‘Poetin waarschuwde: ik schakel jullie uit met één vingerknip’

Jarenlang beschermde ‘special agent’ Dan Kaszeta de Amerikaanse president George Bush tegen aanslagen met chemische en biologische wapens. In zijn boek Toxic bundelt hij zijn kennis van zenuwgassen, het favoriete gifwapen van de Russische president Vladimir Poetin. “Met zijn aanslag met novichok waarschuwde Poetin zijn tegenstanders in ballingschap: ‘Als ik wil, schakel ik jullie met één vingerknip uit.’”

In 1987 droomde de jonge militair Dan Kaszeta (51) ervan spion te worden in de Sovjet-Unie. “Dus ging ik op kosten van het leger aan de universiteit Russisch en politieke wetenschappen studeren”, zegt hij. “De deal was dat ik daarna ergens in Rusland op geheime missie gedropt zou worden. De koude oorlog woedde volop en Ronald Reagan was nog onze president.” Maar twee jaar later viel de muur en stortte de Sovjet-Unie in. “Ook mijn spionnenplan lag in duigen. Eind jaren 80 voerde de Iraakse dictator Saddam Hoessein een luchtaanval met gifgas uit op het stadje Halabja. Dat zorgde voor paniek in het Pentagon. Niet de Russen, maar met gifgas spelende machtswellustelingen zoals Saddam waren het nieuwe gevaar. In plaats van me tot militair spion op te leiden, stuurden ze me naar de US Army Chemical School in Alabama.”

Tien jaar later werd Dan Kaszeta als ‘special agent’ verantwoordelijk voor de beveiliging van het Witte Huis tegen chemisch en biologisch wapentuig. Na de aanslagen van 9/11 werd hij de persoonlijke ‘bodyguard chemische beveiliging’ van de toenmalige president George W. Bush. In 2008 zwaaide hij af en verhuisde naar Londen, waar hij nu beveiligingsadvies verschaft aan overheden en ondernemingen, en boeken en artikels schrijft over chemische en biologische wapens.

In zijn gloednieuwe boek Toxic beschrijft hij de nog prille geschiedenis van zijn ‘favoriete’ vergif: zenuwgassen.

Dan Kaszeta: “Ze werden in de jaren dertig bij toeval ontdekt door de nazi’s en zijn dertig keer dodelijker dan ‘reguliere’ chemische wapens. Sarin is een voorbeeld van zo’n zenuwgas. Ik heb er mijn carrière in het Witte Huis aan te danken. Na de terroristische aanslag met saringas van de Aum Shinrikyo-sekte in de metro van Tokio in 1995 werd ik door The White House Military Office gerekruteerd. Ze vonden me met mijn opleiding aan de Chemical School de ideale kandidaat voor de beveiliging van het Witte Huis tegen chemische terreur. Alleen had ik op dat moment nog nooit gehoord van sarin. Want Amerikaanse legerchemie is niet meteen échte scheikunde, maar eerder ‘chemie voor dummies’. (lacht) Ik ben toen beginnen studeren als gek.”

Waren er tijdens uw periode in het Witte Huis ooit aanvalspogingen met biologische of chemische wapens op de president?

Kaszeta: “Zeker. Vlak na 9/11 vroeg de US Secret Service me als special agent voor de persoonlijke bescherming van president Bush tegen chemische terreuraanvallen. Ons team zou uit twee mensen bestaan. Een maand na mijn aanstelling kwam er in het postgebouw van het Witte Huis een envelop toe met antraxpoeder dat het dodelijke miltvuur veroorzaakt. De president was door dat incident danig van zijn melk en zorgde er eigenhandig voor dat ons budget explodeerde. De volgende twee jaar groeide ons team met meer dan 40 collega’s.

“Het brein achter de antraxbrief voor Bush was geen dolgedraaide jihadist, maar de ‘keurige’ Amerikaanse microbioloog Bruce Eward Ivins. Ik kende die man persoonlijk. Niet dat hij een vriend was, daar vond ik hem iets te raar voor. Hij werkte als onderzoeker biodefensie voor het leger en werd beschouwd als dé antraxexpert. Tussen september en oktober 2001 verstuurde hij verschillende antraxbrieven naar politici en journalisten. Vijf mensen verloren het leven en 17 anderen werden ziek. In de omslagen zaten briefjes met boodschappen als ‘Dood aan Israël’ en ‘Allah is groot’, waardoor de FBI eerst aan een terreurcampagne van Al Qaeda dacht. Ze vroegen Ivins om hulp bij hun onderzoek. Zes jaar lang was een onschuldige collega van Ivins verdachte nummer 1. Tot ze hem in 2008 eindelijk in het vizier kregen, waarna hij zelfmoord pleegde.”

Wat was zijn motief?

Kaszeta: “Hij werkte aan een antraxvaccin en wou gloriëren als redder des vaderlands. Dus had hij er niets beters op gevonden dan eerst angst en terreur te zaaien met zijn antraxbrievencampagne. De aanslag op George Bush moest de kroon op het werk worden: Ivins zou dan met zijn vaccin de president net op tijd van de gruwelijke miltvuurdood komen redden.”

Hoe zag uw doorsnee dag eruit als geheim agent, belast met de chemische en biologische beveiliging van de Amerikaanse president?

Kaszeta: “In de loop der jaren is het Witte Huis vertimmerd tot een zwaarbeveiligd bastion: daar is de president relatief veilig. Onze grootste bekommernis waren zijn verplaatsingen. De president loopt het grootste gevaar wanneer hij op reis is; dan was ik één van Bush’ schaduwen in een zwarte SUV uit zijn konvooi. Als hij thuis was, konden we even op adem komen en een pint gaan drinken op café.”

In het voorjaar van 2003 was u er getuige van hoe het Witte Huis bewijsmateriaal over ‘massavernietigingswapens’ tegen Saddam Hoessein fabriceerde om later dat jaar Irak te kunnen binnenvallen?

Kaszeta: “Voor alle duidelijkheid: ik had niets te maken met het beleid van Bush. Ik zat op de achterbank van een SUV om te verhinderen dat onderweg iemand hem met gif vermoordde. Natuurlijk merkte ik in die periode in de wandelgangen van het Witte Huis dat er iets ‘groots’ in de lucht hing. Misschien is het ‘bewijsmateriaal’ toen wat ‘opgepompt’, maar u mag niet uit het oog verliezen dat Saddam bij leven en welzijn een ongezonde voorliefde voor gifgas had. Denk maar aan die aanval op Halabja. Na de eerste Golfoorlog werd Irak onder strikte controle geplaatst van UNSCOM, een speciale commissie van de Verenigde Naties die erop moest toezien dat Saddam zijn grote stock massavernietigingswapens opruimde. Akkoord, in 2003 had hij geen lopend programma meer voor chemische wapens, alleen geloofde niet iedereen dat. Terecht, vind ik, want hij was geen koorknaap. De UNSCOM-inspecteurs zette hij trouwens met veel omhaal het land uit. U zal mij de toenmalige Amerikaanse regering niet horen bekritiseren.”

U verliet het Witte Huis in 2008, toen Barack Obama president werd. Is er een verband?

Kaszeta: “Helemaal niet. Ik werd hopeloos verliefd op een Britse vrouw, volgde haar naar Londen en moest dus wel ontslag nemen. In Groot-Brittannië werkte ik eerst drie jaar voor een firma die apparatuur maakt om chemisch wapentuig op te sporen. Daarna richtte ik mijn eigen beveiligingsbedrijf op. Ik adviseer nu overheden, organisaties en ondernemingen over onder andere beveiliging tegen chemische en biologische risico’s. De Europese Commissie is één van mijn klanten.”

Onderschatten we het risico op een chemische of biologische terreuraanval?

Kaszeta: “Na meer dan dertig jaar in het vak moet ik dat ‘grote risico’ toch enigszins nuanceren. In theorie zijn chemische en biologische wapens vreselijk gevaarlijk; in de praktijk behoren ze tot het meest overschatte wapentuig ooit. De voornaamste reden waarom er zo weinig terreuraanslagen met chemische en biowapens zijn, is omdat ze duur en onvoorspelbaar zijn. Als je veel geld investeert in de voorbereiding van een aanslag, wil je liefst zoveel mogelijk slachtoffers maken. Shoko Asahara, de leider van de Aum Shinrikyo-sekte, wilde met zijn saringasaanslag in de metro van Tokio duizenden mensen vermoorden. Uiteindelijk vielen er dertien doden. Vanuit Asahara’s standpunt was zijn aanslag een complete mislukking.

“Koop geweren van een paar honderd euro, stuur je discipelen op schietcursus en de kans op honderden doden tijdens het spitsuur in de metro is groot. Met chemische wapens is dat succes veel twijfelachtiger en met biologische is het nóg lastiger. Gassen worden meegenomen door de wind en die is soms zéér wispelturig.”

Tijdens de gloriedagen van IS was er toch veel angst dat zij aanslagen zouden plegen met een ‘vuile bom’, gifgas of antrax?

Kaszeta: “Daar werd vaak hysterisch over bericht terwijl er zo goed als geen aanwijzingen zijn dat IS er ooit aan gewerkt heeft. Kijk, er zijn op de wereld maar weinig specialisten in chemische en biologische terreur en oorlogsvoering. We kennen elkaar allemaal. De meeste collega’s zijn bonafide, maar er zitten een paar schimmige figuren tussen die vooral zichzelf interessant willen maken door paniek te veroorzaken. ‘O my God, IS zou bij de volgende aanslag wel eens antrax kunnen gebruiken!’ De zogenaamde specialisten die dat rond bazuinen, proberen eerst en vooral zo werk voor zichzelf binnen te halen. Ze verkopen tezelfdertijd lucifers, brandversnellers én brandblusapparaten. De meeste terreurgroepen hebben het geld niet om dure chemische of biologische massavernietigingswapens ineen te knutselen.”

Op het hoogtepunt van haar succes zwom IS toch in het geld?

Kaszeta: “Ze zwommen in hun kalifaat vooral in de olie. De stap naar de productie van chemisch en biologisch wapentuig was veel te ingewikkeld. De IS-leden waren verknipt, maar of alle leiders dat ook waren, durf ik te betwijfelen. Van de Aum Shinrikyo-sekte weet ik wél zeker dat ze allemaal gestoord waren: daarom ook voerden ze hun aanval met het zenuwgas sarin uit. Als ze een beetje verstandig waren geweest, hadden ze hun toevlucht genomen tot goedkope en efficiënte kalashnikovs of conventionele explosieven.”

Waarom is dat zenuwgas dan ooit ontworpen, als het toch zo’n sof is?

Kaszeta: “Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden gifgassen algemeen gebruikt. Na de oorlog werd in Genève een protocol getekend dat chemische oorlogsvoering veroordeelde en het eerste gebruik ervan verbood. Landen mochten die wapens wel nog hebben, maar ze niet als eerste in de strijd gooien. Het werden dus afschrikmiddelen en er ontstond een wapenwedloop in chemische wapens. In de twintiger en dertiger jaren zochten alle grote landen koortsachtig naar nieuwe dodelijke gassen en vloeistoffen. België legde een aardige stock chloor, fosgeen en mosterdgas of yperiet aan, net als Frankrijk, de Sovjet-Unie en Duitsland. Al moesten de Duitsers hun voorraadje goed verbergen, want als verliezers van WO I mochten zij geen chemische wapens bezitten.

“Op het einde van WO I waren de Duitse soldaten aan het verhongeren en dat mocht de volgende keer niet meer gebeuren. Daarom ging de Duitse chemische industrie meteen na de oorlog koortsachtig op zoek naar insecticiden en pesticiden om de gewassen te beschermen. Vlaggenschip IG Farben ontwikkelde zo het pesticide Zyklon B, dat later in de gaskamers gebruikt zou worden. IG Farben-chemicus Gerhard Schrader was aan een nieuw insecticide aan het werken, toen hij in januari 1936 bij toeval het eerste zenuwgas of organofosfaat uit zijn reageerbuizen toverde: tabun. Dat goedje was zo extreem giftig dat het als insecticide onbruikbaar was. Het doodde niet alleen de insecten, maar ook de boer. Later voegde Schrader nog sarin, soman en cyclosarin aan zijn lijstje nieuwe extreem dodelijke zenuwgassen toe.”

De nazi’s zagen er meteen brood in?

Kaszeta: “Schrader beschouwde tabun als een grandioze mislukking, maar zijn bazen vonden het een uitstekend nieuw wapen en namen contact op met de nazi-regering. Die was enthousiast en er werd een clandestiene industrie gebouwd voor de ontwikkeling en productie van zenuwgassen voor militair gebruik. Van tabun werd meer dan 12.000 ton gebrouwen. Een hele oorlog lang waren de zenuwgassen Hitlers geheime wapens die nooit gebruikt werden. Pas aan het einde van WO II ontdekte het oprukkende sovjetleger en de geallieerden op zowat hetzelfde moment de fabrieken en opslagplaatsen; de ene in het oosten, de anderen in het westen. Het geheime zenuwgasprogramma van de nazi’s joeg een schokgolf door de wereld, waarna Rusland en Amerika hun wapenwedloop in zenuwgassen inzetten.”

Net zoals ze met kernwapens deden?

Kaszeta: “Precies, alleen is die zenuwgassenwedloop intussen uit ons collectieve bewustzijn verdwenen. De Britten en Amerikanen arresteerden in ‘45 de Duitse zenuwgaswetenschappers en namen de plannen, documenten en voorraden in beslag. De Russen legden de hand op twee vernielde fabrieken in Polen en rekenden een paar chemici in.”

Lijfden de Amerikanen Duitse chemici in zoals ze dat met de raketgeleerde Wernher von Braun deden?

Kaszeta: “De middelen om verbrande Duitse wetenschappers te denazificeren en vervolgens in te huren, waren niet onbeperkt. Chemisch wapentuig stond een paar trappen lager dan raketten. De dure Von Braun kreeg dus voorrang en soupeerde zowat het hele budget op.

“Ze ondervroegen de chemici wekenlang tot ze al hun kennis over zenuwgassen gelost hadden. Vijf jaar later wilde het Amerikaane leger alsnog die Duitse wetenschappers inhuren, maar de meesten waren toen al veel geld aan het verdienen in de reguliere Duitse chemische industrie. Ze hadden geen zin meer in een verhuis naar Alabama.

“De Russen stopten ‘hun’ Duitse chemici eerst een paar jaar in werkkampen en schakelden hen daarna in nieuwe zenuwgasprogramma’s in. Naar sovjetnormen werden ze vrij goed betaald. Decennialang leefde het westen in de veronderstelling dat de Russen de intacte zenuwgasfabrieken van de nazi’s hadden ingepalmd en machines, kennis en voorraden hadden gerecupereerd.”

Terwijl het twee ruïnes waren?

Kaszeta: “Ja, en die onwetendheid zorgde gedurende de koude oorlog voor nervositeit in West-Europa en de VS. Het westen lag op kop in de chemische wapenwedloop, maar was ervan overtuigd dat het mijlenver achterop hinkte. Het Oostblok was er dan weer terecht van overtuigd dat het westen grote voorsprong had. Met als resultaat die compleet onzinnige chemische wapenwedloop.  

“Desinformatiecampagnes gaven de wedloop een extra boost. Vlak voor het einde van de oorlog probeerden de Duitsers hun giffabrieken te demonteren. Hun afbraak van de fabriek in Dyhernfurth in het zuidwesten van Polen moesten ze stopzetten omdat het Rode Leger oprukte. De Russen hadden in de eerste dagen van de bezetting niet meteen door dat Dyhernfurth een zenuwgasfabriek huisvestte. De Duitsers stuurden er bij nacht en ontij een geheim commando op af om een stapel compromitterende documenten op te halen en de laatste machines op te blazen. Er lag nog een voorraadje tabun en dat werd de rivier de Oder ingegoten. Ze lieten opzettelijk een vals notitieboekje achter, bedoeld voor de Russen. Ik vond in Russische archieven documenten terug waarin sovjetchemici jaren later klagen dat zowat alle formules uit dat boekje vol fouten zitten. (lacht) De Duitsers hadden hen opzettelijk verkeerde chemische formules voor zenuwgassen voorgekauwd.”

Bestaat dat notitieboekje nog?

Kaszeta: “Het zou best kunnen dat het nog ergens in een Russisch staatsarchief ligt te beschimmelen. Maar het kan inmiddels ook vernietigd zijn. Ikzelf zoek naarstig verder.

“In 1959 probeerden de sovjets de Amerikaanse officier Joseph Edward Cassidy uit Washington DC te rekruteren. De man hapte niet toe en stapte naar de legerleiding en de FBI. Zij kregen het lumineuze idee hem als dubbelspion in te zetten. Hij werkte in een laboratorium in Maryland waar chemisch wapentuig voor het Amerikaanse leger ontwikkeld werd. Jarenlang voedde hij de Russen met valse informatie over de ontwikkeling en productie van Amerikaans zenuwgas. De Russische geheime dienst GRU vergoedde hem met duizenden dollars. In ruil bezorgde hij hen meer dan 4.000 documenten over een compleet verzonnen spiksplinternieuw supergesofisticeerd zenuwgas dat de VS zogezegd aan het produceren was. De informatie leek op het eerste gezicht te kloppen. Met hun ogen wijd open trapten de Russen in de val en jarenlang investeerden ze massa’s geld in het kopiëren van het niet-bestaande Amerikaanse superzenuwgas.

“In 1969 zette Amerika zijn zenuwgasprogramma stil. De toenmalige president Richard Nixon vond het sop de kool niet meer waard. Maar de sovjets geloofden hem niet. Ze waren ervan overtuigd dat Amerika hen een rad voor de ogend draaide en met de zenuwgasproductie ondergronds ging. Dus drukten zij het gaspedaal nog dieper in. Zo werd de Sovjet-Unie vanaf 1970 vermoedelijk de enige uitvinder en producent van zenuwgassen ter wereld. In het geheime FOLIANT-programma ontwikkelde ze drie nieuwe novichok-zenuwgassen, die wereldberoemd zijn sinds de aanslag in 2018 in Salisbury op ex-spion Sergei Skripal en zijn dochter Yulia.”

Wat onderscheidt de novichok-zenuwgassen van alle andere?

Kaszeta: “De eerst ontwikkelde novichok-variant kon tegen de kou, terwijl alle andere zenuwgassen onder het vriespunt herleid worden tot onbruikbare gelei. De tweede variant kon geproduceerd worden met andere basisbestanddelen dan alle andere zenuwgassen. Dat was interessant omdat in de jaren zeventig en tachtig internationale onderhandelingen liepen voor een verbod op chemisch wapentuig. De bestanddelen voor novichok-2 stonden niet op het lijstje verboden chemicaliën van de onderhandelaars. Novichok-2 was dus een soort van ‘levensverzekering’ voor de Russen. ‘Dan kunnen we rustig verder blijven produceren zonder dat iemand het in de gaten heeft.’ De derde variant, A-234, werd gebruikt in Salisbury. Dat zenuwgas heeft als speciaal kenmerk dat het zeer lang overleeft op oppervlakten.”

Het feit dat in Salisbury A-234 gebruikt werd, wil automatisch zeggen dat de moordaanslag een opdracht was van Vladimir Poetin himself?

Kaszeta: “Daar ben ik 99,99 procent zeker van. Zeker als je naar al het bewijsmateriaal kijkt. Net in het weekend van de aanslag maken de twee Russische geheim agenten Alexander Petrov en Ruslan Boshirov twee zogenaamd toeristische uitstapjes naar Salisbury. Ze staan op beelden van bewakingscamera’s in het station van Salisbury. In plaats van mee te lopen met de stroom toeristen, wandelen ze in de richting van Skripals huis. (lacht) Er bestaat ook geen twijfel over: enkel de Russen bezitten A-234. Het is hun exclusieve uitvinding.”

Petrov en Boshirov wandelden dus in een weekend in 2018 door de straten van Londen en Salisbury met een gif op zak waarmee ze duizenden slachtoffers konden maken?

Kaszeta: “Novichok A-234 is een dikke vloeistof en is makkelijk in een klein, hermetisch afgesloten flesje te transporteren. Bij het uitsmeren volstaan rubberen handschoenen als bescherming. Ze smeerden minder dan 100 milligram van het goedje aan Skripals deurklink, of amper twee druppels. Misschien hadden die twee het flesje zelfs niet in hun bagage zitten en reisde het ongecontroleerd mee met de diplomatieke post.

“Poetin is trouwens niet aan zijn proefstuk toe, denk maar aan de gelukte aanslag met het nucleaire goedje polonium op Alexander Litvinenko in Londen in 2006. We zijn er voor 100 procent zeker van dat het polonium van Russische makelij was.”

Maar waarom polonium en novichok? Zoals u in het begin zelf zei: een pistool en een kogel zijn veel simpeler en minstens even doeltreffend.

Kaszeta: “Ze hadden Skripal ook uit de weg kunnen ruimen zonder één spoor achter te laten. De man heeft overgewicht, rookt en drinkt te veel. Een hartaanval is zo gefikst; daar zou geen haan naar gekraaid hebben. Nu was er, net als bij Litvinenko, al die heisa. Dat was precies de bedoeling: de boodschap moést luid en duidelijk weerklinken voor àlle Russische tegenstanders van Poetin in ballingschap. ‘Als ik wil, schakel ik jullie met één vingerknip uit.’”

Dat lijkt onvervalste maffia?

Kaszeta: “Dat is het ook. Poetin stamt uit de KGB: die organisatie was niet meer of minder dan de maffia van de Sovjet-Unie.”

Dan Kaszeta, Toxic, Hurst Publishers

© Jan Stevens

‘Het interesseert de tabloids niet dat ze mensen naar de verdoemenis schrijven’

De Britse tabloids liggen zwaar onder vuur na de zelfmoord van Caroline Flack en de vlucht van Harry en Meghan naar Canada. “Toch stoppen ze hun vuile gevecht nooit”, zegt Alan Rusbridger, de ex-hoofdredacteur van The Guardian die mediamagnaat Rupert Murdoch op de knieën dwong. “Hun verkoop is het enige wat telt.”

 

Zaterdag 15 februari pleegde de populaire Britse tv-vedette Caroline Flack (40) zelfmoord in haar flat in Londen. De weken ervoor was ze het favoriete doelwit van de tabloids. Flack presenteerde realityshows als Love Island en X-Factor. Haar tumultueuze relatie met de 27-jarige tennisser Lewis Burton werd door de sensatiepers breed uitgesmeerd. De dag voor kerst schreef The Sun dat Flack haar geliefde een klap verkocht had met een lamp terwijl hij sliep. Als een pitbull beet het blad zich vast in Flacks liefdesperikelen en loste niet meer tot Valentijn. Toen publiceerde het een ‘speciale Valentijnskaart’ met een tekening van Flack die riep: ‘I’ll fucking lamp you!’ Een dag later was Caroline Flack dood.

“De Britse tabloids zijn keihard en houden nooit rekening met de gevoelens van hun slachtoffers”, zegt Alan Rusbridger (66), voormalig hoofdredacteur van The Guardian, de krant die onder zijn bewind het afluisterschandaal bij de inmiddels ter ziele gegane zondagskrant News of the World uitbracht en zo mediamagnaat Rupert Murdoch even in het zand liet bijten. Vandaag is Rusbridger rector van Lady Margaret Hall, een statig college aan de universiteit van Oxford. In zijn knusse kantoor hangt een gewijde stilte. De grote ramen geven uitzicht op de weelderig groene University Parks, waar de rivier Cherwell kabbelt. Van 1995 tot 2015 stond Rusbridger aan het roer bij The Guardian. “Dat was een fascinerende tijd”, zegt hij. “Met Julian Assange, Edward Snowden, het News of the World-schandaal, de martelpraktijken van de CIA… Toch heb ik geen heimwee naar die stresserende periode. Hier in Oxford gaat het er veel relaxter aan toe. Zolang ze me betalen, blijf ik op post. Wat niet wegneemt dat ik nog graag nadenk over de pers én van journalisten hou. Ik ben niet voor niets ook voorzitter van The Reuters Institute for the Study of Journalism aan deze universiteit.”

 

Ik vermoed dat de inmiddels 89-jarige Rupert Murdoch, eigenaar van wijlen News of the World en The Sun, uw bloed wel kan drinken?

Alan Rusbridger: “Tijdens ons onderzoek naar de telefoonhacks van News of the World werden we meermaals afgedreigd. Rupert Murdochs toenmalige bedrijf News Corporation, het huidige News International, was geen makkelijke tegenstander. Maar het is niet omdat zijn tabloidjournalisten collega’s zijn, dat we ze moesten laten betijen.

“Het eerste spoor naar dat afluisterschandaal kwam eind 2005 per toeval aan het licht. Royaltywatcher Clive Goodman schreef in News of the World een verhaal over de bezeerde knie van prins William. Alleen wisten maar een paar intimi daarvan. De prins diende klacht in en zo kwam aan het licht dat Goodman met de hulp van een privédetective Andrews voicemail had gehackt. News of the World-hoofdredacteur Andy Coulson verontschuldigde zich bij het koninklijk paleis en zei dat Goodman in zijn eentje en zonder zijn medeweten gehandeld had.”

 

Clive Goodman was zogezegd de rotte appel in de mand?

Rusbridger: “Ja. Hij werd veroordeeld en verdween begin 2007 voor vier maanden in de cel. Andy Coulson nam ontslag bij News of the World en werd woordvoerder van de Conservatieve Partij. Toen David Cameron in 2010 premier werd, benoemde hij Coulson tot zijn directeur communicatie.

“Begin maart 2009 klopte Guardian-journalist Nick Davies op de deur van mijn kantoor. Een bron had hem verteld dat het afluisteren van telefoons van koningskinderen, atleten en beroemdheden bij News of the World schering en inslag was. De politie was op de hoogte, maar greep niet in. Nick begon te spitten en ontdekte dat Murdochs News Corporation 1 miljoen pond aan zwijggeld betaald had aan andere slachtoffers. Rupert Murdoch en co. bleven ontkennen; Nick en zijn collega’s bleven spitten. Op 4 juli 2011 onthulde The Guardian dat News of the World de voicemail gehackt had van het vermoorde 11-jarige meisje Milly Dowler. Adverteerders trokken hun handen af van het blad en dat luidde het begin van het einde in. Coulson werd gearresteerd en op zondag 10 juli verscheen de allerlaatste editie van News of the World. The Guardian pakt als het moet niet alleen justitie, de politie, de regering, het leger en grote ondernemingen aan, maar ook de media.”

 

Ooit ging u wel samen met Andy Coulson en zijn eveneens in opspraak gekomen voorgangster Rebekah Brooks een nacht op zwier in Londen.

Rusbridger: “Dat was in maart 2003, na een lezing die ik gegeven had op een etentje van de Thirty Club, een businessclub waar hoge piefen uit de reclame- en mediawereld elkaar ontmoeten. Andy was toen al hoofdredacteur van News of the World en Rebekah van The Sun. Ze zaten er samen met Les Hinton, toenmalig voorzitter van News Corporation. Na de lezing raakte ik met hen aan de praat. Ze nodigden me uit om samen nog iets te gaan drinken. Ik dronk toen de hele nacht champagne op hun kosten. (lacht) Andy, Rebekah en Les waren uitstekend gezelschap. We hebben toen heel wat afgelachen. Elf jaar later zat Coulson in de cel, had Hinton ontslag genomen en stond Brooks terecht. Allemaal als gevolg van de berichtgeving in mijn krant. Ik kan trouwens niet geloven dat de andere tabloids zich niet bezondigen aan het afluisteren van telefoons. Mijn gezond boerenverstand zegt me dat ze allemaal in hetzelfde bedje ziek zijn. Alleen kan ik dat niet bewijzen.”

 

Prins Harry en Meghan Markle namen in januari afscheid van hun koninklijke status en verhuisden met zoontje Archie naar Canada. Een maand later legde Harry op een seminarie in Miami de reden uit: ze konden de voortdurende druk van de tabloids niet meer aan. Hij had zelfs drie jaar therapie achter de rug. Waarna de tabloids schreven dat hij met zijn Miami-speech 1 miljoen dollar cashte. Waar komt die virulente haat van de tabloids voor Harry en Meghan vandaan?

Rusbridger: “Daar is maar één reden voor: exemplaren verkopen. If you want them to read about it, write about it. Sappige verhalen over het Britse koningshuis geven de tabloidverkoop altijd een stevige boost. Daarom blijven ze continu inbeuken op Harry en Meghan. Het interesseert hen niet dat ze zo mensen naar de verdoemenis schrijven.

 

Piers Morgan, vroeger journalist en -hoofdredacteur bij verschillende tabloids, presenteert op tv Good Morning Britain. Sinds de aankondiging van de ‘Megxit’ startte Morgan een offensief in tabloid-stijl tegen Harry en Meghan, zowel op Twitter, als in zijn ochtendprogramma. Wat bezielt hem?

Rusbridger: “Exact hetzelfde als de tabloids: zijn kijkcijfers opdrijven door de controverse te blijven voeden. Zo drijft hij ook zijn eigen prijs op. De manier waarop hij voortdurend Harry en Meghan aanvalt, lijkt sterk op pestgedag. Net daar smullen zeer veel mensen van. Dat wil niet zeggen dat de tabloids en Piers Morgan door niemand ter verantwoording geroepen kunnen worden. Want er zijn privacywetten in dit land en wie zich belasterd voelt, kan altijd klacht indienen. Óók de leden van de koninklijke familie.

“In oktober vorig jaar diende Harry trouwens daadwerkelijk klacht in tegen The Sun en The Mirror voor het afluisteren van zijn telefoon. Piers Morgan en zijn vrienden bij de tabloids zwijgen daar nu in alle talen over, maar ik vind dat het grote publiek dat gerust mag weten. Waarom doen The Sun en The Mirror alsof hun neus bloedt? Ze proberen rechtszaken te vermijden en zetten grote sommen opzij of betalen zwijggeld. De BBC berichtte eind vorig jaar dat de Murdoch-titels tot hiertoe 400 miljoen pond betaald hebben aan mensen wier telefoon is afgeluisterd. Zo kopen ze processen af. De Mirror-groep zou 70 miljoen pond hebben klaarstaan om klachten over afluisteren te regelen. Misschien dient de haatcampagne van de tabloids tegen Harry en Meghan óók om de naam te bekladden van de man die hen vervolgt omdat zij illegaal in zijn telefoon hebben gesnuisterd.”

 

Hoe sterk staan de tabloids vandaag?

Rusbridger: “The Sun verkoopt dagelijks meer dan 1 miljoen exemplaren. Dat lijkt veel, maar vóór de digitalisering gingen er elke dag 4 miljoen over de toonbank. Wijlen News of the World haalde ooit een oplage hoger dan 4 miljoen, net als The Daily Mirror. The Daily Express zat ooit zelfs aan 5 miljoen. Al hun oplages kalfden af tot 1 miljoen of minder, maar in vergelijking met de 130.000 exemplaren van The Guardian is dat natuurlijk nog steeds gigantisch. Al kwam er de laatste jaren een niet te onderschatten vernieuwing: de door iedereen gratis te lezen website van The Guardian. Die trekt maandelijks miljoenen bezoekers van over de hele wereld.”

 

De tabloids hebben natuurlijk ook hun gratis websites.

Rusbridger: “Zeker. The Sun verborg haar artikels eerst achter een betaalmuur, maar dat werd een flop. Mensen waren blijkbaar toch niet bereid om online tegen betaling roddels te lezen. (lacht) De journalistiek van The Mail en The Sun kan nu ook door iedereen gratis geconsumeerd worden. The Mail focust zich als gedrukte krant sterk op de lokale Britse politiek; hun website is dan weer integraal gewijd aan beroemdheden. Die aanpak legt Mail Online geen windeieren. De site wordt massaal bezocht en voor adverteerders is dat zowat het enige dat telt.”

 

Leven journalisten van de tabloids op een andere planeet dan die van The Guardian of The Times?

Rusbridger: “Nee, maar voor veel bezigheden van tabloidjournalisten halen collega’s van de ‘fatsoenlijke’ pers hun neus op. In 1987 werkte ik als correspondent in Washington DC voor The London Daily News, een gloednieuwe krant die flopte en datzelfde jaar nog werd opgedoekt. Elke dag las ik er de plaatselijke tabloids, zoals The New York Post en The National Enquirer. Een gewoonte die ik ook als hoofdredacteur van The Guardian volhield, al ruilde ik de Amerikaanse tabloids toen in voor The Sun, News of the World, Daily Mail en The Mirror. Mijn collega’s in de perszaal in Washington vonden mijn dagelijkse lectuur hoogst merkwaardig. ‘Waarom lees je al die onzin?’, vroegen ze. Zij werkten voor kwaliteitskranten als The Washington Post en The New York Times en keken neer op hun sensatiepers. Die besteedde bijna uitsluitend aandacht aan de handel en wandel van celebrities, terwijl de Britse tabloids er een iets vreemdere nieuwsmix op nahouden. Want naast de sensationele berichtgeving over beroemdheden en de vele roddels, is er ook aandacht voor het harde en politieke nieuws. En ze hebben ontzettend veel invloed.”

 

Het gaat een man als Murdoch niet alleen om geld verdienen, maar ook om macht?

Rusbridger: “The Sun was voor Rupert Murdoch decennialang een financiële melkkoe. Nu niet meer: in 2019 verloor de krant 68 miljoen pond. Dat is mede een gevolg van de afwikkeling van het afluisterschandaal van News of the World. Maar andere tabloids draaien wel nog winst, want ze blijven ontzettend populair.

“The Sun bezorgt mediamagnaat Murdoch grote politieke invloed in Groot-Brittannië. Via die krant bespeelt hij de publieke opinie. Hij kiest altijd een kant: meestal die van de Conservatieve Partij, soms van Labour. Alles hangt af van welke keuze hem en zijn media-imperium het meeste voordeel oplevert. Daarnaast is hij ook eigenaar van chique kranten, The Times in Groot-Brittannië, The Australian in zijn geboorteland Australie en The Wall Street Journal in de VS. Die kwaliteitskranten moeten van hem een respectabel man maken.”

 

Produceren de tabloids nepnieuws of schrijven ze accuraat over beroemdheden?

Rusbridger: “De meeste tabloids verzinnen hun nieuws niet. Het grote probleem is dat ze altijd vertrekken vanuit een ideologische positie. Zo besloten een paar kranten niet te geloven in de klimaatverandering. Met als gevolg dat veel van hun nieuwsberichten door dat klimaatnegationisme worden aangestuurd. Hun verslaggeving over feiten is vrij accuraat, maar altijd ten voordele van bijvoorbeeld klimaatontkenners.”

 

Waarom beslisten die kranten niet in klimaatverandering te geloven?

Rusbridger: “Omdat ze vinden dat klimaatverandering een links thema is. Een andere ideologisch uitgangspunt bij de tabloids is de haat voor Europa.”

 

Ze zorgden met hun berichtgeving over Europa mee voor de Brexit?

Rusbridger: “Zonder twijfel. Ze stuurden geen regelrechte leugens over Europa de wereld in, tenminste toch niet altijd, maar ze publiceerden vooral verhalen en opinies die het bedje van de Brexit hielpen spreiden.”

 

Ten tijde van het afluisterschandaal bij News of the World ontdekte uw krant dat politie-inspecteurs omgekocht werden. Politici ook?

Rusbridger: “Van politici heb ik geen weet, maar van politiemensen weten we het zeker, met de bewijzen op tafel. Gebeurt zoiets dan niet in België?”

 

Ik denk het niet, maar misschien ben ik naïef.

Rusbridger: “Ze kochten niet alleen rechercheurs om, maar ook cipiers. Het enige wat telde, was ‘het verhaal’. De concurrentie in Fleet Street is moordend. Ik gebruik ‘Fleet Street’ trouwens enkel symbolisch, als aanduiding van ‘de kranten’. Toen ik in 1976 mijn eerste stappen in de journalistiek zette, was die straat in het hart van Londen nog écht het mekka van de dagbladpers. Elke grote nationale krant had er zijn redactie. Nu zitten ze verspreid over de stad, in goedkopere wijken of grote kantoorgebouwen. In mijn beginjaren gingen we na het werk vaak samen met collega’s van de tabloids en van meer highbrow krantentitels een pint drinken in een pub in de buurt van Fleet Street. Die cultuur is jammer genoeg helemaal verdwenen.”

 

Klopt het dat u in die beginjaren zelf belaagd werd door een journalist van de sensatiepers?

Rusbridger: “Jawel. Ik had toen een affaire met de dochter van een bekende Brit. We deden niets wat verboden was, maar wilden liever niet dat onze relatie in de openbaarheid kwam. Eigenlijk had niemand daar toen zaken mee. Op een vrijdagavond stonden er een reporter en een fotograaf van The Sunday Mirror voor mijn deur. De journalist stelde zich voor als Richard en was zeer vriendelijk. Hij zei: ‘Beste meneer Rusbridger, we kunnen dit op een makkelijke manier afhandelen, of we kunnen u het leven zeer onaangenaam maken. Ga rustig in de sofa zitten en vertel ons uw liefdesverhaal in geuren en kleuren. We zullen onze vragen dan met de nodige sympathie stellen. Maar als u niet met ons wil praten, kloppen we bij al uw buren aan. Dan bellen we uw moeder op, uw broer en alle mensen die u dierbaar zijn. Wat verkiest u?’ Dat was geen fijne ervaring. Ik zei dat hij kon opkrassen. Richard en de fotograaf kampeerden 24 uur lang voor mijn deur en vielen alle buren lastig. Een week later stonden ze er weer. Uiteindelijk is er nooit een verhaal gepubliceerd, maar de manier waarop ze me toen chanteerden, is nog steeds schering en inslag.

“In het relatief kleine Groot-Brittannië verschijnen dagelijks tien verschillende kranten, waarvan de helft tabloids. Ze werken allemaal met het mes op de keel. De druk om verhalen eerst te vinden, is verschrikkelijk intens. En dat wordt alleen maar erger. Sensatiejournalisten gedragen zich als bullies. Hun enige missie is: datgene te pakken krijgen wat de krant van hen verlangt. Vanuit de tabloids wordt die druk continu opgevoerd: de journalist die geen smeuïge verhalen weet op te delven, wordt snel gedumpt.”

 

Zoals wijlen Sean Hoare, journalist van News of the World en een van jullie belangrijkste bronnen voor het afluisterschandaal?

Rusbridger: “Precies. Eind 2010 trad Sean als eerste ex-News of the World-journalist voor het voetlicht met een interview in de New York Times. Hij vertelde daarin dat zijn vroegere vriend en hoofdredacteur Andy Coulson hem aangemoedigd had om voicemails te hacken. Sean werd zo de eerste News of the World-klokkenluider met open vizier.”

 

Hij werd niet alleen aangemoedigd om telefoons af te luisteren, maar ook om samen met rocksterren coke te snuiven, pillen te slikken en liters alcohol te drinken.

Rusbridger: “Zo ruïneerde hij zijn mentale en lichamelijke gezondheid. Hoare was amper 48 toen hij in juli 2011 aan de gevolgen van zijn alcoholverslaving bezweek. Hij begon zijn carrière bij The Sun, waar hij Andy Coulson leerde kennen. Hij kreeg er de vaste rubriek Bizarre. De deal was: vul die rubriek met ‘good stories’. Hoe hij aan zijn informatie geraakte of wat hij daarvoor moest doen, maakte voor Coulson geen zak uit. Zolang de straffe verhalen maar bleven toestromen. Later stapte Sean over naar News of the World waar zijn goede vriend Andy Coulson het intussen tot adjunct-hoofdredacteur had geschopt. Sean Hoare snoof, slikte en zoop jarenlang met de celebrities en dat liep compleet uit de hand. Aan collega Nick Davies vertrouwde hij toe dat hij elke dag begon met ‘het ontbijt van een rockster’, zijnde een lijn coke en een glas Jack Daniels. Op het hoogtepunt snoof hij drie gram coke per dag, wat hem 1000 pond per week kostte. De schade aan zijn gezondheid was enorm. Maar ik denk niet dat Sean Hoare voor alle tabloidjournalisten model kan staan. Ik vermoed dat het er bij hem wel erg extreem aan toe ging.

“In november 2009 werd News of the World door de arbeidsrechtbank veroordeeld voor het betalen van een schadevergoeding van 800.000 pond aan hun ex-sportjournalist Matt Driscoll. Op het moment van die veroordeling was Andy Coulson communicatiedirecteur van de toenmalige premier David Cameron. In april 2007 ontsloeg Coulson als hoofdredacteur van News of the World Driscoll omdat de man al een paar maanden ziek thuis zat met een zware depressie. De rechtbank was van oordeel dat die depressie een gevolg was van constant pestgedrag door de hoofdredacteur. Die keiharde bedrijfscultuur van bullying is bij veel tabloids diep ingeburgerd. Als gevolg van onze berichtgeving over het afluisterschandaal werd in de zomer van 2011 door de regering de comissie-Leveson met een onderzoek belast. De daaropvolgende maanden hield zij een aantal publieke hoorzittingen. De National Union of Journalists (NUJ), de Britse journalistenbond, liet aan rechter Brian Leveson weten dat ze massaal veel klachten binnengekregen had van tabloidjournalisten die slachtoffer waren van pesterijen door hun bazen. Ze wilden allemaal graag voor de commissie getuigen, maar achter gesloten deuren, want ze waren bang voor de gevolgen. Maar Leveson wou geen anonieme getuigen en ze werden niet gehoord.”

 

De Press Complaints Commission (PCC), de toenmalige Britse raad voor journalistiek, zette News of the World en Rupert Murdoch volledig uit de wind. Volgens hen was er geen enkel bewijs dat het inbreken in telefoons wijdverspreid was.

Rusbridger: “Zij sloten zich aan bij de uitleg van Murdoch dat een paar individuele journalisten op eigen houtje gehandeld hadden. Ze zaten volledig in zijn zak en waren allesbehalve onafhankelijk. De commisie-Leveson pleitte in haar eindrapport voor het opdoeken van de PCC. Dat gebeurde ook; in september 2014 werd ze vervangen door de Independent Press Standards Organisation (IPSO). Zij levert wel goed werk. Voor een buitenstaander lijkt het waarschijnlijk niet zo, maar de tabloids gedragen zich nu iets fatsoenlijker. IPSO is vrij onafhankelijk en reageert ook relatief snel op klachten. Maar soms is een verhaal zo smeuïg dat geen enkele deontologie een tabloid kan tegenhouden. ‘Het nieuws is sterker dan onszelf.’ En hup, de persen rollen.”

 

Misschien gold dat heel af en toe ook voor u als hoofdredacteur bij The Guardian?

Rusbridger: “Er waren momenten waarop ik me ervan bewust was dat ik vervolgd kon worden om wat ik ging schrijven of publiceren. Ik vroeg me dan af: ‘Stel dat het tot een proces komt, kan ik dit dan verdedigen?’ Ik probeerde ook altijd goed in te schatten wat het maatschappelijk belang van zo’n artikel was. Het verschil met tabloids is dat zij weten dat hun controversiële artikels geen maatschappelijk belang dienen. Toch doen ze voort.”

 

Ze betalen liever miljoenenboetes?

Rusbridger: “Daar lijkt het op. Ze schikken ook zeer snel om rechtszaken te vermijden. Als je op voorhand weet dat je geen poot hebt om op te staan, is dat natuurlijk het slimste. Gooi er een paar honderdduizenden ponden schadeloosstelling tegenaan en zeg: ‘Oeps, dat was niet de bedoeling. Hier is een check en laat ons met rust.’

“Weet u wat het grotere onderliggende probleem is? Dat journalistiek in het algemeen zich in het verleden nooit heeft moeten verantwoorden. Vóór de digitalisering schreven journalisten kranten vol en de lezers namen aan dat het gedrukte woord in de krant niet gemanipuleerd was. Vandaag leven we in een wereld vol informatiechaos. Voor veel mensen is dat beangstigend. Ze horen de machtigste man op aarde zeggen: ‘Wat The New York Times schrijft, is fake news. Geloof liever mijn leugens.’ Dat gegoochel met waarheid en leugen ondermijnt onze samenleving. Politici zullen pas echt doeltreffend tegen de klimaatverandering kunnen optreden als het duidelijk is dat de waarheid verteld wordt. Anders zullen invloedrijke mensen blijven beweren dat het een hoax is, waardoor de overheid uit angst voor de publieke opinie blijft treuzelen.”

 

Is het dan niet extra verontrustend dat veel jonge mensen hun informatie vooral van Facebook, Instagram of Twitter halen?

Rusbridger: “Ik vrees dat de informatiechaos binnenkort zo uit de hand zal lopen dat regeringen maatregelen zullen moéten nemen om het dreigende media-analfabetisme te lijf te gaan. We mogen jonge mensen niet aan hun lot overlaten. Op school zullen ze moeten leren een artikel lezen. In deze tijden van nepnieuws zullen ze zich ook altijd moeten afvragen: wie zit er achter dat stuk? Wat is de bedoeling van degene die het op Facebook post? Hoe betrouwbaar was die man of vrouw in het verleden?”

 

Vóór de digitalisering lazen we de krant en stelden we ons ook geen vragen over de betrouwbaarheid van de journalist in kwestie.

Rusbridger: “Dat is zo. De journalistiek heeft nooit de noodzaak gevoeld zichzelf te verantwoorden. ‘Wij zijn de geschreven pers en daarom moet je ons vertrouwen.’ Het grote publiek is daar vandaag niet langer meer zomaar toe bereid. Een nieuwssite als de Nederlandse De Correspondent heeft dat goed begrepen. Zij linken in hun artikels door naar de bronnen die ze gebruiken en vragen lezers expliciet om te reageren. ‘Vertel het ons als we een fout gemaakt hebben, en we zetten ze recht.’ Zo herstel je het vertrouwen. Slechts weinig media durven die dialoog met hun lezers aan.”

 

Niet alle reacties van lezers zijn even opbouwend. Dat zal u op de Facebook-pagina van The Guardian toch ook wel gemerkt hebben?

Rusbridger: “Dat kan best zijn, maar misschien moeten we dan op zoek naar manieren om ervoor te zorgen dat die reacties opbouwender worden. Waarom vragen we niet aan lezers ons te helpen bij het modereren van commentaren? Alleen door hen bij ons werk te betrekken, vergroten we het vertrouwen. Dat is dringend nodig. The Guardian heeft zeer toegewijde lezers. Ik ben ervan overtuigd dat zij de redactie met plezier én gratis te hulp zullen schieten als hen dat gevraagd wordt. (lacht)”

 

Had u ooit voor een tabloid kunnen werken?

Rusbridger: “Nee, ik heb totaal geen voeling met hun onderwerpen. Ik vrees eerlijk gezegd ook dat ik er niet meedogenloos genoeg voor ben.”

 

© Jan Stevens

‘Ze hebben mijn leven gestolen’

In november 1987 werd de pasgeboren Coline Fanon in een ziekenhuis in Guatemala geroofd voor adoptie. Haar moeder kreeg te horen dat haar baby dood was. Via het inmiddels opgedoekte Hacer Puente kwam Coline in België terecht. “Ze hebben mijn leven gestolen en twee families in de ellende gestort.”

 

Op maandag 13 mei kondigde Unicef België aan dat ze haar pas aangestelde nieuwe directeur Bernard Sintobin alweer wandelen stuurde. Aanleiding was een reeks welgemikte tweets van tv-maker Eric Goens naar aanleiding van Sintobins benoeming. ‘Bernard Sintobin is jarenlang penningmeester geweest van Hacer Puente, de Belgische adoptievereniging die in Guatemala tientallen kinderen heeft verhandeld. Euhm?’ Gevolgd door een tweet met een foto van twee jonge vrouwen. ‘Dit zijn Coline en Sophie: dertig jaar geleden als baby verhandeld in Guatemala, door toedoen van de Belgische adoptievereniging Hacer Puente. De voormalige penningmeester van Hacer Puente is vandaag voorzitter van @UNICEFBELGIE.’

In januari van dit jaar getuigden de Franstalige dames Coline Fanon en Sophie Villers over hun malafide adopties in de reeks Bargoens op Eén. Eric Goens reisde met hen naar Guatemala, onder andere naar de residentie van wijlen Ofelia Rosal de Gamas, regelaar van adopties voor Hacer Puente en schoonzus van Oscar Humberto Mejía Victores, dictator van Guatemala van 1983 tot 1986. In De Morgen van 13 mei ontkende Sintobin ooit meegewerkt te hebben aan frauduleuze adopties. “Het enige wat we deden, was adoptiebemiddeling”, zei hij. “We rekenden zelfs geen administratiekosten aan.” De samenwerking met Ofelia Rosal de Gamas gaf hij wel toe. “Zij zorgde ervoor dat de dossiers op het juiste adres terechtkwamen. Maar het is niet omdat iemand een dictator is, dat de rest van zijn familie ook corrupt is.”

Coline Fanon richtte samen met Sophie Villers Racines Perdues op, een organisatie die in Guatemala op zoek gaat naar de verloren roots van adoptiekinderen. Over Sintobin en Unicef wil Coline het liever niet hebben. Wel over hoe zij als baby door Ofelia de Gamas & co geroofd werd.

Coline Fanon: “Mijn Belgische ouders wilden een kind adopteren en stapten naar het Office de la Naissance et de l’Enfance (ONE), de Franstalige tegenhanger van Kind en Gezin. Ze wilden weten welke adoptiedienst hen het beste kon helpen en werden doorverwezen naar Hacer Puente uit Doornik. Die organisatie werd geleid door Michèle Boucq en was gespecialiseerd in adopties uit Guatemala. Boucq had samen met haar man zelf ook Guatemalteekse kinderen geadopteerd. Mijn ouders doorliepen feilloos alle toen gangbare formaliteiten voor adoptie en in november 1986 kregen ze het bericht dat er in Guatemala een klein meisje op hen lag te wachten. Een maand later liet Hacer Puente weten dat hun baby jammer genoeg gestorven was. Dat nieuws kwam hard aan.”

 

Tot ze in februari ’87 hoorden dat u hun dochter zou worden.

Fanon: “Hun hoop flakkerde op. Mijn ouders vroegen meteen een visum aan voor mij, wat ze trouwens eerder al hadden gedaan voor de eerste baby. Die procedure verliep via Ofelia Rosal de Gamas. Mijn ouders moesten haar voor haar diensten rechtstreeks betalen. Dat werd hen meegedeeld door Hacer Puente. Het geld diende zogezegd om haar kosten te dekken die zij in Guatemala maakte en moest gestort worden op een rekening in de Verenigde Staten.”

 

Op wiens naam stond die rekening?

Fanon: “Ofelia Rosal de Gamas. Van andere kinderen die via dezelfde organisatie geadopteerd zijn, weet ik dat zij niet altijd de rechtstreeks begunstigde was. Soms moest het geld overgeschreven worden naar rekeningen van advocaten in de VS.”

 

Hoeveel betaalden uw ouders?

Fanon: “Dat mag ik niet zeggen; mijn ouders willen dat niet. Niet alle Belgische adoptieouders betaalden evenveel. De bedragen schommelden en er zat geen systeem in. Het kon best dat het ene koppel voor twee Guatemalteekse kinderen vijf keer minder moest neertellen dan een ander koppel voor één kind. Maar altijd ging het over duizenden franken.

“Niet lang nadat mijn ouders het geld hadden overgeschreven, kregen ze van Hacer Puente een brief dat er problemen waren in Guatemala. Alle lopende adopties waren geblokkeerd. Reden: de Guatemalteekse justitie had zware vermoedens over kinderhandel. In de brief stond ook dat er arrestaties verricht waren.”

 

In april van dit jaar schreef het Amerikaanse maandblad Harper’s Magazine dat Ofelia de Gamas twee keer in Guatemala gearresteerd werd voor kinderhandel: een keer in 1983 en een keer in 1987. Ze werd nooit veroordeeld; niemand weet of ze vrijkwam door politieke druk of door het betalen van smeergeld. Toen uw ouders die brief kregen, was dat vermoedelijk nadat De Gamas in ’87 was opgepakt?

Fanon: “Dat zou kunnen. Andere adoptieouders hadden niet veel eerder een brief van Hacer Puente in de bus gevonden met het verzoek om positieve verhalen over de organisatie te delen. ‘Momenteel hebben de negatieve geruchten een hoogtepunt bereikt’, stond erin. ‘De adopties worden sterk in twijfel getrokken. De kinderen zouden niet geadopteerd worden, maar verkocht. Enkel adoptieouders kunnen bewijzen dat die beschuldigingen totaal ongegrond zijn. U mag vermelden dat u Ofelia de Gamas dankbaar bent om wat ze voor uw kind gedaan heeft.’

“Mijn ouders schrokken zeer erg toen ze lazen dat hun adoptiekind voorlopig niet naar België kon komen. Ze schreven naar de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Leo Tindemans en vroegen hem om diplomatieke hulp. ‘Wij hebben alle adoptieregels strikt gevolgd en willen ons kind bij ons.’ Hun verzoek kwam niet uit de lucht vallen: Frankrijk had eerder al in adoptiedossiers diplomaten ingeschakeld. Ze schreven ook naar de Belgische ambassadeur in Guatemala, maar die heeft nooit gereageerd.”

 

Wisten ze waar u ergens in Guatemala was?

Fanon: “Hacer Puente had hen wijsgemaakt dat ik ondergebracht was bij het Rode Kruis. Daarom schreven mijn ouders ook naar prins Albert, onze latere koning. Hij was voorzitter van het Belgische Rode Kruis en zij vroegen hem of hij meer te weten kon komen over de omstandigheden waarin ik was ondergebracht.”

 

Hoe oud was u toen?

Fanon: “Een maand of drie, vier. Mijn ouders kregen antwoord van de stafchef van Albert: ‘De prins heeft uw verzoek doorgestuurd naar de algemene directie van het Rode Kruis België. Hij vraagt hen uw zaak te onderzoeken en u indien mogelijk te helpen.’ Vervolgens gebeurde er een hele tijd niets. Mijn vader en moeder wachtten, maar kregen intussen wel een factuur van Hacer Puente toegestuurd die ze netjes betaalden. De organisatie rekende hen de kosten aan voor mijn verzorging, voeding en kledij, en voor mijn babysitters.”

 

Was u op dat moment ook veilig ondergebracht bij het Rode Kruis?

Fanon: “Nee. Er zijn sporen van mij teruggevonden in Guatemala City in een clandestien huis waar adoptiekinderen verzameld werden. Ze hebben toen ook foto’s van mij genomen, onder andere één waarop mijn voeten zijn samengebonden. Maar waar ik precies al die tijd verbleef, weet ik nog steeds niet. Waar ik wel zeker van ben, is dat ik eind juli 1987 nog opgesloten zat, terwijl mijn adoptiedossier in gang gezet was in november ’86.”

 

Uw biologische moeder had u toen afgestaan voor adoptie?

Fanon: “Nee, op geen enkel moment. Niet lang na mijn geboorte kreeg ik hevige koorts en mijn mama keerde met mij terug naar het ziekenhuis waar ze bevallen was. ‘Mijn pasgeboren baby is ziek’, zei ze. Twee dagen later vertelden ze haar in het hospitaal dat ik gestorven was. In werkelijkheid hadden ze me overgebracht naar een ander ziekenhuis.”

 

U bent dus ontvoerd door dokters en verplegers?

Fanon: “Vermoedelijk wel. Of ze waren op zijn minst medeplichtig.”

 

In de jaren zeventig en tachtig gebeurde net hetzelfde in Sri Lanka. Daar werden ook baby’s in ziekenhuizen door verplegend personeel geroofd.

Fanon: “In India ook. Mijn moeder vroeg aan de dokter: ‘Mag ik mijn dochtertje zien?’ Hij zei: ‘Nee, dat kan niet. We moesten haar begraven. Ze ligt in een massagraf.’ Mijn Guatemalteekse mama heeft later ter nagedachtenis aan mij een grafsteen op het kerkhof geplaatst.”

 

Wat vertelden de mensen van Hacer Puente aan uw adoptieouders?

Fanon: “Dat een straatarme vrouw haar baby tegen betaling had afgestaan. Mijn biologische ouders waren niet arm. Mijn biologische vader zat in het Guatemalteekse leger op het moment van mijn geboorte. Ze hadden samen al een zoon. Toen mijn moeder zwanger was van mij, zijn ze gescheiden. Maar ze bleven in contact met elkaar. Mijn vader heeft altijd voor zijn zoon gezorgd; hij liet mijn moeder niet aan haar lot over. Nadat ze in het hospitaal te horen gekregen had dat ik gestorven was, zakte ze een tijdje weg in een depressie. Later hertrouwde ze en kreeg ze nog andere kinderen.”

 

In oktober 1987 vertrokken uw adoptieouders naar Guatemala om u eindelijk te gaan ophalen.

Fanon: “Die reis werd georganiseerd door Hacer Puente-voorzitster Michèle Boucq. Op de luchthaven stond Ofelia Rosal de Gamas hen met haar chauffeur op te wachten. Mijn ouders werden naar een hotel gebracht dat vol bleek te zitten met andere adoptieouders. Er waren zo twee hotels in Guatemala City, gespecialiseerd in het te slapen leggen van buitenlanders die hun nieuwe kinderen kwamen ophalen. Tik op Google de naam in van het hotel waar mijn ouders verbleven, en één van de eerste foto’s die je te zien krijgt, is van een witte mevrouw met een bruine baby op de arm.”

 

Hoe heette dat hotel?

Fanon: “Casa Grande in Guatemala City. De avond van hun aankomst bracht Ofelia mij naar het hotel. Vijf dagen later kwam ze terug om samen met mijn ouders de administratie af te werken. Vader en moeder spraken geen woord Spaans, dus regelde zij alles. Ze toonde foto’s van het huis in de krottenwijk waar mijn biologische moeder zou geleefd hebben. ‘Kijk eens in wat voor vreselijke armoedige omstandigheden de moeder van jullie dochtertje probeert te overleven.’ Nu moet u weten, mijn biologische moeder heeft nooit op die plek gewoond. Sterker nog, de foto van datzelfde krot zit ook in een totaal ander adoptiedossier.

“Ofelia de Gamas nam mijn adoptieouders mee op uitstap naar haar residentie in de stad Antigua, waar ze hen voorstelde aan haar schoonbroer. ‘Hij is een gepensioneerde officier.’ Mijn ouders waren er zich op dat moment totaal niet van bewust dat ze met ex-dictator en notoir schender van de mensenrechten Óscar Humberto Mejía Victores gezellig koffie zaten te drinken. Toen ik hen een jaar geleden een foto van die man liet zien, schrokken ze: ‘Maar dat is die vriendelijke mijnheer van toen.’”

 

Wanneer besloot u uw eigen verleden uit te spitten?

Fanon: “Ik was twintig. Daarvoor had ik me ook al vragen gesteld over mijn verleden, zeker in mijn puberteit. Het verschil met veel andere geadopteerden, is dat je het aan mij niet echt ziet. Ik bedoel: ik val hier op straat niet op. Ik kan best Spaanse of Marokkaanse roots hebben, zoals ontzettend veel andere Belgen. Heel af en toe vroeg wel eens iemand: ‘Waar kom jij vandaan?’ ‘Uit Latijns-Amerika.’ En daar hield het dan mee op.

“Ik heb een zus die ook geadopteerd is. Onze ouders hebben al heel lang uitstekend contact met haar biologische familie. We hebben echt fantastische adoptieouders. Ze deden nooit geheimzinnig over onze adopties. Ik was achttien toen ik hen vroeg of ik mijn dossier mocht inkijken. Geen probleem, alleen was dat dossier flinterdun.

“Ik heb intussen zelf twee kinderen, een meisje en een jongen. Toen ze nog heel klein waren, had ik geen tijd meer om op zoek te gaan. Binnenkort wordt mijn dochter zeven. Toen zij zei: ‘Mama, ik wil het eigenlijk wel eens weten’, wou ik dat ook.”

 

Dus ging u op zoek naar ouders waarvan u overtuigd was dat ze u ooit weggegeven hadden?

Fanon: “Ik had er nooit aan getwijfeld dat zij me gedumpt hadden. Toch wou ik weten hoe ze eruitzagen.”

 

Was u boos op hen?

Fanon: “Nee, dat ben ik nooit geweest. Ik kon begrijpen dat mijn moeder me uit armoede had weggegeven. Mijn adoptiemoeder hield me altijd voor: ‘Ze heeft dat waarschijnlijk gedaan omdat ze geen andere keuze had.’ Dat leek ook zo uit mijn dossier: ze stond me af om mij een betere toekomst te garanderen. Ik was terechtgekomen in een warm nest, met liefhebbende ouders. Ik leidde een zalig leven, en ben trouwens nog steeds gelukkig met wat ik heb. Ik hou van mijn adoptieouders en zij van mij. Zij hebben het zeer moeilijk met wat er nu allemaal boven water komt. (stilte)

“In december 2017 begon ik mijn dossier zeer nauwgezet uit te pluizen. Ik tikte de naam ‘Hacer Puente’ in op het internet en kwam terecht bij het getuigenis van de bekende Franse zangeres Carmen Maria Vega. In 2011 had zij ontdekt dat haar adoptie in 1984 via Hacer Puente allesbehalve fatsoenlijk verlopen was. Ik belde haar. ‘Ofelia Rosal de Gamas regelde mijn adoptie.’ Ze zei: ‘Je weet toch dat Rosal de Gamas handel dreef in kinderen?’ Het was alsof de grond onder mijn voeten wegzonk. Toen wou ik àlles over Hacer Puente en mijn adoptie te weten komen. Ik ging zelfs Spaans studeren om alle paperassen goed te kunnen begrijpen en met Guatemalteken te kunnen communiceren.”

 

Hoe vond u uw biologische ouders?

Fanon: “Ik speurde het internet af en kwam zo bij de Guatamalteekse onderzoeksjournalist Sebastiàn Escalón terecht. In 2015 legde hij samen met zijn collega Pilar Crespo een netwerk in kinderhandel uit de jaren zeventig en tachtig bloot. Eén van de spillen was de advocaat Edmond Mulet, die het inmiddels geschopt had tot hoge pief bij de Verenigde Naties. Ik mailde Sebastiàn: ‘Ik ben geadopteerd in 1987 via bemiddeling door Ofelia de Gamas’. Hij antwoordde direct: ‘Dan ziet het er niet goed uit.’ Hij bracht me in contact met Marco Garavito van La Liga Guatemalteca de Higiene Mental. Marco voert onderzoek naar de verdwenen kinderen van Guatemala.”

 

Zijn er dan zoveel kinderen spoorloos verdwenen?

Fanon: “Guatemala heeft een bijzonder kwalijke adoptiereputatie. Dat begon in 1954, toen een staatsgreep de eerste van een lange reeks militaire dictators aan de macht bracht. Burgers gingen in verzet en de dictators en hun doodseskaders traden keihard op. Volgens een onderzoekscommissie van de VN werden tussen 1954 en 1996 minstens tweehonderdduizend mensen vermoord. Bij klaarlichte dag werden ze door militairen, agenten of huurlingen van de straat geplukt, in busjes afgevoerd, gefolterd, afgemaakt en in massagraven gedumpt. Kinderen werden massaal gestolen, in staatsweeshuizen ondergebracht en met vervalste papieren ter adoptie aangeboden. Die grote kinderrroof wordt nu als een oorlogsmisdaad beschouwd. Het is tegen die achtergrond dat Ofelia de Gamas actief was. La Liga van Marco Garavito helpt ouders met het opsporen van hun verdwenen kinderen. Mijn eerste echte brief in het Spaans schreef ik naar Marco. (lacht) Sebastiàn Escalón gaf me intussen een snelcursus in online-onderzoekstechnieken. Met hun hulp vond ik mijn Guatemalteekse ouders en familie terug. Negen dagen en negen nachten bracht ik continu door op het internet.

“Uiteindelijk vond ik hen op Facebook. Ik durfde mijn biologische moeder niet aan te spreken. Op haar profiel stond elke zevende november van elk jaar een gebedje naast een foto van een baby.”

 

Dat was ter nagedachtenis aan u, haar gestorven dochtertje?

Fanon: “Ja. Volgens de papieren van Hacer Puentes die ik in mijn bezit heb, ben ik geboren op 7 november. Toen mijn adoptieouders me kwamen halen, was mijn geboortedatum op de officiële documenten veranderd in 4 november. ‘Het was oorlog en er was chaos’, zeggen mama en papa. ‘Die verkeerde datum was gewoon een vergissing.’ Dat is best mogelijk. Mijn ouders waren in ‘87 trouwens erg bang om naar Guatemala te vertrekken. Het zijn gewone mensen en geen avonturiers, militairen of oorlogsjournalisten. (lacht)”

 

U stuurde eerst een van uw gloednieuwe zussen een bericht via Facebook?

Fanon: “Zij dacht dat ik een gekkin of een oplichtster was. Later belden we en ze ratelde zo snel in het Spaans dat ik haar nauwelijks kon volgen. Een andere zus vroeg: ‘Welke informatie heb je over je adoptie?’ Ik stuurde haar alles wat ik had. Meteen daarna reageerde ze: ‘Hoe is het mogelijk dat je nog leeft?’ Toen zag ik een vriendschapsverzoek van mijn mama. (stilte) Vervolgens stuurde ze een bericht dat ik niet meteen durfde te openen. ‘Dag mijn mooi lief meisje, mijn schat’, schreef ze. ‘Ik geloof dat ik je mama ben.’”

 

Haar dertig jaar dode dochter was plots springlevend.

Fanon: “Al die jaren was ze er rotsvast van overtuigd dat ik dood was. Daar heeft ze nooit aan getwijfeld. Elk jaar brandde ze een kaarsje op mijn verjaardag. Mijn biologische mama had me Mariela Sindy genoemd. Mijn biologische papa noemde zijn eerste dochter die na mij geboren is, Mariela en zijn tweede dochter Cindy.”

 

Wanneer ontmoette u uw moeder in levende lijve?

Fanon: “In januari 2018, anderhalve maand na ons eerste contact. Ik moést haar zien en nam in mijn eentje het vliegtuig naar Guatemala. Heel de familie stond me op de luchthaven op te wachten.

“Ik vond mijn mama zo mooi. Ze rende naar me toe en nam me in haar armen. Ze was zacht en rook zo lekker. Haar geur vergeet ik nooit meer.”

 

Uw biologische vader ontmoette u later samen met Eric Goens voor Bargoens?

Fanon: “Papa woont in de Verenigde Staten. Hij is een succesrijk ondernemer en kwam speciaal voor ons over naar Guatemala. Mijn biologische mama is mijn adoptieouders ontzettend dankbaar. Ze kan niet ophouden met hen te bedanken omdat ze al die jaren zo goed voor haar dochter gezorgd hebben. Mijn beide mama’s hebben elkaar gesproken, en zouden graag samen tijd doorbrengen met mij. Maar ik kan dat op dit moment emotioneel niet aan. Zij kijken daar heel erg naar uit; voor mij lukt dat voorlopig niet.”

 

U zit nu met uw identiteit zwaar in de knoop?

Fanon: “Het is ingewikkeld. Als ik daar ben, zien de mensen me als één van hen. Ik ben dan ook één van hen, want op die momenten werken de toeristen me even hard op de zenuwen. (lacht) Daar ben ik thuis, maar hier ben ik ook thuis. Dat is zo raar. Als ik hier geen gezin had, was ik al lang weg naar Guatemala. Daar ben ik zeker van. Ik had de oversteek eerlijk gezegd bijna geregeld. Ik had zelfs een school gevonden waar de kinderen ook Frans konden blijven spreken. Mijn Guatemalteekse mama wil zo graag dat ik terugkom. Maar mijn man ziet een verhuis niet zitten. Mijn Guatemalteekse papa zou liefst hebben dat ik naar de VS verhuis. Maar ik raak dat land niet binnen omdat mijn papieren vervalst zijn. Officieel woon ik nog steeds in Guatemala.

“Ik ben verdrietig over wat mijn vaders en moeders moesten meemaken. Ik ben ook kwaad over wat er gebeurd is. Ze hebben mijn leven gestolen en twee families in de ellende gestort. Ik was amper een paar dagen oud toen ze me roofden. Het federaal parket voert nu sinds enkele maanden een onderzoek naar alle adopties van Hacer Puente. Ik hoop dat duidelijk zal worden wie in België verantwoordelijk was.”

 

Kwam dat gerechtelijk onderzoek er door u of door uw organisatie Racines Perdues?

Fanon: “Nee, het kwam er na een klacht van een slachtoffer uit Vlaanderen. Zij stapte met haar adoptieverhaal naar de politie. Via Racines Perdues heb ik contact met alle geadopteerden van Hacer Puente. Ook met de Vlaamse vrouw Dolores Maria Preat die in 2014 voor een stevig schandaal zorgde in Guatemala. Ook zij had ontdekt dat haar moeder haar niet uit armoede had afgestaan, maar dat ze was ontvoerd. Haar kidnapster gaf zichzelf uit voor haar biologische moeder. Die vrouw is daar in Guatemala voor veroordeeld.”

 

Preats adoptie verliep via Hacer Puente?

Fanon: “Ja. Ik zeg niet dat er een geurtje hangt aan alle adopties die Hacer Puente ooit regelde. Maar de lijst van onregelmatigheden die we via Racines Perdues in Guatemala verzamelden, oogt indrukwekkend. Met nummers van identiteitskaarten van biologische ouders die niet kloppen, mannen die vrouwen blijken te zijn, enzoverder… Het was één knoeiboel.”

 

In Vlaanderen is er op dit moment ook flink wat heisa over interlandelijke adoptie. Er bestaan ernstige vermoedens van fraude over adopties uit onder andere Sri Lanka, Ethiopië en Congo.

Fanon: “Franstalige en Nederlandstalige adoptiekinderen staan nu in nauw contact met elkaar. Want interlandelijke adoptiefraude is geen communautaire materie: in heel dit land liep het vaak grondig fout. Daarom is het meer dan de hoogste tijd voor een landelijke waarheidscommissie over adoptie. Álles moet op tafel komen. Zonder taboes.

“Sophie Villers en ikzelf willen graag als vertegenwoordigers van Racines Perdues door de toekomstige premier van België ontvangen worden. Want omdat we als baby ontvoerd zijn, raken wij nu de VS niet binnen. Daar beschouwen ze ons nog steeds als Guatemalteken. We zouden graag hebben dat onze toestand via diplomatieke weg geregulariseerd wordt. Dan kan ik mijn biologische papa bij hem thuis opzoeken. De nieuwe Belgische regering moet ook werk maken van een DNA-bank waar alle geadopteerden terechtkunnen.”

 

Heeft Michèle Boucq van Hacer Puente intussen contact met u gezocht?

Fanon: “Nee. In 2016 belde ik haar omdat ik meer informatie wou over mijn dossier. ‘Wij regelden enkel de overhandiging’, zei ze. ‘Ik heb geen archief.’”

 

(c) Jan Stevens

‘Ik kreeg dreigbrieven. Mijn advocaat zei: ‘Ga niet te dicht bij de sporen staan als je de metro neemt, en pas op als je de straat oversteekt”

Tien jaar lang geloofde Stéphanie Gibaud dat ze de job van haar leven had als marketeer bij private bank UBS France. Tot ze ontdekte dat haar werkgever op grote schaal belastingontduiking voor de superrijken organiseerde. “Het was alsof ik bij de duivel in bed lag.” Ze werd klokkenluidster en haar leven veranderde in een hel. “Ze vergiftigden mijn hond in mijn appartement.”

 

“U herkent me aan mijn lange rode jas”, sms’t Stéphanie Gibaud vijf minuten voor onze afspraak in een Parijse brasserie. Het mailverkeer voorafgaand aan dit interview verliep via een beveiligd adres. Ze vraagt om achteraan te gaan zitten, in de donkerste hoek van het café. “Toch ben ik niet paranoïde”, zegt ze. “Maar de technologie vertrouw ik niet meer. Sinds ik frontaal met UBS France in aanvaring kwam, weet ik dat zij de middelen hebben om mijn smartphone uit te lezen en mijn mailboxen te checken. In 2011 sloot ik een deal met het ministerie van Financiën. UBS was meteen op de hoogte. Ik ben zeker dat niemand gelekt had. Ze konden dat alleen weten door me af te luisteren.”

Eind februari van dit jaar werd de private bank UBS door de Franse rechtbank veroordeeld tot een recordboete van 4,5 miljard euro. Die veroordeling was een rechtstreeks gevolg van het overdonderende bewijsmateriaal dat klokkenluidster Stéphanie Gibaud mee hielp verzamelen. “Eindelijk kreeg ik gelijk.”

Van bij de start in 1999 tot 2012 hielpen de bankiers van UBS rijke Fransen de fiscus te omzeilen. Dat deden ze door zwart geld ‘op industriële wijze’ wit te wassen en vermogens offshore, op geheime rekeningen in Zwitserland te stallen. In zijn vonnis sprak de Franse rechter van ‘criminele wandaden van uitzonderlijk ernstige aard’. UBS kondigde inmiddels aan in beroep te gaan.

Toen Stéphanie Gibaud nog hoofd marketing en communicatie bij UBS France was, woonde ze met haar twee jonge zonen in een ruim zonnig appartement in de Parijse rue d’Armaillé. Vandaag is ze zowat alles kwijt: haar droomjob, haar kinderen en haar chique flat. “UBS heeft mijn leven vernietigd. Ze probeerden me als een insect te vermorzelen.” Nu woont ze in een godvergeten dorp aan de Italiaanse grens en adviseert ze bedrijven over ethisch ondernemen. Ze is in Parijs om aan te kondigen dat ze in mei wil deelnemen aan de Europese verkiezingen. Straks heeft ze afgesproken met haar oudste zoon, vanavond is ze spreker op een conferentie over mobbing, pesten op het werk.

Stéphanie Gibaud: “Ik sta als tweede op de Europese lijst Debout la France (DLF) van politicus Nicolas Dupont-Aignan. Wij willen de ethiek terug in de politiek brengen. Het verborgen geld van de superrijken moet eindelijk boven water komen. Belastingparadijzen kunnen enkel op internationaal niveau aangepakt worden. Als Malta en Cyprus binnen de EU willen blijven, zullen ze er toch voor moeten zorgen dat miljonairs van over de hele wereld er niet langer hun zwarte centjes kunnen onderbrengen. Daarom hebben we Europese politici nodig die banken het vuur aan de schenen durven leggen.”

 

Bij de laatste Franse presidentsverkiezingen haalde Nicolas Dupont-Aignan 4,73 procent van de stemmen. Erg veelbelovend lijkt dat niet.

Gibaud: “Intussen leven we met de gele hesjes-beweging in andere tijden. De woede in de Franse samenleving is groot. Na de veroordeling van UBS had ik gehoopt dat de Franse regering me tegemoet zou komen. In 2008 tipte ex-UBS-bankier Bradley Birkenfeld in ruil voor 104 miljoen dollar de Amerikaanse fiscus over offshore-rekeningen van Amerikaanse UBS-klanten in Zwitserland. Ik kreeg niets voor mijn klokkenluiderswerk. Ik was een alleenstaande moeder met twee kinderen. De toplui bij UBS rekenden erop dat ze me snel zouden kunnen vernietigen. Op het einde werkte ik nauw samen met het Franse ministerie van Financiën. Was het op dat moment niet de verantwoordelijkheid van de Franse overheid om mij te beschermen én te verdedigen? Of om op zijn minst alle schade te vergoeden die ik geleden heb? Na de uitspraak in februari lijkt het alsof de zaak-UBS in Frankrijk geregeld is. Over mij wordt niet meer gesproken, ook de huidige president Emmanuel Macron en zijn regering zwijgen me dood.”

 

Komt dat omdat veel rijke klanten van UBS connecties hebben met politici?

Gibaud: “Dat is inderdaad de kern van de zaak. De presidentiële verkiezingscampagne van Emmanuel Macron werd gedeeltelijk gefinancierd door multimiljonairs. Een van zijn belangrijkste financiële steunpilaren was de Rothschild-bank waar hij zelf vier jaar gewerkt heeft. De oude kameraden mobiliseerden hun rijke vrienden om Macrons verkiezingskas te spijzen. Dat superrijke vriendenkransje ziet mij als de party-pooper.

“In Zwitserland is UBS een instituut: het is er de grootste werkgever. Intussen weet ik dat de bank ook kampioen is in fraude en witwassen. Dat leverde haar in het verleden zowel in Duitsland als in de VS al miljoenenboetes op. Ook in uw land loopt er trouwens een gerechtelijk onderzoek. De Belgische politie zocht twee keer contact met mij. De eerste keer was in 2014 in Brussel; de tweede keer hier in Parijs in 2015. Ze wilden weten hoe het UBS-systeem functioneert, want België is naar het schijnt een kopie van Frankrijk. Ik vraag me af hoe het nu met dat Belgische onderzoek gesteld is. Misschien hebben de onderzoekers op de Franse uitspraak gewacht om terug in gang te schieten.”

 

Wanneer begon u bij UBS te werken?

Gibaud: “In september 1999. Als hoofd Marketing en Communicatie kreeg ik een stevig budget om VIP-evenementen te organiseren.”

 

Die VIP-evenementen waren in de eerste plaats bedoeld om superrijke klanten aan te trekken?

Gibaud: “Ja. UBS is enkel geïnteresseerd in mensen met grote vermogens. Wij organiseerden onder andere de UBS Golf Trophy, overal ter wereld. In België sponsorden we de Formule 1-wedstrijd van Spa-Francorchamps. Elk jaar stuurde ik klanten met een ‘speciaal arrangement’ naar daar.”

 

UBS is de oudste bank van Zwitserland, maar de Franse afdeling dateert pas van 1999, het jaar waarin u er kwam werken.

Gibaud: “UBS España en UBS France openden hun deuren op hetzelfde moment. De toenmalige Italiaanse premier Silvio Berlusconi had een paar jaar eerder fiscale amnestie beloofd aan de rijke Italianen. Tegen zijn vermogende vrienden zei hij: ‘Breng jullie zwart geld van Zwitserland terug naar Italië. Jullie zullen niet beboet worden, er komt geen vervolging en er volgt geen gevangenisstraf.’ De Zwitserse bankiers van UBS vreesden dat de Franse president Jacques Chirac en de Spaanse premier José María Aznar het voorbeeld van Berlusconi zouden volgen. Dat kon hen veel lucratieve cliënten kosten. Dus openden ze razendsnel filialen in Parijs en Madrid. De Franse cliënten moesten dan zelf niet meer met hun zwarte centen naar belastingparadijs Zwitserland; de Zwitsers regelden alle offshore-praktijken in opperste discretie voor hen. Hun witte centen werden netjes beheerd door UBS France of España. UBS Belgium is in 2002 van start gegaan. Daar moet ik geen tekening bij maken, zeker? Voor de buitenwereld leek alles bonafide. Toen ik bij UBS begon te werken, was ik er rotsvast van overtuigd dat ik bij een fatsoenlijke bank terecht kwam. UBS France beweert tot vandaag: ‘Met offshore hebben wij niets te maken. Wij voldoen volledig aan de vereisten en voorwaarden van de Franse nationale bank en aan de regels van de bankwaakhond Autorité des Marchés Financiers (AMF).’ Hun juridische mistgordijn is zo dik dat het tot dit jaar geduurd heeft voor de Franse rechtbank tot een veroordeling kwam.”

 

Aan de andere kant verliep het versluizen van zwart geld naar Zwitserland toch ook nogal knullig? Uit uw boek leer ik dat tussen 2002 en 2007 de UBS-toplui in Frankrijk een dubbele boekhouding bijhielden. Met schriftjes vol dubieuze transacties, de zogenaamde ‘carnets du lait’ of huishoudboekjes.

Gibaud: “Ze hielden er de illegale transacties in bij met potlood en gom. Op het einde van elke maand zat onze grote baas Patrick de Fayet samen met de Zwitsers die boekjes netjes bij te werken. Zo lijkt het misschien alsof UBS een amateuristisch zootje was, maar dat is een foute inschatting. Wij wisten trouwens niet van het bestaan van die notitieboekjes.

“Toen UBS France in 1999 van start ging, was het de bedoeling dat het bedrijf zou uitgroeien tot een van de grootste private banken van Frankrijk. Er kwam bij ons nooit een amnestie à la Berlusconi, en zeker tot 2009 spraken de Zwitserse bankiers met hun Franse cliënten af in het hoofdkwartier van UBS aan de Boulevard Haussmann. Of ze reisden naar de events die ik organiseerde.”

 

U wist niet dat uw events dekmantels waren om zwart geld wit te wassen en misdaad- en corruptiegeld te versassen?

Gibaud: “Ik wist niets van de bankzaken en had niets te maken met transferts van geld. Ik organiseerde golftornooien, exclusieve concerten en regatta’s voor jachten. Ik regelde box seats voor Roland Garros. Ik moest ervoor zorgen dat elke klant zijn welvaart en geld spontaan associeerde met UBS. Ik bezorgde ons cliëntèle altijd de beste plaatsen in de opera. Die mensen konden àlles betalen. Ze hadden hun eigen helikopter of vliegtuig, bezaten minstens vijf villa’s en een handvol bedrijven. Ze waren zo rijk als de zee diep is. Een VIP-plaats op een muziekfestival was niet goed genoeg; ze moesten voor het optreden samen met de superster in kwestie een frietje kunnen steken. Het was mijn job hen onbetaalbare ervaringen en emoties te bezorgen. Zo organiseerden we in sterrenrestaurant Maison Blanche bovenop het Louvre een intiem concert met cellolegende Mstislav Rostropovich. Nadien schoof Rostropovich aan voor het diner. De man is intussen gestorven en ik ben er wel zeker van dat de Fransen die ooit met hem gedineerd hebben, zeldzaam zijn. Ik denk dat ik ze allemaal ken.”

 

U kende ook alle klanten van UBS France?

Gibaud: “Allemaal. We bedienden een niche: de superrijken. Als ik een golftornooi in Rijsel organiseerde, kwamen er altijd Franse cliënten langs die om fiscale redenen net over de grens in België een optrekje hadden. Hun geld zat veilig offshore in Zwitserland. UBS was in Europa de locomotief in het wit- en zwartwassen van geld van rijke mensen. Zowat alle andere grote banken zijn hen daarna gevolgd, niet zo massaal en kleinschaliger en voorzichtiger. Voor UBS was Zwitserland de corebusiness. Al de rest was façade.”

 

Was u tevreden met uw job?

Gibaud: “Ik hield van mijn werk. Ik had daarvoor als PR-manager bij een voetbalclub gewerkt; ik kende het klappen van de zweep. ‘Hallo, we hebben hier een klant die morgen vanop de eerste rij de finale van de Champions League in Madrid wil bijwonen. De prijs speelt geen rol.’ The sky was the limit. Ik ging tot het uiterste om de zeer veeleisende cliënten van UBS France tevreden te houden. Ik zat continu onder stress, maar als het weer eens gelukt was om het onmogelijke mogelijk te maken, was ik gelukkig.”

 

Tot die fameuze woensdag, 25 juni 2008.

Gibaud: “Eerder die week was de politie binnengevallen in het kantoor van directeur Patrick de Fayet. Tot vandaag weet ik niet wat de aanleiding daarvan was. De bank heeft nooit iets over de achtergrond van die huiszoeking gelost en er is ook nooit iets over in de media verschenen. Ik vermoed dat de politie op zoek was naar gerichte informatie over sommige klanten. De inval zorgde voor paniek in de hoogste regionen van UBS France. Die woensdagochtend kwam mijn rechtstreekse baas voor mijn bureau staan. ‘Er was een huiszoeking bij De Fayet’, zei ze. ‘Wis de harde schijf van je computer en vernietig al je archieven.’ Ik keek haar niet-begrijpend aan. ‘Pardon?’ Pas later hoorde ik van financiële experts waarom ze me vroeg om al mijn bestanden te vernietigen: zonder het te beseffen, bezat ik informatie die voor de speurders goud waard was. Want ik had niet alleen alle namen, adressen en telefoonnummers van de UBS-klanten, maar ook hun rechtstreekse linken met UBS-bankiers in Frankrijk én in Zwitserland, Luxemburg en België. Hard bewijsmateriaal dat Zwitserse bankiers naar Frankrijk gekomen waren om hier hun offshore-producten te slijten. Voor de Franse justitie is dat ‘démarchage bancaire illégal’, illegaal bankieren. Ik had daar nog nooit van gehoord. UBS gold als de beste vermogensbank ter wereld, de properste bank ook en kaapte elk jaar de Euromoney-award, de Oscar voor banken weg. Wist u dat de bank ook vorig jaar nog met die award ging lopen?”

 

2008 was het jaar van de financiële crisis.

Gibaud: “Daardoor begon de zogenaamd zuivere tanker UBS slagzij te maken. De bank had zwaar in Amerikaanse rommelhypotheken geïnvesteerd. UBS had ook veel geld gestopt in het fonds van superfraudeur Bernard Madoff. Als klap op de vuurpijl luidde in Amerika Bradley Birkenfeld de klok. Een decennium lang geloofde ik voor een ethisch hoogstaande bank te werken. De beste bank ter wereld! De kredietcrisis van 2008 legde een bom onder dat geloof. Toen mijn baas zei: ‘Vernietig al je data’, drong tot me door dat UBS me al die jaren bedrogen had. Op dat moment voelde ik me als een gelukkig getrouwde vrouw die ontdekt dat haar man haar al jarenlang bedriegt. Ik lag in bed met de duivel zelf.”

 

Was het daarom dat u weigerde om de bestanden op uw computer te wissen?

Gibaud: “Ik vroeg mijn baas: ‘Waarom viel de politie bij De Fayet binnen?’ Ze wist het niet. ‘Doe wat ik je opdraag.’ Net op dat moment was ik druk bezig met het organiseren van een golftornooi in Genève. Ik had even geen tijd om mijn computer op te kuisen en mijn baas kon de pot op. Ze was nieuw, kwam van een andere bank en ik kon haar eerlijk gezegd niet luchten. Later die dag stond ze opnieuw voor mijn neus: ‘Heb je de boel al opgekuist?’ ‘Nee, geen tijd.’ ‘Haast je en vergeet niet alle papieren archieven weg te gooien.’ Er stonden afvalcontainers en pas dan viel het me op dat collega’s naarstig bezig waren met het dumpen van dossiers. Ik voelde dat er stront aan de knikker was en vanaf dan nam ik elke avond een pak papier uit die containers mee naar huis. Tot er tien vierkante meter papier in mijn woonkamer lag. Drie jaar lang doorploegde ik elke nacht en elk weekend al die documenten. Ik zag rekeningen passeren in Latijns-Amerika en Azië. Ik bracht alle belastingparadijzen in kaart waar UBS France offshore-rekeningen had. Ik probeerde te achterhalen welke codenaam voor wie stond. Ik las instructies over hoe namen en gegevens van klanten veilig opgeborgen kunnen worden in smartphones en laptops. Ik zag handleidingen om douaniers om de tuin te leiden en een draaiboek over wat te zeggen en te doen na arrestatie.”

 

Dat lijkt op een James Bond-film.

Gibaud: “De figuren die UBS in dienst had om offshore-diensten in Azië en Amerika te verzorgen, waren dan ook geen bankiers, maar een soort geheim agenten. Zij werkten niet voor, maar tégen de Franse regering. In het begin van mijn nachtelijke zoektocht was ik een hardwerkende alleenstaande moeder met twee zonen. Op het einde was ik extreem vermoeid én extreem bang voor mij en mijn kinderen. Want ik had bewijs in handen dat ik voor een organisatie werkte die de illegaliteit niet schuwde.”

 

U stapte niet naar de politie, maar naar uw bazen.

Gibaud: “Ik was vakbondsafgevaardigde en was het gewoon om bij problemen naar het management te stappen. Dat deed ik nu dus ook. Ik stapte de kantoren binnen van UBS-voorzitter Thierry de Chambure en directeur Patrick de Fayet. Ik was verschrikkelijk naïef en geloofde dat ze me in bescherming zouden nemen. ‘Je bent gek’, zeiden ze. ‘Gestoord.’ Meteen daarna begonnen de pesterijen. Ze namen me al mijn verantwoordelijkheden af en ik werd gedegradeerd tot ‘hoofd receptie’. Mijn job bestond voortaan uit checken of alle planten water hadden en of de voorraden papier nog op peil waren. Ik mocht niet meer reizen. UBS startte een roddelcampagne. Het was zo heftig dat ik in een zware depressie sukkelde. Na mijn terugkomst, had ik niets meer om handen. Ik stapte naar een inspecteur van het ministerie van Arbeid. Zij zorgde ervoor dat ik mijn oorspronkelijke job terugkreeg. Er werden beloftes gemaakt dat de bank haar leven zou beteren en afscheid zou nemen van het zwarte circuit. Tot ik in 2011 tijdens de voorbereiding van het tennistornooi van Roland Garros benaderd werd door agenten van de Franse douane. ‘We willen u graag twee weken volgen op Roland Garros, want we hebben het vermoeden dat UBS er afspraken regelt met Zwitserse bankiers.’ Ik geloofde hen niet. ‘Dat doen ze niet meer’, zei ik. ‘Dankzij mij heeft de bank haar leven gebeterd.’”

 

Maar dat was niet zo?

Gibaud: “Nee. De douaniers waren zeker van hun zaak. ‘UBS is nooit gestopt. We willen dat u ons helpt.’ Dus maakte ik die geheime deal met het ministerie van Financiën. Ik had geen keuze. Ik werkte bij de allergrootste bedrieger ooit uit het bankwezen en zat op een schat aan informatie. François Hollande was toen president. Zijn regeringsleden stelden zich voor als witte ridders en bestrijders van belastingontduiking. Als voorbeeldig burger werkte ik met hen mee. Ik nam een groot risico, want op dat moment bestond er in Frankrijk nog geen wet die klokkenluiders beschermt. ‘We maken dat klokkenluidersstatuut in orde’, beloofden ze. Toen die wet er dan eindelijk was, deelde de toenmalige minister van Financiën Michel Sapin me droogweg mee: ‘O maar, die wet geldt niet voor jou. Jij bent geen klokkenluider, maar een getuige.’ Vijftien maanden lang had ik me voor hen uitgesloofd. Dat was een afschuwelijke periode. Ik was doodsbang dat UBS me zou ontmaskeren.”

 

Vreesde u voor uw leven?

Gibaud: “Ja. Mijn advocaat zei: ‘Ga niet te dicht bij de sporen staan als je de metro neemt. Pas op als je de straat oversteekt.’ Het duurde tot 2012 voor UBS me ‘om economische redenen’ ontsloeg. Meteen daarna werd mijn hond vergiftigd in mijn appartement hier in Parijs. Ik kreeg dreigbrieven en de Franse regering liet me vallen als een baksteen.

“Na UBS was ik uitgeput en werkloos, maar ik hoopte dat mijn leven snel terug normaal zou worden. Toen sprongen de media op de belastingontduiking van UBS, en kwam mijn naam als klokkenluider bovendrijven. Ik werd door journalisten overvallen. Ik was zo dom te denken dat die media-aandacht me kon helpen om mijn carrière op de sporen te krijgen. Het tegendeel gebeurde: ik verloor er mijn leven door. Twaalf jaar lang stond ik onder ongelooflijke druk. Kijk naar mijn gezicht, naar de sporen die de stress erop naliet. UBS sleurde me voor zeven verschillende rechtbanken. Het hield niet op. Nu komt er nóg een proces: één voor laster en eerroof naar aanleiding van mijn boek uit 2014, La femme qui en savait vraiment trop. Sinds die 25e juni 2008 is mijn leven een hel. Financieel zit ik aan de grond, ik ben in de steek gelaten door mijn regering en moest de ene na de andere rechtszaak overleven. Andere mensen zouden er doodziek van worden of in de drank wegvluchten.”

 

U niet?

Gibaud: “Nee, want ik ben een overlever. Frankrijk was samen met Duitsland de stichter van de Europese Unie. Met ‘gelijkheid, vrijheid en broederlijkheid’ is mijn land ook de bakermat van de mensenrechten. Dat hebben onze politici na UBS compleet verkwanseld. Ik ben niet de enige die ze in de kou laten staan. Weinig mensen weten dat Wikileaks-klokkenluider Julian Assange een zoon van tien heeft in Frankrijk. In 2015 vroeg hij onder andere om die reden bescherming aan de Franse overheid. Er is een wet in Frankrijk die bepaalt dat kinderen nooit van hun ouders gescheiden mogen worden. Zijn zoon was al voldoende reden om hem hier asiel te verlenen. Maar nee, dat werd hem botweg geweigerd. Dat hele pompeuze verhaal van Frankrijk als behoeder van de mensenrechten, is niet meer dan een grove leugen. Edward Snowden vroeg ook asiel in Frankrijk en ving eveneens bot. Hij leeft nu in Rusland. Ik heb hem trouwens gisteren nog gesproken.”

 

Hoe is het met hem?

Gibaud: “In vergelijking met Assange stelt hij het uitstekend. Snowden kan in Rusland gaan en staan waar hij wil. Maar Julian kan nergens meer heen. Nu moet u weten, uit de Snowden-files blijkt heel duidelijk dat zowel de regeringen van Nicolas Sarkozy als van Hollande door de Amerikaanse geheime dienst NSA in de gaten gehouden werden. Het is dan toch godgeklaagd dat net Snowden en Assange geen asiel in Frankrijk krijgen?”

 

U hebt Julian Assange indertijd in de Ecuadoriaanse ambassade in Londen bezocht?

Gibaud: “Ja. Hij leefde er in trieste omstandigheden. Hij sliep in de keuken van de ambassade. In 2016 beslisten de Verenigde Naties dat hij er ten onrechte vastzat. De regering in Londen tekende meteen bezwaar aan. In de Europese instellingen in Brussel bleef het intussen oorverdovend stil. Zijn arrestatie kwam niet als een verrassing. Ecuador wou van hem af. Ik hoop dat de Europese toppolitici en alle journalisten wereldwijd nu Groot-Brittannië zullen oproepen om Julian niet aan de VS uit te leveren. Het is de hoogste tijd dat hij na al die jaren veilig en onbevreesd naar zijn familie kan terugkeren.”

 

Twee Zweedse vrouwen beschuldigden Assange van verkrachting en dienden in 2010 klacht tegen hem in.

Gibaud: “Die meisjes trokken intussen hun klachten in en Zweden stopte het onderzoek.”

Assange wordt ervan verdacht tijdens de Amerikaanse verkiezingscampagne e-mails van Hillary Clintons campagneteam te hebben gehackt om haar te beschadigen. Dat is toch niet iets wat een rechtschapen klokkenluider hoort te doen?

Gibaud: “Dat wordt gezegd, maar is dat ook zo? Daar is niets van bewezen. Waarom wordt dat nieuws de wereld ingestuurd? Omdat ze van Wikileaks af willen. Voor alle duidelijkheid: ik heb met Assange of Wikileaks niets te maken.”

 

Hebt u er geen spijt van dat u die 25e juni 2008 uw harde schijf niet gewoon gewist hebt?

Gibaud: “Soms wel. Maar dan was ik mededader geworden.”

 

Dan organiseerde u nu misschien nog golftornooien voor UBS.

Gibaud: “Dan zat ik waarschijnlijk zelfs nóg hoger in de hiërarchie of had ik een topjob bij de concurrentie. Want àlle grote namen van UBS France die het systeem draaiende hielden en mij het leven zuur maakten, bezetten nu topjobs bij JP Morgan, Credit Suisse en Rothschild… Al die zakenbankiers vormen één grote familie. Ze delen ook allemaal dezelfde familiegeheimen.”

(c) Jan Stevens

Kolonel Q

“Het gaat niet goed met het Belgische leger”, sms’t kolonel Q eind december. Het klinkt als een noodkreet en een week later zitten we in een donkere hoek van een café, ergens in een anonieme stad. “Onze generaals soigneren zichzelf, maar de kapotte toiletten in de kazernes laten herstellen, is iets te veel gevraagd.”

 

“Geen enkele militair durft zijn mond open te trekken”, zucht Kolonel Q. “Het ongenoegen is nochtans groot, zowel onder de gewone soldaten als aan de top. Toch blijft het oorverdovend stil, want iedereen is bang om zijn job te verliezen. Ik zou veel liever met open vizier praten, maar ik heb een gezin en kan me niet permitteren om ontslagen te worden. Het is niet gezond dat er in een organisatie op geen enkele manier kritiek getolereerd wordt. Alleen wanneer de problemen duidelijk benoemd worden, raken ze opgelost. Ik ben het ermee eens dat militairen moeten zwijgen als ze middenin een operatie zitten. Want dan luistert de vijand ook mee en op dat moment geldt: bevel is bevel. Maar wat ik niet begrijp is dat we doofstom moeten blijven wanneer het over ons gewone dagelijkse beroepsleven gaat. De media krijgen enkel de officiële goednieuwsberichten opgelepeld. Met als gevolg dat de Belgen slecht geïnformeerd zijn over defensie.”

Voor kolonel Q is de toestand in zijn geliefde leger intussen zo hopeloos dat hij het risico neemt van een interview met Humo. Op voorwaarde dat zijn anonimiteit bewaard wordt.

Kolonel Q: “Ik was nog een tiener toen ik halverwege de jaren tachtig in het leger kwam. De dienstplicht bestond nog en we waren met 100.000 militairen. Zo goed als elke stad had zijn kazerne; beroepsmilitairen konden bij wijze van spreken elke dag met de fiets van het werk naar huis. In die tijd leek het leger voor veel burgers nog een aantrekkelijke werkplek: iedereen kende wel een milicien of een beroepsmilitair. Een job bij het leger was voor het leven.”

 

Toen u dienst in het leger nam, deed ik als gewetensbezwaarde mijn burgerdienst. Van vrienden die wel milicien werden, hoorde ik gruwelverhalen. Er was vooral veel drankmisbruik en jonge dienstplichtigen werden soms tiranniek behandeld.

Kolonel Q: “De dienstplicht liep toen op zijn laatste benen. Op 31 december 1992 verscheen de wet waarin de afschaffing werd aangekondigd; de lichting van ‘94 moest niet meer opdraven. U hebt misschien negatieve ervaringen van uw vrienden gehoord, maar u mag niet vergeten dat het leger in die tijd echt wel een grote impact op het land had. Daarna volgden de jaren van herstructureringen: ontzettend veel basissen en kazernes gingen dicht. Zowel de lucht- als de landmacht moesten gebouwen en terreinen prijsgeven. Het aantal pantservoertuigen, vliegtuigen en schepen werd herleid tot een kwart. De aanwerving van nieuwe rekruten liet te wensen over waardoor het legerpersoneel in recordtempo verouderde. We verloren op te veel kritieke plaatsen te veel gekwalificeerde mensen. Technici, infanteristen, matrozen… Ze verdwenen en werden nooit meer vervangen.”

 

Wil dat dan zeggen dat door onderbezetting sommige plekken in het leger gevaarlijk of onveilig zijn?

Kolonel Q: “Gevaarlijk zou ik niet zeggen, want voorlopig trekken we nog ons plan. Al wordt het bij de gevechtseenheden van de landmacht wel kritiek: twee op de vijf posten zijn er niet ingevuld. De volgende jaren vertrekken er in het hele leger zeer veel mensen op pensioen waarvan velen waarschijnlijk niet vervangen zullen worden. De top van defensie weet dat al lang. Een jaar of tien geleden waarschuwde de dienst Human Resources er al voor dat we met het personeelsbestand in de problemen kwamen als er niets werd ondernomen. Op briefings werd erop gehamerd dat we meer moesten rekruteren. Een van de plannen was om een systeem op poten te zetten waarbij oudere militairen binnen het leger omgeschoold werden voor een job als burger. Ze bleven dan wel binnen het leger actief in bijvoorbeeld een administratieve burgerfunctie, waardoor er meer plaats vrijkwam voor jonge rekruten. De toenmalige minister van Defensie André Flahaut (PS) dokterde rond 2004 een plan uit. Zijn opvolger Pieter De Crem (CD&V) schafte dat weer netjes af. Daar betalen we nu de prijs voor. De jaren onder De Crem waren niet de beste voor defensie.”

 

Ik had nochtans de indruk dat Pieter De Crem zich erg in zijn nopjes voelde als minister van Defensie.

Kolonel Q: “Hij kon zichzelf goed verkopen als defensieminister. Bovendien streelde de functie zijn imago. Hij kickte op het militair ceremonieel, het machtsvertoon en de pracht en praal van de NAVO-hoogmissen. Maar er werd bijzonder weinig in personeel en materiaal geïnvesteerd. Amper de helft van onze normale behoefte aan jonge militairen werd onder zijn bewind aangeworven. Zijn investeringspercentage lag mijlenver onder wat een organisatie als defensie nodig heeft om gezond te blijven. Zo waren we op termijn gedoemd om de boeken definitief te moeten dichtdoen. Pieter De Crem heeft niets wezenlijks aan het leger bijgedragen. Acht jaar lang haalde hij zijn kaasschaaf boven om te bezuinigen. Kijk, ik ben niet tegen of voor Flahaut of De Crem, maar in tegenstelling tot wat veel mensen lijken te denken, was André Flahaut een sterke minister van Defensie. Hij verhoogde onze lonen en dacht ook constructief na over onze toekomst. Wat over zijn opvolger niet gezegd kan worden.”

 

Wat vond u van Steven Vandeput (N-VA) als minister van Defensie?

Kolonel Q: “Hij was vooral bezig met het materiële. Dat is goed hé, want na De Crem moést er in wapens en uitrusting geïnvesteerd worden, maar het personeel werd verwaarloosd. Vandeput was de koning van het ‘outsourcen’: privé-bewakingsfirma’s kregen contracten om militaire sites te bewaken. Zijn principe was: militairen moeten hun tijd niet verdoen met wachtlopen, zij moeten beschikbaar zijn om op missie te vertrekken. Dat klinkt zinvol, alleen is het Belgische leger geëvolueerd tot een te klein leger van vooral oudere militairen. Sommigen hebben bijvoorbeeld rugklachten en zijn echt niet fit genoeg meer om op zending gestuurd te worden. Voorlopig worden nog maar een viertal kwartieren door burgers bewaakt, maar snel worden dat er meer. Wat moeten al die oudere militairen die nu nog de wacht lopen dan gaan doen? Tegen betaling een hele dag op een stoel zitten suffen? De logistieke keten wordt op relatief korte termijn ook aan de privé uitbesteed. Dat gaat dan van de ontvangst en inventarisatie van goederen tot en met het transport. En ook de keukens worden geprivatiseerd. Opnieuw zijn de oudere militairen de dupe. U gelooft toch zelf niet dat iemand van vijftig die nu in de potten staat te roeren, volgend jaar enthousiast ergens op missie in de modder zal staan ploeteren?

“Vandeputs toekomstplan voor het leger, zijn zogenaamde ‘Strategische Visie’, was om bij te wenen. Het schrijven alleen al duurde twee jaar langer dan hij eerst zelf vooropgesteld had. Daarna slaagde hij er niet in om het politiek goedgekeurd te krijgen. Hij kreeg van de regering enkel wat materiële toezeggingen en mocht 5.000 jobs schrappen. De rest kreeg nooit de politieke zegen van zijn coalitiegenoten. Over de sluiting van de kazernes en ons pensioen kwam geen akkoord waardoor duizenden militairen en hun families verder in onzekerheid blijven leven. Dat is toch pijnlijk?”

 

Tien jaar geleden kwam in het nieuws dat het leger met een acuut tekort aan kogels kampte. Soldaten op missie in Afghanistan hadden amper munitie en tijdens oefeningen moesten soldaten “Pang! Pang!” roepen.

Kolonel Q: “Dat is voltooid verleden tijd. Vandaag is er materiaal genoeg voorhanden. Omdat er vooral onder Steven Vandeput zoveel personeel afgevloeid is, is er nu zelfs geld te veel om wapentuig te kopen.

“Ik vond het zeer bizar dat een N-VA’er minister van de Belgische Defensie werd. Als goede Vlaams-nationalist zag hij natuurlijk liefst zoveel mogelijk federale banen sneuvelen. In 2016 bepaalde Vandeput dat het maximale aantal militairen het jaar erop moest zakken tot 30.000. Tegen 2030 moet het leger zelfs afgeslankt zijn tot 25.000. Begin oktober 2018 maakte de VRT alarmerende cijfers bekend: het aantal militairen zou onder de voorziene 25.000 militairen gezakt zijn. Generaal-majoor Jean Marie Nulmans van Human Resources was er als de kippen bij om dat cijfer op Radio 1 te ‘nuanceren’. Volgens hem had de VRT enkel de ‘inzetbare militairen’ geteld en lag het totale aantal op meer dan 27.000. In 2016 verlieten 2.500 mensen het leger, terwijl er slechts 900 werden aangeworven. Veertig procent van alle manschappen gaat binnen acht jaar op pensioen. De gemiddelde leeftijd in het leger is 42 jaar, terwijl volgens het strategische plan de gemiddelde leeftijd 34 jaar zou moeten zijn. In onze buurlanden is de gemiddelde leeftijd 32. Omdat er de voorbije jaren amper aanwervingen waren, moeten er vanaf 2021 jaarlijks 2250 militairen gerekruteerd worden. Nulmans gaf toe dat er tekorten dreigen, maar beweerde dat die opgevangen konden worden met reservisten. Kent u veel burgers die reservist willen worden?”

 

Mijn schoonbroer nadert de zestig en is reservist. Tot voor kort trok hij af en toe met andere good ol’ boys naar de Ardennen om er een week oorlog te spelen. Vanwege knieproblemen moet hij nu afhaken.

Kolonel Q: “Uw schoonbroer zit bijna aan het einde van zijn beroepsleven, maar kent u ook jonge mensen die reservist willen worden? Wie een drukke job heeft, kan het zich gewoon niet permitteren om een paar weken per jaar zijn burgerplunje in te ruilen voor een uniform. De medewerkers van Human Resources bellen nu in paniek naar alle gepensioneerde militairen om te vragen of ze alsjeblieft terug willen komen werken. Het leger werft dus nu zijn eigen gepensioneerd personeel aan om de gaten te vullen.

“Sinds de IS-aanslagen worden we op straat ingezet en we waren nooit eerder zo vaak op buitenlandse missie als nu. De voorbije jaren kregen we een permanente taak toegewezen in binnen- en buitenland. De oorlogsgebieden in Syrië, Afghanistan, de Sahel zullen jammer genoeg niet snel verdwijnen. Nu de Amerikaanse president Donald Trump zijn troepen overal begint terug te trekken, zal Europa nóg meer moeten doen. Alleen vrees ik dat België dan noodgedwongen moet afhaken. Er zijn trouwens niet alleen de natuurlijke afvloeiingen; veel militairen verlaten na een paar jaar zélf het leger. Daar zijn ook officieren en onderofficieren tussen 25 en 35 bij; mensen die eigenlijk de ruggengraat van defensie vormen.”

 

Ik ken een twintiger die een paar jaar geleden beroepsmilitair werd. Hij was gestationeerd in Leopoldsburg. Na een paar jaar nam hij er gedegouteerd afscheid. In zijn compagnie werd veel drugs gebruikt; XTC was favoriet. Er werd nooit ingegrepen. Hij knapte daarop af.

Kolonel Q: “Ik dacht eerlijk gezegd dat het drugsprobleem binnen Defensie onder controle was. Want er gelden strenge straffen: wie op drugsgebruik betrapt wordt, vliegt eruit.”

 

En alcohol?

Kolonel Q: “In het begin van mijn carrière werd er stevig gedronken in de kazernes, vaak al tijdens de middagpauze. Op een bepaald moment werden daar strenge maatregelen tegen genomen. De oude generatie die graag tijdens de diensttijd te veel dronk, is inmiddels op pensioen. Het probleem van het drankmisbruik is bijna helemaal opgelost. Vandaag zijn we geëvolueerd naar een normaal bedrijf, waar de mensen écht werken. Natuurlijk zijn er nog een paar die een hele dag proberen niksen, zoals in elke onderneming, alleen zijn dat er steeds minder.”

 

Maar waarom nemen zoveel jonge rekruten na een paar jaar alweer ontgoocheld afscheid van het leger?

Kolonel Q: “Sommigen kiezen voor defensie omwille van het avontuur. Ze willen op missie naar het buitenland, maar eindigen op missie in de treinstations van Brussel. Er worden vandaag nog steeds te veel militairen in de straten ingezet. 500 militairen zijn constant in de weer met het ‘beveiligen’ van België. Dat is een groot probleem. In een stad als Londen, waar ook aanslagen waren, zie je geen militairen op straat. In stations en op luchthavens patrouilleren, is puur een taak voor de politie. Maar ook zij worstelen met een gebrek aan effectief inzetbare manschappen.

“Veel jonge militairen haken ook snel weer af omdat ze gechoqueerd zijn door de abominabele infrastructuur in de kazernes. In 2017 verlieten zo 600 jonge mensen het leger. Douches werken niet, de sportzalen zijn hopeloos verouderd, toiletten zijn voortdurend buiten dienst. En het wordt alleen maar erger. U moet eens op bezoek komen in de gebouwen van het defensiehoofdkwartier in Evere. In sommige departementen werkt de helft van de toiletten niet. Kantoren zijn totaal uitgeleefd en vensters zijn niet geïsoleerd. Dat is dan op het niveau van de staven, bij de hoge officieren. Probeer u maar eens voor te stellen wat dat betekent voor het voetvolk in de kazernes.”

 

U verwijt uw collega’s aan de top een gebrek aan visie?

Kolonel Q: “Ja. Er zijn zeer competente officieren met een goede visie die op een te lage plaats in de hiërarchie zitten. Op de hoge plaatsen zitten dan weer te veel officieren met een zeer beperkte visie. Ons leger wordt kleiner, dus moeten we ook een kleinere, beter georganiseerde generale staf hebben. Dat wil zeggen: minder generaals. Maar niemand durft dat luidop te opperen. Het Belgische leger telt momenteel ongeveer 35 generaals. Ze hebben pas nieuwe auto’s voor hen aangekocht: grote, dure luxehybrides van Volkswagen. Ik kan u een foto op mijn telefoon van zo’n auto op de parking van Evere laten zien. (toont foto van een flink uit de kluiten gewassen blinkende zwarte bolide aan een laadpaal – JS) Elke generaal heeft twee chauffeurs, want hij moet 24/7 rond gevoerd kunnen worden. ’s Morgens wordt de generaal aan zijn voordeur opgehaald. Dat kost jaarlijks meer dan 100.000 euro per generaal.”

 

Die chauffeurs zijn militairen?

Kolonel Q: “Ze hebben de graad van korporaal. Al die voltijdse chauffeurs kunnen niet voor nuttiger taken worden ingezet. De generaals zorgen heel goed voor zichzelf. De officiersmess is in alle kazernes afgeschaft; officieren en onderofficieren eten samen met de soldaten. Behalve onze generaals. Zij hebben nog steeds hun exclusieve speciale mess in Brussel waar geen andere militairen welkom zijn. Ze soigneren zichzelf, maar de kapotte toiletten in de kazernes laten herstellen, is iets te veel gevraagd. Ik vind dat om te huilen. We hebben overal soldaten te kort, maar zij zien er geen graten in om een heel eskadron dag en nacht als chauffeur voor hen te laten opdraven. ’s Avonds vind je de generaals vooral op feesten in de kazernes.”

 

Wordt er in het leger dan zo veel onder officieren gefeest?

Kolonel Q: “De generaals krijgen veel uitnodigingen. Minder dan vroeger, maar toch nog genoeg. Ze schuimen de traditionele recepties bij militaire plechtigheden en aanstellingen af, of de cocktails die in Brussel georganiseerd worden door de ambassades. Al is dat gefeest niet ons grootste probleem. Dat is de opperste leiding.”

 

De chef defensie Marc Compernol?

Kolonel Q: “Ja. Hij is de baas, the chief of defence, alleen merkt niemand daar voorlopig iets van.”

 

Hij is een viersterrengeneraal zonder macht?

Kolonel Q: “Ik vrees het. Defensie is pas nog maar eens gereorganiseerd waardoor de componenten land-, lucht- en zeemacht meer in de pap te brokkelen hebben dan tevoren. Vroeger stonden die drie componenten onder de operationele leiding van het Stafdepartement Operaties en Training (ACOS Ops & Training). Dat is nu opzijgeschoven en de componenten beschikken weer over alle macht in hun eigen afdeling. Marc Compernol zou hen in het gareel moeten houden; de toekomst zal uitwijzen of hij daar sterk genoeg voor is. Hij heeft alleszins weinig of geen invloed op de politieke besluitvorming. Zonder morren aanvaardde hij het schrappen van die 5.000 jobs.

“Het leger is kleiner geworden, wat wil zeggen dat ook de defensiestaf zou moeten inkrimpen. Maar dat gebeurt niet. Integendeel, er is nóg een nieuwe functie gecreëerd: die van adjunct van de chief of defence, ingenomen door admiraal Michel Hofman. Het aantal generaals blijft even groot, net als het aantal directies. Alleen spelen zij baas over steeds minder mensen.”

 

De land-, lucht- en zeemacht zijn drie aparte koninkrijkjes?

Kolonel Q: “Ze varen hun eigen koers. De officieren aan de top willen dat liefst zo houden. Daarnaast zijn er nog de directies Human Resources en Material Resources. Die hebben buitensporig veel macht en zijn niet te beroerd om die ook te misbruiken als het hen uitkomt.”

 

Hoe bedoelt u?

Kolonel Q: “Officieren die het tóch aandurven om intern hun mond open te trekken, worden verplaatst en naar minder interessante posities ‘verbannen’. Dat gebeurt meer dan u denkt. Hopelijk staat mij dat nu ook niet te wachten. (lacht) De legertop houdt niet van mensen die zelf nadenken of andere meningen hebben. Dat wil ze niet. Iedereen moet op hetzelfde door hen gebaande paadje blijven. Het resultaat van zoveel slaafse volgzaamheid is dat we nu met een acuut gebrek aan manschappen zitten, waardoor binnenkort onze kernopdrachten in gevaar komen. Binnen afzienbare tijd zijn we gewoon met te weinig om onze taak binnen de NAVO te vervullen, het grondgebied te verdedigen of de bevolking te helpen in geval van nood. De aanslagen van Zaventem en Maalbeek waren rampzalig, maar eigenlijk nog op kleine schaal. Als we ooit écht grote aanslagen te verwerken krijgen, kan het leger dat niet aan. Wie zal de bevolking dan komen helpen?

“Naast de lucht-, land- en zeemacht is er nog de medische component. Daar is de toestand rampzalig. Voor alle buitenlandse missies zijn er amper tien dokters, belachelijk weinig. Collega’s vertellen me dat de landen waar we op missie zijn, ons soms smeken om meer militairen. Wij moeten hen in de kou laten staan omdat er niet genoeg operationele militaire dokters beschikbaar zijn. Zonder fatsoenlijke medische bijstand is het onmogelijk om militairen te ontplooien. ‘Sorry, we kunnen jullie niet helpen want er is geen dokter in de zaal.’ Dat is toch een schande? Bij de zeemacht hebben we dan weer te weinig manschappen om alle schepen te bevolken.”

 

Het zijn varende spookschepen?

Kolonel Q: “Nog net niet. (lacht) Wat voor zin heeft het om handenvol geld in materiaal te investeren als er geen personeel is om het te bedienen of onderhouden? De logica is zoek. In kazernes hoor ik van collega’s en medewerkers altijd dezelfde klachten: het gebrek aan personeel, de belabberde infrastructuur én al die kwartieren die gesloten worden. Daar moeten we echt mee stoppen, want het wordt quasi onmogelijk om goede krachten uit de lokale bevolking aan te trekken. Voor basisjobs zoals soldaten hebben we locals nodig. Je kan niet iemand uit Aarlen rekruteren voor een job in Leopoldsburg. Human Resources probeert dat wel, maar zo goed als niemand is geïnteresseerd.

“Nieuwe soldaten krijgen een contract van beperkte duur. Ze mogen maximaal twaalf jaar bij het leger blijven, waarna ze omgeschoold worden voor een job in de burgermaatschappij. Is dat écht wat mensen willen? Een korte militaire loopbaan, waarna ze hun plan moeten trekken? Ik denk het niet, en de feiten geven me gelijk: zo goed als niemand wil nog in het leger.”

 

Wat moet er dan wel gebeuren?

Kolonel Q: “Er moet gesnoeid worden in de top, het departement Human Resources en het personeelsbeleid moeten compleet worden herzien. Nu worden de officieren jaarlijks benoemd door een ‘onafhankelijk’ comité, maar die benoemingen houden geen rekening met de plaatsen die werkelijk beschikbaar zijn. Het gevolg is dat je tot kolonel benoemd kunt worden, om achteraf op een vacante plaats voor majoor aangesteld te worden. Echt efficiënt is dat niet.”

 

Dat comité bestaat uit hoge officieren?

Kolonel Q: “Dat benoemingscomité is een verhaal apart. De benoemingsdossiers worden per categorie voorbereid door één man, de wapeninspecteur. De krijgsmachtonderdelen hebben elk hun wapeninspecteur, ook een kolonel trouwens.”

 

Zo’n wapeninspecteur heeft heel veel macht?

Kolonel Q: “Ja. Hij bekijkt alle dossiers van de officieren die voor bevordering in aanmerking komen, verzamelt de punten en overlegt dan met de generaals over hun voorkeuren. Dat laatste mag uiteraard niet volgens de wet, toch gebeurt het. In het verleden heeft de Raad van State de legerleiding meermaals op de vingers getikt omdat ze een compleet onwettige evaluatie ‘onder vrienden’ hield. Vroeger was daar een schriftelijke neerslag van; na de tussenkomsten van de Raad van State overleggen ze nu mondeling zodat er geen sporen meer zijn. Ik weet uit heel goede bron dat het zo verloopt; die bron heeft daar zelfs staalhard bewijs van.

“De wapeninspecteurs kiezen dus in geheim overleg met de generaals wie er op de lijst voor benoemingen belandt en hoeveel punten hij of zij zal krijgen. De inspecteurs bepalen het belang van de operaties waaraan kandidaten hebben deelgenomen en beoordelen hun leiderschapscapaciteiten. Ze moeten iets schrijven, hé. (lachje) Dat zou allemaal objectief moeten gebeuren, terwijl het gewoon gemanipuleerd wordt. De leden van het benoemingscomité hebben geen toegang tot de lijsten van de wapeninspecteurs. Zij bereiden hun eigen pro forma-lijst voor. Op de dag waarop het comité zetelt, worden de lijsten van de inspecteurs voorgesteld aan de minister. Dat duurt amper een paar minuten. De leden vergelijken dan in een rotvaart hun kandidatenlijst met die van de inspecteur. Intussen kijken de generaals en de minister hen op de vingers. Nooit durft iemand opmerkingen te maken. ‘Gaat iedereen akkoord met de lijst van de inspecteur? Ja? Tsjakka.’”

 

Dat wil dus zeggen dat veel hoge officieren de capaciteiten niet hebben voor hun job?

Kolonel Q: “Ja. Sommigen zijn wel bekwaam, maar durven geen risico’s nemen omdat ze toch zo graag generaal willen worden. Veel competente officieren raken nooit hogerop omdat ze geen jaknikkers zijn. Nogal wat officieren weten trouwens niet dat het benoemingssysteem zo werkt. Zij leven in de illusie dat het eerlijk verloopt.”

 

Hebt u ook van dat systeem van handjeklap geprofiteerd om hogerop te raken?

Kolonel Q: “Misschien. (stilte) Kijk, sommigen zullen na dit interview beweren dat ik een gefrustreerde officier ben. Ze vergissen zich, want als full-kolonel zit ik op de plaats waar ik altijd van gedroomd heb. Ik praat nu enkel met u omdat ik me zorgen maak over de toekomst van ons leger. Grote zorgen.”

 

 

Reactie van het leger: “De chef defensie behoudt het overzicht”

 

“De informatie die Humo nu verspreidt, is niet representatief voor het Belgische leger”, reageert Laetitia Gérard, woordvoerster van defensie. “De budgettaire beperkingen uit het verleden verplichtten ons tot het maken van keuzes. We wilden zoveel mogelijk voorrang geven aan onze kernopdracht: de operaties. Dat ging inderdaad ten koste van onderhoud en vernieuwing van de infrastructuur. Maar vandaag worden er acties ondernomen om die achterstand op te vangen en de infrastructuur ingrijpend te verbeteren. De verouderde infrastructuur is trouwens geen fundamenteel doorslaggevende reden waarom mensen beslissen om het leger te verlaten.

“Ons personeelsbestand krimpt, maar we zijn nog steeds met meer dan 25.000 werknemers, burgers en militairen, die werken in een speciale omgeving. Zo’n organisatie heeft dan ook behoefte aan specifieke sturing en leiding. De reorganisatie maakt het mogelijk dat de leidinggevende generaals het leger efficiënt en doelmatig kunnen laten functioneren. Die vernieuwingen zorgen er ook voor dat de chef defensie het overzicht behoudt en leiding geeft volgens de principes van goed bestuur.”

Op de stelling van kolonel Q dat bevorderingen en benoemingen van officieren gemanipuleerd worden, gaat Laetitia Gérard niet in.

 

 

© Jan Stevens