Terug naar Grozny

In juli 2000 vluchtten Oumar Chagaev, Fatima Davdieva en hun drie kinderen vanuit de platgebombardeerde Tsjetsjeense hoofdstad Grozny naar België. Na een lange lijdensweg kregen ze politiek asiel. Een paar jaar geleden werden ze Belg. Voor de oorlog uitbrak, werkten Oumar en Fatima als acteurs in het theater van Grozny. Nu is hij vrachtwagenchauffeur en werkt zij in de keuken van een bejaardentehuis. Tien jaar later keren ze samen met journalist Jan Stevens en fotograaf Tim Dirven terug naar Grozny.

http://issuu.com/janstev/docs/grozny1

http://issuu.com/janstev/docs/grozny2

http://issuu.com/janstev/docs/grozny3

Op donderdag 27 juli 2000 stapten het Tsjetsjeense echtpaar Oumar Chagaev en Fatima Davdieva en hun drie jonge zonen Amin, Hamzat en Magomed in het centrum van Brussel uit de bus. Vier dagen eerder waren ze ingestapt in Nazran, een stad in de Russische deelrepubliek Ingoesjetië. “Daar stonden we dan, in een stad die we niet kenden en waar niemand ons begreep”, herinnert Fatima zich. “We wisten dat we ons moesten registreren bij het vluchtelingencommissariaat. Ik sprak een aantal voorbijgangers aan. ‘Kommissariat’, herhaalde ik steeds weer. De mensen keken me aan alsof ik van een andere planeet kwam. Ik had me nog nooit zo eenzaam gevoeld.”

Oumar (54) en Fatima (52) leerden elkaar begin jaren tachtig kennen in het theater van Grozny. Oumar had dramatische kunst gestudeerd in Sint-Petersburg, Fatima toneel aan de Academie van Varonesj. Oumar: “We werkten allebei als acteur. Fatima schitterde in stukken van Shakespeare; ik zong en speelde gitaar.” Ze trouwden in 1984 en kochten een appartement vlakbij het theater van Grozny. “Het was de tijd van de Sovjet-Unie. Van ‘Perestrojka’ en ‘Glasnost’ was nog geen sprake. De zogenaamde ‘jaren van stagnatie’ – voordat Gorbatsjov zijn hervorming in gang zette – waren de mooiste van ons leven. Akkoord, we moesten oppassen met wat we zegden, toch leefden we onbezorgd. We speelden toneel, barbecueden met vrienden en zongen samen liedjes van The Beatles. In onze crèmekleurige Lada reisden we probleemloos door alle Sovjetstaten. Grozny werd toen niet voor niets het ‘Parijs van de Kaukasus’ genoemd.”

In 1991 stortte de vermolmde Sovjet-Unie in en riepen steeds meer deelrepublieken de onafhankelijkheid uit. In oktober ’91 werd de voormalige Sovjetgeneraal Doedajev verkozen tot president van het kleine, olierijke Tsjetsjenië. Oumar: “Onder zijn bewind zwol de roep om onafhankelijkheid aan. Wij gingen mee betogen in de straten van Grozny. Maar het liep uit de hand en ontaardde in 1994 tot een eerste gruwelijke oorlog.”

Vanaf december 1994 tot maart 1995 werd het centrum van Grozny door het Russische leger platgebombardeerd. Meer dan 20.000 inwoners lieten het leven. Oumar en Fatima vluchtten met hun drie kleine kinderen naar familie in Atagi, een dorp dertig kilometer ten zuiden van Grozny. “Maar ook op Atagi vielen er bommen. We zijn toen de bergen in gevlucht, naar Sjatoi, het geboortedorp van Fatima.”

In december ’96 sloten de Tsjetsjenen en de Russen een staakt-het-vuren. “Tsjetsjenië was onafhankelijk. Wij keerden terug naar Grozny. Ik werd door de nieuwe regering gevraagd om directeur van de ‘Staatscinema van de Republiek Tsjetsjenië’ te worden. De volgende drie jaar startte de heropbouw en bleef het relatief rustig.”

Tot op 1 oktober 1999 de Russische tanks opnieuw Tsjetsjenië binnendenderden. “Grozny werd terug gebombardeerd. Alle gebouwen lagen plat. Op 15 oktober kreeg ik de opdracht om mijn collega’s in veiligheid te brengen in Nazran. We leefden er ondergedoken in het theater. Op een dag vielen twee agenten van de Russische militaire politie binnen. Alle mannen moesten hun paspoort afgeven. Bij het mijne zat een naamkaartje waarop mijn functie als directeur van de Tsjetsjeense Staatscinema stond. Ze wilden me meenemen. Fatima werd hysterisch, want ze wist dat ik voorgoed zou ‘verdwijnen’. Een van de agenten greep Fatima vast en schold haar de huid vol. De theaterdirecteur is op de agenten beginnen inpraten. Hij heeft ons leven gered.”

Twee weken later vluchtten Oumar, Fatima en hun drie kinderen met valse paspoorten met de bus naar België. “Die bestemming was geen bewuste keuze. In twee dagen reden we van Nazran naar Moskou. Daar stapten we over op een bus naar Brussel. Als er toen toevallig een bus naar Parijs had gestaan, woonden we nu in Frankrijk.”

 

Naltsjik

Dinsdag, 13 juli 2010. De gammele Tupolev kraakt vervaarlijk wanneer zijn wielen de landingsbaan van de luchthaven van Mineralnye Vody in de provincie Stavropolsky Kraj raken. Als het vliegtuig helemaal stilstaat, haalt Oumar opgelucht adem. “Een Russische binnenlandse vlucht maakt me bloednerveus”, zegt hij. “Je bent nooit zeker of je levend je bestemming zal bereiken.”

Een dag eerder wandelden Oumar en Fatima voor het eerst in tien jaar door de straten van Moskou. Hun Belgische paspoort loodste hen probleemloos voorbij de controle op de luchthaven. Oumar: “Tijdens de oorlog werden we voortdurend gecontroleerd. Ik word nog altijd zenuwachtig als agenten met bovenmaatse kepies mijn paspoort vragen.”

Stavropolsky Kraj grenst aan Tsjetsjenië, maar Oumar en Fatima willen eerst naar Naltsjik, de hoofdstad van de naburige republiek Kabardina-Balkaria. Fatima’s twee jaar oudere zus Reseda woont daar. Ze werkte als verpleegster op de operatiezaal van het ziekenhuis van Grozny. Toen de oorlog begon, is ze met man en kinderen naar Naltsjik gevlucht.

Een aftandse taxibus zal ons in twee uur naar Naltsjik voeren. Aan de grenspost tussen Stavripolsky Kraj en Kabardina-Balkaria kijken agenten nors door de ramen naar binnen. De chauffeur dokt smeergeld en ze laten ons verder rijden. Een uur later passeren we een groot bord waarop in hoekig Cyrillisch staat: ‘Welkom in Naltsjik, de poort tot de Kaukasus.’

Naltsjik was met zijn geneeskrachtige bronnen jarenlang een populair kuuroord. De stad wordt omgeven door oeroude bossen en met eeuwige sneeuw bedekte bergtoppen, waaronder de Elbroes – de hoogste top van de Kaukasus. Reseda Davdieva, haar man Abdul en hun twee kinderen wonen in de Leo Tolstoistraat in het centrum van de stad, naast de grote overdekte markt. Het is vijf uur in de namiddag en er heerst een gezellige drukte. Tien jaar eerder namen Fatima en Reseda afscheid, nu sluiten ze elkaar terug in de armen. Buren komen helpen om de koffers langs de trap naar de flat op de derde etage te sleuren. De tafel bezwijkt bijna onder het eten voor de lang gemiste gasten. “Mijn man is in ons oude huis in Grozny”, zegt Reseda. “Morgen haalt hij jullie op aan het station.” Tot het uitbreken van de oorlog werkte Abdul als ingenieur in een olieraffinaderij nabij Grozny. De oorlogsstress bezorgde hem een zwaar hartinfarct. Hij heeft zichzelf noodgedwongen ‘herschoold’ tot zelfstandig verkoper van verf. Reseda heeft de voorbije tien jaar niet meer als verpleegster gewerkt en is nu zelf ziek. Hepatitis C, een ‘souvenir’ uit de tijd dat ze chirurgen assisteerde bij bloederige operaties.

Het appartement van Reseda en Abdul is ruim en telt drie kamers, een keuken en een badkamer. “Het dateert uit de tijd van Stalin”, zegt ze. “Stalin hield van hoge plafonds, terwijl zijn opvolger Chroetsjov een voorkeur had voor lage. In de Sovjettijd leefde in elke kamer van deze flat een familie. De keuken en de badkamer waren gemeenschappelijk.”

Hebben Reseda en Abdul plannen om terug in Grozny te gaan wonen? “Wij willen wel, maar onze kinderen niet. Ze hebben hier hun vrienden. Dus blijven we en rijden we af en toe voor een paar dagen naar ons oud huis in Grozny.”

Is het daar veilig nu? “De huidige president Ramzan Kadyrov is er in geslaagd om de rust min of meer te herstellen. In Naltsjik en in de rest van Kabardina-Balkaria lijkt alles op het eerste gezicht peis en vree, maar vergis je niet: ook hier broedt de onrust. Kadyrov voert een strenge repressie waardoor veel rebellen de grenzen van Tsjetsjenië oversteken naar de buurrepublieken. Niet zo lang geleden is een paar straten verder nog een zware aanslag gepleegd.”

We gaan aan tafel. Oumar giet de glaasjes vol. “Iedereen wodka? In Tsjetsjenië zal het er soberder aan toegaan. Kadyrov heeft een wet uitgevaardigd die cafés en restaurants verbiedt alcohol te schenken. Zo wil hij de radicale moslims paaien.”

Dan heft Fatima het glas. “Tien jaar geleden moesten we ons land verlaten. Je land verlaten is niet zo moeilijk, je familie verlaten wel. We waren altijd samen. Nu zit de familie Davdiev verspreid over de hele wereld. Reseda heeft vroeger alles voor ons gedaan. Als mijn kindjes ziek waren, stond zij klaar. Nog vele gelukkige jaren, Reseda.”

Sjali

Woensdag, 14 juli. De chauffeur van de ‘microbus’ wacht aan het station van Naltsjik tot alle plaatsen bezet zijn. Dan neemt hij zijn geld in ontvangst en vertrekt naar Grozny. Op de 250 km lange weg kent hij alle controleposten als zijn broekzak. Hij weet perfect hoeveel smeergeld hij elke agent, militair of douanier moet betalen. Aan de grens met Tsjetsjenië lijkt het fout te gaan. Een militair opent de deur van de bus. Hij kijkt alle passagiers een voor een aan, waarna hij de paspoorten en de tassen vraagt van de twee westerse mannen aan boord – ik en fotograaf Tim Dirven. We moeten uitstappen. Twee helikopters vliegen vervaarlijk laag over het busje. Fatima stapt ook uit. “Wie zijn die twee mannen?”, vraagt de militair. “Mijn vrienden”, antwoordt ze. “Wat zit er in die tas?” “Alleen een fototoestel. Ik wil hen de plaatsen tonen waar mijn familie begraven ligt om daar een foto te maken.” “Waarom heb je ze naar hier gebracht?” “Omdat ik kennis gemaakt heb met hun traditie. Nu wil ik hen laten kennismaken met onze traditie. U hoeft nergens bang voor te zijn, ze komen in vrede.” De militair kijkt bedenkelijk. “Rij door.”

 

Abdul, de man van Reseda, staat ons op te wachten aan het station van Grozny. Hij brengt ons naar de stad Sjali, tien kilometer zuidwaarts. In een oude boerderij woont Oumars enige zus Emma, samen met haar zoon, schoondochter en kleinkinderen. Haar man heeft de oorlog niet overleefd. Het weerzien is emotioneel. Er wordt thee geschonken en oude foto’s worden bovengehaald. Emma’s zoon heeft politicologie gestudeerd. “Er is geen werk voor hem. Hij krijgt niets van de staat. Hij probeert een beetje geld te verdienen als meubelmaker. Je kan hier alleen maar een goeie job vinden als je een lange arm hebt.”

Fatima: “Oumars moeder Paulina heeft jaren bij ons in Grozny gewoond, samen met onze kleine kinderen. Toen we naar België vertrokken, dachten we: ‘Binnen een jaar hebben we papieren en kunnen we haar laten overbrengen.’ Paulina bleef hier in Sjali achter bij Emma. Maar het heeft nog jaren geduurd vooraleer we erkend werden als vluchteling en voor we uiteindelijk ook de Belgische nationaliteit kregen. Te lang voor Paulina. In 2004 is ze gestorven. Ze heeft Oumar en onze kinderen niet meer gezien. Ze riep vaak naar Emma’s kleinkinderen: ‘Amin! Hamzat! Magomed!’ Ze deed dat opzettelijk. Omdat ze de namen van haar kleinkinderen die in België leefden, op haar lippen wou proeven.”

Goedermes

In de Sovjettijd was Goedermes, de tweede grootste stad van Tsjetsjenië, een belangrijk industrieel centrum. Tijdens gevechten in december 1995 werden de stad en de fabrieken bijna met de grond gelijk gemaakt. Vijf jaar later werd wat nog overeind stond gebombardeerd. Van die verwoesting is nu niets meer te merken. Overal staan nagelnieuwe flatgebouwen en bouwen Turkse aannemers vlijtig aan wolkenkrabbers. Overal ook hangen metersgrote foto’s van Ramzan Kadyrov. Ramzan in voetbalshirt, Ramzan in pak en das, Ramzan op de koffie bij de Russische premier Vladimir Poetin. Ramzan die dreigend op zijn onderdanen neerkijkt met daaronder de tekst: ‘Het Tsjetsjeense volk zegt: “Jij bent onze president en wij dienen jou.”’ Goedermes is Kadyrovland: de president woont hier op een immens, superbeveiligd landgoed.

“Kadyrov doet alles voor de mensen”, zegt Fatima’s oudste zus Roza. Ze is apotheker in Goedermes, woont in een rustige buitenwijk en blijft maar lachen als ze haar zus na tien jaar in haar armen houdt. Roza wil geen kwaad woord horen over Kadyrov. “Ramzan bouwt fabrieken, huizen en sportzalen. Vrouwen die in de oorlog hun man verloren hebben, krijgen van hem helemaal gratis een appartement in een van de nieuwe flatgebouwen.”

Fatima heeft twijfels over de ‘goedheid’ van Kadyrov. “Ramzan Kadyrov regeert met ijzeren hand. Roza is bang. Daarom zingt ze zijn lof. Niemand durft hier zeggen dat Kadyrov net als Stalin is. Niemand. Ramzan is nog veel erger dan zijn vader, Achmad Kadyrov. Onze buurvrouw in België is een Tsjetsjeense die twee zonen verloren heeft. Haar oudste zoon was een rebellencommandant die gesneuveld is. In 2003 hielp Poetin Achmad Kadyrov aan de macht. Achmad zat vroeger in het verzet. Toen Poetin in 2000 de tanks opnieuw liet binnenrollen, koos hij de kant van de Russen. In 2003 werd hij daarvoor beloond met het presidentschap. Zijn zoon Ramzan kreeg de leiding over zijn privémilitie, de afschuwelijke kadyrovtsy. Achmad liet op tv spotjes uitzenden. Al wie ooit de wapens tegen de Russen had opgenomen, kreeg amnestie. Ook de familieleden van rebellen. Enige voorwaarde was dat ze hun wapens inleverden. Mijn buurvrouw was met haar tweede zoon gevlucht naar Nazran. Haar zoon zag die spotjes en wou terug naar de stad Urus-Martan, naar zijn vrouw en drie kleine kinderen. ‘Ik begreep hem’, zei zijn moeder. ‘Maar ik was bang.’ Elke dag smeekte Achmad Kadyrov op tv: ‘Kom alsjeblief terug.’ Haar zoon vertrok naar Urus-Martan. Drie dagen later volgde zijn moeder. De zevende dag om drie uur ’s nachts viel de politie binnen. ‘We nemen uw zoon mee voor een routinecontrole. Om zes uur morgenvroeg mag hij terug naar huis.’ De volgende ochtend liep de hele familie naar het politiekantoor. Maar hij was er niet meer. Verdwenen. Zijn moeder heeft valse paspoorten laten maken en is met haar jongste zoon naar België gevlucht. In 2004 werd Achmad Kadyrov gedood bij een bomaanslag in het voetbalstadion van Grozny. Ramzan was nog te jong om hem op te volgen, en werd eerst premier. Drie jaar later werd Ramzan Kadyrov op zijn 31e door Poetin aangesteld als president van Tsjetsjenië.”

Grozny

Donderdag, 15 juli. Aan de voornaamste invalsweg naar Grozny staat op een rondpunt een gigantische wereldbol met de tekst: ‘Grozny, centrum van de wereld.’ Een paar honderd meter verder prijken op de grote toegangspoort de portretten van Big Brothers Ramzan en Achmad Kadyrov en Vladimir Poetin. Ook hier is bijna niets meer van de oorlog te merken. Alleen de meterslange schuttingen met daarachter braakliggende terreinen zijn stille getuigen. We rijden over de voornaamste laan. Tot 5 oktober 2008 heette die Pobeda Prospekt. Ramzan Kadyrov herdoopte hem op zijn eigen verjaardag in Poetin Prospekt, ‘als eerbetoon aan Vladimir Poetin en zijn grote verdienste in de strijd tegen het terrorisme.’ Brede rijstroken, vers groen, nieuwe bomen, marmeren voetpaden, marmeren gevels. Fatima huivert. “De belangrijkste straat van de stad is genoemd naar de man die haar in puin liet leggen. Of ik Grozny nu mooi vind? Oude gebouwen zijn toch interessanter dan al die nieuwe buildings. Zij hadden een ziel. De geschiedenis is weg. Onze universiteit en de bibliotheek behoorden tot de mooiste gebouwen uit de Kaukasus. Allemaal weg. Kijk, daar is Griboedova, de straat waar wij gewoond hebben. Aan de linkerkant staat ons appartementsgebouw. En daar is het theater.”

Aan Griboedova is nummer 100 het enige oude gebouw. De rest is nieuw. Fatima wijst naar boven. “Onze flat is op de eerste verdieping. Sinds vorig jaar wonen er huurders in. Reseda heeft dat geregeld.”

Oumar steekt een sigaret op en inhaleert diep. “Alles was hier vroeger open, met veel bomen en bloemen. Na de eerste oorlog is die muur gebouwd, omdat daar de ministeries lagen. Ons appartement is het laatste authentieke gebouw van de wijk. Nu de rest weg gebombardeerd is, heeft dit gebouw historische waarde. Er is ook een bom op gevallen, maar de schade kon hersteld worden.”

We stappen naar binnen, gaan de trap op. Fatima belt aan haar eigen voordeur aan. Het blijft doodstil in de flat. “Dit is een nieuwe deur”, zegt ze. “Wij hadden een massieve stalen deur met verschillende sloten. Tijdens de Sovjettijd werd er nooit ingebroken, maar na de val van het communisme moesten we een stevige deur laten installeren. Ons zoontje Hamzat is hier voor het eerst verliefd geworden op een meisje.”

 

We wandelen naar het gerestaureerde theater. Onderweg zien we militairen een geboeide man een gepantserd busje in sleuren. Baudi Kadashev, de onderdirecteur van het theater van Grozny, staat Oumar en Fatima in de lobby op te wachten en valt hen in de armen. Ze stappen de theaterzaal binnen. Fatima straalt. “In dit gebouw heb ik de allereerste stap van mijn carrière als actrice gezet”, zegt ze. “Voor mijn eerste auditie moest ik een lied zingen, een stukje spelen, een gedicht voordragen en ook dansen als de jury dat vroeg.” Fatima stapt op de scène en begint het lied van toen te zingen.

Hamid Azayev, de ‘Jan Decleir van Tsjetsjenië’, stapt met veel vertoon de zaal binnen. In zijn jonge jaren speelde Azayev hoofdrollen in Sovjetfilms. “Fatima, wat was jij toch een fantastische actrice. Je had zoveel temperament”, buldert hij. “Hamid was de beste Othello van de USSR”, glundert Fatima terwijl ze hem omhelst. “Heb je gebeden vannacht, Desdemona?”, vraagt Hamid met een grafstem. Fatima schaterlacht.

 

Ramzan Kadyrov probeert zoveel mogelijk acteurs uit de diaspora terug te lokken naar Grozny. Hij belooft hen een huis, een auto en een flink loon. Een aantal oude steracteurs is daarop ingegaan, waaronder Hamid Azayev. Net als hoofdregisseur Ruslan Hakishev. In oktober 1999 vluchtte Hakishev samen met Oumar en Fatima vanuit Grozny naar het theater van Nazran. De Chagaevs vluchtten verder naar België, Hakishev zocht een veilig onderkomen in de republiek Karachaeva-Cherkessia. Hij kon er aan de slag als regisseur. Anderhalf jaar geleden ging hij op de lokroep van Kadyrov in. Nu zit hij terug in zijn oude kantoor, twee hoog in het theater van Grozny. Achter zijn bureau hangt het portret van Ramzan Kadyrov. Hakishev heeft net een stuk geregisseerd over het leven van vader Achmad Kadyrov, met Hamid Azayev in de hoofdrol. “Ramzan was zeer ontroerd.”

Ruslan Hakishev schenkt koffie. “Het theater werkt nog niet zoals in de glorietijd”, zegt hij. “Toen was er dagelijks een voorstelling. We hebben nog een lange weg te gaan. Elke dag gaat het een beetje beter. Zin in een glaasje?” Hij diept een fles wodka op uit een lade in zijn bureau. “Dertig jaar geleden was ik op bezoek in de academie van Varonesj waar Fatima studeerde. Ik was toen al hoofdregisseur van het theater van Grozny. Fatima repeteerde voor een hoofdrol in Bloedbruiloft van Federico García Lorca. Ik had haar zien spelen en praatte over haar met collega’s. ‘Binnen twee jaar studeert in Varonesj een Tsjetsjeense actrice af. Haar moeten we hebben.’”

Fatima: “Ik heb heel graag met Ruslan gewerkt. Hij haalt het beste in een acteur naar boven.”

Ruslan: “Of ik met Fatima nog eens een stuk zou willen spelen? Zeker. Graag.”

Fatima: “Ik ook met Ruslan. Direct.”

Heeft ze ooit geprobeerd om in België aan een rol te geraken? “Ik zou wel willen, maar ik ben bang dat mijn Nederlands niet goed genoeg is.”

Heeft Oumar heimwee naar zijn vroegere job? “We hebben hier een heel mooie tijd gehad. Maar dat is zolang geleden. Voor ons is alles nu weg. Voorgoed.”

Zou hij niet liever in plaats van vrachtwagenchauffeur terug acteur worden? “Nee. Het verleden is nostalgie.”

Fatima: “Alles waar we voor geknokt en gewerkt hebben, ons beroep als acteur, onze vrienden, alles wat we hadden, zijn we kwijt. Het beste stuk van ons leven is voorbij. We maken ons daar geen illusies over. Als iemand me zou zeggen dat ik terug naar Tsjetsjenië kan gaan wonen, weet ik niet of ik dat zou doen. Kan ik nog wel terugkeren en hier opnieuw beginnen? Het leven is hier veel moeilijker dan in België. Hier moet je voortdurend schipperen en ritselen. In België gebeurt alles rechtdoor, rechtaan.’s Nachts droom ik vaak dat ik niet daar ben en niet hier. Dat ik in een soort van niemandsland zit. Ik droom van een gebeurtenis hier of in België, maar ikzelf ben er nooit bij. Ik zweef altijd ergens tussenin.”

Atagi

Vrijdag, 16 juli. De belangrijkste dag van de week voor moslims. De dag ook waarop Oumar en Fatima het graf van hun ouders willen bezoeken. Oumars moeder ligt begraven op het kerkhof van het dorp Atagi. “Mijn vader lag daar ook. Tijdens de oorlog is het kerkhof gebombardeerd. Zijn graf is verdwenen.” Nadat Oumar in juli 2000 zijn land verliet, heeft hij zijn moeder nooit meer gezien. Tien jaar later staat hij zijn verdriet verbijtend aan haar graf.

In Atagi werden de Chagaevs in het begin van de eerste oorlog een tijd opgevangen door Oumars neef Saïd-Magomed. Tijdens de tweede oorlog vluchtte Saïd-Magomed met vrouw en kinderen naar Frankrijk. Later keerde hij terug. Op de binnenplaats van Saïd-Magomeds huis wordt thee geschonken en watermeloen gesneden. In een kamer in het huis ligt Oumars tante Osmah met een gebroken voet op bed. De oude vrouw weent als haar neef haar omhelst.

Saïd-Magomed laat zijn Franse paspoort zien. “We hebben een paar jaar in Nice gewoond. We hebben Oumar en Fatima toen in hun huis in Mechelen bezocht.”

Fatima: “Ik heb toen veel met Saïd-Magomed gepraat. Hij voelde zich schuldig omdat hij zijn moeder in de steek gelaten had. ‘Dat begrijp ik’, zei ik hem. ‘Maar je hebt niet alleen de verantwoordelijkheid voor je moeder, ook voor je kinderen. Je moet er voor zorgen dat ze in een veilige omgeving kunnen opgroeien.’”

Saïd-Magomed: “Ik ben de oudste van drie broers. Normaal gezien blijft de jongste zoon bij zijn moeder inwonen. Maar mijn jongste broer is gestorven. Net als mijn vader. Nu ben ik de baas en moet ik voor alles zorgen. Daarom ben ik teruggekomen.”

In het begin van de eerste oorlog verbleven er zestig mensen in Saïd-Magomeds huis. “We hebben hier een maand geleefd”, zegt Oumar. “We sliepen op de vloer, als sardienen in een blik. Ons jongste zoontje Magomed was een jaar oud. Hij is hier ziek geworden van water dat besmet was door chemische bommen. 22 kinderen werden ziek. 17 zijn gestorven.”

Hij opent een luik in de grond en klautert naar beneden. “Dit was de schuilkelder. Tijdens bombardementen zochten vrouwen en kinderen hier beschutting. Er waren ventilatieroosters en waar nu schappen met bokalen staan, stonden vroeger bedden.”

Fatima: “Mijn broer Aslambek heeft na een paar weken een huis voor ons gevonden in mijn geboortedorp Sjatoi. Sjatoi ligt veertig kilometer verder, in de bergen. Toen we hier met de auto vertrokken, kwam in de straat een Russische legerhelikopter overvliegen.”

Oumar: “De helikopter vuurde raketten af. De vrachtwagen die voor ons reed, werd geraakt en werd in twee gesneden. Daarvoor reed er een bus die helemaal vernield werd. 27 mensen kwamen om. Wij waren de enigen die de aanval overleefden.”

Sjatoi

De weg van Atagi naar Sjatoi oogt als een plaatje uit een reisgids: machtige bergen en klaterende riviertjes. Alexander Kloponin, gezant van de Russische regering voor de Kaukasus, koestert wilde plannen om dit stuk Tsjetsjenië om te toveren tot een toeristische trekpleister. Tussen 2012 en 2025 wil hij hier ski-resorts bouwen om toeristen uit de hele wereld te lokken. Van skiliften, -pistes of hotels is vooralsnog geen spoor terug te vinden, wel staan er om de paar honderd meter kleine bunkers aan de rand van de weg. Bemand door soldaten, turend door het vizier van hun machinegeweer. De vinger aan de trekker, schietensklaar. Stoppen of pech krijgen, is hier geen optie. Stevig blijven doorrijden wel, tot in het centrum van Sjatoi, waar het bulkt van de zwaarbewapende militairen. “Hier vlakbij ligt een Russische kazerne met 5000 militairen”, zegt onze chauffeur. “Op papier is de oorlog voorbij, maar hier in de bergen gaat hij gewoon door. Een paar kilometer buiten Sjatoi begint rebellengebied.”

Van het geboortehuis van Fatima aan de Kooperativnaja 19 staan alleen nog de muren recht. Meestal is Fatima een spraakwaterval. Nu is ze heel stil. Dan zegt ze: “Mijn moeder heeft hier tien kinderen op de wereld gezet, waarvan er drie gestorven zijn.” Ze wijst naar het speelpark vlakbij. “Daar heb ik als kind gespeeld. De speeltuigen zijn vernieuwd; de bomen zijn nog dezelfde.”

Onder de bomen zitten een paar mannen te keuvelen op een bankje. Een van hen roept verbaasd: “Hé, Fatima Davdieva! Wat doe jij hier? Hoe is het met jou?”

Fatima’s ouders liggen begraven op een idyllische plek. Het kerkhof van Sjatoi ligt tegen een met bloemen begroeide berghelling, met een adembenemend zicht op de vallei. We klimmen naar boven en horen machinegeweren ratelen. Na een paar doffe knallen, stijgt op een bergflank een rookpluim op. Dan is het stil. Aan het graf van haar moeder weent Fatima bittere tranen. “Mijn moeder woonde bij mijn broer in Turkije. Elk jaar kwamen mijn broers en zussen samen bij haar in Istanboel. Maar ik mocht niet reizen, want onze papieren raakten niet in orde. Ik ben de enige die haar niet meer gezien heeft. Een Belgische vriendin is haar één keer in mijn plaats gaan opzoeken. ‘In jou zie ik mijn Fatima’, zei ze tegen haar. Een paar dagen na haar dood kreeg ik de juiste papieren om te reizen. Maar mijn mama heeft niet gewacht.”

Terug naar Grozny werd gerealiseerd met de steun van de Koning Boudewijnstichting en de Nationale Loterij

 

© Jan Stevens

 

Free as a bird (the sequel)

Sinds begin april geniet de tot vier jaar effectief veroordeelde recidiverende pedofiele jeugdschrijver Gie Laenen terug van de vrijheid. Na amper tien maanden gevangenis mag hij de rest van zijn straf thuis met een enkelbandje uitzitten. “Onvoorstelbaar”, vindt Dirk De Maeseneer, advocaat van de slachtoffers. “Niemand is van die gunstmaatregel op de hoogte gebracht.”

Op 30 juni 2008 veroordeelde het Brusselse Hof van Beroep jeugdauteur en ex-VRT-medewerker Gie Laenen tot vier jaar effectief voor pedofilie. Laenen werd niet aangehouden en verliet de rechtszaal als een vrij man. Een jaar later liep hij nog steeds vrij rond. Zijn oproepingsbrief voor de gevangenis was ‘zoek geraakt’. Laenen maakte van de gelegenheid gebruik om een genadeverzoek in te dienen bij de koning. Alsof de duivel ermee gemoeid was, bleef dat verzoek onderaan de stapel liggen waardoor hij van zijn vrijheid kon blijven genieten. Toen de krant De Morgen op 7 mei 2009 voor het eerst over de hele zaak berichtte, stak er een storm van protest op. Er werden zelfs parlementaire vragen over de werking van justitie gesteld. Een maand later kreeg de pedofiele auteur dan toch zijn oproepingsbrief om zijn straf te gaan uitzitten in de bus. Maar vandaag, amper tien maanden later, geniet Gie Laenen opnieuw van de vrijheid: de strafuitvoeringsrechtbank van Brussel zette zijn straf om in elektronisch toezicht.

Tussen 1978 en 2002 randde Gie Laenen minstens 25 jongens tussen de elf en zestien jaar oud aan. Jongens die interesse hadden in een toneelcarrière, nodigde hij op woensdagnamiddag bij hem thuis uit. Tijdens die sessies liep hij naakt rond, lokte hen in bed, in bad of onder de douche, streelde hen, liet zich strelen en bevredigen en verplichtte zijn slachtoffers tot orale seks. In het voorjaar van 2005 had de Mechelse correctionele rechtbank Laenen tot zes jaar cel veroordeeld, een straf die in december van datzelfde jaar door het Antwerpse Hof van Beroep bevestigd werd. Maar Laenen tekende cassatieberoep aan. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het Hof van Beroep in Brussel de zaak moest overdoen. Eind juni 2008 volgde dan de definitieve uitspraak: vier jaar effectief. Laenen werd in 1973 al eens tot een jaar effectief veroordeeld voor zedendelicten met veertien van zijn leerlingen in het Klein Seminarie in Hoogstraten. Een recidiverende seksuele delinquent moet minstens twee derde van zijn straf uitzitten. Wie voor seksueel misbruik van minderjarigen minder dan drie jaar effectief krijgt, heeft geen recht op elektronisch toezicht. Wie een straf van langer dan drie jaar moet uitzitten, kan alleen elektronisch toezicht krijgen via de strafuitvoeringsrechtbank. De strafuitvoeringsrechtbanken vervangen sinds 1 februari 2007 de ‘commissies voor voorwaardelijke invrijheidstelling’. Ze zijn bevoegd voor de voorwaardelijke invrijheidstelling en voor strafuitvoeringsbepalingen van veroordeelden met een totale strafduur van meer dan drie jaar. Bij recidiverende pedofielen krijgen de slachtoffers daarin inspraak. Voorwaarde is dat ze ooit een schriftelijke aanvraag bij de strafuitvoeringsrechtbank hebben ingediend om gehoord te worden. Omdat Gie Laenen veroordeeld is door het Brusselse Hof van Beroep, worden zijn strafuitvoeringsbepalingen behandeld door de strafuitvoeringsrechtbank van Brussel.

“De meeste slachtoffers dienen in dit soort van zaken altijd een schriftelijke aanvraag bij de strafuitvoeringsrechtbank in”, zegt Lieselot Bleyenberg, woordvoerster van minister van Justitie Stefaan De Clerck. “Al is dat geen verplichting. Als de slachtoffers van Gie Laenen wel zo’n aanvraag gedaan hebben, moet de strafuitvoeringsrechtbank van Brussel hen op de hoogte houden en hen vragen of ze akkoord kunnen gaan met het elektronisch toezicht. Het feit dat mijnheer Laenen nu wel degelijk van elektronisch toezicht geniet, wijst erop dat ofwel geen enkel slachtoffer een aanvraag ingediend heeft, ofwel geen enkel slachtoffer bezwaar tegen de nieuwe maatregel had.”

Kan het elektronisch toezicht van Gie Laenen nog ongedaan gemaakt worden? Lieselot Bleyenberg: “Waarschijnlijk niet. We gaan ervan uit dat de strafuitvoeringsrechtbank haar werk goed gedaan heeft en de slachtoffers ingelicht heeft, maar dat de advocaat niet op de hoogte gebracht is door zijn cliënten. Daar zijn ze trouwens niet toe verplicht.”

“Onzin”, reageert Dirk De Maeseneer, advocaat van het gros van de minstens 25 misbruikte jongens. “Geen enkel slachtoffer is door de strafuitvoeringsrechtbank op de hoogte gebracht, terwijl de meesten wel een aanvraag ingediend hebben. De slachtoffers hebben het nog steeds heel moeilijk met die zaak. Telkens wanneer de naam van Laenen in de media opduikt, krijg ik verontruste telefoontjes van hen. Aan geen enkel slachtoffer is gevraagd of ze ermee akkoord konden gaan om Laenen met een enkelbandje naar huis te sturen. Ze leven allemaal in de veronderstelling dat hij veilig achter slot en grendel zit. Dit is ongehoord.”

©Jan Stevens

Groene levenskunst

De Duitse filosoof Wilhelm Schmid blies met zijn succesrijke boeken over levenskunst een oeroude tak van de filosofie nieuw leven in. “Mijn levenskunstfilosofie wil mensen ertoe aanzetten het mooie leven te omarmen.” In het pas verschenen Groene levenskunst schetst Schmid waarom en hoe we in dreigende tijden van klimaatverandering onze levensstijl moeten vergroenen. “Onze ouders wilden ons een plaats om beter te leven nalaten. Nu gaat het om de essentie: wij moeten voor onze kinderen een plaats om te leven nalaten.”

Precies tien jaar geleden verscheen de Nederlandstalige editie van het boek Filosofie van de levenskunst van de Duitse filosoof Wilhelm Schmid (°1953). Schmid vond dat zijn vakbroeders de levenskunst, een van de basisthema’s uit de filosofie, uit het oog verloren waren. “Waarom zou niet iedereen een kunstwerk van zijn leven kunnen maken?”, vroeg hij zich af. “Waarom is die lamp en dit huis wel een kunstwerk, en mijn leven niet?” Met Filosofie van de levenskunst probeerde hij, met de hulp van de oude filosofen zoals Aristoteles en Socrates, een blauwdruk te maken van wat de fundamenten voor een goed leven zouden kunnen zijn voor mensen aan het begin van de 21e eeuw. In het laatste hoofdstuk schonk Schmid al aandacht aan een ‘goede’ ecologische levensstijl. “Op het moment dat de Duitse editie in 1998 verscheen, waren er duidelijke voortekenen dat het met ons klimaat niet goed zat”, zegt hij. “Maar de geëngageerde enkelingen riepen toen nog in de woestijn. Dat veranderde helemaal met de VN-klimaatconferentie van Bali in 2007. Sindsdien staat het thema van de klimaatverandering vooraan en groeit de aandacht bij massaal veel mensen over hoe ze hun eigen leven en dat van de samenleving op een duurzame wijze vorm kunnen geven.”

Dus vond Schmid het de hoogste tijd voor een ecologische update van zijn levenskunstfilosofie. In het pas verschenen Groene levenskunst gaat hij op zoek naar wat ieder van ons in zijn eigen dagelijkse leven kan doen om het milieu te redden. Ik ontmoet Wilhelm Schmid op een vrijdagavond in Brussel, waar hij net met het vliegtuig vanuit Berlijn gearriveerd is voor een citytrip met zijn vrouw. “Vliegen is zeker niet de meest ecologische manier van reizen”, verontschuldigt hij zich. “En ik gebruik het vliegtuig heel vaak. Maar het is niet verstandig om op een fundamentalistische manier een groene levenswijze na te streven. Ik ben een groot voorstander van pragmatisme. Om mijn vele vliegtuigreizen te compenseren, heb ik de energievoorzieningen in mijn huis radicaal veranderd. Ik haal niet langer energie uit atoomkracht, kolen of olie, maar uit hernieuwbare energiebronnen. Sommigen roepen hard en nemen sterke posities in, terwijl ze in hun dagelijkse leven geen poot uitsteken. Ik verkies een pragmatische visie, en maak compromissen met mezelf en met anderen. Mijn vrouw is niet erg geïnteresseerd in ecologie, dus zoeken we telkens weer overeenstemming. Elk compromis is beter dan helemaal niets doen.”

Groene levenskunst wil bijgevolg niet zeggen dat we allemaal milieuactivisten moeten worden en in bomen moeten klimmen om een bos te redden?

Wilhelm Schmid: “Dat soort van actievoerders geeft de groene levenskunst alleszins op een zeer geëngageerde manier vorm. Groene levenskunst begint thuis, bij je dagelijkse gewoonten. Want onze ingesleten verkeerde ecologische handelingen vormen een groot probleem. We hebben onszelf de verkeerde attitudes aangeleerd. Het allereerste waar je als ecologisch bewust wezen over moet nadenken, is: ‘Wat zijn mijn gewoonten?’ Ik heb net hetzelfde gedaan, en heb in kaart proberen brengen hoe ik omga met elektriciteit en verwarming. Het zit hem soms in kleine gedragsveranderingen die op jouw kleine schaal een vrij grote impact kunnen hebben. Waarom zou je het licht laten branden als je je werkkamer voor een uur verlaat? Misschien kom je ook met een graadje minder de winter door. Praktisch handelen is zeer belangrijk. In Groene levenskunst bied ik een aantal opties aan om ecologischer te gaan leven. ‘Weet je waar je voedsel vandaan komt? Zou het niet verstandiger zijn om lokaal groenten te kopen in plaats van boontjes in de supermarkt die uit Afrika geïmporteerd worden?’ Het is vervolgens aan jou om te kiezen of je voedsel zal consumeren dat van duizenden kilometers ver komt of van bij de boer vlakbij.”

Waarom zou je moeite doen om op een ecologisch verantwoorde manier te leven? Misschien is het toch al te laat?

“Er zijn twee grote redenen. Het eerste motief is uit onversneden egoïsme, uit ‘zelfliefde’. In het christendom bestaat een regel die iedereen kent, maar slechts weinigen ter harte nemen, ‘Heb uw naaste lief zoals uzelf’, zelfliefde als basis voor naastenliefde. Onze relaties met anderen winnen aan rijkdom als ze vrij zijn van direct eigenbelang. Helemaal onzelfzuchtig zijn we natuurlijk nooit: via een omweg komt de relatie met de ander toch weer onszelf ten goede. Innerlijke rijkdom verwerf je in het leven niet door jezelf, maar door de anderen. Als zelfliefde alleen zichzelf als doel heeft, is ze puur narcistisch, maar als ze vriendschap en liefde voor anderen mogelijk maakt, is ze een vorm van altruïsme. We zijn het dus aan onszelf en aan de anderen verplicht om onszelf graag te zien. Het gaat om mijn leven en dat speelt zich niet af op een geïsoleerd eilandje. Mijn leven is verbonden met de hele wereld: sociologisch en ecologisch. Het sociologische beseffen we heel goed, het ecologische niet. En als we er ons wel van bewust zijn, trekken we er ons vaak niets van aan. Ik heb veel respect voor het egoïstische motief. Het brengt mensen tot inzicht dat een betere ecologische levensstijl hun eigen vege lijf kan redden. Het tweede motief is idealisme: ik wil een ecologisch leven leiden omdat ik het de juiste weg vind. Niet alleen omwille van mezelf, maar omwille van de wereld waarin ik leef. Ik heb twee kinderen en ik wil hen een plaats om te leven nalaten. Mijn ouders wilden voor mij een plaats nalaten waar het economisch beter was om te leven. Anno 2010 stellen we het bijna allemaal materieel zeer goed. Nu hoeven we niet langer een plaats om beter te leven nalaten, maar gaat het om de essentie: om een plaats om te leven. Ik maak me veel zorgen over de klimaatverandering. Ik ben er eerlijk gezegd een beetje pessimistisch over. En dat ligt niet in mijn aard. Alle waarschuwingen van wetenschappers dat er met ons klimaat iets mis is, zijn de voorbije vijftien jaar ook uitgekomen. Dat zou ons droef moeten stemmen. Want misschien is het inderdaad al te laat. Ik haat die gedachte, maar het is niet ondenkbaar dat het worstcasescenario zich momenteel aan het voltrekken is.”

“Ik probeer de oude levenskunstfilosofie te herpropageren, maar het gaat me niet alleen over de filosofie. Ik wil als filosoof ook handelen, politiek actief zijn. Onze omgeving kan niet zonder politieke daden. Levenskunst is niet mogelijk zonder interesse in, en engagement voor de stad en het land waarin ik leef. Levenskunst is een keuze voor zin: erkennen dat het leven meer is dan eten, drinken en tv kijken. Veel mensen herleiden levenskunst tot een domme manier van hedonisme, want ze stellen zich geen vragen over wat hun pleziertjes zullen zijn de dag na morgen. Het is belangrijk dat je politiek bewust door het leven stapt. Kijk naar de recente gemeenteraadsverkiezingen in Nederland, naar welke partij er aan stemmen gewonnen heeft. Als je je kop in het zand steekt en alleen maar geïnteresseerd bent in het snelle plezier hier en nu, zou je op een dag wel eens kunnen ontwaken in een nachtmerrie waar een ‘mooi leven’ niet langer meer mogelijk is. In plaats van het over hedonisme te hebben en genot als het hoogste goed te zien, definieer ik levenskunst liever als het leiden van een mooi leven. Met ‘mooi’ bedoel ik: een leven waartegen ik ‘ja’ kan zeggen. Als ik tegen alles en iedereen kan zeggen: ‘Dit is mooi’, zeg ik: ‘Ja.’ Een mooi leven is een leven dat je wil omarmen. Het ecologische leven is voor mij een mooi leven. Ik leef mooi als ik dat leven kan bevestigen. Dat wil niet zeggen dat ik het huidige leven zoals het is kan omarmen, maar wel dat ik een levensrichting uitwil waartegen ik volmondig ja kan zeggen. Het is noodzakelijk om als mens dat doel te hebben. We moeten naar iets streven. Alleen zo krijgt ons leven een zekere zin.”

Veel moderne mensen zijn die zin kwijtgespeeld?

“Ze kampen met een verschrikkelijk gebrek aan zin in hun leven. We moeten opnieuw zin brengen in ons leven en dat is niet hetzelfde als jagen op geluk. Alleen als je leven zin heeft, kun je gelukkig worden. Niet omgekeerd. Een moment van geluk creëert misschien zin voor een dag, maar niet voor alle andere dagen die erop volgen. Onze voortdurende jacht op geluk is gedoemd om te mislukken. Teveel mensen associëren geluk met genot. Begrijp me niet verkeerd: ik heb geen enkel probleem met genot. Genieten is fantastisch. Maar genot is vluchtig. Het ene moment geniet je met volle teugen, een paar seconden later is het alweer voorbij. Wie een echt gelukkig leven wil leiden, moet niet alleen met genot en plezier kunnen omgaan, maar ook met pijn en lijden. Als je voortdurend het genot najaagt, eindig je als een uitgeput wrak. Zin maakt het mogelijk om moeilijke momenten te overwinnen. Als je een relatie met iemand begint waar je razend verliefd op bent, beleef je de eerste jaren veel gelukkige momenten. Waarna die gelukkige momenten zeldzaam worden. Die perioden van ‘ongeluk’ hoeven geen probleem te zijn zolang je de zin van die relatie maar blijft zien. Zolang je relatie een zin en een doel heeft, kun je de ongelukkige momenten de baas. ‘Dit is de man of vrouw waar ik een deel van mijn leven wil mee slijten. Met hem of haar wil ik kinderen. Die kinderen wil ik samen met hem of haar opvoeden. En van zodra de kinderen groot genoeg geworden zijn, wil ik met hem of haar een weekend in Brussel doorbrengen.’ (lacht)”

Recycleer jezelf

In Groene levenskunst beschrijft u hoe de eerste reis naar de maan van Joeri Gagarin in 1961 onze blik op de aarde en op onszelf radicaal veranderde.

“Dat was een belangrijk moment. Iedereen kent nu die foto van de aarde, genomen vanuit het heelal. Maar toen de mens voor het eerst naar de maan reisde, zagen we voor het allereerst in onze geschiedenis onze planeet als een geheel, als een diamant in een gitzwart universum. We werden er ons meteen van bewust dat dit een heel speciale plek is om op te mogen leven. De filosofen uit de Oudheid fantaseerden er al over om de aarde in zijn geheel te kunnen zien. Moderne mensen willen een foto van de realiteit zien: reality-tv. Die eerste beelden van de aarde vanuit de ruimte was een vorm van reality-tv: dit is jouw huis. Een blauwe planeet in een zwart heelal. We zagen toen ook hoe kwetsbaar de aarde is. Als we hier op een zonnige dag op aarde rondlopen, denken we: ‘Waar maken we ons zorgen over? Er is zoveel plaats.’ We hebben dan de grote blauwe hemel boven ons, maar vanuit het heelal zien we pas hoe dun die atmosfeer is, en hoe makkelijk het voor ons is om hem te beschadigen. Ecologie is trouwens eigenlijk een heel recente wetenschap: ze dateert uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Natuurlijk waren er veel wetenschappers en auteurs die daarvoor al aandacht hadden voor het milieu, maar pas in de tweede helft van vorige eeuw werd de graad van vervuiling zo belangrijk dat wetenschappers het de moeite vonden om dat hele fenomeen op een meer systematische manier te gaan onderzoeken.”

Begonnen we tezelfdertijd ook niet te beseffen dat we de controle over de technologie aan het verliezen waren?

“We zijn erachter gekomen dat ons bewustzijn niet langer op hetzelfde niveau staat als onze technologische mogelijkheden. Niemand dacht dat het gebruik van olie om auto’s aan te drijven tot zo’n immense vervuiling zou leiden. Nu weten we wat de consequenties zijn. Zelfs de op het eerste gezicht veilige technologie kan na verloop van tijd ontsporen. Het is niet simpel voor ons om de gevolgen op langere termijn van sommige toepassingen te begrijpen, laat staan in te schatten. Het echte probleem is eigenlijk niet de technologie, maar de energie die nodig is om technologie te produceren en aan de praat te houden. We moeten op zoek naar een nieuwe duurzame en CO2-neutrale energievorm. Daar wordt gelukkig hard aan gewerkt. Dé energie van de toekomst wordt waterstof en de brandstofcel die daarop werkt. Binnen een aantal jaren zullen auto’s op waterstof rijden en werken onze gsm’s op brandstofcellen. Waterstof kan ons redden. Er is geen alternatief. Dus moet daar nu veel in geïnvesteerd worden.”

Moeten we terug naar de natuur?

“Dat zouden we misschien moeten doen als we er een benul zouden van hebben wat de natuur objectief gezien is. Dat komen we echter nooit meer te weten. Duizenden jaren lang is de natuur veranderd door mensen. Niemand kan nu nog reconstrueren wat ‘puur natuur’ precies inhoudt. Onze ‘natuur’ zijn landschappen die dat door mensenhanden zijn aangelegd. Pure natuur hebben we trouwens niet nodig, wel een natuur waarin we kunnen leven. De cradle-to-cradlefilosofie van chemieprofessor Michaël Braungart, alles wat we produceren moet kunnen dienen als grondstof voor een nieuw product, vind ik een fantastische gedachte. Recycleren is prima. Alleen is er een klein probleem: we ademen. Daardoor stoten we zelf CO2 uit en veranderen we ongewild het klimaat. Totale recyclage is dus ondenkbaar. Ik ben erg enthousiast over recycleren, maar we moeten realistisch blijven en erkennen dat er altijd ‘afval’ zal blijven bestaan.”

“Recycleren wil ook zeggen dat je jezelf bewust bent van het principe van de kringloop, van de cyclus. We kunnen onszelf voorstellen dat we zelf deel zijn van een kringloop. We komen van ergens, we leven, sterven, en gaan naar ergens. Misschien zijn wij ook gerecycleerd. Natuurlijk is er geen enkele wetenschappelijke manier om dat te bewijzen. Dan zou het mogelijk moeten zijn om terug te keren naar het stadium voor onze geboorte, en om vooruit te snellen naar het stadium na onze dood. Dat lukt natuurlijk nooit. De gedachte dat we zelf gerecycleerd worden, kan alleen maar een manier van denken en voelen zijn. Voor je persoonlijke leven is het goed om jezelf en anderen te beschouwen als deel van een cyclus. Ik zie het zo. Ik ben er zeker van dat ik deel uitmaak van een kringloop.”

Sommigen zullen die gedachte onder het hoofdstuk ‘new age’ catalogeren.

“New age, old age, middle age, wat maakt het uit? (lacht) Ik ben alleen geïnteresseerd in filosofie: in nadenken, reflecteren over het leven en mezelf afvragen: is dit mogelijk? Ik ben op zoek naar waarschijnlijkheid, niet naar objectiviteit en ook niet naar pure subjectiviteit. Wel naar waarschijnlijkheid. Zijn er redenen om te geloven dat iets waar is? Zijn die redenen beter dan andere? Je kunt nooit alle redenen kennen, maar je kan er wel veel op het spoor komen. Ik ontdek veel redenen door veel te discussiëren met andere mensen. Zij kunnen me wijzen op dingen die ik vergeten ben, of nog niet ken. Na een hele tijd kan ik dan voor mezelf een conclusie trekken: vanuit mijn gezichtspunt ziet die waarschijnlijkheid er zus of zo uit. Wat niet wil zeggen dat ik mijn medemensen ervan wil overtuigen om mijn waarschijnlijkheden voor waar aan te nemen. Filosofie is niet het privilege van academisch geschoolden; we zijn allemaal filosofen. Natuurlijk zijn er professionele filosofen zoals ik, maar dat wil alleen zeggen dat wij veel meer tijd hebben om na te denken. Elke mens kan zich over alle aspecten van zijn leven afvragen of hij het juiste doet, of het verkeerde. Ik ben er trouwens van overtuigd dat er geen absoluut foute en absoluut juiste dingen zijn. We kunnen er wel over discussiëren over wat we verkeerd zouden kunnen vinden en wat niet. Zeker als het over ecologie gaat.”

Worden filosofen zoals u gehoord in onze samenleving?

“Vanuit het publiek is er veel interesse voor filosofie. Het probleem is dat er maar bijzonder weinig filosofen zijn die het publiek dienen. Filosofen hanteren een jargon, net als dokters, politici en advocaten. Maar door alleen maar dat jargon te gebruiken, sluit je als filosoof anderen uit. Dan ben je niet echt op een democratische manier aan het filosoferen. Ik probeer om mijn gedachten in een verstaanbare taal te formuleren, zodat iedereen deel kan nemen aan de discussie. Ik heb al heel wat gesprekken gevoerd in verschillende landen, en het is mijn ervaring dat veel mensen geïnteresseerd zijn om in debat met mij te treden. Of ik ook gehoord word door politici? Dat hangt er een beetje vanaf. Een tijdje geleden praatte ik met de Duitse president en ik ben ook een paar keer ontvangen door Duitse ministers, maar daar is het tot hiertoe bij gebleven. Er zijn jammer genoeg maar weinig professionele filosofen die zich inlaten met politiek. De meeste van mijn collega’s zijn er helemaal niet in geïnteresseerd. Het is alsof ze vergeten zijn dat er ooit een figuur geleefd heeft als Socrates, die van in het prille begin van zijn bestaan als filosoof politiek actief was.”

Hij komt ook opnieuw tot leven op het einde van uw boek: als Socrates 2x die terugblikt op het derde millennium.

“Socrates 2x ben ikzelf. (lacht) Ik neem de filosoof Socrates heel serieus. Ik heb hem intens bestudeerd. De manier waarop hij filosofie bedreef, is een voorbeeld voor mij. Hij claimde niet in het bezit te zijn van de waarheid, maar zocht samen met anderen naar de waarheid. Niet in zijn eentje op een zolderkamertje, maar samen met anderen. Voor politici is die zoektocht naar de waarheid niet vanzelfsprekend; zij denken vaak dat ze de waarheid in pacht hebben. Dat is ook hun job, maar het is onze job als filosofen om hen te vertellen dat het allemaal niet zo eenvoudig is als zij denken.”

U hebt een tijd als filosoof gewerkt in een ziekenhuis in Berlijn. Wat was uw taak?

“Praten, zowel met de patiënten als met het verplegend personeel. Iedereen in een ziekenhuis stelt zich vragen over het leven en over de wereld. Toen ik er begon te werken, vroeg ik me zelf af wat ik als filosoof in zo’n hospitaal zou kunnen gaan doen. Op het einde vroeg ik me af hoe het mogelijk is dat er niet in elk ziekenhuis een filosoof actief is. Het bulkt er van de filosofische vragen over leven en dood, van iedereen. En er is niemand die mee naar antwoorden zoekt. Geloof me vrij: filosoof is een job met toekomst.”

Wilhelm Schmid, Groene levenskunst, Ambo – Amsterdam, uit het Duits vertaald door Willem Visser, 143 blz., 19,95 euro

 

© Jan Stevens

Airbags

Op haar eenentwintigste vond Venetia Thompson een baan als junior-broker bij een grote internationale beursmakelaar. Veertien maanden lang was ze ‘one of the lads’. In haar boek Beursbabe vertelt ze vrijuit over het leven van een doorsnee broker in de Londense City. Een leven van geld, seks, drugs en sloten alcohol. Ondanks de kredietcrisis.

 

9 februari 2008. In het Britse tijdschrift Spectator verschijnt van de hand van junior-broker Venetia Thompson een uitgebreid verslag over haar dagelijkse leven op de beursvloer in de Londense City. “In het begin werd ik dagelijks uitgescholden en met cricketballen bekogeld door mijn collega’s”, schrijft ze. “Een zwarte broker werd door iedereen ‘Ferg’ genoemd. Eerst dacht ik dat het een onschuldige bijnaam was. Tot bleek dat het om de verkorte versie ging van Feargal Sharkey – Cockney voor ‘Darkie’ of zwartje.”

In hetzelfde artikel schetst Thompson geen al te fraai beeld van haar rechtstreekse baas, een Amerikaan die ze omschrijft als hebzuchtig en agressief. “Onlangs gooide hij zijn keyboard naar de man die rechtover hem zat, de toetsen vlogen in het rond.” Ze vertelt ook over drankovergoten zakendiners waar ze vier avonden per week moet aan deelnemen, en die steevast eindigen rond het ochtendgloren. “Om zeven uur ’s ochtends zit ik stomdronken van de voorbije nacht terug achter mijn bureau.” Thompsons artikel veroorzaakt heel wat deining in de City. Sommige traders en brokers noemen haar een nestbevuiler, anderen komen anoniem aanzetten met gelijkaardige verhalen. Dezelfde week nog wordt Venetia door haar werkgever BGC Partners ontslagen. Zo komt er een abrupt einde aan haar makelaarscarrière die welgeteld 14 maanden heeft geduurd. Vlak na haar ontslag krijgt ze telefoontjes van andere brokerfirma’s. Thompson: “Ze boden me een job aan. Ik zei telkens weer: ‘Je beseft toch wat ik net gedaan heb?’ Hun antwoord was: ‘Ja, maar we haten BGC en willen dat je nu voor ons komt werken.’ Maar ik wou voor de rest van mijn leven helemaal geen broker zijn. Ik wou schrijver worden.”

Eind januari 2010. De inmiddels vijfentwintigjarige Venetia Thompson heeft net de laatste hand gelegd aan haar boek Beursbabe, waarin ze in ruim driehonderd bladzijden een hallucinant vervolg breit aan het artikel uit Spectator. “Nu vertel ik het hele verhaal. En ik neem geen blad voor de mond.” In Beursbabe schetst Thompson een ontluisterend beeld van de City. Ze schrijft over brokers die in poepchique restaurants samen met hun klanten urenlang zitten te schransen, er flessen Château Rothschild van 600 pond de fles bestellen en er lijnen coke doorjagen. Om vervolgens in de vroege uurtjes van het ene bordeel naar het andere te laveren. Vier nachten op vijf. Venetia deed daar dapper aan mee. “Ik fuifde tot ‘s morgensvroeg. Maar elke ochtend om kwart voor zes liep mijn wekker af, ongeacht hoe laat of vroeg ik in bed lag. Soms werd ik halfnaakt naast mijn bed wakker en kon ik me amper nog iets herinneren van de nacht voordien. Ik was altijd blij als ik het kantoor op Canary Wharf bereikte zonder dat ik in de metro had overgegeven of was omgevallen.”

Airbags

Twee jaar na haar vertrek bij BGC Partners heeft Venetia nog steeds heimwee naar haar collega’s en hun lompe en seksistische opmerkingen. Zelfs al bedachten ze haar omwille van haar stevige boezem met de bijnaam ‘Airbags’. “Ik mis die kerels en hun kameraadschap echt”, zegt ze. “De brokers, de beursmakelaars, vormen de laatst overgebleven meritocratie van de City. Hun sociale status wordt nog steeds bepaald door hun prestaties en capaciteiten. Ze starten zonder enige opleiding op hun zestiende op de beursvloer omdat hun oom een broker was. De beursmakelarij in Londen heeft een traditie in het aantrekken van jonge mannen met een speciaal talent. Een goeie broker moet snel zijn met cijfers, maar hoeft geen rekenwonder te zijn. Ik heb zelf allesbehalve een mathematische geest en heb nooit een economische opleiding gehad. Als je onder grote druk kalm kunt blijven, heel agressief uit de hoek kunt komen, en verschillende mensen tegelijkertijd te woord kunt staan, is beursmakelaar een job die je op het lijf geschreven is. Ik vond het heel verfrissend om op een plaats terecht te komen waar op de allereerste dag niemand vroeg naar welke school ik geweest was. Want Groot-Brittannië is nog steeds een land waar klasse heel belangrijk is. Bij de brokers ligt daar niemand wakker van. Op de beursvloer behandelen al je collega’s je als gelijken.”

En tezelfdertijd ook als vuil.

“Iedereen wordt er als vuil behandeld, maar er zijn geen verborgen agenda’s. Als collega-brokers je een klootzak vinden, zeggen ze dat vlak in je gezicht en niet achter je rug. Ik hou van die directe aanpak. Ik ben op de beursvloer terechtgekomen via een vriendin die in de brokersindustrie actief is. Zij gaf mijn cv door aan haar favoriete broker. Ik spreek Russisch en dat vond het bedrijf blijkbaar interessant.”

U werd aangenomen door een Amerikaanse broker, een man met de reputatie van een bully.

“In het begin schoten we vrij aardig met elkaar op. Ik vond hem fascinerend, want ik had zoveel slechts over hem gehoord. Brokers kun je in twee categorieën onderverdelen: de kleine groep die ooit traders, handelaars, geweest zijn en ontzettend slim zijn, en de anderen die op hun zestiende direct op de beursvloer gestapt zijn en die ‘street wise’ zijn. De Amerikaan had een beetje van beide. Ik dacht dat ik veel van hem kon leren. Maar hij bleek inderdaad de klootzak te zijn waar iedereen hem voor versleet. Hij schold me geregeld de huid vol en liet me op het einde vallen als een baksteen. Ik heb na mijn ontslag niets meer van hem gehoord. Hij zit er nog steeds en heeft een ander meisje in mijn plaats aangenomen, met minder grote borsten.”

“Mijn eerste dag op de beursvloer begon nochtans opwindend, ik had nog nooit zoiets meegemaakt. De testosteron hing zwaar als sigarettenrook in de lucht. Het lawaai kwam in golven van verschillende kanten. Er werd me verteld dat het meisje dat voor me aan mijn desk gezeten had, het amper vier weken had uitgezongen. Er werden bijna weddenschappen afgesloten hoelang ik het zou volhouden.”

Uw voorgangsters werden net als u op een seksistische manier behandeld?

“Het hangt ervan af hoe je seksistisch definieert. Je moet echt wel uit speciaal hout gesneden zijn om te overleven in een brokersbedrijf. Je moet een dikke huid hebben en je mag nooit uit het oog verliezen dat het schelden slechts een deel van het spel is.”

De bijnamen ‘Airbags’ of ‘Ferg’ zijn dus totaal onschuldig?

“In Engeland woedt nu een grote discussie over het verschil tussen echte seksistische klap en uitspraken die seksistisch lijken, maar die eigenlijk gewoon agressieve grapjes onder vrienden zijn. Op de beursvloer krijg je, naast etensresten, lege waterflessen en cricketballen, verschrikkelijke dingen naar je hoofd geslingerd. Ze klinken ongemeen racistisch en verschrikkelijk seksistisch, maar zijn eigenlijk niet zo bedoeld. Als je tegen iemand iets lelijks zegt, betaalt hij je met gelijke munt terug. Elkaar afzeiken is een erecode. Op de beursvloer kun je gerust tegen al je cliënten liegen, zolang je maar niet je collega’s besodemietert.”

“Een broker of makelaar brengt op de beurs verschillende traders of handelaars met elkaar in contact. Ik kreeg een bod van een grote bank, riep dat rond naar de rest van de desk en een collega reageerde dan met een tegenbod dat hij van zijn klant kreeg. Soms rinkelden alle telefoons op hetzelfde moment. Dan had ik tien verschillende telefoons in de wacht staan, wachtend op verschillende prijzen. Ik werkte met achtsten en kwartjes – ik moest heel snel manoeuvreren tussen getallen na de komma. Soms vergiste ik me, en dan was ik de sigaar. Traders zijn van nature paranoïde en denken snel ze dat je ze een oor wil aannaaien. Als een broker hen in de steek laat, kan hen dat veel geld kosten.”

Roze champagne & coke

U moest ook bijna elke avond uw klanten ‘entertainen’?

“Ik ging zo goed als dagelijks uit eten en drinken met mijn cliënteel. Veel mensen denken dat het om omkoping gaat, maar dat is niet zo. Die etentjes dienden vooral om de relaties met de klanten in stand te houden. Hoe meer tijd je met iemand doorbrengt, des te groter is de kans dat hij je gaat vertrouwen. Jij geeft hem informatie waardoor hij interessantere prijzen zal doorgeven. Hoe beter je met traders en bankiers samenwerkt, hoe meer geld je aan hen kunt verdienen. Als je alleen maar een stem aan de telefoon bent, zullen ze je nooit ten volle vertrouwen. Het is dus heel belangrijk dat je een persoonlijke relatie met hen uitbouwt. ‘Venetia is een goeie drinker, dus zal ik haar eens verwennen met een fraai bod’, of ‘Venetia is echt grappig, zij heeft recht op die prijs.’ En zelfs: ‘Ze is een beetje zielig en bakt er niet veel van als broker. Ik zal haar een handje helpen.’”

“‘Gewone’ businesslui uit andere bedrijfstakken hebben af en toe ook wel eens een zakenlunch met een klant. Meestal staat er dan een bord pasta met een glas spuitwater op het menu en gaan ze na een uurtje smalltalk weer aan het werk. Wij bestelden achtgangenmenu’s en dronken flessen roze champagne. We dronken glazen wijn van 100 pond het stuk of flessen Brunello van 600 pond. Tijdens die ‘zakenlunches’ joegen we er fortuinen door. Na het eten zakten we dan af naar luxebars en bleven we doorzuipen. Soms moest ik tussen twee gangen door in het toilet even discreet mijn maag gaan leeg kotsen. Bij de grote banken bestaan er strikte regels over ‘uit eten gaan met klanten’. Maar brokerhuizen zijn aan geen enkele regelgeving onderworpen. Wat ik meemaakte, was geen uitzondering. De hele brokerindustrie zwelgt in die excessieve levensstijl. De brokers zijn belangrijk voor de City, want zij vormen het levensbloed van de markt en verdienen het meeste geld. De beursmakelarij is een vitale sector voor de hele financiële industrie. Grote bankiers weten vaak niet hoe het er bij brokers aan toegaat. Het wilde leven speelt zich echt af tussen traders en brokers. Bankiers werken met analisten en doen er maanden over voor z’n deal sluiten. Traders en brokers beslissen over ‘deals’ in fracties van seconden. Ze volgen eigenlijk vooral hun intuïtie. En teren een beetje op informatie en ervaring.”

Het ‘entertainen’ van klanten bleef niet bij eten en drinken. Er werd ook coke gesnoven, en u bezocht met uw cliënteel stripbars en bordelen.

“Er wordt veel coke gebruikt onder brokers. In Beursbabe voer ik mijn cokeverslaafde vriend Mo op. Hij is geen uitzondering; hij is de standaardbroker. Hij heeft een zwaar cokeprobleem, zuipt, neukt erop los en is een vaste bezoeker van de stripclubs in Soho. Maar onder die laag is hij warm en sympathiek. Veel mensen hebben hun moreel oordeel klaar over het leven in de City: ‘Al dat gezuip en gesnuif en al die losse scharrels.’ Als je in de City werkt, speelt ethiek geen rol meer. Je kent nooit de andere kant van het verhaal. Oké, Mo drinkt en snuift. Maar hij is wel een goeie ziel. Sommigen noemen de City het Empire of Evil. Bullshit. Zolang je van jezelf vindt dat je nog goed kunt functioneren, is er volgens mij niets aan de hand. Toen ik van de universiteit kwam, had ik ook dat stupide idee van goed en fout. ‘O nee, hij gebruikt drugs, dat is verkeerd.’ Door in de City te werken, heb ik ontdekt dat er veel meer grijs is dan zwart of wit.”

“De vrouwen van mijn collega’s waren er aan gewend dat hun kerels midden in de nacht straalbezopen thuiskwamen. Het geld, de luxe, het mooie huis, de Ferrari of de Bentley maakten veel goed. Natuurlijk reden hun mannen af en toe een scheve schaats, maar toch bleven ze samen. Voor vrouwelijke brokers daarentegen, is dating een echte nachtmerrie. Een trader zei me vlakaf: ‘Ik wil nooit met een vrouwelijke broker een affaire beginnen, want er hangen altijd andere mannen rond haar. Dat zal er na verloop van tijd voor zorgen dat ze transformeert in een verschrikkelijke hulk.’ Mannen uit de brokerindustrie kennen het wereldje en gaan er sowieso vanuit dat vrouwelijke brokers met hun klanten slapen, zich als dellen gedragen en een drankprobleem hebben. In werkelijkheid zijn ze niet allemaal zo. Al riskeer je wel door overmatige alcoholconsumptie de controle over jezelf te verliezen.”

“Mijn alcoholverbruik is nu flink gedaald. Mijn lever speelt ook minder vaak op dan vroeger. Ik was me tijdens mijn brokercarrière richting graf aan het zuipen. Pas na mijn ontslag besefte ik hoe slecht ik eraan toe was. Ik stond op het randje van een zenuwinzinking. Veel jonge mannelijke brokers hebben een paar gekke jaren, en nemen gas terug als ze halverwege de dertig zijn. Vrouwen stoppen na verloop van tijd gewoon met uitgaan en verdienen dan ook geen geld meer. De rest ziet hen als a joke, goed genoeg om de hoop te vullen. Sommige mannen blijven doorgaan. Ik ken veertigers die nog steeds vier avonden per week uitgaan, zich volvreten en aan de drank en de coke zitten. Er worden weddenschappen afgesloten wie eerst het loodje zal leggen. Een kennis van me, een broker van 35, viel net voor kerst dood neer. Een hartaanval.”

U hebt als broker eind 2007 het allereerste begin van de kredietcrisis meegemaakt. Was er toen paniek?

“Ik herinner me dat collega’s krantenartikels over rommelhypotheken begonnen rond te sturen. Die berichten werden vooral op ongeloof onthaald. Een broker krijgt voortdurend informatie over zaken die verkeerd dreigen te lopen: ‘Ik hoor dat er een fonds in de shit zit en dat die bank ‘fucked’ is.’ Het beste is om dat soort van informatie gewoon te negeren. In het begin van de kredietcrisis heerste op de vloer de overtuiging dat het nooit zo erg zou worden als beweerd werd. Toen de markt dan toch begon in te storten, was dat geen ramp. De brokers trokken er zich niets van aan. Ze verdienden nog steeds geld, want sommige traders verkochten goedkoop en er waren genoeg idioten die bleven kopen. Zolang de handel bleef doorgaan, kon de crisis de brokers geen sikkepit schelen. Achteraf gezien is die kredietcrisis voor de brokers in de City ‘much ado about nothing’. 2009 was niet voor niets een heel goed jaar. Het is bijna hilarisch. Er zijn nu mensen die pleiten voor regels om ‘het beest’ onder controle te krijgen, om zo een nieuwe financiële crisis onmogelijk te maken. Dat is bullshit, want de markt is net als een renpaard: als je het intoomt, verlies je de race. Als we de markt reguleren, is het niet langer een vrije markt en verliezen we het potentieel om veel geld te verdienen. We leven allemaal al zolang in een wereldwijde cultuur van hebzucht. Die mentaliteit verander je nooit meer. Want iedereen wil een groter huis en een dikkere auto. Hebzucht is de motor van alles.”

Venetia Thompson, Beursbabe, Arena, 320 blz., 18,95 euro

©Jan Stevens

Gen voor geluk

Stel dat geluk een kwestie is van genetica. Stel dat er iemand op aarde rondloopt wiens gen voor geluk optimaal ontwikkeld is. Stel dat een wetenschapper erin slaagt om aan de hand van zijn of haar DNA de ultieme gelukspil te ontwikkelen. Zou u die pil dan slikken? Auteur Richard Powers denkt van niet: “We zijn niet in de eerste plaats op zoek naar geluk, wel naar zingeving.”

In zijn briljante roman Een gen voor geluk duikt de Amerikaanse auteur Richard Powers (52) diep in onze genenpoel. Hij vraagt zich af wat er zal gebeuren als er ooit een wetenschapper opstaat die beweert dat hij de genetische basis voor geluk ontsluierd heeft. In schitterend proza stelt Powers pertinente vragen over onze verwachtingen en over de rol van wetenschappers in onze queeste naar geluk. In Een gen voor geluk gaat Powers ook op zoek naar de zin of onzin van het schrijverschap. En passant geeft hij bikkelharde kritiek op de ranzige manier waarop al dan niet anonieme bloggers de persoonlijke levenssfeer van individuen op het net te grabbel gooien. “We zijn op een punt aanbeland waarop het persoonlijke en het publieke totaal in de war geraakt zijn. Het lijkt steeds meer alsof privacy een anachronisme geworden is.”

Miss Generosity

In Een gen voor geluk vertelt Richard Powers het verhaal van de tweeëndertigjarige mislukte schrijver Russell Stone. Stone werkt als eindredacteur voor een ‘zelfhulptijdschrift’ waarvan alle teksten geleverd worden door de abonnees. Toen hij pas als master in de kunst afgestudeerd was, leek het even alsof hij een succesvol schrijver zou worden. In een paar weken tijd slaagde hij erin om drie essays over bestaande mensen aan evenveel gerenommeerde tijdschriften te verkopen. Maar nadat zijn hoofdpersonages zich tegen hem keerden en een van hen zelfs een mislukte zelfmoordpoging ondernam, kreeg hij geen beklijvende zin meer op papier.

Op een dag krijgt Russell Stone het aanbod om tijdelijk aan de universiteit van Chicago een avondcursus ‘creatieve non-fictie’ te doceren. In die cursus maakt hij kennis met de jonge Algerijnse vluchtelinge Thassa Amzwar. Ondanks alle gruwelen die ze in haar geboorteland meegemaakt heeft, straalt Thassa van levensvreugde. Haar medestudenten raken in de ban van haar gelukzaligheid en noemen haar Miss Generosity – Miss Mildheid. Russell maakt zich zorgen over Thassa’s permanente opgewektheid. Hij vraagt zich af of ze aan een vorm van posttraumatische stress lijdt en gaat te rade bij de universiteitspsychologe Candace Weld. Ook zij laat zich overrompelen door Thassa’s levensvreugde.

De befaamde geneticus en gehaaide zakenman Thomas Kurton is al geruime tijd op zoek naar het gen voor geluk. Als hij hoort over het immer gelukkige Algerijnse meisje, wil hij haar genetisch materiaal onderzoeken. Zij gaat ermee akkoord, waarna Kurton fier aan de wereld laat weten dat hij het geluksgen op het spoor is. Russell en Candace moeten daarna lijdzaam toezien hoe Thassa vermalen lijkt te worden in een steeds hysterischer wordende mediahype.

Depressiegen

Richard Powers heeft een ijzersterke reputatie als het op het verweven van wetenschap in literatuur aankomt. In 1991 schreef hij The Gold Bug Variations, een eerste roman waarin genetica centraal stond. “Ik wou dolgraag dat onderwerp nu opnieuw behandelen”, zegt hij. “Want achttien jaar is een eeuwigheid in de genetica. Begin jaren negentig dachten we dat de mens over ontelbaar veel genen beschikt en dat elk gen één proteïne synthetiseert. We wilden de genendoos openen in de hoop een deterministisch model te ontdekken. Nu die doos voor ons open ligt, is genetica geëvolueerd naar genomica, de studie van genomen. We zijn geëvolueerd van een geloof dat we erfelijkheid kunnen begrijpen aan de hand van individueel gecodeerde genen, naar het besef dat we te maken hebben met een complex genenkluwen. De wetenschappers zijn erachter gekomen dat genetica allesbehalve eenvoudig en voorspelbaar is. Ze weten nu dat er veel turbulentie is die veroorzaakt wordt door massale prikkels van buitenaf.”

Een paar jaar geleden hebt u uw eigen genoom in kaart laten brengen.

“Ik ben de negende persoon op aarde die zijn genoom heeft laten sequencen. Eén van de conclusies was dat ik drager ben van het in 2003 door wetenschappers ontdekte depressiegen. Uit hun onderzoek bleek dat de werking van een bepaald gen het risico op depressie serieus vergroot. Nadat ik dat te horen kreeg, begon ik mezelf voortdurend te observeren en in vraag te stellen. Ik raakte er zelfs van overtuigd dat ik al heel mijn leven min of meer depressief was, maar dat ik het nooit zo had durven benoemen. Ik begon ook te geloven dat mijn schrijverschap een poging was om die donkere wolk te verdrijven. Tijdens het schrijven van mijn vorige roman, De echomaker, werd ik me bij mezelf bewust van een verlangen naar duisternis. Een gen voor geluk ben ik als een vorm van therapie beginnen schrijven. Toen dit boek in Amerika in de zomer van 2009 gedrukt werd, verscheen een nieuwe gezaghebbende studie die alle voorgaande studies over het depressiegen naar de prullenbak verwees. Ze stelde dat het veel te vroeg was om het betreffende gen aan depressie te koppelen. Van de ene op de andere dag voelde ik me stukken beter. (lacht) Op het einde van Een gen voor geluk komt Russell Stone tot een gelijkaardige conclusie: ‘Had Thassa Amzwar eigenlijk wel iets uitzonderlijks in haar genen waardoor ze steeds zo vrolijk door het leven huppelde? Of was haar eigen wil er misschien verantwoordelijk voor dat ze de stress uit haar omgeving het hoofd kon bieden?’ Het is nog veel te vroeg om te geloven dat gemoed en temperament gevat kunnen worden in een of andere genetische formule. De relatie tussen nature (aanleg) en nurture (opvoeding) is en blijft ongelooflijk gecompliceerd.

“De wetenschap levert fantastisch werk: we hebben ongelooflijke dingen bereikt in het ontrafelen en begrijpen van het menselijke genoom. Maar het probleem is dat onze vrije markteconomie ervoor gezorgd heeft dat wetenschap gezien wordt als de zoveelste competitieve business. Om subsidies en fondsen los te weken, moeten wetenschappers telkens weer de nadruk leggen op de potentiële commerciële toepassingen van hun nieuwe ontdekkingen. Wetenschappelijk onderzoek moet passen in ons geloof dat we ons probleem wel zullen kunnen oplossen als we maar de juiste pil nemen of op het juiste knopje drukken. Toeval moet uitgeschakeld worden en ‘kans’ moet vervangen worden door ‘keuze’.

“Ik zeg niet dat de wetenschap niet langer mag zoeken naar middelen om het geluksgevoel van mensen op te vijzelen. Wie met een depressie kampt, vindt vaak heil bij een pil. Maar ik vind wel dat we de leugen moeten doorprikken dat de wetenschap ons tegen betaling voortdurend middelen kan bieden om onze levensvreugde op te krikken. Door het model van ‘geluk-op-basis-van-producten’ te omarmen, vergeten we dat we in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor ons welbevinden. Teveel mensen leven nu in de veronderstelling dat wetenschap de zinsgevingsvragen voor hen zal oplossen. Prozac kan je depressie helpen verdrijven, maar daarnaast weet je ook dat je om een zinvol leven te leiden, genereus moet blijven tegenover andere mensen. Je moet zelf betekenis proberen geven aan elke dag op aarde. Een pil zal dat niet voor jou doen.”

Creatieve non-fictie

Een gen voor geluk begint in een heel bijzondere stijl. U zoomt in en uit op de hoofdpersoon Russell Stone tijdens zijn rit in de metro op weg naar zijn allereerste college creatieve non-fictie. Het moet geen sinecure geweest zijn om op die manier te schrijven?

“Dat is ook niet van de eerste keer gelukt. Ik ben dit verhaal beginnen schrijven op een veel realistischer manier. Rechttoe, rechtaan, in opeenvolgende conventionele scènes. Hoe dieper ik in het boek geraakte, hoe duizeliger ik werd van de gedachte van op welk soort wereld we aan het afstevenen zijn. Ik ervoer steeds meer de nood aan een nieuwe vorm van vertellen die de dingen telkens weer vanuit een ander perspectief bekijkt. Ik besloot de aanpak van mijn roman helemaal te herzien en creëerde een focustechniek om de vorm van het boek meer te laten aansluiten bij de inhoud.”

Voor zijn schrijfcursus gebruikt Russell Stone als leidraad het door u verzonnen boek Make your writing come alive van ene Frederick P. Harmon.

“Ik heb veel plezier beleefd aan het verzinnen van een boek dat de draak steekt met de schrijfindustrie. Creatief schrijven en je eigen boeken uitgeven, is in de VS een hype. Het lijkt op zelfhulp: ‘Hoe kun je een betere schrijver worden?’ Stone had voor zijn cursus creatieve non-fictie een cursusboek nodig, dus heb ik er zelf een verzonnen. Aan de ene kant is het werk van Harmon een parodie op het genre, aan de andere kant zitten er natuurlijk ook bruikbare tips in. In het geval van Russell Stone krijgt die schrijvershandleiding een bijzonder ironische bijklank. Hij heeft zijn schrijverschap aan de wilgen gehangen omdat zijn schrijven echt tot leven kwam, op zo een manier dat hij er bang van werd. Ooit was hij een begenadigd schrijver, maar nu werkt hij als eindredacteur bij een tijdschrift, waar hij ghostwriter is voor amateurs die amper een woord op papier kunnen zetten. Dat is zijn boetedoening voor zijn eigen mislukte schrijverscarrière. Hij wordt verliefd op de psychologe Candace Weld. Zij laat hem inzien wat er van hem geworden is. Dankzij haar neemt hij het drastische besluit om zijn leven een andere wending te geven.”

Waar staat de term creatieve non-fictie voor?

“Het is een vrij nieuwe ‘industrie’. Het staat voor essayistisch schrijven met een sterke verteller. Het creëert non-fictie die aanvoelt als een verhaal. Ken je dat oude boek Zen en de kunst van het motoronderhoud? Het is op het eerste gezicht een verhaal van een vader en zijn zoon, verteld in de derde persoon, terwijl het eigenlijk een meditatie over filosofie is. Het idee is dat je zelf als schrijver kan deelnemen aan een onderwerp waarbij in ‘normale omstandigheden’ de schrijver verborgen blijft. Creatieve non-fictie leest als een verhaal, terwijl het over feiten gaat. Die hele verhouding tussen feit en fictie is hot in de VS, met auteurs als James Frey en JT LeRoy en drukbezochte cursussen creatieve non-fictie aan de universiteiten.”

De zogezegd feitelijke verhalen waarmee Frey en LeRoy furore maakten, bleken tot op zekere hoogte verzonnen te zijn.

“Ja, hun verhalen leggen meteen ook de donkere kant van creatieve non-fictie bloot, want het genre wordt totaal onbetrouwbaar als het creatieve de werkelijkheid overwoekert. Je merkt hetzelfde in de media: er komt steeds meer persoonlijke bemoeienis van de journalist in de stukken die hij schrijft of in de reportages die hij voor tv draait. In het begin van Een gen voor geluk tobt Russell erover of het genre van memoir, het persoonlijke verhaal, op hol geslagen is. Hij heeft daar, net als ik, zeer tegenstrijdige gevoelens over. Het persoonlijke en het publieke worden vermengd. Kijk naar wat er gebeurt met Thassa: eerst is ze een anonieme deelneemster aan een wetenschappelijke studie, waarna ze plots het onderwerp wordt van bloggers. Zij raken door haar geobsedeerd en geloven dat haar private verhaal tot het publieke domein behoort. Wat Thassa overkomt, zie je nu voortdurend op het internet gebeuren, over de hele wereld. Vaak zijn die bloggers anoniem, of doen ze zich in commentaren voor als iemand anders. Ze verstoppen zich achter andere karakters, waardoor ze niet getraceerd kunnen worden. Er zijn in de VS heel wat bekende blogs waarin de blogger zich verschuilt achter een fictief personage en zo zijn vitriool rondstuurt. Iedereen verwijst naar dat fictieve personage en citeert hem, zonder dat de man of vrouw in kwestie rekenschap moet afleggen over wat hij of zij schrijft. Ik houd dat soort van bloggers verantwoordelijk voor de grote toename van wrok en haat in onze samenleving. Via hun anonieme karakters verkondigen ze hatelijke boodschappen die ze nooit openlijk in iemands gezicht zouden durven slingeren. De agressieve ondertoon van die berichten sijpelt door naar andere media en naar alledaagse conversaties tussen mensen. Je mag er vergif op innemen dat mensen daardoor binnenkort posters van Obama met Hitlersnor zullen meebrengen naar doordeweekse vergaderingen in achterafzaaltjes.”

Thassa Amzwar heeft afschuwelijke jeugdjaren meegemaakt in Algerije. Waarom Algerije?

“Veel mensen in Noord-Amerika en Europa kennen amper de recente gewelddadige geschiedenis van Algerije. Omwille van die relatieve onbekendheid heb ik Thassa daar ‘geplaatst’. Ik had ook een andere, bekendere brandhaard in de wereld kunnen kiezen, maar dan was het risico te groot dat lezers haar een politieke of religieuze stempel op het hoofd zouden drukken. Mijn vrouw heeft twintig jaar lang in Noord-Afrika geleefd. Haar ervaringen en contacten hebben me geholpen om meer te weten te komen over Algerije en de rest van Noord-Afrika. Ik heb Algerije zelf niet bezocht. Het land is niet echt veilig. Het lijkt alsof het er rustiger geworden is, maar in de periode dat ik het boek aan het schrijven was, hoorde ik van nieuwe incidenten. Het is altijd lastig om te beoordelen of de toestand in zo’n land verbeterd is, of dat de pers gewoon haar belangstelling verloren heeft.”

Ondanks haar afschuwelijke verleden straalt Thassa geluk uit. Mensen uit haar omgeving vinden dat vreemd. Ik vond dat eerlijk gezegd ook.

“Russells eerste indruk is dat ze last heeft van een soort van manische posttraumatische stress en dat ze elk moment kan instorten. Miljoenen zelfhulpboeken proberen ons te leren hoe we in een altijddurende, gelukzalige euforie kunnen geraken. Als we in werkelijkheid zo iemand ontmoeten, denken we meteen: daar moet iets mis mee zijn. Toch noemt driekwart van de mensheid zichzelf gelukkiger dan gemiddeld, wat statistisch gezien natuurlijk onmogelijk is. De meeste mensen denken dat ze gelukkig zijn, maar toch zijn ze niet tevreden. We willen gewoon nog een klein beetje gelukkiger worden dan we al zijn. Dat zal altijd zo blijven, het maakt niet uit of onze geluksbaseline op 5, 7 of op 9 op 10 ligt. Degene met baseline 9 streeft sowieso naar 9,1.

“Herinner je je de scène in de keuken, waar Candace voor Russell twee grafieken op het bedompte keukenraam tekent? Het zijn grafieken die het leven weergeven van de geboorte tot de dood. De ene grafiek start met 10% welbevinden en eindigt met 80%: de levensloop van een ongelukkig kind dat langzaam uitgroeit tot een relatief tevreden oudje. De tweede grafiek start op 90% en eindigt op 90%: ze geeft het leven weer van een uiterst gelukkige pasgeborene die uiterst gelukkig blijft tot in het graf. Onderzoek heeft vastgesteld dat de meeste mensen resoluut kiezen voor de levenslijn die de eerste grafiek weergeeft. Waaruit blijkt dat we niet in de eerste plaats geluk nastreven, maar wel op zoek zijn naar een zinvol bestaan. De eerste grafiek vertelt een zinvol verhaal. De tweede grafiek is de weergave van een vlak mensenleven zonder zin.”

Bent u een gelukkig man?

“Ik ben zonder enige twijfel gelukkiger dan het gemiddelde. (lacht)”

Een gen voor geluk. Vertaald door Jan Pieter van der Sterre. Contact. 397 p., 34,95 euro

 

 ©Jan Stevens

%d bloggers liken dit: