Anthony Bourdain (1956-2018)

21 juni 2003 – Anthony Bourdain van het New Yorkse restaurant Les Halles werd een paar jaar geleden wereldberoemd met het boek Kitchen confidential , een satirische rondleiding door de New Yorkse culinaire onderwereld. Onlangs verscheen zijn derde thriller. Als hij moet kiezen tussen de keukentafel en de schrijftafel, is zijn keuze snel gemaakt: ,,Koken doe ik met hart en ziel. Schrijven is een gemakkelijke, lucratieve bijverdienste.”

 

Jaren geleden begon Anthony Bourdain (° 1956) zijn culinaire carrière als bordenwasser in een groezelig restaurant. ,,Het was de enige manier om aan seks, drugs en gratis drank te geraken.” Tot hij besefte dat hij zijn eigen graf aan het delven was.

Hij kickte af en ging studeren aan het Culinary Institute of America (CIA). Nu is Bourdain, afgezien van zijn dagelijkse portie sigaretten en alcohol, clean . Hij is gelukkig getrouwd en runt op Park Avenue South in New York de gerenommeerde Franse brasserie Les Halles . “Ik heb er geen spijt van dat ik ooit van ’s morgens tot ’s avonds met mijn handen in het vuile afwaswater gezeten heb. Als er zich in mijn restaurant een Mexicaanse bordenwasser en een jonge afgestudeerde van het CIA voor een job aanbieden, dan maakt de Mexicaan de meeste kans. De koksopleiding is fantastisch, maar als je het in dit vak wilt maken, dan moet je eerst ervaren hoe het er in de echte wereld toe gaat. Elke would-be chef zou zich eerst zes maanden als bordenwasser moeten uitsloven. Als hij het dan nog ziet zitten, dan lacht de toekomst hem toe.”

 

In Kitchen confidential schetst u geen fraai beeld van de restaurantwereld. U beschrijft uw collega’s als verslaafde gedegenereerden, dieven, sletten en psychopaten. Kijken andere koks u nu met de nek aan?

Bourdain: ,,Na de publicatie van Kitchen confidential heeft geen enkele andere chef me de huid vol gescholden. Ik sta, daar eerlijk gezegd, zelf van te kijken. (lacht)  Eind 2000 ben ik in opdracht van de zender Food Network op wereldreis vertrokken. Het resultaat was de televisieserie en het boek A cook’s tour , waarin ik op zoek ging naar ‘de perfecte maaltijd’. Veel van mijn overzeese collega’s kenden Kitchen confidential en mijn reputatie. Maar ik werd overal even hartelijk ontvangen, met overdadig veel wijn, uitgebreid eten, sigaren en cognac. Professionele chefs vonden weinig onthullingen in mijn boek. Wij, keukenprinsen, kennen onszelf. We weten dat we geen engelen zijn. We zijn geen respectabele leden van de gemeenschap; we leven en werken altijd op het scherp van de snee, en daardoor verschillen we fundamenteel van onze ‘brave’ klanten.

Deze business trekt mensen aan die hunkeren naar melodrama en sensatie. Het is dan ook normaal dat de meeste chefs na het werk vaak flink uit de bol gaan en zich te goed doen aan seks, drugs en rock-‘n-roll. Een fijn orgietje op zijn tijd kan geen kwaad.

 

Kitchen confidential is geen afrekening met de restaurantwereld. Het is een eerlijke beschrijving van hoe het er in die branche werkelijk toe gaat. De meeste chefs zijn het eens met de inhoud van mijn boek. De enige zure reacties kwamen van schrijvers en ‘literaire recensenten’ die vonden dat ik beter in mijn kookpotten was blijven roeren.”

 

Wat doet u het liefst, schrijven of koken?

,,Schrijven is veruit het gemakkelijkste. In mijn geval is het totaal onverwachts ook het lucratiefst gebleken. Ik sta nu dertig jaar in het vak, en ook al is koken een hondenstiel, toch geeft het me de meeste voldoening. Het is eerlijk, hard labeur. Schrijven voelt aan als iets vergankelijks, het gaat te moeiteloos, het geeft me het gevoel dat ik de boel belazer. Maar mijn boeken hebben me wel in staat gesteld om de wereld te zien. Ik heb andere chefs ontmoet en de meest waanzinnige, unieke ervaringen meegemaakt. Ik heb cobrahart, gestoofde vleermuis, halfgare leguaan en lamsballen gegeten. En dat waren de beste testikels die ik ooit in mijn mond gehad heb. (grijnst) Ik klaag dus niet.

Koken geeft echt wel meer bevrediging. In de restaurantwereld heerst camaraderie en trots. Maar ik geef toe, schrijven is een leuke bijverdienste. Ik schrijf graag, en ik breng daardoor jammer genoeg veel minder tijd in de keuken door dan vroeger. Koken zal altijd mijn eerste liefde blijven.”

 

U bent een beroemde kok en een gerespecteerd schrijver, een ,,ster”. Bent u blij met die positie?

,,Ik vertrouw het niet helemaal. Met het geld dat ik nu verdien, kan ik op tijd mijn huur betalen. Ik ben heel blij dat ik dankzij mijn status de wereld rond mag reizen. Andere koks en chefs beschouwen me als een soort van cultfiguur en willen daardoor met veel plezier nachtenlang met mij doorzakken. I love that! Of ik een kick krijg als volstrekte vreemden me op straat herkennen? Niet echt. Ooit houdt dit hele circus op en eindig ik zoals ik begonnen ben: met mijn handen in het afwaswater.

Beroemd zijn is vervelend. Misschien zijn chefs wel de minst aangewezen figuren om sterren te worden. Maar ik troost me met de gedachte dat koks als Antonio Carluccio, Jamie Oliver en ik de mensheid in contact hebben gebracht met goed eten.

Ik ben geen fan van Jamie Oliver, nee. Zijn televisieprogramma’s zijn fake . Ik heb hem ooit een uitslover, een oplichter en een bedrieger genoemd, maar hij heeft wel de verdienste dat hij de Britten enige eetcultuur bijgebracht heeft.”

 

Met de eetcultuur is het in de Verenigde Staten zo mogelijk nog poverder gesteld dan in Engeland. Wilt u later herinnerd worden als de chef die zijn volk leerde eten?

,,Correctie: ik ben geen Amerikaan, ik ben een New Yorker. New York is my home, man. Ik zou in geen enkele andere stad in dit land gedijen. Deze plaats is een oase, midden in de Amerikaanse puriteinse woestijn. Nu de neoconservatieven de macht overgenomen hebben, is het er niet beter op geworden. Wat ik van George W. Bush vind? Ik heb niet voor die kerel gestemd. Meer wil ik er niet over kwijt. De muren hebben oren, weet je. (lacht)

Ik maak er een erezaak van om in mijn restaurant goed eten te serveren voor een eerlijke prijs. Verder reiken mijn ambities niet. Maar het klopt dat grote delen van Amerika op culinair gebied onderontwikkeld zijn. Toch leeft niet elke Amerikaan op een dieet van hamburgers en cola. De laatste jaren schieten in alle staten de gesofisticeerde restaurants als paddenstoelen uit de grond. Momenteel werken er in dit land ongelooflijk veel briljante chefs, zowel autochtone als allochtone. Vooral in steden als New York, San Francisco, Los Angeles en Chicago vind je koks die niet onder hoeven te doen voor hun Europese collega’s. En dan heb je nog de talloze migrantengemeenschappen met hun eigen chefs, gewoonten, ingrediënten en markten.

Ik ben een sushi-fanaat. Je kunt nergens zo’n lekkere sushi eten als in New York. Je vindt hier Indische restaurants, Italiaanse trattorias , elke mogelijke en onmogelijke variant op de Zuid-Amerikaanse keuken, Aziatische tenten. Dagelijks komen er nieuwe bij. De interesse van mensen voor allerlei soorten voedsel van overal ter wereld, vindt haar oorsprong in New York. Dat fenomeen heeft zich van hieruit verplaatst naar Londen, Sydney, Melbourne en de rest van het westen.

Ken je Charlie Trotter of David Bouley? Nooit van gehoord? Zij zijn de Paul Bocuses, de Pierre Wynantsen van Amerika. Alleen hebben zij meer guts , meer lef. Hun gerechten zijn even verheven als die van hun Franse of Belgische evenknieën, maar zij durven net dat tikkeltje meer. ‘De Traditie’ ligt niet als een loden mantel om hun schouders. Ze zijn niet bang om af te wijken van de door Escoffier en consorten platgetreden paden.

Mijn vader is geboren in Frankrijk. Vlak na mijn geboorte immigreerden mijn ouders naar de Verenigde Staten. Als kind ben ik vaak bij de familie van mijn vader op bezoek geweest. Elke zomervakantie trokken we naar het Franse platteland. Toen ik als kleine jongen mijn eerste oester in de Gironde at, wist ik dat ik later kok zou worden. Ik ben niet de enige chef in New York met Franse roots : Vongerichten, Ripert, Ducasse houden de Gallische eer hoog. Net als ik zijn zij geen puristen. Ze laten zich beïnvloeden door andere eetculturen; daardoor zijn het stuk voor stuk echte Amerikaanse chefs.

De Amerikaanse keuken is een afspiegeling van het Amerikaanse volk: het is een mengelmoes, en dat maakt het eten en het leven hier juist zo boeiend. De Amerikaanse keuken bestaat eigenlijk niet, net zoals er geen Amerikaans volk bestaat. Oorspronkelijk komen wij allemaal van ergens anders. We brachten onze gewoonten en onze invloeden samen en we vermengden die in één grote ketel. Het merkwaardige is dat we ons verleden niet verloochend hebben. Kijk naar mij: ik ben geboren in Frankrijk en ik ben een Franse chef geworden. Misschien omdat ik niets anders kan.”

 

U schetst een lyrisch beeld van de Amerikaanse keuken, maar is Amerika niet het land bij uitstek waar voedsel en eten herleid zijn tot één gigantische industrie?

,,Fastfood is altijd het gevaarlijkste Amerikaanse exportproduct geweest. Ketens als McDonald’s beschouw ik als mijn persoonlijke vijanden. Niet omdat ik bang ben dat ze me uit de markt prijzen, maar omdat ze lijnrecht ingaan tegen het begrip eetcultuur .

 

Je kunt van de Fransen zeggen wat je wilt, maar ze weten hoe ze een fatsoenlijke maaltijd moeten bereiden. Ze komen in opstand tegen onze idiote hamburgerketens, terwijl de Amerikanen die rotzooi omarmen. Ik kan daar alleen maar plaatsvervangende schaamte voor voelen. In plaats van op te roepen tot een boycot van Franse producten, zouden de neocons beter de massa mobiliseren om geen Big Macs meer te consumeren.”

 

Waarom hebt u zo’n hartgrondige hekel aan vegetariërs?

,,Vegetariërs zijn elitaire angsthazen die de pest hebben aan andere mensen en culturen. Snobisme is de enige ware zonde. We leven in een grote, soms angstaanjagende, soms stinkende, maar altijd fantastische wereld, waar ontzettend veel voor het grijpen ligt. Ik weiger om daar ook maar één aspect van te missen in naam van een rigide, fundamentalistische filosofie. Het leven is te kort, ik wil alles proberen.

Onlangs was ik op bezoek bij een vriendelijke rijstboer in de Mekong-delta. Stel je voor dat ik zijn aanbod afgeslagen had om samen met hem kip te eten. Je gastheer beledigen doe je toch niet? Vegetariërs missen tact en inlevingsvermogen. Daar walg ik van.”

 

In uw thrillers keren altijd dezelfde thema’s terug: de maffia, beminnelijke criminelen en het restaurantleven. Zijn zij ook bepalend geweest in uw leven?

,,In het verleden zeker wel. Nu rest me alleen nog het restaurantleven. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw werden heel wat New Yorkse restaurants gecontroleerd door de Italiaanse maffia. Ik werkte toen in hun eethuizen en nachtclubs. Ik heb me nooit met hun zaakjes ingelaten en ik ben ook nooit getuige geweest van een moord. Maar ik werd wel omringd door pooiers, dealers, ritselaars en oplichters. Soms hoor ik echo’s van hun stemmen in mijn slaap. Ze zijn aan mijn ribben blijven plakken.

Bobby Gold, het hoofdpersonage uit mijn laatste thriller, is gebaseerd op een aantal louche figuren uit mijn verleden. Bobby heeft een tijd in de gevangenis gezeten, hij werkt als buitenwipper in een nachtclub van een maffioso en heeft een affaire met de vrouwelijke souschef. Ik hou van de sfeer van toen, net zoals ik er ook van hou om mijn thrillers te larderen met recepten en weetjes uit de keuken. Dat zal wel beroepsmisvorming zijn, zeker?

Voor de vorm waarin The Bobby Gold stories is gegoten, heb ik me laten inspireren door The Pat Hobby stories van F. Scott Fitzgerald. Het zijn aan elkaar gelinkte verhalen, met één centrale hoofdfiguur. Daar houdt de gelijkenis met Fitzgerald op. Ik geraak niet eens aan de tippen van zijn tenen. Ik bewonder hem, hij is een van de grootste Amerikaanse schrijvers. Maar ik wil me niet met hem vergelijken, dat zou onbescheiden zijn. Mijn stijl is meer geïnspireerd door het werk van Hunter Thompson, Elmore Leonard en Lester Bangs.”

 

Er was sprake van dat Kitchen confidential verfilmd zou worden met Brad Pitt in de rol van Anthony Bourdain. Hoe ver staat het met die plannen?

,,Die film komt er niet. De regisseur, David Fincher, is er niet in geslaagd het nodige geld bijeen te schrapen. Er zijn wel plannen voor een televisieserie, iets in de lijn van de maffiasoap The Sopranos . Ik probeer aan al die plannen niet te veel aandacht te schenken. Ik kook en ik schrijf boeken. En ik hou de wijze uitspraak van mijn vader in gedachten: ‘Verwacht het ergste, dan word je nooit teleurgesteld.’ ”

 

© Jan Stevens

 

Advertenties

André Glucksmann (19 juni 1937 – 10 november 2015)

Zaterdag 7 december 2002Voor de vooraanstaande Franse filosoof André Glucksmann zijn de misdaden die Vladimir Poetin in Tsjetsjenië heeft begaan, even erg als die van Milosevic in Bosnië en Kosovo. Hij aarzelt zelfs niet om Poetin op één lijn te zetten met Osama bin Laden. ,,Net als Bin Laden kent Poetin geen scrupules. Hij is de volmaakte nihilist.”

In zijn onlangs verschenen boek, Dostoïevski à Manhattan (uitgeverij Robert Laffont), markeert André Glucksmann de aanslagen van 11 september als het begin van een nieuw tijdperk: dat van de triomf van het absolute nihilisme. ,,In Demonen schreef Dostojevski over de gevaren van de ideologie van het nihilisme”, zegt Glucksmann. ,,Met de vernietiging van de WTC-torens is de fictie op de gruwelijkste manier werkelijkheid geworden.”

Glucksmann definieert nihilisme als het verwerpen van traditie en religie in naam van de moderniteit. ,,Paradoxaal genoeg wijzen absolute nihilisten tegelijkertijd de moderniteit af vanwege haar ‘betekenisloosheid’. Osama bin Laden beroept zich op God en op de koran, terwijl hij alleen maar geïnteresseerd is in de totale destructie. Goed en kwaad zijn voor hem niet langer van tel. Wat Poetin in Tsjetsjenië aanricht, is van dezelfde orde.”

Waarop baseert u zich om president Poetin en de terrorist Osama bin Laden over één kam te scheren? Poetin legitimeert de oorlog in Tsjetsjenië juist als een strijd tegen het terrorisme.

,,Poetin speelt met woorden, en vooral met het woord ‘terrorisme’. Democraten omschrijven terrorisme als een opzettelijke vorm van agressie tegen een weerloos persoon. Wie een oorlog tegen burgers voert, is bezig met een terroristische oorlog. En dat is precies waar het Russische leger zich aan bezondigt. De Tsjetsjeense gijzelnemers in het theater in Moskou waren evenzeer terroristen: ook zij hebben het leven van gewone mensen in gevaar gebracht.”

,,Vladimir Poetin is het niet eens met de democratische invulling van het begrip ‘terrorisme’. Een terrorist is volgens hem iemand die — hetzij met woorden, hetzij met daden — de Russische staat aanvalt. Hij steunt zich daarbij op het strafwetboek van zijn communistische voorgangers. Alexander Solzjenitsyn schrijft in De Goelag-archipel dat artikel 58 van het sovjetstrafwetboek verantwoordelijk was voor de deportatie van miljoenen Russen naar de strafkampen. In paragraaf 8 wordt haarfijn uitgelegd wat de notie ‘terroristische intentie’ inhoudt.”

,,Solzjenitsyn illustreert dat met een voorbeeld: stel dat je de minnaar van je vrouw doodschiet. Als die minnaar een gewone sterveling is, bega je een ‘gewone’ misdaad, waar geen buitensporige straf op staat. Als die minnaar lid is van de communistische partij, bega je een terroristische aanslag en mag je levenslang in een strafkamp gaan zwoegen. Poetin hanteert nog steeds dezelfde definitie van terrorisme. Het terrorisme waartegen de democratieën strijden is niet hetzelfde als het terrorisme waartegen Poetin strijdt.”

Solzjenitsyn steunt Poetin nochtans voluit in zijn oorlog tegen de Tsjetsjenen.

,,Ach, Solzjenitsyn is een Kozak, en er bestaat al eeuwenlang een enorme rivaliteit tussen de Kozakken en de Tsjetsjenen. Daarenboven is Vladimir Poetin een bijzonder slimme man. Jeltsin heeft Solzjenitsyn altijd misprezen. Poetin heeft hem bezocht en bewierookt. Poetin is een kameleon. Hij heeft niet voor niets zijn sporen verdiend in de Russische geheime dienst. Als hij Bush gaat opzoeken, gedraagt hij zich als een volmaakte liberaal en christen. Als hij bij Schröder op de koffie gaat, charmeert hij de Duitsers met zijn uitstekende kennis van de Duitse taal. Maar iedereen lijkt te vergeten dat hij die kennis opgedaan heeft als baas van de Stasi, de Oost-Duitse Gestapo. Als hij naar Noord-Korea gaat, transformeert hij in een stalinist, en als hij nucleaire centrales probeert te verkopen aan Iran of Irak, trekt hij weer een ander pak aan. Hij is de perfecte spion gebleven.”

,,Tijdens de Tweede Wereldoorlog hield het Rode Leger de traditie hoog om fikse geldsommen uit te delen aan soldaten die zich bijzonder onderscheiden hadden aan het front. Poetin heeft die oude traditie op 1 januari 2000 een nieuwe dimensie gegeven. Voor het oog van de camera’s gaf hij de Russische soldaten in Tsjetsjenië een cadeau. Het was trouwens voor het eerst dat hij op een officiële ceremonie begeleid werd door zijn vrouw. Ze droeg een schitterend roze mohairen ensemble. (lacht) Poetin gaf aan elke soldaat een jagersmes, bedoeld om wolven mee te doden. De wolf is het nationale symbool van de Tsjetsjenen. Poetins boodschap voor het nieuwe millennium aan zijn soldaten was duidelijk: jaag alle Tsjetsjenen over de kling.”

,,Ja, de man heeft veel capaciteiten: hij slaagt erin om in dezelfde week bloemen op het graf van Andropov én op het graf van Sacharov te leggen. KGB-baas Joeri Andropov heeft indertijd de dissident Andrei Sacharov verbannen. Poetin kent geen scrupules. Er bestaat geen beter voorbeeld van een volmaakte nihilist. En dat straalt af op de Russische troepen in Tsjetsjenië. In 2000 ben ik gedurende vijf weken in Tsjetsjenië geweest en heb ik dat nihilisme zelf kunnen ondervinden.”

Was u er illegaal?

,,Ja. In december ’99 werd ik door het persbureau Tass in Moskou uitgenodigd om deel te nemen aan een televisiedebat over de toestand in Tsjetsjenië. Tijdens de uitzending vroeg ik één minuut stilte voor de doden die het Russische leger op zijn geweten had. Ik ging overeind staan en de vertegenwoordiger van de Russische strijdkrachten, generaal Manilov, volgde mijn voorbeeld. Hij betoonde zijn eer aan de slachtoffers van zijn eigen leger. (lacht)”

,,Later vertelde hij aan al wie het horen wilde dat ik hem moreel onder druk had gezet. De eerstvolgende keer dat ik bij de Russische ambassade in Frankrijk een visum aanvroeg, kreeg ik nul op het rekest. Ik ben dan illegaal naar Tsjetsjenië getrokken. Het Tsjetsjeense verzet heeft me binnengesmokkeld. Ik heb er verschillende plaatsen bezocht, maar ik kan u niet vertellen waar ik geweest ben, want de FSB — de voormalige KGB — luistert mee.”

Ook hier in Parijs?

,,Zeker. De FSB is — net als God — overal. Wat niet wil zeggen dat ze me bedreigen. Ik ben een Frans staatsburger, ze kijken wel uit. Wat ik in Tsjetsjenië gezien heb, tart elke verbeelding. Het Russische leger heeft totaal geen ideologie, behalve die van het geld. Ze kopen en verkopen alles. Ik heb in Tsjetsjenië rondgereden in een auto van een FSB-kolonel. Het was het ideale vehikel om zonder problemen controleposten te passeren. Je kunt er, via bemiddeling van het verzet, auto’s en doorgangsbewijzen van de FSB ‘huren’.”

,,In ruil voor dollars spelen Russische soldaten en officieren chauffeur voor clandestiene passagiers zoals ik. Ze voeren leiders van het verzet rond, transporteren zwaargewonde verzetslui en verkopen wapens aan de guerrillero’s. De kolonel die me rondreed, droeg een armband waarin gegraveerd stond: Get what you want . Dat is meteen ook de essentie van de nihilistische filosofie van het hele Russische leger. Het is hun eigen interpretatie van de song ,,You can’t always get what you want” van de Rolling Stones. Hun zuiveringsacties in de dorpen doen ze trouwens terwijl er muziek van de Stones uit de luidsprekers van hun auto’s knalt.”

,,De oorlog heeft een groot Apocalypse now -gehalte, maar de Russen gaan nog veel cynischer te werk dan de Amerikanen in Vietnam. In de Kommandanturen kunnen Tsjetsjeense burgers hun gedode familieleden ‘kopen’. Er bestaat een tarievenlijst: zoveel dollars voor een kind, zoveel voor een vrouw, zoveel voor een man. Wie geen geld op tafel kan leggen, krijgt het lijk in stukken gesneden terug. Ik heb dat niet zelf gezien, nee. Ik ben om voor de hand liggende redenen niet in zo’n Kommandantur binnengestapt. Maar die verhalen worden bevestigd door Amnesty International, Human Rights Watch en de Russische mensenrechtenorganisatie Memorial.”

Het Tsjetsjeense verzet kun je toch ook bezwaarlijk een club van geciviliseerde democraten noemen? De groep rond de verkozen president, Aslan Maschadov, lijkt amper nog enige invloed te hebben: op het terrein zwaaien de warlords de plak.

,,De Tsjetsjenen leven in een soort van eeuwigdurende guerrilla. Daardoor weten ze niet hoe het is om in een echte staat te leven. Ze zijn verdeeld in clans die zichzelf controleren. Ze erkennen de autoriteit van een figuur als Maschadov niet, terwijl hij toch democratisch verkozen is. Door de oorlog heeft hij zijn greep op de rebellen helemaal verloren. Elke regio, elke clan, elke familie doet zijn eigen zin. Maar dat wil niet zeggen dat Maschadov machteloos is. Alle Tsjetsjenen erkennen dat hij onmisbaar is als het op vredesonderhandelingen met de Russen aankomt.”

,,In die clans zitten ongetwijfeld gangsters die zich tijdens de drie jaar durende ‘vrede’ tussen de eerste en de tweede Tsjetsjeense oorlog schuldig gemaakt hebben aan misdaden en terroristische aanslagen. Daarnaast zijn er kleine moslimfundamentalistische fracties die gefinancierd worden door Saoedi-Arabië. En dan zijn er ook nog legertjes van moslimfundamentalisten die betaald worden door de Russen zelf.”

,,Ik weet dat het Tsjetsjeense verzet vaak geassocieerd wordt met fanatici en extremisten. Ik heb hen leren kennen als liefhebbers van de vrijheid. De vrouwen spelen een belangrijke rol in dat verzet. Een paar weken geleden stond er een reportage in Le Figaro Magazine , gemaakt door een fotojournalist die een bataljon van het Russische leger volgde. De Russen hielden een auto met vijf jonge Tsjetsjeense mannen tegen. Ze sleurden de jongens eruit en zetten hen tegen de muur. Plots kwamen er tientallen gewapende en gemaskerde vrouwen te voorschijn. Ze schoten naar de Russen en bevrijdden de jonge Tsjetsjenen. De fotograaf beschreef hoe een van die vrouwen naar hem toe liep: ‘Ze had prachtige groene ogen en benen waar geen einde aan leek te komen.’ (lacht) Hij wou een foto van haar nemen, ze griste het toestel uit zijn handen en brak er zijn neus mee. Ondanks zijn gebroken neus was hij kapot van bewondering. (lacht) Nee, de Tsjetsjeense vrouwen lopen niet gehuld in een burqa.”

Romantiseert u het beeld van het Tsjetsjeense verzet niet? Tussen de twee oorlogen in begon het Maschadov-regime met de stapsgewijze invoering van de islamitische sharia.

,,De Tsjetsjeense sharia is een lokale variant van de moslimsharia. Die is niet dezelfde als de sharia die de ayatollahs in Iran ingevoerd hebben. Ik wil de Tsjetsjenen niet voorstellen als engelen. Maar je kunt er niet omheen dat ze een geest van vrijheid koesteren die er tot hiertoe voor gezorgd heeft dat de overgrote meerderheid niet moslimfundamentalistisch geworden is.”

,,Maar ik vrees voor de toekomst. Het is niet denkbeeldig dat Tsjetsjenië binnen afzienbare tijd in een Afghaans scenario terechtkomt. In de sovjettijd hebben de Russen gedurende tien jaar Afghanistan bezet. De Russische soldaten hebben toen niet alleen individuen omgebracht, ze hebben ook alle sociale en morele structuren vernietigd. Uit de ruïnes die ze achterlieten, zijn de ‘gekken van God’, de Taliban, opgestaan. Het resultaat is 11 september.”

,,In Tsjetsjenië is de vernietiging ongelooflijk groot en ik maak me zorgen over de nieuwe generatie Tsjetsjenen, de jongeren die nooit iets anders gekend hebben dan oorlog. De volwassen Tsjetsjenen hebben een tijdlang vreedzaam met de Russen samengeleefd. Ze kennen Rusland en haten de Russische burgers niet. Ze vechten tegen het leger en weten dat veel gewone Russen het niet eens zijn met de oorlog. Ze houden vast aan de Tsjetsjeense traditie dat een gewapende man alleen een andere gewapende man aanvalt. Tot hiertoe heeft het verzet min of meer verzaakt aan het attaqueren van burgers. Ze spuiten geen gifgas in de metro van Moskou of blazen geen bussen op. De aanslagen op de flatgebouwen in Moskou waren zo goed als zeker het werk van de FSB. Ik hoop dat de gijzeling in het theater geen voorbode is van meer terroristische acties.”

,,De kans dat veel jongeren zich ofwel laten manipuleren door de FSB, ofwel een carrière als gangster uitbouwen, ofwel moslimfundamentalist worden, groeit met de dag. Dat is een gevaar voor Rusland, maar ook voor Europa. De Russische nucleaire centrales zijn niet direct een toonbeeld van veilige en betrouwbare constructies. Als de een of andere Tsjetsjeense fanaat het in zijn hoofd haalt om er met een vliegtuig tegenaan te vliegen, kunnen we het allemaal schudden.”

U verwijt de Europese politici dat ze Poetin niet aan de onderhandelingstafel dwingen. Zijn ze bang voor de reactie van de Russen?

,,Blijkbaar wel. Ik begrijp die angst voor Poetin niet. Hij heeft nood aan ons geld en aan onze kredieten, hij weet dat Rusland pas binnen vijftien jaar de levensstandaard van Portugal zal bereiken — dat heeft hij overigens zelf geschreven. Rusland is niet langer de supermacht waar we bang voor moeten zijn, integendeel, het is verworden tot een ontwikkelingsland. Doordat we de Russen zonder enige eis tot stopzetting van de oorlog financieel blijven steunen, zijn we medeplichtig aan de ‘samenzwering van de stilte’. We bezondigen ons aan wat de Oostenrijkse schrijver Hermann Broch de ‘misdaad van de onverschilligheid’ noemde. Broch merkte in 1945 op dat de schuld van Europa voortkwam uit het feit dat de Europese democraten hun ogen sloten voor de gruweldaden van de nazi’s. Niemand kan over de oorlog in Tsjetsjenië zeggen: Ich habe es nicht gewusst. Het Holocaustmuseum in Washington — dat er niet van verdacht kan worden een moslimfundamentalistisch bolwerk te zijn of gefinancierd te worden door Bin Laden — noemt de oorlog in Tsjetsjenië Genocide War number One . We zijn geïnformeerd, we weten het en dragen bijgevolg allemaal verantwoordelijkheid. Niet alleen politici, maar ook journalisten, schrijvers, filosofen en gewone burgers. Poetin moet onder druk gezet worden. De bal ligt in ons kamp.”

© Jan Stevens

“Leven is altijd lastig”

In november vorig jaar vierde de Joods-Tsjechische concertpianiste Alice Herz-Sommer haar 108e verjaardag. Als klein meisje wandelde ze met Franz Kafka door Praag; in de jaren twintig beleefde ze concerttriomfen. Tot ze als jonge moeder gedeporteerd werd naar Theresienstadt. Ze verloor haar man in de Holocaust en haar enige zoon stierf tien jaar geleden. Toch klaagt ze niet. “Ik kan gerust sterven want ik heb mijn best gedaan.”

 

“Komt u voor Alice?” vraagt de man die een minuut geleden samen met mij door de voordeur van het appartementencomplex aan het statige Belsize in Noord-Londen naar binnen stapte. “U moet hard kloppen, want ze is een beetje doof.” Hij voegt de daad bij het woord, roffelt op de deur en roept: “Alice, een bezoeker voor je!”

De 108-jarige Alice Herz-Sommer zit aan een tafeltje in het midden van haar eenkamerflat, met haar ene hand op de knop van de automatische deuropener en haar andere aan de volumeknop van een kleine transistor. “Ik luister de hele dag naar muziek”, zegt ze. “Het maakt niet uit welke zender; als er maar geluid uit de radio komt. Muziek is mijn leven. Dat is altijd zo geweest.”

Binnenkort verschijnt De pianiste van Theresienstadt, waarin Alice Herz-Sommer met hulp van de Amerikaanse concertpianiste Caroline Stoessinger haar levensverhaal vertelt. Anno 2012 is Alice Herz-Sommer de laatste levende ziel op aarde die Franz Kafka persoonlijk gekend heeft. Tot op de dag van vandaag zakken professoren en studenten van overal ter wereld naar haar flatje in Londen af om haar te bevragen over het zielenleven van de beroemde schrijver. Maar haar statuut van ‘laatste levende vriendin van Kafka’ is niet het enige wat haar bijzonder maakt: in de twintiger jaren maakte ze naam als beloftevolle pianiste en beleefde ze in concertzalen de ene triomf na de andere. De Tweede Wereldoorlog maakte een einde aan haar carrière. In 1943 werd ze samen met haar man Leopold en hun zoontje Raphael op transport gezet naar Theresienstadt, ‘modelconcentratiekamp’ en doorvoerhaven naar vernietigingskampen als Auschwitz en Dachau. Leopold Sommer stierf in Dachau; Alice en Raphael overleefden de gruwel. In 1949 emigreerde Alice naar Israël en werd er hoofd van het conservatorium van Jeruzalem. Raphael Sommer werd een wereldberoemd cellist met Londen als uitvalsbasis. Op haar 84e verhuisde ook Alice naar Londen. In 2001 stierf haar zoon op 64-jarige leeftijd aan een hartaderbreuk. “Ik kijk elke dag naar dvd’s van zijn concerten”, zegt Alice. “Het is alsof de technologie de dood verslagen heeft. De beelden van een levende, concerterende Raphael maken me niet verdrietig. Integendeel, ze vervullen me met trots.”

 

Kafka

Alice Herz zag in 1903 als jongste van een tweeling in Praag het levenslicht. “Toen ik jong was, behoorde Praag nog tot het Habsburgse Oostenrijk”, zegt ze. “Er leefden toen meer dan een miljoen Tsjechen, Südetenduitsers en Joden in de stad. Dat was niet altijd even eenvoudig. Overal waar veel mensen samenleven, gaat het fout. Als je alleen leeft, is het lastig en als je met anderen samenleeft is het ook lastig. Ach, eigenlijk maakt het niet zoveel uit: leven is altijd lastig.”

Alice’ vader Friedrich Herz was fabrieksdirecteur en een workaholic; haar moeder Sofie Schulz was gepassioneerd door literatuur en speelde van ’s ochtends tot ’s avonds Bach op de piano. “Mijn vader had net als zijn vader lak aan religie. Mijn voorouders waren geen religieuze Joden en ik ben het ook nooit geweest. Ik ben een groot aanhanger van de filosoof Spinoza: Voor hem is alles god, zijn wij god. Goed en kwaad zijn god. Ja, ook het kwaad.”

Alice’ oudere zus Irma werd verliefd op de filosoof Felix Weltsch. “Ze trouwden in 1914 en via Weltsch leerden wij Franz Kafka kennen. Kafka was Felix’ beste vriend. Hij liep onze deur plat, maar ik vond hem niet echt een aangename man. Kafka was een pessimist. Volgens mij had dat te maken met zijn afkomst: zijn vader had een hekel aan religie, maar zijn moeder was ultragelovig en een echte kwezel. Als kleine jongen wist Kafka niet of hij nu naar moeder of vader moest luisteren: hij was daardoor helemaal in de war en twijfelde voortdurend. Samen met mijn zuster heb ik urenlang met hem door de straten van Praag gewandeld. Ik heb ook al zijn boeken gelezen, maar hij heeft geen enkel gevoel voor humor. Toen hij bij ons op bezoek kwam, kon er nooit een lach af. Mijn tweelingzus Mizzi was net als Kafka een afschuwelijke pessimist. Ze is jong (in 1974 – JS) gestorven. Ze zat gewoon te wachten op catastrofes. Soms kreeg ze gelijk en voltrok de catastrofe zich ook.” (lacht)

Alice Herz-Sommer zwijgt even en tilt met een trillende hand de koekjesschaal omhoog. “Neem een biscuitje. Weet u wie mijn favoriete schrijver is? Stefan Zweig. Hij is de allerbeste schrijver ter wereld. Hij heeft alles. Hij kwam ook bij ons over de vloer. In Die Welt von gestern schrijft Zweig over zijn wereldberoemde vrienden Rilke, Goethe en al die anderen. Prachtig. Buitengewoon. Wat zouden we doen zonder die grote mensen? Muzikanten, schilders, schrijvers, acteurs… Zij maken ons leven de moeite waard.”

 

Theresienstadt

Van jongsaf was Alice gefascineerd door de piano. “Ik had talent, maar dat is niet genoeg als je de top wil bereiken. Zonder discipline haal je het niet.” De jonge Alice studeerde ’s ochtends vier uur piano, gaf na de middag les en speelde ’s avonds concerten. In de twintiger jaren groeide haar naam en faam als concertpianiste.

In 1925 ontmoette ze de handelsvertegenwoordiger Leopold Sommer. Ze trouwden in het voorjaar van 1931 en zes jaar later werd hun zoontje Raphael geboren. “We waren gelukkig.” Aan dat geluk kwam abrupt een einde toen Hitlers troepen op 15 maart 1939 Praag binnentrokken. Leopold Sommer verloor zijn werk en Alice mocht niet langer pianoles geven aan niet-Joden. De Sommers zagen hoe steeds meer Joden gedeporteerd werden. Op 13 juli 1942 werd Alice’ moeder Sofie naar Theresienstadt gestuurd. “Dat was een afschuwelijke schok”, zegt ze. “Moeder was oud en ziek en had alleen een rugzak als bagage. Het afscheid van haar is het grootste dieptepunt uit mijn leven.” In oktober ’42 werd Sofie Schulz vermoord in het vernietigingskamp Treblinka. Op 5 juli 1943 werden Leopold, Alice en de vijfjarige Raphael op transport naar het getto van Theresienstadt gezet. “We hadden geen enkele keuze.”

Theresienstadt was oorspronkelijk een garnizoensstad. Alice Herz-Sommer: “Er stonden grote barakken waar ooit soldaten gelegerd waren. De oorspronkelijke bewoners moesten er weg toen het een getto werd. In die kleine plaats leefden normaal 9000 zielen, onder Hitler werden er tot 300.000 Joden samengebracht.”

Het getto werd bewaakt door de SS en de Tsjechische politie en was een tussenstation in de doorvoer van Joden naar de vernietigingskampen. Eind 1943 gaven de nazi’s aan een onderzoekscommissie van het Internationale Rode Kruis toestemming voor een bezoek aan de stad, om de wereld te laten zien dat de Joden goed behandeld werden. Maar eerst werd er schoon schip gehouden en werd de overbevolking opgelost door het aantal transporten naar Auschwitz op te drijven. De nazi’s bouwden nepwinkels, een café, een kleuterschool en een lagere school. De huizen werden met bloemen getooid. De delegatie van het Rode Kruis tuinde er met haar ogen wijd open in. De nazi’s gaven een aantal inwoners het bevel een propagandafilm te draaien – ‘De Führer schenkt de Joden een stad’. Naderhand werden alle medewerkers aan de film op transport naar Auschwitz gezet.

De interne gang van zaken in het getto werd geregeld door een Raad van Ouderen. De Joodse leiders organiseerden het werk, regelden de voedselverdeling en de huisvesting, organiseerden concerten en toneelopvoeringen en stelden zelf de lijsten voor de deportaties samen. Alice Herz-Sommer: “Twee jaar lang sliep ik met mijn zoon op een matras op de grond. Hij stelde moeilijke vragen: ‘Wat is oorlog? Waarom is het oorlog? Waarom hebben we niets te eten?’ We waren ontzettend bang, maar we konden dat niet aan hem laten zien. Hij voelde zijn moeder dichtbij en dat gaf hem veiligheid. Hij werd geselecteerd om mee te zingen in de kinderopera Brundibár. Daar was ik blij mee, want dat beurde hem op. We werden verplicht om concerten te spelen. De Freizeitgestaltung, de organisatie die dat regelde, gaf me opdracht om op zondag, woensdag en vrijdag in het gemeentehuis te spelen. In totaal speelde ik zo’n 700 concerten voor telkens 150 uitgeteerde mensen. Die concerten waren eten en drinken voor hen. Theresienstadt was propaganda voor Hitler, maar de muziek hield ons in leven. Ik vluchtte weg in het pianospelen – in oefenen en oefenen en oefenen. Ik had geen god nodig om Theresienstadt te overleven. De muziek heeft me er doorgesleurd. ’s Avonds speelde ik een concert en ik vond dat goddelijk. In Theresienstadt oefende ik de etudes van Chopin. Telkens opnieuw, tot ik ze perfect onder de knie had.”

In 1944 werden duizend mannen vanuit Theresienstadt naar de vernietigingskampen op transport gezet, waaronder Leopold Sommer. “Ik vermoed dat hij wist wat hem te wachten stond. Een dag voor hij naar Dachau gevoerd werd, zei hij: ‘Ga nooit mee als de Duitsers vrijwilligers zoeken. Doe alsof je het niet hoort als ze een oproep doen aan de achtergebleven vrouwen om hun mannen te vervoegen.’ Een week later werd er weer een transport georganiseerd onder het motto: ‘Kinderen en vrouwen volgen hun vaders en mannen’. Geen van hen heeft het overleefd. Ik was achtergebleven met Raphael. Leopold is gestorven in Dachau maar heeft onze levens gered.”

Na de bevrijding keerde Alice met haar zoon terug naar Praag. “Praag onder het communisme riep teveel associaties op met het nazisme.” Ze emigreerden in 1949 naar Israël. “Daar waren we echt vrij. Ik werd hoofd van het conservatorium van Jeruzalem en speelde er veel concerten met grote orkesten. Ik beleefde er de mooiste tijd van mijn leven. Alleen het Hebreeuws was lastig om te leren. Ik heb een jaar bijna niet geslapen: ik was voortdurend bezig met die taal. Maar het is me gelukt, want Hebreeuws zit heel logisch in elkaar, een beetje zoals Latijn. Het vervelendste is dat je van rechts naar links moet schrijven. Weet u wat het belangrijkste in het leven is? Dat je heel goed bent in iets. Je moet uitmunten en dan gaat alles vanzelf. En dat je een optimist bent. Er is goed en slecht in deze wereld. Ik heb de slechte dingen aan den lijve ondervonden en al heel vroeg besloten om alleen aandacht te besteden aan de goede. Je moet dankbaar zijn voor elke minuut, wat er ook gebeurt, waar je ook bent. Te veel mensen klagen en zeuren. Zolang je zonder pijn bent, moet je dankbaar zijn. Alleen wie pijn heeft, mag klagen.”

 

Raphael Sommer

Alice Herz-Sommers zoon Raphael bouwde in de tweede helft van de twintigste eeuw een indrukwekkende carrière uit als cellist. Alice volgde hem van Israël naar Londen. “Hij stierf op 13 november 2001 toen hij op tournee was. Mijn zoon speelde twee keer per week in een kwartet kamermuziek bij hem thuis. Dat was zo mooi. Theresienstadt was een afschuwelijke ervaring, maar ze heeft me heel dicht bij Raphael gebracht. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat speelde ik spelletjes met hem. Ik wou hem behoeden voor de horror en deed alsof ik net als hij vijf jaar oud was. De dag voor zijn dood gaf Raphael nog een mooi concert. Hij wist niet dat de volgende dag zijn laatste zou zijn. Hij heeft geen pijn gehad. Gisteren heeft mijn kleinzoon Ariel me naar het kerkhof gebracht waar mijn zoon begraven ligt. Het duurde even voor ik in de auto geraakte: eerst voorzichtig de ene voet, dan de andere. Ariel vond op het kerkhof een stoel voor mij en op weg naar huis luisterden we samen naar muziek. Dat was zo fijn.”

Als alles goed gaat, wordt Alice Herz-Sommer in het najaar 109. “Ik leef nu van dag tot dag”, zegt ze. “Ik heb geen plannen meer. Dat ik zo oud geworden ben, is puur toeval. Mijn hersenen werken niet meer zo goed: ik vergeet veel. Met het ouder worden lijkt het alsof ik meer en meer ‘achterstevoren’ ben gaan leven. Jonge mensen willen vooruit. Ik zit voortdurend te denken: ‘Hoe ging het ook alweer in die of die tijd? Hoe heette die of die ook weer?’ Vaak is het alsof ik terug op stap ben met mijn moeder; soms zelfs met mijn grootmoeder. Af en toe zit ik als meisje van vijf terug met grootmoeder aan de piano.”

Speelt Alice nu nog altijd piano? “Natuurlijk. Met acht vingers, want twee willen niet meer mee. Elke dag speel ik ’s morgens twee uur en ‘s avonds nog eens twee uur. Mijn dokter zegt: ‘Piano spelen is beter voor je hersenen dan 100 pillen slikken.’ (lacht) Zal ik een stukje voor u spelen?”

Ze staat op, neemt haar looprekje, schuifelt voorzichtig tot bij de piano en begint een etude van Chopin te spelen. Na de laatste noot klapt ze het klavier dicht en zegt: “Weet u, ik ben niet bang om te sterven. Sterven is een goede zaak. Echt waar. Ik heb in mijn leven veel mensen geholpen en dat geeft me nu een voldaan gevoel. Ik kan gerust sterven want ik heb mijn best gedaan.”

 

© Jan Stevens

 

Alice Herz-Sommer, Caroline Stoessinger, De pianiste van Theresienstadt, De Boekerij, 208 blz., 18,95 euro, ISBN: 978-90-225-6109-6, verschijnt op 5 maart.

Hitler, bibliofiel en boekverbrander

 In 2001 stond Timothy Ryback oog in oog met de restanten van de privébibliotheek van bibliofiel Adolf Hitler. Zeven jaar lang besnuffelde hij de boeken die ooit op het nachtkastje van de Führer gelegen hebben. Het resultaat is het fascinerende ‘Hitlers privébibliotheek’, waarin Ryback op zoek gaat naar de literaire (wan)smaak van één van de meest meedogenloze dictators van de twintigste eeuw.

 

Woensdag 10 mei 1933, Bebelplatz, Berlijn. In de striemende regen gooien duizenden dolgedraaide studenten in SA-uniform onder het goedkeurend oog van propagandaminister Joseph Goebbels 25.000 boeken in het nazistische vreugdevuur. Onder het scanderen van de ‘Feuerspruch’ “Tegen volksvreemde journalisten! Tegen joodse propaganda!” verdwijnt naast de boeken van onder anderen Sigmund Freud en Georg Bernhard, ook het verzameld werk van de joodse auteur en journalist Max Osborn in de vlammen.

Vrijdag 20 april 2001, Library of Congress, Washington. Toevallig op Adolf Hitlers 112e verjaardag staat de Amerikaanse historicus Timothy Ryback oog in oog met de restanten van diens privébibliotheek. Eén boek uit de stapel trekt Rybacks aandacht: een beduimeld exemplaar van Berühmte Kunststatten Berlin van de joodse auteur Max Osborn.

“In 1933 gaf de Führer het bevel om alle geschriften van Osborn te verbranden, maar van zijn eigen Osborn heeft hij nooit afstand kunnen nemen”, vertelt Ryback op een zomerse najaarsdag in zijn werk- en thuisbasis Parijs. “Berühmte Kunststatten Berlin was één van de eerste boeken die de Führer ooit gekocht heeft. Hij heeft zijn exemplaar nooit vernietigd, maar het zorgvuldig bewaard als een herinnering aan zijn tijd als onbeduidende korporaal aan het westfront in de Eerste Wereldoorlog.”

 

16.000 boeken

Bij leven en welzijn was Adolf Hitler niet alleen een fanatiek boekverbrander, maar ook een notoir bibliofiel. Op het toppunt van zijn macht was de Führer in het bezit van meer dan 16.000 boeken. Die zaten verspreid op drie locaties: zijn bibliotheek in Berlijn was de grootste, daarnaast had hij een privébibliotheek in zijn appartement in München en een grote collectie in zijn buitenhuis de Berghof op de Obersalzberg in Berchtesgaden. Hitlers belastingaangiften uit de jaren dertig geven een indicatie van zijn bibliomanie: het meeste geld gaf hij uit aan politieke reizen en aan personeelskosten voor zijn staf, maar op de derde plaats prijkte de aanschaf van boeken. De Amerikaanse journalist Frederick Oechsner ontmoette Hitler verschillende keren, en schreef in 1942 over diens boekencollectie: “De meeste van Hitlers boeken handelen over militaire zaken, met een nadruk op de veldslagen van Napoleon en biografieën van Pruisische potentaten. In zijn verzameling zit een boek over het Spaanse theater met pornografische prenten en foto’s, maar hij heeft geen aparte afdeling pornografie.”

Eerder bij toeval ontdekte Timothy Ryback dat een deel van Hitlers privécollectie de oorlog overleefd had, en bewaard werd in de Library of Congress. “Tijdens research voor een artikel voor de New Yorker kwam ik een overheidsdocument tegen dat suggereerde dat Adolf Hitlers manchetknopen in het Witte Huis terug te vinden zouden zijn. Ik kende een van de adviseurs van de toenmalige president Bill Clinton, belde hem en vroeg hem om eens rond te neuzen. Een tijd later stuurde hij me een fax: ‘Nee, geen manchetknopen, maar de bibliotheek van het parlement heeft wel Hitlers bibliotheek in haar bezit.’ Die wou ik met eigen ogen zien, want misschien kon Hitlers privécollectie meer inzicht brengen in het onontgonnen terrein van zijn persoonlijkheid. Ian Kershaw schreef niet voor niets in zijn vuistdikke biografie: ‘Eigenlijk weten we ontzettend weinig over de persoonlijkheid van Adolf Hitler.’ Er is dat gezegde: toon me iemands bibliotheek, en ik vertel je wat voor een man de eigenaar is. Dus dacht ik: misschien geeft Hitlers leesvoer mij meer inzicht in zijn psyche.”

De collectie in de Library of Congress bevat ongeveer 1200 titels, of 10% van de hele Hitlerbibliotheek. Ryback: “De boeken werden in de lente van 1945 door Amerikaanse soldaten gevonden in een zoutmijn in de buurt van Berchtesgaden, niet ver van Hitlers buitenhuis op de Obersalzberg. De boeken zaten verpakt in oude schnapskratten, waar het adres op stond van de Rijkskanselarij. Ze kwamen dus uit Berlijn, waren in die kisten gestopt, en vervolgens in de laatste maanden van de oorlog op transport gezet naar Berchtesgaden. Het was waarschijnlijk Hitler zelf die het bevel gaf om ze uit Berlijn te laten verdwijnen. Vermoedelijk wou hij dat zijn persoonlijke collectie de oorlog overleefde. In 1952 kwamen de boeken toe in de Library of Congress. Het overgrote deel van Hitlers collectie is door het Rode Leger in Berlijn in beslag genomen, en vervolgens verscheept naar Moskou. Ik heb lange tijd geprobeerd om er een deel van terug te vinden, maar ze zijn allemaal ‘verdwenen’.”

Onder Hitlerbiografen was het geen geheim dat de privébibliotheek van de Führer in het Library of Congress te vinden was, maar de meesten besteedden er geen aandacht aan. Ze hadden daar een goede reden voor: meer dan 90% van de boeken zijn presentexemplaren die Hitler van uitgeverijen gekregen had, of cadeautjes van fans – boeken die hij zo goed als zeker nooit ingekeken heeft. “Er zijn twee manieren om naar deze collectie te kijken”, repliceert Ryback. “De eerste is boudweg stellen: van de 1200 boeken die in Washington liggen, zijn de meeste waardeloos, dus schenken we er geen aandacht aan. De andere manier – mijn manier – is inzoomen op zijn échte privébibliotheek: de 150 boeken waarvan we zeker weten dat ze af en toe op Hitlers nachtkastje belandden, de boeken die hij las en om de een of andere reden koesterde. Sommige had hij al in zijn bezit toen hij als ordonnans tijdens de Eerste Wereldoorlog berichten ronddroeg aan het front in Frankrijk. Andere dateren van de laatste jaren van zijn leven, toen hij die afschuwelijke dictator geworden was die hele continenten terroriseerde. Het is toch fascinerend om tussen de 100 en 150 boeken te kunnen bestuderen die de Fürher himself gelezen heeft, en waar hij zijn eigen sporen – ezelsoren, aantekeningen, vingerafdrukken – in nagelaten heeft?”

 

Schoppenhauer

Timothy Ryback concentreerde zich voor zijn onderzoek op de boeken die Hitler gekregen had van mensen die de Führer persoonlijk gekend had. Ryback: “Het meest intrigerende boek was dat waarin een inscriptie stond van de nationaal-socialistische politicus en schrijver Dietrich Eckart, Hitlers belangrijkste mentor. Eckart schreef in het boek: ‘Aan mijn dierbare vriend, Adolf Hitler.’ Weinig mensen zouden Hitler als een ‘vriend’ beschouwen, laat staan een ‘dierbare’, maar Eckart was meer dan dat. Hij gaf het boek aan Hitler, twee jaar nadat ze elkaar hadden leren kennen. Het was in de herfst van 1921, en het was Eckarts meest bekende en meest succesvolle boek: Peer Gynt, een adaptatie voor toneel van Hendrik Ibsens klassieker. Eckarts toneelbewerking had in die tijd in Berlijn alleen al meer dan 600 opvoeringen gekend. Hitler kreeg het boek op een van de belangrijkste momenten uit zijn vroege carrière, toen hij pas lid geworden was van de NSDAP, en probeerde om de volledige controle over de partij te verwerven. Dietrich Eckart was Hitlers kingmaker. Hij leerde de toekomstige Führer hoe hij moest schrijven, en publiceerde diens eerste essays. Hij introduceerde Hitler in zijn bemiddelde, invloedrijke vriendenkring en stelde hem altijd voor met de woorden: ‘Deze man is de toekomst van Duitsland. Ooit zal de wereld over hem spreken.’ Eckart vocht zij aan zij met Hitler, waardoor zijn poulain en ‘beste vriend’ de absolute macht over de partij kon veroveren. Eckart was een rabiaat antisemiet, hij gaf het antisemitische weekblad Auf gut Deutsch uit, en was medefinancier van Hocheneichen Verlag, een uitgeverij die zich specialiseerde in antisemitische literatuur. Je kunt het belang van Eckart in de vorming van Hitler tot de tiran die hij geworden is, moeilijk onderschatten.”

Maar Eckart was niet de voornaamste bron voor Hitlers antisemitisme. Tot zijn grote ontsteltenis ontdekte Ryback dat de Führer de meeste inspiratie bij Amerikaanse schrijvers haalde. “Een van die auteurs is de legendarische autobouwer Henry Ford. Hij had bijdragen geleverd aan het boek The International Jew, the World’s Foremost Problem. Hitler had daar een Duitse editie van in zijn bezit. De Führer propageerde een lijst van boeken die elke goede Duitser zou moeten lezen. Fords boek stond met stip op nummer drie. In Mein Kampf vind je trouwens veel echo’s terug van wat Hitler bij Ford gelezen had. De officiële antisemitische nazipropaganda las hij dan weer niet. Bij veel van die nazistandaardwerken uit zijn bibliotheek zijn de pagina’s zelfs niet opengesneden.”

Het meest verrassende vond Ryback de overvloed aan boeken met een religieuze, astrologische, occulte, alchemistische en spirituele inslag. “Echo’s uit die boeken hoor je terug in de gesprekken die Hitler tussen 1941 en 1944 met zijn naaste medewerkers tijdens de lunch voerde. Die tafelgesprekken werden door zijn secretaris Martin Bormann vastgelegd en later gepubliceerd. Ik wou weten hoe belangrijk die occulte geschriften voor hem geweest zijn, dus ben ik de laatste overlevende naaste medewerkers van de Führer gaan opzoeken. De meest interessante ontmoeting had ik met wijlen Traudl Junge, zijn persoonlijke secretaresse. Zij lunchte met Adolf Hitler en Eva Braun net voor het koppel zich van het leven beroofde. De film Der Untergang is gebaseerd op Junges memoires. Vlak voor Junge in 2002 stierf, heb ik haar in München opgezocht. Ze zei: ‘Hitler sprak veel over occulte zaken. Hij was verslingerd aan dat soort boeken.’ Ik vroeg haar of hij ook in astrologie en alchemie geloofde. ‘We kunnen nooit weten wat iemand écht gelooft’, antwoordde ze.”

Volgens de mythe zeulde Hitler tijdens Wereldoorlog I aan het front Schopenhauers Die Welt als Wille und Vorstellung met zich mee. Op zijn leestafel in de Berghof prijkte een borstbeeld van de grote Duitse filosoof. Zat er een Schopenhauer of een Nietzsche in Hitlers privébibliotheek? Timothy Ryback: “Nee. Je hoort altijd vertellen dat de Führer zijn filosofische mosterd haalde bij Schopenhauer en Nietzsche. Als hij ze gelezen heeft, was dat alleszins zeer oppervlakkig. De man was geen grote intellectueel. De boeken waarvan ik zeker ben dat hij ze belangrijk vond, staan mijlenver van Schopenhauer vandaan. In zijn handgeschreven speeches van de vroege jaren twintig, spelde hij Schopenhauer trouwens consequent met twee p’s. Velen zien Hitler als de incarnatie van een diep, intens doordacht kwaad, en gaan op zoek naar de diepten, de fundamenten van die intense haat, van dat rabiaat antisemitisme. Maar aan de hand van mijn onderzoek naar welke boeken hij echt las, en welke boeken hij koesterde, is er maar een conclusie mogelijk: zijn kwaad was op zwakke fundamenten gebaseerd. Het was haat, rechtstreeks uit de goot.”

 

 

Vijf boeken die de Führer tot het einde koesterde

 

  1. Berühmte Kunststatten Berlin van Max Osborn. Hitler kocht Osborns architectuurgeschiedenis van Berlijn in november 1915 toen hij aan het front in Frankrijk diende. In de rechterbovenhoek van de binnenkaft krabbelde hij: “A.Hitler. Fournes 22 nov. 1915” Heel zijn diensttijd zat het boekje in de binnenzak van zijn overjas.
  2. Mein politisches Erwachen van Anton Drexler. Hitler kreeg het boekje in 1919 van Drexler zelf. Drexler beschrijft erin zijn transformatie van berooide joodse arbeider tot Duitse nationalist én antisemiet (!). “Toen ik het las, zag ik mijn eigen ontwikkeling tot leven komen”, zou Hitler later zeggen.
  3. Der internationale Jude van Henry Ford. De New York Times schreef in december 1922: “In Hitlers kantoor hangt boven zijn bureau een grote foto van Henry Ford. In de wachtkamer staat een tafel bezaaid met verschillenden vertalingen van het boek van Ford.”
  4. Die Toden leben! Een overzicht in tekst en beeld van paranormale verschijnselen uit 1922. Bij een foto van een statige Engelsman staat de tekst: “De geest van de Britse schrijver Charles Dickens die in 1871 stierf. Hij verscheen in 1873 en werd gefotografeerd.”
  5. Gesetz der Welt van Max Riedel uit 1939. Volgens Riedel had elke mens mogelijkheid om contact te krijgen met het bovennatuurlijke. Hitler was het daar volmondig mee eens, en plaatste ettelijke bewonderende uitroeptekens in de kantlijnen.

  © jan@janstevens.be

 

 

Juli Zeh

Met elk boek dat ze schrijft, wint de jonge Duitse schrijfster Juli Zeh aan intellectueel belang in eigen land, en ver daarbuiten. In haar nieuwe roman Vrije val onderzoekt ze de grenzen van tijd en ruimte, en gaat ze op zoek naar de betekenis van goed en kwaad. “We hebben geen religies of ideologieën nodig om te beseffen dat we elkaar het hoofd niet mogen inslaan. Want het alternatief is een onleefbare jungle.”

 

“Ik snak naar een sigaret”, zegt Juli Zeh (°1974) nadat ik haar in het Berlijnse café BilderBuch de hand gedrukt heb. “Ik wil er buiten eentje gaan paffen. Je vindt dat toch niet erg? Of ben je lid van de gezondheidsmaffia?” Ik pleit onschuldig, en we zoeken een plaatsje op het drukke, zonovergoten terras. “Ik erger me dood aan de regel- en controledrift van steeds meer moraalridders”, verontschuldigt de schrijfster zich, terwijl ze een shagje rolt. “Het is toch godgeklaagd dat je nergens meer ongestraft een sigaret mag opsteken? De mensheid rookt al meer dan duizend jaar, en nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, is die uiting van cultuur plots een halsmisdaad geworden. Als ze me voor een talkshow op tv vragen, eis ik dat ik tijdens het gesprek ostentatief sigaretten mag zitten roken. Dat is mijn kleine protest tegen die vergaande vorm van politieke correctheid.”

Juli Zeh is, ondanks haar afkeer voor betuttelende verboden, zelf juriste, met een specialisatie in volkenrecht. Sinds haar debuut Adler und Engel in 2001 gaat haar literaire succes in Duitsland steil bergop. Haar fel bejubelde tweede roman Spieltrieb uit 2004 (de Nederlandse vertaling Speeldrift dateert van 2006) betekende meteen ook haar internationale doorbraak. Op de pas door het gezaghebbende tijdschrift Cicero gepubliceerde ranking van invloedrijkste Duitse vrouwelijke denkers van 2008, springt Zeh gezwind van de 59e naar de 29e plaats.

 

Kant

In haar ambitieuze nieuwe filosofische misdaadroman Vrije val onderzoekt Juli Zeh het wezen van ‘zijn & tijd’. Het boek speelt zich af in Freiburg, gezapig universiteitsstadje aan de voet van het Zwarte Woud. De jeugdvrienden Oskar en Sebastian hebben het tot briljante en beroemde fysici geschopt. Oskar is vrijgezel gebleven, en zoekt al heel zijn leven naar de Theory of Everything: hij wil de kwantummechanica met de algemene relativiteitstheorie verbinden, en zo twee visies op het universum herleiden tot één allesomvattende formule. Sebastian is getrouwd met Maike; samen hebben ze een zoontje, Liam. Oskar gruwt van Sebastians opvattingen over het bestaan van ontelbaar veel, gelijktijdige werelden. Sebastian is een aanhanger van de multiversumtheorie van Everett. Hij gelooft dat de tijd geen doorlopende lijn is, maar een gigantische stapel parallelle universums, met als consequentie dat we in de ene wereld een crimineel kunnen zijn, en in de andere Moeder Theresa.

Op een zondag wordt Liam ontvoerd. De kidnappers eisen van Sebastian een moord: “Dobbelting moet weg.” Dobbelting is anesthesist in het universiteitsziekenhuis, en een vriend van Sebastians vrouw Maike, met wie zij wel zeer vaak gaat fietsen. Sebastian doet wat hem gevraagd wordt en ruimt Dobbelting uit de weg, maar Liam wordt niet vrijgelaten. Ten einde raad gaat Sebastian naar de politie. Hij geeft de ontvoering aan, maar verzwijgt de moord. Riet, een onorthodox werkende politiecommissaris met een zwak voor de filosoof Kant, wordt belast met de moord en de ontvoering. Riet heeft een hersentumor; hij heeft nog maar een paar weken te leven. Alvorens het licht definitief uitgaat, is hij vastbesloten om de twee zaken tot een goed einde te brengen.

 

Mensen zijn zo geprogrammeerd dat ze altijd hun zaken willen afhandelen”, zegt Juli Zeh. “Waarschijnlijk is dat onze enige manier om te kunnen overleven in een wereld die totaal onverschillig tegenover ons staat. De ene dag dwaal je door de straten van Berlijn, de volgende dag ben je verdwenen… wie maalt er om? Voor wie niet in god gelooft, is het leven zinloos. Als verzet tegen die zinloosheid proberen we de dingen compleet te maken. Als schrijver doe ik dat de hele tijd. Ik vertel verhalen die ik op de een of andere manier moet afmaken. Tijdens het schrijven van een roman worden de karakters die ik verzonnen heb voor mij levensecht. Op het einde van een boek moet ik hen noodgedwongen telkens weer vermoorden. Als ik terminaal ziek zou zijn, zou mijn enige doel nog zijn om een laatste boek af te werken voor ik voorgoed mijn ogen sluit.”

 

Waarom hebt u Vrije val in Freiburg gesitueerd? Omdat het de stad is waar Martin Heidegger leefde en werkte?

Juli Zeh: “Toch niet. Voor het verhaal had ik nood aan een stad vlakbij gebergte, en aan de traditie om te gaan fietsen. Iedereen in Freiburg brengt zijn vrije tijd op een blitse fiets door. En ik had een universiteit nodig met een instituut gespecialiseerd in fysica. Maar de belangrijkste reden om Freiburg te kiezen, is dat ik de draak wou steken met het politiek correcte karakter van de stad. Freiburg staat symbool voor ‘een wereld zonder problemen’, een idyllisch oord waar de inwoners zogezegd een zorgeloos bestaan leiden. Het is een stad die ecologie hoog in het vaandel voert, en die graag uitpakt met de fabel dat er alleen ‘goede mensen’ leven. Maar de inwoners van Freiburg zijn hypocrieten. Ze beschouwen zichzelf als gelukkig en goed, en wie dat spel weigert mee te spelen, wordt verstoten. Ik vond die mentaliteit de perfecte achtergrond voor mijn kleine familie. In het begin zijn ze allemaal slank, lang, blond en intelligent en op het einde zijn ze wrakken.”

 

U hebt de stad dus niet gekozen om filosofische redenen?

“Nee. Dan had ik Königsberg, de stad van Immanuël Kant, genomen. Commissaris Riet deelt de ideeën van Kant. Hij ziet de realiteit niet als een objectieve waarheid, maar hij gelooft dat de redeneringen die achter de waarneming zitten, een subjectieve realiteit creëren. Dat was een van de uitgangspunten van Kant. Alle hedendaagse kwantumfysici werken op een of andere manier rond die stelling. Ik ben geen expert in de kwantumfysica, en ik heb hard moeten zwoegen om er de basis van te snappen, maar ik vond het heel frappant om te ontdekken dat moderne wetenschappers tot vaststellingen komen waar een filosoof driehonderd jaar geleden al een theorie over ontwikkeld heeft. Toen ik Kant voor het eerst las, had ik het gevoel dat die kerel woorden gevonden had om dingen te beschrijven die ik altijd al gedacht of gevoeld had, maar die ik zelf niet kon beschrijven. De geschriften van Kant waren een echte aha-erlebnis.”

 

Oskar vs. Sebastian

Uw hoofdpersonages Sebastian en Oskar gedragen zich in hun studententijd als dandy’s en superieure snobs. Ze lopen op de faculteit natuurkunde rond in jacquet, gestreepte pantalon en zilveren stropdas. U bent een liefhebber van de geschriften van Oscar Wilde?

“Net als Wilde hou ik van karakters die neigen naar het extreme, die kicken op het overschrijden van grenzen. Voor mij is schrijven altijd een exploratie van het extreme. Als auteur kan ik heel ver gaan in het fantaseren over buitensporig gedrag, zonder dat ik me in de werkelijkheid daar zelf aan hoef te bezondigen. Mijn personages zijn broertjes en zusjes van mezelf, maar dan in overdrive. Ik vind het fantastisch om hen als goden of duivels te laten handelen. Ik hou van Oscar Wilde. Mijn hoofdfiguur Oskar heet niet voor niets Oskar. En er hangt niet voor niets homo-erotische spanning tussen Oskar en Sebastian.”

 

Als natuurkundigen hebben Oskar en Sebastian tegengestelde visies op hoe de wereld ineen zit. Sebastian is een aanhanger van de multiversumtheorie, Oskar is op zoek naar de ultieme formule die de kwantummechanica verbindt met de relativiteitstheorie. Voor wie gaat uw sympathie uit?

“Voor geen van beiden. Ik voel me het meest verbonden met commissaris Riet. Sebastian en Oskar verdedigen extreme theorieën waar ik me helemaal niet in kan vinden. Ik vind de multiversumtheorie interessant, maar niet relevant. En de ideeën van Oskar gaan mijn petje te boven. Ik heb echt geprobeerd om ze te begrijpen, maar eerlijk gezegd krijg ik kop noch staart aan wat de natuurkundigen voor wie Oskar model staat, proberen te bewijzen. Ik kan onmogelijk sympathie voelen voor theorieën waar ik niets van snap. Ik heb het geprobeerd, maar ik vrees dat je er eerst een jaar of twintig voor moet studeren.”

“Experimenten van kwantumfysici leveren resultaten op die niet stroken met onze gangbare natuurkundige opvattingen. Dus vormt de kwantummechanica een dankbare voedingsbodem voor maffe theorieën van new agers. Het bizarre is dat ook sommige natuurkundigen – wetenschappers! – esoterische theorieën ontwikkelen om experimenten uit de kwantumfysica te verklaren. De in de jaren vijftig van de twintigste eeuw door fysicus Hugh Everett ontwikkelde multiversumtheorie is daar een mooi voorbeeld van. Anno 2008 heeft Everett nog heel wat fans. Ik ben meermaals van mijn stoel gevallen tijdens het lezen van interviews met natuurkundigen die na decennia van zware academische studies knotsgekke theorieën zoals die van de vele werelden blijven verdedigen. Ik durf niet zomaar te stellen dat het allemaal flauwekul is, want op dit moment staan de natuurwetenschappen echt wel op een keerpunt. Je kunt deze tijd gerust vergelijken met de periode waarin Copernicus kwam aandraven met zijn stelling dat de aarde rond is. De aanhangers van zijn theorie werden met de vinger gewezen en vervolgd. Misschien zal ooit blijken dat de multiversumtheorie niet zo geschift is, al heb ik mijn twijfels.”

 

Sebastian is licht, blond, heeft blauwe ogen. Oskar is een donkere figuur– ergens in het boek wordt hij Mefisto genoemd. Ze vertegenwoordigen de strijd tussen goed en kwaad?

“Ja. Doordat we allen sterfelijk zijn, is moraliteit erg belangrijk. Als we het eeuwigdurend leven zouden hebben, speelden vragen over goed of kwaad geen enkele rol. Moraal is alleen overbodig voor wie altijd opnieuw van nul kan herbeginnen. Sebastian probeert met behulp van zijn multiversumtheorie te ontsnappen aan zijn morele plicht. Want als het klopt dat er vele parallelle werelden zijn, beschik je als mens over oneindige mogelijkheden en zit je niet langer gevangen in de grenzen van het reële leven. Ons leven wordt langs alle kanten ingeperkt door grenzen, en Sebastian probeert ze te overschrijden. Op het einde vecht hij niet alleen meer tegen het idee dat er maar één wereld is, maar levert hij strijd tegen zijn eigen sterfelijkheid. Hij wil niet dood. Hij wil zichzelf oneindig herhalen.”

 

Hij wil Dorian Gray worden.

“Precies. Op het einde van mijn boek moeten alle personages onder ogen zien dat ze over het oneindige leven kunnen dromen en fantaseren, maar dat al die theorieën hen in het echte leven geen centimeter vooruit helpen. Elke mens moet leren omgaan met zijn fysieke begrenzingen. Voorlopig is nog niemand erin geslaagd om die te doorbreken.”

 

Moorden uit liefde

Na de kidnapping van zijn zoon voert Sebastian zonder blikken of blozen het bevel uit om Dobbelting uit de weg te ruimen. Stapt een verstandig mens niet gewoon naar de politie?

“Zou jij dat doen als je kind in handen van ontvoerders is? Ik ben er niet zo zeker van of ik naar de politie zou stappen.”

 

U had hetzelfde gedaan als Sebastian?

“Zonder twijfel. Iedereen zou dat doen. Waar komen de oorlogen in onze wereld anders vandaan? Mensen zijn bereid om te doden voor de dingen waar ze van houden. Ik heb in Bosnië rondgereisd en heb er met mensen gesproken die rechtstreeks betrokken waren in de oorlog. Als ik hen vroeg: ‘Waarom?’, antwoordden ze: ‘We verdedigden onze families.’”

 

Oorlogen en moorden zijn een gevolg van liefde?

“Misschien wel, al gaat het vaak om een vorm van misleide liefde. Wij zijn ervan overtuigd dat liefde voor een kind altijd goed is. In vroeger tijden dachten mensen dat liefde voor het vaderland oké was. ‘Je moet van je land houden zoals je van je kind houdt.’ Als je daarmee opgevoed bent, trek je al zingend naar het slagveld om je land te gaan verdedigen.”

“Ik heb een tijdje als jonge advocate in een gevangenis vol moordenaars gewerkt. In het Duitse systeem worden alle gearresteerde moordenaars door psychologen en psychiaters behandeld. Onze samenleving stelt: ‘Wie doodt, is ziek.’ Tijdens gesprekken met moordenaars had ik vaak het gevoel dat ik tegen hun psychiaters zat te kletsen. Als ik ze naar hun misdaden vroeg, antwoordden ze met zinnen en fraseringen die hun zielenknijpers hen voorgekauwd hadden. Ik heb toen vooral geleerd dat een mens doden een fluitje van een cent is. En je hebt heel wat psychologische onzin nodig om dat keiharde, naakte feit te verbloemen en verdoezelen. De psychologie gaf hen alibi’s, terwijl ze in feite moordden omdat het zo makkelijk was. Ze zaten in een lastig parket, en een moord leek de simpelste oplossing.”

“Over de manier waarop Sebastian zijn moord pleegt, heb ik lang en diep nagedacht. Ik stelde mezelf de vraag: ‘Hoe zou ik het doen?’ Als je geen professionele moordenaar bent, is het belangrijk dat je geen lichamelijk contact hebt met je slachtoffer. Tijdens de moord ziet Sebastian Dobbelting niet, hij hoort hem alleen. Vlak na de moord durft hij niet naar het lijk te gaan kijken. Dat is zijn grootste vergissing: als je als moordenaar jezelf niet met je daad confronteert, moet je de rest van je leven vechten met de vraag: ‘Was het echt of niet? Is mijn slachtoffer dood of levend?’ En dan riskeer je om krankzinnig te worden.”

“Ik praat nu wel heel losjes over moorden, maar begrijp me niet verkeerd: het is goed dat we ons best doen om onze medemensen niet om zeep te helpen. Daarom ook hebben we moraliteit nodig. We hebben geen religie of gecompliceerde theorieën nodig om te verklaren waar moraliteit vandaan komt. Moraliteit is een vorm van pragmatisme. Zonder moraliteit leven we in een jungle. Om het samenleven zo aangenaam mogelijk te maken, hebben we afgesproken dat we geen klappen uitdelen aan elkaar. Dat pragmatisme dateert al van heel lang geleden – van toen we uit onze bomen kropen en rechtop begonnen lopen. Religies en ideologieën misbruikten moraliteit om macht uit te oefenen. Nu de grote theorieën in het Westen op apegapen liggen, is moraliteit herleid tot zijn ware proporties. Het is juist dat we met die ‘naakte’ moraliteit nog niet voldoende ervaring opgedaan hebben, en dat we niet goed weten hoe ze precies werkt. Maar ik put hoop uit het feit dat we hier in Berlijn na de val van de Muur ons niet plots als wolven voor elkaar zijn beginnen gedragen.”

 

© jan@janstevens.be