Uluguru

Op 200 kilometer van de Tanzaniaanse stad Dar-es-Salaam, vlakbij het stadje Morogoro, liggen de Ulugurubergen. Op de flanken van de eeuwig groene bergen leven de mannen en vrouwen van de Lugurustam in hun primitieve huizen net zoals hun voorouders honderden jaren geleden.

In de verte kraait een haan als we om zes uur in de ochtend de lobby van ons hotel uitwandelen. In de schemerige, stoffige straten van Morogoro is het nog vrij rustig. Er rijden minder gammele Japanse auto’s rond dan midden op de dag, en de luifels van veel winkeltjes zijn dicht. Het is aangenaam warm, maar de inwoners van Morogoro die op weg zijn naar hun werk, denken daar anders over: sommigen dragen een dikke trui, anderen een warme jas, tot helemaal boven dicht geknoopt. Op het binnenplein voor het kantoortje van Chilunga Cultural Tourism Program aan Rwegasore Street staat gids Emanuel Lengeteu ons op te wachten. Hij zal ons meenemen op een wandeling in de Ulugurubergen tot aan het dorp Choma. De hoogste top van het gebergte meet 2.630 meter; Choma ligt op 1.500 meter. Tot een half jaar geleden woonde de vierentwintigjarige Emanuel in de noordelijke stad Arusha, waar hij als drager werkte voor expedities naar de bijna 5.900 meter hoge Kilimanjaro. “Dat was een ongelooflijk zware job”, zegt hij. “We droegen tot veertig kilo op onze rug tot op de top.” Met zijn spaargeld volgde Emanuel ’s avonds de gidsenopleiding aan het Tropical Institute of Tourism in Arusha en van zodra hij zijn diploma op zak had, reisde hij naar de zeshonderd kilometer zuidelijker gelegen provinciestad Morogoro. “Als beginnende gids moet je keihard knokken om in de Kilimanjaro aan de bak te komen. Het Ulugurugebergte is nog niet ontdekt door de grote toeristische industrie. De mensen die hier rondtrekken zijn ook echt geïnteresseerd in de natuur en cultuur van Tanzania.”

We verlaten het centrum van Morogoro en wandelen door een residentiële buitenwijk vol oude, vervallen villa’s uit de koloniale tijd. “Tanzania is gesticht in 1964”, zegt Emanuel. “Toen werden Tanganyika en het eiland Zanzibar tot één republiek samengevoegd. Vanaf 1890 tot 1918 was Tanganyika een Duitse kolonie. In deze streek hadden de Duitsers grote plantages waar onze voorouders dwangarbeid moesten verrichten. De kolonisten pikten al het vruchtbare land in en de dorpsbewoners werden verbannen naar reservaten. In 1904 kwamen verschillende stammen tegen de Duitsers in opstand. De Maji-Maji rebellie startte hier en deinde uit naar Rwanda en Burundi. Onze krijgers hadden alleen pijl en boog; de Duitse Schutztruppe schoten met scherp. De belangrijkste leider van de opstand, de tovenaar Kinjikitile ‘Bokero’ Ngwale, beweerde dat het door hem gezegende water, ‘maji’ in het Swahili, de krijgers onkwetsbaar zou maken voor de Duitse kogels, want die zouden veranderen in waterdruppels. De bloederigste slag werd honderd kilometer hier vandaan uitgevochten in Mahenge. 4.000 krijgers sneuvelden onder het machinegeweervuur van honderd Duitse soldaten. In 1907 werd Bokero samen met de andere rebellenleiders opgepakt en opgehangen. Zijn hoofd werd afgehakt en naar de Duitse keizer gestuurd.”

Mzungu

De weg versmalt en gaat over in een pad. De villa’s zijn verdwenen. Palm- en bananenbomen wisselen elkaar af. We klimmen en laten de vallei achter ons. Op de takken van een grote ficus ligt een familie kalebasapen te luieren. Een groepje kinderen in schooluniform haalt ons in. “Habari? Hoe gaat het?”, vragen ze in koor. “Mzuri. Goed”, antwoorden we.

Op het erf voor een paar kleine stenen huizen vullen vrouwen juten zakken met rode kleistaafjes. Hun kinderen spelen tikkertje. Naast een hoge berg rode klei liggen honderden staafjes te drogen in de zon. De kinderen stoppen met spelen. “Mzungu, blanke man”, roept de kleinste en hij lacht zijn tanden bloot.

“Mogen we hier eens rondkijken?” vraagt Emanuel beleefd aan de oudste vrouw. Ze knikt. “Asanté, dankuwel”, zegt hij. “De vrouwen verdienen hun brood met die kleistaafjes. De klei halen ze hoger in de bergen. Ze verkopen de staafjes op de markt van Morogoro. Vooral zwangere vrouwen knabbelen erop, want er zitten veel mineralen in. Proef maar eens.” Het staafje smaakt naar niets.

In dit deel van het Ulugurugebergte leven de mannen en vrouwen van de Lugurustam. “De Tanzaniaanse bevolking is samengesteld uit 121 stammen”, vertelt Emanuel. “Ze leven in vrede samen en kunnen ook met elkaar trouwen, want onze taal het Swahili verbindt iedereen. Bij de Luguru bezitten de vrouwen het land. Deze huizen en dit erf zijn eigendom van de vrouwen die hier werken. Zij zijn ook de baas. Als ik verliefd word op een van hun dochters en met haar wil huwen, moet ik hier komen wonen.”

Tot welke stam behoort Emanuel? “Ik ben een Masaï. Wij zijn ‘de ogen van Tanzania’. Op mijn zestiende ben ik besneden; ik werd toen een echte Moran, een krijger. Als ik bij mijn familie in Arusha ben, is het mijn taak om hen te beschermen. Ze hebben me geleerd dat ik altijd respect voor de ouderen moet hebben. Respect is heel belangrijk. Wie bij ons de regels overtreedt, krijgt 70 stokslagen. Ik vind dat prima. Wie een oudere voor het hoofd stoot, moet voor hem een geit kopen. Of een schaap en een krat bier.”


Tussen het overvloedige groen klimmen we naar boven. Het zweet loopt van onze rug. We draaien ons om. Het zicht over de vallei is adembenemend. Een paar stappen verder komen we aan een plateau waar een schooltje staat. Kleine kinderen in uniform spelen in het gras. Als ze ons zien, lachen ze en roepen ze “Mzungu, mzungu!” We stappen een klaslokaal binnen. De schoolbanken stammen uit een vorige eeuw en het bord zit vol gaten. We zwaaien naar de kinderen en wandelen verder over het steile pad. Aan een bananenboom hangt een affiche. Emanuel vertaalt. “De overheid vraagt aan de dorpsbewoners om elke vrijdag en zondag dit pad te onderhouden. Dit is de enige weg naar het dorp. Als er iemand ernstig ziek is, moet hij helemaal van boven naar beneden gedragen worden. Met de auto geraak je er niet.”

In de verte horen we geruis. “Een waterval”, zegt Emanuel. We klauteren verder tot aan het indrukwekkende neerstortende water, waar we even uitrusten terwijl onze gids frambozen voor ons plukt.

Karibu

Choma is niet meer dan een paar stenen huisjes tegen de berghelling. Hier is geen elektriciteit, geen gas, geen telefoon. Niets. Maria en haar dochter heten ons welkom in hun kleine, bescheiden huisje zonder ramen. “Karibu. Welkom.” Naast het huis kijken twee koeien ons vanuit hun houten kraal niet begrijpend aan. “Maria’s man is dood. Elke dag gaat ze naar beneden om de melk van de koeien te verkopen op de markt van Morogoro. Het leven is hard, maar niemand lijdt hier honger.”

Terwijl Maria een kokosnoot in twee hakt, stookt haar dochter het vuur hoog op in het stalletje naast het huis. Zij is druk bezig met het klaarmaken van ons middagmaal. Maria doet teken dat we binnen moeten stappen in haar huisje. We maken aanstalten om onze modderige schoenen los te knopen, maar onze gastvrouw knikt van nee. De tafel staat feestelijk gedekt met borden en lepels, op de stoelruggen hangen groene gehaakte tapijtjes. “Hier in de buurt leven nog twee andere stammen”, zegt Emanuel. “De Kaguru en de Wavidunda. Vroeger konden ze elkaars bloed wel drinken, nu laten ze elkaar met rust. De Kaguru dragen altijd zwarte kleren, net als de Masaï.”

Het eten wordt op tafel gezet: kisamvu, een stoofpotje van maniokbladeren, bonen met kokossaus en ugali, maïsmeelpasta. Het smaakt heerlijk. Maria is pas tevreden als we nog een extra portie opscheppen. Wanneer we een uur later afscheid nemen, stopt ze Emanuel een tros bananen toe voor onderweg. “Zij zorgt voor mij als mijn eigen mama”, lacht hij. We sjorren onze rugzakken vast en beginnen voorzichtig aan de lange weg naar beneden.

 

 

Chilunga Cultural Tourism

Het kleine toeristenbureautje uit Morogoro organiseert verschillende wandelsafari’s in de Ulugurubergen. Een deel van de opbrengst wordt geïnvesteerd in de lokale gemeenschappen. www.chilunga.or.tz

 

Tekst: © Jan Stevens

Foto’s: © Veerle Van Hoey


Advertenties

The Granite City

De inwoners van Aberdeen noemen hun stad liefkozend The Granite City. De huizen zijn er immers opgetrokken uit eeuwenoude graniet uit de Grampian Highlands. Aberdeen verenigt twee werelden: een stoere bruisende havenstad en een pittoreske levendige universiteitsstad.

 

Het schemert als we door de glazen deuren van de aankomsthal van Aberdeen Airport naar buiten stappen. “Waar vinden we een taxi?” vraag ik aan een man die een sigaretje staat te roken. “Als u naar het centrum moet, springt u beter op de Jet-bus”, antwoordt hij. “Een rit kost amper twee pond en gaat even snel als een dure taxi.”

De Jet-bus rijdt pas sinds augustus 2010 zeven dagen op zeven van de luchthaven naar het stadscentrum. Hij vormt de enige directe busverbinding en past in plannen om de derde grootste stad van Schotland toegankelijker te maken voor weekendtoeristen. Want terwijl grotere broers Edinburgh en Glasgow de voorbije decennia wel veel vrijetijdsreizigers lokten, bleef Aberdeen voornamelijk de favoriete pleisterplaats voor olieplatformarbeiders en zakenlui. Sinds in 1972 aardolie in de Noordzee werd ontdekt, is Aberdeen uitgegroeid tot de ‘Europese hoofdstad van de offshore olie-industrie.’ “Het vele geld dat daardoor binnenstroomde, maakte het stadsbestuur lui”, zegt onze chauffeur. “Ze vergaten de stad te promoten in het buitenland.” Daardoor is Aberdeen meteen ook een van de laatste onontgonnen parels van Schotland. Van zodra we de monumentale straten van Aberdeen binnenrijden, weten we dat we deze fiere stad niet snel zullen vergeten.

 

Harry Potter

De havenstad Aberdeen zit gevangen tussen de rivier de Dee in het zuiden en de Don in het noorden. In het oosten ligt de Noordzee en in het westen gaan akkers en weiden geleidelijk over in de Grampian Highlands. Aberdeen was de favoriete stad van de grote romantische Britse dichter Lord Byron. Hij zag het levenslicht in 1788 in Londen, maar na de dood van zijn vader in 1792 verhuisde hij met zijn moeder naar Aberdeen. De grootsheid van de stad, haar door en door Schotse ziel en de nabijheid van de haven vol majestueuze schepen lieten een onuitwisbare indruk op hem na. Lang nadat hij naar Engeland terug gekeerd was, bleef het heimwee naar de trotse Granite City knagen. Echo’s daarvan klonken door in zijn poëzie: ‘The Dee, the Don, Balgounie Brig’s black wall, All my boyhood feelings, all my gentler dreams…’ Byron zat op de schoolbanken in de Aberdeen Grammar School aan Skene Street, bekend bij elke Aberdonian als The Grammar. De school eert haar beroemde leerling met een immens standbeeld vlak voor de toegangspoort. Met zijn vele torentjes en kantelen moet The Grammar wel model gestaan hebben voor Zweinsteins Hogeschool voor Hekserij en Hocus-Pocus uit de boeken van Harry Potter.

 

’s Avonds hangt er in de hele stad een magische, sprookjesachtige sfeer. Abderdeen is met zijn kloeke huizen, fraaie kerken, oude kerkhoven en smalle steegjes de perfecte locatie voor een film, bevolkt met tovenaars en bloeddorstige doedelzakspelende krijgers in kilt. Op dit late uur ligt het schaars verlichte oude kerkhof – the kyrkyart – van St. Nicholas aan de grote winkelstraat Union Street er met zijn scheefgezakte grafzerken griezelig bij. Tijdens de reformatie werden hier heksen vastgeketend vooraleer ze op de brandstapel belandden. Het lijkt alsof we ze in de verte nog zachtjes horen kermen.

We slaan een smal zijstraatje van Union Street in, een typische wynd of steeg die nog stamt uit de middeleeuwen, en passeren het stemmige visrestaurant Moonfish Café. We checken het menu achter het raam en besluiten om hier te dineren. Aberdeen heeft een reputatie hoog te houden als het op verse noordzeevis aankomt. Lang voor de stad door de olievelden een economische boom meemaakte, leefde ze vooral van de visvangst. We bestellen Sint-Jacobsvruchten en gegrilde heilbot, gevangen voor de kust van de Shetlandeilanden. Alles smaakt licht en mediterraans. Tijdens de koffie ontdekken we het geheim van het Moonfish Café, wanneer chef Christian Recomio langs ons tafeltje passeert: hij vertelt ons dat hij ‘de stiel’ geleerd heeft in de beste restaurants van Barcelona.

In Belmont Street staat de ene hippe pub naast de andere. We stappen Slains Castle binnen. De pub is gevestigd in een oude kerk en is volledig ingericht als het kasteel van Dracula. Slains Castle is een eerbetoon aan schrijver Bram Stoker, die aan het einde van de 19e eeuw voor zijn meesterwerk Dracula geïnspireerd raakte door de imposante ruïnes van het echte Slains Castle ten noorden van Aberdeen. We luisteren naar de stoere verhalen van de visserslui aan de toog en bestellen een whisky. “Welke?” vraagt de waard laconiek, en hij wijst naar de honderden flessen achter hem. Na lang twijfelen kiezen we voor een zestien jaar oude Aberlour, een single malt uit de streek. “Neem er een bord Haggis, neeps ‘n ‘tatties, haggis met gestampte rapen en aardappelen bij”, zegt de waard. We zijn niet echt verzot op gevulde schapenmaag en slaan zijn vriendelijke aanbod beleefd af. Maar de whisky smaakt naar meer.

 

King’s College

Met een Full English Breakfast achter de kiezen, wandelen we de volgende ochtend langs de grijze, granieten herenhuizen van King Street naar Old Aberdeen. In Old Aberdeen is de universiteit heer en meester. De verschillende colleges met hun kerken en binnenplaatsen vol rondlummelende studenten, zorgen voor dezelfde studentikoze sfeer als in Oxford of Cambridge. Alleen zijn de fraaie oude Halls met hun waterspuwende draakjes aan de gevels hier niet gebouwd in gele steen maar in grijs graniet.

Het prachtige King’s College dateert uit 1495. De opvallende toren van de kapel lijkt op een grote koningskroon. We kuieren door de gezellige steegjes van Old Aberdeen. Vlakbij de Botanical Gardens, aan de rand van het schitterende Seaton Park, staat de mooie Saint Machar’s Cathedral. Het is het oudste granieten gebouw van de stad. Binnen is het stil. De indrukwekkende bogen van het middenschip dateren uit de 14e eeuw. Een kromgebogen dametje stapt ons tegemoet. “Where do you come from?” vraagt ze vriendelijk met een zwaar rollende r. Uit haar tas diept ze een foldertje over de geschiedenis van de kerk tevoorschijn. “Written in Dutch”, zegt ze. “Speciaal voor jullie.” Het lijkt wel alsof wij de eerste Nederlandstalige toeristen zijn die ze ooit gezien heeft. “Wat vinden jullie van Aberdeen?” vraagt ze. “Prachtig”, antwoorden we. “Imposant.” Ze lacht en fluistert samenzweerderig: “Spread the good news.”

 

 

Cairn Gorm National Park

Aberdeen is dé ideale uitvalsbasis voor een uitstap naar het schitterende Cairngorms National Park in het hart van de Schotse Highlands. De Cairngorms vormen de hoogste bergketen van Schotland én van Groot-Brittannië. In de winter is de woeste Cairn Gorm met zijn 1.245 meter hoogte erg in trek bij skiërs. Het Cairgorms National Park is de thuishaven van de enige kudde wild levende rendieren die Groot-Brittannië rijk is. Vanuit het Cairngorm Reindeer Centre worden dagelijks tochten georganiseerd naar de berg waar de kudde leeft.

http://www.cairngormreindeer.co.uk

 

Stonehaven

Op 20 km ten zuiden van Aberdeen ligt het pittoreske Stonehaven. De ruïnes van het imposante Dunnotar Castle kijken neer op dit vissersdorp en op het haventje. Stonehaven werd in 2010 uitgeroepen tot mooiste kustdorp van Schotland. Op zomerse dagen nodigt het grote zandstrand uit tot zalig zonnekloppen.

http://www.stonehavenguide.net/

 

Balmoral Castle

Zestig kilometer in het binnenland ligt Balmoral Castle, het gigantische zomerkasteel van koningin Elizabeth. Elk jaar neemt zij er samen met andere Britse royals in de zomer tien weken lang haar intrek. Van april tot juli staat de schitterende tuin van het domein open voor toeristen. Alleen de balzaal van het kasteel is toegankelijk voor het grote publiek. U kunt er de avondjurken van de Queen bewonderen.

http://www.balmoralcastle.com

 

Tekst: © Jan Stevens

Foto’s: © Veerle Van Hoey

Van parador naar parador

Ten westen van de Spaanse hoofdstad Madrid ligt het majestueuze bergmassief van Gredos. Ideaal vertrekpunt voor een trip door fraaie natuur en langs eeuwenoude stadjes, op de grens van de regio’s Extremadura, Castilië-León en Castilië-La Mancha. Met de Paradorhotels als luxueuze leidraad.

 Zondagnamiddag. Ik schakel de auto in een lagere versnelling, want op de steile weg naar Navarredonda volgen de haarspeldbochten elkaar in sneltreintempo op. In de verte liggen de besneeuwde toppen van de Sierra de Gredos scherp afgetekend tegen de staalblauwe voorjaarslucht. Nog een paar kilometer, en we arriveren in de allereerste Parador de España, de Parador de Gredos.

Aan het begin van de twintigste eeuw stond het Spaanse toerisme in zijn kinderschoenen. De Markies Benigno de la Vega-Inclán werd in 1911 door de regering benoemd tot Koninklijk Commissaris voor Toerisme. Zijn voornaamste taak: een heuse luxehotelketen uitbouwen, die de naam en faam van Spanje bij de rijke buitenlandse adel tot ongekende hoogten zou doen stijgen. Don Benigno stelde voor om te starten met de bouw van een hotelcomplex in de Sierra de Gredos, waardoor het gebergte ontsloten zou worden voor kapitaalkrachtige toeristen. De toenmalige koning Alfonso XIII was dolenthousiast. Hij ging persoonlijk op zoek naar een geschikte locatie, en vond die op een boogscheut van Navarredonda, langs de kronkelige Carretera Ávila. In 1926 werd de eerste steen van de allereerste parador gelegd; amper twee jaar later opende het chique hotel zijn imposante deuren. Straks rollen wij er onze koffers naar binnen, want in de ‘oerparador’ start onze Ruta del Parque Natural de Gredos, die ons langs prachtige Paradores zal leiden.

Door het open raam van onze hotelkamer stroomt koele berglucht binnen. Zeven uur, maar het is nog veel te vroeg voor het diner. Dus maken we eerst een wandelingetje. We steken de straat over, klimmen de heuvel op en wanen ons in een Zwitsers berglandschap: lieflijke hellingen, stenen muurtjes, klaterende riviertjes en loslopende koeien met klingelende bellen rond hun nek. We zien hoe de ondergaande zon de sneeuwwitte toppen in een warme gloed zet. Eeuwen geleden werd ook koning Nebukadnezar betoverd door dit fraaie zicht. Vanuit Irak reisde hij rond 600 voor Christus naar Gredos en stichtte er de eerste dorpen. Volgens de overlevering raakte hij in de ban van het gebergte met zijn “koele meren en gesteenten die feller schitterden dan de zon.”

Eindelijk etenstijd. We wandelen de lobby van de Parador binnen. We passeren het statige portret van Alfonso XIII, stappen over krakende parketvloeren, langs weelderige salons, voorbij gravures met jachttaferelen tot aan het restaurant. Het is kwart na negen en wij zijn de allereerste gasten. Spanjaarden beginnen nu aan een aperitiefje te denken; wij zien scheel van de honger. Wilde asperges uit het pijnbomenbos vlakbij, versgerookte forel en een speenvarkentje van de plaatselijke boer brengen onze knorrende magen tot rust.

Keizer Karel achterna

Dinsdagmorgen. We laden onze koffers in en zetten koers naar het honderd kilometer verder gelegen Jarandilla de la Vera. De Parador Carlos V domineert het stadje. Dit 15e-eeuwse kasteel was een van de favoriete pleisterplaatsen van de roemruchte keizer Karel. In september 1556 deed de dodelijk vermoeide Karel afstand van de troon van zijn Heilige Roomse Rijk. Hij vertrok uit Brussel en ging aan boord van een schip dat hem naar Spanje bracht. Hij reisde meteen door naar Jarandilla, waar hij zijn intrek nam in het schitterende kasteel waar wij nu voor één overnachting inchecken. Keizer Karel verbleef er een jaar. In tussentijd liet hij een riante villa bouwen tegen de zijmuur van het klooster van San Jerónimo in het nabijgelegen dorp Cuacos de Yuste.

Vanuit onze hotelkamer kijken we uit op het kerkje van San Agustín. Op de kleine toren huist een familie ooievaars. Zoals in de meeste steden in de Extremadura, bezetten tientallen ooievaars hier van februari tot juli schoorstenen, torens en daken.

We rijden naar Cuacos de Yuste. We laten de auto buiten het centrum achter en volgen de Ruta del Emperador Carlos V. Het wandelpad brengt ons langs een oeroude olijfgaard naar het schitterende Monasterio de San Jerónimo. Hier bracht keizer Karel zijn laatste levensjaar door. We kuieren door zijn kamers. In het salon prijkt pontificaal zijn leesstoel. Vanaf het balkon van zijn werkkamer hield hij zich onledig met vissen in de kloostervijver. Het bed waarin hij op 21 september 1558 aan moeraskoorts stierf, staat er nog steeds. Net als de doodskist waarin hij even opgebaard lag.

Woensdag. De parkeergarage van de Parador van Plasencia is volzet. “U moet uw auto parkeren in een van de openbare parkeergarages”, zegt de hotelreceptionist aan de telefoon. De Parador is ondergebracht in het voormalige klooster van Santo Domingo, binnen de vestingmuren van het middeleeuwse stadje. Ik navigeer de huurauto behoedzaam door de nauwe straatjes, hopend dat er geen tegenliggers mijn pad zullen kruisen. In een parking aan de rand van de stad is nog plaats. Met onze koffers op wieltjes dokkeren we over de kasseien naar het hotel. De Parador van Plasencia is een van de mooiste paradors van Spanje. In de gangen rond de binnentuin staan uitnodigende fauteuils; in de bar is het onder de oeroude gewelven gezellig druk. Eeuwenlang was onze hotelkamer een cel waar monniken in stilte brevierden. We ontkurken een flesje cava uit de minibar en toosten op hun gezondheid.

Plasencia werd in 1186 gesticht door koning Alfons VIII. Het versterkte stadje diende als buffer tegen de oprukkende Moren. Vergeefs; tien jaar later vielen ze toch binnen. Om een jaar later door dezelfde koning Alfonso weer verdreven te worden. Als dank voor zijn overwinning bouwde hij een kathedraal. In de 18e eeuw werd die oude romaanse kathedraal ingekapseld door een veel grotere, gotische kerk. Aan de buitenkant ziet die ‘nieuwe’ kathedraal er indrukwekkend uit; binnen is ze donker en kil. In een van de zijbeuken zit een man te dommelen achter een tafeltje. Hij verkoopt tickets voor de oude kathedraal. We gaan een poort door, wandelen door een prachtige kloostergang en worden stil in het met een Byzantijnse koepel overspannen 13e-eeuwse kerkschip.

 

Zaterdag. We zitten op een terras op het fenomenale marktplein van het mooie Trujillo. Dit stadje was de thuisbasis van ontdekkingsreiziger Francisco Pizarro, de veroveraar van Peru. Midden op het plein staat zijn bronzen standbeeld in vol ornaat te schitteren in de zon. De prachtige huizen van Trujillo vertellen het verhaal van de 578 inwoners die in de 16e eeuw samen met Pizarro de Nieuwe Wereld gingen veroveren. Met wat ze overzee buitmaakten, vertimmerden de conquistadores het boerengat Trujillo tot een welvarend stadje.

We nippen van onze vino de pitarra en bekijken de foto’s die we gisteren gemaakt hebben in het Parque Natural de Monfraguë. We zijn nog onder de indruk van onze wandeling door het hectaren grote natuurpark aan de Taag. Een steil pad doorheen de woeste natuur leidde ons naar de top van de Cerro Gimio, waar de arenden over onze hoofden kwamen cirkelen.

We vertrekken vanuit Trujillo naar Oropesa, een van de oudste dorpen van Spanje. Vanaf de autosnelweg hebben we kilometers voor Oropesa al een fraai zicht op onze allerlaatste Parador. Hij is ondergebracht in het kasteel van Graaf Francisco de Toledo, die van 1569 tot 1581 onderkoning was van Peru. Vanavond zullen we in het restaurant met panoramische zicht op de Sierra de Gredos, een laatste keer genieten van de Spaanse keuken. Terwijl de zon achter de bergen verdwijnt, zullen we onze laatste portie wilde asperges eten en drinken we ons laatste glas rioja.

Tekst: © Jan Stevens

Foto’s: © Veerle Van Hoey

Airbags

Op haar eenentwintigste vond Venetia Thompson een baan als junior-broker bij een grote internationale beursmakelaar. Veertien maanden lang was ze ‘one of the lads’. In haar boek Beursbabe vertelt ze vrijuit over het leven van een doorsnee broker in de Londense City. Een leven van geld, seks, drugs en sloten alcohol. Ondanks de kredietcrisis.

 

9 februari 2008. In het Britse tijdschrift Spectator verschijnt van de hand van junior-broker Venetia Thompson een uitgebreid verslag over haar dagelijkse leven op de beursvloer in de Londense City. “In het begin werd ik dagelijks uitgescholden en met cricketballen bekogeld door mijn collega’s”, schrijft ze. “Een zwarte broker werd door iedereen ‘Ferg’ genoemd. Eerst dacht ik dat het een onschuldige bijnaam was. Tot bleek dat het om de verkorte versie ging van Feargal Sharkey – Cockney voor ‘Darkie’ of zwartje.”

In hetzelfde artikel schetst Thompson geen al te fraai beeld van haar rechtstreekse baas, een Amerikaan die ze omschrijft als hebzuchtig en agressief. “Onlangs gooide hij zijn keyboard naar de man die rechtover hem zat, de toetsen vlogen in het rond.” Ze vertelt ook over drankovergoten zakendiners waar ze vier avonden per week moet aan deelnemen, en die steevast eindigen rond het ochtendgloren. “Om zeven uur ’s ochtends zit ik stomdronken van de voorbije nacht terug achter mijn bureau.” Thompsons artikel veroorzaakt heel wat deining in de City. Sommige traders en brokers noemen haar een nestbevuiler, anderen komen anoniem aanzetten met gelijkaardige verhalen. Dezelfde week nog wordt Venetia door haar werkgever BGC Partners ontslagen. Zo komt er een abrupt einde aan haar makelaarscarrière die welgeteld 14 maanden heeft geduurd. Vlak na haar ontslag krijgt ze telefoontjes van andere brokerfirma’s. Thompson: “Ze boden me een job aan. Ik zei telkens weer: ‘Je beseft toch wat ik net gedaan heb?’ Hun antwoord was: ‘Ja, maar we haten BGC en willen dat je nu voor ons komt werken.’ Maar ik wou voor de rest van mijn leven helemaal geen broker zijn. Ik wou schrijver worden.”

Eind januari 2010. De inmiddels vijfentwintigjarige Venetia Thompson heeft net de laatste hand gelegd aan haar boek Beursbabe, waarin ze in ruim driehonderd bladzijden een hallucinant vervolg breit aan het artikel uit Spectator. “Nu vertel ik het hele verhaal. En ik neem geen blad voor de mond.” In Beursbabe schetst Thompson een ontluisterend beeld van de City. Ze schrijft over brokers die in poepchique restaurants samen met hun klanten urenlang zitten te schransen, er flessen Château Rothschild van 600 pond de fles bestellen en er lijnen coke doorjagen. Om vervolgens in de vroege uurtjes van het ene bordeel naar het andere te laveren. Vier nachten op vijf. Venetia deed daar dapper aan mee. “Ik fuifde tot ‘s morgensvroeg. Maar elke ochtend om kwart voor zes liep mijn wekker af, ongeacht hoe laat of vroeg ik in bed lag. Soms werd ik halfnaakt naast mijn bed wakker en kon ik me amper nog iets herinneren van de nacht voordien. Ik was altijd blij als ik het kantoor op Canary Wharf bereikte zonder dat ik in de metro had overgegeven of was omgevallen.”

Airbags

Twee jaar na haar vertrek bij BGC Partners heeft Venetia nog steeds heimwee naar haar collega’s en hun lompe en seksistische opmerkingen. Zelfs al bedachten ze haar omwille van haar stevige boezem met de bijnaam ‘Airbags’. “Ik mis die kerels en hun kameraadschap echt”, zegt ze. “De brokers, de beursmakelaars, vormen de laatst overgebleven meritocratie van de City. Hun sociale status wordt nog steeds bepaald door hun prestaties en capaciteiten. Ze starten zonder enige opleiding op hun zestiende op de beursvloer omdat hun oom een broker was. De beursmakelarij in Londen heeft een traditie in het aantrekken van jonge mannen met een speciaal talent. Een goeie broker moet snel zijn met cijfers, maar hoeft geen rekenwonder te zijn. Ik heb zelf allesbehalve een mathematische geest en heb nooit een economische opleiding gehad. Als je onder grote druk kalm kunt blijven, heel agressief uit de hoek kunt komen, en verschillende mensen tegelijkertijd te woord kunt staan, is beursmakelaar een job die je op het lijf geschreven is. Ik vond het heel verfrissend om op een plaats terecht te komen waar op de allereerste dag niemand vroeg naar welke school ik geweest was. Want Groot-Brittannië is nog steeds een land waar klasse heel belangrijk is. Bij de brokers ligt daar niemand wakker van. Op de beursvloer behandelen al je collega’s je als gelijken.”

En tezelfdertijd ook als vuil.

“Iedereen wordt er als vuil behandeld, maar er zijn geen verborgen agenda’s. Als collega-brokers je een klootzak vinden, zeggen ze dat vlak in je gezicht en niet achter je rug. Ik hou van die directe aanpak. Ik ben op de beursvloer terechtgekomen via een vriendin die in de brokersindustrie actief is. Zij gaf mijn cv door aan haar favoriete broker. Ik spreek Russisch en dat vond het bedrijf blijkbaar interessant.”

U werd aangenomen door een Amerikaanse broker, een man met de reputatie van een bully.

“In het begin schoten we vrij aardig met elkaar op. Ik vond hem fascinerend, want ik had zoveel slechts over hem gehoord. Brokers kun je in twee categorieën onderverdelen: de kleine groep die ooit traders, handelaars, geweest zijn en ontzettend slim zijn, en de anderen die op hun zestiende direct op de beursvloer gestapt zijn en die ‘street wise’ zijn. De Amerikaan had een beetje van beide. Ik dacht dat ik veel van hem kon leren. Maar hij bleek inderdaad de klootzak te zijn waar iedereen hem voor versleet. Hij schold me geregeld de huid vol en liet me op het einde vallen als een baksteen. Ik heb na mijn ontslag niets meer van hem gehoord. Hij zit er nog steeds en heeft een ander meisje in mijn plaats aangenomen, met minder grote borsten.”

“Mijn eerste dag op de beursvloer begon nochtans opwindend, ik had nog nooit zoiets meegemaakt. De testosteron hing zwaar als sigarettenrook in de lucht. Het lawaai kwam in golven van verschillende kanten. Er werd me verteld dat het meisje dat voor me aan mijn desk gezeten had, het amper vier weken had uitgezongen. Er werden bijna weddenschappen afgesloten hoelang ik het zou volhouden.”

Uw voorgangsters werden net als u op een seksistische manier behandeld?

“Het hangt ervan af hoe je seksistisch definieert. Je moet echt wel uit speciaal hout gesneden zijn om te overleven in een brokersbedrijf. Je moet een dikke huid hebben en je mag nooit uit het oog verliezen dat het schelden slechts een deel van het spel is.”

De bijnamen ‘Airbags’ of ‘Ferg’ zijn dus totaal onschuldig?

“In Engeland woedt nu een grote discussie over het verschil tussen echte seksistische klap en uitspraken die seksistisch lijken, maar die eigenlijk gewoon agressieve grapjes onder vrienden zijn. Op de beursvloer krijg je, naast etensresten, lege waterflessen en cricketballen, verschrikkelijke dingen naar je hoofd geslingerd. Ze klinken ongemeen racistisch en verschrikkelijk seksistisch, maar zijn eigenlijk niet zo bedoeld. Als je tegen iemand iets lelijks zegt, betaalt hij je met gelijke munt terug. Elkaar afzeiken is een erecode. Op de beursvloer kun je gerust tegen al je cliënten liegen, zolang je maar niet je collega’s besodemietert.”

“Een broker of makelaar brengt op de beurs verschillende traders of handelaars met elkaar in contact. Ik kreeg een bod van een grote bank, riep dat rond naar de rest van de desk en een collega reageerde dan met een tegenbod dat hij van zijn klant kreeg. Soms rinkelden alle telefoons op hetzelfde moment. Dan had ik tien verschillende telefoons in de wacht staan, wachtend op verschillende prijzen. Ik werkte met achtsten en kwartjes – ik moest heel snel manoeuvreren tussen getallen na de komma. Soms vergiste ik me, en dan was ik de sigaar. Traders zijn van nature paranoïde en denken snel ze dat je ze een oor wil aannaaien. Als een broker hen in de steek laat, kan hen dat veel geld kosten.”

Roze champagne & coke

U moest ook bijna elke avond uw klanten ‘entertainen’?

“Ik ging zo goed als dagelijks uit eten en drinken met mijn cliënteel. Veel mensen denken dat het om omkoping gaat, maar dat is niet zo. Die etentjes dienden vooral om de relaties met de klanten in stand te houden. Hoe meer tijd je met iemand doorbrengt, des te groter is de kans dat hij je gaat vertrouwen. Jij geeft hem informatie waardoor hij interessantere prijzen zal doorgeven. Hoe beter je met traders en bankiers samenwerkt, hoe meer geld je aan hen kunt verdienen. Als je alleen maar een stem aan de telefoon bent, zullen ze je nooit ten volle vertrouwen. Het is dus heel belangrijk dat je een persoonlijke relatie met hen uitbouwt. ‘Venetia is een goeie drinker, dus zal ik haar eens verwennen met een fraai bod’, of ‘Venetia is echt grappig, zij heeft recht op die prijs.’ En zelfs: ‘Ze is een beetje zielig en bakt er niet veel van als broker. Ik zal haar een handje helpen.’”

“‘Gewone’ businesslui uit andere bedrijfstakken hebben af en toe ook wel eens een zakenlunch met een klant. Meestal staat er dan een bord pasta met een glas spuitwater op het menu en gaan ze na een uurtje smalltalk weer aan het werk. Wij bestelden achtgangenmenu’s en dronken flessen roze champagne. We dronken glazen wijn van 100 pond het stuk of flessen Brunello van 600 pond. Tijdens die ‘zakenlunches’ joegen we er fortuinen door. Na het eten zakten we dan af naar luxebars en bleven we doorzuipen. Soms moest ik tussen twee gangen door in het toilet even discreet mijn maag gaan leeg kotsen. Bij de grote banken bestaan er strikte regels over ‘uit eten gaan met klanten’. Maar brokerhuizen zijn aan geen enkele regelgeving onderworpen. Wat ik meemaakte, was geen uitzondering. De hele brokerindustrie zwelgt in die excessieve levensstijl. De brokers zijn belangrijk voor de City, want zij vormen het levensbloed van de markt en verdienen het meeste geld. De beursmakelarij is een vitale sector voor de hele financiële industrie. Grote bankiers weten vaak niet hoe het er bij brokers aan toegaat. Het wilde leven speelt zich echt af tussen traders en brokers. Bankiers werken met analisten en doen er maanden over voor z’n deal sluiten. Traders en brokers beslissen over ‘deals’ in fracties van seconden. Ze volgen eigenlijk vooral hun intuïtie. En teren een beetje op informatie en ervaring.”

Het ‘entertainen’ van klanten bleef niet bij eten en drinken. Er werd ook coke gesnoven, en u bezocht met uw cliënteel stripbars en bordelen.

“Er wordt veel coke gebruikt onder brokers. In Beursbabe voer ik mijn cokeverslaafde vriend Mo op. Hij is geen uitzondering; hij is de standaardbroker. Hij heeft een zwaar cokeprobleem, zuipt, neukt erop los en is een vaste bezoeker van de stripclubs in Soho. Maar onder die laag is hij warm en sympathiek. Veel mensen hebben hun moreel oordeel klaar over het leven in de City: ‘Al dat gezuip en gesnuif en al die losse scharrels.’ Als je in de City werkt, speelt ethiek geen rol meer. Je kent nooit de andere kant van het verhaal. Oké, Mo drinkt en snuift. Maar hij is wel een goeie ziel. Sommigen noemen de City het Empire of Evil. Bullshit. Zolang je van jezelf vindt dat je nog goed kunt functioneren, is er volgens mij niets aan de hand. Toen ik van de universiteit kwam, had ik ook dat stupide idee van goed en fout. ‘O nee, hij gebruikt drugs, dat is verkeerd.’ Door in de City te werken, heb ik ontdekt dat er veel meer grijs is dan zwart of wit.”

“De vrouwen van mijn collega’s waren er aan gewend dat hun kerels midden in de nacht straalbezopen thuiskwamen. Het geld, de luxe, het mooie huis, de Ferrari of de Bentley maakten veel goed. Natuurlijk reden hun mannen af en toe een scheve schaats, maar toch bleven ze samen. Voor vrouwelijke brokers daarentegen, is dating een echte nachtmerrie. Een trader zei me vlakaf: ‘Ik wil nooit met een vrouwelijke broker een affaire beginnen, want er hangen altijd andere mannen rond haar. Dat zal er na verloop van tijd voor zorgen dat ze transformeert in een verschrikkelijke hulk.’ Mannen uit de brokerindustrie kennen het wereldje en gaan er sowieso vanuit dat vrouwelijke brokers met hun klanten slapen, zich als dellen gedragen en een drankprobleem hebben. In werkelijkheid zijn ze niet allemaal zo. Al riskeer je wel door overmatige alcoholconsumptie de controle over jezelf te verliezen.”

“Mijn alcoholverbruik is nu flink gedaald. Mijn lever speelt ook minder vaak op dan vroeger. Ik was me tijdens mijn brokercarrière richting graf aan het zuipen. Pas na mijn ontslag besefte ik hoe slecht ik eraan toe was. Ik stond op het randje van een zenuwinzinking. Veel jonge mannelijke brokers hebben een paar gekke jaren, en nemen gas terug als ze halverwege de dertig zijn. Vrouwen stoppen na verloop van tijd gewoon met uitgaan en verdienen dan ook geen geld meer. De rest ziet hen als a joke, goed genoeg om de hoop te vullen. Sommige mannen blijven doorgaan. Ik ken veertigers die nog steeds vier avonden per week uitgaan, zich volvreten en aan de drank en de coke zitten. Er worden weddenschappen afgesloten wie eerst het loodje zal leggen. Een kennis van me, een broker van 35, viel net voor kerst dood neer. Een hartaanval.”

U hebt als broker eind 2007 het allereerste begin van de kredietcrisis meegemaakt. Was er toen paniek?

“Ik herinner me dat collega’s krantenartikels over rommelhypotheken begonnen rond te sturen. Die berichten werden vooral op ongeloof onthaald. Een broker krijgt voortdurend informatie over zaken die verkeerd dreigen te lopen: ‘Ik hoor dat er een fonds in de shit zit en dat die bank ‘fucked’ is.’ Het beste is om dat soort van informatie gewoon te negeren. In het begin van de kredietcrisis heerste op de vloer de overtuiging dat het nooit zo erg zou worden als beweerd werd. Toen de markt dan toch begon in te storten, was dat geen ramp. De brokers trokken er zich niets van aan. Ze verdienden nog steeds geld, want sommige traders verkochten goedkoop en er waren genoeg idioten die bleven kopen. Zolang de handel bleef doorgaan, kon de crisis de brokers geen sikkepit schelen. Achteraf gezien is die kredietcrisis voor de brokers in de City ‘much ado about nothing’. 2009 was niet voor niets een heel goed jaar. Het is bijna hilarisch. Er zijn nu mensen die pleiten voor regels om ‘het beest’ onder controle te krijgen, om zo een nieuwe financiële crisis onmogelijk te maken. Dat is bullshit, want de markt is net als een renpaard: als je het intoomt, verlies je de race. Als we de markt reguleren, is het niet langer een vrije markt en verliezen we het potentieel om veel geld te verdienen. We leven allemaal al zolang in een wereldwijde cultuur van hebzucht. Die mentaliteit verander je nooit meer. Want iedereen wil een groter huis en een dikkere auto. Hebzucht is de motor van alles.”

Venetia Thompson, Beursbabe, Arena, 320 blz., 18,95 euro

©Jan Stevens

Hebzucht, cash en cocaïne

Seth FreedmanJarenlang werkte Seth Freedman als trader in de Londense City. Zes jaar lang gokte hij overdag met andermans geld op de beurs. ’s Avonds dook hij in de cocaïne en snoof hij zich een bloedneus in poepchique clubs, net als het merendeel van zijn collega’s. “In het financiële hart van Europa telt maar een ding: hebzucht. De kredietcrisis was onvermijdelijk.”

 

Londen, donderdagochtend, 20 september 2007. Na een nacht vol cocaïne en alcohol springt de 26-jarige trader Darren Liddle voor de ogen van zijn vriendin van de negentiende verdieping van het Hilton. Liddle werkte voor de zakenbank Credit Suisse, en gold als een van de meest beloftevolle handelaars in de City. Maar de druk van zijn werkgever en zijn cliënteel om steeds meer geld op te brengen, werd de jonge financiële whizzkid te groot. Hij zocht troost in de favoriete Citydrug cocaïne, raakte hopeloos verslaafd, tot de stoppen op die fatale donderdagochtend doorsloegen.

Londen, vrijdag 15 februari 2008. De 41-jarige broker Stephen Crumb wordt veroordeeld tot een werkstraf voor dealen van drugs. Een paar maanden ervoor was hij samen met drie anderen gearresteerd in een pub in de Square Mile terwijl ze cocaïne aan het slijten waren aan hun collega’s. Crumb vertelde op zijn proces hoe hij als jongen van 17 op zijn allereerste baantje in een investeringsbank al cocaïne aangeboden kreeg. Hij groeide uit tot een succesvolle beursmakelaar, verdiende vlotjes 250.000 pond per jaar, spendeerde even vlotjes dagelijks 400 pond aan cocaïne en dronk elke dag twee flessen Pomerol, 10 pinten bier en een fles wodka. “Iedereen op mijn kantoor zat aan de cocaïne”, zei hij tegen de rechter. “In de toiletten hoorde je ze snuiven. We namen ons eerste lijntje van de dag altijd om half twaalf, net zoals iemand anders een aperitiefje nuttigt.”

 

Het scheelde niet veel, of Seth Freedman was geëindigd zoals Darren Liddle of Stephen Crumb. Eind jaren negentig begon hij te werken als beurshandelaar in de City, het financiële district van Londen. Van in het begin vloeide de drank rijkelijk, en ging de familieverpakking cocaïne vrolijk rond. Naarmate Freedmans succes toenam, vergrootte zijn cocaïneconsumptie. “In de City ben je alleen maar succesrijk als je veel geld opbrengt”, zegt hij. “Na verloop van tijd begon ik te walgen van dat steeds weerkerende zinnetje: ‘Seth, wat ben jij toch een fijne kerel, je hebt weer eens 20.000 pond verdiend.'”

In 2004 zei Freedman de City vaarwel om dienst te nemen in het Israëlische leger. “Ik had genoeg van de cocaïne en van de leegheid van een leven gebaseerd op louter geld. Van het financiële front trok ik voor 15 maanden naar het oorlogsfront.”

Nu werkt hij vanuit Jeruzalem als correspondent voor de Britse krant The Guardian en schrijft hij kritische stukken over de Israëlische politiek. Onlangs verscheen zijn boek Binge Trading: The Real Inside Story of Cash, Cocaine and Corruption in the City, waarin hij verslag doet van zijn jaren als beurshandelaar, en het financiële hart van Europa ontmaskert als een groot casino, waar bankiers en handelaars hun eigen geld en dat van hun klanten op het spel zetten.

 

Regel nummer één: blijf cool

In 1998 rolde Freedman op zijn achttiende eerder toevallig de City in. “Vlak voor ik naar de universiteit zou gaan, wou ik wat geld verdienen. Een vriend van mijn grootvader was een broker. Hij nam me voor zes maanden aan. In het begin werkte ik in de postkamer en droeg ik brieven rond voor de beurshandelaars. Blijkbaar stelde ik de juiste vragen, want vrij snel kreeg ik meer verantwoordelijkheden. Ik deed mee aan het examen om zelf als trader te mogen werken en ik slaagde. De City zat middenin de dotcomboom en de financiële bedrijven wilden zoveel mogelijk mensen aan boord houden. Dus kreeg ik een nieuw contract aangeboden. Voortaan mocht ik zelf op de beurs spelen.”

 

U liet de universiteit links liggen en koos voor het snelle geld?

Seth Freedman: “De verleiding was te groot. Ik was toen een onschuldige achttienjarige jongen. Ik weet nog hoe ik met open mond naar de luxe op straat keek toen ik voor de allereerste keer vanuit het metrostation Moorgate de Londense City instapte. Knalrode Ferrari’s zoefden voorbij en voor elk verkeerslicht stonden Bentley’s-met-chauffeur. Het leek alsof ik in het paradijs beland was. Veel later pas zou ik ontdekken dat het eigenlijk de hel is. Ik zat vrij snel tot over mijn oren in de drugs. Eerst weed, en dan cocaïne. Het was 1998, en de dotcomzeepbel moest nog barsten. Iedereen wilde geld verdienen met het internet en investeren in de snel groeiende onlinebusiness. Een jaar later kreeg ik de leiding over een klein team van beurshandelaars gespecialiseerd in dat nieuwe ‘goud’. Mijn job bestond uit praten met cliënten, hen op stijgers en dalers wijzen, en hen advies verschaffen. Sommigen gaven me een flinke zak geld, en zeiden: ‘Doe ermee wat je wil, maar probeer het onderste uit de kan te halen. Rapporteer terug op het einde van de maand.’ Afhankelijk van het risico dat een cliënt wou nemen, deed ik met zijn geld wat ik wou. Het bedrag waarmee ik als jonge snaak kon jongleren, hing af van cliënt tot cliënt en varieerde van tweeduizend pond tot een paar miljoen.”

 

Hoe succesvol was u?

“Soms bracht ik massa’s geld op, soms verloor ik een klein fortuin – dat is the nature of the game. Ik was succesvol in die zin dat mijn cliënteel toch verder met mij in zee wilde. Als beurshandelaar bouw je een relatie met je cliënten op die volledig gebaseerd is op vertrouwen. Mijn cliënten vertrouwden me vaak blindelings. Ik herinner me een face-to-face-gesprek met een van mijn eerste klanten. Ik wist van toeten of blazen. Ik pikte gewoon de adviezen in van de analisten van Merrill Lynch en gedroeg me tijdens het gesprek als een ervaren, door de wol geverfde trader. Mijn cliënt volgde en zette een paar duizenden ponden in op aandelen die ik hem aanraadde. Twee maanden later incasseerde hij vlotjes 20% winst per aandeel. In amper een half uur tijd had ik zelf duizend pond commissie verdiend. Om mijn succes te vieren, trakteerden mijn collega’s me op een drankovergoten feestje en een flinke snuif coke. Succes in de City werd nu eenmaal altijd met cocaïne gevierd.”

 

Is lef hebben de belangrijkste eigenschap voor een goeie beurshandelaar?

“Een trader moet vooreerst een gokker zijn. Want de City is een groot casino. Maar met goktalent alleen zul je het niet maken. De job van beurshandelaar vereist ook enig psychologisch doorzicht. ‘Zal dit aandeel te pakken zijn in een opwaartse trend, of zullen mensen in paniek schieten en al hun aandelen dumpen?’ Er is geen kunst aan om getalletjes op een scherm te lezen; als trader wordt er meer van je verwacht, zoals praten met collega’s, in de gaten houden wat andere investeerders doen en je oordeel baseren op een mix van zoveel mogelijk factoren. Regel nummer een is dat je in alle omstandigheden je cool bewaart. Voor elke transactie moet je bereid zijn om je korte termijnreputatie op het spel te zetten. Je mag nooit panikeren en beginnen twijfelen: ‘Wordt dit aandeel nu een winner? Of wordt het een loser? Doe ik er wel goed aan om nu te kopen?’ Twijfel helpt je geen ene moer vooruit. Je moet gewoon bereid zijn om klappen te krijgen als je een slechte deal sluit.”

 

Cocaïne als statussymbool

Werd u als jonge beurshandelaar strikt gecontroleerd?

“Intern was er heel wat controle. Onze bazen hielden in de gaten wat we uitspookten en controleerden of we de criteria respecteerden die onze cliënten ons vooropstelden. Ach, eigenlijk kwam het hierop neer: zolang onze bazen het gevoel hadden dat we geld opbrachten, zaten we op rozen. Er hingen geen lijstjes uit met rangschikkingen van wie wat opbracht, maar binnenin het bedrijf wist iedereen wie uitzonderlijk goed presteerde. Als je alle dagen op de Trading Floor dicht opeen zit, merk je snel wie door de bazen opgehemeld wordt of geviseerd wordt, en wie een goeie of een slechte maand gehad heeft. De Britse media speelden dat spelletje graag mee: elk jaar rond kerst, dé bonustijd, werden de kranten gek. ‘Een bankier bij Goldman Sachs streek als bonus 40 miljoen pond op, wauw, wat een kerel!’ Wie veel geld opbracht en daardoor ook veel geld verdiende, moest bewonderd worden. In de City hangt heel je status samen met het geld dat je vertegenwoordigt.”

 

Werd u bewonderd?

“Zeker. Het is bizar om als prille twintiger bakken geld te verdienen, terwijl al je vrienden aan de universiteit studeren en allerlei parttime strontjobs moeten doen om te kunnen overleven. Ik weet niet of ze afgunstig waren, of me bewonderden, maar ze zagen me wel als een rare vogel. Rond de millenniumwissel was ik flink bezig met het uitbouwen van een solide carrière in de geldindustrie. Ik bracht nog geen miljoenen ponden binnen zoals sommige dertigers, maar ik was wel goed op weg.”

 

Hoeveel verdiende u?

“Daar geef ik liever geen antwoord op. Sommige klanten leverden me in een goede maand duizenden ponden commissie op. Ik kocht een flat met twee slaapkamers op mijn 18e en een tweede met vier slaapkamers op mijn 21e, allebei in het dure centrum van Londen. Als beurshandelaar was je het aan je status verplicht om te laten zien dat je er warmpjes inzat. We droegen de allerbeste designerpakken van Armani en gingen elke avond dineren in de chique bistro’s van de wijk St. John’s Wood. ’s Middags lunchten we op het werk: onze lunches werden geleverd op porseleinen borden, met zilveren bestek. Ik wil geen medelijden, maar achteraf gezien, was het niet eenvoudig voor mij om overweg te kunnen met al dat geld en al die luxe. Ik spendeerde steeds meer aan drank en drugs. Samen met mijn werkmakkers snoof ik cocaïne zoals kerels uit de working class pinten drinken in de pub. Voor traders en brokers gold coke als een statussymbool. Ik raakte bevriend met een stinkend rijke financier met een Master in Internationaal Bankieren, die meteen ook mijn cokedealer werd.”

 

Hoe groot is de druk van de cliënten?

“Sommigen willen resultaten zien op korte termijn. Ze verlangen van je dat je om de paar uur hun aandelenhandel omploegt: ‘Koop een aandeel, verkoop het, incasseer de winst en move on!’ Anderen opteren voor de langere termijn: ‘Koop me een aandeel, en we zien wel wat het doet binnen een half jaar.’ Ik was verzot op shorten, op speculeren op een sterk dalende markt. Een gewone trader probeert geld te verdienen met stijgende aandelen; een shorter ‘leent’ aandelen waarvan hij verwacht dat ze het slecht zullen doen. Het geleende aandeel verkoopt hij aan de beurskoers. Hij koopt het aandeel daarna snel weer terug, want hij moet het teruggeven aan de oorspronkelijke eigenaar. Als de koers daalt, steekt de shorter de winst in zijn zak; als de koers stijgt, heeft hij dikke pech. Shorten was echt mijn ding. Ik kreeg er een gigantische kick van. Van shorten werd ik high.”

 

Voor een shorter is slecht nieuws vaak goed nieuws?

“Slecht en goed spelen niet mee. Cliënten op de financiële markt zien hun beurshandelaar niet als hun morele baken in hun leven. Ze geven je geld en willen alleen dat je meer geld opbrengt. Ongeacht wat er gebeurt. Een beurshandelaar heeft maar één missie: geld slaan uit goed en slecht nieuws. Zo was 9/11 een hoogdag voor shorters zoals ik. De aanslagen op de Twin Towers waren afschuwelijk, en wij hadden een missie: haal er zoveel mogelijk geld uit. We werden niet betaald om een potje te gaan zitten janken, maar om het onderste uit de financiële kan te halen. De aandelenmarkt heeft geen tijd voor moraliteit of sentimentaliteit.”

 

Werden er vragen gesteld over wie jullie cliënten waren? Of was misdaadgeld en zwart geld van harte welkom?

“In het begin van mijn carrière werden er geen vragen gesteld over de oorsprong van het geld van het cliënteel. Maar een paar grote witwasoperaties die in de pers weerklank kregen, vormden een domper op die totale vrijheid. Er werden ‘Know Your Client Regulations’ opgesteld: we moesten elke klant in levende lijve ontmoeten, en hem vragen waar hij zijn geld mee verdiende. In het bedrijf waar ik werkte, waren de cliënten gekend, maar bij veel andere investeringsbanken en brokers in de City wordt er niet zo nauw gekeken. Er gaat zeer zeker veel misdaadgeld om in het financiële hart van Londen. Overal waar er geld in het spel is, vind je de maffia.”

 

Hebzucht als motor

Hoe belangrijk is hebzucht in de City?

“De beurs gaat uitsluitend over hebzucht: hoeveel geld kan ik creëren, hoeveel rijkdom levert de handel me op? Niemand in de City vindt hebzucht een verwijt, of een slechte eigenschap. Het is de motor van het hele systeem. De City heeft een raar effect op al wie er werkt: geld maken is als een virus dat iedereen besmet. Geld maken is ook het enige criterium waarop bankiers en traders beoordeeld worden. Wie veel opbrengt, staat op het hoogste schavot. Je mag een vriendelijke kerel zijn, of fortuinen wegschenken aan liefdadigheid, dat is totaal onbelangrijk. Het enige wat telt, is het geld dat je opbrengt. ‘Shit, hij verdiende 100.000 pond commissie deze maand, en ik amper 80.000. Wat een fantastische kerel is hij toch, en wat voor een loser ben ik.'”

“De kredietcrisis is een logisch gevolg van de hebzucht in de City. Na de millenniumwissel geloofde iedereen in de financiële wereld dat de bomen tot in de hemel groeiden. De rest van de samenleving was er trouwens ook van overtuigd dat de gouden tijden nooit zouden eindigen. Gewone arbeiders namen er nog een extra kredietkaart bij, en leenden zoveel mogelijk geld, ongeacht aan welke prijs. Schulden afbetalen was een probleem voor later. De City reageerde net hetzelfde. In plaats van aandelen te verhandelen met geld dat we hadden, speelden we met geleend geld. Zo begon de hele zaak steeds meer uit de hand te lopen. Onze verliezen werden veel groter dan de cash die we hadden om alles terug te betalen. Geen enkele instelling reageerde, of zwaaide met een vermanend vingertje. De spelers in de City hadden het gevoel dat ze carte blanche hadden. De regulators en de politici bleven allemaal stom. Niemand reageerde toen de markt beresterk leek en iedereen bergen geld verdiende. Pas nu de boel ontploft, hoor je van alle kanten verontwaardigde reacties: ‘We wisten niet dat het zo erg was. Die kerels van de City hebben ons belogen.’ Terwijl eigenlijk iedereen medeplichtig is. Natuurlijk waren er een paar roependen in de woestijn. Maar hun stemmen werden genegeerd of belachelijk gemaakt. ‘Waar maken jullie je zorgen over? We leven in een nieuw tijdperk waarin welvaart gecreëerd wordt, dus shut up.’ Achteraf gezien hebben ze gelijk gekregen.”

 

Voelt u zich medeverantwoordelijk voor de economische puinhoop waarin we nu zitten?

“We leven in een ‘kredietkaartenmaatschappij’ die nog heel onaangename gevolgen zal hebben. Op het moment dat niemand zijn schulden kan terugbetalen, valt het hele systeem omver. De City heeft dat allemaal mogelijk gemaakt. Je mag degenen die daaraan meegewerkt hebben zoals ik gerust met de vinger wijzen, op voorwaarde dat je meteen ook iedereen die boven zijn stand leeft op zijn verantwoordelijkheden wijst. Want niemand werd gedwongen om een kast van een huis te kopen zonder zelf een cent te bezitten. We betalen nu cash omdat we met ons biersalaris een champagneleven wilden leiden.”

 Seth Freedman, Binge Trading: The Real Inside Story of Cash, Cocaine and Corruption in the City, Penguin, 192 blz., 15 euro

©jan@janstevens.be