Hitler, bibliofiel en boekverbrander

 In 2001 stond Timothy Ryback oog in oog met de restanten van de privébibliotheek van bibliofiel Adolf Hitler. Zeven jaar lang besnuffelde hij de boeken die ooit op het nachtkastje van de Führer gelegen hebben. Het resultaat is het fascinerende ‘Hitlers privébibliotheek’, waarin Ryback op zoek gaat naar de literaire (wan)smaak van één van de meest meedogenloze dictators van de twintigste eeuw.

 

Woensdag 10 mei 1933, Bebelplatz, Berlijn. In de striemende regen gooien duizenden dolgedraaide studenten in SA-uniform onder het goedkeurend oog van propagandaminister Joseph Goebbels 25.000 boeken in het nazistische vreugdevuur. Onder het scanderen van de ‘Feuerspruch’ “Tegen volksvreemde journalisten! Tegen joodse propaganda!” verdwijnt naast de boeken van onder anderen Sigmund Freud en Georg Bernhard, ook het verzameld werk van de joodse auteur en journalist Max Osborn in de vlammen.

Vrijdag 20 april 2001, Library of Congress, Washington. Toevallig op Adolf Hitlers 112e verjaardag staat de Amerikaanse historicus Timothy Ryback oog in oog met de restanten van diens privébibliotheek. Eén boek uit de stapel trekt Rybacks aandacht: een beduimeld exemplaar van Berühmte Kunststatten Berlin van de joodse auteur Max Osborn.

“In 1933 gaf de Führer het bevel om alle geschriften van Osborn te verbranden, maar van zijn eigen Osborn heeft hij nooit afstand kunnen nemen”, vertelt Ryback op een zomerse najaarsdag in zijn werk- en thuisbasis Parijs. “Berühmte Kunststatten Berlin was één van de eerste boeken die de Führer ooit gekocht heeft. Hij heeft zijn exemplaar nooit vernietigd, maar het zorgvuldig bewaard als een herinnering aan zijn tijd als onbeduidende korporaal aan het westfront in de Eerste Wereldoorlog.”

 

16.000 boeken

Bij leven en welzijn was Adolf Hitler niet alleen een fanatiek boekverbrander, maar ook een notoir bibliofiel. Op het toppunt van zijn macht was de Führer in het bezit van meer dan 16.000 boeken. Die zaten verspreid op drie locaties: zijn bibliotheek in Berlijn was de grootste, daarnaast had hij een privébibliotheek in zijn appartement in München en een grote collectie in zijn buitenhuis de Berghof op de Obersalzberg in Berchtesgaden. Hitlers belastingaangiften uit de jaren dertig geven een indicatie van zijn bibliomanie: het meeste geld gaf hij uit aan politieke reizen en aan personeelskosten voor zijn staf, maar op de derde plaats prijkte de aanschaf van boeken. De Amerikaanse journalist Frederick Oechsner ontmoette Hitler verschillende keren, en schreef in 1942 over diens boekencollectie: “De meeste van Hitlers boeken handelen over militaire zaken, met een nadruk op de veldslagen van Napoleon en biografieën van Pruisische potentaten. In zijn verzameling zit een boek over het Spaanse theater met pornografische prenten en foto’s, maar hij heeft geen aparte afdeling pornografie.”

Eerder bij toeval ontdekte Timothy Ryback dat een deel van Hitlers privécollectie de oorlog overleefd had, en bewaard werd in de Library of Congress. “Tijdens research voor een artikel voor de New Yorker kwam ik een overheidsdocument tegen dat suggereerde dat Adolf Hitlers manchetknopen in het Witte Huis terug te vinden zouden zijn. Ik kende een van de adviseurs van de toenmalige president Bill Clinton, belde hem en vroeg hem om eens rond te neuzen. Een tijd later stuurde hij me een fax: ‘Nee, geen manchetknopen, maar de bibliotheek van het parlement heeft wel Hitlers bibliotheek in haar bezit.’ Die wou ik met eigen ogen zien, want misschien kon Hitlers privécollectie meer inzicht brengen in het onontgonnen terrein van zijn persoonlijkheid. Ian Kershaw schreef niet voor niets in zijn vuistdikke biografie: ‘Eigenlijk weten we ontzettend weinig over de persoonlijkheid van Adolf Hitler.’ Er is dat gezegde: toon me iemands bibliotheek, en ik vertel je wat voor een man de eigenaar is. Dus dacht ik: misschien geeft Hitlers leesvoer mij meer inzicht in zijn psyche.”

De collectie in de Library of Congress bevat ongeveer 1200 titels, of 10% van de hele Hitlerbibliotheek. Ryback: “De boeken werden in de lente van 1945 door Amerikaanse soldaten gevonden in een zoutmijn in de buurt van Berchtesgaden, niet ver van Hitlers buitenhuis op de Obersalzberg. De boeken zaten verpakt in oude schnapskratten, waar het adres op stond van de Rijkskanselarij. Ze kwamen dus uit Berlijn, waren in die kisten gestopt, en vervolgens in de laatste maanden van de oorlog op transport gezet naar Berchtesgaden. Het was waarschijnlijk Hitler zelf die het bevel gaf om ze uit Berlijn te laten verdwijnen. Vermoedelijk wou hij dat zijn persoonlijke collectie de oorlog overleefde. In 1952 kwamen de boeken toe in de Library of Congress. Het overgrote deel van Hitlers collectie is door het Rode Leger in Berlijn in beslag genomen, en vervolgens verscheept naar Moskou. Ik heb lange tijd geprobeerd om er een deel van terug te vinden, maar ze zijn allemaal ‘verdwenen’.”

Onder Hitlerbiografen was het geen geheim dat de privébibliotheek van de Führer in het Library of Congress te vinden was, maar de meesten besteedden er geen aandacht aan. Ze hadden daar een goede reden voor: meer dan 90% van de boeken zijn presentexemplaren die Hitler van uitgeverijen gekregen had, of cadeautjes van fans – boeken die hij zo goed als zeker nooit ingekeken heeft. “Er zijn twee manieren om naar deze collectie te kijken”, repliceert Ryback. “De eerste is boudweg stellen: van de 1200 boeken die in Washington liggen, zijn de meeste waardeloos, dus schenken we er geen aandacht aan. De andere manier – mijn manier – is inzoomen op zijn échte privébibliotheek: de 150 boeken waarvan we zeker weten dat ze af en toe op Hitlers nachtkastje belandden, de boeken die hij las en om de een of andere reden koesterde. Sommige had hij al in zijn bezit toen hij als ordonnans tijdens de Eerste Wereldoorlog berichten ronddroeg aan het front in Frankrijk. Andere dateren van de laatste jaren van zijn leven, toen hij die afschuwelijke dictator geworden was die hele continenten terroriseerde. Het is toch fascinerend om tussen de 100 en 150 boeken te kunnen bestuderen die de Fürher himself gelezen heeft, en waar hij zijn eigen sporen – ezelsoren, aantekeningen, vingerafdrukken – in nagelaten heeft?”

 

Schoppenhauer

Timothy Ryback concentreerde zich voor zijn onderzoek op de boeken die Hitler gekregen had van mensen die de Führer persoonlijk gekend had. Ryback: “Het meest intrigerende boek was dat waarin een inscriptie stond van de nationaal-socialistische politicus en schrijver Dietrich Eckart, Hitlers belangrijkste mentor. Eckart schreef in het boek: ‘Aan mijn dierbare vriend, Adolf Hitler.’ Weinig mensen zouden Hitler als een ‘vriend’ beschouwen, laat staan een ‘dierbare’, maar Eckart was meer dan dat. Hij gaf het boek aan Hitler, twee jaar nadat ze elkaar hadden leren kennen. Het was in de herfst van 1921, en het was Eckarts meest bekende en meest succesvolle boek: Peer Gynt, een adaptatie voor toneel van Hendrik Ibsens klassieker. Eckarts toneelbewerking had in die tijd in Berlijn alleen al meer dan 600 opvoeringen gekend. Hitler kreeg het boek op een van de belangrijkste momenten uit zijn vroege carrière, toen hij pas lid geworden was van de NSDAP, en probeerde om de volledige controle over de partij te verwerven. Dietrich Eckart was Hitlers kingmaker. Hij leerde de toekomstige Führer hoe hij moest schrijven, en publiceerde diens eerste essays. Hij introduceerde Hitler in zijn bemiddelde, invloedrijke vriendenkring en stelde hem altijd voor met de woorden: ‘Deze man is de toekomst van Duitsland. Ooit zal de wereld over hem spreken.’ Eckart vocht zij aan zij met Hitler, waardoor zijn poulain en ‘beste vriend’ de absolute macht over de partij kon veroveren. Eckart was een rabiaat antisemiet, hij gaf het antisemitische weekblad Auf gut Deutsch uit, en was medefinancier van Hocheneichen Verlag, een uitgeverij die zich specialiseerde in antisemitische literatuur. Je kunt het belang van Eckart in de vorming van Hitler tot de tiran die hij geworden is, moeilijk onderschatten.”

Maar Eckart was niet de voornaamste bron voor Hitlers antisemitisme. Tot zijn grote ontsteltenis ontdekte Ryback dat de Führer de meeste inspiratie bij Amerikaanse schrijvers haalde. “Een van die auteurs is de legendarische autobouwer Henry Ford. Hij had bijdragen geleverd aan het boek The International Jew, the World’s Foremost Problem. Hitler had daar een Duitse editie van in zijn bezit. De Führer propageerde een lijst van boeken die elke goede Duitser zou moeten lezen. Fords boek stond met stip op nummer drie. In Mein Kampf vind je trouwens veel echo’s terug van wat Hitler bij Ford gelezen had. De officiële antisemitische nazipropaganda las hij dan weer niet. Bij veel van die nazistandaardwerken uit zijn bibliotheek zijn de pagina’s zelfs niet opengesneden.”

Het meest verrassende vond Ryback de overvloed aan boeken met een religieuze, astrologische, occulte, alchemistische en spirituele inslag. “Echo’s uit die boeken hoor je terug in de gesprekken die Hitler tussen 1941 en 1944 met zijn naaste medewerkers tijdens de lunch voerde. Die tafelgesprekken werden door zijn secretaris Martin Bormann vastgelegd en later gepubliceerd. Ik wou weten hoe belangrijk die occulte geschriften voor hem geweest zijn, dus ben ik de laatste overlevende naaste medewerkers van de Führer gaan opzoeken. De meest interessante ontmoeting had ik met wijlen Traudl Junge, zijn persoonlijke secretaresse. Zij lunchte met Adolf Hitler en Eva Braun net voor het koppel zich van het leven beroofde. De film Der Untergang is gebaseerd op Junges memoires. Vlak voor Junge in 2002 stierf, heb ik haar in München opgezocht. Ze zei: ‘Hitler sprak veel over occulte zaken. Hij was verslingerd aan dat soort boeken.’ Ik vroeg haar of hij ook in astrologie en alchemie geloofde. ‘We kunnen nooit weten wat iemand écht gelooft’, antwoordde ze.”

Volgens de mythe zeulde Hitler tijdens Wereldoorlog I aan het front Schopenhauers Die Welt als Wille und Vorstellung met zich mee. Op zijn leestafel in de Berghof prijkte een borstbeeld van de grote Duitse filosoof. Zat er een Schopenhauer of een Nietzsche in Hitlers privébibliotheek? Timothy Ryback: “Nee. Je hoort altijd vertellen dat de Führer zijn filosofische mosterd haalde bij Schopenhauer en Nietzsche. Als hij ze gelezen heeft, was dat alleszins zeer oppervlakkig. De man was geen grote intellectueel. De boeken waarvan ik zeker ben dat hij ze belangrijk vond, staan mijlenver van Schopenhauer vandaan. In zijn handgeschreven speeches van de vroege jaren twintig, spelde hij Schopenhauer trouwens consequent met twee p’s. Velen zien Hitler als de incarnatie van een diep, intens doordacht kwaad, en gaan op zoek naar de diepten, de fundamenten van die intense haat, van dat rabiaat antisemitisme. Maar aan de hand van mijn onderzoek naar welke boeken hij echt las, en welke boeken hij koesterde, is er maar een conclusie mogelijk: zijn kwaad was op zwakke fundamenten gebaseerd. Het was haat, rechtstreeks uit de goot.”

 

 

Vijf boeken die de Führer tot het einde koesterde

 

  1. Berühmte Kunststatten Berlin van Max Osborn. Hitler kocht Osborns architectuurgeschiedenis van Berlijn in november 1915 toen hij aan het front in Frankrijk diende. In de rechterbovenhoek van de binnenkaft krabbelde hij: “A.Hitler. Fournes 22 nov. 1915” Heel zijn diensttijd zat het boekje in de binnenzak van zijn overjas.
  2. Mein politisches Erwachen van Anton Drexler. Hitler kreeg het boekje in 1919 van Drexler zelf. Drexler beschrijft erin zijn transformatie van berooide joodse arbeider tot Duitse nationalist én antisemiet (!). “Toen ik het las, zag ik mijn eigen ontwikkeling tot leven komen”, zou Hitler later zeggen.
  3. Der internationale Jude van Henry Ford. De New York Times schreef in december 1922: “In Hitlers kantoor hangt boven zijn bureau een grote foto van Henry Ford. In de wachtkamer staat een tafel bezaaid met verschillenden vertalingen van het boek van Ford.”
  4. Die Toden leben! Een overzicht in tekst en beeld van paranormale verschijnselen uit 1922. Bij een foto van een statige Engelsman staat de tekst: “De geest van de Britse schrijver Charles Dickens die in 1871 stierf. Hij verscheen in 1873 en werd gefotografeerd.”
  5. Gesetz der Welt van Max Riedel uit 1939. Volgens Riedel had elke mens mogelijkheid om contact te krijgen met het bovennatuurlijke. Hitler was het daar volmondig mee eens, en plaatste ettelijke bewonderende uitroeptekens in de kantlijnen.

  © jan@janstevens.be

 

 

Juli Zeh

Met elk boek dat ze schrijft, wint de jonge Duitse schrijfster Juli Zeh aan intellectueel belang in eigen land, en ver daarbuiten. In haar nieuwe roman Vrije val onderzoekt ze de grenzen van tijd en ruimte, en gaat ze op zoek naar de betekenis van goed en kwaad. “We hebben geen religies of ideologieën nodig om te beseffen dat we elkaar het hoofd niet mogen inslaan. Want het alternatief is een onleefbare jungle.”

 

“Ik snak naar een sigaret”, zegt Juli Zeh (°1974) nadat ik haar in het Berlijnse café BilderBuch de hand gedrukt heb. “Ik wil er buiten eentje gaan paffen. Je vindt dat toch niet erg? Of ben je lid van de gezondheidsmaffia?” Ik pleit onschuldig, en we zoeken een plaatsje op het drukke, zonovergoten terras. “Ik erger me dood aan de regel- en controledrift van steeds meer moraalridders”, verontschuldigt de schrijfster zich, terwijl ze een shagje rolt. “Het is toch godgeklaagd dat je nergens meer ongestraft een sigaret mag opsteken? De mensheid rookt al meer dan duizend jaar, en nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, is die uiting van cultuur plots een halsmisdaad geworden. Als ze me voor een talkshow op tv vragen, eis ik dat ik tijdens het gesprek ostentatief sigaretten mag zitten roken. Dat is mijn kleine protest tegen die vergaande vorm van politieke correctheid.”

Juli Zeh is, ondanks haar afkeer voor betuttelende verboden, zelf juriste, met een specialisatie in volkenrecht. Sinds haar debuut Adler und Engel in 2001 gaat haar literaire succes in Duitsland steil bergop. Haar fel bejubelde tweede roman Spieltrieb uit 2004 (de Nederlandse vertaling Speeldrift dateert van 2006) betekende meteen ook haar internationale doorbraak. Op de pas door het gezaghebbende tijdschrift Cicero gepubliceerde ranking van invloedrijkste Duitse vrouwelijke denkers van 2008, springt Zeh gezwind van de 59e naar de 29e plaats.

 

Kant

In haar ambitieuze nieuwe filosofische misdaadroman Vrije val onderzoekt Juli Zeh het wezen van ‘zijn & tijd’. Het boek speelt zich af in Freiburg, gezapig universiteitsstadje aan de voet van het Zwarte Woud. De jeugdvrienden Oskar en Sebastian hebben het tot briljante en beroemde fysici geschopt. Oskar is vrijgezel gebleven, en zoekt al heel zijn leven naar de Theory of Everything: hij wil de kwantummechanica met de algemene relativiteitstheorie verbinden, en zo twee visies op het universum herleiden tot één allesomvattende formule. Sebastian is getrouwd met Maike; samen hebben ze een zoontje, Liam. Oskar gruwt van Sebastians opvattingen over het bestaan van ontelbaar veel, gelijktijdige werelden. Sebastian is een aanhanger van de multiversumtheorie van Everett. Hij gelooft dat de tijd geen doorlopende lijn is, maar een gigantische stapel parallelle universums, met als consequentie dat we in de ene wereld een crimineel kunnen zijn, en in de andere Moeder Theresa.

Op een zondag wordt Liam ontvoerd. De kidnappers eisen van Sebastian een moord: “Dobbelting moet weg.” Dobbelting is anesthesist in het universiteitsziekenhuis, en een vriend van Sebastians vrouw Maike, met wie zij wel zeer vaak gaat fietsen. Sebastian doet wat hem gevraagd wordt en ruimt Dobbelting uit de weg, maar Liam wordt niet vrijgelaten. Ten einde raad gaat Sebastian naar de politie. Hij geeft de ontvoering aan, maar verzwijgt de moord. Riet, een onorthodox werkende politiecommissaris met een zwak voor de filosoof Kant, wordt belast met de moord en de ontvoering. Riet heeft een hersentumor; hij heeft nog maar een paar weken te leven. Alvorens het licht definitief uitgaat, is hij vastbesloten om de twee zaken tot een goed einde te brengen.

 

Mensen zijn zo geprogrammeerd dat ze altijd hun zaken willen afhandelen”, zegt Juli Zeh. “Waarschijnlijk is dat onze enige manier om te kunnen overleven in een wereld die totaal onverschillig tegenover ons staat. De ene dag dwaal je door de straten van Berlijn, de volgende dag ben je verdwenen… wie maalt er om? Voor wie niet in god gelooft, is het leven zinloos. Als verzet tegen die zinloosheid proberen we de dingen compleet te maken. Als schrijver doe ik dat de hele tijd. Ik vertel verhalen die ik op de een of andere manier moet afmaken. Tijdens het schrijven van een roman worden de karakters die ik verzonnen heb voor mij levensecht. Op het einde van een boek moet ik hen noodgedwongen telkens weer vermoorden. Als ik terminaal ziek zou zijn, zou mijn enige doel nog zijn om een laatste boek af te werken voor ik voorgoed mijn ogen sluit.”

 

Waarom hebt u Vrije val in Freiburg gesitueerd? Omdat het de stad is waar Martin Heidegger leefde en werkte?

Juli Zeh: “Toch niet. Voor het verhaal had ik nood aan een stad vlakbij gebergte, en aan de traditie om te gaan fietsen. Iedereen in Freiburg brengt zijn vrije tijd op een blitse fiets door. En ik had een universiteit nodig met een instituut gespecialiseerd in fysica. Maar de belangrijkste reden om Freiburg te kiezen, is dat ik de draak wou steken met het politiek correcte karakter van de stad. Freiburg staat symbool voor ‘een wereld zonder problemen’, een idyllisch oord waar de inwoners zogezegd een zorgeloos bestaan leiden. Het is een stad die ecologie hoog in het vaandel voert, en die graag uitpakt met de fabel dat er alleen ‘goede mensen’ leven. Maar de inwoners van Freiburg zijn hypocrieten. Ze beschouwen zichzelf als gelukkig en goed, en wie dat spel weigert mee te spelen, wordt verstoten. Ik vond die mentaliteit de perfecte achtergrond voor mijn kleine familie. In het begin zijn ze allemaal slank, lang, blond en intelligent en op het einde zijn ze wrakken.”

 

U hebt de stad dus niet gekozen om filosofische redenen?

“Nee. Dan had ik Königsberg, de stad van Immanuël Kant, genomen. Commissaris Riet deelt de ideeën van Kant. Hij ziet de realiteit niet als een objectieve waarheid, maar hij gelooft dat de redeneringen die achter de waarneming zitten, een subjectieve realiteit creëren. Dat was een van de uitgangspunten van Kant. Alle hedendaagse kwantumfysici werken op een of andere manier rond die stelling. Ik ben geen expert in de kwantumfysica, en ik heb hard moeten zwoegen om er de basis van te snappen, maar ik vond het heel frappant om te ontdekken dat moderne wetenschappers tot vaststellingen komen waar een filosoof driehonderd jaar geleden al een theorie over ontwikkeld heeft. Toen ik Kant voor het eerst las, had ik het gevoel dat die kerel woorden gevonden had om dingen te beschrijven die ik altijd al gedacht of gevoeld had, maar die ik zelf niet kon beschrijven. De geschriften van Kant waren een echte aha-erlebnis.”

 

Oskar vs. Sebastian

Uw hoofdpersonages Sebastian en Oskar gedragen zich in hun studententijd als dandy’s en superieure snobs. Ze lopen op de faculteit natuurkunde rond in jacquet, gestreepte pantalon en zilveren stropdas. U bent een liefhebber van de geschriften van Oscar Wilde?

“Net als Wilde hou ik van karakters die neigen naar het extreme, die kicken op het overschrijden van grenzen. Voor mij is schrijven altijd een exploratie van het extreme. Als auteur kan ik heel ver gaan in het fantaseren over buitensporig gedrag, zonder dat ik me in de werkelijkheid daar zelf aan hoef te bezondigen. Mijn personages zijn broertjes en zusjes van mezelf, maar dan in overdrive. Ik vind het fantastisch om hen als goden of duivels te laten handelen. Ik hou van Oscar Wilde. Mijn hoofdfiguur Oskar heet niet voor niets Oskar. En er hangt niet voor niets homo-erotische spanning tussen Oskar en Sebastian.”

 

Als natuurkundigen hebben Oskar en Sebastian tegengestelde visies op hoe de wereld ineen zit. Sebastian is een aanhanger van de multiversumtheorie, Oskar is op zoek naar de ultieme formule die de kwantummechanica verbindt met de relativiteitstheorie. Voor wie gaat uw sympathie uit?

“Voor geen van beiden. Ik voel me het meest verbonden met commissaris Riet. Sebastian en Oskar verdedigen extreme theorieën waar ik me helemaal niet in kan vinden. Ik vind de multiversumtheorie interessant, maar niet relevant. En de ideeën van Oskar gaan mijn petje te boven. Ik heb echt geprobeerd om ze te begrijpen, maar eerlijk gezegd krijg ik kop noch staart aan wat de natuurkundigen voor wie Oskar model staat, proberen te bewijzen. Ik kan onmogelijk sympathie voelen voor theorieën waar ik niets van snap. Ik heb het geprobeerd, maar ik vrees dat je er eerst een jaar of twintig voor moet studeren.”

“Experimenten van kwantumfysici leveren resultaten op die niet stroken met onze gangbare natuurkundige opvattingen. Dus vormt de kwantummechanica een dankbare voedingsbodem voor maffe theorieën van new agers. Het bizarre is dat ook sommige natuurkundigen – wetenschappers! – esoterische theorieën ontwikkelen om experimenten uit de kwantumfysica te verklaren. De in de jaren vijftig van de twintigste eeuw door fysicus Hugh Everett ontwikkelde multiversumtheorie is daar een mooi voorbeeld van. Anno 2008 heeft Everett nog heel wat fans. Ik ben meermaals van mijn stoel gevallen tijdens het lezen van interviews met natuurkundigen die na decennia van zware academische studies knotsgekke theorieën zoals die van de vele werelden blijven verdedigen. Ik durf niet zomaar te stellen dat het allemaal flauwekul is, want op dit moment staan de natuurwetenschappen echt wel op een keerpunt. Je kunt deze tijd gerust vergelijken met de periode waarin Copernicus kwam aandraven met zijn stelling dat de aarde rond is. De aanhangers van zijn theorie werden met de vinger gewezen en vervolgd. Misschien zal ooit blijken dat de multiversumtheorie niet zo geschift is, al heb ik mijn twijfels.”

 

Sebastian is licht, blond, heeft blauwe ogen. Oskar is een donkere figuur– ergens in het boek wordt hij Mefisto genoemd. Ze vertegenwoordigen de strijd tussen goed en kwaad?

“Ja. Doordat we allen sterfelijk zijn, is moraliteit erg belangrijk. Als we het eeuwigdurend leven zouden hebben, speelden vragen over goed of kwaad geen enkele rol. Moraal is alleen overbodig voor wie altijd opnieuw van nul kan herbeginnen. Sebastian probeert met behulp van zijn multiversumtheorie te ontsnappen aan zijn morele plicht. Want als het klopt dat er vele parallelle werelden zijn, beschik je als mens over oneindige mogelijkheden en zit je niet langer gevangen in de grenzen van het reële leven. Ons leven wordt langs alle kanten ingeperkt door grenzen, en Sebastian probeert ze te overschrijden. Op het einde vecht hij niet alleen meer tegen het idee dat er maar één wereld is, maar levert hij strijd tegen zijn eigen sterfelijkheid. Hij wil niet dood. Hij wil zichzelf oneindig herhalen.”

 

Hij wil Dorian Gray worden.

“Precies. Op het einde van mijn boek moeten alle personages onder ogen zien dat ze over het oneindige leven kunnen dromen en fantaseren, maar dat al die theorieën hen in het echte leven geen centimeter vooruit helpen. Elke mens moet leren omgaan met zijn fysieke begrenzingen. Voorlopig is nog niemand erin geslaagd om die te doorbreken.”

 

Moorden uit liefde

Na de kidnapping van zijn zoon voert Sebastian zonder blikken of blozen het bevel uit om Dobbelting uit de weg te ruimen. Stapt een verstandig mens niet gewoon naar de politie?

“Zou jij dat doen als je kind in handen van ontvoerders is? Ik ben er niet zo zeker van of ik naar de politie zou stappen.”

 

U had hetzelfde gedaan als Sebastian?

“Zonder twijfel. Iedereen zou dat doen. Waar komen de oorlogen in onze wereld anders vandaan? Mensen zijn bereid om te doden voor de dingen waar ze van houden. Ik heb in Bosnië rondgereisd en heb er met mensen gesproken die rechtstreeks betrokken waren in de oorlog. Als ik hen vroeg: ‘Waarom?’, antwoordden ze: ‘We verdedigden onze families.’”

 

Oorlogen en moorden zijn een gevolg van liefde?

“Misschien wel, al gaat het vaak om een vorm van misleide liefde. Wij zijn ervan overtuigd dat liefde voor een kind altijd goed is. In vroeger tijden dachten mensen dat liefde voor het vaderland oké was. ‘Je moet van je land houden zoals je van je kind houdt.’ Als je daarmee opgevoed bent, trek je al zingend naar het slagveld om je land te gaan verdedigen.”

“Ik heb een tijdje als jonge advocate in een gevangenis vol moordenaars gewerkt. In het Duitse systeem worden alle gearresteerde moordenaars door psychologen en psychiaters behandeld. Onze samenleving stelt: ‘Wie doodt, is ziek.’ Tijdens gesprekken met moordenaars had ik vaak het gevoel dat ik tegen hun psychiaters zat te kletsen. Als ik ze naar hun misdaden vroeg, antwoordden ze met zinnen en fraseringen die hun zielenknijpers hen voorgekauwd hadden. Ik heb toen vooral geleerd dat een mens doden een fluitje van een cent is. En je hebt heel wat psychologische onzin nodig om dat keiharde, naakte feit te verbloemen en verdoezelen. De psychologie gaf hen alibi’s, terwijl ze in feite moordden omdat het zo makkelijk was. Ze zaten in een lastig parket, en een moord leek de simpelste oplossing.”

“Over de manier waarop Sebastian zijn moord pleegt, heb ik lang en diep nagedacht. Ik stelde mezelf de vraag: ‘Hoe zou ik het doen?’ Als je geen professionele moordenaar bent, is het belangrijk dat je geen lichamelijk contact hebt met je slachtoffer. Tijdens de moord ziet Sebastian Dobbelting niet, hij hoort hem alleen. Vlak na de moord durft hij niet naar het lijk te gaan kijken. Dat is zijn grootste vergissing: als je als moordenaar jezelf niet met je daad confronteert, moet je de rest van je leven vechten met de vraag: ‘Was het echt of niet? Is mijn slachtoffer dood of levend?’ En dan riskeer je om krankzinnig te worden.”

“Ik praat nu wel heel losjes over moorden, maar begrijp me niet verkeerd: het is goed dat we ons best doen om onze medemensen niet om zeep te helpen. Daarom ook hebben we moraliteit nodig. We hebben geen religie of gecompliceerde theorieën nodig om te verklaren waar moraliteit vandaan komt. Moraliteit is een vorm van pragmatisme. Zonder moraliteit leven we in een jungle. Om het samenleven zo aangenaam mogelijk te maken, hebben we afgesproken dat we geen klappen uitdelen aan elkaar. Dat pragmatisme dateert al van heel lang geleden – van toen we uit onze bomen kropen en rechtop begonnen lopen. Religies en ideologieën misbruikten moraliteit om macht uit te oefenen. Nu de grote theorieën in het Westen op apegapen liggen, is moraliteit herleid tot zijn ware proporties. Het is juist dat we met die ‘naakte’ moraliteit nog niet voldoende ervaring opgedaan hebben, en dat we niet goed weten hoe ze precies werkt. Maar ik put hoop uit het feit dat we hier in Berlijn na de val van de Muur ons niet plots als wolven voor elkaar zijn beginnen gedragen.”

 

© jan@janstevens.be