Eenzame wolf

Sinds 9/11 zit het fenomeen van de lone wolf-terrorist in de lift. “Het wordt er niet beter op”, voorspellen experts Mark Hamm en Ramon Spaaij. “Aanslagen plegen wordt steeds laagdrempeliger. Vroeger moest je nog een bom ineen knutselen. Nu volstaan een auto of een mes.”

 

De Amerikaanse criminoloog Mark Hamm en de Nederlandse socioloog Ramon Spaaij delen een passie: lone wolf-terrorisme. Samen legden ze er de grootste databank ter wereld over aan en ze schreven er ook samen het intrigerende boek ‘The Age of Lone Wolf Terrorism’ over. Ter voorbereiding voerde Hamm lange face to face-gesprekken met veroordeelde lone wolf-terroristen. “Dat was geen piece of cake”, zegt hij. “Het is gemakkelijker voor een gevangene om uit een Amerikaanse gevangenis te ontsnappen dan voor een criminoloog om er binnen te raken. (lacht) Mijn verzoek moest eerst via een paar ethische commissies passeren, vervolgens moest een heel leger advocaten er zijn zegen over geven. Het heeft me twee jaar gekost om toestemming te krijgen voor het interviewen van vijf gearresteerde lone wolves.”

 

Eén van die eenzame wolven is Oscar Ramiro Ortega-Hernandez, de man die in november 2011 een klungelige poging ondernam om de familie Obama in het Witte Huis om te brengen. Ik zag een filmpje op Youtube waarin hij een maand voor zijn mislukte aanslag zichzelf voorstelt als Jezus en op zijn knieën Oprah Winfrey smeekt om hem in haar show uit te nodigen.

Mark Hamm: “Onwaarschijnlijk, hé? De inmiddels 27-jarige Oscar Ortega-Hernandez is hét prototype van de lone wolf-terrorist. Als je hem ontmoet en met hem spreekt, krijg je het gevoel dat hij van een andere planeet komt. Af en toe leek het alsof hij waanbeelden zag. Er kwamen zinnen uit zijn mond die kant noch wal raakten. Zijn religieuze en politieke denkbeelden zijn compleet van de pot gerukt. De man gelooft écht dat hij de reïncarnatie van Jezus is. Net als bij zowat alle lone wolves heeft hij zijn emoties niet onder controle. Ortega-Hernandez kwam bij mij over als een raaskallende gek, al is dat misschien niet de juiste terminologie die een criminoloog in de mond moet nemen. (lacht)”

 

Hij hoort dus eigenlijk niet thuis in een gevangenis, maar eerder in een psychiatrische instelling?

Hamm: “Vermoedelijk wel, maar bij mijn weten is hij nooit psychiatrisch onderzocht. Wij hebben alvast geen enkel onderzoek teruggevonden. Ik interview terroristen in de gevangenis sinds de vroege jaren negentig en ze gedragen zich allemaal erg bizar. Ze koesteren heftige denkbeelden en uiten die ook op een ‘bevlogen’ wijze. Ze praten graag als orakels. Vaak zitten ze zwaar onder de pillen en moet je als ondervrager door die verdoving proberen door te dringen.”

 

Waar komt jullie fascinatie voor eenzame wolven vandaan?

Ramon Spaaij: “Lone wolves is zowat het enige dat Mark en ik gemeen hebben; Mark is een oude hippie en kon mijn vader zijn. (lacht) Geweld boeit mij mateloos. Mijn proefschrift ging over voetbalhooligans. Ik was zelf slachtoffer van geweld: op mijn achttiende werd ik door een jeugdbende zwaar mishandeld. Ze braken mijn armen en sloegen mijn tanden uit. Tot vandaag draag ik daar de littekens van. Ik ben een pacifist en heb een hartsgrondige hekel aan geweld, maar toch wil ik het begrijpen. Ik doceer sportsociologie aan de universiteiten van Melbourne en Amsterdam en raakte in 2007 ook betrokken bij Europees terrorisme-onderzoek. Toen het werk verdeeld werd en aan alle wetenschappers in de zaal gevraagd werd wie de lone wolf-terroristen wou onderzoeken, bleef het stil. Dat fenomeen interesseerde tien jaar geleden niemand in Europa. We kenden Unabomber Theodore Kaczynski en Olympic Park Bomber Eric Rudolph; verder reikte onze kennis niet. Lone wolf-terrorisme was iets typisch voor de VS en ver weg van ons bed. Ik was er wel door geïntrigeerd en dus stak ik mijn hand op.”

Hamm: “Net als Ramon heb ik een hekel aan geweld. Een paar collega’s aan de universiteit van Indiana voeren onderzoek naar seriemoordenaars en gaan die kerels in de gevangenis interviewen. Ik zou dat niet kunnen. Het geweld van lone wolves is meestal politiek of ideologisch gekleurd; dat lijkt toch anders dan moorden uit puur sadisme. Na mijn studies criminologie ging ik begin jaren zeventig uit idealisme aan de slag als cipier. Ik geloofde in rehabilitatie en re-integratie van gevangenen. Vrij snel kwam ik erachter dat het systeem zo niet werkt. Ik gaf mijn ontslag en keerde terug naar de universiteit. Voor mijn doctoraal onderzocht ik haatmisdrijven. Mijn interesse in lone wolf terrorisme dateert van de bomaanslag in Oklahoma City op 19 april 1995. Timothy McVeigh blies toen met een truck vol explosieven de Alfred P. Murrah Federal Building op en doodde 168 mensen.”

 

Was McVeigh een echte eenzame wolf? Hij kreeg bij de voorbereiding van zijn aanslag toch hulp van twee handlangers, Terry Nichols en Michael Fortier?

Hamm: “Ik heb twee boeken over de Oklahoma City Bombing geschreven. In het eerste nam ik de stelling van de overheid over dat McVeigh een onvervalste lone wolf was. In mijn tweede boek kwam ik daar op terug omdat toen duidelijk geworden was dat hij inderdaad hulp gekregen had.”

Spaaij: “Mark heeft in McVeighs rechtszaak getuigt als deskundige en heeft toen als allereerste geopperd dat het niet anders kon dan dat de man een handlanger gehad moest hebben. Dat bleek later te kloppen.”

 

Volgens voormalig FBI-directeur James Comey zouden we het beter over ‘lone rats’ hebben in plaats van over ‘lone wolves’.

Hamm: “(lacht) Comey is de enige die hen ooit zo genoemd heeft; wij verkiezen toch ‘lone wolves’. Lang bestond er onduidelijkheid over de definitie van wat een lone wolf-terrorist precies is. Moet hij echt in zijn eentje handelen? Kan het geen duo zijn of misschien zelfs een trio? Wij hebben ons daar ook lang het hoofd over gebroken en zijn net daarom verschillende zaken met vermeende lone wolves beginnen onderzoeken. Volgens onze definitie zijn het mensen die politiek geweld plegen zonder hulp van een tweede of derde partij. Ze zijn geen lid van een terreurgroep en ze zijn niet onderworpen aan een leider of hiërarchie. Ze handelen in hun eentje. Alle gevallen die beschreven staan in ‘The Age of Lone Wolf Terrorism’ passen in die definitie.”

 

Ze handelen dan misschien alleen, maar laten zich toch inspireren door anderen?

Hamm: “Dat is een zeer belangrijke nuance. Die kerels leven niet ergens in een grot in totale sociale afzondering. Ze hebben toegang tot boeken, films, internet en kunnen zo geïnspireerd raken door Al-Qaida, IS of de Ku Klux Klan. Achteraf blijkt heel vaak dat ze jarenlang karrevrachten materiaal downloadden van extremistische groeperingen. Er zijn ook heel wat lone wolves die materiaal verzamelden over de eenzame wolven die hen voorgingen. ‘Inspiratie’ is echt wel het sleutelwoord als je het fenomeen van het lone wolf-terrorisme wilt doorgronden. Hun grote voorbeelden zijn niet altijd tijdgenoten, maar kunnen ook historische figuren zijn, zoals Adolf Hitler. De planning en voorbereiding van hun acties doen ze altijd in hun eentje. Ze verzamelen hun wapens of materiaal om explosieven te maken alleen, ze observeren hun doelwit alleen en ze voeren hun aanslag ook alleen uit.”

Spaaij: “Een eenzame wolf handelt alleen, maar zijn omgeving oefent inderdaad grote invloed op hem uit. In het in 2006 verschenen boek ‘In iedereen schuilt een terrorist’ beschrijft psycholoog Roel Meertens hoe elke mens, ook jij en ik, kan uitgroeien tot terrorist. Alles hangt af van de omstandigheden waarin we terechtkomen. Als je bij een afgesloten sektarische club belandt waar een sterke groepsdynamiek heerst, is de kans extreem groot dat je radicaliseert. Dat klinkt zeer aannemelijk, maar hoe zit dat dan bij een eenzame wolf? Want hij is geen lid van een sekte of organisatie. Je kan de eenling nooit begrijpen als je zijn context niet kent. Dat vind ik best paradoxaal.”

 

Is James Alex Fields, de neonazi die op 12 augustus in Charlottesville een vrouw doodreed, een lone wolf-terrorist?

Spaaij: “We moeten altijd voorzichtig blijven en niet te snel labels op daders plakken, al zijn er in dit geval wel sterke aanwijzingen dat het om een lone wolf gaat. De aanslag in Charlottesville illustreert dat een eenzame wolf in een context opereert. Fields is een uitvergroting, een karikatuur bijna, van de bredere radicaal-rechtse beweging die allesbehalve gematigd is. Uit die brede beweging haalt de eenzame wolf zijn ideeën, om op een bepaald moment in zijn eentje een dodelijke raid uit te voeren. De aanslag in Charlottesville is geen toeval. Alt-right bloeit en zorgt voor een stevige voedingsbodem. In de jaren tachtig stond de pro life-beweging sterk; het was ook de periode waarin lone wolves aanslagen pleegden op abortusdokters en instellingen waar abortussen uitgevoerd werden. In de jaren zestig viseerden lone wolves Afro-Amerikanen. De lone wolf is een product van zijn tijd. Ook dat is paradoxaal: lone wolves zijn eenlingen, maar hun daden weerspiegelen verdomde goed de politiek-maatschappelijke conflicten van dat moment. Momenteel neemt de lone wolf-terreur onder impuls van IS in het Westen toe. Het is moeilijk te voorspellen hoe het verder zal evolueren, maar de aanslagen worden alleszins steeds laagdrempeliger. Een bom ineen knutselen of wapens kopen, hoeft niet meer. Een auto of een mes volstaan.”

 

Jullie hebben een database aangelegd van alle Amerikaanse lone wolf terroristen van 1940 tot halverwege 2016. Waarom alleen Amerikanen?

Spaaij: “Omdat het een opdracht was van het Amerikaanse National Institute of Justice. Timothy McVeigh zit er trouwens niét in omdat hij handlangers had. We waren héél strikt in wie er wel of niet in mocht.”

Hamm: “Onze database is de grootste ter wereld met 123 gevallen verspreid over 21 verschillende categorieën. We hebben er twee jaar intensief aan gewerkt. We zochten eerst naar gemeenschappelijke eigenschappen van lone wolves. We brachten alles in kaart: hun leeftijd, geslacht, opleiding, beroep, strafblad. Maar ook de tactieken die ze bij hun aanslag gebruikten, hun geestesgesteldheid, het soort wapens en hoe ze aan hun einde kwamen of gearresteerd werden. We draaiden elke steen om. Lone wolf-terrorisme blijkt vooral een mannenzaak te zijn; er zaten slechts vijf vrouwen tussen. Als je de internationale statistieken van lone wolf-terroristen erop naslaat, zal je merken dat Amerika sinds jaar en dag met vlag en wimpel aan de top staat. Dat neemt niet weg dat we voor ons boek ook een paar notoire buitenlandse gevallen onder de loep genomen hebben, zoals Anders Breivik. Europese eenzame wolven gedragen zich echt niet anders dan die van ons.”

Spaaij: “Het is gewoon een feit: de VS zijn wereldleider in lone wolf-terrorisme. De inval van de FBI in 1993 bij de Branch Davidians-sekte in Waco heeft daar een serieuze rol in gespeeld. McVeighs bomaanslag was een wraakactie voor die FBI-raid waarbij 76 sekteleden de dood vonden. Bij veel extremisten groeide nadien ‘het besef’ dat ze beter gedecentraliseerd te werk konden gaan. De in veiligheid gespecialiseerde denktank RAND Corporation omschrijft dat als ‘swarming on the battlefield’: net als bijen zwermen de lone wolves uit. Ze kunnen je van verschillende kanten aanvallen en je weet nooit welke bij zal steken. Je kan misschien één bij van je afslaan; alle andere blijven rondzoemen. In een hiërarchisch georganiseerde terreurgroep kunnen de veiligheidsdiensten infiltreren. Dat wordt al heel wat moeilijker bij een netwerkstructuur met allemaal los van elkaar staande cellen met als ‘summum’: de eenzame wolf.”

 

Heeft de overvloed aan eenzame wolven in de VS ook iets te maken met de liberale wapenwet?

Hamm: “Sure. Onze wapencultuur speelt een zeer grote rol. Het is opvallend dat sinds 9/11 zo goed als alle aanslagen uitgevoerd zijn met wapens en niet met explosieven. Het meest populaire wapen is de 9 mm Glock. In de VS kan iedereen overal wapens kopen. Het tweede amendement uit onze grondwet liegt er niet om: ‘The right of the people to keep and bear arms, shall not be infringed’. Dat is nu eenmaal Amerika: het land waar iedereen recht heeft op het dragen van een wapen. Dat recht geldt zelfs voor wie op een terreurlijst staat en door de politie en de inlichtingendiensten in de gaten wordt gehouden. De knotsgekke redenering van onze verkozen politici in het Congres is dat terreursympathisanten en –verdachten illegaal een wapen zullen kopen als het niet legaal kan. Waarom zou je hen dan verhinderen om er een te kopen in een wapenwinkel? Die totaal geschifte filosofie zorgt al jaren voor massaal veel bloedvergieten met schietpartijen op scholen, familiedrama’s en dodelijke raids. Ook ons ver doorgeslagen individualisme speelt een rol. Zelf je zaken oplossen en je plan trekken, behoort tot de kern van de Amerikaanse ziel. Onze Founding Fathers worden afgeschilderd als loners. Amerikanen stammen uit verschillende culturen en hebben samen de mythe gecreëerd van de eenling die zijn weg naar het succes baant. In zijn in 2000 verschenen boek ‘Bowling Alone’ beschrijft politicoloog Robert Putnam hoe het grove individualisme altijd al deel uitmaakte van wat het betekent om Amerikaan te zijn. Daar komt bij dat er in de VS een celebrity-cultuur heerst: we verafgoden outlaws. We bewonderen en bewieroken mensen die de wet aan hun laars lappen. We schrijven boeken over hen, verfilmen hun leven, maken er rocknummers over en verheffen hen zo tot iconen. Sinds 9/11 is er het Amerikaanse agressieve buitenlandse beleid bijgekomen waardoor we heel wat moslims tegen ons in het harnas gejaagd hebben. Onze bombardementen op moslimland en Abu Ghraib en Guantanamo hebben onze reputatie in de Arabische wereld een flinke knauw gegeven. Ook dat heeft het lone wolf-terrorisme een boost gegeven.”

Spaaij: “Eenzame wolven willen naam en faam maken. De Britse neonazi David Copeland ging de geschiedenis in als de London Nail Bomber. In april 1999 plaatste hij drie weekends achter elkaar zelfgemaakte spijkerbommen. Hij verwees daarbij naar zijn voorganger en inspiratiebron Eric Rudolph die in 1996 een bomaanslag pleegde bij de Olympische Spelen van Atlanta. Copeland voelde zich uitgesloten en een loser en zocht betekenis en zingeving. Toen hij zag hoeveel media-aandacht Rudolph met zijn aanslag kreeg, dacht hij: ‘Hé, ik woon hier vlakbij Brixton Market. Misschien kan ik daar een bommetje leggen, dan kom ik ook in de krant.’ Eenzame wolven vertonen vaak copycatgedrag. Abortusarts George Tiller werd twee keer slachtoffer van een aanslag door een lone wolf. De eerste aanslag in 1993 mislukte: toen vuurde Shelley Shannon een paar kogels door zijn armen. De tweede aanslag in 2009 overleefde Tiller niet: Scott Roeder joeg hem een kogel door het hoofd. Roeders inspiratiebron was Shelley Shannon. Copycatgedrag mag je echt niet onderschatten. Ik voer daar soms zeer interessante discussies met journalisten over, want hoe schrijf je over zo’n aanslag als je weet dat sommigen zich daardoor laten inspireren?”

Hamm: “Lone wolves willen hun bedoelingen kenbaar maken aan zoveel mogelijk mensen. Vroeger schreven ze brieven of e-mails. Nu posten ze hun intenties op Facebook of maken ze een Youtube-filmpje. Sommigen lichten op voorhand hun familie of vrienden in van hun plannen. In alle gevallen is er sprake van een gebeurtenis waardoor ze getriggerd worden om tot actie over te gaan.”

 

Die gebeurtenissen zijn soms zeer triviaal?

Hamm: “O ja. In het geval van Richard Poplawski was dat op 4 april 2009 zijn hond die in de woonkamer op de vloer geplast had. Hij werd ’s morgens wakker en zijn moeder begon tegen hem te zeuren over zijn plassende pitbull. Zij riep tegen hem, hij schreeuwde terug. De woordenwisseling werd heel bits en zijn moeder belde de politie. De agenten stapten het huis binnen in de veronderstelling dat ze zouden moeten bemiddelen in een huiselijke ruzie. Poplawski kwam gehuld in een kogelvrij vest en gewapend met een AK-47, een geweer en een revolver uit zijn slaapkamer en schoot drie agenten dood en verwondde drie anderen.”

 

Jullie maken een onderscheid tussen lone wolves vòòr en na 9/11.

Hamm: “De mega-aanslagen op de Twin Towers waren niet alleen een keerpunt voor de VS, maar voor het hele Westen. Sindsdien is terrorisme een groter probleem dan ooit tevoren, met ook veel meer slachtoffers dan ooit tevoren. Bomaanslagen zoals die in de jaren 80 en 90 gepleegd werden door Theodore Kaczynski of door Eric Rudolph werden na 9/11 zeldzamer. Het wapentuig werd gediversifieerd en lone wolves richtten hun aanslagen steeds meer op politieagenten en militairen. Wat nog opvalt: ze worden steeds jonger. Vòòr 9/11 waren er geen tieners onder de eenzame wolven. In 2002 boorde de 15-jarige Al-Qaida-sympathisant Charles Bishop zich met een sportvliegtuigje in het gebouw van de Bank of America in Tampa, Florida. In 2006 trok de 18-jarige neonazi Jacob Robida van staat tot staat en verwondde en vermoordde verschillende mensen. In 2013 probeerde de 17-jarige neonazi Derek Shrout een hogeschool op te blazen en in 2015 stak de 18-jarige IS-sympathisant Faisal Mohammad vier studenten neer op de universiteit van California.”

 

Hoe zit het met hun opleidingsniveau? Gaat dat ook in dalende lijn?

Hamm: “Er zijn er heel wat die hun middelbare schooldiploma gehaald hebben, maar er zijn ook veel drop-outs. Sommigen studeerden aan de universiteit. Unabomber Kaczynsky is een wiskundige en doceerde een paar jaar aan de universiteit van California. Nidal Hasan, de Fort Hood-schutter die in 2009 dertien militairen doodschoot en 30 anderen verwondde, was een psychiater. 40 % van alle lone wolf terroristen heeft in min of meerdere mate psychische problemen.”

 

Lone wolves hebben zeer uiteenlopende ideologieën. Sommigen zijn extreemrechts, anderen extreemlinks en nog anderen zijn jihadisten. Wat hebben ze met elkaar gemeen?

Hamm: “Het proces van radicalisering. Een van de belangrijkste kwesties die we bestudeerd hebben, is: hoe raakt iemand geradicaliseerd? Waarom omhelst hij extreme overtuigingen? Waarom besluit hij om tot actie over te gaan en om andere mensen in naam van zijn overtuiging te vermoorden? Aan de basis ligt vaak een mix van persoonlijke en politieke verbittering. Op een bepaald moment duiken er dan een of meerdere enablers op, ‘aanmoedigers’ die het pad effenen. Een van de meest beruchte enablers voor jihadistische lone wolves is Al-Qaida-ideoloog Anwar al-Awlaki. Hij is geboren in Amerika en oefende met zijn internetpreken zeer veel invloed uit op jonge radicaliserende moslims. Eind september 2011 werd hij in Jemen gedood door een Amerikaanse drone. Geen enkele lone wolf heeft Awlaki ooit in levende lijve ontmoet. Ze bezochten zijn moskeeën niet in Viriginia of San Diego waar hij rond de millenniumwissel imam was. Ze zijn hem ook nooit in Jemen gaan opzoeken toen hij daar leefde, maar hij beïnvloedde hen op zeer sterke wijze.

“Ik heb in de gevangenis lange gesprekken gevoerd met Quazi Nafis, de allereerste would-be-zelfmoordterrorist in de VS. Hij had in de zomer van 2012 plannen om zichzelf in naam van Al-Qaida op te blazen in de Federal Reserve Bank in New York, maar werd op tijd ontmaskerd door een undercoveragent van de FBI. Hij straalde één al depressie uit. Hij voelde zich een complete loser omdat zijn plan mislukt was. Hij had naar de preken van Awlaki over de dood en het hiernamaals geluisterd. De imam had hem het paradijs in vooruitzicht gesteld als hij zichzelf opblies.”

 

Hij voelt zich nu schuldig omdat hij dat moment gemist heeft?

Hamm: “Toch niet. In de gevangenis leerde Nafis redelijke moslims kennen: gevangenen die de islam op een doorsnee manier beleven. Door dagelijks met die mensen te praten, is hij beginnen inzien dat hij door Awlaki gehersenspoeld was.”

 

In Europa worden jihadisten in gevangenissen geïsoleerd gehouden vanwege het gevaar dat ze medegevangenen zouden radicaliseren.

Hamm: “Wij hebben in de VS ook drie gevangenissen waar jihadisten in isolement zitten uit angst voor besmetting. Maar dat is niet overal zo. Amerika telt 2,3 miljoen gevangenen in zeer uiteenlopende soorten gevangenissen. Een groot deel van die gevangenen hangt radicale ideologieën of religies aan. Het is bijna niet te doen om ze in elke gevangenis te segregeren van de rest. Nafis is nu een van die veroordeelde jihadistische terroristen die tussen de ‘gewone’ gevangenen leeft. Wat hem zo interessant maakt, is dat zijn medegevangenen hem hebben laten inzien dat hij gehersenspoeld was. Ik heb al veel conferenties over radicalisering en terreur overal ter wereld bijgewoond en telkens weer worden dan dure deradicaliseringsprogramma’s voorgesteld waarvan niemand weet of ze werken. Misschien loont het de moeite om eens wat dieper onderzoek te voeren naar het effect van gevangenen met een doorsnee moslimgeloof op jihadistische celgenoten zoals Nafis.”

 

Hebt u door met gevangen lone wolves te praten ook sympathie voor hen gekregen?

Hamm: “Sommigen hebben ontzettend veel berouw over wat ze gedaan hebben. Quazi Nafis is daar één van. Maar de meesten zijn nog steeds zeer gewelddadig en zitten vol woede. Ze voelen zich een slachtoffer omdat ze de rest van hun leven in een cel van drie op vijf meter moeten doorbrengen. Vaak zijn ze nog geen dertig en beseffen ze dat hun leven over is. Die existentiële angst kunnen wij ons niet voorstellen. Dat besef voedt alleen maar hun woede, walg en haat.”

 

Een van de grote voorbeelden van Sharia4Belgium, kweekvijver van piepjonge jihadisten en Syriëstrijders, was de Britse haatprediker Anjem Choudary. De man ronselde voor IS, maar was zo glad als een paling en wist lang uit de klauwen van justitie te blijven.

Spaaij: “Choudary is het typevoorbeeld van de enabler. Vaak wassen de aanmoedigers hun handen in onschuld: ‘Er is toch geen directe link tussen mijn preken en de actie van de dader? Ik predik haat en geen geweld.’ (lacht) Ondertussen voeden ze zonder scrupules het extremistische discours en schrijven zo het cultural script uit voor de lone wolf. Extreemrechts heeft ook zo zijn enablers, denk maar aan Richard Spencer van de white supremacist-denktank National Policy Institute en David Duke van de KKK. Heel belangrijk in de VS was de in 1978 verschenen roman The Turner Diaries van white supremacist en neonazi William Pierce. Maar er zijn ook mainstreamfiguren die zeer invloedrijk zijn zoals Alex Jones, een radicaalrechtse radio- en filmmaker en aanhanger van complottheorieën.”

 

Het internet bulkt van de samenzweringstheorieën.

Spaaij: “Eenzame wolven zijn er dol op. De verkiezing van Barack Obama tot president in 2008 was voor white nationalists de bevestiging van de samenzweringstheorie dat de overheid erop uit is om hun grondrecht op wapenbezit in te trekken. Ze zagen het ook als hét bewijs dat het blanke ras onderdrukt wordt. Richard Poplawski was zo iemand. Hij begon nog meer wapens in te slaan én grote voorraden munitie omdat hij verwachtte dat de politie zijn geweren in beslag zou komen nemen. Een plas hondenpis zorgde vervolgens voor een bloedbad. Een aanslag is het resultaat van de combinatie van motief, gelegenheid en middel. Het internet heeft dat allemaal enorm vergemakkelijkt. Neem het middel: op het internet vind je gemakkelijk handleidingen om met huis- tuin- en keukenapparatuur een bom in elkaar te knutselen. Geradicaliseerde jongeren vinden jihadistische inspiratie in onlinetijdschriften van IS zoals Dabiq en Rumiyah of in Inspire van Al-Qaida. De ideologische informatie die lone wolves op het internet vinden, werkt als een echokamer. Ze fixeren zich op hun favoriete samenzweringstheorieën en horen geen alternatieve geluiden meer.”

 

Mogen we president Donald Trump ook een enabler noemen? Hij was toch een van de ‘vooraanstaande’ figuren binnen de birther-beweging die beweerde dat Obama niet in Hawaï geboren was, maar in Kenia en daarom geen recht had op het Amerikaanse presidentschap?

Spaaij: “Zonder twijfel. De birther-beweging ondermijnde zo niet alleen de legitimiteit van Obama, maar van de hele Amerikaanse overheid. Trump speelde dat spel zonder scrupules mee.”

 

Mark Hamm & Ramon Spaaij, The Age of Lone Wolf Terrorism, Columbia University Press

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

‘Macht interesseert me niet, impact wel’

Met de informatie die het Europees Milieuagentschap (EMA) onder leiding van Hans Bruyninckx verzamelt, stippelt Europa haar klimaat- en milieubeleid uit. Bruyninckx’ wereldwijde invloed zal de volgende jaren samen met de temperatuur enkel stijgen. Over de toekomst is hij niet al te pessimistisch. “Wie vijf jaar geleden zei dat met ontploffingsmotoren in auto’s dringend komaf gemaakt moet worden, werd gecatalogeerd als radicale zonderling. Nu klinkt dat als een realistische stap op weg naar een koolstofarme economie.”

_DSC0036

Vanuit het raam van zijn kantoor kijkt Hans Bruyninckx (53) uit over het ooit zo statige, maar nu tot een bouwput herschapen Kongens Nytorv-plein in het hart van Kopenhagen. Op zowat alle grote pleinen in de Deense hoofdstad zijn bulldozers duchtig aan het graven. “Ze bouwen aan een gesofisticeerd metronetwerk”, zegt de voormalige professor internationale milieupolitiek. “Onder dit plein komt een station. De Denen sparen kosten noch moeite om van Kopenhagen een leefbare, duurzame stad te maken. Koning auto heeft hier al jaren niet veel meer in de pap te brokkelen.”

Sinds juni 2013 is Hans Bruyninckx directeur van het in Kopenhagen gevestigde Europees Milieuagentschap (EMA). Onder zijn leiding verzamelen de tweehonderd medewerkers van het EMA wetenschappelijke kennis over de toestand van de planeet. Hun rapporten vormen de basis voor het Europese klimaat- en milieubeleid. “Dertig jaar geleden focuste dat beleid zich op proper water en schone lucht en werd vooral de industriële vervuiling geviseerd”, zegt hij. “Vandaag bepaalt het milieu – en klimaatbeleid mee hoe onze toekomstige samenleving eruit zal zien.”

 

De klimaatverandering heeft alles op scherp gezet?

Hans Bruyninckx: “Ja, maar ook het verlies aan biodiversiteit drukt ons met de neus op de feiten. Wereldwijd staat ons zogenaamde ‘natuurlijk kapitaal’ zwaar onder druk door de aantasting van de biodiversiteit en de ecosystemen. Die worden verder uitgeput en de kwaliteit van onze leefomgeving raakt steeds meer aangetast. Eén van de grootste bedreigingen is de oprukkende ‘versnippering’. Daarmee bedoel ik de aanleg van wegen, van een continu groeiende infrastructuur die dwars door natuurgebieden loopt, waardoor grote gebieden van elkaar losgekoppeld worden en versnipperd raken. De klimaatverandering is inderdaad een niet te onderschatten probleem, maar we vergissen ons als we ons enkel daarop zouden concentreren. Het gaat zowel over het klimaat als over de biodiversiteit, en over de link tussen die twee. Een mooi voorbeeld zijn de oceanen die een zeer belangrijke rol spelen in de klimaatregeling en tezelfdertijd erg gevoelig zijn voor klimaatveranderingen. Onze oceanen herbergen een enorme biodiversiteit waar we nog veel te weinig over begrijpen. Of neem de bossen: ze zijn van levensbelang voor de biodiversiteit en zijn minstens even belangrijk voor de koolstofkringloop en de klimaatregeling. Zowel het klimaat als de biodiversiteit hebben zwaar te lijden onder onze allesbehalve duurzame systemen van produceren en consumeren. De manier waarop we energie opwekken, ons hele voedselsysteem, onze mobiliteit, de inrichting van onze steden, de productie van onze kledij… We gebruiken teveel grondstoffen en houden ze daarna niet lang genoeg in de economische cyclus.”

 

We consumeren te veel op weinig doordachte wijze?

Bruyninckx: “Wereldwijd zal de consumptie alleen maar toenemen: binnenkort zijn we met tien miljard, allemaal mensen die net als wij òòk recht hebben op een goed leven. Dat is enkel mogelijk als we veel efficiënter omgaan met onze grondstoffen. Nu maken we een product, gebruiken dat heel even, gooien het weg en recycleren nauwelijks iets. Veel producten gaan niet lang mee, worden niet hersteld maar gedumpt. Kostbare grondstoffen verdwijnen zo uit de kringloop. Daar moet snel verandering inkomen: we moeten evolueren naar een circulaire economie met een gesloten kringloop. Hetzelfde geldt voor energie: we gebruiken te veel en er gaat ook veel verloren. Er is nog flink wat werk aan de winkel om onze energie-efficiëntie op te krikken.

“Onze huidige manieren van consumeren en produceren putten de kwantiteit en kwaliteit van de natuurlijke hulpbronnen verder uit. Gelukkig groeit de bewustwording snel, want milieubeleid gaat niet langer alleen over planten en dieren, maar over onze hele samenleving, inclusief de economie. Milieu en klimaat blijken ook de ‘harde sectoren’ te beïnvloeden en bepalen mee het totale beleid. Het is de taak van ons agentschap om het Europese beleid te onderbouwen met kennis over de toestand van het milieu.”

 

Waar halen jullie die kennis?

Bruyninckx: “Belangrijk voor ons zijn de waarnemingen in de verschillende Europese lidstaten over de kwaliteit van het water, de lucht en de bodem. We koppelen die aan gegevens over mobiliteit, energie en de gezondheid van de burgers. We krijgen onze informatie van officiële instanties die zich aan de Europese regelgeving houden. Maar ook van Eurostat, het Joint Research Center (JRC), universiteiten en semi-publieke organisaties zoals in Vlaanderen de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) en de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO).”

 

Werken jullie samen met actiegroepen zoals Greenpeace? 

Bruyninckx: “Wij werken in de eerste plaats nauw samen met ons Europese netwerk, met al die Europese instanties die vertegenwoordigd zijn in onze raad van bestuur: het Europese Parlement, de Europese Commissie en de lidstaten. Daarnaast onderhouden we contacten met de belangrijkste Europese milieuorganisaties, zoals The European Environmental Bureau (EEB), BirdLife International en Greenpeace Europe. Ik ontmoet hun afgevaardigden regelmatig op meetings in Brussel en ze vragen me soms om op hun jaarvergadering te spreken. Ik praat ook met vertegenwoordigers van de industriële koepels. Zo gaf ik voor de autosector lezingen over mobiliteit, voor de chemiesector over scheikundige vervuiling en voor de landbouwsector over ons voedselsysteem. Dat hoort bij mijn job.”

 

Mag u in uw positie nog klaar en duidelijk zeggen wat u zelf vindt over de toestand van het milieu?

Bruyninckx: “Ik heb bewust de overstap gemaakt van professor aan de universiteit naar directeur van het EMA en was me heel goed bewust van de consequenties, maar ik ben en blijf Hans Bruyninckx. Het was een lange sollicitatieprocedure in zeven rondes waarin alle mogelijke ideeën over het milieu aan bod kwamen, maar waarin ook gepraat werd over hoe een organisatie zoals deze geleid moet worden. Ze weten dus waarvoor ik sta.

“Een deel van de selectie gebeurde onder leiding van de Europese Commissie. De finale beslissing werd genomen door ons management board waar de lidstaten, het parlement en de commissie in zetelen. Ik had een interview met de twee commissarissen waar wij vooral mee samenwerken en moest voor het Europees Parlement verschijnen waar ik drie uur lang door de volksvertegenwoordigers op de rooster gelegd werd. Als ik daar de mist was ingegaan, had ik hier nu niet gezeten. Maar uiteraard ben ik nog steeds ‘mezelf’. Van zodra ik het gevoel heb dat ik zaken moet verkondigen waar ik niet achtersta, kan ik beter iets anders gaan doen.”

 

Waarom wou u deze job zo graag? 

Bruyninckx: “Omdat dit de beste plek ter wereld is om kennis tot bij de Europese beleidsmakers te brengen. Wat wij hen aan informatie aanbieden, vormt de basis voor het milieu- en klimaatbeleid dat zij uitstippelen. Voor 28 landen zijn die maatregelen en afspraken bindend. IJsland, Noorwegen, Zwitserland, Liechtenstein en Turkije zijn ook lid van EMA en de zes westelijke Balkanlanden werken met ons mee. Een netwerk zoals het onze bestaat nergens anders ter wereld, ook niet in Noord-Amerika of Azië.  Ik vind het een onwaarschijnlijk voorrecht dat ik deze functie mag uitoefenen. De tweehonderd mensen die hier werken, behoren allemaal in hun domein tot de top. Ze komen uit meer dan dertig landen. Als we hier ’s morgens binnenstappen, worden we Europeaan. Wij werken mee aan het meest geïntegreerde en meest vooruitstrevende milieu- en klimaatbeleid van de hele planeet. Dat is toch fantastisch?”

 

Zitten we in vergelijking met vier jaar geleden niet in een totaal ander Europa en in een andere wereld? Want ondertussen was er de brexit en de verkiezing van Donald Trump, een wereldleider die het klimaatbeleid niet zo heel erg genegen lijkt te zijn. 

Bruyninckx: “Dat laatste is een overstatement. (lacht) De wereld is in verandering, net als de context waarin wij werken. Europa gaat door een moeilijke periode en wordt geteisterd door verschillende crisissen. Wij voelen dat hier ook. Want doordat het moeilijkere tijden zijn, worden er politieke keuzes gemaakt. Zo moeten we elk jaar afscheid nemen van personeelsleden als gevolg van het Europese bezuiningingsbeleid.

“Tot hiertoe zijn het Verenigd Koninkrijk en Turkije nog steeds volledig lid van onze organisatie. Hoe de toekomst eruit zal zien, is onduidelijk; dat is nu eenmaal eigen aan werken in een politieke omgeving. Ook onder Trump blijven we regelmatig contact onderhouden met de collega’s van onze Amerikaanse zusterorganisatie het United States Environmental Protection Agency (USEPA). De omstandigheden zijn veranderd, waardoor het er niet makkelijker op wordt.”

 

Terwijl de toestand steeds ernstiger én hopelozer lijkt te worden?

Bruyninckx: “De toestand is ernstig, maar u mag niet onderschatten wat er intussen allemaal gebeurd is. Tien jaar geleden, in volle kredietcrisis, werden onze thema’s klimaat en milieu on hold gezet. ‘We hebben nu even andere katten te geselen.’ Sindsdien is er toch veel veranderd. Ik ben hier begonnen in 2013, en niet zoveel later was er het klimaatverdrag van Parijs en introduceerde de Europese Commissie haar plan voor een kringloopeconomie. Dat is zonder overdrijving een compleet nieuwe langetermijnvisie op duurzaam produceren en consumeren. Dan is er ook nog de verdere ontwikkeling van het Europese klimaatbeleid en zijn er de lange termijnplannen voor een Europese Energie-Unie die betaalbare, duurzame én klimaatvriendelijke energie mogelijk moeten maken. U mag ook de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties niet vergeten die tegen 2030 gerealiseerd moeten zijn. En dan is er ook nog het Zevende Milieuactieprogramma van Europa dat loopt tot 2020, met een sterke visie gericht op 2050. Ik wil maar zeggen dat er ondanks de moeilijke omstandigheden en de tegenwind toch voldoende politiek en intellectueel kapitaal in Europa voorhanden is om een ambitieus milieu- en klimaatbeleid uit te bouwen. De kennis die wij verzamelen, speelt daar een voorname rol in. ‘Op basis van onze informatie is er vooruitgang waar te nemen, maar de uitdagingen blijven zeer groot.’ Waarna het aan de beleidsmakers is om bij te sturen. U zou me niet zo enthousiast over mijn werk horen vertellen als ons agentschap getroffen zou zijn door een volledige shutdown en standstill.”

 

Niet zo lang geleden kwamen vertrouwelijke mails aan de oppervlakte waaruit blijkt dat chemiereus Monsanto een aantal wetenschappers heeft proberen te beïnvloeden in het onderzoek naar onkruidverdelger glyfosaat. Sommige academici waren niet ongevoelig voor de avances van de multinational. Hoe kunt u er zeker van zijn dat de informatie betrouwbaar is die u van allerlei instellingen krijgt?

Bruyninck: “In Europa wordt glyfosaat opgevolgd door twee gespecialiseerde agentschappen die met een heel netwerk van wetenschappers werken: het Europese Voedselagentschap in Parma en het European Chemicals Agency in Helsinki dat overigens ook geleid wordt door een Vlaming. In ons eigen Milieuagentschap wordt alle inkomende informatie grondig gecheckt. Onze dataspecialisten volgen daarvoor een handleiding die we Quality Checking and Quality Assures of QCQA gedoopt hebben. Ze laten algoritmen op de data los en merken het snel als er iets schort aan de kwaliteit. We werken intens samen met oficieel aangestelde specialisten uit de lidstaten die ons begeleiden met het opstellen en ijken van onderzoeks- en rapporteringsmethoden. Voor we een rapport publiceren, laten we het vaak nalezen door academici. Al onze rapporten kunnen door iedereen gelezen en gecontroleerd worden. We weten dat ze door veel wetenschappers gedownload worden. Zij gaan aan de slag met de door ons verzamelde informatie en als ze op fouten of twijfelachtige gegevens stoten, zullen ze ons dat heel snel laten weten. Last but not least is er de politieke controle. Alles wat ik in het openbaar zeg over een lidstaat, wordt aandachtig gevolgd. Bij de minste fout die ik maak, krijg ik meteen een reactie. ‘Wat u daar verkondigt, is fout mijnheer Bruyninckx. Wij hebben andere gegevens.’ In de vier jaar dat ik hier nu zit, is dat overigens nog nooit gebeurd. Dat komt net omdat wij zo uitermate zorgvuldig te werk gaan. We kunnen ons geen fouten of vergissingen permitteren. Want van zodra we de reputatie krijgen dat onze gegevens niet te vertrouwen zijn, is onze rol uitgespeeld. Onze basis wordt gevormd door de betrouwbaarheid van onze informatie. Als er onzekerheid over sommige gegevens bestaat, zullen we dat altijd meedelen. In de wetenschap komt dat trouwens vaak voor. ‘Op basis van die gegevens is dit de boven – en ondergrens van betrouwbaarheid’, staat er dan. Zo werkt wetenschap en zo werkt kennis. Ik kan er niet genoeg op hameren: voor ons is transparantie van levensbelang.”

 

Tegenwoordig zijn heel wat professoren aan universiteiten ook actief als ondernemer in start-ups, waardoor ze commerciële belangen krijgen.

Bruyninckx: “Daar doe ik liever geen uitspraken over. Er kan altijd een belangenconflict in de lucht hangen. Je weet nooit wat je medewerkers in hun vrije tijd uitspoken, met wie ze getrouwd zijn of waar ze in beleggen. Vandaar ook dat er bij ons strenge en duidelijke procedures van kracht zijn. Alles moet hier aangegeven worden; dat heeft het grote voordeel van de duidelijkheid. Ik heb zelf aan de KULeuven gewerkt en ik weet dat er een dienst is waar professoren hun consultancy-opdrachten aan moeten rapporteren. Ik stelde me aan de universiteit altijd compleet onafhankelijk op.”

 

Komen er vaak lobbyisten bij u over de vloer?

Bruyninckx: “Bijna nooit. Het EMA is een kennisinstelling en maakt het beleid niet. Hier in Kopenhagen zitten we trouwens veraf van de Brusselse scene, the Brussels bubble. (lacht) Wij stemmen over helemaal niks, waardoor wij niet interessant zijn voor lobbyisten. Als er dan toch al eens een lobbyist komt aankloppen, ben ik heel duidelijk: ‘Sorry, u zit op de verkeerde plek. Wij spreken de nieuwe normen niet af, daarvoor moet u bij de commissie in Brussel, of in het parlement zijn.'”

 

Krijgt u vaak politici op bezoek?

Bruyninckx: “Nogal wat Europarlementariërs, dat zijn dan mensen die rapporteur zijn over een bepaald thema. Wij bieden hen ondersteuning aan. Ik ben regelmatig in Brussel en dan ontmoet ik, uiteraard, mensen uit het beleid: politici, hoge ambtenaren en ook lobbyisten. Dat is nu eenmaal deel van mijn werk. Niet om mee beleidskeuzes te maken, maar om de nodige informatie te leveren. We zijn volstrekt neutraal en maken geen onderscheid in politieke kleur. Als iemand van om het even welke fractie beroep doet op kennis van onze experts, leveren we die.”

 

Wie het milieubeleid écht wil beïnvloeden, kan misschien beter proberen om de grondstof van dat beleid, de kennis, te beïnvloeden?

Bruyninckx: “Onze procedures en regels om die kennis op te bouwen, zijn superstreng, hoor. Het is niet zo dat om het even wie hier kan binnenstappen en een rapport op tafel kan gooien met de boodschap: ‘Goeiemiddag, ik heb wat nieuwe, “alternatieve” kennis voor jullie. Misschien kunnen jullie die ooit wel eens gebruiken in een rapport.’ Zo werkt het niet.”

 

Sinds de verkiezing van Donald Trump zijn de ‘alternatieve feiten’ aan een opmars bezig.

Bruyninckx: “Kennis is geen kwestie van geloof. Kennis is kennis.”

 

Het lijkt toch alsof er in de VS nu beleid wordt uitgestippeld op basis van onzin?

Bruyninckx: “Precies daarom is het zo een voorrecht om in een Europese context deze job te mogen doen. Onze collega’s van de USEPA zijn het al jaren gewoon om op dezelfde manier kennis te vergaren als wij. Nu worden zij geconfronteerd met een existentieel probleem. Gelukkig is het beleid in Europa sterk gelinkt aan kennis, evidence-based policy making heet dat in het jargon. Ik denk niet dat het hier snel zal veranderen.”

 

Niemand had ook verwacht dat de Britten vaarwel zouden zeggen aan Europa.

Bruyninckx: “Nee, dat klopt. Niemand weet of na de brexit het Verenigd Koninkrijk lid zal blijven van onze organisatie. Ik hoop van wel, al was het maar omdat de Britten in ons vakgebied heel belangrijk zijn als partner in het verzamelen van kennis.”

 

Heeft u in uw functie meer invloed dan een politicus? Uw werk hier bepaalt misschien meer het Europese beleid dan dat van een doorsnee Europarlementariër?

_DSC0028Bruyninckx: “Ik denk niet dat het veel zin heeft om precies te proberen bepalen wie het meeste invloed heeft. Beleid is het resultaat van veel verschillende vormen van informatie of overleg. Wij zijn een radertje in het grote geheel, maar we nemen ons werk wel heel serieus. Onze kennis is betrouwbaar en relevant. We kunnen ook goed inschatten wanneer we wat precies moeten aanleveren. Het is heel belangrijk dat je als kennisinstelling het ritme van de politiek en het beleid perfect kunt aanvoelen.”

 

U kent de bureaucratie op uw duimpje?

Bruyninckx: “We moeten niet alleen de bureaucratie goed kennen, maar ook de politieke cyclus aanvoelen. We moeten de kennis zo presenteren dat degene die ze kan gebruiken, onmiddellijk ziet waar de toepassingen zitten.”

 

U stuurt de politici dus eigenlijk een beetje met de manier waarop u hen uw kennis brengt?

Bruyninckx: “Natuurlijk. Als we met Europese topexperts over luchtkwaliteit praten, hebben we het over ppm’s, microgrammen en NOx en SOx. Als we met mensen praten die de grote beleidslijnen voor de volksgezondheid uitzetten, laten we NOx en SOx achterwege. We kunnen niet anders dan onze informatie framen in de taal en de context van de mensen waarmee we spreken. Daarom besteden wij zeer veel aandacht aan communicatie. Met framen bedoel ik dus niet: ‘verkopen’.

“Wetenschappers hebben er geen enkel probleem mee dat wij kennis framen. Integendeel, want onze teksten, lezingen, rapporten zijn altijd op solide wetenschappelijke waarnemingen gebaseerd. We krijgen lof omdat het ons lukt om onze informatie zo te verpakken dat iedereen naar ons luistert. Dat is toch heel belangrijk? Een paar weken geleden was er in Brussel een conferentie over geluid, wat een zeer complex probleem is. Als je daar technisch over begint te spreken en ingewikkelde grafieken projecteert, beland je meteen in een uiterst moeilijk debat en haken mensen af. Je moet die moeilijke materie dus vertalen in zinnen en beelden die iedereen begrijpt.”

 

Bent u een machtig man?

Bruyninckx: “Macht interesseert me niet, impact wel. Met de kennis die wij in Europa aanleveren, oefenen we behoorlijk wat invloed uit op een aantal processen. Wij streven die impact niet na vanuit de behoefte om de grootste en de sterkste te zijn. Dit werk is geen hobby waar we allemaal ontzettend veel lol aan beleven. Nee, wij werken hier rond zeer serieuze thema’s; onze mensen zijn zich daar heel goed van bewust.”

 

Want uiteindelijk gaat het over het redden van de planeet?

Bruyninckx: “Misschien eerder over het veilig stellen van ons ‘goede leven’ op lange termijn. Ik geloof sterk in ons agentschap en in de rol die wij spelen. Ik ben de voorzitter niet van de commissie of het hoofd van een belangrijke fractie in het Europees parlement. Ik ben hier directeur en het is mijn verantwoordelijkheid om vanuit deze functie zoveel mogelijk impact te hebben. Eerlijk gezegd vind ik dat we dat op dit moment behoorlijk goed doen. We krijgen goede reacties vanuit de Europese instellingen en de lidstaten, maar ook van anderen daarbuiten.”

 

Wordt u zelf nooit wanhopig van de onderzoeksresultaten die u binnenkrijgt? Denkt u nooit: ‘De apocalyps is nabij’?

Bruyninckx: “Een aantal tendensen zijn niet zo gunstig, maar ik heb dat nooit anders geweten. Ik werk al mijn hele loopbaan rond de milieuproblematiek. Sommigen raken daardoor verpletterd; anderen voelen het gewicht van de hele wereld op hun schouders rusten. In plaats van mij erdoor te laten ontmoedigen, zoek ik vanuit al die kennis naar hefbomen om de zaak positief te laten kantelen. Ik ben toch iets optimistischer dan vijf jaar geleden. Zo breekt hernieuwbare energie wereldwijd veel sneller door dan voorspeld was. Niet alleen in Europa, maar ook in een land als China, waar er gigantisch veel in geïnvesteerd wordt. Wie vijf jaar geleden zei dat met ontploffingsmotoren in auto’s dringend komaf gemaakt moet worden, werd gecatalogeerd als radicale zonderling. Nu klinkt dat als een realistische stap op weg naar een koolstofarme economie. Ook de financiële markten krijgen interesse in climate en green financing.”

 

Dat is dus niet hetzelfde als: terug naar de natuur en leve de geitenwollensokken?

Bruyninckx: “Bijlange niet. Voor alle duidelijkheid: ik heb nooit geitenwollensokken gehad en zal die ook nooit dragen. (lacht) Ik ben geen naïeve dromer. Het gaat niet over gerommel in de marge, maar over de kern van de zaak: over fundamentele transities in onze samenleving, zoals bijvoorbeeld een ander energiesysteem. Kopenhagen wil de eerste klimaatneutrale hoofdstad van de wereld worden en Zweden het eerste klimaatneutrale land. Dat visionaire spreekt mij enorm aan. Het gaat niet langer over het voorspellen van de toekomst maar over het vormgeven ervan, en dat op een realistische wijze. We weten dat we dringend de broeikasgasuitstoot moeten afbouwen en dat we de verdere afbraak van ecosystemen en biotopen een halt moeten toeroepen. Martin Luther King veranderde de VS niet door te jammeren: ‘I have a nightmare’, maar met: ‘I have a dream.’”

 

Moet er niet dringend een wereldmilieuagentschap komen?

Bruyninckx: “Er is internationaal al een grote samenwerking. Wij zijn gekoppeld aan het United Nations Environment Program (UNEP) en delen zo kennis met 54 landen in Europa. Energie- en voedselsystemen kennen een globale dynamiek. Wij hebben dus zeer veel aandacht voor globalisering. De voorbije twintig jaar heeft de mensheid geglobaliseerde systemen van produceren en consumeren ontwikkeld die allesbehalve duurzaam zijn. Wij onderzoeken hoe we kunnen vermijden dat we daarin vastgeklikt geraken, en hoe we het mogelijk kunnen maken dat we locked in geraken in duurzame systemen en processen. Het lokale is belangrijk, maar ons terugplooien op onszelf, zelfs al gaat het dan nog over het Europese continent, is niet verstandig. Vandaar ook het belang van het akkoord van Parijs.”

 

Uw mandaat loopt af in 2018. Stel dat het niet verlengd wordt, overweegt u dan een carrière in de politiek?

Bruyninckx: “Ik heb geen enkele ambitie om in de politiek te gaan. Je moet jezelf goed kunnen inschatten. Ik denk niet dat ik een goed politicus zou zijn. Ik was professor politieke wetenschappen en heb nu een functie die zeer dicht staat bij het beleid en de politiek. Mensen zeggen me vaak: ‘Als je spreekt, klink je zeer politiek zonder een politicus te zijn.’ Mijn hele loopbaan draait rond kennis. Dat is mijn roeping.”

 

Pendelt u vaak tussen Kopenhagen en Brussel?

Bruyninckx: “Ja. Deze job heeft een serieuze impact op mijn gezinsleven en voor ik eraan begon, heb ik daar met mijn vrouw afspraken over gemaakt. Als ik in het weekend in België ben, werk ik niet. Ik ben wel bereikbaar als het dak hier bij wijze van spreken instort of de comissaris me dringend nodig heeft, maar ik neem geen dossiers mee naar huis. Tijdens de week is dit een intense job die volledige toewijding vereist. Dit is geen baan voor mensen die niet stressbestendig zijn. Je kan door een golf overspoeld worden of je kan erop surfen. Meestal slaag ik erin om te surfen op de golf van wat er allemaal op me afkomt. Drie dagen per week ben ik hier in Kopenhagen, twee dagen vertoef ik elders in Europa. Je kan geen Europese functie uitvoeren als je in je kantoor blijft zitten. De lidstaten verwachten heel terecht dat ik regelmatig langskom en aandacht aan hen besteed.”

 

U heeft dus een stevige ecologische voetafdruk.

Bruyninckx: “Iedereen in de Europese Unie met dit soort functie heeft een grote ecologische voetafdruk. In vergelijking met mijn voorgangster heb ik het aantal reisdagen en kilometers zo goed als gehalveerd. Alle medewerkers van ons agentschap reizen een pak minder omdat ik een pleitbezorger ben van technologische communicatiemiddelen zoals conference calls. Elke kilometer die we vliegen compenseren we via de beste carbon offsetting-programma’s. Maar ik vlieg veel, dat is zeker waar, en dat wringt soms. Alleen raak je met de roeiboot of de fiets niet tot in Bulgarije, Malta, Portugal of IJsland.”

 

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

‘Mensen zijn heel mak, en dat is gevaarlijk, want zo heeft het fascisme in Duitsland ingang gekregen’

In oktober 2015 ging Michaël Borremans’ werk Girl with duck bij Sotheby’s voor 2,7 miljoen euro over de toonbank. Zelf verdiende hij daar toen niet zo veel aan, maar het katapulteerde hem in één klap tot ‘duurste levende Belgische schilder’. “Al dat geld is collateral damage.”

 

Wereldwijd geldt Michaël Borremans (53) als een van de grootste nog levende Belgische kunstenaars. In zijn thuisstad Gent rijdt hij gewoon met de fiets rond en houdt niemand op straat hem tegen voor een selfie of een handtekening. We hebben afgesproken in zijn favoriete Italiaanse osteria in de schaduw van het oude RTT-gebouw. “Al duizend keer reed ik met de fiets naar dit restaurant, en toch slaagde ik er daarnet in om helemaal in gedachten verzonken verloren te rijden”, zegt hij terwijl het voorgerecht wordt opgediend. “Hoe is dat nu mogelijk? Al heeft het feit dat het mogelijk is ook iets zeer bevrijdends.”

 

Is dat ook niet een beetje verontrustend?

Michaël Borremans: “De code van mijn creditcard niet meer kunnen herinneren als ik wil betalen, dàt is verontrustend én vervelend. Maar verdwalen op een plek die ik goed ken, lijkt op de verwondering die ik als kind had. Eigenlijk is het toch een kwaliteit om verloren te lopen in een stad waar ik al 25 jaar woon? (lacht)”

 

Uw atelier is hier in de buurt?

Borremans: “Eén wel. Op dit moment gebruik ik drie verschillende ateliers. Vroeger had ik er maar één en als ik dan geen inspiratie had, niet verder kon met een werk of geblokkeerd zat, ging ik op de lappen of deed ik andere onverstandige dingen. Maar door ouder te worden besef ik dat mijn werk voor mezelf alleen maar boeiender wordt. Ik vind het steeds meer de moeite waard, en daarom wil ik er ook veel tijd in investeren. Eens de 50 gepasseerd, besef je dat je tijd opraakt. Dus moet je die zo nuttig mogelijk invullen. Ik leen een tweede atelier van een vriend. Als ik tijdens een werk blokkeer, verhuis ik naar dat andere atelier waar ik op een ander moment ook geblokkeerd zat. Daar weet ik dan een antwoord op, omdat ik uit een andere context kom en er met nieuwe ogen arriveer. Op dit moment heb ik drie werkplekken langs waar ik mijn tournee maak. Een tijdje geleden kocht ik zelfs een Porsche 911 om de afstanden sneller te kunnen overbruggen. Maar ik heb die auto weer verkocht, want dat was niks voor mij. (lacht) Ik wil alleen maar zeggen dat ik alles in mijn leven organiseer in functie van het werk.”

 

Wat misschien niet echt gezond is.

Borremans: “Dat is altijd zo geweest en wordt alleen maar erger. Ik ben daar zeer tevreden mee. Natuurlijk lijdt mijn sociaal leven daar onder. Als ik aan het werk ben, word ik soms een kluizenaar. Maar ik ben dan wel perfect gelukkig. Hou ouder ik word, hoe meer ik dat kluizenaarsschap apprecieer. Dat heeft ook te maken met slechte ervaringen met sommigen. De schrijver Gerard Reve had niet helemaal ongelijk toen hij zei: ‘Met de meeste mensen kun je beter niks te maken hebben.’ Ik ben geen misantroop, maar ik koester wel de momenten van splendid isolation.”

 

Streelt het uw ego dat u wereldwijd tot de meest invloedrijke Belgische kunstenaars behoort?

Borremans: “Als dat écht zo zou zijn, uiteraard wel. Er leeft een mythe dat ik bescheiden ben, maar dat is niet zo. Nee, voor mezelf ben ik de interessantste kunstenaar ter wereld. En elke kunstenaar die dat niet van zichzelf denkt, is slecht bezig of liegt. Je moét ervan overtuigd zijn dat je werk ertoe doet en relevant is. Anders ben je niet geloofwaardig.

“Het belang van een kunstenaar moet gemeten worden aan zijn invloed, niet aan zijn marktwaarde of aan de beoordelingen van experts. Alleen kun je die invloed alleen maar achteraf vaststellen. De Nederlandse modernistische kunstenaar Mondriaan heeft nog steeds een verpletterende invloed. Zijn beeldtaal drukte een stempel op de schilderkunst, maar ook op de vormgeving en de architectuur. Hij heeft voor verandering gezorgd, net als Marcel Duchamp, Pablo Picasso en Andy Warhol. Zij bestonden niet op zichzelf, maar hun kunstenaarschap werd gevoed door een grotere context.”

 

Moet elke kunstenaar die ambitie hebben om invloedrijk te worden?

Borremans: “Niet noodzakelijk. Als kunstenaar kun je daar niet bij stilstaan of rekening mee houden. Mijn werk ontstaat uit intuïtie, uit noodzaak om me te manifesteren in de taal die me ligt. Zonder kunst zou ik niet compleet zijn. Ik zou niet op het juiste spoor zitten en me verloren voelen, want ik ben tot niets anders in staat. Maar het hoeft niet de schilderkunst te zijn, ik had net zo goed voor televisie kunnen werken. Of een boek kunnen schrijven, of een slechte muzikant worden. (lacht) Dat laatste ben ik intussen trouwens ook. Ik speel elke dag gitaar omdat ik me alleen zo echt kan ontspannen. Ik heb onlangs een band opgericht samen met de fantastische gitarist Steven Janssens. Niet zo lang geleden speelden we voor het eerst voor publiek op de openingsavond van een groepstentoonstelling in het Zwitserse mondaine skidorp Gstaad. Ik vond mezelf niet zo goed, maar het publiek was zeer enthousiast. De andere muzikanten waren uitstekend, ook al hadden we niet veel gerepeteerd, maar professionals zoals zij don’t fuck up. Ik voel me een gerateerde rocker. Toen ik bijna dertig was, dacht ik: ‘Nu is het te laat, ik ben te oud om een rockband te beginnen.’ Op je vijftigste kan dat dan weer wel. (lacht)”

 

Was het als schilder een lange, lastige weg naar het internationale succes?

Borremans: “Nee, ik heb een beetje geluk gehad. Ik was al 37 toen ik als kunstenaar voluit naar buitenkwam. Daarvoor was ik leraar. Ik was wel bezig met mijn kunstenaarschap, maar op halve kracht. Daardoor had ik de tijd om mijn werk langzaam en in de schaduw tot ontwikkeling te laten komen. Toen ik debuteerde, was dat een instant succes en dankzij de samenwerking met galeriehouder Frank Demaegd ging het meteen snel.

“Het leraarschap is natuurlijk een engagement. Het is niet gemakkelijk om elke dag een goede leraar te zijn.”

 

Was u een goede leraar?

Borremans: “Op sommige dagen wel, al heb ik ook veel fouten gemaakt. Ik probeerde het lesgeven wel zeer ernstig te nemen: het is een heel complex, onderschat beroep. Het basisonderwijs zou veel hoger ingeschat moeten worden, beter betaald en de opleiding mag best uitgebreider. Ik vind dat de maatschappij constant in de inhoud van het onderwijs moet investeren. In Amerika hebben ze het basisonderwijs decennialang verwaarloosd en nu zitten ze opgescheept met Donald Trump als president. You reap what you sow.

“Als leraar in de humaniora merkte ik dat er jonge mensen afstudeerden die niet zonder fouten konden schrijven. In die tijd was dat waarschijnlijk nog maar een minor problem. Ik vrees dat de toestand ondertussen veel verslechterd is. Terwijl het zo ontzettend belangrijk is dat de liefde voor taal en cultuur via het onderwijs aan jongeren wordt meegegeven. Een vak als geschiedenis is ook van levensbelang: we moéten weten waar we vandaan komen. Eigenlijk zou elke scholier gestimuleerd moeten worden om In Europa van Geert Mak te lezen.”

 

Is kunstenaar zijn een job of een roeping?

Borremans: “Als het al een job is, is het geen kantoorjob omdat het nooit stopt. Je bent constant kunstenaar, zelfs als je slaapt of onder de douche staat. Het is net als pastoor zijn. In mijn geval is het zeker een roeping, omdat ik nooit een andere optie had. Mijn ouders wisten dat er niks aan te doen was: hun zoon Michaël moest en zou kunstenaar worden. Ik had geen uitzonderlijk talent, maar ik was er wel door bezeten. Die drive is zeer belangrijk.”

 

Hebben mensen met te veel talent de neiging om enkel daarop voort te dobberen?

Borremans: “Wat is talent? Ik zie veel kunstenaars die one trick ponies zijn en zichzelf blijven herhalen. Daarnaast zijn er anderen die constant experimenteren: tot die groep wil ik behoren.

“Je hebt mensen met veel talent én een drive. Rubens indertijd had wat te veel talent. (lacht) Van Gogh was gedreven, terwijl zijn talent in zekere zin beperkt was. Maar hij is toch de beste Van Gogh geworden die hij kón worden. Hij heeft tijdens zijn leven nooit enige vorm van erkenning gehad en is het type dat beantwoordt aan het romantische cliché van de arme miskende kunstenaar. In de 19de eeuw waren de meeste schilders welstellende salonartiesten.”

 

Is succesvol zijn een vloek of een zegen?

Borremans: “Succes hebben is soms moeilijk. Het isoleert, al is die isolatie bij mij een vrijwillige keuze. Als je succes hebt, gaan mensen je anders bekijken. Ze denken dan snel dat je naast je schoenen loopt. Dat is een heel vreemde ervaring. Als ze je contacteren, is het altijd omdat ze iets nodig hebben. Nooit komt iemand langs met de simpele vraag: ‘Hé, hoe is’t? Hoe voelt ge u?‘ Ik word vaak meer als instituut dan als persoon benaderd.”

 

Ook door vrienden?

Borremans: “Uiteraard niet, God forbid. Ik heb weinig echte vrienden, maar de vrienden die ik heb, zijn van onschatbare waarde. Succes is zowel een vloek als een zegen, maar geldt dat niet voor alles? Neem de technologische evolutie: die is sterk aanwezig in onze samenleving en kunnen we niet stoppen. Voor velen is ze een moderne religie. Mijn dochter van zeventien brengt de helft van haar leven door met staren naar een scherm. Ik zeg haar soms: ‘Meisje, zou je niet eens wat tijd investeren in een echt leven?'”

 

U bent geen fan van sociale media zoals Facebook of Twitter?

Borremans: “Nee, ze hebben een dwingend karakter, dus wantrouw ik ze. Ik zit niet op sociale media. Er bestaat wel een Facebook-pagina van mij, maar daar is iemand anders mee begonnen. Dat kan dus ook allemaal: de eerste, de beste kan zich zomaar uitgeven voor iemand anders. Ik vind het heel bizar dat niemand daar tegen revolteert. Mensen zijn heel mak, en dat is gevaarlijk, want zo heeft het fascisme in Duitsland ingang gekregen. De media die toen gebruikt werden, waren ook nieuw.”

 

Bent u nu binnen?

Borremans: “Het financiële is een niet onprettige bijkomstigheid. Het is bijzonder comfortabel om geld te hebben, dat geef ik grif toe. Ik weet ongeveer hoeveel ik bezit, maar ik heb geen flauw idee of dat genoeg is om van te rentenieren. Ik ga ervan uit dat ik honderd jaar word. Ik heb nog altijd een vrij sobere levensstijl, waardoor ik het waarschijnlijk wel tot mijn honderdste kan rekken. Ik heb watervrees, dus hoef ik al geen jacht te kopen. (lacht)

I was never in it for the money. Dat geld is collateral damage. Iets wat je te graag wil, zal nooit tot bij jou komen. Ik heb geen beleggingen en investeer zoveel mogelijk in mijn eigen werk. Ik ben niet zo geïnteresseerd in geld. Wat mij wel interesseert, is in mijn atelier op een boeiende manier met mijn werk bezig zijn. Op dit moment lukt dat vrij goed. Ik ben het gelukkigst als ik begeesterd ben en kan werken. Elke dag dat ik niet werk, is een verloren dag. Op dit moment loopt het redelijk goed en dat mag eeuwig zo blijven duren.”

 

Maar dat zal niet zo zijn.

Borremans: “Nee, het gaat met ups en downs. Nu amuseer ik me te pletter. Dit is een heel boeiende periode, omdat ik stout kan zijn in mijn werk en niet weet waar het zal eindigen. Nee, ik kan u niet zeggen waar ik mee bezig ben. Ik ben daar zeer bijgelovig in en moet er nu verder mijn bek over houden. Ik toon mijn werk zelfs niet aan mijn lief: het is top secret. Ook tegen verzamelaars uit Azië of Amerika die naar mijn atelier komen, zeg ik: ‘Sorry, ik kan jullie mijn nieuw werk niet laten zien. Ik zit in een fase dat het nog te embryonaal is. Ik vind het belangrijk dat ik het een tijdje voor mezelf kan houden.’ De meesten appreciëren dat wel. Al vinden sommigen het moeilijk, omdat ze van ver gekomen zijn. Ze hadden gehoopt op een preview.”

 

Komen er vaak kunstverzamelaars bij u op bezoek?

Borremans: “Af en toe, maar ik tracht dat te beperken en ik laat geen groepen toe. Ik verkoop zelf niets; alles gaat via de galerieën. Gelukkig maar, want ik zou een zeer slechte verkoper zijn. Voor ik met galeriehouders samenwerkte, gaf ik mijn werk cadeau. Ik ben geen commercant of marktkramer, maar een kunstenaar.”

 

Van sommige kunstenaars en galeriehouders wordt beweerd dat ze via stromannen zelf kunstwerken kopen om de prijs op te drijven, om zo de invloed en de marktwaarde van de kunstenaar in kwestie te vergroten.

Borremans: “Ik heb ook al gehoord dat op veilingen de prijzen soms kunstmatig opgedreven worden. Maar als er geen markt voor een werk bestaat en niemand erin geïnteresseerd is, krijg je het nooit verkocht. Prijzen opdrijven, is dus zinloos. De markt is de markt. In tegenstelling tot een paar decennia geleden is de kunstmarkt een vaste waarde geworden. Wie nu een werk van pakweg Donald Judd koopt, weet dat hij er nooit geld aan zal verliezen.”

 

Geldt dat ook voor een werk van Michaël Borremans?

Borremans: “Dat zit er aan te komen, hé. Het wordt wel steeds moeilijker om speculanten af te houden: zij kopen omdat ze rekenen op stijgende prijzen. Donald Judd is dood en ik ben een veel jongere kunstenaar. Ik ben nog in volle evolutie en ik hoop dat ik oud genoeg word om de best mogelijke weg te bewandelen. Ik moét oud worden: ik zou niet graag sterven voor ik uitverteld ben.”

 

Uw dochter zal er na uw dood wel bij varen.

Borremans: “Dat zal ervan afhangen of ze erft. Dat moeten we nog bekijken. Ik wil haar met niets opzadelen of haar van haar vrijheid beroven. Ik heb het er met haar al over gehad.”

 

Sting heeft zijn kinderen ook beloofd dat ze niets zullen erven. Volgens hem zal zijn rijkdom als een molensteen rond hun nek hangen en is het beter dat ze zelf werken voor hun geld.

Borremans: “Dat bericht van Sting in de krant was eigenlijk de aanleiding om het er met mijn dochter over te hebben. Ik liet haar het artikel lezen en zei: ‘Dit is ook een optie.’ Ze vond dat cool. (lacht)”

 

In 2014 had u een grote overzichtstentoonstelling in BOZART in Brussel waar een recordaantal bezoekers op afkwam. Was dat een soort van tijdelijke bekroning van uw kunstenaarschap?

Borremans: “Ik voelde me er alleszins zeer mee vereerd. Die tentoonstelling was nuttig voor mij omdat ik kon terugkijken op wat ik tot dan gedaan had. Ik werd gedwongen om zelf mijn oud werk te evalueren. Doordat ik er oog in oog mee stond, zag ik wat er me stoorde. Ik leerde toen wat voor verbetering vatbaar is en ik voelde me ertoe gedwongen om nieuw en beter werk te gaan maken. Ik heb toen ook ontdekt dat de manier waarop toeschouwers mijn werk becommentarieerden, me soms stoorde. Ik zocht de fouten vervolgens bij mezelf. ‘Misschien staat dat werk niet helemaal op punt. Misschien komt er niet altijd uit wat ik bedoeld heb.'”

 

U liep rond op uw eigen tentoonstelling, observeerde hoe mensen op uw werk reageerden en luisterde hun gesprekken af?

Borremans: “Nee, ik luisterde niemand af: ik werd er zelf veel over aangesproken. Ik ben er nauwelijks geweest omdat ik het niet kan verdragen om op mijn eigen tentoonstelling rond te lopen. Ik word ook niet graag gefotografeerd bij mijn werk. Het vergt van mij al een zeer groot engagement en een zware inspanning om het te maken, dan mag het stoppen. Ik wil het ook zelf niet analyseren; er zijn mensen die dat veel beter kunnen.”

 

U kreeg nogal wat kritiek toen de tentoonstelling naar Tel Aviv verhuisde.

Borremans: “Ik was daar zwaar door gechoqueerd. Ik wist toen niet goed hoe te reageren. Ik vond het pijnlijk om te horen en te lezen hoe sommigen zichzelf een soort morele superioriteit toedichtten, zonder er rekening mee te houden dat ik misschien een meer genuanceerde visie op Israël en de Palestijnse kwestie heb. Ik geloof dat in dit geval een culturele boycot gewoon averechts werkt. Israël is een jong land dat nood heeft aan meer cultuur. Een maatschappij kan alleen maar progressiever en zelfkritischer worden als er meer cultuur ontwikkeld wordt. De Israëlische nederzettingenpolitiek kan enkel van binnenuit veranderd worden. Het is en blijft een democratisch land. Een culturele boycot helpt geen sikkepit.”

 

Hoe belangrijk zijn kunstpausen en curatoren voor de reputatie of de invloed van een kunstenaar?

Borremans: “Curatoren, museumdirecteurs en galeriehouders hebben een niet te onderschatten invloed én verantwoordelijkheid. De ene curator houdt van je werk, de andere niet. Daar is niets mis mee, alleen zijn sommige curatoren nogal modieus waardoor ze voorspelbare tentoonstellingen maken. Ik hou meer van hun vakbroeders die afwijken van de norm en hun persoonlijke signatuur in hun selectie nalaten. Kunstenaars die het heel goed doen op de internationale kunstmarkt, worden door curatoren vaak gewantrouwd. Ze beschouwen hen als ‘commercieel’. Ik vind dat een bizarre redenering, want waarom zou inhoudelijk interessant werk geen commercieel succes mogen hebben?”

 

U wordt door een aantal curatoren ook beschouwd als een commercieel kunstenaar?

Borremans: “Op de ranking van de markt scoor ik hoog, dat is onmiskenbaar zo. Bij verschillende curatoren scoor ik dan weer iets minder. Ik vind dat niet erg; ik hoef niet door iedereen omarmd te worden. Het is goed dat mijn werk hier en daar weerstand oproept, dat is zelfs essentieel. Het cliché wil dat het dan interessanter wordt. (lacht)”

 

(c) Jan Stevens

‘Bill Gates is een vriend en een geestverwant: we willen allebei hiv, polio en tbc voorgoed de wereld uit helpen’

Paul Stoffels is tweede in de pikorde van Johnson & Johnson, een van de grootste farmaceutische concerns ter wereld. Hij is de machtigste en invloedrijkste Belg in farmaland. “Ons ultieme doel is en blijft: voor de gezondheid van mensen wereldwijd het verschil maken.”

 

Als pas afgestudeerde dokter tropische geneeskunde ruilde Paul Stoffels (55) eind jaren tachtig de Kempen in voor Congo en Rwanda. “Ik wou van de wereld een betere plek maken”, zegt hij. Samen met invloedrijkste Belg Peter Piot voerde hij pioniersonderzoek naar HIV en aids. Vandaag is hij Chief Scientific Officer (CSO), Executive Vice President (EVP) en lid van het Executive Committee bij Johnson & Johnson (J&J). Vanuit het hoofdkwartier in New Brunswick in de Amerikaanse staat New Jersey stuurt Stoffels als CSO wereldwijd een team aan van 15.000 wetenschappers en beheert hij een budget van ruim 8 miljard euro. Als EVP draagt hij medeverantwoordelijkheid voor meer dan 40.000 personeelsleden verspreid over 150 landen. Zijn onderzoek lag mee aan de basis van drie aidsremmers en minstens vijftien nieuwe geneesmiddelen.

Paul Stoffels startte zijn carrière bij de legendarische dokter Paul Janssen, grondlegger van Janssen Pharmaceutica. Het was op diens vraag dat hij in Afrika op zoek ging naar een geneesmiddel tegen aids. Vandaag is Janssen Pharmaceutica onderdeel van J&J, het grootste farmaconcern ter wereld, en is het herdoopt tot Janssen: Pharmaceutical Companies of Johnson & Johnson.

“Toen wijlen Paul Jansen in 1953 zijn klein bedrijfje in de Kempen uit de grond stampte, werkten er amper een paar honderd mensen”, zegt Paul Stoffels. “Vandaag stellen we in België alleen al 4.500 mensen te werk. Onze invloed halen we uit de geneesmiddelen die we ontwikkelen en die impact hebben op het leven van ontzettend veel mensen, overal ter wereld. Wat voor ons écht telt is, om het in het Engels te zeggen: ‘Years of lives saved and years of quality of life generated.’ Hoeveel jaren helpen we mensen langer leven en hoeveel gezonde jaren kunnen we hen extra schenken? De kwaliteit van het leven staat vandaag in de hele geneeskunde bovenaan. Mensen langer én gezonder laten leven is ons ultieme doel.”

 

Het ultieme doel van een farmabedrijf is niet: zoveel mogelijk geld verdienen?

Paul Stoffels: “Als geld het belangrijkste wordt, is het einde snel in zicht. Elk bedrijf dat wil blijven bestaan, moet natuurlijk een return on investment halen. Maar ons ultieme doel is en blijft: voor de gezondheid van mensen wereldwijd het verschil maken. Dat is onze missie en wij werken daar gepassioneerd aan. Geldt dat trouwens niet voor de meeste grote belangrijke ondernemingen? Apple maakt ook iPhones om winst te maken, maar tegelijkertijd steken al die knappe koppen in dat bedrijf hun ziel in het superproduct waarmee ze de wereld veroverd hebben. Bij ons is dat niet anders: wij mobiliseren de beste wetenschappers, geneesheren, apothekers, ingenieurs en businesslui om samen aan dat nieuwe medicijn te werken waarmee we iedereen zullen verrassen. We moeten altijd opnieuw iets proberen brengen dat boven de rest uitspringt. Dat is ons al zeer vaak gelukt, waardoor wij nu belangrijke producten in de aanbieding hebben die wereldwijd mensen genezen. Het gevolg is dat ik nu als een invloedrijk persoon op deze planeet beschouwd word. (lacht) Terwijl invloedrijk worden, nooit mijn betrachting geweest is.”

 

De plaats waar u nu zit, was niet uw droom toen u geneeskunde begon te studeren?

Stoffels: “Helemaal niet. Ik wou als arts in Afrika gaan werken. Mijn allereerste droom was: muzikant worden. Klassieke muziek, orgel en piano. Maar vrij snel besefte ik dat muziek voor mij te beperkt was om mijn hele leven aan te wijden. Ik ben opgegroeid in Achtel, een klein gehucht ergens tussen Hoogstraten en Rijkevorsel, en was daar lang organist. Er staat een kapelletje waar mijn moeder nog steeds naar de mis gaat. Als ik thuis ben, vraagt ze altijd of ik daar op zondag wil komen spelen, wat ik dan ook vaak doe.”

 

U bent een gelovig mens?

Stoffels: “Ja, maar ik heb in de loop der jaren mijn eigen versie ontwikkeld. Ik geloof dat we allemaal samen aan een betere wereld moeten werken, met een goede gezondheidszorg voor iedereen. Dat is ook een van de redenen waarom ikzelf in dit vak verzeild geraakt ben. Als jongeman droomde ik van een betere wereld en zo kwam Afrika in het vizier. Tijdens mijn studies geneeskunde bracht ik elke vakantie op dat continent door. Ik raakte erdoor gefascineerd en zag ook wat ik er later als arts zou kunnen betekenen. Na mijn studies tropische geneeskunde ging ik er meteen aan de slag. Zo verbleef ik drie jaar in Congo en één jaar in Rwanda waar ik als geneesheer-researcher verbonden was aan een project voor onderzoek naar HIV en aids.”

 

U hebt de genocide in Rwanda meegemaakt?

Stoffels: “Begin oktober 1990 werden mijn vrouw en ik samen met onze kinderen geëvacueerd bij de eerste inval. Ik keerde later terug, terwijl mijn familie in België bleef. Ik werkte in Rwanda tot april 1994, toen de genocide plaatsvond. Ik heb toen veel vrienden verloren, waaronder mijn naaste medewerkers. Pas de voorbije zomer reisde ik voor het eerst na de genocide terug naar Rwanda. Dat was zeer emotioneel. Omdat er zoveel vrienden en kennissen van mij gedood zijn, was ik er niet eerder toe in staat. Maar dat land is intussen heropgestaan en ziet er anders uit dan toen. Alles is er tot in de puntjes georganiseerd en ze hebben de Franse taal ingeruild voor de Engelse. Er valt veel kritiek te leveren op het huidige bewind, maar Rwanda is wel terug stabiel en de mensen hebben er hun leven opnieuw in handen. Wat over een land als Congo niet gezegd kan worden.”

 

U bent een pionier in het aidsonderzoek?

Stoffels: “Jawel. We voerden ons veldonderzoek eind jaren tachtig, op het moment dat HIV in Afrika massaal doorbrak en iedereen met de handen in het haar zat. Na onze vlucht uit Rwanda vroeg Paul Janssen me om bij hem te komen werken. ‘We gaan samen een middel maken om HIV te genezen’, zei hij. Hij geloofde er heel sterk in dat we op een bepaalde dag één pil zouden ontwikkelen waarmee we aids eens en voorgoed de wereld konden uithelpen. Vandaag, iets meer dan een kwart eeuw later, maken we aidsremmers die wereldwijd de levensverwachting van seropositieve mensen spectaculair helpen stijgen. In samenwerking met onze collega’s van Gilead is het ons ook gelukt om die remmers samen in één pil te verenigen, en houden we zo het virus onder controle. Tijdens mijn onderzoek in Afrika raakte een van mijn goede vrienden, ook een arts, met HIV geïnfecteerd. Op dat moment werd de strijd tegen HIV voor mij zeer persoonlijk. Nadat dokter Janssen op pensioen ging, nam ik afscheid van Janssen Pharmaceutica en stapte ik over naar Tibotec in Mechelen. Halverwege de jaren negentig ontwikkelde ik samen met Rudi Pauwels drie middelen tegen HIV.”

 

In die periode werd u naast dokter en onderzoeker ook ondernemer? 

Stoffels: “Wie in Afrika als arts werkt, wordt automatisch ondernemer. Want daar moet je heel veel zelf organiseren en voortdurend initiatieven nemen. Door in Afrika een kliniek te runnen, leer je heel wat meer dan een student op de Harvard Business School. Samen met Rudi richtte ik in Mechelen in 1995 Virco op. Ik werd bedrijfsleider van Virco en voorzitter van de raad van bestuur van Tibotec. Onze twee bedrijven versmolten later tot Tibotec-Virco. We startten met vijf mensen en creëerden via ons bedrijvennetwerk minstens duizend nieuwe jobs. Toen brak de financiële crisis uit. J&J vroeg ons om onder hun vleugels verder te werken. Zij creëerden de juiste omstandigheden voor mezelf en mijn team om succesvol te worden.”

 

Verliet u in 1995 Janssen Pharmaceutica uit onvrede?

Stoffels: “Nee. Ik was er in die tijd sterk van overtuigd dat diagnostiek een heel belangrijke rol zou spelen in het HIV-onderzoek. Ik wou daarvoor de beste mensen ter wereld samenbrengen, maar dat lukte op dat moment niet bij Janssen. We hebben dan maar ons eigen bedrijf opgericht. Eerlijk gezegd was dat een van de beste beslissingen uit mijn leven. We brachten de allerbeste HIV-onderzoekers samen en gingen op zoek naar geld. Een op drie verkochte HIV-geneesmiddelen in de VS is ontwikkeld door mensen uit ons topteam van toen. Ik ben daar nog altijd heel erg fier op.”

 

Zou uw bedrijf ook zo succesvol geworden zijn als de HIV-besmetting enkel beperkt was gebleven tot Afrika en ‘maar’ de omvang van de Ebola-epidemie had aangenomen? Zat u vandaag dan op dezelfde stoel?

Stoffels: “We engageerden ons met ons team even hard in de strijd tegen Ebola als tegen aids. Het probleem met infecties zoals HIV, Ebola of Zika is dat ze nooit beperkt blijven tot de regio waar ze ontstaan. Door de manier waarop HIV zich van de ene mens op de andere overzet, via seksueel contact en via het bloed, is het per definitie een globale ziekte. Zika werd in de jaren vijftig ergens in een woud in Oeganda voor het eerst beschreven. Vervolgens verdween de besmetting om zestig jaar later aan de andere kant van de wereld weer op te duiken. Op een bepaald moment vond iemand de link met microcefalie, met baby’s die met een abnormaal klein hoofd geboren worden, en meteen was Zika een wereldprobleem. Het maakt niet uit of het virus in Zuid-Amerika of in Afrika woedt: de besmetting moet en zal uitgeroeid worden, net als Ebola. In mijn jonge jaren werkte ik in de Congolese stad Kikwit. Het Ebola-virus dat onlangs in West-Afrika woedde, stamt van de Kikwit-strain uit de jaren negentig. Waarschijnlijk is het virus via vleermuizen overgebracht naar andere delen van Afrika. We zijn ons zeer goed bewust van de mogelijke catastrofale gevolgen van de verspreiding van zo’n virus. Als Ebola in Kinshasa uitbreekt, een stad met tien miljoen mensen en een heel beperkte infrastructuur, groeit dat gegarandeerd uit tot een wereldramp. Als Ebola in Mumbai toeslaat, komt de wereld zelfs tot stilstand. Het is echt niet voor niets dat de VS, Europa en nog een paar andere landen vandaag intens samenwerken met de farmaindustrie. Ook wij dragen ons steentje bij in die zoektocht naar nieuwe vaccins voor ziektes die wereldwijd een bedreiging voor de volksgezondheid vormen.”

 

Vandaag woont en werkt u vooral in de VS?

Stoffels: “Meer dan de helft van de tijd werk ik in Amerika. Hier in New Brunswick in de staat New Jersey, maar ook aan de West Coast, in San Fransisco, San Diego, Boston, Seattle en Washington. Ik ben ook regelmatig in Londen en reis bijzonder veel: dit jaar was ik al in India en elk jaar kom ik een keer of drie in Afrika. Drie dagen per maand vertoef ik in België om er mijn kinderen en kleinkinderen te zien. Ik reis meestal samen met mijn vrouw omdat ons leven anders voorbijflitst zonder dat we samen dingen beleven. We zijn zoals de Bedoeïenen, en zwerven over de hele wereld. (lacht)”

 

Zelf onderzoek voeren is er niet meer bij?

Stoffels: “Ik maak nu onderzoek mogelijk en stuur een erg grote groep van wetenschappers aan. Binnen ons concern hebben we een netwerk van 150 biotechbedrijven uitgebouwd. Dat zijn stuk voor stuk onafhankelijke bedrijven die binnen onze grote onderneming plaats krijgen om te werken aan nieuwe wetenschap. We geven die start-ups alle kansen om in uitstekende omstandigheden heel interessante pistes verder te verkennen. Wij investeren zelf meer dan een miljard dollar in die bedrijfjes. Tom Heyman, de man die tot vorig jaar aan het hoofd stond van Janssen Pharmaceutica in Beerse, leidt nu als Global Head van de Johnson & Johnson Development Corporation (JJDC) dat hele netwerk in goede banen. Daarnaast werken we ook nog eens samen met meer dan 150 biotechbedrijven buiten de grote groep. In totaal hebben we zo 400 verschillende samenwerkingen lopen met start-ups, ondernemers en academische centra. Allemaal met de bedoeling om nieuwe wetenschap onder de loep te nemen. Van zodra daar iets positief uit opborrelt, brengen wij dat binnen in ons eigen bedrijf en proberen we dat zo snel mogelijk om te zetten en te ontwikkelen naar een product dat de geneeskunde ten goede komt. Binnen J&J werken ook veel onderzoekers. Zo runnen we immense researchlabs in Beerse, in San Diego in de Amerikaanse staat California en in Spring House in de staat Pennsylvania. Ons eerste doel is het vastleggen van de best mogelijke wetenschappelijke kennis, ons tweede doel: het ontwikkelen van een geneesmiddel. Wereldwijd werken 5000 mensen aan de ontwikkeling van onze producten en we organiseren klinische studies in 80 landen.”

 

U kent dus over de hele wereld zeer veel wetenschappers en farmaondernemers, waardoor u persoonlijk veel invloed kunt uitoefenen?

Stoffels: “Invloed krijg je enkel en alleen door de resultaten die je boekt. Janssen: Pharmaceutical Companies of Johnson & Johnson wordt algemeen erkend als een van de meest innovatieve farmaceutische bedrijven in de wereld. Daarom ook groeien we zo sterk: vandaag prijken we op de vierde plaats in de globale ranking van farmaondernemingen en staan we in de VS en Canada op de eerste plaats. En dat zonder ooit een echt grote overname te hebben gedaan. De meeste andere bedrijven uit onze sector zijn fusies van verschillende groepen. Dankzij het succes van onze onderneming ken ik inderdaad heel wat mensen. Ik span me ook erg in om ervoor te zorgen dat ik verbonden blijf met de National Institutes of Health, de nationale onderzoeskinstellingen in de VS, met de Gates Foundation, met de Europese overheden, met bedrijfsleiders… Ik ben altijd wel ergens met iets bezig. (lacht)”

 

Kent u Bill Gates persoonlijk?

Stoffels: “Ik ken hem zeer goed. Hij is een vriend en een geestesverwant: ook hij wil de geneeskunde erop vooruit helpen. Zijn Foundation steunt heel wat van onze projecten. Bill nodigt me dikwijls uit voor een gesprek: we willen allebei HIV, polio en tbc voorgoed de wereld uithelpen.”

 

Merkt u in uw contacten met Amerikaanse overheidsinstellingen iets van een nieuwe wind onder president Donald Trump?

Stoffels: “Nee. Misschien zal de nieuwe Amerikaanse regering andere klemtonen leggen die de omstandigheden waarin we werken beïnvloeden, maar aan het fundament van ons onderzoek wordt niet getornd. Wij werken aan het oplossen van immens grote problemen en die projecten lopen altijd over lange termijn. We focussen ons op dementie, diabetes, kanker, depressie, infectieziekten, ontstekingen, reuma en huidziekten zoals psoriasis. We voeren al 20 jaar onderzoek naar de ziekte van Alzheimer. We boeken vooruitgang, maar we zullen daar de volgende 20 jaar nog veel in moeten investeren in de hoop ooit met een geneesmiddel te eindigen.”

 

Hebt u goede contacten met politici wereldwijd?

Stoffels: “Ik spreek met weinig politici. Op het World Economic Forum in Davos ontmoet ik wel elk jaar de Belgische eerste minister en een aantal gezagsdragers. Af en toe praat ik met de eurocommissaris voor Onderzoek, Wetenschap en Technologie, want de grote wetenschappelijke onderzoeken in Europa vallen onder zijn bevoegdheid. De Europese Unie en de farmaindustrie hebben een groot samenwerkingsproject voor het onderzoek naar medicijnen lopen. Het Innovative Medicines Initiative (IMI) ondersteunt bedrijven en netwerken die koortsachtig op zoek zijn naar nieuwe geneesmiddelen. Ik heb vooral veel contact met mensen overal ter wereld die actief zijn in onderzoek en ontwikkeling. Ik werk al veertig jaar met Peter Piot samen. Hij is een echte geestesverwant. Paul Bulcke, de voorzitter van de raad van bestuur van Nestlé, ken ik ook al heel lang.

“Wereldwijde gezondheidszorg, global public health, is één van mijn grote bekommernissen in onze onderneming. Wat kunnen onze geneesmiddelen betekenen voor de planeet? Een van onze grootste verwezenlijkingen tot hiertoe is het nieuwe geneesmiddel voor tuberculose Sirturo. Het is ontwikkeld in Beerse, door het team van professor Koen Andries. Het was vijftig jaar geleden dat er nog een middel tegen tbc van dat formaat op de markt kwam. Het medicijn legt de energievoorziening van de tbc-bacterie plat en werkt daardoor totaal anders én vijf keer sterker dan alle voorgaande traditionele tbc-middelen. Koen won met zijn vondst in 2014 de European Inventor Award, de ‘oscar’ voor innovatie. Johan Van Hoof, het hoofd van onze vaccingroep, werkt al jarenlang samen met zijn team aan een vaccin voor HIV. Dit jaar testen we voor de eerste keer vierhonderd vrijwilligers voor dat nieuwe vaccin waarvan we hopen dat het een besmetting met HIV zal kunnen vermijden.”

 

U werkt ondertussen al decennialang bij hetzelfde bedrijf. Is de concurrentie nog nooit aan uw mouw komen trekken?

Stoffels: “Dat gebeurt af en toe bij iedereen op mijn niveau; ook bij mensen die voor mij werken. Als je goede resultaten boekt, zijn andere bedrijven altijd geïnteresseerd. Maar deze onderneming is uniek. We hebben hier de voorbije jaren keihard gewerkt en duizenden uitstekende medewerkers aangestuurd. Het zou bijna als een vorm van verraad aanvoelen om dan over te stappen naar de concurrentie. Het heeft jarenlang heel wat inspanningen gekost om de netwerken binnen en buiten het bedrijf te ontwikkelen en te laten bloeien. Ik heb zo met veel mensen lange, intense trajecten afgelegd. Dat gooi je niet zomaar overboord. Nogal wat wetenschappers blijven ons hun hele professionele leven trouw. Ze worden écht gedreven door onze missie om van deze wereld een gezondere plek voor iedereen te maken. Voor een farmabedrijf is jarenlange genegenheid en toewijding van medewerkers geen overbodige luxe. Want de zaden voor de oogst die we nu binnenhalen, zoals ons tbc-geneesmiddel, zijn twintig jaar geleden geplant.”

 

Bent u een machtig man?

Stoffels: “Neen. Een manager die macht als middel gebruikt om zijn bedrijf te leiden, is compleet verkeerd bezig. Invloed is veel belangrijker en die verwerf je door ervaring, door het opdoen van kennis. Ik gebruik mijn macht enkel als er een crisis in het bedrijf is, of als er een beslissing genomen moet worden over een overname of een belangrijke financiële investering.

“Ik ben een servant leader, een ‘dienende leider’. Mijn ‘macht’ bestaat uit het creëren van mogelijkheden voor anderen zodat ze hun job zo goed mogelijk kunnen uitoefenen. Ik zorg voor omstandigheden die het mogelijk maken dat andere leiders functioneren en floreren. Een machtig man aan de top die alle beslissingen in zijn eentje neemt, is voor een bedrijf het begin van het einde. Een bedrijfsleider moet heel goed weten wat hij niet weet. Beslissingen moeten genomen worden door mensen die weten waarover ze spreken. Wie last heeft in zijn schouder, stapt vandaag naar een gespecialiseerde orthopedist. Niet de huisarts, maar de specialist beslist wat er met die schouder moet gebeuren. In de wetenschap geldt net hetzelfde. Enkel mensen met kennis van zaken weten wat ze nodig hebben om geneesmiddelen te ontwikkelen. Dus schenk ik hen alle vertrouwen. Paul Janssen zei me lang geleden: ‘You take the risk, I take the blame.’ Dat breng ik nu zelf in de praktijk.”

 

(c) Jan Stevens

‘Het duurt minstens tien jaar voor een nieuw medicijn op de markt komt. ALS-patiënten hebben na de diagnose nog drie tot vijf jaar: voor hen komt de ontdekking dus te laat’

In 2014 werd Peter Carmeliet uitgeroepen tot een van de 400 meest invloedrijke biomedische wetenschappers ter wereld. Hij was geselecteerd uit een lijst waarop de namen van meer dan 15 miljoen collega’s prijkten. Wereldwijd is hij de tweede meest geciteerde wetenschapper in het domein van de bloedvatvorming of angiogenese. “Alleen als je geciteerd wordt, geloven ze je.”

 

Professor Peter Carmeliet (57) mag zichzelf ‘baron’ noemen. Aan de KULeuven leidt hij onder de vleugels van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) een onderzoeksgroep in het Center for Cancer Biology. Daar voert hij samen met superslimme wetenschappers en studenten van over de hele wereld onderzoek naar de werking van de bloedvaten. Hij stond mee aan de wieg voor de ontwikkeling van geneesmiddelen die kanker vertragen en boekte resultaten in het onderzoek naar de dodelijke spierziekte ALS. “Ik vind het een eer dat anderen me als invloedrijk beschouwen”, zegt hij. “Dat is een erkenning voor het werk dat wij hier in ons laboratorium verrichten. Dan heb ik het niet enkel over mezelf, maar over al mijn medewerkers. Als individu kan je goede ideeën hebben, maar als het eropaan komt, heb je een ploeg nodig die ze in de praktijk kan omzetten. Op dit niveau is dat geen sinecure: mensen die hier willen meedraaien, beschikken best over doorzettingsvermogen én een groot organisatietalent.”

 

Waarom is onderzoek naar de werking van de bloedvaten zo belangrijk?

Peter Carmeliet: “Bloedvaten transporteren zuurstof naar al onze cellen. Als die bloedvaten te hard groeien, zoals bijvoorbeeld bij kanker, helpen ze tumoren woekeren. Wanneer iemand een bloedvatentekort heeft, of wanneer zijn bloedvaten dichtslibben en ze de zuurstof niet meer op zijn plaats krijgen, riskeert hij een hart- of herseninfarct. Praktisch alle organen kunnen een ziekte ontwikkelen die te wijten is aan teveel of te weinig bloedvaten. Wij proberen te begrijpen hoe die bloedvaten groeien en wat de moleculaire basis daarvan is. Die kennis gebruiken we om geneesmiddelen te ontwikkelen. We richten ons voornamelijk op kanker en oogziekten. Op basis van ons onderzoek naar angiogenese, Grieks voor ‘vorming van bloedvaten’, zijn er ondertussen angiogeneseremmers ontwikkeld die kankertumoren zuurstof en voedsel ontnemen. In ons laboratorium hebben we ontdekt dat het eiwit VEGF, ‘Vasculaire Endotheliale GroeiFactor’, van het allergrootste belang is voor de bloedvatenvorming.”

 

De angiogeneseremmers regelen dan de toevoer van dat VEGF?

Carmeliet: “Nee, die remmers zijn antilichamen. Ze herkennen het eiwit VEGF en schakelen het uit. Wij lagen aan de basis van het in kaart brengen van de rol van VEGF in bloedvatvorming en de firma Roche heeft samen met haar dochterbedrijf Genentech het antilichaam ontwikkeld en gecommercialiseerd. We hebben ook het grondplan bestudeerd en uitgetekend van het eiwit PLGF, ‘Placentaire GroeiFactor’, een zustermolecule van VEGF. Daar hebben we samen met het Belgische biofarmaceutische bedrijf ThromboGenics een antilichaam tegen gemaakt. Die angiogeneseremmer wordt nu getest voor de behandeling van hersenkanker bij kinderen en voor de behandeling van oogziekten bij diabetespatiënten.”

 

Jullie voeren ook onderzoek naar ALS?

Carmeliet: “Dat is een gevolg van ons onderzoek naar de biologie van het eiwit VEGF. We gebruiken daarvoor zogenaamde ‘knock-out muizen’. We maken dus een muis waarvan een bepaald gen uitgeschakeld of veranderd is.”

 

Pardon, u ‘maakt’ een muis?

Carmeliet: “Ja, een transgene muis. We ‘maken’ een subtiele verandering in hun genetische code. In onze muizen brachten we een kleine verandering in het VEGF-gen aan met de bedoeling om zo ischemie of zuurstoftekort te kunnen bestuderen. Bloedvaten vervoeren zuurstof naar organen, maar als er een tekort aan zuurstof is, zetten de organen de bloedvaten ertoe aan om te groeien. Dat doen ze door VEGF aan te maken. Wij dachten: als het ons lukt om de VEGF-productie lam te leggen, krijgen we misschien meer inzicht in ischemische ziekten, zoals een infarct. Maar de eerste maanden bleven die muizen vrolijk rondhuppelen. Een half jaar later sloeg een student bio-ingenieur alarm. ‘Die muis doet zo raar’, zei hij. Toen hij haar oppakte, ging ze in een kramp en kreeg ze spasmen. Na een tijdje wisten we wat er aan de hand was: de muis had ALS. Vervolgens doken we in de ziektegeschiedenis van patiënten met ALS. Uit die studie bleek ook dat een verminderde VEGF-productie meer risico tot de ontwikkeling van de spierziekte gaf. Daarna dienden we onze transgene muizen het eiwit VEGF toe en daar kikkerden ze van op.”

 

Die link met ALS was dus puur toeval?

Carmeliet: “Ja, dat was totaal onverwacht. Ons onderzoek en deze ontdekking waren zo vernieuwend, dat andere wetenschappers ons eerst niet wilden geloven. Het heeft ons dan ook heel wat moeite gekost om onze bevindingen gepubliceerd te krijgen. Niemand had ooit bloedvaten en zuurstoftekort aan ALS gekoppeld. Maar als je er dieper over nadenkt, is dat best logisch. De zenuw die vanuit je ruggenmerg naar je kleine teen loopt, is gemakkelijk een meter lang. Hij heeft dus veel energie en zuurstof nodig. Een zenuw heeft weinig zelfherstellend vermogen, waardoor elk klein letsel of overbelasting er voor zorgt dat hij een klein beetje minder werkt. Na verloop van tijd zal die steeds slechter werkende zenuw verlamd raken.”

 

Hoe lang duurt het dan nog voordat er een middel is om ALS te vertragen, stoppen of genezen?

Carmeliet: “Genezen is voorlopig onmogelijk. Kanker en ALS zijn ‘multifactoriële ziekten’. Dat wil zeggen dat ze aan verschillende oorzaken te wijten zijn. Bij een klein percentage van de ALS-patiënten is een gemuteerd gen verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de ziekte. In veel andere gevallen weten we niet wat de oorzaak precies is. VEGF geeft sowieso bescherming tegen aftakeling, wat de ziekte ook mag getriggerd hebben. Bij ALS zal het eiwit de zenuw proberen te beschermen tegen aanvallen. VEGF zal het leven van de patiënt dus verlengen. Maar wanneer iemand voor het eerst komt klagen bij zijn huisdokter, is al 50 procent van de neuronen afgestorven. Daar kunnen we helemaal niks meer aan veranderen. Het eiwit kan enkel de andere zenuwen langer gezond houden waardoor de patiënt minder snel totaal verlamd zal raken. Toen de eerste berichten over ons ALS-onderzoek verschenen, kregen we verschrikkelijk veel telefoontjes van over de hele wereld.”

 

Wanhopige ALS-patiënten?

Carmeliet: “Ja. Zo kreeg ik eerst telefoon en dan een mail van een Mexicaanse mevrouw. ‘Ik moét die VEGF hebben, geef het mij!’ Ik antwoordde: ‘Ik mag dat niet. Het moet eerst grondig uitgetest worden in klinische trials.’ Ik hoorde een tijd niets meer van haar, tot er op een dag een nieuwe mail in mijn postvak zat. ‘Ik heb ergens VEGF kunnen bemachtigen.’ Ze had er online waarschijnlijk waanzinnig veel geld voor neergeteld en had het eiwit in haar arm ingespoten. Ze schreef: ‘Met mijn arm is het nu veel beter.’ Maar ze wist niet hoeveel ze moest inspuiten, of waar en hoe. Dat vond ik zo pijnlijk. Na onze studie duurt het nog minstens tien tot vijftien jaar voor er een medicament op de markt komt. ALS-patiënten leven na de diagnose gemiddeld drie tot vijf jaar. Wie nu het verdict krijgt, weet dat een mogelijk medicijn niet meer voor hem zal zijn. Dat geldt ook voor kankerpatiënten. Telkens wanneer wij met een studie in de krant of op tv komen, krijgen we mails en telefoons. We hebben er zelfs een speciale dienst voor opgericht. In de mate van het mogelijke probeer ik zelf te antwoorden, want die mensen zijn de wanhoop nabij.”

 

Was het altijd uw droom om onderzoeker te worden?

Carmeliet: “Als kind zat ik al gebiologeerd te kijken hoe mieren een nest bouwden. Ik bouwde dat nest dan in plaaster na om te begrijpen hoe ze samenleefden. Ik was mateloos geboeid door vissen in aquaria en door schedels van dode beesten. Uiteindelijk ging ik geneeskunde studeren met de ambitie om onderzoeker te worden.”

 

U wou geen dokter worden?

Carmeliet: “Ik vond het belangrijk en fijn om patiënten te helpen, maar mijn hart lag bij het fundamenteel onderzoek. Mijn vader is ook arts en professor; hij is nu op emeritaat. Hij was gespecialiseerd in elektrofysiologisch onderzoek van het hart. Af en toe ging ik mee naar zijn lab, daar stonden microscopen en zaten kikkertjes in bakken. Die levende wezentjes intrigeerden me.”

 

U werkt nu ook veel met levende wezens?

Carmeliet: “Met zebravissen en muizen. Een muis is geen mens natuurlijk, maar je moet ergens vertrekken om onderzoek op uit te voeren. We kunnen niet ontkennen dat we het genetisch materiaal van muizen manipuleren. Alleen hadden we zonder knock-out muis de link tussen VEGF en ALS nooit ontdekt. Met genetisch gemanipuleerde muizen maken we diermodellen van bepaalde ziekten waar we vervolgens medicijnen op uittesten. We gaan daar heel gewetensvol mee om: proefdieren zijn geen speelgoed en ze mogen niet mishandeld worden. We zijn zeer streng op het aantal muizen dat we houden; we willen ze niet onnodig gebruiken. Daarom houden we onze muizenpopulatie zo klein mogelijk.”

 

Zonder dierproeven lukt het niet?

Carmeliet: “Nee. Ik denk niet dat er zonder dierproeven ooit een behandeling tegen kanker of ALS ontwikkeld kan worden. Ons dierenlabo is aan zeer strenge regels onderworpen en we worden strikt gecontroleerd. We hebben iemand extra in dienst die een groot deel van zijn tijd bezig is met het welzijn van de dieren. Wij zullen nooit zomaar dieren vermassacreren. De controles zijn echt wel streng en moeten voorkomen dat er mensen zijn die het niet doen zoals het hoort. Vroeg of laat komt zoiets toch aan het licht.”

 

Een sadist onder uw medewerkers wordt snel ontmaskerd?

Carmeliet: “Dat is zo goed als onmogelijk, want onze mensen werken in team. Twee senior postdocstudenten samen met twee junior phd-studenten, bijvoorbeeld. Ze controleren elkaar, waardoor de kans op dierenmishandeling, fraude en fouten zo goed als uitgesloten is. De dierenproeven worden extra goed opgevolgd door een speciaal daarvoor opgeleide laboratoriumassistent.”

 

Hoe lastig was uw weg naar de top?

Carmeliet: “Je hoort soms dat dit wel een moeilijk parcours moét zijn. Ik heb dat waarschijnlijk te weinig beseft omdat ik veel te graag met mijn werk bezig was. Ik maakte me nooit zorgen over carrière of benoemingen en deed gewoon mijn ding. Ik ging er helemaal in op. Misschien heb ik ook wel geluk gehad. ‘Kwaliteit drijft’, zei mijn mentor professor Désiré Collen indertijd. Jonge mensen maken zich vandaag nogal veel zorgen, vind ik. ‘Zal ik benoemd worden? Krijg ik genoeg geld?’ Al klopt het wel dat het onderzoek veel competitiever geworden is. Dankzij al die moderne technieken en hulpmiddelen kan er sowieso sneller gewerkt worden. In mijn beginjaren was er geen internet, moesten we alle verslagen typen en figuurtjes en diagrammen knippen en plakken. (lacht) De tijd verliep toen veel trager.

“Wie aan de top wil meedraaien, moet eerst en vooral door zijn werk gepasioneerd zijn. Verstand alleen volstaat niet. Je moet ook goed kunnen organiseren, stressbestendig zijn, creatief, gemotiveerd en enorm optimistisch. 90 procent van ons werk bestaat uit failures. Het ene experiment werkt niet, het andere levert niet op wat je gehoopt had, dus moet je verder blijven zoeken.”

 

Moet je weten wat je zoekt?

Carmeliet: “Bepalen waar de lamp brandt, vind ik het moeilijkste. (lacht) In de strijd tegen kanker kwam er een jaar of zeven geleden op basis van ons onderzoek een antilichaam tegen VEGF op de markt, maar het werkte niet zoals we gehoopt hadden. Het verlengde en verbeterde het leven, maar bijlange niet zoals verwacht. Je kan daar dan in berusten en zeggen: ‘Oké, dan dienen we een VEGF-antilichaam toe en combineren dat met een PLGF-antilichaam en hopen vervolgens het beste.’ Maar kankercellen hebben zoveel honger naar zuurstof en suikers dat de ziekte vervolgens andere soorten eiwitten begint te produceren die de bloedvatengroei stimuleren. Die vaststelling vormde een stevige domper op ons enthousiasme. Tot we op het idee kwamen om de motor van de bloedvatenproductie uit te schakelen. Stel je voor dat het bloedvat een auto is, en VEGF de chauffeur. VEGF laat de auto rijden, maar als er andere chauffeurs klaarzitten om het stuur over te nemen, heeft het niet veel zin om VEGF uit te schakelen. Je moet dus de motor platleggen. Die motor was in dit geval de stofwisseling of het metabolisme. Dat klonk heel logisch, alleen namen we een heel groot risico omdat we totaal geen expertise in het complexe domein van het metabolisme hadden. We moesten zeer dure apparaten kopen, mensen opnieuw opleiden en naar andere labo’s uitsturen om technieken aan te leren. Vijf jaar aan een stuk hebben we geploeterd. In al die jaren moest ik de rust zelve blijven, op mijn kompas varen en tegen iedereen zeggen: ‘Daar brandt de lamp. Ik wil die motor uitschakelen en we zùllen hem stilleggen.’ Dat vond ik een grote uitdaging. Want als ik het toch verkeerd voor had, zou dat pas vijf jaar later blijken.”

 

De recente geschiedenis leert dat die druk ervoor zorgt dat collega’s van u soms in de verleiding komen om de resultaten van hun onderzoek te manipuleren.

Carmeliet: “Ja, en die geschiedenis zal zich spijtig genoeg nog herhalen. De echte druk in de biomedische wereld is niet om veel te publiceren, maar om als eerste vernieuwend onderzoek met impact uit te brengen. De concurrentie onder collega-topwetenschappers is internationaal zeer groot. Met die druk moet je als moderne wetenschapper omkunnen; dat geldt trouwens ook voor topsporters en -ondernemers.

“In de biomedische sector is publiceren een voorwaarde om aan fondsen te geraken. Hoe beter je publicaties, hoe makkelijker het is om geld te krijgen, mensen te vinden en te rekruteren, en prijzen en uitnodigingen binnen te halen. Als alles goed lukt, zit je in een positieve flow. Ik heb het geluk dat ik me sinds enkele jaren volledig kan concentreren op onderzoek. Dat is heel wat comfortabeler dan mijn collega’s in de kliniek die 90 procent van hun tijd patiënten behandelen, of dan de collega’s aan de universiteit met zware lesopdrachten.”

 

Mist u het lesgeven dan niet?

Carmeliet: “Ik geef meer les in het buitenland dan aan mijn eigen universiteit. Ik kom net van een meeting in Canada en ben regelmatig onderweg.”

 

Hebben ze u ooit gevraagd om in het buitenland te gaan werken?

Carmeliet: “Ja, door instellingen zoals Harvard, Yale, het Franse INSERM, het Duitse Max Planck en het Britse MRC. Toen ik hier in het begin werkte, werd ik enorm gesteund door professor Collen. Mede onder zijn impuls is het Vlaams Instituut voor Biotechnologie er gekomen. Ik ben hier heel graag, maar mijn werk is niet het enige dat telt. Ik vind het zalig om thuis te zijn, in de tuin te werken, om met vrouw en kinderen te genieten van de mooie dingen des levens.”

 

Het gebeurt maar zelden dat mensen aan de top zeggen dat ze hun kinderen en hun hof minstens even belangrijk vinden als hun job.

Carmeliet: “Ik haal veel voldoening uit mijn job en heb daardoor leren relativeren. Ik heb altijd keihard gewerkt, maar kinderen en familie blijven ontzettend belangrijk. Mijn vrouw is ook wetenschapper. We hebben elkaar leren kennen in hetzelfde labo en zij kent het klappen van de zweep. Ik merk bij jonge mensen dat ze dit werk op topniveau niet volhouden als het bij hen thuis niet goed draait. Ik werk hard, maar om half zes fiets ik naar huis. Soms werk ik dan thuis verder, maar ik ben geen afwezige vader. Er waren wel momenten dat ik op het punt stond een job in het buitenland aan te nemen. Die aanbiedingen waren soms zeer royaal. Zo kreeg ik een voorstel van een onderneming waarbij ik dacht dat er bij het salarisvoorstel zes nullen te veel stonden (lacht).”

 

Zes nullen?

Carmeliet: “Ja, dat was een hallucinant bedrag. Ik bezocht het bedrijf in Louisville in de Amerikaanse staat Kentucky. Op het moment dat het vliegtuig op die luchhaven landde, wist ik dat ik er nooit gelukkig zou worden. De man die de job uiteindelijk gekregen heeft, is er na twintig jaar trouwe dienst aan de deur gezet. Zijn afdeling werd gesloten, en van de ene dag op de andere stond hij op straat.”

 

Maar hij was wel binnen.

Carmeliet: “Zonder twijfel. (lacht) Geld was voor mij nooit een drijfveer, wel het plezier om iets te leren begrijpen en met iets vernieuwends bezig te zijn. Ik zie geen patiënten meer en heb me dikwijls afgevraagd of dat een goed idee was. ‘Je hebt al die jaren mogen studeren. Hoe betaal je dat ooit terug aan de samenleving?’ Maar als je met onderzoek één geneesmiddel kan vinden dat het verschil maakt, help je meteen duizenden mensen.”

 

Droomt u van de Nobelprijs?

Carmeliet: “Nee, dat houdt me niet bezig. Erkenning is aangenaam, maar daarvoor oefen ik dit vak niet uit. Ik zeg altijd tegen mijn studenten: ‘Je moét in toptijdschriften publiceren, niet om je naam gedrukt te zien staan, maar om geciteerd te worden, want alleen zo zullen ze je geloven.'”

 

Geciteerd worden is aan invloed winnen?

Carmeliet: “Precies. Dan heb je impact en geloven en appreciëren ze je werk. Voor een wetenschapper is dat de grootst mogelijke erkenning. De bekroningen en prijzen volgen dan vanzelf. (lacht)”

 

(c) Jan Stevens

‘Het is niet omdat ik die prijs gewonnen heb, dat ik het recht heb om over vanalles en nog wat mijn mening te spuien’

“Waarom zovelen me invloedrijk vinden?” Lang moet professor François Englert daar niet over nadenken. “Misschien omdat ik de allereerste Belg ben die de Nobelprijs Fysica gewonnen heeft?” Volgens Englert vond Alfred Nobel himself dat de meest prestigieuze Nobelprijs. “Hij had de vijf prijzen gerangschikt naar belangrijkheid, en natuurkunde prijkte helemaal bovenaan.”

 

We zitten in het Spartaans ingerichte krappe kantoor van België’s meest vermaarde professor theoretische fysica op de campus van de Université Libre de Bruxelles (ULB). François Englert (85) gooit het raam open om frisse lucht binnen te laten. Op het bureau van de professor emeritus ligt een thesis uit 2011 over elementary particle models without any adjustable real parameters. Het bord aan de wand staat volgekalkt met intrigerende formules. ‘|R>=U|A>+|K>‘, leer ik.

François Englert heeft de in 2013 aan hem toegekende Nobelprijs te danken aan een theorie die hij 49 jaar eerder samen met zijn in 2011 overleden collega en vriend Robert Brout op papier zette. Toen al beschreven ze het pas in 2012 in de deeltjesversneller van het CERN nabij Genève voor het eerst waargenomen ‘Brout-Englert-Higss-bosondeeltje’. Zonder dat ene deeltje dat alle andere deeltjes massa geeft, bestaat er niets. Zonder dat ene deeltje dat Englert meer dan een halve eeuw geleden als allereerste samen met Brout bijeen redeneerde, is er geen aarde, geen tijd, zijn er geen atomen, geen sterren, geen mensen.

“Ik vind het jammer dat Robert die Nobelprijs niet samen met mij heeft kunnen winnen”, zegt de professor. “Zijn bijdrage aan de theorie was essentieel. Tot aan zijn dood waren we dichte vrienden. Hij woonde in Linkebeek en ik zag hem elke dag. Jarenlang werkten we nauw samen. Robert was van oordeel dat we veel interessanter onderzoekswerk verricht hebben dan dat ene onderdeel dat bekroond is met de Nobelprijs. Misschien heeft hij gelijk, misschien niet. Eén ding is zeker: we hebben een fantastische vriendschap beleefd.”

 

Hoe leerde u Robert Brout kennen?

François Englert: “In 1955 studeerde ik af als burgerlijk ingenieur. Tijdens die studies ontdekte dat ik veel meer geïnteresseerd was in de redenen waarom dingen zich gedragen zoals ze zich gedragen, dan in al die machines die met die kennis gebouwd worden. Ook al was ik dan burgerlijk ingenieur, toch voelde ik me intellectueel niet voldaan. Ik kon hier aan de ULB aan de slag als assistent bij een professor ingenieurskunde. Een fijne man, maar zijn vak interesseerde me niet. Datzelfde jaar kwam de befaamde Franse professor Pierre Aigrain gastlezingen geven. Vlak voor zijn komst liet hij weten dat hij een assistent nodig had. Mijn prof zei: ‘Ik denk dat monsieur Aigrain heel blij zal zijn met jou en dat jij gelukkiger wordt bij hem dan bij mij.’ Profetische woorden, zou later blijken.

“Pierre Aigrain doceerde over halfgeleiders. Vandaag is dat voor alle ingenieurs basiskennis; toen was dat zeer revolutionair. Tijdens mijn assistentschap begon ik fysica te studeren. Ik kon nooit naar de les, want ik moest Aigrains lezingen over halfgeleiders uitschrijven en dat was ook voor mij compleet nieuwe materie. Dus stuurde hij me eerst op zomercursus in Frankrijk. Vier jaar fysica legde ik in drie jaar af. Toen ik dat diploma in 1958 kreeg, wou ik onderzoek voeren, maar eerst moest ik nog in het leger en een doctoraat halen. Ik had geluk, want dankzij een commandant met liefde voor de wetenschap kon ik tijdens mijn legerdienst doctoreren. Rond die tijd werd mijn prof gecontacteerd door Robert Brout, een jonge Amerikaanse professor theoretische fysica van de Cornell University in de staat New York. Robert was op zoek naar een assistent en wou liefst een Europeaan. Op het lijstje van mijn prof stond ik op de tweede plaats. Bovenaan prijkte de naam van mijn Franse collega Pierre-Gilles de Gennes, die in 1991 ook de Nobelprijs Fysica zou winnen. De Gennes was niet beschikbaar, dus werd ik eind 1959 twee jaar lang Brouts assistent in Cornell. We werkten nauw samen en werden heel goede vrienden. Aan het einde van 1961 bood de universiteit van Cornell me een leerstoel aan. Ik weigerde, want ik wou terug naar Europa. Ik voelde me niet echt thuis in de VS. Ik kon aan de slag op de ULB en Brout kwam met mij mee. Hij had een beurs gekregen voor een verblijf in België en een paar jaar lang werkten we aan wat later bekroond zou worden met de Nobelprijs. Robert gaf zijn ontslag in het prestigieuze Cornell om ook hier aan de ULB als professor aan de slag te gaan. Samen leidden wij de fysicagroep. Hij kreeg de Belgische nationaliteit en verzaakte aan zijn Amerikaanse staatsburgerschap. Zijn dood was voor mij een erg zware klap. (stilte)”

 

Is uw invloed gegroeid dankzij de Nobelprijs? Wordt er nu meer naar u geluisterd dan vroeger?

Englert: “Jazeker. Maar het is niet omdat ik die Nobelprijs gewonnen heb, dat ik het recht heb om over vanalles en nog wat mijn mening te spuien. Jammer genoeg hebben veel mensen de neiging om werkelijk alles wat ik zeg zeer ernstig te nemen. Mijn uitspraken krijgen het gewicht alsof ze fundamentele kwesties behandelen. De ene vraagt me uitdrukkelijk om een petitie te tekenen; de andere vraagt me even uitdrukkelijk dat niet te doen. Daarom doe ik mijn uiterste best om helemaal niets te tekenen. Want ik wil niet gezien worden als die universele figuur die zijn eigen gedachtengoed het knapste ooit vindt. Mijn denkbeelden over politiek bijvoorbeeld, zijn niet beter of interessanter dan die van u.”

 

Sommigen zouden u liefst voor hun kar sparren?

Englert: “Ja, en ik wil niet gebruikt worden, voor niets en door niemand. Alleen over fundamentele wetenschap zeg ik dingen die het verschil maken. Van al de rest bewaar ik afstand. Ik ben geen orakel dat over vanalles en nog wat een mening heeft.”

 

Wat vond u als jongeman zo fascinerend aan fysica?

Englert: “Ik was eigenlijk niet zo jong meer toen ik er écht geïnteresseerd in raakte. Op de middelbare school had ik een boontje voor wiskunde. In het laatste jaar bestudeerde ik in mijn eentje de relativiteitstheorie van Einstein. Ik was daar helemaal weg van. Het is niet verwonderlijk dat Alfred Nobel in zijn testament de natuurkunde als eerste noemde voor de Nobelprijs. Tijdens de Italiaanse renaissance in de 16e eeuw vond een van de meest belangrijke intellectuele revoluties plaats: voor het eerst in de menselijke geschiedenis werd een poging ondernomen om de natuur te begrijpen aan de hand van alle waarneembare fenomenen. Het was geen zoektocht naar de zin van het leven, maar wel naar verklaringen voor wat mensen konden waarnemen. Er werd gezocht naar de wetten die daaraan ten grondslag liggen en geleerden begonnen het grote belang van wiskunde in te zien. Isaac Newton bracht dat later op een indrukwekkende manier in de praktijk. De belangrijkste man van de renaissance is voor mij Galileo Galilei. Hij had door dat de zon niet rond de aarde draaide, maar omgekeerd. Hij ontdekte ook dat de aarde in één etmaal helemaal rond zijn as draait aan een stevige snelheid van een paar honderd meter per seconde. Galilei vroeg zich af: ‘Waarom voelen we dat niet?’ Hij schreef daarover een nieuwe bewegingsleer die tot vandaag overeind blijft. Hij organiseerde allerlei wonderlijke experimenten met levende wezens en dode objecten om zijn theorie uit te testen.”

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog leefde u als kind ondergedoken.

Englert: “De Duitse bezetter beschouwde mij als een Jood, wat ik ook ben, maar er hangt veel verwarring over wat dat Joods zijn precies inhoudt. Ik ben totaal niet religieus, maar voel me wel deel van de culturele traditie. Ik heb nog heel sterke herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. U kunt het zich niet voorstellen hoe het was om te leven onder de barbarij. Niet alleen de Duitsers haatten de Joden; heel wat andere Europeanen gedroegen zich even antisemitisch. Gelukkig waren er ook nog veel aardige mensen. Camille en Louise Jourdan en hun dochter Yvonne waren zo dapper om mij als jongentje van negen onderdak te bezorgen in hun café-restaurant aan het station van Lustin, een plaatsje in de Ardennen. Camille en Louise behandelden me als hun eigen zoon. Mijn ouders en mijn oudere broer leefden elders ondergedoken; ik wist toen niet waar. Ze hadden me bij de Jourdans ondergebracht om mijn overlevingskansen te vergroten. Ik ben geboren in Brussel, als kind van een vader en moeder die in 1924 met hun eerstgeboren baby uit Polen gevlucht waren voor het steeds driester wordende antismetisme. Ik was zeven en een half toen de nazi’s in mei 1940 België binnenvielen. Ik kan me het geluid van de ronkende gevechtsvliegtuigen boven Brussel nog levendig voorstellen. Twee jaar na de invasie liep ik rond in een jasje met de gele ster en de letter J opgenaaid. Het zou niet lang meer duren voor de deportaties naar de vernietigingskampen op gang kwamen.”

 

Waar komt dat diep ingewortelde eeuwenoude antisemitisme vandaan?

Englert: “Aan de oorsprong ligt de vervolging door het christendom, want de Joden hadden volgens de christenen Jezus vermoord. Alleen leken ze niet door te hebben dat Jezus ook een Jood was. Ik herinner me dat in mijn oude agenda’s de eerste januari ‘besnijdingsdag’ genoemd werd. Besnijding gebeurt in de Joodse religie acht dagen na de geboorte. Jezus’ geboorte wordt gevierd op 25 december. Op Kerstmis is hij geboren en op 1 januari besneden: hij was dus een echte Jood. Nadat het christendom ‘geadopteerd’ was door de Romeinen, duurde het niet lang of de christenen keerden zich tegen die religie waaruit ze zelf stamden. Eeuwenlang werden de Joden daarna door christenen vervolgd.”

 

Adolf Hitler was geen christen.

Englert: “Neen, het christendom kon hem gestolen worden, maar hij merkte heel goed op hoe het antisemitisme in de hoofden van de mensen was ingesleten en exploiteerde dat gevoel.”

 

Sommigen horen vandaag echo’s uit de jaren dertig. U ook?

Englert: “Het antisemitisme is zeker niet dood. Maar ik werd tijdens de oorlog geholpen door mensen die waarschijnlijk zelf christenen waren. We kregen zelfs de hulp van een priester. Op een bepaald moment leek het alsof de Duitsers het verblijf van mijn ouders op het spoor waren. Mama, papa en mijn broer kwamen me halen in het café-restaurant en midden in de nacht vluchtten we naar het huis van Achille Moreels, een vriend van de Jourdans. De volgende morgen hoorden we dat de Gestapo de schuilplaats van mijn ouders overhoop had gehaald. De pastoor van het Ardeense dorp Annevoie, abbé Warnon, bezorgde ons gezin onderdak en mijn ouders valse paspoorten. Hij zorgde er ook voor dat ik in Dinant naar school kon. Hij werd een goede vriend van de familie. Veel mensen die ons hielpen, waren lid van het verzet, maar niet allemaal. Vaak ging het om gewone burgers. Ze liepen grote risico’s en ik vond dat als kind al heel opmerkelijk.”

 

Maar het was een minderheid die bereid was om mensen te helpen wier leven bedreigd was.

Englert: “Eigenlijk niet. Polen was militant katholiek en de bevolking was minder geneigd om Joden te helpen. De familie van mijn ouders zijn Polen; mijn broer is er geboren. Geen enkel individu van mijn Poolse familie heeft de oorlog overleefd. Wij hebben de holocaust wél overleefd, dankzij de hulp van heel gewone mensen. Hier zijn geen wouden of uitgestrekte bossen zoals in Frankrijk waar het verzet Joden kon verbergen. In België doken mensen onder met de hulp van de bevolking. In Polen werden burgers die Joden hielpen meteen geëxecuteerd. Hier gebeurde dat niet, maar toch namen al die mensen een groot risico. Dankzij hen werd in ons land de helft van alle geregistreerde Joden gered. In vergelijking met andere Europese landen is dat indrukwekkend veel. Ik weet dat ook vandaag het antisemitisme nog welig tiert, maar ikzelf heb dat nooit gevoeld, zelfs niet in de oorlog omdat ik omringd werd door hulpvaardige mensen. Ook later niet tijdens mijn studies.”

 

Ook niet tijdens uw carrière?

Englert: “Nooit. Antisemitisme heeft ook te maken met afgunst. In de middeleeuwen werden veel Joden bankier omdat ze geen enkel ander beroep mochten uitoefenen. Er zijn mensen die nog steeds geloven dat ‘de Joden’ zo rijk zijn als de zee diep is. De werkelijkheid is enigszins anders.

“Na de oorlog werd de Joodse identiteit voor mezelf totaal irrelevant. Ik wou er niets meer over horen, mijn leven in handen nemen en de gruwel van de holocaust vergeten. Voortaan was ik gewoon François Englert en dat Joods-zijn kon me gestolen worden. Veel overlevenden reageerden exact hetzelfde. Ze focusten zich op hun werk of hun passie en wilden niet meer praten over het verleden. Mijn ouders waren niet echt religieus, je zou hen seculiere Joden kunnen noemen. Ze volgden nog wel een paar grote feesten, maar niet fanatiek. Kerstmis was voor ons een belangrijker feest dan Pesach. Ze hadden misschien liever gezien dat hun kinderen wat meer aandacht schonken aan de Joodse tradities, toch legden ze zich erbij neer dat wij ons daar weinig van aantrokken.”

 

Waarom hebben zoveel geleerde mannen en vrouwen Joodse roots?

Englert: “Lang vroeg ik me dat niet af, tot ik naar de Verenigde Staten trok: daar ontmoette ik zeer veel slimme natuurkundigen en ontzettend veel van die bollebozen waren Joods. Ze waren niet religieus, maar droegen wel die hele culturele traditie van het Jodendom met zich mee. Ze volgden de shabbat niet, maar keken op een bepaalde manier naar de dingen en hadden een specifieke vorm van humor. Dat besefte ik voor het eerst in de VS. Al daagde dat besef misschien zelfs al iets eerder aan de ULB. Daar had ik ook een leven buiten de universiteit en nogal wat vrienden waren met allesbehalve academische zaken bezig. Zo was mijn beste vriend een houtbewerker.”

 

U was geen nerd?

Englert: “Nee, helemaal niet. Natuurlijk was ik erg sterk geïnteresseerd in de wetenschap, maar ik interesseerde me ook voor politiek. In 1957 ging ik bijvoorbeeld naar het Internationaal Jeugd- en Studentenfestival in Moskou, de hoofdstad van de toenmalige Sovjetunie.”

 

U was een communist?

Englert: “Ik was geen lid van de communistische partij, maar ik had wel sympathie voor het communisme. Als scholier bestudeerde ik naast Einstein ook Karl Marx. Ik las Het kapitaal op mijn zestiende. (glimlacht) Ik vind nog steeds dat sommige passages in dat boek niet helemaal onwaar zijn.

“Ik ben nogal individualistisch van aard en was nooit lid van een politieke partij. Al volgden ikzelf en mijn vrienden niet meteen een rechts spoor. We waren niet bereid om zomaar alles te slikken en we durfden op tafel te slaan. Er zaten veel Joden in die vriendenclub. Toen ik vervolgens naar de VS vertrok, zag ik al die mensen met Joodse roots die deel uitmaakten van de intelligentsia. Dat was alleen maar te verklaren door de traditie waartoe zij behoorden. Mijn ouders droegen die cultuur ook met zich mee en gaven die door aan hun kinderen. Zij waren helemaal geen intellectuelen en zaten in de textielhandel. Ze waren vanuit Polen naar België gevlucht en moésten wel iets vinden om te overleven.”

 

Hebt u in de jaren na de oorlog nog contact gezocht met de mensen die u hielpen onderduiken?

Englert: “Nee. Van zodra de oorlog voorbij was, wou ik er niet meer aan denken. Natuurlijk heb ik niet de gruwel van de deportatie of van een kamp moeten meemaken, maar ik beleefde wel de stress van het onderduiken. Elke dag konden we verraden worden; er was altijd die angst voor de klop op de deur. De dood loerde om de hoek. Ik was geïsoleerd van mijn ouders en wist lang niet hoe het hen verging. Daardoor ben ik razendsnel volwassen geworden. Ik probeerde alles te vergeten, inclusief de Jourdans, die aardige mensen die mijn leven hadden gered. Met ouder te worden, besefte ik dat ik niets voor hen gedaan had.”

 

U werd geplaagd door schuldgevoel?

Englert: “Op het einde wel. Ik wist dat ik iets moest doen. De Nobelprijs heeft die verandering in mijn geest mee bewerkstelligd. Het hoofd van de jury contacteerde me. Hij zei dat ik een kleine autobiografie moest schrijven voor de Nobelstichting. Dat was meteen erg confronterend, want ik had tegen niemand ooit over mijn oorlogsjaren gesproken. Ik vroeg: ‘Moet ik daar echt over schrijven?’ Het antwoord luidde: ‘U bent daar moreel toe verplicht. U draagt nu verantwoordelijkheid voor de hele mensheid. U moét uw oorlogsverhaal vertellen.’ Dat heb ik dan ook gedaan. Het voelde als een bevrijding. Ongeveer op hetzelfde moment zocht de kleindochter van de Jourdans contact met me. Claudine was nog niet geboren toen ik bij de familie woonde, maar ze had haar inmiddels gestorven moeder horen praten over een zekere François. ‘Zou dat dezelfde François zijn die de Nobelprijs krijgt?’ Ze sprak daarover met een vriend, die toevallig ook met mij bevriend is. Zo kwamen we in contact met elkaar. We ontmoeten elkaar nog regelmatig.

“Het Yad Vashem in Israël is de officiële staatsinstelling voor de herdenking van Joodse slachtoffers en hun redders. Ze nemen hun taak zeer ernstig: er wordt een grondig onderzoek gevoerd naar elke nieuwe redder die voorgedragen wordt. Wat waren zijn of haar motieven? Waren die puur menselijk of speelde geld een rol? Elke door Yad Vashem erkende redder wordt deel van wat zij ‘de rechtvaardigen onder de volkeren’ noemen. Hij of zij krijgt een diploma en zijn of haar naam wordt voor eeuwig bijgezet in de gedenktuin van de rechtvaardigen. Voor al die mensen die mij geholpen hebben, heb ik een heel gedetailleerde aanvraag voor erkenning bij Yad Vashem ingediend.”

 

Ze zijn dood.

Englert: “Ja, maar voor Yad Vashem maakt dat geen verschil. De nabestaanden krijgen het diploma en hun namen worden sowieso bijgezet in de gedenktuin. Het onderzoek heeft een jaar geduurd; alle namen die ik doorgaf, zijn erkend. Daardoor voel ik mezelf toch een klein beetje beter.”

 

De Nobelprijs winnen, werd een vorm van therapie voor u?

Englert: “Misschien wel, al denk ik dat het anders ook gebeurd was. Al maakte dat klein beetje extra druk van de Nobeljury het makkelijker voor mij om die stap te zetten.”

 

(c) Jan Stevens

“Trump met een klein geslachtsdeel schilderen, maakt geen zak uit”

“Een mens moet een beetje geluk hebben in zijn leven”, verklaart Luc Tuymans zijn succes. “Maar geluk alleen volstaat niet: je moet er ook nog iets mee doén.” Hijzelf vatte de koe bij de horens, stelde in 2004 als allereerste levende Belg tentoon in Tate Modern en verkocht een jaar later in New York een werk voor anderhalf miljoen dollar.

 

In zijn atelier aan de rand van de Antwerpse rosse buurt neemt Luc Tuymans (58) vriendelijk afscheid van een kunstenaar-in-wording. De jongen is zijn werk aan de meester zelf komen voorstellen en pakt nog ietwat starstruck zijn rugzak weer in. Onze meest succesvolle levende schilder trakteert ons op een kop uitstekend gezette espresso en steekt een sigaret op. “Natuurlijk streelt het mijn ego dat anderen me wereldwijd een van de meest invloedrijke Belgische kunstenaars vinden. Ik dank hen daarvoor”, zegt hij en hij schiet in een bulderlach. “Ach, dat soort zaken is altijd relatief. Al kan ook ikzelf er niet omheen dat ik intussen een internationaal parcours van meer dan dertig jaar heb afgelegd. Ik ben me ervan bewust dat ik in een land leef dat op cultureel vlak altijd zeer invloedrijk was. Dat lijkt vanzelfsprekend, terwijl het op de keper beschouwd verbijsterend is dat een kleine regio die zo vaak overspoeld werd door vreemde mogendheden, zo’n rijke culturele geschiedenis heeft. België roept wereldwijd bij iedereen meteen connotaties op met schilders als René Magritte en James Ensor.”

 

Onlangs was u nog curator van een grote Ensortentoonstelling in Londen.

Luc Tuymans: “Ik vond het hallucinant om toen te moeten vaststellen dat veel Britten Ensor niet kennen. In veel andere landen, zoals de Verenigde Staten, Duitsland en Frankrijk, is hij dan weer wel bekend. James Ensor wordt vaak gecatalogeerd als einzelganger of als grotesk en excentriek, terwijl hij als voorloper van het expressionisme een zeer belangrijk avant-gardekunstenaar was. U weet toch dat René Magritte géén surrealist is? Zijn meest bekende werk, La trahison des images, het schilderij met de pijp waaronder ‘Ceci n’est pas une pipe’ geschreven staat, is, in tegenstelling tot wat veel mensen denken, zeer reëel. Want het is geen pijp, maar de afbeelding van een pijp. ‘Ceci n’est pas une pipe’ is dus niets meer of minder dan de waarheid. Ik vind dat een conceptueel hoogstandje. Tijdens de verkiezing van ‘De Grootste Belg’ in 2005 vroegen de organisatoren me om een lans te breken voor Peter Paul Rubens, maar ik koos voor Jan Van Eyck. Want hij vertegenwoordigt voor mij de visuele kracht van schilderkunst. Deze regio kan putten uit een extreem groot kunstpotentieel, zowel uit het verleden als uit het heden. En dat zal ook zo blijven in de toekomst.”

 

Vergis ik me als ik zeg dat de inwoners van deze regio niet heel erg kunstminnend zijn?

Tuymans: “U vergist zich daar grandioos in. Ons land telt zeer veel gepassioneerde verzamelaars. Zij vormen de voedende kracht van het artistieke leven en u mag dat niet onderschatten. De overheid is dan weer een ander paar mouwen. Bij onze bewindslui heerst flink wat onwetendheid over wat cultuur eigenlijk is. Musea worden niet echt grondig gesubsidieerd en ook niet goed onderhouden. De politieke wereld verkeert in de waan dat kunst dood is, terwijl ze juist springlevend is. Want wij leven nu eenmaal in een extreem katholiek land waar veel belang gehecht wordt aan het visuele.”

 

U noemt België een ‘extreem katholiek land’?

Tuymans: “Ja, natuurlijk, dit land is nog steeds zeer katholiek. De Belgische ‘bovenbouw’ liep school bij de jezuïeten, Tom Barman van Deus zat daar ook. De katholieken pompten die aandacht voor het visuele er stevig in: ooit diende dat ‘beelddenken’ om het volk dom te houden. Rubens was de eerste die dat propageerde. Je mag hem gerust de allereerste grote filmmaker ooit noemen. Hij is geboren in het Duitse Siegen, waar zijn vader een affaire had met de vrouw van Willem van Oranje. Op het moment dat Rubens in Antwerpen aankwam, zetten de katholieken de contrareformatie in als reactie op de protestantse reformatie, waardoor alles van nul opnieuw ingevuld moest worden. Rubens greep zijn kans. De schilderijen die hij toen maakte, kwam je niet meteen in een huiskamer tegen. Het zijn monumentale werken die je van op grote afstand moet bekijken. Ze dienen een welbepaald doel: propaganda voeren voor de Roomskatholieke kerk. Rubens deed dat op een magistrale wijze. Ik hou niet zo van zijn werk, maar je kunt niet beweren dat hij geen groot kunstenaar was. Onze kleine regio is zo interessant omdat ze de kern vormt van tal van experimenten, en dan heb ik het niet alleen over kunst, maar ook over wetenschap. De Big Bang-theorie is niet toevallig uitgevonden door de Belgische priester Georges Lemaître.”

 

We moeten de jezuïeten dus dankbaar zijn?

Tuymans: “Zeker. Ze koesterden utopische gedachten met een snuifje humanisme, al hadden ze natuurlijk ook een verborgen agenda. Franciscus is de eerste jezuïet die paus geworden is, ik vind dat een razend interessant fenomeen. En dat op een moment dat de wereld zich in zeer woelig vaarwater bevindt. Ik had trouwens twee recente onrustwekkende gebeurtenissen op voorhand haarfijn voorspeld: de brexit en de verkiezing van Donald Trump. Ik hou mijn hart vast voor wat er verder in Europa nog te gebeuren staat.”

 

Zijn woelige tijden een zegen voor een kunstenaar?

Tuymans: “Dat wordt dikwijls gezegd, maar wat zich nu voor onze ogen voltrekt, vind ik verschrikkelijk. Onwetendheid en domheid is alom vertegenwoordigd en dat komt omdat de politiek zoveel decennia lang het populisme zwaar onderschat heeft. Onze politici lieten sommige kansarme bevolkingsgroepen links liggen. Die mensen kregen geen mogelijkheden om zich uit hun ellende op te werken en worden nu door de populisten zwaar misbruikt. Misschien worden het nog gevaarlijke tijden voor kunstenaars, maar ik ben er volledig klaar voor. (lacht) Wie als een volleerde struisvogel zijn kop in het zand steekt, reageert ook op wat er gebeurt in de wereld, ook al denkt hij dan van niet. Elke kunstenaar die nu een werk maakt, levert commentaar op wat er zich rondom ons afspeelt. Zelfs als hij zijn werk vol verwijzingen stopt naar het verleden, heeft hij het nog steeds over hier en nu. De toestand is ondertussen zo ernstig geworden dat niemand er nog onderuit kan. Ikzelf zal mijn uiterste best doen om voor mijn werk iets te vinden dat absoluut niets te maken heeft met Donald Trump. Want Trump met een klein geslachtsdeel schilderen, maakt toch geen zak uit. Het moet verder gaan dan dat, en dat vind ik een grote uitdaging. Kunst is geen propaganda, maar is ‘iets anders’. Nee, het is niet zo eenvoudig. Een kunstenaar moet nu eerst en vooral verder blijven werken. Perseverance, volharding, ongeacht wat er ook gebeurt. Dat lijkt immoreel, maar het is de enige juiste keuze.

“Je kan de kunstwereld niet loszien van de rest van de wereld. Als er in de grote buitenwereld iets verandert, volgt cultuur. Wij leven in een natiestaat en niet in een melting pot zoals de VS is, of beter gezegd: was. Wat ze hier nooit goed begrepen hebben, is dat het veel verstandiger is om de verschillen in de samenleving met elkaar te verbinden, in plaats van ze tegen elkaar uit te spelen. Al die verschillen zijn waardevol en door ze te combineren zorgen we ervoor dat het individu belangrijk wordt binnen die grote diversiteit. Als we daarin slagen, kunnen we misschien de angst voor de globalisering wegnemen en ervoor zorgen dat mensen zich niet langer vanuit een louter populistische reflex op zichzelf terugplooien.”

 

Het is toch niet te ontkennen dat de globalisering slachtoffers gemaakt heeft?

Tuymans: “Ja, de Grieken zijn er het slachtoffer van.”

 

Net als een deel van de Amerikanen die voor Donald Trump gestemd hebben omdat ze hun job als gevolg van die globalisering verloren hebben.

Tuymans: “Dat is zeker waar. Trump heeft ook heel bewust die ader aangeboord.”

 

De mensen die kunst kopen, hebben waarschijnlijk dan weer geprofiteerd van de globalisering.

Tuymans: “Zij stammen vermoedelijk uit die 1 procent die alles heeft. Vergis u niet: ook ik vind dat er een herverdeling van rijkdom moet komen; 25 jaar geleden wisten we dat trouwens al. Maar er is ook een andere kant aan het verhaal. Zeker in de States zorgen de superrijken ervoor dat kunst die vroeger voor de happy few was, nu toegankelijk is voor het grote publiek. Vanuit een vorm van altruïsme richten die 1 procenters stichtingen en foundations op, of geven geld aan musea. Zo is het beroemde MoMa in New York eigenlijk privé-initiatief. In 2013 stelde ik tentoon in de Menil Collection in Houston, Texas. De stichters van dat museum, John en Dominique de Menil, stamden ook uit de 1 procent. Hun collectie is voor iedereen gratis toegankelijk en aan het museum vertrekt een laan die langs culturele centra van de Afro-Amerikaanse gemeenschap loopt. Er zijn dus ook goede kanten aan het feit dat superrijken een deel van hun kapitaal in kunst investeren.”

 

Stijgt de invloed van een kunstenaar samen met de prijzen die wereldwijd voor zijn werken worden neergeteld?

Tuymans: “Een mens wordt geen kunstenaar om veel geld te verdienen. Als ik multimiljonair had willen worden, was ik het allang geweest en zaten wij hier nu niet met elkaar te praten. Dan was ik gewoon in zaken gegaan, want er schuilt wel degelijk een zakenman in mij. Dat is iets genetisch: mijn grootvader richtte indertijd het grootste bedrijf aan de Nederlandse grens op, een transportonderneming voor groenten en fruit. Een kunstenaar kan dus ook een zakenman zijn, maar een mens wordt nooit kunstenaar omwille van de centen die ermee te verdienen zijn. Een kunstenaar speelt het spel niet om te winnen, maar om op de juiste manier te verliezen. Want wat hij dan achterlaat, is een reusachtig symbolisch kapitaal. Michelangelo was bijna negentig toen hij stierf. Hij liet een volledige vervalste biografie na, had al die werken geproduceerd waar Leonardo Da Vinci alleen maar van kon dromen, tot en met de koepel van de Sint-Pietersbasiliek, de fantastische Piëta en het plafond van de Sixtijnse kapel. Na zijn dood was hij de rijkste kunstenaar ter wereld.”

 

Is hij een voorbeeld voor u?

Tuymans: “Nee, als voorbeeld is hij te megalomaan. Wat ik wil zeggen is dat het idee van ‘de kunstenaar als kunstenaar’ stamt uit de renaissance. Aan de ene kant van de tafel zaten de maffiosi en de warlords die illustere namen droegen als De Medici en Borgia, aan de andere kant zaten scheppers van cultuur en kunstenaars als Titiaan. Beiden vochten voor hun eigen privileges. Tussen beide partijen werd het geven en nemen en zo ontstond de kunst als kunst. Ik vind het wel iets hebben dat de kunstenaar zijn roots heeft in een bepaalde vorm van illegaliteit en criminaliteit. (lacht) Er hangt altijd iets subversiefs aan het begrip kunst. Eerlijkheidshalve moet ik eraan toevoegen dat de mensen op straat me voor het eerst met ‘mijnheer’ aanspraken toen in 2005 op een veiling in New York mijn werk The Sculpture anderhalf miljoen dollar opbracht. (lacht) Een hedendaagse kunstenaar wordt niet langer gezien als excentriek of gestoord van zodra zijn werk veel geld opbrengt. Vanaf dat moment betekent hij inderdaad ook echt iets.”

 

Voor u is het belangrijk wat er na uw dood van uw werk zal overblijven?

Tuymans: “Zeer zeker. Alleen is dat symbolisch kapitaal moeilijk om in te schatten. Vandaag moet een kunstenaar zich daar tijdens zijn leven al mee bezig houden, voor vorige generaties gold dat niet zo.”

 

Is dat geen vorm van hoogheidswaanzin?

Tuymans: “Nee, dat is verantwoordelijkheidszin. Dat is totaal iets anders dan hoogheidswaanzin. Alsof een kunstenaar die met zijn nalatenschap bezig is, niet nederig genoeg zou zijn. Nederig zijn, is een belachelijk idee.”

 

Hoe verklaart u uw eigen succes?

Tuymans: “Een mens moet een beetje geluk hebben in zijn leven. Maar geluk hebben alleen volstaat niet: je moet dat ook beseffen en er vervolgens iets mee doen. Talent en hard werken spelen ook een rol, net als de rotsvaste overtuiging dat je de juiste weg bewandelt op momenten dat anderen daaraan twijfelen of je werk totaal niet appreciëren.”

 

Koppigheid is een goede eigenschap voor wie het als kunstenaar wil maken?

Tuymans: “Overtuigd zijn. Dat is sowieso iets dat iedereen die in de culturele wereld werkt, moét hebben. Dat is ook de reden waarom creatievelingen moeilijk bazen tolereren en omwille van welke narcistische motieven ook voor zichzelf beginnen werken. Daarom is het altijd gevaarlijk om een kunstenaar of een kunstenares aan het hoofd van een regering te zetten, dat zou alleen maar kwalijke gevolgen hebben.”

 

Luc Tuymans als premier is geen goed idee?

Tuymans: “Nee, ik zou niet echt goed functioneren in de politiek, al hebben ze me wel verschillende keren gevraagd. Maar ik ben daar nooit op ingegaan omdat ik 24 uur op 24 kunstenaar ben. Een goed politicus kan niet anders dan ook 24 uur op 24 politicus zijn; kunst en politiek zijn in mijn geval niet te combineren. Het is ofwel het een of het ander.

“Ik heb als kunstenaar mijn geluk afgedwongen, door te volharden en keihard te werken. Maar voor hetzelfde geld was ik totaal mislukt. Voor een beginnende kunstenaar is het vandaag nog veel moeilijker dan vroeger. Een groot deel van de kunst- en galeriewereld is corporate geworden.”

 

Het zijn bedrijven?

Tuymans: “Het zijn gewoon machines geworden. Toen ik eind jaren zeventig begon, was de kunsthandel compleet anders georganiseerd. Begin jaren tachtig barstte het onder impuls van de Amerikanen uit zijn voegen. Een schilder als Julian Schnabel werd razend populair onder de jongens van Wall Street. Het was de tijd van ‘Greed is good’ en nadat een van Schnabels schilderijen aan de beurs gekoppeld werd, ontstond er een bubble. De eerste Golfoorlog in 1991 zorgde ervoor dat de zeepbel lichtjes implodeerde, maar het hele apparaat was ondertussen wel geïnstalleerd. Net op dat moment zette ik voet aan wal in de States. Ik werk langzaam en heb altijd voor langdurige samenwerking met galeristen gekozen. Frank Demaegd is hier in Antwerpen al ruim 26 jaar mijn galerist; Kiyoshi Wako verkoopt al twintig jaar mijn werk in Japan. Toen ik begin jaren negentig met David Zwirner in New York begon samen te werken, had hij welgeteld één assistente. Nu werkt in New York alleen al 200 man, in de afdeling in Londen 80 en binnen een jaar opent David een filiaal in Hongkong. Dat is een totaal andere schaal dan dertig jaar geleden. Ik kan me best voorstellen dat een jonge kunstenaar met enige mate van intelligentie niet staat te springen om met zo’n grote mastodont in zee te gaan, want het risico is niet denkbeeldig dat zijn werk tot een merk herleid wordt. Ik begon als jonge kunstenaar in zelfgekozen isolement dat in de loop der jaren geleidelijk omgebouwd is tot publiek isolement. Startende kunstenaars moeten ook niet echt rekenen op hulp van de cultuurtheoretici.”

 

Ze worden aan hun lot overgelaten door kunstpausen en curatoren?

Tuymans: “Ja. Academici trekken zich terug binnen de veilige muren van hun eigen wereldje. Mensen die nu een opleiding tot curator volgen, leren vooral hoe het er in de jaren tachtig aan toeging en hebben geen voeling met de huidige stand van zaken. Dat klinkt misschien allemaal nogal negatief, maar alleen door problemen duidelijk te benoemen, maken we ze meteen ook bespreekbaar.”

 

(c) Jan Stevens