Andere tijden

Er waren verzachtende omstandigheden. Mijn moeder heeft haar vader nooit echt gekend. In 1942 maakte hij op een blauwe maandag in januari een einde aan zijn leven. Hij was amper 34 en liet een weduwe van 35 met vijf kleine kinderen achter. Ik kende mijn grootmoeder als een keiharde tante. Over haar man heb ik haar nooit iets horen zeggen. Ook zijn kinderen zwegen over hem. Ik wist alleen dat hij gokschulden had en vermoedelijk daarom uit het leven stapte. Nee, mijn moeder beleefde geen gelukkige jeugd. Tenminste, dat denk ik, want veel heeft zij daarover nooit verteld.

Mijn moeder worstelde met de druk van haar gezin, haar man en drie kinderen. Tenminste, ook dat denk ik, want een écht gesprek is daar nooit over gevoerd. Maar als kind zag en ervoer ik de fall-out van die worsteling met haar dagelijkse bestaan.

Zo was er die vrijdag, begin jaren zeventig. Ik was een jaar of tien. Het moet een vakantiedag geweest zijn, want iedereen was thuis. Onze ouders maakten ruzie, zoals in die tijd bijna dagelijks gebeurde. Moeder slingerde verwijten naar het hoofd van vader. Hij incasseerde. Die vrijdagmorgen slikte ze voor onze ogen een heel doosje Temesta, een slaap- en kalmeringsmiddel. Niet veel later wankelde ze door het huis. Het beeld van hoe ze de trap opkroop, richting slaapkamer, is voor altijd op mijn netvlies gebrand. “Dood is dood”, murmelde ze.

In het ziekenhuis werd haar maag leeggepompt en vandaar verdween ze voor een paar maanden in een psychiatrisch ziekenhuis. Ik werd ondergebracht bij het gezin van een van haar zussen. Daar at ik voor het eerst in mijn leven spaghetti en ontdekte ik dat er ook ouders waren die hun kinderen niet sloegen.

“De woorden ‘vader’ en ‘moeder’ blijven voor slachtoffers van kindermishandeling altijd een emotionele bijklank hebben”, zegt kinderpsychiater Peter Adriaenssens. “Want dat zijn de woorden waarvan je voelt: ‘Die heb ik niet gehad.’”

Ik interviewde Peter Adriaenssens samen met Hilde Van Mieghem op een maandagavond in februari 2020. Aanleiding was Van Mieghems tv-reeks over kindermishandeling Als je eens wist. Het weekend daarvoor had ik alle afleveringen gebingewatcht en ik lag in duizend scherven. Aan het begin van het interview zei ik dat ook ik ervaringsdeskundige ben. Alles wat Adriaenssens die avond vertelde, klonk gruwelijk herkenbaar.

Het zweepje

“Onze Jan is geschikt voor het hof van de koning. Een flemer in het gezicht, maar pas op als hij uit uw zicht is.” Zo waarschuwde mijn moeder de klastitularis van het eerste middelbaar voor zijn nieuwe leerling. In de jaren ervoor corrigeerde ze al mijn ‘misstappen’ kordaat en consequent met een stevig pak slaag. Vaak was een vallend bord of glas al voldoende, of een cijfer in het rood op een schoolrapport. Een groot rekenwonder was ik niet en als onhandige kluns glipte er veel uit mijn handen. Ze barstte dan uit in een colère, nam haar klomp of schoen, ging schrijlings over me zitten en sloeg. Haar harde slagen afweren, was het enige wat ik kon doen. Ze sloeg tot haar woede enigszins bekoelde. Er volgden extra straffen: “Zonder eten uw bed in.” Of: “Geen tv voor u. Een hele week om zeven uur in uw nest.”

Uit schrik voor wat me thuis te wachten stond, vervalste ik een handtekening op een rapport. Het zag er vreselijk knullig uit en ik liep snel tegen de lamp. Die avond ging ze in overdrive.

Vader liet begaan. Als hij van de fabriek terugkwam, kreeg hij een uitvoerig relaas van wat ik die dag had uitgespookt. Soms eiste ze van hem dat hij haar werk overdeed. Hij sloeg dan pro forma: minder hard en minder raak.

Soms was ik ziek en dan veranderde ze in Florence Nightingale. Ze vertroetelde me en op die momenten leek ze de liefste moeder van de hele wereld.

In het tweede jaar van de humaniora hield het slaan abrupt op, nadat ik met een gehavende neus op school verscheen. “Van de trap gevallen”, was mijn excuus.

Ach, misschien was ik wel een vreselijke kleine etter of een onhandelbaar joch. Ik was een jaar of zes toen moeder bij de huisdokter haar beklag over mij deed. De weldoorvoede man zat in zijn keurig kostuum aan de keukentafel, de stethoscoop bungelend over zijn buik. “Misschien moet je eens een zweepje proberen”, adviseerde hij haar. “Leg wat knopen in een touw.” Een tijdlang lag het zweepje op doktersvoorschrift op de hoge keukenkast. Daarnaast stond de bokaal met levertraan voor de dagelijkse eetlepel. Naast haar woede, handen, schoenen en klompen, vreesde ik die twee dingen het meest.

It never happened

“Toen onze Jan pas geboren was, leek hij net een aap.” Ik heb drie zonen, inmiddels twee prille dertigers en één late twintiger. Toen zij pas geboren waren, waren ze de mooiste baby’s op aarde. Door zelf kinderen te krijgen, begreep ik nóg minder van al dat ouderlijk geweld. De relatie met mijn ouders kwam nooit meer echt goed. Moeders zestigste verjaardag eindigde in een knallende ruzie over ‘de tijd van toen’. In haar herinnering leek alles gewist.

Een paar jaar lang kwam ik er niet meer over de vloer. Een paar jaar lang knaagde het schuldgevoel. Ik herstelde het contact, maar niet veel later ging ik compleet onderuit. Eind 2004 belandde ik in een depressie van hier tot in Tokio. Mijn huisgenoten, antidepressiva en een psychiater hielpen me uit de put.

“Ga met je ouders praten over wat er gebeurd is”, zei de psychiater. “Het kan inzicht brengen.” Zij luisterden en leken uit de lucht te vallen. Alsof het geheugen van mijn moeder selectief gewist was. Misschien had ze heel af en toe wel eens een pedagogisch tikje uitgedeeld, maar zeker niets meer. Mijn vader waste zijn handen in onschuld. Nooit had hij er iets van gemerkt. Nooit. It never happened. Maar ondanks al mijn ‘valse’ aanklachten, werden ze toch niet boos.

Een tijdlang geloofde ik dat ik met het ouderlijk geweld uit mijn jeugd ‘afgerekend’ had. Maar op de meest onverwachte momenten halen de demonen me in. Als ik naar Hilde Van Mieghems eerste reeks Als je eens wist kijk. Als ik twee progressieve partijvoorzitters op Terzake hoor bakkeleien over kindermishandeling. Als iemand me een horrorverhaal vertelt over een kind in lockdown bij een gewelddadige (stief)ouder. Dan krimpt mijn maag samen en sluipt er een overweldigende droefheid bij me naar binnen.

“Na zoveel jaren in problematieken zoals kindermishandeling ondergedompeld te zijn, kan ik geen geweld in films meer zien”, bekent Peter Adriaenssens. Het klinkt bizar genoeg als een troost. “Ik word ziek van verzonnen geweld”, zegt hij. “Films bulken daarvan. Mijn dochter en haar man zijn allebei acteurs. Zij weten dat. Mijn schoonzoon zegt dan: ‘Peter, ik ben aan het repeteren voor een stuk waarnaar jij beter niet komt kijken.’”

We lachen de spanning weg.

Toen tijdens die eerste lockdown alle scholen dicht waren en we verplicht werden opgehokt, dacht ik vaak: hoe moet dit nu zijn voor kinderen met gestresseerde gewelddadige ouders? Die gedachte ontredderde me. “Nee, die maakte je kwaad”, corrigeert Peter Adriaenssens. “Kwaadheid is de moeilijkste emotie voor wie zelf mishandeld is. ‘Ze waren weer kwaad.’ Jij hebt nooit een goede manier geleerd om kwaad te zijn, want dat bracht je in gevaar. In deze tijden van lockdown krijgen Vertrouwenscentra Kindermishandeling tot 20 % meer meldingen dan normaal.” Ik huiver. “Maar niet al die meldingen ontsporen tot zware gevallen van mishandeling”, relativeert hij. “Nederlandse onderzoekers wijzen erop dat vandaag heel veel volwassenen onder zware stress gebukt gaan. Ze moeten thuiswerken en tezelfdertijd op hun kinderen letten die online aan het studeren zijn. Ouders die in gewone omstandigheden nooit over de rode lijn gaan, doen dat nu wel. Van zodra alles terug begint te normaliseren, zijn zij wellicht de eersten om te beseffen dat ze te ver gingen.”

Een beschuldigende vinger helpt hen niet veel verder? Peter Adriaenssens: “Nee, naar hen moeten we de hand uitsteken. Niet om ze naar een Vertrouwenscentrum Kindermishandeling te sturen, maar om hen er op te wijzen dat ze er zeker iets aan moeten doen. Het is belangrijk dat we daders de kans geven om te erkennen dat ze over de schreef gegaan zijn. Want het maakt een enorm verschil als vader of moeder een paar weken later tegen de kinderen durft te zeggen: ‘Ik had niet zo uit mijn krammen moeten schieten, ook al had ik het toen niet gemakkelijk.’ Vroeger geraakten de daders er altijd mee weg. Nu proberen we de slachtoffers erkenning te geven. Maar het blijft moeilijk om daders tot het inzicht te brengen zich te laten helpen. Ze hebben schrik om in een procedure terecht te komen, gestraft te worden en zo hun reputatie om zeep te zien gaan.”

Levenslang

Ik ben 57 en de laatste jaren groeit het onbehaaglijke gevoel dat ik ‘levenslang’ gekregen heb. Toen ik dat vorig jaar op die maandagavond tijdens dat interview tegen Peter Adriaenssens en Hilde Van Mieghem zei, reageerde mede-ervaringsdeskundige Hilde fel. “Ik verzet mij met hand en tand tegen dat vonnis van levenslang”, zei ze. “Dan kan ik er net zo goed zelf een einde aan maken.” Ik begrijp dat zij zich daartegen verzet en ik probeer dat ook, maar het lukt niet echt. Ook niet bij haar vermoed ik, want ze voegde er meteen aan toe: “Wel levenslang is die diepe eenzaamheid. Die gaat nooit helemaal weg.”

Die levenslange strijd met dat verleden, is volgens Peter Adriaenssens typisch voor ‘verstandige kinderen’. Het klinkt als een schrale troost. “Je verstand laat geen simpele oplossingen toe”, zegt hij. “Dat maakt een groot verschil. Je hebt geen boodschap aan sussende berichten als: ‘Denk aan de toekomst’ of: ‘Wees positief.’ Tijdens de adolescentie leren de emotionele zone en de wijsheidszone in je hersenen evenwichtig samenwerken. Als het emotiecentrum in de jaren daarvoor heel zwaar getriggerd geweest is, blijft het altijd moeite kosten om dat terug tot rust te brengen. Het intelligente centrum in je brein kún je niet tot een machtsovername dwingen, hoe graag je dat ook zou willen. Sommigen beweren dat ze nooit meer denken aan wat hen als kind overkwam. Zij hebben recht op die oplossing, al weet ik niet of ze beter af zijn door die deur naar het verleden radicaal te sluiten. Want zo gooien ze ook andere deuren dicht. Van hun kinderen hoor je dan vaak: ‘Over papa’s jeugd mogen we nooit praten. Ik weet niets van mijn vader.’”

Een beetje verstand hebben, kan dus pijn doen. “Maar dan volgt er vaak ook post traumatic growth (PTG)”, zegt Adrianssens. “Vrienden zullen dan sneller in jou een luisterend oor herkennen. Onbewust voelen ze aan dat jij iets ernstigs hebt meegemaakt, en ze vertellen hun traumatische verhaal aan jou. PTG wil zeggen dat jij in het zijspoor van die pech positieve talenten ontwikkeld hebt. Je kan luisteren en begrip opbrengen voor de nood en problemen van anderen. Door die talenten verder te ontwikkelen, help je jezelf ook verder.”

Soms twijfel ik aan mezelf en is het alsof de waanzin om de hoek loert. Blaas ik mijn herinneringen op? Maak ik van een welverdiende oorveeg een obese olifant? Gaat mijn fantasie met mijn verstand aan de haal? Is er eigenlijk ooit wel iets gebeurd?

IJdele hoop

Mijn vader stierf in januari 2009. Ik voelde geen rouw of verdriet. Behalve schuldgevoel omdat ik niets voelde, voelde ik niets. “Dat komt nog wel”, dacht ik. Maar tot hiertoe kwam het niet.

Moeder leeft nog. Heel lang bezocht ik haar plichtsbewust om de paar weken. Een jaar geleden brak ik na een incident totaal met haar. Nu knaagt opnieuw dat schuldgevoel. Niet omdat ik met haar brak, maar uit een soort van medelijden, want ze is oud en ziek. Misschien knaagt het ook omdat ik blijf hopen dat ze ooit zal toegeven: “Wat er vroeger gebeurd is, was niet oké.” Al is dat wellicht ijdele hoop.

“Het verschil is immens als de dader de uitgestoken hand van het slachtoffer aanvaardt”, zegt Peter Adriaenssens. “Kinderen bij mij in de praktijk zeiden soms: ‘Ga maar praten met moeder. Je overtuigt haar toch niet.’ In het begin dacht ik: ‘We zullen wel eens zien. Ik heb daar een opleiding voor gevolgd.’ Om vervolgens te ondervinden dat die kinderen tientallen, nee honderden keren vergeefs hadden geprobeerd. En dat het inderdaad niet veel zin had om als therapeut te zeggen: ‘Ik zal wel eens met je moeder gaan praten.’ Op een bepaald moment kun je dan als kind van die ouder tot het weloverwogen besluit komen: ‘Ik heb alles gedaan om haar of hem te bereiken. Ik verbreek nu alle banden.’ Innerlijk heb je dan al veel eerder afscheid genomen.”

Die banden zijn verbroken, maar nu is er de angst voor wat er met mij zal gebeuren als ze sterft.

Erover schrijven is volgens Peter Adriaenssens geen slecht idee. “Want je beschrijft het dan voor de volgende generatie. Het is goed om na te denken over waar het bij jou misging. Je vraagt je af waarom jouw moeder over de schreef ging, kijkt terug naar je verleden, naar wat jij hebt meegemaakt en je pogingen om het te verwerken. Jouw kinderen moeten dan niet meer vanuit het onbekende starten. Het is goed dat ze weten wat jou overkomen is.”

www.echo-lotgenotenwerking.be

© Jan Stevens

‘Boomers hebben ook veel positiefs verwezenlijkt’

Mensenrechtenprofessor en fervent twitteraar Koen Lemmens (44) ruilt de 280 tekens in voor een 280 bladzijden dik boek. In De dwaling van de beeldenstormer rehabiliteert hij de boomers. “Wie ik vandaag ben, dank ik aan de generaties voor mij.”

Koen Lemmens, jurist en professor mensenrechten aan de KULeuven, schuwt op Twitter als @UwDienstwillige de kwinkslag niet. Ook het beschaafde debat gaat hij er niet uit de weg. Voor hem is Twitter geen open riool, bevolkt door trollen van divers pluimage. “Misschien heb ik geluk”, zegt hij. “De tweeps in mijn Twitter-bubbel variëren van stevig rechts tot zeer links en ik zie vooral gesprekken passeren waarin ideeën worden uitgewisseld. Op Twitter ontmoet ik mensen die anders in het leven staan en me de andere zijde van de medaille tonen. Voor mij is het een medium dat geesten opent.”

In zijn pas verschenen boek De dwaling van de beeldenstormer onderzoekt hij in 10 doordachte essays wat wij maatschappelijk, cultureel en intellectueel geërfd hebben van de generaties voor ons. “Uw collega Joël De Ceulaer suggereerde op een bepaald moment: ‘Koen, zou je niet beter een boek schrijven, in plaats van op Twitter continu ideeën rond te strooien?’ Ik heb dat dan maar gedaan.”

Waar komt uw Twitter-nom-de-plume @UwDienstwillige vandaan?

“Advocaten sloten heel lang geleden hun brieven af met ‘Uw dienstwillige’, dat leek mij zeer passend. (lacht) Ik vind Twitter zowel een vreemd als fascinerend medium. Als jurist kom ik er snel veel te weten. Ik vind er informatie van hoven en rechtbanken van overal ter wereld.”

Wie na uw tweets nu ook De dwaling van de beeldenstormer leest, weet hoe Koen Lemmens in het leven staat en of hij progressief of conservatief is?

“Wie mijn boek leest, zal zich vermoedelijk afvragen: helpen concepten als ‘progressief’ en ‘conservatief’ ons wel zoveel vooruit? In sommige domeinen ben ikzelf eerder conservatief, in andere progressief. Dat hangt af van het onderwerp én van de tijdsgeest. Ik nuanceer vooral, wat in deze tijden van polarisering toch belangrijk is. Het is zelden wit of zwart, maar meestal grijs. Veel is grijs.”

U bent een fan van ‘enerzijds, anderzijds’?

“Ja, maar op voorwaarde dat er uiteindelijk een keuze gemaakt wordt. Dat is niet hetzelfde als tegen de ene toehoorder zeggen: ‘enerzijds’ en tegen de andere: ‘anderzijds’. Dat is wel ongeacht het publiek altijd de ‘enerzijds’ én de ‘anderzijds’ van een probleem benadrukken om op het einde zélf een keuze te maken. In het volle besef dat de andere keuze óók verdedigbaar is.”

Heeft onze huidige generatie politici het daar moeilijk mee? Wijlen Jean-Luc Dehaene geldt nu als een groot staatsman. Misschien omdat hij na enig gepalaver wél keuzes durfde te maken?

“Ik sta soms heel kritisch tegenover de huidige generatie politici en tóch verdedig ik ze. Hun voorgangers functioneerden binnen een zuil en waren daardoor altijd min of meer verzekerd van een trouwe aanhang. We zijn vergeten hoe luxueus die omstandigheden waren. Het moest echt de spuigaten uitlopen vooraleer er een electorale afstraffing volgde. Ze hadden een vrijheid van handelen waar de politici van nu alleen maar van kunnen dromen. Bovendien wordt alles wat ze vandaag zeggen of ondernemen uitvergroot op sociale media. Werkelijk álles wordt geregistreerd. Probeer dan maar eens een beleid op lange termijn te voeren.”

Uw boek schreef u uit ergernis over de manier waarop de aanstormende jonge generatie nu afrekent met haar voorgangers?

“Het is inderdaad onder meer een reactie op kreten als: ‘Oké, boomer.’ Ik word niet zo gelukkig van die smalende commentaren.”

Omdat u die zelf naar het hoofd geslingerd krijgt?

“Nee, maar ik ken wel boomers die in hun tijd, toen zij actief waren, de samenleving ernstig probeerden te hervormen. Ik had het geluk dat zij mij daar als kind over vertelden. Het is heel gemakkelijk om vandaag de rekening van de vorige generaties te maken met uitspraken als: ‘Wij hebben van jullie de klimaatverandering geërfd.’ Zo worden de kosten in rekening gebracht zonder de baten mee te tellen. Met mijn boek wil ik eer betonen aan al die mensen van vorige generaties die hun best deden om de samenleving te hervormen.”

U bent geen kritiekloos bewonderaar van de vorige generaties?

“Natuurlijk niet, maar de intellectuele eerlijkheid gebiedt me om ook de positieve kant in ogenschouw te nemen. Het is heel makkelijk om de generatie van wijlen mijn grootvader te verwijten dat zij geen oog had voor de milieuproblematiek. Stel dat ik dat nog aan mijn opa kon vragen, dan zou hij dat zelfs toegeven. Alleen zou hij eraan toevoegen: ‘Op mijn veertiende zat ik wel als kompel in de mijn. Door mijn harde labeur van toen, kan jij nu aan een universiteit rondhangen.’ Ik ben grootvader daar zeer dankbaar voor.”

De klimaatverandering als erfenis is natuurlijk niet van de poes.

“Dat is zo, maar die vorige generaties hebben ook zeer positieve verwezenlijkingen op hun actief, zoals het sociaal zekerheidssysteem. Bij grootvaders generatie drong de ernst van de milieuproblematiek niet door. Zij waren in de eerste plaats bezig met werken en jobs. Een nieuwe moderne fabriek stond voor hen gelijk met veiligheid. Want zij wisten nog hoe het was om in gevaarlijk het in die koolmijnen was. Dodelijke arbeidsongevallen waren er schering en inslag.”

Door onze voorlopers als ‘boomers’ weg te zetten, verraden we eigenlijk dat we een deel van onze recentere geschiedenis vergeten zijn?

“Ja, en dan meer bepaald het sociale deel. Mijn moeder groeide op in een streek met een relatief grote sociaal-economische achterstand. Zo goed als elke familie had toen seizoenarbeiders die als arbeidsmigrant naar Wallonië trokken. Velen vestigden zich er definitief. Voor mijn familie is Marcinelle niet zomaar een grauwe randgemeente van Charleroi. De broer van mijn overgrootmoeder liet er op 8 augustus 1956 het leven in ‘La catastrophe du Bois du Cazier’, de grootste mijnramp uit de Belgische geschiedenis. Ik vind dat er onder andere op school té weinig aandacht was voor die arbeidsmigratie van Vlaanderen naar Wallonië.”

Omdat die migratie het beeld van de ‘transfers van het welvarende Vlaanderen naar het potverterende Wallonië’ in een ander daglicht zet? Niet zolang geleden waren de rollen nog omgekeerd?

“Ja, maar ook omdat we ons er zo bewust van worden welke offers mensen vroeger moesten brengen. Uren zaten ze op de gammele bus naar Charleroi om daar in de mijnen of in de industrie te gaan labeuren. Van hun inspanningen plukken wij nog steeds de vruchten.

“Ik hoorde grootvader vaak zeggen: ‘Vroeger was het niet beter. Ik weet dat omdat ik vroeger zelf heb meegemaakt.’ Hij had gelijk: het wordt in de toekomst alleen maar beter.”

Dat is dan afgezien van de verwoestende effecten van de klimaatverandering. Die erfenis kunnen we toch niet zomaar uitgommen?

“Waarom zou het ons niet lukken om ook daar een oplossing voor te vinden? Ik wil in deze kwestie een vooruitgangsoptimist zijn. In de jaren tachtig was er de zure regen, gevolgd door het gat in de ozonlaag. Daar werden maatregelen tegen genomen, zoals een verbod op CFK-drijfgassen. Dat ozonlaag herstelt zich en van de zure regen heb ik niets meer vernomen. Ik vind het erg dat een samenleving zo bang gemaakt is dat ze écht in ‘there is no future’ is beginnen geloven.”

Geldt dat ook voor de huidige gezondheidscrisis? Het angstvirus is intussen misschien besmettelijker geworden dan het coronavirus?

“Dat is mogelijk, maar weet u wat de kern van de zaak is? We zijn onze bewondering voor de wetenschap kwijt. Met onze kritiek op het ‘militair-industrieel-wetenschappelijk complex’ en ‘big pharma’ zijn we wat te ver doorgeslagen. Dat coronavirus nam wereldwijd gigantische proporties aan, er vielen honderdduizenden doden, maar binnen het jaar had de mens daar een antwoord op met een aantal vaccins. Is dat niet geweldig? Misschien moeten we daar moed uit putten voor onze strijd tegen de klimaatverandering.

“Mijn vader vertelt vaak hoe hij in 1969 opbleef om naar de eerste mens op de maan te kijken. Ik heb geen gelijkaardig verhaal voor mijn zoon. Onze generatie maakte geen collectieve ervaring mee zoals bijvoorbeeld ‘Expo 58’. Mijn ouders waren toen kind en daar wierpen ze en blik op de wereld in het magische jaar 2000. Die explosie van dromen en fantasie ervaarden wij nooit. Wij werden doemdenkers. ‘De wereld gaat naar de haaien.’ Ongetwijfeld zal dat ooit wel eens gebeuren, maar intussen zijn wetenschappers wel tot fantastische verwezenlijkingen in staat.”

In uw boek gaat veel aandacht naar het begrip identiteit en ‘de Vlaamse canon’.

“Het is nogal gemakkelijk om daar lacherig over te doen. Ik ben geen grote fan van een canon, maar het is niet per se een belachelijk idee. Als ik vandaag ben wie ik ben, is dat enkel en alleen te danken aan die generaties voor mij, aan wat zij me aan kennis en cultuur hebben overgeleverd. Daarom is zo’n canon best zinvol, alleen vraag ik me óók af: is dat in feite niet gewoon ons onderwijs? Een officiële canon kan sommige figuren en cultuuruitingen dan een extra likje verf geven. Dat is toch geen drama?”

Vandaag lijkt zowat het hele identiteitsdebat gekaapt door identitair-rechts.

“Ja, en dat is niet gezond. Ook andere stemmen moeten zich in die maatschappelijke discussie durven roeren. Nu overheerst de angst: ‘Zeg zoiets niet, want dan speel je extreemrechts in de kaart.’ Ik vind dat onverstandig, want zo geven we ongelooflijk veel macht aan mensen aan wie we die echt niet willen geven. Terwijl zij met bepaalde thema’s aan de haal gaan, zetten ze ons op een dwaalspoor. Want in plaats van ons op het door hen gekaapte thema te focussen, denken we na over onze positie ten opzichte van hen.

“Toen ik een tiener was, verleidde Vlaams Blokker Filip De Winter mij tot de gekste uitspraken. Aangezien De Winter in mijn ogen per definitie ongelijk had en iemand was met wie ik niet geassocieerd wou worden, sprak ik alles wat hij zei tegen. Als ik hem hoorde verkondigen: ‘Vandaag is het zaterdag’, riep ik: ‘Nee, vandaag is het de dag tussen vrijdag en zondag!’ (lacht)”

De allereerste Zwarte Zondag van 24 november 1991, toen het Vlaams Blok doorbrak, maakte op u als 15-jarige veel indruk?

“Dat was zeker een grote schok.”

Vandaag is opvolger Vlaams Belang bijna salonfähig.

“Ik weet eerlijk gezegd niet hoe we dat kunnen aanpakken. Ik vrees dat we de eerste jaren té weinig onderscheid maakten tussen de leiders en de kiezers. In sommige buurten in steden kampten mensen intussen met echte aanpassingsproblemen. We dreven hen te gemakkelijk in de armen van het Blok.”

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1988 brak het Vlaams Blok met bijna 18 procent van de stemmen door in Antwerpen. Naar aanleiding daarvan draaide de toenmalige VRT-journalist Paul Muys een ophefmakende reportage in de Antwerpse volkswijk Seefhoek. De racistische commentaar van de autochtone bewoners over hun allochtone buren zorgde voor afkeuring bij de weldenkende Vlaming. Maar in plaats van de ‘onfatsoenlijken’ van toen aan het Blok over te laten, hadden we die mensen beter ernstig genomen?  

“We keken te vaak op een hautaine manier op hen neer. ‘Wen eraan’, kregen ze als boodschap. ‘Live with it. Maatschappelijke problemen zijn nu eenmaal realiteit.’

“Uit peilingen blijkt dat de partijtrouw bij het Vlaams Belang hoog is. Het duurt lang vooraleer mensen de stap naar de extreemrechtse partij zetten. Maar eens die gezet, wordt het voor een centrumpartij moeilijk ze terug te halen. Wat niet wil zeggen dat centrumpartijen geen moeite meer moeten doen om er kiezers weg te halen. Het is goed dat ze dat blijven proberen. Maar belangrijker is: verhinderen dat nieuwe kiezers de overstap maken.”

Ik ken een paar prille dertigers die met Dries Van Langenhove dwepen. Nette jongens en meisjes die niet in de Seefhoek zijn opgegroeid, maar in een keurig Oost-Vlaams provincienest.

“Die jonge elite die zich door Dries Van Langenhove laat meeslepen, is inderdaad zorgwekkend. Daar heb ik geen begrip voor en ook geen antwoord op. Ik stel dat samen met u vast. Maar daarnaast is er ook die oude mevrouw die haar wereld ingrijpend zag veranderen, niet kan volgen en tezelfdertijd het gevoel heeft dat haar zorgen niet ernstig genomen worden. Naar haar moeten we wél luisteren, ook al kiest zij dan voor het Vlaams Belang. We moeten begrip hebben voor haar problemen, wat niet wil zeggen dat we haar electorale keuze goedkeuren. We moeten met haar in dialoog gaan. Misschien ontdekken we zo dat de kern van haar probleem iets helemaal anders is, eenzaamheid bijvoorbeeld. Maar wat jonge, kansrijke mensen bezielt om in de fleur van hun leven in het verhaal van Dries Van Langenhove mee te stappen, is voor mij een compleet raadsel.”

Want het is een onversneden fascistoïde verhaal?

“Het is beangstigend. Bij het oude Vlaams Blok sloten vroeger allicht volkse mensen aan die zich niet helemaal bewust waren van waar die partij echt voor stond. De figuren uit die beruchte reportage van Paul Muys waren sukkelaars. Maar hoe reageer je op mensen die geen enkele reden tot klagen hebben en tóch met extreemrechts meestappen?”

Wordt er in onze samenleving sowieso niet ontzettend veel geklaagd?

“Die vraag stelt u aan een notoir brompot? (lacht) Sorry, maar daar kan ik niet op antwoorden, want ik neem immers zelf graag de pose van zeurende melancholicus aan. Al ben ik me er natuurlijk ook wel van bewust dat ik in werkelijkheid geen reden tot klagen heb. Maar dat wil niet zeggen dat ik af en toe mijn hart niet zou mogen luchten. Dooddoeners als: ‘Stop met zagen, want er is nog veel groter leed in deze wereld’, helpen ons geen stap verder.”

Dat is precies wat veel jonge mensen in deze coronatijd te horen krijgen. Om mede-twitteraar Philip Roose te citeren: “En maar janken, die jongeren. Is een lockdown nu echt het ergste wat die hebben meegemaakt?”

“Ik vind het heel erg voor mijn studenten dat ze nu enkel online-les krijgen en ‘opgehokt’ zijn. Bij de eerste lockdown vond ik dat niet zo’n probleem. Toen volgde ook ik de redenering: ‘Aan onze grootouders vroegen ze om vier jaar in de loopgraven te gaan liggen. Aan jullie vragen ze nu: blijf zes maanden in de zetel liggen met internet en playstation binnen handbereik.’ Maar intussen zijn we een jaar verder en heb ik gemerkt dat deze toestand mentaal echt niet te onderschatten is. Ik hoop voor alle jonge mensen dat dit snel voorbij is.

“Mijn generatie zal hier zonder twijfel het beste uitkomen. Degenen die gezond zijn, van thuis uit kunnen werken, niet alleen zijn en geen behoefte hebben om regelmatig op zwier te gaan, worden het minste geraakt. Zeg nu eens eerlijk: verschilt uw leven zoveel van vroeger, van voor corona?”

Ik werk al jaren van thuis en ik was nooit een fuifnummer, dus nee, zoveel verschilt het niet. Maar toch weegt die lockdown mentaal zwaar, vind ik.

“Dat komt omdat in uw hoofd de gedachte speelt: ‘Ik kan niet doen wat ik zou willen.’ Eind vorig jaar lag ik op een lamlendige zondagnamiddag in de zetel een boek te lezen. Ik kreeg hetzelfde gevoel als u: het begon te wegen. Alleen verschilde die lamlendige zondagnamiddag niet zoveel van andere lamlendige zondagnamiddagen in vorige winters. Wat nu zo zwaar weegt, is het idee dat onze vrijheid aan banden gelegd wordt. We komen tot het inzicht dat het idee van vrijheid misschien nog belangrijker is dan de vrijheid.”

Misschien heeft het ook te maken met de teneur van sommige maatregelen? Die avondklok associeer ik met de dictatuur en niet met de democratie.

“Van die avondklok zie ikzelf eerlijk gezegd de meerwaarde niet in de strijd tegen dit virus. Samenscholingsverboden helpen wel, omdat zo verhinderd wordt dat mensen elkaar te veel zien. Maar het tijdstip waarop mensen elkaar al dan niet ontmoeten, is van nul en generlei waarde. Om twaalf uur ’s avonds denkt het virus niet: ‘Aha, het is middernacht. Tijd om een tandje bij te steken.’ Natuurlijk begrijp ik de redenering erachter: wie ’s nachts op stap gaat en iets teveel drinkt, wordt misschien te nonchalant en lapt de voorzorgsmaatregelen sneller aan zijn laars. Toch twijfel ik aan die avondklok, net zoals ik de stelling betwijfel dat we door alle lockdownmaatregelen op weg zijn naar de totalitaire staat. Alsof er een paar kwade geniën aan de knoppen zouden zitten die eindelijk hun kans ruiken om de dictatuur te installeren. Ik heb geen enkele reden om te twijfelen aan de goede trouw van de beleidsmakers. Ik geloof ook niet dat die coronamaatregelen langer zullen gelden dan strikt noodzakelijk. Maar ik ben er niet gelukkig mee dat vrijheden op basis van ministeriële besluiten worden ingeperkt.”

U bent niet bang dat een aantal van die maatregelen ook na corona een al dan niet sluimerend bestaan blijven leiden?

“We weten niet wat er zal blijven. Kijk, ik ben voorstander van een juridische omkadering voor een soort van noodtoestand. Van zodra de rust in de samenleving terugkeert en we met zijn allen weer rationeel zijn, moeten we samen nadenken over hoe we de volgende pandemie of grote ramp kunnen aanpakken. Want dat er nóg ingrijpende gebeurtenissen à la corona zullen volgen, staat buiten kijf. Laat ons daarom een juridisch kader bedenken met oog voor efficiëntie. Dat wil meteen ook zeggen dat binnen die zogenaamde noodtoestand de klassieke democratische instrumenten tijdelijk minder belang hebben. Bij een grote ramp schakelen we vervolgens dat hele kader in, om het meteen na de ramp terug uit te schakelen. Die waarborg zorgt ervoor dat we ons geen zorgen moeten maken over tijdelijke repressieve maatregelen die in alle stilte permanent zouden worden. Niet omdat bewindvoerders erop kicken om ze te laten bestaan, maar omdat ze die gewoon vergeten zijn.”

Mag ik vergeten tussen aanhalingstekens zetten?

“Dat weet ik niet. In 2017 werd in volle terreurdreiging de aanhoudingstermijn van 24 uur naar 48 uur verlengd. De dreiging is weggeëbd, maar de termijn is gebleven. Als die verlengde aanhoudingstermijn van zo’n noodtoestand onderdeel was geweest, was die in normale tijden vanzelf opnieuw 24 uur geworden.”

Wie garandeert ons dat na een ramp de schakelaar van uw noodtoestand terug wordt geswitcht naar ‘normaal’?

“Ik ga ervan uit dat er genoeg waarborgen in ons systeem ingebouwd zijn die vermijden dat er níet terug naar normaal geschakeld wordt.”

Tijdens Donald Trumps presidentschap hoorden we voortdurend sussende geluiden dat het Amerikaanse democratische systeem robuust genoeg was om zijn totalitaire trekjes te neutraliseren. De zogenaamde checks and balances zouden Trump in het gareel houden. Akkoord, hij zit nu niet meer in het Witte Huis, maar hij heeft zijn verzet tegen zijn democratisch verkozen opvolger toch kunnen voeren tot de rand van de afgrond?

“Dat is inderdaad een heikele kwestie. Ik zou kunnen zeggen dat het systeem bewezen heeft dat het robuust genoeg is: Trump is weg en Joe Biden is nu president. Ik zou ook samen met u kunnen vaststellen: het was een dubbeltje op zijn kant. Dat is een kwestie van perspectief en dan kies ik voor het eerste: het democratische systeem heeft bewezen dat het kan overleven. Wie geweld omarmt, plaatst zich trouwens automatisch buiten het systeem.”

Op dit moment lijkt ons coronabeleid vooral bepaald te worden door niet-verkozen experts. Hoe gezond is dat in een parlementaire democratie?

“De overheid vraagt vaak advies aan juristen of advocatenkantoren. Dat kan dan gaan over problemen met lopende kwesties, technische zaken of nieuw wetgevend werk. Advocaten die de overheid over een kwestie geadviseerd hebben, zullen daar achteraf nooit in de media commentaar op leveren. Dat is een ongeschreven wet die door alle juristen nauwgezet wordt opgevolgd. Dat heeft ook te maken met hoe wij ons beroepsgeheim interpreteren. Sommige experts die de overheid over corona adviseren, geven achteraf wel kritische commentaar in de media. Ik kan me voorstellen dat dat voor veel burgers verwarrend is. ‘De regering zegt dat we dit moeten doen, maar die wetenschapper die tevens hun expert is, beweert dat die maatregel rammelt. Wat is het nu?’”

Sommige experts zouden in de media beter wat gas terugnemen?

“Ze worden natuurlijk continu door diezelfde media bevraagd. In het begin hebben politici ook geprobeerd om die experts voor hen de kastanjes uit het vuur te laten halen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zo’n viroloog op een bepaald moment voor de tv-camera zegt: ‘Ja maar, díe bizarre maatregel heb ik niet bedacht.’”

Sinds het aantreden van de regering De Croo is dat toch veranderd? Ministers zoals Frank Vandenbroucke en Annelies Verlinden nemen nu toch hun verantwoordelijkheid? Sommige experts zijn niet gestopt met het becommentariëren van het beleid dat ze zelf mee helpen uitstippelen.

“Ik zou het als expert anders aanpakken, maar dat heeft vermoedelijk vooral te maken met het feit dat ik jurist ben. Academici uit andere disciplines vinden dan weer dat ze als onafhankelijke wetenschappers altijd tegelijkertijd mogen adviseren én bekritiseren.”

Uit de titel van uw boek leid ik af dat uzelf geen beeldenstormer of nieuwlichter bent?

“Nee, maar ik ben eerlijk gezegd ook geen conservatief. Toch vind ik de norm, de regel, ‘datgene wat men geacht wordt te doen’, vaak zeer emanciperend.”

‘De norm’ kan toch ook zeer onderdrukkend zijn?

“Natuurlijk, maar voor wie de code niet kent, brengt hij ook duidelijkheid. De regel maakt vrij.

“Op een bepaald moment moest in ons onderwijs kennis gerelativeerd worden. De juiste spelling werd minder belangrijk. ‘Ach, een keer een dt-fout, wat doet dat ertoe?’ Op de keper beschouwd, is dat misschien ook waar. Voor uw kinderen en mijn zoon was die nieuwe, soepele norm allicht niet zo’n grote ramp. Als zij op school niet correct leerden schrijven, hielpen wij hen wel verder. Maar dat geldt niet voor veel kinderen uit een kansarm gezin. Als uw krant of mijn universiteit een nieuwe medewerker zoeken, belanden alle sollicitatiebrieven met spellingsfouten zeer waarschijnlijk meteen in de prullenbak. Op dat moment wordt niet gezegd: ‘Och, dat is allemaal niet zo erg.’ Integendeel: als het erop aankomt, is de oude norm springlevend. De grootste slachtoffers zijn dan al degenen die wij met onze nieuwe afgezwakte norm zogezegd wilden helpen.”

Bio

Koen Lemmens

  • Geboren in 1976
  • Studeerde rechten aan de VUB
  • Professor Europees en internationaal mensenrecht, grondwettelijk recht en mediarecht aan de KULeuven
  • Professor persrecht aan de VUB
  • Nationaal directeur van de European Master in Human Rights and Democratisation, Venetië

Koen Lemmens, De dwaling van de beeldenstormer, Lannoo, 280 blzn., 21,99 euro

(c) Jan Stevens

‘Ons welzijn won eindelijk van het geld’

Corona markeert volgens de Britse ecologische econoom Tim Jackson (63) het begin van een nieuw economisch tijdperk. “We moeten voortaan investeren in zorg, kwetsbare gezinnen en duurzame en leefbare steden en dorpen. Niemand kan nog komen vertellen dat dat een onbetaalbare utopie is. We hebben verdorie in rampjaar 2020 bewezen dat het kan.”

Eind 2009 verscheen het boek Welvaart zonder groei van Tim Jackson. Daarin viel de professor duurzame ontwikkeling het mantra van ongebreidelde economische groei aan. Oneindige groei op een eindige planeet is een barslecht idee, vond hij. Want zo pompen we de atmosfeer vol CO2, gebruiken we alle schaarse grondstoffen op, vernietigen we de biodiversiteit en zagen we de poten van onder onze eigen stoel. Om de aarde te redden, moesten we volgens Jackson dringend afkicken van onze consumptieverslaving en vooral investeren in duurzame projecten. Welvaart zonder groei werd vertaald in 17 talen en tekende mee de contouren voor het model van de ‘post-growth-economy’, de economie waarin groei niet langer centraal staat.

Welvaart zonder groei was gebaseerd op een rapport over duurzame ontwikkeling dat ik in 2009 voor de Britse regering schreef”, zegt hij. “In 2017 volgde er een grondige update, maar de baseline was nog steeds dezelfde: op onze eindige planeet is eindeloze economische groei een heilloze weg. We moéten dringend minder en duurzamer produceren en vooral ook veel minder consumeren.”

Toen Welvaart zonder groei voor het eerst verscheen, woedde de financiële crisis nog volop.

Tim Jackson: “Ja, en we kenden op dat moment de totale fall-out van die crisis nog niet. Het was nog voor de financiële gestrengheid zijn intrede deed en voor onze samenleving hevig gepolariseerd en gefragmenteerd raakte. Het was ook nog voor we ons bewust werden van het ‘precariaat’, die nieuwe werkende klasse met onzekere tijdelijke banen, lage inkomens en weinig sociale bescherming. Denk maar aan de mini-jobs in Duitsland of de freelancende Uber- en Deliveroo-koeriers. Precies al die kwalijke maatschappelijke ontwikkelingen waar ik in Welvaart zonder groei voor waarschuwde, werden werkelijkheid. Tezelfdertijd waren er gelukkig ook hoopvolle ontwikkelingen, zo groeide de voorbije jaren het besef dat welzijn belangrijker is dan het bezitten van de laatste nieuwe iPhone. Tien jaar geleden had ik soms het gevoel dat ik als ecologisch econoom een einzelgänger was. Vandaag praten economen overal ter wereld over post-growth of postgroei, dat duurzame economische model dat niet langer gebaseerd is op grenzeloze groei.”

Off the record hoor ik steeds vaker de verzuchting dat we te laat tot het besef gekomen zijn dat er grenzen aan de groei zijn.

“Dat besef kwam inderdaad rijkelijk laat, maar laat ons hopen dat het niet té laat is. Het heeft niet veel zin om ervan uit te gaan dat we op een onomkeerbaar hellend vlak zitten en dus sowieso verdoemd zijn. There’s a game to play, so let’s play it.”

Velen vinden de coronacrisis een uitgelezen kans om ons economisch systeem te resetten. U ook?

“Zeker. Het voorbije jaar pasten we ons gedrag trouwens al zeer ingrijpend aan. Onze beslissing om de economieën te sluiten en in lockdown te gaan, werd ingegeven door onze bezorgdheid over onze gezondheid in plaats van over onze rijkdom. Welbevinden won het eindelijk van geld.”

Ons snelle en kordate ingrijpen tegen corona verschilt toch immens met hoe we die andere dreiging, de klimaatverandering, aanpakken?

“De impact van het opwarmende klimaat lijkt niet zo acuut en is gespreid in tijd en ruimte. Wat niet wil zeggen dat wij daar nu nog niets van merken, al valt het hier in het rijke Westen voorlopig best mee. De grootste ellende is op dit moment voor arme landen in het zuiden.

“Het is niet zo dat we onwetend zijn. Integendeel, we weten perfect wat er zich aan het afspelen is. De wetenschap waarschuwt ons al een hele tijd dat de gevolgen van de klimaatverandering veel erger en ingrijpender zullen zijn dan dit coronavirus. 2019 leek met de massale protesten en de acties van klimaatjongeren een belangrijk scharnierjaar te worden in de bewustmaking van de publieke opinie. Ze leken ook eindelijk gehoor te krijgen bij politici. Voor het eerst in mijn leven had ik het gevoel dat de kentering was ingezet en dat steeds meer mensen zich bewust werden van dat klimaatprobleem. Voor het eerst in jaren leek het alsof de politiek bereid was te luisteren. Paradoxaal genoeg veegde corona in de lente van 2020 dat hard bevochten besef van urgentie helemaal weg. Begrijp me niet verkeerd, dat virus wás ook een groot onverwacht probleem dat meteen aangepakt moest worden. Regeringen hadden geen andere keuze dan de gezondheid van hun burgers zoveel mogelijk te beschermen.”

De manier waarop regeringen nu wereldwijd zeer ingrijpende maatregelen nemen, bewijst meteen ook hoe machtig overheden kunnen zijn?

“Zonder twijfel. Dit blaast alle mythes over ‘overbodige overheden’ weg. Het bewijst het failliet van stellingen als: ‘regeringen moeten de economie laten begaan’, of: ‘de staat moet zich niet bemoeien met de zorg.’ Al die lofzangen over de privésector die alles moet overnemen en alles zoveel beter kan organiseren, klinken nu ontzettend vals.

“Na jaren van neoliberalisme en financiële gestrengheid beleven we ook de terugkeer van de ideeën van de Britse econoom John Maynard Keynes (1883-1846). Door in deze tijden van nood massaal geld te lenen en uit te geven verzacht de overheid de schokken van de crisis. Corona wekt zelfs de in Rusland geboren Britse econoom Abba Lerner (1903-1982) opnieuw tot leven. Zijn theorie over functionele financiering, de monetaire mogelijkheid van regeringen om ons welzijn en de economie te financieren, werd de voorbije maanden zowat elke dag in de praktijk gebracht. Vooral in april en mei pompten de centrale banken rechtstreeks geld in de economie. Volgens Lerner is geld een schepping van de staat en mag ze daarom gul zijn met het te investeren in het welzijn van de burgers. Vandaag wordt dus ook de mythe weggeblazen over waar geld vandaan komt en wie daar zeggenschap over heeft. Dat is niet Wall Street of de City, maar de staat via haar centrale bank. Ik vrees alleen dat eens deze crisis voorbij is, Keynes en Lerner als brave hondjes terug in hun mand zullen gestuurd worden. Terwijl het nu inderdaad hét moment is om door te zetten en dat op groei gebaseerde economische systeem te resetten naar een duurzaam model.”

Speelt geld dan geen enkele rol? Het is toch moeilijk te vatten dat de overheid al die extra miljarden probleemloos en ongestraft kan blijven uitgeven?

“Geld is vandaag spotgoedkoop: nu is hét moment om te investeren. De ideologie dat geld niets meer is dan rentedragende schuld, wordt door de coronapandemie van tafel geveegd. We weten nu dat overheden wel degelijk massaal kunnen investeren, zolang ze dat maar willen.”

Nogal wat economen stellen dat in tijden van acute crisis eenmalige uitgaven geen probleem hoeven te zijn, op voorwaarde dat er achteraf economische groei is die hoger is dan de rente.

“Ik ben het daar niet mee eens. Het gaat hier niet over investeringen in het extra opkrikken van ‘hoge productiviteit’, maar over investeringen in de levenskwaliteit van burgers, de zogenaamde sectoren van ‘lage productiviteit’. Het gaat dus over geld stoppen in gewone infrastructuur die het leven van mensen zal beschermen en hen een beter bestaan schenkt, niet in hightech die het consumentisme tot ongekende hoogten moet helpen opdrijven. Klassieke keynesiaanse economen trappen jammer genoeg ook altijd in de val van het mantra van de oneindige economische groei. Dat is dodelijk: onze planeet kan die jacht naar opgedreven productie en consumptie gewoon niet meer aan.”

Wat is het alternatief? Dat we met al die schulden leren leven?

“Ja, dat geldt zeker voor overheden. Schulden zijn part of the job. Misschien moeten we het niet langer schulden noemen, maar een verplichting die de overheid heeft ten opzichte van de samenleving. Die zogenaamde ‘schulden’ zijn onderdeel van het sociaal contract tussen een regering en haar burgers. De overheid verplicht zich ertoe goed voor haar burgers te zorgen. Dus moet ze daarin investeren.”

Volgens het Verdrag van Maastricht uit 1992 mag de staatsschuld niet meer dan 60 procent van het BBP bedragen.

“Corona zet dat verdrag definitief op losse schroeven. Het zou goed zijn als het heronderhandeld werd. Staten moeten de vrije hand krijgen in het financieren van zichzelf via hun centrale banken. Precies dat mechanisme heeft ons op het hoogtepunt van de eerste lockdown gered.”

Is dat de belangrijkste les die u uit de coronacrisis trekt?

“De belangrijkste les is dat gezondheid belangrijker is dan rijkdom. Dat wil dan ook zeggen dat ons toekomstige economische systeem niet op rijkdom gebouwd mag zijn, maar op de volksgezondheid. In het Verenigd Koninkrijk, maar ook in veel andere rijke westerse landen woedt er een heuse obesitasepidemie. Wereldwijd vallen er volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) momenteel meer doden door overvoeding dan ondervoeding. Dat illustreert perfect dat het heersende model van ‘meer, meer, meer’ tot vreselijke welvaartsziektes leidt. Waarmee ik niet wil zeggen dat we naar ‘te weinig’ moeten streven, maar naar het juiste, naar het gerechtvaardigde. Een economisch model gebaseerd op evenwicht is veel verstandiger dan een model gebaseerd op ‘meer’. Als je genoeg hebt, is ‘meer’ hét recept voor een ramp.

“Een andere belangrijke les is dat we in de toekomst beter moeten zorgen voor het levensonderhoud van mensen. Want deze crisis sloeg van de ene dag op de andere het inkomen van veel gezinnen weg.”

In België krijgen bedrijven, cafés, restaurants en winkels die door de lockdown moesten sluiten, overheidssteun. Hun werknemers ontvangen een tijdelijke werkloosheidsuitkering.

“Dat is prima, want zo zorgt jullie regering voor sociale stabiliteit. Om die stabiliteit ook in de toekomst te kunnen blijven garanderen, moet er op een of andere manier toch een herverdeling van de inkomens komen.

“De lockdowns zetten het mes op de keel van onze regeringen: plots beseffen ze dat ze ervoor moeten zorgen dat de basisbehoeften van hun burgers gelenigd worden. Op dit moment weten we niet hoe snel de economie zal herstellen. Het is ook nog lang niet duidelijk welke sectoren het zwaarst getroffen zullen zijn. Wél duidelijk is de verantwoordelijkheid van de overheden om hun burgers te blijven beschermen. Maatregelen zoals die tijdelijke werkloosheid, ondersteuningspremies voor kleine bedrijven, schuldkwijtscheldingen en vormen van uitstel van betaling, mogen ook na de vaccinatiecampagne niet op de schop. Ze moeten voortaan vast tot het repertoire behoren van hoe een overheid in tijden van nood haar burgers bijstaat.

“Nog iets dat we nooit meer mogen vergeten: tijdens de lockdown ontdekten we hoe levensbelangrijk sociale contacten zijn. Velen onder ons hadden dat uit het oog verloren en geloofden ten onrechte dat levensgeluk gebouwd wordt op shoppen en consumeren.”

Veel mensen raken de lockdowns beu en verlangen ernaar om hun centen terug in shoppingcentra te kunnen laten rollen.

“Ik ben die lockdown ook beu, hoor. Ik wil hem niet romantiseren en ik roep niet op om hem voor eeuwig te laten voortbestaan. Maar dankzij die lockdown ontdekten we wel het plezier van wandelen door de natuur. De tijd vertraagde en de files krompen. We werden verplicht tot een kluizenaarsbestaan en ontdekten zo hoe hard we familie en vrienden missen. We kwamen erachter dat sociale interactie ons bestaan kruidt. Ik geloof echt dat velen zich nu voornemen om na corona veel meer tijd vrij te maken voor hun geliefden.”

Tenzij ze meteen de ratrace van voor corona hervatten.

“Het is inderdaad heel goed mogelijk dat het direct terug business as usual wordt. Dat zou heel jammer zijn. Gelukkig zijn er ook andere voortekenen. In het Verenigd Koninkrijk is de infrastructuur van elke stad op het lijf gesneden van koning auto. Tijdens de eerste lockdown stokte het autoverkeer en werden veel straten opgeëist door wandelaars en fietsers. Dat gebeurde ook in Farnham, de stad waar ik woon. De schaarse auto’s pasten hun snelheid gedwee aan. De stadsbewoners genoten daarvan met volle teugen. Na die lockdown barstte er een levendig maatschappelijk debat los met vurige pleidooien om de stad voorgoed autoluw te maken. Veel stadsbesturen hebben daar oor naar, net als onze burgemeester. Hij wil van Farnham een voetgangers- en fietsersoase maken. Ik vind dat fantastisch, alleen de manier waarop laat te wensen over. Bij gebrek aan geld worden nu overal lelijke metalen plantenbakken geplaatst om de doorgang voor auto’s te bemoeilijken. Wat meteen bewijst dat een groeiend besef dat iets anders moet, niet volstaat. Er is ook geld nodig.”

Na deze crisis zal er sowieso massaal geïnvesteerd moeten worden in het herstel.

“Daar is zowat iedereen het over eens. Ik vind dat die investeringen nu in de eerste plaats moeten vloeien naar al die aspecten in ons leven waarvan we door corona ontdekt hebben dat zij er écht toe doen. Naar de zorg dus, maar ook naar kwetsbare gezinnen en duurzame en leefbare steden en dorpen. Niemand kan nu nog beweren dat dat een onbetaalbare utopie is. We hebben verdorie in rampjaar 2020 bewezen dat het kan. In een paar dagen tijd werden hele hospitalen omgebouwd, bedreigde ondernemingen en hun op non-actief geplaatste werknemers ontvingen steun, het luchtverkeer moest aan de ketting en files werden lamgelegd. We weten nu dat het perfect mogelijk is om de steven te wenden en dat er middelen genoeg zijn om al die veranderingen te ondersteunen.”

Wordt de steven gewend met de Europese Green Deal?

“De gesprekken die daar in het Europese parlement over gevoerd worden, zijn interessant en veelbelovend. Alleen moeten we nog zien hoe de Green Deal in de praktijk uitgevoerd zal worden. Wat ik alleszins zeer hoopgevend vind, is dat door de pandemie de toon veranderd is. Vóór corona was het allesoverheersende riedeltje: ‘Groei, groei, groei!’ Dat is intussen vervangen door begrippen als ‘welbevinden’, ‘herstel’, en ‘vernieuwing’. Die woorden verraden een andere, duurzamere blik op de economie. Het is vreselijk dat het Verenigd Koninkrijk daar geen deel meer van uitmaakt. Wij hebben geen enkel constructief alternatief om ons aan op te trekken.”

In april verschijnt uw nieuwe boek Post growth met als ondertitel: ‘Life after capitalism’. In een postgroei-economie wuiven we het kapitalisme vaarwel?

“Je zal mij niet horen beweren dat ondernemen, concurreren en proberen winst maken niet iets typisch menselijk is. Alleen valt kapitalisme niet gelijk met onze menselijke natuur; het is er slechts een deel van. Maar het probleem is dat in onze westerse samenleving precies dat kapitalisme allesoverheersend werd. Dat ene onderdeeltje van wat ons tot mensen maakt, werd de basis van zowat al onze relaties of organisaties. Het werd de drijvende motor van heel onze economie. Precies die institutionalisering van dat kleine deel van wie we zijn, ondermijnt ons.”

Moeten we dan afscheid nemen van onze ‘drang’ om met anderen te concurreren?

“Niet helemaal. Want het valt gewoon niet te ontkennen dat we een egoïstische, op competitie ingestelde vechten-of-vluchtenreflex bezitten. Maar daarnaast huist er ook een sociaal, altruïstisch wezen in ons. Die twee kanten van onszelf zitten in een permanente strijd verwikkeld. De sporen en effecten van die twee tegenstellingen vind je overal in onze samenleving terug. We zitten voortdurend gewrongen tussen onszelf en de andere, net als tussen innovatie en traditie. We worden verscheurd tussen die tegenstellingen. Het kapitalisme heeft ons één richting uitgedreven: die van de nieuwigheden najagende egoïst. Het vergrootte één derde van onze psyche uit en verwaarloosde al de rest. Met alle verschrikkelijke gevolgen van dien.”

Bio

Tim Jackson

  • Geboren in 1957
  • Professor duurzame ontwikkeling aan de universiteit van Surrey
  • Directeur van het Centre for the Understanding of Sustainable Prosperity (CUSP)
  • Auteur van Welvaart zonder groei (2009 – 2017) en van het in april 2021 te verschijnen Post Growth

(c) Jan Stevens

‘In sommige buurten durven vrouwen zich niet meer te vertonen’

Vijftien jaar geleden verhuisde de met de dood bedreigde islamcriticus Ayaan Hirsi Ali (51) van Nederland naar de VS. Daar ruilde ze de politiek in voor een conservatieve denktank. Ook in haar nieuwe boek Prooi gaat ze de confrontatie niet uit de weg. “Belaagde vrouwen uit achterstandswijken krijgen minder sympathie dan Hollywood-actrices die door hitsige producenten seksueel geïntimideerd worden.”

In 2002 verscheen Ayaan Hirsi Ali’s debuut De zoontjesfabriek. Daarin beschreef ze hoe zij als negenjarig moslimmeisje in Somalië voorbestemd was zoveel mogelijk zonen te baren. “Een moslimvrouw heeft meer status naarmate ze meer zonen heeft. Als mijn oma werd gevraagd hoeveel kinderen ze had, zei ze: ‘Eén.’ Ze had negen dochters en één zoon. Ik werd daar wanhopig van.”

Hirsi Ali’s striemende kritiek op de discriminatie van vrouwen in de moslimgemeenschap leverde haar doodsbedreigingen op. Ze kreeg permanente politiebescherming, ging in de politiek en werd bij de Nederlandse verkiezingen van 2003 kamerlid voor de liberale partij VVD. Een jaar later draaide ze samen met regisseur Theo Van Gogh de film Submission, over de positie van vrouwen in de islam. Op de ochtend van 2 november 2004 werd Van Gogh vermoord. Dader Mohammed Bouyeri spietste op het lichaam van zijn slachtoffer een brief met een aan Hirsi Ali gerichte doodsbedreiging. Zij dook een tijd onder.

Na heisa over fouten in haar asielaanvraag van 1992, wuifde ze in 2006 de politiek vaarwel en verhuisde naar de Verenigde Staten. “Hier word ik niet bedreigd”, zegt ze in een gesprek via Zoom over haar nieuwe boek Prooi. “Al is er nog steeds beveiliging. In dit grote land leef ik veel anoniemer dan in Europa. Hier kan ik ook ongestoord werken.”

Haar vaste werkplek is het conservatieve Hoover Institution aan Stanford University, Californië, waar ze als ‘research fellow’ onder andere de politieke islam onder de loep neemt. Prooi vormt de neerslag van haar recente onderzoek. Ook nu schuwt ze de controverse niet. Volgens Ayaan Hirsi Ali holt de vluchtelingenstroom vanuit islamitische samenlevingen naar Europa de vrouwenrechten uit. “Recent aangekomen vluchtelingen met een islamachtergrond vallen vrouwen lastig”, zegt ze. “Daar verschenen vóór mijn boek hier en daar al artikels over. Alleen durft niemand er openlijk over te praten uit angst voor racist of extreemrechts te worden uitgemaakt. Terwijl het niet over geïsoleerde incidenten gaat. Er is wel degelijk een structureel probleem met immigratie uit landen met een moslimmeerderheid. Die heeft als gevolg dat de rechten van álle vrouwen bedreigd worden en niet alleen die van migrantenvrouwen.”

Dat probleem vergrootte volgens u door de vluchtelingencrisis van 2015?

“Het dateert al van veel eerder, alleen kon het na 2015 nog moeilijk worden verborgen. Ook in België zijn er veel getuigenissen van vrouwen die zich onveilig voelen in de publieke ruimte. De meeste daders zijn migrantenmannen. Na 2015 steeg het aantal meldingen en daardoor ook het gevoel van onveiligheid.”

In uw boek lijst u de cijfers van Eurostat op over onder andere aanranding. Voor 2016 noteert u voor België een stijging met 10,8 %, voor Denemarken 34,4 %, voor Engeland en Frankrijk meer dan 10 % en voor Duitsland 6,1 %.

“Uit onderzoek van de Duitse federale recherchedienst blijkt dat het aandeel niet-Duitsers onder verdachten van seksueel geweld steeg van 18 % in 2014 tot 29 % in 2018. In 2016 werd een nieuwe categorie ingevoerd: ‘verkrachting, gedwongen seks en aanranding in buitengewoon ernstige gevallen met onder meer de dood als gevolg’. Dat jaar en de twee jaar daarna waren in bijna twee vijfde van alle gevallen de verdachten niet-Duitsers. Hoewel het aantal gevallen van seksueel misbruik met ongeveer 22.000 per jaar constant bleef, steeg het aandeel niet-Duitse daders van 15 % in 2014, tot 23 % in 2016. Ik concludeer daaruit dat er een ernstig probleem is dat dringend aangepakt moet worden. Al is er ook diepgaander, grondiger onderzoek nodig. Maar ik vermoed nu al dat velen zullen schrikken van de resultaten.”

U vindt dat we niet van de ‘ongemakkelijke waarheid’ houden?

“Precies. Dat komt omdat we schroom voelen voor mensen die uit oorlogszones zijn weggevlucht. Vaak maakten ze afschuwelijke dingen mee en hun vlucht was niet van de poes. Probeer het u eens voor te stellen: een overtocht over de Middellandse Zee in een overladen wankele rubberboot. Sommigen zagen vrienden of medevluchtelingen sterven. We voelen medelijden en willen niet stigmatiseren. We zoeken een moreel excuus voor hun gedrag. Alleen zijn de vrouwelijke slachtoffers daar niet mee geholpen.

“Veel vluchtelingen komen uit islamitische samenlevingen waar vrouwen ingedeeld zijn in categorieën als goed of slecht, zedig of onzedig, deugdzaam of verdorven. In landen als Syrië, Afghanistan, Somalië en zelfs Senegal wordt van vrouwen verwacht dat ze zich zedig en deugdzaam gedragen. Ze mogen nooit in hun eentje op stap en moeten plekken vermijden waar ze in problemen kunnen raken. Wie zich als vrouw niets van die regels aantrekt, is slecht. De mannen zijn het gewoon om de onbeschermde ‘slechte vrouwen’ de volle laag te geven. Vervolgens komen zij in Europa aan. In de westerse samenleving zien ze al die vrije vrouwen die hun huis verlaten zonder mannelijke toestemming. Ze gaan uit werken, joggen door de straten van de stad, duwen hun baby in een kinderwagen door het park. Zoiets hebben die mannen nog nooit gezien.”

Toch niet elke uit Syrië, Irak of Afghanistan weggevluchte man heeft een vertekend vrouwenbeeld?

“Dat klopt. Het is niet omdat je als man moslim bent of een immigrant uit de moslimwereld, dat je een bedreiging voor vrouwen vormt. Niet alle migrantenmannen die de voorbije jaren naar Europa kwamen, misdragen zich, maar daar staat tegenover dat de meeste daders wél immigranten zijn. Niet alle daders met een migrantenachtergrond zijn moslim, maar de meerderheid is dat wel.”

Er wordt toch ook veel geweld tegen vrouwen gepleegd door mannen zonder moslimachtergrond?

“Natuurlijk leert de recente geschiedenis ons dat seksueel geweld tegen vrouwen ook zonder de islam voorkomt. Verkrachting en aanranding zijn universeel. Denk maar aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen het Rode Leger Duitsland binnenviel en Sovjetmilitairen als vergelding talloze Duitse vrouwen verkrachtten. Of aan de Bosnische oorlog in de jaren negentig, toen moslimvrouwen door leden van Servische paramilitaire eenheden verkracht werden. De internationale vrouwenhandel wordt vandaag trouwens gecontroleerd door niet-islamitische criminele bendes uit vooral Azië, Rusland en Latijns-Amerika.

“Maar in de Noord-Europese landen werden de voorbije decennia wel ernstige maatregelen genomen om het seksuele geweld tegen vrouwen in te dijken. In juli 1992 kwam ik als 22-jarige Somalische vrouw op de vlucht toe in Nederland. Ik herinner me hoe verrast ik was over de vrijheid die de Nederlandse vrouwen genoten en over hoe veilig zij zich op straat voelden. Ik was opgegroeid met het besef dat ik het doelwit werd van mishandeling als ik blootshoofds en zonder mannelijke begeleiding het huis verliet. Maar in Nederland zag ik al die jonge vrouwen zonder man op straat, op de bus en op café, hun haren los in de wind. Net dat is veranderd: in sommige buurten durven vrouwen zich nu gewoon niet meer te vertonen omdat ze voortdurend door mannen worden lastiggevallen en uitgescholden.”

Zijn al die mannen vluchtelingen? Mijn oudste zoon en zijn vriendin wonen in de buurt van het Brusselse Zuidstation. Als mijn schoondochter alleen op straat loopt, krijgt ze af en toe een denigrerende opmerking naar het hoofd geslingerd. Niet door pas gearriveerde Syriërs, maar door geboren en getogen Brusselaars.

“Ik beweer ook niet dat het probleem enkel terug te voeren is tot de vluchtelingencrisis van 2015. Ook daarvoor waren vrouwen niet veilig in sommige wijken. Sofie Peeters legde dat in 2012 vast in haar film Femme de la Rue, toen ze met een verborgen camera door het centrum van Brussel liep. Ook in Nederlandse steden als Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Groningen werden vrouwen nog voor 2015 lastiggevallen door jongemannen die in Nederland geboren en getogen zijn. Ze riepen meisjes schunnige opmerkingen toe of betastten ze. Ze opereerden altijd in groep en sommigen waren amper twaalf jaar oud.”

Is hun gedrag ook verbonden met hun religie?

“Dat heeft alleszins te maken met het feit dat ze niet gesocialiseerd zijn om vrouwen te respecteren. Als een autochtone man zich aan seksueel geweld en aanranding te buiten gaat, staan de kranten daar bol van. Hij belandt dan waarschijnlijk in de gevangenis en eindigt zonder vrienden. De kans is groot dat de mensen uit zijn omgeving hem laten vallen als een baksteen. Dat geldt niet voor allochtone mannen met roots in Noord-Afrika of het Midden-Oosten. Hun gemeenschap zal hen niet als een paria behandelen als zij voor seksueel geweld veroordeeld worden. Integendeel, hun kennissen vinden dat die vrouw maar niet op die plaats had moeten zijn. Ze moest maar niet in een straat gaan wandelen waar mannen haar konden nafluiten of aanranden.

“In al die Europese landen die veel moslimmigranten opnamen, wordt het islamisme intussen populairder. Organisaties zoals de Moslimbroederschap krijgen er voet aan de grond. Die groeperingen zijn paradoxaal genoeg trouwens ook de eerste om toe te geven dat veel mannelijke moslimmigranten zich tegenover vrouwen misdragen. Maar hun oplossing is dan dat de vrouwen zich moeten bedekken en dat er geen alcohol meer in cafés verkocht mag worden. Het gaat nooit over het socialiseren van daders en het veranderen van hun gedrag. Nee, het is altijd de fout van het slachtoffer, of van de westerse samenleving die alcohol tolereert.”

U vindt dat wij te tolerant zijn tegenover mannen die zich tegenover vrouwen misdragen?

“Veel Europese landen die vroeger kolonies hadden, zoals België en Nederland, worstelen met een diepgeworteld schuldgevoel. Zo ook die landen die indertijd actief waren in de slavenhandel, of die recenter de oorlogen in Afghanistan of Irak steunden. Dat schuldgevoel zorgt ervoor dat we inderdaad medelijden hebben met al die mannen die zich misdragen. Telkens wanneer ik dat onderwerp bij beleidsmakers aansnij, gooien zij hun armen wanhopig in de lucht, terwijl de oplossing heel simpel is: integratie. Die jonge mannen moeten gesocialiseerd worden: ze moéten zich aanpassen aan de waarden van het land dan hen opneemt.

“Journalisten, politici en academici repliceren dan altijd: ‘Integratie moet van beide kanten komen. Niet alleen zij moeten zich aanpassen aan onze samenleving, ook wij moeten oog hebben voor hun waarden.’ In feite komt het er dan op neer dat zij hun waarden mogen behouden. In Nederland wordt dat ‘integratie met behoud van eigen identiteit’ genoemd. In de realiteit wil dat zeggen dat vrouwen behandeld blijven worden zoals in het land van herkomst. Dat is toch onzin? Intussen worden er geen échte integratieprogramma’s ontwikkeld waardoor die jongemannen zich leren aanpassen aan de waarden van Duitsland, Nederland of België. Zo loopt die toestand nóg verder uit de hand.”

Hoe moet de overheid nieuwkomers volgens u dan concreet aanpakken?

“Integratieprogramma’s kunnen pas werken als er consequenties aan vast hangen. Een land als Oostenrijk neemt integratie wel heel ernstig. Wie daar niet op de cursus opdaagt, verliest zijn uitkering en zijn identiteitskaart en moet zelfs het land verlaten. De Oostenrijkse overheid is zeer streng en dat rendeert, want alle jonge mannen én vrouwen zijn altijd netjes op de afspraak. Ze volgen trouw de taal- en waardenlessen. Ze hebben niet voor niets die lange, risicovolle gevaarlijke weg naar het Westen afgelegd. Teruggestuurd worden, is het laatste wat zij willen.”

Is integratie voor u hetzelfde als assimilatie?

“In de VS heet dat inderdaad gewoon assimilatie. De redenering daarachter is dat je aan de wetten, normen en waarden van het land zál gehoorzamen. Dat gaat dan over zowel de geschreven als ongeschreven wetten en regels van een samenleving. Dat wil niet zeggen dat mensen hun rituelen moeten afzweren of hun geloof aan de kant moeten zetten. Natuurlijk mag een moslim de ramadan volgen of bidden in de moskee. Niemand wil dat afnemen. Je mag je blijven kleden zoals je wil en je voedsel bereiden als vanouds. De kern van de zaak is dat gedrag onaanvaardbaar wordt van zodra het de vrijheden van anderen belemmert of in het gedrang brengt. Zoals vrouwen op straat lastigvallen en terroriseren zodat ze zich bang in hun huizen terugtrekken.”

Was u ooit zelf slachtoffer van dergelijk gedrag?

“Ja, na mijn aankomst in Nederland. In de zomer van ’92 werd ik in een asielzoekerscentrum in de gemeente Lunteren ondergebracht. Ik verbleef er in een caravan met nog drie andere vrouwen. Van zodra ik naar buiten stapte, werd ik voortdurend door mannelijke migranten lastiggevallen. Ze riepen obsceniteiten en vroegen om ‘gunsten’. Het leek alsof ik als migrantenvrouw één van hun prooien was. Halverwege de jaren negentig geloofde ik nog dat hun gedrag beperkt bleef tot hun eigen gemeenschappen. Ik kan me ook nog discussies herinneren met jonge Marokkanen die uit discotheken gegooid werden omdat ze zich daar tegenover jonge vrouwen misdragen hadden. ‘Die racisten laten ons niet binnen’, was dan hun verweer. ‘Die club wil ons niet omdat we Marokkaan zijn.’ Terwijl dat natuurlijk niet het hele verhaal was.”

Racisme is er nochtans wél een groot deel van. Diezelfde oudste zoon van mij heeft een goede vriend met Tunesische roots. Mijn zoon was al heel vaak getuige hoe die jongen in Antwerpse cafés de toegang botweg geweigerd wordt. Of hoe hij out of the blue uitgescholden wordt.

“Ik heb zo’n dingen ook gezien en dat is inderdaad niet oké. We moeten dus zeker praten over hoe we dergelijk racisme willen aanpakken.

“Ik herinner me uitstappen met vrienden naar Wageningen. Die stad heeft een asielcentrum in de buurt en een internationaal bekende universiteit. Het is dus een plek die het gewoon is om mensen van over de hele wereld te ontvangen. Wangedrag tegenover vrouwen werd er niet aanvaard. Wie op café of in een discotheek meisjes lastigviel, werd eruit gegooid. Terecht, natuurlijk. Maar misschien had er toen ook een debat moeten volgen over de essentie van de zaak: waarom misdragen die jongens zich? In plaats daarvan volgde er een vorm van etnisch profileren, waarbij mensen van Noord-Afrikaanse origine automatisch de deur voor hun neus kregen. Dat is natuurlijk geen oplossing voor het échte probleem. Dat los je op met integratieprogramma’s waar mannen hun handen leren thuishouden en op hun woorden leren letten.”

In Prooi waarschuwt u dat alt-right en populisme het zullen overnemen als we niets ondernemen tegen deze vorm van seksueel geweld tegen vrouwen. Maar volgens sommigen behoort Ayaan Hirsi Ali zelf tot radicaal-rechts.

“Dat is dan dom van hen. (lacht) Ik word al heel lang door dezelfde figuren in dat radicaal-rechtse vak gestopt. Dat is al zo sinds ik strijd voer tegen vrouwenbesnijdenis, kind- en dwanghuwelijken en eremoorden. De mensen die altijd meteen ‘Alt-right!’ beginnen roepen, zijn net degenen die ‘alt-right’ een stevige duw in de rug geven. Want door elk debat over een gevoelig onderwerp in de kiem te smoren, geven we net al die populistische en radicaal-rechtse partijen wind in de zeilen. Zij kunnen zich dan presenteren als de enigen die het aandurven om vrijuit over onderwerpen zoals migratie, islam en integratie te spreken. Zo worden ze voor veel kiezers alleen maar aantrekkelijker.”

Wat vindt u van de ‘omvolkingstheorie’ van extreemrechts die stelt dat een liberale elite bewust beleid voert om door migratie de oorspronkelijke bevolking te vervangen?

“Als nieuwkomers uit Noord-Afrika of het Midden-Oosten op een goede manier geïntegreerd worden, is er van ‘omvolking’ helemaal geen sprake. Extreemrechtse begrippen als ‘omvolking’, ‘vervanging’ en ‘deportatie’ zijn nonsens. Centrumpartijen van zowel links als rechts moeten nu wél dringend beginnen praten over het assimileren van minderheden. Assimilatie is een prioriteit: er moet geld voor vrijgemaakt worden en er moeten programma’s ontwikkeld worden. Alleen zo raken steeds meer burgers ervan overtuigd dat hun land verder kan als multi-etnische natie. Op voorwaarde natuurlijk dat de westerse beschaving de overheersende cultuur blijft. Dat wil zeggen: een samenleving waar de mensenrechten centraal staan. Met gelijke rechten voor mannen en vrouwen, waar vrouwen en homo’s zich veilig voelen en antisemitisme geen kans maakt. Een maatschappij zonder racisme in wat voor vorm ook.

“Het is echt hoog tijd voor actie. In de jaren 90 waren we er beter aan toe dan nu, toen het aantal migranten nog lager lag. Maar we maakten één grote fout: we geloofden dat met een beetje geduld alles wel goed zou komen en lieten na om te investeren in ernstige assimilatieprogramma’s. We lieten toe dat migrantenvrouwen in huwelijken gedwongen werden en dat meisjes niet naar school mochten. We keken liever de andere kant op en maakten onszelf wijs: dat lost zich wel vanzelf op. Net het omgekeerde gebeurde: de toestand verslechterde. De coronacrisis leert ons nu dat de overheid flink wat macht heeft. Ze houdt ons al een jaar in lockdown met strikte maatregelen die onze vrijheden inperken. Ze kan dus ook heel makkelijk een doortimmerd assimilatieprogramma lanceren. De migrantenpopulatie die voor zo’n programma in aanmerking komt, is nu ook weer niet zo immens. In veel landen gaat het om 5 % van de bevolking, in sommige om 1 % en bij een paar over bijna 10 %. Dat is nog goed te behappen.”

U schrijft dat de erosie van vrouwenrechten door migratie niet enkel een kwestie is van religie of afkomst, maar ook van maatschappelijke klasse. Het is een soort van klassenstrijd?

“De autochtone vrouwen die slachtoffer zijn van die ongewilde gevolgen van immigratie, wonen in de sociale woonwijken met lage inkomens. Zij kunnen niet aan de seksuele vergrijpen en misdragingen ontsnappen, want ze hebben de middelen niet om te verhuizen naar veiliger buurten.”

We laten ze aan hun lot over?

“Dat vind ik wel. Dat is toch tragisch? Ikzelf kwam in 1993 in zo’n wijk in Ede terecht. Toen voelden de autochtone vrouwen zich op straat helemaal niet belaagd of onveilig. Dat is totaal veranderd. In het huidige #MeToo-tijdperk krijgen bedreigde vrouwen uit achterstandswijken veel minder sympathie dan de Hollywood-actrices die seksueel geïntimideerd worden door hitsige producenten, ceo’s en tv-ankers. Voor alle duidelijkheid: ik heb geen probleem met #MeToo, integendeel. Het is een goede zaak dat daders à la Harvey Weinstein gestraft zijn. Maar alleen de seksueel belaagde vrouwen uit de hogere klassen kregen genoegdoening. Intussen laten we toe dat vrouwen uit de laagste klassen continu dezelfde vernederingen ondergaan.”

In haar futuristische roman The handmaid’s tale schetst schrijfster Margaret Atwood hoe een deel van Amerika is overgenomen door uiterst-rechtse evangelische christenen. In hun nieuwe republiek Gilead hebben ze vrouwen gereduceerd tot broedmachines voor zonen. U vindt dat de vele fans van het boek en de gelijknamige tv-serie zich van vijand vergissen?

“Atwoods roman dateert van 1985 en toen ik The handmaid’s tale voor het eerst las, geloofde ik oprecht dat ze het over de islamitische republiek Iran had. De verhalen die gevluchte Iraanse mannen en vrouwen over de machtsovername door de ayatollahs vertellen, lijken als twee druppels op het verhaal van de installatie van Gilead. In de jaren zeventig droegen rijke Perzische vrouwen hotpants en broeken met wijde pijpen. Ze dansten op psychedelische popmuziek en konden in Teheran gaan en staan waar ze wilden. Natuurlijk was de sjah geen democraat. Hij voerde een autocratisch en repressief beleid, maar wat er na de islamitische revolutie in 1979 in zijn plaats kwam, is een regelrechte nachtmerrie. Iraanse vrouwen die het nu aandurven om in het openbaar te dansen of zonder hidjab de straat op te gaan, worden door de religieuze politie Basij opgejaagd en in de gevangenis gezet. Margaret Atwood beschrijft heel goed hoe het er in zo’n islamitische republiek aan toegaat. Alleen was ze volgens mij toen te bang om het over Iran te hebben, en daarom verzon ze het door een groep radicale christenen geleide Gilead. Het is altijd heel makkelijk om radicale christenen op de korrel te nemen. Je loopt dan ook geen enkel risico, want zij vormen helemaal geen bedreiging.”

Is dat zo? De terrorist Brenton Harrison Tarrant bijvoorbeeld, stak de radicaal-christelijke inspiratie voor zijn dodelijke raid op een moskee in Christchurch niet onder stoelen of banken.

“Natuurlijk zijn er gewelddadige radicaal-christelijke splintergroepen, maar nergens op aarde vind je een ‘christelijke republiek’ waar Gilead uit The handmaid’s tale in de praktijk wordt gebracht. In de islamitische republiek van Iran gebeurt dat wel, net als in het koninkrijk Saoedi-Arabië. Er zijn nóg landen met een moslimmeerderheid die ooit seculier geleid werden, waar nu de sharia geldt. Ik heb minder schrik van radicale christenen dan van radicale moslims. De politieke islam is de ‘olifant in de kamer’. Maar wie daarnaar durft te verwijzen, krijgt meteen het label ‘islamofoob’ opgespeld.”

Bio

Ayaan Hirsi Ali

  • Geboren in 1969 in Mogadishu, Somalië
  • Kreeg in 1992 politiek asiel in Nederland
  • Zat van 2003 tot 2006 in het Nederlandse parlement voor de VVD
  • Ontpopte zich tot een felle islamcriticus
  • Vertrok in 2006 naar de Verenigde Staten
  • Is verbonden aan het Hoover Institution van Stanford University
  • Haar autobiografie Mijn vrijheid (2006) werd een internationale bestseller
  • Is getrouwd met de Britse historicus Niall Ferguson

Ayaan Hirsi Ali, Prooi – Immigratie, islam en de erosie van vrouwenrechten, Atlas Contact, 342 blzn., 22,99 euro

(c) Jan Stevens

‘Systematisch verkrachten is gruwelijk efficiënt’

Oorlogsjournalist Christina Lamb verzamelt in haar verontrustende boek Ons lichaam, jullie slagveld getuigenissen over verkrachting als oorlogswapen. “Systematische verkrachting is gruwelijk efficiënt en spotgoedkoop.”

De voorbije 33 jaar bracht Sunday Times-buitenlandcorrespondent Christina Lamb (55) verslag uit van conflicten over de hele wereld. Ze was amper 22 toen ze in 1987 van Birmingham verhuisde naar Afghanistan. Daar versloeg ze de strijd van de Moedjahedin tegen de troepen van de Sovjet-Unie. Twee jaar later werd ze uitgeroepen tot Young Journalist of the Year.

Lamb was oorlogscorrespondent in onder andere Bosnië, Syrië en Irak. Ze won 15 belangrijke internationale journalistieke onderscheidingen, inclusief de Prix Bayeux, Europa’s belangrijkste prijs voor oorlogsverslaggeving. In 2015 riep Amnesty International haar uit tot Newspaper Journalist of the Year voor haar berichtgeving vanuit detentiecentra voor vluchtelingen in Libië.

In het naar de keel grijpende Ons lichaam, jullie slagveld verzamelt Christina Lamb getuigenissen van vrouwen die wereldwijd slachtoffer werden van verkrachting in oorlogstijd. “Dit boek was héél moeilijk om te schrijven”, zegt ze. “In de inleiding verontschuldig ik me ook bij mijn lezers omdat de inhoud zo hard is.”

Een schrijver die zich bij voorbaat bij zijn lezers verontschuldigt, dat is toch ongewoon?

Christina Lamb: “Ik kan me goed voorstellen dat sommige passages bij veel mensen hard zullen aankomen. Ik schreef eerder al boeken over lastige onderwerpen, maar dit is mijn meest verstorende boek ooit. Om te vermijden dat ik er zelf aan onderdoor zou gaan, kon ik er maar een beperkte tijd van de dag aan werken. Als het voor de schrijver en de lezers al zo lastig is, wat moet het dan wel niet zijn voor al die seksueel misbruikte meisjes en vrouwen die mij hun verhaal toevertrouwden?”

Ze getuigen over hoe ze het slachtoffer werden van stelselmatige verkrachting als oorlogswapen. Daar wordt zelden over bericht?

“Dat is nog een écht taboe. Verkrachting in tijden van oorlog is niet iets nieuws. Je vindt er al sporen van terug bij de oude Grieken en Romeinen die elkaars vrouwen ontvoerden en mishandelden. Intussen zijn we gaan geloven dat we die praktijken achter ons gelaten hebben, maar dat is een illusie. In werkelijkheid gingen we er amper op vooruit. Want vandaag wordt verkrachting tijdens oorlogen systematisch ingezet, terwijl er vroeger helemaal geen systeem inzat. Soms was het niet meer dan profiteren van de chaos door de oorlog.

“De vrouwen in mijn boek zijn slachtoffers van daders met duidelijke instructies om te verkrachten. Ze gebruiken verkrachting als terreurwapen en als een instrument om wraak te nemen en te ontmenselijken.

“Ik was lang een van de weinige vrouwelijke journalisten die naar conflictgebieden trok. Dat is vandaag gelukkig veranderd. Steeds meer vrouwen zijn als oorlogsjournalist actief en dat is goed, want zij kijken met een andere blik naar oorlog dan hun mannelijke collega’s. Het is niet toevallig dat ik als vrouw dit boek over verkrachting als oorlogswapen schreef.”

Het feit dat de oorlogsjournalistiek zolang een mannenzaak was, zorgde ervoor dat er te lang veel te weinig aandacht voor verkrachting was?

“Precies. Oorlogen zijn altijd mannenzaken, net als de onderhandelingen om ze te stoppen. Daarom ook is er in vredesverdragen zo goed als nooit aandacht voor verkrachte en misbruikte vrouwelijke oorlogsslachtoffers. Vandaag wordt geen enkel vredesproces of -onderhandeling geleid door een vrouw. Meestal zijn vrouwen op die gesprekken zelfs niet toegelaten. Mannen nemen verkrachting in oorlogsomstandigheden niet ernstig. We hebben dan ook dringend nood aan vrouwelijke vredesonderhandelaars.

“Wat ook zou kunnen helpen, is een ander soort leiderschap in het westen. De vorige Amerikaanse president Donald Trump werd door 26 vrouwen van ongewenste intimiteiten beschuldigd, inclusief verkrachting. Als de belangrijkste man in het Witte Huis zelf een seksueel roofdier blijkt te zijn, wordt het heel moeilijk om vanuit het westen verkrachting als oorlogswapen aan te pakken. Met Joe Biden is er hoop op een nieuwe wind. Misschien slaagt hij erin van Amerika terug een voorbeeld voor de wereld te maken.”

Ook de nieuwe president wordt van verkrachting beschuldigd. Biden ontkent, maar het verhaal van de vrouw die beweert zijn slachtoffer te zijn, is niet op los zand gebouwd.

“Er is ook nog vice-president Kamala Harris. Als aanklager in Californië schonk zij veel aandacht aan verkrachting. Ze was toen erg doordrongen van de noodzaak aan gerechtigheid voor de slachtoffers van seksueel geweld. Misschien is het inderdaad beter om onze hoop in de eerste plaats op haar te richten.”

Na #MeToo in 2017 kwam er bij ons eindelijk meer aandacht voor seksueel geweld?

“U zegt het juist: bij óns, want die aandacht is er niet voor wat er zich in oorlogsgebied afspeelt. Begrijp me niet verkeerd, ik ben heel blij met #MeToo. Heel wat zaken die ik vroeger als jonge journalist van 21 als ‘normaal’ beschouwde, zijn nu totaal onaanvaardbaar. Ik begon als stagiaire bij de zender Central TV in Birmingham. De nieuwsdienst was een echte mannenclub die heel sceptisch stond tegenover jonge vrouwelijke journalisten. Vrouwen mochten enkel programma’s aankondigen. Ik kwam recht van de universiteit en elke keer als ik de nieuwsstudio binnenstapte, trok de hoofdredacteur zijn broek naar beneden om me zijn blote kont te tonen.”

Pardon?

“Jawel. Elke keer opnieuw toonde hij me zijn achterwerk. Het was mijn eerste job en ik durfde niets tegen die kerel te zeggen. Hij was immers mijn baas. Nu weet ik dat ik toen mijn mond had moeten opentrekken.”

In de zomer van 2016 ontmoette u in een vluchtelingenkamp op een Grieks eiland verschillende Jezidi-meisjes die door IS als sekslaaf waren misbruikt. U werd zich toen voor het eerst erg bewust van seksueel misbruik als oorlogswapen?

“Die ontmoetingen legden de basis voor dit boek, maar halverwege de jaren negentig werd ik al eens met verkrachting als oorlogswapen geconfronteerd toen ik in Bosnië was. In 75 kampen werden toen tussen de 20.000 en 50.000 vrouwen door Servische militairen en paramilitairen systematisch verkracht. Dat zorgde voor grote verontwaardiging in de internationale gemeenschap. Want hoe was het in godsnaam mogelijk dat zoiets zich eind 20e eeuw nog in het hart van Europa kon afspelen? Maar de verontwaardiging ebde weg, tot ik een kwart eeuw later die Jezidi-meisjes op het Griekse eiland Leros ontmoette. Ze verbleven er in een tot vluchtelingenkamp vertimmerd oud krankzinnigengesticht, op een stoffige zaal met roestige bedden. Het beeld van die diep verstoorde, gehavende meisjes is voor altijd op mijn netvlies gebrand.

“Tijdens onze allereerste ontmoeting wist ik niet wat hen was overkomen. Ze zagen er lief, mooi, onschuldig uit. Tot ze begonnen te vertellen over hoe hun vaders en broers gedood werden door IS. En over hoe zij ontvoerd werden en op een tot slavenmarkt vertimmerde oude cinemazaal in Mosul voor twintig euro werden verkocht aan IS-strijders. De jonge vrouwen werden eerst opgedeeld in ‘lelijk’ en ‘knap’ en vervolgens als seksslaven verhandeld. Ik had nog nooit zo’n afschuwelijke verhalen gehoord.”

Rond dezelfde tijd reisde u naar het noordoosten van Nigeria, naar Chibok waar Boko Haram op 14 april 2014 200 schoolmeisjes ontvoerde.

“Ik sprak met ouders, broers en zussen en ontdekte dat Chibok maar het topje van de ijsberg was. Tienduizenden meisjes bleken in dat deel van Nigeria ontvoerd te zijn om als seksslavin misbruikt te worden.

“In augustus 2017 stroomden vanuit Myanmar de Rohingya-vluchtelingen Bangladesh binnen. Ik reisde ernaartoe om verslag uit te brengen voor de krant. Opnieuw hoorde ik afschuwelijke verhalen van gevluchte Rohingya-vrouwen, slachtoffers van groepsverkrachtingen door soldaten.

“In twee jaar tijd kreeg ik een vloedgolf aan gelijkaardige gruwelverhalen te verwerken. Ik wou begrijpen wat er aan de hand is, waarom er nu door strijders, krijgers en soldaten van allerlei pluimage op zo’n grote schaal verkracht wordt. Ook daarom schreef ik dit boek.”

En vond u verklaringen?

“Eén van de voornaamste redenen is dat verkrachting gruwelijk efficiënt en spotgoedkoop is. Een van de vrouwen zei: ‘Verkrachten kost minder dan de kogels voor hun machinegeweer.’ Het is heel handig voor wie een gebied van de vijand wil ‘zuiveren’. Door de vrouwen te verkrachten, wordt een heldere boodschap naar de mannen gestuurd: ‘Jullie slagen er niet eens in jullie vrouwen te beschermen.’ Zo voelt de tegenpartij zich impotent.

“Een andere reden is dat de aard van de oorlog wezenlijk veranderd is. Zowat alle oorlogen van de laatste jaren worden niet langer tussen staten uitgevochten. De Eerste en de Tweede Wereldoorlog waren ‘overzichtelijk’: officiële legers van natiestaten gingen met elkaar in de clinch. In theorie hielden zij zich aan een aantal internationale afspraken, zoals de Conventies van Genève. Maar rebellenlegers, privémilities, terreurgroepen en ideologisch aangedreven milities trekken zich daar niets van aan. Zowat alle strijdgewoel waar ik de voorbije jaren als journalist verslag over uitbracht, vond niet plaats op een afgebakend slagveld, maar in burgergebied, in dorpen en steden. Er vallen nu veel meer slachtoffers onder burgers dan onder militairen. De drempel ligt nu ook lager dan ooit om burgers te terroriseren. Daar komt bij dat de straffeloosheid zeer groot is: de kans dat verkrachtende strijders ooit voor justitie verantwoording moeten afleggen, is miniem. Het handvol succesvolle vervolgingen zijn de uitzonderingen en niet de regel.”

Vanuit België vertrokken nogal wat jonge mannen die hier geboren en getogen zijn naar Syrië en Irak om zich aan te sluiten bij IS. Ze stapten probleemloos mee in de IS-ideologie en kochten ook hun seksslaven op de markt van Mosul.

“Nog eigenaardiger is dat ook veel meisjes en vrouwen die in Engeland of België geboren en getogen zijn, vol overtuiging mee stapten in dat verhaal. Daar begrijp ik helemaal niets van. Veel van die vrouwen geven nu interviews waarin ze beweren dat ze bij hun vertrek geen flauw idee hadden waarin ze zouden belanden. Terwijl ze in volle IS-glorietijd nooit onder stoelen of banken staken waar ze mee bezig waren. Daar is beeldmateriaal genoeg van; de gruwel was een vast onderdeel van de propaganda. Ik kan maar moeilijk geloven dat ze erin geluisd zijn, zoals ze ons proberen wijsmaken. Veel Jezidi-meisjes vertelden me dat ze zeer wreed behandeld werden door de IS-vrouwen. Ik ken slechts een paar gevallen waarin IS-vrouwen een Jezidi-meisje hielpen ontsnappen. Meestal waren ze medeplichtig.”

Komt verkrachting van mannen ook vaak voor?

“Minder, maar het is nóg een groter taboe dan vrouwenverkrachting. Rond het verkrachten van vrouwen in oorlogen hangt stilte; het verkrachten van mannen is één grote, zwarte leegte.

“Het gebeurt in de door Assad gecontroleerde gevangenissen in Syrië. Volgens mensenrechtenorganisaties wordt 80 % van de mannen in die gevangenissen seksueel misbruikt. In het rapport We keep it in our hearts van 2015 publiceerde het UNHCR getuigenissen van mannelijke vluchtelingen uit de gevangenissen van Assad. Jonge mannen worden er anaal verkracht met frisdrankflesjes en genitaal gemarteld met elektroshocks.

“Onlangs sprak ik iemand die 16 jaar in Guantanamo gevangen zat, zonder ooit aangeklaagd of veroordeeld te zijn. Hij werd onderworpen aan waterboarding en nog een resem andere zogenaamde ‘enhanced interrogation techniques’. Ik vroeg hem wat het ergste was dat hij had meegemaakt. Hij antwoordde: ‘Het seksueel misbruik.’ Hij vertelde me dat hij drie keer aangerand was door Amerikaanse vrouwelijke cipiers. Hij kreeg dat niet verwerkt. ‘Ze maakten me tot object’, zei hij. Hij kon geen seksuele intimiteit meer verdragen.

“Bij verkrachting en misbruik gaat het niet enkel over de fysieke aantasting van iemands integriteit, maar ook over de mentale gevolgen. Daar komt bij dat slachtoffers achteraf vaak met de vinger gewezen worden. Verkrachte vrouwen en mannen zijn soms niet meer welkom in hun eigen gemeenschap.”

Door de verkrachting krijgen ze levenslang?

“Ja. Zowat alle vrouwen die ik sprak, zeiden dat ze liever dood waren geweest. Tijdens al die gesprekken wist ik vaak niet hoe ik moest reageren, of wat ik nog kon zeggen. Veel gruwel was gewoon niet te vatten. Zoals het verhaal van dat Jezidi-meisje dat als 16-jarige als seksslavin gekocht was door een dikke IS-rechter. Elke dag bond hij haar vast op zijn bed en verkrachtte haar. ‘Op een dag bracht hij een meisje van tien mee’, vertelde ze me. Ze hoorde hoe hij dat meisje in de kamer ernaast verkrachtte. ‘Ze schreeuwde om haar moeder.’ Dat was zo afschuwelijk.”

Lopen er programma’s om de Jezidi-vrouwen te helpen bij het verwerken van hun trauma’s?

“De meesten zitten zes jaar na de gebeurtenissen nog steeds in Irak in kampen. Ze kunnen niet terug naar huis; hun dorpen zijn vernietigd. Ze worstelen met zware mentale problemen en het aantal zelfmoorden ligt hoog. In de meeste kampen is er geen psycholoog. Ze vertelden hun traumatische verhaal aan mij in de hoop dat er iets zou veranderen. Maar er gebeurde helemaal niets en ik zit met het wrange gevoel dat ik ze in de steek laat.

“De coronacrisis maakt het allemaal nog erger, want nu is er totaal geen ruimte meer in kranten en journaals voor hun verhaal. Ik ben daar niet goed van. We zijn al onze interesse kwijt in wat er buiten onze grenzen gebeurt. Covid is zowat het enige wat we nog verslaan. Mensen lijken alleen nog geïnteresseerd in wat hen hier en nu overkomt.”

De pandemie is natuurlijk zeer ingrijpend in ons dagelijks leven.

“Zeker, en ik beweer ook niet dat we er als journalisten over moeten zwijgen. Maar de oorlogen in Afghanistan, Syrië en Jemen zijn intussen niet gestopt. Al zijn we wel gestopt met erover te berichten. Er gebeuren op veel plekken vreselijke dingen; door covid verdwijnen ze integraal van de radar.”

Sommigen vergelijken de coronacrisis ook met een oorlog. Terecht?

“Mijn krant stuurt me nu naar de intensieve zorgenafdelingen van ziekenhuizen en vraagt me dan altijd om te vergelijken met mijn oorlogservaringen. Ik vind dat heel vervelend, want het is helemaal niet hetzelfde. De enige gelijkenis is misschien dat ik zowel in oorlogsomstandigheden, als op covid-afdelingen ontzettend veerkrachtige mensen ontmoet. Mensen die in slechte omstandigheden het goede doen. Als iemand ons anderhalf jaar geleden gezegd had dat alle restaurants en cafés zouden sluiten, we opgesloten in ons huis zouden zitten en enkel nog met een mondmasker de straat zouden opgaan, hadden we die man of vrouw gek verklaard. En kijk, we leven nu al bijna een jaar als gemondmaskerde kluizenaars. Wat alleen maar bewijst dat de mens zich snel aan nieuwe, benarde omstandigheden aanpast.

“Maar als buitenlandjournalist met 33 jaar ervaring op de teller ben ik nu doodongelukkig. Ik ontvang op mijn telefoon constant berichten van over de hele wereld over afschuwelijke gebeurtenissen. In mei vorig jaar was er dat vreselijke bloedbad in een kraamkliniek in het centrum van de Afghaanse hoofdstad Kaboel. Zestien moeders en verschillende pasgeboren baby’s en vroedvrouwen werden afgeslacht. Van die extreme gruweldaad werd amper verslag uitgebracht. Ik ging daarover klagen bij mijn hoofdredacteur. ‘Waarom moet corona ook dit vreselijke verhaal overwoekeren?’ Ik bleef maar zeuren, en uiteindelijk liet hij me een column schrijven over waarom we dat nieuws links lieten liggen. Maar de feiten verslaan, dat kon niet.”

Christina Lamb, Ons lichaam, jullie slagveld, Ambo/Anthos, 432 blzn., 25,99 euro, verschijnt op 1 maart

Bio

Christina Lamb

  • Geboren op 5 mei 1965
  • Chef buitenland voor The Sunday Times
  • Studeerde filosofie, politicologie en economie aan de universiteit van Oxford
  • Overleefde in 2006 in Afghanistan ternauwernood een hinderlaag van de Taliban
  • Auteur van o.a. Ik ben Malala (2013) en Het meisje uit Aleppo (2016)

(c) Jan Stevens