“We sluiten onze ogen voor kindermishandeling”

Kindermishandeling is volgens de Nederlandse minister van Volksgezondheid ‘het grootste geweldprobleem van Nederland’. Daarom stelde hij onlangs een gespierd plan voor om huiselijk geweld drastisch aan te pakken. Hoe groot het probleem bij ons is, weet niemand. “Het maakt mensen – inclusief onze politici – bang.”

 

“Nederlanders treden graag harder op dan wij”, zegt Pascale Franck, criminoloog en coördinator van het Family Justice Center (FJC) Antwerpen. “Maar of ze betere resultaten halen, is nog maar de vraag.” Nochtans overlegt Franck regelmatig met de medewerkers van de Nederlandse minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge over de aanpak van familiaal geweld. “Dat komt omdat onze noorderburen erg geïnteresseerd zijn in ons FJC, waar alle diensten rond thuisgeweld verzameld zijn op één locatie. Dat willen ze graag kopiëren.”

Vorige maand stelde minister De Jonge zijn nieuwe stevige plan voor. De maximumstraf en verjaringstermijn voor stelselmatige kindermishandeling worden in Nederland verhoogd, er zal keihard opgetreden worden tegen begeleiders die kinderen onder hun hoede mishandelen en ouders met losse handjes krijgen sneller dan ooit een thuisverbod opgelegd. De Jonge noemt kindermishandeling en partnergeweld ‘het grootste geweldsprobleem van Nederland’. “Het gaat jaarlijks over 119.000 kinderen die slachtoffer zijn van kindermishandeling en 200.000 volwassenen die te maken hebben met huiselijk geweld”, zei hij in het praatprogramma Pauw. “Thuis zou veilig moeten zijn, terwijl het vaak een onveilige plek is. Dat moéten we doorbreken.”

Begin april maakte Hulplijn 1712, de telefoondienst van de Vlaamse overheid voor burgers met vragen over geweld, haar statistieken van 2017 bekend. 62 procent van de 4.812 oproepen ging over kindermishandeling; 14 procent over partnergeweld. Ook bij ons lijkt familiaal geweld in aanmerking te komen voor een eerste plaats in de geweldshitparade. Maar de juiste omvang van het probleem kennen we niet. Pascale Franck: “Tot hiertoe is er in Vlaanderen geen groot significant onderzoek naar kindermishandeling gevoerd. Dat is jammer, want als je als overheid thuisgeweld goed wil aanpakken, moet je eerst weten wat er aan de hand is. Maar het maakt mensen, inclusief onze politici, bang. Dus sluiten ze liever de ogen.”

Franck heeft dertig jaar ervaring in de aanpak van familiaal geweld en is een van de drijvende krachten achter de nieuwe Family Justice Centers. “In een FJC zitten onder andere politie, justitie, jeugdzorg en het OCMW op één plek. In het verleden verliep de samenwerking tussen die diensten niet vlot. Als vroeger bij een acuut geval van familiaal geweld de onderzoeksrechter op vrijdagnamiddag besliste om de pleger zonder voorwaarden vrij te laten, konden de slachtoffers enkel bang afwachten. Nu schiet meteen ons hoog-risicoteam in actie. Zij vragen een preventief huisverbod aan, schakelen een vluchthuis in of spreken af met meneer dat hij voorlopig niet thuis blijft wonen. Sinds eind vorig jaar wordt in alle regio’s gewerkt aan de opstart van hoog-risicoteams en drie Vlaamse steden hebben intussen een volwaardig FJC: Antwerpen, Hasselt en Mechelen.”

 

Hebt u de indruk dat familiaal geweld toeneemt?

Pascale Franck: “Nee, maar er zijn wel meer meldingen. Dat wil zeggen dat het bespreekbaarder geworden is. Wat wel opvalt, is dat de aard van de meldingen zwaarder wordt en de kloof tussen rijk en arm groter. Gezinnen in armoede zijn geïsoleerd en hebben geen netwerk waarop ze terug kunnen vallen. Die omstandigheden zorgen ervoor dat de ouders makkelijker hun toevlucht nemen tot geweld.”

 

Enkel in de provincies Antwerpen en Limburg zijn FJC’s opgericht. Wil dat zeggen dat een West-Vlaams kind op dit moment slechter beschermd is bij kindermishandeling dan een Antwerps kind?

“Eigenlijk wel.”

 

Slaan om goed te doen

Kristof Desair is coördinator van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK) Vlaams-Brabant en directeur van het Vlaams Expertisecentrum Kindermishandeling. In de spreekkamers van het VK aan de Leuvense Justus Lipsiusstraat zag hij de voorbije twintig jaar veel gezinnen uit alle lagen van de bevolking passeren. “Onze eerste opdracht is zorgen voor veiligheid”, zegt hij. “Het geweld moét stoppen. Soms is het dan beter dat de geweldplegende ouder een tijd het huis verlaat.”

 

Hoe komen gezinnen bij jullie terecht?

Kristof Desair: “Door een buur, familielid of kennis die bij een kind signalen opvangt die aan kindermishandeling doen denken. Kindermishandeling gaat trouwens niet enkel over fysiek en psychisch geweld of seksueel misbruik, maar ook over kinderen die getuige zijn van partnergeweld. Na een melding sturen we een brief naar de ouders. ‘We maken ons zorgen en willen daar met u over praten.’ Acht keer op tien gaan ouders op onze uitnodiging in. Wij geloven niet dat ouders doelbewust hun kinderen willen kwetsen of vernederen. Kindermishandeling is vaak een foute manier van hen om met stress en frustraties om te gaan. Maar ook al gebeurt het maar één keer, voor een kind kan het zeer ingrijpend zijn.”

 

Kinderen zijn loyaal ten opzichte van hun ouders. Ze wijzen zelden met een beschuldigende vinger naar de mishandelende ouder. Is dat problematisch?

“Loyauteit hoeft niet meteen een probleem te zijn. Integendeel, die natuurlijke hechting tussen kinderen en ouders kan net het fundament zijn waarop wij herstel bouwen. Maar eerst zetten we alles op alles om het geweld meteen te stoppen. Daarna concentreren we ons op de factoren die aan de basis liggen van dat geweld. Alleen zo kunnen we herval vermijden. Dat is werk van lange adem. Moeten we het OCMW inschakelen om ouders die in geldnood zitten er financieel weer bovenop te helpen? Doen we beroep op een thuisbegeleidingsdienst om de ouders pedagogisch te ondersteunen? Verwijzen we ouders met psychische problemen door naar de psychiater? Last but not least werken we dan aan het herstel.”

 

Gebeurt het vaak dat een ouder uit angst, eigenbelang of lafheid niet ingrijpt als de partner een kind mishandelt?

“Als het over seksueel misbruik gaat, hoor je vaak: de moeder zal het wel geweten hebben. Terwijl we daar niet zo zeker van zijn. Soms hebben mensen het écht niet gezien. Dat andere cliché, dat daders vroeger vaak zelf slachtoffers waren, klopt dan weer vaak wel. Als wij aan ouders vragen of ze zelf in hun jeugd mishandeld zijn, is het antwoord dikwijls ja.”

 

Wat toch bizar is, want ze hebben het zelf aan den lijve ondervonden?

“Zeker. Verschillende keren heb ik al gehoord: ‘Jij zegt dat ik mijn kind fysiek mishandel, maar je zou eens moeten weten hoe het bij mij was, dát was pas mishandeling. Ik sla om goed te doen.’

Het fysieke en seksuele geweld wordt meer door mannen gepleegd. Toch hebben we niet het gevoel dat beduidend meer mannen daders zijn dan vrouwen. Vaak is het een gedeelde verantwoordelijkheid waarbij het gedrag van de ene ouder bepaald wordt door het gedrag van de andere.”

 

Hoe oud zijn de mishandelde kinderen?

“Het merendeel is tussen zes en twaalf. Maar we zien kinderen van nul tot achttien en soms zelfs ouder. Gezinnen komen hier gemiddeld tussen drie tot zes maanden over de vloer. We spreken hen dan wekelijks of om de twee weken. Af en toe praten we op school apart met de kinderen.

Onlangs kwam een jonge vrouw me opzoeken die ik gevolgd heb tussen haar zesde en negende. Ze wou haar verleden reconstrueren. Ze wist nog dat ze als kind bij mij geweest was, had de verhalen van haar ouders gehoord en wou een paar hiaten invullen.”

 

Dat wil zeggen dat de mishandeling uit haar jeugd ook in haar volwassen leven blijft nazinderen?

“Geweld in je jeugd heeft een serieuze impact. Wat niet wil zeggen dat je het als volwassene automatisch moeilijk zal hebben. In de jaren negentig is in de VS een groot onderzoek gestart naar de gevolgen van kindermishandeling op lange termijn, de ACE-study of Adverse Childhood Experiences. Er blijkt een heel sterk verband te bestaan tussen de negatieve jeugdervaringen van mensen en de psychische en lichamelijke klachten die ze als volwassene krijgen.”

 

 

 

 

Nadja Lievero (49): “Moeder greep nooit in”

 

“Zolang mijn moeder leefde, heb ik in het openbaar nooit iets over de geestelijke en lichamelijke mishandeling gezegd. Met alles wat ik nu weet, zou ik niet meer tot na haar dood wachten om mijn verhaal te vertellen. Want ik heb mezelf deze ellende niet aangedaan, maar zit nu wel met de shit.

Mijn moeder was op haar achttiende zwanger van mij en wist zogezegd niet wie de vader was. Ze trouwde met de man die mij als zijn wettige dochter erkende. Hij heeft me nooit geaccepteerd. Van toen ik kon lopen, kreeg ik slaag. Moeder werd ook door hem mishandeld. Veel later zei ze: ‘Wat moest ik doen? Waar kon ik naartoe?’

Samen kregen ze nog een dochter. Zij werd ook mishandeld, maar minder. Ik groeide op met de boodschap dat ik een bastaard was en nooit geboren had mogen worden.

Mijn zus zat in de kinderbox. Mijn wettelijke vader, want zo noem ik hem, sloeg me verrot en liet me alle hoeken van de kamer zien. Hij smeet me tegen de box en stampte me daarna de trap af, de kelder in. Daarna bolde hij het af. Mijn zus brulde tot de buren kwamen kijken.

Op een dag moest ik met een blauw oog naar school. Hij had me met mijn hoofd keihard tegen de kast geduwd. Ik zat in het tweede leerjaar en zei tegen de juf: ‘Ik moest van pa zeggen dat ik tegen de kast gelopen ben.’ Er gebeurde helemaal niets. Dat was in die tijd gewoon zo. Jaren later kwam ik te weten dat veel mensen grote vermoedens hadden over het geweld in ons gezin, maar nooit had iemand durven ingrijpen.

Ik kreeg slaag tot mijn ouders uit elkaar gingen. Ik was pas negen. Toen verscheen mijn stiefvader op het toneel. In het begin was hij een vriendelijke, lieve man. Na een tijdje begon hij me seksueel te misbruiken.

Op mijn zestiende liep ik weg bij mijn moeder en mijn stiefvader. Ik kon het misbruik niet meer aan. Het klinkt waarschijnlijk bizar, maar ik klopte bij mijn wettelijke vader en zijn vriendin aan. Bij de man dus die me jarenlang geslagen had. Dat was een vergissing van formaat, maar ik zag geen andere uitweg. Want begin jaren tachtig werd een opvangtehuis nog voorgesteld als ‘het verbeteringsgesticht’. Bij mijn wettelijke vader belandde ik van de regen in de drop. Naast de lichamelijke en psychische mishandeling begon ook hij me seksueel te misbruiken.

De directrice van de middelbare school had door dat er iets mis was. Zij nodigde me uit op haar kantoor en zorgde ervoor dat ik tijdens de turnlessen op therapie kon. Die woensdag ging ik voor het eerst naar een psycholoog. Hij vroeg 20 frank. Ik was zeventien en kon hem niet betalen. Toen ik thuis kwam, wist mijn wettelijke vader waar ik gezeten had. Ik vermoed dat die psycholoog hem gebeld had om zijn ereloon op te eisen.

In 1996 ben ik ingestort. Ik belandde in een zware depressie en werd opgenomen. Jarenlang had ik mezelf wijsgemaakt dat mijn moeder niets wist over het misbruik. Tot ik moest toegeven: natuurlijk wist ze het. Mijn man organiseerde toen een confrontatie met haar. Hij dacht dat het me zou helpen. Op mijn kamer gaf ze toe dat ze het altijd had geweten. Niet veel later riep ze me in de gang van het ziekenhuis toe: ‘Lui wijf, je zou beter voor je gezin zorgen.’ Ik heb haar daarna nooit meer gezien.”

 

 

 

Dirk Verbeeck (49): “Die loyauteit is zo raar”

 

“Mijn ouders pasten niet bij elkaar en maakten veel ruzie. Hun huwelijk eindigde in een vechtscheiding. Mijn moeder nam het me later kwalijk dat ik mijn vader nog graag zag. Ze gingen uit elkaar en vanaf dat moment kwam hij, mijn stiefvader, in ons leven. Hij stierf vijf jaar geleden; mijn moeder is nog maar pas overleden.

Ik ging als kind helemaal mee in moeders verhaal dat mijn vader slecht was en dat zij en haar nieuwe vriend John het beste met ons voorhadden. Moeder en John wilden een ‘perfect gezin’, dat hebben ze ooit zo gezegd. Dus voerden ze een verstikkend regime in. Mijn broer en ik werden strikt gecontroleerd. Telkens wanneer ik het voor mijn vader opnam, wees John me terecht. ‘Je ziet je moeder niet graag’, zei hij dan. ‘Ze is een heilige en je moet haar zo behandelen.’ Als we kattenkwaad uithaalden, noemde hij ons vlakaf: ‘Slechte kinderen.’ Hij richtte zijn pijlen vooral op mij, want ik was de oudste en die moest beter weten.

John had geld en nam ons mee op vakantie naar Spanje. Ik was dertien en had nog nooit gereisd. Moeder zei: ‘Vanaf nu is John vake.’ Dat overviel me, maar ik was voor het eerst van mijn leven in een ver buitenland en ik was gelukkig. ‘Vake’ was ontzettend dominant, wist feilloos onze zwakke plekken te vinden en buitte dat op een schaamteloze wijze uit. Voor de buitenwereld was hij de goedheid zelve. Hij kwam uit een extreemrechts milieu en stuurde ons naar het VNJ. Als puber ontwikkelde ik zo een afkeer tegen extreemrechts. Ik kocht soms De Morgen of Humo en dat vond hij verschrikkelijk. Dan mocht aan tafel tegen mij niet meer gesproken worden. Soms stonden er ’s morgens drie borden klaar in plaats van vier. ‘Wat heb ik nu verkeerd gedaan?’, vroeg ik dan. Ze negeerden me alsof ik lucht was.

Op een keer kroop John bij me in bed. Hij betastte me en dwong me tot seksuele handelingen met hem. Tot vandaag laat dat misbruik sporen na. Hij viel me lastig tot ik een jaar of zestien was.

Elk weekend moesten we naar zijn buitenverblijf. Uitgaan met vrienden was taboe. Elke zaterdag en zondag stond hij daar. Ik snap nog steeds niet waarom ik toen bleef zwijgen. Welke idioot laat zoiets toe? Ik was compleet in de war. Hij misbruikte me niet alleen seksueel, maar ook mentaal. Hij isoleerde en kleineerde me doelbewust. Ik was wat dikker en hij lachte me uit met zijn vrienden erbij. ‘Kijk, Dirk heeft tetjes.’ Als puber wil je zoiets niet horen.

Ik trok naar de universiteit en voelde me daar als een vis in het water. Op een ochtend kwam ik in de kamer en daar stonden weer drie borden op tafel. Ik belde een van mijn studiemakkers: ‘Kom me hier alsjeblief halen.’ Ik trok in bij mijn echte vader in Antwerpen. Een week later wou ik een gesprek met mijn moeder. ‘Ik wil alleen jou zien, niet John.’ Toen ik daar aankwam, stond mijn gerief netjes ingepakt. De boodschap was klaar en duidelijk: bol het af. Al mijn sporen in het huis waren gewist. Ik vertrok, en toch kapte ik niet met hen. Ik bleef moeder braaf bezoeken. Die loyauteit is zo raar; ik heb daar nu spijt van.

Twaalf jaar geleden vroeg moeder aan de telefoon waarom onze oudste zoon niet bij hen mocht blijven slapen. ‘Ik heb daar mijn redenen voor’, zei ik. ‘Hoezo? Is vake misschien een pedofiel?’, vroeg ze. Toen besefte ik: ze weet wat er gebeurd is. ‘Vraag het hem zelf’, zei ik. Ze haakte in en ik heb haar nooit meer gehoord of gezien.

Toen ‘vake’ stierf, hoopte ik op een vorm van erkenning door mijn moeder. Die kwam er niet. Een tante liet me onlangs weten dat zij gestorven was. Ik begon alle begrafenisondernemers uit Lier te bellen. Ik wou op mijn manier afscheid nemen. Bij de tweede had ik prijs. Hij moet zoiets nog meegemaakt hebben, want hij had alle begrip. Hij zei: ‘Neem gerust uw tijd.’ Daar lag ze, dood. Ik voelde verdriet en woede omdat ik wist dat er geen erkenning of verontschuldiging meer komt.”

 

 

Kindermishandeling – de trieste cijfers

 

In 2016 werden 9.133 kinderen gemeld bij de zes Vertrouwenscentra Kindermishandeling (ruim 5 procent meer dan het jaar voordien). 14 procent van de kinderen was jonger dan 3 jaar. 15 procent was ooit al eens gemeld in de jaren ervoor.

28,6 procent van de meldingen ging over lichamelijke mishandeling.

29,9 procent ging over emotionele mishandeling.

14,9 procent over seksueel misbruik.

 

In 2011 organiseerde het Kinderrechtencommissariaat ‘Geweld, gemeld en geteld’, een bevraging bij 2000 kinderen tussen 10 en 18 jaar. “Dat is de enige studie bij ons naar geweld in het gezin”, zegt Kristof Desair. “Het is doodjammer dat ze nooit herhaald is.”

Uit die studie bleek dat 5 tot 7 procent van de jongeren thuis geconfronteerd werd met ernstig verbaal geweld.

7,5 procent werd ooit door een ander lid van het gezin geslagen of geschopt. Ruim 2 procent incasseerde die klappen en schoppen op regelmatige basis.

4 procent kreeg ooit te horen dat hij of zij beter niet geboren was.

Ruim 4 procent had dikwijls het gevoel onbelangrijk te zijn.

13 procent was ooit bang van tegen elkaar roepende en tierende ouders.

7,6 procent was ooit getuige van elkaar slaande of schoppende ouders. 4 procent zag dat dikwijls.

9 procent had vaak het gevoel dat er niemand was die luisterde en hielp toen ze dat het meeste nodig hadden.

1,5 procent werd ooit door een ander lid van het gezin seksueel misbruikt. Bij 0,3 procent vond dat misbruik plaats op regelmatige basis.

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

“Soms moet je je handen durven vuilmaken”

In zijn boek Dubbel leven legt Montasser AlDe’emeh zijn motieven om burgerspion te worden op tafel. Rik Torfs schreef het voorwoord. “Waarom kan een informant van de Staatsveiligheid niet het beste met zijn medemens voorhebben?”

 

Een paar dagen nadat Montasser AlDe’emeh in juli 2016 in een interview met De Morgen bekendmaakte dat hij als informant voor de Staatsveiligheid gewerkt had, stuurde de jihadexpert een mail naar Rik Torfs. AlDe’emeh vroeg aan de kerkjurist of hij hem aan een woning kon helpen. Een dag later antwoordde de toenmalige rector van de KULeuven dat hij een huis gevonden had, ergens op het platteland. “Met mijn rectorschap had dat niets te maken”, zegt Rik Torfs. “Het was gewoon een kwestie van twee mensen die elkaar helpen. Af en toe zaten we samen in een debat. Zo leerden we elkaar kennen en appreciëren. Montasser zocht een discrete plek waar hij goed aan zijn doctoraat kon werken en ik kon hem daar toevallig bij helpen. Dat gebeurde in alle stilte, zoals het hoort.”

Montasser AlDe’emeh: “Professor Torfs wist niet dat ik voor de Staatsveiligheid werkte. Niemand wist dat, zelfs mijn beste vrienden én mijn familie waren niet op de hoogte. In de zomer van 2016 vertrok ik op reis naar Cuba. Daar las ik op een ochtend op mijn smartphone dat het Belgische gerecht mij voor schriftvervalsing wou vervolgen. Mijn contactpersonen bij de Staatsveiligheid hadden me nochtans toevertrouwd dat die zaak wel geseponeerd zou worden. Ik had er genoeg van en nam een vlucht naar Canada waar ik asiel wou aanvragen. Vlak na de landing in Toronto las ik het nieuws over de aanslag op de Promenade des Anglais in Nice. Ik had twee jaar van mijn leven opgeofferd en veel risico’s genomen om dit soort van afschuwelijke aanslagen te vermijden en werd nu door de Belgische justitie vervolgd. Ik moest dat nieuws dan nog eens in de krant lezen. Op dat moment besloot ik om via De Morgen wereldkundig te maken dat ik een informant geweest was. Ik hoopte zo ook dat de Belgische politici eindelijk het belang van degelijk inlichtingenwerk zouden inzien. Daarna vloog ik terug naar huis, waar ik tot mijn stomme verbazing merkte dat de sleutel niet meer op het slot van mijn flat paste. Ik belde mijn broer en hij zei me dat mijn familie na mijn interview besloten had om mijn flat leeg te halen en een nieuw slot te plaatsen. Want ze waren bang dat IS-aanhangers wraak op mij zouden nemen. Ik stond op straat en dacht: ‘Wie kan me helpen?’ Mijn eigen familie was geen optie. Dus stuurde ik een mail naar professor Torfs.”

 

Hoe vlot uw doctoraat?

AlDe’emeh: “Het einde komt na vier jaar in zicht. Een tijd geleden kwam ik tot het besef dat ik voor dat doctoraat een andere weg moest inslaan. In het begin probeerde ik te achterhalen waarom jongeren naar Syrië vertrokken. Nu focus ik me op de radicaal islamitische ideologie van organisaties zoals IS, Al Qaeda, Boko Haram, al-Shabaab. Het materiaal dat ik in Syrië en België verzamelde terwijl ik informant voor de Staatsveiligheid was, heb ik om deontologische redenen opzij geschoven.”

Torfs: “Je ervaringen neem je natuurlijk wel mee.”

AlDe’emeh: “Die maken mijn onderzoek ook sterker. Mijn uitstappen naar Jordanië, Syrië, Tunesië en Irak blijven in mijn hoofd nazinderen. Mijn visie is daardoor veel breder geworden.”

 

Mijnheer Torfs, was het een schok toen u las dat Montasser AlDe’emeh voor de Staatsveiligheid gewerkt had?

Torfs: “Ik ben niet snel geshockeerd en eigenlijk vond ik dat geen slecht idee. Het is slim dat er samenwerking is tussen mensen die voor veiligheid zorgen en mensen die zoals Montasser het veld kennen. Er zijn in ons land veel deskundigen die vanop de zijlijn weten hoe het allemaal moet. De praktijk is vaak ingewikkelder: dan komt het aan op praten met de juiste mensen. Uit Montassers boek blijkt heel duidelijk hoeveel tijd hij in al die intense gesprekken investeerde. Hij voelde ook goed aan wanneer jonge mensen begonnen te radicaliseren. Het was toch ideaal dat Staatsveiligheid met hem kon samenwerken?”

 

Montasser AlDe’emeh combineerde zijn informantenwerk bij de Staatsveiligheid ook met journalistiek en met deradicaliseringswerk in zijn centrum ‘De weg naar’. Iemand die professioneel als deradicaliseerder aan de slag is, zei me onlangs dat AlDe’emehs bekentenis zijn sector een slechte dienst bewezen heeft. Geradicaliseerde jongeren vertrouwen hulpverleners niet meer, want ze verdenken hen ervan ook voor de Staatsveiligheid te werken.

AlDe’emeh: “Tijdens mijn eerste contacten met de Staatsveiligheid zei ik dat ik me na mijn reis naar Syrië veel zorgen maakte. Ik had er jihadisten gesproken die zich zeer vijandig opstelden tegenover de westerse samenleving. Ik had die vijandigheid gehoord en gezien en ik wist dat er aanslagen in het westen zouden plaatsvinden. Dat was in 2014, toen veel Vlamingen niet van die dreiging wakker lagen. Syriëstrijders werden vergeleken met de oostfronters en in een traditie van Vlaamse vertrekkers geplaatst. Ik zei toen tegen de Staatsveiligheid: ‘We moeten die frustraties zo snel mogelijk kanaliseren. Ik wil dat op mijn manier doen.’ Dus richtte ik het centrum ‘De weg naar’ op waar geradicaliseerde jongvolwassenen met mij konden komen praten. Ze zagen mij niet als ambtenaar, psycholoog of maatschappelijk werker, maar als rolmodel. Met mijn contactpersonen bij de Staatsveiligheid had ik afgesproken dat ik hen alle relevante informatie zou bezorgen die die gesprekken opleverden. Ik vind het zo merkwaardig dat na al het verdriet en de pijn van alle aanslagen sommigen nog steeds niet begrijpen wat mij dreef om informant te worden. Voor het geld moest ik het niet doen, want er viel zo goed als niets mee te verdienen. Integendeel, ik heb er veel centen ingestoken. De meeste mensen die ik als informant sprak, zaten in Syrië. De geradicaliseerden hier verwees ik altijd door naar anderen. Ik snap dus niet waarom mijn werk de hele deradicaliseringssector zou ondermijnd hebben. Ik heb mezelf nooit als deradicaliseerder beschouwd en heb mezelf ook nooit geprofileerd als journalist. Ik sprak met die mensen als onderzoeker en merkte dat die gesprekken best relevant waren voor onze samenleving. Daarom publiceerde ik in het magazine Knack.”

Torfs: “Na de moorden op Sharon Tate en haar vrienden door de sekte van Charles Manson werd in de jaren zeventig in de Verenigde Staten gestart met deprogramming. Dat liep niet van een leien dakje. Soms werd de deprogrammers verweten dat ze ook sectair waren. Deradicalisering is moeilijke en delicate materie. Het lijkt me daarom iets te gemakkelijk om een bekend iemand die voor de Staatsveiligheid werkte, verantwoordelijk te stellen voor het gebrek aan vertrouwen bij geradicaliseerde jongeren. Waarom kan een informant van de Staatsveiligheid niet het beste met zijn medemens voorhebben?”

 

In Dubbel leven schrijft Montasser AlDe’emeh verschillende keren dat hij in zijn periode bij de Staatsveiligheid ook als journalist werkte, met een perskaart. Nu hoor ik hem zeggen dat hij zich nooit als journalist geprofileerd heeft. Voor alle duidelijkheid: ik vind dat een journalist nooit voor de Staatsveiligheid mag werken.

AlDe’emeh: “Ik werkte soms als freelancejournalist, dat is juist. Maar u zou ervan staan kijken hoeveel andere journalisten informatie aan de Staatsveiligheid leveren. Na mijn onthulling maakte ik met Knack de afspraak dat ik een jaar lang geen artikels zou schrijven. Die ontluizingsperiode is intussen voorbij. Niemand kan bewijzen dat ik stukken in Knack gepubliceerd heb die pasten in mijn werk voor de Staatsveiligheid. Ik heb informatie over staatsgevaarlijke individuen met de veiligheidsdiensten gedeeld die ze zelf niet konden krijgen. Ik kan me niet voorstellen dat dat tegen de journalistieke deontologie indruist.”

 

Kan Rik Torfs zich voorstellen dat hij ervoor kiest om informant voor de Staatsveiligheid te worden?

Torfs: “Dat is een zeer hypothetische vraag. Ik heb nooit voor die keuze gestaan. Montasser werd geconfronteerd met een acute crisis die door al die aanslagen steeds scherper werd. Een mens kan dan twee houdingen aannemen: ofwel word je vanuit je principes geen informant, ofwel doe je dat wel omdat je vindt dat het je plicht is. Ik begrijp dat Montasser uit affiniteit met onze samenleving de keuze voor samenwerking met de Staatsveiligheid maakte. Ik kom uit een andere tijd. Ik heb legerdienst gedaan in plaats van burgerdienst. Ik was geen gewetensbezwaarde, misschien bij gebrek aan geweten. Ik werd ook geen officier, bij gebrek aan talent en interesse. Ik was gewoon milicien, rustig, zonder principieel bezwaar.

Montasser koos geen makkelijke weg, want hoe ver kon en moest hij gaan met het vertrouwen dat anderen hem schonken? Het is altijd makkelijk om te stellen: ‘Ik doe dit om principiële redenen niet.’ Het leven is complex en de kunst bestaat erin om verstandig met paradoxale kwesties om te gaan als je, zoals Montasser, een duidelijk doel voor ogen hebt. Hij was nog jong en in zijn boek geeft hij eerlijk toe dat hij af en toe een inschattingsfout maakte. Dat vind ik geen reden om vervolgens te besluiten dat hij beter helemaal niets ondernomen had. Ik geloof nogal in les maines sales: soms moet je je handen durven vuilmaken. Zeker als de crisis acuut is, wat zo was met die aanslagen. Je hoort dan sommigen stellen dat er veel meer slachtoffers vallen bij verkeersongevallen dan bij terreuraanslagen. Maar er is een groot verschil tussen een moordaanslag en een verkeersongeval: het is niet correct om die cijfers zomaar naast elkaar te zetten. Nu lijkt het bijna alsof we die aanslagen achter ons gelaten hebben. Ik hoorde eerder deze week dat de toeristen terug naar Vlaanderen komen. Er wordt ook gesuggereerd dat IS verslagen zou zijn. Ik zou toch maar oppassen met die jubelberichten.”

AlDe’emeh: “Ik werkte eerst als informant, maar werd na verloop van tijd ook infiltrant. Ik heb daar geen spijt van, zelfs niet na mijn veroordeling voor zogenaamde schriftvervalsing. Op een bepaald moment vroeg iemand me via de telefoon of ik een verklaring kon schrijven dat zijn broer in mijn centrum gederadicaliseerd was, zonder dat die jongen daar ooit een voet gezet had. Ik dacht meteen aan de informatie over IS-kopstuk Hicham Chaïb die die verklaring me kon opleveren. Chaïb was en is wereldwijd een van de meest gezochte terroristen en het nichtje van die man behoorde tot Chaïbs entourage in Syrië. Toen ik het verzoek kreeg om die verklaring te schrijven, hadden de aanslagen van 22 maart nog niet plaatsgevonden. Chaïb maakte later een video om ze op te eisen. Waarmee ik maar wil zeggen: het zou stom geweest zijn om die kans te laten schieten. Daarom schreef ik die beruchte deradicaliseringsverklaring.”

 

De processen in eerste aanleg en beroep waarop u telkens veroordeeld werd voor valsheid in geschrifte waren harde noten om te kraken?

AlDe’emeh: “Natuurlijk. Als infiltrant genoot ik geen bescherming. Minister van Justitie Koen Geens brengt daar met zijn wetsontwerp over de burgerinfiltrant eindelijk verandering in. Het besef dat het nuttig kan zijn dat een burger infiltreert, kwam bij onze politici pas na de aanslagen van 22 maart. De Staatsveiligheid was al veel langer vragende partij, maar zij moest roeien met de riemen die ze had. Kijk, ik heb een zuiver geweten. Dat is voor mij belangrijker dan mijn strafblad. Natuurlijk heb ik een kladversie van dat deradicaliseringsattest geschreven, maar ik heb het nooit ondertekend, want ik had niet de intentie het te gebruiken. Dat paste enkel in mijn werk voor de Staatsveiligheid. De advocaat die samen met mij veroordeeld werd, heeft er mijn handtekening onder gezet en hij gaf dat ook toe. Ik werd dus vervolgd én veroordeeld voor een attest dat iemand anders met mijn naam tekende. Op het proces overhandigde ik mijn geheimhoudingscontract van de Staatsveiligheid aan de rechter. De echtheid daarvan werd niet betwist. Ik betaalde drie advocaten, niet de eerste de beste, want ik wou winnen. Na mijn veroordeling in eerste aanleg ging ik in beroep omdat ik aan jonge mensen het signaal wou geven dat ik blijf geloven in de rechtstaat. Ook daar werd ik veroordeeld voor het schrijven van een door anderen gedicteerd kladje van een deradicaliseringsattest. Misschien was mijn veroordeling een signaal van de rechter: de rechtstaat staat boven de veiligheidsdiensten.”

 

Vindt Rik Torfs dat Montasser AlDe’emeh veroordeeld is door ‘wereldvreemde rechters’?

Torfs: “Ik ken het dossier onvoldoende om daar uitspraken over te doen. Uit Montassers boek blijkt heel duidelijk dat zijn intenties en bedoelingen nobel waren. Zijn veroordeling mag er dus niet toe leiden dat we hem voortaan onbetrouwbaar vinden. Want Montasser zet zich enorm in voor onze samenleving. Ik wil het proces van de rechters niet maken. Maar het is wel zo dat radicalisme en jihadisme relatief nieuwe fenomenen zijn voor magistraten. Het zou daarom misschien niet slecht zijn dat er in het algemeen een cursus komt waarin de drijfveren en de culturele achtergronden van religieus radicalisme in onze samenleving aan bod komen. Door de razendsnelle secularisering is de religieuze kennis in ons land er sterk op achteruit gegaan, en dat net op het moment dat we die kennis nodig hebben om de dialoog aan te gaan met moslims en nieuwkomers uit Afrika of Oost-Europa met nog andere religies.”

AlDe’emeh: “Weet u dat ik bereid was om mijn leven voor België te geven? In het licht daarvan is mijn veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf met uitstel en een boete van zeshonderd euro draaglijk. Dat is geen valse romantiek, maar pure dankbaarheid. Wat ik als informant voor België gedaan hebt, verzinkt in het niets in vergelijking met wat België voor mij gedaan heeft. Ik ben in een Palestijns vluchtelingenkamp in Jordanië geboren en heb hier samen met mijn familie een veilige thuis gevonden. Ik kon hier naar de universiteit. Mijn vader is vorige maand gestorven, maar de dokters deden er alles aan om zijn leven te redden. Ze deden er ook alles aan om mijn leven te redden toen ik acht was en hersenvliesontsteking kreeg. België heeft mij àlles gegeven. Weet u wat ik zo verdomd moeilijk vond? Dat ik in de media genuanceerd over jihadisten sprak, terwijl ik met mijn hart compleet andere taal wou spreken. Ik las en hoorde dat Vlamingen me bestempelden als jihadistenknuffelaar. Ze wisten niet dat ik hen achter de schermen beschermde.”

 

Zou Rik Torfs zijn leven geven voor België?

Torfs: “Niet voor een land, maar misschien wel voor sommige ideeën. Al weet je nooit op voorhand hoe dapper je zal zijn op cruciale momenten. Pater Maximiliaan Kolbe bood zich in gevangenschap in Auschwitz aan als plaatsvervanger van iemand anders, net als de Franse politieman Arnaud Beltrame bij de gijzeling in Trèbes. Zal ik dat ook doen in een gelijkaardige situatie? Ik weet het niet. Het martelaarschap is niet iets wat je nastreeft, maar wat je tegen heug en meug overkomt. Wie het nastreeft is geen martelaar, maar een carrièrist.”

AlDe’emeh: “Ik zocht het martelaarschap niet. Ik nam voorzorgsmaatregelen om mezelf te beschermen. Een van de grote problemen met veel jonge moslims is hun gebrek aan kritische zin. Ronselaars spelen daar op in. In 2015 chatte ik regelmatig met Abdelmalek Boutalliss, een Kortrijkse jongen die naar Syrië vertrok nadat hij geronseld was door Olivier Calebout. Ik stond ook in contact met Abdelmaleks ouders, die via mij meer informatie over hun zoon probeerden te krijgen. Hij had zich op de kandidatenlijst voor zelfmoordaanslagen gezet. Ik bewoog hemel en aarde om hem op andere gedachten te brengen, maar op 10 november 2015 blies hij zich in een bomauto op in Irak. Zijn moeder vertelde me dat hij haar toen hij nog thuis was had toevertrouwd dat hij bang was van God. Waarom moet iemand bang zijn van God?”

Torfs: “Daar zit inderdaad een heel vreemd godsbeeld achter. Veel jonge moslims vrezen de hel en zijn bang voor bestraffing en marteling na hun dood in hun graf.”

AlDe’emeh: “De moslimwereld bulkt van de taboes. Ik ken veel jonge mensen die niet in het openbaar durven spreken over hun relatie waardoor hypocrisie de norm geworden is. In het geheim hebben ze een lief, maar hun vader maken ze wijs dat ze nog steeds braaf vrijgezel zijn. Al die taboes zorgen voor extra druk. Jongeren mogen niet open en eerlijk zijn. Daar komt dan nog eens de sociale en economische achterstelling bij, de geopolitieke toestand die via satellietzenders en sociale media elke dag de huiskamer inkomt én starre imams die de taal van de jongeren niet spreken. Het resultaat zijn tikkende tijdbommen. De voedingsbodem voor de radicale ideologie blijft omdat de vervreemding van veel moslimjongeren onverminderd doorgaat.”

 

Net als de vervreemding bij bange, blanke mannen en vrouwen van middelbare leeftijd die de diverse samenleving als bedreigend ervaren, professor Torfs?

Torfs: “Ik ben de eerste om te zeggen dat je mensen niet moet sussen met ‘alles komt wel goed’, om vervolgens helemaal niets te ondernemen. Een tijdlang was dat in België de officiële leer, vooral als reactie op het groeiende succes van het Vlaams Blok dat later vervelde tot Vlaams Belang. Het antwoord op de extreme en soms ontoelaatbare ‘oplossingen’ van het Belang kon toch nooit zijn: ‘We doen niets.’ Terwijl dat in werkelijkheid wel degelijk was wat er gebeurde.

We moeten oppassen dat we niet in een verkrampt secularisme terecht komen. Door religie te negeren, lossen we het radicalisme nooit op. We moeten ook oppassen met uitspraken als: ‘Alles moet op de schop.’ Natuurlijk moet achteruitstelling aangepakt worden, maar dat doe je in de eerste plaats door voor uitstekend onderwijs te zorgen en door mensen op een fatsoenlijke manier te begeleiden. Niet door al onze maatschappijstructuren radicaal om te gooien.”

 

Volgens sommigen moeten we allemaal, zowel autochtonen als allochtonen, nieuwe burgers in de superdiverse samenleving worden.

Torfs: “Ik vind: blijf vooral jezelf. Vandaaruit kan je dan op zoek gaan naar hoe je het beste in de samenleving functioneert. Ik ben er niet voor om tegen iemand te zeggen: ‘Je moét veranderen.’ Geef mensen kansen waardoor ze eventueel aan zichzelf beginnen werken en zo zelf voor hun verandering zorgen. Dan heb ik het zowel over autochtonen als allochtonen. Pas er toch mee op om van inwoners van een dorp zoals Baardegem waar Montasser opgroeide, te verlangen dat ze zich plots allemaal anders, als ‘nieuwe burgers’, gedragen. Vervreemding bestrijd je nooit door nóg meer vervreemding te creëren. We kunnen ons veel beter afvragen: hoe zorgen we ervoor dat àlle mensen zich in dit land thuis voelen? Dat lukt nooit als we mensen niet als personen, maar enkel als groep benaderen. Want dat is precies wat we doen: we vervallen snel in groepsdenken. Montasser is daar een grote uitzondering op: hij is heel goed in gesprekken van mens tot mens. Dat komt omdat hij altijd rekening houdt met de unieke gebruiksaanwijzing van elk individu.”

 

Montasser AlDe’emeh, Dubbel leven, Achter de schermen va de Staatsveiligheid en IS, Lannoo, 256 blz., 22,99 euro

(c) Jan Stevens

“In Europa hoorde ik extremere dingen dan op de weg naar Mekka”

Van mei 2016 tot september 2017 reisde Jan Leyers door Europa, op zoek naar het gezicht van de islam in het Avondland. Na de bejubelde tv- reeks Allah in Europa die eind vorig jaar door Canvas werd uitgezonden, is er nu het gelijknamige boek, met als ondertitel: Het reisverhaal van een ongelovige. “Ik wou achteraf niet als verwijt krijgen: ‘O, maar hij kijkt als seculiere westerling naar de islam in Europa.’ Natuurlijk kijk ik door die bril; ik bén dan ook een seculiere westerling.”

 

“In een boek kun je een veel ruimer register bespelen dan in een tv-reeks”, zegt muzikant, filosoof, tv-maker en schrijver Jan Leyers. “Op tv kun je maar laten zien wat de camera heeft geregistreerd. Maar veel interessante dingen spelen zich achter de camera af, of op momenten dat hij uitstaat. Onderweg maak ik aantekeningen en schrijf ik indrukken neer; het echte uitschrijven is voor achteraf. Dan weef ik al die gesprekken en ontmoetingen samen met mijn bedenkingen aaneen tot een verhaal. Reizen voelt als grazen, schrijven is herkauwen en er vervolgens melk van brouwen.”

 

Met wat de laatste tien jaar over de islam verschenen is, kunnen we heel dit café waar wij nu zitten, vullen. Wat onderscheidt Allah in Europa van al de rest?

Jan Leyers: “Mijn boek toont dingen die je nergens anders te zien krijgt. Over moslims in Europa bestaan heel wat statistieken en tabellen, de neerslag van weldoordachte antwoorden op weldoordachte vragen. Maar als je écht wilt weten hoe moslims in Europa zich voelen en wat er in hun hoofden en harten omgaat, volstaan die statistieken niet. Dan moet je ook weten wat mensen zich op onbewaakte momenten laten ontvallen. In zo’n uitspraken vertelt iemand vaak meer over zichzelf dan in antwoorden op vragen als: ‘Voelt u wel of niet sympathie voor Islamitische Staat?’ Ik herinner me zo’n moment in Hongarije, waar we te gast waren op een moslimzomerkamp in de poesta. Hongaarse moslims, jong en oud, brachten er een week door in een bungalowpark bij een meer. We mochten er een hele dag filmen. In de eetzaal zaten mannen en vrouwen aan aparte tafels. Onze cameraman maakte een paar shots van de mannen. Daarna draaide hij zijn camera naar een tafel waar zes vrouwen koffie zaten te drinken. Plots riep een man achter ons: ‘Don’t film the women!’ Op een toon alsof die vrouwen zijn eigendom waren. Kijk, als iemand zegt dat je zijn schilderijen of zijn parkieten niet mag filmen, dan heb ik daar begrip voor. Maar vrouwen kunnen daar toch zelf over beslissen? Wat me nog het meest verbijsterde, was dat geen enkele van die vrouwen tegen die man protesteerde. Van zo’n scène steek ik meer op dan van de gemiddelde cijfertabel.”

 

Zou het een ander boek geworden zijn als u in uw eentje door Europa gereisd had, in plaats van met een ploeg van vijf mensen?

“Mensen veranderen als er een camera in de buurt is; het zou dus wel degelijk een ander verhaal geworden zijn. Terzelfdertijd is de camera ook een goede barometer. In de Arabische wereld weet je zonder camera nooit zeker of mensen vrijuit kunnen praten. In een hoekje in een theehuis zullen ze je alles vertellen wat op hun lever ligt. Als je dan vraagt: ‘Durf je dit ook voor een camera te zeggen?’, weet je meteen hoe het met de vrijheid van meningsuiting in hun land gesteld is. Het antwoord is meestal: ‘Neen.’

“Ik heb op deze reis door Europa extremere dingen gehoord dan tien jaar geleden op mijn weg naar Mekka. Omdat je in Europa wel hardop kunt zeggen wat je wilt. Ik heb Britse Korangeleerden zonder blikken of blozen de doodstraf voor geloofsafvalligen horen verdedigen. ‘In een islamitisch land is dat hetzelfde als wat hoogverraad voor jullie is’, zeggen ze. ‘Je krijgt de kans om tot inkeer te komen, maar als je volhardt in de boosheid, betekent dat het einde. Net zoals voor een westerling die hoogverraad pleegt.’ In Londen voerde ik zo’n discussie met sjeik Haitham al-Haddad, die voorzitter is van een zogenaamde shariaraad. Het verschil tussen zijn denkwereld en de mijne kan ik nog het best samenvatten als: twee verschillende vormen van wiskunde met elk hun eigen axioma’s. Een gedachtewisseling is mogelijk, maar een debat is onmogelijk. Dat is zoals voetballen tegen een basketploeg.”

 

Wij, seculiere westerlingen, zien onszelf als de norm. Volgens een studie van het Amerikaanse PEW Research Center uit 2010 identificeren wereldwijd 8 op de tien mensen zich met een of andere religie. De overgrote meerderheid op deze planeet lijkt onze norm dus niet te delen.

“Het klopt dat we onszelf als norm zien. Wij geloven in de rede en aanvaarden geen normen die niet door de rede kunnen worden gestaafd. Dat verschilt radicaal van degene die gelooft dat God tot de mens gesproken heeft en in een boek gedicteerd heeft aan welke wetten wij ons dienen te houden. Voor een seculiere westerling is dat moeilijk te aanvaarden. Op een bepaald moment moet je toch duidelijk stellen: hier wordt de wet niet door God bepaald, maar door de parlementaire democratie. Een fundamentalistische gelovige krijg je daar niet van overtuigd. Hij zal zich daar goedschiks of kwaadschiks bij moeten neerleggen.”

 

Wat niet altijd gebeurt.

“Heel zeker. In Nederland maakte ik kennis met Okay Pala, de lokale woordvoerder van Hizb ut-Tahrir, Arabisch voor de Partij van de Bevrijding. Het streefdoel van die wereldwijd actieve radicaal-islamitische organisatie is naar eigen zeggen de hele mensheid doen inzien dat de islam de door God voorgeschreven levenswijze is en de enige weg naar geluk. Hizb ut-Tahrir is in veel landen verboden. Onze liberale democratie kan volgens hen op geen enkele wijze concurreren met God. Pala en zijn geloofsbroeders noemen de liberale democratie een ‘toevallig historisch compromis’, een ‘idee zonder bewijs’, terwijl de wetten van God er voor eeuwig zijn. Als iemand zoiets tegen je zegt, kun je zelfs niet aan een discussie beginnen. De uitgangspunten zijn te verschillend.”

 

U positioneert zich als ongelovige. ‘Het reisverhaal van een ongelovige’ lees ik op het omslag van uw boek.

“Ik wou van bij de start duidelijk stellen: de reiziger is een westerling die door een seculiere bril naar de werkelijkheid kijkt. Ik wou achteraf niet als verwijt krijgen: ‘O, maar hij kijkt als seculiere westerling naar de islam in Europa.’ Natuurlijk kijk ik door die bril; ik bén dan ook een seculiere westerling. Ik groeide op in de jaren zeventig, was er net als iedereen in die tijd van overtuigd dat religie een aflopende zaak was en zie vandaag verbaasd aan hoe het opperwezen opnieuw terrein herovert.”

 

U beschrijft hoe u eind jaren zestig op uw elfde door uw verknochtheid aan The Beatles voorgoed van uw geloof afviel, toen de onderpastoor het over God als liefde had en zei: ‘Ik heb het niet over de love, love, love waar die mannen van The Beatles tegenwoordig over zingen.’

“Dat was tijdens een catecheseles ter voorbereiding van onze plechtige communie. Als het ging tussen John Lennon en de geur van de kazuifel van onderpastoor Lauryssens was mijn keuze snel gemaakt. (lacht) Ik besef tegelijk dat ik denk zoals ik denk omdat ik toevallig op deze plek en in deze tijd geboren ben. We geloven allemaal graag dat we belangrijke keuzes in ons leven beredeneerd maken. Ik twijfel daaraan. Onze zogenaamd rationele keuzes zijn vaak esthetische voorkeuren: we kiezen voor een universum waar we affiniteit voor voelen. Als tiener was dat voor mij de freedom van de jaren zestig en zeventig, het breken met God en gebod, het onbegrensde experimenteren. Tieners van nu kiezen ook hun ‘esthetisch pakket’; The Beatles hebben ze misschien ingeruild voor hiphop. Je zou eens moeten navragen hoeveel mensen in hun jeugd op hun kamer een vergelijkende studie van de godsdiensten gemaakt hebben: ‘Zou ik nu voor het christendom kiezen of voor de islam?’ Zo werkt dat niet. Elke mens is een kind van zijn cultuur.”

 

Onze samenleving is gediversifieerd. Mensen met ‘esthetische pakketten’ waar wij de finesses niet van snappen, zijn onze buren geworden. Sommige van uw en mijn generatiegenoten die het ‘monoculturele’ Vlaanderen nog meegemaakt hebben, voelen zich vervreemd en ervaren een godsdienst zoals de islam als een bedreiging.

“We hebben moslims als buren gekregen en kijken met verbazing naar dat hele pakket aan islamitische regels dat zij met zich meebrachten. We vinden het onwaarschijnlijk dat iemand zich door zijn religie laat dicteren wat er op zijn bord ligt. Want de regels van de islamitische religie bepalen zowat alle aspecten van het leven. Mensen die het katholicisme in de jaren vijftig en zestig meemaakten, klagen soms over de rigiditeit, maar in vergelijking met een moslim werd je als katholiek met rust gelaten. Er waren geen voorschriften over wat je wel of niet mocht eten en de lengte van je broek werd niet door de pastoor bepaald. De islam is meer dan een godsdienst: het is ook een maatschappijordening. Wat niet wil zeggen dat alle moslims daarin meegaan, maar dat framework is er wel.”

 

Het huis van de islam heeft toch vele kamers, van vredelievende, tolerante soefi’s tot strenge, onverzoenlijke salafisten?

“Dat is zo, en op mijn reis door Europa heb ik ook met vertegenwoordigers van al die verschillende strekkingen kennisgemaakt. In essentie gaat het over het conflict tussen het volgen van de wet en het volgen van je hart. En dat conflict hebben we in het verleden ook in het christendom meegemaakt. Mijn vrouw las me gisteravond een stukje voor uit een biografie van Johannes Calvijn, de grondlegger van het protestants-christelijke calvinisme. We zitten dan in het Genève van de zestiende eeuw. Calvijn verbood er alle muziek en feesten. Plezier maken was uit den boze. Mannen werden gestraft als ze durfden te glimlachen tijdens de doop van hun kind. Schrap de naam Calvijn in de tekst en het is alsof het over een salafistische gemeenschap gaat. In Nederland woedt nu een grote rel die het diepe conflict tussen liberale moslims en hardliners perfect samenvat: de Haagse salafistische imam Fawaz Jneid bestempelde  de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb tot een ‘vijand van de islam’ en ‘een afvallige’. Omdat Aboutaleb te liberaal is en bijvoorbeeld weigerde om de Mohammedcartoons te veroordelen. Daar is veel beroering rond omdat ‘afvallige’ uit de mond van een salafist als een doodvonnis klinkt.”

 

Van Dirk Verhofstadt en Paul Cliteur verscheen onlangs het boek In naam van God, over wat zij het theoterrorisme, terreuraanslagen in naam van God, noemen. Verhofstadt pleit ervoor om het salafisme te verbieden. Volgens hem zijn we te lang te tolerant geweest voor de intoleranten.

“De vraag is: wat ga je precies verbieden? Een salafist is iemand die probeert te leven zoals de profeet en diens eerste gezellen. Ga je dat verbieden? Sommige van die jongens poetsen hun tanden met twijgjes of miswaks, zoals dat in de zevende eeuw de gewoonte was. Moeten miswaks verboden worden?”

 

Het gaat natuurlijk niet over twijgjes of een baard zoals de profeet, maar over wat salafisten verkondigen. Over de manier waarop zij willen dat de wereld wordt ingericht, met de sharia als maatstaf.

“We hebben toch nooit de communistische partij verboden? De dictatuur van het proletariaat die zij wilden installeren, stond ook haaks op de parlementaire democratie.”

 

Wat dan met die salafisten die de jihad verkondigen?

“Die zijn er natuurlijk, maar je mag niet iedereen over dezelfde kam scheren. We gooien alle salafistische strekkingen te makkelijk op dezelfde hoop. Nederland telt zo’n 30.000 salafisten. De overgrote meerderheid zal nooit een aanslag plegen, ook al zijn ze geen fan van Amerika, Israël of van wat het Westen wereldwijd uitspookt. We moeten dringend meer olifantenvel kweken en een beetje Britser en laconieker worden. De voorbije jaren heeft zich in Vlaanderen een middenstandsesthetiek en -ethiek ontwikkeld: alles moet proper en braaf zijn. Alles wat afwijkt is verdacht. Veertig jaar geleden had je hier in mijn gemeente Hove een jeugdhuis recht tegenover de kerk. Wij speelden en repeteerden daar op vrijdag- en zaterdagavond en hingen achteraf in het centrum op straat rond. Vandaag is dat ondenkbaar: de politie zou worden ingezet. Dat klimaat is er gekomen onder invloed van de angstcultuur en onze obsessie met safety en security. De stijgende welvaart heeft er ook voor gezorgd dat alles wat maar een beetje afgebladderd, vuil en goor is, bestreden moet worden. Orde en netheid is het devies. ‘Draag je fluohesje als het schemert, op dat paadje mag je stappen, daar niet.’ Ik word tureluurs van al die door veiligheid en zekerheid doordesemde voorschriften en controles. Wat dat betreft is een islamitische omgeving vaak een verademing. Op een Koranwedstrijd in Hamburg loop je gewoon naar binnen zonder oranje polsbandje en zonder gefouilleerd te worden. Op de moslimbeurs in Antwerpen-Zuid gaat het er even gemoedelijk aan toe als op de Boekenbeurs in 1972. Daar lopen geen sportschoolfiguren met oortjes rond en geen enkele vrouw moet haar handtas openmaken. De bandbreedte van wat we kunnen verdragen is te smal geworden: we weten ons geen raad meer met meningen die radicaal afwijken van de gangbare norm. Als een orthodoxe imam durft te zeggen: ‘Je moet plaatsen mijden waar alcohol gedronken wordt’, is het kot plots te klein. Want dat valt buiten onze geijkte middenstandsmantra.

“Uiteraard wordt het iets helemaal anders als iemand roept: ‘Nu gaan we over tot geweld’, of: ‘Ga vechten met onze geloofsbroeders in Syrië.’ Maar alles wordt te snel tot simpele slogans herleid: islam = salafisme = gaan vechten in Syrië. Op de Promenade des Anglais in Nice ontmoette ik Latifa, een jonge moslima en de dochter van het allereerste slachtoffer van de aanslag op 14 juli 2016. Zij vertelde haar verhaal van de avond van die fatale Quatorze Juillet. Latifa stond naast het met een wit laken bedekte dode lichaam van haar moeder te wenen. Een naderende auto minderde vaart, de bestuurder draaide zijn raampje open en riep haar toe: ‘Bende terroristen!’ Dat gesprek met Latifa maakte voor mij duidelijk dat veel Europese moslim tussen twee vuren zitten. Wij zien maar die ene kant: de islam. Maar hoe afschuwelijk moet het zijn om voor terrorist te worden uitgemaakt als je moeder pas in een aanslag is omgekomen?”

 

In Denemarken bezocht u Kurt Westergaard, de inmiddels hoogbejaarde tekenaar van de verguisde cartoon uit 2006 van Mohammed met een bom als tulband.

“Ik wist net als iedereen dat het leven van die man totaal veranderd is na de doodsbedreigingen aan zijn adres, maar wat dat in werkelijkheid betekent, besefte ik pas ten volle toen ik rechtover die mens in zijn zwaarbewaakte living zat. Elke dag maakte hij een cartoon voor de krant. Op een voormiddag tekende hij Mohammed en zijn leven werd een hel.”

 

Ik leer uit uw boek dat hij eerder al eens een gelijkaardige cartoon getekend had en dat er toen geen haan naar kraaide.

“Die oudere Mohammedcartoon hing in de gang van zijn huis. Hij had die gemaakt voor een tentoonstelling in 1994 en daar nam toen niemand aanstoot aan. Ruim tien jaar later maakt hij een gelijkaardige tekening en het gevolg is dat hij continu door een paar agenten bewaakt wordt.”

 

Wat hebt u van uw reis door Europa geleerd?

“Dat het echte conflict zich niet afspeelt tussen Europa en de islam, maar binnen de islam zelf. Tussen de hardliners en de moslims die ruimte willen scheppen voor twijfel en zelfkritiek. In Brussel ontmoette ik Ahmed, een islamleraar van Marokkaanse origine. Hij vindt het hoog tijd dat moslims hun heilige teksten op een hedendaagse manier beginnen te lezen. Hij vraagt soms aan zijn leerlingen: ‘Wat is belangrijker, de Koran of je eigen hersenen?’ Ze antwoorden dan: ‘De Koran natuurlijk!’ Daarop vertelt Ahmed hun dat een mens zijn hersenen nodig heeft om de Koran te kunnen begrijpen en dat ons verstand belangrijker is. Moslims als Ahmed hebben we meer dan ooit nodig, alleen zijn ze met veel te weinig. Ze krijgen ook te weinig steun van Europeanen. Ze worden te snel weggezet als aandachtzoekers of nestbevuilers.

“In deze krant las ik een recensie van De atheïstische moslim van Ali Rizvi, waarin hij op striemende, maar volstrekt geloofwaardige wijze zijn eigen strijd beschrijft om atheïst te zijn in een islamitisch milieu. ‘Pamflettair’, vond de recensent. Tussen de regels las ik: ‘Waar is al dat gedoe nu eigenlijk voor nodig?’ Dat was ook zo bij Kurt Westergaard. ‘We zijn voor vrije meningsuiting, maar is het eigenlijk wel nodig om al die brave mensen met een cartoon te kwetsen?’ Zouden ze dat indertijd ook tegen Friedrich Nietzsche gezegd hebben toen hij verkondigde dat God dood is? ‘Oei, Friedrich, je kwetst nu zoveel brave Duitse christenen. Publiceer dat maar niet.’ Nee toch? Maar als het over moslims gaat, laten velen hun liberale principes varen. Ik schaam mij nog steeds voor de westerse intellectuelen en schrijvers die indertijd stelden dat Salman Rushdie de fatwa die tegen hem werd uitgesproken aan zichzelf te danken had. ‘Hij had De duivelsverzen maar niet moeten schrijven.’ Ik betwijfel of ze hetzelfde zouden hebben gezegd als de dreiging uit een andere hoek was gekomen, als het een linkse schrijver was geweest tegen wie een of andere extreemrechtse politicus een doodvonnis had uitgesproken. Een echt progressieve krant zou elke dag een foto van Kurt Westergaard in een hoekje bovenaan de frontpagina moeten plaatsen met de tekst: ‘Al zoveel weken met de dood bedreigd en permanent bewaakt.’”

 

Jan Leyers, Allah in Europa, Das Mag, 472 blz., 22,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Niet de N-VA, maar Groen! zou tegen een kernuitstap moeten zijn’

De N-VA lijkt zich vanuit strategische overwegingen neer te leggen bij het Energiepact, en dus bij een kernuitstap. Volgens Maarten Boudry gaat dat lijnrecht in tegen de wil van ecomodernisten, rationele groenen die de geitenwollensokken ontgroeid zijn. 

 

Op woensdag berichtte deze krant dat de N-VA overweegt zich niet langer te verzetten tegen het Energiepact. (DM 31/2/018) Dat plan legt de toekomst van de Belgische energievoorziening vast, met de bouw van windmolens en gascentrales, de installatie van zonnepanelen en de sluiting van de zeven kerncentrales tegen 2025. Die kernuitstap lijkt dus bijna verworven. Alleen vraagt filosoof Maarten Boudry zich af of dat wel zo’n goed idee is. “Er zijn een aantal hinderlijke taboes in de groene beweging die ingaan tegen haar eigen doelstellingen en daarom dringend doorbroken moeten worden. Groen zijn betekent in het publieke debat automatisch: tegen nucleaire energie, tegen Genetisch Gemodificeerde Organismen of GGO’s, vóór bio-landbouw, en vaak ook voor alternatieve geneeswijzen zoals homeopathie. Maar het voortdurende verzet tegen kernenergie en GGO’s is al lang niet rationeel meer en ook bio-landbouw is niet altijd groener of gezonder. Kernenergie is niet alleen één van de meest veilige en minst vervuilende energiebronnen, ze is ook nagenoeg CO2-neutraal. Eigenlijk zou niet de N-VA, maar Groen! moeten pleiten voor het openhouden van de kerncentrales of voor herinvesteren in nucleaire energie. Een kernuitstap betekent in de praktijk altijd meer fossiele energie, en dus ook meer CO2-uitstoot. Kijk maar naar Duitsland, dat nu godbetert bruinkool wil stoken, de goorste fossiele smurrie die er bestaat. En dat allemaal door de Fukushima-hysterie. Het Energiepact wil gascentrales als alternatief; dat is toch waanzin in tijden van klimaatverandering? Zonne- en windenergie zijn geweldig en spelen een belangrijke rol in de strijd tegen klimaatopwarming, maar ze zijn altijd afhankelijk van weersomstandigheden, zeker in het zonnearme Europa. Het is een wensdroom dat wij binnen afzienbare tijd onze energiecapaciteit volledig kunnen vervangen door alternatieve bronnen. De voorbije jaren is er een nieuwe lichting natuurliefhebbers en milieubeschermers opgestaan: de ecomodernisten. Zij delen de meeste doelstellingen en bezorgdheden van de groene beweging, maar ze zijn vooral rationeel groen. Ecomodernisten geloven in wetenschappelijke vooruitgang, in kernenergie en gentechnologie, en zijn ervan overtuigd dat economische groei kan rijmen met ecologie en natuurbehoud. Hun voornaamste argument is dat van ‘ontkoppeling’: we moeten de impact van ons moderne leven loskoppelen van de natuur. Dat betekent dat de mensheid haar voetafdruk moet verkleinen door zich terug te trekken op een kleiner deel van het aardoppervlak en de rest ‘terug te geven’ aan de natuur.”

 

Ecomodernisten geloven in economische groei, zegt u. Is dat niet hét probleem? Oxford-econome Kate Raworth verzet zich in haar boek Donuteconomie hevig tegen het principe van economische groei omdat onze planeet dat niet aankan. Ze houdt een pleidooi voor wat zij een ‘circulaire economie’ noemt. Haar economisch model is even rond als een donut. De buitenste cirkel vertegenwoordigt de ecologische bovengrens: alles wat daar aan economische activiteit buiten valt, schaadt onze planeet. De binnenste cirkel staat voor de sociale ondergrens en geeft weer wat we minimaal nodig hebben om wereldwijd in de basisbehoeften van elke mens te voorzien. In de toekomst moeten we volgens Raworth onze economische activiteit binnen die twee cirkels houden.

“Raworth vat meteen ook één van de kernpunten van het ecomodernisme samen. (lacht) Al is er niets mis met economische groei op zich, want niet elke economische activiteit is belastend voor het milieu. Het raakt ook kant noch wal dat we voortaan tegen ontwikkelingslanden zouden moeten zeggen: ‘Sorry, vanaf nu is het afgelopen met groei, want de planeet kan het niet meer aan.’ Armoede kan enkel door groei opgelost worden.

“Ecomodernisten zijn het met Kate Raworth eens dat we de planeet niet mogen schaden door haar draagcapaciteit te overschrijden en zijn dus eigenlijk ook gewonnen voor een circulaire economie. Tezelfdertijd geloven ze dat economische groei mogelijk blijft op voorwaarde dat je dus ‘ontkoppelt’ en mens en natuur uiteen haalt. Dat zien we nu al gebeuren: rijke landen worden technisch zo efficiënt dat ze in staat zijn om met minder grondstoffen steeds meer te produceren, waardoor de impact op hun leefomgeving verkleint. Groei kan en mag, zolang het niet ten koste gaat van de planeet.

“Ecomodernisten zien meer heil in een leven in de stad dan op het platteland. Doordat in een grootstad alles in geconcentreerde vorm plaatsvindt, zijn de vuilnisbelt en de uitstoot er zichtbaarder. Terwijl steden in werkelijkheid een kleinere ecologische voetafdruk hebben, want ze zijn veel efficiënter. Door in dichtbevolkte steden te leven en het platteland deels te verlaten, schenken we een deel van het aardoppervlak terug aan de natuur.”

 

Hoe is het ecomodernisme ontstaan? Wie zijn de inspirators en de drijvende krachten?

“Het heeft zijn wortels in ‘The Death of Environmentalism’, een essay uit 2004 van Mike Shellenberger en Ted Nordhaus. Ze waren allebei actief in de traditionele milieubeweging, maar vonden dat die ter plaatse bleef trappelen, zich tegen de wetenschap keerde en geen visie op de toekomst had. De voorbije jaren begonnen nog meer mensen binnen de groene beweging zich te storen aan de taboes en de antiwetenschappelijke houding. Stewart Brand, een groene ancien en oprichter van de Whole Earth Catalog, is een vooraanstaande ecomodernist, net als de Britse auteur en activist Mark Lynas. Ooit waren ze allemaal radicaal tegen kernenergie, intussen hebben ze hun kar gekeerd en zijn ze vurige voorstanders. De term ‘ecomodernisme’ is nog heel recent. In 2015 ondertekenden achttien wetenschappers en activisten het invloedrijke ‘Ecomodernistisch Manifest’, dat ook in het Nederlands te lezen is op http://www.ecomodernism.org. Bij onze noorderburen verscheen vorig jaar het boek Ecomodernisme, waaraan de Vlaming Bart Coenen meewerkte.”

 

In de inleiding van het Ecomodernistisch Manifest staat: “Wij bieden dit manifest aan in de overtuiging dat menselijke voorspoed én een ecologisch bruisende planeet niet alleen mogelijk zijn, maar dat ze ook onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.” Deelt u dat eco-optimisme?

“Zeker. We hébben al milieuproblemen opgelost. Door CFK-drijfgassen te verbieden, is het gat in de ozonlaag gedicht. Dat is een verdienste van wetenschappers én milieuactivisten. Het milieu is er vandaag een stuk beter aan toe dan in het begin van de industriële revolutie. In West-Europa is er sindsdien meer bos en biodiversiteit. Doemdenkers zeggen vaak dat de wereld naar de knoppen gaat als alles bij het oude blijft. Dat klopt, alleen blijft niets ooit bij het oude. Niemand kan voorspellen welke nieuwe innovaties voor de volgende doorbraken zullen zorgen. De grootste uitdaging van deze eeuw is natuurlijk de klimaatopwarming. Daarvoor zullen we alle zeilen moeten bijzetten en creatieve oplossingen bedenken. Ecomodernisten vinden dat we niet alleen aan vermindering van CO2-uitstoot moeten denken, maar ook aan ‘carbon capture’ of ‘negatieve emissie’: aan het weghalen van CO2 die al in de atmosfeer zit.”

 

Groenen moeten kernenergie omarmen, vindt u. Maar wat met het afval? En wat met kernrampen als Fukushima of Tsjernobil?

“Die ‘kernrampen’ zijn geweldig overdreven. In Japan is niemand gestorven door de meltdown van Fukushima, en de Wereld Gezondheidsorganisatie verwacht geen stijging van het aantal kankers. In vergelijking met de tsunami was Fukushima een peulschil. Er stierven 15.000 door de tsunami, maar in 2011 deed de hele wereld hysterisch over die kerncentrale waar geen enkele dode viel. In werkelijkheid is kernenergie veruit de veiligste energievorm. Elke jaar sterven er wereldwijd honderdduizenden mensen door de steenkoolindustrie, zowel in de mijnen als door milieuvervuiling. Het probleem van nucleair afval is best beheersbaar. Het is zelfs de enige vorm van vervuiling die zichzelf oplost: na verloop van tijd verdwijnt het vanzelf.”

 

(c) Jan Stevens

“75 jaar heb ik gewacht op mijn held: Donald Trump”

President Donald Trump verleende in augustus van dit jaar gratie aan de toen pas veroordeelde 85-jarige Joe Arpaio, de ‘gemeenste sheriff van de VS’. Arpaio wordt gevreesd door Amnesty International, maar geliefd door Trump. “Ik heb de reputatie keihard te zijn, terwijl ik in werkelijkheid ook een heel fijne man ben.”

 

Op 26 augustus van dit jaar stuurde de Amerikaanse president Donald Trump een vriendelijke tweet de wereld in: “Ik ben blij dat ik jullie mag informeren dat ik net een 85-jarige patriot volledig gratie heb verleend. Sheriff Joe Arpaio hieId Arizona veilig!” Joe ‘The Jailer’ Arpaio was de eerste veroordeelde Amerikaan die gratie van de nieuwe president kreeg. Trumps voorgangers Obama en Bush verleenden allebei pas na een jaar hun eerste presidentiële pardon. De gratie voor de omstreden sheriff zorgde voor een golf van protest, ook binnen Trumps eigen Republikeinse Partij. Zo verklaarde senator John McCain dat de president het respect voor de rechtsstaat ondermijnde. Een maand eerder was Joe Arpaio door een rechter veroordeeld voor minachting van het Hof. Want ondanks rechterlijke bevelen bleef America’s Toughest Sheriff Latijns-Amerikanen in zijn district Maricopa County in de staat Arizona arresteren op basis van het vermoeden dat ze illegalen waren. Eind oktober weigerde een federale rechter Arpaio’s veroordeling te schrappen. ‘Het presidentiële pardon bespaart de beklaagde een bestraffing, maar wist de feiten niet uit’, schreef rechter Susan Bolton in haar arrest. Arpaio tekende tegen die beslissing beroep aan.

24 jaar lang droeg Joe Arpaio met trots zijn titel van gemeenste sheriff van Amerika. Tot hij in november 2016 tot zijn eigen verbazing én ontzetting bij de sheriffsverkiezingen verslagen werd door de Democratische kandidaat Paul Penzone.

 

Sinds 1 januari van dit jaar bent u gepensioneerd?

Joe Arpaio: “Bijlange niet. Ik zit in zaken en denk er op dit moment zeer sterk over na om me verkiesbaar te stellen voor de senaat. Ik wil de plek innemen van Jeff Flake, de Republikeinse senator voor Arizona. Hij zit in het kamp van John McCain en voert oppositie tegen onze president. (schamper lachje) Als de media het hebben over ‘de Republikeinse Partij die zich tegen de president keert’, nemen ze hun wensen voor waarheid. Want ik vind niet dat vijf Republikeinse senatoren die niet van onze president houden, de hele partij vertegenwoordigen. Veel mensen houden wél van hem; hij is niet voor niets verkozen geraakt. Vanaf dag één ben ik een fan van president Trump. Ik ontmoette hem pas voor het eerst toen hij naar Arizona kwam, in juli 2015, vlak nadat hij besloten had om aan de presidentsverkiezingen deel te nemen. Hij hield hier een rally en ik stelde hem voor aan duizenden toeschouwers. Ik zei toen: ‘Deze man wordt onze volgende president.’ Mijn vrouw Ava kreeg dat jaar de diagnose kanker en Donald belde haar verschillende keren om te vragen hoe het met haar ging. Ik was de erevoorzitter van de campagne van George W. Bush toen hij voor het eerst opkwam voor de presidentsverkiezingen. Ik was erevoorzitter voor Mitt Romney en ik steunde Rick Perrey toen hij zijn kandidatuur stelde in 2012. Rick is nu minister van Energie. Ik heb dus enige ervaring in het omgaan met mensen die over de juiste vaardigheden beschikken om president van dit land te worden. Maar Donald Trump overklast iedereen. Mijn buikgevoel zei me ruim twee jaar geleden al dat hij een schitterende president zou zijn. Van mijn geboorte tot pakweg mijn tiende levensjaar was ik me niet van de politiek bewust; daarna moest ik 75 jaar wachten op mijn held: Donald Trump.”

 

Waarom is hij uw held?

“Omdat hij zoveel levenservaring heeft. Hij heeft ook de moed om uit te voeren wat hij denkt dat het juiste is voor ons land. Hij is niet bang om voor zijn mening uit te komen. Hij is rijk genoeg en heeft die job niet nodig. Hij houdt van de cops, het leger en onze veteranen. He’s rocking the ball. Het was hoog tijd dat er iemand aan het roer kwam die niet politiek correct is.”

 

Zijn voorliefde voor het militaire en het autoritaire schrikt wereldwijd zeer veel mensen af. Ze zijn ook bang voor zijn onberekenbaarheid.

“Wat is er zo schrikwekkend aan Donald Trump? Zijn recente rondreis in Azië was een groot succes. Al die Aziatische presidenten hielden van hem. De Franse president Macron leek eerst niet zo’n grote fan, tot hij hem ontmoette. Macron koestert nu ontzag voor hem en nodigde hem zelfs uit voor de parade op de nationale feestdag. Dat bewijst alleen maar dat we blij mogen zijn met een man die uit de privésector komt en weet hoe hij deals moet sluiten. De manier waarop Donald Trump deals maakt, lijkt misschien soms een beetje controversieel, maar ik weet dat er een solide methode achter zit. Hij is vastbesloten om alle bureaucraten en politici in Washington de wacht aan te zeggen.”

 

Als hij dingen wil veranderen, zal hij die bureaucraten en politici hard nodig hebben. Zonder volledige steun van de Republikeinen krijgt hij in het Congres toch niets voor elkaar?

“Ik begrijp waarom u dat zegt, maar tòch zal hij doen wat hij vindt dat juist is. Met uw opmerking herleidt u hem tot zo’n typische politicus. Er zijn er een paar in de Republikeinse Partij die hem rauw lusten, maar dat komt wel goed. De rest wordt opgeklopt door de media. Ze produceren echt fake news. Ik ken dat wereldje: mijn schoonzoon is chef van de opiniepagina van een grote krant in Arizona. Zenders als CNN proberen Donald Trump te vernietigen. Maar onderschat de gewone mensen van dit land niet: ze zijn slim en lezen tussen de regels. Ikzelf ben ook een slachtoffer van media-bashing. Ze zitten al vijftig jaar achter me aan. Ik kan me heel goed voorstellen hoe president Trump zich moet voelen.”

 

Kunt u zich ook voorstellen hoe mensen zich moeten voelen die door de president in een van zijn beruchte tweets geschoffeerd worden?

Alright. Waarom moet hij zich op Twitter inhouden? Omdat hij nu president van de VS is? De mensen houden net van hem omdat hij zich allesbehalve presidentieel gedraagt. Wat is er mis met wat getweet? Ik heb zelf ook een account, @realsheriffjoe, maar ik heb geen flauw idee hoe ik er iets moet opzetten en heb dat dan ook uitbesteed. Iedereen twittert nu toch? Waarom mag onze president dan niet zijn gevoelens de vrije loop laten op Twitter? Wilt u dat hij alles geheimhoudt zoals de CIA? Het is toch fantastisch dat een president aan zijn volk laat weten hoe hij zich écht voelt, ver weg van het politiek correcte?”

 

U draagt de titel ‘America’s Toughest Sheriff’ met trots.

“Ik wàs de meest beruchte sheriff, vandaag ben ik niet meer in dienst, maar ik hou wel mijn titel ‘sheriff’. Ik heb de langste staat van dienst in Maricopani, met ruim vier miljoen inwoners de vierde grootste county van de VS. Ik droeg dus een zeer grote verantwoordelijkheid. Ik stelde me voor het eerst verkiesbaar op mijn zestigste. In Amerika wordt een sheriff net zoals de president door het volk verkozen. Politiecommissarissen worden benoemd omdat ze onder het gezag van de burgemeester vallen, maar een sheriff legt rekenschap af aan de grondwet. Mijn nederlaag in 2016 was zeer bizar. Tijdens de campagne moest ik op te veel terreinen slag leveren. De federale overheid maakte me het leven zuur, maar ook superrijke figuren als George Soros (Hongaars-Amerikaans zakenman, filantroop en sponsor van de Democratische Partij – JS). Hij investeerde 5 miljoen dollar in een lastercampagne tegen mij. Hij verspreidde het nieuws dat het ministerie van Justitie me wou onderzoeken omdat ik het bevel van een rechter niet gehoorzaamd zou hebben. Vervolgens kreeg ik al die activisten en liefhebbers van open grenzen over me heen. Ik moest vechten tegen te veel tegenstand.”

 

Misschien zijn de inwoners van Maricopani uw keiharde aanpak gewoon moe?

“Bijna een kwart eeuw stonden ze achter die aanpak. Toen ik voor de allereerste keer campagne voerde, beloofde ik dat ik in de woestijn een gevangenis bestaande uit afgedankte legertenten zou bouwen. Ik richtte in 1993 Tent City op met tenten die de Koreaanse oorlog uit de jaren vijftig hadden overleefd. Een half miljoen gedetineerden mocht zijn straf in die tenten komen uitzitten. Alle burgers waren wild enthousiast. Nu ik door een sergeant van de politie van Phoenix verslagen ben, vind je van Tent City geen spoor meer terug.”

 

Waarom bouwde u een gevangenis van tenten?

“Ik voerde de plak over zes overbevolkte gevangenissen. Tent City leek me een ideale oplossing, want ik kreeg de tenten voor een prikje. Het kostte me in totaal 130.000 dollar in plaats van 80 miljoen voor de bouw van nog eens een nieuwe gevangenis. De gevangenen waren veroordeelde criminelen en zaten niet in voorhechtenis. Ik wou met Tent City de boodschap de wereld insturen: ‘Als je iets verkeerds uitspookt, eindig je in een oververhitte tent.’”

 

Want in de woestijn van Arizona wordt het heel warm?

“Ja, iets van een 55 graden Celsius. Mijn antwoord aan al die mopperende critici van Amnesty International en aan al die burgerrechtenbewegingen is heel simpel: al onze fijne mannen en vrouwen die als soldaten voor ons land vechten, slapen en leven in tenten. Waarom kan een veroordeelde gevangene dat dan niet? Dan staan die mensenrechtenadvocaten met hun mond vol tanden.”

 

Waarom moesten de gevangenen roze onderbroeken dragen?

“Omdat ze anders toch maar het witte ondergoed zouden stelen en naar buiten smokkelen. Het gebeurde wel eens dat een paar van onze gevangenen tijdelijk naar een staatsgevangenis werden overgebracht; in hun roze onderbroek wist iedereen meteen waar ze vandaan kwamen. Ik besliste over de kleur roze en kreeg daar ook weer kritiek op. Mijn antwoord was heel eenvoudig: ‘Zorg ervoor dat je niet in de gevangenis terechtkomt als je niet van roze houdt.’

“Ik heb de reputatie keihard te zijn, terwijl ik in werkelijkheid ook een heel fijne man ben. Onder mijn bewind hadden we de allerbeste rehabilitatieprogramma’s voor drugsverslaafden, alcoholisten of huiselijk geweldplegers. Er liepen ontelbaar veel programma’s waar de veroordeelden hun profijt mee konden doen. Neem bijvoorbeeld de chain gang: we zetten de geketende gevangenen in een rij op straat en lieten hen het vuil opkuisen. Wist u trouwens dat ik de allereerste vrouwelijke chain gang uit de geschiedenis heb ingevoerd? Toen ik met dat programma van start ging, stonden er cameraploegen uit de hele wereld klaar.”

 

Wat was de filosofie achter uw chain gang?

“Telkens wanneer een gevangene iets in zijn tent mispeuterde, werd hij opgesloten in een speciale cel. Wij noemden hem dan locked down. Hij kon daar alleen maar uit geraken door vrijwillig aan te sluiten bij de chain gang. Door de straten gratis en voor niets te kuisen, bespaarden de gevangenen de belastingbetaler handenvol geld. Een van hun andere taken was om dode naamloze daklozen, meestal junks, op het gemeentelijk kerkhof te begraven. Zo zagen de veroordeelden meteen wat hen te wachten stond als ze hun leven niet beterden. Er gaat altijd een reden achter mijn beslissingen schuil.”

 

U handelt niet vanuit sadisme maar om mensen te helpen?

“Sadisme vind ik een zwaar woord. Het is niet omdat ik hard ben, dat ik een sadist zou zijn. Ik was een succesrijke sheriff en weet u waarom? Omdat ik al heel wat levenservaring had en mijn gezond verstand gebruikte. Ik ben geboren op Flag Day, 14 juni, op exact dezelfde dag als mijn vriend en held Donald Trump. Mijn ouders kwamen uit Italië en mijn moeder stierf tijdens mijn geboorte. Ze weigerde een abortus. Toen de Koreaanse oorlog in 1950 uitbrak, nam ik dienst. Ik kwam in Frankrijk terecht, nabij Verdun. Daarna wou ik politieman worden en op mijn 21e werkte ik bij de Metropolitan Police van Washington DC en later bij de politie van Las Vegas, Nevada. Tot ik gevraagd werd om narcotics agent te worden bij de federale Drug Enforcement Administration (DEA). Eerst in Chicago, later in Turkije en het Midden-Oosten. Ik bestreed de French Connection en de Italiaanse maffia. Terug in de VS werd ik als DEA-agent gedetacheerd naar San Antonio, Texas, waar ik mijn pijlen richtte op de de Mexicaanse grens. Ik schopte het in 1970 tot regionaal directeur en had op dat moment ook kantoren in Argentinië, Bogota en Panama, waar ik nauw samenwerkte met generaal Noriega. Daarna keerde ik terug naar Washington als inlichtingenagent, werd ik baas in Baltimore, drugsbestrijder in Arizona om er eerst in 1982 op pensioen te gaan en er tien jaar later als sheriff uit de as te herrijzen.”

 

Als sheriff richtte u een posse op. Dat is een soort van privémilitie?

“Nee, dat is een vrijwilligerscorps. Ik heb de posse niet gecreëerd, die bestond al jaren; ik heb ze wel dingen laten doen die geen enkele posse ooit gedaan heeft. Ik bewapende vijfhonderd vrijwilligers, bezorgde ze allemaal hetzelfde uniform en liet ze rondrijden in politiewagens. Ik bekostigde alles zelf. Ik had vijftig verschillende posses: één met paarden, één met computers, één voor zoek- en reddingsopdrachten, noem maar op. Ik nam als sheriff de vrijheid om, gratis en voor niets, met mijn posses de wet te doen respecteren. Maar nu worden al mijn mooie verwezenlijkingen in een rotvaart opgedoekt. Ik heb mijn plicht gedaan, maar ik ben nog bijlange niet klaar. Zo plan ik om binnenkort nog eens met nieuws over het geboortecertificaat van ex-president Obama naar buiten te komen. (grijnst)”

 

U gelooft nog steeds dat het een vervalsing is en blijft een fervente aanhanger van de birther-beweging?

“Natuurlijk is dat fake. Alleen heeft niemand de guts om de waarheid onder ogen te zien. Niemand wil er naar kijken, of het zelfs maar aanraken.”

 

Gelooft Donald Trump ook nog steeds dat het geboortebewijs van zijn voorganger fake is?

“Daar ben ik zeker van. In 2011 heeft hij dat al gezegd. Maar ik heb dat toen niet met hem afgesproken, ik voerde mijn eigen onderzoek. Ik had een posse opgericht om oude zaken te onderzoeken en zij kregen van mij de opdracht om Obama’s geboortecertificaat onder de loep te nemen. Net voor ik ontslag moest nemen, vond mijn posse overtuigend bewijs dat het vals is. We huurden daarvoor Italiaanse forensische experts in, want geen enkele Amerikaanse expert was bereid om het certificaat te bekijken. Ze zijn allemaal bang om tegen president Obama in te gaan. We vonden ook nog een vrouwelijke expert in Hawaï die klaar en duidelijk zei: ‘Het is fake!’ Het is niet meer dan copy-paste van verschillende andere Hawaïaanse geboortebewijzen. Hoeveel meer bewijsmateriaal heeft een mens nog nodig?”

 

Als president Obama niet in de Hawaïaanse stad Honolulu geboren is, waar dan wel? In Kenia?

“Nu zitten we bij de kern van de zaak. Ik heb van in het begin duidelijk gesteld dat het me geen zak uitmaakt waar de man geboren is. Dat geldt nog steeds. Ik ben een detective en heb na grondig onderzoek vastgesteld dat het om een frauduleus geboortebewijs gaat. Dat is alles. Het maakt me niet uit waar hij vandaan komt en ik heb ook geen idee waarom ze die vervalsing gemaakt hebben. Laat ze maar eens bewijzen dat ik ongelijk heb. Waarom weigert de overheid om mijn onderzoek over te doen? Als u met een vervalst geboortebewijs op de proppen komt, zal u toch ook grondig op de rooster gelegd worden?”

 

Deze zomer schonk Donald Trump u gratie. Wat had u precies mispeuterd?

“Helemaal niets. Ik ben ten onrechte veroordeeld voor ‘minachting van de rechtbank’. Een federale rechter had ons verboden om illegale immigranten te controleren. Hij beweerde dat ik zijn bevelen niet had opgevolgd. Tijdens de verkiezingsstrijd blies hij dat kleine vergrijp op tot een strafzaak. Er werd onnoemlijk veel aandacht aan geschonken en zo geloofden de burgers dat ikzelf in de gevangenis zou belanden en besloten ze om niet op mij te stemmen.”

 

U wordt van een hele waslijst aan overtredingen beschuldigd: onrechtmatige arrestaties, grensoverschrijdend gedrag, wanbeleid, achteroverdrukken van overheidsgeld en racisme om er maar een paar te noemen.

“Allemaal op niets gebaseerd. Hoe komt het dat ik nog niet achter de tralies zit als ik dan toch zo’n groot misdadiger ben?”

 

Speciaal aanklager Robert Mueller onderzoekt op dit moment de banden tussen Donald Trump en Rusland. Blijft de president uw held als dat onderzoek slecht voor hem uitdraait?

“Ik vind het jammer voor de president en zijn familie dat er op die manier een heksenjacht tegen hen gevoerd wordt. We’ll see. Ik ruik hier vooral politieke spelletjes. Het echte verhaal komt nog wel naar boven. Binnenkort krijg ik informatie over de waarheid achter dat dossier dat die spion uit Engeland, die Christopher Steele, tegen de president fabriceerde.”

 

U hebt ook daar als sheriff uw eigen onderzoek naar laten voeren?

“Ik heb informatie, geen onderzoek. (aarzelt) Yeah, ik heb informatie als gevolg van een onderzoek van toen ik nog sheriff was. Verder zeg ik daar nu niets meer over. Wacht maar tot binnen een paar weken.”

 

(c) Jan Stevens

“Hij is nog steeds een jihadist”

De Noorse schrijver Demian Vitanza leerde eind 2015 in de gevangenis de teruggekeerde Syriëstrijder Ishaq Ahmed kennen. Hij herdoopte Ishaq tot Tariq en kneedde zijn verhaal tot een indringende roman. “Ik vroeg meermaals: ‘Waarom vertrok je naar Syrië?’ In het begin antwoordde hij: ‘Om tegen Assad te vechten.’ Op het einde zei hij: ‘Omdat ik wou sterven.’”

 

Meer dan een jaar lang bezocht de Noorse schrijver Demian Vitanza twee keer per week een teruggekeerde Syriëstrijder in een van de meest beveiligde gevangenissen van Noorwegen. Die urenlange gesprekken vormden de basis voor Vitanza’s roman In dit leven of het volgende. “Ik nam geen enkel gesprek op”, zegt hij. “Ik wou geen materiaal verzamelen dat compromitterend voor mijn gesprekspartner zou kunnen zijn. We hielden er rekening mee dat we in de bezoekersruimte van de gevangenis afgeluisterd werden. Telkens wanneer hij me iets wou toevertrouwen dat de politie niet mocht weten, schreef hij dat op, liet het me lezen en at daarna het velletje papier op.”

In In dit leven of het volgende vertelt Tariq, een Noor met Pakistaanse roots, hoe hij als tiener op het slechte pad geraakte en een drugsdealer werd, tot hij als twintiger de islam omarmde. Via het internet en onder invloed van radicale geloofsgenoten raakte hij in de greep van het salafisme. In september 2013 vertrok hij met een vriend met Tsjetsjeense roots in een bestelauto naar Syrië om er als jihadist te gaan vechten tegen Assad. Begin 2014 kreeg hij een kogel in het been, stak de Syrische grens terug over en zocht in Turkije hulp in de Noorse ambassade. Een jaar na zijn terugkeer in Noorwegen werd hij gearresteerd en in juli 2015 werd hij veroordeeld tot acht jaar gevangenschap voor lidmaatschap van een terreurorganisatie.

“Ik ontmoette hem toen ik eind 2015 een week schrijfcursus aan gedetineerden gaf in de zwaarbeveiligde gevangenis in mijn thuisstad Halden”, zegt Demian Vitanza. “Op de vierde dag kwam die jongen naar me toe. ‘Ik heb een verhaal’, zei hij. ‘Ik heb je hulp nodig om het naar buiten te brengen.’ Ik ben een roman- en toneelschrijver en zijn verzoek stond haaks op wat ik doe: ik schrijf niet iemand anders verhaal. Op mijn schrijfcursussen gebruik ik literatuur als werkmiddel voor de cursisten om zichzelf beter te leren uiten. Maar hij bleef aandringen. ‘Waarover gaat het?’ vroeg ik. ‘Ik vocht in Syrië’, antwoordde hij. Dat prikkelde mijn nieuwsgierigheid. Niet veel jongemannen die naar Syrië trokken, zijn bereid om hun verhaal te delen met de rest van de wereld. De teruggekeerden willen geen problemen voor hun familie, vrezen wraakacties van andere jihadisten of hebben geen zin in extra ondervragingen. Medegevangenen houden sowieso niet van ‘verklikkers’. Ze hebben dus weinig te winnen met het openbaar maken van hun verhaal.”

 

Hij wou dat u zijn verhaal als roman verpakte?

Demia Vitanza: “Nee, ik heb er een roman van gemaakt omdat ik zo meer vrijheid kreeg, maar ook om hem te beschermen. Sommige dingen die hij me vertelde, stigmatiseerden zijn familie of creëerden ernstige problemen voor zijn radicale moslimvrienden in Noorwegen.”

 

Mensen die hem kennen, weten na lezing van In dit leven of het volgende toch perfect wie ‘Tariq’ in werkelijkheid is?

“Zeker. Eind 2015 zaten er zeven Syriëstrijders in Noorse cellen, nu zijn het er negen. Het was niet zo moeilijk voor de Noorse media om de identiteit van mijn hoofdpersonage te achterhalen. We waren ons er zeer goed van bewust dat zijn naam snel bekend zou raken. In de eerste recensie in een Noorse krant stond zijn echte naam Ishaq Ahmed meteen netjes gespeld. (lacht) De aanpassingen van de realiteit in mijn roman waren voor ons een spel. We verplaatsten de jonge Ishaq alias Tariq van Fredrikstad naar Halden. Zijn thuisstad ligt op dertig kilometer van de mijne en door ‘zijn’ Fredrikstad in te ruilen voor ‘mijn’ Halden kon ik meteen ook alle kennis over mijn eigen stad in zijn verhaal integreren. Door Fredrisktad te vervangen door Halden vermeden we ook dat mensen uit zijn omgeving gestigmatiseerd raakten. In het begin had Ishaq het lastig met die laag fictie, maar na verloop van tijd zag hij er de voordelen van in. Hij begreep dat fictie soms meer waarheid vertelt dan non-fictie. Soms vroeg ik hem: ‘Ishaq, is het wel verstandig om dit te vertellen?’ Waarna hij me aankeek en zei: ‘Het is een roman.’ (lacht)”

 

U beschrijft heel mooi hoe Tariq alias Ishaq van kleine drugsdealer evolueert naar devote moslim. Hoe hij de leegte van een bestaan vol geld, drugs en gangsterrap inruilt voor het gebed.

“Ik ben blij dat u dat zegt, want het vinden van de islam was voor hem inderdaad iets heel moois. Voor veel mensen eindigt het daar ook: ze omarmen op een bepaald moment hun geloof en volgen daarna een vredevol levenspad. Maar bij Ishaq waren de frustraties zo hoog dat het intens beleven van een spirituele islam niet volstond. Hij was op dat moment al een aanhanger van complottheorieën, zoals die over de duistere genootschappen van de illuminati die het universum regeren. Daar kwam nog eens de toestand in de wereld bij, met onder andere de oorlogen in het Midden-Oosten.”

 

Ishaq werd salafist onder invloed van de Britse bekeerling Abdurraheem Green. Als je naar de website van Greens organisatie IERA surft, krijg je de indruk dat de man een boodschap van liefde verspreidt. Toch wordt zijn organisatie gelinkt aan de ‘Portsmouth Jihadis’, zes jonge moslims die zich aansloten bij IS. Hij is een wolf in schaapsvacht?

“Laat me eerst duidelijk stellen dat ikzelf areligieus ben en heel erg sceptisch sta tegenover het salafistische gedachtegoed. Toch wil ik het onderscheid maken tussen salafisme en extremisme. Extremisten zijn bereid om geweld te gebruiken om zo hun doel te bereiken. Dat is meteen ook de definitie van extremisme volgens de Noorse staatsveiligheid. Abdurraheem Green beschouw ik niet als zo’n extremist. Hij is een salafist, maar roept niet op tot geweld of terreur. Ik gebruik de term extremist enkel voor gelovigen die tot geweld willen overgaan. De anderen zijn salafisten, of geschifte kerels. (lacht) Mijn indruk is dat Green geweld afwijst, al durf ik er mijn hand niet voor in het vuur te steken.

“De interesse van Ishaq voor het salafisme werd zeker in het begin serieus aangewakkerd door het internet. Eerst kwam hij terecht bij de zeer devote tablighi die je kan vergelijken met de evangelische christenen. Op het internet ging hij op zoek naar vragen waarmee hij worstelde, zag salafistische video’s en werd erdoor aangesproken. De salafistische ideologie is helder als pompwater: door je strikt aan alle regels te houden, word je een goede moslim. Salafisme is een handleiding voor het leven. Als je op het internet begint te zoeken, leiden de achterliggende algoritmes je op basis van je zoekgeschiedenis en surfgedrag verder in één welbepaalde richting. Zo werd Ishaq als vanzelf de salafistische tunnel ingezogen, richting jihadisme.

“In Noorwegen bestaat er een organisatie die Islam Net heet. Zij organiseren elk jaar een conferentie en focussen zich op studenten. Officieel zijn ze niet salafistisch, in de praktijk wel. Ishaq raakte in 2012 gecharmeerd door hen en bezocht hun conferentie. Daar leerde hij de echte extremisten en jihadisten kennen van Profetens Ummah, onze variant van jullie Sharia4Belgium. ‘Het is onze plicht om in Syrië te gaan vechten’, vonden zij, terwijl ze door Islam Net werden tegengesproken. ‘Nee dat moeten we niet doen. We moeten helpen met gebed, geld of het inzamelen van kleding.’ Maar Ishaq raakte steeds meer in de ban van de oproep tot jihad van Profetens Ummah. De meer gematigden van islam Net vond hij huichelaars, bezorgd over hun eigen imago.”

 

Dus vertrok Ishaq in september 2013 naar Syrië om er tegen de dictator te gaan vechten. U gelooft hem wanneer hij beweert nooit lid van IS te zijn geweest?

“Hij vertrok op een moment dat IS net op het slagveld verschenen was. Het zou nog bijna een jaar duren voor ze hun kalifaat uitriepen, toen was Ishaq al terug thuis met een kogel in zijn been. Een van zijn opties was aansluiten bij Jabhat al-Nusra, de jihadisten van Al-Qaida, of bij het door Tsjetsjenen gedomineerde JMA, Jaish al-Muhajireen wal-Ansar. Uiteindelijk koos hij voor JMA, maar net voor hij contact met hen zocht, viel die groep uiteen. Sommige leden stapten over naar IS; andere vormden een nieuwe militie. Het was een zootje en Ishaq vertelde me dat hij niet meer wist bij wie hij terecht kon. Misschien heeft hij me over zijn periode in Syrië niet de hele waarheid verteld, al ben ik toch geneigd hem te geloven als hij zegt dat hij nooit bij IS gevochten heeft. Uiteindelijk kwam hij bij een groep terecht die niet op een terreurlijst stond, maar in werkelijkheid wel onder de vleugels van Al-Qaida opereerde. Hij wou vechten tegen de dictator Assad, dat was zijn hoofdmotivatie. Al valt niet te ontkennen dat het idee van een Islamitische staat in Syrië en Irak toen al furore maakte en dat hij daarin sterk geïnteresseerd was.”

 

De reis van Ishaq met zijn Tsjetsjeense kompaan in een bestelauto van Noorwegen via Turkije naar Syrië lijkt op een vaudeville. Er waren ontzettend veel momenten onderweg waarop iemand hen had kunnen tegenhouden, maar iedereen kneep een oog dicht.

“Veel mensen denken dat de geheime uittocht van de Syriëstrijders met militaire precisie voorbereid werd, maar niets is minder waar. Het waren gewoon een stel jongens die op een waanzinnige roadtrip vertrokken. Ze wisten niet precies hoe ze moesten rijden, en verzonnen onderweg de meest idiote smoezen. Toen Ishaq afreisde, waren de politiediensten van verschillende landen bijlange nog niet zo alert als nu voor het fenomeen van de foreign fighters. Vermoedelijk waren er ook mensen die dachten: ‘Laat ze maar sneuvelen in Syrië. Dan is dat probleem opgelost.’

“Hij zegt dat hijzelf geen mensen gedood heeft en ik geloof hem. Hij hield de wacht en haalde aan het front de gewonden op en verzorgde ze.”

 

Het merkwaardige is dat alle teruggekeerde Syriëstrijders hetzelfde verhaal vertellen: ze waren allemaal ziekenbroeder.

“U hebt gelijk. Of we zijn verhaal aan het front dan moeten geloven of niet? Misschien wel, al zegt mijn intuïtie eerder van niet.”

 

Doordat hij gewond raakte, overleefde hij zijn Syrië-avontuur.

“Het was net als in de Eerste Wereldoorlog: degenen die een kogel in het been kregen, waren toen ook de gelukkigen. Zij mochten naar huis en overleefden. In een verslag uit die tijd las ik dat soldaten weenden van vreugde toen ze in hun been geraakt werden. Ishaq weende niet van vreugde, want door zijn kogelwonde miste hij als martelaar zijn afspraak met het paradijs.”

 

Het is toch onbegrijpelijk dat een jongen van 22 zo graag dood wil?

“Ik denk niet dat hij dood wou, maar eerder dat hij niet wou leven. Veel jonge mensen van begin twintig hebben het moeilijk met het leven, omdat het in hun ogen zinloos lijkt. Ze plegen geen zelfmoord, maar zien ook weinig toekomst. Dat is de enige manier waarop ik de keuze van jonge Syriëstrijders voor het martelaarschap kan begrijpen. Het jihadisme weet die staat van zijn van jonge mensen op een krachtige manier te exploiteren. Hij geeft het niet graag toe, maar in de gesprekken die ik met Ishaq voerde, bespeurde ik af en toe toch twijfel over de echtheid van dat martelaarschap. Een vriend van hem vertelde in zijn rechtszaak hoe hij zijn steun aan IS opgaf toen hij op een keer merkte dat lijken van IS-strijders aan het ontbinden waren en uren in de wind stonken.”

 

Terwijl de mythe van het martelaarschap net wil dat de lijken van martelaars naar musk ruiken?

“Precies. Op het moment dat die geur van verrotting in de neus van die jongen binnendrong, besefte hij dat het door IS voorgespiegelde martelaarschap bullshit is. Ishaq zelf vertelde me dat hij aan gesneuvelde vrienden gesnuffeld had. ‘Ze roken lekker’, beweerde hij.”

 

Gelooft hij nog in de jihad?

“Hij blijft de strijd tegen Assad vanuit religieus oogpunt gerechtvaardigd vinden. Dus ja, eigenlijk is hij nog steeds een jihadist. Maar IS steunt hij niet meer. Hij heeft nooit problemen gehad met de manier waarop het kalifaat functioneerde, of met de sharia. Ik heb hem gevraagd wat hij van de executies van homo’s vond, en hij antwoordde: ‘Ik weet niet wat Allah wil. Thuis mag je homo zijn, maar toon het dan niet op straat.’

“Hij zal nog minstens drie jaar in de gevangenis moeten doorbrengen en studeert automechanica. Hij verlangt naar een eenvoudig leven en hoopt dat zijn moeder hem zal helpen een vrouw voor hem te vinden.”

 

Ishaqs vader Hassan Ahmed werd in augustus 2016 in een Noorse rechtbank veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf. Een half jaar nadat zijn zoon uit Syrië teruggekeerd was, maakte hij de omgekeerde beweging en sloot zich aan bij IS. In uw boek wordt daar met geen woord over gerept en verdwijnt Ishaqs ‘afwezige vader met een crimineel verleden’ al snel spoorloos uit beeld.

“Hassan Ahmed had lang totaal geen interesse in de islam. Hij heeft een gangsterverleden en zat in de bak toen Ishaq nog klein was. Hij maakte zich grote zorgen over de radicalisering van zijn zoon en was woest op de islamisten die Ishaq inspireerden om naar Syrië te gaan. Het kwam als een totale verrassing toen hij in de zomer van 2014 zelf naar het kalifaat afreisde.

“Ik mocht van Ishaq niet over Hassans reis naar Syrië schrijven. Hij was ontzettend bang dat hij zijn vader en de rest van zijn familie daardoor nog meer in de shit zou brengen. Hij had niet echt ongelijk, want de kans bestond dat stukken uit het boek later op het proces van de vader gebruikt zouden worden. Mijn roman is trouwens ook als bewijsmateriaal opgevoerd in een zaak van een vriend van Ishaq. Toch vond ik het zonde om die fascinerende link tussen vader en zoon zomaar te moeten laten liggen. Maar telkens ik erover begon, werd Ishaq bleek van angst. Hij sloeg dan helemaal dicht. Op een bepaald moment wou hij me zelfs niet meer zien en overwoog hij om te kappen met het boek. Tot ik hem na een paar weken van absolute stilte dan maar zelf voorstelde om zijn vader helemaal weg te schrijven. Zo kon ik het boek redden.”

 

Is Ishaq een vriend geworden?

“Ja. Ik geloof niet dat hij me ziet als een vuile kafir of ongelovige, want dan was dit boek er nooit gekomen. Als ik een journalist geweest was, had ik een kritische afstand gehouden. Maar ik ben een literaire schrijver die de kritische nabijheid opzoekt. Ik ben veel kritischer tegen mijn vrienden dan tegen mensen die ik niet zo goed ken. Ik heb hem in al die uren die we samenzaten, meermaals gevraagd: ‘Waarom vertrok je naar Syrië?’ In het begin antwoordde hij: ‘Om tegen Assad te vechten.’ Op het einde zei hij: ‘Omdat ik wou sterven.’”

 

Demian Vitanza, In dit leven of het volgende, Manteau, 320 p., 21,99 euro

 

(c) Jan Stevens

“Met liefde alleen redden ze het niet”

Adoptie kan een kind ernstige trauma’s opleveren, zeker als die adoptie het gevolg is van fraude. Professor Nicole Vliegen behandelt al jaren adoptiekinderen met traumatische ervaringen. “Kinderen met een moeilijke achtergrond die zo goed als geen aandacht vragen, zijn even zorgwekkend als kinderen met ernstige gedragsproblemen. Kinderen die vallen, opstaan en verder wandelen zonder te huilen. Zij hebben geleerd om geen troost of hulp meer te vragen.”

 

In ‘Wanneer adoptie zwendel wordt’ getuigde de in 1986 door Vlaamse ouders in Sri Lanka geadopteerde Suleika Van der Jeugdt hoe ze tien jaar geleden op haar rootsreis van de ene verrassing in de andere viel. Haar officiële geboorteakte stond vol fouten, haar adoptie was geregeld door een fixer die er grof geld aan verdiend had en haar geboortemoeder bleek na een dag haar echte moeder niet te zijn. Die echte moeder vond Suleika uiteindelijk toch. Behalve wat kleren en schoenen had zij geen cent verdiend aan het onder dwang afstaan van haar dochter. Interlandelijke adoptie was diep in de jaren tachtig in Vlaanderen de speeltuin van advocaten, idealisten, sjoemelaars en al dan niet goed menende hobbyisten. Dat blijkt ook uit de reeks Adoptie zonder Grenzen die eerder deze maand in Humo liep. “Interlandelijke adoptie is ingewikkelde materie”, zegt professor Nicole Vliegen, hoofddocent klinische psychologie aan de KU Leuven. “Hoe een kind opgroeit, hangt in grote mate af van hoe een kind in het land van herkomst verzorgd werd en hoe het hier opgevangen werd. Het moet zeker schrikken zijn als je ontdekt dat je adoptie indertijd niet al te koosjer verlopen is. De eerste levensperiode is ontzettend belangrijk. Hoe slechter je ervaringen in die eerste fase, hoe groter het risico dat je later minder weerbaar zal zijn.”

Samen met haar collega Patrick Luyten leidt Nicole Vliegen de Leuvense Adoptiestudie (LAS), de tien jaar geleden opgestarte eerste langlopende studie naar de ontwikkeling van adoptiekinderen in Vlaanderen. In het universitaire praktijkcentrum PraxisP in het hart van Leuven behandelt ze samen met twaalf gespecialiseerde therapeuten kinderen die worstelen met onder andere ontwikkelings- of gedragsproblemen. “Wij werken veel met adoptie- en pleegkinderen”, zegt ze. “In de loop der jaren hebben we de reputatie opgebouwd dat we met die jongens en meisjes iets kunnen bereiken.” In oktober publiceert ze samen met Eileen Tang en Patrick Meurs het boek ‘Van kwetsuur naar litteken, hulpverlening aan kinderen met een complex trauma’. Op 20 en 21 oktober vindt rond hetzelfde thema in Leuven een congres plaats.

 

De eerste levensperiode is ontzettend belangrijk, zegt u. Suleika Van der Jeugdt was dertien dagen oud op het moment van haar adoptie. Heel veel kan er in die korte periode toch niet misgelopen zijn?

Nicole Vliegen: “Geadopteerd worden op de leeftijd van dertien dagen, is een behoorlijk goede omstandigheid. Wat niet wil zeggen dat dat helemaal niets is. Adoptie is er ooit gekomen om kinderen die in moeilijke omstandigheden geboren zijn, toch een goed nest te bezorgen. Het moet hard aankomen om als volwassene te ontdekken dat er fraude rond je adoptie hing.”

 

In de jaren tachtig werd er heel wat gefraudeerd bij interlandelijke adoptie, en niet alleen in Sri Lanka.

“Het internationale Adoptieverdrag van Den Haag dat kinderen en hun families tegen de risico’s van illegale adopties naar het buitenland beschermt, dateert van 1993. Dat verdrag vormt een breekpunt met het tijdperk van de minder goed geregelde adopties dat eraan voorafging. In de tachtiger jaren verliepen adopties snel; na het Haags Adoptieverdrag moeten adoptieouders vaak lang wachten omdat er eerst een gedegen onderzoek gevoerd wordt. Dat wachten duurt zelfs zo lang dat sommigen zich luidop afvragen: ‘Waarom mogen kinderen in nood niet sneller gered worden?’ Maar het Haags verdrag is er net gekomen om kwaadaardige praktijken als kinderhandel en adoptiezwendel de wereld uit te helpen. Landen die het verdrag ondertekend hebben, moeten eerst onderzoeken of er in het land van herkomst een oplossing voor het kind voorhanden is. Er moet ook nagegaan worden of de adoptie niet plaatsvindt tegen de wil van de biologische ouders in. In de jaren tachtig werd wellicht niet altijd gezien dat er vaak druk uitgeoefend werd op moeders: ‘Je kind zal in het Westen een veel betere toekomst hebben dan hier.’ Het Adoptieverdrag van Den Haag is een zeer goede zaak en beschermt ook adoptieouders. Want nu kunnen ze een kind in nood een veilige plek geven, zonder ongewild en onbewust mee te werken aan een vorm van mensenhandel.”

 

De kinderen die hier bij u over de vloer komen, worstelen met hun adoptie?

“De overgrote meerderheid waarmee wij werken, worstelt daar inderdaad mee. Sommige adoptiekinderen brachten hun eerste levensmaanden in slechte omstandigheden door, waardoor ze van bij de start ernstig getraumatiseerd raakten. Soms heeft een kind echt honger gekend, of kreeg het te weinig aandacht. Of bleken kinderen bij aankomst veel ouder te zijn dan eerst werd aangenomen. Zij beseften heel goed wat er aan het gebeuren was op het moment dat ze voor adoptie werden afgestaan, maar hun entourage had dat niet in de gaten. Een adoptiekind heeft veel meer onaangename ervaringen in zijn mandje liggen dan een biologisch kind. Natuurlijk kan een biologisch kind òòk anders starten aan zijn ontwikkeling door bijvoorbeeld een genetische aandoening of zuurstoftekort bij de geboorte, maar het risico is kleiner. Elke ouder die een kind krijgt, verwacht dat het gezond zal zijn. Als dat niet zo is, doorprikt dat je verwachtingspatroon. Je verwacht ook dat je biologische kind iets van jezelf zal hebben, liefst een paar van je goede eigenschappen. (lacht) Bij adoptie is dat helemaal niet zo.”

 

Je weet niet waar je kind vandaan komt, of wat er gebeurd is bij de geboorte?

“Je hebt geen genetische informatie. Misschien was een van de ouders mentaal beperkt of had de moeder een alcoholprobleem waardoor haar baby moest afkicken na de geboorte. Die dingen bepalen mee de ontwikkeling van een kind. Wij krijgen de meest gekwetste kinderen in onze praktijk, waardoor mijn beeld zeker gekleurd is. Natuurlijk hebben niet alle kinderen problemen. Er is ook een groot verschil met vroeger: adoptie- en pleegouders zijn nu goed voorbereid waardoor ze zich meer bewust zijn van mogelijke ontwikkelingsproblemen.”

 

Misschien meer dan biologische ouders?

“Misschien wel, ja. Het Adoptieverdrag van Den Haag zorgde bij ons ook voor verstrengde wetgeving rond adoptie. De vereisten waaraan adoptieouders moeten voldoen, liggen nu vrij hoog. Ouders worden op voorhand geëvalueerd en goed voorbereid. Vroeger waren potentiële adoptieouders er zich niet van bewust dat hun kind misschien wel een rugzak vol moeilijke bagage met zich meedroeg; ze verwachtten dat het in de eerste plaats behoefte had aan een warme plek om te wonen. Er was veel minder kennis over wat er al in het rugzakje van adoptiekinderen zat. Vandaag weten ouders dat wel. Ze zijn alerter en zullen ook sneller op consultatie komen als ze signalen opvangen dat de ontwikkeling anders verloopt.

“Een van de moeilijkste aspecten van onze hulpverlening is dat alle kinderen hun adoptie op een verschillende manier ervaren. Er zijn geen wetmatigheden. We kunnen gedrag uit het heden wel begrijpen vanuit vroegere ervaringen, maar we kunnen nooit voorspellen hoe het actuele gedrag verder zal evolueren. We helpen ouders het gedrag van hun kind interpreteren: welke signalen wijzen op een gezonde ontwikkeling? Hoe zien we dat er iets fout loopt? Wat is er nodig om een verstoorde ontwikkeling terug op het juiste spoor te krijgen?”

 

Adoptie- en pleegouders worden gescreend en voorbereid; biologische ouders niet.

“Een Duitse collega zegt soms: ‘Als je een hond wil, moet je naar de hondenschool. Als je een baby wil, vraagt niemand je of je weet hoe je met dat kind moet omgaan.’ Adoptie- en pleegouders zijn inderdaad beter voorbereid op dat nieuwe kind in huis. Pleegouders worden nadien verder begeleid en gecoacht, adoptieouders niet. Van zodra het adoptiekind er is, volgt er wel nog een nazorggesprek, maar daarna valt de omkadering weg.”

 

Zou het kunnen dat mensen met een kinderwens vaak niet goed inschatten wat hen te wachten staat?

“Zeker. Niet iedereen denkt daar even hard over na. Of er dan een soort van cursus zou moeten komen voor toekomstige ouders? Misschien is het belangrijker dat er plekken bestaan waar ouders terecht kunnen, zoals de ‘Huizen van het Kind’. Ouders durven nu wel sneller dan vroeger aangeven dat de opvoeding van hun kind niet van een leien dakje loopt. Maar er is nog werk aan de winkel. Te veel mensen blijven er jammer genoeg van overtuigd dat problemen met hun kinderen binnenshuis gehouden moeten worden.”

 

Waaruit bestaat de screening van adoptieouders?

“Ze worden onder andere gescreend op hun ‘reflectief vermogen’: of ze in staat zijn om te kunnen blijven nadenken over de redenen waarom een kind bepaald gedrag stelt. ‘Waarom doet mijn kind zoiets? Wat is het achterliggende motief? Hoe kunnen we ons kind helpen zodat het dat soort van gedrag kan loslaten en nieuw gedrag zal durven uitproberen?’ Dat is totaal anders dan de klassieke actie-reactie: ‘Je misdraagt je en daarom straf ik je’, want zo beland je in een systeem van straffen en belonen en dat is bij de meeste kwetsbare adoptiekinderen niet altijd even verstandig. Onderzoek heeft aangetoond dat kinderen met een trauma-rugzakje minder gevoelig zijn voor straffen en belonen. Een woede-uitbarsting bij een adoptiekind kan een uiting zijn van angst: ‘Als iemand achter mijn rug zijn handen op mijn schouders legt, interpreteer ik dat als gevaar en dan sla ik erop.’ Het is dan veel zinvoller om met dat kind op zoek te gaan naar wat er precies gebeurd is. ‘Hoe kunnen we die uitbarsting begrijpen? Hoe zorgen we ervoor dat je de volgende keer niet meer begint te slaan, maar anders reageert?’ Van adoptieouders wordt dus eigenlijk zeer veel gevraagd.”

 

Bij een gezin met adoptiekinderen uit mijn omgeving zag ik dat die ouders op een bepaald moment stevige verwijten van een van hun kinderen moesten incasseren.

“Wanneer kinderen in hun leven ooit op traumatische wijze gekwetst werden, zoeken ze een kapstok voor hun kwetsuren. Vaak krijgen dan de mensen die bij hen blijven de volle laag. Degenen die hen diep gekwetst hebben, zijn er niet meer. Het kan dus een goed teken zijn als je kind zijn boosheid op je richt, maar makkelijk is dat niet. Het wijst er wel op dat je kind zich veilig genoeg voelt om te tonen hoe boos het is, al maken dat soort van woede-uitbarstingen het gezinsleven soms complex en zwaar.

“Het is niet leuk om als ouder te moeten horen: ‘Je zorgt niet goed voor mij’, of als er ook nog een biologisch kind is: ‘Je houdt meer van hem dan van mij.’ Adoptiekinderen gaan soms tegen de leerkracht op school vertellen: ‘Ik krijg van mijn ouders geen woordenboek.’ Of ze zeggen als ze op schoolreis zijn tegen de juf of de meester: ‘Ik heb nog nooit een speeltuin gezien.’ Op het eerstvolgende oudercontact krijgen ouders dan te horen: ‘Jullie kind krijgt dit niet en mag dat niet.’ Waarna die ouders verbaasd reageren: ‘Maar hij mag dat wel.’ Op zo’n momenten is het goed dat je weet dat je kind in werkelijkheid op zoek is naar kapstokken voor ervaringen uit het verleden. Tijdens de therapie hoorde ik een kind zeggen: ‘Ik krijg thuis geen kleren.’ Waarop ik repliceerde: ‘Maar wat je nu toevallig vandaag aanhebt, is heel mooi.’ ‘O ja, dat heb ik wel nog gekregen.’ (lacht) We moeten die kinderen vaak heel erg helpen nadenken over ervaringen uit hun geschiedenis die voortdurend als dia’s voor alle andere beelden schuiven, waardoor ze concluderen: ‘Ze zien die andere liever.’ Die gedachten zitten geworteld in een gevoel dat ze ooit tekort gedaan zijn.”

 

Dat gevoel van tekort gedaan zijn, dateert uit hun babytijd?

“Ja. Kinderen die op dit moment voor adoptie afgestaan worden, zijn doorgaans veel ouder dan de dertien dagen van Suleika. Twee en een half jaar geldt nu zelfs al als behoorlijk jong. Soms zijn kinderen vier jaar of ouder. Hun ervaringen van ‘tekort’ kunnen immens zijn. Elk tekort is een ‘te veel’ voor hun stresssysteem. Vroeger leefde de overtuiging dat die tekorten teniet gedaan konden worden door die kinderen veel liefde te schenken. Maar zo werkt het niet. Een van onze kinderen hier kon jaren niet gaan slapen als er geen eten op zijn nachtkastje lag. ‘Als ik wakker word, moet er eten klaarstaan, anders sla ik in paniek.’ Hij kon ook nergens heen zonder dat er een appel in zijn zak zat. Soms vertellen ouders me over hun adoptiekind: ‘In het begin schrokte hij zijn eigen bord leeg en begon daarna onder tafel de kruimels van de vloer te rapen.’ Sommige kinderen dragen dat gevoel van tekort fundamenteel in hun lijf en hun systeem mee en dat kan zeer lang hun gedrag bepalen.”

 

Hoe los je zoiets op?

“We helpen kinderen dat bij zichzelf te herkennen. Het gaat meestal niet weg. De titel van ons boek, Van kwetsuur naar litteken, is niet toevallig gekozen. De kwetsuren uit het verleden blijven littekens, gevoeligheden voor de rest van hun leven. Als je geleerd hebt om op tijd bij jezelf te voelen wanneer die oude kwetsuren weer de kop dreigen op te steken, zal het je beter lukken om te vermijden dat je in je gedrag weer helemaal door het lint zal gaan. Dan lukt het misschien ook beter om niet opnieuw je omgeving in je ontregeling mee te sleuren.

“Een jongen zei me: ‘Ik stop met school. Er is niets goeds aan.’ Toen ik vroeg wat voor vakken hij kreeg, antwoordde hij: ‘O, maar dat ene vak vind ik tof en dat andere ook.’ Hij was nieuw op die school en in zijn klas zat een jongen uit hetzelfde land van herkomst. In de refter had die jongen hem meteen een high five gegeven. Ik zei al lachend: ‘Goh, dat klinkt inderdaad als een heel slechte school. Nieuwe vrienden, toffe vakken…’ Op dat moment drong tot hem door: ‘Ai, daar ga ik weer.’ Het feit dat hij dat moment herkende, is hoopvol. Want van zodra je als kind daar vat op krijgt, kan je je eigen gedrag bijsturen.”

 

Helpt medicatie?

“Bij deze kinderen zijn geneesmiddelen zoals antidepressiva, antipsychotica of angstremmers soms nodig. Sommigen hebben het in hun leven zeer lastig en worstelen met ernstige problemen. Als pillen helpen vermijden dat je binnenwereld geregeld zo overspoeld wordt dat het lijkt alsof je gek wordt, zijn ze verantwoord. Ook als ze helpen vermijden dat je door je ontregelde gedrag vijf keer na elkaar van school gestuurd wordt. Afgezien daarvan vind ik wel dat kinderen in het algemeen te snel medicijnen slikken.”

 

Van biologische ouders wordt gezegd dat ze van bij de geboorte van hun kind onvoorwaardelijke liefde voelen. Ervaren adoptieouders hetzelfde als ze hun kind gaan ophalen?

“Heel vaak wel. Er zijn best wel wat gezinnen waar vanuit die grote onvoorwaardelijke liefde zeer lang heel moeilijke dingen gedragen worden. Soms gaat dat over zaken waarvan ik denk: in een gewoon gezin was dat kind al lang opgenomen. Veel ouders geven niet op. Als er al biologische kinderen zijn en er wordt een kind geadopteerd omdat er nog plaats in het gezin is, kan het jammer genoeg knap lastig worden. Want als het dan misgaat, krijgen ouders soms het gevoel: ‘We kunnen amper nog goede ouders zijn voor onze biologische kinderen.’ Dat knaagt dan aan die onvoorwaardelijke liefde.”

 

Zou het adoptieouders helpen als ze net als pleegouders hun ouderlijke carrière lang begeleid worden?

“Dat denk ik wel. Een adoptiekind opvoeden is anders. Geadopteerd worden zorgt altijd voor een breuk in je levensverhaal, zelfs als je op je dertiende levensdag door je adoptieouders afgehaald wordt en in een zorgzaam gezin terechtkomt.”

 

Suleika Van der Jeugdt trok op rootsreis, op zoek naar haar biologische moeder. Ze kwam bij een vrouw terecht die na een dag niet haar biologische moeder bleek te zijn. Zo’n ervaringen moeten toch zeer ingrijpend zijn?

“Zonder twijfel. Wie vanuit het buitenland geadopteerd is, weet nooit waar hij tijdens een rootsreis op zal stoten. Het is sowieso al moeilijk om onder ogen te zien dat je biologische ouders je hebben afgestaan. Al kan dat wel voor een deel gecorrigeerd worden als je in een gezin terechtgekomen bent waar ze je net heel graag wensten.

“Ik vraag me af waarom de biologische moeder zo snel uit beeld verdween. Misschien om te vermijden dat ze van adoptie zou afzien? Bij binnenlandse adoptie krijgen biologische ouders twee maanden bedenktijd. Een kind gaat dan eerst naar een pleeggezin of naar het adoptiegezin. De adoptieouders zijn er zich dan wel van bewust dat de kans bestaat dat ze het kind terug zullen moeten geven als de biologische ouders zich bedenken. Dat is heel hard, maar het geeft afstandsouders wel de kans om niet meteen na de bevalling een onomkeerbare beslissing te moeten nemen.”

 

We zien kinderen doorgaans als weerloze, onschuldige wezens. Zou het toch niet kunnen dat er af en toe ook gewoon echte ettertjes tussen zitten?

“(lacht) Ze worden soms ettertjes, want soms is de omgeving manipuleren de enige manier om voor zichzelf veiligheid te creëren. Kinderen hebben dan geleerd: ‘Als ik het zo aanpak, krijg ik mijn zin. Als ik braaf blijf zitten, heb ik niets.’ Alle kinderen worden geboren met een verschil in temperament. Er zijn hevige duiveltjes en rustige jongens en meisjes. De heftigere temperamenten lopen iets meer risico om in slechte omstandigheden uit te groeien tot moeilijke kinderen.”

 

De brave kindertjes lopen dan weer misschien het risico dat ze in hun kindertijd alles lijdzaam ondergaan en daar op latere leeftijd mentaal een prijs voor betalen.

“Dat klopt. De kinderen met een moeilijke achtergrond die het minst aandacht vragen, vind ik minstens even zorgwekkend. Een kind waarvan de ouders zeggen: ‘Hij is zo gemakkelijk.’ Kinderen die vallen en opstaan en verder wandelen zonder te huilen. Zij hebben geleerd om geen troost of hulp meer te vragen. Ze hebben elk contact met zichzelf verloren, weten niet meer wat ze interessant vinden en zijn daardoor soms extra vatbaar voor depressie. Als je niet als baby of peuter geleerd hebt om te tonen wat je nodig hebt, zal je in de lagere school bijvoorbeeld niet zo makkelijk gepassioneerd raken door hobby’s. Ze beginnen aan hun puberteit zonder te weten wat ze willen en raken afgesloten van hun eigen gevoelswereld. Die kinderen zullen niet zo snel vanwege wangedrag op school worden buiten gegooid omdat ze onder de radar blijven.”

 

(c) Jan Stevens