Kolonel Q

“Het gaat niet goed met het Belgische leger”, sms’t kolonel Q eind december. Het klinkt als een noodkreet en een week later zitten we in een donkere hoek van een café, ergens in een anonieme stad. “Onze generaals soigneren zichzelf, maar de kapotte toiletten in de kazernes laten herstellen, is iets te veel gevraagd.”

 

“Geen enkele militair durft zijn mond open te trekken”, zucht Kolonel Q. “Het ongenoegen is nochtans groot, zowel onder de gewone soldaten als aan de top. Toch blijft het oorverdovend stil, want iedereen is bang om zijn job te verliezen. Ik zou veel liever met open vizier praten, maar ik heb een gezin en kan me niet permitteren om ontslagen te worden. Het is niet gezond dat er in een organisatie op geen enkele manier kritiek getolereerd wordt. Alleen wanneer de problemen duidelijk benoemd worden, raken ze opgelost. Ik ben het ermee eens dat militairen moeten zwijgen als ze middenin een operatie zitten. Want dan luistert de vijand ook mee en op dat moment geldt: bevel is bevel. Maar wat ik niet begrijp is dat we doofstom moeten blijven wanneer het over ons gewone dagelijkse beroepsleven gaat. De media krijgen enkel de officiële goednieuwsberichten opgelepeld. Met als gevolg dat de Belgen slecht geïnformeerd zijn over defensie.”

Voor kolonel Q is de toestand in zijn geliefde leger intussen zo hopeloos dat hij het risico neemt van een interview met Humo. Op voorwaarde dat zijn anonimiteit bewaard wordt.

Kolonel Q: “Ik was nog een tiener toen ik halverwege de jaren tachtig in het leger kwam. De dienstplicht bestond nog en we waren met 100.000 militairen. Zo goed als elke stad had zijn kazerne; beroepsmilitairen konden bij wijze van spreken elke dag met de fiets van het werk naar huis. In die tijd leek het leger voor veel burgers nog een aantrekkelijke werkplek: iedereen kende wel een milicien of een beroepsmilitair. Een job bij het leger was voor het leven.”

 

Toen u dienst in het leger nam, deed ik als gewetensbezwaarde mijn burgerdienst. Van vrienden die wel milicien werden, hoorde ik gruwelverhalen. Er was vooral veel drankmisbruik en jonge dienstplichtigen werden soms tiranniek behandeld.

Kolonel Q: “De dienstplicht liep toen op zijn laatste benen. Op 31 december 1992 verscheen de wet waarin de afschaffing werd aangekondigd; de lichting van ‘94 moest niet meer opdraven. U hebt misschien negatieve ervaringen van uw vrienden gehoord, maar u mag niet vergeten dat het leger in die tijd echt wel een grote impact op het land had. Daarna volgden de jaren van herstructureringen: ontzettend veel basissen en kazernes gingen dicht. Zowel de lucht- als de landmacht moesten gebouwen en terreinen prijsgeven. Het aantal pantservoertuigen, vliegtuigen en schepen werd herleid tot een kwart. De aanwerving van nieuwe rekruten liet te wensen over waardoor het legerpersoneel in recordtempo verouderde. We verloren op te veel kritieke plaatsen te veel gekwalificeerde mensen. Technici, infanteristen, matrozen… Ze verdwenen en werden nooit meer vervangen.”

 

Wil dat dan zeggen dat door onderbezetting sommige plekken in het leger gevaarlijk of onveilig zijn?

Kolonel Q: “Gevaarlijk zou ik niet zeggen, want voorlopig trekken we nog ons plan. Al wordt het bij de gevechtseenheden van de landmacht wel kritiek: twee op de vijf posten zijn er niet ingevuld. De volgende jaren vertrekken er in het hele leger zeer veel mensen op pensioen waarvan velen waarschijnlijk niet vervangen zullen worden. De top van defensie weet dat al lang. Een jaar of tien geleden waarschuwde de dienst Human Resources er al voor dat we met het personeelsbestand in de problemen kwamen als er niets werd ondernomen. Op briefings werd erop gehamerd dat we meer moesten rekruteren. Een van de plannen was om een systeem op poten te zetten waarbij oudere militairen binnen het leger omgeschoold werden voor een job als burger. Ze bleven dan wel binnen het leger actief in bijvoorbeeld een administratieve burgerfunctie, waardoor er meer plaats vrijkwam voor jonge rekruten. De toenmalige minister van Defensie André Flahaut (PS) dokterde rond 2004 een plan uit. Zijn opvolger Pieter De Crem (CD&V) schafte dat weer netjes af. Daar betalen we nu de prijs voor. De jaren onder De Crem waren niet de beste voor defensie.”

 

Ik had nochtans de indruk dat Pieter De Crem zich erg in zijn nopjes voelde als minister van Defensie.

Kolonel Q: “Hij kon zichzelf goed verkopen als defensieminister. Bovendien streelde de functie zijn imago. Hij kickte op het militair ceremonieel, het machtsvertoon en de pracht en praal van de NAVO-hoogmissen. Maar er werd bijzonder weinig in personeel en materiaal geïnvesteerd. Amper de helft van onze normale behoefte aan jonge militairen werd onder zijn bewind aangeworven. Zijn investeringspercentage lag mijlenver onder wat een organisatie als defensie nodig heeft om gezond te blijven. Zo waren we op termijn gedoemd om de boeken definitief te moeten dichtdoen. Pieter De Crem heeft niets wezenlijks aan het leger bijgedragen. Acht jaar lang haalde hij zijn kaasschaaf boven om te bezuinigen. Kijk, ik ben niet tegen of voor Flahaut of De Crem, maar in tegenstelling tot wat veel mensen lijken te denken, was André Flahaut een sterke minister van Defensie. Hij verhoogde onze lonen en dacht ook constructief na over onze toekomst. Wat over zijn opvolger niet gezegd kan worden.”

 

Wat vond u van Steven Vandeput (N-VA) als minister van Defensie?

Kolonel Q: “Hij was vooral bezig met het materiële. Dat is goed hé, want na De Crem moést er in wapens en uitrusting geïnvesteerd worden, maar het personeel werd verwaarloosd. Vandeput was de koning van het ‘outsourcen’: privé-bewakingsfirma’s kregen contracten om militaire sites te bewaken. Zijn principe was: militairen moeten hun tijd niet verdoen met wachtlopen, zij moeten beschikbaar zijn om op missie te vertrekken. Dat klinkt zinvol, alleen is het Belgische leger geëvolueerd tot een te klein leger van vooral oudere militairen. Sommigen hebben bijvoorbeeld rugklachten en zijn echt niet fit genoeg meer om op zending gestuurd te worden. Voorlopig worden nog maar een viertal kwartieren door burgers bewaakt, maar snel worden dat er meer. Wat moeten al die oudere militairen die nu nog de wacht lopen dan gaan doen? Tegen betaling een hele dag op een stoel zitten suffen? De logistieke keten wordt op relatief korte termijn ook aan de privé uitbesteed. Dat gaat dan van de ontvangst en inventarisatie van goederen tot en met het transport. En ook de keukens worden geprivatiseerd. Opnieuw zijn de oudere militairen de dupe. U gelooft toch zelf niet dat iemand van vijftig die nu in de potten staat te roeren, volgend jaar enthousiast ergens op missie in de modder zal staan ploeteren?

“Vandeputs toekomstplan voor het leger, zijn zogenaamde ‘Strategische Visie’, was om bij te wenen. Het schrijven alleen al duurde twee jaar langer dan hij eerst zelf vooropgesteld had. Daarna slaagde hij er niet in om het politiek goedgekeurd te krijgen. Hij kreeg van de regering enkel wat materiële toezeggingen en mocht 5.000 jobs schrappen. De rest kreeg nooit de politieke zegen van zijn coalitiegenoten. Over de sluiting van de kazernes en ons pensioen kwam geen akkoord waardoor duizenden militairen en hun families verder in onzekerheid blijven leven. Dat is toch pijnlijk?”

 

Tien jaar geleden kwam in het nieuws dat het leger met een acuut tekort aan kogels kampte. Soldaten op missie in Afghanistan hadden amper munitie en tijdens oefeningen moesten soldaten “Pang! Pang!” roepen.

Kolonel Q: “Dat is voltooid verleden tijd. Vandaag is er materiaal genoeg voorhanden. Omdat er vooral onder Steven Vandeput zoveel personeel afgevloeid is, is er nu zelfs geld te veel om wapentuig te kopen.

“Ik vond het zeer bizar dat een N-VA’er minister van de Belgische Defensie werd. Als goede Vlaams-nationalist zag hij natuurlijk liefst zoveel mogelijk federale banen sneuvelen. In 2016 bepaalde Vandeput dat het maximale aantal militairen het jaar erop moest zakken tot 30.000. Tegen 2030 moet het leger zelfs afgeslankt zijn tot 25.000. Begin oktober 2018 maakte de VRT alarmerende cijfers bekend: het aantal militairen zou onder de voorziene 25.000 militairen gezakt zijn. Generaal-majoor Jean Marie Nulmans van Human Resources was er als de kippen bij om dat cijfer op Radio 1 te ‘nuanceren’. Volgens hem had de VRT enkel de ‘inzetbare militairen’ geteld en lag het totale aantal op meer dan 27.000. In 2016 verlieten 2.500 mensen het leger, terwijl er slechts 900 werden aangeworven. Veertig procent van alle manschappen gaat binnen acht jaar op pensioen. De gemiddelde leeftijd in het leger is 42 jaar, terwijl volgens het strategische plan de gemiddelde leeftijd 34 jaar zou moeten zijn. In onze buurlanden is de gemiddelde leeftijd 32. Omdat er de voorbije jaren amper aanwervingen waren, moeten er vanaf 2021 jaarlijks 2250 militairen gerekruteerd worden. Nulmans gaf toe dat er tekorten dreigen, maar beweerde dat die opgevangen konden worden met reservisten. Kent u veel burgers die reservist willen worden?”

 

Mijn schoonbroer nadert de zestig en is reservist. Tot voor kort trok hij af en toe met andere good ol’ boys naar de Ardennen om er een week oorlog te spelen. Vanwege knieproblemen moet hij nu afhaken.

Kolonel Q: “Uw schoonbroer zit bijna aan het einde van zijn beroepsleven, maar kent u ook jonge mensen die reservist willen worden? Wie een drukke job heeft, kan het zich gewoon niet permitteren om een paar weken per jaar zijn burgerplunje in te ruilen voor een uniform. De medewerkers van Human Resources bellen nu in paniek naar alle gepensioneerde militairen om te vragen of ze alsjeblieft terug willen komen werken. Het leger werft dus nu zijn eigen gepensioneerd personeel aan om de gaten te vullen.

“Sinds de IS-aanslagen worden we op straat ingezet en we waren nooit eerder zo vaak op buitenlandse missie als nu. De voorbije jaren kregen we een permanente taak toegewezen in binnen- en buitenland. De oorlogsgebieden in Syrië, Afghanistan, de Sahel zullen jammer genoeg niet snel verdwijnen. Nu de Amerikaanse president Donald Trump zijn troepen overal begint terug te trekken, zal Europa nóg meer moeten doen. Alleen vrees ik dat België dan noodgedwongen moet afhaken. Er zijn trouwens niet alleen de natuurlijke afvloeiingen; veel militairen verlaten na een paar jaar zélf het leger. Daar zijn ook officieren en onderofficieren tussen 25 en 35 bij; mensen die eigenlijk de ruggengraat van defensie vormen.”

 

Ik ken een twintiger die een paar jaar geleden beroepsmilitair werd. Hij was gestationeerd in Leopoldsburg. Na een paar jaar nam hij er gedegouteerd afscheid. In zijn compagnie werd veel drugs gebruikt; XTC was favoriet. Er werd nooit ingegrepen. Hij knapte daarop af.

Kolonel Q: “Ik dacht eerlijk gezegd dat het drugsprobleem binnen Defensie onder controle was. Want er gelden strenge straffen: wie op drugsgebruik betrapt wordt, vliegt eruit.”

 

En alcohol?

Kolonel Q: “In het begin van mijn carrière werd er stevig gedronken in de kazernes, vaak al tijdens de middagpauze. Op een bepaald moment werden daar strenge maatregelen tegen genomen. De oude generatie die graag tijdens de diensttijd te veel dronk, is inmiddels op pensioen. Het probleem van het drankmisbruik is bijna helemaal opgelost. Vandaag zijn we geëvolueerd naar een normaal bedrijf, waar de mensen écht werken. Natuurlijk zijn er nog een paar die een hele dag proberen niksen, zoals in elke onderneming, alleen zijn dat er steeds minder.”

 

Maar waarom nemen zoveel jonge rekruten na een paar jaar alweer ontgoocheld afscheid van het leger?

Kolonel Q: “Sommigen kiezen voor defensie omwille van het avontuur. Ze willen op missie naar het buitenland, maar eindigen op missie in de treinstations van Brussel. Er worden vandaag nog steeds te veel militairen in de straten ingezet. 500 militairen zijn constant in de weer met het ‘beveiligen’ van België. Dat is een groot probleem. In een stad als Londen, waar ook aanslagen waren, zie je geen militairen op straat. In stations en op luchthavens patrouilleren, is puur een taak voor de politie. Maar ook zij worstelen met een gebrek aan effectief inzetbare manschappen.

“Veel jonge militairen haken ook snel weer af omdat ze gechoqueerd zijn door de abominabele infrastructuur in de kazernes. In 2017 verlieten zo 600 jonge mensen het leger. Douches werken niet, de sportzalen zijn hopeloos verouderd, toiletten zijn voortdurend buiten dienst. En het wordt alleen maar erger. U moet eens op bezoek komen in de gebouwen van het defensiehoofdkwartier in Evere. In sommige departementen werkt de helft van de toiletten niet. Kantoren zijn totaal uitgeleefd en vensters zijn niet geïsoleerd. Dat is dan op het niveau van de staven, bij de hoge officieren. Probeer u maar eens voor te stellen wat dat betekent voor het voetvolk in de kazernes.”

 

U verwijt uw collega’s aan de top een gebrek aan visie?

Kolonel Q: “Ja. Er zijn zeer competente officieren met een goede visie die op een te lage plaats in de hiërarchie zitten. Op de hoge plaatsen zitten dan weer te veel officieren met een zeer beperkte visie. Ons leger wordt kleiner, dus moeten we ook een kleinere, beter georganiseerde generale staf hebben. Dat wil zeggen: minder generaals. Maar niemand durft dat luidop te opperen. Het Belgische leger telt momenteel ongeveer 35 generaals. Ze hebben pas nieuwe auto’s voor hen aangekocht: grote, dure luxehybrides van Volkswagen. Ik kan u een foto op mijn telefoon van zo’n auto op de parking van Evere laten zien. (toont foto van een flink uit de kluiten gewassen blinkende zwarte bolide aan een laadpaal – JS) Elke generaal heeft twee chauffeurs, want hij moet 24/7 rond gevoerd kunnen worden. ’s Morgens wordt de generaal aan zijn voordeur opgehaald. Dat kost jaarlijks meer dan 100.000 euro per generaal.”

 

Die chauffeurs zijn militairen?

Kolonel Q: “Ze hebben de graad van korporaal. Al die voltijdse chauffeurs kunnen niet voor nuttiger taken worden ingezet. De generaals zorgen heel goed voor zichzelf. De officiersmess is in alle kazernes afgeschaft; officieren en onderofficieren eten samen met de soldaten. Behalve onze generaals. Zij hebben nog steeds hun exclusieve speciale mess in Brussel waar geen andere militairen welkom zijn. Ze soigneren zichzelf, maar de kapotte toiletten in de kazernes laten herstellen, is iets te veel gevraagd. Ik vind dat om te huilen. We hebben overal soldaten te kort, maar zij zien er geen graten in om een heel eskadron dag en nacht als chauffeur voor hen te laten opdraven. ’s Avonds vind je de generaals vooral op feesten in de kazernes.”

 

Wordt er in het leger dan zo veel onder officieren gefeest?

Kolonel Q: “De generaals krijgen veel uitnodigingen. Minder dan vroeger, maar toch nog genoeg. Ze schuimen de traditionele recepties bij militaire plechtigheden en aanstellingen af, of de cocktails die in Brussel georganiseerd worden door de ambassades. Al is dat gefeest niet ons grootste probleem. Dat is de opperste leiding.”

 

De chef defensie Marc Compernol?

Kolonel Q: “Ja. Hij is de baas, the chief of defence, alleen merkt niemand daar voorlopig iets van.”

 

Hij is een viersterrengeneraal zonder macht?

Kolonel Q: “Ik vrees het. Defensie is pas nog maar eens gereorganiseerd waardoor de componenten land-, lucht- en zeemacht meer in de pap te brokkelen hebben dan tevoren. Vroeger stonden die drie componenten onder de operationele leiding van het Stafdepartement Operaties en Training (ACOS Ops & Training). Dat is nu opzijgeschoven en de componenten beschikken weer over alle macht in hun eigen afdeling. Marc Compernol zou hen in het gareel moeten houden; de toekomst zal uitwijzen of hij daar sterk genoeg voor is. Hij heeft alleszins weinig of geen invloed op de politieke besluitvorming. Zonder morren aanvaardde hij het schrappen van die 5.000 jobs.

“Het leger is kleiner geworden, wat wil zeggen dat ook de defensiestaf zou moeten inkrimpen. Maar dat gebeurt niet. Integendeel, er is nóg een nieuwe functie gecreëerd: die van adjunct van de chief of defence, ingenomen door admiraal Michel Hofman. Het aantal generaals blijft even groot, net als het aantal directies. Alleen spelen zij baas over steeds minder mensen.”

 

De land-, lucht- en zeemacht zijn drie aparte koninkrijkjes?

Kolonel Q: “Ze varen hun eigen koers. De officieren aan de top willen dat liefst zo houden. Daarnaast zijn er nog de directies Human Resources en Material Resources. Die hebben buitensporig veel macht en zijn niet te beroerd om die ook te misbruiken als het hen uitkomt.”

 

Hoe bedoelt u?

Kolonel Q: “Officieren die het tóch aandurven om intern hun mond open te trekken, worden verplaatst en naar minder interessante posities ‘verbannen’. Dat gebeurt meer dan u denkt. Hopelijk staat mij dat nu ook niet te wachten. (lacht) De legertop houdt niet van mensen die zelf nadenken of andere meningen hebben. Dat wil ze niet. Iedereen moet op hetzelfde door hen gebaande paadje blijven. Het resultaat van zoveel slaafse volgzaamheid is dat we nu met een acuut gebrek aan manschappen zitten, waardoor binnenkort onze kernopdrachten in gevaar komen. Binnen afzienbare tijd zijn we gewoon met te weinig om onze taak binnen de NAVO te vervullen, het grondgebied te verdedigen of de bevolking te helpen in geval van nood. De aanslagen van Zaventem en Maalbeek waren rampzalig, maar eigenlijk nog op kleine schaal. Als we ooit écht grote aanslagen te verwerken krijgen, kan het leger dat niet aan. Wie zal de bevolking dan komen helpen?

“Naast de lucht-, land- en zeemacht is er nog de medische component. Daar is de toestand rampzalig. Voor alle buitenlandse missies zijn er amper tien dokters, belachelijk weinig. Collega’s vertellen me dat de landen waar we op missie zijn, ons soms smeken om meer militairen. Wij moeten hen in de kou laten staan omdat er niet genoeg operationele militaire dokters beschikbaar zijn. Zonder fatsoenlijke medische bijstand is het onmogelijk om militairen te ontplooien. ‘Sorry, we kunnen jullie niet helpen want er is geen dokter in de zaal.’ Dat is toch een schande? Bij de zeemacht hebben we dan weer te weinig manschappen om alle schepen te bevolken.”

 

Het zijn varende spookschepen?

Kolonel Q: “Nog net niet. (lacht) Wat voor zin heeft het om handenvol geld in materiaal te investeren als er geen personeel is om het te bedienen of onderhouden? De logica is zoek. In kazernes hoor ik van collega’s en medewerkers altijd dezelfde klachten: het gebrek aan personeel, de belabberde infrastructuur én al die kwartieren die gesloten worden. Daar moeten we echt mee stoppen, want het wordt quasi onmogelijk om goede krachten uit de lokale bevolking aan te trekken. Voor basisjobs zoals soldaten hebben we locals nodig. Je kan niet iemand uit Aarlen rekruteren voor een job in Leopoldsburg. Human Resources probeert dat wel, maar zo goed als niemand is geïnteresseerd.

“Nieuwe soldaten krijgen een contract van beperkte duur. Ze mogen maximaal twaalf jaar bij het leger blijven, waarna ze omgeschoold worden voor een job in de burgermaatschappij. Is dat écht wat mensen willen? Een korte militaire loopbaan, waarna ze hun plan moeten trekken? Ik denk het niet, en de feiten geven me gelijk: zo goed als niemand wil nog in het leger.”

 

Wat moet er dan wel gebeuren?

Kolonel Q: “Er moet gesnoeid worden in de top, het departement Human Resources en het personeelsbeleid moeten compleet worden herzien. Nu worden de officieren jaarlijks benoemd door een ‘onafhankelijk’ comité, maar die benoemingen houden geen rekening met de plaatsen die werkelijk beschikbaar zijn. Het gevolg is dat je tot kolonel benoemd kunt worden, om achteraf op een vacante plaats voor majoor aangesteld te worden. Echt efficiënt is dat niet.”

 

Dat comité bestaat uit hoge officieren?

Kolonel Q: “Dat benoemingscomité is een verhaal apart. De benoemingsdossiers worden per categorie voorbereid door één man, de wapeninspecteur. De krijgsmachtonderdelen hebben elk hun wapeninspecteur, ook een kolonel trouwens.”

 

Zo’n wapeninspecteur heeft heel veel macht?

Kolonel Q: “Ja. Hij bekijkt alle dossiers van de officieren die voor bevordering in aanmerking komen, verzamelt de punten en overlegt dan met de generaals over hun voorkeuren. Dat laatste mag uiteraard niet volgens de wet, toch gebeurt het. In het verleden heeft de Raad van State de legerleiding meermaals op de vingers getikt omdat ze een compleet onwettige evaluatie ‘onder vrienden’ hield. Vroeger was daar een schriftelijke neerslag van; na de tussenkomsten van de Raad van State overleggen ze nu mondeling zodat er geen sporen meer zijn. Ik weet uit heel goede bron dat het zo verloopt; die bron heeft daar zelfs staalhard bewijs van.

“De wapeninspecteurs kiezen dus in geheim overleg met de generaals wie er op de lijst voor benoemingen belandt en hoeveel punten hij of zij zal krijgen. De inspecteurs bepalen het belang van de operaties waaraan kandidaten hebben deelgenomen en beoordelen hun leiderschapscapaciteiten. Ze moeten iets schrijven, hé. (lachje) Dat zou allemaal objectief moeten gebeuren, terwijl het gewoon gemanipuleerd wordt. De leden van het benoemingscomité hebben geen toegang tot de lijsten van de wapeninspecteurs. Zij bereiden hun eigen pro forma-lijst voor. Op de dag waarop het comité zetelt, worden de lijsten van de inspecteurs voorgesteld aan de minister. Dat duurt amper een paar minuten. De leden vergelijken dan in een rotvaart hun kandidatenlijst met die van de inspecteur. Intussen kijken de generaals en de minister hen op de vingers. Nooit durft iemand opmerkingen te maken. ‘Gaat iedereen akkoord met de lijst van de inspecteur? Ja? Tsjakka.’”

 

Dat wil dus zeggen dat veel hoge officieren de capaciteiten niet hebben voor hun job?

Kolonel Q: “Ja. Sommigen zijn wel bekwaam, maar durven geen risico’s nemen omdat ze toch zo graag generaal willen worden. Veel competente officieren raken nooit hogerop omdat ze geen jaknikkers zijn. Nogal wat officieren weten trouwens niet dat het benoemingssysteem zo werkt. Zij leven in de illusie dat het eerlijk verloopt.”

 

Hebt u ook van dat systeem van handjeklap geprofiteerd om hogerop te raken?

Kolonel Q: “Misschien. (stilte) Kijk, sommigen zullen na dit interview beweren dat ik een gefrustreerde officier ben. Ze vergissen zich, want als full-kolonel zit ik op de plaats waar ik altijd van gedroomd heb. Ik praat nu enkel met u omdat ik me zorgen maak over de toekomst van ons leger. Grote zorgen.”

 

 

Reactie van het leger: “De chef defensie behoudt het overzicht”

 

“De informatie die Humo nu verspreidt, is niet representatief voor het Belgische leger”, reageert Laetitia Gérard, woordvoerster van defensie. “De budgettaire beperkingen uit het verleden verplichtten ons tot het maken van keuzes. We wilden zoveel mogelijk voorrang geven aan onze kernopdracht: de operaties. Dat ging inderdaad ten koste van onderhoud en vernieuwing van de infrastructuur. Maar vandaag worden er acties ondernomen om die achterstand op te vangen en de infrastructuur ingrijpend te verbeteren. De verouderde infrastructuur is trouwens geen fundamenteel doorslaggevende reden waarom mensen beslissen om het leger te verlaten.

“Ons personeelsbestand krimpt, maar we zijn nog steeds met meer dan 25.000 werknemers, burgers en militairen, die werken in een speciale omgeving. Zo’n organisatie heeft dan ook behoefte aan specifieke sturing en leiding. De reorganisatie maakt het mogelijk dat de leidinggevende generaals het leger efficiënt en doelmatig kunnen laten functioneren. Die vernieuwingen zorgen er ook voor dat de chef defensie het overzicht behoudt en leiding geeft volgens de principes van goed bestuur.”

Op de stelling van kolonel Q dat bevorderingen en benoemingen van officieren gemanipuleerd worden, gaat Laetitia Gérard niet in.

 

 

© Jan Stevens

Advertenties

“Natuurlijk heeft Trump een supergroot ego. Daarom is hij ook president geworden”

Van 21 juli tot 31 juli 2017 was Anthony Scaramucci de communicatiedirecteur van president Donald Trump. Nadat hij in een interview Trumps toenmalige topmedewerkers Steve Bannon en Reince Priebus respectievelijk een ‘zelfpijper’ en een ‘paranoïde schizofreen’ noemde, werd hij ontslagen. Vandaag neemt ‘The Mooch’ daar geen woord van terug. Integendeel: “Bannon is een klootzak en Priebus een rat.”

 

Na amper elf dagen als communicatiedirecteur van president Donald Trump werd Anthony Scaramucci op de ochtend van maandag 1 augustus 2017 ontslagen. Aanleiding was een interview dat hij de woensdag daarvoor gaf aan een journalist van The New Yorker. Daarin noemde hij Trumps toenmalige stafchef Reince Priebus een “fucking paranoïde schizofreen.” Over Trumps belangrijkste adviseur zei hij: “Ik ben Steve Bannon niet, ik probeer mezelf niet te pijpen.” En over zijn medewerkers op de communicatiedienst: “Al degenen die informatie lekken, wil ik vermoorden.”

In zijn boek Trump, The Blue-Collar President, blikt Anthony ‘The Mooch’ Scaramucci terug op zijn blitzcarrière in het Witte Huis en zoekt hij verklaringen voor de verkiezing tot president van Donald Trump, de man die hij ook na zijn ontslag zijn beste vriend blijft noemen.

Anthony Scaramucci: “Ik sprak hem gisterenavond nog. Donald Trump is helemaal geen bully. De media stellen hem graag zo voor, maar dat klopt niet. Hij vindt het echt niet leuk om mensen aan de deur te zetten. Hij zoekt zelfs manieren om ontslagen medewerkers dicht bij hem te houden. Ikzelf ben daar een voorbeeld van, net als zijn voormalige campagnemanagers Corey Lewandowski en David Bossie, toevallig ook twee vrienden van mij. Ik heb dus een uitstekende verstandhouding met de president, alleen kon ik na dat zogenaamde ‘interview’ met The New Yorker onmogelijk communicatiedirecteur blijven. Zeker niet nadat hij Priebus ontslagen had en John Kelly tot stafchef benoemde. Als hij zijn voormalige economische adviseur Gary Cohn of zijn voormalige veiligheidsadviseur Dina Powell op die stoel had gezet, sprak je misschien nu nog steeds met Anthony Scaramucci, communicatiedirecteur van het Witte Huis. Want Cohn en Powell waren me goedgezind, maar Kelly had een bloedhekel aan me. Hij is een gepensioneerde generaal en gedraagt zich ook zo. Kelly houdt niet van Trump en daarom hield hij niet van mij.”

 

Ondertussen is ook John Kelly stafchef af.

Scaramucci: “Terecht. Als stafchef was hij uiterst ineffeciënt. In Europa bestaat misschien de indruk dat hij erin slaagde om de chaos in het Witte Huis te structuren, terwijl net het tegendeel waar was. Tijdens de midterm-verkiezingen heeft John Kelly geen poot uitgestoken. Als de president meer hulp gekregen had van zijn stafchef, had de Republikeinse Partij misschien nog de meerderheid in het Huis van Afgevaardigden. De Democraten doen nu alsof ze daar een monsteroverwinning behaald hebben, maar dat is je reinste onzin. Er is helemaal geen sprake van die zogenaamde ‘blue wave’. De Amerikaanse bevolking houdt van Trump. Onder sociale druk hoor je velen zeggen dat ze hem verafschuwen, terwijl ze in werkelijkheid juist dolblij zijn met hem.”

 

Niet lang na de presidentsverkiezingen van 2016 was ik in Washington DC. “Sorry voor Trump”, was het eerste wat de taxichauffeur in de luchthaven zei. Hij meende het.

Scaramucci: “Maar natuurlijk, die taxichauffeur leeft in Washington en daar haten ze allemaal Donald Trump. Dat is ook vanzelfsprekend; Trump komt er dat vreselijke moeras droogleggen. Hij verstoort het feestje van al die figuren die er jarenlang ongestoord hun eigen belangen dienden. Zowel de politici als de hoge ambtenaren zijn niet geïnteresseerd in de gewone mensen. Precies daarom stemde een meerderheid voor Donald Trump.”

 

Terwijl diezelfde Donald Trump al sinds zijn geboorte deel uitmaakt van het door het volk verfoeide establishment.

Scaramucci: “Maar net daarom ook heeft hij de verkiezingen gewonnen. Tot de komst van Trump faalde het populisme in de VS telkens weer. Te weinig rijken uit het establishment waren vroeger bereid om populistische kandidaten te steunen. De schatrijke geestesgenoot Donald Trump zagen ze wel zitten: in zijn campagne investeerden ze graag miljoenen dollars. In mijn boek beschrijf ik hoe hij in 2016 de hele basis van de Democratische Partij kaapte en naar de Republikeinen verscheepte. In Trump, The Blue-Collar President spaar ik niemand, inbegrepen mezelf.”

 

Ik vind dat u Donald Trump spaart.

Scaramucci: “Spaar ik hem? Mja, op sommige momenten misschien wel, maar toch niet altijd. Zo schrijf ik dat de manier waarop hij eerder als een manager dan als een politicus regeert, flink wat verwarring creëert. Het grootste probleem in dit land is dat onze politici altijd enkel aan zichzelf gedacht hebben, waardoor we nu op een puinhoop leven. Onze infrastructuur is versleten. De wegen in de VS zijn abominabel en de telefoon- en gsm-verbindingen lijken op die uit een derde wereldland. Onze politici zijn echt door en door slecht. President Trump legt zonder medelijden bloot wat voor een afschuwelijke individuën ze zijn.”

 

Waarom gaf u dat interview dat tot uw val leidde?

Scaramucci: “Ik dacht dat ik informeel, off the record, met een journalist aan het praten was. Ik had dat op voorhand niet uitdrukkelijk gezegd en dat kwam als een boemerang in mijn gezicht terug. Die woensdagavond had ik een paar personaliteiten van Fox News uitgenodigd voor een diner in het Witte Huis. De toenmalige stafchef Reince Priebus was daar niet van op de hoogte, maar zag me wel toen ik met die mensen op weg was naar de president. Een paar minuten later tweette Ryan Lizza van The New Yorker: ‘Scoop: Trump is dining tonight w/Sean Hannity, Bill Shine (former Fox News executive), & Anthony Scaramucci.’ Ik wist meteen wie er gelekt had. Na het diner belde ik Lizza. Ik heb me toen nogal kleurrijk over een paar individuen uitgedrukt. (lacht)”

 

De ene een ‘zelfpijper’ noemen en de andere een ‘paranoïde schizofreen’; erg diplomatisch was dat niet voor een communicatiedirecteur van het Witte Huis.

Scaramucci: “Ik ben dan ook geen diplomaat. Als je eens goed wil lachen, moet je naar Mooch kijken, een documentaire die Andrew J. Muscato onlangs over mij maakte. Op een bepaald moment zegt een of andere Britse kerel dat het onmogelijk is dat zo’n rijke, succesvolle ondernemer en investeerder zoals die Scaramucci geboren en getogen is in een arbeidersmilieu. ‘Een arbeidersjongen die in Harvard afstudeert? No way.’ In Mooch zie je het bescheiden huis in de arbeiderswijk in Long Island, New York, waar ik opgroeide. Natuurlijk snapt die Brit dat niet, want in zijn land raakt geen enkele jongen uit de arbeidersklasse op Eton of Oxford. Europeanen leven al duizenden jaren in aristocratieën waarin het quasi onmogelijk is om van de ene sociale klasse naar de andere over te stappen. In de VS is er geen aristocratie, daarom kon ik mijn arbeidersverleden van me af schudden. Ik vocht mezelf een weg naar de top. Eerst bij Goldman Sachs, later bouwde ik mijn eigen onderneming en zorgde ik ervoor dat ik financieel onafhankelijk werd. Ik maakte mijn familie welvarend en elke welmenende Amerikaan vindt dat fantastisch. Al hoor ik nu ook afgunstige mensen zeggen dat na mijn passage op het Witte Huis mijn 15 minutes of fame opgebruikt zijn. Ik verzeker je: mijn 15 minutes of fame zijn nog niet eens begonnen. (lacht)”

 

Hoe groot was de schok toen u ontslagen werd?

Scaramucci: “Dat was niet leuk. Ik had een fout gemaakt door een journalist te vertrouwen die ik niet had mogen vertrouwen. Dat is mijn eigen verantwoordelijkheid. I’m a big boy. Ik heb in mijn eigen succesvolle bedrijven zelf mensen ontslagen. Bij Goldman Sachs werd ik jaren geleden ook de laan uigestuurd. Mijn vel is ondertussen dik genoeg. Maar ik geef toe dat het een teleurstelling was. Als je in Washington in de politiek bedrijvig bent, weet je dat alles kan gebeuren. Mijn bestaan daverde dus niet op zijn grondvesten. De president had me eigenlijk aangenomen om grote schoonmaak te houden en medewerkers van de communicatiedienst te ontslaan. Ik was me er zeer goed van bewust dat er waarschijnlijk snel wraak genomen zou worden.”

 

In dat interview zei u dat u iedereen uit uw dienst op straat ging zetten. Dat was dus niet gelogen?

Scaramucci: “Het zouden er toch flink wat geweest zijn. In die korte tijd in het Witte Huis maakte ik veel fouten. De grootste was dat ik mijn job als communicatiedirecteur aanpakte als zakenman en niet als politicus. Ik zag veel medewerkers lekken naar de media. Ik riep hen bij me en zei: ‘Vanaf nu tolereer ik geen enkel lek meer.’ Er werd op mijn dienst een bittere strijd uitgevochten tussen degenen die loyaal waren aan de Republikeinse Partij en degenen die loyaal waren aan Trump. Ik zei: ‘Jongens, het is hoog tijd dat we aan hetzelfde zeel trekken. Zolang dat niet gebeurt en er gelekt wordt, ontsla ik mensen. Van zodra het lekken stopt, stop ook ik met ontslagbrieven te schrijven.’ Bij een fusie tussen ondernemingen helpt een ontslagronde altijd om de neuzen in dezelfde richting te krijgen. In het communicatieteam van het Witte Huis stonden ze ook met getrokken messen tegenover elkaar. Als ik meer tijd had gekregen, had ik ze ook op één lijn gekregen. Als ik nu nog directeur was geweest, had dat incident met CNN-correspondent Jim Acosta bijvoorbeeld, nooit zo’n proporties gekregen.”

 

Beschouwt u journalisten ook als ‘vijanden van het volk’?

Scaramucci: “Nee, ik vind dat president Trump zich daarin vergist. Ik was vast van plan om als communicatiedirecteur de plooien tussen het Witte Huis en de pers zo snel mogelijk glad te strijken. Ik wou dat conflict weg.”

 

U had de president daarover aangesproken?

Scaramucci: “Ja. Tot vandaag blijf ik hem zeggen dat zijn strategie tegen de pers een vergissing is. Je mag en kan de pers niet uitroepen tot ‘vijand van het volk’. Het gevolg van die strategie is dat het vitriool rijkelijk blijft vloeien tussen het Witte Huis en de journalisten.”

 

Was u als tiener een straatvechtertje?

Scaramucci: “Ik was een echte ‘Guido’, een working class Italian American uit de stad. Ik ben geboren in 1964 en leerde als scholier het klappen van de zweep op Main Street. Ik liep er in de zomer rond in mijn blote bast, een ketting rond de nek, mijn haar achterover geföhnd, met een ghettoblaster op mijn schouder. Heel de buurt kon meegenieten van Led Zeppelin, Foreigner en Billy Joel. (lacht) In wezen ben ik nog steeds zoals die jongen van toen: een man zonder angst. Net dat verontrust die kerels uit Washington. Achteraf beschouwd, verbaast het me helemaal niet dat ik door het gestook van een paar figuren na elf dagen als communicatiedirecteur ontslagen werd.”

 

Met die ‘figuren’ bedoelt u Steve Bannon en Reince Priebus?

Scaramucci: “Ja. Als dank voor bewezen diensten tijdens de verkiezingscampagne wou president Trump me in januari 2017 al benoemen tot hoofd van het Office of Public Liaison (OPL), de dienst die voor het Witte Huis de contacten met de buitenwereld verzorgt. Dat is best een prestigieuze job en ik was daar toen zeer blij mee. Alleen is het nooit zo ver gekomen: Priebus en Bannon staken daar een stokje voor. Om mijn handen vrij te hebben, wou ik mijn bedrijf SkyBridge aan een Chinese holding verkopen. Out of the blue verschenen er plots in grote kranten negatieve artikels over de deal die ik gesloten had. Ik had niets verkeerd gedaan, maar plots leek het alsof ik aan het meeheulen was met een buitenlandse vijand. Later kwam ik erachter dat Priebus en Bannon journalisten voorzien hadden van leugens om mijn Witte Huis-carrière in de kiem te smoren.”

 

Wat voor iemand is Steve Bannon?

Scaramucci: “Een rare man vol paradoxen. Hij doet zich voortdurend voor als iemand die hij niet is. Als er nu één relict van het establishment is, is hij het wel. Ook hij zat op Harvard en ook hij werkte bij Goldman Sachs. Daarna ging hij zich bezighouden met de productie van Hollywood-films. Vandaag doet hij alsof hij een witte nationalist is. Hij is vreselijk oneerlijk en niet te vertrouwen. Een lowlife. Hij gebruikt je. Tijdens de campagne had hij mijn hulp nodig. Toen was hij ontzettend charmant en vriendelijk. Dat veranderde radicaal op het moment dat duidelijk werd dat de president me wou voor het OPL. Toen werd Bannon zeer agressief. Het verbaast me trouwens niet dat fascisten en neonazi’s zo verzot op hem zijn. Hij is walgelijk. Gelukkig heeft God hem zo lelijk gemaakt dat niet al te veel mensen hem ernstig nemen.”

 

Donald Trump nam hem wel ernstig.

Scaramucci: “Dat hebben we te danken aan Robert Mercer en zijn dochter Rebekah. In augustus 2016 had Trump dringend miljoenen dollars nodig voor zijn campagne. De Mercers kwamen met geld over de brug én koppelden daar Steve Bannon aan. Robert Mercer was een gulle sponsor van Breitbart News waar Bannon de plak zwaaide. De president had niet veel keus. Bannon was zowat de belangrijkste bron voor Fire and Fury van Michael Wolff. Ik noem dat boek ‘Liar and Furious’, want Wolff is een leugenaar en Bannon is altijd woest. Na de publicatie van dat boek in januari 2018 zei president Trump exact hetzelfde als wat ik in juli 2017 al over Steve Bannon in The New Yorker had gezegd. Alleen iets minder ruw. Volgens de president had Bannon zijn verstand verloren en was zijn verdienste in de verkiezingsoverwinning van 2016 minimaal.

Onderschat ook niet de perfide rol van Reince Priebus. Hij is een echte rat; hij ziet er ook zo uit. Hij is het klassieke voorbeeld van een politieke slijmbal die je naar de mond praat, maar in werkelijkheid een sociopaat is. Hij is erger dan Steve Bannon. In tegenstelling tot Priebus doet Bannon geen moeite om te verbergen dat hij een klootzak is. Dat is tenminste eerlijk.”

 

Begin jaren negentig was u een van de golden boys bij Goldman Sachs. U verdiende er geld als slijk?

Scaramucci: “Ik boerde goed. De jongens die zoals ik in de financiële sector actief waren, gedroegen zich toen vrij agressief. Veel van de woede in de VS stamt uit die tijd. De verantwoordelijkheid voor de Amerikanen die zich in de steek gelaten voelen, ligt gedeeltelijk bij stinkend rijke bankiers die wankele hypotheken opkochten en verpakten tot giftige, zogenaamde collateralized debt obligations (CDO) waar niemand kop noch staart aan kreeg. Toen de huizenmarkt instortte, werden die CDO’s waardeloos. De bankiers klopten bij de overheid aan en hun banken werden overeind gehouden met belastinggeld.

25 jaar geleden was ik bij Goldman Sachs zowat de enige jongen uit een arbeidersgezin. Ik was indertijd ook zowat de enige uit mijn buurt die naar Harvard ging om er rechten te studeren. Mijn ouders wisten niet eens wat Harvard was; mijn moeder zei tegen haar vrienden: ‘Onze Anthony gaat naar Hartford.’ (lacht) Ik wou per se naar Harvard omdat dat goed stond op mijn cv. Al van heel vroeg wou ik een succesrijk ondernemer worden en Harvard kon daarbij helpen.”

 

Wanneer ontmoette u voor het eerst die andere grote ondernemer, Donald Trump?

Scaramucci: “In 1995, ik was toen 31. Die ontmoeting staat in mijn geheugen gegrift, maar ik denk niet dat Trump zich daar nog iets van herinnert. Ik zag hem in zijn kantoor op de 26e verdieping van de Trump Tower in New York. Ik had nog nooit een celebrity ontmoet en hij was op dat moment al wereldberoemd in Amerika. Ik was net op mezelf begonnen. Mijn oude baas bij Goldman Sachs had me mee gevraagd op visite bij Trump. Ik had zijn seller The Art of the Deal gelezen en ik was daar aardig van onder de indruk. Ik verheugde me erop dat ik later bij anderen kon gaan opscheppen dat ik samen met The Donald in een kamer gezeten had. (lacht)”

 

In de biografie Nooit genoeg beschrijft auteur Michael D’Antonio Donald Trump als autoritair, narcistisch en grofgebekt. D’Antonio sprak urenlang met The Donald, maar moest opkrassen toen Trump hoorde dat hij ook met critici sprak.

Scaramucci: “De president is een complexe persoonlijkheid. Biografen zoals D’Antonio spreken over hem zonder kennis van de context, of zonder nuance. Dat is erg unfair. En natuurlijk heeft hij een supergroot ego; daarom is hij ook president geworden.”

 

U vindt Trump niet autoritair?

Scaramucci: “Nee, zo komt hij helemaal niet over. Akkoord, soms gebruikt hij ruwe taal en soms windt hij zich nodeloos op. Als mensen hem te hard aanvallen, kan hij de neiging niet onderdrukken om in de tegenaanval te gaan. Maar autoritair? Biografen zoals D’Antonio pompen een paar eigenschappen van Trump extreem hard op om meer boeken te kunnen verkopen.”

 

President Trump lijkt toch een grote voorliefde te hebben voor autoritaire leiders? Hij is ondertussen een vriend van de Noord-Koreaanse dictator Kim Jong-un en is ook een bewonderaar van Ruslands sterke man Vladimir Poetin.

Scaramucci: “Als je Trump haat, begin je bijna automatisch te verkondigen dat hij een liefhebber is van autoritair leiderschap en dat hij verliefd is op dictators. Sommigen verkondigen zelfs dat hij zelf óók een dictator is. Als je hem persoonlijk kent, weet je wel beter. Hij probeert écht een deal te sluiten met de Noord-Koreanen. Hij ziet dat als een probleem dat quasi onbeheersbaar geworden is doordat zijn voorgangers dat 65 jaar lang hebben laten etteren. Trumps visie op de wereld verschilt dag en nacht van die van Poetin. Hij beschouwt de Russische kernmacht als een rechtstreekse bedreiging voor de VS. Maar wat jij als ‘bewondering’ interpreteert, is niet meer of minder dan een poging om de spanningen tussen twee wereldleiders te verminderen. Hij wil ook aftasten of hij samen met Poetin iets kan ondernemen tegen het terrorisme in het Midden-Oosten. Donald Trump is een groot voorstander van de Amerikaanse democratie en begrijpt heel goed hoe dat democratische proces werkt.”

 

De manier waarop hij bijvoorbeeld op Twitter de media, andere politici en zelfs rechters aanpakt, is toch niet echt ‘presidentieel’ te noemen? Dat lijkt eerder de taal van een bullebak die geen tegenspraak duldt.

Scaramucci: “Daar bewijst hij zichzelf inderdaad geen dienst mee. Met zijn vilaine tweets en forse uitspraken ondermijnt hij zijn eigen populariteit. Een meerderheid van de Amerikanen is het eens met zijn beleid, maar velen houden niet van zijn stijl. Die verschilt radicaal van de 44 voorgaande presidenten. Dat is een bewuste keuze. Hij is ervan overtuigd dat hij nooit president geworden was als hij zich tijdens de campagne presidentieel had gedragen.”

 

Vergroot hij met zijn gescheld niet vooral de al gigantische tegenstellingen in Amerika?

Scaramucci: “Ik vind het nog te vroeg om daar uitspraken over te doen. Vóór Harvard studeerde ik economie en toen heb ik geleerd dat een nieuw beleid pas na twee jaar vruchten begint af te werpen. Als zou blijken dat we door Trumps beleid en stijl op een fiasco afstevenen, zal ik niet aarzelen om bij hem op een bijsturing aan te dringen. Natuurlijk cirkelen er ja-knikkers rond de president, maar ik geloof niet in de heilzame werking van vleierij. Al dat gevlei dient maar één doel: de belangen van de pluimstrijker. Ik ben loyaal aan Donald Trump en dat impliceert dat ik ook eerlijk tegen hem ben. We worden met z’n allen alleen maar beter van de waarheid. Ik ben het levende bewijs van mijn eigen stelling: iets meer dan een jaar geleden werd ik door hem ontslagen, en we zijn vandaag nog steeds on speaking terms. Hij vertrouwt je meer wanneer je hem zegt waar het op staat dan wanneer je hem een bullshitverhaal voorschotelt.”

 

Heeft Donald Trump dan niet zelf een bijzonder lastige verhouding met de waarheid? Deelt u bijvoorbeeld zijn ‘overtuiging’ dat de klimaatverandering een natuurlijk fenomeen is dat vanzelf gekomen is en vanzelf zal verdwijnen?

Scaramucci: “Ik ben geen wetenschapper, maar vermoedelijk is 70 procent van de huidige klimaatverandering een gevolg van menselijke activiteit. We moeten dus inderdaad onze CO2-uitstoot drastisch naar beneden krijgen. Ik geloof dus wél in de klimaatverandering. Maar ik vind ook dat andere mensen het recht hebben om eraan te twijfelen, op voorwaarde dat ook zij bereid zijn om iets aan de vervuiling te doen. Want in een stad als Bejing stikken de kinderen in de uitlaatgassen.”

 

Op 1 juni 2017 trok president Trump de VS terug uit het klimaatakkoord van Parijs. Iets meer dan een maand later begon u voor hem te werken. U vond die terugtrekking geen vergissing, ook al maakt u zich zorgen over de klimaatverandering?

Scaramucci: “Die terugtrekking kwam er op aangeven van Steve Bannon. Maar hoe ‘hard’ is dat klimaatakkoord eigenlijk? Ik heb het gevoel dat het eerder ceremonieel is en dat er niet veel consequenties aan vasthangen. ‘We tekenen vlug dat akkoord, en dan vindt iedereen ons een groot voorvechter van een beter milieu.’ Zelfs diehard-ecologisten hebben grote twijfels over Parijs. Als er een eerlijke deal met ballen aan het lijf op tafel gelegen had, had Donald Trump die met open geest bekeken. Hij vond het verdrag oneerlijk voor de VS en trok zich daarom terug.”

 

In uw boek schrijft u over uw broer David die problemen had met alcohol en coke. Donald Trumps broer Fred was ook alcoholverslaafd en dronk zich dood. Sprak u met de president over jullie broers?

Scaramucci: “Natuurlijk. De president vertelde me dat hij van zijn oudere broer hield en naar hem op keek. Hij heeft een heilige schrik voor drugs en alcohol omdat hij veel kennissen die veel slimmer waren dan hem, tenonder heeft zien gaan aan die roesmiddelen. Mijn broer is niet de enige uit mijn familie met een alcoholverslaving. Verslaving zit in onze genen, maar David zag gelukkig op tijd in dat hij er iets aan moest doen. Ik ben het niet eens met mensen die beweren dat verslaving een eigen keuze is. Het is een ziekte en het gevecht ertegen is moeilijk en hard.”

 

Vlak na uw blitzpassage in het Witte Huis en zeker na dat interview in de New Yorker, zoemde het van de geruchten dat u zelf elf dagen high on coke was.

Scaramucci: “(stilte) Dat is belachelijk. Ik heb nog nooit drugs gebruikt. Van zodra je in Washington werkt, verklaren je vijanden je vogelvrij. Die beschuldiging dat ik aan de coke zou zitten, is fake news. Ik ben niet op mijn mond gevallen en bruis van de energie. Misschien denken ze daarom dat ik af en toe een lijn snuif.”

 

In Harvard speelde u basket met Barack Obama.

Scaramucci: “Ik ken hem goed. In 2009 was ik fondsenwerver voor zijn verkiezingscampagne.”

 

En nu zit u in het kamp van Trump, de compleet tegengestelde president.

Scaramucci: “Dat is zo. Ik werkte voor allebei en dat zegt misschien iets over wat voor een kerel ik ben.”

 

Dat u een opportunist bent?

Scaramucci: “That’s fine. Weet je wanneer een mens het gelukkigste is? Als hij die leeftijd bereikt heeft waarop hij zich niets meer aantrekt van wat anderen over hem vinden. Noem me gerust een opportunist, I couldn’t care less. Een paar oude vrienden van Harvard vroegen me om een handje bij Obama’s verkiezingscampagne toe te steken. Hij kwam toen bij me over als een politicus uit het centrum. Ik ben economisch rechts en sociaal zeer links. Ik heb daar ook nooit een geheim van gemaakt en voelde dus inderdaad sympathie voor presidentskandidaat Barack Obama. Wist je dat ik een voorvechter van homorechten ben?”

 

Bent u een feminist?

Scaramucci: “Ja. Vrouwen hebben evenveel rechten als mannen.”

 

Wat vindt u dan van de ‘Grab ‘m by the pussy-uitspraak’ van uw president?

Scaramucci: “Dat was toch alleen maar om te lachen? Mensen hebben veel te lange tenen. Kijk, ik ben niet politiek correct. Ik ben een politiek incorrecte feminist en ik weiger elke linkse censor te gehoorzamen. Die uitspraak was niet slim, misschien zelfs dom. Een verontschuldiging was waarschijnlijk op zijn plaats. Maar dan houdt het toch op? Mijn uitspraak over Bannon in The New Yorker was toch ook niet zo schokkend? Mijn tegenstanders hebben dat gebruikt om mijn ontslag te eisen. Dat is gelukt. De president gaf me de bons en ik legde me daarbij neer. Ik zet mijn vriendschap met hem niet op het spel omwille van dat ontslag. Ik ben geen baby.”

 

Anthony Scaramucci, Trump The Blue-Collar President, Hachette Book Group

 

(c) Jan Stevens

“Weet u wat de perfecte moord in België is? Rij iemand dood”

22 Vlaamse verkeerspunten bezetten sinds 2002 ononderbroken een plaats op de officiële zwarte lijst. Vanaf 2016 is die lijst ‘dynamisch’ waardoor er nieuwe zwarte kruispunten bijkomen en andere weer afvallen. De ranking hangt af van hoeveel fietsers of voetgangers er jaarlijks de oversteek niet overleven. Zoals Nikita Everaert en Ludwine Louncke.

 

In 2002 stelde de Vlaamse overheid een allereerste lijst van 809 ‘zwarte verkeerspunten’ op, meestal kruispunten met een hallucinant palmares aan dodelijke ongevallen. Zestien jaar later blijven er van die ‘historische zwarte verkeerspunten’ nog 22 over. De complete lijst wordt sinds 2016 minutieus up-to-date gehouden op basis van een ingenieus puntensysteem. Enkel plekken langs gewestwegen waar de voorbije drie jaar minstens drie ongevallen plaatsvonden, maken kans. Voorwaarde is dat ze minstens 15 ongevallenpunten scoren. Een dodelijk slachtoffer telt voor vijf, een zwaargewond slachtoffer voor drie en een lichtgewonde scoort één punt. De dynamische zwarte punten-lijst van 2018 telde 213 gitzwarte verkeerslocaties.

Het kruispunt aan de Antwerpsesteenweg en de Orchideestraat in Oostakker prijkte al op de historische lijst van 2002. De overheid greep pas in augustus en september van dit jaar gedeeltelijk in, nadat de 16-jarige Nikita Everaert er op 19 februari werd doodgereden. Een ‘grondige heraanleg’ is beloofd voor het najaar van 2019.

Het kruispunt aan de Ringlaan en de Brugsesteenweg in Kuurne veroverde dit jaar een plek op de lijst, nadat de 64-jarige Ludwine Louncke er op 18 juli werd doodgereden. Een ‘grondige heraanleg’ is beloofd voor februari 2019. “In afwachting waren ze er even met een pot rode verf in de weer.”

 

Oostakker, Antwerpsesteenweg en Orchideestraat

Sinds maandag 19 februari staat de wereld stil voor Kathy Deweweire. Iets na tien uur die ochtend werd haar zestienjarige dochter Nikita Everaert door een vrachtwagen doodgereden op het kruispunt van de Antwerpsesteenweg en de Orchideestraat in Oostakker. “Ons gezin is kapot”, zegt Kathy. “We hebben nog drie kinderen. Onze oudste zoon Thoby is 18, Nikita werd op 12 oktober 17, Mila is 14 en Nina 9. Mijn man staat op instorten. Ik kan erover praten, maar voor hem is dat heel moeilijk, net als voor onze oudste zoon. De kinderen voelen zich schuldig omdat ze die maandagmorgen geen afscheid van hun zus genomen hebben. Nikita sliep nog toen zij vertrokken.

“Vroeger fietsten Thoby, Nikita en Mila elke dag samen naar school. In januari viel voor Nikita een les weg waardoor ze er op maandag pas om half elf moest zijn. Pas na Nikita’s dood kwamen we erachter dat de Antwerpsesteenweg en de Orchideestraat al zestien jaar een zwart kruispunt vormen. Thoby fietste van in het derde middelbaar langs dezelfde weg. Er is nog een landelijke weg binnendoor naar school, maar ik verbood mijn kinderen om langs daar te fietsen. De locals gebruiken die smalle straat zonder fietspaden als sluipweg. Op zaterdag is Lochristi een ramp en ik geef toe dat wij dan ook wel eens langs binnen rijden om de file te vermijden. Op de sluipweg wordt nooit gecontroleerd en sommigen rijden er als gekken. Ik beschouwde de Antwerpsesteenweg met zijn fietspaden als de veiligste manier om naar school te fietsen. Een vreselijke vergissing. Maanden na Nikita’s ongeval hebben ze de verkeerslichten aan dat kruispunt aangepast. Als de fietsers groen hebben, is het nu voor alle auto’s rood. De plannen om er een conflictvrij kruispunt van te maken, lagen al jaren op tafel. In het jaar van Nikita’s geboorte zijn ze daarover beginnen palaveren omdat er zoveel ongevallen gebeurden. Mijn dochter is niet het eerste dodelijke slachtoffer. Er is nog een jongen van dertien doodgereden die voor de eerste keer met de fiets naar school ging.”

 

Nikita is aangereden door een vrachtwagen?

Kathy Deweweire: “Het was geen dodehoekongeval. De trekker zonder aanhangwagen stond achter twee andere auto’s voor het rood licht. Het licht sprong op groen, de auto’s reden door, Nikita kwam aangefietst en wat deed die meneer? Hij sloeg gewoon af, zonder te vertragen, zonder te kijken. De man reed voor een bedrijf gespecialiseerd in hijswerkzaamheden. Achteraf kwamen we te weten dat ze met twee vrachtwagens onderweg waren. De andere stond al achter de hoek te wachten. Onze hypothese is dat de chauffeur snel zijn collega wou volgen en dat hij erop gokte dat hij Nikita nog kon voorbij steken.”

 

Dus moet hij haar gezien hebben?

Kathy: “Ja. Het parket heeft dat ook bevestigd en het is gefilmd. Hij heeft haar echt wel gezien. Een taxichauffeur die aan de overkant stond, legde een verklaring af. Hij is de enige; de rest reed gewoon door. Hij zei dat Nikita op een normaal tempo op het fietspad reed, dat ze niets verkeerd deed en dat die vrachtwagenchauffeur haar zag aankomen. Maar die man gaf volle gas. Een verpleegster van het Wit-Gele kruis stond te wachten voor het rood. Samen met nog iemand anders heeft zij Nikita proberen reanimeren. Te laat. De getuige aan de overkant had haar horen roepen. De chauffeur heeft zogezegd niets gehoord en dacht dat hij over een hobbel reed. Onbegrijpelijk.”

 

Heeft de chauffeur contact met jullie gezocht?

Kathy: “Nee. Geen spijt, geen brief, niets. Hij heeft de hulpdiensten niet gebeld, is niet naar Nikita gaan kijken maar belde wel zijn baas. Na vijftien dagen mocht hij terug zijn rijbewijs gaan halen. We hebben gehoord dat hij de dag nadien al terug aan het werk mocht in het magazijn van dat bedrijf. Hij heeft zelf kinderen en kleinkinderen.

“De dag na het ongeluk stapte iemand van slachtofferhulp hier binnen met de woorden: ‘De bedrijfsleider wil met je spreken omdat hij ook een dochter van die leeftijd heeft.’ Ik had net gehoord dat hij zijn chauffeur in dienst hield. Ik zei: ‘Zou hij die man ook in dienst houden als hij zijn dochter had doodgereden?’ Moest slachtofferhulp ons een jaar later gevraagd hebben of we die man wilden ontmoeten, had ik misschien anders gereageerd. Maar met zo’n voorstel kom je toch niet de dag nadien af? We hebben daarna nooit nog iets van slachtofferhulp vernomen. Geen woord.”

 

Hoe hoorde u die maandag wat uw dochter was overkomen?

Kathy: “Om twintig na elf belde een vriendin. ‘Er is een dodelijk ongeval gebeurd. Zijn al je kinderen op school?’, vroeg ze. ‘Ja.’ Nikita moest om half elf in de klas zijn en er had niemand gebeld. Ik was er dus vrij zeker van dat alles oké was. Voor alle zekerheid belde ik toch maar naar het schoolsecretariaat. Net op dat moment rinkelde de deurbel. Mijn man deed open. ‘Het is de politie’, zei hij. Ik ben beginnen roepen en ik viel neer met de telefoon nog in mijn hand.

“Mijn man wou Nikita zien omdat hij niet kon geloven dat het om zijn dochter ging. Met slachtofferhulp ging ik onze andere kinderen halen. Ik belde vrienden en familie; vandaag weet ik eigenlijk niet meer wie ik precies gebeld heb. Op een bepaald moment, ik was nog op school bij de andere kinderen, kwam er telefoon dat Nikita daar weg moest omdat het onderzoek was afgesloten. Dus moest er snel een begrafenisondernemer gezocht worden.”

 

Dat soort van beslissingen moesten jullie die maandagochtend nemen?

Kathy: “Ja, en zowat alles liep natuurlijk in het honderd. Zo hadden we ons trouwboekje nodig om het overlijden aan te geven, maar ik wist niet meer waar dat lag. Een paar weken later pas viel mijn frank: het lag hier gewoon in de kast. Gelukkig hadden we een uitstekende begrafenisondernemer die de juiste beslissingen nam in onze plaats.”

 

Hoe ging u verder met uw leven?

Kathy: “Niet. Nog steeds niet. Ons leven is gestopt die maandag. Ik kan niet meer functioneren. Ik sta op voor de andere kinderen terwijl ik liefst een hele dag in bed zou blijven liggen. We waren altijd zo voorzichtig. Als onze oudste kinderen uitgingen, brachten we ze en gingen we ze halen. Weet u wat me zo kwaad maakt? Dat er al zoveel ongelukken aan dat kruispunt geweest zijn. Jef Vermassen is onze advocaat. Wij willen iedereen die schuld heeft aan Nikita’s dood laten boeten. Zowel politici als overheidsdiensten zoals het Agentschap Wegen en Verkeer. Ze schuiven de schuld op elkaar af: Wegen en Verkeer steekt het op Gent, de stad steekt het op Wegen en Verkeer. De burgemeester van Destelbergen kwam ons condoleren. Hij zei: ‘Ik moest je ook het medeleven betuigen van de Gentse burgemeester Daniël Termont.’ Ik heb hem gezegd dat hij het mag teruggeven. Slechts één politicus stuurde ons een brief: schepen van Mobiliteit Filip Watteeuw. Van al de rest hoorden we niets, maar op 5 maart wilden ze wel allemaal naar de wake aan het kruispunt komen. Ze hebben zestien jaar tijd gehad om hun werk te doen; ik wou niet dat ze de schijnheilige kwamen spelen.

“Deze zomer hoorde ik minister van Mobiliteit Ben Weyts met een smile tot achter zijn oren verklaren dat de straf voor dierenmishandeling opgetrokken wordt tot zes maanden effectief. Ik was zo kwaad, want degenen die verantwoordelijk zijn voor de dood van mijn dochter wordt geen strobreed in de weg gelegd. Weet u wat de perfecte moord in België is? Rij iemand dood. Je wordt er toch niet voor bestraft. Ik mailde Ben Weyts met de vraag hoe zoiets mogelijk is. Op het einde van zijn antwoord stond: ‘We wensen je nog een fijne deugddoende vakantie.’ Hoe kan je zoiets schrijven? Ik ben mijn kind kwijt.”

 

Kuurne, Ringlaan en Brugsesteenweg

Op 2 september om vier uur stipt hielden 250 mensen twee minuten stilte op het kruispunt van de Ringlaan en de Brugsesteenweg in Kuurne, bijgenaamd het ‘kruispunt des doods’. Initiatiefnemer was verontwaardigde burger Christophe Vanderplancke. Aanleiding: het dodelijke ongeval op 18 juli van de 64-jarige fietsster Ludwine Louncke. Drie jaar eerder, op 23 april 2015, werd de toen 17-jarige fietser Joeri Verbeeck er ook gegrepen door een vrachtwagen. Hij overleefde, maar verloor een arm en een oog. Samen met zijn ouders Tony Verbeeck en Martine Demely woonde hij de stille wake bij, net als Ludwine Louncke’s nichtje Sanne Derveaux. “Het was de laatste keer dat ik aan dat kruispunt passeerde”, zegt zij. “Ik mijd het als de pest. Mijn moeder is vroeg gestorven en tante Ludwine was mijn tweede mama. Zij kon zelf geen kinderen krijgen en ontfermde zich over mij. Die bewuste 18e juli was ze ’s morgens met de fiets op weg naar het winkelcentrum Ring Shopping. Een paar uur voor haar dood had ik haar nog aan de telefoon. Mijn tante was voor haar leeftijd nog erg kwiek. Ze kwam tegen een stevig tempo aangefietst en de chauffeur kon haar niet zien. Ze zat in zijn dode hoek. Die man treft dan ook geen schuld.”

Christophe Vanderplancke: “Een half jaar na het ongeval van Joeri Verbeeck in 2015 organiseerde ik een benefiet. Bewindvoerders beloofden ons toen dat er snel aanpassingen aan het kruispunt doorgevoerd zouden worden. Joeri’s ouders Tony en Martine stonden er bij toen die beloftes gemaakt werden. Vandaag is er zo goed als niets gebeurd. De dag dat Sanne’s tante Ludwine verongelukte, was ik in de buurt van het kruispunt aan het werk. Er kwam toen heel wat woede bij mij naar boven. Ze zijn er even met een rode pot verf in de weer geweest, maar verder is er in al die jaren niets veranderd. Daarom hielden we op 2 september die wake. ”

 

Joeri, wat gebeurde er precies op 23 april 2015?

Joeri Verbeeck: “Ik was met mijn fiets gestopt voor het rode verkeerslicht. Het licht sprong op groen en ik wou rechtdoor rijden. Een vrachtwagenchauffeur had me niet gezien. Hij draaide rechtsaf, ik zag hem dichterbij komen en ik draaide mee. Tot ik geen plaats meer had, onder de vrachtwagen terechtkwam en zeshonderd meter werd meegesleurd. Ik ben niet boos op de chauffeur, maar als hij mij gezien zou hebben, was het waarschijnlijk anders gelopen. Ik denk vaak: als hij op tijd had kunnen remmen, was ik er niet zo gehavend uitgekomen. Al heeft dat gepieker geen zin; de tijd kunnen we toch niet terug draaien.”

 

Hoe lang heeft de revalidatie geduurd?

Joeri: “Die is nog steeds bezig. Ik ben een oog kwijt, een arm, en een paar vingers van mijn andere arm. Mijn pols staat scheef, maar dat was voor het ongeval ook al zo, van toen ik op mijn zestiende domme toeren uithaalde. (lacht) Toen was ik nog een tiener; nu ben ik twintig en heb ik de jaren van verstand.”

 

Tony en Martine, hoe herinneren jullie je die bewuste donderdag in de lente van 2015?

Tony Verbeeck: “We waren allebei thuis. De bel ging en er stonden twee agenten voor de deur. ‘Mogen we binnenkomen?’, vroegen ze. Ik vond dat raar, maar ze bleven aandringen. Toen vertelden ze dat Joeri betrokken was bij een dodehoekongeval. De grond zakte onder mijn voeten weg.”

Martine Demely: “Ik riep: ‘Ik wil Joeri niet kwijt!’”

Tony: “Ik bleef heel kalm; de weerbots kwam later. De agenten zeiden dat Joeri zijn rechterarm kwijt was en dat hij nog andere zware kwetsuren had. Ze vroegen of we onze zoon wilden zien. Diezelfde avond reden we naar de spoed in Kortrijk. Joeri was volledig omzwachteld. We mochten een tijdje aan zijn bed doorbrengen. Ze kregen het bloed niet gestelpt.”

Martine: “Joeri moest meteen overgebracht worden naar het UZ in Gent.”

Tony: “Daar stonden in het operatiekwartier een paar chirurgen klaar om zijn leven te redden. Zeventien uur duurde die operatie, tot vrijdagnamiddag vijf uur.”

Martine: “Toen mochten we hem vijf minuten zien.”

 

Werden jullie goed opgevangen?

Martine: “Zeker. De politie pakte alles heel professioneel aan en we kregen ook psychologische bijstand. De mevrouw van slachtofferhulp heeft ons enorm geholpen. De dag na Joeri’s operatie reed ze zelfs met ons naar Gent.”

Joeri: “Toen ik wakker werd, wist ik van niets. Ze mochten me niet alles in een keer vertellen. Eerst zeiden ze: ‘Je bent gevallen met de fiets.’ Een paar maanden later hoorde ik: ‘Het was toch een beetje erger. Je bent je oog kwijt.’ Dat kwam hard aan. Na verloop van tijd besloot ik terug te vechten. Ik dacht: ‘Ik kan toch niet blijven treuren?’ Ik heb toen ‘foert’ gezegd en nam mijn leven in handen. Ik wist dat de revalidatie moeilijk zou worden, maar er was geen alternatief. Ik heb aanvaard wat er gebeurd is.”

 

Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

Martine: “O ja, op sommige dagen zit Joeri in de put. Onze oudste zoon Stijn had het heel lastig met dat ongeval. Onze dochter Femke is drie jaar jonger dan Joeri; zij leek het makkelijker te verwerken.”

Tony: “Joeri zweefde 96 uur tussen leven en dood. Stijn ziet er nog steeds vreselijk van af, maar toen zei hij: ‘Mijn broer ligt in het ziekenhuis en de wereld draait door.’ Dat klinkt cru, al is het wel waar.”

Martine: “Na het ongeval bleef ik twee jaar thuis. Anderhalf jaar geleden begon ik terug te werken. Ons leven is compleet veranderd. De ochtendroutine draait nu helemaal rond Joeri. Elke dag komen er verpleegkundigen langs. De eerste vijf maanden mocht hij niet naar huis, daarna ging hij elke dag revalideren in Gent. Nu is dat nog drie keer per week.”

Joeri: “Voor mijn ongeval droomde ik ervan om zelfstandig meubelmaker te worden. Ik was ook een fervent voetballer. Twee jaar en een half kon ik niet naar school, al kreeg ik wel les in het ziekenhuis. Nu zit ik twee dagen per week terug op de schoolbanken. Als ik in het UZ in Gent ben, krijg ik ook nog een uur per dag les.”

 

Wat zijn je toekomstplannen?

Joeri: “Eerst stage lopen en dan ergens gaan werken. In mijn vrije tijd speel ik Playstation, of ga ik wandelen met mijn hond. Ik sluit me niet op en spreek vaak af met vrienden. Geen enkele vriend of vriendin heeft me laten vallen.”

 

Ga je naar een psycholoog?

Joeri: “Voorlopig niet meer. Er kwam lang een psychologe langs, maar ik heb het gevoel dat het nu zonder lukt.”

Tony: “Er is ook aan ons gevraagd of we psychologische hulp nodig hadden. We hebben dat vriendelijk afgewezen, want Martine en ik hebben enorm veel steun aan elkaar.”

Martine: “Sommige koppels gaan er aan ten onder als er iets ergs met een van hun kinderen gebeurt. Wij zijn er sterker uitgekomen.”

Tony: “We zaten op Joeri’s ziekenhuiskamer toen iemand van de sociale dienst langskwam. Haar eerste vraag was: ‘Komen jullie goed overeen?’ We keken haar verbaasd aan. ‘Natuurlijk.’ Ze zei: ‘Veel koppels gaan uit elkaar omdat ze het niet kunnen verwerken of er niet met elkaar over kunnen spreken.’”

 

Zocht de vrachtwagenchauffeur contact met jullie?

Tony: “Hij is ons een keer komen opzoeken. Hij is Franstalig en ons Frans is niet bijster goed; communiceren was niet vanzelfsprekend. Die mens zat in de zetel en zweeg, terwijl hij zag wat hij had aangericht.”

Martine: “Hij kwam langs op vraag van Joeri’s psychologe. Het is bij die ene keer gebleven. Alle latere verzoeken wees hij af.”

Tony: “Ik denk dat hij de confrontatie niet aankon. Ook de zaakvoerder van de transportfirma waar hij voor rijdt, is ons komen opzoeken. Ik vind het heel goed dat die mensen begrip tonen, alleen verandert het niets aan de aangerichte schade.”

Christophe Vanderplancke: “Voor die chauffeur moet het ook heel moeilijk zijn, want wie treft bij een dodehoekongeval schuld?”

 

Ja, wie?

Sanne Derveaux: “De infrastructuur. In het geval van Joeri en van mijn tante Ludwine zijn de schuldigen: de gemeente, het Vlaamse gewest en de provincie West-Vlaanderen. De Ringlaan is een gewestweg en de Brugsesteenweg een gemeenteweg.”

Tony: “De provincie zegt zus, het gewest zegt zo en de gemeente roept nog iets anders. Ondertussen gebeurt er niets. Waarom wordt de bevoegdheid over de wegen niet aan één instantie gegeven? Het is toch hartverscheurend dat er door dat jarenlange gekissebis zoveel slachtoffers moeten vallen?”

Christophe: “De regionale overheid schuift de hete aardappel door naar de lokale. Zij wijst op haar beurt met een beschuldigende vinger naar de eigenaar van een winkel die moeilijk doet over de onteigening van een paar parkeerplaatsen. Zo wimpelen onze politici hun verantwoordelijkheid af en schuiven ze alle schuld in de schoenen van die winkeleigenaar.”

Tony: “Weet u dat dit kruispunt des doods officieel pas sinds 18 juli erkend is als ‘zwart kruispunt’ terwijl er de voorbije vijf jaar meer dan 200 ongevallen plaatsvonden?”

Sanne: “Mijn tante moest er eerst doodgereden worden.”

 

Wat moet er gebeuren om dit kruispunt veiliger te maken?

Christophe: “Er zijn plannen om het fietspad te verleggen, met een apart verkeerslicht voor fietsers. Een echte oplossing is dat niet; de gevaarlijke punten worden dan verplaatst.”

Sanne: “In 1976 werden er al plannen gemaakt om dit kruispunt te overkappen.”

Christophe: “Daar is nooit iets van in huis gekomen en in plaats van de meest gevaarlijke kruispunten op de Ringlaan aan te pakken, zijn ze de relatief veilige stukken beginnen vernieuwen.”

Sanne: “Waarom wordt er niet voor gezorgd dat fietsers en voetgangers kunnen oversteken op het moment dat alle auto’s stilstaan? De meeste kruispunten in Nederland zijn conflictvrij, waarom lukt dat bij ons niet? Blijkbaar zijn zelfs die simpele ingrepen te duur en passen ze niet binnen het bestaande budget. Maar mijn tante is niet de enige dode. Waarom zijn budgetten belangrijker dan mensenlevens?”

Christophe: “Er zijn aan dit kruispunt werken voorzien voor februari 2019. Intussen kan er elk moment een nieuw slachtoffer vallen, want dagelijks passeren er honderden fietsers. Als er tegen maart niets veranderd is, volgen er nieuwe acties. Dan zal het geen stille wake zijn. ‘Minister van Mobiliteit Ben Weyts heeft zijn handtekening gezet’, hoor ik dan. Prima, maar ik kan ook veel papieren tekenen, hoor.”

 

(c) Jan Stevens

Groene leugens

Gelooft u dat u meehelpt aan de redding van de zeeën met uw uit oceaanplastic gerecycleerd jasje ontworpen door Pharrell Williams? Volgens de Duitse journaliste Kathrin Hartmann heeft Skateboard P u dan goed liggen. In haar boek Groene leugens ontmaskert ze groene Pinokkios zoals Pharrell. “De grootste groene leugen is dat alles business as usual kan blijven, op voorwaarde dat we een paar kleine dingen bijsturen en zogezegd ‘duurzaam maken’. Onzin.”

 

Ik maak me graag vrolijk over brave Amerikanen die in het nepnieuws van Fox en Breitbart tuinen. Liefst onder het genot van een heerlijk kopje duurzame Nespresso, of terwijl ik de file trotseer achter het stuur van mijn CO2-arme hybride, onderweg naar een interview met ecojournaliste en -activiste Kathrin Hartmann. “Nespresso en een hybride? Typische voorbeelden van greenwashing”, zegt ze. “Goed boerende en welmenende salonecologisten trappen graag met hun ogen wijd open in groen fake news. Daarom ook bekwamen steeds meer bedrijven en marketeers zich in het ten onrechte aanprijzen van hun producten als ‘duurzaam’, ‘recycleerbaar’ of ‘CO2-neutraal’.”

Samen met de Oostenrijkse documentairemaker Werner Boote draaide Hartmann vorig jaar The Green Lie, waarin ze samen op zoek gaan naar de groene leugens van grote merken en producenten. In haar pas verschenen boek Groene leugens laat Kathrin Hartmann geen spaander heel van algemeen aanvaarde duurzame alternatieven zoals elektrische auto’s.

Kathrin Hartmann: “De lithium-ionenaccu van de ‘mobiele hoop voor de toekomst’ verslindt bergen kobalt. De Europese Unie heeft dat niet geboekstaafd als conflictmineraal, terwijl het vooral gedolven wordt in Congo, een land vol bloedige conflicten. Kinderarbeid is er aan de orde van de dag en in de mijnstreek in het oosten maken gewapende milities de dienst uit. Toch is er volgens de EU-verordening over conflictmineralen uit 2017 voor kobalt niets aan de hand. Allemaal om die toekomstige heilige koe, de elektrische auto, geen strobreed in de weg te leggen. Ik noem dat een vorm van politieke greenwashing. Toen onze documentaire The Green Lie in Duitsland en Oostenrijk uitkwam, dachten velen: ‘Richten Hartmann en Boote hun pijlen op de groene partij?’ Nee, onze film en mijn boek zijn niet meer of minder dan aanklachten tegen duurzaamheid als marketingtruc. De grootste groene leugen is dat alles business as usual kan blijven, op voorwaarde dat we een paar kleine dingen bijsturen en zogezegd ‘duurzaam maken’. Bullshit.”

 

In uw boek veegt u de vloer aan met onder anderen de Duitse chemieprofessor Michael Braungart. Terwijl hij als uitvinder van het cradle-to-cradle-principe voor sommigen geldt als goeroe van de recyclage. Zijn redenering is: afval bestaat niet, alles wat een mens produceert, moet kunnen dienen als grondstof voor een nieuw product. Ik heb hem ooit geïnterviewd en ik vond hem best interessant.

Hartmann: “Braungart is populair bij veel journalisten. Hij is minzaam en vriendelijk, maar voert volgens mij gewoon een show op. Zijn theorie klinkt inderdaad solide, terwijl ze op de keper beschouwd een regelrechte ramp is voor het milieu. Hij beweert dat consumeren geen probleem is voor de mensheid, zolang we er maar voor zorgen dat de producten die we maken terug in de kringloop opgenomen worden. Is dat niet net hetzelfde als een perpetuum mobile, een eeuwig werkende machine? Onzin, dus?

‘Weg met dat schuldgevoel’, sust Braungart tegen de hyperconsumerende westerling die zich een beetje zorgen begint te maken over zijn extreem grote ecologische voetafdruk. ‘Alles is in orde. Er is niets mis met ons economische systeem van ongebreidelde groei, dat mag gerust blijven bestaan.’ Ik vind die boodschap zéér problematisch. Braungart heeft ooit, helemaal in de lijn met zijn van de pot gerukte cradle-to-cradle-filosofie, eetbare bekleding ontwikkeld voor vliegtuigstoelen. Dat is toch een grap? Volgens dezelfde cradle-to-cradl-nonsens biedt de goedkope modeketen C&A een composteerbaar t-shirt van biokatoen aan, dat je na een paar keer dragen in de compostbak kan mikken. C&A wil zo aantonen dat ‘massaconsumptie duurzaam kan zijn’. Hun zogezegde ‘duurzaamste t-shirt ter wereld’ mag je volgens hen met een zuiver geweten tot het einde der tijden wegflikkeren en opnieuw kopen. En dat voor amper 7 euro. Waanzin, want zelfs productie van biokatoen ligt moeilijk: slechts één procent van alle katoen ter wereld wordt op een ecologisch verantwoorde manier verbouwd. Daar komt bij dat ik die weggooifilosofie uiterst onethisch vind.”

 

De populaire zanger Pharrell Williams ontwerpt voor het Nederlandse modehuis G-Star de lijn Raw for the Oceans, de allereerste jeanscollectie van gerecycleerd plastic uit de Stille Oceaan. Ook een fraai staaltje van greenwashing?

Hartmann: “Plastic in de oceaan was lang een onderschat probleem. Plastic is ook de rode draad door het leven van medefilmmaker Werner Boote. In de jaren zestig was zijn grootvader de grote baas van Interplastik Deutschland. Met zijn bekroonde documentaire Plastic Planet uit 2009 zette Werner het thema van de plasticvervuiling en de ‘plasticsoep’ prominent op de agenda. Recyclage van plastic uit zee kan best zinvol zijn. Werner en ik wilden voor onze The Green Lie-documentaire graag spreken met de mensen achter Bionic Yarn, het bedrijf dat afval uit zee omzet in kunststofgaren en dat mede-eigendom is van Pharrell Williams. Wie kiest voor een door Williams ontworpen Raw for the Oceans-broek of jasje, vist volgens de marketeers van G-Star eigenhandig zeven plastic flessen uit zee. Hoe meer artikelen geweven uit Bionic Yarn-garen er over de toonbank gaan, hoe properder onze oceanen worden. G-Star claimt dat het zo negen van de honderdveertig miljoen ton plastic uit zee wil halen en meteen ook dertig procent katoen zal besparen.

Wij gaven G-Star, Bionic Yarn en Pharrell Williams het voordeel van de twijfel, maar het lukte ons niet om iemand achter de recyclageonderneming te pakken te krijgen. Maandenlang probeerden we contact te leggen, maar niemand wou ons ontvangen.”

 

Zeiden ze ook waarom ze jullie niet wilden spreken?

Hartmann: “Nee, we werden botweg geweigerd, zonder uitleg. We vonden het adres van Bionic Yarn in Piermont, New York en besloten het bedrijf zonder afspraak met een bezoek te vereren. We dachten eerst dat we op een industrieterrein terecht zouden komen, in een hypermoderne fabriek waar plastic flessen omgezet worden in textielvezels. Dat viel tegen, want we strandden op de oprit van een mooie houten villa. De voordeur werd geopend door Tim Coombs, mede-eigenaar van Bionic Yarn. Hij schrok en wilde ons liever niet binnenlaten. ‘Stuur me een e-mail’, zei hij. ‘Dan spreken we af om te Skypen.’ Hij sloot de deur en liet weken later weten dat hij liever niet met journalisten praatte.”

 

Wat niet erg slims is, want zo voedt hij toch alleen maar jullie verdenking van groene marketing?

Hartmann: “Precies. Bionic Yarn liet ons weten dat ze niet aan onze documentaire wilden meewerken, omdat er al een film over hun oceaankleren bestaat. Daarmee bedoelen ze de reclamespot die zij zelf lieten draaien. (lacht) Ik denk niet dat ze het procédé van de gerecyleerde plastic integraal uit hun duim zuigen, maar ik stel me wel grote vragen bij het hele verhaal dat ze errond spinnen. Intussen sprong ook Adidas op de plastickar van Pharrell Williams. De multinational in sportkleding wil uit gerecycleerd zeeplastic nu een miljoen sportschoenen en massaal veel voetbalshirts vervaardigen. Adidas kreeg de zegen van de Verenigde Naties voor zijn zeehardloopschoen, die vervaardigd zal worden uit ‘plastic van diepzeevisnetten die achterbleven in de oceaan rond de Zuidpool’.”

 

Als het procédé om oceaanplastic tot garen te recycleren echt werkt, kunnen we dat toch alleen maar toejuichen?

Hartmann: “Niet echt, want het gerecycleerde plasticgaren in kledij en schoenen van vandaag, wordt het zeeafval van morgen. De marketingverhalen van G-Star, Adidas en C&A over gerycleerd en duurzaam textiel, zijn bliksemafleiders voor de kern van het probleem: de moderne kledingindustrie met haar ‘fast fashion’-strategie. Marktleiders H&M en Zara bieden jaarlijks tot vierentwintig nieuwe collecties aan. Om de twee weken moeten de winkels volgehangen worden met andere jassen, broeken, jurken en t-shirts. Vroeger duurde het twee tot drie maanden voordat een nieuw ontworpen kledingstuk in de winkel lag. De spotgoedkope productie in lageloonlanden draait nu overuren. Onderbetaalde naaisters werken er in afschuwelijke omstandigheden. Een keten als Primark draagt een verpletterende verantwoordelijkheid voor deze race naar de diepste bodem. Volgens Greenpeace is er meer kleding in omloop dan de wereldbevolking ooit aan kan. Die fast fashion is trouwens alleen maar mogelijk door het massale gebruik van plastic. Twee derde van al onze kleren wordt geweven in polyester, een in overvloed geproduceerd goedkoop kunststofgaren. Tussen 2000 en 2016 steeg het wereldwijde gebruik van polyester voor textiel van acht naar eenentwintig miljoen ton. Dat maakte meteen ook de groei mogelijk van fast fashion-ketens als H&M en Primark. Voor de oceanen is dat een catastrofe, want bij elke wasbeurt spoelen micropartikeltjes uit de kunststofvezels en zo komen kilo’s microplastics in zee terecht.”

 

Ons oerprobleem is ons op grenzeloze groei gebaseerde economisch systeem?

Hartmann: “Precies. Daardoor produceren we te veel troep die niemand nodig heeft. Om al die nieuwe producten te kunnen kopen, moeten we eerst onze oude spullen dumpen en zo verhogen we de afvalberg. Ondertussen proberen bedrijven ons met hun greenwashingtechnieken een rad voor de ogen te draaien. Soms is het lachwekkend, terwijl het eigenlijk intriest is. Zo maakt oliemaatschappij Shell reclame met windmolens. Monsanto stelt zijn genetisch gemanipuleerde zaden en pesticides dan weer voor als hun bijdrage aan de bestrijding van de honger. In hun zogenaamde ‘duurzaamheidsrapport’ noemen ze zichzelf zelfs grote voorvechters van de VN-werelddoelen om van de wereld een gezondere en leefbaardere plek te maken. Het zal wel. (lacht)”

 

In een door Nespresso geproduceerd filmpje van eind vorig jaar praat acteur George Clooney op een ‘ongedwongen wijze’ over hoe duurzaam zijn favoriete kopje koffie is. ‘Het duurzaamheidsprogramma van Nespresso is onovertroffen, niemand ter wereld kan daaraan tippen’, zegt hij. Lult hij uit zijn nek?

Hartmann: “De reclamefilmpjes die Clooney voor Nespresso maakt, missen hun doel niet. Zeer veel mensen die het goed met het milieu menen, zijn verslingerd aan Nespresso. De Nespresso-capsules zijn een wereldsucces. Van 2006 tot nu steeg het aantal verkochte capsules van drie naar tien miljard. Nespresso is verantwoordelijk voor vier procent van de complete omzet van tachtig miljard euro van moederbedrijf Nestlé, het grootste levensmiddelenconcern ter wereld. De lege aluminiumcapsules van Nespresso zorgen jaarlijks dan weer voor een afvalberg van achtduizend ton.”

 

Is die aluminiumberg het grootste probleem?

Hartmann: “Ja. Nespresso beweert dat al dat aluminium netjes gerecycleerd wordt, maar dat is helemaal niet zo. Ze geven je een groene zak om de gebruikte capsules te verzamelen, en niemand weet wat er verder mee gebeurt. Het is een groot mysterie hoeveel aluminium er gerecycleerd wordt en of Nespresso zelf met gerecycleerd aluminium werkt. De fabricage van nieuw aluminium is sowieso een ramp voor het milieu. Het wordt gemaakt van bauxiet, en om die grondstof te ontginnen worden in onder andere Brazilië en Indonesië regenwouden gerooid. Bij de productie van een ton aluminium uit bauxiet wordt acht ton CO2 uitgestoten. De aluminiumproductie gaat aan de haal met drie procent van het wereldwijde elektriciteitsgebruik. Nespresso is ook walgelijk duur: een kilo koffie in capsules kost tachtig euro. Het is misschien wel de duurste koffie ter wereld.”

 

Het is wel lekkere koffie.

Hartmann: “Zeker, maar smaakt een kopje Nespresso dan zoveel beter dan gewone espresso? Nespresso heeft in samenwerking met de Amerikaanse NGO Rainforest Alliance zijn eigen programma voor ‘duurzame koffie’ ontwikkeld. Rainforest Alliance heeft een kwalijke reputatie als leverancier van keurmerken voor problematische bedrijven als Chiquita, Dole, Lidl, McDonald’s en dus ook Nespresso. Het zogenaamde Nespresso AAA Sustainable Quality™ Program is allesbehalve transparant. Het gaat helemaal niet om biologisch verbouwde of via fair trade verhandelde koffie, al lijkt dat wel zo. Hun grootste verkooptruc is en blijft George Clooney: hij geeft het merk een kwaliteits- en duurzaamheidslabel dat het niet verdient.”

 

George Clooney is geen naïeve ziel, maar bewust medeplichtig aan greenwashing?

Hartmann: “Dat is een moeilijke vraag. Voor de marketeers achter Nespresso is hij goud waard, want hij heeft dat aura van degelijkheid en betrouwbaarheid. Een uitstekende acteur, progressief, ex-vredesambassadeur voor de VN en getrouwd met een vooraanstaande mensenrechtenadvocate. Het doelpubliek van Nespresso, de goedverdienende, min of meer ecologisch bewuste en aan lifestyle verslingerde middenklasser is dol op hem. Nespresso-drinkers herkennen zichzelf in hem, of spiegelen zich naar hem. ‘George zit op onze golflengte.’ De reclamefilmpjes met Clooney zijn ook uitstekend gemaakt. En af en toe lijkt hij niet ironisch te acteren, maar zichzelf te zijn, zoals in dat filmpje waar je naar verwees. ‘Nespresso verricht uitstekend werk voor de koffieboeren.’ Vervolgens plant hij zelf een koffieboompje in Costa Rica, omringd door koffieboeren. Dan kijkt hij recht in de camera en zegt: ‘Nespresso zorgt ervoor dat al deze mensen het goed hebben. Ik ben trots deel uit te maken van dit bedrijf.’ Hij speelt het zo goed dat ik mezelf soms ook afvraag: ‘Gelooft hij het of zegt hij dit omdat hij er de voorbije jaren 26 miljoen dollar voor gekregen heeft?’”

 

Hebt u het hem proberen vragen?

Hartmann: “Nee, en nu je het zegt, misschien had ik dat beter wel gedaan. De man is een miljonair en leeft in een bubbel. De arme Costa Ricaanse boeren zijn dolblij dat de beroemde George Clooney hen een schouderklopje komt geven. ‘O wat een lieve miljonair.’ (lacht)”

 

Tijdens het maken van de documentaire reed u rond in een Tesla. Uit een studie van het Zweedse milieuonderzoeksbureau IVL van vorig jaar blijkt dat voor de productie van een kleine elektrische auto al 5,3 ton extra CO2 is uitgestoten voordat er nog maar een kilometer mee gereden is. Daarvoor kun je bijna drie jaar in een benzineauto rijden.

Hartmann: “Tesla is inderdaad niet zo ecologisch verantwoord als Elon Musk ons graag wil doen geloven. Daarom ook reden we met een Tesla naar Garzweiler, een van de grootste sites in Duitsland waar bruinkool wordt gedolven. We wilden al die goedmenende Duitse Tesla-rijders laten zien met wat voor een smerige troep de elektriciteit voor hun zogenaamd ecologisch verantwoorde bolides wordt opgewekt. Onze regeringen propageren nu volop de elektrische auto als ‘schoon’ alternatief. Terwijl hier net hetzelfde geldt als bij de gerecycleerde plastickleren van Pharrell Williams en consorten: de afvalberg wordt er niet kleiner door. Diesel en benzine worden vervangen door elektriciteit, maar de grondstoffenrooftocht gaat intussen onverminderd door. Het echte debat zou moeten gaan over het feit dat het onhoudbaar is dat elk individu met zijn eigen voertuig rond blijft snorren. Die discussie durft niemand aan. We focussen ons liever op een nieuwe, zogezegd schonere technologie. Greenwashing is heel goed in het ogenschijnlijk verzoenen van tegenstellingen die in werkelijkheid onverzoenbaar zijn. De zogenaamde duurzaamheid ligt er soms zo vingerdik op, dat ik gewoon niet kan vatten dat consumenten er intuinen. We willen toch zo graag geloven dat we alles bij het oude kunnen laten en als God in Frankrijk kunnen blijven leven. Het enige wat we moeten doen, is onze dieselslurper inruilen voor een hybride of een elektrische auto. O ja, en we mogen ook niet vergeten om onze koffiecapsules in die groene zak te keilen in plaats van in de vuilbak. Dan komt het allemaal wel goed.”

 

U richt uw pijlen ook op de grote multinational Unilever. U beschuldigt hen ervan grootmeesters te zijn in greenwashing van de ontginning van palmolie.

Hartmann: “Met zestig miljoen ton per jaar is palmolie het meest gebruikte plantaardige vet ter wereld. De reden voor dat ‘succes’: het is het goedkoopste. Je vindt het in de helft van zowat alle supermarktproducten: in pakjessoep, ijs, margarine, diepvriespizza, chocola, poetsproducten en cosmetica. Unilever-CEO Paul Polman noemt zijn bedrijf zonder verpinken ‘de grootste NGO ter wereld.’ Unilever gebruikt meer palmolie dan welke andere producent van consumptiegoederen ook: anderhalf miljoen ton per jaar, of 2,6 procent van de wereldwijde oogst.

Indonesië produceert de helft van alle palmolie. De gevolgen voor de regenwouden zijn desastreus. Sinds 1990 heeft Indonesië door houtkap en branden een bosoppervlak verloren van 310.000 vierkante kilometer regenwoud. Dat is groter dan Italië. De helft is vervangen door palmolieplantages. Bij zijn aantreden in 2010 stelde Polman het Unilever Sustainable Living Plan voor. Daarin beloofde Unilever dat het tegen 2020 al het zelf geproduceerde afval, het waterverbruik en de uitstoot van broeikasgassen zou halveren, de mensenrechten zou beschermen, en enkel nog honderd procent ‘duurzame’ agrarische producten zou inkopen. In diezelfde periode moest de omzet verdubbelen naar tachtig miljard euro. Ik heb de voorbije jaren heel wat onderzoek naar palmolie gevoerd en ik kan je verzekeren: duurzame palmolie bestaat niet. Het Unilever Sustainable Living Plan is een schoolvoorbeeld van greenwashing: het stelt zogezegd duurzame doelen voor die op geen enkele manier te behalen zijn, tenzij Unilever radicaal afscheid neemt van palmolie en stopt met de productie van Calvé-pindakaas of Knorr-soep in pakjes. Ik schat de kans niet hoog in dat dat zal gebeuren.”

 

Ook de Europese Unie is niet vies van greenwashing van palmolie?

Hartmann: “In 2006 besliste ze dat vijf procent van de benzine van plantaardige origine en dus biobenzine moest zijn. Vandaag is de EU de op twee na grootste importeur van palmolie. In 2010 importeerden we 456.000 ton, nu 3,2 miljoen ton. Indertijd was de redenering dat biobenzine de CO2-uitstoot zou terugdringen. Want bij de verbranding van plantaardige brandstof zou slechts evenveel CO2 in de lucht komen als de plant voorheen gebruikt had. Je reinste greenwashing, want als je de klimaatschade als gevolg van boskap mee in rekening brengt, produceert biodiesel uit palmolie drie keer zoveel uitstoot als fossiele diesel.”

 

Een eerbiedwaardige instelling als het Wereldnatuurfonds (WWF) assisteert volgens u grote multinationals bij hun greenwashing.

Hartmann: “Het WWF is niet vanuit de basis gegroeid, maar werd in 1961 opgericht door edellieden, jagers op groot wild, ondernemers, industriëlen en miljonairs. De eerste voorzitter was de Nederlandse prins Bernhardt. Het voornaamste doel van het WWF was om natuurreservaten te creëren en beschermen waar diezelfde rijken zich konden uitleven.”

 

Anno 2018 is het WWF toch een compleet andere organisatie?

Hartmann: “De geest van toen is niet verdwenen. Vandaag zit het WWF op een kapitaal van meer dan driehonderd miljoen dollar. Met 905.000 medewerkers en vijf miljoen donateurs is het één van de grootste natuurbeschermingsorganisaties ter wereld. Vier procent van de inkomsten van WWF International komt van ondernemingen. De NGO steekt niet onder stoelen of banken dat ze samenwerkt met de industrie. Het kan niet anders dan dat de partnerships met grote multinationals invloed hebben op haar beleid. Ook al beweert de organisatie dat ze ondanks die samenwerkingsverbanden onafhankelijk blijft.”

 

Hebt u zichzelf er nog nooit op betrapt dat u een groene leugen voor waar aannam?

Hartmann: “Ik doe mijn best om greenwash-valstrikken te vermijden. Ik rij met de fiets, neem de trein en vermijd vliegtuigen. Onze elektriciteit komt van een kleine coöperatieve die haar stroom enkel op duurzame wijze opwekt. Al ben je ook dan nooit zeker. We hebben een veertig jaar oude BMW die hooguit tien keer per jaar uit de garage komt. En we letten goed op bij de aankoop van onze voedingswaren. Ik ben al dertig jaar vegetariër. Bioproducten zijn goed, maar ze zijn nog steeds de uitzondering en daarom ook duur. Met als gevolg dat niet iedereen ze zich kan permitteren.”

 

Wie garandeert ons dat al die zogenaamde biolabels geen greenwashing zijn?

Hartmann: “Veel voedingsproducten krijgen zeker een ‘groene’ marketingbehandeling. Maar de officiële biolabels worden gecontroleerd en zijn geen verzinsels van de industrie. Voor voeding kan je de greenwashing nog een hak zetten, maar voor kledij is het zeer lastig. En voor computers en smartphones is het zo goed als onmogelijk. Er is de Nederlandse Fairphone waarvan de meeste onderdelen vervangbaar zijn. Het idee van de bedenkers van die telefoon is dat je hem zo lang mogelijk moet kunnen gebruiken eer je hem dumpt. Dat is prima, alleen moeten ook zij hun grondstoffen kopen bij leveranciers die er minder ethische standaarden op nahouden.”

 

Hoeveel proceszaken van grote merken wegens smaad en laster lopen er nu tegen u?

Hartmann: “Geen enkele; ze hullen zich allemaal in stilzwijgen. Voor de film namen we een paar shots op in vestigingen van de Oostenrijkse supermarktketen Billa. Zij vroegen ons of ze de film voor de release te zien konden krijgen. Wij weigerden, waarna ze een grote reclamecampagne startten. Ze hebben hun eigen biomerk en beloofden dat ze naar aanleiding van onze film al hun eigen biologische producten met palmolie zouden schrappen. Het leek alsof ze bereid waren om tienduizenden euro’s te verliezen, om toch maar clean te kunnen zijn. Nu moet je weten: er zat maar één product met palmolie in hun oorspronkelijke biogamma. (lacht)”

 

Ze gebruikten jullie documentaire over greenwashing om zichzelf groen te wassen?

Hartmann: “Inderdaad. En ze vroegen aan Werner Boote of hij hun persoonlijke George Clooney in hun reclamefilm wou spelen. Hij heeft daar vriendelijk voor bedankt. (lacht)”

 

Kathrin Hartmann, Groene leugens, atlas contact

(c) Jan Stevens

‘Ik zocht vooral relaties met mannen die me vernederden. Dat gaf me een extra kick’

Erica Garza raakte op haar twaalfde verslaafd aan porno. De volgende twintig jaar stond haar leven in het teken van masturberen, neuken en kijken naar hardcoreporno. “Schaamte was de motor van mijn verslaving. Ik kon niet genieten zonder me ook slecht te voelen.”

 

De vroege lente van 2008. De pas afgestudeerde Erica Garza leeft in New York samen met een tien jaar oudere succesvolle filmmaker die aan het afkicken is van een drankprobleem. Hij is stapelgek op haar; zij voelt vooral jaloezie. “Hij ging soms twee keer per dag naar een meeting van de Anonieme Alcoholisten (AA) en ik dacht dat hij een affaire had”, vertelt ze. “Veel later pas zou ik beseffen dat hij mijn gedrag ontvluchtte. Bij onze split verweet hij me dat ik een seksjunk was. ‘Dat zeg je omdat je me niet genoeg kan neuken’, beet ik hem toe. Terwijl ik diep vanbinnen wist dat hij volkomen gelijk had.”

In haar niets verhullende memoir ‘Getting Off’ beschrijft de inmiddels 35-jarige freelancejournaliste en schrijfster hoe ze vanaf haar twaalfde worstelde met porno en seks.

Erica Garza: “Dit boek schrijven, was een opluchting. Maar toen het ook uitgegeven zou worden, begon het nagelbijten. (lacht) Het schrijven was een vorm van therapie: ik hoopte dat ik mezelf zo beter zou begrijpen. Na publicatie was ik doodsbang voor de reacties van mijn dierbaren, zoals mijn ouders en vrienden die niets afwisten van mijn verslaving.”

 

U had uw ouders niet op voorhand verwittigd dat ‘Getting Off’ op stapel stond?

Garza: “Nee. Ik wachtte tot op het allerlaatste nippertje om hen in te lichten. ‘Mama en papa, er komt binnenkort een boek van mij over mijn nogal losbandige leven uit.’ Mijn moeder suste: ‘Liefje, we hebben je essays gelezen.’ Dat kwam voor mij als een complete verrassing. Er hadden al een paar essays van mijn hand over mijn uitspattingen online gestaan. Ik was ervan overtuigd dat mijn ouders niet eens wisten dat die artikels bestonden. Dat bleek dus een vergissing te zijn.”

 

Ze wisten dus al een poos dat u vanaf uw twaalfde een seksjunkie was, maar hadden daar nooit iets tegen u over durven zeggen?

Garza: “Precies. Ik denk dat ze het iets te onkies vonden. Mijn ouders zijn heel gewone mensen die erg van hun kinderen houden. Als het over seksverslaafde vrouwen gaat, denkt de goegemeente altijd dat die vrouwen als kind misbruikt zijn door een gezins- of familielid. Of dat ze verwaarloosd werden of slaag kregen. ‘Die arme vrouwen moéten wel getraumatiseerd zijn.’ Toch zijn er veel meer seksverslaafde vrouwen zonder zo’n bewaard verleden dan je zou denken. Ik kom uit een stabiel gezin en had een veilige kindertijd. Ik ging naar een privéschool en werd met veel zorg omringd. Ik kwam nooit iets te kort. Mijn trauma’s waren banaal: zo kreeg ik op mijn twaalfde de diagnose scoliose, mijn ruggengraat groeide krom. Dat is niet echt uitzonderlijk. Ik had wel een vrij ernstige vorm en moest dag en nacht een harnas dragen. Ik werd daarom uitgelachen op school en kreeg last van een minderwaardigheidscomplex. Ik vermoed dat het gepest de bron van mijn verslaving is. Ik ging die negatieve gevoelens te lijf met seks en masturbeerde me suf. Veel mensen zijn gechoqueerd wanneer ze horen over een twaalfjarig masturberend meisje. Maar niemand valt van zijn stoel als het gaat over jongens van twaalf die met hun flieter spelen. Vrouwen praten nooit over hun seksbeleving als jong meisje. Wat overblijft, is stilte en schaamte. Meisjes worden niet verondersteld hun lichaam seksueel te verkennen; dat is jongensterrein. Tenminste, dat kreeg ik als tiener te horen. Volwassenen deden alsof wij seksloze wezens waren. Misschien moet ik er eerlijkheidshalve aan toevoegen dat ik opgroeide in een katholiek gezin. Ik zat ook op een katholieke school waar het onderwerp seks taboe was. Ik masturbeerde echt ontzettend veel en omdat seks in de ideale wereld niet leek te bestaan, begon ik te geloven dat ik gestoord was.”

 

Wij kregen te horen dat je van masturberen blind of doof werd én een pijnlijke rug kreeg.

Garza: “Echt? Ons maakten ze wijs dat er haar op je handpalmen groeide als je niet van je poesje kon afblijven. (lacht) Wat jij over die pijnlijke rug zegt, vind ik wel grappig. Want ik vreesde dat ik scoliose gekregen had door te veel met mezelf te spelen. Ik masturbeerde het liefst in een heet bad, met de douchestraal op mijn vagina gericht. Ik maakte me grote zorgen dat mijn ruggengraat misvormd geraakt was door genotzuchtig languit in dat bad te liggen. Een paar jaar lang droeg ik dat korset, en daarna werd ik geopereerd. Ik was bang dat de dokters op de röntgenfoto’s van mijn rug zouden kunnen zien dat masturberen mijn favoriete tijdverdrijf was. Het angstweet brak me uit bij de gedachte dat ze mijn ouders zouden inlichten. Ik raakte toen echt in paniek.”

 

U schaamde zich te pletter?

Garza: “Ja, schaamte vormde lang een rode draad in mijn seksbeleving. Ze was de motor van mijn verslaving. Ik kon niet genieten zonder me ook slecht te voelen.”

 

Ik was zestien in 1979; u was zestien in 1999. Voor porno moest ik op zoek naar een vies blaadje. U vond uw gerief met een muisklik op het ontluikende internet.

Garza: “O ja, het was poepsimpel om porno te vinden. Ik maakte als twaalfjarige kennis met softcoreporno via de kabeltelevisie. Ik wachtte tot mijn ouders sliepen en sloop dan uit bed om te kijken naar copulerende koppels. Ik kon zelf geen beelden kiezen, maar moest vrede nemen met wat er geprogrammeerd was. Ik genoot van de spanning. Niet veel later kreeg ik dankzij het internet toegang tot chatkamers. In die tijd moest je nog inbellen via de vaste telefoon. Ik had virtuele seks met complete vreemden. ‘Wat draag je?’ vroeg dan iemand. ‘Een kanten string’, loog ik. ‘Wat is je bh-maat?’ ‘36D.’ ‘Wat wil ik je dat ik met je doe?’ ‘Alles.’ Ik loog altijd over mijn leeftijd, tikte meestal dat ik zestien was, en had cyberseks met kerels die mijn vader, grootvader of overgrootvader hadden kunnen zijn. Zo was er de 32-jarige Jeff die het fijn vond om zichzelf op zijn kantoor af te rukken terwijl hij met mij aan het chatten was. Mijn woordenschat groeide zienderogen en ik maakte kennis met ‘vaktermen’ als ‘pik’ en ‘blowjob’. We hadden één computer en die stond in de woonkamer. Alle gezinsleden gebruikten die en dus moest ik er op letten dat ik al mijn sporen meteen wiste. Ik werd heel vaardig in het minimaliseren van beelden en in het gebruik van de escape-knop. Ik begon ook pornografische afbeeldingen van het internet te downloaden en lette er na afloop op dat ik de geschiedenis verwijderde.”

 

Hoe oud was u toen?

Garza: “Nog steeds twaalf. Er is heel wat gebeurd in dat ene levensjaar. (lacht) De volgende jaren werd het internet sneller, gesofisticeerder én een snoeptrommel voor pornoliefhebbers. Na de foto’s, volgden de video’s en het livestreamen. Telkens wanneer ik dacht: ‘Nu heb ik het wel ongeveer gehad met seks op het internet’, kwam er iets nieuws. Nachtenlang bracht ik voor dat computerscherm door, masturberend. Het werkte als een drug. Van zodra ik me emotioneel ietwat gedestabiliseerd voelde, zocht ik troost in internetseks, logde ik in een chatroom in en was ik weg van de wereld. Nadat ik klaargekomen was, voelde ik heel even verlossing, maar meteen daarna voelde ik me terug ellendig, en vluchtte ik snel weer weg in cyberseks. Zo evolueerde ik pijlsnel naar dwangmatige masturbatie. Ik masturbeerde wanneer ik thuiskwam van school, voor het avondeten, na het avondeten, in de toiletten op school, voor de lunch, na de lunch… Ik moest het masturberen soms uitstellen omdat er praktische bezwaren in de weg stonden. Op die momenten nam de geilheid in mijn lichaam immense proporties aan. Wanneer ik dan eindelijk op mijn slaapkamer of in de badkamer belandde, beleefde ik waanzinnige orgasmes waarbij het leek alsof mijn hoofd explodeerde. Ik vingerde mezelf soms uren aan een stuk.”

 

Hoe ging het ondertussen met uw studies?

Garza: “Uitstekend. Tijdens de lessen focuste ik me op mijn schoolwerk en thuis op mijn vagina en virtuele porno. Ik had niet veel vrienden en ik denk dat ik nogal een asociale indruk op mijn klasgenoten gemaakt moet hebben. Ik had de neiging mezelf te isoleren van de rest van de groep. Ik voelde me nooit op mijn gemak tussen leeftijdsgenoten en klapte soms dicht als iemand me aansprak. Communiceren en sociaal zijn was voor mij een kwelling.”

 

Op uw veertiende werd u geopereerd aan uw rug en was u bevrijd van dat harnas. Dat was geen bevrijding uit uw sociale isolement?

Garza: “Het ging daarna wel beter, maar dat emotionele trauma veroorzaakt door de pestkoppen uit mijn klas, zat er nog steeds. Ik vertrouwde mensen niet helemaal en bleef op mijn hoede. Mijn ouders hadden nooit echt in de gaten dat er iets ernstig mis was met mij. Ik denk wel dat ze doorhadden dat ik gepest werd. Want toen ik met dat harnas rondliep, vroeg ik hen vaak of ik school een dagje mocht overslaan. Ze moeten ook wel gezien hebben dat er bijna geen klasvriendjes meer langskwamen van zodra ik dat ding droeg. Een paar dagen voor de operatie vroegen ze of ik van school wou veranderen. Als ik ja zei, zou ik naar mijn gevoel meteen ook toegeven dat er iets met mij aan de hand was, dus zei ik: ‘Nee, hoor.’ Ik verzekerde hen dat alles oké was.”

 

Uw ouders hebben u nooit betrapt tijdens het kijken naar porno?

Garza: “Nooit. Dat was ook mijn grootste nachtmerrie. Die angst maakte me erg paranoïde. Ik stond vaak aan de deur te luisteren of er iemand op komst was. Toen ik een laptop had, trok ik me ermee terug op de wc als mijn ouders sliepen.”

 

In cyberspace neukte u er als twaalfjarig meisje stevig op los, maar in het echte leven verloor u uw maagdelijkheid op uw zeventiende, wat niet uitzonderlijk jong is.

Garza: “Nee, dat is zo. Ik geloofde dat ik in één klap van mijn verslaving aan cyberseks verlost zou zijn als ik kennis gemaakt had met the real stuff. Vanaf dan zou ik een ‘normaal’, gezond meisje worden. Mijn ontmaagding door een tien jaar oudere Mexicaanse autotechnieker stelde niet veel voor. Alleen ruilde ik vanaf dan de ene man in voor de andere. Ik bleef even vaak porno kijken en even hard masturberen. De interessante denkbeelden van de mannen interesseerden me niet; wel hun vaardigheden in bed. Virtuele seks en soloseks kregen er een nieuwe dwangmatige variant bij: neuken met zoveel mogelijk kerels. Mijn hele leven draaide rond seks. Ik kickte erop om keihard, tot bloedens toe geneukt te worden. Elke man die me wou, kon me krijgen.”

 

Hoe overwin je een verslaving aan een menselijke basisbehoefte: seks?

Garza: “Dat heeft ontzettend lang geduurd en kon pas vanaf het moment dat ik in staat was om de waarheid te vertellen. Eerst moest ik afstand nemen van al mijn leugens en bereid zijn om me kwetsbaar op te stellen. Ik was jaren in therapie, maar heb toen nooit verteld dat ik aan seks verslaafd was. Ik lag met mezelf mentaal en emotioneel in de knoop en praatte daar over met mijn therapeut; over de échte oorzaak had ik het nooit.

“Als seksverslaafde had ik continu het gevoel dat ik geen controle had over mezelf. Ik had geen macht over mijn eigen leven en slaagde er niet in om iets dat zo vernietigend was stil te leggen. Ik had continu onveilige seks met wildvreemden. Ik zocht vooral relaties met mannen die me vernederden of waarbij ik het gevoel kreeg dat ik gebruikt werd. Dat gaf me een extra kick. Ik gebruikte zelf ook mijn partners; intimiteit of liefde waren ver zoek. Niet dat ik afkerig stond van liefde. Integendeel, ik had altijd gehoopt dat ik liefde en geborgenheid zou ervaren tijdens het neuken. Maar het waren louter mechanische bewegingen, gericht op dat zoveelste orgasme, zonder emotionele band met degene met wie ik aan het rampetampen was. Tijdens mijn ‘nuchtere’ momenten voelde ik me vooral eenzaam en het niet waard om geliefd te worden. Ik besefte dan dat mijn seksverslaving mijn ondergang betekende, maar ik kon er niet mee stoppen. Want een deel van mezelf genoot ervan. Ik voelde de adrenaline door mijn lijf pompen. Het was spannend en opwindend en tijdens het vrijen vergat ik de rest van de wereld.”

 

Wat was uw meest beschamende ervaring?

Garza: “Ach, er waren er zoveel. Alleen ervaarde ik dat op het moment zelf niet zo. Een jaar of acht geleden was ik met mijn toenmalige lief op vakantie in Europa. Hij kwam er bij toeval achter dat ik me in Barcelona had laten vingeren door een Colombiaan. Mijn vriend was er het hart van in en in plaats van de brokken te proberen lijmen, dook ik met een Franse kelner in bed die me neukte als een wild beest. Ik genoot. Meteen daarna dook ik met nog een andere Franse kelner de koffer in. Hij nam me mee naar het huis van een vriend, want zijn vrouw zat thuis op hem te wachten. Diezelfde week neukte ik nog met twee Spanjaarden en een Duitser. Telkens zonder condoom. Romantische etentjes en geflirt waren aan mij niet besteed. Eén oogopslag was voldoende.

“Marathonseks met wildvreemden was mijn permanente poging om te ontsnappen aan mijn angsten en onzekerheden. Intussen masturbeerde ik me ook nog eens lamme vingers terwijl ik porno keek. Meer dan twintig jaar lang. In mijn meest favoriete pornovideo aller tijden figureren twee zwetende vrouwen die zich in alle mogelijke standjes laten berijden door vijftig bronstige heren. Ik was totaal losgeslagen en het leek quasi onmogelijk om te stoppen. Ik durfde er met niemand over praten en had nooit andere vrouwen horen vertellen over hun problematische omgang met seks. Er is geen betere brandstof voor verslaving denkbaar dan schaamte en stilte. Ik geloof echt dat ik een ander pad gekozen zou hebben als ik verhalen van vrouwen gehoord had over hun gevecht met hun seksverslaving. Dat is een van de redenen waarom ik mijn boek geschreven heb.”

 

Promiscuë mannen worden gezien als viriele kerels, terwijl promiscuë vrouwen het label ‘manziek’ krijgen opgekleefd?

Garza: “Ja. Het is voor mannen sowieso makkelijker om over hun seksleven te praten, op wat voor manier dan ook. Maar het wordt als onnatuurlijk beschouwd als een vrouw durft te zeggen dat ze veel behoefte aan seks heeft. Kranten houden van sensationele titels en maken van een vrouw met een grote seksdrive vaak een karikatuur. Ze noemen haar dan een ‘nymfomane’, terwijl mannen en vrouwen niet zo heel erg van elkaar verschillen als het op seks aankomt. Toen mijn eerste essay over mijn verslaving verscheen, kreeg ik veel reacties van zowel vrouwen als mannen. Ook nu na dit boek stromen de reacties binnen. Ze vertellen allemaal dezelfde verhalen, over het gebrek aan controle en schaamte.”

 

Wanneer besloot u om uw seksverslaving aan te pakken?

Garza: “Toen ik vlak voor mijn dertigste verjaardag voor de zoveelste keer door mijn sekshonger een relatie om zeep hielp.”

 

Want bij sommige van uw sekspartners speelde liefde wel een rol?

Garza: “Ja. Van zodra ikzelf een prille vorm van liefde voelde, bij mijn partners of bij mezelf, blies ik de relatie op. Ik had daar een heilige schrik voor. Maar die keer dat ik op het einde van mijn 29e levensjaar opnieuw een ontluikende liefdesrelatie opblies, was de keer te veel. Nadien crashte ik totaal. Bijna twee decennia lang kon ik het stemmetje in mijn hoofd onderdrukken dat zei: ‘Je hebt een probleem.’ In het voorjaar van 2012 begon het zo hard te roepen dat ik het niet langer kon negeren.

“Ik las ‘Eat, pray, love’ van Elizabeth Gilbert. In dat boek vertelt ze hoe ze als dertigjarige succesvolle schrijfster haar ogenschijnlijk gelukkige huwelijk opbreekt en aan een spirituele zoektocht naar zichzelf begint. Ze komt zo op het Indonesische eiland Bali terecht. Daar reisde ik na mijn crash ook heen en begon ik mezelf te verzorgen. Ik mediteerde er in de rijstvelden van Ubud en beoefende er elke dag yoga. Geleidelijk aan leerde ik mijn gedachten te focussen op andere dingen dan seks. Een yogalerares hielp me mijn hoofd vrij te krijgen en na te denken over mijn verleden. Hoe was het mogelijk dat ik zo extreem eenzaam geworden was, wegvluchtend in neuken en porno?

“Tijdens een yogasessie ontmoette ik de Australische jazzmuzikant Willow Neilson, de man die ik in mijn boek River noem en op wie ik verliefd werd. We trouwden later en hebben nu samen een dochter. Klinkt dat alsof ik als hulpeloos vrouwtje gered ben door een sterke man? (lacht) Zo was het echt niet, maar hij was wel de eerste bij wie ik me voldoende veilig voelde om àlles te vertellen, ongecensureerd en onopgesmukt. Tot mijn grote verbazing zette hij het niet op een lopen. Misschien was ik dan toch geen monster dat de liefde niet waard was. Terug in de VS ging ik naar meetings van de anonieme seksverslaafden. Net als de alcoholverslaafden van de Anonieme Alcoholisten streven zij via een twaalf stappenplan ‘nuchterheid’ na.”

 

Een anonieme alcoholist weet dat hij een leven lang de drank links moet laten liggen. Moet een anonieme seksverslaafde levenslang lust en seks afzweren?

Garza: “Goh, dat is een lastige kwestie. Elke anonieme seksverslaafde volgt zijn unieke weg naar herstel. In het begin ging ik driemaal per week naar de twaalf stappen-meetings van de Sex and Love Addicts Anonymous (SLAA). Zij adviseren om de prikkels tot een minimum te herleiden. Ik nam me voor om nooit meer naar porno te kijken en om enkel seks te hebben met mijn man. Ik beloofde om voortaan monogaam door het leven te gaan en legde mezelf strikte regels op. Dat was goed voor een tijdje, omdat ik zo mijn vastgeroeste patroon kon doorbreken. De regels zorgden voor rust, waardoor ik terug kon ademhalen en meer grip kreeg op mijn bestaan. Maar na verloop van tijd begon dat keurige leven onecht aan te voelen. Ik verlangde naar authenticiteit en wou achterhalen of ik het me kon permitteren de vrouw te zijn zoals ik me voelde: experimenteel en open van geest. Zou dat mogelijk zijn zonder te liegen tegen mijn geliefden en zonder een spoor van vernieling achter te laten? Intussen ben ik een andere richting ingeslagen dan die van de SLAA. Van mijn twaalfde tot mijn dertigste volgde ik mijn genotzuchtige pad, zonder compromissen, enkel gericht op mijn eigen bevrediging. Daarna volgde ik het pad van de absolute onthouding. Nu probeer ik een weg tussenin te vinden. Ik denk dat ik dat op mijn 35e wel aankan.

“Af en toe kijk ik terug porno. Niet omdat dat moét, maar omdat ik het leuk vind. Mijn man en ik hebben net een korte vakantie achter de rug op een ‘clothing optional resort’, een feminisme voor een vakantiedomein voor swingers. (lacht) Ik hoor sommigen nu denken: ‘Maar zij is een seksverslaafde, dan moet ze haar vakantie toch niet doorbrengen in een parenclub of naar porno kijken?’ Het grote verschil met vroeger is dat ik nu niet met andere mannen de liefde bedrijf uit schaamte of zelfvernietigingsdrang, maar omdat ik dat als gezonde volwassen vrouw samen met mijn man nu eenmaal graag wil. Ik ben ervan overtuigd dat een plek in het midden mogelijk is, tussen de allesvernietigende genotzucht en de totale onthouding in. Ik geloof echt dat het kan om op een verantwoorde manier porno te kijken, zoals het ook kan om op een verantwoorde manier alcohol te drinken.”

 

Alleen is porno door het mobiele internet nu altijd en overal.

Garza: “Dat kun je het internet toch niet kwalijk nemen? Alles hangt af van de motivatie van de gebruiker. Voedsel is ook alomtegenwoordig: de motieven van elk individu bepalen of iemand gezond eet of obesitas krijgt. Het is trouwens ook niet omdat je veel porno kijkt, dat je seksverslaafd wordt. Misschien heb je gewoon een stevig ontwikkeld libido. Porno is niet slecht of problematisch. Mensen kunnen zowat alles op een ongezonde manier gebruiken.”

 

U beschouwt zichzelf als genezen?

Garza: “Ja. Een van de redenen waarom ik afscheid nam van de SLAA, is omdat ik bij het begin van elke meeting moest zeggen: ‘Ik ben seksverslaafd en sta daar machteloos tegenover.’ Ik beschouw mezelf helemaal niet als een willoos slachtoffer van mijn seksverslaving. Ik geloof ook niet dat ik er voor de rest van mijn leven machteloos tegenover sta. Ik heb in het verleden zwaar met mijn seksverslaving geworsteld, maar nu is dat voorbij. Ik ben gezond.”

 

U bent niet bang dat u door uw boek de rest van uw leven het stigma van seksverslaafde zal dragen?

Garza: “Ik zie dat niet als een ‘stigma’. Ik schaam er ook niet meer voor. Niemand kan me ooit meer vernederen dan ik mezelf vernederd heb. Ik ben de schaamte voorbij. Het is toch goed dat ik door met mijn verhaal in de openbaarheid te treden, anderen kan helpen? Ik beschouw dit boek als mijn bijdrage aan een betere wereld. Ik ben heel fier dat ik het aangedurfd heb om een groot probleem aan te kaarten waar iedereen over zwijgt. Seksverslaving is veel meer verspreid dan algemeen wordt aangenomen. De medische wereld draagt een grote verantwoordelijkheid, want veel dokters betwijfelen dat het een geestelijke ziekte is. Seksuele verslaving staat niet meer in de officiële handleiding voor psychische stoornissen. Veel lotgenoten blijven zo in de kou staan.”

 

Erica Garza, Getting Off, Simon & Schuster

 

(c) Jan Stevens

“Osama is de meest beleefde mens die ik ooit ontmoet heb”

Jarenlang vocht de Libiër Noman Benotman aan de zijde van Al Qaida. Als oprichter en leider van Al-Jama’a al-Islamiyyah al-Muqatilah bi-Libya, a.k.a. Libyan Islamic Fighting Group (LIFG), onderhield hij nauwe contacten met strijdmakker Osama bin Laden. Na 9/11 sloeg de twijfel toe en een tijd later zei Benotman de radicale islam vaarwel. Vandaag leeft hij in Londen, waar hij voorzitter is van de antiradicaliseringsdenktank Quilliam. “Osama was een lichtgewicht. Het drong niet tot hem door dat je maar beter het machtige Amerika te vriend houdt als je je vijanden in het Midden-Oosten wil verslaan.”

 

Afspreken met Noman Benotman (51) is als afspreken met een Russische spion op Novitsjok-missie. “Wacht om drie uur aan de uitgang van metrostation Piccadilly Circus”, mailt Benotmans assistent een dag voor het interview. Waarna onze man ter plaatse op de dag van afspraak moet vaststellen dat er metro-uitgangen zijn op zowat elke hoek van het immense Piccadilly. Klokslag drie rinkelt de telefoon. “Steek uw hand op. Dan zie ik aan welke metro-uitgang u staat.” Een paar minuten later kom Benotman out of the blue te voorschijn, een pikzwarte iPhone X tegen zijn oor aandrukkend. “Een straat verder is een boekhandel met een koffiebar. Daar kunnen we rustig praten. Volg me”, zegt hij en zet er meteen stevig de pas in op zijn wijnrode handmade shoes uit Savile Row.

Het interview is nog maar een paar minuten bezig wanneer een jonge vrouw op handen en voeten onder ons tafeltje kruipt. Benotman veert als een duivel uit een wijwatervat recht en stoot het melkkannetje om. “Kan ik u ergens mee helpen?”, bijt hij de vrouw toe. “Ik werk hier en check gewoon iets”, antwoordt ze verschrikt. “U wil ons toch niet opblazen?” vraagt hij dreigend. Ze schudt het hoofd, verontschuldigd zich en duikt demonstratief onder het tafeltje van de buren.

 

Bent u bang voor een aanslag op uw leven?

Noman Benotman: “Ik heb bewijzen dat er mensen tegen mij aan het samenzweren zijn. Gelukkig leven zij buiten Groot-Brittannië. Als ik naar het buitenland ga, heb ik lijfwachten in dienst. Ik heb daar ondertussen mee leren leven. Alleen gun ik de terroristen die mij uit de weg willen ruimen liever niet te veel aandacht. Ik wil ze mijn bestaan niet laten binnendringen en ik wil niet dat ze mijn doen en laten bepalen, want dat is net hun doel. Ik wandel door de straten van steden over de hele wereld; niemand zal dat verhinderen. Maar ik moet altijd voorzichtig zijn, waakzaam en alert.”

 

Als voorzitter van Quilliam onderzoekt en bestrijdt u het jihadisme. Ooit was u nochtans zelf een jihadi. Zo voerde u in de jaren tachtig mee de heilige oorlog tegen de sovjets in Afghanistan.

Benotman: “Dat is wel heel lang geleden, vindt u niet? Ik heb trouwens een probleem met uw interpretatie van ‘heilige oorlog’. Dat is een westerse, christelijke term. U mag die niet zomaar verplaatsen naar het Midden-Oosten, want de culturele context is daar totaal anders. Noem de jihad nooit een heilige oorlog, want dat is het niet. Wat dan wel? U moet erover lezen om het te kunnen begrijpen. Noem het gewoon ‘jihad’ en niets anders. Als u Arabisch sprak, zou u de betekenis misschien makkelijker kunnen vatten.”

 

Blijft het feit dat u als jonge man de jihad ging voeren. Waarom?

Benotman: “Op 24 december 1979 viel de Sovjet-Unie Afghanistan binnen. De jihad die daarop volgde, had niet alleen met de islam te maken. Ik kan u een pak toespraken van de leiders van het vrije westen bezorgen waarin zij ons hun steun betuigden. Afgevaardigden van de Amerikaanse regering voerden aan de Afghaanse grens gesprekken met de moedjahedien, de geallieerde moslimstrijders die vochten tegen de Russen.”

 

Ze werden ook gefinancierd door de Amerikanen.

Benotman: “Ja, en dat was prima. De VS zouden daar vandaag fier op moeten zijn, in plaats van ons te verketteren. Want íemand moest het vuile werk opknappen; íemand moest het communisme stoppen.”

 

U beschouwt uzelf als een vrijheidsstrijder?

Benotman: “Nee, ik was een volbloed islamist. De Amerikanen wisten heel goed dat ze geen vrijheidsstrijders financierden, maar radicale moslims. En ook al bestrijd ik nu de radicale islam, toch aanvaard ik niet dat er nog maar gesuggereerd wordt dat de steun aan de moejahedien een vergissing was. De Amerikaanse president Ronald Reagan had honderd procent gelijk. Osama bin Laden was degene die later gek werd en in een maniak transformeerde, niet Reagan of de Britse premier Margaret Thatcher. Middenin de koude oorlog leidden de VS de coalitie tussen het westen en hun moslimbondgenoten tegen het rijk van het kwade, de Sovjet-Unie. Want vergis u niet: het communisme was in die tijd dé bron van het kwaad. Ik vind Rusland een fantastisch land, maar ik haat de communistische ideologie. Ik ben er dan ook heel fier op dat ik ze heb helpen vernietigen. Het communisme heeft honderden miljoenen doden op zijn geweten. Ik nam deel aan de jihad omdat ik net als zoveel andere generatiegenoten wou strijden tegen die goddeloze leer. Ik vocht dus niet in Afghanistan om er de democratie te helpen installeren. 35 jaar geleden wisten de Afghanen niet eens wat democratie betekende. Ze hebben er trouwens nog steeds geen kaas van gegeten. (lacht)”

 

Trok u ook naar het front omdat het een groot avontuur leek?

Benotman: “Ik was geen avonturier. Ik ben niet zoals de meesten, weet u. Ik stam niet uit zomaar een doorsnee milieu, maar uit een familie van aristocraten. Libië was vroeger een koninkrijk en mijn ooms, grootooms én grootvader waren gouverneur of minister. Ze bekleedden niet het eerste, het beste ministerpostje, maar waren minister van Justitie of Defensie. Ik was altijd het buitenbeentje. Mijn broers, neven, ooms zeiden: ‘Wat is dat toch met Noman?’ (lacht) Ik ben de enige Benotman in de hele geschiedenis die ooit eigenhandig de wapens opgenomen heeft én is gaan vechten tegen the powers that be. Ik stam af van ondernemers en businessmen. Wij zijn niet een of andere clan, maar de meest vooraanstaande familie van Tripoli.”

 

En toch raakte u geradicaliseerd.

Benotman: “Ja, op mijn 18e omarmde ik zeer extreme denkbeelden. Gedeeltelijk kwam dat omdat ik hunkerde naar kennis. Maar mijn pad naar radicalisering heeft óók veel te maken met kolonel Khadafi. Ik leefde in Libië toen die gek begon met het uitrollen van zijn totaal gestoord wereldbeeld. U herinnert zich misschien nog wel zijn afschuwelijke Groene Boekje uit 1975. Daarin beschrijft hij zijn denkbeelden die sterk aanleunden bij het communisme.

“Mijn familie heeft zwaar geleden onder het bewind van de zogenaamde ‘Broeder Leider’. In 1969 kwam hij via een staatsgreep aan de macht. De eerste 24 uur van zijn bewind werd mijn grootvader in de gevangenis gegooid. Opa was toen 73 en bleef meer dan vier jaar lang opgesloten. Een deel van ons fortuin werd door Kadhafi’s dievenbende aangeslagen. Hij maakte elk Libisch gezin totaal afhankelijk van de staat. Kunt u zich dat voorstellen? Vóór ‘69 was Libië een koninkrijk met een kapitalistische economie. In een paar jaar tijd vernietigde de geschifte kolonel de welvaart van elke Libische burger. Een ondernemer was in zijn ogen een crimineel. Een businessman vloog meteen in de cel, want die was per definitie hebzuchtig en ‘tegen het volk’. (lacht schamper) Daarom haat ik het communisme. Extreem socialisme is anti-menselijk. Als jongeman zag ik hoe mijn familie het slachtoffer werd van die ideologie. Dat zette een turbo op mijn persoonlijke radicalisering.

“Vanaf de eerste dag op de middelbare school kregen we militaire training. We moesten paraat zijn om het land te dienen. Op mijn dertiende paradeerde ik in een militair uniform over straat. De school was georganiseerd zoals het leger, met leerkrachten die zich gedroegen als officieren. De eerste keer dat ik met een Kalasjnikov vuurde, was niet in Afghanistan, maar in Tripoli. Als jongen van 14 leerde ik alle finesses van de handgranaat en werd ik een meester in het bedienen van de RPG-7, een draagbaar antitankwapen. We namen deel aan militaire maneuvers en op ons 18e waren we klaar voor de gewapende strijd. Ik vond én vind die militaire training fantastisch. (grijnst)”

 

Na het middelbaar was u meteen ook klaar voor de oorlog in Afghanistan?

Benotman: “Eigenlijk wel. Kadhafi propageerde het volksleger, net als in China. Hij heeft zo mijn generatie Libische jihadi’s gratis en voor niets helpen klaarstomen voor het slagveld.

“In 1984 wou ik aan de universiteit van Tripoli politieke wetenschappen gaan studeren. Op een dag kreeg ik van de decaan te horen dat ik geschrapt was. Vandaag weet ik wie daarachter zat: Abdel Hadi, de neef van Kadhafi. Die klootzak leeft nu in ballingschap in Egypte. Hij was ook student aan de universiteit en vond dat een jongen zoals ik uit een ‘antirevolutionaire, imperialistische familie’ geen recht had om politicologie te studeren. Die uitsluiting was dé trigger voor mijn allesverterende woede. Tot vandaag ben ik daar woest over. Die boeren van de Kadhafi-clan stalen eerst onze stad en schopten mij daarna van onze universiteit, terwijl mijn familie Tripoli is. Wíj bouwden die stad! Begrijpt u mijn woede? (stilte) Ik praat hier niet graag over, ik vertel u dat alleen maar omdat u ernaar vraagt.”

 

Heeft uw radicalisering ook te maken met uw temperament? Met alle respect, maar u lijkt me licht ontvlambaar.

Benotman: “Misschien wel. (lacht) Mijn ouders waren geen religieuze scherpslijpers. Af en toe nam mijn vader me wel eens mee naar de moskee. Meer niet. Ik was gek van de muziek van Pink Floyd en Led Zeppelin en reed rond op een prachtige motorfiets. Ik lag graag op het strand en reisde vanaf mijn 14e elke zomer voor drie maanden naar Londen. Ik kende het westen vanbinnen en vanbuiten.

“Na het debacle aan de universiteit stuurde mijn vader me naar de Spaanse hoofdstad Madrid, waar hij een bedrijf had. Hij wou me het land uit, tot mijn woede bekoeld was. ‘Kom terug als je weet wat je met je leven wil aanvangen’, zei hij. ‘Probeer om net als ik ook ondernemer te worden.’ Twee jaar lang leefde ik op zijn kosten in Madrid. Ik dook in het nachtleven en amuseerde me te pletter.”

 

Met alcohol, drugs en seks?

Benotman: “Dat zegt u. Laat ik het diplomatisch houden: it was too much fun. Terug in Libië herviel ik snel in mijn oude woede. Ik haatte het tuig dat er de lakens uitdeelde. In die periode begon ik te bidden. Het was een soort meditatie. In Tripoli opende ik onder de vleugels van vader een bakkerij met exclusieve gebakjes. De zaak was gevestigd in de meest chique buurt en groeide uit tot een groot succes. Een jaar later reed ik rond in de duurste BMW. Ik rookte, dronk en lag nog vaak aan het strand, maar begon tezelfdertijd ook te lezen over de islam. Een paar van mijn beste vrienden omarmden het salafisme. Het was de tijd van Al–Sahwa Al-Islamiyya, ‘Islamitisch ontwaken’. Die conservatief islamitische beweging startte in Saoedi-Arabië en trok als een wervelwind over het hele Midden-Oosten. Steeds meer jonge mensen raakten van Al-Sahwa in de ban. Ze begonnen te bidden, gingen naar de moskee en luisterden naar cassettebandjes met preken van alom gerespecteerde Saoedische geleerden. Het was een vreedzame salafistische organisatie die niet opriep tot geweld of terreur. Sjeik Safar Al-Hawali was zeer populair bij jonge Libiërs zoals ik. Hij zit nu in de gevangenis in Saoedi-Arabië omdat hij zich tegen het koningshuis keerde. Ook ik begon naar zijn preken te luisteren. Niet veel later ontdekte ik de geschriften van Said Qutb. Die trokken me gaandeweg het islamisme in.”

 

De in 1966 geëxecuteerde Qutb was huisideoloog van de Egyptische moslimbroederschap en gold als een van de belangrijkste inspirators van Al Qaida-leiders Osama bin Laden en Ayman al-Zawahiri.

Benotman: “Qutb inspireerde ook mij. Ik heb elk woord gelezen dat hij ooit op papier gezet heeft. Ik las zelfs de teksten en gedichten die hij in de jaren twintig en dertig schreef als seculiere liberaal, vóór hij islamist werd. Ik begon anderen twee maal per week te onderwijzen in zijn geschriften, in geheime bijeenkomsten. Ik heb dus zelf ook verschillende mensen geradicaliseerd. Said Qutb is de Karl Marx van het islamisme: zijn klassenstrijd is religieus geïnspireerd. Net als Marx voerde Qutb een internationale strijd, zonder compromissen en zonder nuances. Alles is zwart-wit, strijd staat centraal en op het einde verslaat de ene groep de andere. Qutb gaf betekenis aan mijn leven in die geschifte socialistische samenleving die Libië toen was.”

 

U doopte uzelf tot Aboe Mohammed al-Libi en richtte Al-Jama’a al-Islamiyyah al-Muqatilah bi-Libya op, of de Libyan Islamic Fighting Group (LIFG). Het doel was de oprichting van een islamitische staat in Libië. Vlak na 9/11 werd LIFG als Al Qaidafiliaal door de VN op de terroristenlijst gezet en wereldwijd verboden.

Benotman: “Ten onrechte. Ikzelf en mijn organisatie waren nooit lid van Al Qaida. LIFG was altijd onafhankelijk.”

 

U had toch rechtstreeks contact met Al Qaidaleiders Osama bin Laden en Ayman al-Zawahiri?

Benotman: “Natuurlijk. Ik had contact met al die verguisde namen waar nu waarschijnlijk aan denkt. Niet alleen met Bin Laden of Zawahiri, maar ook met Taliban-leider Mullah Omar én met alle leiders van de Afghaanse jihad. We vormden een alliantie zoals de NAVO. Vanaf 1992 begonnen de moedjahedien zich uit Afghanistan terug te trekken. Ik bleef er als een van de laatsten. Wij, Libiërs, runden de militaire trainingskampen en verblijfplaatsen in Pakistan en Afghanistan voor de Arabische jihadi’s. We hadden een dure, loodzware satelliettelefoon en werden gebeld door bijvoorbeeld een sjeik uit Tadjikistan: ‘Kunnen jullie de broeders onderdak verlenen en wat tactiek bijbrengen?’ We ontvingen ze dan eerst in Pakistan en transporteerden ze na een paar dagen naar ons trainingskamp in Afghanistan. Daar bleven ze soms een paar maanden. Zo’n trainingskamp uitbaten, kostte flink wat geld. Als we slechts een man of tien van onze eigen club konden trainen, belden we naar Al Qaida. ‘Zeg jongens, hebben jullie in de nabije toekomst opleidingen gepland? Waarom sturen jullie de broeders niet naar ons? Dan delen we de kosten.’ Een week later waren ze er. Zo ging het voortdurend. Dus ja, u hebt gelijk: we werkten samen met Al Qaida. Maar we stonden nooit onder het bevel van Bin Laden en waren dus geen filiaal.”

 

U deelde wel zijn ideeën?

Benotman: “Maar nee. LIFG was nooit betrokken in een internationale terroristische aanslag. We waren daar tegen en Bin Laden wist dat. Een grote aanval tegen Amerika vonden wij een waanzinnig idee.”

 

Klopt het dat u in de zomer van 2000 op een Al Qaida-meeting in de Afghaanse stad Kandahar zelf van Bin Laden over de nakende aanslagen van 11 september 2001 hoorde?

Benotman: “We kunnen het over gebeurtenissen hebben, maar liever niet over specifieke tijdstippen. Het is nog te vroeg voor mijn autobiografie.”

 

Toch vertelde u in 2005 al aan de Amerikaanse journalist Peter Bergen over die meeting in Kandahar. Osama bin Laden zou u toen toevertrouwd hebben dat er een immense actie op het getouw stond, waarna hij ‘met pensioen’ zou gaan.

Benotman: “Dat is juist, maar die uitspraak van Bin Laden was een reactie op mijn vraag: ‘Waarom maak je het de Taliban en de rest van de wereld zo moeilijk met je zinloze aanslagen tegen Amerika?’ In 1998 had hij al bomaanslagen laten plegen op de Amerikaanse ambassades in Tanzania en Kenia. Dat werkte contraproductief, want zo kregen wij allemaal de Amerikanen op ons dak. Ik vond dat Bin Laden in eigen voet geschoten had, maar de idioten en ja-knikkers rond hem waren dolenthousiast over zijn strategie om de jihad te internationaliseren. ‘Amerika provoceren is heel goed!’ Ik zei: ‘Wat winnen moslims daarmee? Geef me één voordeel van wat een aanslag op een Amerikaans doelwit oplevert.’”

 

9/11 heeft van Osama bin Laden een mythische figuur gemaakt.

Benotman: “Van het kaliber van Adolf Hitler, ja. Ik ben nog steeds moslim en Arabier, maar geen jihadist meer. Al Qaida en IS zitten op de golflengte van de nazi’s. Ze zijn misschien nog slechter, want ze slachten hun eigen mensen af. En dat enkel en alleen omdat ze er rotsvast van overtuigd zijn dat ze verkondigers zijn van de absolute waarheid. De man die tegenover u zit, vocht jarenlang aan de frontlinie. Jarenlang.”

 

En doodde daar veel andere mensen?

Benotman: “(stilte) Okay. Sommigen vuurde naar mij en ik vuurde terug. Ik zat in een oorlog, maar ik viel geen burgers aan in een stad. Ik reageerde op de acties van militairen die Scud-raketten naar onze stellingen lanceerden.”

 

De doden komen u nu niet opzoeken in uw slaap?

Benotman: “Nee, ik ben geen crimineel die burgers gedood heeft. Ik was een heel dapper soldaat. Het is nooit in mij opgekomen om een burger neer te schieten.”

 

U was dus nooit een terrorist?

Benotman: “Nee, en dat is ook de reden waarom ik nu tegen hen strijdt. Terroristen zijn gekken en moéten geëlimineerd worden. Osama bin Laden is het meesterbrein achter die immense golf van terreur. De mensen rond hem die nu nog leven, blijven ervan overtuigd dat hij het bij het rechte eind had. Terwijl de essentie van zijn boodschap was: ‘Dood al wie het niet met je eens is, inclusief vrouwen en kinderen.’ In augustus 1996 verklaarde Bin Laden in een fatwa de oorlog aan Amerika en in februari 1998 vaardigde hij de fatwa uit dat elke Amerikaan en elke bondgenoot van Amerika gedood moest worden. Elke individuele Amerikaan! De reden: ‘Omdat ze belasting betalen, collaboreren ze met het Amerikaanse regime.’ Later zei ik tegen hem: ‘Jij, idioot…’”

 

U noemde Bin Laden in zijn gezicht een idioot?

Benotman: “Jazeker, of nee, okay, ik noemde hem geen idioot, maar ik zei wel dat hij zich vergiste en dat hij ook vanuit religieus oogpunt de bal missloeg. Kijk, die meeting waar u daarnet naar verwees, duurde zeven dagen. Sjeik Mahfouz Ould al-Walid, alias Aboe Hafs al-Mauritani, hield er een minutieus verslag van bij. Hij werd later door de Amerikanen gearresteerd omdat hij geboekstaafd stond als religieus leider van Al Qaida. Maar hij was onschuldig, want ik weet heel goed dat ook hij zich op die meeting verzette tegen Bin Ladens plannen. Sjeik Mahfouz was heel blij toen ik het aandurfde om tegen Osama en Ayman al-Zawahiri in het verweer te gaan. Hij leeft nog en woont als een vrij man in Mauritanië. Na jaren van ondervraging hebben de Amerikanen zijn naam gezuiverd. Hij heeft nooit deelgenomen aan een complot om burgers aan te vallen en is hoofdgetuige van die zeven dagen durende meeting. Al zijn notities sloeg de sjeik op in zijn laptop en hij stuurde alle deelnemers een kopie. Er bestaat dus bewijs van mijn interventies. Bin Ladens plannen om burgers aan te vallen gingen zelfs in tegen de religieuze visie van de Taliban. Ik zei tegen hem: ‘Volgens jou mag ik morgen om het even welke supermarkt in Amerika binnenvallen en alle vrouwen en kinderen die voor mijn loop komen, afknallen? Mijn beloning zal dan zijn dat ik rechtstreeks naar het paradijs ga, ook als ik moslims dood?’ Bin Laden antwoordde: ‘Ik geef alleen de context. Belastingbetalers zijn medeplichtig aan de misdaden van hun westerse regimes.’ Ik zei: ‘Stel dat 50 % van de zeven miljoen moslims in de VS belastingen betalen, wil dat dan zeggen dat jij de helft van de Amerikaanse moslims mag uitroeien? Weet je eigenlijk wel dat al degenen die in het westen geen belasting betalen, beschouwd worden als grote criminelen? Zij bestelen de staat; dat is daar erger dan dealen van drugs.’ Osama was gechoqueerd. Ach, hij was een lichtgewicht. Het drong niet tot hem door dat je maar beter het machtige Amerika te vriend houdt als je je vijanden in het Midden-Oosten wil verslaan. Anders riskeer je dat het de bondgenoot wordt van je vijanden.”

 

Naar het schijnt was Osama een vriendelijke man met een zoetgevooisde stem.

Benotman: “Hij is de meest beleefde mens die ik ooit ontmoet heb. Ik herinner me die keer dat ik al discussiërend vreselijk kwaad werd. Tijdens de theepauze nam een andere Libiër me apart: ‘Noman, wat is er met je aan de hand? Je hebt daarnet een rode lijn overschreden door hier in Osama’s huis tegen hem te brullen. Je moet hem met respect behandelen; we zijn bij hem te gast.’ Bin Laden liet zich nooit provoceren, maar bleef zijn beminnelijke zelf. Altijd glimlachend, ook al ging je vierkant tegen hem in het verweer. Hij verhief nooit zijn stem. Een beleefde, vriendelijke, minzame man. Maar als we over aanvallen spraken, raakte hij op dreef. Hoe meer doden, hoe lyrischer hij werd. Hij vond al die bloedige aanslagen terechte vergeldingen voor wat het westen volgens hem aanrichtte in de moslimwereld.”

 

Kent u de Britse haatprediker Anjem Choudary, de grote inspirator achter ‘onze’ Fouad Belkacem? Ook hij vindt de aanslagen van Al Qaida en IS terechte vergeldingsacties voor de westerse bemoeienis in landen als Irak en Afghanistan.

Benotman: “U zet Choudary toch niet op dezelfde lijn als Osama bin Laden? Hoeveel jaren heeft die man het intussen over de jihad als weg naar het paradijs? Waarom is hij dan nooit zelf vertrokken? Osama zat aan het front, in miserabele omstandigheden. Ik heb met eigen ogen gezien hoe hij in Afghanistan leefde. Hij had geen elektriciteit; er was helemaal niets. ‘Ik kan niet tezelfdertijd oorlog voeren en mezelf blootstellen aan de verlokkingen van de westerse samenleving’, zei hij. ‘Mijn mensen moéten leven zonder beïnvloeding door het westen.’ Dat ging erg ver: ze mochten geen ijskast of airco hebben. In de zomer werd het er bijna 50 graden. Ik zei: ‘Je zal hier levend koken. Denk aan de kinderen.’ Het krioelde er van de kleuters en peuters. ‘Nee, geen airco. Luxeproducten maken ons zwak.’ Ook in Soedan, waar hij in 1992 naartoe vluchtte, zag zijn huis er aan de buitenkant prima uit, maar binnen was er niets.

“Ach, ik kan me zo opwinden over schertsfiguren als Anjem Choudary. Jarenlang leuteren ze over de oorlog terwijl ze nooit een voet op het slagveld gezet hebben. Ik zal ze pas ernstig nemen als ze zelf het vuur op de vijand geopend hebben en zelf beschoten zijn. Pas dan mogen ze praten over de jihad. Ik vind het onaanvaardbaar dat Choudary en zijn poulain Belkacem zichzelf op hetzelfde niveau plaatsen als de echte strijders. Alleen mensen die net als ik de oorlog meegemaakt hebben, zijn geloofwaardig.”

 

Osama bin Laden was dus ook geloofwaardig?

Benotman: “Ja, want hij was de miljonair die was gaan leven zoals een doorsnee Afghaan. Zijn kleine kinderen waren niet te onderscheiden van de Afghaanse. Ik zag ze blootsvoets met de anderen spelen in hun lompenkleren. Mensen geloofden in Osama omwille van zijn authentieke verhaal. Maar luister naar zijn toespraken en je ontdekt geen uitzonderlijk groot intellectueel. Ik heb hem nooit iets horen verkondigen waarvan ik dacht: ‘Wauw, wat een denker!’ Op religieus vlak was hij zwak. Bin Ladens opvolger Ayman al-Zawahiri is dan weer andere koek. Hij is helemaal geen charismatische leider, maar wel zeer slim. Ook hem ken ik heel goed. Hij is superieur aan Bin Laden. Big time.”

 

Is Zawahiri de echte architect van 9/11?

Benotman: “Nee, dat was toch Bin Laden. De bedenker van de aanslagen was de Pakistaan Khalid Sheikh Mohammed die nu in Guantanamo gevangen zit. Toen Mohammed zijn plan aan Osama ontvouwde, zei die: ‘Klinkt goed. Ik kan het laten gebeuren.’ Khalid Sheikh Mohammed had in 1993 samen met zijn neefje Ramzi Yousef al eens geprobeerd om het World Trade Center in New York op te blazen. De aanslag mislukte omdat het ontstekingsmechanisme niet in overeenstemming was met de hoeveelheid TNT.”

 

De aanslagen van 9/11 waren het ontstekingsmechanisme voor uw deradicalisering?

Benotman: “Het besef dat er iets mis was met de radicale islam kwam niet van de ene dag op de andere. Dat was een geleidelijk proces. Ik ben nu heel fier op mijn werk als voorzitter van Quilliam. Wij strijden tegen die radicale islam. We praten op mensen in, bieden deradicaliseringsprogramma’s aan maar aarzelen ook niet om keihard tegen de islamisten op te treden. We mogen nooit toestaan dat zij onze democratische samenleving infiltreren. We moeten ze compromisloos bestrijden.”

 

Hebt u spijt van uw eigen jihad?

Benotman: “Nee, waarom zou ik? Ik vocht tegen het communisme. Denkt u dat Ronald Reagan zich in zijn graf ligt te schamen voor zijn strijd tegen het communisme? Voor het feit dat hij de moedjahedien in Afghanistan geld toestopte? Ik geloof nooit dat hij daar ook maar één moment spijt van gehad heeft. Waarom moet ik mij dan schamen? Ik ben een mens en geen engel. Misschien zijn er dingen die beter anders verlopen waren, maar veranderen kan ik ze toch niet. Wat voor zin heeft het dan om daar nog over te piekeren?”

 

(c) Jan Stevens

Seks, drugs en datingapps: de wilde weekends van James Wharton, gewezen elitesoldaat en boordschutter van prins Harry

Elk weekend stond bij de Britse homo James Wharton in het teken van seks en drugs. In rock-‘n-roll had hij geen zin meer; chemseks was het enige dat telde. “Chemseksfeestjes zijn even dodelijk als aids. Ze verspreiden zich als een bosbrand. Oòk in Antwerpen, Brussel en Gent.”

 

In 2003 zei de toen zestienjarige James Wharton zijn ouders in de Welshe stad Wrexham vaarwel: hij trok naar Londen en nam er dienst in het Britse leger. “Dat was amper drie jaar nadat homo’s officieel soldaat mochten worden.” Op zijn achttiende vrijde hij voor het eerst met een man in een Londense gaybar. “Daar hoorde ik ook voor het eerst dat je als homo een condoom moet gebruiken.” En in 2009 sierde hij als eerste openlijke homosoldaat de cover van het legermagazine Soldier. James Wharton ging in 2007 vechten in Irak, zat samen met prins Harry, Charles en lady Di’s jongste spruit, in het elitekorps Blues and Royals van de Household Cavalry en groeide uit tot de favoriete man in uniform van de Britse gay-scene. Nadat hij in 2013 na a very distinguished career afzwaaide, trad hij in het huwelijk met zijn verloofde Thom. In de zomer van datzelfde jaar verscheen zijn autobiografie ‘Out in the army: my life as a gay soldier’. Daarin beschreef hij hoe prins Harry hem in 2008 op oefening in Canada uit de klauwen van een groep homofobe infanteristen redde. Het boek werd een instant bestseller en ideale gay-schoonzoon James Wharton een celebrity. Tot afgelopen zomer zijn nieuwe boek ‘Something for the weekend’ verscheen waarin hij zich outte als een verslaafde aan chemseks, seksorgieën onder invloed van chemische drugs. “Veel Britten vielen van hun stoel”, zegt hij, terwijl hij met zijn vork in een spuuglelijk en walgelijk duur gebakje pookt. We zitten in een posh koffiehuis vlakbij het hippe Borough Market in Zuid-Londen. Begin juni zaaiden drie jihadisten hier dood en vernieling; vandaag is het weer business as usual. James Wharton werkt vlak om de hoek, als communicatiemanager van een verzekeringsfirma met enkel holebi’s als cliënteel. “Ik heb de reputatie een conservatief te zijn”, zegt hij. “Sinds mensenheugenis steun ik de Tories. Ik was netjes getrouwd met mijn man, we leefden in een mooi huis op het platteland en gingen elk weekend met de honden wandelen. Als je me niet persoonlijk kent en enkel mijn eerste boek gelezen hebt, is het beeld dat je van me hebt dat van een nette burgerlijke jongen. Het kan dus niet anders dan een schok voor al die brave mensen geweest zijn om in ‘Something for the Weekend’ te moeten ontdekken hoe ik de voorbije vier jaar geëvolueerd ben. Net voor mijn huwelijk op de klippen liep, had ikzelf nooit geloofd dat ik niet veel later geobsedeerd zou zijn door drugs en seks. Maar that’s life.”

 

Mag ik u een icoon van de Britse gay-scene noemen?

James Wharton: “Omdat ik in het leger voor mijn geaardheid uitkwam? Ik was niet de eerste soldaat die openlijk gay was, al kreeg ik wel de meeste aandacht. In 1999 werden nog 298 soldaten uit het leger gezet en gecriminaliseerd omwille van hun seksuele voorkeur. Dat was het laatste jaar waarin gay zijn in het leger illegaal was. Op korte tijd is er dus heel veel ten goede veranderd. Ik werd hier in Groot-Brittanië de bekendste gay-soldaat omdat ik me op de juiste plaats en de juiste tijd in de geschiedenis bevond. Het leger gedroeg zich als een soort van geheim genootschap van mannen onder elkaar. Op het moment dat ik er deel van uitmaakte, zat de strijd voor gelijke homorechten in de maatschappij in de lift. Ik ben trots op wie ik ben en dat zelfbewustzijn werd opgemerkt.

“Het schrijven van ‘Something for the weekend’ werkte voor mij zeer bevrijdend. Zeker zolang ik alleen in mijn slaapkamer aan het tikken was en ik het nog aan niemand had laten lezen. Maar toen het boek bijna af was, werd het plots lastig. Want ineens was er die grote drang om terug drugs te nemen. En ik kon dat niet tegenhouden. Het einde van het boek schreef ik terwijl ik high was. Mijn herval duurde een maand, en daarna raakte ik nog een paar keer het spoor bijster. Nu is alles voorlopig oké, maar tijdens de laatste hoofdstukken van het boek was ik de pedalen kwijt. Mijn teksten hingen als los zand aaneen. Mijn redacteur bij de uitgeverij slaagde er gelukkig in het kapseizende schip terug recht te trekken.”

 

Waarom ging u op uw zestiende in het leger?

Wharton: “Omdat dat mijn allergrootste droom was; ik wou niets anders. Of toch: ik wou formule 1-coureur worden. Mijn favoriete race was de Belgische grand prix. (lacht) Maar dat was niet echt realistisch en de enige andere interesse die ik als jonge jongen had, was het leger.”

 

U bent geen pacifist?

Wharton: “Nee, helemaal niet, eerder het tegengestelde. Het leger is een cruciaal onderdeel van de democratie. Zestien is inderdaad heel jong om dienst te nemen, maar in dit land is dat niet ongewoon. In onze samenleving wordt er wel voortdurend over gediscussieerd of het ethisch verantwoord is om jongens van zestien soldaat te laten worden.”

 

Want eigenlijk zijn het kindsoldaten?

Wharton: “Er zijn procedures die ervoor moeten zorgen dat ‘het kind’ zoals jij het noemt, niet aan extreme gevaren wordt blootgesteld. Natuurlijk train je die jongen van zestien om te doden. Ik weet bijvoorbeeld dat er jongens van zeventien zijn ingezet tijdens de eerste golfoorlog in Koeweit. Maar als een zestienjarige terechtkomt in een geoliede organisatie die hem een doel in zijn leven geeft en waarden bijbrengt, maakt het niet uit of hij in het leger terechtkomt of bij de post. Ik vind zelf niet dat je hem naar het slagveld in Irak mag sturen, maar je kunt hem in tijden van overvloedige regenval wel in een overstroomde stad in het zuiden van Engeland brave burgers uit hun huizen helpen redden.”

 

In 2007 ging u vechten in Irak. U was het eens met de invasie?

Wharton: “Toen wel. Nu we weten dat ze gebaseerd is op leugens van de toenmalige premier Tony Blair, niet meer. Ik vind het onvoorstelbaar dat hij zich voor die misdaad nooit heeft moeten verantwoorden.

“Ik heb in Irak zeer ingrijpende ervaringen meegemaakt, maar als soldaat leef je de hele tijd in een soort van bubbel. Je bent in het gezelschap van je allerbeste vrienden en je zit samen in hetzelfde schuitje. Als een van de jongens er even aan de stress onderdoor ging, was het heel normaal dat we hem omarmden en troostten.”

 

Later zat u samen met prins Harry in een tank?

Wharton: “Ik was zijn gunner. Op oefening in Canada raakte ik in de problemen met een groep homofobe soldaten die ik niet kende. Ik ben iemand die zijn eigen gevechten voert, maar toen waren ze met te veel. Harry was mijn directe officier en ik richtte me bijna instinctief tot hem: ‘Help, ik zit in de shit.’ Hij diende die kerels op een zeer adequate manier meteen van antwoord. Ik had daar toen geen grootse gevoelens bij. Natuurlijk wist ik donders goed wie hij was, maar het leger is heel goed in het opnemen van iedereen, wat je achtergrond ook is. We waren allemaal ‘gelijk’. De enige hiërarchie was die van officiers en soldaten. Al de rest bestond niet meer.”

 

Onlangs zag ik prins Harry in een documentaire over zijn moeder Diana. Hij leek me een kerel om een pint mee te gaan drinken in de pub.

Wharton: “Dat is hij ook. Maar hij was een officier en er waren nogal wat momenten waarop hij zich liet gelden. Als het nodig was, kon hij een zéér agressieve soldaat zijn. Hij is eigenlijk één van de meest agressieve soldaten die ik ooit ontmoet heb. I like that.”

 

Was u een agressieve soldaat in Irak?

Wharton: “O ja. Maar als je naar een conflict trekt, kun je niet zeven maanden lang, 24/7 agressief zijn. Je bent je wel voortdurend bewust van de reden waarom je daar bent. Ik voelde heel die tijd zeer goed dat ik in een omgeving zat met mensen die eropuit waren om me te doden. Dat besef was voldoende om me alert te houden, maar dat is niet hetzelfde als een continue staat van agressiviteit. Britse soldaten staan trouwens bekend om hun bijzondere gevoel voor humor, zelfs op de meest uitzichtloze ogenblikken. Zo herinner ik me dat op een missie in de woestijn een van onze Iraakse vertalers het leven liet. Ik kwam samen met een collega als eerste op de plaats van het ‘incident’ toe. Het was een verschrikking: naast de Iraakse dode waren drie Britse soldaten zwaargewond. We dienden de eerste zorgen toe en beveiligden de omgeving. Vervolgens zetten we op onze iPod Elvis Presley op. Stel het je voor: we zitten daar midden in de Iraakse woestijn, we kunnen op elk moment beschoten worden, met naast ons in een verhakkeld legervoertuig drie zwaargewonde soldaten en één dode tolk. Terwijl we op de helikopters wachten, weergalmt Elvis Presley uit de luidsprekers en zingen wij uit volle borst mee. (lacht)”

 

In december 2015 schreef ene Hamish Parsons een opiniestuk in de Independent waarin hij zich voorstelde als liefhebber van chemseks en zijn levensstijl haarfijn uit de doeken deed. Hamish Parsons bent u. Was dat artikel-onder-pseudoniem toen een schreeuw om hulp?

Wharton: “Niet expliciet. Alleen mijn beste vriend wist dat Hamish Parsons mijn alter ego was. Ik schreef dat artikel omdat er op dat moment in de Britse media met de vinger naar homo’s gewezen werd: ‘Kijk hoe ze zich in het weekend te buiten gaan aan orgiën van chemseks. Is dat niet vreselijk?’ De retoriek in de pers was veroordelend, eenzijdig en sensationeel. Niemand uit de chemseksscene durfde daartegenin te gaan. Met mijn artikel was ik de eerste, al was het dan in disguise. Toen ik het schreef, stond ik stijf van de drugs en popelde ik om de spreekbuis te zijn van de chemseksgemeenschap.”

 

U noemt het een ‘gemeenschap’.

Wharton: “Ja, maar misschien past subcultuur beter. Toen ik zelf nog ‘onschuldig’ was, maakte ik kennis met een heel aardige man die in het middelpunt van de Londense chemseksgemeenschap zat. Hij was een fervent gebruiker van alle drugs die eraan vasthangen en ik vond hem ontzettend sympathiek. De eerste keer dat we samen uitgingen, belandden we in een uitstekend restaurant. Het eten was lekker en de sfeer zat goed. Tijdens de koffie nodigde hij me uit naar zijn appartement. ‘Er zullen nog een paar kerels zijn’, zei hij. ‘Waarom kom je niet mee? Het gaat er rustig en relaxed aan toe en misschien maak je wel nieuwe vrienden.’ Die uitnodiging klonk als muziek in de oren van een single die eenzaam was en niet zeker wist wanneer hij nog eens intiem contact met een menselijk wezen zou hebben. Die heel fijne man beloofde me contacten met andere fijne mannen in een fijne omgeving op een moment dat ik lonely as hell was. Al besefte ik dat op dat moment zelf niet. In het leger was ik vanaf mijn zestiende altijd omringd door mannen, door knappe aardige vrienden. Tijdens ons huwelijk vormden ik en mijn ex-man een tandem, tot onze relatie begon te verkruimelen en in een scheiding eindigde. Op mijn 27e was ik in dit gigantische Londen gestrand zonder soldaten en zonder echtgenoot. Ik was single en vroeg me vertwijfeld af: ‘Fuck, wat nu?’ Dus ging ik graag op zijn uitnodiging in, en net zoals hij beloofd had, zat zijn woonkamer vol met dertig indrukwekkende, sexy en leuke mannen. Ze zaten continu aan de drugs.”

 

Chemische drugs.

Wharton: “Ze snoven mephedrone, bijgenaamd M, Meph, M-Cat of Meow Meow en ze dronken GBL, bijgenaamd G of Gina. Nog geen crystal meth. Voor die drug hadden we ook lieftallige benamingen: Tina, Meth, Ice, Glass en Crank. Die bijnamen waren handige eufemismen om bestellingen door te geven aan de dealer. ‘Breng Tina mee’ klinkt onschuldiger dan: ‘Bezorg me crystal meth.’ Die avond zaten ze enkel aan het doordeweekse M en G. Tina kwam later.”

 

Waar u supersnel verslaafd aan raakte.

Wharton: “Ja, alleen vraag ik me nu af waaraan ik verslaafd was. Aan de drugs of aan het hele pakket? Dat hele pakket omvat ook al die goed uitziende mannen die geïnteresseerd waren in mij en graag met me wilden praatten. Ik had een interessante achtergrond met mijn ervaringen in het leger én ik had een boek geschreven. Die eerste avond zat ik tussen al die aardige, nieuwsgierige mensen die me spontaan hun drugs aanboden. Ik vond het geweldig en ik wou daar graag elk weekend opnieuw deel van uitmaken.”

 

De mannen die u ontmoette, waren ook allemaal succesvol?

Wharton: “Het was een dwarsdoorsnede van de bemiddelde homogemeenschap van Londen met advocaten, dokters, journalisten, parlementaire medewerkers, wetenschappers. Ze werden snel vrienden. Het volgende weekend zag ik ze opnieuw, een week later nog eens, de week erna opnieuw. Ik leerde ze beter en beter kennen, er kwamen andere mensen bij en er gingen er ook weer weg. Zes weken later maakte ik deel uit van een netwerk van toffe homomannen die elk weekend op iemands flat in Noord-Londen aan de drugs zaten. Later verhuisde ik van Camden naar dit deel van Zuid-Londen omdat die drugweekends heel erg mijn leven begonnen te bepalen. Hier kende ik niemand, maar ik wist ook niet dat deze wijk eigenlijk de chemsekshoofdstad van de wereld is. (lacht) Toen ik dat ontdekte, dacht ik eerst: ‘Oeps’, en later: ‘Well, okay.’ Mijn moeder is er nu van overtuigd dat ik opzettelijk naar hier verhuisd ben omwille van de chemseks, maar dat is echt niet zo. Integendeel, ik was er voor op de vlucht.

“Het scenario was elke week hetzelfde: op donderdagnamiddag of vrijdagmorgen sms’te een van mijn nieuwe vrienden: ‘James, kom je vrijdag ook naar ons feestje?’ Na een maand of twee werd ik voorzichtig geïntroduceerd in die andere groep van succesvolle Londense homo’s. Zij deden exact hetzelfde als de eerste groep, alleen trokken zij in de loop van de avond hun kleren uit. Niemand nam er aanstoot aan als je plots met iemand begon te flikflooien. Af en toe verdween een koppel naar de slaapkamer. Nog een maand later zat ik in een groep waar we een heel weekend lang niets anders deden dan onder invloed van drugs elkaar hardcore neuken. Niemand verdween naar een slaapkamer, het gebeurde onder ieders neus. Het werd harder en harder, mechanischer en mechanischer. Ik stapte op vrijdagavond de kamer binnen, deed mijn kleren uit en snoof, dronk en neukte een weekend lang non-stop. Emotieloos, zielloos.

“Sommige chemseksvrienden waren advocaten die aan het hooggerechtshof uiterst belangrijke zaken van zeer grote klanten verdedigden. Op vrijdagavond stapten ze iemands flat binnen waar ze high werden en seks hadden met zes verschillende mensen.”

 

Nadat u crystal meth ontdekt had, schakelde u nog een paar versnellingen hoger?

Wharton: “Na mijn kennismaking met Tina, duurden mijn chemseksweekends soms tot dinsdag. Tina maakte het mogelijk dat ik zes dagen lang non-stop kon neuken. In combinatie met Viagra, want zonder kreeg ik hem niet omhoog. Ik leerde iemand kennen die met de hulp van Tina twaalf dagen aan een stuk neukte. Hij sliep niet en vroeg zich na elke neukpartij paniekerig af: ‘Wie is de volgende?’ Hij zat gevangen in een vreselijke psychose.

“Een chemseksverslaving is erg complex. Elke week was er die spanning om nieuwe knappe mannen te leren kennen waar je vervolgens urenlang mee kon neuken. Die ervaringen werden nog eens duizendmaal versterkt met zeer krachtige drugs. En dan zijn er apps zoals de datingsite Grindr die het poepsimpel maken om gelijkgezinden te vinden. Op mijn iPhone kan ik nu zien welke homo of biseksuele man in de buurt zin heeft in een portie chemseks. Of wie er op een chemseksparty zit. Als hun status zegt: HnH, horny and high, weet je hoe laat het is.”

 

Zonder die moderne technologie hadden de chemseksfeestjes nooit zo’n vlucht genomen?

Wharton: “Zeker weten. Op Grindr zie ik tot op de meter waar ik een kerel kan vinden die in is voor een feestje of een wip. Grindr is niet de enige app, maar wel de meest gebruikte. De digitale technologie zorgt ervoor dat àlles direct mogelijk is. In een paar minuten spreek je met iemand af om seks te hebben. Dat geldt niet alleen voor Londen, maar voor de hele wereld. Chemseks is geen exclusief Londens fenomeen; het is even populair in Brussel, Amsterdam, Antwerpen, Berlijn of Parijs. Ik was in Sidney, New York, Los Angeles, Berlijn… ‘dankzij’ Grindr kwam ik overal aan mijn trekken. Op zaterdag 20 juni 2015 gaf ik een lezing over mijn eerste boek in Gent, op het toppunt van mijn chemseksverslaving. Guess what. (lacht) We zouden het beter over het chemseksuniversum hebben in plaats van over de chemsekssubcultuur. It’s huge.”

 

Tijdens de werkweek zat u nooit aan de drugs?

Wharton: “Nee, wat best interessant is en misschien wil zeggen dat ik niet verslaafd ben aan de drugs alleen. Dat is precies ook wat hulpverleners me zeggen: ‘Je bent niet echt een drugsverslaafde want je hebt daar nog controle over.’ Chemseksverslaafden zijn geen junkies.”

 

Ik leer uit uw boek dat de dealers van chemische drugs door de Londense politie met rust worden gelaten.

Wharton: “Daar is de laatste maanden een klein beetje verandering in gekomen. Er waren een paar raids in Zuid-Londen, maar met mijn dealers is alles voorlopig oké. (lacht) Het is alleszins geen topprioriteit voor de politie. Ik ken een dealer die rond rijdt in een prachtige Mercedes, het valt zo op dat hij bulkt van het geld. Anderen hebben dan weer een heel leger van runners op motorfietsjes in dienst die door de straten van Londen zoeven alsof ze pizza’s aan het leveren zijn. De politie lijkt het niet te merken, al vraag ik me ook af of repressie het antwoord is. Een van mijn vroegere dealers neemt zeer grote risico’s: hij ontvangt zijn klanten gewoon in zijn appartement. Hij is een van de meest geliefde dealers in het chemseksmilieu van Noord-Londen. Hij is nog nooit lastig gevallen door de politie; op dit moment is hij waarschijnlijk hard aan het werk.”

 

Kostte uw verslaving u veel geld?

Wharton: “Het is spotgoedkoop, op voorwaarde dat je de chemseks beperkt tot het weekend. Stel dat ik je uitnodig om vrijdag hier in Londen iets te gaan eten, met een paar biertjes erbij en op het einde van de avond nemen we allebei een aparte taxi terug naar huis. Dat kost ons samen gemakkelijk 250 pond. Misschien zelfs 300 als het diner echt lekker en verzorgd is. Met 300 pond kunnen we ons samen zes dagen te buiten gaan aan chemseks. Nogal wat homo’s die uit zijn op seks in het weekend, vinden het veel interessanter om 100 pond in drugs te investeren. Want op een chemseksfeestje komen ze gegarandeerd aan hun trekken en het kost hen veel minder dan een traditioneel avondje uit. Al heeft het natuurlijk wel gevolgen.”

 

Na verloop van tijd worden ze graatmager.

Wharton: “Dat is zo. Ze eten in het weekend niet meer want ze hebben geen honger. Er is geen beter dieet dan een verslaving aan M, G en Tina.”

 

En je verliest al je echte vrienden.

Wharton: “Ook dat is juist. Je verliest ook je interesse in alle andere leuke dingen des levens zoals lezen, toneel of concerten. Mijn beste vriend Matt Cain is hoofdredacteur van Attitude en Winq, de leidende homomagazines in Groot-Brittannië. Hij wist waar ik mee bezig was, maar veroordeelde me nooit. Hij pakte het subtieler aan. Zo vroeg hij begin 2016: ‘Heb je de laatste Bond-film gezien?’ Hij weet dat ik een grote fan van James Bond ben. ‘Euh, nog niet.’ Ik was in 2012 op de première van Skyfall, waarom had ik dan maanden na de release Spectre nog niet gezien? Of Matt vroeg: ‘Is het lang geleden dat je nog eens bent gaan wandelen aan de Ponds op Hampstead Heath?’ Hij weet dat ik verliefd ben op die plek. ‘Dat kan ik me niet herinneren.’ ‘Heb je de nieuwe tentoonstelling in Tate Modern gezien?’ ‘Nee.’ Telkens weer legde Matt de vinger op de wonde. Alle leuke dingen waren weg. ‘Hoelang is het geleden dat je een boek gelezen hebt?’ ‘Een jaar.’ ‘Je hebt een fuckin’ probleem’, zei hij. Toen besefte ik eigenlijk voor het eerst dat de met seks en drugs gevulde dolle weekends mijn hele leven hadden ingepalmd. Mijn moeders hond Monty was de lieveling van de hele familie. Hij stierf op een zondagmorgen om zes uur. Ik was op een chemseksparty aan het snuiven, drinken, slikken en neuken. Op het moment dat ik mijn moeder op mijn voicemail hoorde wenen en haar wanhopige tekstberichtjes las, was het twaalf uur ’s middags. ‘O fuck’, dacht ik. Op een ochtend lag ik met twee anderen in een bed. We waren high. De moeder van de eigenaar van de flat kreeg een sms met het bericht dat zijn moeder was gestorven. Hij was meteen ontnuchterd en voelde zich zo ellendig. Ik bleef de rest van de dag bij hem en voelde me minstens even ellendig. Het was een vreselijke wake-up call: ‘Jongen toch, waar ben je mee bezig?’”

 

Maar een week later was u weer aan het feesten?

Wharton: “Het probleem is dat er geen schakelaar aan je zit waarmee je alles wat slecht voor je is van de ene op de andere dag kunt uitschakelen. Alleen professionele hulp kan je van een chemseksverslaving afhelpen. Mijn moeder begrijpt niet dat ik niet genoeg karakter heb om aan de verleiding van de drugs en de seks te weerstaan. Ze is continu bang dat ik bij mijn dealer zal langsgaan en opnieuw van de wagen zal vallen. Haar bezorgdheid is terecht. Zelfs na de meest afschuwelijke voorvallen stuurde ik een week later een sms naar mijn dealer: ‘Twee zakken Meph, 50 ml. G, Tina, valium en viagra.’”

 

Zelfs nadat u op een chemseksfeest verkracht was?

Wharton: “Ja. Ik werd verkracht in mijn eigen flat op maandag 31 augustus 2015. Het was het vreselijke einde van drie dagen non-stop feesten. Ik werd die dag wakker in mijn bed terwijl een dikke Turk me aan het neuken was. Iemand van de andere feestgangers had die kerel via Grindr naar mijn appartement uitgenodigd. Ik lag in een door G veroorzaakte slaap naakt op bed en de nieuwkomer zag zijn kans schoon.”

 

U stapte niet naar de politie?

Wharton: “Nee, wat had ik moeten zeggen? ‘Op een feestje dat ikzelf georganiseerd heb, slikte ik een paar dagen lang illegale drugs waardoor ik zeer high was. Er waren nog tien andere mannen aanwezig en een van hen heeft me verkracht.’ ‘Hoe heetten die andere mannen?’ ‘Dat kan ik u helaas niet zeggen, want dan zitten ze allemaal in de shit.’ Ik kan toch geen advocaat of parlementsmedewerker betrekken in een gerechtelijk onderzoek naar verkrachting op een chemseksfuif? Ik had op een proces trouwens geen enkele kans gemaakt. Ik hoor de advocaat van de beklaagde al: ‘Maar u had zoveel drugs genomen en met zoveel andere heren ontucht bedreven, mijnheer Wharton. Hoe kan u nu weten of u verkracht bent of niet?’ Weet je wat het ergste is? Dat wat mij toen overkomen is, op dit moment ergens in Londen opnieuw aan het gebeuren is. Honderden mannen worden op chemseksfeestjes verkracht en niemand belt de politie.”

 

Was u nooit bang om ziek te worden?

Wharton: “Ik ben voor verschillende ziektes behandeld die het gevolg waren van mijn promiscue gedrag. Op chemseksfeesten is er geen aandacht voor veilig vrijen, waardoor de deelnemers zichzelf blootstellen aan ernstige gezondheidsrisico’s. Telkens wanneer ik ontnuchterd was, werd ik me daar pijnlijk van bewust. Maar het hield me niet tegen om er een paar dagen later weer zonder condoom tegenaan te gaan. Gelukkig is er nu PrEP, een pil die mensen zonder hiv beschermt tegen besmetting. Dat is een fantastisch middel, alleen zijn er ook homo’s die zich tegen het gebruik van die pil verzetten. Blijkbaar vinden ze hiv het verdiende loon voor alle anderen die zonder condoom vrijen.”

 

In uw boek vergelijkt u de dodelijke impact van de chemsekscultuur met die van de aids-epidemie uit de jaren tachtig. Is dat niet een beetje overdreven?

Wharton: “Helemaal niet. Zeg me eens, wat doodt op dit moment evenveel homo’s in Londen als chemseks? Elke twaalf dagen sterft een homo aan de gevolgen van een chemseksdrug. Vooral G zorgt voor slachtoffers. Iedereen in de homogemeenschap kent wel iemand die aan een overdosis gestorven is. Er is niets anders dat even frequent homo’s doodt. Daar komt bij dat de chemsekscultuur tegen een rotvaart aan populariteit wint. Chemseks verspreidt zich als een bosbrand; òòk in Antwerpen, Brussel en Gent.”

 

James Wharton, Something for the weekend, life in the chemsex underworld, Biteback Publishing

 

(c) Jan Stevens