Seks, drugs en datingapps: de wilde weekends van James Wharton, gewezen elitesoldaat en boordschutter van prins Harry

Elk weekend stond bij de Britse homo James Wharton in het teken van seks en drugs. In rock-‘n-roll had hij geen zin meer; chemseks was het enige dat telde. “Chemseksfeestjes zijn even dodelijk als aids. Ze verspreiden zich als een bosbrand. Oòk in Antwerpen, Brussel en Gent.”

 

In 2003 zei de toen zestienjarige James Wharton zijn ouders in de Welshe stad Wrexham vaarwel: hij trok naar Londen en nam er dienst in het Britse leger. “Dat was amper drie jaar nadat homo’s officieel soldaat mochten worden.” Op zijn achttiende vrijde hij voor het eerst met een man in een Londense gaybar. “Daar hoorde ik ook voor het eerst dat je als homo een condoom moet gebruiken.” En in 2009 sierde hij als eerste openlijke homosoldaat de cover van het legermagazine Soldier. James Wharton ging in 2007 vechten in Irak, zat samen met prins Harry, Charles en lady Di’s jongste spruit, in het elitekorps Blues and Royals van de Household Cavalry en groeide uit tot de favoriete man in uniform van de Britse gay-scene. Nadat hij in 2013 na a very distinguished career afzwaaide, trad hij in het huwelijk met zijn verloofde Thom. In de zomer van datzelfde jaar verscheen zijn autobiografie ‘Out in the army: my life as a gay soldier’. Daarin beschreef hij hoe prins Harry hem in 2008 op oefening in Canada uit de klauwen van een groep homofobe infanteristen redde. Het boek werd een instant bestseller en ideale gay-schoonzoon James Wharton een celebrity. Tot afgelopen zomer zijn nieuwe boek ‘Something for the weekend’ verscheen waarin hij zich outte als een verslaafde aan chemseks, seksorgieën onder invloed van chemische drugs. “Veel Britten vielen van hun stoel”, zegt hij, terwijl hij met zijn vork in een spuuglelijk en walgelijk duur gebakje pookt. We zitten in een posh koffiehuis vlakbij het hippe Borough Market in Zuid-Londen. Begin juni zaaiden drie jihadisten hier dood en vernieling; vandaag is het weer business as usual. James Wharton werkt vlak om de hoek, als communicatiemanager van een verzekeringsfirma met enkel holebi’s als cliënteel. “Ik heb de reputatie een conservatief te zijn”, zegt hij. “Sinds mensenheugenis steun ik de Tories. Ik was netjes getrouwd met mijn man, we leefden in een mooi huis op het platteland en gingen elk weekend met de honden wandelen. Als je me niet persoonlijk kent en enkel mijn eerste boek gelezen hebt, is het beeld dat je van me hebt dat van een nette burgerlijke jongen. Het kan dus niet anders dan een schok voor al die brave mensen geweest zijn om in ‘Something for the Weekend’ te moeten ontdekken hoe ik de voorbije vier jaar geëvolueerd ben. Net voor mijn huwelijk op de klippen liep, had ikzelf nooit geloofd dat ik niet veel later geobsedeerd zou zijn door drugs en seks. Maar that’s life.”

 

Mag ik u een icoon van de Britse gay-scene noemen?

James Wharton: “Omdat ik in het leger voor mijn geaardheid uitkwam? Ik was niet de eerste soldaat die openlijk gay was, al kreeg ik wel de meeste aandacht. In 1999 werden nog 298 soldaten uit het leger gezet en gecriminaliseerd omwille van hun seksuele voorkeur. Dat was het laatste jaar waarin gay zijn in het leger illegaal was. Op korte tijd is er dus heel veel ten goede veranderd. Ik werd hier in Groot-Brittanië de bekendste gay-soldaat omdat ik me op de juiste plaats en de juiste tijd in de geschiedenis bevond. Het leger gedroeg zich als een soort van geheim genootschap van mannen onder elkaar. Op het moment dat ik er deel van uitmaakte, zat de strijd voor gelijke homorechten in de maatschappij in de lift. Ik ben trots op wie ik ben en dat zelfbewustzijn werd opgemerkt.

“Het schrijven van ‘Something for the weekend’ werkte voor mij zeer bevrijdend. Zeker zolang ik alleen in mijn slaapkamer aan het tikken was en ik het nog aan niemand had laten lezen. Maar toen het boek bijna af was, werd het plots lastig. Want ineens was er die grote drang om terug drugs te nemen. En ik kon dat niet tegenhouden. Het einde van het boek schreef ik terwijl ik high was. Mijn herval duurde een maand, en daarna raakte ik nog een paar keer het spoor bijster. Nu is alles voorlopig oké, maar tijdens de laatste hoofdstukken van het boek was ik de pedalen kwijt. Mijn teksten hingen als los zand aaneen. Mijn redacteur bij de uitgeverij slaagde er gelukkig in het kapseizende schip terug recht te trekken.”

 

Waarom ging u op uw zestiende in het leger?

Wharton: “Omdat dat mijn allergrootste droom was; ik wou niets anders. Of toch: ik wou formule 1-coureur worden. Mijn favoriete race was de Belgische grand prix. (lacht) Maar dat was niet echt realistisch en de enige andere interesse die ik als jonge jongen had, was het leger.”

 

U bent geen pacifist?

Wharton: “Nee, helemaal niet, eerder het tegengestelde. Het leger is een cruciaal onderdeel van de democratie. Zestien is inderdaad heel jong om dienst te nemen, maar in dit land is dat niet ongewoon. In onze samenleving wordt er wel voortdurend over gediscussieerd of het ethisch verantwoord is om jongens van zestien soldaat te laten worden.”

 

Want eigenlijk zijn het kindsoldaten?

Wharton: “Er zijn procedures die ervoor moeten zorgen dat ‘het kind’ zoals jij het noemt, niet aan extreme gevaren wordt blootgesteld. Natuurlijk train je die jongen van zestien om te doden. Ik weet bijvoorbeeld dat er jongens van zeventien zijn ingezet tijdens de eerste golfoorlog in Koeweit. Maar als een zestienjarige terechtkomt in een geoliede organisatie die hem een doel in zijn leven geeft en waarden bijbrengt, maakt het niet uit of hij in het leger terechtkomt of bij de post. Ik vind zelf niet dat je hem naar het slagveld in Irak mag sturen, maar je kunt hem in tijden van overvloedige regenval wel in een overstroomde stad in het zuiden van Engeland brave burgers uit hun huizen helpen redden.”

 

In 2007 ging u vechten in Irak. U was het eens met de invasie?

Wharton: “Toen wel. Nu we weten dat ze gebaseerd is op leugens van de toenmalige premier Tony Blair, niet meer. Ik vind het onvoorstelbaar dat hij zich voor die misdaad nooit heeft moeten verantwoorden.

“Ik heb in Irak zeer ingrijpende ervaringen meegemaakt, maar als soldaat leef je de hele tijd in een soort van bubbel. Je bent in het gezelschap van je allerbeste vrienden en je zit samen in hetzelfde schuitje. Als een van de jongens er even aan de stress onderdoor ging, was het heel normaal dat we hem omarmden en troostten.”

 

Later zat u samen met prins Harry in een tank?

Wharton: “Ik was zijn gunner. Op oefening in Canada raakte ik in de problemen met een groep homofobe soldaten die ik niet kende. Ik ben iemand die zijn eigen gevechten voert, maar toen waren ze met te veel. Harry was mijn directe officier en ik richtte me bijna instinctief tot hem: ‘Help, ik zit in de shit.’ Hij diende die kerels op een zeer adequate manier meteen van antwoord. Ik had daar toen geen grootse gevoelens bij. Natuurlijk wist ik donders goed wie hij was, maar het leger is heel goed in het opnemen van iedereen, wat je achtergrond ook is. We waren allemaal ‘gelijk’. De enige hiërarchie was die van officiers en soldaten. Al de rest bestond niet meer.”

 

Onlangs zag ik prins Harry in een documentaire over zijn moeder Diana. Hij leek me een kerel om een pint mee te gaan drinken in de pub.

Wharton: “Dat is hij ook. Maar hij was een officier en er waren nogal wat momenten waarop hij zich liet gelden. Als het nodig was, kon hij een zéér agressieve soldaat zijn. Hij is eigenlijk één van de meest agressieve soldaten die ik ooit ontmoet heb. I like that.”

 

Was u een agressieve soldaat in Irak?

Wharton: “O ja. Maar als je naar een conflict trekt, kun je niet zeven maanden lang, 24/7 agressief zijn. Je bent je wel voortdurend bewust van de reden waarom je daar bent. Ik voelde heel die tijd zeer goed dat ik in een omgeving zat met mensen die eropuit waren om me te doden. Dat besef was voldoende om me alert te houden, maar dat is niet hetzelfde als een continue staat van agressiviteit. Britse soldaten staan trouwens bekend om hun bijzondere gevoel voor humor, zelfs op de meest uitzichtloze ogenblikken. Zo herinner ik me dat op een missie in de woestijn een van onze Iraakse vertalers het leven liet. Ik kwam samen met een collega als eerste op de plaats van het ‘incident’ toe. Het was een verschrikking: naast de Iraakse dode waren drie Britse soldaten zwaargewond. We dienden de eerste zorgen toe en beveiligden de omgeving. Vervolgens zetten we op onze iPod Elvis Presley op. Stel het je voor: we zitten daar midden in de Iraakse woestijn, we kunnen op elk moment beschoten worden, met naast ons in een verhakkeld legervoertuig drie zwaargewonde soldaten en één dode tolk. Terwijl we op de helikopters wachten, weergalmt Elvis Presley uit de luidsprekers en zingen wij uit volle borst mee. (lacht)”

 

In december 2015 schreef ene Hamish Parsons een opiniestuk in de Independent waarin hij zich voorstelde als liefhebber van chemseks en zijn levensstijl haarfijn uit de doeken deed. Hamish Parsons bent u. Was dat artikel-onder-pseudoniem toen een schreeuw om hulp?

Wharton: “Niet expliciet. Alleen mijn beste vriend wist dat Hamish Parsons mijn alter ego was. Ik schreef dat artikel omdat er op dat moment in de Britse media met de vinger naar homo’s gewezen werd: ‘Kijk hoe ze zich in het weekend te buiten gaan aan orgiën van chemseks. Is dat niet vreselijk?’ De retoriek in de pers was veroordelend, eenzijdig en sensationeel. Niemand uit de chemseksscene durfde daartegenin te gaan. Met mijn artikel was ik de eerste, al was het dan in disguise. Toen ik het schreef, stond ik stijf van de drugs en popelde ik om de spreekbuis te zijn van de chemseksgemeenschap.”

 

U noemt het een ‘gemeenschap’.

Wharton: “Ja, maar misschien past subcultuur beter. Toen ik zelf nog ‘onschuldig’ was, maakte ik kennis met een heel aardige man die in het middelpunt van de Londense chemseksgemeenschap zat. Hij was een fervent gebruiker van alle drugs die eraan vasthangen en ik vond hem ontzettend sympathiek. De eerste keer dat we samen uitgingen, belandden we in een uitstekend restaurant. Het eten was lekker en de sfeer zat goed. Tijdens de koffie nodigde hij me uit naar zijn appartement. ‘Er zullen nog een paar kerels zijn’, zei hij. ‘Waarom kom je niet mee? Het gaat er rustig en relaxed aan toe en misschien maak je wel nieuwe vrienden.’ Die uitnodiging klonk als muziek in de oren van een single die eenzaam was en niet zeker wist wanneer hij nog eens intiem contact met een menselijk wezen zou hebben. Die heel fijne man beloofde me contacten met andere fijne mannen in een fijne omgeving op een moment dat ik lonely as hell was. Al besefte ik dat op dat moment zelf niet. In het leger was ik vanaf mijn zestiende altijd omringd door mannen, door knappe aardige vrienden. Tijdens ons huwelijk vormden ik en mijn ex-man een tandem, tot onze relatie begon te verkruimelen en in een scheiding eindigde. Op mijn 27e was ik in dit gigantische Londen gestrand zonder soldaten en zonder echtgenoot. Ik was single en vroeg me vertwijfeld af: ‘Fuck, wat nu?’ Dus ging ik graag op zijn uitnodiging in, en net zoals hij beloofd had, zat zijn woonkamer vol met dertig indrukwekkende, sexy en leuke mannen. Ze zaten continu aan de drugs.”

 

Chemische drugs.

Wharton: “Ze snoven mephedrone, bijgenaamd M, Meph, M-Cat of Meow Meow en ze dronken GBL, bijgenaamd G of Gina. Nog geen crystal meth. Voor die drug hadden we ook lieftallige benamingen: Tina, Meth, Ice, Glass en Crank. Die bijnamen waren handige eufemismen om bestellingen door te geven aan de dealer. ‘Breng Tina mee’ klinkt onschuldiger dan: ‘Bezorg me crystal meth.’ Die avond zaten ze enkel aan het doordeweekse M en G. Tina kwam later.”

 

Waar u supersnel verslaafd aan raakte.

Wharton: “Ja, alleen vraag ik me nu af waaraan ik verslaafd was. Aan de drugs of aan het hele pakket? Dat hele pakket omvat ook al die goed uitziende mannen die geïnteresseerd waren in mij en graag met me wilden praatten. Ik had een interessante achtergrond met mijn ervaringen in het leger én ik had een boek geschreven. Die eerste avond zat ik tussen al die aardige, nieuwsgierige mensen die me spontaan hun drugs aanboden. Ik vond het geweldig en ik wou daar graag elk weekend opnieuw deel van uitmaken.”

 

De mannen die u ontmoette, waren ook allemaal succesvol?

Wharton: “Het was een dwarsdoorsnede van de bemiddelde homogemeenschap van Londen met advocaten, dokters, journalisten, parlementaire medewerkers, wetenschappers. Ze werden snel vrienden. Het volgende weekend zag ik ze opnieuw, een week later nog eens, de week erna opnieuw. Ik leerde ze beter en beter kennen, er kwamen andere mensen bij en er gingen er ook weer weg. Zes weken later maakte ik deel uit van een netwerk van toffe homomannen die elk weekend op iemands flat in Noord-Londen aan de drugs zaten. Later verhuisde ik van Camden naar dit deel van Zuid-Londen omdat die drugweekends heel erg mijn leven begonnen te bepalen. Hier kende ik niemand, maar ik wist ook niet dat deze wijk eigenlijk de chemsekshoofdstad van de wereld is. (lacht) Toen ik dat ontdekte, dacht ik eerst: ‘Oeps’, en later: ‘Well, okay.’ Mijn moeder is er nu van overtuigd dat ik opzettelijk naar hier verhuisd ben omwille van de chemseks, maar dat is echt niet zo. Integendeel, ik was er voor op de vlucht.

“Het scenario was elke week hetzelfde: op donderdagnamiddag of vrijdagmorgen sms’te een van mijn nieuwe vrienden: ‘James, kom je vrijdag ook naar ons feestje?’ Na een maand of twee werd ik voorzichtig geïntroduceerd in die andere groep van succesvolle Londense homo’s. Zij deden exact hetzelfde als de eerste groep, alleen trokken zij in de loop van de avond hun kleren uit. Niemand nam er aanstoot aan als je plots met iemand begon te flikflooien. Af en toe verdween een koppel naar de slaapkamer. Nog een maand later zat ik in een groep waar we een heel weekend lang niets anders deden dan onder invloed van drugs elkaar hardcore neuken. Niemand verdween naar een slaapkamer, het gebeurde onder ieders neus. Het werd harder en harder, mechanischer en mechanischer. Ik stapte op vrijdagavond de kamer binnen, deed mijn kleren uit en snoof, dronk en neukte een weekend lang non-stop. Emotieloos, zielloos.

“Sommige chemseksvrienden waren advocaten die aan het hooggerechtshof uiterst belangrijke zaken van zeer grote klanten verdedigden. Op vrijdagavond stapten ze iemands flat binnen waar ze high werden en seks hadden met zes verschillende mensen.”

 

Nadat u crystal meth ontdekt had, schakelde u nog een paar versnellingen hoger?

Wharton: “Na mijn kennismaking met Tina, duurden mijn chemseksweekends soms tot dinsdag. Tina maakte het mogelijk dat ik zes dagen lang non-stop kon neuken. In combinatie met Viagra, want zonder kreeg ik hem niet omhoog. Ik leerde iemand kennen die met de hulp van Tina twaalf dagen aan een stuk neukte. Hij sliep niet en vroeg zich na elke neukpartij paniekerig af: ‘Wie is de volgende?’ Hij zat gevangen in een vreselijke psychose.

“Een chemseksverslaving is erg complex. Elke week was er die spanning om nieuwe knappe mannen te leren kennen waar je vervolgens urenlang mee kon neuken. Die ervaringen werden nog eens duizendmaal versterkt met zeer krachtige drugs. En dan zijn er apps zoals de datingsite Grindr die het poepsimpel maken om gelijkgezinden te vinden. Op mijn iPhone kan ik nu zien welke homo of biseksuele man in de buurt zin heeft in een portie chemseks. Of wie er op een chemseksparty zit. Als hun status zegt: HnH, horny and high, weet je hoe laat het is.”

 

Zonder die moderne technologie hadden de chemseksfeestjes nooit zo’n vlucht genomen?

Wharton: “Zeker weten. Op Grindr zie ik tot op de meter waar ik een kerel kan vinden die in is voor een feestje of een wip. Grindr is niet de enige app, maar wel de meest gebruikte. De digitale technologie zorgt ervoor dat àlles direct mogelijk is. In een paar minuten spreek je met iemand af om seks te hebben. Dat geldt niet alleen voor Londen, maar voor de hele wereld. Chemseks is geen exclusief Londens fenomeen; het is even populair in Brussel, Amsterdam, Antwerpen, Berlijn of Parijs. Ik was in Sidney, New York, Los Angeles, Berlijn… ‘dankzij’ Grindr kwam ik overal aan mijn trekken. Op zaterdag 20 juni 2015 gaf ik een lezing over mijn eerste boek in Gent, op het toppunt van mijn chemseksverslaving. Guess what. (lacht) We zouden het beter over het chemseksuniversum hebben in plaats van over de chemsekssubcultuur. It’s huge.”

 

Tijdens de werkweek zat u nooit aan de drugs?

Wharton: “Nee, wat best interessant is en misschien wil zeggen dat ik niet verslaafd ben aan de drugs alleen. Dat is precies ook wat hulpverleners me zeggen: ‘Je bent niet echt een drugsverslaafde want je hebt daar nog controle over.’ Chemseksverslaafden zijn geen junkies.”

 

Ik leer uit uw boek dat de dealers van chemische drugs door de Londense politie met rust worden gelaten.

Wharton: “Daar is de laatste maanden een klein beetje verandering in gekomen. Er waren een paar raids in Zuid-Londen, maar met mijn dealers is alles voorlopig oké. (lacht) Het is alleszins geen topprioriteit voor de politie. Ik ken een dealer die rond rijdt in een prachtige Mercedes, het valt zo op dat hij bulkt van het geld. Anderen hebben dan weer een heel leger van runners op motorfietsjes in dienst die door de straten van Londen zoeven alsof ze pizza’s aan het leveren zijn. De politie lijkt het niet te merken, al vraag ik me ook af of repressie het antwoord is. Een van mijn vroegere dealers neemt zeer grote risico’s: hij ontvangt zijn klanten gewoon in zijn appartement. Hij is een van de meest geliefde dealers in het chemseksmilieu van Noord-Londen. Hij is nog nooit lastig gevallen door de politie; op dit moment is hij waarschijnlijk hard aan het werk.”

 

Kostte uw verslaving u veel geld?

Wharton: “Het is spotgoedkoop, op voorwaarde dat je de chemseks beperkt tot het weekend. Stel dat ik je uitnodig om vrijdag hier in Londen iets te gaan eten, met een paar biertjes erbij en op het einde van de avond nemen we allebei een aparte taxi terug naar huis. Dat kost ons samen gemakkelijk 250 pond. Misschien zelfs 300 als het diner echt lekker en verzorgd is. Met 300 pond kunnen we ons samen zes dagen te buiten gaan aan chemseks. Nogal wat homo’s die uit zijn op seks in het weekend, vinden het veel interessanter om 100 pond in drugs te investeren. Want op een chemseksfeestje komen ze gegarandeerd aan hun trekken en het kost hen veel minder dan een traditioneel avondje uit. Al heeft het natuurlijk wel gevolgen.”

 

Na verloop van tijd worden ze graatmager.

Wharton: “Dat is zo. Ze eten in het weekend niet meer want ze hebben geen honger. Er is geen beter dieet dan een verslaving aan M, G en Tina.”

 

En je verliest al je echte vrienden.

Wharton: “Ook dat is juist. Je verliest ook je interesse in alle andere leuke dingen des levens zoals lezen, toneel of concerten. Mijn beste vriend Matt Cain is hoofdredacteur van Attitude en Winq, de leidende homomagazines in Groot-Brittannië. Hij wist waar ik mee bezig was, maar veroordeelde me nooit. Hij pakte het subtieler aan. Zo vroeg hij begin 2016: ‘Heb je de laatste Bond-film gezien?’ Hij weet dat ik een grote fan van James Bond ben. ‘Euh, nog niet.’ Ik was in 2012 op de première van Skyfall, waarom had ik dan maanden na de release Spectre nog niet gezien? Of Matt vroeg: ‘Is het lang geleden dat je nog eens bent gaan wandelen aan de Ponds op Hampstead Heath?’ Hij weet dat ik verliefd ben op die plek. ‘Dat kan ik me niet herinneren.’ ‘Heb je de nieuwe tentoonstelling in Tate Modern gezien?’ ‘Nee.’ Telkens weer legde Matt de vinger op de wonde. Alle leuke dingen waren weg. ‘Hoelang is het geleden dat je een boek gelezen hebt?’ ‘Een jaar.’ ‘Je hebt een fuckin’ probleem’, zei hij. Toen besefte ik eigenlijk voor het eerst dat de met seks en drugs gevulde dolle weekends mijn hele leven hadden ingepalmd. Mijn moeders hond Monty was de lieveling van de hele familie. Hij stierf op een zondagmorgen om zes uur. Ik was op een chemseksparty aan het snuiven, drinken, slikken en neuken. Op het moment dat ik mijn moeder op mijn voicemail hoorde wenen en haar wanhopige tekstberichtjes las, was het twaalf uur ’s middags. ‘O fuck’, dacht ik. Op een ochtend lag ik met twee anderen in een bed. We waren high. De moeder van de eigenaar van de flat kreeg een sms met het bericht dat zijn moeder was gestorven. Hij was meteen ontnuchterd en voelde zich zo ellendig. Ik bleef de rest van de dag bij hem en voelde me minstens even ellendig. Het was een vreselijke wake-up call: ‘Jongen toch, waar ben je mee bezig?’”

 

Maar een week later was u weer aan het feesten?

Wharton: “Het probleem is dat er geen schakelaar aan je zit waarmee je alles wat slecht voor je is van de ene op de andere dag kunt uitschakelen. Alleen professionele hulp kan je van een chemseksverslaving afhelpen. Mijn moeder begrijpt niet dat ik niet genoeg karakter heb om aan de verleiding van de drugs en de seks te weerstaan. Ze is continu bang dat ik bij mijn dealer zal langsgaan en opnieuw van de wagen zal vallen. Haar bezorgdheid is terecht. Zelfs na de meest afschuwelijke voorvallen stuurde ik een week later een sms naar mijn dealer: ‘Twee zakken Meph, 50 ml. G, Tina, valium en viagra.’”

 

Zelfs nadat u op een chemseksfeest verkracht was?

Wharton: “Ja. Ik werd verkracht in mijn eigen flat op maandag 31 augustus 2015. Het was het vreselijke einde van drie dagen non-stop feesten. Ik werd die dag wakker in mijn bed terwijl een dikke Turk me aan het neuken was. Iemand van de andere feestgangers had die kerel via Grindr naar mijn appartement uitgenodigd. Ik lag in een door G veroorzaakte slaap naakt op bed en de nieuwkomer zag zijn kans schoon.”

 

U stapte niet naar de politie?

Wharton: “Nee, wat had ik moeten zeggen? ‘Op een feestje dat ikzelf georganiseerd heb, slikte ik een paar dagen lang illegale drugs waardoor ik zeer high was. Er waren nog tien andere mannen aanwezig en een van hen heeft me verkracht.’ ‘Hoe heetten die andere mannen?’ ‘Dat kan ik u helaas niet zeggen, want dan zitten ze allemaal in de shit.’ Ik kan toch geen advocaat of parlementsmedewerker betrekken in een gerechtelijk onderzoek naar verkrachting op een chemseksfuif? Ik had op een proces trouwens geen enkele kans gemaakt. Ik hoor de advocaat van de beklaagde al: ‘Maar u had zoveel drugs genomen en met zoveel andere heren ontucht bedreven, mijnheer Wharton. Hoe kan u nu weten of u verkracht bent of niet?’ Weet je wat het ergste is? Dat wat mij toen overkomen is, op dit moment ergens in Londen opnieuw aan het gebeuren is. Honderden mannen worden op chemseksfeestjes verkracht en niemand belt de politie.”

 

Was u nooit bang om ziek te worden?

Wharton: “Ik ben voor verschillende ziektes behandeld die het gevolg waren van mijn promiscue gedrag. Op chemseksfeesten is er geen aandacht voor veilig vrijen, waardoor de deelnemers zichzelf blootstellen aan ernstige gezondheidsrisico’s. Telkens wanneer ik ontnuchterd was, werd ik me daar pijnlijk van bewust. Maar het hield me niet tegen om er een paar dagen later weer zonder condoom tegenaan te gaan. Gelukkig is er nu PrEP, een pil die mensen zonder hiv beschermt tegen besmetting. Dat is een fantastisch middel, alleen zijn er ook homo’s die zich tegen het gebruik van die pil verzetten. Blijkbaar vinden ze hiv het verdiende loon voor alle anderen die zonder condoom vrijen.”

 

In uw boek vergelijkt u de dodelijke impact van de chemsekscultuur met die van de aids-epidemie uit de jaren tachtig. Is dat niet een beetje overdreven?

Wharton: “Helemaal niet. Zeg me eens, wat doodt op dit moment evenveel homo’s in Londen als chemseks? Elke twaalf dagen sterft een homo aan de gevolgen van een chemseksdrug. Vooral G zorgt voor slachtoffers. Iedereen in de homogemeenschap kent wel iemand die aan een overdosis gestorven is. Er is niets anders dat even frequent homo’s doodt. Daar komt bij dat de chemsekscultuur tegen een rotvaart aan populariteit wint. Chemseks verspreidt zich als een bosbrand; òòk in Antwerpen, Brussel en Gent.”

 

James Wharton, Something for the weekend, life in the chemsex underworld, Biteback Publishing

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

Onze jongens op buitenlandse missie

Het leger waakt niet alleen over de veiligheid in onze straten en op strategische plaatsen, onze soldaten gaan overal waar nood is aan militaire steun in de strijd tegen onrecht en terreur. Negen Belgische militairen over hun uitheemse avonturen.

Wim Vandenbossche – “Van sommige collega’s dacht ik: ‘Als jij in brand staat, help ik je niet blussen’”

Sinds 1 februari van dit jaar is Wim Vandenbossche (52) na een carrière van bijna dertig jaar bij de zeemacht met pensioen. “Noodgedwongen, na een herseninfarct. Ik ben ooit begonnen als marconist bij de koopvaardij. Ik werd verliefd, trouwde, kreeg snel een kind en koos omwille van mijn gezin voor een job aan de wal. Maar dat viel lelijk tegen. Ik kon niet aarden en werd beroepsmilitair bij de marine omdat ik opnieuw wou varen. België was te klein. Gelukkig begreep mijn vrouw me; haar vader was ook militair. Als jongeman van 25 had ik het in het begin moeilijk met de discipline. Van de nieuwe rekruten was ik de oudste; de tweede was vijf jaar jonger. De meesten waren nog groen achter de oren.”

 

Wie bij de marine tekent, weet dat hij op missie naar het buitenland gestuurd kan worden?

Wim Vandenbossche: “Dat was precies mijn plan. Ik wou niet op een schip mijn tijd verdoen aan navigeren tussen De Panne en Knokke. Ons loon is geen vetpot. Wie op het einde van de maand nog een beetje geld wil overhouden, moet wel op missie vertrekken. Meteen na mijn opleiding koos ik het ruime sop. Als tweede meester-sergeant stond ik helemaal onderaan de voedselpiramide. We waren met zes afgestudeerden gespecialiseerd in navigatie en communicatie en er waren zes plaatsen vrij. Ik koos voor de kleine mijnenjager Lobelia. De vijf plaatsen op fregatten, grote schepen die langere reizen maakten, liet ik bewust links liggen. Want als jonge onderofficier mocht je daar enkel de berichtjes van de telex scheuren. Ik studeerde af in december en in januari was ik weg. Als onderdeel van een NAVO-eskader voeren we zes maanden lang de poolcirkel in Noorwegen af. We waren er aangewezen op onszelf en dat was zalig. Sociale media bestonden gelukkig nog niet.”

 

U werd niet lastig gevallen met berichten van het thuisfront over een zieke kleine?

Vandenbossche: “Brieven kwamen nog met de postzak. Als we ergens aanmeerden, moesten we een telefooncel zoeken om te bellen naar huis. In sommige landen had een cel een telefoonnummer. Ik belde dan eerst naar huis om dat nummer door te geven. Mijn vrouw belde vervolgens naar de operator en zei: ‘Kunt u me verbinden? De ontvanger betaalt.’ Waarna de telefoon in dat kotje begon te rinkelen: ‘Belgium international phone call. Gaat u betalen?’ Natuurlijk! Vervolgens hingen we twee uur aan de lijn. Na afloop had die telefooncel een rekening van hier tot in Tokio. (lacht)”

 

Werd er veel gedronken aan boord?

Vandenbossche: “Aan boord van de Lobelia gold de regel: twee blikjes per dag. Maar ik heb ook op schepen gezeten waar iedereen op elk uur van de dag of nacht een blikje uit de koelkast kon nemen. Na een nacht hard werken zat je dan om zeven uur ’s morgens een pint te drinken. Ik heb ook op schepen gezeten met ‘kantine-uren’. Je kon dan ‘s middags en ’s avonds gedurende een paar uur een pint krijgen. Op die schepen werd het meest gedronken. De laatste mijnenveger waar ik op meevoer, was de A.F. Dufour. Van twaalf tot één konden er ’s middags pinten besteld worden. Een harde kern van een man of vijftien gaf dan altijd zijn tournée. Op een uur tijd dronken we vijftien pintjes. Daarna ging de deur van mijn zendkot op slot en sliep ik mijn roes uit. Toen ik vervolgens muteerde van een schip met kantine-uren naar een schip zonder, viel ik de eerste twee maanden tien kilo af.”

 

En drugs?

Vandenbossche: “Dat heb ik zelf nooit meegemaakt. Maar vroeger trokken de fregatten soms voor lange periodes naar het Nederlandse Den Helder. Daar werd van alles gekocht. Op het moment dat ze terug in Belgische wateren kwamen, werden er rijkswachters aan boord gedropt. Ik heb nog mensen gekend die voor drugs ontslagen zijn. Op het einde van mijn carrière zag ik wel eens een jongere collega waarvan ik dacht: ‘Naar wie zit hij nu te staren?’ Dat was dan een van die gasten die nooit dronk. Dan wist je meteen hoe laat het was.

Als je op zo’n schip leeft, moet je af en toe eens aan de realiteit kunnen ontsnappen. De mensen met wie ik als radioman het nauwste samenwerkte, zaten op andere schepen. Als we een haven binnenvoeren, kwamen we op vrijdagochtend rond een uur of elf met verbindingsmensen van verschillende schepen samen. We hielden dan een kroegentocht en trokken de stad in tot de zondagochtend. Dan kroop ik 24 uur lang mijn nest in om op maandag terug te kunnen functioneren.”

 

Hoeveel mensen zaten er op een schip?

Vandenbossche: “Bijna 50. We waren niet allemaal de beste vrienden, maar de beste vrienden die ik nu nog heb, dateren wel van toen. We zaten zo dicht op elkaar dat het niet anders kon dan dat er diepe vriendschappen gekweekt werden. Maar er waren ook mensen waarvan ik dacht: ‘Jongen, als jij in brand staat, zal ik niet op je pissen om je te helpen blussen.’ Het overgrote deel van de zeemacht bestaat uit West-Vlamingen en ik ben duidelijk geen West-Vlaming. (lacht) Ik werkte altijd in shiften. Soms zat ik alleen of soms zat ik op de brug, ik hield me netjes aan mijn shift en hield me voor de rest uit alle mogelijke conflicten. Wat ik het meest miste, was privacy. Ik heb op schepen gezeten waar we met 20 samen lagen en op schepen waar we met zes of acht samen sliepen. Er sliep altijd iemand een halve meter onder en boven me. Ik was nooit alleen. Ik ben van nature al niet de meest sociale gast en wil niet te veel volk rond me. Als ik dan na een lange tijd op zee weer thuis kwam, wou mijn vrouw van alles samen met mij organiseren. Terwijl ik het liefst in de zetel wou zitten met de afstandsbediening van de tv op mijn schoot. Mijn vrouw begreep dat uiteindelijk wel en vanaf dan lieten we de helft van de maten niet meer weten dat ik terug thuis was.”

 

Waren er vrouwen aan boord?

Vandenbossche: “Niet op de schepen waarop ik gevaren heb. Ik ben daar niet rouwig om. Kijk, de marine is een overwegend mannelijk milieu. Voor de gemoedsgesteldheid en de algemene sfeer is het beter dat er geen vrouwen bij zijn.”

 

Miste u uw kinderen?

Vandenbossche: “Ja. Na de geboorte van mijn dochter was ik nog regelmatig thuis. Met haar heb ik altijd een hechte band gehad. Maar toen mijn zoon geboren moest worden, zat ik op zee. Ze lieten me in september naar huis komen voor zijn geboorte. Anderhalve week later zat ik weer op een boot. Rond Kerstmis was ik veertien dagen thuis en dan was ik weg tot augustus. Toen ik dan thuis kwam, was die kleine elf maand. Hij had me amper drie weken gekend. Mijn vrouw gaf de baby aan mij en hij begon keihard te wenen. Een jaar later kwam ik weer voor een paar dagen naar huis en mijn zoon babbelde al een beetje. Mijn dochter verwelkomde me met een knuffel: ‘Ik zie je graag papa.’ Ik vroeg aan mijn zoon: ‘Zie jij papa ook graag?’ Hij antwoordde: ‘Nee, ik is van mama.’ Dat zinnetje zal ik nooit vergeten, ook al word ik honderd. In de zeemacht zijn veel mensen gescheiden, de meesten meer dan één keer. Ik besefte toen: ik moet kiezen tussen mijn gezin of een leven op zee. In 2010 kon ik op buitenlandse missie vertrekken naar Northwood in het Verenigd Koninkrijk en ik mocht mijn gezin meenemen. Dat was een uitgelezen kans. Ik was gestationeerd in MARCOM, het maritieme hoofdkwartier van de NAVO. De piraterij in de Afrikaanse wateren was toen big business en wij probeerden die in te dijken. In het kader daarvan werd ik toen ook naar Kenia gezonden.”

 

Om er te gaan patrouilleren?

Vandenbossche: “Neen, om de plaatselijke mensen bij te staan in hun strijd tegen de piraten. Ik heb uitstekende herinneringen aan mijn vier jaar in Northwood bij counter-piracy. We hadden impact en bewezen ons nut. We konden ingrijpen en onderscheppen. We werkten samen met Russen, Indiërs, Japanners en Europeanen. Het was stresserend en intensief. Ik werkte zeven dagen in shifts van twaalf uur. Daarna zeven nachten. Zelfs in de dagen dat ik niet werkte, was ik nog inlichtingenrapporten aan het lezen.

In 2013 werd de Somalische piratenkoning Mohamed Abdi Hassan naar België gelokt. Ze zeiden: ‘We gaan een film over je maken.’ Ze arresteerden hem in Brussel. Hij kreeg twintig jaar en zit hier nu in de bak. Die kerel had een heel piratenimperium opgezet. De Somaliërs gingen op zee met hun skiffs, enterden een boot en staken de gijzelaars in kampen. Daarna werd er gemarchandeerd over losgeld. Dat werd gedropt vanuit een vliegtuig, ze pikten het op met hun bootjes en losten het schip. Zo vingen ze per keer miljoenen dollars. Hassan runde een heuse onderneming met talloze onderaannemers. Die kerels leefden alles op en investeerden niets in de toekomst. De Fransen raakten het beu nadat een paar van hun landgenoten door de piraten vermoord werden. Ze stuurden een commandoschip en schoten alle piratenboten naar de verdoemenis. De business zakte als een pudding ineen.

Toen begon dat gedoe met de vluchtelingen in de Middellandse Zee. Vroeger had je twee maritieme NAVO-hoofdkwartieren: Northwood, bevoegd voor de Atlantische Oceaan, en Napels, actief in de Middellandse Zee. Na de zoveelste NAVO-hervorming sloot Napels in de lente van 2013 en verhuisde alles naar Northwood. Dat was de grootste stommiteit ooit. Vóór de fusie werkten er 190 mensen in Northwood. Na de fusie waren het er 220, maar kregen we er wel de vluchtelingenproblematiek in de Middellandse Zee bij. De Europese Unie voerde met haar operatie SOPHIA actie tegen mensensmokkelaars, maar daar konden enkel EU-landen aan deelnemen. Turkije is een NAVO-land, maar geen EU-land. Van zodra de Grieken te dicht bij de Turkse kust kwamen, stonden de Turken op hun achterste poten: ‘Jullie kwamen tweehonderd meter ver in onze territoriale wateren.’ Ik werd daar voortdurend mee geconfronteerd en dacht: ‘What the fuck.’ Die Grieken en Turken zaten elkaar constant de duvel aan te doen, terwijl we allemaal aan dezelfde kant zouden moeten staan. Soms ging het over totaal absurde dingen. De Turken hadden het in hun berichten steevast over ‘the Turkish Streets’. De Grieken reageerden daarop als door een wesp gestoken: ‘Volgens het Verdrag van Montreux uit 1936 moeten die zeestraten de Bosporus en de Dardanellen genoemd worden.’ Telkens weer escaleerde dat. Soms had ik goesting om een mail te sturen: ‘Dear Greece and Turkey, nobody cares. Grow up. Sincerely, the rest of NATO.’

Alle NAVO-landen vonden dat ze in Northwood recht hadden op hun sterren. Ik was toen eerste meester-chef en op het einde waren er meer generaals dan dat er mensen van mijn graad zaten. Ze hadden allemaal hun eigen staf én chauffeur. Dat kostte handenvol geld, dus moest er bespaard worden en sneden ze in de wachtlopers. In 2010 waren we met vijf om de wacht te lopen. Dat was er eigenlijk één te weinig. Op het einde waren we nog met drie. We liepen shifts van 96 uur. Daarna sliepen we een paar dagen om aan de volgende shift van 96 uur te beginnen. Na zes maanden was ik een wandelend lijk. De dokter schreef me een tijd ziek. Twee maand later kreeg ik mijn herseninfarct.”

 

Bert Torfs – “Met onze gore moppen scoorden we hoog op de #metoo-lijst”

 Op zijn vijftiende wist Bert Torfs (33) het zeker: hij wou militair worden. “Ik was bij de scouts en een van onze leiders zat in het leger. Die man was een krak in het organiseren van avontuurlijke activiteiten. Ik vond dat fantastisch en raakte geïnteresseerd in alles wat met het leger te maken had. Ik wou officier worden en dat is ook gelukt: ik ben nu kapitein.”

 

Was de opleiding aan de militaire school zwaar?

Bert Torfs: “Soms. Het zwaarste was de initiatiefase: de overgang van burger naar militair. Ik kwam in een totaal andere wereld terecht. Achteraf beschouwd stelde dat allemaal niet zo veel voor, maar op een jongen van achttien maakte dat toen heel wat indruk. Van de ene op de andere dag werd ik ondergedompeld in een strikte hiërarchie. Ik merkte ook snel dat ik de lichamelijke inspanningen zwaar had onderschat. De opleiding duurde vijf jaar en gedurende die tijd bouwde ik mijn fysiek vermogen geleidelijk op. Ik studeerde uiteindelijk af als master in management en wapensystemen. Op het einde van mijn opleiding koos ik voor de landmacht, want ik wou naar de tanks. Ik was gefascineerd door die zware machines met hun grote vuurkracht. Zo kwam ik in een tankeenheid terecht. Door de herstructureringen in het leger werden we bij de infanterie gevoegd. Ik zat bij de Carabiniers-Grenadiers in Leopoldsburg.”

 

Was het een schok toen u in 2012 te horen kreeg dat ze u naar Kaboel zouden sturen?

Torfs: “Helemaal niet. In 2009 werd ik pelotonscommandant en vanaf dat moment zat ik te wachten op een buitenlandse missie. Ik was klaar voor de actie. Ik was niet bang, want het was niet de bedoeling dat wij daar gingen aanvallen.”

 

Hoe reageerde uw vrouw?

Torfs: “Je zegt natuurlijk niet even tussen de soep en de patatten: ‘Schat, morgen zijn we weg.’ (lacht) Je moet je partner daar een beetje op voorbereiden. Dat doe je best langzaamaan, al wist mijn vrouw al lang op voorhand dat de kans reëel was. Ik had eerder duidelijk uitgesproken dat ik naar het buitenland op missie wou. Toen het dan echt zover was, schrok ze toch nog.”

 

Hoe bereidde u zich voor?

Torfs: “Mentaal begon ik me al voor te bereiden op het moment dat ik bij het leger tekende. Een van onze voornaamste opdrachten was de beveiliging van alle grote ingangen van de luchthaven van Kaboel. Daar zouden we iedereen moeten gaan controleren die binnenkwam, alle voertuigen, alle personeel. We werden daar eindeloos op gedrild.”

 

Wat waren uw eerste indrukken van Kaboel?

Torfs: “We kwamen er toe in het holst van de nacht. Het was pikdonker en redelijk koel. We kregen onze kamers toegewezen en kropen onder de wol. Pas ’s anderendaags kon ik me een beeld vormen van de luchthaven. Het was zo’n typisch militair complex. Ik zag de bergen rondom, maar voor de rest bleef Afghanistan een groot mysterie. Pas toen we buitenkwamen en op escorte vertrokken naar andere compounds kwamen we echt in de stad terecht, tussen de mensen. Dat was een compleet andere wereld dan mijn tuin hier op het Kempense platteland.

Van sommige regio’s in de stad en van bepaalde dorpen wisten we dat ze tegen de westerse aanwezigheid gekant waren. De mensen die op de luchthaven kwamen werken, waren natuurlijk min of meer vóór onze komst, of probeerden er toch hun voordeel uit te halen. Ze stelden zich neutraal op, want wij waren hun broodwinning. Maar over hun echte bedoelingen waren we nooit helemaal zeker. Elke Afghaanse medewerker kon een infiltrant zijn.

Al wie naar binnen wou, werd door ons gecontroleerd. Mensen moesten niet alleen hun pasje tonen, ook hun iris werd gescand. Dat nam tijd in beslag en ondertussen stonden al die mensen in een lange rij te wachten. We wisten niet wie er tussen zat. Voorzichtigheid was altijd geboden.”

 

Hoe zag uw doorsnee dag eruit?

Torfs: “Ik was de tweede commandant van de compagnie, de adjunct. Een compagnie bestaat uit vijf pelotons van veertig man. Op de luchthaven waren we in totaal met tweehonderd militairen. Toen ik in Kaboel aankwam, was het niet de bedoeling dat ik als officier rechtstreeks met soldaten in een gevechtspeloton zou werken. Maar op een bepaald moment moesten we een pelotonscommandant naar huis sturen omdat hij de druk niet aankon. Ik nam zijn plaats in en raakte zo terug betrokken bij de actie. Die man was gewoon niet geschikt voor de opdracht. Tijdens de trainingen hadden we al gemerkt dat hij het lastig had. Toch mocht hij mee. Maar op missie functioneerde hij niet goed waardoor er onder de soldaten in zijn peloton wrevel ontstond. ‘Wij lopen hier dag en nacht risico en hij laat maar waaien.’ Dus werd hij op een vlucht naar huis gezet. De rest van de missie droeg ik twee petjes: dat van adjunct van de compagnie en dat van pelotonscommandant. Dat was geen straf: ik vond het heel fijn om samen met mijn soldaten op het terrein actief te zijn. We investeerden de meeste tijd in het beveiligen van de verschillende toegangspoorten naar de luchthaven. Een peloton bleef altijd voor vijf dagen aan een poort en schoof dan door naar de volgende. Eén peloton, de ‘quick reaction force’, stond op stand-by. Als er aan één van de toegangspoorten een incident was, schoot het direct ter hulp. Af en toe werden we er als escortepeloton naar de stad op uit gestuurd.”

 

Waren de ritten naar Kaboel de gevaarlijkste operaties?

Torfs: “De gevaarlijkste én de avontuurlijkste. Tijdens die ritten kregen we ook iets te zien van de omgeving. Er lagen verschillende militaire compounds verspreid over de stad. Soms moesten we één van de hogere officieren naar een vergadering in zo’n compound brengen. Militairen van andere landen voerden beveiligingspatrouilles uit in de straten van Kaboel, net zoals de politie hier op straat patrouilleert. In de vier maanden dat ik daar was, maakte ik geen directe schermutselingen mee, in die zin dat ik een tegenstander zag waarop ik moest schieten. Maar de vijand vuurde wel verschillende keren raketten af op de luchthaven. Toen een van onze voertuigen de luchthaven uitreed, kreeg het twee kogels in de voorruit. We hebben nooit kunnen achterhalen wie het op ons gemunt had. In de stad werd er nooit rechtstreeks iets tegen ons ondernomen. Op straat werden we goed op de hoogte gehouden van het reilen en zeilen in Kaboel: ‘In die buurt is een gevecht bezig.’ Dat zorgde voor de nodige adrenaline, want soms moesten we vliegensvlug onze route aanpassen in een stad die net een mierennest is.”

 

Krijg je daar dan achteraf, als het een beetje rustiger is, de terugslag van?

Torfs: “Ikzelf heb daar nooit echt last van gehad. Ik bleef maar doorgaan. ‘Bam! Die raketaanval is voorbij? Oké.’ Ik keek dan om me heen: ‘Is iedereen op post?’ Prima, dan konden we weer verder. Eigenlijk waren wij geluksvogels. Het Belgische leger heeft in totaal ongeveer tien jaar op de luchthaven van Kaboel gewerkt zonder dat er jongens gesneuveld zijn. Naast de raketaanvallen op de toegangspoorten ontploften er ook af en toe bomauto’s. Er circuleert een filmpje in het leger van zo’n aanslag. Je ziet hoe een Belgische soldaat naar een auto stapt om de chauffeur te controleren. Aan de ingangen stonden betonnen muurtjes om blasts op te vangen. Net voor de bom afgaat, bukt de militair zich achter zo’n muurtje om iets op te rapen. Als hij recht was blijven staan, was zijn bovenlichaam weg. Die man heeft ongelooflijk veel geluk gehad.

Ik heb zelf een bomaanslag meegemaakt die me altijd bij zal blijven. De man blies zich op vijfhonderd meter van een toegangspoort van de luchthaven op. Ik sliep op dat moment en werd wakker van de explosie. De slachtoffers waren soldaten van andere westerse landen. Ze werden naar het militair ziekenhuis op de luchthaven gebracht. De beelden van menselijke restanten zijn voor eeuwig op mijn netvlies gebrand.”

 

Hebt u behalve die ene pelotonscommandant nog mensen naar huis moeten terugsturen?

Torfs: “Eén keer nog. Bij die man sloegen de stoppen echt door. Hij richtte zijn wapen op een collega. Achteraf bleek er geen munitie in de kamer te zitten, maar toen hij richtte, wisten we dat niet. We hadden geen andere keuze dan hem op een terugvlucht zetten naar huis. Soms moest ik tussenkomen in strubbelingen tussen collega’s. Niet iedereen in het peloton kon met elkaar overweg. Af en toe was er ruzie, wat niet verwonderlijk is als je vier maanden lang op een paar vierkante meter leeft. Soldaten sliepen met drie of vier in een tot kamer omgebouwde container. De zoveelste rondslingerende sok kon dan bij de jongen die heel proper is op een keer voor een uitbarsting zorgen.”

 

Was u erop voorbereid dat u kon sneuvelen?

Torfs: “Ik dacht daar zo weinig mogelijk aan. Tijdens de voorbereiding hadden we daar kort bij stilgestaan. We werden toen geïnformeerd over een levensverzekering en ik moest aan de bank laten weten dat ik naar een operationele zone trok. Onder collega’s werd niet vaak over de dood gesproken. We hadden een voltijdse vrijgestelde psycholoog mee, de Raadgever Mentale Operationaliteit (RMO) zoals hij in het leger heet. Mensen die het moeilijk kregen, konden met hem praten.”

 

Bent u een gelovig man?

Torfs: “(verrast) Ja, ik ben mormoon. In Vlaanderen zijn we met een paar honderd actieve gelovigen. Mijn ouders hebben zich bekeerd toen ik een jaar of vier was. In het leger heb ik niet van de eerste dag meegedeeld dat ik mormoon was, maar mijn collega’s wisten het toch vrij snel. Mijn geloof hielp me in Kaboel, maar het zorgde er niet voor dat ik een andere commandant was dan de anderen. Mijn soldaten praatten wel sneller met mij over hun zoektocht naar zin. Net omdat ze wisten dat ik gelovig ben, durfden ze dat aan.”

 

Hoe groot was de paranoia?

Torfs: “Soms zagen we bedreigingen die er niet bleken te zijn. Naast de luchthaven liep een drukke weg die we met videocamera’s en wachttorens in de gaten hielden. Op een bepaald moment meldde een van de soldaten een verdachte man op de weg. Hij droeg een dikke winterjas terwijl het zestig graden warm was. Hij liep langs de poort en in onze verbeelding zagen we de zelfmoordgordel onder zijn jas. We installeerden ons om hem op tijd uit de weg te ruimen. Maar hij liep gewoon verder zonder dat er iets gebeurde. Waarschijnlijk had hij te veel drugs gebruikt.”

 

Zaten jullie aan de drugs?

Torfs: “Drugs waren uit den boze en er werd geen druppel alcohol geschonken. De enige uitzondering was 21 juli, de nationale feestdag. Toen kregen we twee pintjes Jupiler. Op andere dagen was alcohol in de ban. Onze basis stond onder de algemene leiding van de Amerikanen. Zij voerden een strikt zero tolerantiebeleid. Roken mocht wel, zolang het geen joints waren.”

 

Hoe verwerkt een gezonde jongeman vier maanden zonder seks?

Torfs: “De meesten zochten een uitlaatklep in sport. Er heerste echt wel een machocultuur. Ik vrees dat we met onze gore moppen hoog scoorden op de #metoo-lijst. (lacht) We waren met 195 mannen en 5 vrouwen. Dat was niet altijd even simpel. Het machogedrag zat bij veel mannen zo diep ingebakken dat het af en toe bij de dames voor wrevel zorgde.”

 

Florent Thys – “Sinds Kosovo leef ik in de schaduw”

Florent Thys (53) werd in 1985 opgeroepen om zijn toen nog verplichte legerdienst te gaan vervullen. Dat beviel hem zo goed dat hij een jaar later beroepsmilitair werd. “Ik hou ervan om kennis door te geven aan anderen en wou onderofficier worden. Ik kwam bij de paracommando’s terecht, niet als para maar bij de logistieke ondersteuning. Onze brigade werd tijdens de oorlog in Joegoslavië samen met AFOR I van de NAVO op missie naar Albanië gestuurd. Daar hielpen we Kosovaarse vluchtelingen opvangen. Toen in 1999 de troepen van de Servische president Slobodan Milošević zich na de NAVO-luchtaanvallen uit Kosovo terugtrokken, gingen wij er als eersten binnen.”

 

Had u zelf gevraagd om op buitenlandse missie te vertrekken?
Florent Thys: “Nee, bij de para’s had je geen keuze. Er werd je meegedeeld: ‘We hebben chauffeurs nodig. Van dan tot dan ben je op missie naar Albanië en Kosovo.’ In het begin was dat een schok. Ik was het gewend om van huis weg te zijn omdat ik mijn legerdienst gedaan had in Soest, Duitsland. Maar dit was andere koek. Als ik had mogen kiezen, was ik niet vertrokken. Ik had dus even tijd nodig om dat nieuws te verwerken. Gelukkig sta ik nogal spiritueel in het leven. Van zodra ik me ergens bij heb neergelegd, denk ik: ‘Ach, zo erg is het nu ook weer niet. Wie weet, kan ik er nog iets van leren.’

Sommigen stonden te popelen, maar mochten niet. Zij die moesten gaan, hadden er niet altijd zin in. Voor paracommando’s geldt: wie zijn opleiding achter de kiezen heeft, is altijd en overal inzetbaar.”

 

U was geen gebrevetteerd para?

Thys: “Nee, ik was korporaal-chef, de op één na hoogste graad bij de beroepsvrijwilligers. Ik had misschien rechtstreeks niet veel in de pap te brokkelen, maar onrechtstreeks wel. Ik spreek meerdere talen en dat kwam een officier goed uit: hij gaf me een plaats in de cel operaties. Daar hield ik me bezig met de administratie en de planning.”

 

In 1999 was Kosovo oorlogsgebied. Uw familie maakte geen bezwaar?

Thys: “Ik had op dat moment geen partner, maar ik moest het wel tegen mijn ouders en mijn broer en zus vertellen. Milošević voerde een afschuwelijke oorlog in Kosovo; je mag die man gerust met Hitler vergelijken. Alle middelen waren goed om de Albanese Kosovaren weg te zuiveren. Hij is verantwoordelijk voor verschillende massagraven. Mensen werden voor de ogen van hun familieleden vermoord; ouders voor de ogen van hun kinderen. Jonge mannen die nog konden vechten, werden van hun families gescheiden en verdwenen spoorloos. Alle anderen werden met een one way ticket over de grens met Albanië gestuurd.
In april ’99 kwamen wij aan in de vluchtelingenkampen in de Albanese grensstad Kukës. In januari waren de vluchtelingen er beginnen toestromen. Het vroor nog en er lag sneeuw. Sommigen hadden bevroren voeten, anderen hadden amper kleren aan hun lijf. Die eerste dagen waande ik me in de rimboe. Het miezerde en het was koud. De allereerste nacht sliepen we in een kazerne van de Albanezen, een bouwvallig krot. Slapen is veel gezegd; het was eerder alert uitrusten, net als een waakhond die even zijn ogen sluit. De para’s waren meer gewend; zij waren al vaker op missie geweest. Maar ik was geen para.

Omdat we in oorlogsgebied opereerden, stonden onze wapens op scherp. Wat er ook gebeurde, het order was: mikken, veiligheid af en schieten. Ik heb dat gelukkig nooit moeten doen. Het eerste konvooi werd wel aangevallen, door Albanese militairen die mijn collega’s voor de vijand hielden.

Wij moesten onder andere instaan voor de beveiliging van het transport met hulpgoederen van de Albanese havenstad Durrës naar de vluchtelingenkampen in Kukës. De volgende dag reden we dan met vluchtelingen terug naar Durrës, waar ze met de trein naar veiliger oorden, zoals Macedonië, gebracht werden. Ik was chauffeur van een truck. Nadat de Serviërs zich in juni terugtrokken, gingen wij Kosovo binnen. Een paar weken later was onze missie voorbij.”

 

Was het een traumatiserende ervaring?

Thys: “Ik worstel er tot vandaag mee. Ik heb het jaren kunnen onderdrukken, maar na een reis naar Marokko schoot dat beest onlangs weer wakker. Ik heb die missie nooit helemaal verwerkt, dus ja, ik zit met een trauma. Niet dat ik mensen voor mijn ogen heb zien afslachten, maar toch heb ik er dingen meegemaakt die me flink dooreen hebben geschud. Zo brachten we op een bepaald moment vluchtelingen naar een station. Van daaruit zouden ze naar een veiliger plek gebracht worden. Probeer je de wachtende trein voor te stellen: houten banken, geen ruiten, geen deuren. Hij stonk naar een wc waar dagelijks duizenden mensen hun gevoeg op doen en die maandenlang niet is schoongemaakt. Daar moesten vluchtelingen twaalf uur lang opeengepakt als sardienen in blijven zitten. Ik stond naast een Nederlandse collega en zei: ‘Dit is net Schindler’s list.’ Voor ze instapten, kregen die mensen een pakket met een deken, wat eten en water. Ik zie nog altijd de angst en de onzekerheid in de ogen van de zwangere vrouwen en de verschrikte blikken van de kinderen.

De Albanese maffia was alomtegenwoordig. Maffiosi haalden jonge vrouwen van de vluchtelingentreinen om ze in de prostitutie te jagen. Wij gingen klagen bij onze verantwoordelijke officier: ‘Wij proberen die mensen in veiligheid te brengen en dan worden die meisjes ontvoerd. Hoe is dat mogelijk?’ Hij ging praten met de hogere officieren en uiteindelijk werden de volgende treintransporten door Italiaanse carabinieri beveiligd.

Ondanks al hun miserie bewaarden de meeste Kosovaren hun trots. Op een van de trucktransporten zat een vrouw naast me die net bevallen was. Tijdens een stop kotste haar baby de hele cabine onder. Ik had eerst niets in de gaten, want ik was mensen aan het helpen afstappen uit de laadbak. Toen ik terug achter het stuur kroop, was de cabine picobello in orde. Er was geen spoor van babykots terug te vinden. Zelfs in de laadbak kon je bij wijze van spreken van de grond eten.

Van zodra de Servische troepen de aftocht uit Kosovo bliezen, wilden de meeste vluchtelingen weg uit Albanië, terug naar huis. Velen vertrokken zonder iets te zeggen. Wij reden toen van Durrës naar Kosovo, langs een kiezelweg door de bergen, vol haarspeldbochten en met ravijnen links en rechts. Het was zeer stresserend om met een tientonner te denderen over bruggen die niet al te stabiel waren. Die rit zou ik vandaag nog wel eens willen overdoen, al was het maar om te zien hoe de toestand er nu is.”

 

Was er een psycholoog mee?

Thys: “Nee, wel een aalmoezenier. Ikzelf ben een gelovig christen, in principe kon ik dus bij die man terecht. Maar ik ben ook homo. Twee jaar voor mijn missie naar Albanië was ik in het leger uit de kast gekomen. Pas nadat het Aids Informatie Team er in 1997 opgestart was, durfde ik mezelf te outen. Als ik eerder uit de kast gekomen was, had ik dat zeker moeten bekopen met minstens een blauw oog. In 1985 had ik als dienstplichtige een korte affaire met een militair. Hij werd in het leger op een afschuwelijke manier behandeld en verstoten. Tot vandaag heb ik spijt dat ik toen niet de moed bij elkaar geraapt heb om hem te verdedigen. Maar dan was mij waarschijnlijk hetzelfde overkomen.”

 

Hoe reageerden uw collega’s toen u in 1997 zei dat u homo bent?

Thys: “Ze schrokken. ‘Dat kan niet!’ Tot dan had ik me als een echte heteroseksuele macho gedragen. Ik heb een sterk karakter en weet wat ik wil. Ik hou van oprechtheid. Je kan dus beter in mijn gezicht schelden, dan me achter mijn rug slecht te maken. Mijn coming-out verliep gelukkig beter dan dat van die arme jongen in ’85. Op missie in Albanië en Kosovo hadden mijn collega’s het raden naar mijn geaardheid. Ik had een uitstekende verstandhouding met mijn medechauffeur. Tot de dag dat hij wist dat ik homo ben. Een maand voor onze terugkeer besloot ik me te outen. Mijn medechauffeur wou daarna niet meer naast mij zitten in de truck. In eerdere gesprekken had hij nochtans beweerd dat hij helemaal geen problemen had met homoseksualiteit.”

 

De officieren vonden het prima dat hij niet meer met u wou samenwerken?
Thys: “Ja. De laatste weken reed en sliep ik alleen. De maanden daarvoor waren we 24 uur op 24 samen. We sliepen op dezelfde kamer, onderhielden samen onze truck, zorgden samen voor de zendingen. Van de ene dag op de andere werd ik gemeden en opzij geschoven door de rest van de groep. Ik trok me er niets van aan. Ik ben niet haatdragend. Ik kan niet vergeten, maar wel vergeven. Ik ben soms ook graag alleen. Ik hoef niet altijd duizenden mensen rond mij te hebben om me goed te voelen. Ik ben een creatieve duizendpoot, ben zanger en acteur en heb altijd wel iets waarmee ik me kan bezighouden.”

 

Maar die medechauffeur was eerst een vriend?

Thys: “Ja. We reisden samen en deelden onze verhalen. We stonden zelfs samen in de krant Le Soir. Een journalist reed een tijdje met met ons mee en schreef een artikel over onze belevenissen. Achteraf vroeg ik me af of ik niet beter in de kast was blijven zitten. Maar waarom zou ik moeten huichelen?”

 

Sprak u er de officieren over aan?
Thys: “Ik durfde niet. U mag niet vergeten dat ik in de brigade paracommando, tweede bataljon commando, zat. Ik heb het nu soms nog moeilijk als ik collega’s van toen tegenkom. Zelfs vandaag wagen sommigen in het leger zich nog steeds niet aan hun coming-out.”

 

Hoe verliep de thuiskomst?

Thys: “Mijn zus beviel van haar eerste zoontje toen ik op missie was. Ik kwam dat te weten via de satelliettelefoon. Om mijn emoties te kanaliseren en mijn vreugde te delen, schreef ik toen een gedicht voor mijn kersverse neefje. Ik was blij om hem eindelijk te zien. Terug thuis miste ik die mensen uit AFOR I met wie ik wél een goed contact had opgebouwd: Nederlanders, Engelsen, Polen, Litouwers, Italianen, Amerikanen… dat waren allemaal joviale kerels. We kregen extra verlof en de missie leverde me ook wat extra spaargeld op. Een jaar later nam ik zelf ontslag uit het leger. Het ging niet meer. De wapens waren er te veel aan. Ik verafschuw geweld. Vanuit het leger heeft nooit iemand gevraagd: ‘Je was in Kosovo. Hoe was dat? Wat heb je meegemaakt?’ Terwijl ik misschien wel met een posttraumatisch stresssyndroom worstelde. Het leger heeft jammer genoeg minder respect voor zijn veteranen dan voor de oud-strijders. Wij hebben op onze zendingen nochtans ook zeer ingrijpende dingen meegemaakt. De laatste weken was het er snikheet, bijna 40 graden. In volle militaire uitrusting wordt het dan nog een paar graden warmer. Vandaag wandel ik nog zelden in de zon. Sinds Kosovo leef ik in de schaduw.”

 

Emiel Van Beeumen – Ik schoot op ingebeelde soldaten en dacht: ‘Die kerels zullen wel zo slim zijn om in hun bunker te kruipen.’

In de winter van 2016 viel bij Korea-veteraan Emiel Van Beeumen (87) een brief van het Antwerps stadsbestuur in de bus. “Ik werd uitgenodigd op ’t Schoon Verdiep. Er stond niet bij waarom. Maar ik was nieuwsgierig en op die bewuste dag stapte ik via de Suikerrui het stadhuis binnen. De mevrouw aan de balie vroeg: ‘Meneer, waarom bent u hier?’ Ik antwoordde: ‘Ik weet het niet.’ Ik toonde haar mijn uitnodiging. ‘Ze staan aan de grote poort op jullie te wachten’, zei ze. Ik keek haar niet begrijpend aan. ‘Hoezo, “jullie”?’ ‘Ja, jullie zijn met zes uitgenodigd.’”

 

Zes Belgische veteranen die in de jaren vijftig in Korea vochten?

Emiel Van Beeumen: “Precies. Alleen bleek ik de enige te zijn die op de uitnodiging was ingegaan. Heel het schepencollege zat daar, inclusief burgemeester Bart De Wever. Ze werden geflankeerd door de handelsvertegenwoordiger van Zuid-Korea. De burgemeester vroeg eerst waarom ik als jongeman van 21 in 1952 naar Korea was gaan vechten. Daarna kwam de aap uit de mouw. ‘We vertrekken binnenkort met een handelsmissie naar Zuid-Korea en we zouden graag hebben dat je samen met de vijf andere veteranen mee gaat’, zei hij. ‘We willen in Seoel een kroon neerleggen bij het monument van de 106 gesneuvelde Belgische militairen. Je zal goed verzorgd worden in een chique hotel, je krijgt de klok rond een auto met chauffeur en alles is gratis. Je kan er een en ander bezichtigen.’ Ik zei: ‘Meneer De Wever, neem me niet kwalijk, maar die lange reis zie ik op mijn leeftijd niet zitten. Negen uur vliegen om een paar dagen in een stad rond te wandelen? Nee, bedankt.’ Korea zit in mijn geheugen gegrift als een door oorlog geteisterd land waar helemaal niets was. De plaatsen waar wij toen verbleven, zijn nu totaal veranderd. Wat kon ik daar nog gaan doen?”

 

Waarom wou u als jongen van 21 naar Korea?

Van Beeumen: “Op mijn vijftiende werd ik zeeman bij de koopvaardij. In die tijd wou niemand varen. Om toch jonge matrozen aan te trekken, hadden ze een interessante formule bedacht. Als je als jongeman een vaarcontract van zeven jaar afsloot, werd je vrijgesteld van de toen nog verplichte militaire dienst. Ik wou dus eigenlijk liever geen soldaat worden en was best tevreden met wat ik als zeeman verdiende.

In 1950 vielen Noord-Koreaanse troepen met hulp van de Chinezen Zuid-Korea binnen. De Amerikanen steunden de Zuid-Koreanen, maar lagen net als tijdens Pearl Harbor te slapen en kregen flink wat klop. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties besliste vervolgens dat internationale militaire hulp noodzakelijk was. Alle landen moesten manschappen leveren. België ook, maar omdat ons land officieel niet in oorlog was, kon het geen troepen sturen. Waarna er binnen de schoot van het leger een vrijwilligerscorps werd opgericht. Soldaten die zich aansloten, kregen een fraaie wedde van 5000 frank. De regering trok de legerdienst op tot 18 maanden en alle zeemanscontracten werden nietig verklaard. Ze moésten soldaten hebben en daarom werden alle jonge mannen onder de wapens geroepen. Ik ook, en ik vond dat helemaal niet leuk. Ik had op zee al flink wat levenservaring opgedaan en plots werd ik geconfronteerd met een korporaal die blafte: ‘Handen uit de zakken!’ Ik was geen rebel, maar vaak dacht ik: ‘Hoe is dit mogelijk?’

In die tijd waren de para’s en de commando’s gescheiden. Ik kreeg een commando-opleiding in de Citadel van Namen, inclusief marcheren en nachtoefeningen. In Leopoldsburg lagen we een week in de sneeuw met één slaapzak voor drie man. Toch klaag ik niet over die opleiding, want ze paste bij mijn karakter. Ondertussen waren de eerste Belgische vrijwilligers in Korea gearriveerd. Zij raakten ingesloten en moesten zwaar slag leveren. Toen vielen ook de eerste slachtoffers.”

 

Op het moment dat u besloot om naar Korea te gaan, wist u dat er al Belgen gesneuveld waren?

Van Beeumen: “Ja. Waarom ik dan toch naar Korea wou? Ik hield van avontuur, was het gewoon om zelfstandig te zijn en vond het fijn om geld in mijn zakken te hebben. Als gewone milicien kreeg ik tien Belgische frank, daar kon ik in de kantine nog geen pakje Belga mee kopen. Ik tekende niet voor Korea omdat ik per se de Amerikanen wou gaan helpen. De helft van de Korea-vrijwilligers waren beroepsmilitairen die een streep of een ster wilden bijkrijgen. De rest waren boerenjongens die naar avontuur verlangden. Ze zaten in de miserie of presteerden slecht op school en sloegen de deur achter zich dicht: ‘Salut en de kost, ik trek naar Korea.’ De vaderlandslievenden waren sterk in de minderheid.”

 

Werd jullie voorgehouden dat jullie tegen het communisme gingen vechten?

Van Beeumen: “Ja. We gingen tegen de communisten vechten om zo de wereld te redden. Ach, we waren niet slimmer en tijdens onze opleiding slikten we dat voor zoete koek. Qua sfeer leek het op 1944, toen veel jonge Vlamingen zich bij de SS lieten inlijven om in Rusland het goddeloze communisme te gaan bestrijden. Ik kende toen zo’n oostfronter. Hij had in Rusland gevochten en waarschuwde me: ‘Je zal wel wakker worden van zodra je in Korea bent.’

In februari ‘52 vertrokken we met een vliegtuig van Sabena, met onze pots op en onze camouflagevest aan. Alleen de para’s en de commando’s mochten zo’n parka dragen. We maakten een tussenlanding in de Azoren en vlogen verder via Amerika naar Tokio. Daar kregen we een Amerikaans uniform, met kentekens van de legendarische Third Infantry Division. Tijdens WO II hadden zij slag geleverd in Bastogne en nu vochten ze in het oosten. Onder hun bevel zaten we in Korea op stelling aan het front, waar we de eerste veertien dagen enkel nachtpatrouilles liepen.”

 

‘Op stelling zitten’ wil zeggen dat jullie in loopgraven zaten?

Van Beeumen: “Ja. De Koreaanse oorlog was een verkleinde versie van de grote stellingenoorlog van 14-18. Aan de ene kant zaten wij, aan de andere kant de Chinezen en de Noord-Koreanen. In het midden lag no man’s land, vol bergen en heuvels. Het scenario was altijd hetzelfde: op een bepaald moment vielen de Noord-Koreanen en de Chinezen aan en namen een berg in. Waarna de Amerikanen de tegenaanval inzetten tot de tegenpartij weg was. Die aanvallen startten ’s nachts en konden dagen aan een stuk duren. Dat was verschrikkelijk, want dan werden onze stellingen dagenlang met mortiergranaten bestookt. Ik zat bij de verkenners, bij de compagnie ‘zware wapens’. Andere compagnies aan het front riepen onze hulp in: ‘We zouden graag 2.50’ers hebben’, of: ‘We hebben dringend nood aan .30’ers met waterkoeling.’”

 

Dat ging dan over het soort machinegeweren dat u bediende?

Van Beeumen: “Juist. Wij hadden allerlei soorten machinegeweren: .30 luchtkoeling, .30 waterkoeling en .50’ers. De zware wapens-compagnie zat altijd afgezonderd van de rest en moest haar plan trekken. Weet u dat wij Belgen er gedurende vijftig dagen constant beschoten werden? Met meer dan honderd doden en heel veel zwaar gewonden als gevolg.”

 

Waren er onder die gesneuvelden vrienden van u?

Van Beeumen: “Ja. De Maes van Beveren. (stilte) Hij kwam naar Korea omdat zijn vrouw hem verlaten had. En Deckers uit Ekeren. Hij lag op het Ereperk van het Schoonselhof in Deurne. Normaal is dat voor eeuwig, maar nu is zijn graf daar weg. Ik schrok heel erg toen ik dat zag.

De broederschap was heel sterk in Korea. We hebben er ondanks alle kommer en kwel ook goeie tijden gekend. Want als we even op rust mochten, kwamen we in mooie tenten van de Amerikanen terecht, met uitstekende verwarming en douches. In de eerste tent moest je je dan uitkleden en je vuil goed in een zak gooien. In de tweede tent kon je douchen in de derde tent stonden ze je in een rij op te wachten om je van verse kledij te voorzien. ‘Uw maat, sir? Small, large?’ Er werd heel goed voor ons gezorgd.”

 

Kunt u zich nog herinneren hoe het aanvoelde toen u de allereerste keer beschoten werd?

Van Beeumen: “Ik verstopte mezelf. Het voelde net als toen ik op zee zat en mijn eerste zware storm meemaakte. Weet u wat ik veel erger vond? ’s Nachts op patrouille vertrekken om de vijand uit zijn tent te lokken. We klommen dan de heuvels op en schoten in de richting van de Noord-Koreanen. Als ze ons vuur beantwoordden, wisten we:  daar zit een machinegeweer en daar zit nog iets anders. Ik herinner me haarscherp een aanval samen met de C-compagnie. Zij bestormden de heuvel en wij moesten met onze machinegeweren versterking geven. Als je met een .30 een reeks kogels afgevuurd hebt, moet je dat machinegeweer demonteren en een nieuwe loop steken. Maar de bevelvoerende officier riep: ‘Blijven vuren!’ Hij was de baas. Een compagnie moest de vijand in de rug aanvallen, liep verloren en strandde in de rijstvelden. De aanval werd afgeblazen en mislukte, maar ik zat met een groot probleem. Op mijn machinegeweer was een vlammendemper gemonteerd, zodat de vijand het geflikker tijdens het vuren niet kon zien. Omdat ik was blijven schieten, kreeg ik die demper er niet meer af. Ze wilden me daarvoor bestraffen, terwijl ik gewoon een bevel had uitgevoerd. Het nam ontzettend veel tijd in beslag voor ze mijn uitleg aanvaarden.”

 

Hoe lang was u in Korea?

Van Beeumen: “Negen maanden. Ik kwam naar huis nadat de vijand zijn mortieren continu naar ons begon af te vuren. Toen vielen er veel slachtoffers. Na twee weken mortiervuur vroegen ze of ik wou bijtekenen. Ik heb bedankt. Terug thuis moest ik nog twee maanden dienst kloppen. De kapitein zei: ‘Wat moet ik met jou en al je decoraties aanvangen? Hier lopen vooral miliciens rond en mijn officieren hebben amper één keer met hun revolver geschoten. Ik stuur je naar huis en kom dan om de veertien dagen je stempeltje halen.”

 

Hebt u met uw machinegeweren ook mensen gedood?

Van Beeumen: “Dat weet ik niet. Ik schoot altijd op ingebeelde soldaten en dacht: ‘Die kerels zullen wel zo slim zijn om in hun bunker te kruipen.’ Ik stond daar nooit bij stil. De mannen die met mortiergranaten naar ons schoten, zagen ons ook niet. Zij hebben veel meer slachtoffers op hun geweten dan ik ooit gemaakt kan hebben.”

 

Flitst dat af en toe toch niet door uw hoofd? Want ‘de vijand’ waren jongens zoals u?

Van Beeumen: “Ik heb die soldaten nooit in de ogen gekeken. Wij lagen naast de Nederlanders en hadden geen zicht op de stelling van de vijand. De Chinezen vielen aan en de Nederlanders werden van de heuvel afgeslagen met veel gewonden en doden. ’s Anderendaags kwamen de Fransen met hun vreemdelingenlegioen. Net als in de film zag ik ze toen op de heuvel slag leveren met de Noord-Koreanen en de Chinezen. Dat was een zeldzaam schouwspel.”

 

Was u bereid om uw leven te geven?

Van Beeumen: “Ja, ik was me heel goed bewust van dat risico. Toen ik op zee was, wist ik ook dat dat het schip kon vergaan.

Elke dag kan je laatste zijn. Ik was lang wielertoerist en werd drie keer op het fietspad aangereden door een auto. Ik brak mijn heup en mijn knie. Mijn helm was in twee stukken, maar ik had geluk, want ik leefde. Zo was het ook in Korea.”

 

Hoe verliep de aanpassing aan het vredige leven in België?

Van Beeumen: “Terug thuis verliet ik het leger snel en dat was een goede beslissing. Want veel jongens die wel bleven, konden zich maar moeilijk aanpassen. Ik heb dat gevoel van vervreemding zelf ook even ervaren. Op woensdagnacht landden we in Parijs. Van daar werden we met bussen naar Melsbroek gebracht. Het afscheid ging gepaard met flink wat pinten. ’s Ochtends moest ik me om tien uur aanmelden in het militair hospitaal, want ik had een wonde aan mijn hoofd. Ik stapte voorbij een met kentekens overladen kapitein van de luchtmacht. Aan de receptie zaten twee sergeanten. ‘Goeiemorgen’, zei ik, nog lichtjes beneveld van de alcohol. ’Kon u niet salueren naar de kapitein die u daarnet straal voorbijliep?’, vroeg de ene. ‘Denkt u dat u zich alles kunt permitteren omdat u in Korea zat?’ Ik kon toen de haat voelen tussen de beroepsmilitairen en ‘de Koreanen’. Wij droegen bij onze terugkomst Amerikaanse uniformen met paraboots. Daar waren ze stikjaloers op.”

 

Johan Beeckaert – “Het alcoholverbod en wifi maakten het leven op missie asocialer”

Johan Beeckaert (40) werkte eerst een paar jaar als onderhoudstechnicus in een burgerbedrijf, voor hij in 2002 soldaat werd bij de infanterie in Leopoldsburg. “Mijn vader was ook beroepsmilitair geweest en hij zag mij niet graag in zijn voetsporen treden. Hij had liever dat ik een gewoon burgerleven leidde. Hij verliet het leger vóór zijn pensioen. ‘Het is er altijd iets’, zei hij. Maar in het privébedrijf waar ik eerst terechtkwam, was onzekerheid troef. ‘De tent gaat waarschijnlijk dicht.’ Ik besloot toen om gewoon mijn zin te doen en legde de selectieproeven van het leger af. Zes maanden later ging ik binnen als verkenner.”

 

Als het ooit oorlog wordt, is de verkenner de eerste die mag uitrukken?

Johan Beeckaert: “Precies. Op voorhand kreeg ik een legerbrochure waarin de verkenners werden voorgesteld. Naast een foto van een kerel in camouflagepak stond een foto van de verblijven waar we zouden slapen. Ik zag blinkende kasten en bedden en ik dacht: ‘Schitterend.’ Tot ik die kamer op mijn eerste dag als verkenner in spe binnenstapte: er waren duidelijk al duizenden anderen voor mij gepasseerd. (lacht) Twee jaar later vertrok ik op mijn eerste buitenlandse missie naar Kosovo.”

 

Dat was uw eigen keuze?

Beeckaert: “Ja. Ik heb nu in totaal vijf buitenlandse opdrachten achter de kiezen, allemaal op vrijwillige basis. Ik was drie keer in Kosovo, een keer in Afghanistan en de laatste keer, in 2013, verbleef ik in Mali. Tot twee jaar geleden was ik sniper, scherpschutter. Nu ben ik de wapenmaker van het bataljon.”

 

Als sniper was u erop getraind om mensen dood te schieten?

Beeckaert: “Ja, maar ik heb dat nooit in de praktijk moeten brengen. Al dacht ik soms wel over de consequenties van die job na. Op missie ben ik ook nooit ingezet als sniper. In Mali was ik beveiliger en had ik mijn scherpschutterswapen mee. Als er bezoek kwam, verzorgden wij de overwatch, beveiliging van op hoger gelegen punten. Maar we waren daar niet om mensen af te knallen.

In Kosovo bestond mijn allereerste opdracht in 2004 uit ordehandhaving en patrouilleren in het noorden, in en rond de stad Mitrovica. We trokken ook dikwijls de bergen in om aan de bergbewoners te laten zien: de buitenlandse troepen van de NAVO-vredesmacht KFOR zijn er nog steeds om jullie te beschermen. Sommige mensen kwamen nooit naar beneden en wij waren zowat hun enige aanspreekpunt. Als jonge gast had ik niet echt een beeld van waar de Kosovo-oorlog van eind jaren negentig over ging. Maar toen ik daar een poos rondliep, begon ik de haat te merken. Wij kwamen er in augustus toe nadat er een paar maanden eerder zware rellen hadden plaatsgevonden. Er waren toen granaten gegooid die het leven gekost hadden aan verschillende mensen. De spanning hing nog steeds in de lucht. Ik sprak met Serviërs en Albanezen en ze wilden elkaar bij wijze van spreken liefst de strot afsnijden. In de loop der jaren heb ik die haat bij de nieuwe generatie een beetje zien afnemen; ik was er drie keer met tussenpozen van twee jaar.

Op mijn eerste Kosovo-missie trof ik een land in puin aan. We verlieten de luchthaven van de hoofdstad Pristina en ik zag de autowrakken en de kapotgeschoten huizen. Het contrast met het keurige, nette België kon niet groter zijn. Er lag overal afval langs de weg; net beelden uit de Tweede Wereldoorlog. Het viel me ook op dat er bij de bevolking een paar generaties ontbraken. Je had er kinderen van 0 tot 18 en bejaarden. De generaties ertussen leken van de Kosovaarse aardbodem verdwenen. Ik vermoed dat ze ofwel gevlucht waren, ofwel gedood tijdens de oorlog.

We waren gelegerd in Belvédère, een NAVO-kampement iets buiten Mitrovica met vooral Franse militairen. Ons peloton van ongeveer dertig man werd verdeeld over verschillende containers. We sliepen met vier in zo’n kleine container. Ik heb daar geleerd dat het leven geven en nemen is. Niet alleen in de container, maar ook daarbuiten waren we altijd samen. We trokken samen op patrouille, we aten samen. Álles deden we samen. Af en toe waren er conflicten. Maar die werden altijd uitgepraat.”

 

Werd er soms op de vuist gegaan?

Beeckaert: “In mijn peloton niet. Wij hadden het grote voordeel dat we met nogal wat Limburgers samen waren, waaronder nog drie andere jongens uit mijn dorp. We praatten plat Limburgs onder elkaar en dat maakte het verblijf daar veel aangenamer. (lacht)”

 

Hebt u schermutselingen meegemaakt?

Beeckaert: “Op alle missies waren er momenten waarop ik dacht: nu is het opletten geblazen. In Kosovo moesten we mensen die door Albanezen met messen bewerkt waren voor verzorging opvangen. In Afghanistan in 2010 diende ik na een bomaanslag iets buiten onze compound slachtoffers de eerste zorgen toe. Het is niet dat ik die beelden nog voor mij zie, maar soms denk ik er wel aan.

In de Afghaanse hoofdstad Kaboel hielp ik de luchthaven beveiligen. Van daaruit trokken we regelmatig op escorte naar andere kampen in de buurt. Dat was best spannend. Ik heb ook vier mortieraanvallen van de Taliban op de luchthaven meegemaakt en verschillende incidenten aan de poort. Mijn naaste collega was een moslim. Ik kon honderd procent op hem vertrouwen en hij op mij. Een ingoede, gouden mens. Voor hem waren al die aanslagen in naam van zijn geloof een verschrikking. Hij is ondertussen weg uit het leger, maar we hebben nog steeds contact met elkaar.

Zowel in Kosovo als in Afghanistan waren niet alle locals blij met onze komst. Ik probeerde me daar niet te veel van aan te trekken: ik was er voor degenen die geholpen wilden worden. In Kosovo kwam ik heel vaak in contact met de burgerbevolking en ik vond dat fijn. Afghanistan was anders: we leefden op de luchthaven, verlieten die in een gepantserd voertuig en stapten uit in een andere zwaarbewaakte compound. In Kosovo patrouilleerden we te voet. We sloegen een praatje met de mensen en kregen dan soms koffie aangeboden. In de winter gingen we de bergen in en deelden we voedselpakketten uit. Ik herinner me hoe we tijdens zo’n bergpatrouille aan een afgelegen huis kwamen. Er woonde een koppel met twee jonge kinderen. Ze hadden enkel een houtkachel en verder niets. Ze waren supergelukkig met onze pakketten.

In Afghanistan bestond ons contact met de lokale bevolking uit het tot vervelens toe controleren van de mensen die de luchthaven in of uit wilden. Dat was een van de saaiste opdrachten ooit. Als we niet aan de main gate stonden, stonden we op een wachttoren acht uur lang in de verte te staren. Ik was blij dat die missie voorbij was. Ik heb toen gezworen om nooit meer naar Kaboel terug te keren.”

 

In Kaboel op de lappen gaan, zat er waarschijnlijk niet in, maar in Kosovo wel?

Beeckaert: “De Kosovaarse stad Leposavic had een uitstekende grill. Dat was altijd fantastisch. We gingen er met het hele peloton eten en drinken en keerden ’s avonds met de bus terug naar de basis. Maar als we op patrouille waren, doken we nooit een café in. Om het sociaal contact met de bevolking te onderhouden, stapten we wel eens een theehuis binnen of kochten we iets in een winkeltje.

In Kosovo werd alcohol geschonken in het legerkamp. Maar er was een regel: twee pinten en basta. Op mijn eerste missie werd die regel toegepast op zijn Belgisch. (lacht) Ze knepen een oog dicht, maar ik heb toen nooit uitspattingen meegemaakt. Op mijn tweede missie werd een derde pint getolereerd, maar op de derde missie was het regime strikt: twee pinten en that’s it. In Afghanistan en Mali was alcohol taboe, wat mij totaal niet stoorde. Al pakken ze zo natuurlijk wel een vorm van ontspanning af. Want wat is er in ’s hemelsnaam mis met ’s avonds onder collega’s een pint drinken? Wat is er fijner dan tussen pot en pint over de dingen des levens praten? Het alcoholverbod zorgde er samen met wifi in de containers voor dat het leven op missie asocialer werd. In plaats van samen te vogelpieken, schaken of biljarten, trok iedereen zich steeds meer terug in zijn container. Ik vond dat zo raar.

In Mali lagen we met vierhonderd man in een grote sportzaal. In het midden was een wand. Aan de ene kant lagen tweehonderd Spanjaarden en aan de andere kant tweehonderd Belgen. De ruimte was met doeken ingedeeld in kleinere compartimenten. We sliepen met een man of zes in stapelbedden op tien vierkante meter. De missie duurde drie maanden. Toen ik daar de eerste dag mijn kist binnensleepte, dacht ik: ‘What the fuck.’ We lagen er als varkens in een stal.”

 

Hoe was het sanitair?

Beeckaert: “Twintig wc’s voor vierhonderd man. Ze werden ’s morgens gekuist, maar tegen ’s middags zag je daar niets meer van en moesten ze opnieuw gepoetst worden. Toch werd er voortdurend op hygiëne gehamerd. Er stonden overal ontsmettingsmiddelen om onze handen te reinigen. Privacy was er niet. Slapen was een ramp; 24 uur op 24 was er continu beweging. De ene moest vertrekken, de andere kwam terug.

We hadden een strikt werkschema: één week bleven we in het kamp, een andere week waren we snelle interventie-eenheid en verbleven we in een ander gebouw. Daar lagen we met het hele peloton van twintig man op één kamer. Daarna trokken we er een week op oefening op uit. Dat vond ik zalig: ergens in de vrije natuur ons kamp opzetten, muggennet rond het veldbedje en ’s nachts naar de sterren liggen kijken. Voor mij was dat de hemel op aarde.”

 

Al die maanden had u geen seks?

Beeckaert: “Al die maanden was het handwerk, zo simpel is dat. Op de wc, of onder de douche.”

 

Was op missie gaan financieel interessant?

Beeckaert: “Dat vond ik wel. Wat je daar verdient, spaar je in gewone omstandigheden niet op een jaar bijeen. In vier maanden tijd verdiende ik tussen 12.000 en 14.000 euro.”

 

Wanneer vertrekt u terug?

Beeckaert: “Nooit meer, denk ik. Het ging lang goed en we konden ons gezinsleven min of meer aan het leger aanpassen. Maar met twee opgroeiende kinderen wordt dat veel moeilijker. De buitenlandse missies hebben mijn blik op de wereld wel veranderd. Ik maak me niet druk meer over futiliteiten. In Afghanistan werden alle dagen bomaanslagen gepleegd. Toen besefte ik: we hebben het in België zo slecht nog niet. Tot de aanslagen in Brussel roet in het eten kwamen gooien.”

 

Hilaire Jacobs – “Bij een aanval van de Russen hadden wij eigenhandig heel Duitsland platgelegd”

Op zijn zestiende werd Hilaire Jacobs (62) beroepsmilitair. Twee jaar later vertrok hij voor een jarenlange missie naar Duitsland. “Ik zat op de technische middelbare school en volgde de richting elektriciteit. Dat ging prima tot mijn beide ouders doodziek werden. Mijn vader werd nierdialysepatiënt en mijn moeder kreeg schildklierkanker. Mijn familie kon mijn studies niet meer betalen; het enige alternatief was gratis verder studeren in het leger. Op 4 september 1972 stapte ik de Cadettenschool Saffraanberg in Sint-Truiden binnen. Daar stonden toen duizend rekruten op het schoolplein. Die eerste maanden zag ik zwarte sneeuw. Ik was nog nooit van huis weggeweest en plots was ik intern. Op een avond belde ik mijn vader en smeekte ik hem om me te komen halen. Hij zei: ‘Maak een vuist in je broekzak als het lastig wordt en ga door.’ Ik had dus geen andere keuze. Rond mijn achttiende werd ik uitverkoren om bij de luchtmacht technicus voor telegeleide raketten te worden. Na een opleiding van zes maanden in de Verenigde Staten kwam ik zo in het Duitse Düren terecht. Niet veel later zou ik verhuizen naar Grefrath, dan naar Grevenbroich, dan naar Xanten en vervolgens terug naar Grefrath.”

 

Hoe lang was u in Duitsland gestationeerd?

Hilaire Jacobs: “33,5 jaar van mijn 39,5 jaar bij het leger. Sinds 2012 ben ik met pensioen. Ik was onderhoudstechnicus aan de Nike-Hercules-raketten. In de jaren zeventig stonden die opgesteld van Noorwegen tot Turkije. Ze waren deels bewapend met atoombommen.”

 

Zoals de kernbommen die nu nog in Kleine Brogel gestockeerd liggen?

Jacobs: “Officieel is daar niets over geweten, maar dat is toch algemeen bekend, nietwaar? (lacht) U kunt zich niet voorstellen wat er tijdens de Koude Oorlog aan kernbommen klaar stond om richting oosten afgevuurd te worden. Dat was echt extreem. Door de SALT I en SALT II-akkoorden tussen de Verenigde Staten en de Sovjetunie moesten de Nike-Hercules-raketten vanaf 1979 ontmanteld worden. In 1990 werden de laatste exemplaren onklaar gemaakt. Ik heb zo eigenhandig 40 kiloton aan tactische atoombommen gesloopt. Die raketten vlogen maximaal 160 kilometer ver. De oorspronkelijke bedoeling was om een nucleaire band te leggen om zo de Russen te stoppen als ze zouden aanvallen. Achteraf beschouwd was dat pure waanzin: bij een aanval van Rusland hadden wij eigenhandig heel Duitsland platgelegd. (lacht)”

 

Wat voor een mentaliteit heerste er? Jullie stonden paraat om de communisten in de pan te hakken?

Jacobs: “In tegenstelling tot nu zaten er zo goed als geen cowboys tussen mijn collega’s. Vandaag nemen veel cowboys dienst in het leger omdat ze graag in Afghanistan met hun geweren willen gaan zwaaien. Maar wie een beetje verstand heeft, blijft daar weg. Wij focusten ons op het onderhoud en het operationeel houden van de raketten. Al waren we bij een aanval met Russische atoomwapens hoogstwaarschijnlijk direct van de kaart geveegd. Merkwaardig genoeg stonden we daar toen niet bij stil. Of er een sfeer van geheimhouding rond ons werk hing? Nee, maar we pakten er ook niet mee uit. Dat bleef intern. Een burger die aan iets speciaals werkt, zal daar ook niet tegen wildvreemden over beginnen.

Op de allereerste dag dat ik in de lente van 1975 als achttienjarige sergeant naar Duitsland ging vertrekken, haalde ik ’s morgens mijn tijdelijk rijbewijs op. Daarna startte ik mijn Volkswagen Kever en reed naar Düren. Ik had geen idee waar de kazerne was, GPS bestond nog niet en op wegenkaarten stonden geen kazernes aangeduid. In Düren volgde ik een militaire bus. Toevallig stopte hij aan de kazerne, maar als hij de andere richting was uitgereden, was ik waarschijnlijk ergens in Keulen beland. (lacht) Ik was nog vrijgezel en werd te slapen gelegd in een houten barak die dateerde uit de Tweede Wereldoorlog. Mijn eerste salaris in België bedroeg 9900 frank; in Düren werd dat bijna 17000 frank. Het was dus heel lucratief om als jonge militair naar Duitsland te verkassen. Van al mijn Belgische vrienden was ik een van de eersten met een eigen auto en ik had geld genoeg om in het weekend uit de bol te gaan. In 1978 trouwde ik en kregen we een appartement van het leger in Grevenbroich toegewezen. Toen kwam ik om de zes weken nog eens naar België.”

 

Leefden jullie tussen de Duitsers?

Jacobs: “Nee, in Duitsland leefden zo goed als alle Belgische militairen in getto’s. Er was bijna geen vermenging met de locals. Eén keer per maand ging ik uit met de collega’s. Eerst op restaurant, dan naar de sauna en vervolgens naar de disco. Zo maakten we wel kennis met de plaatselijke bevolking. Niemand van ons sprak Duits en er werden door het leger ook geen taalcursussen georganiseerd. Pas van zodra je de taal spreekt en kunt beginnen communiceren, volgt de rest vanzelf. Ik ben nu getrouwd met een Duitse vrouw en woon in Duitsland. In bed leer je het beste een andere taal. (lacht)

In onze kazerne en in ons Belgisch getto leefden we in een bubbel met 150 man beroepsmilitairen en 150 miliciens. Die miliciens werden door het leger gewoon uitgebuit. Alle andere NAVO-landen bewaakten hun kernraketten met een hondenwachtdienst. De Belgen zetten voor de bewaking van hun raketten in Duitsland miliciens in. Een dertigtal dienstplichtigen moest twee uur op de wachttoren en twee uur af. Wachtdiensten met getrainde honden waren duur en het Belgische leger bespaarde door de honden te vervangen door miliciens. Sommige van die jonge gasten hadden serieuze diploma’s. Hun dienstplicht bestond uit maandenlang op een wachttoren staan. Ik heb een ingenieur elektromechanica gekend die na vijf jaar studie zijn hele dienstplicht lang patatten mocht schillen. Dat was toch een vreselijke verspilling van talent?

Het grootste probleem van het Belgische leger was dat het niet met zijn tijd mee evolueerde. In 1978 kregen we nieuwe schroevendraaiers die ze hoogstwaarschijnlijk voor een prikje ergens in de solden hadden gekocht. We draaiden er vier vijzen mee vast en de kop was weggesleten. Brol. We moesten altijd met rommel werken. Daar kwam pas verandering in na de oorlog in Joegoslavië, toen het Belgische leger samen met andere naties op humanitaire missie vertrok. Het contrast met de anderen was té groot.”

 

Er werd lacherig gedaan over die Belgen met hun verouderde materiaal?

Jacobs: “Ja, maar zelfs met te korte roeispannen slagen de de Belgen erin om toch nog te roeien. Ach, in vergelijking met andere landen was het huilen met de pet op. De Nederlanders vertimmerden hun leger in 1983 tot een supermobiele quick reaction force, met Chinooks, Apaches en Patriots. Voor ons was het enorm frustrerend om altijd met minderwaardig materiaal te moeten werken. Ik brak drie rugwervels tijdens de ontmanteling van een Nike-raket, omdat we geen vorklift hadden. Er was er wel een, maar die stond in de kazerne. Alleen mochten we die niet gebruiken, tenzij we eerst een aanvraag deden, en dan waren we weer een hele tijd zoet. Een kraan om de kernraketten op te heffen en te verplaatsen, hadden we in het begin ook niet. We behielpen ons met een ketting en een katrol. Zo’n raket woog 3,5 ton en stond op een dolly, een plateau op wielen. In normale omstandigheden moest ze verplaatst worden met een vliegtuigtrekker. Die was er niet, dus behielpen we ons met two six: twee keer zes man trok en duwde die raket een kilometer ver.”

 

Werd er veel gedronken?

Jacobs: “Ja. Alcohol was goedkoop en sommige collega’s functioneerden pas op twee promille. Ikzelf had op mijn 18e de drank afgezworen. Af en toe drink ik nog wel eens een ouzo of een raki, maar dat is echt zelden. Als je geen meezuiper bent, word je natuurlijk niet altijd geaccepteerd. Al hadden de meesten daar niet echt problemen mee, want ik was hun Bob.”

 

U had dus collega’s die met twee promille in hun bloed aan kernraketten sleutelden en dat werd getolereerd?

Jacobs: “Toen wel, nu zou dat niet meer kunnen. Dat drankmisbruik zorgde er voor dat ik een slachtoffer van mobbing, pesten op het werk, werd. Na de ontmanteling van de Nike-raketten keerde ik na een ommetje in Keulen terug naar België. Door een combinatie van factoren kreeg ik toen een burn-out. Na een paar maanden ziekteverlof kreeg ik in 1998 een functie aangeboden in het NAVO-depot van Weelde, waar de F16’s opgeslagen stonden. Ik werd chef van het wachtpeloton, moest 24 uur werken en was dan vijf dagen thuis. Er liep 35 man rond en het draaide er vierkant. Sommigen waren om half tien ‘s morgens al poepeloerezat. De wachtdienst werd niet met de computer, maar met de pen bijgehouden en het potje typex stond ernaast. Iedereen foefelde naar behoeven. Soms liepen er vier de wacht en soms maar één. Ik kaarte dat aan in Brussel, waarna de wachtlijsten voortaan op een pc werden bijgehouden én gecontroleerd. Vanaf dat moment werd het leven mij zuur gemaakt. De computer verdween spoorloos. In plaats van de wacht te lopen, gingen mijn collega’s zwemmen. Ik protesteerde, maar de meerderheid wint uiteindelijk altijd. Een jaar later was ik daar weg. Ik heb toen twee jaar ziek thuis gezeten. ‘Ziek’ in de zin van: niemand trok er zich toch iets van aan. Op een bepaald moment wilden ze me naar Brussel sturen, in een job van acht tot vijf. Maar ik wou terug naar Duitsland. Ik zocht een psychiater bij het leger op, want alleen hij kon me opnieuw zes weken ziek schrijven. Hij weigerde: ‘Buiten! Ik behandel u niet.’ Door de stress kreeg ik last van hoge bloeddruk en moest ik naar het militair hospitaal in Neder-over-Heembeek. Ook zij weigerden me te behandelen. Ik diende klacht in en toen kwam generaal-majoor Geert Laire me thuis opzoeken. Op dat moment was hij nog kolonel en hoofd van de medische dienst. Ik kende hem van in Duitsland. ‘Hilaire, wat wil je?’, vroeg hij. Ik antwoordde: ‘Terug naar Duitsland.’ Dat was in 2001. Hij zei: ‘Ik zorg daarvoor.’ Hij stelde voor dat ik de Belgische eenheid in Spich zou vervoegen. Ik wist dat de Belgische Strijdkrachten Duitsland daar in 2004 definitief zouden vertrekken. ‘Oké, maar op voorwaarde dat ik ondertussen een herscholingscursus mag volgen, waardoor ik later elders in het buitenland in de legeradministratie aan de slag kan.’ Kolonel Laire ging akkoord, we hadden een deal en ik vertrok naar Spich. De eerste dag diende ik meteen mijn aanvraag voor herscholing in. Drie jaar lang werd die geweigerd, tot mijn vrouw een brief naar de koning stuurde. Toen mocht ik plots wel op cursus. Ik slaagde nog ook en daarna stuurden ze me naar Kalkar. Ik ging op zoek naar een huis dat groot genoeg was voor mijn gezin en belandde zo opnieuw in een dispuut met het Belgische leger. De dienst huisvesting was van oordeel dat ik geen recht had op een huis met drie slaapkamers voor mij en mijn twee kinderen. Dat conflict is in de loop der jaren zwaar geëscaleerd en duurt tot vandaag voort. Weet u dat ze zelfs geprobeerd hebben me zot te laten verklaren?”

 

Els Foblets & Benny V.  – “Gelachen, maar ook geweend”

Els Foblets (44) en Benny V. (44) leerden elkaar in 2009 op buitenlandse missie in Afghanistan kennen. Els Foblets: “Mijn standplaats was Kaboel, waar ik als public affairs officer werkte. Vandaaruit reisde ik naar de plekken waar Belgische soldaten gelegerd waren. Zo kwam ik ook in Kunduz terecht, waar Benny zat. Ik weet niet meer waarom, maar we wisselden e-mailadressen uit. Drie maanden later reisden we terug naar België en hier sloeg de vonk echt over. Sindsdien zijn we een koppel. Benny heeft er ondertussen zes buitenlandse opdrachten opzitten; ik ben gestopt na die ene.”

Benny: “Ik was twee keer in Kosovo, twee keer in Afghanistan en twee keer in Jordanië. Omdat ik nog operationeel ben, heb ik mijn familienaam liever niet in Humo. Op missie spreek ik met de locals nooit over mijn leven thuis. Of ik getrouwd ben, kinderen heb, waar ik woon… niemand hoeft dat te weten. In die periode zit ik ook nooit op Facebook. Vier of zes maanden lang post ik geen enkel bericht. Er zijn nu collega’s in Mali en hun Facebook-accounts staan er vol van. Fotootje hier, filmpje daar. Ondertussen weet al wie het slecht met hen voorheeft dat ze in Mali zitten, en via hun Facebook-profiel kennen ze meteen ook hun adres en hun hele familie.”

Els: “Ik ben het tegengestelde van Benny, ik ben een flapuit. De Afghaanse collega’s mochten alles van mij weten. Ik ben heel actief op Facebook, via mijn account was dus iedereen op de hoogte toen Benny de laatste keer in Jordanië zat. (lacht)”

 

In juni 2009 was er veel commotie nadat bekend raakte dat Belgische militairen in de buurt van Kunduz urenlang onder vuur van de Taliban gelegen hadden.

Benny: “Ik was één van die militairen. Die aanval werd hier inderdaad breed uitgesmeerd in de media. In de maanden ervoor werd er door sommigen nogal schamper gedaan over de Belgen in Afghanistan. ‘Oké, ze zijn er om de bevolking te beschermen, maar er gebeurt toch nooit iets.’ Toen er dan eindelijk eens actie was, schrok iedereen zich een bult.”

 

Wat gebeurde er precies?

Benny: “We waren samen met Afghaanse militairen op patrouille en vielen onder vuur. Dat was de eerste keer sinds de moord op de tien Belgische para’s in Rwanda in 1994. Ik denk dat er daarom ook zo’n gedoe in de pers was. Of die ervaring me getraumatiseerd heeft? Helemaal niet. De eerstvolgende keer dat je terug moet uitrijden, sta je er wel iets langer bij stil. Maar het is part of the job.”

Els: “Benny is opgeleid als para, hé. Ik ben geen fighter, maar hou me vooral bezig met administratief werk, human resources, public relations. Sinds die missie in 2009 heb ik zelfs geen wapen meer vastgehad. Ik kwam in Kunduz toe na dat incident. Er hing een ontspannen sfeer.”

 

Jullie schoten terug. Hebben jullie toen mensen geraakt?

Benny: “Waarschijnlijk wel, maar zeker weten we dat niet. Op zo’n moment ga je dat niet even checken. Toen we na dat vuurgevecht terug op de basis kwamen, riep de korpscommandant iedereen naar de bar. Hij sloot de deur en zei: ‘Nu gaan we praten.’ We hebben er een uur of drie uur gezeten. Er is gelachen, maar ook geweend. We kwamen opgelucht weer buiten. Een week later reden we terug uit, en iedereen was paraat.

Bij de para’s leer je in je opleiding met stress omgaan. Eerst breken ze je, daarna bouwen ze je weer op. Op mijn laatste commandokamp viel ik 10 kilo af, omdat ze stelselmatig het eten afbouwden. Ik moest leren functioneren met een minimum aan voedsel. Uit honderd militairen in burger haal je de para’s er zo uit.

Wij kunnen tegen een stootje en daarom ook hoor je ons op missie niet snel over onze huisvesting klagen. Als ik vertrek bereid ik me altijd voor op het ergste. Zo valt het nooit tegen. De slechtste plek waar ik tot hiertoe sliep, was die eerste keer in Jordanië. Daar riskeerde je geëlektrocuteerd te worden tijdens het douchen omdat er een stopcontact in de muur van de douchecabine zat. Maar ik had een dak boven mijn hoofd, lag droog en kreeg eten en drinken. Dus was ik gelukkig.”

 

In Jordanië vertrekken de F16’s om hun bommen te droppen in Irak en Syrië en zo mensen te doden?

Els: “Nee, om mensen te redden.”

Benny: “Als de piloot in zijn cockpit een spelend kind met een bal ziet, duwt hij niet op het knopje om de bom te lossen. Een piloot bombardeert nooit op eigen initiatief. Een chain of command beslist. Maar het finale oordeel ligt wel bij hem. Als hij een fuzzy feeling heeft, dropt hij niet.”

Els: “Het zijn geen cowboys.”

Benny: “Een Belgische precisiebombardement is niet hetzelfde als een Russisch. We hebben allemaal de beelden gezien van de precisiebombardementen van de Russen in Syrië: in een straal van 500 meter lag alles plat. Onze jongens zijn daar keihard in opgeleid.”

 

Waarom gingen jullie ooit bij het leger?

Els: “Ik ging pas op mijn 29e bij defensie. Ik had een bachelor communicatie, maar tot grote ergernis van mijn ouders ving ik daar niks mee aan. Ik was het type van twaalf stielen en dertien ongelukken. In mijn vrije tijd was ik aan het feesten of slapen. Ik had nood aan structuur. Ik wou eerst kok worden in het leger, want ik ben een kookfanaat. Maar vanaf de eerste dag zeiden ze: ‘Je hebt levenservaring en een hoger diploma, waarom zou je geen officier worden?’ Ik heb me dat nooit beklaagd. Ik ben kapitein en werk nu aan de luchtmachtschool.”

Benny: “Bij ons in de straat woonde een para, hij was mijn vaders beste maat. Hij zat heel veel in Afrika en dat sprak mij aan. In 1992 wou mijn moeder me inschrijven aan de hogeschool, maar ik had ondertussen mijn legertesten gedaan. In augustus van datzelfde jaar ging ik binnen.”

 

Uw moeder vond dat niet fijn?

Benny: “Nee, en na 26 jaar vindt ze dat nog altijd niet fijn. Want ik ben veel weg. Vier jaar geleden ruilde ik de para’s voor de luchtmacht, maar ik ben toch nog altijd vier maanden per jaar weg.”

Els: “Hij heeft ook co-ouderschap over een dochter van elf.”

Benny: “En dat verwijt mijn moeder me soms wel eens. Ik heb altijd gezegd dat ik op missie zal gaan zolang mijn dochter niet zeurt en klaagt. Ze is pas twee jaar geleden beginnen zeuren, toen ik in Jordanië was.”

Els: “Ze was toch heel flink. Maar plots was dat gemis daar.”

Benny: “Als ik in 2000 op mijn eerste zending in Kosovo een mail wou versturen, moest ik die op floppy zetten en bij de eenheidsadjudant afgeven. Die stuurde je bericht dan naar het emailadres van je keuze. Nu is er overal wifi. Mijn dochter ziet me via facetime bijna elke dag. Dat maakt het gemis toch draaglijker. Het grootste nadeel van die alomtegenwoordige toegankelijkheid en bereikbaarheid via de smartphone, is dat de communicatie niet ingeperkt kan worden als er iets ernstigs gebeurt. In 2000 sloten ze na een incident de communicatie met België gewoon af. Of je nu in Mali, Afghanistan, of Irak zit: vandaag kan iedereen overal het internet op.”

Els: “De communicatie afsluiten dient vooral om families te beschermen. Zodat er geen ongefilterde berichten of geruchten verspreid worden.”

Benny: “Ik druk mijn moeder en Els altijd op het hart: ‘Alles wat je in de pers over onze missie leest is niet waar, tot ik het bevestigd heb.’ Want van een mug wordt een olifant gemaakt, en voor hetzelfde geld stelt een zogenaamd incident niks voor. In 2009 raakte mijn moeder in paniek toen de journaals hier in overdrive gingen. Ik heb haar ‘s avonds meteen gebeld om haar gerust te stellen.”

 

Die hinderlaag in Kunduz had ook slecht voor u kunnen aflopen. U had er het leven bij kunnen laten.

Benny: “Je denkt altijd: mij zal dat niet overkomen. Niemand had zo’n zware hinderlaag verwacht; niemand stond er op voorhand ook bij stil. Op dat moment zaten we er al drie maanden. De Duitsers reden een keer naar buiten, hadden meteen prijs en lagen onder vuur. Terwijl de Belgen nooit iets overkwam. Tot die ene keer, dus. Maar het is geen toeval dat wij op missie bijna nooit in conflicten belanden. Want in operaties toont een Belg veel respect voor de lokale bevolking. Anderen denderen tegen 120 km per uur door een dorpje waar moeder de vrouw haar was aan het ophangen is. Wij rijden er altijd stapvoets door.”

 

Dat wordt er in gedrild?

Benny: “Nee, dat is standaard. Belgen zijn beleefde mensen. Als je jezelf nederig opstelt tegenover de plaatselijke bevolking, krijg je ook veel meer gedaan.”

Els: “Amerikanen gedragen zich anders. Ik moest van de luchthaven van Kaboel naar het hoofdkwartier. Dat was amper een paar kilometer. Ik nam achteraan in een gepantserd voertuig plaats en de chauffeur zei: ‘Sit back and relax.’ Hij vlamde ervandoor en remde niet één keer. Want een stilstaand voertuig is een zwak voertuig.”

 

Voelden jullie nooit vijandigheid?

Benny: “Ik niet.”

Els: “In Kaboel waren veel Afghanen tewerkgesteld, en die waren in de eerste plaats erg nieuwsgierig. Ze nodigden me uit op de thee. Ze waren dat niet gewoon, een vrouw zoals ik die rookt en drinkt. Ik vind: als je vier maanden in Afghanistan zit, is het ook de bedoeling dat je iets van de lokale bevolking leert. Je wil weten wat hen drijft en waarom ze het met die taliban zo ver hebben laten komen. Ze appreciëren het dat je in hen geïnteresseerd bent.”

Benny: “De situatie in Afghanistan is te vergelijken met het huidige België. Ze lieten altijd te veel toe, en op een bepaald moment was het te laat. Ik ben rechts, maar absoluut geen racist. Ik kom goed overeen met onze Turkse buurman, maar wat die Islam-partij wil, gaat regelrecht in tegen de grondwet. Zo is het in Afghanistan ook begonnen.”

Els: “Altijd hebben we daar discussies over, want hij is rechts en ik ben links. Gelukkig is een goede militair geen beleidsmaker. Wij zijn altijd loyaal aan onze bazen.”

 

Was u de enige vrouw op missie in Afghanistan?

Els: “Ik zat in een detachement van 300 mannen, de Ardense Jagers, en we waren met drie vrouwen. Ik arriveerde in Kaboel en de detachementscommandant verwelkomde me met: ‘Ik hou niet van de luchtmacht en het leger is geen plaats voor vrouwen.’ Ik dacht: ‘Oei, hij staat precies nogal sceptisch tegenover mijn deelname.’ (lacht) Ik besloot hem zoveel mogelijk tegemoet te komen. Vandaag is die man korpscommandant. Toen hij het bevel van zijn huidige eenheid overnam, was ik op de plechtigheid uitgenodigd. Het zal indertijd in Afghanistan dus wel losgelopen zijn. Het hielp ook wel dat ik als vrouw niet op mijn mondje ben gevallen. En ik heb nooit iets zelf gedragen dat te zwaar was. Dan zei ik tegen één van de mannen: ‘Amai, jij bent sterk.’ En dan droeg hij mijn koffers. Wie is er dan slim? Op het einde van die zending, toen de mannen al drie maanden van huis waren, kletste er wel eens iemand op mijn poep. Maar hij werd direct gecorrigeerd door de collega’s. Als die kerels aan het sporten waren in hun bloot bovenlijf, dronk ik mijn cola in hun buurt op. Want ook ik was al drie maanden van huis. (lacht)”

Benny: “Ze hebben het altijd over de mannen, maar in operaties zijn er evenzeer vrouwen die van links naar rechts fladderen. Ik was ooit op oefening in Kaapverdië. Eén van de vrouwen in het gezelschap ging in haar string op het strand liggen. Als je met 200 para’s op stap bent, doe je zoiets niet. Doe dat in België na de uren, nobody cares. Maar tijdens een operatie is dat not done.”

 

Roger Sobrie “Mosselen uit Oostende”

In 1956 twijfelde Roger Sobrie (77) tussen een opleiding tot cameraman voor het nieuwe medium televisie of een carrière als onderofficier.

Roger Sobrie: “Mijn buurjongen was twee jaar ouder en zat op de militaire school. Hij liep rond in uniform en maakte indruk. Ik was nog geen 16 toen ik mee deed aan het ingangsexamen van de school voor onderofficieren in Zedelgem. Ik hoorde er niets meer van en schreef me dan maar in voor een cursus voor het gloednieuwe beroep televisiecameraman. Vlak voor het nieuwe schooljaar kreeg ik toch bericht uit Zedelgem: geslaagd. Ik ging het leger binnen en bleef er tot aan mijn pensioen in 1997 als adjudant-majoor.”

 

Had u het als zestienjarige moeilijk om u aan te passen aan de legerdiscipline?

Sobrie: “Nee, de tijden waren anders. Op school had de leraar altijd gelijk; je ging met hem nooit in discussie. De legerdiscipline borduurde daarop voort. Ik was een brave jongen. Ik haalde soms wel eens kattenkwaad uit, maar kleurde nooit buiten de lijntjes. Twee jaar later studeerde ik af en na een opleiding aan de infanterieschool in Aarlen kwam ik bij de militaire politie (MP) terecht. In 1958 begon ik als sergeant in de kazerne van de militaire politie aan de Antwerpse wijk Luchtbal. Onze voornaamste taak was controle van de dienstplichtigen. Tijdens hun vrije dagen of verloven moesten ze altijd verplicht in uniform naar huis, waar ze geüniformeerd moesten blijven rondlopen. Natuurlijk trokken de meesten hun burgerkostuum aan. Wij controleerden hen als ze de kazerne of de trein in- of uitstapten. Burgers mochten we niet op de bon slingeren. Ik escorteerde op de motorfiets ook militaire transporten van Antwerpen tot Smeermaas aan de Nederlandse grens. Ik reed met een Saroléa. Onze eigen techniekers hadden er blauwe lichten opgezet. Een sirene hadden we niet; we behielpen ons met de claxon en duwden ritmisch: ‘Tuut-tuut!’ (lacht) Begin 1959 riep de compagniecommandant me bij zich. ‘In februari vertrek je voor zes maanden naar Congo.’’

 

Kon u weigeren?

Sobrie: “Er kon over gediscussieerd worden, maar ik was een vrijgezel van amper 18 en het avontuur trok me aan. Ik zou gestationeerd worden in de militaire basis van Kitona in Beneden-Congo. De para’s en commando’s lagen daar en als MP’er moest ik die mensen gaan controleren. Mijn taak zou eigenlijk hetzelfde zijn als in Antwerpen: erop toezien dat ze zich niet misdroegen als militairen.”

 

Congo werd op 30 juni 1960 onafhankelijk. Hing er in het voorjaar van 1959 al onrust in de lucht?

Sobrie: “Er werden besprekingen over de onafhankelijkheid gevoerd en de kranten besteedden daar aandacht aan. Ik wist dus dat er iets op til was, maar stond daar verder niet bij stil. Want er waren geen opstanden en de mensen kwamen niet op straat. De Belgische militairen huisden al een paar jaar op de basis van Kitona. We vertrokken vol goede moed met een vliegtuig van Sabena. Het was winters koud toen we instapten. We droegen onze zware kledij, met alles erop en eraan. In onze valies zat een zomerkostuum voor de tropen dat defensie speciaal had laten maken. We hadden ook korte broeken en een speciale hoed.”

 

Een tropenhelm?

Sobrie: “Nee, een vilten hoed. De kolonisten droegen tropenhelmen. Ons vliegtuig tankte bij in de Libische hoofdstad Tripoli en van daar vlogen we naar Leopoldstad, het huidige Kinshasa. Het was dertig graden, maar we mochten ons zwaar uniform niet uittrekken. Een Flying Boxcar, een vliegtuig waar de para’s uit sprongen, bracht ons naar Kitona. De basis had een militair vliegveld met een munitiedepot. Er huisden verschillende bataljons commando’s met administratief personeel. Met daarnaast ook nog zwarten die vooral meehielpen in de keuken. Zij hadden hun eigen woningen en kregen elke ochtend inspectie van de blanken. Alles moest netjes gekuist zijn.”

 

Hoe was de sfeer?

Sobrie: “Elke dag was er ontspanning, met telkens een andere film. Uitgaan mocht niet, behalve als je toelating had. Voor het dichtstbijzijnde dorpje moest je een paar kilometers te voet door de brousse. Basis Kitona was volledig zelfvoorzienend met een eigen waterzuiveringsstation, elektriciteitscentrale en hospitaal. Zwarte mensen uit de omgeving waren ook in het ziekenhuis welkom.

Op sommige dagen aten we mosselen die rechtstreeks met het vliegtuig uit België kwamen. We betaalden daar een speciaal prijsje voor. Ze werden in Oostende geoogst en anderhalve dag later lagen ze op ons bord. ‘s Avonds speelden we Monopoly, dat was nog niet zo lang uit en razend populair. Rond half zeven was het donker, dan zaten we samen en dronken we een pint. Af en toe dronk er wel eens iemand te veel, maar het alcoholgebruik bleef binnen de perken. Er heerste tucht en discipline.”

 

Een collega van u getuigde eerder in deze reeks dat er in de jaren tachtig in Duitsland stevig gezopen werd. Eind jaren vijftig leefden de Belgische militairen in Congo als een pater?

Sobrie: “Duitsland was echt totaal anders. Daar leefden vooral oudere militairen met hun gezinnen. Wij in Kitona waren allemaal jong; er waren nog geen dronkaards gevormd. De overgrote meerderheid was jonger dan 25. De kantines sloten ‘s avonds om tien uur. In Duitsland waren de sterke dranken taksvrij. Wij betaalden ook niet veel, maar onze keuze was beperkt tot gewone dranken: water, frisdrank, een biertje, whisky. Gemixt met cola was dat trouwens gezond: goed tegen diarree en malaria. Oké, misschien werd er af en toe overdreven, en soms gingen er wel eens een paar militairen zonder toelating naar het dorp. Vaak werden ze dan verraden door een paar zwarten. Anderen zagen de Belgen dan weer graag komen. Zij hadden bier fris staan en verdienden zo een cent bij. Maar eigenlijk was dat verboden. Een keer per week reed een vrachtwagen met militairen met verlof naar de stad Vista. Daar was een hotel waar ze een pint mochten drinken. De burgers en de kolonisten kwamen daar ook.”

 

Daar was ook de hoerenbuurt?

Sobrie: “Die bestond niet. De aalmoezeniers drongen er altijd op aan om dat soort van vertier links te laten liggen. Natuurlijk dachten we soms aan vrouwen. We maakten er grappen over, maar in de buurt viel niets te beleven. Wij patrouilleerden in de dorpen en als een groep van vijftien meisjes ons zag, zette die het op een lopen. We lieten stoom af door veel te sporten en voetbal te spelen.

Vista lag aan de Atlantische Oceaan. De kolonisten uit de omgeving kwamen daar op zaterdag en zondag en bleven er soms slapen. Er werd gedanst. De para’s dansten er in het weekend met de Belgische meisjes die in de week op internaat zaten in Leopoldstad. Er werd verbroederd, maar voor de rest gebeurde er niets. Want de ouders van de meisjes waren altijd in de buurt.”

 

Had u Congolese vrienden?

Sobrie: “Niet echt, al had ik wel contact met verschillende Congolezen. De zwarten kwamen bij ons hun diensten aanbieden om onze was te doen. Samen met een kameraad nam ik zo’n jongen in dienst. Wij noemden hem onze tsji tsji boy, onze loopjongen. In werkelijkheid was hij niet echt onze knecht, want we betaalden hem de gangbare prijs voor zijn werk. ’s Avonds trok het zwarte personeel naar de cités indigènes, hun ‘inheemse steden’ zoals zij die noemden. De militairen moesten daar wegblijven, behalve wij, agenten van de MP, want wij patrouilleerden er om op overtredingen te controleren.”

 

Wanneer begon u iets te merken van de nakende onafhankelijkheid?

Sobrie: “In de lente van 1960 sijpelden er een paar berichten binnen. Zo was er in Leopoldstad een opstandje geweest waarbij het Congolese leger had moeten ingrijpen. We hoorden dat, maar stonden er niet bij stil. In mei begonnen we met oefeningen om wegversperringen op kruispunten te installeren, om zo demonstranten tegen te houden.

Eind juni kregen we bezoek van een paar zwarten die ons welgezind waren. ‘On va faire l’indépendence’, zeiden ze. Toen vroegen we ons voor het eerst echt af wat de gevolgen konden zijn. Er was een protocol getekend dat de Belgen toestemming gaf om nog jaren te blijven om de zwarten op te leiden. Alles leek ook bij het oude te blijven. We reden nog steeds patrouilles, zonder pistool, met alleen onze matrak. Tot een paar zwarten riepen: ‘We worden zoals de blanken en halen geld af op de bank.’ Alleen vergaten ze dat ze geen geld op de bank hadden staan. Ze redeneerden: ‘Door de onafhankelijkheid hebben we dezelfde rechten als de blanke en kunnen we net zo doen als hij.’

De missionaris kwam langs, een pater op een moto in een lang wit kleed met een tropenhelm op. ‘De mensen zijn niet gelukkig’, zei hij. Hij vertelde over verschillende incidenten op andere plekken in Congo. Toen kwamen de officiële nota’s met berichten over schermutselingen. We kregen bevel om alle uitgangen op de basis af te sluiten. Maar wat er precies aan de hand was, wisten we niet. De communicatie verliep met mondjesmaat. Tot op een bepaald moment Belgen en Portugezen uit de buurt bij ons aanklopten. Ze waren halsoverkop weggevlucht van hun plantages en zochten een veilig onderkomen.”

 

Ze vreesden voor hun leven?

Sobrie: “Ja. Congolezen hadden hen bedreigd: ‘We nemen de boel over, want nu is alles van ons.’ Zo begon de onrust ook in het Congolese koloniale leger, de Force Publique of Openbare Weermacht. Op de dag van de onafhankelijkheid werd een majoor bedreigd door de zwarten die tot dan zijn schoenen kuisten. Soldaten of korporaals werden benoemd tot kapitein of commandant en de echte officieren die bij ons aan de militaire school gestudeerd hadden, verloren hun gezag.

We kregen bericht uit Brussel: basis Kitona werd een opvangcentrum. Van daaruit zouden alle Belgen die dat wilden, met vliegtuigen geëvacueerd worden. Hun auto’s moesten ze achterlaten. Toen wisten we: nu wordt het menens.”

 

Belgen die vertrokken waren alles kwijt?

Sobrie: “Ja. Ze hadden hun auto’s volgeladen, maar mochten enkel hun valies meenemen. ‘De rest wordt later opgestuurd’, kregen ze te horen. ‘De rest’ is daar gewoon in de auto op de parking blijven staan. Het waren er massaal veel. De kolonisten hadden jachtwapens en ook die werden op de basis verzameld. De weermacht werd ontwapend door de para’s en er kwamen vrachtwagens met nog meer wapens binnen. De goeie exemplaren gingen terug naar België. De oudere, waaronder een heel arsenaal uit 14-18, werden ter plaatse vernietigd. In een grote put tien kilometer verder werd alle munitie opgeblazen.

Een paar maanden lang stapten Belgische burgers op Sabena-vliegtuigen, terug naar huis. De vliegtuigen vlogen af en aan. Ik had er nog nooit zoveel gezien. Het was chaos en er was paniek. Sommige mensen vertelden dat ze aangevallen waren. We hoorden van verkrachtingen en brandstichtingen, maar die verhalen kwamen van ver. In onze buurt was het fysieke geweld miniem. Er werd vooral geroepen en gedreigd en de schrik zat er goed in.”

 

Ook bij u?

Sobrie: “Nee, wij leefden zoals altijd. Onze dienst liep gewoon verder. Wij zagen die mensen binnenkomen, ze werden geregistreerd en we zetten ze op het vliegtuig. Dat was deel geworden van onze job. Onze bevoorrading kwam nooit in het gedrang. We hadden genoeg te eten en te drinken en boetten niets in op comfort. Maar in oktober 1960 liep de toestand snel uit de hand en werd de basis overgenomen door UNO-troepen, Marokkaanse militairen die behalve het uniform dat ze droegen helemaal niets hadden. De Belgische overheid schonk heel het voertuigenpark van het Belgisch leger aan de UNO, inclusief de achtergelaten auto’s van de burgers. De para’s waren al weg; zij waren verspreid over Congo actief. Wij van de MP waren de laatsten om terug naar België te vertrekken.”

(c) Jan Stevens

Dianne Lake, het jongste liefje van sekteleider Charles Manson: ‘Hij keek in mijn ogen en ik smolt’

In The Summer of Love van 1967 slikte Dianne Lake haar allereerste LSD-tablet. Ze was pas veertien en haar vader stopte het haar toe. Aan het eind van dat jaar sloot ze zich aan bij The Family van Charles Manson en werd zijn jongste liefje. Twee jaar later vermoordden Mansons volgelingen zes mensen, waaronder Roman Polanski’s zwangere vrouw Sharon Tate. “Hij vroeg mij niet mee, want ik was een smartass, een betwetertje.”

 

Jarenlang deed Dianne Lake (65) alsof ze de jaren zestig als braaf burgermeisje had doorgebracht, spelend met Barbie, Ken en het Barbie Dreamhouse dat ze in 1963 van de kerstman kreeg. Tot ze in 2008 telefoon kreeg van de gepensioneerde politieagent Paul Dostie, gespecialiseerd in cold cases. “Hij vroeg: ‘Bent u Dianne Lake?’”, herinnert ze zich. “Ik schrok, want zo goed als niemand kende mijn meisjesnaam. Laat staan dat ze wisten dat ik eind jaren zestig een trouwe volgelinge en een van de liefjes was van Charles Manson, Amerika’s beruchtste hippiecrimineel. Alleen mijn man, een paar heel goede vrienden en de pastoor in mijn kerk waren op de hoogte. Verder had ik er niemand iets over verteld, ook mijn schoonfamilie en mijn drie kinderen niet. Al die jaren leefde ik met dat grote geheim. Ik gebruikte de achternaam van mijn man en het was me altijd gelukt om onder de radar te blijven. Maar heel die tijd was ik bang dat mijn verleden als een etterbuil zou openbarsten.”

Dat moment leek gekomen toen Paul Dostie in 2008 aan de telefoon zei dat hij zijn lijkenhond Buster had laten rondsnuffelen op de Barker Ranch, een verlaten mijndorp in het Death Valley National Park in Californië.

Dianne Lake: “‘De hond heeft een paar plekken gevonden waar misschien menselijke resten begraven liggen’, zei Paul. In 1968 en ‘69 was Barker Ranch een van de plekken waar ik samen met Charles Manson en de rest van de Family verbleef. Daar werden we twee maanden na de moorden op onder anderen Sharon Tate en haar vrienden ook opgepakt. Ik werd gearresteerd door Jack Gardiner. Hij moet toen iets in mij gezien hebben, want hij kwam me regelmatig in de gevangenis opzoeken en na mijn vrijlating namen hij en zijn vrouw me op als hun pleegkind. Volgens Dostie had ik ooit tegen Jack gezegd dat ik dacht dat er op de Barker Ranch nog lijken begraven lagen. Ik kon me dat niet meer herinneren, al was het best mogelijk. Later bleek het vals alarm te zijn, maar op die dag in 2008 kreeg ik het gevoel alsof mijn bestaan op instorten stond. Want als er nog slachtoffers van Manson waren, was dat gegarandeerd groot nieuws. Mijn kinderen zouden dan te weten komen dat hun moeder op haar veertiende een van de liefjes van Charles Manson was. ‘Ze mogen dat toch nooit horen van een nieuwslezer’, panikeerde ik. Dus raapte ik al mijn moed bijeen en vertelde hen mijn verhaal. Tot mijn grote opluchting veroordeelden ze me niet; ik bleef gewoon hun moeder.”

 

Uw verhaal hebt u nu ook in ‘Mijn leven met Charles Manson’ te boek gesteld voor het grote publiek. Nu weet iedereen dat Dianne Lake op haar veertiende Mansons jongste liefje was.

Lake: “Ja, en het schrijven van dat boek was niet echt makkelijk, zoals het niet vanzelfsprekend is om nu met een wildvreemde over mijn tienerjaren in de sixties te praten. Maar dat is wel nodig, want ik merk dat vandaag nogal wat jonge mensen verlangend kijken naar de hippie- en drugscultuur uit mijn jeugd. Misschien kan mijn boek een waarschuwing zijn. Wist u dat Charles Manson in Amerika lang als boeman gebruikt werd? Als kinderen zich niet gedroegen, werd ermee gedreigd dat Manson of één van zijn volgelingen hen zou komen halen. Charles Manson was het monster onder het bed. Ook voor mijn kinderen toen ze nog klein waren. (lacht)”

 

In de loop der jaren zijn er honderden boeken over Manson verschenen. Las u die?

Lake: “Voor ik mijn boek begon te schrijven, had ik er maar twee gelezen: The Family uit 1971 van schrijver en muzikant Ed Sanders en Helter Skelter uit 1974 van Vincent Bugliosi. Als openbare aanklager vervolgde hij Charles Manson en mijn vroegere vrienden voor de moorden. Hij was ook degene die mij over de streep trok om op het proces tegen Manson te getuigen.”

 

Bent u de eerste ‘insider’ die een boek over The Family schreef?

Lake: “Wijlen Paul Watkins schreef al in 1979 het boek My life with Charles Manson. Paul sloot laat bij The Family aan, maar schopte het snel tot Mansons rechterhand. Net als ik had hij totaal niets met de moorden te maken en ik vond hem best een fijne kerel. Hij stierf in 1990 aan de gevolgen van kanker. Een paar maanden na mijn arrestatie in oktober 1969 ruilde ik de gevangenis in voor een psychiatrische instelling. Ik was zestien en zwaar verslaafd aan LSD. Ik kreeg ernstige afkickverschijnselen en werd met een LSD-psychose opgenomen in het Patton State Hospital in San Bernardino, Californië. Later hoorde ik dat Paul me daar had proberen opzoeken. Toen vond ik dat erg bedreigend, want ik was bang dat hij me in opdracht van Charles Manson een kopje kleiner kwam maken. Die angst was niet terecht en ik heb er nu spijt van dat ik later geen contact meer met Paul gezocht heb.”

 

Uit wat voor een nest komt u?

Lake: “Mijn ouders waren eigenlijk heel gewone mensen uit Minneapolis, de hoofdstad van de noordelijke staat Minnesota. Alleen hield mijn vader Clarence erg van kunst. Overdag schilderde hij de muren van huizen en ’s nachts maakte hij schilderijen. Hij droomde ervan om een kunstenaar te worden of leraar plastische kunst. Hij was een echte intellectueel die door omstandigheden in de voetsporen van zijn vader trad en huisschilder werd. Mijn moeder Shirley was huisvrouw. Ik ben de oudste van drie kinderen en werd geboren op 28 februari 1953, in hetzelfde jaar waarin de Koreaanse oorlog eindigde. Mijn vader had daarin gevochten en volgens mijn moeder was hij daardoor veranderd. Hij las veel en raakte in de ban van de boeken van de auteurs van de Beat Generation. Jack Kerouac, Allen Ginsberg, William S. Burroughs en Timothy Leary waren zijn favorieten. Mijn ouders hadden het voortdurend met elkaar over die ‘nieuwe manier van denken’, over ‘het openen en verruimen van de geest’. Op dat moment zaten ze nog niet aan de drugs. Papa droomde ervan om naar Berkeley te verhuizen om daar aan de Universiteit van Californië zijn master in de beeldende kunst te halen. Die droom werd een obsessie en op een bepaald moment besloten mijn ouders om ons huis te ruilen voor een caravan. Zo konden we aan onze versie van Kerouacs klassieker On the road beginnen, met als ultieme doel: Californië.”

 

Jullie huis was geen bouwval?

Lake: “Nee, het was een gezellig alleenstaand huis met twee verdiepingen. Mijn ouders hadden het in 1960 gekocht, om het een jaar later met een buur te ruilen voor een aftandse caravan van zeven meter lang. Dat ding was tot op de draad versleten. De dag dat we met heel ons hebben en houden vertrokken, bleek dat onze auto niet zwaar genoeg was om die caravan te trekken. We eindigden op een vieze camping in Burnside, een voorstad van Minneapolis. Daar kampeerden we een klein jaar. Mijn vader was een vrij getalenteerd schilder, en dat heeft ons toen gered. Hij raakte bevriend met een rijk kunstminnend koppel dat zijn werk erg kon appreciëren. Ze hadden een galerij en wilden er zijn schilderijen verkopen. Hij werd hun vaste leverancier, ze richtten een atelier voor hem in en gaven ons de sleutels van een klein huis met tuin. We dumpten de caravan en vader werd voltijds artiest. Zijn Californië-droom leek weg te ebben en het leven lachte ons toe. Tot vaders atelier afbrandde en al zijn schilderijen de fik ingingen. Hij was een kettingroker en had de nog gloeiende inhoud van zijn overvolle asbak in de vuilbak gedumpt. Op het moment dat zijn atelier tot as herleid werd, stond hij op het hoogtepunt van zijn artistieke carrière. Hij verkocht goed, was een kinderboek aan het illustreren en plots was alles weg. Daardoor raakte hij in een zware depressie. Op een dag liet hij ons in de steek en verdween met mijn moeders beste vriendin naar Californië. Twee jaar later liep de relatie met zijn minnares op de klippen en zocht hij met hangende pootjes terug contact met mijn moeder. Zij ging overstag en in de zomer van 1965 verhuisden we met z’n allen naar een mooi huis in Santa Monica, Californië, waar papa een job had als grafisch vormgever bij een telefoonbedrijf. Mijn moeder kon aan de slag bij de RAND Corporation, een denktank, en ze was daar zeer trots op. Een half jaar lang verliep alles voorspoedig.”

 

Tot uw ouders marihuana ontdekten?

Lake: “Mijn moeder liet zich door de buren verleiden om eens een keertje marihuana te roken. (lacht) Dat was meteen ook het begin van het einde. De volgende dag presenteerde ze vader een joint die de buren haar hadden meegegeven. Vervolgens zag ik ze samen stoned worden. Papa was altijd wel geïnteresseerd geweest in drugs, maar tot dan had hij nooit moeite gedaan om zelf weed te kopen of ermee te experimenteren. In die tijd kon je in Californië marihuana in het openbaar roken zonder opgepakt te worden. Heel de staat was in de ban van weed.”

 

Hoe oud was u toen u het ook begon te roken?

Lake: “Dertien. Mijn vader bood het me aan: ‘Je moet dit echt eens proberen, Dianne.’ Ik was nog heel jong, maar in heel die tegencultuur van beatniks en hippies was blowen de gewoonste zaak van de wereld. Zelfs mijn twee jaar jongere broer en zes jaar jongere zus mochten af en toe aan een joint trekken. Mijn vader gaf me in de zomer van 1967 mijn allereerste LSD-tablet. Het was tijdens een feestje. Hij deelde LSD aan alle gasten uit en gaf mij en mijn twee beste vriendinnen een kleinere dosis. ‘Leg ze op jullie tong en jullie zullen aangenaam verrast zijn.’ Hij legde de nieuwe Beatles-LP Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band op en ik beleefde mijn eerste acid-trip. Tijdens het nummer ‘Being for the Benefit of Mr. Kite!’ ging ik helemaal uit mijn dak. Alle figuren uit die song kwamen voor mijn ogen tot leven. Het was een steengoede trip. (lachje) Ik herinner me hoe ik op de grond lag en mijn buik moest vasthouden van het lachen. Mijn ouders waren constant high of aan het hallucineren.

“Een bevriend hippiekoppel van mijn ouders stelde me voor aan een dikke fotograaf van halverwege de dertig. ‘Je bent zo een mooi meisje; hij maakt een fotomodel van je.’ Die man kwam me thuis ophalen en nam me mee naar het bos. Ik begon de fotosessie met mijn kleren aan, maar eindigde naakt in de meest onsmakelijke poses. Hij pushte me steeds verder en ik ging daar gewillig in mee. Hij begon me te strelen en ik begon te wenen. We hadden geen seks, maar hij probeerde het wel. Hij bracht me terug naar huis en niemand vroeg zich af waar ik geweest was of wat ik met die kerel gedaan had. Niemand maakte zich zorgen over dat dertienjarige meisje. Het was een recipe for a disaster. Die fotograaf schoot honderden naaktfoto’s van me. Mijn moeder vertelde me later dat ze af en toe wel eens een paar foto’s tegenkwam in huizen van vrienden en dat ze die dan in haar handtas moffelde en verscheurde. (lacht)”

 

Hoe kwam u in contact met Charles Manson?

Lake: “Ik verhuisde samen met mijn ouders naar de Hog Farm Commune, een van de grootste hippiecommunes uit die tijd. Ze was gesticht door de vredesactivist Hugh Romney alias ‘Wavy Gravy’ en zijn vrouw Bonnie Beecher, een actrice die meespeelde in Star Trek. Op een dag namen Hugh en Bonnie me apart en maakten me duidelijk dat ze me liever kwijt dan rijk waren. Als meisje van veertien vormde ik een bedreiging voor de commune. Ze vonden me te oud, maar niet oud genoeg. Elke jonge kerel die seks met mij had, was volgens de wet een verkrachter en kon in de cel gegooid worden. Ze suggereerden dat ik best zo snel mogelijk andere oorden opzocht. Richard en Allegra, een hippiekoppel dat ik van haar noch pluimen kende, bood me spontaan onderdak in hun huis aan. In die periode ontmoetten mijn ouders op Hog Farm Charlie Manson. Ze raakten bevriend en trokken er samen voor een paar dagen op uit in de Mojavewoestijn. Terug in de commune gaf mijn moeder een foto van mij aan Manson. ‘Dit is mijn dochter Dianne. Doe haar de groeten als je haar ziet. Misschien vindt ze het wel leuk om een tijdje met jullie op stap te gaan.’ Ik wist daar helemaal niets van. Eind november 1967 stelden Richard en Allegra me voor om naar een feestje te gaan in The Spiral Staircase House, een hippiehuis in Topanga. Het meisje dat de voordeur opendeed, begon meteen te roepen: ‘Charlie, Dianne is hier!’ Ik stapte naar binnen en iedereen herhaalde dat zinnetje: ‘Dianne is hier! Oh, Dianne, je bent hier!’ Ik was overdonderd. ‘Hoe kennen jullie mij?’ Het leek pure magie. Charlie Manson keek in mijn ogen en ik smolt. Ik voelde me door hem aanbeden en geliefd. Ik voelde me welkom bij hem.”

 

Charles Manson noemde zijn sekte The Family?

Lake: “Ja, en zo voelde het in het begin ook aan. Ze reden met een zwart geverfde schoolbus rond waarop stond: ‘Hollywood Production’. (lacht) Charlie was toen 33. Het klopt toch niet dat een meisje van veertien de liefde bedreef met een kerel van 33? Mijn oudste zoon is nu 35. Charlie was een vieze jonge man. Hij had lang haar, speelde gitaar en had een grote tattoo op zijn arm. Ik vond dat exotisch. Er werd gefluisterd dat hij in de gevangenis had gezeten en gearresteerd was voor verschillende vergrijpen. Zijn laatste veroordeling was voor oplichting. In de jaren vijftig had hij zich proberen herscholen tot pooier, maar zijn meisjes bleven meestal nooit lang voor hem werken. Toen ik hem ontmoette, was hij eigenlijk nog steeds een pooier. Ik had dat niet door, want ik wist amper wat prostitutie was. In 1967 vrijde iedereen met iedereen, en voor pooier Charlie was dat natuurlijk een probleem. Want waarom zou je nog voor seks betalen als iedereen het gratis met je wil doen? De meisjes die rond Charlie zweefden, vormden zijn harem. In maart 1967 kwam hij uit de gevangenis en het meisje waar hij het eerst mee aanlegde, heette Mary Brunner. Ze raakte zwanger van hem en ik was erbij toen in 1968 Valentine Michael Manson geboren werd. We noemden de baby Pooh Bear en hij werd het lievelingetje van de hele Family.”

 

Op dat moment had Manson nog twee andere zonen bij twee andere vrouwen: Charles Manson Jr. en Charles Luther Manson. De eerste pleegde zelfmoord in 1993, over de tweede is niets geweten.

Lake: “Echt? Er was een vermoeden dat er misschien nog een zoon was, maar die hebben we nooit gezien. Hij praatte daar nooit over. Charlie was een meestermanipulator. Hij was ook een meester in het lezen van mensen. Hij zag meteen wie je was, wat je nodig had, wat je talenten waren. En hij dacht alleen maar aan zichzelf.”

 

Hoe raakten jullie aan geld?

Lake: “(stilte) Dat is een goede vraag. Toen ik er pas bij was, gebruikten een paar meisjes de kredietkaarten van hun vader. Maar waar de rest van het geld vandaan kwam? Geen idee. Ik stond daar ook niet bij stil. Er was LSD en marihuana in overvloed. En er werd veel geneukt. Koppels apart of in groep. Toen ik Manson in november leerde kennen, was ik 14. Eind februari 1968 werd ik 15. Charlie gebruikte mij om aan zijn pleziertjes te geraken, net zoals hij alle andere meisjes uit de groep gebruikte. Misschien liet hij oudere meisjes als prostituee voor hem werken en raakte hij zo aan geld.”

 

In mei 1968 nam The Family haar intrek in Spahn Ranch, een televisieboerderij in Los Angeles waar Bonanza en Zorro werden opgenomen.

Lake: “Charlie lulde zich overal naar binnen en Spahn Ranch werd een tijdlang ons hoofdkwartier. In die periode leerde hij Dennis Wilson, de in 1983 overleden drummer van de Beach Boys, kennen. Dennis raakte in de ban van Manson en samen met Family-leden Nancy Pitman en Ruth Moorehouse trok ik voor een maand of vier bij hem in. Charlie had dat zo beslist. De anderen stuurde hij naar de hippiekolonie in Mendocino nabij San Francisco. Ze moesten daar nieuwe leden gaan rekruteren. Dennis Wilson was heel vatbaar voor vriendschap, seks en drugs. Hij had net een echtscheiding achter de rug en vond het fijn om met Charlie en zijn meisjes te chillen. In die tijd stelden nog meer muzieksterren in Los Angeles en omstreken in naam van de flower power hun huizen open voor free sex, drugs en drank. De door Charlie bevolen moorden op Sharon Tate en co in augustus 1969 betekenden het abrupte einde van al die open deuren. Dennis Wilson was er heel trots op dat hij met Charles Manson bevriend was. Hij vond het fantastisch dat we zijn huis hadden uitverkoren en stelde Charlie voor aan andere muzikanten.”

 

Manson was in die tijd een societyfiguur? Een celebrity?

Lake: “Celibrity is misschien een beetje overdreven, maar hij werd wel geaccepteerd door de echte celebrities. Voor velen was hij een goeroe. Een paar maanden eerder had Dennis Wilson met de andere Beach Boys in Parijs de Maharishi ontmoet. De Beatles, Mia Farrow en Elizabeth Taylor waren volgelingen van diens leer. Dennis herkende in Charlie iets wat hij in de Maharishi had gezien. Charlie gedroeg zich ook als een goeroe. Hij ‘postuleerde’ heel graag. Hij vroeg dan aan het universum op voorhand om een parkeerplaats. Als hij die dan ook kreeg, schreef hij dat toe aan zijn spirituele kracht.”

 

Was hij gewelddadig?

Lake: “Hij kon soms hevig uit zijn krammen schieten en ik moest af en toe klappen incasseren. Maar hij had geen gewelddadig karakter.”

 

Hij heeft u verkracht.

Lake: “Dat is waar. Al interpreteerde ik het op dat moment niet zo. Maar het was zeker verkrachting. Zonder twijfel. Ik wou met hem vrijen, maar hij nam me op een afschuwelijke manier, zoals ik het echt niet wou.”

 

Zag hij zichzelf als een nieuwe messias?

Lake: “Dat geloofde hij rotsvast. Wij namen ontzettend veel drugs; hij veel minder want hij had een paar bad trips achter de rug. maar ondanks zijn beperkte druggebruik was hij er van overtuigd dat hij de opvolger van Jezus Christus was. ‘Ik ben “Man Son”, de zoon van de mens’, oreerde hij. Van veel verschillende filosofieën en religies had hij zijn eigen potje gebrouwd. Wij, naiëve meisjes met iets te veel weed en acid in hun lijf dan goed voor ze was, gingen daar kritiekloos in mee. Het was allemaal zo geheimzinnig. ‘Die kerel is verbonden met het universum.’ (lacht) Hij versterkte dat mystieke alleen maar en wij begonnen echt te geloven dat hij bovennatuurlijk was.”

 

Toen The White Album van The Beatles op 22 november 1968 uitkwam, sloegen bij hem de stoppen helemaal door?

Lake: “Hij geloofde dat de Beatles vier profeten waren die met hun White Album een rassenoorlog, de Helter Skelter, aankondigden. Charlie zag zichzelf als de verlosser die de oorlog in gang moest zetten. De apocalyps bestond in zijn visie uit een bloedige strijd van blank tegen zwart. Afro-Amerikanen waren er volgens hem op uit om de macht over te nemen. Hij moest dat stoppen.”

 

Charles Manson was een white supremacist in hippieverpakking?

Lake: “Precies. De moorden in augustus 1969 moesten die rassenoorlog in gang zetten. Charlie heeft me daar nooit in betrokken, nooit iets over gezegd, nooit iets over gevraagd. Hij had daar anderen voor ‘uitverkoren’. Zij voerden de moorden nauwgezet volgens zijn instructies uit. Ik hoorde daar pas een week later over. Het was een vreselijke schok toen mijn vriendinnen Leslie Van Houten, Susan ‘Sadie’ Atkins en Patricia ‘Patty’ Krenwinkel me vertelden hoe ze Leno en Rosemary LaBianca op aansturen van Charlie hadden afgeslacht. Natuurlijk had ik gevoeld dat de stemming in The Family gaandeweg veranderd was. Charlie wou me terugsturen naar mijn ouders, maar door de drugs was ik weg van de wereld. Hij had me totaal gehersenspoeld en ik wou hem niet verlaten. Telkens wanneer ik zijn stem hoorde, steeg ik op naar de zevende hemel. Zijn liedjes speelden continu door mijn hoofd. Ik kon zijn filosofie van voor naar achter en van achter naar voor aframmelen. Hij had me compleet in zijn macht.”

 

Als hij u gevraagd om Sharon Tate te vermoorden, had u dat gedaan?

Lake: “Er is een reden waarom hij het mij niet gevraagd heeft: ik was namelijk niet erg gehoorzaam. (lacht) Natuurlijk was ik gehersenspoeld, maar ik was ook een smartass, een betwetertje.”

 

Op het proces hebt u tegen Charles Manson getuigd.

Lake: “Ik had geen moment spijt van mijn getuigenis tegen hem. Mijn opname in de psychiatrie heeft mijn leven gered. Daar ben ik van de LSD én van Charlie afgekickt. Daar verloor ik ook mijn angst voor hem. Op 5 november 1970 heb ik in het gerechtshof voor de jury getuigd over hoe het er in The Family aan toeging. Ik vertelde ook wat de andere leden me over de moorden hadden toevertrouwd. Charlie, Patty, Leslie en Sadie werden ter dood veroordeeld. Hun straffen werden later omgezet in levenslang. Sadie stierf in 2009 in de gevangenis; Leslie en Pattie zitten nog steeds in de cel. Charlie verwisselde het tijdelijke voor het eeuwige in november vorig jaar. Een paar weken geleden pas hebben ze hem begraven. Drie mensen eisten eerst zijn lichaam op. De ene was een verzamelaar van Manson-memorabilia, de andere iemand die beweerde een zoon van hem te zijn, en de derde zijn kleinzoon Jason Freeman. De rechter besliste uiteindelijk dat de kleinzoon zijn opa mocht begraven. Terecht, vind ik.”

 

Hebt u ooit contact met een van de andere leden van The Family gehad?

Lake: “Nee. De enige die ik veel later nog eens teruggezien heb, is Barbara Hoyt. Zij was ook niet betrokken bij de moorden en getuigde ook op het proces. Andere leden van the Family hebben nog geprobeerd om haar om het leven te brengen met een overdosis LSD in een hamburger. Eén van de veroordeelden heeft onlangs vanuit de gevangenis contact met mij gezocht. Tot hiertoe heb ik nog niet de moed gevonden om te reageren. Want ik weet echt niet wat ik tegen haar moet zeggen.”

 

Dianne Lake, Mijn leven met Charles Manson, Harper Collins

(c) Jan Stevens

Vida Mehrannia, de vrouw van de ter dood veroordeelde VUB-professor Ahmadreza Djalali: ‘Hij zit emotioneel helemaal aan de grond’

Sinds de arrestatie en terdoodveroordeling van haar man Ahmadreza Djalali is het leven van Vida Mehrannia een nachtmerrie. “In Europa ben je onschuldig tot het tegendeel bewezen wordt. In Iran ben je schuldig van zodra ze met de vinger naar je wijzen.”

_DSC0016

Op 25 april 2016 werd professor in de rampengeneeskunde en VUB-gastdocent Ahmadreza Djalali in Iran gearresteerd. Anderhalf jaar later werd hij ter dood veroordeeld voor spionage. “Elke seconde denk ik aan hem”, zegt zijn vrouw Vida Mehrannia. “En alles wat ik nu onderneem, doe ik alleen voor hem. We willen hem niet kwijt. Ik ging onlangs met onze zoon van zes en onze dochter van vijftien naar een restaurant. We kregen een tafeltje met vier stoelen. Mijn zoon zei: ‘Eén stoel is voor papa.’ Ik verlang er naar om samen met mijn man en mijn kinderen terug een gezin te vormen. De Iraanse overheid moét hem laten gaan, want wij hebben hem nodig. Telkens wanneer hij me belt, wil hij weten wat wij aan het doen zijn. Hij mist ons ook zo verschrikkelijk hard.”

Vida Mehrannia spreekt zacht en behoedzaam. Haar lichaamstaal verraadt dat de last die ze draagt loodzwaar is. We zitten aan de keukentafel in haar flat in een voorstad van Stockholm. Voor haar ligt de thesis van haar man waarmee hij hij in 2012 aan de Zweedse Karolinska-universiteit doctoreerde in de rampengeneeskunde. “Zijn thesis handelt over de behandeling van slachtoffers van rampen over de hele wereld, maar vooral over de slachtoffers van de aardbeving van 2003 in de Iraanse stad Bam. Ze is ook opgedragen aan de slachtoffers van Bam.” Vida’s dochter heeft de griep; haar zoontje kijkt in de kamer ernaast naar een film. Vlak naast het tv-toestel staan foto’s waarop Ahmadreza Djalali samen met vrouw en kinderen poseert.

Vida Mehrannia: “Mijn man heeft deze flat nooit gezien. Niet lang na zijn arrestatie moesten we verhuizen naar een ander appartement. En niet veel later moesten we nóg eens verhuizen naar deze flat. Het is zo verdomd moeilijk om in Stockholm een betaalbare woonst te vinden. Vanaf dag één stond ik onder extreem zware druk. We hadden net samen een nieuw appartement gezocht en het was de bedoeling dat we zouden verhuizen nadat hij terug kwam van Iran. Maar hij kwam niet meer terug. De oude flat was opgezegd en het contract voor de nieuwe getekend, dus moest ik ons hele hebben en houden in mijn eentje inpakken. Ik crashte en zocht hulp bij een psycholoog, want ik raakte mijn bed niet meer uit. Ik dacht alleen maar aan hem en aan wat hij moest doorstaan. Maar ook mijn kinderen hadden mijn steun nodig. Ik slik pillen nu; die houden me overeind. Ons zoontje weet niet wat er met zijn papa gebeurd is. Hij denkt dat Ahmad in Iran aan het werk is. Hij weet niet dat hij in de gevangenis zit en ter dood veroordeeld is.”

 

Hoort hij daar op school dan niets over?

Mehrannia: “Nee. Ik heb heel de situatie uitgelegd aan de schooldirectie en de leerkrachten. Ze weten dat hij gelooft dat zijn papa lang in Iran moet blijven om er te werken. Elke dag zegt mijn zoontje: ‘Ik wou dat papa terug was.’ Ik sus hem dan: ‘Binnenkort is hij weer thuis.’ Ik breng hem ’s morgens naar school. Soms zegt hij: ‘Ik zou het zo fijn vinden als papa mij naar school bracht.’ Hij ziet hoe zijn klasgenootjes door hun papa’s worden gebracht of afgehaald; voor hem blijft dat een wensdroom. Af en toe praat hij met zijn papa aan de telefoon. Ahmad doet dan alsof hij van op zijn ‘werk’ in Iran belt. ‘Ik weet nog niet wanneer, maar ooit kom ik terug naar huis’, zegt hij dan. Onze dochter weet wel wat er aan de hand is. Ook zij loopt gebukt onder de stress. We hadden het al zo vreselijk moeilijk en dan kwam die veroordeling tot de doodstraf in oktober vorig jaar er nog eens bovenop. In de maanden daarvoor was er nog een beetje hoop. ‘Misschien laten ze hem vrij.’ Dat doodvonnis sloeg al onze hoop aan diggelen.”

 _DSC0081

Wanneer hebt u uw man voor het laatst gehoord?

Mehrannia: “Hij belt me nu elke dag een paar minuten. Hij is er emotioneel zeer slecht aan toe. Hij is erg ziek en heeft dringend medische hulp nodig. Maar de gevangenisdirectie en de Iraanse overheid weigeren hem te helpen. De laatste weken is hij 25 kilo vermagerd; hij kan niet goed eten en klaagt over buikpijn. Als dokter herkent hij symptomen bij zichzelf waar hij zich grote zorgen over maakt. We hebben meermaals gevraagd om hem naar een ziekenhuis over te brengen, maar ze doen alsof ze onze smeekbeden niet horen. Het interesseert hen niet dat mijn man ernstig ziek is. Op dit moment zit hij in de Evin-gevangenis in Teheran, in de vleugel van de politieke gevangenen. Hij deelt de cel met advocaten en leraars. De leerkrachten zitten gevangen omwille van hun politieke overtuiging; de advocaten omdat ze het aangedurfd hebben burgers met ‘afwijkende meningen’ te verdedigen. De eerste drie maanden van zijn gevangenschap zat hij in een isolatiecel van twee op drie meter. Zeven maanden lang mocht hij geen advocaat raadplegen. Daarna kreeg hij van de autoriteiten te horen dat ze de advocaat die hij wou niet accepteerden. Hij stelde vervolgens een nieuwe advocaat voor, maar ook die werd niet aanvaard. Ze gaven daar geen enkele reden of verklaring voor. Ahmadreza ging twee keer in hongerstaking om zijn recht op verdediging af te dwingen: eerst 44 dagen en daarna nóg eens 44 dagen. Hij verloor bijna 27 kilo. Maar ze gaven geen duimbreed toe. Uiteindelijk koos hij meester Daryabeighi uit een lijst van advocaten die hem door de rechter werd voorgelegd. Die heeft vervolgens mijn man in eerste aanleg ‘verdedigd’.”

 

Dat was ook de advocaat die vergat’ om beroep aan te tekenen nadat uw man de doodstraf gekregen had?

Mehrannia: “Dat klopt. Daryabeighi wist dat Ahmadreza ter dood veroordeeld was, maar een week lang lichtte hij daar niemand over in. Ik kwam het toch te weten en belde hem. ‘Uw man heeft inderdaad vorige week de doodstraf gekregen.’ Ik vroeg hem waarom hij mij niets had laten weten. ‘Omdat ik ook van niets wist.’ Wat ik onmogelijk kan geloven.”

 

Uw man werd op 25 april 2016 gearresteerd op beschuldiging van spionage voor de Israëlische geheime dienst Mossad.

Mehrannia: “Ahmad ontkent alles. Ze hebben geen enkel bewijs op tafel gelegd om hun beschuldigingen te staven. Hij was naar Iran gereisd voor een workshop op uitnodiging van de universiteit van Teheran. Of die uitnodiging opgezet spel was om hem in de val te lokken? Nee, in de loop der jaren reisde hij vaak naar Iran, meestal op uitnodiging van dezelfde universiteit. Die bezoeken verliepen altijd vlekkeloos. Ahmadreza ging naar die workshops in Teheran als wetenschapper, als professor en dokter gespecialiseerd in de rampengeneeskunde. Soms nodigde hij ook collega’s uit van de Italiaanse universiteit waaraan hij verbonden is. Ze reisden dan samen naar Teheran. Een jaar eerder hadden ze dat nog gedaan.”

 

Was uw man politiek actief?

Mehrannia: “Nee, dat is hij nooit geweest. Die 25e april was hij op weg van Teheran naar de vijftig kilometer verder gelegen stad Karaj. Hij werd tegengehouden en gearresteerd door leden van de veiligheidsdiensten. Tien dagen lang wist ik niet wat er gebeurd was. Ik hoorde niets meer van hem of van iemand anders. Tot ik telefoon kreeg van zijn familie in Iran. ‘Ahmad is door de veiligheidsdiensten opgepakt.’ Dat kon alleen maar een vergissing zijn. ‘Binnenkort laten ze hem vrij’, dacht ik. Maar ze stopten hem in de isolatiecel. Zijn familie in Iran mocht hij elke week een paar minuten bellen; zijn gezin in Zweden elke maand drie minuten. Net genoeg tijd om hem te laten weten dat alles goed met ons ging, ook al voelde ik me ellendig. We wisten nooit wanneer hij precies zou bellen. Hij maakte zich ontzettend veel zorgen over ons, want ze hadden gezegd dat ze zijn kinderen hier in Stockholm zouden oppakken.”

 

Werd hij gefolterd?

Mehrannia: “Lichamelijk niet, mentaal wel. Ze dreigden er vaak mee dat ze hem standrechtelijk zouden executeren. Voor de verhoren werd hij middenin de nacht vanuit de gevangenis geblinddoekt naar een andere plek gevoerd. Op die momenten was hij doodsbang dat ze hem zouden terechtstellen. Tot vandaag wordt hij psychisch zwaar mishandeld. Ook ik ben aan het eind van mijn Latijn. Sinds april 2016 heb ik enkel slecht nieuws te verwerken gekregen. (zucht) Soms verlies ik alle hoop en heel af en toe flakkert die dan toch weer op, bijvoorbeeld door de steun die we krijgen van de vele mensen die via Amnesty International brieven naar de Iraanse overheid schrijven. Maar dan komt er weer een onheilstijding en zakt alle moed me opnieuw in de schoenen.”

 

Ahmadreza Djalali gaf les aan de European Master in Disaster Medicine van de universiteit van Piemonte Orientale en de VUB. Daardoor had hij overal ter wereld contacten, ook met Israëlische collega’s.

Mehrannia: “Hij kende een paar Israëliërs uit de cursus, maar zeker geen agenten van de Mossad. Zijn Iraanse ondervragers beschuldigden hem ervan rechtstreekse contacten te onderhouden met de Israëlische geheime dienst. Ahmad zou de Mossad geheime informatie over Iran bezorgd hebben. Dat is nonsens, want al wie in Iran toegang heeft tot top secret-informatie, krijgt nooit toestemming om het land te verlaten. Mijn man reisde talloze malen naar Iran en kon altijd probleemloos de grens weer over. Niet lang voor hij de laatste keer naar Iran vertrok, had hij een ontmoeting met een paar Europeanen die hier in Zweden een bedrijf hebben dat gespecialiseerd is in rampenmedicatie. Zij hebben hem toen gevraagd of hij hen inlichtingen over Iran kon verschaffen. ‘Ik heb helemaal geen informatie over mijn land’, zei hij tegen hen.”

 

Er zijn dus wel degelijk mensen die uw man als informant wilden engageren?

Mehrannia: “Ja, maar dat waren Europeanen in dienst van een Europese onderneming en geen Israëliërs. Ik ben er zeker van dat ze niet in opdracht van de Mossad handelden. Ahmad heeft dat ook tegen zijn ondervragers gezegd: ‘Ik heb die mensen nooit geheime informatie over Iran bezorgd.’”

 

Maar waarom pakten ze dan juist hem op, als hij politiek nooit actief geweest is en geen enkele toegang had tot gevoelige informatie?

Mehrannia: “Omdat ze een voorbeeld wilden stellen. Ze hebben een hele zaak tegen hem gefabriceerd, integraal samengesteld uit verzinsels. Ze waren een puzzel aan het leggen en zagen mijn man als het ontbrekende stukje. Ahmadreza werd er onder andere van beschuldigd de Mossad informatie te hebben bezorgd waarmee ze dodelijke aanslagen konden plegen tegen twee Iraanse nucleaire wetenschappers. Mijn man heeft daar niets mee te maken. Op 5 maart schreef de Amerikaanse website Politico dat een van de bazen van de Mossad in mei 2003 aan zijn collega’s een plan presenteerde om een paar Iraanse nucleaire wetenschappers uit te schakelen. Het ultieme doel was vermijden dat Iran een kernwapen zou kunnen bouwen. In 2003 leefde Ahmadreza in Iran. Hij was bij die vergadering dus niet aanwezig. De Iraanse veiligheidsdienst beweert ook dat hij vlak voor de aanslagen in 2010 contact had met de Israëli’s. Dat is een pertinente leugen. Mijn man is onschuldig.”

 

Hij legde op 17 december vorig jaar wel bekentenissen af op de Iraanse tv.

Mehrannia: “Nee. Hij had het over ‘sommige mensen’ die contact met hem gezocht hadden en die net als hij gespecialiseerd zijn in rampengeneeskunde. Precies zoals ik het u daarnet heb uitgelegd. De Iraniërs hebben die beelden vervolgens gemanipuleerd, waardoor het leek alsof hij bekende dat hij een spion voor de Mossad is. Ze lieten niet zien dat mijn man zei dat hij geweigerd had om informatie over Iran aan die Europeanen te geven. Ze hebben er ook stemmen van anderen tussen gemonteerd die zeggen dat hij collaboreerde met Israël en de Mossad informatie bezorgde. Maar hij had helemaal geen toegang tot geheime documenten. Ongeveer acht jaar geleden hebben we Iran verlaten om in Europa te gaan wonen en werken. Hoe zou hij dan de voorbije jaren toegang gehad moeten hebben tot al die supergeheime informatie? En hoe komt het dan dat hij nooit aan de grens werd tegengehouden?”

 

De bijnamen van de rechter waar uw man voor moest verschijnen, zijn ‘the hanging judge’ en ‘the judge of death’. Dat voorspelde niet veel goeds?

Mehrannia: “Rechter Abolqasem Salavati heeft in zijn carrière talloos veel mensen de dood ingejaagd. Sinds de revolutie zijn in Iran een recordaantal mensen veroordeeld tot de strop of tot een andere barbaarse vorm van executie. Ahmads terdoodveroordeling was voor ons een gruwelijke schok. Hij is een briljante wetenschappelijke onderzoeker die in zijn hele leven nooit iets heeft mispeuterd. Hij is geen misdadiger of spion en is ter dood veroordeeld voor iets wat hij nooit gedaan heeft. Ik kan echt niet geloven dat hij voor de Mossad gespioneerd zou hebben en de dood van twee wetenschappers op zijn geweten zou hebben. Niemand van onze familie houdt dat voor mogelijk.”

 

Is zijn familie in Iran bang dat hen iets zal overkomen?

Mehrannia: “Zeker. Zijn moeder is de enige die het aandurft om zijn zaak op de voet te volgen. Zijn broers en zussen zijn bang, houden zich afzijdig en laten zich informeren door zijn huidige advocaat. Dat is gelukkig niet langer de favoriete meester van rechter Salavati, maar de raadsman die Ahmadreza oorspronkelijk zelf wou. Een paar weken geleden reisde het Zweedse Europarlementslid Lars Adaktusson naar Teheran. Hij wou Ahmads advocaat ontmoeten, maar de veiligheidsdiensten wilden dat niet toestaan.”

 

Bent u bedreigd door de Iraanse veiligheidsdiensten?

Mehrannia: “Nee. Ze hebben me ook nooit gecontacteerd. Ik heb zelf verschillende brieven gestuurd naar de Iraanse president Rohani van wie gezegd wordt dat hij een hervormer is. Hij heeft nooit gereageerd. Ahmad heeft hem vanuit de gevangenis ook een brief gestuurd waarin hij alle valse beschuldigingen weerlegt. Hij stuurde ook brieven naar Iraanse parlementairen en naar het hoofd van de Iraanse geheime dienst. Iedereen zwijgt.”

 

Gelooft u dat de briefschrijfacties van Amnesty International een verschil kunnen maken?

_DSC0005

Mehrannia: “Ik ben al die mensen die brieven schrijven om Ahmad vrij te krijgen ontzettend dankbaar. Wat de Belgische en Italiaanse afdelingen van Amnesty International voor ons doen, is fenomenaal. Ik ben ook heel blij met de hulp en de steun voor mijn man vanuit de Europese Gemeenschap. Ik heb een brief gekregen van Federica Mogherini, de hoge vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken van de EU, nadat ik haar hulp gevraagd had. Ze schreef dat ze ons steunde en dat ze vragen zou stellen aan de Iraanse overheid. Tot hiertoe heeft dat niets opgeleverd. Een paar weken geleden kreeg ik hier in mijn huis bezoek van uw minister-president Geert Bourgeois. Hij was heel vriendelijk en begripvol. Hij beloofde me dat hij contact met me zou blijven houden en ons zou blijven steunen. Die blijvende internationale druk is van levensbelang. Ahmads zaak brengt nog maar eens voor het voetlicht dat het met de mensenrechten in Iran slecht gesteld is. Toen we er zelf nog leefden, hielden we ons afzijdig van de politiek. We hadden van niemand last en ik vond het dagelijkse leven best oké. Nu weet ik dat er in de Iraanse gevangenissen ontzettend veel mensen zitten die geen beroep mogen doen op een advocaat. Als het op mensenrechten aankomt, gaapt er een hemelsbrede kloof tussen Europa en Iran. Het recht op verdediging bestaat in mijn geboorteland niet en de rechters hebben er geen bewijzen nodig om iemand ter dood te veroordelen. In Europa is zoiets onmogelijk. Hier ben je onschuldig tot het tegendeel bewezen wordt. In Iran ben je schuldig van zodra ze met de vinger naar je wijzen.”

 

 

Al dan niet vermeende spionnen zijn soms onderdeel van een gevangenenruil. Is dat een mogelijke uitweg?

Mehrannia: “In het verleden is er al zo’n gevangenenruil geweest. Begin 2016 maakten de VS en Iran een deal om vier door Iran gevangen genomen Amerikaanse staatsburgers te ruilen voor zeven gearresteerde Iraniërs. De internationale aanklachten tegen 14 andere werden ingetrokken. Wij zijn sinds kort Zweeds staatsburger, maar Zweden heeft jammer genoeg geen Iraniërs in de gevangenis zitten die geruild kunnen worden met mijn man. Ik heb ondertussen wel gehoord dat er ergens in Europa Iraniërs gevangen zitten, alleen weet ik nog niet waar. Ik stel mijn hoop nu op de Europarlementariërs. Misschien kunnen zij die mensen traceren en onderhandelingen over een ruil opstarten.”

 

Kan het Zweedse staatsburgerschap dat uw man op 17 februari kreeg, helpen om hem vrij te krijgen?

Mehrannia: “Er bestaat een groot misverstand over dat staatsburgerschap: hij heeft dat niet gekregen van de Zweedse regering als reactie op zijn veroordeling. Het is hem toegekend door de Zweedse immigratiedienst. We hadden onze vraag om Zweeds staatsburger te worden al een hele tijd eerder ingediend. We hebben de administratieve weg afgelegd, net als elke andere immigrant die Zweed wil worden. Het is toeval dat we de nationaliteit nu gekregen hebben.

“Ahmads advocaat heeft een verzoek ingediend voor een nieuw beroep. Of het aanvaard wordt, hangt af van de goodwill van het hooggerechtshof. Iran heeft verschillende hooggerechtshoven en de advocaat klopte al twee keer bij andere hoven aan, waar de rechters telkens de doodstraf bevestigden. We hopen dat het hof deze keer Ahmads zaak echt ernstig onder de loep neemt, maar misschien is dat wishful thinking. Toen het hooggerechtshof de eerste keer Ahmads doodstraf bekrachtigde, was ik twee weken out. Ik sleepte me door de dag en de nacht. Maar diep vanbinnen knaagde het besef dat ik mijn kinderen en mijn man niet in de steek kon laten. Dus verplichtte ik mezelf om verder te gaan. Ik krijg veel steun, maar sta toch overal alleen voor. Mijn man zit ver weg in die gevangenis en ik leef in Stockholm als een vreemdeling. Behalve mijn twee kinderen heb ik hier geen familie. Geen broer, zus, moeder of vader bij wie ik steun kan zoeken. Al mijn familieleden wonen in Iran en zijn doodsbang. Ik maak me dus ook nog eens zorgen over hen. Ik ben nu de enige die zorg draagt voor onze kinderen. Maar ik voel me psychisch niet goed en elke keer als er slecht nieuws uit Iran komt, zink ik nog dieper. Toen mijn man me de allereerste keer belde, kon ik hem bijna niet verstaan. Hij klonk zo zwak. Hij heeft nu boeken gekregen, maar lezen lukt hem niet, want ook hij zit emotioneel helemaal aan de grond. Het enige waar hij aan kan denken, is: ‘Hoe geraak ik uit de gevangenis?’ In onze telefoongesprekken begint hij altijd over hetzelfde: ‘Spreek zoveel mogelijk politici aan. Misschien kunnen zij me redden.’”

 

Houdt u er rekening mee dat jullie telefoongesprekken worden afgeluisterd?

Mehrannia: “Ja. Ik let dan ook altijd heel goed op wat ik tegen hem zeg. Want ze kunnen wraak nemen en hem terug in de isolatiecel gooien. Hij mag enkel naar mij bellen, naar een paar andere naaste familieleden en naar zijn advocaat. Ik heb hem verteld over de briefschrijfacties en over de steun uit België en andere Europese landen. Dat doet hem deugd. Zonder die internationale steun was hij al lang dood. Ze weten dat de wereld toekijkt. Zolang de ogen van de internationale gemeenschap op Ahmadreza gericht zijn, zullen ze hem misschien niet executeren. Normaal gezien krijgt een terdoodveroordeelde meteen een executiedatum. Ahmad heeft die nooit gekregen. Dat is geen teken van hoop, maar wil eerder zeggen dat ze afwachten tot de internationale steun afzwakt. Ik ben bang dat ze hem in stilte zullen doden van zodra de aandacht afneemt. De recente Iraanse geschiedenis leert me dat het zo werkt. Van zodra de internationale gemeenschap zwijgt, treedt de beul in actie.

“Elke dag schiet de gedachte door mijn hoofd: ‘Misschien laten ze hem binnenkort gaan en komt hij straks terug naar huis. Wie weet vandaag.’ Ik wil dat blijven geloven en klamp me daar aan vast. Ik kan niet aanvaarden dat onze kinderen hun papa nooit meer zullen zien.”

_DSC0037

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

Hoe zou het eigenlijk zijn met … de moordenaars van de 2-jarige peuter Jamie Bulger?

25 jaar geleden reageerde de wereld geschokt op de moord op de twee jaar oude James Bulger. Schrijvers Blake Morrison en David James Smith volgden het proces tegen daders Robert Thompson en Jon Venables vanaf dag één. “Ze waren amper tien, maar werden berecht als volwassenen. Alleen als een advocaat kan bewijzen dat zijn tienjarige cliënt het verstand van een peuter heeft, wordt hij geïnterneerd.”

 

Op 12 februari 1993 verdween James ‘Jamie’ Bulger spoorloos toen zijn moeder koteletjes stond te bestellen bij de slager in het New Strand Shopping Centre in het noorden van Liverpool. Op inmiddels iconisch geworden bewakingscamerabeelden was te zien hoe twee jongens van een jaar of tien met de peuter aan de hand om 15.42 u het winkelcentrum uitliepen. Twee dagen later vonden spelende kinderen aan de spoorweg het met bakstenen toegetakelde en door een trein in twee gereten lijk van de kleine James. Het duurde een paar dagen voor Robert Thompson en Jon Venables, allebei tien, opgepakt werden. Op 20 februari werden ze officieel in beschuldiging gesteld voor moord. Toen ze twee dagen later voor de jeugdrechter in het Magistrates’ Court moesten verschijnen, stond een woedende menigte hen op te wachten. Ze werden doorverwezen naar de volwassenenrechtbank en in november van datzelfde jaar stonden ze twaalf dagen lang terecht in het Preston Crown Court. Op 24 november 1993 kwam de jury tot het eensluidende verdict: schuldig. Rechter Michael Morland veroordeelde Thompson en Venables tot opsluiting “during her Majesty’s pleasure”, zolang het hare majesteit behaagde. Hij noemde de twee jongens “sluw en uiterst slecht” en verzekerde hen dat ze “voor vele jaren opgesloten zouden worden”. Tot hun achttiende verjaardag moesten ze naar gesloten jeugdinstellingen, met “aparte slaapkamers waar ze speelgoed mogen hebben en posters aan de muur”. Na hun 18e “bestond de mogelijkheid” dat ze afgevoerd zouden worden naar een echte gevangenis. Jon Venables weende toen hij het arrest hoorde en Robert Thompson zat te snikken. Jamie Bulgers oom Roy Matthews riep vanuit het publiek: “Hoe voelen jullie je nu, you little bastards?”

 

Tonnen drek

“Tot de dag van vandaag haat het hele Verenigd Koninkrijk die twee jongens”, zegt journalist en schrijver David James Smith. Hij volgde in 1993 de moord op James Bulger en het proces tegen Venables en Thompson vanaf dag één en schreef er het boek The Sleep of Reason over. “Ik toonde daarin enig mededogen voor de twee daders die zelf nog kinderen waren. Dat werd me niet in dank afgenomen. Naar aanleiding van de 25e verjaardag van de Jamie Bulger-zaak is mijn boek herdrukt. Sommige commentaren op het internet liegen er niet om: ‘Hoe is het mogelijk dat die man zelfs maar een greintje medeleven toont voor die twee beesten?’ Vorig jaar werd ik door Channel 4 gevraagd om mee te werken aan de documentaire The Bulger Killers: Was Justice Done? Ik had er geen tijd voor en vond het doodjammer dat ik nee moest zeggen. De documentaire ging in februari op antenne en nu ben ik heel blij dat ik me er niet vrij voor kon maken. Collega Blake Morrison volgde net als ik het proces op de voet en schreef daar achteraf zijn boek As if over. Ook hij toonde compassie voor de piepjonge daders. Hij werkte wél mee aan The Bulger Killers. Meteen na de uitzending kreeg hij op sociale media tonnen drek over zich heen.”

Blake Morrison volgde in 1993 het proces als verslaggever voor het magazine The New Yorker. “De bakken vitriool na de Channel 4-documentaire bewijzen alleen maar dat Engeland nog even achterlijk is als 25 jaar geleden”, zegt hij. “In 1993 had ik zelf kleine kinderen en begreep ik niets van de drijfveren van Robert Thompson en Jon Venables. Ik had gehoopt dat ik op het proces een beetje inzicht in hun motieven zou krijgen. Dat viel lelijk tegen. Ik schreef mijn boek As if omdat ik in de eerste plaats wou aanklagen dat kinderen berecht werden als volwassenen. Thompson en Venables verschenen voor de rechter alsof ze volwassen daders waren. De Britse wet bepaalt dat een kind vanaf tien jaar voor moord of verkrachting terecht moet staan voor een rechtbank voor volwassenen. Alleen als een advocaat kan bewijzen dat zijn tienjarige cliënt het verstand van een peuter heeft, wordt hij geïnterneerd. Die regeling is absurd en gaat lijnrecht in tegen wat in de meeste landen geldt, waar tienjarige moordenaars bij jeugdrechters terechtkomen. Ik schaam me voor onze wetgeving. Af en toe is er wel eens een advocaat die een aanpassing vraagt, maar politici hebben daar geen oren naar. Ze dùrven die wet niet veranderen, omdat ze bang zijn dat het grote publiek hen bij de eerstvolgende verkiezingen zal afstraffen.”

 

Was het toeval dat de moord op James Bulger door twee tienjarigen plaats vond in Liverpool?

David James Smith: “Ik heb me dat al vaak afgevraagd. Liverpool torst een zware last van armoede. In de jaren zeventig stortte de tewerkstelling in. Tot dan had de stad de reputatie een wereldhaven te zijn, maar omdat ze geen containerschepen aankon, verloor ze de concurrentie met andere havens. De werkloosheid swingde de pan uit en gezinnen konden amper nog de eindjes aan elkaar knopen. De recente geschiedenis van de stad wordt gedomineerd door twee grote voetbalrampen waarin de club Liverpool en zijn supporters betrokken waren. Er was het Heizeldrama in 1985 met 39 doden en 400 gewonden en de Hillsborough disaster in 1989. Op de voetbalmatch tussen Liverpool en Nottingham Forest lieten toen op een overvolle tribune 96 supporters het leven en vielen er 766 gewonden. Ondanks al die miserie voelen Liverpudlians zich sterk verbonden met hun stad. Ik wou in 1993 onderzoeken wat het effect van de James Bulger-zaak was op het dagelijkse leven in Liverpool. Maar ik wou ook uitzoeken of de gebeurtenissen zelf misschien voor een deel te verklaren waren door de geschiedenis van de stad. Vlak na de moord verhuisde ik van Londen naar Liverpool, waar ik tien maanden gewoond heb. Toen het proces in november begon, was ik al min of meer ingeburgerd. Maar ik kan niet zeggen dat het verblijf in Liverpool me iets wijzer gemaakt heeft over de motieven van de twee daders. Ze kwamen allebei uit een gebroken gezin en zo waren er in die periode heel wat in Liverpool. Ik hoorde toen vaak de opmerking: ‘Veel kinderen komen uit disfunctionele families, maar dat wil nog niet zeggen dat ze peuters afmaken.’ Misschien is het net merkwaardig dat het niet meer gebeurt.”

Blake Morrison: “Een sluitende verklaring is er niet, maar er zijn toch een paar hints. Robert Thompsons agressieve vader verliet zijn zwaar getraumatiseerde vrouw Ann. Zij bleef achter met zeven zonen; Robert was de vijfde in de rij. Elke broer terroriseerde de andere. Ann begon stevig te drinken en werd het leven zuur gemaakt door haar eigen kinderen. Er was ook even sprake van dat zij Robert seksueel misbruikt zou hebben. Jon Venables was licht ontvlambaar en had zijn woedeaanvallen niet onder controle. Maar tijdens het proces leek het alsof hij de ‘meest kwetsbare’ van de twee was. Hij was hypernerveus, weende veel en leek eerder de meeloper dan het mastermind te zijn. Als je al die dingen samenlegt, heb je nog geen echte verklaring, maar wordt misschien wel een beetje duidelijker waarom ze peuter James doodden. Op een bepaald moment liepen ze met hem langs de spoorweg. Ze zeiden tegen mensen die ze tegenkwamen dat de jongen verloren gelopen was en dat ze hem naar het dichtstbijzijnde politiekantoor brachten. Maar dat waren ze helemaal niet van plan: ze wisten dat ze bij de politie sowieso in de problemen zouden komen. Ze wisten ook dat ze evenzeer in de shit zaten als ze met die kleine jongen terugkeerden. Ze waren bang voor de gewelddadige reacties van hun ouders. Dus namen ze James mee verder langs de spoorweg, weg van de problemen, en vermoordden hem.”

 

Black cap

Hoe verliep het proces?

Morrison: “De internationale media-aandacht was gigantisch. Ik herinner me nog gesprekken met journalisten uit andere Europese landen die amper hun ogen konden geloven. Ze zagen die twee kleine jongens op de beklaagdenbank zitten alsof het twee volwassen killers waren.”

Smith: “Rechter Morland kwam elke dag de zaal binnengeschreden met een zwarte doek op zijn hoofd. Die black cap droegen rechters vroeger als ze de doodstraf uitspraken. Het sloeg me koud om het hart als ik hem zo zag binnenkomen. De jongens waren zo klein dat ze vanop hun beklaagdenbankje niet over de gesloten reling konden kijken. Er moest een verhoog gebouwd worden, waardoor het leek alsof ze op een podium zaten. Het publiek in de zaal zat hen voortdurend aan te staren.”

Morrison: “Tijdens het proces werden ze aangeduid als ‘boy A’ en ‘boy B’, want omdat ze minderjarig waren, mocht de pers hun namen niet noemen. Maar aan het einde van het proces riepen kranten in hun commentaren de rechter op om de namen van de daders meteen na hun veroordeling bekend te maken. Ik geloofde nooit dat er op hun oproep zou ingegaan worden, want normaal gezien blijft een minderjarige dader tot zijn zestiende anoniem. Toch besloot rechter Morland dat hun namen gepubliceerd mochten worden. Ik vond dat onbegrijpelijk en onverantwoord. Zijn redenering was waarschijnlijk: we zijn er op het proces niet in geslaagd om hun motieven te achterhalen, misschien lukt dat een onderzoeksjournalist wel. Dus gooide hij hun namen te grabbel voor de tabloids en de andere media. Dat was echt merkwaardig, want Michael Morland had de reputatie een vriendelijke, begripvolle magistraat te zijn.”

Smith: “Ondanks die zwarte doek op zijn hoofd was de rechter inderdaad heel meelevend. Hij zorgde ervoor dat de jongens op tijd konden pauzeren en richtte de procesdagen in alsof het schooldagen waren. Op het einde blunderde hij toen hij zei dat de jongens James gedood hadden omdat ze naar te veel geweldfilms hadden gekeken. Ik vond het behoorlijk grote onzin dat hun belangrijkste drijfveer het bekijken van geweldvideo’s zou zijn.”

 

Hoe gedroegen de beklaagden zich tijdens hun proces?

Morrison: “Ze leken geen benul te hebben van wat er rond hen gebeurde. Enkel toen hun politieverhoren werden afgespeeld, zag ik hen reageren. Maar op zowat alle andere momenten zaten ze erbij alsof ze van een andere planeet kwamen. Een van de basisregels van onze procesvoering is dat je als beschuldigde je advocaat moet kunnen bevragen en instructies geven. Die twee jongens waren totaal niet in staat om op een intelligente manier met hun advocaten om te gaan. Zo pleitten ze allebei ‘onschuldig’. Waanzin, want de bewijslast was overweldigend. Ze hadden tijdens de verhoren ook toegegeven dat ze James gedood hadden. Het pleidooi dat hun advocaten voerden, was onvolwassen en schaadde hun verdediging. Ik voelde me daar zeer ongemakkelijk bij, maar waarschijnlijk waren David in ik toen zowat de enigen.”

Smith: “Op een dag lieten ze het politieverhoor van Jon horen waarin hij in huilen losbarstte en toegaf dat hij James Bulger vermoord had. Zijn gehuil op het bandje was afschuwelijk. Ik zag hem in de beklaagdenbank zitten en vroeg me af wat er op dat moment door zijn hoofd ging.”

 

In het arrest lijkt het alsof ze levenslang gekregen hebben, maar op hun achttiende kwamen ze vrij.

Morrison: “Ze kregen minimum acht jaar in een gesloten instelling, met de mogelijkheid om hen nog langer achter de tralies te houden. Die strafmaat van minimum acht jaar zorgde voor wenkbrauwgefrons en forse kritiek. De tabloids vonden het te soft. The Sun startte een campagne om de twee alsnog voor de rest van hun leven te laten opsluiten. Ze verzamelden daarvoor 280.000 handtekeningen. De toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Michael Howard schaarde zich achter dat initiatief en bewoog hemel en aarde om de minimumstraf te laten oprekken tot minstens 15 jaar. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft die beslissing van Howard later ongedaan gemaakt. De redenering daarachter is helder als pompwater: het is niet aan ministers om straffen te bepalen, maar aan rechters.”

Smith: “Ze kwamen in een gesloten instelling voor minderjarige daders terecht. Je mag het gerust een kindergevangenis noemen. Zij waren er de jongsten.”

Morrison: “Ze moesten niet naar een gevangenis voor volwassenen omdat de kans te groot was dat ze er door andere gevangenen hardhandig aangepakt zouden worden. De bedoeling was van in het begin dat ze op hun 18e zouden vrijkomen als ze klaar waren voor een ‘gewoon leven’. Blijkbaar was dat op hun 18e verjaardag ook zo.”

 

Ze kregen een nieuwe identiteit?

Morrison: “De Britse pers kreeg zware restricties opgelegd: er mochten geen foto’s van de jongens getoond worden van na hun tiende levensjaar. Kranten riskeerden ook zwaar beboet te worden als ze een heksenjacht op de jongens zouden openen.”

Smith: “De strenge straffen die op het openbaar maken van hun nieuwe identiteiten staan, dienen om Jon en Robert te beschermen. De rechter was er zich zeer goed van bewust dat hun leven in gevaar komt als hun nieuwe identiteit of hun verblijfplaats uitlekt. Wie recente foto’s van hen verspreidt of hun namen bekend maakt, riskeert twee jaar cel. Maar op sociale media trekken veel mensen zich daar niets van aan. Het kost niet veel moeite om op Twitter de vorige identiteit van Jon Venables te achterhalen, inclusief de stad waar hij leefde en de naam van zijn ex-lief.”

 

Kinderporno

Jon Venables zit sinds november vorig jaar terug in de gevangenis vanwege het bezit van kinderporno.

Smith: “In Groot-Brittannië blijft al wie een straf voor moord uitgezeten heeft, de rest van zijn leven vrij onder voorwaarden. Je zit niet meer in de cel, maar je kan op elk moment opgepakt worden als je een van de voorwaarden schendt. Elke kleine misstap kan betekenen dat je opnieuw voor lange tijd de cel ingaat. In juli 2010 werd Jon een eerste keer opgepakt en opgesloten voor het bezit en verspreiden van kinderporno. Na twee jaar werd hij weer vrijgelaten. Eind vorig jaar werd hij opnieuw gearresteerd voor dezelfde feiten. Hij moet nu veertig maanden brommen, maar het zou best kunnen dat hij nóg veel langer in de gevangenis moet blijven.”

Morrison: “In 2010 kwam ook aan het licht dat hij twee jaar eerder een waarschuwing gekregen had voor het bezit van cocaïne. Jons nieuwe identiteit is onlangs vermoedelijk door medegevangenen gelekt op Facebook, inclusief foto’s van hoe hij er nu uitziet. Het sociale medium moest die post onmiddellijk verwijderen. Zijn veroordelingen voor het bekijken van kinderporno zijn voor sommigen het bewijs dat hij als tienjarige de kleine James misbruikt zou hebben. Dat werd in 1993 al gezegd, maar daar was geen duidelijk bewijs voor. Al was de broek van de kleine Jamie afgestroopt en lagen er batterijen naast het lijk. De politie was er toen van overtuigd dat de twee jongens de batterijen in de anus van de peuter hadden gestopt. Maar het lijkschouwingsrapport bevestigde die theorie niet. Die details zijn nooit op het proces ter sprake gekomen omdat de aanklager en de rechter de familie Bulger wilden sparen. Een ding is zeker: Venables en Thompson wilden de kleine Jamie vernederen. Volgens sommigen vluchtte Venables later in kinderporno om zijn trauma van de moord op James Bulger te verwerken.”

 

Onderhuidse ellende

Robert Thompson werd door de Britse media altijd voorgesteld als de meest verstoorde van de twee. Jullie zijn het daar niet mee eens?

Smith: “Nee. Niet lang na het proces leerde ik Robert Thompsons moeder Ann kennen. Ik ontmoette haar in het huis van Roberts advocaat Dominic Lloyd. Ze wist dat ik een boek over de zaak wou schrijven en ze wilde er aan meewerken. Vier jaar lang waren we bevriend, maar onze vriendschap strandde nadat ze zich beledigd voelde door een van mijn artikels. Toen mijn eerste kind in 1994 geboren was, breidde Ann mutsjes voor de baby. Ik voelde veel medelijden met haar. Haar leven ging niet over rozen: haar vader en ex-man waren gewelddadig en ze worstelde met een alcoholverslaving. Maar ze steunde haar zoon Robert, ondanks wat hij misdaan had. Ze ging hem heel vaak in de instelling bezoeken. De mensen die voor Robert zorgden, vonden dat belangrijk. Ondanks al haar problemen, deed ze haar uiterste best om toch een goede moeder te zijn. Het is onmiskenbaar zo dat chaos en geweld bij de Thompsons regeerden. Dat werd op het proces ook duidelijk. Maar bij de Venables speelde de ellende zich onderhuids af, wat misschien veel gevaarlijker is. Jons ouders wisten tijdens het proces de schijn hoog te houden. De Britse auteur Brian Masters schreef talloze boeken over beruchte seriemoordenaars als Fred en Rosemary West. Hij volgde ook het proces en op een dag stond hij naast mij. Ik hoorde hoe hij Robert ‘vuil uitschot’ noemde. Jon noemde hij dan weer vertederd ‘a little sweetheart’. Ik dacht: ‘Nee kerel, je hebt het compleet mis.’ De latere geschiedenis van de twee geeft me gelijk: Robert is na zijn vrijlating nooit meer met justitie in aanraking gekomen, Jon raakte diep in de shit. Toen mijn boek pas uit was, gaf ik op een festival een lezing over de James Bulger-zaak. Na afloop kwamen een paar naaste familieleden van Jons ouders naar me toe. Zij vertelden me off the record gruwelijke verhalen over de familie Venables die het gedrag van Jon kunnen verklaren.”

 

Jon werd als kind door zijn vader seksueel misbruikt?

Smith: “Ik kan dat niet bewijzen, maar zijn latere gedrag wijst daar op. Het is gewoon een feit dat veel daders ooit zelf misbruikt zijn. We weten niet of Jon kinderen misbruikt heeft, maar hij is wel een grote fan van kinderporno.”

 

Robert Thompson zou ondertussen zelf ook vader geworden zijn.

Morrison: “Dat schijnt zo te zijn, maar met zekerheid weten we dat niet. Je las dat in een Belgische krant? De Britse pers is zeer voorzichtig in haar berichtgeving over Thompson en Venables. Officieel is het ten strengste verboden om ook maar iets te publiceren dat hun identiteit kan onthullen. De boetes zijn hoog en zelfs de tabloids houden zich daaraan.”

 

Thompson zou in 2005 vader geworden zijn, maar zijn vriendin zou hem niet lang na de geboorte verlaten hebben. Jamie’s moeder Denise Fergus zou daar heel erg boos over geworden zijn.

Morrison: “Denise is woedend over alles wat met de moord op haar zoon te maken heeft. Het ligt ondertussen 25 jaar achter ons en de twee daders zijn 35. Het is niet zo verwonderlijk dat een van hen ondertussen vader geworden is. Ik vind de heisa daarrond ietwat overdreven.”

Smith: “Het moet verschrikkelijk zijn om met een andere identiteit door het leven te moeten gaan. Het is alsof je jezelf ontkent. Toen Venables cover in 2010 opgeblazen werd, werd gezegd dat hijzelf zijn identiteit aan een paar mensen verraden had, omdat hij de druk van het dubbelleven niet langer aankon. Laat er geen twijfel over bestaan: die twee jongens hebben op hun tiende een verschrikkelijke misdaad gepleegd. Dat alleen al moet vreselijk om dragen zijn. Van dat trauma raken ze nooit meer af. Vervolgens was er dat proces. Hun jeugd brachten ze door in een gevangenis. Op hun achttiende kwamen ze buiten en moesten ze proberen het leven van iemand anders te leiden. Voortdurend was er die angst dat een of andere heethoofd hen uit de weg zou ruimen. Want dat risico is zeer reëel. In de tabloids worden ze sinds 1993 consequent monsters genoemd. Tik hun namen in op Twitter en lees wat sommigen graag met hen zouden willen doen. De achttiende-eeuwse Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau noemde de kindertijd de ‘slaap van de rede’. De rede lag in een diepe slaap toen Robert en Jon die 12e februari 1993 met James langs de spoorweg wandelden. Ze waren te jong om echt wakker te zijn en te beseffen wat ze aan het doen waren toen ze hem van het leven beroofden. Ik vond ook dat de rede ingeslapen was tijdens het proces, toen de publieke opinie zo woest reageerde op die twee kinderen. 25 jaar later slaapt de rede in dit land trouwens nog steeds, want de roep om wraak klinkt even luid.”

 

(c) Jan Stevens

‘Ik ben een optimist: binnen 50 jaar zijn er uitvindingen die onze grootste problemen zullen oplossen’

Vlak na de summer of love van 1967 verscheen De naakte aap van Desmond Morris. Het boek zorgde voor ophef, want Morris had het lef om de mens te herleiden tot de diersoort die hij in wezen is: een aap zonder vacht. 20 miljoen exemplaren en vijftig jaar later blijft de inmiddels 90 jaar oude zoöloog pal achter elk woord uit zijn everseller staan. “Het boek blijft actueel, want veel is er niet veranderd. Ons beeld is vertekend door wat we in kranten en tijdschriften lezen. Of gelooft u echt dat Mick Jagger met zijn acht kinderen bij vijf vrouwen de norm is?”

_DSC0002

In 1967 beschreef zoöloog Desmond Morris in De naakte aap het gedrag van de mens zoals hij dertien jaar eerder dat van de tiendoornige stekelbaars beschreven had voor zijn doctoraatsthesis aan de universiteit van Oxford. “De hoofdstukindeling uit mijn thesis was dezelfde als die uit De naakte aap”, zegt hij. “Met hoofdstukken over seks, opvoeden, agressie en voedingsgewoonten. Ik bracht het gedrag van de mens in kaart alsof hij een rare diersoort is. Massaal veel mensen waren gechoqueerd, want ik had het ook aangedurfd om gedetailleerd te schrijven over copulerende mannen en vrouwen. Toch was het niet mijn bedoeling om lezers de kast op te jagen: ik beschreef het seksleven van de mens gewoon even objectief als dat van de stekelbaars. Zonder perverse bijbedoelingen.”

We zitten in het atelier van de pas 90 geworden legendarische zoöloog, schrijver én schilder, op een boogscheut van het centrum van Oxford. In de ene kamer schrijft hij, in de andere schildert hij surrealistische doeken. Zijn atelier oogt als een natuurhistorisch museum uit de negentiende eeuw, met overvolle boekenkasten tegen de wanden. Overal liggen, hangen en staan voorwerpen en beeldjes die hij op zijn vele reizen verzamelde. “U hebt een indrukwekkende mancave”, merkt de fotograaf op. Morris bulderlacht en poseert gewillig languit op de sofa met mijn oude Nederlandse editie van De naakte aap in de hand. Om de (ruim) vijftigste verjaardag van het boek te vieren, verschijnt er begin maart een nieuwe vertaling met een nieuwe titel: De kale aap. In Nederland en België is Morris’ naked ape voortaan dus niet langer naakt, maar kaal. Tot nu werden er van De naakte aap wereldwijd meer dan 20 miljoen exemplaren verkocht in allerlei vormen en maten.

Desmond Morris: “Dat succes bezorgde mij en mijn familie veel comfort, maar heeft me als mens niet wezenlijk veranderd. Ik heb De naakte aap voor de heruitgave herlezen en ik vind het even actueel als in 1967. De mens is nog steeds even creatief, onze agressiviteit staat op hetzelfde peil en ook ons seksueel gedrag is niet veranderd. Al denken jonge mensen nu wel dat hun seksleven totaal anders is dan dat van hun ouders en grootouders, terwijl dat vooral aan modetrends onderhevig is.”

 

Op 24 januari werd u 90. Hebt u dat uitbundig gevierd?

_DSC0026Morris: “De universiteit van Oxford gaf een groot feest. Dat was fijn, want mijn oude vrienden Richard Dawkins en David Attenborough waren er ook. Ik kan maar moeilijk geloven dat ik zo oud geworden ben. Ik was er altijd van overtuigd dat ik rond de millenniumwissel het bijltje erbij zou neerleggen. Ik heb me nooit veel zorgen over mijn gezondheid gemaakt. Ik vermoed dat net dat de reden is waarom ik het al zo lang uitzing. Weet u welke mensen maar weinig kans maken om relatief gezond stokoud te worden? Al die mannen en vrouwen die bezeten zijn door ‘gezonde voeding’ en het ene dieet na het andere uitproberen. Ze gaan dood van schrik en nervositeit. Want angst en stress verminderen de efficiënte werking van ons immuunsysteem. In augustus 1996 trok ik voor de BBC naar het verjaardagsfeestje van Jeanne Calment in Arles. Ze werd toen 121 en was de oudste mens ter wereld. Ik vroeg haar: ‘Hoe is dit u gelukt?’ Ze antwoordde: ‘God is me vergeten.’ (lacht)”

 

Klopt het verhaal dat ze een stevige rookster was?

Morris: “Ze pafte inderdaad meer dan een eeuw lang. In haar 106e levensjaar probeerde haar omgeving haar ervan te overtuigen te stoppen, waarna ze sigaretten van anderen begon te bietsen. Ze dronk goedkope rode wijn en at vettige bouillabaisse. ‘Wat is toch uw geheim?’ smeekte ik. ‘Mijn naam is Calment’, zei ze. ‘Je reste calme.’ Ze had gelijk. De sleutel voor het bereiken van een hoge ouderdom ligt in ons immuunsysteem. Angstige mensen en piekeraars ondermijnen hun immuniteit, ook al gaan ze joggen of fitnessen en letten ze als een maniak op hun voedsel. Hun angst om ziek te worden, doet hen de das om. Wil je stokoud worden? Wind je dan niet langer op, keep calm, geniet van het leven en blijf nieuwsgierig. De dag dat je jezelf geen vragen meer stelt, teken je je doodvonnis. De fotograaf moet blijven zoeken naar een beter, scherper beeld. U moet elke keer opnieuw een nóg beter artikel schrijven. Stress doodt op termijn, maar een mens heeft wel een beetje stress nodig om scherp, creatief en gedreven te blijven. Nieuwsgierigheid heeft de menselijke soort alleen maar vooruit geholpen. Ik heb in mijn leven 105 landen bezocht omdat ik ze dolgraag wou zien, niet omdat ik ze per se moést zien. Ik ben ondertussen gestopt met reizen omdat mijn vrouw bedlegerig is en ik voor haar zorg. We zijn getrouwd sinds 1952. De voorbije maanden heb ik leren koken. Ramona liet me nooit toe in de keuken. Ze was een fantastische kok en al die jaren schotelde ze me zalige gerechten voor. Ik schilder ook elke dag. Zo hou ik mijn creativiteit op peil.”

 

Wanneer bent u beginnen schilderen?

Morris: “Ik heb dat mijn leven lang gedaan. In totaal moet ik ongeveer 3000 doeken geschilderd hebben. In het begin raakte ik ze aan de straatstenen niet kwijt. Nu ik oud ben, beginnen mensen mijn werk te verzamelen. Ik had zelf een gigantische collectie eigen werk; die is ondertussen verkocht. Ziet u dat doek hier boven mij? Het heet The City en ik heb het in 1948 vernietigd.”

 

Hoezo? Het hangt hier nu toch?

Morris: “Vóór ik het originele werk vernietigde, maakte ik er een foto van. Jaren later liet ik het kopiëren. Er is een bedrijf in Thailand waar je gefotografeerde schilderijen op ware grootte kan laten naschilderen. Ze schilderen een werk exact zoals het ooit was, het is echt griezelig. Dat kostte amper 400 pond. Dat Thaise bedrijf heeft 27 kunstschilders in dienst en de man aan de telefoon zei: ‘Uw doek wordt geschilderd door onze in Duitse surrealisten gespecialiseerde medewerker.’ Als je daar goed over begint na te denken, is dat eigenlijk zeer verontrustend. Want voor een habbekrats maken ze perfecte kopieën van Picasso en Dalí.”

_DSC0034

Waarom hebt u dat schilderij eerst vernietigd?

Morris: “Als jongeman kon ik ik me geen nieuw schilderdoek permitteren. Vlak na de oorlog was ik blut, maar ik moest en zou schilderen. Dus schuimde ik veilingen af om goedkope schilderijen te kopen, enkel voor het canvas en de kaders. Veel huizen waren gebombardeerd en de veilinghuizen verkochten inboedels aan de lopende band. Voor amper vier shilling kocht ik een lot van vier grote schilderijen. Een shilling is vandaag 40 pence of ongeveer een halve euro. In de jaren tachtig zou blijken dat een van die vier schilderijen een landschap van de 17e-eeuwse beroemde Britse schilder Thomas Gainsborough was. Ik heb dat doek toen verkocht voor 100.000 pond. Tel uit mijn winst. (lacht) Op het moment dat ik de waarde van dat ene schilderij ontdekte, was het andere veertig jaar eerder door mezelf overschilderd. Ik dacht: ‘O help, wat als dat óók een Gainsborough is?’ Het originele doek was alleszins in zijn stijl. Dus maakte ik een foto van The City, stuurde die voor een kopie naar Thailand en bracht het doek naar een restaurateur om er al mijn verf af te laten krabben. Er bleek jammer genoeg geen Gainsborough onder te zitten, en nu heb ik er ontzettend veel spijt van dat mijn werk vernietigd is.”

 

Wou u oorspronkelijke liever schilder dan zoöloog worden?

Morris: “Toen Wereldoorlog II woedde, zat ik op de middelbare school. Mijn school was vaste leverancier van kanonnenvoer; ik liep rond in een uniformpje en werd klaargestoomd voor het front. Gelukkig is de oorlog net op tijd gestopt en moest ik pas in 1946 aan mijn legerdienst beginnen, anders hadden wij hier nu niet gezeten. Ik zag de oudere jongens vertrekken en sneuvelen. Elke morgen las de headmaster een lijst voor van de laatstejaars die de dag en nacht ervoor gedood waren. Wij werden als jonge jongens getraind om van zodra we 18 waren andere jongvolwassenen af te knallen. Ze wilden moordmachines van ons maken. Ik was geen sportief jongentje, maar eerder een tobbende tiener. Ik zat altijd te lezen en schreef veel. Ik kwam tot het besluit dat de menselijke soort compleet waanzinnig geworden was. In een van mijn schoolopstellen schreef ik: ‘Mensen zijn apen met zieke hersenen.’ Ik walgde van het establishment en van de overheid die mensen vermoordde. Als tegenwicht was er mijn familie: thuis werd ik met veel liefde omringd. Mijn vader stierf toen ik veertien was. Het gevolg van verwondingen die hij tijdens de Eerste Wereldoorlog opliep. Hij kwam terug uit de Belgische loopgraven met één long die op halve kracht functioneerde. Als kind zag ik die sterke man wegkwijnen. Mijn haat tegen de autoriteiten, tegen het leger, de kerk en de staat, was zeer intens en is nooit verdwenen. Never. Maar mijn moeder zorgde zo goed voor mij dat ik het haar niet kon aandoen om een allesvernietigende rebel te worden. Ik kon alleen uitgroeien tot een constructieve rebel. Ik kom uit een niet al te welstellend milieu, toch droomden mijn ouders ervan dat ik dokter zou worden. Maar mensen helpen, zag ik niet zitten. Ik draaide mijn rug naar de mensheid, werd zoöloog en richtte me in mijn wetenschappelijk werk op alle andere dieren. Ik raakte geobsedeerd door de studie van het gedrag van vissen, reptielen, amfibieën en andere zoogdieren. Dat was mijn constructieve daad van verzet. Op de middelbare school vond ik in de bibliotheek een boek over het surrealisme. Ik leerde dat die stroming geboren was uit rebellie tegen de Eerste Wereldoorlog. De eerste surrealisten wezen met een beschuldigende vinger naar het establishment van toen dat miljoenen mensen over de kling joeg. Ze noemden de autoriteiten rot en corrupt en rebelleerden in de jaren twintig via hun filosofie en kunst. Ik herkende me daar in de jaren veertig volledig in en ik begon surrealistische doeken te schilderen. Dat was mijn tweede vorm van constructief verzet die ik tot vandaag blijf koesteren.”

 

Want u bent nog steeds een zeer productief schilder?

Morris: “In 2017 maakte ik 440 schilderijen. Ik ben zo productief omdat ik aan elk nieuw jaar begin met het besef dat het mijn laatste wordt. Ik ben te oud geworden om uit te stellen, ik kan niets meer op de lange baan schuiven. ‘Volgend jaar’ zou er wel eens niet meer kunnen zijn. Als je jong bent, denk je dat je het eeuwige leven hebt. Ik heb meer schilderijen in de 21e eeuw geschilderd dan in de 20e. Toen ik het jaar 2000 tegen mijn verwachtingen in overleefde, gaf dat een geweldige boost aan mijn productiviteit als schilder. Ik werk nu keihard om zoveel mogelijk schilderijen af te maken.

“Mijn leven lang kreeg ik opmerkingen over de combinatie van mijn werk als wetenschapper en kunstenaar. Voor mij is dat vanzelfsprekend. Als zoöloog heb ik altijd geprobeerd om het ingewikkeld wetenschappelijke naar een groot publiek te vertalen. In mijn kunst ben ik dan weer bezig met het vertalen van ogenschijnlijk simpele dingen als kleur naar een gecompliceerd beeld. Ik heb die twee leefwerelden nodig om goed te kunnen blijven functioneren. Ik lette er altijd op dat zowel de wetenschappelijke als de artistieke Desmond Morris netjes in evenwicht bleven. Toen ik vanaf 1959 acht jaar lang curator van London Zoo was en driehonderd zoogdierensoorten onder mijn hoede had, bleef ik wetenschappelijke artikels schrijven. In de weekends zat ik in mijn atelier te schilderen. Ik vind mijn dubbelleven normaal, maar sommigen mensen snappen dat niet.”

 

Mag ik u met uw vele documentaires en boeken over dieren en hun gedrag een pionier van de vulgarisering van de wetenschap noemen?

Morris: “Graag. Begin jaren vijftig begon ik te werken als wetenschappelijk onderzoeker aan het departement Zoölogie van de Universiteit van Oxford, bij Niko Tinbergen, de wereldberoemde onderzoeker van dierengedrag. Ik voelde toen al de behoefte om mijn werk met een breed publiek te delen. De enige die in die tijd populaire boeken over wetenschap schreef, was Julian Huxley, bioloog en broer van de dichter Aldous Huxley. Hij werd daar vanuit academische middens zwaar voor bekritiseerd en raakte er zelfs door in de problemen. Een wetenschappelijk onderzoeker die de populaire toer opging, werd door zijn collega’s met de nek aangekeken. Ik trok me daar niets van aan en in 1956 kwam ik voor het eerst op tv. Elf jaar lang presenteerde ik elke week het razend populaire Zoo Time. Zo leerde ik op een toegankelijke, begrijpelijke manier over dieren praten. Tijdens de opnames van de eerste afleveringen werd ik voortdurend terechtgewezen door de regisseur. ‘Je hebt een technische term gebruikt, is er een alternatief?’ ‘Maar ik moét dat woord gebruiken.’ ‘Nee, alle jargon vliegt eruit, zoek een eenvoudig woord.’ Dat was een harde leerschool, waar ik de rest van mijn carrière de vruchten van geplukt heb. Het stelde me in staat om aan De naakte aap te beginnen schrijven in een taal die elke gewone mens kon begrijpen.”

 

U schreef dat boek in vier weken.

Morris: “Er was niet meer tijd voorhanden. Ik had eerst noodgedwongen tabula rasa in mijn leven gemaakt. Elke week was er Zoo Time op ITV en om de twee weken had ik nog een dierenprogramma van een uur op de BBC. Daar kwam dan nog eens mijn curatorschap van London Zoo bij, met op dat moment de grootste zoogdierenverzameling ter wereld. Ik begeleidde ook acht doctoraatstudenten en zat in radioprogramma’s waar ik boeken besprak. Ik werkte als gek en zat in een dollemansrit. En dan was er als top of the bill die waanzinnige reis naar Rusland. In 1965 vergezelde ik onze reuzenpanda Chi-Chi naar de zoo van Moskou, waar ze zou gaan paren met de Russische panda An-An. De Koude Oorlog woedde in volle hevigheid en het duurde niet lang of de Russen waren er zeker van dat ik een spion was. Ze konden niet geloven dat die gekke Brit enkel maar naar Moskou gevlogen was om twee reuzenpanda’s te laten paren. Ik werd overal door de KGB gevolgd en mijn elektrisch scheerapparaat werd op mijn hotelkamer uiteen gehaald. Ze kregen het niet meer ineen. (lacht) Op een dag zei een van mijn ‘begeleiders’: ‘Ga een wandeling maken.’ Ik protesteerde, het vroor stenen uit de grond. ‘Nee, ga wandelen. Bezoek het winkelcentrum GOeM.’ De hele tijd werd ik gevolgd door twee kerels met de Pravda onder de arm. Toen ik door het winkelcentrum aan het kuieren was, werd ik aangesproken door een jongeman. ‘Listen very carefully’, zei hij. ‘Bent u geïnteresseerd in plannen van een geheime fabriek?’ Ik antwoordde: ‘Vandaag niet, dank u.’ (lacht) Later hoorde ik van de Britse ambassadeur dat ik veel geluk had gehad dat ik niet voor de grap ‘ja’ had gezegd. Want dan was ik opgepakt en afgevoerd voor ondervraging.”

 

De Russen waren paranoïde?

Morris: “Helemaal niet.”

 

U was echt een spion?

Morris: “Toch niet. Ik was in die tijd goed bevriend met de zoöloog Maxwell Knight. Hij was een bekende Brit met een zeer populair radioprogramma over fauna en flora waar ik ook aan meewerkte. Ik vond het bizar dat Max aan het gebouw van de BBC altijd opgehaald werd door een grote zwarte auto. Pas jaren later kwam ik te weten dat hij in werkelijkheid het hoofd was van de contraspionage van MI5. De Russen wisten dat en zij wisten ook dat ik een goede vriend van Max was. Ian Fleming noemde James Bonds baas ‘M’, en dat is geen toeval, want M is geboetseerd naar Max Knight. De KGB was ervan overtuigd dat ik een van Max’ jongens was. Met de hand op het hart: ik was dat niet. Maar die bewogen reis naar Moskou bezorgde me nog meer stress dan ik al had. Terug thuis werd ik ernstig ziek. Ik kon een paar maanden niet meer werken. Tot de dag van vandaag vraag ik me af of ze me toen hebben proberen vergiftigen. Tijdens mijn ziekte besloot ik mijn levensstijl drastisch te veranderen. Ik stopte met een tv-reeks, zei alle radiopraatjes en nevenactiviteiten af. Ik nam een maand vrij om één boek te schrijven: De naakte aap. Dat werd een zeer intense ervaring. Ik kan me nog goed mijn zwetende handpalmen herinneren toen ik het aan het tikken was.”

 

Was u op dat moment nog een mensenhater?

Morris: “Nee. Door tijdens de oorlog op te groeien had ik een vertekend beeld gekregen. Wie nu in Syrië woont, vindt de mens ook een gruwelijk wezen. In de sixties zag ik de mens als een uitzonderlijke soort met veel talenten en kwaliteiten. Tot voor mijn boek had trouwens niemand aandacht voor die kwaliteiten. Nu ook niet meer. In de krant lees je nooit: ‘Mijnheer Smith stond vanmorgen goedgemutst op en bracht de dag vredevol door. Hij veroorzaakte geen overlast en berokkende niemand schade.’ Dat is geen nieuws, terwijl dat geldt voor de overgrote meerderheid van de 7,6 miljard mensen op deze planeet. Het is maar een minderheid die oorlogen veroorzaakt. Natuurlijk vinden er nu gruwelijkheden plaats in Syrië en Irak, maar in 190 andere landen is het min of meer peis en vree. Toch beheersen de schurken het nieuws. De man die zijn baby vermoordt, wordt een hoofdpunt in het journaal, niet degene die zijn kind wiegt. Met De naakte aap wou ik ons vertekende beeld van de menselijke soort corrigeren.

“Een van de sterkste eigenschappen van de mens is altruïsme, ons vermogen om voor anderen te zorgen. Andere diersoorten hebben dat niet of in veel mindere mate. Altruïsme is ons niet aangepraat door religie of ethiek, maar is aangeboren. We hebben dat gedrag ontwikkeld om te kunnen overleven. Als we tienduizenden jaren geleden op jacht trokken, moesten we wel samenwerken om voldoende prooi voor de hele stam te verzamelen. Het menselijke vrouwtje is het enige zoogdier dat bereid is te paren terwijl ze nog in de moederschapsfase zit en een zuigeling heeft. Ondertussen draagt ze ook nog eens de zorg voor haar baby, peuter, kleuter, tiener en puber. Zo maakt het vrouwtje het mogelijk dat het geboortecijfer drastisch opgekrikt wordt. Vóór er sprake was van contraceptie, had het vrouwtje heel wat kinderen om voor te zorgen. Om alles te kunnen bolwerken, hielpen de vrouwtjes elkaar. De mannen gingen ondertussen samen op jacht.”

 

Feministes stoorden zich aan het beeld dat u van vrouwen in De naakte aap schetste en dat u nu herhaalt. De Britse wetenschapsjournaliste Angela Saini stelde onlangs in The Guardian dat u met uw ‘mannelijke arrogantie’ veel schade heeft aangericht.

Morris: “Ik vind dat zo jammer en ik word daar triest van. De feministes begrijpen me verkeerd. Zij zeggen: ‘Morris ziet de man als “machtige jager” en de vrouw als kneusje dat moest zorgen voor een gezellige thuisbasis.’ Maar mannen gingen nu eenmaal jagen omdat ze gespierder waren dan vrouwen. Als het een troost kan zijn: mannen waren minder essentieel voor het voortbestaan van de stam. In dat kleine groepje was elke vrouw wél van levensbelang, want zij zorgde voor het nageslacht. Als een man om het leven kwam, kon de stam blijven voortkweken. Maar als een vrouw stierf, kromp meteen de geboorteproductie. Het werk was zo verdeeld dat de vrouwen gewoon àlles deden, behalve de jacht. De vrouwen zaten in het centrum en de mannen als gespecialiseerde jagers in de periferie. In De naakte aap suggereer ik nergens dat vrouwen ondergeschikt zijn aan mannen. Maar feministes mogen zeggen wat ze willen: er is wel degelijk een groot psychologisch verschil tussen mannen en vrouwen. Mannen nemen risico’s en vrouwen zijn voorzichtiger en redelijker.”

 

Het zou dus een goede zaak zijn als in de samenleving de vrouwen de touwtjes in handen krijgen?

_DSC0087Morris: “Dat heb ikzelf altijd klaar en duidelijk gezegd. Mannen moeten uit de politiek geweerd worden. Ze zijn nog steeds jagers, nemen risico’s en hebben last van hun ego’s. Meer dan ooit hebben we nood aan voorzichtige vrouwelijke politici. Maar let op: op 100 vrouwen zijn er 8 mannelijker dan de mannelijkste man. In een door mannen beheerste politieke wereld zag een mannelijke vrouw zoals Margaret Thatcher haar kans schoon om de macht te grijpen. Ze trok vervolgens bloedig ten strijde tegen de Argentijnen tijdens de Falklands-crisis. Gelukkig zijn er ook vrouwelijke mannen aan wie we prachtige gevoelige gedichten te danken hebben. Door de verstedelijking speelden vrouwen hun centrale rol in de stam kwijt en grepen mannen de macht. Het centrum van de stad werd hun jachtgebied. Ze joegen daar niet op dieren, maar op contracten en zakendeals. Het stadscentrum werd gedomineerd door mannen, terwijl vrouwen in de voorsteden weggestopt zaten. Natuurlijk voelden de dames zich daar niet gelukkig mee, want ze waren hun centrale rol in de maatschappij kwijt. Het feminisme is dus best zinvol, alleen trekken feministes niet ten strijde voor iets nieuws, maar voor iets heel erg oud: het herstel van hun geboorterecht als centrale kracht.”

 

In 1967 sprak u op het einde van De naakte aap uw angst uit over de snel groeiende wereldbevolking.

Morris: “Ik was daar toen al erg bezorgd over, en kijk waar we nu zijn aanbeland. In 1967 liepen er 3000 miljoen mensen op de planeet, nu 7,6 miljard. Die razend snelle aangroei zet steeds meer druk op het traditionele gezin van man, vrouw en kinderen en dat baart mij zorgen.”

 

Dat traditionele gezin hebben we toch al lang achter ons gelaten? Het beeld van het gezin uit De naakte aap is erg jaren zestig: met een gehuwde man en vrouw die levenslang samenblijven. Nu groeien heel wat kinderen toch op in nieuw samengestelde gezinnen?

Morris: “Zoveel is er echt nog niet veranderd, hoor. Uw beeld is vertekend door wat u in kranten en tijdschriften leest. Of gelooft u echt dat Mick Jagger met zijn acht kinderen bij vijf vrouwen de norm is? U moet eens naar de eilanden in de Stille Oceaan reizen: daar ziet u de zegeningen van een gelukkig familieleven met eigen ogen. Natuurlijk is het in een drukke grootstad met veertig miljoen inwoners veel moeilijker om gewone familiale verbanden in stand te houden. Toch sta ik ervan te kijken dat er ondanks al die drukte en stress nog zoveel gelukkige gezinnen zijn. Akkoord, er zijn meer scheidingen dan vroeger, maar veel koppels blijven samen en leiden een harmonieus bestaan. Alleen komen zij niet in het nieuws.”

 

Ondertussen is er ook de klimaatverandering. In 1967 was daar nog geen sprake van.

Morris: “Maar er is altijd klimaatverandering geweest. Er was nooit een periode zonder. De ijstijd was niets anders dan klimaatverandering. We hebben een hele serie ijstijden gekend.”

 

De huidige klimaatverandering hebben we zelf gecreëerd.

Morris: “Dat wordt ons verteld. Ik zeg niet dat wij er geen rol in spelen, maar het is ook een feit dat zonder menselijke inbreng het klimaat ooit veel ingrijpender dan nu wijzigde. Het is gewoon niet stabiel. Nu krijgen we een warmere periode, maar binnen afzienbare tijd zitten we misschien terug in zo’n ijstijd. Hét probleem is de globale vervuiling. Samen met de stijgende wereldbevolking groeit de afvalhoop. Toen mijn zoon Jason tien was, toonde ik hem Afrika. We zagen olifanten, giraffen, neushoorns, leeuwen. Jason is nu 50 en in veertig jaar tijd is tachtig procent van de Afrikaanse wilde dierenpopulatie uitgestorven. Er blijft maar twintig procent meer over van wat wij toen zagen. Dát is schrikwekkend.”

 

U ziet de toekomst somber in?

Morris: “Helemaal niet. Ik ben een uitgesproken optimist. De mens beschikt over een inventief stel hersenen en zoekt altijd oplossingen voor alle grote problemen waarmee hij geconfronteerd wordt. Geen enkel zoogdier is even innovatief als wij. Het geeft me hoop dat sommige superrijken hun fortuin investeren in goede doelen. Ik voel veel bewondering voor Bill Gates: hij stopt miljarden dollars in medisch onderzoek. Ik voorspel dat er binnen vijftig jaar uitvindingen zullen zijn die de grootste ellende zullen oplossen.”

 

U zal niet veel meer van die toekomst meemaken.

Morris: “Dat vind ik heel jammer. Of ik bang ben voor de dood? Woody Allen zei ooit: ‘Ik vind sterven niet zo erg, ik wil er alleen niet bij zijn als het zover is.’ Dat geldt ook voor mij. Ik weet dat ik niet veel tijd meer heb, daarom telt elke seconde. Elke dag moet ik een tekening of schilderij maken, of iets schrijven. Ik ga meestal nooit voor vier uur ’s nachts naar bed.”

 

Hoe wil u na uw dood herinnerd worden?

Morris: “Als een schrijver met een bestseller in de top 100 aller tijden. Maar ook als een kunstenaar met een schilderij in de Tate. Want die combinatie is uniek.”

 

Desmond Morris, De kale aap, Atlas Contact, 224 blz., 24,99 euro

 

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

‘De eindejaarsperiode is extra gevaarlijk: mensen slikken eerst hun dosis tramadol en gaan dan op recepties een paar glazen alcohol drinken. Totaal onverantwoord’

Eind oktober riep president Donald Trump de noodtoestand uit over de opioïde-epidemie in de VS. In België nam in 2016 tien procent van de bevolking minstens een keer zijn toevlucht tot opioïde pijnstillers. 1 op 5 van de Belgen die dagelijks aan het spul zitten, is jonger dan 50. “Erg verontrustend”, vindt toxicoloog Jan Tytgat.

 

Uit cijfers van het Riziv blijkt dat tussen 2005 en 2014 het algemene verbruik van opioïdepijnstillers zoals tramadol, fentanyl en oxycodon in ons land verdubbelde. “Ik maak me daar zorgen over”, zegt professor toxicologie Jan Tytgat van de KULeuven. “De opioïden zijn familie van opiaten zoals morfine en codeïne. Opiaten zijn natuurproducten die gewonnen worden uit de papaverplant en opioïden zijn de synthetische afgeleiden. Tramadol is een volledig synthetisch opioïde; oxycodon is semisynthetisch, net als het verwante heroïne. Zowat iedereen heeft schrik voor die harddrug, maar we zijn niet bang voor fentanyl, tramadol en oxycodon, terwijl ze veel minder onschuldig zijn dan ze klinken.”

In de VS sterven dagelijks 100 burgers aan een overdosis opioïdepijnstillers. Meer dan 20.000 Amerikanen namen in 2016 een fatale dosis, wat een verdubbeling is van het jaar ervoor. De opioïde-epidemie heeft intussen zo’n verwoestende omvang aangenomen dat de Amerikaanse president Donald Trump eind oktober er de noodtoestand over uitriep. Wereldwijd zijn de inwoners van de VS de grootste consumenten van opioïden. Van elk miljoen inwoners slikken er 50.000 elke dag hun dosis. Op de tweede plaats staat Canada met 30.000 dagelijkse slikkers per 1 miljoen. In de meeste Europese landen schommelt de dagelijkse consumptie rond 25.000. In het Europees kampioenschap opioïdeslikken prijkt België op de derde plaats, na Oostenrijk en Duitsland.

Voor Audry Dorigo, woordvoerster van minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD), is er in België geen enkele reden tot paniek. “De toestand in de VS verschilt fundamenteel van de onze”, stelt ze. “Veel Amerikaanse patiënten aanvaarden geen pijn na een ingreep en dreigen dikwijls met juridische stappen tegen hun arts als dat wel zo zou zijn. Uit angst daarvoor kiezen dokters meteen voor zware opioïden in plaats van gebruikelijke pijnstillers zoals paracetamol. Opioïdepijnstillers worden in de VS massaal verkocht en in bijna elk Amerikaans huishouden vind je in het medicijnkastje nog ongeopende verpakkingen. Het gebruik van sterke pijnstillers ligt vaak aan de basis van een latere verslaving. Wij kennen in België zo nog geen toestanden, al moeten we het stijgende opioïdengebruik natuurlijk goed in de gaten houden. Maar die stijging hoeft niet per se negatief te zijn. Het voorbije decennium hebben we veel geleerd over de problematiek van chronische pijn en zijn we pijnklachten beter en intensiever gaan behandelen. Vroeger werden sterke pijnstillers enkel aan kankerpatiënten gegeven. Nu worden ze ook gebruikt voor patiënten met chronische pijn. De duur van de gemiddelde behandeling met sterke opioïden stijgt daardoor aanzienlijk.”

Erik Rossignol van de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle (DGEC) van het Riziv maakt zich wel zorgen. “In 2016 waren er 30.353 chronisch grote gebruikers van opioïden; in vergelijking met 2010 is dat een stijging met 28 procent”, zegt hij. “Een chronisch grote gebruiker is iemand die op één jaar tijd minstens 365 doorsnee dagdosissen afhaalt bij de apothekers. Een doorsnee dagdosis of DDD is de gemiddelde onderhoudsdosis die een volwassene per dag mag gebruiken. Wat ons het meest verontrust, is dat één op de vijf chronisch grote gebruikers jonger is dan vijftig jaar.”

 

In België slikken dus meer dan 6000 jonge mensen elke dag hun dosis zwaar verslavende opioïde?

Erik Rossignol: “Ja. In de totale groep van chronisch grote gebruikers zitten ook palliatieve patiënten. Met hun opioïdengebruik is niets mis; de pijnstillers maken hun levenseinde comfortabeler. Andere chronisch grote gebruikers hebben ernstige rugklachten of herstellen van zware kankerbehandelingen. Maar dat verklaart nog niet waarom het aandeel jonge gebruikers zo in de lift zit. Pijn zou behandeld moeten worden volgens de pijnladder van de Wereldgezondheidsorganisatie die drie treden telt. Opioïden zouden enkel voorgeschreven mogen worden voor de middelste en de hoogste pijntrede en niet voor een banale hoofdpijn. Daar dienen pijnstillers als Dafalgan voor. Opioïden kunnen hyperalgesie veroorzaken: op lange termijn word je overgevoelig aan pijn.”

 

Wie die middelen zeer lang gebruikt, moet de dosis opvoeren om hetzelfde effect te krijgen?

Rossignol: “Precies, en zo kom je in een neerwaartse spiraal terecht. Daarom ook is het verontrustend dat 1 op 5 van de chronisch grote gebruikers jonger is dan vijftig. Want tot welke pillen zullen ze op hun zeventigste hun toevlucht moeten nemen?”

 

Opioïdejunks

An Haekens is ouderenpsychiater en hoofdgeneesheer bij de Alexianen Zorggroep Tienen. Steeds meer zeventigers onder haar patiënten blijken een stevige verslaving aan een opioïde ontwikkeld te hebben. “Ze zijn er zich totaal niet van bewust dat ze verslaafd zijn en onder de zware pijnmedicatie zitten”, zeg ze. “Ooit hadden ze fysieke pijn waarvoor hun arts hen tramadol voorschreef. Jarenlang bleven ze die pijnstiller elke dag trouw slikken. Na verloop van tijd verdoofden ze er niet alleen hun fysieke, maar ook hun psychische pijn mee. ‘Tramadol’ klinkt alsof het over een aspirientje gaat, terwijl het zoiets als morfine is. Het wordt bijna net zo makkelijk geslikt als in de jaren zestig de poederkes van dr. Mann.”

Als opioïden zo makkelijk geslikt worden, moeten ze minstens even makkelijk door dokters voorgeschreven worden. “Daar voeren wij sinds dit jaar onderzoek naar”, zegt Cathy Matheï, professor huisartsgeneeskunde aan de KULeuven en dokter bij de Antwerpse drughulpverlening Free Clinic. “Het is nog te vroeg voor de resultaten, maar wat we ondertussen wel weten, is dat dokters bij het voorschrijven van opioïden te weinig informatie geven. Dat geldt zeker voor tramadol, de zogenaamd ‘lichtere’ pijnstiller. Dat ‘lichtere’ is zeer misleidend, want je kan ook een drankprobleem ontwikkelen door pintjes te drinken in plaats van whisky. Veel patiënten die tramadol voorgeschreven krijgen, zijn er zich niet van bewust dat ze een verslavende opioïde slikken en weten niet dat je er een overdosis van kunt nemen. Ze krijgen er hun pijn makkelijk mee onder controle en zetten het restant in de medicijnkast naast de paracetamol. Als een ander gezinslid tandpijn heeft, wordt er zonder nadenken een pil tramadol gegeven. Mijn eigen dochter brak haar enkel en kwam op de spoed terecht. Ze kwam terug thuis met drie pijnstillers, waaronder tramadol, zonder een woord uitleg. Ik vind dat zeer problematisch.”

Jan Tytgat: “Tramadol is in België erg populair onder de merknamen Contramal, Tradonal of Tramium. Die geneesmiddelen hebben zeker medisch nut, maar worden door een aantal dokters, zowel specialisten als huisartsen, wel degelijk met een licht handje voorgeschreven. Voor kort en bondig gebruik van één of maximum twee weken, kan dat niet zoveel kwaad, maar als je tramadol en ook oxycodon langer blijft gebruiken, neemt het verslavingsrisico toe. Daar zouden patiënten toch op zijn minst voor gewaarschuwd moeten worden. Want voor ze het goed en wel beseffen, zijn die pillen snoepjes.”

 

En worden zij opioïdejunks?

Tytgat: “Je mag die mensen gerust zo noemen. Ze staan niet stil bij het effect van die stoffen op hun dagelijks leven: onder invloed van opioïde met de auto rijden, wordt een hachelijke onderneming. Die middelen heten niet voor niets ‘narcotische’ analgetica: ze brengen je in een narcose. Nu slikken mensen eerst hun tramodolleke om vervolgens op de eindejaarsreceptie een paar glazen naar binnen te gieten. Totaal onverantwoord.”

Erik Rossignol: “Als controledienst van het Riziv onderzoekt het DGEC het voorschrijfgedrag van dokters en het aflevergedrag van apothekers. We vragen bij de ziekenfondsen op wat dokters hen aanrekenen en hebben zo vreemde zaken vastgesteld, niet alleen bij dokters, maar ook bij patiënten.”

 

Zoals?

Rossignol: “Onder de grote chronische verbruikers zijn er tientallen die bij meer dan twintig apothekers hun medicatie ophalen. Ze gaan eerst langs bij verschillende artsen en spreiden de voorschriften over verschillende apotheken. Sommigen maken valse voorschriften. We hebben ook vastgesteld dat een aantal artsen bij het voorschrijven van opioïden op jaarbasis ver boven het gemiddelde zit. Mijn collega’s voeren nu een sensibiliseringscampagne en leggen die cijfers voor op vergaderingen van lokale bijeenkomsten van zorgverleners. We zochten ook contact met de Orde der artsen, de Orde der apothekers, hun beroepsverenigingen, verschillende overheidsinstellingen en de Belgian Pain Society.”

 

Spreken jullie de dokters aan die makkelijk opioïden voorschrijven?

Rossignol: “We vragen hen waarom ze die middelen zo vaak voorschrijven, ja. Sommigen krijgen veel chronische pijnpatiënten over de vloer en kunnen hun voorschrijfgedrag perfect verantwoorden. Maar anderen niet. De dokter kan dan onder toezicht worden geplaatst: we houden zijn voorschrijfgedrag zes maanden in de gaten. Als hij zijn gedrag niet aanpast, starten we een terugvorderingsprocedure. Als er fraude in het spel is, schakelen we het parket in.”

 

Want het losjes voorschrijven van opioïden kost de ziekteverzekering handenvol geld?

Rossignol: “In 2006 lag het aantal DDD’s voor tramadol op 20,5 miljoen voor 500.000 patiënten; in 2016 steeg dat tot 43 miljoen voor 977.000. Dat kostte de ziekteverzekering vorig jaar 26 miljoen euro. Oxycodon stond in 2006 nog op nul; in 2016 lag het aantal DDD’s op 3,5 miljoen voor 72.000 patiënten. Kostprijs: 6,1 miljoen euro. Fentanyl scoorde in 2006 13 miljoen DDD’s en stond in 2016 op 23 miljoen voor 73.000 patiënten of 18,2 miljoen euro. Die drie opioïden kostten de ziekteverzekering vorig jaar dus samen 50,3 miljoen euro. Met de kleinere opioïdebroertjes tilidine en piritramide erbij klokten we af op een totaal van 55,4 miljoen. Onder de 1.186.943 patiënten die vorig jaar minstens één verpakking afhaalden, zijn er ook die jaarlijks meer dan 730 DDD’s gebruiken, terwijl er maar 365 dagen in een jaar zijn. 2.135 patiënten gebruikten meer dan 730 DDD’s tramadol, 660 patiënten meer dan 730 DDD’s oxycodon en 1.848 meer dan 730 DDD’s fentanyl.”

 

Tussen die zeer zware gebruikers zitten dus vermoedelijk ook opioïdedealers?

Cathy Matheï: “Er is zeker een bloeiende zwarte markt, maar het is niet omdat iemand een dubbele dagdosis gebruikt, dat hij meteen ook een dealer is. Rugklachten verhelp je niet met opioïdes, daarvoor moet je naar de rugschool of op cryotherapie. Veel mensen kiezen liever de makkelijke weg en slikken een pil. De pijn wordt verdoofd en langzaam maar zeker wordt de dosis opgedreven. Zo eindigen sommigen met een verdubbeling van hun dagdosis. Die mensen lopen dan niet meteen stoned rond, want ze hebben grote gewenning ontwikkeld aan het pijnstillende én het roesververwekkende. In de drughulpverlening merken we wel dat bijvoorbeeld heroïnegebruikers steeds meer hun toevlucht nemen tot fentanyl-pleisters. Ze kleven de pleisters niet, maar knippen ze in stukjes en zuigen de substantie op. Dat is heel gevaarlijk: de voorbije jaren stierven verschillende gebruikers aan fentanyl-overdosissen.”

Jan Tytgat: “Fentanyl is het gevaarlijkste middel omdat het zo krachtig is. Voor sommigen is het inderdaad een surrogaat voor heroïne, want beide middelen werken in op dezelfde pek in onze hersenen. Fentanyl is een Belgische uitvinding: het is in de jaren zestig door Janssen Pharmaceutica ontwikkeld en groeide wereldwijd uit tot een succes. Ik wacht vol afgrijzen op al die amateurafgeleiden van Fentanyl die nu in illegale drugslabs bekokstoofd worden. Die designerdrugs zijn vaak nog krachtiger en vernietigender dan het origineel.”

Matheï: “Ook oxycodon is populair onder druggebruikers. Ze roken het om zo het effect te verhevigen. Zowel tramadol als oxycodon en fentanyl kunnen tegenwoordig heel makkelijk besteld worden via het internet, je hoeft er zelfs niet voor op het darknet.”

 

Moet de overheid ingrijpen?

Tytgat: “Als we willen vermijden om in Amerikaanse toestanden terecht te komen, moet er nu gewezen worden op de gevaren van langdurig gebruik. We hebben dus dringend nood aan een sensibiliseringsactie, net zoals die er in het verleden was voor slaapmiddelen als Rohypnol en Valium.”

Audrey Dorigo: “Het Riziv zal volgend jaar een duidelijke brochure over het gebruik van sterke opioïden maken en die op grote schaal onder de bevolking verspreiden.”

 

(c) Jan Stevens