‘Ze hebben mijn leven gestolen’

In november 1987 werd de pasgeboren Coline Fanon in een ziekenhuis in Guatemala geroofd voor adoptie. Haar moeder kreeg te horen dat haar baby dood was. Via het inmiddels opgedoekte Hacer Puente kwam Coline in België terecht. “Ze hebben mijn leven gestolen en twee families in de ellende gestort.”

 

Op maandag 13 mei kondigde Unicef België aan dat ze haar pas aangestelde nieuwe directeur Bernard Sintobin alweer wandelen stuurde. Aanleiding was een reeks welgemikte tweets van tv-maker Eric Goens naar aanleiding van Sintobins benoeming. ‘Bernard Sintobin is jarenlang penningmeester geweest van Hacer Puente, de Belgische adoptievereniging die in Guatemala tientallen kinderen heeft verhandeld. Euhm?’ Gevolgd door een tweet met een foto van twee jonge vrouwen. ‘Dit zijn Coline en Sophie: dertig jaar geleden als baby verhandeld in Guatemala, door toedoen van de Belgische adoptievereniging Hacer Puente. De voormalige penningmeester van Hacer Puente is vandaag voorzitter van @UNICEFBELGIE.’

In januari van dit jaar getuigden de Franstalige dames Coline Fanon en Sophie Villers over hun malafide adopties in de reeks Bargoens op Eén. Eric Goens reisde met hen naar Guatemala, onder andere naar de residentie van wijlen Ofelia Rosal de Gamas, regelaar van adopties voor Hacer Puente en schoonzus van Oscar Humberto Mejía Victores, dictator van Guatemala van 1983 tot 1986. In De Morgen van 13 mei ontkende Sintobin ooit meegewerkt te hebben aan frauduleuze adopties. “Het enige wat we deden, was adoptiebemiddeling”, zei hij. “We rekenden zelfs geen administratiekosten aan.” De samenwerking met Ofelia Rosal de Gamas gaf hij wel toe. “Zij zorgde ervoor dat de dossiers op het juiste adres terechtkwamen. Maar het is niet omdat iemand een dictator is, dat de rest van zijn familie ook corrupt is.”

Coline Fanon richtte samen met Sophie Villers Racines Perdues op, een organisatie die in Guatemala op zoek gaat naar de verloren roots van adoptiekinderen. Over Sintobin en Unicef wil Coline het liever niet hebben. Wel over hoe zij als baby door Ofelia de Gamas & co geroofd werd.

Coline Fanon: “Mijn Belgische ouders wilden een kind adopteren en stapten naar het Office de la Naissance et de l’Enfance (ONE), de Franstalige tegenhanger van Kind en Gezin. Ze wilden weten welke adoptiedienst hen het beste kon helpen en werden doorverwezen naar Hacer Puente uit Doornik. Die organisatie werd geleid door Michèle Boucq en was gespecialiseerd in adopties uit Guatemala. Boucq had samen met haar man zelf ook Guatemalteekse kinderen geadopteerd. Mijn ouders doorliepen feilloos alle toen gangbare formaliteiten voor adoptie en in november 1986 kregen ze het bericht dat er in Guatemala een klein meisje op hen lag te wachten. Een maand later liet Hacer Puente weten dat hun baby jammer genoeg gestorven was. Dat nieuws kwam hard aan.”

 

Tot ze in februari ’87 hoorden dat u hun dochter zou worden.

Fanon: “Hun hoop flakkerde op. Mijn ouders vroegen meteen een visum aan voor mij, wat ze trouwens eerder al hadden gedaan voor de eerste baby. Die procedure verliep via Ofelia Rosal de Gamas. Mijn ouders moesten haar voor haar diensten rechtstreeks betalen. Dat werd hen meegedeeld door Hacer Puente. Het geld diende zogezegd om haar kosten te dekken die zij in Guatemala maakte en moest gestort worden op een rekening in de Verenigde Staten.”

 

Op wiens naam stond die rekening?

Fanon: “Ofelia Rosal de Gamas. Van andere kinderen die via dezelfde organisatie geadopteerd zijn, weet ik dat zij niet altijd de rechtstreeks begunstigde was. Soms moest het geld overgeschreven worden naar rekeningen van advocaten in de VS.”

 

Hoeveel betaalden uw ouders?

Fanon: “Dat mag ik niet zeggen; mijn ouders willen dat niet. Niet alle Belgische adoptieouders betaalden evenveel. De bedragen schommelden en er zat geen systeem in. Het kon best dat het ene koppel voor twee Guatemalteekse kinderen vijf keer minder moest neertellen dan een ander koppel voor één kind. Maar altijd ging het over duizenden franken.

“Niet lang nadat mijn ouders het geld hadden overgeschreven, kregen ze van Hacer Puente een brief dat er problemen waren in Guatemala. Alle lopende adopties waren geblokkeerd. Reden: de Guatemalteekse justitie had zware vermoedens over kinderhandel. In de brief stond ook dat er arrestaties verricht waren.”

 

In april van dit jaar schreef het Amerikaanse maandblad Harper’s Magazine dat Ofelia de Gamas twee keer in Guatemala gearresteerd werd voor kinderhandel: een keer in 1983 en een keer in 1987. Ze werd nooit veroordeeld; niemand weet of ze vrijkwam door politieke druk of door het betalen van smeergeld. Toen uw ouders die brief kregen, was dat vermoedelijk nadat De Gamas in ’87 was opgepakt?

Fanon: “Dat zou kunnen. Andere adoptieouders hadden niet veel eerder een brief van Hacer Puente in de bus gevonden met het verzoek om positieve verhalen over de organisatie te delen. ‘Momenteel hebben de negatieve geruchten een hoogtepunt bereikt’, stond erin. ‘De adopties worden sterk in twijfel getrokken. De kinderen zouden niet geadopteerd worden, maar verkocht. Enkel adoptieouders kunnen bewijzen dat die beschuldigingen totaal ongegrond zijn. U mag vermelden dat u Ofelia de Gamas dankbaar bent om wat ze voor uw kind gedaan heeft.’

“Mijn ouders schrokken zeer erg toen ze lazen dat hun adoptiekind voorlopig niet naar België kon komen. Ze schreven naar de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Leo Tindemans en vroegen hem om diplomatieke hulp. ‘Wij hebben alle adoptieregels strikt gevolgd en willen ons kind bij ons.’ Hun verzoek kwam niet uit de lucht vallen: Frankrijk had eerder al in adoptiedossiers diplomaten ingeschakeld. Ze schreven ook naar de Belgische ambassadeur in Guatemala, maar die heeft nooit gereageerd.”

 

Wisten ze waar u ergens in Guatemala was?

Fanon: “Hacer Puente had hen wijsgemaakt dat ik ondergebracht was bij het Rode Kruis. Daarom schreven mijn ouders ook naar prins Albert, onze latere koning. Hij was voorzitter van het Belgische Rode Kruis en zij vroegen hem of hij meer te weten kon komen over de omstandigheden waarin ik was ondergebracht.”

 

Hoe oud was u toen?

Fanon: “Een maand of drie, vier. Mijn ouders kregen antwoord van de stafchef van Albert: ‘De prins heeft uw verzoek doorgestuurd naar de algemene directie van het Rode Kruis België. Hij vraagt hen uw zaak te onderzoeken en u indien mogelijk te helpen.’ Vervolgens gebeurde er een hele tijd niets. Mijn vader en moeder wachtten, maar kregen intussen wel een factuur van Hacer Puente toegestuurd die ze netjes betaalden. De organisatie rekende hen de kosten aan voor mijn verzorging, voeding en kledij, en voor mijn babysitters.”

 

Was u op dat moment ook veilig ondergebracht bij het Rode Kruis?

Fanon: “Nee. Er zijn sporen van mij teruggevonden in Guatemala City in een clandestien huis waar adoptiekinderen verzameld werden. Ze hebben toen ook foto’s van mij genomen, onder andere één waarop mijn voeten zijn samengebonden. Maar waar ik precies al die tijd verbleef, weet ik nog steeds niet. Waar ik wel zeker van ben, is dat ik eind juli 1987 nog opgesloten zat, terwijl mijn adoptiedossier in gang gezet was in november ’86.”

 

Uw biologische moeder had u toen afgestaan voor adoptie?

Fanon: “Nee, op geen enkel moment. Niet lang na mijn geboorte kreeg ik hevige koorts en mijn mama keerde met mij terug naar het ziekenhuis waar ze bevallen was. ‘Mijn pasgeboren baby is ziek’, zei ze. Twee dagen later vertelden ze haar in het hospitaal dat ik gestorven was. In werkelijkheid hadden ze me overgebracht naar een ander ziekenhuis.”

 

U bent dus ontvoerd door dokters en verplegers?

Fanon: “Vermoedelijk wel. Of ze waren op zijn minst medeplichtig.”

 

In de jaren zeventig en tachtig gebeurde net hetzelfde in Sri Lanka. Daar werden ook baby’s in ziekenhuizen door verplegend personeel geroofd.

Fanon: “In India ook. Mijn moeder vroeg aan de dokter: ‘Mag ik mijn dochtertje zien?’ Hij zei: ‘Nee, dat kan niet. We moesten haar begraven. Ze ligt in een massagraf.’ Mijn Guatemalteekse mama heeft later ter nagedachtenis aan mij een grafsteen op het kerkhof geplaatst.”

 

Wat vertelden de mensen van Hacer Puente aan uw adoptieouders?

Fanon: “Dat een straatarme vrouw haar baby tegen betaling had afgestaan. Mijn biologische ouders waren niet arm. Mijn biologische vader zat in het Guatemalteekse leger op het moment van mijn geboorte. Ze hadden samen al een zoon. Toen mijn moeder zwanger was van mij, zijn ze gescheiden. Maar ze bleven in contact met elkaar. Mijn vader heeft altijd voor zijn zoon gezorgd; hij liet mijn moeder niet aan haar lot over. Nadat ze in het hospitaal te horen gekregen had dat ik gestorven was, zakte ze een tijdje weg in een depressie. Later hertrouwde ze en kreeg ze nog andere kinderen.”

 

In oktober 1987 vertrokken uw adoptieouders naar Guatemala om u eindelijk te gaan ophalen.

Fanon: “Die reis werd georganiseerd door Hacer Puente-voorzitster Michèle Boucq. Op de luchthaven stond Ofelia Rosal de Gamas hen met haar chauffeur op te wachten. Mijn ouders werden naar een hotel gebracht dat vol bleek te zitten met andere adoptieouders. Er waren zo twee hotels in Guatemala City, gespecialiseerd in het te slapen leggen van buitenlanders die hun nieuwe kinderen kwamen ophalen. Tik op Google de naam in van het hotel waar mijn ouders verbleven, en één van de eerste foto’s die je te zien krijgt, is van een witte mevrouw met een bruine baby op de arm.”

 

Hoe heette dat hotel?

Fanon: “Casa Grande in Guatemala City. De avond van hun aankomst bracht Ofelia mij naar het hotel. Vijf dagen later kwam ze terug om samen met mijn ouders de administratie af te werken. Vader en moeder spraken geen woord Spaans, dus regelde zij alles. Ze toonde foto’s van het huis in de krottenwijk waar mijn biologische moeder zou geleefd hebben. ‘Kijk eens in wat voor vreselijke armoedige omstandigheden de moeder van jullie dochtertje probeert te overleven.’ Nu moet u weten, mijn biologische moeder heeft nooit op die plek gewoond. Sterker nog, de foto van datzelfde krot zit ook in een totaal ander adoptiedossier.

“Ofelia de Gamas nam mijn adoptieouders mee op uitstap naar haar residentie in de stad Antigua, waar ze hen voorstelde aan haar schoonbroer. ‘Hij is een gepensioneerde officier.’ Mijn ouders waren er zich op dat moment totaal niet van bewust dat ze met ex-dictator en notoir schender van de mensenrechten Óscar Humberto Mejía Victores gezellig koffie zaten te drinken. Toen ik hen een jaar geleden een foto van die man liet zien, schrokken ze: ‘Maar dat is die vriendelijke mijnheer van toen.’”

 

Wanneer besloot u uw eigen verleden uit te spitten?

Fanon: “Ik was twintig. Daarvoor had ik me ook al vragen gesteld over mijn verleden, zeker in mijn puberteit. Het verschil met veel andere geadopteerden, is dat je het aan mij niet echt ziet. Ik bedoel: ik val hier op straat niet op. Ik kan best Spaanse of Marokkaanse roots hebben, zoals ontzettend veel andere Belgen. Heel af en toe vroeg wel eens iemand: ‘Waar kom jij vandaan?’ ‘Uit Latijns-Amerika.’ En daar hield het dan mee op.

“Ik heb een zus die ook geadopteerd is. Onze ouders hebben al heel lang uitstekend contact met haar biologische familie. We hebben echt fantastische adoptieouders. Ze deden nooit geheimzinnig over onze adopties. Ik was achttien toen ik hen vroeg of ik mijn dossier mocht inkijken. Geen probleem, alleen was dat dossier flinterdun.

“Ik heb intussen zelf twee kinderen, een meisje en een jongen. Toen ze nog heel klein waren, had ik geen tijd meer om op zoek te gaan. Binnenkort wordt mijn dochter zeven. Toen zij zei: ‘Mama, ik wil het eigenlijk wel eens weten’, wou ik dat ook.”

 

Dus ging u op zoek naar ouders waarvan u overtuigd was dat ze u ooit weggegeven hadden?

Fanon: “Ik had er nooit aan getwijfeld dat zij me gedumpt hadden. Toch wou ik weten hoe ze eruitzagen.”

 

Was u boos op hen?

Fanon: “Nee, dat ben ik nooit geweest. Ik kon begrijpen dat mijn moeder me uit armoede had weggegeven. Mijn adoptiemoeder hield me altijd voor: ‘Ze heeft dat waarschijnlijk gedaan omdat ze geen andere keuze had.’ Dat leek ook zo uit mijn dossier: ze stond me af om mij een betere toekomst te garanderen. Ik was terechtgekomen in een warm nest, met liefhebbende ouders. Ik leidde een zalig leven, en ben trouwens nog steeds gelukkig met wat ik heb. Ik hou van mijn adoptieouders en zij van mij. Zij hebben het zeer moeilijk met wat er nu allemaal boven water komt. (stilte)

“In december 2017 begon ik mijn dossier zeer nauwgezet uit te pluizen. Ik tikte de naam ‘Hacer Puente’ in op het internet en kwam terecht bij het getuigenis van de bekende Franse zangeres Carmen Maria Vega. In 2011 had zij ontdekt dat haar adoptie in 1984 via Hacer Puente allesbehalve fatsoenlijk verlopen was. Ik belde haar. ‘Ofelia Rosal de Gamas regelde mijn adoptie.’ Ze zei: ‘Je weet toch dat Rosal de Gamas handel dreef in kinderen?’ Het was alsof de grond onder mijn voeten wegzonk. Toen wou ik àlles over Hacer Puente en mijn adoptie te weten komen. Ik ging zelfs Spaans studeren om alle paperassen goed te kunnen begrijpen en met Guatemalteken te kunnen communiceren.”

 

Hoe vond u uw biologische ouders?

Fanon: “Ik speurde het internet af en kwam zo bij de Guatamalteekse onderzoeksjournalist Sebastiàn Escalón terecht. In 2015 legde hij samen met zijn collega Pilar Crespo een netwerk in kinderhandel uit de jaren zeventig en tachtig bloot. Eén van de spillen was de advocaat Edmond Mulet, die het inmiddels geschopt had tot hoge pief bij de Verenigde Naties. Ik mailde Sebastiàn: ‘Ik ben geadopteerd in 1987 via bemiddeling door Ofelia de Gamas’. Hij antwoordde direct: ‘Dan ziet het er niet goed uit.’ Hij bracht me in contact met Marco Garavito van La Liga Guatemalteca de Higiene Mental. Marco voert onderzoek naar de verdwenen kinderen van Guatemala.”

 

Zijn er dan zoveel kinderen spoorloos verdwenen?

Fanon: “Guatemala heeft een bijzonder kwalijke adoptiereputatie. Dat begon in 1954, toen een staatsgreep de eerste van een lange reeks militaire dictators aan de macht bracht. Burgers gingen in verzet en de dictators en hun doodseskaders traden keihard op. Volgens een onderzoekscommissie van de VN werden tussen 1954 en 1996 minstens tweehonderdduizend mensen vermoord. Bij klaarlichte dag werden ze door militairen, agenten of huurlingen van de straat geplukt, in busjes afgevoerd, gefolterd, afgemaakt en in massagraven gedumpt. Kinderen werden massaal gestolen, in staatsweeshuizen ondergebracht en met vervalste papieren ter adoptie aangeboden. Die grote kinderrroof wordt nu als een oorlogsmisdaad beschouwd. Het is tegen die achtergrond dat Ofelia de Gamas actief was. La Liga van Marco Garavito helpt ouders met het opsporen van hun verdwenen kinderen. Mijn eerste echte brief in het Spaans schreef ik naar Marco. (lacht) Sebastiàn Escalón gaf me intussen een snelcursus in online-onderzoekstechnieken. Met hun hulp vond ik mijn Guatemalteekse ouders en familie terug. Negen dagen en negen nachten bracht ik continu door op het internet.

“Uiteindelijk vond ik hen op Facebook. Ik durfde mijn biologische moeder niet aan te spreken. Op haar profiel stond elke zevende november van elk jaar een gebedje naast een foto van een baby.”

 

Dat was ter nagedachtenis aan u, haar gestorven dochtertje?

Fanon: “Ja. Volgens de papieren van Hacer Puentes die ik in mijn bezit heb, ben ik geboren op 7 november. Toen mijn adoptieouders me kwamen halen, was mijn geboortedatum op de officiële documenten veranderd in 4 november. ‘Het was oorlog en er was chaos’, zeggen mama en papa. ‘Die verkeerde datum was gewoon een vergissing.’ Dat is best mogelijk. Mijn ouders waren in ‘87 trouwens erg bang om naar Guatemala te vertrekken. Het zijn gewone mensen en geen avonturiers, militairen of oorlogsjournalisten. (lacht)”

 

U stuurde eerst een van uw gloednieuwe zussen een bericht via Facebook?

Fanon: “Zij dacht dat ik een gekkin of een oplichtster was. Later belden we en ze ratelde zo snel in het Spaans dat ik haar nauwelijks kon volgen. Een andere zus vroeg: ‘Welke informatie heb je over je adoptie?’ Ik stuurde haar alles wat ik had. Meteen daarna reageerde ze: ‘Hoe is het mogelijk dat je nog leeft?’ Toen zag ik een vriendschapsverzoek van mijn mama. (stilte) Vervolgens stuurde ze een bericht dat ik niet meteen durfde te openen. ‘Dag mijn mooi lief meisje, mijn schat’, schreef ze. ‘Ik geloof dat ik je mama ben.’”

 

Haar dertig jaar dode dochter was plots springlevend.

Fanon: “Al die jaren was ze er rotsvast van overtuigd dat ik dood was. Daar heeft ze nooit aan getwijfeld. Elk jaar brandde ze een kaarsje op mijn verjaardag. Mijn biologische mama had me Mariela Sindy genoemd. Mijn biologische papa noemde zijn eerste dochter die na mij geboren is, Mariela en zijn tweede dochter Cindy.”

 

Wanneer ontmoette u uw moeder in levende lijve?

Fanon: “In januari 2018, anderhalve maand na ons eerste contact. Ik moést haar zien en nam in mijn eentje het vliegtuig naar Guatemala. Heel de familie stond me op de luchthaven op te wachten.

“Ik vond mijn mama zo mooi. Ze rende naar me toe en nam me in haar armen. Ze was zacht en rook zo lekker. Haar geur vergeet ik nooit meer.”

 

Uw biologische vader ontmoette u later samen met Eric Goens voor Bargoens?

Fanon: “Papa woont in de Verenigde Staten. Hij is een succesrijk ondernemer en kwam speciaal voor ons over naar Guatemala. Mijn biologische mama is mijn adoptieouders ontzettend dankbaar. Ze kan niet ophouden met hen te bedanken omdat ze al die jaren zo goed voor haar dochter gezorgd hebben. Mijn beide mama’s hebben elkaar gesproken, en zouden graag samen tijd doorbrengen met mij. Maar ik kan dat op dit moment emotioneel niet aan. Zij kijken daar heel erg naar uit; voor mij lukt dat voorlopig niet.”

 

U zit nu met uw identiteit zwaar in de knoop?

Fanon: “Het is ingewikkeld. Als ik daar ben, zien de mensen me als één van hen. Ik ben dan ook één van hen, want op die momenten werken de toeristen me even hard op de zenuwen. (lacht) Daar ben ik thuis, maar hier ben ik ook thuis. Dat is zo raar. Als ik hier geen gezin had, was ik al lang weg naar Guatemala. Daar ben ik zeker van. Ik had de oversteek eerlijk gezegd bijna geregeld. Ik had zelfs een school gevonden waar de kinderen ook Frans konden blijven spreken. Mijn Guatemalteekse mama wil zo graag dat ik terugkom. Maar mijn man ziet een verhuis niet zitten. Mijn Guatemalteekse papa zou liefst hebben dat ik naar de VS verhuis. Maar ik raak dat land niet binnen omdat mijn papieren vervalst zijn. Officieel woon ik nog steeds in Guatemala.

“Ik ben verdrietig over wat mijn vaders en moeders moesten meemaken. Ik ben ook kwaad over wat er gebeurd is. Ze hebben mijn leven gestolen en twee families in de ellende gestort. Ik was amper een paar dagen oud toen ze me roofden. Het federaal parket voert nu sinds enkele maanden een onderzoek naar alle adopties van Hacer Puente. Ik hoop dat duidelijk zal worden wie in België verantwoordelijk was.”

 

Kwam dat gerechtelijk onderzoek er door u of door uw organisatie Racines Perdues?

Fanon: “Nee, het kwam er na een klacht van een slachtoffer uit Vlaanderen. Zij stapte met haar adoptieverhaal naar de politie. Via Racines Perdues heb ik contact met alle geadopteerden van Hacer Puente. Ook met de Vlaamse vrouw Dolores Maria Preat die in 2014 voor een stevig schandaal zorgde in Guatemala. Ook zij had ontdekt dat haar moeder haar niet uit armoede had afgestaan, maar dat ze was ontvoerd. Haar kidnapster gaf zichzelf uit voor haar biologische moeder. Die vrouw is daar in Guatemala voor veroordeeld.”

 

Preats adoptie verliep via Hacer Puente?

Fanon: “Ja. Ik zeg niet dat er een geurtje hangt aan alle adopties die Hacer Puente ooit regelde. Maar de lijst van onregelmatigheden die we via Racines Perdues in Guatemala verzamelden, oogt indrukwekkend. Met nummers van identiteitskaarten van biologische ouders die niet kloppen, mannen die vrouwen blijken te zijn, enzoverder… Het was één knoeiboel.”

 

In Vlaanderen is er op dit moment ook flink wat heisa over interlandelijke adoptie. Er bestaan ernstige vermoedens van fraude over adopties uit onder andere Sri Lanka, Ethiopië en Congo.

Fanon: “Franstalige en Nederlandstalige adoptiekinderen staan nu in nauw contact met elkaar. Want interlandelijke adoptiefraude is geen communautaire materie: in heel dit land liep het vaak grondig fout. Daarom is het meer dan de hoogste tijd voor een landelijke waarheidscommissie over adoptie. Álles moet op tafel komen. Zonder taboes.

“Sophie Villers en ikzelf willen graag als vertegenwoordigers van Racines Perdues door de toekomstige premier van België ontvangen worden. Want omdat we als baby ontvoerd zijn, raken wij nu de VS niet binnen. Daar beschouwen ze ons nog steeds als Guatemalteken. We zouden graag hebben dat onze toestand via diplomatieke weg geregulariseerd wordt. Dan kan ik mijn biologische papa bij hem thuis opzoeken. De nieuwe Belgische regering moet ook werk maken van een DNA-bank waar alle geadopteerden terechtkunnen.”

 

Heeft Michèle Boucq van Hacer Puente intussen contact met u gezocht?

Fanon: “Nee. In 2016 belde ik haar omdat ik meer informatie wou over mijn dossier. ‘Wij regelden enkel de overhandiging’, zei ze. ‘Ik heb geen archief.’”

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

‘Ik kreeg dreigbrieven. Mijn advocaat zei: ‘Ga niet te dicht bij de sporen staan als je de metro neemt, en pas op als je de straat oversteekt”

Tien jaar lang geloofde Stéphanie Gibaud dat ze de job van haar leven had als marketeer bij private bank UBS France. Tot ze ontdekte dat haar werkgever op grote schaal belastingontduiking voor de superrijken organiseerde. “Het was alsof ik bij de duivel in bed lag.” Ze werd klokkenluidster en haar leven veranderde in een hel. “Ze vergiftigden mijn hond in mijn appartement.”

 

“U herkent me aan mijn lange rode jas”, sms’t Stéphanie Gibaud vijf minuten voor onze afspraak in een Parijse brasserie. Het mailverkeer voorafgaand aan dit interview verliep via een beveiligd adres. Ze vraagt om achteraan te gaan zitten, in de donkerste hoek van het café. “Toch ben ik niet paranoïde”, zegt ze. “Maar de technologie vertrouw ik niet meer. Sinds ik frontaal met UBS France in aanvaring kwam, weet ik dat zij de middelen hebben om mijn smartphone uit te lezen en mijn mailboxen te checken. In 2011 sloot ik een deal met het ministerie van Financiën. UBS was meteen op de hoogte. Ik ben zeker dat niemand gelekt had. Ze konden dat alleen weten door me af te luisteren.”

Eind februari van dit jaar werd de private bank UBS door de Franse rechtbank veroordeeld tot een recordboete van 4,5 miljard euro. Die veroordeling was een rechtstreeks gevolg van het overdonderende bewijsmateriaal dat klokkenluidster Stéphanie Gibaud mee hielp verzamelen. “Eindelijk kreeg ik gelijk.”

Van bij de start in 1999 tot 2012 hielpen de bankiers van UBS rijke Fransen de fiscus te omzeilen. Dat deden ze door zwart geld ‘op industriële wijze’ wit te wassen en vermogens offshore, op geheime rekeningen in Zwitserland te stallen. In zijn vonnis sprak de Franse rechter van ‘criminele wandaden van uitzonderlijk ernstige aard’. UBS kondigde inmiddels aan in beroep te gaan.

Toen Stéphanie Gibaud nog hoofd marketing en communicatie bij UBS France was, woonde ze met haar twee jonge zonen in een ruim zonnig appartement in de Parijse rue d’Armaillé. Vandaag is ze zowat alles kwijt: haar droomjob, haar kinderen en haar chique flat. “UBS heeft mijn leven vernietigd. Ze probeerden me als een insect te vermorzelen.” Nu woont ze in een godvergeten dorp aan de Italiaanse grens en adviseert ze bedrijven over ethisch ondernemen. Ze is in Parijs om aan te kondigen dat ze in mei wil deelnemen aan de Europese verkiezingen. Straks heeft ze afgesproken met haar oudste zoon, vanavond is ze spreker op een conferentie over mobbing, pesten op het werk.

Stéphanie Gibaud: “Ik sta als tweede op de Europese lijst Debout la France (DLF) van politicus Nicolas Dupont-Aignan. Wij willen de ethiek terug in de politiek brengen. Het verborgen geld van de superrijken moet eindelijk boven water komen. Belastingparadijzen kunnen enkel op internationaal niveau aangepakt worden. Als Malta en Cyprus binnen de EU willen blijven, zullen ze er toch voor moeten zorgen dat miljonairs van over de hele wereld er niet langer hun zwarte centjes kunnen onderbrengen. Daarom hebben we Europese politici nodig die banken het vuur aan de schenen durven leggen.”

 

Bij de laatste Franse presidentsverkiezingen haalde Nicolas Dupont-Aignan 4,73 procent van de stemmen. Erg veelbelovend lijkt dat niet.

Gibaud: “Intussen leven we met de gele hesjes-beweging in andere tijden. De woede in de Franse samenleving is groot. Na de veroordeling van UBS had ik gehoopt dat de Franse regering me tegemoet zou komen. In 2008 tipte ex-UBS-bankier Bradley Birkenfeld in ruil voor 104 miljoen dollar de Amerikaanse fiscus over offshore-rekeningen van Amerikaanse UBS-klanten in Zwitserland. Ik kreeg niets voor mijn klokkenluiderswerk. Ik was een alleenstaande moeder met twee kinderen. De toplui bij UBS rekenden erop dat ze me snel zouden kunnen vernietigen. Op het einde werkte ik nauw samen met het Franse ministerie van Financiën. Was het op dat moment niet de verantwoordelijkheid van de Franse overheid om mij te beschermen én te verdedigen? Of om op zijn minst alle schade te vergoeden die ik geleden heb? Na de uitspraak in februari lijkt het alsof de zaak-UBS in Frankrijk geregeld is. Over mij wordt niet meer gesproken, ook de huidige president Emmanuel Macron en zijn regering zwijgen me dood.”

 

Komt dat omdat veel rijke klanten van UBS connecties hebben met politici?

Gibaud: “Dat is inderdaad de kern van de zaak. De presidentiële verkiezingscampagne van Emmanuel Macron werd gedeeltelijk gefinancierd door multimiljonairs. Een van zijn belangrijkste financiële steunpilaren was de Rothschild-bank waar hij zelf vier jaar gewerkt heeft. De oude kameraden mobiliseerden hun rijke vrienden om Macrons verkiezingskas te spijzen. Dat superrijke vriendenkransje ziet mij als de party-pooper.

“In Zwitserland is UBS een instituut: het is er de grootste werkgever. Intussen weet ik dat de bank ook kampioen is in fraude en witwassen. Dat leverde haar in het verleden zowel in Duitsland als in de VS al miljoenenboetes op. Ook in uw land loopt er trouwens een gerechtelijk onderzoek. De Belgische politie zocht twee keer contact met mij. De eerste keer was in 2014 in Brussel; de tweede keer hier in Parijs in 2015. Ze wilden weten hoe het UBS-systeem functioneert, want België is naar het schijnt een kopie van Frankrijk. Ik vraag me af hoe het nu met dat Belgische onderzoek gesteld is. Misschien hebben de onderzoekers op de Franse uitspraak gewacht om terug in gang te schieten.”

 

Wanneer begon u bij UBS te werken?

Gibaud: “In september 1999. Als hoofd Marketing en Communicatie kreeg ik een stevig budget om VIP-evenementen te organiseren.”

 

Die VIP-evenementen waren in de eerste plaats bedoeld om superrijke klanten aan te trekken?

Gibaud: “Ja. UBS is enkel geïnteresseerd in mensen met grote vermogens. Wij organiseerden onder andere de UBS Golf Trophy, overal ter wereld. In België sponsorden we de Formule 1-wedstrijd van Spa-Francorchamps. Elk jaar stuurde ik klanten met een ‘speciaal arrangement’ naar daar.”

 

UBS is de oudste bank van Zwitserland, maar de Franse afdeling dateert pas van 1999, het jaar waarin u er kwam werken.

Gibaud: “UBS España en UBS France openden hun deuren op hetzelfde moment. De toenmalige Italiaanse premier Silvio Berlusconi had een paar jaar eerder fiscale amnestie beloofd aan de rijke Italianen. Tegen zijn vermogende vrienden zei hij: ‘Breng jullie zwart geld van Zwitserland terug naar Italië. Jullie zullen niet beboet worden, er komt geen vervolging en er volgt geen gevangenisstraf.’ De Zwitserse bankiers van UBS vreesden dat de Franse president Jacques Chirac en de Spaanse premier José María Aznar het voorbeeld van Berlusconi zouden volgen. Dat kon hen veel lucratieve cliënten kosten. Dus openden ze razendsnel filialen in Parijs en Madrid. De Franse cliënten moesten dan zelf niet meer met hun zwarte centen naar belastingparadijs Zwitserland; de Zwitsers regelden alle offshore-praktijken in opperste discretie voor hen. Hun witte centen werden netjes beheerd door UBS France of España. UBS Belgium is in 2002 van start gegaan. Daar moet ik geen tekening bij maken, zeker? Voor de buitenwereld leek alles bonafide. Toen ik bij UBS begon te werken, was ik er rotsvast van overtuigd dat ik bij een fatsoenlijke bank terecht kwam. UBS France beweert tot vandaag: ‘Met offshore hebben wij niets te maken. Wij voldoen volledig aan de vereisten en voorwaarden van de Franse nationale bank en aan de regels van de bankwaakhond Autorité des Marchés Financiers (AMF).’ Hun juridische mistgordijn is zo dik dat het tot dit jaar geduurd heeft voor de Franse rechtbank tot een veroordeling kwam.”

 

Aan de andere kant verliep het versluizen van zwart geld naar Zwitserland toch ook nogal knullig? Uit uw boek leer ik dat tussen 2002 en 2007 de UBS-toplui in Frankrijk een dubbele boekhouding bijhielden. Met schriftjes vol dubieuze transacties, de zogenaamde ‘carnets du lait’ of huishoudboekjes.

Gibaud: “Ze hielden er de illegale transacties in bij met potlood en gom. Op het einde van elke maand zat onze grote baas Patrick de Fayet samen met de Zwitsers die boekjes netjes bij te werken. Zo lijkt het misschien alsof UBS een amateuristisch zootje was, maar dat is een foute inschatting. Wij wisten trouwens niet van het bestaan van die notitieboekjes.

“Toen UBS France in 1999 van start ging, was het de bedoeling dat het bedrijf zou uitgroeien tot een van de grootste private banken van Frankrijk. Er kwam bij ons nooit een amnestie à la Berlusconi, en zeker tot 2009 spraken de Zwitserse bankiers met hun Franse cliënten af in het hoofdkwartier van UBS aan de Boulevard Haussmann. Of ze reisden naar de events die ik organiseerde.”

 

U wist niet dat uw events dekmantels waren om zwart geld wit te wassen en misdaad- en corruptiegeld te versassen?

Gibaud: “Ik wist niets van de bankzaken en had niets te maken met transferts van geld. Ik organiseerde golftornooien, exclusieve concerten en regatta’s voor jachten. Ik regelde box seats voor Roland Garros. Ik moest ervoor zorgen dat elke klant zijn welvaart en geld spontaan associeerde met UBS. Ik bezorgde ons cliëntèle altijd de beste plaatsen in de opera. Die mensen konden àlles betalen. Ze hadden hun eigen helikopter of vliegtuig, bezaten minstens vijf villa’s en een handvol bedrijven. Ze waren zo rijk als de zee diep is. Een VIP-plaats op een muziekfestival was niet goed genoeg; ze moesten voor het optreden samen met de superster in kwestie een frietje kunnen steken. Het was mijn job hen onbetaalbare ervaringen en emoties te bezorgen. Zo organiseerden we in sterrenrestaurant Maison Blanche bovenop het Louvre een intiem concert met cellolegende Mstislav Rostropovich. Nadien schoof Rostropovich aan voor het diner. De man is intussen gestorven en ik ben er wel zeker van dat de Fransen die ooit met hem gedineerd hebben, zeldzaam zijn. Ik denk dat ik ze allemaal ken.”

 

U kende ook alle klanten van UBS France?

Gibaud: “Allemaal. We bedienden een niche: de superrijken. Als ik een golftornooi in Rijsel organiseerde, kwamen er altijd Franse cliënten langs die om fiscale redenen net over de grens in België een optrekje hadden. Hun geld zat veilig offshore in Zwitserland. UBS was in Europa de locomotief in het wit- en zwartwassen van geld van rijke mensen. Zowat alle andere grote banken zijn hen daarna gevolgd, niet zo massaal en kleinschaliger en voorzichtiger. Voor UBS was Zwitserland de corebusiness. Al de rest was façade.”

 

Was u tevreden met uw job?

Gibaud: “Ik hield van mijn werk. Ik had daarvoor als PR-manager bij een voetbalclub gewerkt; ik kende het klappen van de zweep. ‘Hallo, we hebben hier een klant die morgen vanop de eerste rij de finale van de Champions League in Madrid wil bijwonen. De prijs speelt geen rol.’ The sky was the limit. Ik ging tot het uiterste om de zeer veeleisende cliënten van UBS France tevreden te houden. Ik zat continu onder stress, maar als het weer eens gelukt was om het onmogelijke mogelijk te maken, was ik gelukkig.”

 

Tot die fameuze woensdag, 25 juni 2008.

Gibaud: “Eerder die week was de politie binnengevallen in het kantoor van directeur Patrick de Fayet. Tot vandaag weet ik niet wat de aanleiding daarvan was. De bank heeft nooit iets over de achtergrond van die huiszoeking gelost en er is ook nooit iets over in de media verschenen. Ik vermoed dat de politie op zoek was naar gerichte informatie over sommige klanten. De inval zorgde voor paniek in de hoogste regionen van UBS France. Die woensdagochtend kwam mijn rechtstreekse baas voor mijn bureau staan. ‘Er was een huiszoeking bij De Fayet’, zei ze. ‘Wis de harde schijf van je computer en vernietig al je archieven.’ Ik keek haar niet-begrijpend aan. ‘Pardon?’ Pas later hoorde ik van financiële experts waarom ze me vroeg om al mijn bestanden te vernietigen: zonder het te beseffen, bezat ik informatie die voor de speurders goud waard was. Want ik had niet alleen alle namen, adressen en telefoonnummers van de UBS-klanten, maar ook hun rechtstreekse linken met UBS-bankiers in Frankrijk én in Zwitserland, Luxemburg en België. Hard bewijsmateriaal dat Zwitserse bankiers naar Frankrijk gekomen waren om hier hun offshore-producten te slijten. Voor de Franse justitie is dat ‘démarchage bancaire illégal’, illegaal bankieren. Ik had daar nog nooit van gehoord. UBS gold als de beste vermogensbank ter wereld, de properste bank ook en kaapte elk jaar de Euromoney-award, de Oscar voor banken weg. Wist u dat de bank ook vorig jaar nog met die award ging lopen?”

 

2008 was het jaar van de financiële crisis.

Gibaud: “Daardoor begon de zogenaamd zuivere tanker UBS slagzij te maken. De bank had zwaar in Amerikaanse rommelhypotheken geïnvesteerd. UBS had ook veel geld gestopt in het fonds van superfraudeur Bernard Madoff. Als klap op de vuurpijl luidde in Amerika Bradley Birkenfeld de klok. Een decennium lang geloofde ik voor een ethisch hoogstaande bank te werken. De beste bank ter wereld! De kredietcrisis van 2008 legde een bom onder dat geloof. Toen mijn baas zei: ‘Vernietig al je data’, drong tot me door dat UBS me al die jaren bedrogen had. Op dat moment voelde ik me als een gelukkig getrouwde vrouw die ontdekt dat haar man haar al jarenlang bedriegt. Ik lag in bed met de duivel zelf.”

 

Was het daarom dat u weigerde om de bestanden op uw computer te wissen?

Gibaud: “Ik vroeg mijn baas: ‘Waarom viel de politie bij De Fayet binnen?’ Ze wist het niet. ‘Doe wat ik je opdraag.’ Net op dat moment was ik druk bezig met het organiseren van een golftornooi in Genève. Ik had even geen tijd om mijn computer op te kuisen en mijn baas kon de pot op. Ze was nieuw, kwam van een andere bank en ik kon haar eerlijk gezegd niet luchten. Later die dag stond ze opnieuw voor mijn neus: ‘Heb je de boel al opgekuist?’ ‘Nee, geen tijd.’ ‘Haast je en vergeet niet alle papieren archieven weg te gooien.’ Er stonden afvalcontainers en pas dan viel het me op dat collega’s naarstig bezig waren met het dumpen van dossiers. Ik voelde dat er stront aan de knikker was en vanaf dan nam ik elke avond een pak papier uit die containers mee naar huis. Tot er tien vierkante meter papier in mijn woonkamer lag. Drie jaar lang doorploegde ik elke nacht en elk weekend al die documenten. Ik zag rekeningen passeren in Latijns-Amerika en Azië. Ik bracht alle belastingparadijzen in kaart waar UBS France offshore-rekeningen had. Ik probeerde te achterhalen welke codenaam voor wie stond. Ik las instructies over hoe namen en gegevens van klanten veilig opgeborgen kunnen worden in smartphones en laptops. Ik zag handleidingen om douaniers om de tuin te leiden en een draaiboek over wat te zeggen en te doen na arrestatie.”

 

Dat lijkt op een James Bond-film.

Gibaud: “De figuren die UBS in dienst had om offshore-diensten in Azië en Amerika te verzorgen, waren dan ook geen bankiers, maar een soort geheim agenten. Zij werkten niet voor, maar tégen de Franse regering. In het begin van mijn nachtelijke zoektocht was ik een hardwerkende alleenstaande moeder met twee zonen. Op het einde was ik extreem vermoeid én extreem bang voor mij en mijn kinderen. Want ik had bewijs in handen dat ik voor een organisatie werkte die de illegaliteit niet schuwde.”

 

U stapte niet naar de politie, maar naar uw bazen.

Gibaud: “Ik was vakbondsafgevaardigde en was het gewoon om bij problemen naar het management te stappen. Dat deed ik nu dus ook. Ik stapte de kantoren binnen van UBS-voorzitter Thierry de Chambure en directeur Patrick de Fayet. Ik was verschrikkelijk naïef en geloofde dat ze me in bescherming zouden nemen. ‘Je bent gek’, zeiden ze. ‘Gestoord.’ Meteen daarna begonnen de pesterijen. Ze namen me al mijn verantwoordelijkheden af en ik werd gedegradeerd tot ‘hoofd receptie’. Mijn job bestond voortaan uit checken of alle planten water hadden en of de voorraden papier nog op peil waren. Ik mocht niet meer reizen. UBS startte een roddelcampagne. Het was zo heftig dat ik in een zware depressie sukkelde. Na mijn terugkomst, had ik niets meer om handen. Ik stapte naar een inspecteur van het ministerie van Arbeid. Zij zorgde ervoor dat ik mijn oorspronkelijke job terugkreeg. Er werden beloftes gemaakt dat de bank haar leven zou beteren en afscheid zou nemen van het zwarte circuit. Tot ik in 2011 tijdens de voorbereiding van het tennistornooi van Roland Garros benaderd werd door agenten van de Franse douane. ‘We willen u graag twee weken volgen op Roland Garros, want we hebben het vermoeden dat UBS er afspraken regelt met Zwitserse bankiers.’ Ik geloofde hen niet. ‘Dat doen ze niet meer’, zei ik. ‘Dankzij mij heeft de bank haar leven gebeterd.’”

 

Maar dat was niet zo?

Gibaud: “Nee. De douaniers waren zeker van hun zaak. ‘UBS is nooit gestopt. We willen dat u ons helpt.’ Dus maakte ik die geheime deal met het ministerie van Financiën. Ik had geen keuze. Ik werkte bij de allergrootste bedrieger ooit uit het bankwezen en zat op een schat aan informatie. François Hollande was toen president. Zijn regeringsleden stelden zich voor als witte ridders en bestrijders van belastingontduiking. Als voorbeeldig burger werkte ik met hen mee. Ik nam een groot risico, want op dat moment bestond er in Frankrijk nog geen wet die klokkenluiders beschermt. ‘We maken dat klokkenluidersstatuut in orde’, beloofden ze. Toen die wet er dan eindelijk was, deelde de toenmalige minister van Financiën Michel Sapin me droogweg mee: ‘O maar, die wet geldt niet voor jou. Jij bent geen klokkenluider, maar een getuige.’ Vijftien maanden lang had ik me voor hen uitgesloofd. Dat was een afschuwelijke periode. Ik was doodsbang dat UBS me zou ontmaskeren.”

 

Vreesde u voor uw leven?

Gibaud: “Ja. Mijn advocaat zei: ‘Ga niet te dicht bij de sporen staan als je de metro neemt. Pas op als je de straat oversteekt.’ Het duurde tot 2012 voor UBS me ‘om economische redenen’ ontsloeg. Meteen daarna werd mijn hond vergiftigd in mijn appartement hier in Parijs. Ik kreeg dreigbrieven en de Franse regering liet me vallen als een baksteen.

“Na UBS was ik uitgeput en werkloos, maar ik hoopte dat mijn leven snel terug normaal zou worden. Toen sprongen de media op de belastingontduiking van UBS, en kwam mijn naam als klokkenluider bovendrijven. Ik werd door journalisten overvallen. Ik was zo dom te denken dat die media-aandacht me kon helpen om mijn carrière op de sporen te krijgen. Het tegendeel gebeurde: ik verloor er mijn leven door. Twaalf jaar lang stond ik onder ongelooflijke druk. Kijk naar mijn gezicht, naar de sporen die de stress erop naliet. UBS sleurde me voor zeven verschillende rechtbanken. Het hield niet op. Nu komt er nóg een proces: één voor laster en eerroof naar aanleiding van mijn boek uit 2014, La femme qui en savait vraiment trop. Sinds die 25e juni 2008 is mijn leven een hel. Financieel zit ik aan de grond, ik ben in de steek gelaten door mijn regering en moest de ene na de andere rechtszaak overleven. Andere mensen zouden er doodziek van worden of in de drank wegvluchten.”

 

U niet?

Gibaud: “Nee, want ik ben een overlever. Frankrijk was samen met Duitsland de stichter van de Europese Unie. Met ‘gelijkheid, vrijheid en broederlijkheid’ is mijn land ook de bakermat van de mensenrechten. Dat hebben onze politici na UBS compleet verkwanseld. Ik ben niet de enige die ze in de kou laten staan. Weinig mensen weten dat Wikileaks-klokkenluider Julian Assange een zoon van tien heeft in Frankrijk. In 2015 vroeg hij onder andere om die reden bescherming aan de Franse overheid. Er is een wet in Frankrijk die bepaalt dat kinderen nooit van hun ouders gescheiden mogen worden. Zijn zoon was al voldoende reden om hem hier asiel te verlenen. Maar nee, dat werd hem botweg geweigerd. Dat hele pompeuze verhaal van Frankrijk als behoeder van de mensenrechten, is niet meer dan een grove leugen. Edward Snowden vroeg ook asiel in Frankrijk en ving eveneens bot. Hij leeft nu in Rusland. Ik heb hem trouwens gisteren nog gesproken.”

 

Hoe is het met hem?

Gibaud: “In vergelijking met Assange stelt hij het uitstekend. Snowden kan in Rusland gaan en staan waar hij wil. Maar Julian kan nergens meer heen. Nu moet u weten, uit de Snowden-files blijkt heel duidelijk dat zowel de regeringen van Nicolas Sarkozy als van Hollande door de Amerikaanse geheime dienst NSA in de gaten gehouden werden. Het is dan toch godgeklaagd dat net Snowden en Assange geen asiel in Frankrijk krijgen?”

 

U hebt Julian Assange indertijd in de Ecuadoriaanse ambassade in Londen bezocht?

Gibaud: “Ja. Hij leefde er in trieste omstandigheden. Hij sliep in de keuken van de ambassade. In 2016 beslisten de Verenigde Naties dat hij er ten onrechte vastzat. De regering in Londen tekende meteen bezwaar aan. In de Europese instellingen in Brussel bleef het intussen oorverdovend stil. Zijn arrestatie kwam niet als een verrassing. Ecuador wou van hem af. Ik hoop dat de Europese toppolitici en alle journalisten wereldwijd nu Groot-Brittannië zullen oproepen om Julian niet aan de VS uit te leveren. Het is de hoogste tijd dat hij na al die jaren veilig en onbevreesd naar zijn familie kan terugkeren.”

 

Twee Zweedse vrouwen beschuldigden Assange van verkrachting en dienden in 2010 klacht tegen hem in.

Gibaud: “Die meisjes trokken intussen hun klachten in en Zweden stopte het onderzoek.”

Assange wordt ervan verdacht tijdens de Amerikaanse verkiezingscampagne e-mails van Hillary Clintons campagneteam te hebben gehackt om haar te beschadigen. Dat is toch niet iets wat een rechtschapen klokkenluider hoort te doen?

Gibaud: “Dat wordt gezegd, maar is dat ook zo? Daar is niets van bewezen. Waarom wordt dat nieuws de wereld ingestuurd? Omdat ze van Wikileaks af willen. Voor alle duidelijkheid: ik heb met Assange of Wikileaks niets te maken.”

 

Hebt u er geen spijt van dat u die 25e juni 2008 uw harde schijf niet gewoon gewist hebt?

Gibaud: “Soms wel. Maar dan was ik mededader geworden.”

 

Dan organiseerde u nu misschien nog golftornooien voor UBS.

Gibaud: “Dan zat ik waarschijnlijk zelfs nóg hoger in de hiërarchie of had ik een topjob bij de concurrentie. Want àlle grote namen van UBS France die het systeem draaiende hielden en mij het leven zuur maakten, bezetten nu topjobs bij JP Morgan, Credit Suisse en Rothschild… Al die zakenbankiers vormen één grote familie. Ze delen ook allemaal dezelfde familiegeheimen.”

(c) Jan Stevens

Kolonel Q

“Het gaat niet goed met het Belgische leger”, sms’t kolonel Q eind december. Het klinkt als een noodkreet en een week later zitten we in een donkere hoek van een café, ergens in een anonieme stad. “Onze generaals soigneren zichzelf, maar de kapotte toiletten in de kazernes laten herstellen, is iets te veel gevraagd.”

 

“Geen enkele militair durft zijn mond open te trekken”, zucht Kolonel Q. “Het ongenoegen is nochtans groot, zowel onder de gewone soldaten als aan de top. Toch blijft het oorverdovend stil, want iedereen is bang om zijn job te verliezen. Ik zou veel liever met open vizier praten, maar ik heb een gezin en kan me niet permitteren om ontslagen te worden. Het is niet gezond dat er in een organisatie op geen enkele manier kritiek getolereerd wordt. Alleen wanneer de problemen duidelijk benoemd worden, raken ze opgelost. Ik ben het ermee eens dat militairen moeten zwijgen als ze middenin een operatie zitten. Want dan luistert de vijand ook mee en op dat moment geldt: bevel is bevel. Maar wat ik niet begrijp is dat we doofstom moeten blijven wanneer het over ons gewone dagelijkse beroepsleven gaat. De media krijgen enkel de officiële goednieuwsberichten opgelepeld. Met als gevolg dat de Belgen slecht geïnformeerd zijn over defensie.”

Voor kolonel Q is de toestand in zijn geliefde leger intussen zo hopeloos dat hij het risico neemt van een interview met Humo. Op voorwaarde dat zijn anonimiteit bewaard wordt.

Kolonel Q: “Ik was nog een tiener toen ik halverwege de jaren tachtig in het leger kwam. De dienstplicht bestond nog en we waren met 100.000 militairen. Zo goed als elke stad had zijn kazerne; beroepsmilitairen konden bij wijze van spreken elke dag met de fiets van het werk naar huis. In die tijd leek het leger voor veel burgers nog een aantrekkelijke werkplek: iedereen kende wel een milicien of een beroepsmilitair. Een job bij het leger was voor het leven.”

 

Toen u dienst in het leger nam, deed ik als gewetensbezwaarde mijn burgerdienst. Van vrienden die wel milicien werden, hoorde ik gruwelverhalen. Er was vooral veel drankmisbruik en jonge dienstplichtigen werden soms tiranniek behandeld.

Kolonel Q: “De dienstplicht liep toen op zijn laatste benen. Op 31 december 1992 verscheen de wet waarin de afschaffing werd aangekondigd; de lichting van ‘94 moest niet meer opdraven. U hebt misschien negatieve ervaringen van uw vrienden gehoord, maar u mag niet vergeten dat het leger in die tijd echt wel een grote impact op het land had. Daarna volgden de jaren van herstructureringen: ontzettend veel basissen en kazernes gingen dicht. Zowel de lucht- als de landmacht moesten gebouwen en terreinen prijsgeven. Het aantal pantservoertuigen, vliegtuigen en schepen werd herleid tot een kwart. De aanwerving van nieuwe rekruten liet te wensen over waardoor het legerpersoneel in recordtempo verouderde. We verloren op te veel kritieke plaatsen te veel gekwalificeerde mensen. Technici, infanteristen, matrozen… Ze verdwenen en werden nooit meer vervangen.”

 

Wil dat dan zeggen dat door onderbezetting sommige plekken in het leger gevaarlijk of onveilig zijn?

Kolonel Q: “Gevaarlijk zou ik niet zeggen, want voorlopig trekken we nog ons plan. Al wordt het bij de gevechtseenheden van de landmacht wel kritiek: twee op de vijf posten zijn er niet ingevuld. De volgende jaren vertrekken er in het hele leger zeer veel mensen op pensioen waarvan velen waarschijnlijk niet vervangen zullen worden. De top van defensie weet dat al lang. Een jaar of tien geleden waarschuwde de dienst Human Resources er al voor dat we met het personeelsbestand in de problemen kwamen als er niets werd ondernomen. Op briefings werd erop gehamerd dat we meer moesten rekruteren. Een van de plannen was om een systeem op poten te zetten waarbij oudere militairen binnen het leger omgeschoold werden voor een job als burger. Ze bleven dan wel binnen het leger actief in bijvoorbeeld een administratieve burgerfunctie, waardoor er meer plaats vrijkwam voor jonge rekruten. De toenmalige minister van Defensie André Flahaut (PS) dokterde rond 2004 een plan uit. Zijn opvolger Pieter De Crem (CD&V) schafte dat weer netjes af. Daar betalen we nu de prijs voor. De jaren onder De Crem waren niet de beste voor defensie.”

 

Ik had nochtans de indruk dat Pieter De Crem zich erg in zijn nopjes voelde als minister van Defensie.

Kolonel Q: “Hij kon zichzelf goed verkopen als defensieminister. Bovendien streelde de functie zijn imago. Hij kickte op het militair ceremonieel, het machtsvertoon en de pracht en praal van de NAVO-hoogmissen. Maar er werd bijzonder weinig in personeel en materiaal geïnvesteerd. Amper de helft van onze normale behoefte aan jonge militairen werd onder zijn bewind aangeworven. Zijn investeringspercentage lag mijlenver onder wat een organisatie als defensie nodig heeft om gezond te blijven. Zo waren we op termijn gedoemd om de boeken definitief te moeten dichtdoen. Pieter De Crem heeft niets wezenlijks aan het leger bijgedragen. Acht jaar lang haalde hij zijn kaasschaaf boven om te bezuinigen. Kijk, ik ben niet tegen of voor Flahaut of De Crem, maar in tegenstelling tot wat veel mensen lijken te denken, was André Flahaut een sterke minister van Defensie. Hij verhoogde onze lonen en dacht ook constructief na over onze toekomst. Wat over zijn opvolger niet gezegd kan worden.”

 

Wat vond u van Steven Vandeput (N-VA) als minister van Defensie?

Kolonel Q: “Hij was vooral bezig met het materiële. Dat is goed hé, want na De Crem moést er in wapens en uitrusting geïnvesteerd worden, maar het personeel werd verwaarloosd. Vandeput was de koning van het ‘outsourcen’: privé-bewakingsfirma’s kregen contracten om militaire sites te bewaken. Zijn principe was: militairen moeten hun tijd niet verdoen met wachtlopen, zij moeten beschikbaar zijn om op missie te vertrekken. Dat klinkt zinvol, alleen is het Belgische leger geëvolueerd tot een te klein leger van vooral oudere militairen. Sommigen hebben bijvoorbeeld rugklachten en zijn echt niet fit genoeg meer om op zending gestuurd te worden. Voorlopig worden nog maar een viertal kwartieren door burgers bewaakt, maar snel worden dat er meer. Wat moeten al die oudere militairen die nu nog de wacht lopen dan gaan doen? Tegen betaling een hele dag op een stoel zitten suffen? De logistieke keten wordt op relatief korte termijn ook aan de privé uitbesteed. Dat gaat dan van de ontvangst en inventarisatie van goederen tot en met het transport. En ook de keukens worden geprivatiseerd. Opnieuw zijn de oudere militairen de dupe. U gelooft toch zelf niet dat iemand van vijftig die nu in de potten staat te roeren, volgend jaar enthousiast ergens op missie in de modder zal staan ploeteren?

“Vandeputs toekomstplan voor het leger, zijn zogenaamde ‘Strategische Visie’, was om bij te wenen. Het schrijven alleen al duurde twee jaar langer dan hij eerst zelf vooropgesteld had. Daarna slaagde hij er niet in om het politiek goedgekeurd te krijgen. Hij kreeg van de regering enkel wat materiële toezeggingen en mocht 5.000 jobs schrappen. De rest kreeg nooit de politieke zegen van zijn coalitiegenoten. Over de sluiting van de kazernes en ons pensioen kwam geen akkoord waardoor duizenden militairen en hun families verder in onzekerheid blijven leven. Dat is toch pijnlijk?”

 

Tien jaar geleden kwam in het nieuws dat het leger met een acuut tekort aan kogels kampte. Soldaten op missie in Afghanistan hadden amper munitie en tijdens oefeningen moesten soldaten “Pang! Pang!” roepen.

Kolonel Q: “Dat is voltooid verleden tijd. Vandaag is er materiaal genoeg voorhanden. Omdat er vooral onder Steven Vandeput zoveel personeel afgevloeid is, is er nu zelfs geld te veel om wapentuig te kopen.

“Ik vond het zeer bizar dat een N-VA’er minister van de Belgische Defensie werd. Als goede Vlaams-nationalist zag hij natuurlijk liefst zoveel mogelijk federale banen sneuvelen. In 2016 bepaalde Vandeput dat het maximale aantal militairen het jaar erop moest zakken tot 30.000. Tegen 2030 moet het leger zelfs afgeslankt zijn tot 25.000. Begin oktober 2018 maakte de VRT alarmerende cijfers bekend: het aantal militairen zou onder de voorziene 25.000 militairen gezakt zijn. Generaal-majoor Jean Marie Nulmans van Human Resources was er als de kippen bij om dat cijfer op Radio 1 te ‘nuanceren’. Volgens hem had de VRT enkel de ‘inzetbare militairen’ geteld en lag het totale aantal op meer dan 27.000. In 2016 verlieten 2.500 mensen het leger, terwijl er slechts 900 werden aangeworven. Veertig procent van alle manschappen gaat binnen acht jaar op pensioen. De gemiddelde leeftijd in het leger is 42 jaar, terwijl volgens het strategische plan de gemiddelde leeftijd 34 jaar zou moeten zijn. In onze buurlanden is de gemiddelde leeftijd 32. Omdat er de voorbije jaren amper aanwervingen waren, moeten er vanaf 2021 jaarlijks 2250 militairen gerekruteerd worden. Nulmans gaf toe dat er tekorten dreigen, maar beweerde dat die opgevangen konden worden met reservisten. Kent u veel burgers die reservist willen worden?”

 

Mijn schoonbroer nadert de zestig en is reservist. Tot voor kort trok hij af en toe met andere good ol’ boys naar de Ardennen om er een week oorlog te spelen. Vanwege knieproblemen moet hij nu afhaken.

Kolonel Q: “Uw schoonbroer zit bijna aan het einde van zijn beroepsleven, maar kent u ook jonge mensen die reservist willen worden? Wie een drukke job heeft, kan het zich gewoon niet permitteren om een paar weken per jaar zijn burgerplunje in te ruilen voor een uniform. De medewerkers van Human Resources bellen nu in paniek naar alle gepensioneerde militairen om te vragen of ze alsjeblieft terug willen komen werken. Het leger werft dus nu zijn eigen gepensioneerd personeel aan om de gaten te vullen.

“Sinds de IS-aanslagen worden we op straat ingezet en we waren nooit eerder zo vaak op buitenlandse missie als nu. De voorbije jaren kregen we een permanente taak toegewezen in binnen- en buitenland. De oorlogsgebieden in Syrië, Afghanistan, de Sahel zullen jammer genoeg niet snel verdwijnen. Nu de Amerikaanse president Donald Trump zijn troepen overal begint terug te trekken, zal Europa nóg meer moeten doen. Alleen vrees ik dat België dan noodgedwongen moet afhaken. Er zijn trouwens niet alleen de natuurlijke afvloeiingen; veel militairen verlaten na een paar jaar zélf het leger. Daar zijn ook officieren en onderofficieren tussen 25 en 35 bij; mensen die eigenlijk de ruggengraat van defensie vormen.”

 

Ik ken een twintiger die een paar jaar geleden beroepsmilitair werd. Hij was gestationeerd in Leopoldsburg. Na een paar jaar nam hij er gedegouteerd afscheid. In zijn compagnie werd veel drugs gebruikt; XTC was favoriet. Er werd nooit ingegrepen. Hij knapte daarop af.

Kolonel Q: “Ik dacht eerlijk gezegd dat het drugsprobleem binnen Defensie onder controle was. Want er gelden strenge straffen: wie op drugsgebruik betrapt wordt, vliegt eruit.”

 

En alcohol?

Kolonel Q: “In het begin van mijn carrière werd er stevig gedronken in de kazernes, vaak al tijdens de middagpauze. Op een bepaald moment werden daar strenge maatregelen tegen genomen. De oude generatie die graag tijdens de diensttijd te veel dronk, is inmiddels op pensioen. Het probleem van het drankmisbruik is bijna helemaal opgelost. Vandaag zijn we geëvolueerd naar een normaal bedrijf, waar de mensen écht werken. Natuurlijk zijn er nog een paar die een hele dag proberen niksen, zoals in elke onderneming, alleen zijn dat er steeds minder.”

 

Maar waarom nemen zoveel jonge rekruten na een paar jaar alweer ontgoocheld afscheid van het leger?

Kolonel Q: “Sommigen kiezen voor defensie omwille van het avontuur. Ze willen op missie naar het buitenland, maar eindigen op missie in de treinstations van Brussel. Er worden vandaag nog steeds te veel militairen in de straten ingezet. 500 militairen zijn constant in de weer met het ‘beveiligen’ van België. Dat is een groot probleem. In een stad als Londen, waar ook aanslagen waren, zie je geen militairen op straat. In stations en op luchthavens patrouilleren, is puur een taak voor de politie. Maar ook zij worstelen met een gebrek aan effectief inzetbare manschappen.

“Veel jonge militairen haken ook snel weer af omdat ze gechoqueerd zijn door de abominabele infrastructuur in de kazernes. In 2017 verlieten zo 600 jonge mensen het leger. Douches werken niet, de sportzalen zijn hopeloos verouderd, toiletten zijn voortdurend buiten dienst. En het wordt alleen maar erger. U moet eens op bezoek komen in de gebouwen van het defensiehoofdkwartier in Evere. In sommige departementen werkt de helft van de toiletten niet. Kantoren zijn totaal uitgeleefd en vensters zijn niet geïsoleerd. Dat is dan op het niveau van de staven, bij de hoge officieren. Probeer u maar eens voor te stellen wat dat betekent voor het voetvolk in de kazernes.”

 

U verwijt uw collega’s aan de top een gebrek aan visie?

Kolonel Q: “Ja. Er zijn zeer competente officieren met een goede visie die op een te lage plaats in de hiërarchie zitten. Op de hoge plaatsen zitten dan weer te veel officieren met een zeer beperkte visie. Ons leger wordt kleiner, dus moeten we ook een kleinere, beter georganiseerde generale staf hebben. Dat wil zeggen: minder generaals. Maar niemand durft dat luidop te opperen. Het Belgische leger telt momenteel ongeveer 35 generaals. Ze hebben pas nieuwe auto’s voor hen aangekocht: grote, dure luxehybrides van Volkswagen. Ik kan u een foto op mijn telefoon van zo’n auto op de parking van Evere laten zien. (toont foto van een flink uit de kluiten gewassen blinkende zwarte bolide aan een laadpaal – JS) Elke generaal heeft twee chauffeurs, want hij moet 24/7 rond gevoerd kunnen worden. ’s Morgens wordt de generaal aan zijn voordeur opgehaald. Dat kost jaarlijks meer dan 100.000 euro per generaal.”

 

Die chauffeurs zijn militairen?

Kolonel Q: “Ze hebben de graad van korporaal. Al die voltijdse chauffeurs kunnen niet voor nuttiger taken worden ingezet. De generaals zorgen heel goed voor zichzelf. De officiersmess is in alle kazernes afgeschaft; officieren en onderofficieren eten samen met de soldaten. Behalve onze generaals. Zij hebben nog steeds hun exclusieve speciale mess in Brussel waar geen andere militairen welkom zijn. Ze soigneren zichzelf, maar de kapotte toiletten in de kazernes laten herstellen, is iets te veel gevraagd. Ik vind dat om te huilen. We hebben overal soldaten te kort, maar zij zien er geen graten in om een heel eskadron dag en nacht als chauffeur voor hen te laten opdraven. ’s Avonds vind je de generaals vooral op feesten in de kazernes.”

 

Wordt er in het leger dan zo veel onder officieren gefeest?

Kolonel Q: “De generaals krijgen veel uitnodigingen. Minder dan vroeger, maar toch nog genoeg. Ze schuimen de traditionele recepties bij militaire plechtigheden en aanstellingen af, of de cocktails die in Brussel georganiseerd worden door de ambassades. Al is dat gefeest niet ons grootste probleem. Dat is de opperste leiding.”

 

De chef defensie Marc Compernol?

Kolonel Q: “Ja. Hij is de baas, the chief of defence, alleen merkt niemand daar voorlopig iets van.”

 

Hij is een viersterrengeneraal zonder macht?

Kolonel Q: “Ik vrees het. Defensie is pas nog maar eens gereorganiseerd waardoor de componenten land-, lucht- en zeemacht meer in de pap te brokkelen hebben dan tevoren. Vroeger stonden die drie componenten onder de operationele leiding van het Stafdepartement Operaties en Training (ACOS Ops & Training). Dat is nu opzijgeschoven en de componenten beschikken weer over alle macht in hun eigen afdeling. Marc Compernol zou hen in het gareel moeten houden; de toekomst zal uitwijzen of hij daar sterk genoeg voor is. Hij heeft alleszins weinig of geen invloed op de politieke besluitvorming. Zonder morren aanvaardde hij het schrappen van die 5.000 jobs.

“Het leger is kleiner geworden, wat wil zeggen dat ook de defensiestaf zou moeten inkrimpen. Maar dat gebeurt niet. Integendeel, er is nóg een nieuwe functie gecreëerd: die van adjunct van de chief of defence, ingenomen door admiraal Michel Hofman. Het aantal generaals blijft even groot, net als het aantal directies. Alleen spelen zij baas over steeds minder mensen.”

 

De land-, lucht- en zeemacht zijn drie aparte koninkrijkjes?

Kolonel Q: “Ze varen hun eigen koers. De officieren aan de top willen dat liefst zo houden. Daarnaast zijn er nog de directies Human Resources en Material Resources. Die hebben buitensporig veel macht en zijn niet te beroerd om die ook te misbruiken als het hen uitkomt.”

 

Hoe bedoelt u?

Kolonel Q: “Officieren die het tóch aandurven om intern hun mond open te trekken, worden verplaatst en naar minder interessante posities ‘verbannen’. Dat gebeurt meer dan u denkt. Hopelijk staat mij dat nu ook niet te wachten. (lacht) De legertop houdt niet van mensen die zelf nadenken of andere meningen hebben. Dat wil ze niet. Iedereen moet op hetzelfde door hen gebaande paadje blijven. Het resultaat van zoveel slaafse volgzaamheid is dat we nu met een acuut gebrek aan manschappen zitten, waardoor binnenkort onze kernopdrachten in gevaar komen. Binnen afzienbare tijd zijn we gewoon met te weinig om onze taak binnen de NAVO te vervullen, het grondgebied te verdedigen of de bevolking te helpen in geval van nood. De aanslagen van Zaventem en Maalbeek waren rampzalig, maar eigenlijk nog op kleine schaal. Als we ooit écht grote aanslagen te verwerken krijgen, kan het leger dat niet aan. Wie zal de bevolking dan komen helpen?

“Naast de lucht-, land- en zeemacht is er nog de medische component. Daar is de toestand rampzalig. Voor alle buitenlandse missies zijn er amper tien dokters, belachelijk weinig. Collega’s vertellen me dat de landen waar we op missie zijn, ons soms smeken om meer militairen. Wij moeten hen in de kou laten staan omdat er niet genoeg operationele militaire dokters beschikbaar zijn. Zonder fatsoenlijke medische bijstand is het onmogelijk om militairen te ontplooien. ‘Sorry, we kunnen jullie niet helpen want er is geen dokter in de zaal.’ Dat is toch een schande? Bij de zeemacht hebben we dan weer te weinig manschappen om alle schepen te bevolken.”

 

Het zijn varende spookschepen?

Kolonel Q: “Nog net niet. (lacht) Wat voor zin heeft het om handenvol geld in materiaal te investeren als er geen personeel is om het te bedienen of onderhouden? De logica is zoek. In kazernes hoor ik van collega’s en medewerkers altijd dezelfde klachten: het gebrek aan personeel, de belabberde infrastructuur én al die kwartieren die gesloten worden. Daar moeten we echt mee stoppen, want het wordt quasi onmogelijk om goede krachten uit de lokale bevolking aan te trekken. Voor basisjobs zoals soldaten hebben we locals nodig. Je kan niet iemand uit Aarlen rekruteren voor een job in Leopoldsburg. Human Resources probeert dat wel, maar zo goed als niemand is geïnteresseerd.

“Nieuwe soldaten krijgen een contract van beperkte duur. Ze mogen maximaal twaalf jaar bij het leger blijven, waarna ze omgeschoold worden voor een job in de burgermaatschappij. Is dat écht wat mensen willen? Een korte militaire loopbaan, waarna ze hun plan moeten trekken? Ik denk het niet, en de feiten geven me gelijk: zo goed als niemand wil nog in het leger.”

 

Wat moet er dan wel gebeuren?

Kolonel Q: “Er moet gesnoeid worden in de top, het departement Human Resources en het personeelsbeleid moeten compleet worden herzien. Nu worden de officieren jaarlijks benoemd door een ‘onafhankelijk’ comité, maar die benoemingen houden geen rekening met de plaatsen die werkelijk beschikbaar zijn. Het gevolg is dat je tot kolonel benoemd kunt worden, om achteraf op een vacante plaats voor majoor aangesteld te worden. Echt efficiënt is dat niet.”

 

Dat comité bestaat uit hoge officieren?

Kolonel Q: “Dat benoemingscomité is een verhaal apart. De benoemingsdossiers worden per categorie voorbereid door één man, de wapeninspecteur. De krijgsmachtonderdelen hebben elk hun wapeninspecteur, ook een kolonel trouwens.”

 

Zo’n wapeninspecteur heeft heel veel macht?

Kolonel Q: “Ja. Hij bekijkt alle dossiers van de officieren die voor bevordering in aanmerking komen, verzamelt de punten en overlegt dan met de generaals over hun voorkeuren. Dat laatste mag uiteraard niet volgens de wet, toch gebeurt het. In het verleden heeft de Raad van State de legerleiding meermaals op de vingers getikt omdat ze een compleet onwettige evaluatie ‘onder vrienden’ hield. Vroeger was daar een schriftelijke neerslag van; na de tussenkomsten van de Raad van State overleggen ze nu mondeling zodat er geen sporen meer zijn. Ik weet uit heel goede bron dat het zo verloopt; die bron heeft daar zelfs staalhard bewijs van.

“De wapeninspecteurs kiezen dus in geheim overleg met de generaals wie er op de lijst voor benoemingen belandt en hoeveel punten hij of zij zal krijgen. De inspecteurs bepalen het belang van de operaties waaraan kandidaten hebben deelgenomen en beoordelen hun leiderschapscapaciteiten. Ze moeten iets schrijven, hé. (lachje) Dat zou allemaal objectief moeten gebeuren, terwijl het gewoon gemanipuleerd wordt. De leden van het benoemingscomité hebben geen toegang tot de lijsten van de wapeninspecteurs. Zij bereiden hun eigen pro forma-lijst voor. Op de dag waarop het comité zetelt, worden de lijsten van de inspecteurs voorgesteld aan de minister. Dat duurt amper een paar minuten. De leden vergelijken dan in een rotvaart hun kandidatenlijst met die van de inspecteur. Intussen kijken de generaals en de minister hen op de vingers. Nooit durft iemand opmerkingen te maken. ‘Gaat iedereen akkoord met de lijst van de inspecteur? Ja? Tsjakka.’”

 

Dat wil dus zeggen dat veel hoge officieren de capaciteiten niet hebben voor hun job?

Kolonel Q: “Ja. Sommigen zijn wel bekwaam, maar durven geen risico’s nemen omdat ze toch zo graag generaal willen worden. Veel competente officieren raken nooit hogerop omdat ze geen jaknikkers zijn. Nogal wat officieren weten trouwens niet dat het benoemingssysteem zo werkt. Zij leven in de illusie dat het eerlijk verloopt.”

 

Hebt u ook van dat systeem van handjeklap geprofiteerd om hogerop te raken?

Kolonel Q: “Misschien. (stilte) Kijk, sommigen zullen na dit interview beweren dat ik een gefrustreerde officier ben. Ze vergissen zich, want als full-kolonel zit ik op de plaats waar ik altijd van gedroomd heb. Ik praat nu enkel met u omdat ik me zorgen maak over de toekomst van ons leger. Grote zorgen.”

 

 

Reactie van het leger: “De chef defensie behoudt het overzicht”

 

“De informatie die Humo nu verspreidt, is niet representatief voor het Belgische leger”, reageert Laetitia Gérard, woordvoerster van defensie. “De budgettaire beperkingen uit het verleden verplichtten ons tot het maken van keuzes. We wilden zoveel mogelijk voorrang geven aan onze kernopdracht: de operaties. Dat ging inderdaad ten koste van onderhoud en vernieuwing van de infrastructuur. Maar vandaag worden er acties ondernomen om die achterstand op te vangen en de infrastructuur ingrijpend te verbeteren. De verouderde infrastructuur is trouwens geen fundamenteel doorslaggevende reden waarom mensen beslissen om het leger te verlaten.

“Ons personeelsbestand krimpt, maar we zijn nog steeds met meer dan 25.000 werknemers, burgers en militairen, die werken in een speciale omgeving. Zo’n organisatie heeft dan ook behoefte aan specifieke sturing en leiding. De reorganisatie maakt het mogelijk dat de leidinggevende generaals het leger efficiënt en doelmatig kunnen laten functioneren. Die vernieuwingen zorgen er ook voor dat de chef defensie het overzicht behoudt en leiding geeft volgens de principes van goed bestuur.”

Op de stelling van kolonel Q dat bevorderingen en benoemingen van officieren gemanipuleerd worden, gaat Laetitia Gérard niet in.

 

 

© Jan Stevens

“Natuurlijk heeft Trump een supergroot ego. Daarom is hij ook president geworden”

Van 21 juli tot 31 juli 2017 was Anthony Scaramucci de communicatiedirecteur van president Donald Trump. Nadat hij in een interview Trumps toenmalige topmedewerkers Steve Bannon en Reince Priebus respectievelijk een ‘zelfpijper’ en een ‘paranoïde schizofreen’ noemde, werd hij ontslagen. Vandaag neemt ‘The Mooch’ daar geen woord van terug. Integendeel: “Bannon is een klootzak en Priebus een rat.”

 

Na amper elf dagen als communicatiedirecteur van president Donald Trump werd Anthony Scaramucci op de ochtend van maandag 1 augustus 2017 ontslagen. Aanleiding was een interview dat hij de woensdag daarvoor gaf aan een journalist van The New Yorker. Daarin noemde hij Trumps toenmalige stafchef Reince Priebus een “fucking paranoïde schizofreen.” Over Trumps belangrijkste adviseur zei hij: “Ik ben Steve Bannon niet, ik probeer mezelf niet te pijpen.” En over zijn medewerkers op de communicatiedienst: “Al degenen die informatie lekken, wil ik vermoorden.”

In zijn boek Trump, The Blue-Collar President, blikt Anthony ‘The Mooch’ Scaramucci terug op zijn blitzcarrière in het Witte Huis en zoekt hij verklaringen voor de verkiezing tot president van Donald Trump, de man die hij ook na zijn ontslag zijn beste vriend blijft noemen.

Anthony Scaramucci: “Ik sprak hem gisterenavond nog. Donald Trump is helemaal geen bully. De media stellen hem graag zo voor, maar dat klopt niet. Hij vindt het echt niet leuk om mensen aan de deur te zetten. Hij zoekt zelfs manieren om ontslagen medewerkers dicht bij hem te houden. Ikzelf ben daar een voorbeeld van, net als zijn voormalige campagnemanagers Corey Lewandowski en David Bossie, toevallig ook twee vrienden van mij. Ik heb dus een uitstekende verstandhouding met de president, alleen kon ik na dat zogenaamde ‘interview’ met The New Yorker onmogelijk communicatiedirecteur blijven. Zeker niet nadat hij Priebus ontslagen had en John Kelly tot stafchef benoemde. Als hij zijn voormalige economische adviseur Gary Cohn of zijn voormalige veiligheidsadviseur Dina Powell op die stoel had gezet, sprak je misschien nu nog steeds met Anthony Scaramucci, communicatiedirecteur van het Witte Huis. Want Cohn en Powell waren me goedgezind, maar Kelly had een bloedhekel aan me. Hij is een gepensioneerde generaal en gedraagt zich ook zo. Kelly houdt niet van Trump en daarom hield hij niet van mij.”

 

Ondertussen is ook John Kelly stafchef af.

Scaramucci: “Terecht. Als stafchef was hij uiterst ineffeciënt. In Europa bestaat misschien de indruk dat hij erin slaagde om de chaos in het Witte Huis te structuren, terwijl net het tegendeel waar was. Tijdens de midterm-verkiezingen heeft John Kelly geen poot uitgestoken. Als de president meer hulp gekregen had van zijn stafchef, had de Republikeinse Partij misschien nog de meerderheid in het Huis van Afgevaardigden. De Democraten doen nu alsof ze daar een monsteroverwinning behaald hebben, maar dat is je reinste onzin. Er is helemaal geen sprake van die zogenaamde ‘blue wave’. De Amerikaanse bevolking houdt van Trump. Onder sociale druk hoor je velen zeggen dat ze hem verafschuwen, terwijl ze in werkelijkheid juist dolblij zijn met hem.”

 

Niet lang na de presidentsverkiezingen van 2016 was ik in Washington DC. “Sorry voor Trump”, was het eerste wat de taxichauffeur in de luchthaven zei. Hij meende het.

Scaramucci: “Maar natuurlijk, die taxichauffeur leeft in Washington en daar haten ze allemaal Donald Trump. Dat is ook vanzelfsprekend; Trump komt er dat vreselijke moeras droogleggen. Hij verstoort het feestje van al die figuren die er jarenlang ongestoord hun eigen belangen dienden. Zowel de politici als de hoge ambtenaren zijn niet geïnteresseerd in de gewone mensen. Precies daarom stemde een meerderheid voor Donald Trump.”

 

Terwijl diezelfde Donald Trump al sinds zijn geboorte deel uitmaakt van het door het volk verfoeide establishment.

Scaramucci: “Maar net daarom ook heeft hij de verkiezingen gewonnen. Tot de komst van Trump faalde het populisme in de VS telkens weer. Te weinig rijken uit het establishment waren vroeger bereid om populistische kandidaten te steunen. De schatrijke geestesgenoot Donald Trump zagen ze wel zitten: in zijn campagne investeerden ze graag miljoenen dollars. In mijn boek beschrijf ik hoe hij in 2016 de hele basis van de Democratische Partij kaapte en naar de Republikeinen verscheepte. In Trump, The Blue-Collar President spaar ik niemand, inbegrepen mezelf.”

 

Ik vind dat u Donald Trump spaart.

Scaramucci: “Spaar ik hem? Mja, op sommige momenten misschien wel, maar toch niet altijd. Zo schrijf ik dat de manier waarop hij eerder als een manager dan als een politicus regeert, flink wat verwarring creëert. Het grootste probleem in dit land is dat onze politici altijd enkel aan zichzelf gedacht hebben, waardoor we nu op een puinhoop leven. Onze infrastructuur is versleten. De wegen in de VS zijn abominabel en de telefoon- en gsm-verbindingen lijken op die uit een derde wereldland. Onze politici zijn echt door en door slecht. President Trump legt zonder medelijden bloot wat voor een afschuwelijke individuën ze zijn.”

 

Waarom gaf u dat interview dat tot uw val leidde?

Scaramucci: “Ik dacht dat ik informeel, off the record, met een journalist aan het praten was. Ik had dat op voorhand niet uitdrukkelijk gezegd en dat kwam als een boemerang in mijn gezicht terug. Die woensdagavond had ik een paar personaliteiten van Fox News uitgenodigd voor een diner in het Witte Huis. De toenmalige stafchef Reince Priebus was daar niet van op de hoogte, maar zag me wel toen ik met die mensen op weg was naar de president. Een paar minuten later tweette Ryan Lizza van The New Yorker: ‘Scoop: Trump is dining tonight w/Sean Hannity, Bill Shine (former Fox News executive), & Anthony Scaramucci.’ Ik wist meteen wie er gelekt had. Na het diner belde ik Lizza. Ik heb me toen nogal kleurrijk over een paar individuen uitgedrukt. (lacht)”

 

De ene een ‘zelfpijper’ noemen en de andere een ‘paranoïde schizofreen’; erg diplomatisch was dat niet voor een communicatiedirecteur van het Witte Huis.

Scaramucci: “Ik ben dan ook geen diplomaat. Als je eens goed wil lachen, moet je naar Mooch kijken, een documentaire die Andrew J. Muscato onlangs over mij maakte. Op een bepaald moment zegt een of andere Britse kerel dat het onmogelijk is dat zo’n rijke, succesvolle ondernemer en investeerder zoals die Scaramucci geboren en getogen is in een arbeidersmilieu. ‘Een arbeidersjongen die in Harvard afstudeert? No way.’ In Mooch zie je het bescheiden huis in de arbeiderswijk in Long Island, New York, waar ik opgroeide. Natuurlijk snapt die Brit dat niet, want in zijn land raakt geen enkele jongen uit de arbeidersklasse op Eton of Oxford. Europeanen leven al duizenden jaren in aristocratieën waarin het quasi onmogelijk is om van de ene sociale klasse naar de andere over te stappen. In de VS is er geen aristocratie, daarom kon ik mijn arbeidersverleden van me af schudden. Ik vocht mezelf een weg naar de top. Eerst bij Goldman Sachs, later bouwde ik mijn eigen onderneming en zorgde ik ervoor dat ik financieel onafhankelijk werd. Ik maakte mijn familie welvarend en elke welmenende Amerikaan vindt dat fantastisch. Al hoor ik nu ook afgunstige mensen zeggen dat na mijn passage op het Witte Huis mijn 15 minutes of fame opgebruikt zijn. Ik verzeker je: mijn 15 minutes of fame zijn nog niet eens begonnen. (lacht)”

 

Hoe groot was de schok toen u ontslagen werd?

Scaramucci: “Dat was niet leuk. Ik had een fout gemaakt door een journalist te vertrouwen die ik niet had mogen vertrouwen. Dat is mijn eigen verantwoordelijkheid. I’m a big boy. Ik heb in mijn eigen succesvolle bedrijven zelf mensen ontslagen. Bij Goldman Sachs werd ik jaren geleden ook de laan uigestuurd. Mijn vel is ondertussen dik genoeg. Maar ik geef toe dat het een teleurstelling was. Als je in Washington in de politiek bedrijvig bent, weet je dat alles kan gebeuren. Mijn bestaan daverde dus niet op zijn grondvesten. De president had me eigenlijk aangenomen om grote schoonmaak te houden en medewerkers van de communicatiedienst te ontslaan. Ik was me er zeer goed van bewust dat er waarschijnlijk snel wraak genomen zou worden.”

 

In dat interview zei u dat u iedereen uit uw dienst op straat ging zetten. Dat was dus niet gelogen?

Scaramucci: “Het zouden er toch flink wat geweest zijn. In die korte tijd in het Witte Huis maakte ik veel fouten. De grootste was dat ik mijn job als communicatiedirecteur aanpakte als zakenman en niet als politicus. Ik zag veel medewerkers lekken naar de media. Ik riep hen bij me en zei: ‘Vanaf nu tolereer ik geen enkel lek meer.’ Er werd op mijn dienst een bittere strijd uitgevochten tussen degenen die loyaal waren aan de Republikeinse Partij en degenen die loyaal waren aan Trump. Ik zei: ‘Jongens, het is hoog tijd dat we aan hetzelfde zeel trekken. Zolang dat niet gebeurt en er gelekt wordt, ontsla ik mensen. Van zodra het lekken stopt, stop ook ik met ontslagbrieven te schrijven.’ Bij een fusie tussen ondernemingen helpt een ontslagronde altijd om de neuzen in dezelfde richting te krijgen. In het communicatieteam van het Witte Huis stonden ze ook met getrokken messen tegenover elkaar. Als ik meer tijd had gekregen, had ik ze ook op één lijn gekregen. Als ik nu nog directeur was geweest, had dat incident met CNN-correspondent Jim Acosta bijvoorbeeld, nooit zo’n proporties gekregen.”

 

Beschouwt u journalisten ook als ‘vijanden van het volk’?

Scaramucci: “Nee, ik vind dat president Trump zich daarin vergist. Ik was vast van plan om als communicatiedirecteur de plooien tussen het Witte Huis en de pers zo snel mogelijk glad te strijken. Ik wou dat conflict weg.”

 

U had de president daarover aangesproken?

Scaramucci: “Ja. Tot vandaag blijf ik hem zeggen dat zijn strategie tegen de pers een vergissing is. Je mag en kan de pers niet uitroepen tot ‘vijand van het volk’. Het gevolg van die strategie is dat het vitriool rijkelijk blijft vloeien tussen het Witte Huis en de journalisten.”

 

Was u als tiener een straatvechtertje?

Scaramucci: “Ik was een echte ‘Guido’, een working class Italian American uit de stad. Ik ben geboren in 1964 en leerde als scholier het klappen van de zweep op Main Street. Ik liep er in de zomer rond in mijn blote bast, een ketting rond de nek, mijn haar achterover geföhnd, met een ghettoblaster op mijn schouder. Heel de buurt kon meegenieten van Led Zeppelin, Foreigner en Billy Joel. (lacht) In wezen ben ik nog steeds zoals die jongen van toen: een man zonder angst. Net dat verontrust die kerels uit Washington. Achteraf beschouwd, verbaast het me helemaal niet dat ik door het gestook van een paar figuren na elf dagen als communicatiedirecteur ontslagen werd.”

 

Met die ‘figuren’ bedoelt u Steve Bannon en Reince Priebus?

Scaramucci: “Ja. Als dank voor bewezen diensten tijdens de verkiezingscampagne wou president Trump me in januari 2017 al benoemen tot hoofd van het Office of Public Liaison (OPL), de dienst die voor het Witte Huis de contacten met de buitenwereld verzorgt. Dat is best een prestigieuze job en ik was daar toen zeer blij mee. Alleen is het nooit zo ver gekomen: Priebus en Bannon staken daar een stokje voor. Om mijn handen vrij te hebben, wou ik mijn bedrijf SkyBridge aan een Chinese holding verkopen. Out of the blue verschenen er plots in grote kranten negatieve artikels over de deal die ik gesloten had. Ik had niets verkeerd gedaan, maar plots leek het alsof ik aan het meeheulen was met een buitenlandse vijand. Later kwam ik erachter dat Priebus en Bannon journalisten voorzien hadden van leugens om mijn Witte Huis-carrière in de kiem te smoren.”

 

Wat voor iemand is Steve Bannon?

Scaramucci: “Een rare man vol paradoxen. Hij doet zich voortdurend voor als iemand die hij niet is. Als er nu één relict van het establishment is, is hij het wel. Ook hij zat op Harvard en ook hij werkte bij Goldman Sachs. Daarna ging hij zich bezighouden met de productie van Hollywood-films. Vandaag doet hij alsof hij een witte nationalist is. Hij is vreselijk oneerlijk en niet te vertrouwen. Een lowlife. Hij gebruikt je. Tijdens de campagne had hij mijn hulp nodig. Toen was hij ontzettend charmant en vriendelijk. Dat veranderde radicaal op het moment dat duidelijk werd dat de president me wou voor het OPL. Toen werd Bannon zeer agressief. Het verbaast me trouwens niet dat fascisten en neonazi’s zo verzot op hem zijn. Hij is walgelijk. Gelukkig heeft God hem zo lelijk gemaakt dat niet al te veel mensen hem ernstig nemen.”

 

Donald Trump nam hem wel ernstig.

Scaramucci: “Dat hebben we te danken aan Robert Mercer en zijn dochter Rebekah. In augustus 2016 had Trump dringend miljoenen dollars nodig voor zijn campagne. De Mercers kwamen met geld over de brug én koppelden daar Steve Bannon aan. Robert Mercer was een gulle sponsor van Breitbart News waar Bannon de plak zwaaide. De president had niet veel keus. Bannon was zowat de belangrijkste bron voor Fire and Fury van Michael Wolff. Ik noem dat boek ‘Liar and Furious’, want Wolff is een leugenaar en Bannon is altijd woest. Na de publicatie van dat boek in januari 2018 zei president Trump exact hetzelfde als wat ik in juli 2017 al over Steve Bannon in The New Yorker had gezegd. Alleen iets minder ruw. Volgens de president had Bannon zijn verstand verloren en was zijn verdienste in de verkiezingsoverwinning van 2016 minimaal.

Onderschat ook niet de perfide rol van Reince Priebus. Hij is een echte rat; hij ziet er ook zo uit. Hij is het klassieke voorbeeld van een politieke slijmbal die je naar de mond praat, maar in werkelijkheid een sociopaat is. Hij is erger dan Steve Bannon. In tegenstelling tot Priebus doet Bannon geen moeite om te verbergen dat hij een klootzak is. Dat is tenminste eerlijk.”

 

Begin jaren negentig was u een van de golden boys bij Goldman Sachs. U verdiende er geld als slijk?

Scaramucci: “Ik boerde goed. De jongens die zoals ik in de financiële sector actief waren, gedroegen zich toen vrij agressief. Veel van de woede in de VS stamt uit die tijd. De verantwoordelijkheid voor de Amerikanen die zich in de steek gelaten voelen, ligt gedeeltelijk bij stinkend rijke bankiers die wankele hypotheken opkochten en verpakten tot giftige, zogenaamde collateralized debt obligations (CDO) waar niemand kop noch staart aan kreeg. Toen de huizenmarkt instortte, werden die CDO’s waardeloos. De bankiers klopten bij de overheid aan en hun banken werden overeind gehouden met belastinggeld.

25 jaar geleden was ik bij Goldman Sachs zowat de enige jongen uit een arbeidersgezin. Ik was indertijd ook zowat de enige uit mijn buurt die naar Harvard ging om er rechten te studeren. Mijn ouders wisten niet eens wat Harvard was; mijn moeder zei tegen haar vrienden: ‘Onze Anthony gaat naar Hartford.’ (lacht) Ik wou per se naar Harvard omdat dat goed stond op mijn cv. Al van heel vroeg wou ik een succesrijk ondernemer worden en Harvard kon daarbij helpen.”

 

Wanneer ontmoette u voor het eerst die andere grote ondernemer, Donald Trump?

Scaramucci: “In 1995, ik was toen 31. Die ontmoeting staat in mijn geheugen gegrift, maar ik denk niet dat Trump zich daar nog iets van herinnert. Ik zag hem in zijn kantoor op de 26e verdieping van de Trump Tower in New York. Ik had nog nooit een celebrity ontmoet en hij was op dat moment al wereldberoemd in Amerika. Ik was net op mezelf begonnen. Mijn oude baas bij Goldman Sachs had me mee gevraagd op visite bij Trump. Ik had zijn seller The Art of the Deal gelezen en ik was daar aardig van onder de indruk. Ik verheugde me erop dat ik later bij anderen kon gaan opscheppen dat ik samen met The Donald in een kamer gezeten had. (lacht)”

 

In de biografie Nooit genoeg beschrijft auteur Michael D’Antonio Donald Trump als autoritair, narcistisch en grofgebekt. D’Antonio sprak urenlang met The Donald, maar moest opkrassen toen Trump hoorde dat hij ook met critici sprak.

Scaramucci: “De president is een complexe persoonlijkheid. Biografen zoals D’Antonio spreken over hem zonder kennis van de context, of zonder nuance. Dat is erg unfair. En natuurlijk heeft hij een supergroot ego; daarom is hij ook president geworden.”

 

U vindt Trump niet autoritair?

Scaramucci: “Nee, zo komt hij helemaal niet over. Akkoord, soms gebruikt hij ruwe taal en soms windt hij zich nodeloos op. Als mensen hem te hard aanvallen, kan hij de neiging niet onderdrukken om in de tegenaanval te gaan. Maar autoritair? Biografen zoals D’Antonio pompen een paar eigenschappen van Trump extreem hard op om meer boeken te kunnen verkopen.”

 

President Trump lijkt toch een grote voorliefde te hebben voor autoritaire leiders? Hij is ondertussen een vriend van de Noord-Koreaanse dictator Kim Jong-un en is ook een bewonderaar van Ruslands sterke man Vladimir Poetin.

Scaramucci: “Als je Trump haat, begin je bijna automatisch te verkondigen dat hij een liefhebber is van autoritair leiderschap en dat hij verliefd is op dictators. Sommigen verkondigen zelfs dat hij zelf óók een dictator is. Als je hem persoonlijk kent, weet je wel beter. Hij probeert écht een deal te sluiten met de Noord-Koreanen. Hij ziet dat als een probleem dat quasi onbeheersbaar geworden is doordat zijn voorgangers dat 65 jaar lang hebben laten etteren. Trumps visie op de wereld verschilt dag en nacht van die van Poetin. Hij beschouwt de Russische kernmacht als een rechtstreekse bedreiging voor de VS. Maar wat jij als ‘bewondering’ interpreteert, is niet meer of minder dan een poging om de spanningen tussen twee wereldleiders te verminderen. Hij wil ook aftasten of hij samen met Poetin iets kan ondernemen tegen het terrorisme in het Midden-Oosten. Donald Trump is een groot voorstander van de Amerikaanse democratie en begrijpt heel goed hoe dat democratische proces werkt.”

 

De manier waarop hij bijvoorbeeld op Twitter de media, andere politici en zelfs rechters aanpakt, is toch niet echt ‘presidentieel’ te noemen? Dat lijkt eerder de taal van een bullebak die geen tegenspraak duldt.

Scaramucci: “Daar bewijst hij zichzelf inderdaad geen dienst mee. Met zijn vilaine tweets en forse uitspraken ondermijnt hij zijn eigen populariteit. Een meerderheid van de Amerikanen is het eens met zijn beleid, maar velen houden niet van zijn stijl. Die verschilt radicaal van de 44 voorgaande presidenten. Dat is een bewuste keuze. Hij is ervan overtuigd dat hij nooit president geworden was als hij zich tijdens de campagne presidentieel had gedragen.”

 

Vergroot hij met zijn gescheld niet vooral de al gigantische tegenstellingen in Amerika?

Scaramucci: “Ik vind het nog te vroeg om daar uitspraken over te doen. Vóór Harvard studeerde ik economie en toen heb ik geleerd dat een nieuw beleid pas na twee jaar vruchten begint af te werpen. Als zou blijken dat we door Trumps beleid en stijl op een fiasco afstevenen, zal ik niet aarzelen om bij hem op een bijsturing aan te dringen. Natuurlijk cirkelen er ja-knikkers rond de president, maar ik geloof niet in de heilzame werking van vleierij. Al dat gevlei dient maar één doel: de belangen van de pluimstrijker. Ik ben loyaal aan Donald Trump en dat impliceert dat ik ook eerlijk tegen hem ben. We worden met z’n allen alleen maar beter van de waarheid. Ik ben het levende bewijs van mijn eigen stelling: iets meer dan een jaar geleden werd ik door hem ontslagen, en we zijn vandaag nog steeds on speaking terms. Hij vertrouwt je meer wanneer je hem zegt waar het op staat dan wanneer je hem een bullshitverhaal voorschotelt.”

 

Heeft Donald Trump dan niet zelf een bijzonder lastige verhouding met de waarheid? Deelt u bijvoorbeeld zijn ‘overtuiging’ dat de klimaatverandering een natuurlijk fenomeen is dat vanzelf gekomen is en vanzelf zal verdwijnen?

Scaramucci: “Ik ben geen wetenschapper, maar vermoedelijk is 70 procent van de huidige klimaatverandering een gevolg van menselijke activiteit. We moeten dus inderdaad onze CO2-uitstoot drastisch naar beneden krijgen. Ik geloof dus wél in de klimaatverandering. Maar ik vind ook dat andere mensen het recht hebben om eraan te twijfelen, op voorwaarde dat ook zij bereid zijn om iets aan de vervuiling te doen. Want in een stad als Bejing stikken de kinderen in de uitlaatgassen.”

 

Op 1 juni 2017 trok president Trump de VS terug uit het klimaatakkoord van Parijs. Iets meer dan een maand later begon u voor hem te werken. U vond die terugtrekking geen vergissing, ook al maakt u zich zorgen over de klimaatverandering?

Scaramucci: “Die terugtrekking kwam er op aangeven van Steve Bannon. Maar hoe ‘hard’ is dat klimaatakkoord eigenlijk? Ik heb het gevoel dat het eerder ceremonieel is en dat er niet veel consequenties aan vasthangen. ‘We tekenen vlug dat akkoord, en dan vindt iedereen ons een groot voorvechter van een beter milieu.’ Zelfs diehard-ecologisten hebben grote twijfels over Parijs. Als er een eerlijke deal met ballen aan het lijf op tafel gelegen had, had Donald Trump die met open geest bekeken. Hij vond het verdrag oneerlijk voor de VS en trok zich daarom terug.”

 

In uw boek schrijft u over uw broer David die problemen had met alcohol en coke. Donald Trumps broer Fred was ook alcoholverslaafd en dronk zich dood. Sprak u met de president over jullie broers?

Scaramucci: “Natuurlijk. De president vertelde me dat hij van zijn oudere broer hield en naar hem op keek. Hij heeft een heilige schrik voor drugs en alcohol omdat hij veel kennissen die veel slimmer waren dan hem, tenonder heeft zien gaan aan die roesmiddelen. Mijn broer is niet de enige uit mijn familie met een alcoholverslaving. Verslaving zit in onze genen, maar David zag gelukkig op tijd in dat hij er iets aan moest doen. Ik ben het niet eens met mensen die beweren dat verslaving een eigen keuze is. Het is een ziekte en het gevecht ertegen is moeilijk en hard.”

 

Vlak na uw blitzpassage in het Witte Huis en zeker na dat interview in de New Yorker, zoemde het van de geruchten dat u zelf elf dagen high on coke was.

Scaramucci: “(stilte) Dat is belachelijk. Ik heb nog nooit drugs gebruikt. Van zodra je in Washington werkt, verklaren je vijanden je vogelvrij. Die beschuldiging dat ik aan de coke zou zitten, is fake news. Ik ben niet op mijn mond gevallen en bruis van de energie. Misschien denken ze daarom dat ik af en toe een lijn snuif.”

 

In Harvard speelde u basket met Barack Obama.

Scaramucci: “Ik ken hem goed. In 2009 was ik fondsenwerver voor zijn verkiezingscampagne.”

 

En nu zit u in het kamp van Trump, de compleet tegengestelde president.

Scaramucci: “Dat is zo. Ik werkte voor allebei en dat zegt misschien iets over wat voor een kerel ik ben.”

 

Dat u een opportunist bent?

Scaramucci: “That’s fine. Weet je wanneer een mens het gelukkigste is? Als hij die leeftijd bereikt heeft waarop hij zich niets meer aantrekt van wat anderen over hem vinden. Noem me gerust een opportunist, I couldn’t care less. Een paar oude vrienden van Harvard vroegen me om een handje bij Obama’s verkiezingscampagne toe te steken. Hij kwam toen bij me over als een politicus uit het centrum. Ik ben economisch rechts en sociaal zeer links. Ik heb daar ook nooit een geheim van gemaakt en voelde dus inderdaad sympathie voor presidentskandidaat Barack Obama. Wist je dat ik een voorvechter van homorechten ben?”

 

Bent u een feminist?

Scaramucci: “Ja. Vrouwen hebben evenveel rechten als mannen.”

 

Wat vindt u dan van de ‘Grab ‘m by the pussy-uitspraak’ van uw president?

Scaramucci: “Dat was toch alleen maar om te lachen? Mensen hebben veel te lange tenen. Kijk, ik ben niet politiek correct. Ik ben een politiek incorrecte feminist en ik weiger elke linkse censor te gehoorzamen. Die uitspraak was niet slim, misschien zelfs dom. Een verontschuldiging was waarschijnlijk op zijn plaats. Maar dan houdt het toch op? Mijn uitspraak over Bannon in The New Yorker was toch ook niet zo schokkend? Mijn tegenstanders hebben dat gebruikt om mijn ontslag te eisen. Dat is gelukt. De president gaf me de bons en ik legde me daarbij neer. Ik zet mijn vriendschap met hem niet op het spel omwille van dat ontslag. Ik ben geen baby.”

 

Anthony Scaramucci, Trump The Blue-Collar President, Hachette Book Group

 

(c) Jan Stevens

“Weet u wat de perfecte moord in België is? Rij iemand dood”

22 Vlaamse verkeerspunten bezetten sinds 2002 ononderbroken een plaats op de officiële zwarte lijst. Vanaf 2016 is die lijst ‘dynamisch’ waardoor er nieuwe zwarte kruispunten bijkomen en andere weer afvallen. De ranking hangt af van hoeveel fietsers of voetgangers er jaarlijks de oversteek niet overleven. Zoals Nikita Everaert en Ludwine Louncke.

 

In 2002 stelde de Vlaamse overheid een allereerste lijst van 809 ‘zwarte verkeerspunten’ op, meestal kruispunten met een hallucinant palmares aan dodelijke ongevallen. Zestien jaar later blijven er van die ‘historische zwarte verkeerspunten’ nog 22 over. De complete lijst wordt sinds 2016 minutieus up-to-date gehouden op basis van een ingenieus puntensysteem. Enkel plekken langs gewestwegen waar de voorbije drie jaar minstens drie ongevallen plaatsvonden, maken kans. Voorwaarde is dat ze minstens 15 ongevallenpunten scoren. Een dodelijk slachtoffer telt voor vijf, een zwaargewond slachtoffer voor drie en een lichtgewonde scoort één punt. De dynamische zwarte punten-lijst van 2018 telde 213 gitzwarte verkeerslocaties.

Het kruispunt aan de Antwerpsesteenweg en de Orchideestraat in Oostakker prijkte al op de historische lijst van 2002. De overheid greep pas in augustus en september van dit jaar gedeeltelijk in, nadat de 16-jarige Nikita Everaert er op 19 februari werd doodgereden. Een ‘grondige heraanleg’ is beloofd voor het najaar van 2019.

Het kruispunt aan de Ringlaan en de Brugsesteenweg in Kuurne veroverde dit jaar een plek op de lijst, nadat de 64-jarige Ludwine Louncke er op 18 juli werd doodgereden. Een ‘grondige heraanleg’ is beloofd voor februari 2019. “In afwachting waren ze er even met een pot rode verf in de weer.”

 

Oostakker, Antwerpsesteenweg en Orchideestraat

Sinds maandag 19 februari staat de wereld stil voor Kathy Deweweire. Iets na tien uur die ochtend werd haar zestienjarige dochter Nikita Everaert door een vrachtwagen doodgereden op het kruispunt van de Antwerpsesteenweg en de Orchideestraat in Oostakker. “Ons gezin is kapot”, zegt Kathy. “We hebben nog drie kinderen. Onze oudste zoon Thoby is 18, Nikita werd op 12 oktober 17, Mila is 14 en Nina 9. Mijn man staat op instorten. Ik kan erover praten, maar voor hem is dat heel moeilijk, net als voor onze oudste zoon. De kinderen voelen zich schuldig omdat ze die maandagmorgen geen afscheid van hun zus genomen hebben. Nikita sliep nog toen zij vertrokken.

“Vroeger fietsten Thoby, Nikita en Mila elke dag samen naar school. In januari viel voor Nikita een les weg waardoor ze er op maandag pas om half elf moest zijn. Pas na Nikita’s dood kwamen we erachter dat de Antwerpsesteenweg en de Orchideestraat al zestien jaar een zwart kruispunt vormen. Thoby fietste van in het derde middelbaar langs dezelfde weg. Er is nog een landelijke weg binnendoor naar school, maar ik verbood mijn kinderen om langs daar te fietsen. De locals gebruiken die smalle straat zonder fietspaden als sluipweg. Op zaterdag is Lochristi een ramp en ik geef toe dat wij dan ook wel eens langs binnen rijden om de file te vermijden. Op de sluipweg wordt nooit gecontroleerd en sommigen rijden er als gekken. Ik beschouwde de Antwerpsesteenweg met zijn fietspaden als de veiligste manier om naar school te fietsen. Een vreselijke vergissing. Maanden na Nikita’s ongeval hebben ze de verkeerslichten aan dat kruispunt aangepast. Als de fietsers groen hebben, is het nu voor alle auto’s rood. De plannen om er een conflictvrij kruispunt van te maken, lagen al jaren op tafel. In het jaar van Nikita’s geboorte zijn ze daarover beginnen palaveren omdat er zoveel ongevallen gebeurden. Mijn dochter is niet het eerste dodelijke slachtoffer. Er is nog een jongen van dertien doodgereden die voor de eerste keer met de fiets naar school ging.”

 

Nikita is aangereden door een vrachtwagen?

Kathy Deweweire: “Het was geen dodehoekongeval. De trekker zonder aanhangwagen stond achter twee andere auto’s voor het rood licht. Het licht sprong op groen, de auto’s reden door, Nikita kwam aangefietst en wat deed die meneer? Hij sloeg gewoon af, zonder te vertragen, zonder te kijken. De man reed voor een bedrijf gespecialiseerd in hijswerkzaamheden. Achteraf kwamen we te weten dat ze met twee vrachtwagens onderweg waren. De andere stond al achter de hoek te wachten. Onze hypothese is dat de chauffeur snel zijn collega wou volgen en dat hij erop gokte dat hij Nikita nog kon voorbij steken.”

 

Dus moet hij haar gezien hebben?

Kathy: “Ja. Het parket heeft dat ook bevestigd en het is gefilmd. Hij heeft haar echt wel gezien. Een taxichauffeur die aan de overkant stond, legde een verklaring af. Hij is de enige; de rest reed gewoon door. Hij zei dat Nikita op een normaal tempo op het fietspad reed, dat ze niets verkeerd deed en dat die vrachtwagenchauffeur haar zag aankomen. Maar die man gaf volle gas. Een verpleegster van het Wit-Gele kruis stond te wachten voor het rood. Samen met nog iemand anders heeft zij Nikita proberen reanimeren. Te laat. De getuige aan de overkant had haar horen roepen. De chauffeur heeft zogezegd niets gehoord en dacht dat hij over een hobbel reed. Onbegrijpelijk.”

 

Heeft de chauffeur contact met jullie gezocht?

Kathy: “Nee. Geen spijt, geen brief, niets. Hij heeft de hulpdiensten niet gebeld, is niet naar Nikita gaan kijken maar belde wel zijn baas. Na vijftien dagen mocht hij terug zijn rijbewijs gaan halen. We hebben gehoord dat hij de dag nadien al terug aan het werk mocht in het magazijn van dat bedrijf. Hij heeft zelf kinderen en kleinkinderen.

“De dag na het ongeluk stapte iemand van slachtofferhulp hier binnen met de woorden: ‘De bedrijfsleider wil met je spreken omdat hij ook een dochter van die leeftijd heeft.’ Ik had net gehoord dat hij zijn chauffeur in dienst hield. Ik zei: ‘Zou hij die man ook in dienst houden als hij zijn dochter had doodgereden?’ Moest slachtofferhulp ons een jaar later gevraagd hebben of we die man wilden ontmoeten, had ik misschien anders gereageerd. Maar met zo’n voorstel kom je toch niet de dag nadien af? We hebben daarna nooit nog iets van slachtofferhulp vernomen. Geen woord.”

 

Hoe hoorde u die maandag wat uw dochter was overkomen?

Kathy: “Om twintig na elf belde een vriendin. ‘Er is een dodelijk ongeval gebeurd. Zijn al je kinderen op school?’, vroeg ze. ‘Ja.’ Nikita moest om half elf in de klas zijn en er had niemand gebeld. Ik was er dus vrij zeker van dat alles oké was. Voor alle zekerheid belde ik toch maar naar het schoolsecretariaat. Net op dat moment rinkelde de deurbel. Mijn man deed open. ‘Het is de politie’, zei hij. Ik ben beginnen roepen en ik viel neer met de telefoon nog in mijn hand.

“Mijn man wou Nikita zien omdat hij niet kon geloven dat het om zijn dochter ging. Met slachtofferhulp ging ik onze andere kinderen halen. Ik belde vrienden en familie; vandaag weet ik eigenlijk niet meer wie ik precies gebeld heb. Op een bepaald moment, ik was nog op school bij de andere kinderen, kwam er telefoon dat Nikita daar weg moest omdat het onderzoek was afgesloten. Dus moest er snel een begrafenisondernemer gezocht worden.”

 

Dat soort van beslissingen moesten jullie die maandagochtend nemen?

Kathy: “Ja, en zowat alles liep natuurlijk in het honderd. Zo hadden we ons trouwboekje nodig om het overlijden aan te geven, maar ik wist niet meer waar dat lag. Een paar weken later pas viel mijn frank: het lag hier gewoon in de kast. Gelukkig hadden we een uitstekende begrafenisondernemer die de juiste beslissingen nam in onze plaats.”

 

Hoe ging u verder met uw leven?

Kathy: “Niet. Nog steeds niet. Ons leven is gestopt die maandag. Ik kan niet meer functioneren. Ik sta op voor de andere kinderen terwijl ik liefst een hele dag in bed zou blijven liggen. We waren altijd zo voorzichtig. Als onze oudste kinderen uitgingen, brachten we ze en gingen we ze halen. Weet u wat me zo kwaad maakt? Dat er al zoveel ongelukken aan dat kruispunt geweest zijn. Jef Vermassen is onze advocaat. Wij willen iedereen die schuld heeft aan Nikita’s dood laten boeten. Zowel politici als overheidsdiensten zoals het Agentschap Wegen en Verkeer. Ze schuiven de schuld op elkaar af: Wegen en Verkeer steekt het op Gent, de stad steekt het op Wegen en Verkeer. De burgemeester van Destelbergen kwam ons condoleren. Hij zei: ‘Ik moest je ook het medeleven betuigen van de Gentse burgemeester Daniël Termont.’ Ik heb hem gezegd dat hij het mag teruggeven. Slechts één politicus stuurde ons een brief: schepen van Mobiliteit Filip Watteeuw. Van al de rest hoorden we niets, maar op 5 maart wilden ze wel allemaal naar de wake aan het kruispunt komen. Ze hebben zestien jaar tijd gehad om hun werk te doen; ik wou niet dat ze de schijnheilige kwamen spelen.

“Deze zomer hoorde ik minister van Mobiliteit Ben Weyts met een smile tot achter zijn oren verklaren dat de straf voor dierenmishandeling opgetrokken wordt tot zes maanden effectief. Ik was zo kwaad, want degenen die verantwoordelijk zijn voor de dood van mijn dochter wordt geen strobreed in de weg gelegd. Weet u wat de perfecte moord in België is? Rij iemand dood. Je wordt er toch niet voor bestraft. Ik mailde Ben Weyts met de vraag hoe zoiets mogelijk is. Op het einde van zijn antwoord stond: ‘We wensen je nog een fijne deugddoende vakantie.’ Hoe kan je zoiets schrijven? Ik ben mijn kind kwijt.”

 

Kuurne, Ringlaan en Brugsesteenweg

Op 2 september om vier uur stipt hielden 250 mensen twee minuten stilte op het kruispunt van de Ringlaan en de Brugsesteenweg in Kuurne, bijgenaamd het ‘kruispunt des doods’. Initiatiefnemer was verontwaardigde burger Christophe Vanderplancke. Aanleiding: het dodelijke ongeval op 18 juli van de 64-jarige fietsster Ludwine Louncke. Drie jaar eerder, op 23 april 2015, werd de toen 17-jarige fietser Joeri Verbeeck er ook gegrepen door een vrachtwagen. Hij overleefde, maar verloor een arm en een oog. Samen met zijn ouders Tony Verbeeck en Martine Demely woonde hij de stille wake bij, net als Ludwine Louncke’s nichtje Sanne Derveaux. “Het was de laatste keer dat ik aan dat kruispunt passeerde”, zegt zij. “Ik mijd het als de pest. Mijn moeder is vroeg gestorven en tante Ludwine was mijn tweede mama. Zij kon zelf geen kinderen krijgen en ontfermde zich over mij. Die bewuste 18e juli was ze ’s morgens met de fiets op weg naar het winkelcentrum Ring Shopping. Een paar uur voor haar dood had ik haar nog aan de telefoon. Mijn tante was voor haar leeftijd nog erg kwiek. Ze kwam tegen een stevig tempo aangefietst en de chauffeur kon haar niet zien. Ze zat in zijn dode hoek. Die man treft dan ook geen schuld.”

Christophe Vanderplancke: “Een half jaar na het ongeval van Joeri Verbeeck in 2015 organiseerde ik een benefiet. Bewindvoerders beloofden ons toen dat er snel aanpassingen aan het kruispunt doorgevoerd zouden worden. Joeri’s ouders Tony en Martine stonden er bij toen die beloftes gemaakt werden. Vandaag is er zo goed als niets gebeurd. De dag dat Sanne’s tante Ludwine verongelukte, was ik in de buurt van het kruispunt aan het werk. Er kwam toen heel wat woede bij mij naar boven. Ze zijn er even met een rode pot verf in de weer geweest, maar verder is er in al die jaren niets veranderd. Daarom hielden we op 2 september die wake. ”

 

Joeri, wat gebeurde er precies op 23 april 2015?

Joeri Verbeeck: “Ik was met mijn fiets gestopt voor het rode verkeerslicht. Het licht sprong op groen en ik wou rechtdoor rijden. Een vrachtwagenchauffeur had me niet gezien. Hij draaide rechtsaf, ik zag hem dichterbij komen en ik draaide mee. Tot ik geen plaats meer had, onder de vrachtwagen terechtkwam en zeshonderd meter werd meegesleurd. Ik ben niet boos op de chauffeur, maar als hij mij gezien zou hebben, was het waarschijnlijk anders gelopen. Ik denk vaak: als hij op tijd had kunnen remmen, was ik er niet zo gehavend uitgekomen. Al heeft dat gepieker geen zin; de tijd kunnen we toch niet terug draaien.”

 

Hoe lang heeft de revalidatie geduurd?

Joeri: “Die is nog steeds bezig. Ik ben een oog kwijt, een arm, en een paar vingers van mijn andere arm. Mijn pols staat scheef, maar dat was voor het ongeval ook al zo, van toen ik op mijn zestiende domme toeren uithaalde. (lacht) Toen was ik nog een tiener; nu ben ik twintig en heb ik de jaren van verstand.”

 

Tony en Martine, hoe herinneren jullie je die bewuste donderdag in de lente van 2015?

Tony Verbeeck: “We waren allebei thuis. De bel ging en er stonden twee agenten voor de deur. ‘Mogen we binnenkomen?’, vroegen ze. Ik vond dat raar, maar ze bleven aandringen. Toen vertelden ze dat Joeri betrokken was bij een dodehoekongeval. De grond zakte onder mijn voeten weg.”

Martine Demely: “Ik riep: ‘Ik wil Joeri niet kwijt!’”

Tony: “Ik bleef heel kalm; de weerbots kwam later. De agenten zeiden dat Joeri zijn rechterarm kwijt was en dat hij nog andere zware kwetsuren had. Ze vroegen of we onze zoon wilden zien. Diezelfde avond reden we naar de spoed in Kortrijk. Joeri was volledig omzwachteld. We mochten een tijdje aan zijn bed doorbrengen. Ze kregen het bloed niet gestelpt.”

Martine: “Joeri moest meteen overgebracht worden naar het UZ in Gent.”

Tony: “Daar stonden in het operatiekwartier een paar chirurgen klaar om zijn leven te redden. Zeventien uur duurde die operatie, tot vrijdagnamiddag vijf uur.”

Martine: “Toen mochten we hem vijf minuten zien.”

 

Werden jullie goed opgevangen?

Martine: “Zeker. De politie pakte alles heel professioneel aan en we kregen ook psychologische bijstand. De mevrouw van slachtofferhulp heeft ons enorm geholpen. De dag na Joeri’s operatie reed ze zelfs met ons naar Gent.”

Joeri: “Toen ik wakker werd, wist ik van niets. Ze mochten me niet alles in een keer vertellen. Eerst zeiden ze: ‘Je bent gevallen met de fiets.’ Een paar maanden later hoorde ik: ‘Het was toch een beetje erger. Je bent je oog kwijt.’ Dat kwam hard aan. Na verloop van tijd besloot ik terug te vechten. Ik dacht: ‘Ik kan toch niet blijven treuren?’ Ik heb toen ‘foert’ gezegd en nam mijn leven in handen. Ik wist dat de revalidatie moeilijk zou worden, maar er was geen alternatief. Ik heb aanvaard wat er gebeurd is.”

 

Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

Martine: “O ja, op sommige dagen zit Joeri in de put. Onze oudste zoon Stijn had het heel lastig met dat ongeval. Onze dochter Femke is drie jaar jonger dan Joeri; zij leek het makkelijker te verwerken.”

Tony: “Joeri zweefde 96 uur tussen leven en dood. Stijn ziet er nog steeds vreselijk van af, maar toen zei hij: ‘Mijn broer ligt in het ziekenhuis en de wereld draait door.’ Dat klinkt cru, al is het wel waar.”

Martine: “Na het ongeval bleef ik twee jaar thuis. Anderhalf jaar geleden begon ik terug te werken. Ons leven is compleet veranderd. De ochtendroutine draait nu helemaal rond Joeri. Elke dag komen er verpleegkundigen langs. De eerste vijf maanden mocht hij niet naar huis, daarna ging hij elke dag revalideren in Gent. Nu is dat nog drie keer per week.”

Joeri: “Voor mijn ongeval droomde ik ervan om zelfstandig meubelmaker te worden. Ik was ook een fervent voetballer. Twee jaar en een half kon ik niet naar school, al kreeg ik wel les in het ziekenhuis. Nu zit ik twee dagen per week terug op de schoolbanken. Als ik in het UZ in Gent ben, krijg ik ook nog een uur per dag les.”

 

Wat zijn je toekomstplannen?

Joeri: “Eerst stage lopen en dan ergens gaan werken. In mijn vrije tijd speel ik Playstation, of ga ik wandelen met mijn hond. Ik sluit me niet op en spreek vaak af met vrienden. Geen enkele vriend of vriendin heeft me laten vallen.”

 

Ga je naar een psycholoog?

Joeri: “Voorlopig niet meer. Er kwam lang een psychologe langs, maar ik heb het gevoel dat het nu zonder lukt.”

Tony: “Er is ook aan ons gevraagd of we psychologische hulp nodig hadden. We hebben dat vriendelijk afgewezen, want Martine en ik hebben enorm veel steun aan elkaar.”

Martine: “Sommige koppels gaan er aan ten onder als er iets ergs met een van hun kinderen gebeurt. Wij zijn er sterker uitgekomen.”

Tony: “We zaten op Joeri’s ziekenhuiskamer toen iemand van de sociale dienst langskwam. Haar eerste vraag was: ‘Komen jullie goed overeen?’ We keken haar verbaasd aan. ‘Natuurlijk.’ Ze zei: ‘Veel koppels gaan uit elkaar omdat ze het niet kunnen verwerken of er niet met elkaar over kunnen spreken.’”

 

Zocht de vrachtwagenchauffeur contact met jullie?

Tony: “Hij is ons een keer komen opzoeken. Hij is Franstalig en ons Frans is niet bijster goed; communiceren was niet vanzelfsprekend. Die mens zat in de zetel en zweeg, terwijl hij zag wat hij had aangericht.”

Martine: “Hij kwam langs op vraag van Joeri’s psychologe. Het is bij die ene keer gebleven. Alle latere verzoeken wees hij af.”

Tony: “Ik denk dat hij de confrontatie niet aankon. Ook de zaakvoerder van de transportfirma waar hij voor rijdt, is ons komen opzoeken. Ik vind het heel goed dat die mensen begrip tonen, alleen verandert het niets aan de aangerichte schade.”

Christophe Vanderplancke: “Voor die chauffeur moet het ook heel moeilijk zijn, want wie treft bij een dodehoekongeval schuld?”

 

Ja, wie?

Sanne Derveaux: “De infrastructuur. In het geval van Joeri en van mijn tante Ludwine zijn de schuldigen: de gemeente, het Vlaamse gewest en de provincie West-Vlaanderen. De Ringlaan is een gewestweg en de Brugsesteenweg een gemeenteweg.”

Tony: “De provincie zegt zus, het gewest zegt zo en de gemeente roept nog iets anders. Ondertussen gebeurt er niets. Waarom wordt de bevoegdheid over de wegen niet aan één instantie gegeven? Het is toch hartverscheurend dat er door dat jarenlange gekissebis zoveel slachtoffers moeten vallen?”

Christophe: “De regionale overheid schuift de hete aardappel door naar de lokale. Zij wijst op haar beurt met een beschuldigende vinger naar de eigenaar van een winkel die moeilijk doet over de onteigening van een paar parkeerplaatsen. Zo wimpelen onze politici hun verantwoordelijkheid af en schuiven ze alle schuld in de schoenen van die winkeleigenaar.”

Tony: “Weet u dat dit kruispunt des doods officieel pas sinds 18 juli erkend is als ‘zwart kruispunt’ terwijl er de voorbije vijf jaar meer dan 200 ongevallen plaatsvonden?”

Sanne: “Mijn tante moest er eerst doodgereden worden.”

 

Wat moet er gebeuren om dit kruispunt veiliger te maken?

Christophe: “Er zijn plannen om het fietspad te verleggen, met een apart verkeerslicht voor fietsers. Een echte oplossing is dat niet; de gevaarlijke punten worden dan verplaatst.”

Sanne: “In 1976 werden er al plannen gemaakt om dit kruispunt te overkappen.”

Christophe: “Daar is nooit iets van in huis gekomen en in plaats van de meest gevaarlijke kruispunten op de Ringlaan aan te pakken, zijn ze de relatief veilige stukken beginnen vernieuwen.”

Sanne: “Waarom wordt er niet voor gezorgd dat fietsers en voetgangers kunnen oversteken op het moment dat alle auto’s stilstaan? De meeste kruispunten in Nederland zijn conflictvrij, waarom lukt dat bij ons niet? Blijkbaar zijn zelfs die simpele ingrepen te duur en passen ze niet binnen het bestaande budget. Maar mijn tante is niet de enige dode. Waarom zijn budgetten belangrijker dan mensenlevens?”

Christophe: “Er zijn aan dit kruispunt werken voorzien voor februari 2019. Intussen kan er elk moment een nieuw slachtoffer vallen, want dagelijks passeren er honderden fietsers. Als er tegen maart niets veranderd is, volgen er nieuwe acties. Dan zal het geen stille wake zijn. ‘Minister van Mobiliteit Ben Weyts heeft zijn handtekening gezet’, hoor ik dan. Prima, maar ik kan ook veel papieren tekenen, hoor.”

 

(c) Jan Stevens

Groene leugens

Gelooft u dat u meehelpt aan de redding van de zeeën met uw uit oceaanplastic gerecycleerd jasje ontworpen door Pharrell Williams? Volgens de Duitse journaliste Kathrin Hartmann heeft Skateboard P u dan goed liggen. In haar boek Groene leugens ontmaskert ze groene Pinokkios zoals Pharrell. “De grootste groene leugen is dat alles business as usual kan blijven, op voorwaarde dat we een paar kleine dingen bijsturen en zogezegd ‘duurzaam maken’. Onzin.”

 

Ik maak me graag vrolijk over brave Amerikanen die in het nepnieuws van Fox en Breitbart tuinen. Liefst onder het genot van een heerlijk kopje duurzame Nespresso, of terwijl ik de file trotseer achter het stuur van mijn CO2-arme hybride, onderweg naar een interview met ecojournaliste en -activiste Kathrin Hartmann. “Nespresso en een hybride? Typische voorbeelden van greenwashing”, zegt ze. “Goed boerende en welmenende salonecologisten trappen graag met hun ogen wijd open in groen fake news. Daarom ook bekwamen steeds meer bedrijven en marketeers zich in het ten onrechte aanprijzen van hun producten als ‘duurzaam’, ‘recycleerbaar’ of ‘CO2-neutraal’.”

Samen met de Oostenrijkse documentairemaker Werner Boote draaide Hartmann vorig jaar The Green Lie, waarin ze samen op zoek gaan naar de groene leugens van grote merken en producenten. In haar pas verschenen boek Groene leugens laat Kathrin Hartmann geen spaander heel van algemeen aanvaarde duurzame alternatieven zoals elektrische auto’s.

Kathrin Hartmann: “De lithium-ionenaccu van de ‘mobiele hoop voor de toekomst’ verslindt bergen kobalt. De Europese Unie heeft dat niet geboekstaafd als conflictmineraal, terwijl het vooral gedolven wordt in Congo, een land vol bloedige conflicten. Kinderarbeid is er aan de orde van de dag en in de mijnstreek in het oosten maken gewapende milities de dienst uit. Toch is er volgens de EU-verordening over conflictmineralen uit 2017 voor kobalt niets aan de hand. Allemaal om die toekomstige heilige koe, de elektrische auto, geen strobreed in de weg te leggen. Ik noem dat een vorm van politieke greenwashing. Toen onze documentaire The Green Lie in Duitsland en Oostenrijk uitkwam, dachten velen: ‘Richten Hartmann en Boote hun pijlen op de groene partij?’ Nee, onze film en mijn boek zijn niet meer of minder dan aanklachten tegen duurzaamheid als marketingtruc. De grootste groene leugen is dat alles business as usual kan blijven, op voorwaarde dat we een paar kleine dingen bijsturen en zogezegd ‘duurzaam maken’. Bullshit.”

 

In uw boek veegt u de vloer aan met onder anderen de Duitse chemieprofessor Michael Braungart. Terwijl hij als uitvinder van het cradle-to-cradle-principe voor sommigen geldt als goeroe van de recyclage. Zijn redenering is: afval bestaat niet, alles wat een mens produceert, moet kunnen dienen als grondstof voor een nieuw product. Ik heb hem ooit geïnterviewd en ik vond hem best interessant.

Hartmann: “Braungart is populair bij veel journalisten. Hij is minzaam en vriendelijk, maar voert volgens mij gewoon een show op. Zijn theorie klinkt inderdaad solide, terwijl ze op de keper beschouwd een regelrechte ramp is voor het milieu. Hij beweert dat consumeren geen probleem is voor de mensheid, zolang we er maar voor zorgen dat de producten die we maken terug in de kringloop opgenomen worden. Is dat niet net hetzelfde als een perpetuum mobile, een eeuwig werkende machine? Onzin, dus?

‘Weg met dat schuldgevoel’, sust Braungart tegen de hyperconsumerende westerling die zich een beetje zorgen begint te maken over zijn extreem grote ecologische voetafdruk. ‘Alles is in orde. Er is niets mis met ons economische systeem van ongebreidelde groei, dat mag gerust blijven bestaan.’ Ik vind die boodschap zéér problematisch. Braungart heeft ooit, helemaal in de lijn met zijn van de pot gerukte cradle-to-cradle-filosofie, eetbare bekleding ontwikkeld voor vliegtuigstoelen. Dat is toch een grap? Volgens dezelfde cradle-to-cradl-nonsens biedt de goedkope modeketen C&A een composteerbaar t-shirt van biokatoen aan, dat je na een paar keer dragen in de compostbak kan mikken. C&A wil zo aantonen dat ‘massaconsumptie duurzaam kan zijn’. Hun zogezegde ‘duurzaamste t-shirt ter wereld’ mag je volgens hen met een zuiver geweten tot het einde der tijden wegflikkeren en opnieuw kopen. En dat voor amper 7 euro. Waanzin, want zelfs productie van biokatoen ligt moeilijk: slechts één procent van alle katoen ter wereld wordt op een ecologisch verantwoorde manier verbouwd. Daar komt bij dat ik die weggooifilosofie uiterst onethisch vind.”

 

De populaire zanger Pharrell Williams ontwerpt voor het Nederlandse modehuis G-Star de lijn Raw for the Oceans, de allereerste jeanscollectie van gerecycleerd plastic uit de Stille Oceaan. Ook een fraai staaltje van greenwashing?

Hartmann: “Plastic in de oceaan was lang een onderschat probleem. Plastic is ook de rode draad door het leven van medefilmmaker Werner Boote. In de jaren zestig was zijn grootvader de grote baas van Interplastik Deutschland. Met zijn bekroonde documentaire Plastic Planet uit 2009 zette Werner het thema van de plasticvervuiling en de ‘plasticsoep’ prominent op de agenda. Recyclage van plastic uit zee kan best zinvol zijn. Werner en ik wilden voor onze The Green Lie-documentaire graag spreken met de mensen achter Bionic Yarn, het bedrijf dat afval uit zee omzet in kunststofgaren en dat mede-eigendom is van Pharrell Williams. Wie kiest voor een door Williams ontworpen Raw for the Oceans-broek of jasje, vist volgens de marketeers van G-Star eigenhandig zeven plastic flessen uit zee. Hoe meer artikelen geweven uit Bionic Yarn-garen er over de toonbank gaan, hoe properder onze oceanen worden. G-Star claimt dat het zo negen van de honderdveertig miljoen ton plastic uit zee wil halen en meteen ook dertig procent katoen zal besparen.

Wij gaven G-Star, Bionic Yarn en Pharrell Williams het voordeel van de twijfel, maar het lukte ons niet om iemand achter de recyclageonderneming te pakken te krijgen. Maandenlang probeerden we contact te leggen, maar niemand wou ons ontvangen.”

 

Zeiden ze ook waarom ze jullie niet wilden spreken?

Hartmann: “Nee, we werden botweg geweigerd, zonder uitleg. We vonden het adres van Bionic Yarn in Piermont, New York en besloten het bedrijf zonder afspraak met een bezoek te vereren. We dachten eerst dat we op een industrieterrein terecht zouden komen, in een hypermoderne fabriek waar plastic flessen omgezet worden in textielvezels. Dat viel tegen, want we strandden op de oprit van een mooie houten villa. De voordeur werd geopend door Tim Coombs, mede-eigenaar van Bionic Yarn. Hij schrok en wilde ons liever niet binnenlaten. ‘Stuur me een e-mail’, zei hij. ‘Dan spreken we af om te Skypen.’ Hij sloot de deur en liet weken later weten dat hij liever niet met journalisten praatte.”

 

Wat niet erg slims is, want zo voedt hij toch alleen maar jullie verdenking van groene marketing?

Hartmann: “Precies. Bionic Yarn liet ons weten dat ze niet aan onze documentaire wilden meewerken, omdat er al een film over hun oceaankleren bestaat. Daarmee bedoelen ze de reclamespot die zij zelf lieten draaien. (lacht) Ik denk niet dat ze het procédé van de gerecyleerde plastic integraal uit hun duim zuigen, maar ik stel me wel grote vragen bij het hele verhaal dat ze errond spinnen. Intussen sprong ook Adidas op de plastickar van Pharrell Williams. De multinational in sportkleding wil uit gerecycleerd zeeplastic nu een miljoen sportschoenen en massaal veel voetbalshirts vervaardigen. Adidas kreeg de zegen van de Verenigde Naties voor zijn zeehardloopschoen, die vervaardigd zal worden uit ‘plastic van diepzeevisnetten die achterbleven in de oceaan rond de Zuidpool’.”

 

Als het procédé om oceaanplastic tot garen te recycleren echt werkt, kunnen we dat toch alleen maar toejuichen?

Hartmann: “Niet echt, want het gerecycleerde plasticgaren in kledij en schoenen van vandaag, wordt het zeeafval van morgen. De marketingverhalen van G-Star, Adidas en C&A over gerycleerd en duurzaam textiel, zijn bliksemafleiders voor de kern van het probleem: de moderne kledingindustrie met haar ‘fast fashion’-strategie. Marktleiders H&M en Zara bieden jaarlijks tot vierentwintig nieuwe collecties aan. Om de twee weken moeten de winkels volgehangen worden met andere jassen, broeken, jurken en t-shirts. Vroeger duurde het twee tot drie maanden voordat een nieuw ontworpen kledingstuk in de winkel lag. De spotgoedkope productie in lageloonlanden draait nu overuren. Onderbetaalde naaisters werken er in afschuwelijke omstandigheden. Een keten als Primark draagt een verpletterende verantwoordelijkheid voor deze race naar de diepste bodem. Volgens Greenpeace is er meer kleding in omloop dan de wereldbevolking ooit aan kan. Die fast fashion is trouwens alleen maar mogelijk door het massale gebruik van plastic. Twee derde van al onze kleren wordt geweven in polyester, een in overvloed geproduceerd goedkoop kunststofgaren. Tussen 2000 en 2016 steeg het wereldwijde gebruik van polyester voor textiel van acht naar eenentwintig miljoen ton. Dat maakte meteen ook de groei mogelijk van fast fashion-ketens als H&M en Primark. Voor de oceanen is dat een catastrofe, want bij elke wasbeurt spoelen micropartikeltjes uit de kunststofvezels en zo komen kilo’s microplastics in zee terecht.”

 

Ons oerprobleem is ons op grenzeloze groei gebaseerde economisch systeem?

Hartmann: “Precies. Daardoor produceren we te veel troep die niemand nodig heeft. Om al die nieuwe producten te kunnen kopen, moeten we eerst onze oude spullen dumpen en zo verhogen we de afvalberg. Ondertussen proberen bedrijven ons met hun greenwashingtechnieken een rad voor de ogen te draaien. Soms is het lachwekkend, terwijl het eigenlijk intriest is. Zo maakt oliemaatschappij Shell reclame met windmolens. Monsanto stelt zijn genetisch gemanipuleerde zaden en pesticides dan weer voor als hun bijdrage aan de bestrijding van de honger. In hun zogenaamde ‘duurzaamheidsrapport’ noemen ze zichzelf zelfs grote voorvechters van de VN-werelddoelen om van de wereld een gezondere en leefbaardere plek te maken. Het zal wel. (lacht)”

 

In een door Nespresso geproduceerd filmpje van eind vorig jaar praat acteur George Clooney op een ‘ongedwongen wijze’ over hoe duurzaam zijn favoriete kopje koffie is. ‘Het duurzaamheidsprogramma van Nespresso is onovertroffen, niemand ter wereld kan daaraan tippen’, zegt hij. Lult hij uit zijn nek?

Hartmann: “De reclamefilmpjes die Clooney voor Nespresso maakt, missen hun doel niet. Zeer veel mensen die het goed met het milieu menen, zijn verslingerd aan Nespresso. De Nespresso-capsules zijn een wereldsucces. Van 2006 tot nu steeg het aantal verkochte capsules van drie naar tien miljard. Nespresso is verantwoordelijk voor vier procent van de complete omzet van tachtig miljard euro van moederbedrijf Nestlé, het grootste levensmiddelenconcern ter wereld. De lege aluminiumcapsules van Nespresso zorgen jaarlijks dan weer voor een afvalberg van achtduizend ton.”

 

Is die aluminiumberg het grootste probleem?

Hartmann: “Ja. Nespresso beweert dat al dat aluminium netjes gerecycleerd wordt, maar dat is helemaal niet zo. Ze geven je een groene zak om de gebruikte capsules te verzamelen, en niemand weet wat er verder mee gebeurt. Het is een groot mysterie hoeveel aluminium er gerecycleerd wordt en of Nespresso zelf met gerecycleerd aluminium werkt. De fabricage van nieuw aluminium is sowieso een ramp voor het milieu. Het wordt gemaakt van bauxiet, en om die grondstof te ontginnen worden in onder andere Brazilië en Indonesië regenwouden gerooid. Bij de productie van een ton aluminium uit bauxiet wordt acht ton CO2 uitgestoten. De aluminiumproductie gaat aan de haal met drie procent van het wereldwijde elektriciteitsgebruik. Nespresso is ook walgelijk duur: een kilo koffie in capsules kost tachtig euro. Het is misschien wel de duurste koffie ter wereld.”

 

Het is wel lekkere koffie.

Hartmann: “Zeker, maar smaakt een kopje Nespresso dan zoveel beter dan gewone espresso? Nespresso heeft in samenwerking met de Amerikaanse NGO Rainforest Alliance zijn eigen programma voor ‘duurzame koffie’ ontwikkeld. Rainforest Alliance heeft een kwalijke reputatie als leverancier van keurmerken voor problematische bedrijven als Chiquita, Dole, Lidl, McDonald’s en dus ook Nespresso. Het zogenaamde Nespresso AAA Sustainable Quality™ Program is allesbehalve transparant. Het gaat helemaal niet om biologisch verbouwde of via fair trade verhandelde koffie, al lijkt dat wel zo. Hun grootste verkooptruc is en blijft George Clooney: hij geeft het merk een kwaliteits- en duurzaamheidslabel dat het niet verdient.”

 

George Clooney is geen naïeve ziel, maar bewust medeplichtig aan greenwashing?

Hartmann: “Dat is een moeilijke vraag. Voor de marketeers achter Nespresso is hij goud waard, want hij heeft dat aura van degelijkheid en betrouwbaarheid. Een uitstekende acteur, progressief, ex-vredesambassadeur voor de VN en getrouwd met een vooraanstaande mensenrechtenadvocate. Het doelpubliek van Nespresso, de goedverdienende, min of meer ecologisch bewuste en aan lifestyle verslingerde middenklasser is dol op hem. Nespresso-drinkers herkennen zichzelf in hem, of spiegelen zich naar hem. ‘George zit op onze golflengte.’ De reclamefilmpjes met Clooney zijn ook uitstekend gemaakt. En af en toe lijkt hij niet ironisch te acteren, maar zichzelf te zijn, zoals in dat filmpje waar je naar verwees. ‘Nespresso verricht uitstekend werk voor de koffieboeren.’ Vervolgens plant hij zelf een koffieboompje in Costa Rica, omringd door koffieboeren. Dan kijkt hij recht in de camera en zegt: ‘Nespresso zorgt ervoor dat al deze mensen het goed hebben. Ik ben trots deel uit te maken van dit bedrijf.’ Hij speelt het zo goed dat ik mezelf soms ook afvraag: ‘Gelooft hij het of zegt hij dit omdat hij er de voorbije jaren 26 miljoen dollar voor gekregen heeft?’”

 

Hebt u het hem proberen vragen?

Hartmann: “Nee, en nu je het zegt, misschien had ik dat beter wel gedaan. De man is een miljonair en leeft in een bubbel. De arme Costa Ricaanse boeren zijn dolblij dat de beroemde George Clooney hen een schouderklopje komt geven. ‘O wat een lieve miljonair.’ (lacht)”

 

Tijdens het maken van de documentaire reed u rond in een Tesla. Uit een studie van het Zweedse milieuonderzoeksbureau IVL van vorig jaar blijkt dat voor de productie van een kleine elektrische auto al 5,3 ton extra CO2 is uitgestoten voordat er nog maar een kilometer mee gereden is. Daarvoor kun je bijna drie jaar in een benzineauto rijden.

Hartmann: “Tesla is inderdaad niet zo ecologisch verantwoord als Elon Musk ons graag wil doen geloven. Daarom ook reden we met een Tesla naar Garzweiler, een van de grootste sites in Duitsland waar bruinkool wordt gedolven. We wilden al die goedmenende Duitse Tesla-rijders laten zien met wat voor een smerige troep de elektriciteit voor hun zogenaamd ecologisch verantwoorde bolides wordt opgewekt. Onze regeringen propageren nu volop de elektrische auto als ‘schoon’ alternatief. Terwijl hier net hetzelfde geldt als bij de gerecycleerde plastickleren van Pharrell Williams en consorten: de afvalberg wordt er niet kleiner door. Diesel en benzine worden vervangen door elektriciteit, maar de grondstoffenrooftocht gaat intussen onverminderd door. Het echte debat zou moeten gaan over het feit dat het onhoudbaar is dat elk individu met zijn eigen voertuig rond blijft snorren. Die discussie durft niemand aan. We focussen ons liever op een nieuwe, zogezegd schonere technologie. Greenwashing is heel goed in het ogenschijnlijk verzoenen van tegenstellingen die in werkelijkheid onverzoenbaar zijn. De zogenaamde duurzaamheid ligt er soms zo vingerdik op, dat ik gewoon niet kan vatten dat consumenten er intuinen. We willen toch zo graag geloven dat we alles bij het oude kunnen laten en als God in Frankrijk kunnen blijven leven. Het enige wat we moeten doen, is onze dieselslurper inruilen voor een hybride of een elektrische auto. O ja, en we mogen ook niet vergeten om onze koffiecapsules in die groene zak te keilen in plaats van in de vuilbak. Dan komt het allemaal wel goed.”

 

U richt uw pijlen ook op de grote multinational Unilever. U beschuldigt hen ervan grootmeesters te zijn in greenwashing van de ontginning van palmolie.

Hartmann: “Met zestig miljoen ton per jaar is palmolie het meest gebruikte plantaardige vet ter wereld. De reden voor dat ‘succes’: het is het goedkoopste. Je vindt het in de helft van zowat alle supermarktproducten: in pakjessoep, ijs, margarine, diepvriespizza, chocola, poetsproducten en cosmetica. Unilever-CEO Paul Polman noemt zijn bedrijf zonder verpinken ‘de grootste NGO ter wereld.’ Unilever gebruikt meer palmolie dan welke andere producent van consumptiegoederen ook: anderhalf miljoen ton per jaar, of 2,6 procent van de wereldwijde oogst.

Indonesië produceert de helft van alle palmolie. De gevolgen voor de regenwouden zijn desastreus. Sinds 1990 heeft Indonesië door houtkap en branden een bosoppervlak verloren van 310.000 vierkante kilometer regenwoud. Dat is groter dan Italië. De helft is vervangen door palmolieplantages. Bij zijn aantreden in 2010 stelde Polman het Unilever Sustainable Living Plan voor. Daarin beloofde Unilever dat het tegen 2020 al het zelf geproduceerde afval, het waterverbruik en de uitstoot van broeikasgassen zou halveren, de mensenrechten zou beschermen, en enkel nog honderd procent ‘duurzame’ agrarische producten zou inkopen. In diezelfde periode moest de omzet verdubbelen naar tachtig miljard euro. Ik heb de voorbije jaren heel wat onderzoek naar palmolie gevoerd en ik kan je verzekeren: duurzame palmolie bestaat niet. Het Unilever Sustainable Living Plan is een schoolvoorbeeld van greenwashing: het stelt zogezegd duurzame doelen voor die op geen enkele manier te behalen zijn, tenzij Unilever radicaal afscheid neemt van palmolie en stopt met de productie van Calvé-pindakaas of Knorr-soep in pakjes. Ik schat de kans niet hoog in dat dat zal gebeuren.”

 

Ook de Europese Unie is niet vies van greenwashing van palmolie?

Hartmann: “In 2006 besliste ze dat vijf procent van de benzine van plantaardige origine en dus biobenzine moest zijn. Vandaag is de EU de op twee na grootste importeur van palmolie. In 2010 importeerden we 456.000 ton, nu 3,2 miljoen ton. Indertijd was de redenering dat biobenzine de CO2-uitstoot zou terugdringen. Want bij de verbranding van plantaardige brandstof zou slechts evenveel CO2 in de lucht komen als de plant voorheen gebruikt had. Je reinste greenwashing, want als je de klimaatschade als gevolg van boskap mee in rekening brengt, produceert biodiesel uit palmolie drie keer zoveel uitstoot als fossiele diesel.”

 

Een eerbiedwaardige instelling als het Wereldnatuurfonds (WWF) assisteert volgens u grote multinationals bij hun greenwashing.

Hartmann: “Het WWF is niet vanuit de basis gegroeid, maar werd in 1961 opgericht door edellieden, jagers op groot wild, ondernemers, industriëlen en miljonairs. De eerste voorzitter was de Nederlandse prins Bernhardt. Het voornaamste doel van het WWF was om natuurreservaten te creëren en beschermen waar diezelfde rijken zich konden uitleven.”

 

Anno 2018 is het WWF toch een compleet andere organisatie?

Hartmann: “De geest van toen is niet verdwenen. Vandaag zit het WWF op een kapitaal van meer dan driehonderd miljoen dollar. Met 905.000 medewerkers en vijf miljoen donateurs is het één van de grootste natuurbeschermingsorganisaties ter wereld. Vier procent van de inkomsten van WWF International komt van ondernemingen. De NGO steekt niet onder stoelen of banken dat ze samenwerkt met de industrie. Het kan niet anders dan dat de partnerships met grote multinationals invloed hebben op haar beleid. Ook al beweert de organisatie dat ze ondanks die samenwerkingsverbanden onafhankelijk blijft.”

 

Hebt u zichzelf er nog nooit op betrapt dat u een groene leugen voor waar aannam?

Hartmann: “Ik doe mijn best om greenwash-valstrikken te vermijden. Ik rij met de fiets, neem de trein en vermijd vliegtuigen. Onze elektriciteit komt van een kleine coöperatieve die haar stroom enkel op duurzame wijze opwekt. Al ben je ook dan nooit zeker. We hebben een veertig jaar oude BMW die hooguit tien keer per jaar uit de garage komt. En we letten goed op bij de aankoop van onze voedingswaren. Ik ben al dertig jaar vegetariër. Bioproducten zijn goed, maar ze zijn nog steeds de uitzondering en daarom ook duur. Met als gevolg dat niet iedereen ze zich kan permitteren.”

 

Wie garandeert ons dat al die zogenaamde biolabels geen greenwashing zijn?

Hartmann: “Veel voedingsproducten krijgen zeker een ‘groene’ marketingbehandeling. Maar de officiële biolabels worden gecontroleerd en zijn geen verzinsels van de industrie. Voor voeding kan je de greenwashing nog een hak zetten, maar voor kledij is het zeer lastig. En voor computers en smartphones is het zo goed als onmogelijk. Er is de Nederlandse Fairphone waarvan de meeste onderdelen vervangbaar zijn. Het idee van de bedenkers van die telefoon is dat je hem zo lang mogelijk moet kunnen gebruiken eer je hem dumpt. Dat is prima, alleen moeten ook zij hun grondstoffen kopen bij leveranciers die er minder ethische standaarden op nahouden.”

 

Hoeveel proceszaken van grote merken wegens smaad en laster lopen er nu tegen u?

Hartmann: “Geen enkele; ze hullen zich allemaal in stilzwijgen. Voor de film namen we een paar shots op in vestigingen van de Oostenrijkse supermarktketen Billa. Zij vroegen ons of ze de film voor de release te zien konden krijgen. Wij weigerden, waarna ze een grote reclamecampagne startten. Ze hebben hun eigen biomerk en beloofden dat ze naar aanleiding van onze film al hun eigen biologische producten met palmolie zouden schrappen. Het leek alsof ze bereid waren om tienduizenden euro’s te verliezen, om toch maar clean te kunnen zijn. Nu moet je weten: er zat maar één product met palmolie in hun oorspronkelijke biogamma. (lacht)”

 

Ze gebruikten jullie documentaire over greenwashing om zichzelf groen te wassen?

Hartmann: “Inderdaad. En ze vroegen aan Werner Boote of hij hun persoonlijke George Clooney in hun reclamefilm wou spelen. Hij heeft daar vriendelijk voor bedankt. (lacht)”

 

Kathrin Hartmann, Groene leugens, atlas contact

(c) Jan Stevens

‘Ik zocht vooral relaties met mannen die me vernederden. Dat gaf me een extra kick’

Erica Garza raakte op haar twaalfde verslaafd aan porno. De volgende twintig jaar stond haar leven in het teken van masturberen, neuken en kijken naar hardcoreporno. “Schaamte was de motor van mijn verslaving. Ik kon niet genieten zonder me ook slecht te voelen.”

 

De vroege lente van 2008. De pas afgestudeerde Erica Garza leeft in New York samen met een tien jaar oudere succesvolle filmmaker die aan het afkicken is van een drankprobleem. Hij is stapelgek op haar; zij voelt vooral jaloezie. “Hij ging soms twee keer per dag naar een meeting van de Anonieme Alcoholisten (AA) en ik dacht dat hij een affaire had”, vertelt ze. “Veel later pas zou ik beseffen dat hij mijn gedrag ontvluchtte. Bij onze split verweet hij me dat ik een seksjunk was. ‘Dat zeg je omdat je me niet genoeg kan neuken’, beet ik hem toe. Terwijl ik diep vanbinnen wist dat hij volkomen gelijk had.”

In haar niets verhullende memoir ‘Getting Off’ beschrijft de inmiddels 35-jarige freelancejournaliste en schrijfster hoe ze vanaf haar twaalfde worstelde met porno en seks.

Erica Garza: “Dit boek schrijven, was een opluchting. Maar toen het ook uitgegeven zou worden, begon het nagelbijten. (lacht) Het schrijven was een vorm van therapie: ik hoopte dat ik mezelf zo beter zou begrijpen. Na publicatie was ik doodsbang voor de reacties van mijn dierbaren, zoals mijn ouders en vrienden die niets afwisten van mijn verslaving.”

 

U had uw ouders niet op voorhand verwittigd dat ‘Getting Off’ op stapel stond?

Garza: “Nee. Ik wachtte tot op het allerlaatste nippertje om hen in te lichten. ‘Mama en papa, er komt binnenkort een boek van mij over mijn nogal losbandige leven uit.’ Mijn moeder suste: ‘Liefje, we hebben je essays gelezen.’ Dat kwam voor mij als een complete verrassing. Er hadden al een paar essays van mijn hand over mijn uitspattingen online gestaan. Ik was ervan overtuigd dat mijn ouders niet eens wisten dat die artikels bestonden. Dat bleek dus een vergissing te zijn.”

 

Ze wisten dus al een poos dat u vanaf uw twaalfde een seksjunkie was, maar hadden daar nooit iets tegen u over durven zeggen?

Garza: “Precies. Ik denk dat ze het iets te onkies vonden. Mijn ouders zijn heel gewone mensen die erg van hun kinderen houden. Als het over seksverslaafde vrouwen gaat, denkt de goegemeente altijd dat die vrouwen als kind misbruikt zijn door een gezins- of familielid. Of dat ze verwaarloosd werden of slaag kregen. ‘Die arme vrouwen moéten wel getraumatiseerd zijn.’ Toch zijn er veel meer seksverslaafde vrouwen zonder zo’n bewaard verleden dan je zou denken. Ik kom uit een stabiel gezin en had een veilige kindertijd. Ik ging naar een privéschool en werd met veel zorg omringd. Ik kwam nooit iets te kort. Mijn trauma’s waren banaal: zo kreeg ik op mijn twaalfde de diagnose scoliose, mijn ruggengraat groeide krom. Dat is niet echt uitzonderlijk. Ik had wel een vrij ernstige vorm en moest dag en nacht een harnas dragen. Ik werd daarom uitgelachen op school en kreeg last van een minderwaardigheidscomplex. Ik vermoed dat het gepest de bron van mijn verslaving is. Ik ging die negatieve gevoelens te lijf met seks en masturbeerde me suf. Veel mensen zijn gechoqueerd wanneer ze horen over een twaalfjarig masturberend meisje. Maar niemand valt van zijn stoel als het gaat over jongens van twaalf die met hun flieter spelen. Vrouwen praten nooit over hun seksbeleving als jong meisje. Wat overblijft, is stilte en schaamte. Meisjes worden niet verondersteld hun lichaam seksueel te verkennen; dat is jongensterrein. Tenminste, dat kreeg ik als tiener te horen. Volwassenen deden alsof wij seksloze wezens waren. Misschien moet ik er eerlijkheidshalve aan toevoegen dat ik opgroeide in een katholiek gezin. Ik zat ook op een katholieke school waar het onderwerp seks taboe was. Ik masturbeerde echt ontzettend veel en omdat seks in de ideale wereld niet leek te bestaan, begon ik te geloven dat ik gestoord was.”

 

Wij kregen te horen dat je van masturberen blind of doof werd én een pijnlijke rug kreeg.

Garza: “Echt? Ons maakten ze wijs dat er haar op je handpalmen groeide als je niet van je poesje kon afblijven. (lacht) Wat jij over die pijnlijke rug zegt, vind ik wel grappig. Want ik vreesde dat ik scoliose gekregen had door te veel met mezelf te spelen. Ik masturbeerde het liefst in een heet bad, met de douchestraal op mijn vagina gericht. Ik maakte me grote zorgen dat mijn ruggengraat misvormd geraakt was door genotzuchtig languit in dat bad te liggen. Een paar jaar lang droeg ik dat korset, en daarna werd ik geopereerd. Ik was bang dat de dokters op de röntgenfoto’s van mijn rug zouden kunnen zien dat masturberen mijn favoriete tijdverdrijf was. Het angstweet brak me uit bij de gedachte dat ze mijn ouders zouden inlichten. Ik raakte toen echt in paniek.”

 

U schaamde zich te pletter?

Garza: “Ja, schaamte vormde lang een rode draad in mijn seksbeleving. Ze was de motor van mijn verslaving. Ik kon niet genieten zonder me ook slecht te voelen.”

 

Ik was zestien in 1979; u was zestien in 1999. Voor porno moest ik op zoek naar een vies blaadje. U vond uw gerief met een muisklik op het ontluikende internet.

Garza: “O ja, het was poepsimpel om porno te vinden. Ik maakte als twaalfjarige kennis met softcoreporno via de kabeltelevisie. Ik wachtte tot mijn ouders sliepen en sloop dan uit bed om te kijken naar copulerende koppels. Ik kon zelf geen beelden kiezen, maar moest vrede nemen met wat er geprogrammeerd was. Ik genoot van de spanning. Niet veel later kreeg ik dankzij het internet toegang tot chatkamers. In die tijd moest je nog inbellen via de vaste telefoon. Ik had virtuele seks met complete vreemden. ‘Wat draag je?’ vroeg dan iemand. ‘Een kanten string’, loog ik. ‘Wat is je bh-maat?’ ‘36D.’ ‘Wat wil ik je dat ik met je doe?’ ‘Alles.’ Ik loog altijd over mijn leeftijd, tikte meestal dat ik zestien was, en had cyberseks met kerels die mijn vader, grootvader of overgrootvader hadden kunnen zijn. Zo was er de 32-jarige Jeff die het fijn vond om zichzelf op zijn kantoor af te rukken terwijl hij met mij aan het chatten was. Mijn woordenschat groeide zienderogen en ik maakte kennis met ‘vaktermen’ als ‘pik’ en ‘blowjob’. We hadden één computer en die stond in de woonkamer. Alle gezinsleden gebruikten die en dus moest ik er op letten dat ik al mijn sporen meteen wiste. Ik werd heel vaardig in het minimaliseren van beelden en in het gebruik van de escape-knop. Ik begon ook pornografische afbeeldingen van het internet te downloaden en lette er na afloop op dat ik de geschiedenis verwijderde.”

 

Hoe oud was u toen?

Garza: “Nog steeds twaalf. Er is heel wat gebeurd in dat ene levensjaar. (lacht) De volgende jaren werd het internet sneller, gesofisticeerder én een snoeptrommel voor pornoliefhebbers. Na de foto’s, volgden de video’s en het livestreamen. Telkens wanneer ik dacht: ‘Nu heb ik het wel ongeveer gehad met seks op het internet’, kwam er iets nieuws. Nachtenlang bracht ik voor dat computerscherm door, masturberend. Het werkte als een drug. Van zodra ik me emotioneel ietwat gedestabiliseerd voelde, zocht ik troost in internetseks, logde ik in een chatroom in en was ik weg van de wereld. Nadat ik klaargekomen was, voelde ik heel even verlossing, maar meteen daarna voelde ik me terug ellendig, en vluchtte ik snel weer weg in cyberseks. Zo evolueerde ik pijlsnel naar dwangmatige masturbatie. Ik masturbeerde wanneer ik thuiskwam van school, voor het avondeten, na het avondeten, in de toiletten op school, voor de lunch, na de lunch… Ik moest het masturberen soms uitstellen omdat er praktische bezwaren in de weg stonden. Op die momenten nam de geilheid in mijn lichaam immense proporties aan. Wanneer ik dan eindelijk op mijn slaapkamer of in de badkamer belandde, beleefde ik waanzinnige orgasmes waarbij het leek alsof mijn hoofd explodeerde. Ik vingerde mezelf soms uren aan een stuk.”

 

Hoe ging het ondertussen met uw studies?

Garza: “Uitstekend. Tijdens de lessen focuste ik me op mijn schoolwerk en thuis op mijn vagina en virtuele porno. Ik had niet veel vrienden en ik denk dat ik nogal een asociale indruk op mijn klasgenoten gemaakt moet hebben. Ik had de neiging mezelf te isoleren van de rest van de groep. Ik voelde me nooit op mijn gemak tussen leeftijdsgenoten en klapte soms dicht als iemand me aansprak. Communiceren en sociaal zijn was voor mij een kwelling.”

 

Op uw veertiende werd u geopereerd aan uw rug en was u bevrijd van dat harnas. Dat was geen bevrijding uit uw sociale isolement?

Garza: “Het ging daarna wel beter, maar dat emotionele trauma veroorzaakt door de pestkoppen uit mijn klas, zat er nog steeds. Ik vertrouwde mensen niet helemaal en bleef op mijn hoede. Mijn ouders hadden nooit echt in de gaten dat er iets ernstig mis was met mij. Ik denk wel dat ze doorhadden dat ik gepest werd. Want toen ik met dat harnas rondliep, vroeg ik hen vaak of ik school een dagje mocht overslaan. Ze moeten ook wel gezien hebben dat er bijna geen klasvriendjes meer langskwamen van zodra ik dat ding droeg. Een paar dagen voor de operatie vroegen ze of ik van school wou veranderen. Als ik ja zei, zou ik naar mijn gevoel meteen ook toegeven dat er iets met mij aan de hand was, dus zei ik: ‘Nee, hoor.’ Ik verzekerde hen dat alles oké was.”

 

Uw ouders hebben u nooit betrapt tijdens het kijken naar porno?

Garza: “Nooit. Dat was ook mijn grootste nachtmerrie. Die angst maakte me erg paranoïde. Ik stond vaak aan de deur te luisteren of er iemand op komst was. Toen ik een laptop had, trok ik me ermee terug op de wc als mijn ouders sliepen.”

 

In cyberspace neukte u er als twaalfjarig meisje stevig op los, maar in het echte leven verloor u uw maagdelijkheid op uw zeventiende, wat niet uitzonderlijk jong is.

Garza: “Nee, dat is zo. Ik geloofde dat ik in één klap van mijn verslaving aan cyberseks verlost zou zijn als ik kennis gemaakt had met the real stuff. Vanaf dan zou ik een ‘normaal’, gezond meisje worden. Mijn ontmaagding door een tien jaar oudere Mexicaanse autotechnieker stelde niet veel voor. Alleen ruilde ik vanaf dan de ene man in voor de andere. Ik bleef even vaak porno kijken en even hard masturberen. De interessante denkbeelden van de mannen interesseerden me niet; wel hun vaardigheden in bed. Virtuele seks en soloseks kregen er een nieuwe dwangmatige variant bij: neuken met zoveel mogelijk kerels. Mijn hele leven draaide rond seks. Ik kickte erop om keihard, tot bloedens toe geneukt te worden. Elke man die me wou, kon me krijgen.”

 

Hoe overwin je een verslaving aan een menselijke basisbehoefte: seks?

Garza: “Dat heeft ontzettend lang geduurd en kon pas vanaf het moment dat ik in staat was om de waarheid te vertellen. Eerst moest ik afstand nemen van al mijn leugens en bereid zijn om me kwetsbaar op te stellen. Ik was jaren in therapie, maar heb toen nooit verteld dat ik aan seks verslaafd was. Ik lag met mezelf mentaal en emotioneel in de knoop en praatte daar over met mijn therapeut; over de échte oorzaak had ik het nooit.

“Als seksverslaafde had ik continu het gevoel dat ik geen controle had over mezelf. Ik had geen macht over mijn eigen leven en slaagde er niet in om iets dat zo vernietigend was stil te leggen. Ik had continu onveilige seks met wildvreemden. Ik zocht vooral relaties met mannen die me vernederden of waarbij ik het gevoel kreeg dat ik gebruikt werd. Dat gaf me een extra kick. Ik gebruikte zelf ook mijn partners; intimiteit of liefde waren ver zoek. Niet dat ik afkerig stond van liefde. Integendeel, ik had altijd gehoopt dat ik liefde en geborgenheid zou ervaren tijdens het neuken. Maar het waren louter mechanische bewegingen, gericht op dat zoveelste orgasme, zonder emotionele band met degene met wie ik aan het rampetampen was. Tijdens mijn ‘nuchtere’ momenten voelde ik me vooral eenzaam en het niet waard om geliefd te worden. Ik besefte dan dat mijn seksverslaving mijn ondergang betekende, maar ik kon er niet mee stoppen. Want een deel van mezelf genoot ervan. Ik voelde de adrenaline door mijn lijf pompen. Het was spannend en opwindend en tijdens het vrijen vergat ik de rest van de wereld.”

 

Wat was uw meest beschamende ervaring?

Garza: “Ach, er waren er zoveel. Alleen ervaarde ik dat op het moment zelf niet zo. Een jaar of acht geleden was ik met mijn toenmalige lief op vakantie in Europa. Hij kwam er bij toeval achter dat ik me in Barcelona had laten vingeren door een Colombiaan. Mijn vriend was er het hart van in en in plaats van de brokken te proberen lijmen, dook ik met een Franse kelner in bed die me neukte als een wild beest. Ik genoot. Meteen daarna dook ik met nog een andere Franse kelner de koffer in. Hij nam me mee naar het huis van een vriend, want zijn vrouw zat thuis op hem te wachten. Diezelfde week neukte ik nog met twee Spanjaarden en een Duitser. Telkens zonder condoom. Romantische etentjes en geflirt waren aan mij niet besteed. Eén oogopslag was voldoende.

“Marathonseks met wildvreemden was mijn permanente poging om te ontsnappen aan mijn angsten en onzekerheden. Intussen masturbeerde ik me ook nog eens lamme vingers terwijl ik porno keek. Meer dan twintig jaar lang. In mijn meest favoriete pornovideo aller tijden figureren twee zwetende vrouwen die zich in alle mogelijke standjes laten berijden door vijftig bronstige heren. Ik was totaal losgeslagen en het leek quasi onmogelijk om te stoppen. Ik durfde er met niemand over praten en had nooit andere vrouwen horen vertellen over hun problematische omgang met seks. Er is geen betere brandstof voor verslaving denkbaar dan schaamte en stilte. Ik geloof echt dat ik een ander pad gekozen zou hebben als ik verhalen van vrouwen gehoord had over hun gevecht met hun seksverslaving. Dat is een van de redenen waarom ik mijn boek geschreven heb.”

 

Promiscuë mannen worden gezien als viriele kerels, terwijl promiscuë vrouwen het label ‘manziek’ krijgen opgekleefd?

Garza: “Ja. Het is voor mannen sowieso makkelijker om over hun seksleven te praten, op wat voor manier dan ook. Maar het wordt als onnatuurlijk beschouwd als een vrouw durft te zeggen dat ze veel behoefte aan seks heeft. Kranten houden van sensationele titels en maken van een vrouw met een grote seksdrive vaak een karikatuur. Ze noemen haar dan een ‘nymfomane’, terwijl mannen en vrouwen niet zo heel erg van elkaar verschillen als het op seks aankomt. Toen mijn eerste essay over mijn verslaving verscheen, kreeg ik veel reacties van zowel vrouwen als mannen. Ook nu na dit boek stromen de reacties binnen. Ze vertellen allemaal dezelfde verhalen, over het gebrek aan controle en schaamte.”

 

Wanneer besloot u om uw seksverslaving aan te pakken?

Garza: “Toen ik vlak voor mijn dertigste verjaardag voor de zoveelste keer door mijn sekshonger een relatie om zeep hielp.”

 

Want bij sommige van uw sekspartners speelde liefde wel een rol?

Garza: “Ja. Van zodra ikzelf een prille vorm van liefde voelde, bij mijn partners of bij mezelf, blies ik de relatie op. Ik had daar een heilige schrik voor. Maar die keer dat ik op het einde van mijn 29e levensjaar opnieuw een ontluikende liefdesrelatie opblies, was de keer te veel. Nadien crashte ik totaal. Bijna twee decennia lang kon ik het stemmetje in mijn hoofd onderdrukken dat zei: ‘Je hebt een probleem.’ In het voorjaar van 2012 begon het zo hard te roepen dat ik het niet langer kon negeren.

“Ik las ‘Eat, pray, love’ van Elizabeth Gilbert. In dat boek vertelt ze hoe ze als dertigjarige succesvolle schrijfster haar ogenschijnlijk gelukkige huwelijk opbreekt en aan een spirituele zoektocht naar zichzelf begint. Ze komt zo op het Indonesische eiland Bali terecht. Daar reisde ik na mijn crash ook heen en begon ik mezelf te verzorgen. Ik mediteerde er in de rijstvelden van Ubud en beoefende er elke dag yoga. Geleidelijk aan leerde ik mijn gedachten te focussen op andere dingen dan seks. Een yogalerares hielp me mijn hoofd vrij te krijgen en na te denken over mijn verleden. Hoe was het mogelijk dat ik zo extreem eenzaam geworden was, wegvluchtend in neuken en porno?

“Tijdens een yogasessie ontmoette ik de Australische jazzmuzikant Willow Neilson, de man die ik in mijn boek River noem en op wie ik verliefd werd. We trouwden later en hebben nu samen een dochter. Klinkt dat alsof ik als hulpeloos vrouwtje gered ben door een sterke man? (lacht) Zo was het echt niet, maar hij was wel de eerste bij wie ik me voldoende veilig voelde om àlles te vertellen, ongecensureerd en onopgesmukt. Tot mijn grote verbazing zette hij het niet op een lopen. Misschien was ik dan toch geen monster dat de liefde niet waard was. Terug in de VS ging ik naar meetings van de anonieme seksverslaafden. Net als de alcoholverslaafden van de Anonieme Alcoholisten streven zij via een twaalf stappenplan ‘nuchterheid’ na.”

 

Een anonieme alcoholist weet dat hij een leven lang de drank links moet laten liggen. Moet een anonieme seksverslaafde levenslang lust en seks afzweren?

Garza: “Goh, dat is een lastige kwestie. Elke anonieme seksverslaafde volgt zijn unieke weg naar herstel. In het begin ging ik driemaal per week naar de twaalf stappen-meetings van de Sex and Love Addicts Anonymous (SLAA). Zij adviseren om de prikkels tot een minimum te herleiden. Ik nam me voor om nooit meer naar porno te kijken en om enkel seks te hebben met mijn man. Ik beloofde om voortaan monogaam door het leven te gaan en legde mezelf strikte regels op. Dat was goed voor een tijdje, omdat ik zo mijn vastgeroeste patroon kon doorbreken. De regels zorgden voor rust, waardoor ik terug kon ademhalen en meer grip kreeg op mijn bestaan. Maar na verloop van tijd begon dat keurige leven onecht aan te voelen. Ik verlangde naar authenticiteit en wou achterhalen of ik het me kon permitteren de vrouw te zijn zoals ik me voelde: experimenteel en open van geest. Zou dat mogelijk zijn zonder te liegen tegen mijn geliefden en zonder een spoor van vernieling achter te laten? Intussen ben ik een andere richting ingeslagen dan die van de SLAA. Van mijn twaalfde tot mijn dertigste volgde ik mijn genotzuchtige pad, zonder compromissen, enkel gericht op mijn eigen bevrediging. Daarna volgde ik het pad van de absolute onthouding. Nu probeer ik een weg tussenin te vinden. Ik denk dat ik dat op mijn 35e wel aankan.

“Af en toe kijk ik terug porno. Niet omdat dat moét, maar omdat ik het leuk vind. Mijn man en ik hebben net een korte vakantie achter de rug op een ‘clothing optional resort’, een feminisme voor een vakantiedomein voor swingers. (lacht) Ik hoor sommigen nu denken: ‘Maar zij is een seksverslaafde, dan moet ze haar vakantie toch niet doorbrengen in een parenclub of naar porno kijken?’ Het grote verschil met vroeger is dat ik nu niet met andere mannen de liefde bedrijf uit schaamte of zelfvernietigingsdrang, maar omdat ik dat als gezonde volwassen vrouw samen met mijn man nu eenmaal graag wil. Ik ben ervan overtuigd dat een plek in het midden mogelijk is, tussen de allesvernietigende genotzucht en de totale onthouding in. Ik geloof echt dat het kan om op een verantwoorde manier porno te kijken, zoals het ook kan om op een verantwoorde manier alcohol te drinken.”

 

Alleen is porno door het mobiele internet nu altijd en overal.

Garza: “Dat kun je het internet toch niet kwalijk nemen? Alles hangt af van de motivatie van de gebruiker. Voedsel is ook alomtegenwoordig: de motieven van elk individu bepalen of iemand gezond eet of obesitas krijgt. Het is trouwens ook niet omdat je veel porno kijkt, dat je seksverslaafd wordt. Misschien heb je gewoon een stevig ontwikkeld libido. Porno is niet slecht of problematisch. Mensen kunnen zowat alles op een ongezonde manier gebruiken.”

 

U beschouwt zichzelf als genezen?

Garza: “Ja. Een van de redenen waarom ik afscheid nam van de SLAA, is omdat ik bij het begin van elke meeting moest zeggen: ‘Ik ben seksverslaafd en sta daar machteloos tegenover.’ Ik beschouw mezelf helemaal niet als een willoos slachtoffer van mijn seksverslaving. Ik geloof ook niet dat ik er voor de rest van mijn leven machteloos tegenover sta. Ik heb in het verleden zwaar met mijn seksverslaving geworsteld, maar nu is dat voorbij. Ik ben gezond.”

 

U bent niet bang dat u door uw boek de rest van uw leven het stigma van seksverslaafde zal dragen?

Garza: “Ik zie dat niet als een ‘stigma’. Ik schaam er ook niet meer voor. Niemand kan me ooit meer vernederen dan ik mezelf vernederd heb. Ik ben de schaamte voorbij. Het is toch goed dat ik door met mijn verhaal in de openbaarheid te treden, anderen kan helpen? Ik beschouw dit boek als mijn bijdrage aan een betere wereld. Ik ben heel fier dat ik het aangedurfd heb om een groot probleem aan te kaarten waar iedereen over zwijgt. Seksverslaving is veel meer verspreid dan algemeen wordt aangenomen. De medische wereld draagt een grote verantwoordelijkheid, want veel dokters betwijfelen dat het een geestelijke ziekte is. Seksuele verslaving staat niet meer in de officiële handleiding voor psychische stoornissen. Veel lotgenoten blijven zo in de kou staan.”

 

Erica Garza, Getting Off, Simon & Schuster

 

(c) Jan Stevens