Churchill, Roosevelt & Stalin

In 1945 proostten Churchill, Roosevelt en Stalin in Jalta op hun nakende gezamenlijke overwinning op de nazi’s. Hoe broederlijk was die toost? Wie manipuleerde wie? Historicus Laurence Rees reconstrueerde de onderlinge verhoudingen tussen ‘de Grote Drie’. “Churchill en Roosevelt waren heimelijk jaloers op Stalins absolute macht.”

De val van de Berlijnse Muur in 1989 was voor de Britse historicus, journalist en documentairemaker Laurence Rees het begin van een jarenlange odyssee doorheen Rusland en Oost-Europa. Hij interviewde er tientallen Rode Legerveteranen en voormalige geheim agenten die actief waren tijdens de Tweede Wereldoorlog. “Zolang de communisten de macht in handen hadden, kon niemand een zinnig woord schrijven over de politiek en de rol van de voormalige Sovjet-Unie tijdens WO II”, zegt Rees. “Alle archieven waren gesloten en het was onmogelijk om met getuigen te praten. De val van de Muur zorgde voor een radicale verandering.”

Laurence Rees verzamelde een schat aan nieuwe informatie waardoor hij de ‘intieme’ verhoudingen gedetailleerd in kaart kon brengen tussen ‘de Grote Drie’: Sovjetdictator Jozef Stalin, de Britse premier Winston Churchill en de Amerikaanse president Franklin Roosevelt. Hij schreef er het fantastische World War II: Behind Closed Doors over en bewerkte het boek tot een zesdelige BBC-documentairereeks.

Katyn

Laurence Rees start zijn boek met de boude stelling dat voor miljoenen mensen achter het IJzeren Gordijn de Tweede Wereldoorlog niet in 1945 eindigde, maar in 1989 met het einde van het communisme. Rees: “Als je ervan overtuigd bent dat het einde van de oorlog eindelijk ‘vrijheid’ bracht voor de landen die onder de nazibezetting gebukt gingen, volgde de bevrijding voor de landen van het voormalige Oostblok pas 45 jaar later. In 1945 ruilden ze de ene tiran in voor de andere.

Ik ben opgegroeid in de zeventiger jaren. Op school leerde ik in de lessen geschiedenis dat de Tweede Wereldoorlog een morele oorlog was, die draaide om het verslaan van het grootste kwaad dat de wereld ooit gezien had. Onze leerkrachten focusten op de slag om Duinkerken, D-Day en op de dappere Britten die steeds verder oprukten en dat arme België en Frankrijk bevrijdden. Dag na dag werd ons ingelepeld: ‘My goodness, wat zijn wij toch een fantastisch volk!’ Ook al waren we het Empire kwijt, op moreel vlak bleven we onovertroffen. Natuurlijk schonken onze leerkrachten af en toe aandacht aan bondgenoot Stalin, maar die geschiedenis deed niet echt ter zake. Ik beweer niet dat onze lessen geschiedenis helemaal bij het haar getrokken waren – niemand ontkent dat er dappere soldaten vochten in Duinkerken of op de stranden van Normandië – maar de nobele Britse strijd is maar een klein deeltje van de hele waarheid. Pas toen ik films over WO II begon te maken en in contact kwam met mensen uit het oosten, besefte ik hoe gekleurd onze visie al die jaren geweest is. De Polen kijken totaal anders tegen de oorlog aan. Ze hebben enorm geleden onder het communistische juk. Voor hen kwam de bevrijding in 1989. De Baltische staten kregen hun vrijheid in de vroege jaren negentig. Ze zijn nog steeds bang van de Russen. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat al die ex-oostbloklanden dolgraag bij de NAVO willen.”

De Duitsers vielen op 1 september 1939 West-Polen binnen. De Russen vielen twee weken later Oost-Polen binnen. De inval van de Russen lijkt uit ons collectieve geheugen gewist?

REES: Ja, en dat is heel bizar. Wij verklaarden de oorlog aan de Duitsers omdat ze op 1 september 1939 het westen van Polen waren binnengevallen. Als gevolg van een niet-aanvalspact dat Stalin een maand eerder met Hitler sloot, viel hij op 17 september 1939 het oosten van Polen binnen. De Duitsers namen de ene helft, de Russen de andere. Op 3 september verklaarden De Britten en de Fransen de oorlog aan Duitsland. Toen Stalin ‘zijn’ deel van Polen annexeerde, reageerde niemand. Tot op de dag van vandaag hebben de Polen dat bezette land nooit terug gekregen. Die 17e september schoof de grens tussen Polen en de Sovjet-Unie bijna 200 kilometer op. De Sovjets gedroegen zich afschuwelijk in Oost-Polen. Er werd verkracht, gemarteld, eigendommen werden ingepikt, mensen werden opgesloten en vermoord, met als trieste ‘hoogtepunt’ de slachtpartij van de officieren in Katyn. Op het einde van de oorlog mocht Stalin van Churchill en Roosevelt ‘zijn’ stuk van Polen houden.

U hebt voormalige officieren en soldaten uit het Rode Leger geïnterviewd over hun strooptochten door Polen. Was het moeilijk om hen aan de praat te krijgen?

LAURENCE REES: Soldaten en officieren van het Rode Leger en ex-agenten van de geheime dienst NKVD lieten verbazingwekkend snel het achterste van hun tong zien. Het was veel gemakkelijker om hen te interviewen dan voormalige nazi’s. Mijn gesprekspartners praatten vrijuit over hoe ze mensen gemarteld hebben en gaven me inzage in de meest afschuwelijke vormen van repressie. Het was een fluitje van een cent om iemand te laten vertellen: “We sloten hen op en sloegen hen tot bloedens toe.” Slechts één onderwerp bleef taboe: verkrachting. Terwijl ik er zeker van ben dat onwaarschijnlijk veel soldaten van het Rode Leger zich bezondigd hebben aan verkrachtingen. Ik heb twaalf jaar lang intensief met soldaten en NKVD-agenten gesproken. Als het onderwerp verkrachting ter sprake kwam, kropen ze in hun schulp. Na veel aandringen gaven ze toe dat een paar van hun vrienden zich daar schuldig aan gemaakt hadden. Maar zij? Nooit.

Net zoals ik op school leerde dat de Britten een nobele, morele kruisvaart voerden, leerden de Russen over de immense opofferingen van hun jongens. Alle Russen hebben geleerd dat die offers nooit eerder in de geschiedenis van de mensheid vertoond zijn. Net als in alle grote nationale mythes zit er waarheid in dat ‘geloof’. Er bestaat geen twijfel over dat de Sovjets het meeste aantal mensen opgeofferd hebben. Maar dat geeft hen niet automatisch het recht op het statuut van ‘heilig boontje’.

De massamoord in Katyn loopt als een bloederige rode draad doorheen uw boek.

REES: Katyn is de kanker die doorheen de relaties loopt tussen Roosevelt, Churchill en Stalin. Het is exemplarisch voor de problemen die je op je nek haalt als je afspraakjes met een monster maakt om een ander monster te verslaan.

Op 5 maart 1940 tekende Stalin hoogstpersoonlijk het doodvonnis van meer dan twintigduizend prominente burgers uit Oost-Polen, de meerderheid officieren uit het Poolse leger. In ’43 kwamen de moorden aan het licht toen de Duitsers een massagraf ontdekten in het woud van Katyn. De nazi’s schakelden die ontdekking in hun propagandaoorlog in. De Britten en Amerikanen minimaliseerden de slachtpartij in Katyn om Stalin toch maar niet voor het hoofd te stoten.

Ik heb lang gedacht dat de misdaden van de Sovjets in Polen een gevolg waren van wat de nazi’s hen hadden aangedaan – een illustratie van de Bijbelse wijsheid: ‘Wie wind zaait, zal storm oogsten.’ Maar die uitleg houdt natuurlijk geen steek voor wat ze in Polen in 1939 en ’40 aangericht hebben. Want toen gold het niet-aanvalspact met de nazi’s. En toch gedroegen de Sovjets zich als echte beesten. Of dat een gevolg was van het stalinisme? De 19e-eeuwse tsaar Nicolaas I hield ook al van een flinke portie wreedheid. Wij Britten waren ook niet zo lief tegen de Noord-Ieren, en de Belgen hebben in Congo menige arm afgehakt. Natuurlijk was het geen lachertje om in de Sovjet-Unie onder het juk van Stalin te moeten leven. Er was geen enkele vorm van vrije meningsuiting; het regime was uitgesproken antireligieus, tegen elke vorm van individuele expressie, tegen alles wat het leven de moeite maakt om geleefd te worden.

Met Stalin als oppermachtige psychopaat?

REES: Dat beeld van Stalin als psychopaat leeft bij veel mensen, maar is een grote misvatting. Churchill en Roosevelt stonden oorspronkelijk erg sceptisch tegenover Stalin. Hun scepticisme verdween nadat ze hem ontmoet hadden. In de omgang bleek hij niet het monster te zijn dat ze in gedachten hadden. De toenmalige Britse minister van Buitenlandse Zaken Anthony Eden ontmoette Stalin in december 1941. Naderhand schreef hij: “Ik probeerde me tijdens onze ontmoeting Stalin voor te stellen, druipend van het bloed van zijn vijanden, maar dat lukte gewoon niet.”

Churchill schudde de Sovjetdictator voor het eerst de hand in augustus ’42. Achteraf jubelde hij: “Stalin is een grote mijnheer!” Stalin verschilde totaal van Hitler of Mussolini. Britse politici hadden die laatste twee voor de oorlog ontmoet en catalogeerden hen onder het hoofdstuk ‘monster’. Op een meeting met Hitler kon niemand een woord inbrengen. Zijn architect Albert Speer vertelde daarover: “Je liet een trefwoord vallen, en de Führer was voor uren vertrokken. Je kon er geen speld meer tussen krijgen.” Als je zei: “Wel, de joden…”, reageerde de Führer met: “Joden!” En weg was hij voor een tirade van een half uur tegen de joden. Stalin gedroeg zich totaal anders. Hij zei niet veel – hij luisterde.

Stalin was een intense, intelligente luisteraar, met een cynisch gevoel voor humor. Churchill en Roosevelt voelden zich heimelijk tot hem aangetrokken. Ik wil niet suggereren dat Churchill en Roosevelt in het diepste van hun gedachten de democratie wilden elimineren, maar ze vonden het opwindend om te kunnen wheelen and dealen met een man die niet verkozen moest worden, en die gewoon kon zeggen: “Weet je wat? Maak ze allemaal af.” De immense persoonlijke macht van Stalin wond Churchill en Roosevelt op. Er is die veelzeggende dialoog tussen Churchill en Stalin op de conferentie van Potsdam in 1945. Omwille van de verkiezingen moet Churchill terug naar Groot-Brittannië. Hij is bang dat hij niet opnieuw verkozen zal geraken. Stalin zegt tegen hem: “Je zou die verkiezingen beter afschaffen.” Stalin had dat aura van stille, immense macht rond zich hangen. En hij was duidelijk niet gek.

Maar hij joeg wel miljoenen mensen over de kling.

REES: Hij moordde omdat hij in dingen geloofde. Veel misdaden in de geschiedenis zijn een gevolg van het geloof en het idealisme van mensen. Net als Hitler geloofde Stalin in idealen. Stalin is geen dictator zoals Saddam Hoessein, die mensen uit hebzucht liet opruimen. Stalin stuurde meubels uit zijn appartement in het Kremlin terug omdat ze te nieuw waren. Hij zag er uit als een schooier en bezat amper drie kostuums. Hij was niet geïnteresseerd in het materiële. Hij deed zijn job uit overtuiging; hij was een ‘gelovige’. En hij telde veel volgelingen, ook hier in Groot-Brittannië.

Duivelspact

Voor communisten in het westen moet het een zware schok geweest zijn toen Stalin zijn pact met de nazi’s sloot.

REES: De vergaderingen van de Britse communistische partij verliepen toen erg moeilijk. Maar als communist geloofde je in idealen, en geloofde je in vadertje Stalin. “Kameraad Stalin heeft toegang tot informatie die wij niet kennen. Er moet dus wel een goede reden zijn voor dat pact met Hitler. Laten we hem steunen.” Het geloof in Stalin was een vorm van religie. Vervang ‘kameraad Stalin’ door God: ‘Ik weet niet waarom God zo’n pact sluit. Maar ik geloof, dus zal er wel een reden zijn waarom Hij dat doet.”

Sommige historici zijn ervan overtuigd dat loyaliteit belangrijk was voor Stalin. Ik geloof daar geen snars van. Hij is de meest eenzame mens die ooit geleefd heeft. Na de zelfmoord van zijn vrouw heeft hij nooit nog een betekenisvolle intieme relatie met iemand gehad. Zijn minister van Buitenlandse Zaken Vyacheslav Molotov heeft Stalin altijd loyaal en trouw gediend. Op het einde van de oorlog behandelde Stalin hem als een stuk vuil. Molotov was getrouwd met Polina Semyonovna en stapelzot verliefd op haar. Stalin vertrouwde haar niet, liet haar oppakken en verbannen. Vervolgens gooide hij Molotov uit het Politburo.

Stalins pact met Hitler uit 1939 ging wel erg ver: u beschrijft hoe hij materiële hulp offreerde aan de Duitsers.

REES: Veel mensen weten dat niet. Dit is nieuw materiaal. Stalin hielp Hitler economisch en militair. Zo kregen de Duitsers een bevoorradingsbasis in Moermansk. Een recent ontdekt officieel document citeert de woorden van Stalin aan de nazi-onderhandelaar Joachim von Ribbentrop in september ’39: “We zullen het Duitse leger komen helpen als het in de problemen zit.”

Toen Stalin zijn ‘duivelspact’ met Hitler sloot, gokte hij erop dat de Führer hem met rust zou laten. Dat was een serieuze misrekening?

REES: Vanuit Stalins oogpunt was de deal met de nazi’s pragmatisch en voor de hand liggend. Ze verdeelden Polen onder elkaar, in ruil lieten ze elkaar met rust. Niemand geloofde dat de nazi’s in staat waren om de Fransen, de Belgen en de Nederlanders in de pan te hakken. Het Duitse leger was helemaal niet geniaal, superbewapend en technologisch hoogstaand. In die tijd hadden de Britten en de Fransen meer tanks dan de Duitsers. De nazi’s hebben toen ontzettend veel geluk gehad. Tezelfdertijd waren ze zeer gedisciplineerd en geloofden ze in hun idealen.

Stalin had niet verwacht dat de Duitsers zo snel succes zouden boeken en kon eerst niet geloven dat de Fransen zich overgaven. Iedereen was stomverbaasd dat Hitler de klus in zes weken klaarde. Op 22 juni 1941 viel de Führer de Sovjet-Unie binnen. Zijn generaals dachten: “Dit wordt even gemakkelijk.” Ze hebben er zich flink aan mispakt.

Groot klein kind

Uit uw boek komt Winston Churchill naar voor als een vat vol emoties.

REES: Als ik naar oud filmmateriaal van Churchill kijk, krijg ik altijd het gevoel dat ik naar een acteur zit te kijken die een slechte vertolking van Churchill geeft. Winston Churchill was zo over the top. Je zou hem willen laten stoppen, en vragen om het nog eens opnieuw te doen, met minder overdrijvingen.

Winston Churchill was immens charismatisch, met grote ups en diepe downs. Hij gedroeg zich vaak kinderachtig verveeld. Hij was open, bombastisch… Hij droomde er echt van om een grote historische figuur te worden.

De eerste ontmoeting tussen Churchill en Stalin in Moskou in augustus ’42 was een heel bijzondere gebeurtenis.

REES: Churchill gedroeg zich toen echt als een groot klein kind. Hij raakte helemaal over zijn toeren toen Stalin de Britten ervan beschuldigde dat ze de Russen in de steek lieten in de strijd tegen de nazi’s. “Beseft die boer niet dat hij te maken heeft met de eerste minister van het Britse Rijk?” brieste hij. Churchill was in zijn trots gekrenkt en wilde niet naar een galadiner dat de Sovjets ter zijner ere hadden georganiseerd. Na veel aandringen van zijn diplomaten ging hij uiteindelijk toch. Uit protest kleedde hij zich in plaats van in smoking in een idiote overall. Hij wou het liefst terug naar Groot-Brittannië stormen, omdat hij vond dat Stalin hem niet met het juiste respect behandelde. Op de laatste avond trakteerde Stalin uitgebreid met wodka. Churchills stemming draaide helemaal om. Na die zuippartij was Stalin plots weer de bovenste beste. Churchill zocht gevoelens in Stalin die de man gewoon niet bezat. Voor Churchill waren vriendschap, liefde en gevoel alles. Hij zat voortdurend te janken. Hij voelde alles. Stalin voelde helemaal niets. Maar Winston Churchill wou zo graag zijn vriendje zijn.

Wat voor een politicus was Franklin Roosevelt?

REES: Roosevelt vertelde nooit iets aan iemand. Hij bracht zijn eigen minister van Buitenlandse Zaken amper op de hoogte van wat er allemaal gebeurde – hij communiceerde zelfs niet met zijn vrouw over politiek. Tegen zijn minister van Financiën zei hij: “Ik laat mijn linkerhand nooit weten wat mijn rechterhand doet.” De Britten vonden het afschuwelijk om zaken met hem te doen. “Dankzij Roosevelt is het chaos in het Witte Huis”, zegden ze.

Roosevelt hield geen dagboek bij, geen notities, niets. Hij vertelde nooit iemand de volledige waarheid. Daardoor is het voor een historicus extra lastig om te achterhalen wat er in de man omging en wat zijn achterliggende motieven waren. Ik vermoed dat Roosevelt bij al zijn beslissingen opportunistisch rekening hield met het effect dat ze in Amerika konden hebben. Op het einde van de oorlog beloog en bedroog hij de Polen. Hij probeerde hen te doen geloven dat hij er niet mee instemde dat Stalin Oost-Polen mocht houden. Hij nam Stalin in vertrouwen en vertelde hem waarom hij de Polen beloog: “Er zijn miljoenen Poolse inwijkelingen in Amerika die in de verkiezingen van ’44 tegen mij kunnen stemmen.” Roosevelt was een opportunist, maar tezelfdertijd merkwaardig genoeg ook een visionair, want per slot van rekening is hij degene die de Verenigde Naties gecreëerd heeft.

Laurence Rees, geboren in 1957 

–          Rees is historicus, journalist en creatief directeur van de geschiedenisprogramma’s van de BBC

–          Hij maakte talloze bekroonde documentaires over de Tweede Wereldoorlog en schreef er zeven boeken over.

Laurence Rees. World War Two. Behind Closed Doors. Stalin, the Nazis and the West. BBC-Books. 442 blz. 21,15 euro.

 

©Jan Stevens

Advertenties

Dmitri Nabokov

Als het van Vladimir Nabokov had afgehangen, was zijn laatste onafgewerkte roman ‘Het origineel van Laura’ nooit verschenen. “Verbrand het”, smeekte hij zijn vrouw Véra vlak voor zijn dood in 1977. Ruim 32 jaar later gaat zijn zoon Dmitri Nabokov alsnog over tot publicatie. “Ik kan niet anders. ‘Laura’ biedt een fascinerende inkijk in het laboratorium van Vladimir Nabokov.”

2 juli 1977. Vladimir Nabokov ligt op sterven in het universitair ziekenhuis van het Zwitserse Lausanne. Een maand eerder is hij opgenomen met een zware bronchitis. Zijn vrouw Véra en zijn enige zoon Dmitri staan hem aan zijn sterfbed bij. Om tien voor zeven ’s avonds blaast de grote Russisch-Amerikaanse schrijver zijn laatste adem uit. “Hij kreunde drie keer heel diep”, getuigt Dmitri Nabokov. “Het leek alsof hij een toneelrol speelde en snel weer zou beginnen spreken. Maar zijn hart viel voorgoed stil. ”

Een paar dagen voor zijn dood had Vladimir Nabokov zijn vrouw gevraagd om de 138 steekkaarten te verbranden waarop hij de contouren had uitgetekend van zijn laatste onafgewerkte roman ‘Het origineel van Laura’. Véra Nabokov was niet in staat om de laatste wens van haar man uit te voeren, borg het manuscript op in een kluis en liet de lastige beslissing over aan Dmitri.

Tweeëndertig jaar na de dood van zijn vader en achttien jaar na de dood van zijn moeder besloot Dmitri Nabokov om ‘Het origineel van Laura’ alsnog te publiceren. “Al die tijd ben ik blijven twijfelen”, zegt hij. “Ik heb de beslissing om ‘Laura’ uit te geven uiteindelijk helemaal alleen genomen – om eerlijk te zijn al heel lang voor de eerste heisa rond het ongepubliceerde manuscript een paar jaar geleden losbarstte in de media. Lang ook voor erudiete Nabokovkenners me begonnen te bestoken met pleidooien pro en contra. Vader had een gouden regel: publiceer nooit een onafgewerkt manuscript. Zoals de meeste van zijn boeken zat ‘Het origineel van Laura’ al afgewerkt in zijn hoofd voor hij een letter op papier zette. De eerste ruwe aanzet van zijn romans schreef hij altijd neer op steekkaarten. Jammer genoeg heeft hij de race tegen de tijd niet gehaald en bleef zijn 18e roman onafgewerkt. Ik weet dat er mensen zijn die me met de vinger wijzen omdat ik mijn vaders laatste wil negeer. Die kritiek zal waarschijnlijk nog toenemen. Maar ‘Het origineel van Laura’ is echt een geval apart. De critici houden er geen rekening mee dat vader zijn verzoek deed op een heel moeilijk moment.”

Literaire sensatie

De postume publicatie van Vladimir Nabokovs ‘Het origineel van Laura’ is wereldwijd dé literaire sensatie van dit najaar. De aanvragen voor interviews stromen binnen bij de 75-jarige Dmitri Nabokov. “Het stopt niet”, zegt hij. “Ik was uitgenodigd voor lezingen in Rusland en de VS, maar mijn wankele gezondheid heeft daar een stokje voor gestoken. Ik probeer nu selectief interviews te geven in mijn huis in Montreux.”

In 2001 werd Dmitri Nabokov getroffen door de chronische zenuwaandoening polyneuropathie. In augustus van dit jaar belandde hij voor de zoveelste keer in het ziekenhuis. “Elke dag gaat het een beetje beter. Voor het eerst in maanden kan ik terug een klein eindje wandelen.”

De immobiliteit is hard om dragen voor de avontuurlijk aangelegde Dmitri. Tot zijn ziekte uitbrak, was hij een professionele operazanger, een verwoed bergbeklimmer, een liefhebber van snelle wagens en speedboten én een vertaler van zijn vaders werk in verschillende talen. Zijn voorliefde voor snelheid koste hem op 26 september 1980 bijna het leven. Die ochtend vloog zijn Ferrari 308 GTB op de weg van Montreux naar Lausanne uit de bocht. De auto ging over kop en vloog in brand. Dmitri brak zijn nek en had derdegraads brandwonden over de helft van zijn lichaam. Dmitri Nabokov: “Twaalf dagen na dat ongeval had ik in het brandwondencentrum van Lausanne een bijna doodervaring. Ik zag het klassieke licht aan het einde van de tunnel, maar net voor ik het tijdelijke met het eeuwige zou wisselen, dacht ik aan al degenen die mij liefhebben en aan alles wat ik nog moest doen. Ik keerde terug onder de levenden. Ik heb altijd graag het lot getart. Maar noodgedwongen moet ik mijn ambities nu bijstellen. Ik heb me voorgenomen om van zodra de eerste sneeuw valt, mijn ski’s aan te trekken en voorzichtig een beetje te gaan langlaufen op het vlakke gedeelte naast het huis.”

Boekverbrander

Volgens Alberto Manguel en Fernando Báez was Vladimir Nabokov met zijn smeekbede om zijn laatste manuscript te verbranden niet aan zijn proefstuk toe. Manguel en Báez hebben Vladimir Nabokov zelfs uitgeroepen tot een ‘een van de grootste vijanden van het boek’. Zo beweren ze dat Nabokov in 1951 voor een overvolle aula in Harvard een exemplaar van ‘Don Quichote’ in stukken scheurde. Báez en Manguel zijn niet de eersten de besten: Fernando Báez is directeur van de nationale bibliotheek van Venezuela en schrijver van een standaardwerk over de geschiedenis van het boekverbranden, de Argentijnse essayist en bibliofiel Alberto Manguel vergaarde wereldfaam met zijn eigenzinnige literatuuroverzicht ‘Een geschiedenis van het lezen’. “Manguel en Báez zijn linkse rakkers”, reageert zoon Dmitri Nabokov vol afgrijzen. “Ze houden niet van mijn vader. Links zijn is typisch Zuid-Amerikaans. Alberto Manguel wordt in Europa door veel literair geïnteresseerden op handen gedragen, en dat maakt het allemaal nog veel erger. Mijn vader was in ’51 door Harvard uitgenodigd om voor zeshonderd studenten een lezing te geven over ‘Don Quichote’. Hij noemde het boek toen ‘hard en wreed’, maar wees ook op een aantal verdiensten van Cervantes. In een interview met een Frans tijdschrift in 1967, jaren later dus, vertelde vader dat hij van plan was om een essay te schrijven over Cervantes en dat hij daarvoor beroep zou doen op onder andere die oude Harvardlezing. Hij zei toen dat hij met genoegen terug dacht aan het ‘in stukken scheuren’ van ‘Don Quichote’ voor een overvolle aula. Hij bedoelde dat natuurlijk figuurlijk, maar een stelletje halfgeletterde journalisten heeft dat hele verhaal uit zijn context gerukt door de karikatuur te lanceren dat Vladimir Nabokov een brandend exemplaar van ‘Don Quichote’ aan zijn klas presenteerde. Politiek tendentieuze figuren zoals Alberto Manguel grijpen die misinterpretatie aan om doelbewust desinformatie over mijn vader te verspreiden. Ze doen dat in de bedrieglijke vorm van artikels en cartoons. Vladimir Nabokov was helemaal geen vijand van boeken, integendeel. In mijn hele leven heb ik nooit iemand sneller en grondiger boeken weten lezen dan hij. En ondertussen bleef hij vlijtig doorwerken aan zijn eigen oeuvre. Het enige boek dat hij ooit echt heeft willen verbranden, was een vroege versie van ‘Lolita’. Tot twee keer toe zelfs, nadat uitgevers halverwege de jaren vijftig het manuscript hadden afgewezen omdat ze bang waren dat ze samen met Vladimir Nabokov zouden eindigen in de cel. Mijn moeder heeft hem telkens weer kunnen overtuigen om het niet te doen. Lolita heette in die eerste versies niet Dolores Haze maar Juanita Dark. Had vader zijn zin doorgezet, was ze op de brandstapel geëindigd als een moderne Jeanne d’Arc. (lacht)”

Toen ‘Lolita’ in 1958 uiteindelijk verscheen, veroorzaakte de roman over de verschroeiende liefde van een veertigjarige man voor een vroegrijp meisje van twaalf een groot schandaal. Uw vader werd uitgemaakt voor pervert en pornograaf.

NABOKOV: Ik heb nooit iemand met hogere morele standaarden gekend dan mijn vader. Er lopen nog steeds idioten rond die zich niet kunnen voorstellen dat een creatieve kunstenaar zoiets als ‘zijn fantasie’ gebruikt. Als enige erfgenaam van Vladimir Nabokovs literaire nalatenschap krijg ik ook nu met de publicatie van ‘Laura’ de nodige bakken kritiek over me heen. Maar ik doe gewoon wat ik denk te moeten doen. De meninkjes van criticasters brengen me niet uit balans, net zomin als mijn vader verstoord werd door de negatieve recensies die hij indertijd heel af en toe las. Vladimir Nabokov een ‘pervert’? Laat me niet lachen. Ik herinner me hem vooral als een oneindig liefhebbende man die mij, zijn enige kind, met veel geduld eergevoel, moraliteit, kennis en humor bijgebracht heeft. Soms verzoop hij in het werk, maar als ik hem nodig had, maakte hij altijd tijd voor me vrij. Mijn moeder Véra werd verliefd op Vladimir toen ze hem in 1923 hoorde voorlezen op een poëziemeeting in Berlijn. Zij voelde meteen aan dat de jonge Vladimir Nabokov een unieke figuur was, met uitzonderlijke literaire kwaliteiten. Een schrijver met een grootse toekomst. Hij was 24, zij 21. Mijn moeder was zelf bijzonder getalenteerd – op haar tachtigste heeft ze nog zijn roman ‘Bleek vuur’ in het Russisch vertaald. Ze koos er van in het begin voor om haar leven volledig ten dienste van Nabokov te stellen. Die eerste jaren schreef hij en bracht zij geld in het laatje met secretariaats- en vertaalwerk. Zij was zijn muze, hulp en toeverlaat. Ze was ook zijn eerste lezer.

Een paar jaar geleden schreef Stacy Schiff een biografie over uw moeder. Ze won met ‘Véra’ in 2000 de Pulitzer Prize, maar u was niet echt gelukkig met het boek?

NABOKOV: Stacy Schiff was een vriendin van me. Ik had met haar afgesproken dat ik de tekst voor publicatie zou nalezen, maar haar uitgever was erg gehaast. Ze heeft zich dus niet aan onze afspraak kunnen houden waardoor er een aantal vervelende onnauwkeurigheden in geslopen zijn. Haar evaluatie van de relatie tussen mijn vader en moeder is vaak vlak, banaal en soms ook totaal verkeerd. Zo beweerde ze dat mijn vader nogal wat romances met studentes had als hij lezingen ging geven aan universiteiten. Ik heb daar naderhand tegen Stacy een harde opmerking over gemaakt waardoor onze vriendschap zwaar bekoeld is. Nu heb ik daar een beetje spijt van. Een van mijn ‘laatste wensen’ is dat ik met Schiff ooit terug on speaking terms kom.

De Duitse historicus Michael Maar ontdekte een paar jaar geleden het in 1916 gepubliceerde kortverhaal ‘Lolita’ van de Duitse auteur Heinz von Lichberg, over een oudere man die verliefd wordt op een meisje van twaalf. Uw vader leefde, net als Von Lichberg, in de jaren twintig en dertig in Berlijn. In 1955 schreef hij zijn roman ‘Lolita’. Heeft Vladimir Nabokov plagiaat gepleegd?

NABOKOV: Nonsens. Het is zo goed als onmogelijk dat mijn vader het zeer middelmatige verhaal van Von Lichberg onder ogen gekregen heeft, laat staan dat hij die Von Lichberg zelf ooit ontmoet zou hebben. Vladimir Nabokov leefde in een totaal andere wijk van de stad en bewoog zich in compleet andere kringen. Dit is puur toeval. De ‘Lolita’ van Nabokov heeft geen uitstaans met de ‘Lolita’ van die Von Lichberg. Net zomin als de gelijknamige film ‘Lolita’ van Stanley Kubrick iets te maken heeft met de roman van mijn vader. Het bekijken van die film gaf hem het gevoel dat hij als patiënt in een ziekenwagen lag zonder dat hij controle had over de voorbijrazende wereld. Hij was niet echt gelukkig met die verfilming, ondanks het feit dat hij zelf het oorspronkelijk scenario geschreven had. Dat scenario werd trouwens genomineerd voor een Oscar, maar in de uiteindelijke verfilming is er bitter weinig van overgebleven.

Russische Amerikaan

Uw vader is geboren in Rusland, maar kreeg later het Amerikaanse staatsburgerschap. Voelde hij zich een Russische of een Amerikaanse schrijver?

NABOKOV: Kent u de Russische schrijver Andrei Bitov? Hij is een leeftijdsgenoot van mij en wordt beschouwd als een van de ‘grote Russen’ van de tweede helft van de 20e eeuw. In 1997 hebben we allebei meegewerkt aan een televisiedocumentaire over mijn vader. Bitov zei toen over Vladimir Nabokov: “Nabokov was een Russische schrijver die de vlucht vooruit koos en de kosmos veroverde.” Mijn grootvader, die trouwens ook Vladimir heette, was minister van Justitie tijdens de bolsjewistische revolutie in 1917. Een paar jaar later moest hij met zijn gezin naar Engeland vluchten. In 1922 werd hij in Berlijn door een Russische monarchist vermoord. Grootvader Vladimir was een anglofiel. Hij bezat een gigantische bibliotheek vol Engelse literatuur. Mijn vader kreeg het Engels met de paplepel ingegoten. Zijn vroege werk schreef vader in het Russisch. Later schakelde hij over op Engels. Die overgang van rijk, overvloedig Russisch naar wat hij zelf ‘tweedehands Engels’ noemde, heeft hem die eerste jaren veel kopbrekens bezorgd.

Wat ikzelf het mooiste werk van Vladimir Nabokov vind? Het allerbeste wat hij ooit geschreven heeft, is het gedicht van de romanfiguur John Shade in ‘Bleek vuur’.

Klopt het dat uzelf ook een roman in de lade liggen hebt?

NABOKOV: Ja. Ik heb het boek een paar jaar geleden geschreven. Het is tot hiertoe niet gepubliceerd, omdat ik er niet helemaal tevreden over ben. U mag niet denken dat ik de confrontatie van mijn werk met dat van mijn vader niet aandurf. Misschien publiceer ik die roman ooit nog in een herziene vorm, al durf ik niet te voorspellen of het er ooit echt van zal komen. De tijd gaat te snel. Voorlopig heb ik mijn handen meer dan vol met het vertalen van een collectie van mijn vaders gedichten, het bundelen van de brieven van Vladimir aan Véra en het schrijven van mijn eigen autobiografie.

U publiceert ‘Het origineel van Laura’ tegen de wil van uw vader in. Zorgt dat toch niet voor een bezwaard gemoed?

NABOKOV: Helemaal niet. De heisa die er nu is rond de publicatie, is helemaal terecht. Hoe je het ook draait of keert, de uitgave van de allerlaatste, onafgewerkte roman van Vladimir Nabokov is wereldnieuws. Sommigen zullen ‘Het origineel van Laura’ prijzen en mij dankbaar zijn dat ik zo’n meesterwerk van de vernietiging gered heb. Anderen zullen ‘Laura’ vergelijken met al het andere werk van Vladimir Nabokov en het vanuit dat perspectief bekritiseren. Wat totaal verkeerd is. ‘Het origineel van Laura’ wordt heel bewust gepresenteerd als ‘een roman in fragmenten’. Natuurlijk zijn sommige thema’s niet uitgewerkt. Maar het manuscript geeft een ‘gedistilleerd’ zicht op het creatieve meesterschap van mijn vader en een fascinerende inkijk in het laboratorium van de grote Vladimir Nabokov.

Vladimir Nabokov

Vladimir Nabokov werd in 1899 geboren in Sint-Petersburg. De Nabokovs zaten er warmpjes in: ze bezaten twee huizen en reden door de straten van Sint-Petersburg in een Rolls Royce. Vladimir werd drietalig opgevoed: naast Russisch sprak hij vloeiend Engels en Duits. In 1916 debuteerde hij met een poëziebundel. Nabokovs vader werd minister van Justitie in de Russische overgangsregering na de val van de tsaar. In 1919 moest het gezin Nabokov noodgedwongen vluchten naar Engeland. Vladimir studeerde er Slavische Letterkunde in Cambridge. In 1922 werd zijn vader in Berlijn vermoord door een Russische monarchist. Een jaar later verhuisde Vladimir zelf naar Berlijn en trouwde er in 1925 met Véra Slomin, ook een Russische vluchtelinge. In 1934 werd hun enige zoon Dmitri geboren. Toen Hitler in 1937 de moordenaar van Vladimirs vader vrijliet, vertrokken de Nabokovs naar Parijs. Drie jaar later verhuisden ze naar de Verenigde Staten waar Vladimir vergelijkende literatuurwetenschap en Russische en Europese letterkunde doceerde. Daarnaast werkte hij als notoir vlinderkundige aan het Museum of Comparative Zoology in Harvard. In 1945 werd hij Amerikaans staatsburger. In 1958 publiceerde hij Lolita, zijn bekendste en meest controversiële werk over de alles verschroeiende liefde en begeerte van een oudere intellectueel voor een vroegrijp meisje van twaalf. Zijn laatste levensjaren bracht Vladimir Nabokov samen met zijn vrouw door in een hotel in Montreux.

Het origineel van Laura

In het postuum uitgegeven ‘Het origineel van Laura’ vertelt Vladimir Nabokov op 138 handgeschreven steekkaarten het verhaal van het huwelijk van de corpulente wetenschapper Philip Wild met de slanke, wispelturige en promiscue Flora. Flora is de dochter van een kunstenaarskoppel – haar vader was een fotograaf die zelfmoord pleegt; haar moeder is een danseres die ooit door een vorige minnaar opgevoerd werd in een schandaalroman met als titel: ‘Laura’. Als jong meisje gedraagt Flora zich als een kloon van Lolita, om later te trouwen met de oudere neuroloog Philip Ward.

‘Het origineel van Laura’ geeft een inkijk in de psyche van schrijver Vladimir Nabokov die zijn levenseinde ziet naderen. Centraal staan sterfelijkheid, zelfmoord, impotentie, walg voor het aftakelende oude mannenlichaam en begeerte naar het frisse, jonge meisjeslijf.  

 

Vladmir Nabokov. Het origineel van Laura. De Bezige Bij, Amsterdam, 168 blz. 18,90 euro.

©jan@janstevens.be

D-Day

D-Day%20inset6 juni 1944. In de vroege ochtend gaan de geallieerden onder luchtdekking aan wal op de stranden van Normandië. D-Day zal het begin markeren van het einde van de Duitse bezetting. De Britse historicus Antony Beevor schreef er hét ultieme boek over. “Niet iedereen zal er even gelukkig mee zijn”, voorspelt hij.

 

Antony Beevor is een van de meest succesvolle Britse geschiedschrijvers over de Tweede Wereldoorlog. Zijn vlot geschreven, uitstekend gedocumenteerde boeken over de slag om Stalingrad en over de verovering van Berlijn werden internationale bestsellers. Ze leverden hem roem, een flink gevulde bankrekening en een dito portie afgunst op.

Eind mei verschijnt D-Day, Beevors vuistdikke verslag van de landing in Normandië. Aanleiding voor een gesprek met de auteur over de ‘Moeder aller Invasies’ en over het geheim van een goed geschreven geschiedenisboek.

 

Pophistoricus

Ik ontmoet Antony Beevor in zijn schitterende 18e-eeuwse landhuis op een boogscheut van Canterbury. “Ik ben in deze streek geboren en getogen”, zegt hij. “Na mijn legertijd heb ik jaren in Londen gewoond. Met de opbrengst van de miljoenenverkoop van mijn boek Stalingrad hebben we een paar jaar geleden dit huis gekocht. Mijn vrienden noemen het ‘Schloss Stalingrad’.”

 

Niet iedereen is even enthousiast over uw succes. Sommigen noemen u een ‘pophistoricus’: ze verwijten u dat uw geschiedenisboeken te vlot en te literair zijn.

BEEVOR: Het probleem met veel historische oorlogsboeken uit de tweede helft van de 20e eeuw is dat ze geschreven zijn vanuit het standpunt van de generaals. Toen ik halverwege de jaren negentig aan Stalingrad werkte, raakte ik er steeds meer van overtuigd dat je geen goede geschiedenis kunt schrijven als je alleen maar rekening houdt met de visie van de officieren. Ik heb Stalingrad op een manier geschreven waarop ik zelf graag geschiedenis lees: met als uitvalsbasis de mens te midden van het gewoel. Het zijn vooral Europese academici die last hebben met mijn manier van schrijven. De Engelsen hebben een traditie van meer literaire, verhalende geschiedschrijving, die start bij het werk van de 18e-eeuwse auteur Edward Gibbon. Ik zat ooit op een congres in Zweden waar ik de stelling verdedigde dat geschiedenis nooit wetenschap kan zijn, maar alleen een tak uit de literatuur. Ik kreeg de hele zaal over me heen. Een vriendelijke oudere Zweedse professor stapte achteraf naar me toe en fluisterde: “Ik ben het helemaal met u eens, mijnheer Beevor, maar u moet voorzichtig zijn. In dit land worden uw uitspraken als ketterij beschouwd.” (lacht)

 

Met de boeken die over D-Day verschenen zijn, kan een hele bibliotheek gevuld worden. U hebt er nu nog een bijgeschreven. Wat maakt dit boek anders dan de andere?

BEEVOR: Er is in het verleden al veel over D-Day gepubliceerd, maar er is er nog nooit een boek verschenen dat het verhaal behandelt van de invasie in Normandië op 6 juni 1944 tot de bevrijding van Parijs op 25 augustus 1944. Daar komt bij dat er de laatste jaren nogal wat nieuw materiaal openbaar geworden is. Er zijn veel dagboeken en brievencollecties van ooggetuigen boven water gekomen. Vlak voor mensen sterven, schenken ze vaak hun papieren aan musea. Zo is het Mémorial de Caen, het grote museum in Caen, de voorbije jaren in het bezit gekomen van een gigantische collectie. Ik reisde er tijdens de voorbereiding van het boek naartoe in de veronderstelling dat ik alles in twee weken ging kunnen verwerken, maar uiteindelijk heb ik een aantal maanden heen en weer gependeld. Dagboeken bevatten altijd het beste materiaal. Veel soldaten verborgen de gruwel die ze meemaakten voor hun families en repten er met geen woord over in de brieven naar huis.

In tegenstelling tot brieven zijn dagboeken altijd waardevolle informatiebronnen. De meeste boeken over D-Day zijn gebaseerd op interviews die lang na de gebeurtenissen afgenomen zijn. De herinneringen van de overlevenden zijn gekleurd door de tijd en gefilterd door alles wat ze naderhand over de Tweede Wereldoorlog gelezen hebben. Mensen schrijven een dagboek niet met het oog op publicatie; ze schrijven het voor zichzelf en omdat ze willen getuigen. De beste dagboeken zijn trouwens geschreven door vrouwen. Zij noteerden werkelijk elk detail. Dagboeken maken het voor een historicus mogelijk om het materiaal te verwerken in de stijl van een roman, zonder dat hij moet fantaseren. Dagboeken staan vol informatie over het weer, de sfeer… Ze hebben het ook over de geruchten. Die zijn erg belangrijk. Teveel academici houden te weinig rekening met geruchten. Als je over een bepaalde periode schrijft, moet je de angst van de mensen kennen en weten welk gerucht ze op dat moment voor feit aanzien.

 

Veel boeken over D-Day hebben het over de inval en de strategie, maar schenken amper aandacht aan het lijden van de burgerbevolking. U doet dat wel.

BEEVOR: Ik probeer de landing in Normandië vanuit ieders standpunt te beschrijven: de geallieerden en de Duitse bezetter, met de Franse burgerbevolking in het midden. Je kunt niet over de strijd in Normandië schrijven zonder oog te hebben voor het lijden van de burgers. Ik was geshockeerd toen ik ontdekte dat er meer Franse burgers gedood zijn door Britse en Amerikaanse bommen, dan dat er Britten gedood zijn door de Luftwaffe. De Britten praten altijd over de grote offers die ze gebracht hebben in Normandië, maar vergeten dat ook de Fransen hun duit in het zakje gedaan hebben. Het wordt algemeen aanvaard – ook door Franse historici – dat de landing in Normandië Frankrijk gered heeft. De inwoners van Normandië waren de martelaars voor de rest van het land.

Vanaf de zomer van 1944 lag de relatie tussen Frankrijk en Amerika erg moeilijk. Dat had te maken met die immense offers van de burgerbevolking. Ze hebben de transatlantische verhoudingen voor jaren verzuurd. De Amerikanen beschouwden een land dat door de vijand bezet was bijna als een vijandig land. Ze vertrouwden de Fransen niet. Na de capitulatie konden de Amerikanen en de Duitsers erg goed met elkaar overweg – vooral omdat de Duitsers met hun hielen tegen elkaar klakten, gehoorzaam “Yes Sir!” riepen, en deden wat hen opgedragen werd. De Amerikanen hoorden die Fransen alleen maar zeuren: ze wilden meer kolen, ze wilden meer geld, meer brandstof… en daarenboven waren de Fransen alleen maar bezig met overwinningsparades tot meerdere eer en glorie van Frankrijk, terwijl het net de geallieerden waren die hen gered hadden. In ’45 hadden Engeland en Frankrijk eigenlijk al hun grandeur verloren. De twee nieuwe supermachten waren Amerika en de Sovjetunie. Het idee dat de Franse politiek door die twee buitenlandse machten bepaald zou worden, was heel moeilijk voor de Fransen om te aanvaarden. Geen enkel land houdt trouwens van zijn bevrijder.

 

Het boterde niet tussen de Fransen en de Amerikanen, maar ook tussen de Amerikanen en de Britten was de liefde niet altijd even groot?

BEEVOR: Op strategisch vlak was er zeker een groot wantrouwen tussen de geallieerden. De Amerikanen wantrouwden de Britten omdat ze ervan overtuigd waren dat Groot-Brittannië eerst en vooral zijn politieke invloed in Europa wilde behouden. De Amerikanen propageerden zichzelf als anti-imperialisten; gemakshalve vergaten ze hun bemoeienis met de Filippijnen en met andere landen. De Britten wantrouwden de Amerikanen niet echt, maar waren wel bang dat de Amerikanen na Pearl Harbor vooral geïnteresseerd waren in het oosten, en dat ze de oorlog in Europa zo snel mogelijk wilden afhaspelen. En dan was er Stalin. Na de verschrikkelijke schok van de Duitse invasie in 1941 was Stalin vastbesloten om via satellietstaten een zo groot mogelijk cordon sanitaire aan te leggen, opdat de Sovjetunie nooit nog het slachtoffer zou worden van een verrassingsaanval. Hij was oorspronkelijk niet van plan om heel Europa te gaan inpalmen. Maar Stalin was net als een rijke vrek die steeds meer geld wil. Stel dat D-Day een mislukking geworden was, dan was Stalin misschien wel veel verder Europa binnengedrongen, en had het beeld van Europa na WO II er totaal anders uitgezien.

 

Massale slachtpartij

De landing vond plaats op 6 juni 1944, maar eigenlijk wilden de geallieerden al veel eerder Normandië binnenvallen.

BEEVOR: De invasie was eerst gepland voor begin mei. Maar de geallieerden hadden niet genoeg landingsmateriaal en moesten de hele operatie uitstellen tot 5 juni. Die dag was het slecht weer en werd de invasie opnieuw uitgesteld tot ’s anderendaags. Het is een mirakel dat ze die 6e juni de oversteek over het Kanaal konden wagen. Ze profiteerden van een lichte, tijdelijke verbetering van het weer. De Duitsers hadden die weersverbetering niet zien aankomen, en hadden de inval niet op die dag verwacht. Daarom ook konden de geallieerde mijnenvegers hun job doen zonder dat er onder hen slachtoffers vielen. De Britse admiraal Bertram Ramsay had op voorhand laten berekenen hoeveel slachtoffers er gingen vallen. Zijn schatting was 10.000 op de eerste dag. Op het einde van die 6e juni waren het er 4.400, dus viel dat wat hem betrof nog goed mee. Er waren meer Franse burgers gestorven dan Amerikanen op Omaha en Utah Beach.

De Duitsers slaagden er op D-Day niet in om op tijd versterkingen aan te voeren, en Hitler weigerde tot laat in de namiddag om zijn pantserdivisies te verplaatsen. Dat betaalde hij de volgende dag cash: veel tanks werden op weg naar het front de lucht in geblazen door de geallieerde luchtmacht. De Führer weigerde te luisteren naar zijn generaals Von Rundstedt en Rommel. Op neonaziwebsites kun je de legende lezen van de Dolchstoss, het ‘mes in de rug’. Neonazi’s argumenteren dat Hitler de 6e juni ’s morgens vroeg klaarwakker was. Dat is niet waar – de getuigenissen van Albert Speer en anderen op de Berghof spreken dat tegen. Niemand durfde het aan om Hitler wakker te maken, zonder dat ze de precieze details over de invasie hadden. De neonaziwebsites beweren dat generaal Hans Speidel de pantserdivisies in de verkeerde richting liet rijden. Speidel zou een maand later een sleutelfiguur worden in het complot om Hitler uit de weg te ruimen. Het verlies van de Duitsers wordt door neonazi’s verklaard als een gevolg van verraad. Wat nonsens is. De Führer was gewoon niet op tijd uit zijn bed, en nam domweg de verkeerde beslissingen.

De invasie werd aan geallieerde kant geleid door officieren met een enorm gebrek aan verbeelding. Vlak voor ze aan land gingen, zeiden ze tegen hun soldaten: “Kijk naar de man links van je, kijk naar de man rechts van je. Een van jullie drie zal dit niet overleven.” Eigenlijk vertelden ze hun manschappen dat 30% van hun divisie in mootjes gehakt zou worden. Wat me niet direct de beste manier lijkt om het moraal van je mannen op te krikken als je ten strijde trekt.

 

Maar ze kwamen natuurlijk wel terecht in een massale slachtpartij.

BEEVOR: Zeker. De slag in Normandië was een wredere oorlog dan mensen nu geloven. Je hoort vaak beweren dat Normandië minder erg was dan het Oostfront. Dat is niet waar. Normandië was veel erger dan het Oostfront. Het aantal gesneuvelden per Duitse en per geallieerde divisie lag in Normandië twee keer zo hoog als aan het Oostfront. In totaal sneuvelden er aan beide kanten meer dan 425.000 soldaten. Het aantal burgerslachtoffers wordt geschat op 20.000. De slag in Normandië werd beheerst door een vicieuze cirkel van wraak. De SS-divisies schoten hun gevangenen dood. Dat leidde aan de andere kant evenzeer tot het executeren van gevangenen. De Amerikaanse paratroopers en tanktroepen namen zeer weinig Duitsers gevangen. Vaak maakten ze hun gevangenen om praktische redenen af, omdat ze niet genoeg manschappen hadden om hen te bewaken. De Franse burgers waren geschokt toen ze dat zagen gebeuren. Het doden van gevangenen was veel meer verspreid dan iemand zich nu durft voorstellen. Daarnaast zijn ook ontzettend veel mensen gedood door ‘friendly fire’. De Russische invasie in Berlijn was de enige operatie uit de Tweede Wereldoorlog met nog meer ‘collatoral damage’. De Britten hadden een tekort aan manschappen. Alles wat de levens van kostbare soldaten kon sparen, was welkom voor de Britse generaal Bernard Montgomery. Hij omarmde het idee dat de Duitsers konden verslagen worden met gerichte bombardementen. Maar die verliepen allesbehalve gericht, en eigenlijk had de Britse generale staf dat op voorhand kunnen weten. Veel missers waren een gevolg van de rivaliteit tussen de Britse luchtmacht en de landmacht. De Royal Air Force (RAF) voelde zich niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk verheven boven de rest en claimde altijd veel meer successen dan ze in werkelijkheid behaalde. Twintig procent van de bommen die de RAF dropte, kwamen op huizen van onschuldige burgers terecht.

Sommige dingen die ik schrijf zullen me niet populairder maken. De zoon van Bernard Montgomery is zeer ongelukkig met dit boek. Generaal Montgomery nam soms goeie beslissingen, maar zat er vaak ook totaal naast. Zeker in zijn relaties met de Amerikanen. Hij was gewoon niet eerlijk over de stand van zaken op het terrein. Hij was te ijdel om zijn mislukkingen toe te geven. Dat zorgde voor ontzettend veel wrevel bij de Amerikaanse generaal Eisenhower.

 

D-Day zelf was een meevaller voor de geallieerden, maar daarna begon de ellende pas goed?

BEEVOR: De echte gruwel begon na 6 juni, toen de geallieerden de Bocage, het typische Normandische landschap van hagen en aarden wallen, binnentrokken. De Duitse soldaten waren briljant in camouflage, en ze hadden in Rusland alle vuile trucs geleerd om zich te verdedigen. Duitse sluipschutters bonden zich boven in de bomen vast, en schoten naar iedereen die in hun vizier kwam.

De Britse en Amerikaanse soldaten leden enorm onder oorlogsstress – meer dan 30.000 soldaten hadden psychologische problemen. Een soldaat die er onderdoor gaat, kun je met rust en therapie nog oplappen, maar als hij een tweede keer flipt, is hij rijp voor de psychiatrie. De Duitsers daarentegen kraakten niet. De Amerikaanse en Britse psychiaters begrepen niet hoe het kon dat slechts zo weinig gevangen Duitsers last hadden van gevechtsmoeheid, terwijl ze toch zoveel meer artillerievuur en bombardementen te verwerken hadden gekregen. Voor het Duitse leger bestond gevechtsmoeheid gewoon niet. Ze noemden dat lafheid. Je werd neergeschoten als je met dat soort van klachten op de proppen kwam.

 

Waarom was de landing in Normandië geen jaren eerder gepland?

BEEVOR: De Amerikanen beloofden Stalin in 1942 al een invasie over het Kanaal. Maar dat was waanzin: ze beschikten niet over het benodigde landingsmateriaal en hadden geen enkele strategie. De Britten wisten dat en hielden de boot af. De Amerikanen leerden wel erg snel – veel sneller dan de Britten. In Noord-Afrika was de slag bij Kasserine een ramp geweest voor het Amerikaanse leger. Hun onervaren soldaten gingen er op de loop. De Amerikaanse generale staf leerde daaruit dat de ‘groene soldaten’ eerst ontgroend moesten worden, dat er bloed aan hun handen moest kleven voor ze aan het ‘serieuzere werk’ konden beginnen.

De Britten kregen in de loop van de oorlog heel wat nederlagen te verwerken. Montgomery had gelijk om eerst in Noord-Afrika alles op alles te zetten en de slag bij El Alamein te winnen. De Britten konden zich psychologisch niet nog eens een nederlaag veroorloven. Dat gold zeker voor de invasie in Normandië. Want als die in ’42 of in ’43 mislukt was, hadden de Duitsers de geallieerden verpletterd. 6 juni 1944 was dus echt wel het juiste moment.

 

 

Wie is Antony Beevor?

-Antony Beevor, °1946, gehuwd, drie kinderen

-Hij studeerde militaire geschiedenis aan de prestigieuze Koninklijke Militaire Academie Sandhurst. Hij diende vijf jaar als officier in het leger. Hij schreef zijn eerste roman uit verveling. Beevor: “Mijn legercarrière is een belangrijke bron voor mijn boeken. Ik heb in tanks gezeten en ken het claustrofobische gevoel. Wij moesten onze behoefte doen in plastic zakken. De Amerikanen gebruikten tijdens de invasie hun helmen. Een dokter schreef: ‘Ze kookten erin en ze kakten erin.’ Laat ons hopen dat ze ze tussen twee gangen door ook uitwasten.”

-Beevor schreef vier romans en acht non-fictiewerken.

-Stalingrad (1998) betekende zijn grote doorbraak. Hij won er de Samuel Johnson Prize mee.

 

D-Day, Antony Beevor, Ambo, 496 BLZ., 29,95 euro

 

©jan@janstevens.be

“Terroristen zijn minkukels”

“Terroristen zijn nitwits.” Die boodschap zindert door alle bladzijden van het magistrale Blood & Rage van Michael Burleigh. “Er loopt een rode draad van de 19e-eeuwse anarchisten tot de handlangers van Osama bin Laden: aan ideologie hebben ze allemaal een broertje dood”, stelt Burleigh. “Er loopt ook nog een andere rode draad doorheen de geschiedenis van het terrorisme, en dat is de verpletterende verantwoordelijkheid van heel wat ‘weldenkende’ intellectuelen.”

 

Het is stil op het lieflijke binnenpleintje voor het huis van historicus Michael Burleigh (°1955) in Zuid-Londen. “Jack Straw is vandaag niet thuis”, zegt hij, terwijl hij naar het huis aan de overkant wijst. “Als onze minister van Justitie er wel is, lopen hier permanent politieagenten rond, worden onze voortuintjes regelmatig gecontroleerd en ondervinden we dagelijks de ‘dreiging’ van het terrorisme. Dankzij mijn beroemde overbuurman moet dit pleintje nu een van de meest beveiligde plaatsen van Londen zijn.”

Tot voor een paar jaar werkte Michael Burleigh als professor aan verschillende gerenommeerde universiteiten. Het succes van zijn boek Het Derde Rijk uit 2001 stelde hem in staat om het academische milieu de rug toe te keren en voltijds schrijver en journalist te worden. “Ik ben blij dat ik van dat wereldje verlost ben”, zegt hij. “Mijn vroegere collega’s uit de universiteit kijken me nu met de nek aan. Ze vinden het een onvergeeflijke doodzonde dat ik mijn academische carrière opgegeven heb om godbetert een journalist te worden.”

Als freelance historicus en journalist schreef hij de veelgeprezen boeken Aardse machten en Heilige doelen, waarin hij uiteenzet hoe de teloorgang van het christendom in Europa vanaf de 18e eeuw gecompenseerd werd door de opkomst van ‘politieke religies’ – van de cultus van de rede tot de verering van Stalin. In zijn nieuwste magnum opus Blood & Rage, A Cultural History of Terrorism, beschrijft hij de terroristische groeperingen van de laatste eeuwen: van de 19e-eeuwse anarchisten tot Al Qaida. Zijn conclusie is vernietigend: “Het waren bijna allemaal nitwits en gevaarlijke idioten.”

 

Ook al beweren ze allemaal voor hun idealen te strijden, hun ideologische kennis is zo goed als onbestaande?

BURLEIGH: Het zijn ongelooflijke minkukels. Veel van de huidige moslimterroristen hebben amper scholing gekregen. Dat verklaart meteen ook hun uitzinnige woede. Kijk maar eens naar de zelfmoordvideo’s die die kerels opnemen voor ze zichzelf opblazen, hoe ze hun vinger in je gezicht duwen. De meesten kunnen zich amper fatsoenlijk uitdrukken.

De Britse inlichtingendienst heeft een gedragsonderzoekunit die de gearresteerde terroristen grondig ondervraagt. De onderzoekers zijn tot de conclusie gekomen dat al hun gevangenen een bedroevende kennis hebben van hun eigen religie. Hetzelfde fenomeen zag je bij de extreemlinkse terroristen uit de seventies, die amper iets van Marx gelezen hadden. In Blood & Rage citeer ik een lid van de Baader-Meinhofgroep. Hij zei: “We lazen veel theorieën half. Die ene helft begrepen we – de andere helft niet.” Het bizarre is dat veel terrorismebestrijders dat niet door hebben. Een tijd geleden was ik op een seminarie over moslimterrorisme, waar toevallig nogal wat special branch officers en MI5-mensen aanwezig waren. Op een bepaald moment werd het wel heel erg absurd, en begon de bijeenkomst verdacht veel op een theologieseminarie in Oxford te lijken. “Als je kijkt naar de islamitische theologie in de 17e eeuw, dan kun je daaruit leren waarom Al Qaida zus en zo handelt.” Ik dacht: “Christus, wat gebeurt er hier? Deze lui zijn totaal verkeerd bezig.”

 

Ze namen de moslimterroristen ernstig?

BURLEIGH: Ja. Wat een fatale vergissing is. Het wordt hoog tijd dat we terroristen herleiden tot wat ze echt zijn: moordenaars en criminelen. Mensen haten je als je dat als intellectueel zegt, want de voornaamste rol van een academicus of intellectueel is om de dingen complex te maken. Hoe meer je het beeld vertroebelt, hoe beter. Blijkbaar is het de taak van de intellectueel om zaken als terrorisme te herleiden tot een grijze brij. Wie zoals ik stelt dat die kerels gewoon dommekloten zijn, is een hond in het kegelspel. Daarom ook reageren Britse academici zo boos op dit boek. Ik krijg wél lovende reacties van de mensen op het veld. Peter Clarke, het hoofd van de nationale terrorismebestrijding, heeft mijn boek tot verplicht leesvoer gemaakt voor terroristenbestrijders in spe. Academici zijn door Blood & Rage geshockeerd, terwijl de mensen op het veld het een schitterend boek vinden.

 

Uit uw boek blijkt dat de verantwoordelijkheid niet onderschat kan worden van sommige met terroristen sympathiserende intellectuelen.

BURLEIGH: De bezetenen van Fjodor Dostojevski vertelt het verhaal van de terroristische nihilisten van Sergei Nechajev. In zijn roman beschrijft Dostojevski de grotere maatschappij waarin ze actief zijn. Alle slimmerds, van de rechters tot de weldenkende en welvarende dames, staan aan Nechajevs kant. Tijdens het theedrinken fezelen de dames tegen elkaar: “Prachtig toch wat die kerels willen bereiken. Jammer dat ze niet goed begrepen worden.” Diezelfde houding trof je ook aan in Duitsland tijdens de terreur van de Rote Armee Fraktion. In die periode was ik in Berlijn om research te doen voor mijn doctoraalthesis. Ik huurde een flat van vage, gefortuneerde kennissen, die zeer sympathiek stonden tegenover de terroristen van de RAF. In de flat onder die van mij hebben ze lange tijd een koppel gehuisvest dat actief was in de Baader-Meinhofgroep. Mijn huisbaas – een kaviaarsocialist – was er erg trots op dat hij dat soort van mensen onderdak verleende. In rijke linkse kringen golden RAF-terroristen als een statussymbool. Hetzelfde verschijnsel zie je nu ook hier in Londen. In 2006 liepen er demonstrerende geschifte idioten uit de middenklasse door de straten met borden waarop te lezen stond: “Nu zijn wij allemaal Hezbollah.” Veel van onze linkse jongens en meisjes haten Israël en Amerika zo hartsgrondig, dat ze er geen graten in zien om het op te nemen voor islamterroristen. Ken je Mary Beard, die afschuwelijke professor Klassieke Cultuur uit Cambridge? Vlak na 9/11 schreef ze in de London Review of Books dat Amerika zijn verdiende loon gekregen had. Walgelijk. Nu is ze visiting professor in Berkeley, Amerika of all places. (lacht luid en schamper)

In december 1974 kreeg de gearresteerde Andreas Baader in zijn cel in Stammheim het bezoek van Jean-Paul Sartre. Hij zat een half uur bij Baader, die hem een hele uiteenzetting gaf over zijn ‘filosofie’. Baader was ooit begonnen als succesvolle autodief – zijn persoonlijke record om in een auto in te breken, stond op 10 seconden. Hij had de reputatie om erg gewelddadig te zijn, en hield er als jonge kerel van om massale cafégevechten uit te lokken. Toen Sartre terug naar buiten kwam, zei hij in vertrouwen tegen zijn begeleider en tolk Daniel Cohn-Bendit: “Wat een klootzak, die Baader.” Op een persconferentie later die dag zei Sartre onder het oog van de camera’s: “Baader ziet eruit als een gemartelde man. Hij wordt niet gefolterd op de manier van de nazi’s, maar veel subtieler. Hij wordt psychologisch gemarteld. De gevangen genomen leden van Baader-Meinhof zitten 24 uur op 24 geïsoleerd in een witte cel, met het licht constant aan, zonder ook maar enige verstrooiing.” Alles wat Sartre zei, was stuk voor stuk gelogen. De lichten van de cellen werden om 10 uur ’s avonds gedoofd, en Baader heeft nooit geïsoleerd gezeten: hij ontving gemiddeld vijf bezoekers per dag. De gearresteerde terroristen van de RAF leefden in vrij luxueuze omstandigheden. Ze konden lezen waar ze maar zin in hadden. Op een bepaald moment vond Andreas Baader zijn cel claustrofobisch, dus sloopten de bewakers een muur waardoor hij de beschikking had over twee cellen. Vanaf dat moment leefde hij in een soort van suite, met Jan-Carl Raspe als zijn persoonlijke lakei. Op een bepaald moment smeekte Raspe om de muur terug op te bouwen om verlost te geraken van “die maniak Baader”. Veel mensen geloofden en geloven nog steeds dat de RAF-gevangenen verschrikkelijk afgezien hebben in Stammheim, maar de publieke opinie kun je wijsmaken wat je wil. De Duitse overheid heeft zich op geen moment als een soort van fascistische staatsterrorist misdragen. Toen de leden van Baader-Meinhof merkten dat de zaken niet verliepen zoals zij gewenst hadden, pleegden ze collectief zelfmoord en lieten ze het uitschijnen dat ze vermoord waren. In een heel cynische poging misbruikten ze hun eigen levens om de Duitse staat te criminaliseren. De theorieën die de ronde doen dat ze door de staat vermoord zouden zijn, zijn je reinste flauwekul.

Ik heb me tijdens het schrijven van Blood & Rage erg goed geamuseerd op de kap van onze Duitse vrienden van de RAF. Ze zijn zo typisch Duits. Ik vond het erg verhelderend dat de RAF-terroristen vaak een nazi-voornaam hadden zoals Gudrun, Thorwald, je kunt er echt niet naast kijken. Hun ouders waren fans van de Führer, of op zijn minst beïnvloed door de Zeitgeist toen ze hun kinderen een voornaam gaven. En dan heb je de voormalige RAF-terrorist Horst Mahler, die nu een notoire neonazi en negationist geworden is. Ik vind zijn parcours van extreem-linkse terrorist tot neonazi zeer verhelderend – daarnaast is hij ook een van die verdomde mensenrechtenadvocaten geworden.

 

Wat is er mis met mensenrechtenadvocaten?

BURLEIGH: Ze gaan veel te vaak over de grens, van ideologische sympathie voor hun cliënten evolueren ze naar activist en handlanger. Veel van de advocaten van de Italiaanse Rode Brigades en van Baader-Meinhof zijn actieve helpers geworden, en de geschiedenis herhaalt zich jammer genoeg ook nu met de islamisten. Veel advocaten die in Groot-Brittannië de provo’s vertegenwoordigden, zijn nu de advocaten van de islamisten. Het zijn advocaten met een fundamentele haat tegenover de politie. Het bizarre is dat islamisten niet geïnteresseerd zijn in mensenrechten, maar toch staan die mensenrechtenadvocaten hen met raad en daad bij.

 

De strijd in Noord-Ierland tussen katholieken en protestanten wordt vaak voorgesteld als een sociaal conflict: het gevecht van de katholieke arme verdrukten tegen de protestantse arrogante onderdrukkers. Vocht het IRA voor een rechtvaardige zaak?

BURLEIGH: De Troubles zijn op geen enkele manier te verantwoorden. Op het vlak van sociale voorzieningen, lonen en al dat soort zaken, was je in het begin van de Troubles veel beter af in het Britse Noord-Ierland dan in de onafhankelijke Ierse republiek. In die tijd was de Ierse republiek een poel van armoede. Als werkloze was je er materieel beter aan toe in Belfast dan in Dublin. Een Noord-Ierse werkloze kreeg in 1969 4,5 pond per week, een Ierse 3,25 pond. Er waren heel wat bewust in stand gehouden misverstanden en onwaarheden over de behandeling van katholieken in Noord-Ierland. Ik heb nog Amerikanen ontmoet die dachten dat Noord-Ierse katholieken niet mochten gaan stemmen. Belachelijk, want Noord-Ierse katholieken hadden natuurlijk wel stemrecht. Het IRA was gewoon een ordinaire, puur criminele organisatie, even machtig als de Napolitaanse maffia. Dat maffieuze is altijd een vast onderdeel van hun zogenaamde ‘vrijheidsstrijd’ geweest.

Als je in Belfast rondwandelt, krijg je een erg goed inzicht in hoe lokaal en tribaal het conflict eigenlijk was, en hoe het zich afspeelde tussen twee rivaliserende groepen van working class people. Van zodra je in de middenklassewijken komt, merk je dat de mensen daar zo goed als niet besmet zijn door die blinde haat. In Belfast kun je zien hoe de dertigjarige Troubles een sterk uit de hand gelopen ruzie waren tussen een paar straten. De visie van IRA-man Eamon Collins zegt veel over het hele conflict – hij is trouwens later door zijn eigen organisatie uit de weg geruimd. Collins kon niet verdragen dat er wijken waren in Noord-Ierland waar katholieken en protestanten wel overweg konden met elkaar, en een rustig, welvarend leven leidden. Hij besloot om het Crown Hotel in het stille kuststadje Warrenpoint op te blazen. “Ik haat de vrede en de rust van die kleine kuststadjes waar middenklassekatholieken en –protestanten in harmonie leven”, zou hij later verklaren. “Warrenpoint was voor mij net als een zoete kers op de taart, dus wou ik ze opblazen.” Dezelfde haat vind je terug bij veel terroristen van diverse pluimage. Daar komt bij dat ze zich aan een kolossale vorm van ‘zelfromantisering’ bezondigen. Ze praten zichzelf omhoog, en willen de loop van de geschiedenis blijvend beïnvloeden. Ze zijn extreem hoogmoedig. Een rustig, defensief leven werkt voor hen als een rode lap op een stier. Het staat haaks op hun eigen zelfbeeld en daarom willen ze het vernietigen.

Islamisten leven vaak in samenlevingen waarvan ze de spelregels totaal verachten. In plaats van via politieke, legitieme weg veranderingen na te streven, vermoorden ze mensen.

Niet zo lang geleden was ik in Caïro. Je kon daar op straat voelen hoe islamisten tewerk gaan: er hangt een constante dreiging van geweld – het is als een ijskoude tocht die vanonder de deur naar binnen sluipt. De islamisten vergroten hun invloed door sociale controle en afkeuring. Ze importeren een collectieve afkeuring voor onze westerse manier van leven in de maatschappij. Nu zie je steeds meer vrouwen met hoofddoeken op straat in Caïro. Een vrouw die in een minirok buiten komt, riskeert haar leven. Op een avond belandden we in een heel gewoon café. Er hing een tv waarop een zwartwitfilm uit de veertiger jaren speelde. Er zat een kerel in pak en das op een piano te spelen, en een heel mooie vrouw in een cocktailjurk zong. En alle mensen in dat café zongen met haar mee. Ik vroeg me af: “Waar is het godverdomme mis gegaan?”

 

Zijn we te tolerant?

BURLEIGH: Ik vind dat we af moeten van die verwerpelijke cultuur van mededogen met islamisten, die je terugvindt in onze universiteiten, scholen en lokale besturen. We moeten duidelijk stellen: “Kijk zo leven we, dit zijn onze waarden. Luister maat, als het je niet aanstaat, trap het dan af.” Een contract laten tekenen is een erg goed idee, en ook zoiets als een voorwaardelijk burgermanschap, zodat nationaliteit niet iets is dat je zomaar krijgt, maar iets dat je moet verdienen. De Italiaanse inlichtingendiensten zijn meester in het afluisteren van telefoongesprekken. Als je de transcripties van die getapede gesprekken ziet, en leest wat die moslimfundamentalisten echt van ons denken, word je misselijk. Het is ongelooflijk. De economische recessie die nu over ons spoelt zal ons misschien wel verplichten om realistischer te worden.

 

Uw boek eindigt nogal deprimerend met de voorspelling dat het nog een jaar of dertig zal duren voor we van Al Qaida af zijn.

BURLEIGH: Ik hoop uit de grond van mijn hart dat ik ongelijk heb, en dat ze er sneller het bijltje bij neer zullen leggen. Toen ik met een paar intelligente mensen in het Pentagon praatte, opperden ze het idee om Al Qaida te behandelen als een slecht merk. Ze vertelden me dat ze veel boeken gelezen hadden over reclame. Ze hadden het over een auto uit de fifties, de Ford Edsel, een benzinezuiper met vinnen op de achterflanken, waar de Amerikanen van gruwden. Hij stond synoniem voor totale mislukking – Edsel werd de afkorting voor: Every Day Something Else Leaks. Ford verloor er 400 miljoen dollar aan. Die mensen uit het Pentagon vertelden me dat ze van Al Qaida de Edsel onder de terroristen wilden maken: een besmet merk. Uit interne Al Qaidacommunicatie die de Amerikanen onderschept hebben, blijkt dat er heel wat ontevredenheid leeft bij de gemiddelde Marokkaan die zichzelf moet opblazen. “Waarom zijn alle kerels die strategische beslissingen nemen Egyptenaren? Terwijl ik het strontwerk moet doen. Ik moet mezelf opblazen.” De bedoeling van de lui van het Pentagon is dat lokale groeperingen in Belujistan denken: “We kunnen beter op eigen houtje de Pakistani blijven ambeteren, in plaats van ons te associëren met die losers van Al Qaida.” Misschien werkt het wel. Laat ons hopen.

 

© jan@janstevens.be

Levenslang vechten tegen de haat

De Joods-Tsjechische concertpianiste Alice Herz-Sommer werd deze maand 104. Als jong meisje wandelde ze met huisvriend Franz Kafka door Praag, als jonge vrouw beleefde ze concerttriomfen en als jonge moeder werd ze gedeporteerd naar Theresienstadt. Ze verloor haar man en haar moeder in de holocaust. “Toch haat ik niemand.” Een gesprek met Kafka’s laatst levende vriendin.

Een zonnige donderdagmiddag in het residentiële Belsize Grove in het noorden van Londen. Een paar straten verder bewonderen toeristen van op Primrose Hill de skyline van Londen en liggen jonge koppeltjes op het gazon van Regent’s Park te genieten van de najaarszon. Klokslag twee bel ik aan. “Perfect op tijd”, begroet de bijna 104-jarige Alice Herz-Sommer me als ze de deur van haar eenkamerflat opent. “Je komt helemaal uit België om over mijn leven te praten? Wat is er zo speciaal aan mijn bestaan? Mijn carrière als pianiste? Er zijn honderdduizenden muzikanten in de wereld; ik ben niet de enige.” Terwijl ze thee inschenkt en koekjes voorschotelt, vraagt ze: “Hoe oud ben je? 43? Dan ben je nog een baby.”

Alice Sommers bescheidenheid siert haar, maar zij is niet zomaar ‘een van die honderdduizenden andere muzikanten’. In de jaren voor, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog wandelde ze samen met Franz Kafka door de straten van Praag, en in de twintiger jaren beleefde ze triomfen als concertpianiste. De Tweede Wereldoorlog maakte een abrupt einde aan haar carrière. Samen met haar man Leopold en hun zoontje Raphael werd ze in 1943 op transport gezet naar Theresienstadt, ‘modelgetto’ in het noorden van Tsjechië en doorvoerhaven naar vernietigingskampen als Dachau en Auschwitz. Haar man stierf in Dachau; zij en haar zoon overleefden de gruwel. In 1949 emigreerde ze naar Israël. Alice werd hoofd van het conservatorium van Jeruzalem; Raphael Sommer werd een wereldberoemd cellist met Londen als uitvalsbasis. Op haar 84e verhuisde ook Alice naar Londen. In 2001 stierf haar zoon.

Kafka
Alice Herz zag in 1903 als jongste van een tweeling het levenslicht in Praag – een stad die toen tot het Habsburgse Oostenrijk behoorde. Haar vader Friedrich Herz was fabrieksdirecteur en zeer down-to-earth. In tegenstelling tot haar moeder Sofie Schulz, die gepassioneerd was door literatuur en van ’s morgens tot ’s avonds Bach op de piano speelde. “Mijn ouders hadden geen gelukkig huwelijk”, zegt Alice. “Het was gearrangeerd. Dat was de norm in die tijd bij Joodse families. Vader was geobsedeerd door werk – nu zou hij een workaholic genoemd worden. Om zes uur ’s morgens zat hij al in zijn kantoor. In die tijd bestond er nog geen typemachine; hij schreef alles met de hand in de boeken in. Om zes uur ’s avonds kwam hij terug naar huis. Wij, de vijf kinderen, zaten dan rond de tafel, en mama gaf papa de volle laag: ‘Je had dit moeten doen. Je hebt dat verkeerd gedaan.’ Bijna elke avond maakten ze ruzie. Na afloop van hun geruzie zei ik soms: ‘Mama, je zou papa beter eens vastnemen en hem een kus geven.'”

De kinderen Herz kregen geen religieuze opvoeding. De meeste Praagse Joden hadden lak aan religie en leidden een vrijzinnig leven. Alice Herz-Sommer: “Zelfs mijn grootouders hadden het geloof al afgezworen. Een keer per jaar – op Jom Kipoer – ging mijn vader naar de synagoge. Dat was alles. Ik herinner me dat ik naar mijn moeder toe stapte en haar vroeg: ‘Wat zijn wij eigenlijk? Op school spelen we met Duitse, Tsjechische en Joodse kinderen. Zijn wij Duitsers, Tsjechen of Joden?’ ‘Ik weet het niet’, antwoordde ze.”

Alice’ oudere zus Irma werd verliefd op de filosoof Felix Weltsch. Via Weltsch leerde de familie Herz Franz Kafka kennen. “Felix bracht Franz mee naar de tennisclub”, herinnert Alice zich. “Hij was een waardeloze speler.” Franz Kafka liep de deur van de familie Herz plat. Alice Sommer: “Kafka werkte bij een verzekeringsfirma. Mijn zus Irma ergerde zich mateloos aan zijn gewoonte om zich voortdurend te verontschuldigen. Voor alles vroeg hij vergiffenis: voor zijn te laat zijn, voor zijn aanwezigheid, voor zijn afwezigheid… We maakten ons erg vrolijk over zijn geëxcuseer. Kafka was dol op mijn moeder, en hij sprak met haar over zijn geschriften. Wij als kinderen begrepen niet veel van wat hij vertelde, maar we waren erg onder de indruk. In de omgang was Franz Kafka een moeilijk man. Als je zijn verhalen leest, merk je een eigenaardige vorm van humor. Die hanteerde hij ook in zijn conversaties. Het leek wel alsof die humor hem door dit harde bestaan moest leiden. Het dagelijks leven was een zware strijd voor hem. Zijn besluiteloosheid was legendarisch. Hij kon nooit beslissen wat zijn volgende stap in het leven zou zijn. Hij twijfelde over alles en nog wat. Ik denk dat hij voortdurend worstelde met het geloof. Zijn vader was niet religieus, maar zijn moeder was ultra gelovig. Dat zorgde voor veel spanningen in het gezin Kafka. Als kind is hij getuige geweest van zwaar geruzie tussen zijn vader en moeder over haar fanatieke, orthodoxe geloof. Dat heeft Franz getekend voor de rest van zijn leven. Na de Eerste Wereldoorlog kwamen er veel orthodoxe Joden vanuit Polen naar Praag. Op een keer nam hij mijn tweelingzus en mij mee door de oude stad, en we kwamen een hele groep van die orthodoxe Joden tegen. Ik herinner me dat hij hen aansprak en hen zei: ‘Ik behoor tot jullie.'”

Anno 2007 is Alice Herz-Sommer de laatst levende mens die Kafka persoonlijk gekend heeft. “Daardoor krijg ik studenten van over de hele wereld op bezoek”, zegt ze. “Jonge mensen uit Zuid-Amerika of Japan die aan een doctoraal over Kafka werken. Ze willen weten wat voor iemand hij was, en hoe zijn relatie was met zijn latere biograaf en onze gezamenlijke vriend Max Brod. Ik heb urenlang gewandeld met Kafka. Hij vertelde mij en mijn zus dan de meest waanzinnige dierenverhalen. Maar in het algemeen was hij erg somber. Hij was een geboren pessimist. Ik hou nog altijd niet van Kafka als schrijver. Hij zag de schoonheid in het leven niet. Ja, het leven is mooi. Kijk naar buiten, naar de straten van Londen, het leven is toch fantastisch? Londen is prachtig, net als Praag.”

Discipline
Van jongs af was Alice gefascineerd door de piano. “Als kind kreeg ik aandacht als ik een stukje op de piano speelde. Ik had talent, maar talent alleen is niet voldoende als je een carrière in de muziek ambieert. De meest getalenteerde mensen halen het niet zonder discipline. Ik las graag biografieën, en leerde daaruit hoe Schubert elke dag van zeven tot twaalf zat te componeren, ook al had hij geen inspiratie. Balzac, de grote Franse schrijver, zat elke avond van 8 tot 8 uur ’s morgens achter zijn bureau te schrijven. Ik heb mezelf gedisciplineerd door piano te studeren. Ik speelde negen tot tien uur per dag. Als ik concerten had, ging ik zelfs niet slapen. Een van mijn broers was een excellente violist. Hij had een grote carrière kunnen uitbouwen, maar hij had niet zoveel energie als ik. Ik ben geboren in een tijd toen er spanningen waren tussen Tsjechen, Duitsers en Joden. Dat had zijn goede kanten. Buitengewone Joodse muzikanten zoals ik moesten gewoonweg beter zijn dan de anderen. Typisch voor Joodse mensen is dat ze willen laten zien hoe goed ze wel zijn. Ze hebben gelijk, want als je iets erg goed kunt en beheerst, is het leven gemakkelijker. Maar als je middelmatig bent, is het leven moeilijk. Zeker jonge mensen hebben het lastig als ze niet boven de middelmaat uitstijgen.”

In de twintiger jaren beleefde Alice triomf na triomf. ’s Ochtends studeerde ze vier uur piano, ’s middags gaf ze les en ’s avonds speelde ze concerten.

Chopin
In 1925 ontmoette Alice de handelsvertegenwoordiger Leopold Sommer. In het voorjaar van 1931 traden ze in het huwelijk; zes jaar later werd hun zoontje Raphael geboren. “We waren perfect gelukkig.” Aan dat geluk kwam abrupt een einde toen Hitlers troepen op 15 maart 1939 Praag binnentrokken en in het hart van de stad op de Wenzelsplatz massaal werden toegejuicht.

“We moesten de gele ster dragen, alsof het een schande was om Jood te zijn”, zegt Alice Sommer wrang. “We mochten geen telefoon of radio meer hebben, Leopold verloor zijn werk en ik mocht niet langer lesgeven aan niet-Joden. In het begin hadden we geluk dat we onze kleine flat niet moesten verlaten. Andere Joden werden naar een getto gestuurd, wij nog niet. Boven ons leefde een nazi, zijn naam was Hermann. Raphael speelde met zijn zoon. Dat kon, want tot hun zesde moesten Joodse kinderen geen ster dragen.”

Op 5 juli 1943 werd het gezin Sommer op transport naar het getto van Theresienstadt gezet. Alice Sommer: “Mijn moeder was een jaar eerder gedeporteerd. Dat was een verschrikkelijke schok voor mij. Het afscheid van haar is het grootste dieptepunt uit mijn leven. Moeder was oud, 72, ziek, en had alleen een rugzak als bagage. Op 13 juli 1942 is ze naar Theresienstadt gedeporteerd. In oktober van datzelfde jaar is ze naar het vernietigingskamp Treblinka overgebracht. Daar is ze vermoord. Na het afscheid van moeder raakte ik in een zware depressie. Ik herinner me nog als de dag van gisteren de plaats en het moment waarop de wanhoop het grootst was. 24 juli 1942. Ik was op weg naar huis en ik kon niet verder. Een innerlijke stem zei: ‘Nu kan niemand je nog helpen. Niet je man, niet de dokters, niet je fantastische kind. Je staat er helemaal alleen voor.’ Elke pianist speelt in zijn repertoire zes of zeven wonderbaarlijke etudes van Frédéric Chopin. Ik besloot om ze alle vierentwintig te leren spelen, tegen de wanhoop in. Een concert van meer dan twee uur. Wie dat kan, heeft het allerhoogste bereikt, want de etudes zijn aartsmoeilijk. Ik kwam thuis en begon te spelen, van de ochtend tot de avond. Op een keer was ik aan het spelen, en ik hoorde geklop boven mij. Ik dacht: ‘Oei, Herr Hermann maakt zich druk.’ Als Joodse mocht ik geen piano hebben. Toen ik dat gebons hoorde, stopte ik met spelen. Joden mochten slechts een half uur per dag naar de winkels gaan. De vrouw die instond voor het onderhoud van het trappenhuis bracht ons soms iets, en we waren daar blij mee. We moesten haar woekerprijzen betalen, maar dat maakte toen niet uit. En daar stond ze in het deurgat. ‘Frau Sommer, Herr Hermann vroeg me of u gedeporteerd bent, want u bent gestopt met spelen.’ Ze zei dat ik verder kon spelen, want de nazi genoot van de muziek.”

“De avond voor we naar Theresienstadt gedeporteerd werden, zaten ik en Leopold in onze verduisterde kamer. We wilden dat ons kind zijn laatste nacht thuis in een knus, warm bed doorbracht. De deur stond een beetje open, en er kwamen Tsjechen – goede vrienden van ons – binnen. Ze spraken geen woord, maar namen alles mee wat ze konden dragen, terwijl wij daar zaten. Zelfs nu kan ik dat nog altijd niet begrijpen. Diezelfde avond kwam mijnheer Hermann langs. Hij zei: ‘Mevrouw Sommer, ik hoor dat u op transport gezet zal worden. Ik wens u het allerbeste. Ik kom uit een muzikale familie en heb grote bewondering voor uw pianospel. Ik dank u voor die mooie muziek die u gespeeld hebt.’ Hij was een mens. Die Tsjechen niet.”

Theresienstadt
Theresienstadt was oorspronkelijk een garnizoensstad. Alice Sommer: “Er stonden grote barakken waar ooit soldaten gelegerd waren. De oorspronkelijke bewoners moesten er weg toen het een getto voor de Joden werd. In die kleine plaats leefden normaal 9000 zielen, onder Hitler werden er tot 300.000 Joden van over heel Europa samengebracht.”

Het getto werd bewaakt door de SS en de Tsjechische politie. Theresienstadt was een tussenstation in de doorvoer van Joden naar de vernietigingskampen. Eind 1943 gaven de nazi’s aan een onderzoekscommissie van het Internationale Rode Kruis toestemming voor een bezoek aan de stad, om de wereld te laten zien dat de Joden goed behandeld werden. Maar eerst werd er schoon schip gehouden en werd de overbevolking opgelost door het aantal transporten naar Auschwitz op te drijven. De nazi’s bouwden nepwinkels, een café, een kleuterschool en een lagere school. De huizen werden met bloemen getooid. De delegatie van het Rode Kruis tuinde er met haar ogen wijd open in. De nazi’s gaven een aantal inwoners het bevel een propagandafilm te draaien – ‘De Führer schenkt de Joden een stad’. Naderhand werden alle medewerkers aan de film op transport naar Auschwitz gezet.

De interne gang van zaken in het getto werd geregeld door een Raad van Ouderen. De Joodse leiders organiseerden het werk, regelden de voedselverdeling en de huisvesting, organiseerden concerten en toneelopvoeringen en stelden zelf de lijsten samen voor de deportaties. Alice Sommer: “Ons eten bestond ’s ochtends uit zwart water, ‘koffie’, ’s middags uit wit water, ‘soep’, en ’s avonds terug uit zwart water. Mijn zoon huilde vaak van de honger. Niet in staat zijn om je kind iets te geven, is hard voor een moeder. Twee jaar lang sliep ik met mijn zoon op een matras. Dat was goed voor hem. Hij voelde zijn moeder dichtbij. Dat gaf hem veiligheid. Hij werd geselecteerd om mee te zingen in de voorbereidingen voor de kinderopera Brundibár. Daar was ik erg blij mee, want ik wist dat er niets met hem kon gebeuren als hij daar was, en hij raakte er altijd in een goede stemming. Het was hard. We werden verplicht om concerten te spelen. Ik had vijf of zes programma’s, en er was een organisatie die dat regelde: de Freizeitgestaltung. Ik kreeg opdracht om op zondag, woensdag en vrijdag te spelen. De concerten waren in het gemeentehuis, er was plaats voor 150 mensen. Oude, vereenzaamde, hongerige mensen. En toch kwamen ze naar die concerten! Muziek was ons geestelijk voedsel. Theresienstadt was propaganda voor Hitler, maar de muziek hield ons in leven.”

Was Alice Sommer zich toen bewust van wat er met de Joden in de kampen gebeurde? “Op dat moment niet. Na een jaar in Theresienstadt, werden duizend mannen op transport gezet, waaronder mijn man. Hij wist wat hem te wachten stond, en vlak voor hij naar Dachau gevoerd werd, zei hij: ‘Probeer om hier te blijven. Luister niet als ze een oproep doen aan de achtergebleven vrouwen om hun mannen te vervoegen. Doe het niet.’ Drie dagen later werd er weer een transport van duizend mensen georganiseerd onder het motto: ‘Kinderen en vrouwen volgen hun vaders en mannen’. Iedereen wou mee. Ik bleef achter met Raphael. Leopold heeft onze levens gered. Niemand kwam terug. Mijn man stierf in Dachau. Hij stond erg dicht bij onze zoon. Het was een schok voor Raphael, toen zijn vader weg moest uit Theresien. Vanaf die dag vroeg ik me af hoe ik hem zonder haat kon laten opgroeien. Want haat brengt alleen maar haat voort. Ik wou niet dat mijn jongen de rest van zijn leven zou haten. Ik heb met Raphael nooit over Theresienstadt of over de holocaust gesproken. Natuurlijk wist hij wat er gebeurd was. Hij was als cellist erg populair in Duitsland, hij speelde er zeer veel. Hij verweet de Duitsers niets. Een paar jaar voor zijn dood heeft hij een autobiografie geschreven waarin hij me expliciet dankt dat ik hem geen haat opgelepeld heb. Nee, ik haat niet. Ik heb nooit een woord van haat tegenover het naziregime geuit. Geen woord. We komen half goed, half slecht uit de buik van onze moeder. Ik hou van mensen met zowel het slechte als het goede. Ik kijk naar het goede, en ik vergeet het slechte. Spinoza zegt: ‘We kiezen zelf om het goede, of het slechte te doen.’ Ik lees veel, en ik ga naar de Universiteit voor de Derde Leeftijd. Op dinsdag volg ik filosofie; Spinoza is mijn favoriete filosoof. Voor hem is alles god, zijn wij god. Goed en kwaad zijn god. Ja, ook het kwaad. Ik heb geen religie nodig, maar misschien zit er wel een stukje god in alles.”

Democratie
Na de bevrijding keerde Alice met haar zoon terug naar Praag. “We trokken in bij mijn broer. Hij was getrouwd met een niet-Joodse, zij heeft hem beschermd. Na twee maanden kregen we van de Joodse gemeenschap een kleine flat toegewezen, en een beetje geld. Ik begon terug pianolessen te geven. Tot Stalin na de staatsgreep van ’48 Praag helemaal inpalmde. Ik heb anderhalf jaar onder het communistische juk geleefd. Ik verzeker je, de mensen hier in Engeland en in de rest van Europa beseffen niet hoe kostbaar democratie is. Onder de dictatuur van het communisme waren we bang om iets te zeggen – zelfs tegen goede vrienden. Je kon niemand vertrouwen. Na Hitler en Stalin ben ik naar Israël vertrokken. Daar was er geen dag zonder spanning, maar hadden we wel democratie. Je kon er zeggen en lezen wat je wou. Je kon je kind opvoeden zoals jij wou, niet zoals zij het wilden. Democratie. Je kent de negende van Beethoven met Schillers ‘Alle Menschen werden Brüder’?” Alice Sommer neuriet zachtjes. Dan zegt ze: “We leven in een slechte tijd. Een heel slechte tijd. Er is zoveel haat. Het is zelfs nog veel erger dan in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Maar het wordt beter. Misschien moet het eerst nog wat slechter gaan, maar dan wordt het weer beter. Want vanuit het slechte groeit het goede.”

Jarenlang stond Alice Herz-Sommer aan het hoofd van het conservatorium van Jeruzalem. “Daar heb ik honderden leerlingen onder mijn hoede gehad. Ook veel Arabieren. Ze schrijven nu nog naar mij, van over de hele wereld. Fantastische mensen. In Israël heb ik de mooiste tijd van mijn leven beleefd.”

Op haar 84e verhuisde ze naar Londen. “Ik wou bij mijn zoon en mijn kleinkinderen zijn. Raphael is dood, maar een van mijn kleinkinderen leeft en werkt hier. Of ik nog plannen maak voor de toekomst? Nee. Ik kan elk moment sterven. Als er iets gebeurt, bel ik mijn kleinzoon en in vijf minuten is hij hier. Maar ik speel nog alle dagen piano, met acht vingers – mijn twee wijsvingers willen niet meer mee. Discipline!”

Hoe kijkt Alice Herz-Sommer terug op haar leven? “Ik heb er een erg goed gevoel over. De vrienden van mijn generatie zijn dood. Maar hun kinderen komen mij nog altijd opzoeken. Max Brod was een levenslange vriend. Op de dag dat Wereldoorlog II uitbrak, is hij samen met mijn zus en Felix Weltsch op de laatste trein naar Israël gestapt. Mijn leven was moeilijk. Maar dat komt ook deels voort uit mijn karakter. Veel jonge Engelse journalisten hebben gezeten waar jij nu zit. In het begin vroeg ik hen: ‘Waarom komen jullie? Wat willen jullie van mij?’ ‘Wij willen schrijven over hoe het leven is als een mens zo oud is als u.’ Ik wou daar eerst niet op ingaan, want ik wilde niet dat die jonge mensen bang werden. Maar het inspireerde me. Als ze nu komen, zeg ik altijd: ‘De ouderdom is de mooiste periode uit ons leven.’ Alleen als je zo oud bent als ik, raak je echt doordrongen van de schoonheid van het bestaan.”

Etudes van troost, de biografie van Alice Herz-Sommer, is geschreven door Melissa Müller en Reinhard Piechocki en uitgegeven door Artemis & co.

© jan@janstevens.be