echt aan. Mijn moeder is verzot op die reeks, dus misschien heb ik ze te snel afgeschreven. Ik haat de stereotiepe manier waarop vrouwen uit geheime diensten in films en reeksen worden afgeschilderd. Dat hoort waarschijnlijk zo bij entertainment.”

 

Uw boek wordt ook een reeks voor het nieuwe Apple tv+.

“Ja, en daar heb ik wel alle vertrouwen in. Mijn rol zal gespeeld worden door Brie Larson.”

 

Wou u van in het begin bij de CIA undercoveragent worden?

“Helemaal niet. Ik werkte als onderzoeker en verzamelde zoveel mogelijk informatie over terreurdreiging. Ik wist niets over dat speciale eliteprogramma, tot ze me er voor vroegen. Toen was het hek wel van de dam. Ik wou dolgraag aansluiten, want dat was het allerhoogste niveau voor een agent.”

 

Een van uw eerste opdrachten als undercoveragent-in-spe was onthoofdingsvideo’s bestuderen.

“We bekeken dezelfde video’s honderd keer na elkaar, op zoek naar kleine aanwijzingen waar ze gefilmd konden zijn. Dag in, dag uit. Emotioneel was dat zeer belastend. Soms vonden we iets, vaker vonden we niets.”

 

Niet veel later werd u naar een opleidingscentrum voor die elite-eenheid gestuurd. Zes maanden lang zat u op ‘The Farm’. Dat centrum heet echt zo?

“Tien jaar geleden toch nog, maar ik weet niet hoe het inmiddels geëvolueerd is. Vandaag is er veel meer technologie bijgekomen, waardoor die opleiding ingrijpend veranderd zal zijn. Ik leerde nog de technieken die stammen uit de Koude Oorlog, nu draait alles rond biometrie en gezichtsherkenning. The Farm lag toen op een gigantische afgelegen militaire basis, ergens in de staat Virginia.”

 

Vlakbij Langley waar het hoofdkwartier van de CIA gevestigd is?

“Nee. Ik mag niet zeggen waar precies. The Farm bestaat uit iets wat op een uit de kluiten gewassen dorp lijkt en er grenst een woud aan.”

 

De training bestond uit een half jaar lang rollenspellen?

“Ja. 24 uur op 24, zeven dagen lang zaten we in een fictie. Elke ‘diplomaat’, ‘terrorist’, ‘collega’ die ik daar tegen het lijf liep, werd gespeeld door een voormalige agent die trainer geworden was. Af en toe dacht ik wel eens om eruit te stappen, maar als researcher had ik zowat elke dag gezien wat de terreur van Al Qaeda wereldwijd aanrichtte. Ik wou begrijpen wat die mensen ertoe aanzette om terrorist te worden. En ik wou dat ook stoppen. Ik nam geen genoegen met het riedeltje zoals dat nog steeds in de media weerklinkt: ‘Ze haten ons omdat we vrij zijn.’ Daar koop je niets mee, want dat wil zeggen dat ze ons in de islamitische wereld voor eeuwig zullen haten. Mijn ultieme doel was: met die mensen een gesprek voeren.”

 

U was net bij de CIA aan de slag toen de Duitser Khaled el-Masri in 2003 in Macedonië door CIA-agenten ontvoerd werd en afgevoerd naar een gevangenis in Afghanistan. Daar werd hij maandenlang door uw collega’s gemarteld. Tot ze doorhadden dat ze de verkeerde Khaled el-Masri hadden gekidnapt. In plaats van een Al Qaeda-terrorist was deze man een brave huisvader met vijf kinderen.

“Ik vernam dat pas veel later via de media. Weet u wat een van onze grote problemen was? Onderling deelden we amper informatie met elkaar, waardoor er soms niet op tijd gecorrigeerd werd. Later lazen we dan in kranten of tijdschriften vreselijke verhalen over de zogenaamde CIA-renditions van gevangenen naar ‘black sites’ in Afghanistan.”

 

In januari 2005 berichtte The New York Times voor het eerst over het geval El-Masri. Sprak u daar toen over met uw collega’s?

“Ik heb nooit contact gehad met het ‘Enhanced Interrogation Program’ van de CIA. Tot de dag van vandaag ben ik ontzettend dankbaar dat ze me daar nooit voor vroegen. Ik werd dus nooit gedwongen om te zeggen: ‘Hier doe ik niet aan mee.’ Tijdens de lunch in de CIA-kantine werd er wel levendig over gediscussieerd. Sommigen vroegen zich terecht af of we met die ondervragingstechnieken niet de karakteristieken verloochenden van het land waarvoor we aan het vechten waren.”

 

Vlak voor u naar The Farm vertrok, verplichtte de CIA u met uw toenmalige vriend te trouwen.

“Hij wist niet dat ik bij de CIA werkte. Niemand wist dat, iedereen dacht dat ik voor een reguliere multinational aan de slag was. De CIA stelde me voor de keuze: trouw met je vriend, of laat hem in de steek. Hij was geen Amerikaans staatsburger en alleen daarom al ‘verdacht’. Ik mocht hem in principe zelfs niet eens zoenen. Trouwen was de enige manier om onze relatie in stand te houden, en vervolgens moest hij een leugendetectortest afleggen. Hij was in shock, maar bedekte alles toch met de mantel der liefde. Dat vond ik vertederend. (lacht)”

 

Na uw opleiding was uw flat leeg en was hij weg.

“Voor mij was dat een grote opluchting. Ik neem hem dat niet kwalijk, hij verdiende iemand die niet enkel geobsedeerd was door haar werk. Want dat was ik toen: volledig gefocust op mijn missie als CIA-undercoveragent. Er was niets anders.”

 

Uw collega Dan werd naar Afghanistan gestuurd om mensen te liquideren.

“Dat was tijdens de zogenaamde ‘surge’ in Afghanistan, de troepenversterking om het geweld te counteren. In The Farm werden we opgeleid om zonder wapens langzaam relaties op te bouwen met Afghanen, Irakezen of wie dan ook. De CIA ging er altijd prat op dat wapens in het inlichtingenwerk overbodig waren. Het is een echte schande dat collega’s zoals Dan in de nasleep van de invasie in Afghanistan naar het front gestuurd werden.”

 

Worden er nu nog CIA-agenten als doodseskaders ingezet?

“De elite-agenten die een opleiding op The Farm achter de rug hebben, worden nu niet meer gewapend in oorlogszones ingezet. Een halfjaarlijkse training op The Farm kost een fortuin. Het is een ongelooflijke verkwisting om net die agenten met hun uitzonderlijke vaardigheden het slagveld op te sturen. Daar heb je militairen voor nodig, en geen elite-undercoveragenten. De CIA heeft geleerd uit die fouten van het verleden. Het agentschap is bezig het paramilitaire af te stoten en keert terug naar haar core business: inlichtingenwerk.”

 

Ook onder de huidige president Donald Trump?

“De CIA heeft intussen wel geleerd politieke druk te weerstaan. De geschiedenis van de VS is een aaneenschakeling van turbulente tijden. Nu is er Trump, maar de jaren zestig waren ook best hevig met de oorlog in Vietnam. We vergeten snel en elke nieuwe generatie denkt dat haar problemen uniek zijn.”

 

Na uw opleiding in The Farm nam u een volledig nieuwe identiteit aan en vertrok u naar China.

“Ik mag daar niets over vertellen, ook al schrijf ik erover in mijn boek. Wat daarin beschreven staat, is gereviewed. Ik kan die gebeurtenissen niet opnieuw tegen u vertellen, want dan gebruik ik sowieso andere zinnen en krijg ik ernstige problemen met de CIA. Alles wat ik daarover tegen iemand zeg, is een overtreding, want heeft geen review ondergaan.”

 

Amaryllis Fox zwijgt en ziet de teleurstelling bij haar gesprekspartner. Ze schudt het hoofd en zegt: “U hebt mijn boek gelezen, ik hoef u dus ook niet te entertainen met wat u al weet.” In Mijn leven undercover vertelt ze, met de zegen van de CIA, hoe haar baas haar inlicht over wat haar nieuwe spionnenjob overzee zal inhouden. Ze schrijft: ‘Mijn cover behelst de vestiging van een Aziatisch kantoor voor de zaak, vertelt hij me, gericht op aanstormende kunstenaars door het hele Midden-Oosten. Tot nu toe heeft mijn fictieve carrière in de inheemsekunsthandel gefungeerd als smoes tegenover de douane en mijn vrienden en familie bij mijn korte uitstapjes naar het buitenland. Niemand heeft me er ooit meer dan twintig minuten lang vragen over gesteld. Maar in China gaat het om vierentwintig uur per dag en zal de handel net zoveel tijd gaan kosten als een echt bedrijf, waarbij ik ook nog ruimte zal moeten maken voor mijn spionagewerkzaamheden. Ik volg een week lang een spoedcursus MBA, waar ik onder meer leer hoe mijn boekhouding in elkaar steekt, mocht ik worden ondervraagd door de buitenlandse autoriteiten. Ik ontvang uitdrukkelijke instructies om geen enkel onderdeel van welke operatie dan ook in China zelf te ondernemen. Het wordt alleen een thuisbasis, hoewel ik er in principe wel van moet uitgaan dat ik bijna continu in de gaten zal worden gehouden. Alle spionageactiviteiten zullen in andere landen plaatsvinden, meestal onder mijn eigen naam maar soms onder een alias, wat vliegen naar een ander land betekent, mijn documenten wisselen en verder reizen naar de spionagebestemming met mijn fictieve identiteit. Het idee achter de non official cover is het wegblijven van de stank van het officiële domein, dus de documentenwissel kan niet in ambassades plaatsvinden. In plaats daarvan zijn we afhankelijk van de brush pass, een ongemerkte uitruil waarbij je een andere agent passeert op een bepaald tijdstip op een vooraf afgesproken plek – een tunnel of een steegje, dusdanig afgezonderd dat geen achtervolger de kans krijgt om te zien dat er documenten worden verwisseld terwijl we vlak langs elkaar lopen zonder onze pas te vertragen.’

 

Vlak voor u naar China vertrok, trouwde u met een andere undercoveragent. Jullie vestigden zich in Shanghai als kunsthandelaars en kregen er een baby. Dat was tezelfdertijd het échte leven en een undercoverleven?

“Hoe dichter undercoverwerk het echte leven benadert, hoe beter het rendeert. Mijn toenmalige man en ik speelden onze rol, maar de interacties tussen ons beiden waren echt. Als die fake zijn, lukt het nooit. De clou van goed undercoverwerk is authenticiteit.”

 

U kreeg uw opdrachten, uw man kreeg er andere, maar jullie wisten van elkaar niet waar jullie mee bezig waren. Jullie mochten er tijdens het avondeten zelfs niet over praten.

“We communiceerden tussen de lijnen door. Vrienden die mijn boek gelezen hebben, zeggen me: ‘Ik heb ook zo’n relatie.’ Soms is het verstandiger om lastige kwesties niet rechtstreeks te benoemen, maar er een beetje omheen te fietsen. Je weet dan allebei dat je niet over de gaarheid van de spaghetti aan het discussiëren bent, maar over iets totaal anders. (lacht)”

 

Hebt u als undercoveragent veel levens gered?

“Dat is zeer moeilijk in te schatten, en dat vind ik lastig. Je kan het heel snel verknoeien en dat merk je dan meteen als de aanslag wordt uitgevoerd. Maar je weet nooit wanneer je iets betekenisvols of goeds gedaan hebt. Ik ken de consequenties van mijn inlichtingenwerk niet. Tijdens mijn opleiding leerde ik met een Glock-pistool schieten. Ik heb dat later nooit in de praktijk moeten brengen.”

 

U zorgde ervoor dat een Hongaarse leverancier van Sovjetrestanten voor nucleair wapentuig informant van de CIA werd.

“Ja, maar niet alle bedreigen die zo gerapporteerd werden, bleken duizelingwekkend gevaarlijk te zijn. Informanten werden betaald, waardoor ze af en toe bedreigingen verzonnen. Of ze hadden ergens iets horen waaien dat totaal niet bleek te kloppen. Soms werden er wel eens zo’n Sovjetonderdelen aan een terreurgroep verkocht, maar die dingen waren gelukkig stokoud en van slechte makelij.”

 

Kijkt u na alles wat u als CIA-agent gezien en meegemaakt heeft nu met een bange blik naar de wereld?

“Nee, integendeel. Ik heb uren doorgebracht met mannen waarvan gezegd wordt dat ze monsters zijn. Ik heb ontdekt dat ook zij driedimensionele menselijke wezens zijn, net zoals u en ik. Als strijdend individu maakten ze zich vaak schuldig aan walgelijke daden. Maar ze zijn ook ouders, broers en zonen die op het verkeer sakkeren en niet graag belastingaangiftes invullen. Daardoor heb ik ook beter leren begrijpen waarom ze hun toevlucht nemen tot geweld. Dat geldt trouwens ook voor onze kant.”

 

Net zoals u hen als terroristen zag, beschouwden zij de CIA als een terroristische organisatie?

“Precies. We zijn allemaal tezelfdertijd banaal én gruwelijk. Zolang je niet begrijpt welke kleine, fragiele menselijke emoties die grote gewelddaden aandrijven, zal je ze nooit kunnen vermijden. Want het zijn schaamte, vernedering, angst of wrok die mensen afschuwelijk foute beslissingen laten nemen. Eens je dat doorhebt, kun je proberen ingrijpen. Misschien kun je je dan zelfs in hun gedachtenwereld inleven.”

 

Zelfs in die van Islamitische Staat?

“De cultuur van IS verschilt totaal van die van Al Qaeda. Maar de redenen waarom jonge mensen lid worden van IS of van Al Qaeda zijn dezelfde. Ze voelen zich machteloos en bij dat terreurnetwerk komen ze thuis. Dan zijn ze broeders onder elkaar, die samen vechten voor een hoger doel. Hebt u de film Joker gezien? Op een bepaald moment zegt de gewelddagige clown Arthur Fleck alias Joaquin Phoenix: ‘Niemand luisterde naar mij. Nú beginnen ze te luisteren.’ Net daarom grijpen mensen naar terreur.

 

Amaryllis Fox, Mijn leven undercover als topagente van de CIA, AmboAnthos, 272 blz, 20,99 euro

 

Bio

Amaryllis Fox

  • Geboren op 1 september 1980 in New York als Amaryllis Damerell Thornber.
  • Haar vader Edgar Thornber is economist en adviseerde Michael Gorbatschov en Margaret Thatcher.
  • Haar moeder Lalage Damerell is actrice.
  • Vandaag is ze programmamaker en vredesactivist.
  • Samen met haar derde man Bobby Kennedy III, kleinzoon van de in 1968 vermoorde presidentskandidaat Robert Kennedy, en haar twee kinderen leeft ze in Los Angeles.

 

(c) Jan Stevens