archiveren

Humo

Paul Stoffels is tweede in de pikorde van Johnson & Johnson, een van de grootste farmaceutische concerns ter wereld. Hij is de machtigste en invloedrijkste Belg in farmaland. “Ons ultieme doel is en blijft: voor de gezondheid van mensen wereldwijd het verschil maken.”

 

Als pas afgestudeerde dokter tropische geneeskunde ruilde Paul Stoffels (55) eind jaren tachtig de Kempen in voor Congo en Rwanda. “Ik wou van de wereld een betere plek maken”, zegt hij. Samen met invloedrijkste Belg Peter Piot voerde hij pioniersonderzoek naar HIV en aids. Vandaag is hij Chief Scientific Officer (CSO), Executive Vice President (EVP) en lid van het Executive Committee bij Johnson & Johnson (J&J). Vanuit het hoofdkwartier in New Brunswick in de Amerikaanse staat New Jersey stuurt Stoffels als CSO wereldwijd een team aan van 15.000 wetenschappers en beheert hij een budget van ruim 8 miljard euro. Als EVP draagt hij medeverantwoordelijkheid voor meer dan 40.000 personeelsleden verspreid over 150 landen. Zijn onderzoek lag mee aan de basis van drie aidsremmers en minstens vijftien nieuwe geneesmiddelen.

Paul Stoffels startte zijn carrière bij de legendarische dokter Paul Janssen, grondlegger van Janssen Pharmaceutica. Het was op diens vraag dat hij in Afrika op zoek ging naar een geneesmiddel tegen aids. Vandaag is Janssen Pharmaceutica onderdeel van J&J, het grootste farmaconcern ter wereld, en is het herdoopt tot Janssen: Pharmaceutical Companies of Johnson & Johnson.

“Toen wijlen Paul Jansen in 1953 zijn klein bedrijfje in de Kempen uit de grond stampte, werkten er amper een paar honderd mensen”, zegt Paul Stoffels. “Vandaag stellen we in België alleen al 4.500 mensen te werk. Onze invloed halen we uit de geneesmiddelen die we ontwikkelen en die impact hebben op het leven van ontzettend veel mensen, overal ter wereld. Wat voor ons écht telt is, om het in het Engels te zeggen: ‘Years of lives saved and years of quality of life generated.’ Hoeveel jaren helpen we mensen langer leven en hoeveel gezonde jaren kunnen we hen extra schenken? De kwaliteit van het leven staat vandaag in de hele geneeskunde bovenaan. Mensen langer én gezonder laten leven is ons ultieme doel.”

 

Het ultieme doel van een farmabedrijf is niet: zoveel mogelijk geld verdienen?

Paul Stoffels: “Als geld het belangrijkste wordt, is het einde snel in zicht. Elk bedrijf dat wil blijven bestaan, moet natuurlijk een return on investment halen. Maar ons ultieme doel is en blijft: voor de gezondheid van mensen wereldwijd het verschil maken. Dat is onze missie en wij werken daar gepassioneerd aan. Geldt dat trouwens niet voor de meeste grote belangrijke ondernemingen? Apple maakt ook iPhones om winst te maken, maar tegelijkertijd steken al die knappe koppen in dat bedrijf hun ziel in het superproduct waarmee ze de wereld veroverd hebben. Bij ons is dat niet anders: wij mobiliseren de beste wetenschappers, geneesheren, apothekers, ingenieurs en businesslui om samen aan dat nieuwe medicijn te werken waarmee we iedereen zullen verrassen. We moeten altijd opnieuw iets proberen brengen dat boven de rest uitspringt. Dat is ons al zeer vaak gelukt, waardoor wij nu belangrijke producten in de aanbieding hebben die wereldwijd mensen genezen. Het gevolg is dat ik nu als een invloedrijk persoon op deze planeet beschouwd word. (lacht) Terwijl invloedrijk worden, nooit mijn betrachting geweest is.”

 

De plaats waar u nu zit, was niet uw droom toen u geneeskunde begon te studeren?

Stoffels: “Helemaal niet. Ik wou als arts in Afrika gaan werken. Mijn allereerste droom was: muzikant worden. Klassieke muziek, orgel en piano. Maar vrij snel besefte ik dat muziek voor mij te beperkt was om mijn hele leven aan te wijden. Ik ben opgegroeid in Achtel, een klein gehucht ergens tussen Hoogstraten en Rijkevorsel, en was daar lang organist. Er staat een kapelletje waar mijn moeder nog steeds naar de mis gaat. Als ik thuis ben, vraagt ze altijd of ik daar op zondag wil komen spelen, wat ik dan ook vaak doe.”

 

U bent een gelovig mens?

Stoffels: “Ja, maar ik heb in de loop der jaren mijn eigen versie ontwikkeld. Ik geloof dat we allemaal samen aan een betere wereld moeten werken, met een goede gezondheidszorg voor iedereen. Dat is ook een van de redenen waarom ikzelf in dit vak verzeild geraakt ben. Als jongeman droomde ik van een betere wereld en zo kwam Afrika in het vizier. Tijdens mijn studies geneeskunde bracht ik elke vakantie op dat continent door. Ik raakte erdoor gefascineerd en zag ook wat ik er later als arts zou kunnen betekenen. Na mijn studies tropische geneeskunde ging ik er meteen aan de slag. Zo verbleef ik drie jaar in Congo en één jaar in Rwanda waar ik als geneesheer-researcher verbonden was aan een project voor onderzoek naar HIV en aids.”

 

U hebt de genocide in Rwanda meegemaakt?

Stoffels: “Begin oktober 1990 werden mijn vrouw en ik samen met onze kinderen geëvacueerd bij de eerste inval. Ik keerde later terug, terwijl mijn familie in België bleef. Ik werkte in Rwanda tot april 1994, toen de genocide plaatsvond. Ik heb toen veel vrienden verloren, waaronder mijn naaste medewerkers. Pas de voorbije zomer reisde ik voor het eerst na de genocide terug naar Rwanda. Dat was zeer emotioneel. Omdat er zoveel vrienden en kennissen van mij gedood zijn, was ik er niet eerder toe in staat. Maar dat land is intussen heropgestaan en ziet er anders uit dan toen. Alles is er tot in de puntjes georganiseerd en ze hebben de Franse taal ingeruild voor de Engelse. Er valt veel kritiek te leveren op het huidige bewind, maar Rwanda is wel terug stabiel en de mensen hebben er hun leven opnieuw in handen. Wat over een land als Congo niet gezegd kan worden.”

 

U bent een pionier in het aidsonderzoek?

Stoffels: “Jawel. We voerden ons veldonderzoek eind jaren tachtig, op het moment dat HIV in Afrika massaal doorbrak en iedereen met de handen in het haar zat. Na onze vlucht uit Rwanda vroeg Paul Janssen me om bij hem te komen werken. ‘We gaan samen een middel maken om HIV te genezen’, zei hij. Hij geloofde er heel sterk in dat we op een bepaalde dag één pil zouden ontwikkelen waarmee we aids eens en voorgoed de wereld konden uithelpen. Vandaag, iets meer dan een kwart eeuw later, maken we aidsremmers die wereldwijd de levensverwachting van seropositieve mensen spectaculair helpen stijgen. In samenwerking met onze collega’s van Gilead is het ons ook gelukt om die remmers samen in één pil te verenigen, en houden we zo het virus onder controle. Tijdens mijn onderzoek in Afrika raakte een van mijn goede vrienden, ook een arts, met HIV geïnfecteerd. Op dat moment werd de strijd tegen HIV voor mij zeer persoonlijk. Nadat dokter Janssen op pensioen ging, nam ik afscheid van Janssen Pharmaceutica en stapte ik over naar Tibotec in Mechelen. Halverwege de jaren negentig ontwikkelde ik samen met Rudi Pauwels drie middelen tegen HIV.”

 

In die periode werd u naast dokter en onderzoeker ook ondernemer? 

Stoffels: “Wie in Afrika als arts werkt, wordt automatisch ondernemer. Want daar moet je heel veel zelf organiseren en voortdurend initiatieven nemen. Door in Afrika een kliniek te runnen, leer je heel wat meer dan een student op de Harvard Business School. Samen met Rudi richtte ik in Mechelen in 1995 Virco op. Ik werd bedrijfsleider van Virco en voorzitter van de raad van bestuur van Tibotec. Onze twee bedrijven versmolten later tot Tibotec-Virco. We startten met vijf mensen en creëerden via ons bedrijvennetwerk minstens duizend nieuwe jobs. Toen brak de financiële crisis uit. J&J vroeg ons om onder hun vleugels verder te werken. Zij creëerden de juiste omstandigheden voor mezelf en mijn team om succesvol te worden.”

 

Verliet u in 1995 Janssen Pharmaceutica uit onvrede?

Stoffels: “Nee. Ik was er in die tijd sterk van overtuigd dat diagnostiek een heel belangrijke rol zou spelen in het HIV-onderzoek. Ik wou daarvoor de beste mensen ter wereld samenbrengen, maar dat lukte op dat moment niet bij Janssen. We hebben dan maar ons eigen bedrijf opgericht. Eerlijk gezegd was dat een van de beste beslissingen uit mijn leven. We brachten de allerbeste HIV-onderzoekers samen en gingen op zoek naar geld. Een op drie verkochte HIV-geneesmiddelen in de VS is ontwikkeld door mensen uit ons topteam van toen. Ik ben daar nog altijd heel erg fier op.”

 

Zou uw bedrijf ook zo succesvol geworden zijn als de HIV-besmetting enkel beperkt was gebleven tot Afrika en ‘maar’ de omvang van de Ebola-epidemie had aangenomen? Zat u vandaag dan op dezelfde stoel?

Stoffels: “We engageerden ons met ons team even hard in de strijd tegen Ebola als tegen aids. Het probleem met infecties zoals HIV, Ebola of Zika is dat ze nooit beperkt blijven tot de regio waar ze ontstaan. Door de manier waarop HIV zich van de ene mens op de andere overzet, via seksueel contact en via het bloed, is het per definitie een globale ziekte. Zika werd in de jaren vijftig ergens in een woud in Oeganda voor het eerst beschreven. Vervolgens verdween de besmetting om zestig jaar later aan de andere kant van de wereld weer op te duiken. Op een bepaald moment vond iemand de link met microcefalie, met baby’s die met een abnormaal klein hoofd geboren worden, en meteen was Zika een wereldprobleem. Het maakt niet uit of het virus in Zuid-Amerika of in Afrika woedt: de besmetting moet en zal uitgeroeid worden, net als Ebola. In mijn jonge jaren werkte ik in de Congolese stad Kikwit. Het Ebola-virus dat onlangs in West-Afrika woedde, stamt van de Kikwit-strain uit de jaren negentig. Waarschijnlijk is het virus via vleermuizen overgebracht naar andere delen van Afrika. We zijn ons zeer goed bewust van de mogelijke catastrofale gevolgen van de verspreiding van zo’n virus. Als Ebola in Kinshasa uitbreekt, een stad met tien miljoen mensen en een heel beperkte infrastructuur, groeit dat gegarandeerd uit tot een wereldramp. Als Ebola in Mumbai toeslaat, komt de wereld zelfs tot stilstand. Het is echt niet voor niets dat de VS, Europa en nog een paar andere landen vandaag intens samenwerken met de farmaindustrie. Ook wij dragen ons steentje bij in die zoektocht naar nieuwe vaccins voor ziektes die wereldwijd een bedreiging voor de volksgezondheid vormen.”

 

Vandaag woont en werkt u vooral in de VS?

Stoffels: “Meer dan de helft van de tijd werk ik in Amerika. Hier in New Brunswick in de staat New Jersey, maar ook aan de West Coast, in San Fransisco, San Diego, Boston, Seattle en Washington. Ik ben ook regelmatig in Londen en reis bijzonder veel: dit jaar was ik al in India en elk jaar kom ik een keer of drie in Afrika. Drie dagen per maand vertoef ik in België om er mijn kinderen en kleinkinderen te zien. Ik reis meestal samen met mijn vrouw omdat ons leven anders voorbijflitst zonder dat we samen dingen beleven. We zijn zoals de Bedoeïenen, en zwerven over de hele wereld. (lacht)”

 

Zelf onderzoek voeren is er niet meer bij?

Stoffels: “Ik maak nu onderzoek mogelijk en stuur een erg grote groep van wetenschappers aan. Binnen ons concern hebben we een netwerk van 150 biotechbedrijven uitgebouwd. Dat zijn stuk voor stuk onafhankelijke bedrijven die binnen onze grote onderneming plaats krijgen om te werken aan nieuwe wetenschap. We geven die start-ups alle kansen om in uitstekende omstandigheden heel interessante pistes verder te verkennen. Wij investeren zelf meer dan een miljard dollar in die bedrijfjes. Tom Heyman, de man die tot vorig jaar aan het hoofd stond van Janssen Pharmaceutica in Beerse, leidt nu als Global Head van de Johnson & Johnson Development Corporation (JJDC) dat hele netwerk in goede banen. Daarnaast werken we ook nog eens samen met meer dan 150 biotechbedrijven buiten de grote groep. In totaal hebben we zo 400 verschillende samenwerkingen lopen met start-ups, ondernemers en academische centra. Allemaal met de bedoeling om nieuwe wetenschap onder de loep te nemen. Van zodra daar iets positief uit opborrelt, brengen wij dat binnen in ons eigen bedrijf en proberen we dat zo snel mogelijk om te zetten en te ontwikkelen naar een product dat de geneeskunde ten goede komt. Binnen J&J werken ook veel onderzoekers. Zo runnen we immense researchlabs in Beerse, in San Diego in de Amerikaanse staat California en in Spring House in de staat Pennsylvania. Ons eerste doel is het vastleggen van de best mogelijke wetenschappelijke kennis, ons tweede doel: het ontwikkelen van een geneesmiddel. Wereldwijd werken 5000 mensen aan de ontwikkeling van onze producten en we organiseren klinische studies in 80 landen.”

 

U kent dus over de hele wereld zeer veel wetenschappers en farmaondernemers, waardoor u persoonlijk veel invloed kunt uitoefenen?

Stoffels: “Invloed krijg je enkel en alleen door de resultaten die je boekt. Janssen: Pharmaceutical Companies of Johnson & Johnson wordt algemeen erkend als een van de meest innovatieve farmaceutische bedrijven in de wereld. Daarom ook groeien we zo sterk: vandaag prijken we op de vierde plaats in de globale ranking van farmaondernemingen en staan we in de VS en Canada op de eerste plaats. En dat zonder ooit een echt grote overname te hebben gedaan. De meeste andere bedrijven uit onze sector zijn fusies van verschillende groepen. Dankzij het succes van onze onderneming ken ik inderdaad heel wat mensen. Ik span me ook erg in om ervoor te zorgen dat ik verbonden blijf met de National Institutes of Health, de nationale onderzoeskinstellingen in de VS, met de Gates Foundation, met de Europese overheden, met bedrijfsleiders… Ik ben altijd wel ergens met iets bezig. (lacht)”

 

Kent u Bill Gates persoonlijk?

Stoffels: “Ik ken hem zeer goed. Hij is een vriend en een geestesverwant: ook hij wil de geneeskunde erop vooruit helpen. Zijn Foundation steunt heel wat van onze projecten. Bill nodigt me dikwijls uit voor een gesprek: we willen allebei HIV, polio en tbc voorgoed de wereld uithelpen.”

 

Merkt u in uw contacten met Amerikaanse overheidsinstellingen iets van een nieuwe wind onder president Donald Trump?

Stoffels: “Nee. Misschien zal de nieuwe Amerikaanse regering andere klemtonen leggen die de omstandigheden waarin we werken beïnvloeden, maar aan het fundament van ons onderzoek wordt niet getornd. Wij werken aan het oplossen van immens grote problemen en die projecten lopen altijd over lange termijn. We focussen ons op dementie, diabetes, kanker, depressie, infectieziekten, ontstekingen, reuma en huidziekten zoals psoriasis. We voeren al 20 jaar onderzoek naar de ziekte van Alzheimer. We boeken vooruitgang, maar we zullen daar de volgende 20 jaar nog veel in moeten investeren in de hoop ooit met een geneesmiddel te eindigen.”

 

Hebt u goede contacten met politici wereldwijd?

Stoffels: “Ik spreek met weinig politici. Op het World Economic Forum in Davos ontmoet ik wel elk jaar de Belgische eerste minister en een aantal gezagsdragers. Af en toe praat ik met de eurocommissaris voor Onderzoek, Wetenschap en Technologie, want de grote wetenschappelijke onderzoeken in Europa vallen onder zijn bevoegdheid. De Europese Unie en de farmaindustrie hebben een groot samenwerkingsproject voor het onderzoek naar medicijnen lopen. Het Innovative Medicines Initiative (IMI) ondersteunt bedrijven en netwerken die koortsachtig op zoek zijn naar nieuwe geneesmiddelen. Ik heb vooral veel contact met mensen overal ter wereld die actief zijn in onderzoek en ontwikkeling. Ik werk al veertig jaar met Peter Piot samen. Hij is een echte geestesverwant. Paul Bulcke, de voorzitter van de raad van bestuur van Nestlé, ken ik ook al heel lang.

“Wereldwijde gezondheidszorg, global public health, is één van mijn grote bekommernissen in onze onderneming. Wat kunnen onze geneesmiddelen betekenen voor de planeet? Een van onze grootste verwezenlijkingen tot hiertoe is het nieuwe geneesmiddel voor tuberculose Sirturo. Het is ontwikkeld in Beerse, door het team van professor Koen Andries. Het was vijftig jaar geleden dat er nog een middel tegen tbc van dat formaat op de markt kwam. Het medicijn legt de energievoorziening van de tbc-bacterie plat en werkt daardoor totaal anders én vijf keer sterker dan alle voorgaande traditionele tbc-middelen. Koen won met zijn vondst in 2014 de European Inventor Award, de ‘oscar’ voor innovatie. Johan Van Hoof, het hoofd van onze vaccingroep, werkt al jarenlang samen met zijn team aan een vaccin voor HIV. Dit jaar testen we voor de eerste keer vierhonderd vrijwilligers voor dat nieuwe vaccin waarvan we hopen dat het een besmetting met HIV zal kunnen vermijden.”

 

U werkt ondertussen al decennialang bij hetzelfde bedrijf. Is de concurrentie nog nooit aan uw mouw komen trekken?

Stoffels: “Dat gebeurt af en toe bij iedereen op mijn niveau; ook bij mensen die voor mij werken. Als je goede resultaten boekt, zijn andere bedrijven altijd geïnteresseerd. Maar deze onderneming is uniek. We hebben hier de voorbije jaren keihard gewerkt en duizenden uitstekende medewerkers aangestuurd. Het zou bijna als een vorm van verraad aanvoelen om dan over te stappen naar de concurrentie. Het heeft jarenlang heel wat inspanningen gekost om de netwerken binnen en buiten het bedrijf te ontwikkelen en te laten bloeien. Ik heb zo met veel mensen lange, intense trajecten afgelegd. Dat gooi je niet zomaar overboord. Nogal wat wetenschappers blijven ons hun hele professionele leven trouw. Ze worden écht gedreven door onze missie om van deze wereld een gezondere plek voor iedereen te maken. Voor een farmabedrijf is jarenlange genegenheid en toewijding van medewerkers geen overbodige luxe. Want de zaden voor de oogst die we nu binnenhalen, zoals ons tbc-geneesmiddel, zijn twintig jaar geleden geplant.”

 

Bent u een machtig man?

Stoffels: “Neen. Een manager die macht als middel gebruikt om zijn bedrijf te leiden, is compleet verkeerd bezig. Invloed is veel belangrijker en die verwerf je door ervaring, door het opdoen van kennis. Ik gebruik mijn macht enkel als er een crisis in het bedrijf is, of als er een beslissing genomen moet worden over een overname of een belangrijke financiële investering.

“Ik ben een servant leader, een ‘dienende leider’. Mijn ‘macht’ bestaat uit het creëren van mogelijkheden voor anderen zodat ze hun job zo goed mogelijk kunnen uitoefenen. Ik zorg voor omstandigheden die het mogelijk maken dat andere leiders functioneren en floreren. Een machtig man aan de top die alle beslissingen in zijn eentje neemt, is voor een bedrijf het begin van het einde. Een bedrijfsleider moet heel goed weten wat hij niet weet. Beslissingen moeten genomen worden door mensen die weten waarover ze spreken. Wie last heeft in zijn schouder, stapt vandaag naar een gespecialiseerde orthopedist. Niet de huisarts, maar de specialist beslist wat er met die schouder moet gebeuren. In de wetenschap geldt net hetzelfde. Enkel mensen met kennis van zaken weten wat ze nodig hebben om geneesmiddelen te ontwikkelen. Dus schenk ik hen alle vertrouwen. Paul Janssen zei me lang geleden: ‘You take the risk, I take the blame.’ Dat breng ik nu zelf in de praktijk.”

 

(c) Jan Stevens

In 2014 werd Peter Carmeliet uitgeroepen tot een van de 400 meest invloedrijke biomedische wetenschappers ter wereld. Hij was geselecteerd uit een lijst waarop de namen van meer dan 15 miljoen collega’s prijkten. Wereldwijd is hij de tweede meest geciteerde wetenschapper in het domein van de bloedvatvorming of angiogenese. “Alleen als je geciteerd wordt, geloven ze je.”

 

Professor Peter Carmeliet (57) mag zichzelf ‘baron’ noemen. Aan de KULeuven leidt hij onder de vleugels van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) een onderzoeksgroep in het Center for Cancer Biology. Daar voert hij samen met superslimme wetenschappers en studenten van over de hele wereld onderzoek naar de werking van de bloedvaten. Hij stond mee aan de wieg voor de ontwikkeling van geneesmiddelen die kanker vertragen en boekte resultaten in het onderzoek naar de dodelijke spierziekte ALS. “Ik vind het een eer dat anderen me als invloedrijk beschouwen”, zegt hij. “Dat is een erkenning voor het werk dat wij hier in ons laboratorium verrichten. Dan heb ik het niet enkel over mezelf, maar over al mijn medewerkers. Als individu kan je goede ideeën hebben, maar als het eropaan komt, heb je een ploeg nodig die ze in de praktijk kan omzetten. Op dit niveau is dat geen sinecure: mensen die hier willen meedraaien, beschikken best over doorzettingsvermogen én een groot organisatietalent.”

 

Waarom is onderzoek naar de werking van de bloedvaten zo belangrijk?

Peter Carmeliet: “Bloedvaten transporteren zuurstof naar al onze cellen. Als die bloedvaten te hard groeien, zoals bijvoorbeeld bij kanker, helpen ze tumoren woekeren. Wanneer iemand een bloedvatentekort heeft, of wanneer zijn bloedvaten dichtslibben en ze de zuurstof niet meer op zijn plaats krijgen, riskeert hij een hart- of herseninfarct. Praktisch alle organen kunnen een ziekte ontwikkelen die te wijten is aan teveel of te weinig bloedvaten. Wij proberen te begrijpen hoe die bloedvaten groeien en wat de moleculaire basis daarvan is. Die kennis gebruiken we om geneesmiddelen te ontwikkelen. We richten ons voornamelijk op kanker en oogziekten. Op basis van ons onderzoek naar angiogenese, Grieks voor ‘vorming van bloedvaten’, zijn er ondertussen angiogeneseremmers ontwikkeld die kankertumoren zuurstof en voedsel ontnemen. In ons laboratorium hebben we ontdekt dat het eiwit VEGF, ‘Vasculaire Endotheliale GroeiFactor’, van het allergrootste belang is voor de bloedvatenvorming.”

 

De angiogeneseremmers regelen dan de toevoer van dat VEGF?

Carmeliet: “Nee, die remmers zijn antilichamen. Ze herkennen het eiwit VEGF en schakelen het uit. Wij lagen aan de basis van het in kaart brengen van de rol van VEGF in bloedvatvorming en de firma Roche heeft samen met haar dochterbedrijf Genentech het antilichaam ontwikkeld en gecommercialiseerd. We hebben ook het grondplan bestudeerd en uitgetekend van het eiwit PLGF, ‘Placentaire GroeiFactor’, een zustermolecule van VEGF. Daar hebben we samen met het Belgische biofarmaceutische bedrijf ThromboGenics een antilichaam tegen gemaakt. Die angiogeneseremmer wordt nu getest voor de behandeling van hersenkanker bij kinderen en voor de behandeling van oogziekten bij diabetespatiënten.”

 

Jullie voeren ook onderzoek naar ALS?

Carmeliet: “Dat is een gevolg van ons onderzoek naar de biologie van het eiwit VEGF. We gebruiken daarvoor zogenaamde ‘knock-out muizen’. We maken dus een muis waarvan een bepaald gen uitgeschakeld of veranderd is.”

 

Pardon, u ‘maakt’ een muis?

Carmeliet: “Ja, een transgene muis. We ‘maken’ een subtiele verandering in hun genetische code. In onze muizen brachten we een kleine verandering in het VEGF-gen aan met de bedoeling om zo ischemie of zuurstoftekort te kunnen bestuderen. Bloedvaten vervoeren zuurstof naar organen, maar als er een tekort aan zuurstof is, zetten de organen de bloedvaten ertoe aan om te groeien. Dat doen ze door VEGF aan te maken. Wij dachten: als het ons lukt om de VEGF-productie lam te leggen, krijgen we misschien meer inzicht in ischemische ziekten, zoals een infarct. Maar de eerste maanden bleven die muizen vrolijk rondhuppelen. Een half jaar later sloeg een student bio-ingenieur alarm. ‘Die muis doet zo raar’, zei hij. Toen hij haar oppakte, ging ze in een kramp en kreeg ze spasmen. Na een tijdje wisten we wat er aan de hand was: de muis had ALS. Vervolgens doken we in de ziektegeschiedenis van patiënten met ALS. Uit die studie bleek ook dat een verminderde VEGF-productie meer risico tot de ontwikkeling van de spierziekte gaf. Daarna dienden we onze transgene muizen het eiwit VEGF toe en daar kikkerden ze van op.”

 

Die link met ALS was dus puur toeval?

Carmeliet: “Ja, dat was totaal onverwacht. Ons onderzoek en deze ontdekking waren zo vernieuwend, dat andere wetenschappers ons eerst niet wilden geloven. Het heeft ons dan ook heel wat moeite gekost om onze bevindingen gepubliceerd te krijgen. Niemand had ooit bloedvaten en zuurstoftekort aan ALS gekoppeld. Maar als je er dieper over nadenkt, is dat best logisch. De zenuw die vanuit je ruggenmerg naar je kleine teen loopt, is gemakkelijk een meter lang. Hij heeft dus veel energie en zuurstof nodig. Een zenuw heeft weinig zelfherstellend vermogen, waardoor elk klein letsel of overbelasting er voor zorgt dat hij een klein beetje minder werkt. Na verloop van tijd zal die steeds slechter werkende zenuw verlamd raken.”

 

Hoe lang duurt het dan nog voordat er een middel is om ALS te vertragen, stoppen of genezen?

Carmeliet: “Genezen is voorlopig onmogelijk. Kanker en ALS zijn ‘multifactoriële ziekten’. Dat wil zeggen dat ze aan verschillende oorzaken te wijten zijn. Bij een klein percentage van de ALS-patiënten is een gemuteerd gen verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de ziekte. In veel andere gevallen weten we niet wat de oorzaak precies is. VEGF geeft sowieso bescherming tegen aftakeling, wat de ziekte ook mag getriggerd hebben. Bij ALS zal het eiwit de zenuw proberen te beschermen tegen aanvallen. VEGF zal het leven van de patiënt dus verlengen. Maar wanneer iemand voor het eerst komt klagen bij zijn huisdokter, is al 50 procent van de neuronen afgestorven. Daar kunnen we helemaal niks meer aan veranderen. Het eiwit kan enkel de andere zenuwen langer gezond houden waardoor de patiënt minder snel totaal verlamd zal raken. Toen de eerste berichten over ons ALS-onderzoek verschenen, kregen we verschrikkelijk veel telefoontjes van over de hele wereld.”

 

Wanhopige ALS-patiënten?

Carmeliet: “Ja. Zo kreeg ik eerst telefoon en dan een mail van een Mexicaanse mevrouw. ‘Ik moét die VEGF hebben, geef het mij!’ Ik antwoordde: ‘Ik mag dat niet. Het moet eerst grondig uitgetest worden in klinische trials.’ Ik hoorde een tijd niets meer van haar, tot er op een dag een nieuwe mail in mijn postvak zat. ‘Ik heb ergens VEGF kunnen bemachtigen.’ Ze had er online waarschijnlijk waanzinnig veel geld voor neergeteld en had het eiwit in haar arm ingespoten. Ze schreef: ‘Met mijn arm is het nu veel beter.’ Maar ze wist niet hoeveel ze moest inspuiten, of waar en hoe. Dat vond ik zo pijnlijk. Na onze studie duurt het nog minstens tien tot vijftien jaar voor er een medicament op de markt komt. ALS-patiënten leven na de diagnose gemiddeld drie tot vijf jaar. Wie nu het verdict krijgt, weet dat een mogelijk medicijn niet meer voor hem zal zijn. Dat geldt ook voor kankerpatiënten. Telkens wanneer wij met een studie in de krant of op tv komen, krijgen we mails en telefoons. We hebben er zelfs een speciale dienst voor opgericht. In de mate van het mogelijke probeer ik zelf te antwoorden, want die mensen zijn de wanhoop nabij.”

 

Was het altijd uw droom om onderzoeker te worden?

Carmeliet: “Als kind zat ik al gebiologeerd te kijken hoe mieren een nest bouwden. Ik bouwde dat nest dan in plaaster na om te begrijpen hoe ze samenleefden. Ik was mateloos geboeid door vissen in aquaria en door schedels van dode beesten. Uiteindelijk ging ik geneeskunde studeren met de ambitie om onderzoeker te worden.”

 

U wou geen dokter worden?

Carmeliet: “Ik vond het belangrijk en fijn om patiënten te helpen, maar mijn hart lag bij het fundamenteel onderzoek. Mijn vader is ook arts en professor; hij is nu op emeritaat. Hij was gespecialiseerd in elektrofysiologisch onderzoek van het hart. Af en toe ging ik mee naar zijn lab, daar stonden microscopen en zaten kikkertjes in bakken. Die levende wezentjes intrigeerden me.”

 

U werkt nu ook veel met levende wezens?

Carmeliet: “Met zebravissen en muizen. Een muis is geen mens natuurlijk, maar je moet ergens vertrekken om onderzoek op uit te voeren. We kunnen niet ontkennen dat we het genetisch materiaal van muizen manipuleren. Alleen hadden we zonder knock-out muis de link tussen VEGF en ALS nooit ontdekt. Met genetisch gemanipuleerde muizen maken we diermodellen van bepaalde ziekten waar we vervolgens medicijnen op uittesten. We gaan daar heel gewetensvol mee om: proefdieren zijn geen speelgoed en ze mogen niet mishandeld worden. We zijn zeer streng op het aantal muizen dat we houden; we willen ze niet onnodig gebruiken. Daarom houden we onze muizenpopulatie zo klein mogelijk.”

 

Zonder dierproeven lukt het niet?

Carmeliet: “Nee. Ik denk niet dat er zonder dierproeven ooit een behandeling tegen kanker of ALS ontwikkeld kan worden. Ons dierenlabo is aan zeer strenge regels onderworpen en we worden strikt gecontroleerd. We hebben iemand extra in dienst die een groot deel van zijn tijd bezig is met het welzijn van de dieren. Wij zullen nooit zomaar dieren vermassacreren. De controles zijn echt wel streng en moeten voorkomen dat er mensen zijn die het niet doen zoals het hoort. Vroeg of laat komt zoiets toch aan het licht.”

 

Een sadist onder uw medewerkers wordt snel ontmaskerd?

Carmeliet: “Dat is zo goed als onmogelijk, want onze mensen werken in team. Twee senior postdocstudenten samen met twee junior phd-studenten, bijvoorbeeld. Ze controleren elkaar, waardoor de kans op dierenmishandeling, fraude en fouten zo goed als uitgesloten is. De dierenproeven worden extra goed opgevolgd door een speciaal daarvoor opgeleide laboratoriumassistent.”

 

Hoe lastig was uw weg naar de top?

Carmeliet: “Je hoort soms dat dit wel een moeilijk parcours moét zijn. Ik heb dat waarschijnlijk te weinig beseft omdat ik veel te graag met mijn werk bezig was. Ik maakte me nooit zorgen over carrière of benoemingen en deed gewoon mijn ding. Ik ging er helemaal in op. Misschien heb ik ook wel geluk gehad. ‘Kwaliteit drijft’, zei mijn mentor professor Désiré Collen indertijd. Jonge mensen maken zich vandaag nogal veel zorgen, vind ik. ‘Zal ik benoemd worden? Krijg ik genoeg geld?’ Al klopt het wel dat het onderzoek veel competitiever geworden is. Dankzij al die moderne technieken en hulpmiddelen kan er sowieso sneller gewerkt worden. In mijn beginjaren was er geen internet, moesten we alle verslagen typen en figuurtjes en diagrammen knippen en plakken. (lacht) De tijd verliep toen veel trager.

“Wie aan de top wil meedraaien, moet eerst en vooral door zijn werk gepasioneerd zijn. Verstand alleen volstaat niet. Je moet ook goed kunnen organiseren, stressbestendig zijn, creatief, gemotiveerd en enorm optimistisch. 90 procent van ons werk bestaat uit failures. Het ene experiment werkt niet, het andere levert niet op wat je gehoopt had, dus moet je verder blijven zoeken.”

 

Moet je weten wat je zoekt?

Carmeliet: “Bepalen waar de lamp brandt, vind ik het moeilijkste. (lacht) In de strijd tegen kanker kwam er een jaar of zeven geleden op basis van ons onderzoek een antilichaam tegen VEGF op de markt, maar het werkte niet zoals we gehoopt hadden. Het verlengde en verbeterde het leven, maar bijlange niet zoals verwacht. Je kan daar dan in berusten en zeggen: ‘Oké, dan dienen we een VEGF-antilichaam toe en combineren dat met een PLGF-antilichaam en hopen vervolgens het beste.’ Maar kankercellen hebben zoveel honger naar zuurstof en suikers dat de ziekte vervolgens andere soorten eiwitten begint te produceren die de bloedvatengroei stimuleren. Die vaststelling vormde een stevige domper op ons enthousiasme. Tot we op het idee kwamen om de motor van de bloedvatenproductie uit te schakelen. Stel je voor dat het bloedvat een auto is, en VEGF de chauffeur. VEGF laat de auto rijden, maar als er andere chauffeurs klaarzitten om het stuur over te nemen, heeft het niet veel zin om VEGF uit te schakelen. Je moet dus de motor platleggen. Die motor was in dit geval de stofwisseling of het metabolisme. Dat klonk heel logisch, alleen namen we een heel groot risico omdat we totaal geen expertise in het complexe domein van het metabolisme hadden. We moesten zeer dure apparaten kopen, mensen opnieuw opleiden en naar andere labo’s uitsturen om technieken aan te leren. Vijf jaar aan een stuk hebben we geploeterd. In al die jaren moest ik de rust zelve blijven, op mijn kompas varen en tegen iedereen zeggen: ‘Daar brandt de lamp. Ik wil die motor uitschakelen en we zùllen hem stilleggen.’ Dat vond ik een grote uitdaging. Want als ik het toch verkeerd voor had, zou dat pas vijf jaar later blijken.”

 

De recente geschiedenis leert dat die druk ervoor zorgt dat collega’s van u soms in de verleiding komen om de resultaten van hun onderzoek te manipuleren.

Carmeliet: “Ja, en die geschiedenis zal zich spijtig genoeg nog herhalen. De echte druk in de biomedische wereld is niet om veel te publiceren, maar om als eerste vernieuwend onderzoek met impact uit te brengen. De concurrentie onder collega-topwetenschappers is internationaal zeer groot. Met die druk moet je als moderne wetenschapper omkunnen; dat geldt trouwens ook voor topsporters en -ondernemers.

“In de biomedische sector is publiceren een voorwaarde om aan fondsen te geraken. Hoe beter je publicaties, hoe makkelijker het is om geld te krijgen, mensen te vinden en te rekruteren, en prijzen en uitnodigingen binnen te halen. Als alles goed lukt, zit je in een positieve flow. Ik heb het geluk dat ik me sinds enkele jaren volledig kan concentreren op onderzoek. Dat is heel wat comfortabeler dan mijn collega’s in de kliniek die 90 procent van hun tijd patiënten behandelen, of dan de collega’s aan de universiteit met zware lesopdrachten.”

 

Mist u het lesgeven dan niet?

Carmeliet: “Ik geef meer les in het buitenland dan aan mijn eigen universiteit. Ik kom net van een meeting in Canada en ben regelmatig onderweg.”

 

Hebben ze u ooit gevraagd om in het buitenland te gaan werken?

Carmeliet: “Ja, door instellingen zoals Harvard, Yale, het Franse INSERM, het Duitse Max Planck en het Britse MRC. Toen ik hier in het begin werkte, werd ik enorm gesteund door professor Collen. Mede onder zijn impuls is het Vlaams Instituut voor Biotechnologie er gekomen. Ik ben hier heel graag, maar mijn werk is niet het enige dat telt. Ik vind het zalig om thuis te zijn, in de tuin te werken, om met vrouw en kinderen te genieten van de mooie dingen des levens.”

 

Het gebeurt maar zelden dat mensen aan de top zeggen dat ze hun kinderen en hun hof minstens even belangrijk vinden als hun job.

Carmeliet: “Ik haal veel voldoening uit mijn job en heb daardoor leren relativeren. Ik heb altijd keihard gewerkt, maar kinderen en familie blijven ontzettend belangrijk. Mijn vrouw is ook wetenschapper. We hebben elkaar leren kennen in hetzelfde labo en zij kent het klappen van de zweep. Ik merk bij jonge mensen dat ze dit werk op topniveau niet volhouden als het bij hen thuis niet goed draait. Ik werk hard, maar om half zes fiets ik naar huis. Soms werk ik dan thuis verder, maar ik ben geen afwezige vader. Er waren wel momenten dat ik op het punt stond een job in het buitenland aan te nemen. Die aanbiedingen waren soms zeer royaal. Zo kreeg ik een voorstel van een onderneming waarbij ik dacht dat er bij het salarisvoorstel zes nullen te veel stonden (lacht).”

 

Zes nullen?

Carmeliet: “Ja, dat was een hallucinant bedrag. Ik bezocht het bedrijf in Louisville in de Amerikaanse staat Kentucky. Op het moment dat het vliegtuig op die luchhaven landde, wist ik dat ik er nooit gelukkig zou worden. De man die de job uiteindelijk gekregen heeft, is er na twintig jaar trouwe dienst aan de deur gezet. Zijn afdeling werd gesloten, en van de ene dag op de andere stond hij op straat.”

 

Maar hij was wel binnen.

Carmeliet: “Zonder twijfel. (lacht) Geld was voor mij nooit een drijfveer, wel het plezier om iets te leren begrijpen en met iets vernieuwends bezig te zijn. Ik zie geen patiënten meer en heb me dikwijls afgevraagd of dat een goed idee was. ‘Je hebt al die jaren mogen studeren. Hoe betaal je dat ooit terug aan de samenleving?’ Maar als je met onderzoek één geneesmiddel kan vinden dat het verschil maakt, help je meteen duizenden mensen.”

 

Droomt u van de Nobelprijs?

Carmeliet: “Nee, dat houdt me niet bezig. Erkenning is aangenaam, maar daarvoor oefen ik dit vak niet uit. Ik zeg altijd tegen mijn studenten: ‘Je moét in toptijdschriften publiceren, niet om je naam gedrukt te zien staan, maar om geciteerd te worden, want alleen zo zullen ze je geloven.'”

 

Geciteerd worden is aan invloed winnen?

Carmeliet: “Precies. Dan heb je impact en geloven en appreciëren ze je werk. Voor een wetenschapper is dat de grootst mogelijke erkenning. De bekroningen en prijzen volgen dan vanzelf. (lacht)”

 

(c) Jan Stevens

“Waarom zovelen me invloedrijk vinden?” Lang moet professor François Englert daar niet over nadenken. “Misschien omdat ik de allereerste Belg ben die de Nobelprijs Fysica gewonnen heeft?” Volgens Englert vond Alfred Nobel himself dat de meest prestigieuze Nobelprijs. “Hij had de vijf prijzen gerangschikt naar belangrijkheid, en natuurkunde prijkte helemaal bovenaan.”

 

We zitten in het Spartaans ingerichte krappe kantoor van België’s meest vermaarde professor theoretische fysica op de campus van de Université Libre de Bruxelles (ULB). François Englert (85) gooit het raam open om frisse lucht binnen te laten. Op het bureau van de professor emeritus ligt een thesis uit 2011 over elementary particle models without any adjustable real parameters. Het bord aan de wand staat volgekalkt met intrigerende formules. ‘|R>=U|A>+|K>‘, leer ik.

François Englert heeft de in 2013 aan hem toegekende Nobelprijs te danken aan een theorie die hij 49 jaar eerder samen met zijn in 2011 overleden collega en vriend Robert Brout op papier zette. Toen al beschreven ze het pas in 2012 in de deeltjesversneller van het CERN nabij Genève voor het eerst waargenomen ‘Brout-Englert-Higss-bosondeeltje’. Zonder dat ene deeltje dat alle andere deeltjes massa geeft, bestaat er niets. Zonder dat ene deeltje dat Englert meer dan een halve eeuw geleden als allereerste samen met Brout bijeen redeneerde, is er geen aarde, geen tijd, zijn er geen atomen, geen sterren, geen mensen.

“Ik vind het jammer dat Robert die Nobelprijs niet samen met mij heeft kunnen winnen”, zegt de professor. “Zijn bijdrage aan de theorie was essentieel. Tot aan zijn dood waren we dichte vrienden. Hij woonde in Linkebeek en ik zag hem elke dag. Jarenlang werkten we nauw samen. Robert was van oordeel dat we veel interessanter onderzoekswerk verricht hebben dan dat ene onderdeel dat bekroond is met de Nobelprijs. Misschien heeft hij gelijk, misschien niet. Eén ding is zeker: we hebben een fantastische vriendschap beleefd.”

 

Hoe leerde u Robert Brout kennen?

François Englert: “In 1955 studeerde ik af als burgerlijk ingenieur. Tijdens die studies ontdekte dat ik veel meer geïnteresseerd was in de redenen waarom dingen zich gedragen zoals ze zich gedragen, dan in al die machines die met die kennis gebouwd worden. Ook al was ik dan burgerlijk ingenieur, toch voelde ik me intellectueel niet voldaan. Ik kon hier aan de ULB aan de slag als assistent bij een professor ingenieurskunde. Een fijne man, maar zijn vak interesseerde me niet. Datzelfde jaar kwam de befaamde Franse professor Pierre Aigrain gastlezingen geven. Vlak voor zijn komst liet hij weten dat hij een assistent nodig had. Mijn prof zei: ‘Ik denk dat monsieur Aigrain heel blij zal zijn met jou en dat jij gelukkiger wordt bij hem dan bij mij.’ Profetische woorden, zou later blijken.

“Pierre Aigrain doceerde over halfgeleiders. Vandaag is dat voor alle ingenieurs basiskennis; toen was dat zeer revolutionair. Tijdens mijn assistentschap begon ik fysica te studeren. Ik kon nooit naar de les, want ik moest Aigrains lezingen over halfgeleiders uitschrijven en dat was ook voor mij compleet nieuwe materie. Dus stuurde hij me eerst op zomercursus in Frankrijk. Vier jaar fysica legde ik in drie jaar af. Toen ik dat diploma in 1958 kreeg, wou ik onderzoek voeren, maar eerst moest ik nog in het leger en een doctoraat halen. Ik had geluk, want dankzij een commandant met liefde voor de wetenschap kon ik tijdens mijn legerdienst doctoreren. Rond die tijd werd mijn prof gecontacteerd door Robert Brout, een jonge Amerikaanse professor theoretische fysica van de Cornell University in de staat New York. Robert was op zoek naar een assistent en wou liefst een Europeaan. Op het lijstje van mijn prof stond ik op de tweede plaats. Bovenaan prijkte de naam van mijn Franse collega Pierre-Gilles de Gennes, die in 1991 ook de Nobelprijs Fysica zou winnen. De Gennes was niet beschikbaar, dus werd ik eind 1959 twee jaar lang Brouts assistent in Cornell. We werkten nauw samen en werden heel goede vrienden. Aan het einde van 1961 bood de universiteit van Cornell me een leerstoel aan. Ik weigerde, want ik wou terug naar Europa. Ik voelde me niet echt thuis in de VS. Ik kon aan de slag op de ULB en Brout kwam met mij mee. Hij had een beurs gekregen voor een verblijf in België en een paar jaar lang werkten we aan wat later bekroond zou worden met de Nobelprijs. Robert gaf zijn ontslag in het prestigieuze Cornell om ook hier aan de ULB als professor aan de slag te gaan. Samen leidden wij de fysicagroep. Hij kreeg de Belgische nationaliteit en verzaakte aan zijn Amerikaanse staatsburgerschap. Zijn dood was voor mij een erg zware klap. (stilte)”

 

Is uw invloed gegroeid dankzij de Nobelprijs? Wordt er nu meer naar u geluisterd dan vroeger?

Englert: “Jazeker. Maar het is niet omdat ik die Nobelprijs gewonnen heb, dat ik het recht heb om over vanalles en nog wat mijn mening te spuien. Jammer genoeg hebben veel mensen de neiging om werkelijk alles wat ik zeg zeer ernstig te nemen. Mijn uitspraken krijgen het gewicht alsof ze fundamentele kwesties behandelen. De ene vraagt me uitdrukkelijk om een petitie te tekenen; de andere vraagt me even uitdrukkelijk dat niet te doen. Daarom doe ik mijn uiterste best om helemaal niets te tekenen. Want ik wil niet gezien worden als die universele figuur die zijn eigen gedachtengoed het knapste ooit vindt. Mijn denkbeelden over politiek bijvoorbeeld, zijn niet beter of interessanter dan die van u.”

 

Sommigen zouden u liefst voor hun kar sparren?

Englert: “Ja, en ik wil niet gebruikt worden, voor niets en door niemand. Alleen over fundamentele wetenschap zeg ik dingen die het verschil maken. Van al de rest bewaar ik afstand. Ik ben geen orakel dat over vanalles en nog wat een mening heeft.”

 

Wat vond u als jongeman zo fascinerend aan fysica?

Englert: “Ik was eigenlijk niet zo jong meer toen ik er écht geïnteresseerd in raakte. Op de middelbare school had ik een boontje voor wiskunde. In het laatste jaar bestudeerde ik in mijn eentje de relativiteitstheorie van Einstein. Ik was daar helemaal weg van. Het is niet verwonderlijk dat Alfred Nobel in zijn testament de natuurkunde als eerste noemde voor de Nobelprijs. Tijdens de Italiaanse renaissance in de 16e eeuw vond een van de meest belangrijke intellectuele revoluties plaats: voor het eerst in de menselijke geschiedenis werd een poging ondernomen om de natuur te begrijpen aan de hand van alle waarneembare fenomenen. Het was geen zoektocht naar de zin van het leven, maar wel naar verklaringen voor wat mensen konden waarnemen. Er werd gezocht naar de wetten die daaraan ten grondslag liggen en geleerden begonnen het grote belang van wiskunde in te zien. Isaac Newton bracht dat later op een indrukwekkende manier in de praktijk. De belangrijkste man van de renaissance is voor mij Galileo Galilei. Hij had door dat de zon niet rond de aarde draaide, maar omgekeerd. Hij ontdekte ook dat de aarde in één etmaal helemaal rond zijn as draait aan een stevige snelheid van een paar honderd meter per seconde. Galilei vroeg zich af: ‘Waarom voelen we dat niet?’ Hij schreef daarover een nieuwe bewegingsleer die tot vandaag overeind blijft. Hij organiseerde allerlei wonderlijke experimenten met levende wezens en dode objecten om zijn theorie uit te testen.”

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog leefde u als kind ondergedoken.

Englert: “De Duitse bezetter beschouwde mij als een Jood, wat ik ook ben, maar er hangt veel verwarring over wat dat Joods zijn precies inhoudt. Ik ben totaal niet religieus, maar voel me wel deel van de culturele traditie. Ik heb nog heel sterke herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. U kunt het zich niet voorstellen hoe het was om te leven onder de barbarij. Niet alleen de Duitsers haatten de Joden; heel wat andere Europeanen gedroegen zich even antisemitisch. Gelukkig waren er ook nog veel aardige mensen. Camille en Louise Jourdan en hun dochter Yvonne waren zo dapper om mij als jongentje van negen onderdak te bezorgen in hun café-restaurant aan het station van Lustin, een plaatsje in de Ardennen. Camille en Louise behandelden me als hun eigen zoon. Mijn ouders en mijn oudere broer leefden elders ondergedoken; ik wist toen niet waar. Ze hadden me bij de Jourdans ondergebracht om mijn overlevingskansen te vergroten. Ik ben geboren in Brussel, als kind van een vader en moeder die in 1924 met hun eerstgeboren baby uit Polen gevlucht waren voor het steeds driester wordende antismetisme. Ik was zeven en een half toen de nazi’s in mei 1940 België binnenvielen. Ik kan me het geluid van de ronkende gevechtsvliegtuigen boven Brussel nog levendig voorstellen. Twee jaar na de invasie liep ik rond in een jasje met de gele ster en de letter J opgenaaid. Het zou niet lang meer duren voor de deportaties naar de vernietigingskampen op gang kwamen.”

 

Waar komt dat diep ingewortelde eeuwenoude antisemitisme vandaan?

Englert: “Aan de oorsprong ligt de vervolging door het christendom, want de Joden hadden volgens de christenen Jezus vermoord. Alleen leken ze niet door te hebben dat Jezus ook een Jood was. Ik herinner me dat in mijn oude agenda’s de eerste januari ‘besnijdingsdag’ genoemd werd. Besnijding gebeurt in de Joodse religie acht dagen na de geboorte. Jezus’ geboorte wordt gevierd op 25 december. Op Kerstmis is hij geboren en op 1 januari besneden: hij was dus een echte Jood. Nadat het christendom ‘geadopteerd’ was door de Romeinen, duurde het niet lang of de christenen keerden zich tegen die religie waaruit ze zelf stamden. Eeuwenlang werden de Joden daarna door christenen vervolgd.”

 

Adolf Hitler was geen christen.

Englert: “Neen, het christendom kon hem gestolen worden, maar hij merkte heel goed op hoe het antisemitisme in de hoofden van de mensen was ingesleten en exploiteerde dat gevoel.”

 

Sommigen horen vandaag echo’s uit de jaren dertig. U ook?

Englert: “Het antisemitisme is zeker niet dood. Maar ik werd tijdens de oorlog geholpen door mensen die waarschijnlijk zelf christenen waren. We kregen zelfs de hulp van een priester. Op een bepaald moment leek het alsof de Duitsers het verblijf van mijn ouders op het spoor waren. Mama, papa en mijn broer kwamen me halen in het café-restaurant en midden in de nacht vluchtten we naar het huis van Achille Moreels, een vriend van de Jourdans. De volgende morgen hoorden we dat de Gestapo de schuilplaats van mijn ouders overhoop had gehaald. De pastoor van het Ardeense dorp Annevoie, abbé Warnon, bezorgde ons gezin onderdak en mijn ouders valse paspoorten. Hij zorgde er ook voor dat ik in Dinant naar school kon. Hij werd een goede vriend van de familie. Veel mensen die ons hielpen, waren lid van het verzet, maar niet allemaal. Vaak ging het om gewone burgers. Ze liepen grote risico’s en ik vond dat als kind al heel opmerkelijk.”

 

Maar het was een minderheid die bereid was om mensen te helpen wier leven bedreigd was.

Englert: “Eigenlijk niet. Polen was militant katholiek en de bevolking was minder geneigd om Joden te helpen. De familie van mijn ouders zijn Polen; mijn broer is er geboren. Geen enkel individu van mijn Poolse familie heeft de oorlog overleefd. Wij hebben de holocaust wél overleefd, dankzij de hulp van heel gewone mensen. Hier zijn geen wouden of uitgestrekte bossen zoals in Frankrijk waar het verzet Joden kon verbergen. In België doken mensen onder met de hulp van de bevolking. In Polen werden burgers die Joden hielpen meteen geëxecuteerd. Hier gebeurde dat niet, maar toch namen al die mensen een groot risico. Dankzij hen werd in ons land de helft van alle geregistreerde Joden gered. In vergelijking met andere Europese landen is dat indrukwekkend veel. Ik weet dat ook vandaag het antisemitisme nog welig tiert, maar ikzelf heb dat nooit gevoeld, zelfs niet in de oorlog omdat ik omringd werd door hulpvaardige mensen. Ook later niet tijdens mijn studies.”

 

Ook niet tijdens uw carrière?

Englert: “Nooit. Antisemitisme heeft ook te maken met afgunst. In de middeleeuwen werden veel Joden bankier omdat ze geen enkel ander beroep mochten uitoefenen. Er zijn mensen die nog steeds geloven dat ‘de Joden’ zo rijk zijn als de zee diep is. De werkelijkheid is enigszins anders.

“Na de oorlog werd de Joodse identiteit voor mezelf totaal irrelevant. Ik wou er niets meer over horen, mijn leven in handen nemen en de gruwel van de holocaust vergeten. Voortaan was ik gewoon François Englert en dat Joods-zijn kon me gestolen worden. Veel overlevenden reageerden exact hetzelfde. Ze focusten zich op hun werk of hun passie en wilden niet meer praten over het verleden. Mijn ouders waren niet echt religieus, je zou hen seculiere Joden kunnen noemen. Ze volgden nog wel een paar grote feesten, maar niet fanatiek. Kerstmis was voor ons een belangrijker feest dan Pesach. Ze hadden misschien liever gezien dat hun kinderen wat meer aandacht schonken aan de Joodse tradities, toch legden ze zich erbij neer dat wij ons daar weinig van aantrokken.”

 

Waarom hebben zoveel geleerde mannen en vrouwen Joodse roots?

Englert: “Lang vroeg ik me dat niet af, tot ik naar de Verenigde Staten trok: daar ontmoette ik zeer veel slimme natuurkundigen en ontzettend veel van die bollebozen waren Joods. Ze waren niet religieus, maar droegen wel die hele culturele traditie van het Jodendom met zich mee. Ze volgden de shabbat niet, maar keken op een bepaalde manier naar de dingen en hadden een specifieke vorm van humor. Dat besefte ik voor het eerst in de VS. Al daagde dat besef misschien zelfs al iets eerder aan de ULB. Daar had ik ook een leven buiten de universiteit en nogal wat vrienden waren met allesbehalve academische zaken bezig. Zo was mijn beste vriend een houtbewerker.”

 

U was geen nerd?

Englert: “Nee, helemaal niet. Natuurlijk was ik erg sterk geïnteresseerd in de wetenschap, maar ik interesseerde me ook voor politiek. In 1957 ging ik bijvoorbeeld naar het Internationaal Jeugd- en Studentenfestival in Moskou, de hoofdstad van de toenmalige Sovjetunie.”

 

U was een communist?

Englert: “Ik was geen lid van de communistische partij, maar ik had wel sympathie voor het communisme. Als scholier bestudeerde ik naast Einstein ook Karl Marx. Ik las Het kapitaal op mijn zestiende. (glimlacht) Ik vind nog steeds dat sommige passages in dat boek niet helemaal onwaar zijn.

“Ik ben nogal individualistisch van aard en was nooit lid van een politieke partij. Al volgden ikzelf en mijn vrienden niet meteen een rechts spoor. We waren niet bereid om zomaar alles te slikken en we durfden op tafel te slaan. Er zaten veel Joden in die vriendenclub. Toen ik vervolgens naar de VS vertrok, zag ik al die mensen met Joodse roots die deel uitmaakten van de intelligentsia. Dat was alleen maar te verklaren door de traditie waartoe zij behoorden. Mijn ouders droegen die cultuur ook met zich mee en gaven die door aan hun kinderen. Zij waren helemaal geen intellectuelen en zaten in de textielhandel. Ze waren vanuit Polen naar België gevlucht en moésten wel iets vinden om te overleven.”

 

Hebt u in de jaren na de oorlog nog contact gezocht met de mensen die u hielpen onderduiken?

Englert: “Nee. Van zodra de oorlog voorbij was, wou ik er niet meer aan denken. Natuurlijk heb ik niet de gruwel van de deportatie of van een kamp moeten meemaken, maar ik beleefde wel de stress van het onderduiken. Elke dag konden we verraden worden; er was altijd die angst voor de klop op de deur. De dood loerde om de hoek. Ik was geïsoleerd van mijn ouders en wist lang niet hoe het hen verging. Daardoor ben ik razendsnel volwassen geworden. Ik probeerde alles te vergeten, inclusief de Jourdans, die aardige mensen die mijn leven hadden gered. Met ouder te worden, besefte ik dat ik niets voor hen gedaan had.”

 

U werd geplaagd door schuldgevoel?

Englert: “Op het einde wel. Ik wist dat ik iets moest doen. De Nobelprijs heeft die verandering in mijn geest mee bewerkstelligd. Het hoofd van de jury contacteerde me. Hij zei dat ik een kleine autobiografie moest schrijven voor de Nobelstichting. Dat was meteen erg confronterend, want ik had tegen niemand ooit over mijn oorlogsjaren gesproken. Ik vroeg: ‘Moet ik daar echt over schrijven?’ Het antwoord luidde: ‘U bent daar moreel toe verplicht. U draagt nu verantwoordelijkheid voor de hele mensheid. U moét uw oorlogsverhaal vertellen.’ Dat heb ik dan ook gedaan. Het voelde als een bevrijding. Ongeveer op hetzelfde moment zocht de kleindochter van de Jourdans contact met me. Claudine was nog niet geboren toen ik bij de familie woonde, maar ze had haar inmiddels gestorven moeder horen praten over een zekere François. ‘Zou dat dezelfde François zijn die de Nobelprijs krijgt?’ Ze sprak daarover met een vriend, die toevallig ook met mij bevriend is. Zo kwamen we in contact met elkaar. We ontmoeten elkaar nog regelmatig.

“Het Yad Vashem in Israël is de officiële staatsinstelling voor de herdenking van Joodse slachtoffers en hun redders. Ze nemen hun taak zeer ernstig: er wordt een grondig onderzoek gevoerd naar elke nieuwe redder die voorgedragen wordt. Wat waren zijn of haar motieven? Waren die puur menselijk of speelde geld een rol? Elke door Yad Vashem erkende redder wordt deel van wat zij ‘de rechtvaardigen onder de volkeren’ noemen. Hij of zij krijgt een diploma en zijn of haar naam wordt voor eeuwig bijgezet in de gedenktuin van de rechtvaardigen. Voor al die mensen die mij geholpen hebben, heb ik een heel gedetailleerde aanvraag voor erkenning bij Yad Vashem ingediend.”

 

Ze zijn dood.

Englert: “Ja, maar voor Yad Vashem maakt dat geen verschil. De nabestaanden krijgen het diploma en hun namen worden sowieso bijgezet in de gedenktuin. Het onderzoek heeft een jaar geduurd; alle namen die ik doorgaf, zijn erkend. Daardoor voel ik mezelf toch een klein beetje beter.”

 

De Nobelprijs winnen, werd een vorm van therapie voor u?

Englert: “Misschien wel, al denk ik dat het anders ook gebeurd was. Al maakte dat klein beetje extra druk van de Nobeljury het makkelijker voor mij om die stap te zetten.”

 

(c) Jan Stevens

“Een mens moet een beetje geluk hebben in zijn leven”, verklaart Luc Tuymans zijn succes. “Maar geluk alleen volstaat niet: je moet er ook nog iets mee doén.” Hijzelf vatte de koe bij de horens, stelde in 2004 als allereerste levende Belg tentoon in Tate Modern en verkocht een jaar later in New York een werk voor anderhalf miljoen dollar.

 

In zijn atelier aan de rand van de Antwerpse rosse buurt neemt Luc Tuymans (58) vriendelijk afscheid van een kunstenaar-in-wording. De jongen is zijn werk aan de meester zelf komen voorstellen en pakt nog ietwat starstruck zijn rugzak weer in. Onze meest succesvolle levende schilder trakteert ons op een kop uitstekend gezette espresso en steekt een sigaret op. “Natuurlijk streelt het mijn ego dat anderen me wereldwijd een van de meest invloedrijke Belgische kunstenaars vinden. Ik dank hen daarvoor”, zegt hij en hij schiet in een bulderlach. “Ach, dat soort zaken is altijd relatief. Al kan ook ikzelf er niet omheen dat ik intussen een internationaal parcours van meer dan dertig jaar heb afgelegd. Ik ben me ervan bewust dat ik in een land leef dat op cultureel vlak altijd zeer invloedrijk was. Dat lijkt vanzelfsprekend, terwijl het op de keper beschouwd verbijsterend is dat een kleine regio die zo vaak overspoeld werd door vreemde mogendheden, zo’n rijke culturele geschiedenis heeft. België roept wereldwijd bij iedereen meteen connotaties op met schilders als René Magritte en James Ensor.”

 

Onlangs was u nog curator van een grote Ensortentoonstelling in Londen.

Luc Tuymans: “Ik vond het hallucinant om toen te moeten vaststellen dat veel Britten Ensor niet kennen. In veel andere landen, zoals de Verenigde Staten, Duitsland en Frankrijk, is hij dan weer wel bekend. James Ensor wordt vaak gecatalogeerd als einzelganger of als grotesk en excentriek, terwijl hij als voorloper van het expressionisme een zeer belangrijk avant-gardekunstenaar was. U weet toch dat René Magritte géén surrealist is? Zijn meest bekende werk, La trahison des images, het schilderij met de pijp waaronder ‘Ceci n’est pas une pipe’ geschreven staat, is, in tegenstelling tot wat veel mensen denken, zeer reëel. Want het is geen pijp, maar de afbeelding van een pijp. ‘Ceci n’est pas une pipe’ is dus niets meer of minder dan de waarheid. Ik vind dat een conceptueel hoogstandje. Tijdens de verkiezing van ‘De Grootste Belg’ in 2005 vroegen de organisatoren me om een lans te breken voor Peter Paul Rubens, maar ik koos voor Jan Van Eyck. Want hij vertegenwoordigt voor mij de visuele kracht van schilderkunst. Deze regio kan putten uit een extreem groot kunstpotentieel, zowel uit het verleden als uit het heden. En dat zal ook zo blijven in de toekomst.”

 

Vergis ik me als ik zeg dat de inwoners van deze regio niet heel erg kunstminnend zijn?

Tuymans: “U vergist zich daar grandioos in. Ons land telt zeer veel gepassioneerde verzamelaars. Zij vormen de voedende kracht van het artistieke leven en u mag dat niet onderschatten. De overheid is dan weer een ander paar mouwen. Bij onze bewindslui heerst flink wat onwetendheid over wat cultuur eigenlijk is. Musea worden niet echt grondig gesubsidieerd en ook niet goed onderhouden. De politieke wereld verkeert in de waan dat kunst dood is, terwijl ze juist springlevend is. Want wij leven nu eenmaal in een extreem katholiek land waar veel belang gehecht wordt aan het visuele.”

 

U noemt België een ‘extreem katholiek land’?

Tuymans: “Ja, natuurlijk, dit land is nog steeds zeer katholiek. De Belgische ‘bovenbouw’ liep school bij de jezuïeten, Tom Barman van Deus zat daar ook. De katholieken pompten die aandacht voor het visuele er stevig in: ooit diende dat ‘beelddenken’ om het volk dom te houden. Rubens was de eerste die dat propageerde. Je mag hem gerust de allereerste grote filmmaker ooit noemen. Hij is geboren in het Duitse Siegen, waar zijn vader een affaire had met de vrouw van Willem van Oranje. Op het moment dat Rubens in Antwerpen aankwam, zetten de katholieken de contrareformatie in als reactie op de protestantse reformatie, waardoor alles van nul opnieuw ingevuld moest worden. Rubens greep zijn kans. De schilderijen die hij toen maakte, kwam je niet meteen in een huiskamer tegen. Het zijn monumentale werken die je van op grote afstand moet bekijken. Ze dienen een welbepaald doel: propaganda voeren voor de Roomskatholieke kerk. Rubens deed dat op een magistrale wijze. Ik hou niet zo van zijn werk, maar je kunt niet beweren dat hij geen groot kunstenaar was. Onze kleine regio is zo interessant omdat ze de kern vormt van tal van experimenten, en dan heb ik het niet alleen over kunst, maar ook over wetenschap. De Big Bang-theorie is niet toevallig uitgevonden door de Belgische priester Georges Lemaître.”

 

We moeten de jezuïeten dus dankbaar zijn?

Tuymans: “Zeker. Ze koesterden utopische gedachten met een snuifje humanisme, al hadden ze natuurlijk ook een verborgen agenda. Franciscus is de eerste jezuïet die paus geworden is, ik vind dat een razend interessant fenomeen. En dat op een moment dat de wereld zich in zeer woelig vaarwater bevindt. Ik had trouwens twee recente onrustwekkende gebeurtenissen op voorhand haarfijn voorspeld: de brexit en de verkiezing van Donald Trump. Ik hou mijn hart vast voor wat er verder in Europa nog te gebeuren staat.”

 

Zijn woelige tijden een zegen voor een kunstenaar?

Tuymans: “Dat wordt dikwijls gezegd, maar wat zich nu voor onze ogen voltrekt, vind ik verschrikkelijk. Onwetendheid en domheid is alom vertegenwoordigd en dat komt omdat de politiek zoveel decennia lang het populisme zwaar onderschat heeft. Onze politici lieten sommige kansarme bevolkingsgroepen links liggen. Die mensen kregen geen mogelijkheden om zich uit hun ellende op te werken en worden nu door de populisten zwaar misbruikt. Misschien worden het nog gevaarlijke tijden voor kunstenaars, maar ik ben er volledig klaar voor. (lacht) Wie als een volleerde struisvogel zijn kop in het zand steekt, reageert ook op wat er gebeurt in de wereld, ook al denkt hij dan van niet. Elke kunstenaar die nu een werk maakt, levert commentaar op wat er zich rondom ons afspeelt. Zelfs als hij zijn werk vol verwijzingen stopt naar het verleden, heeft hij het nog steeds over hier en nu. De toestand is ondertussen zo ernstig geworden dat niemand er nog onderuit kan. Ikzelf zal mijn uiterste best doen om voor mijn werk iets te vinden dat absoluut niets te maken heeft met Donald Trump. Want Trump met een klein geslachtsdeel schilderen, maakt toch geen zak uit. Het moet verder gaan dan dat, en dat vind ik een grote uitdaging. Kunst is geen propaganda, maar is ‘iets anders’. Nee, het is niet zo eenvoudig. Een kunstenaar moet nu eerst en vooral verder blijven werken. Perseverance, volharding, ongeacht wat er ook gebeurt. Dat lijkt immoreel, maar het is de enige juiste keuze.

“Je kan de kunstwereld niet loszien van de rest van de wereld. Als er in de grote buitenwereld iets verandert, volgt cultuur. Wij leven in een natiestaat en niet in een melting pot zoals de VS is, of beter gezegd: was. Wat ze hier nooit goed begrepen hebben, is dat het veel verstandiger is om de verschillen in de samenleving met elkaar te verbinden, in plaats van ze tegen elkaar uit te spelen. Al die verschillen zijn waardevol en door ze te combineren zorgen we ervoor dat het individu belangrijk wordt binnen die grote diversiteit. Als we daarin slagen, kunnen we misschien de angst voor de globalisering wegnemen en ervoor zorgen dat mensen zich niet langer vanuit een louter populistische reflex op zichzelf terugplooien.”

 

Het is toch niet te ontkennen dat de globalisering slachtoffers gemaakt heeft?

Tuymans: “Ja, de Grieken zijn er het slachtoffer van.”

 

Net als een deel van de Amerikanen die voor Donald Trump gestemd hebben omdat ze hun job als gevolg van die globalisering verloren hebben.

Tuymans: “Dat is zeker waar. Trump heeft ook heel bewust die ader aangeboord.”

 

De mensen die kunst kopen, hebben waarschijnlijk dan weer geprofiteerd van de globalisering.

Tuymans: “Zij stammen vermoedelijk uit die 1 procent die alles heeft. Vergis u niet: ook ik vind dat er een herverdeling van rijkdom moet komen; 25 jaar geleden wisten we dat trouwens al. Maar er is ook een andere kant aan het verhaal. Zeker in de States zorgen de superrijken ervoor dat kunst die vroeger voor de happy few was, nu toegankelijk is voor het grote publiek. Vanuit een vorm van altruïsme richten die 1 procenters stichtingen en foundations op, of geven geld aan musea. Zo is het beroemde MoMa in New York eigenlijk privé-initiatief. In 2013 stelde ik tentoon in de Menil Collection in Houston, Texas. De stichters van dat museum, John en Dominique de Menil, stamden ook uit de 1 procent. Hun collectie is voor iedereen gratis toegankelijk en aan het museum vertrekt een laan die langs culturele centra van de Afro-Amerikaanse gemeenschap loopt. Er zijn dus ook goede kanten aan het feit dat superrijken een deel van hun kapitaal in kunst investeren.”

 

Stijgt de invloed van een kunstenaar samen met de prijzen die wereldwijd voor zijn werken worden neergeteld?

Tuymans: “Een mens wordt geen kunstenaar om veel geld te verdienen. Als ik multimiljonair had willen worden, was ik het allang geweest en zaten wij hier nu niet met elkaar te praten. Dan was ik gewoon in zaken gegaan, want er schuilt wel degelijk een zakenman in mij. Dat is iets genetisch: mijn grootvader richtte indertijd het grootste bedrijf aan de Nederlandse grens op, een transportonderneming voor groenten en fruit. Een kunstenaar kan dus ook een zakenman zijn, maar een mens wordt nooit kunstenaar omwille van de centen die ermee te verdienen zijn. Een kunstenaar speelt het spel niet om te winnen, maar om op de juiste manier te verliezen. Want wat hij dan achterlaat, is een reusachtig symbolisch kapitaal. Michelangelo was bijna negentig toen hij stierf. Hij liet een volledige vervalste biografie na, had al die werken geproduceerd waar Leonardo Da Vinci alleen maar van kon dromen, tot en met de koepel van de Sint-Pietersbasiliek, de fantastische Piëta en het plafond van de Sixtijnse kapel. Na zijn dood was hij de rijkste kunstenaar ter wereld.”

 

Is hij een voorbeeld voor u?

Tuymans: “Nee, als voorbeeld is hij te megalomaan. Wat ik wil zeggen is dat het idee van ‘de kunstenaar als kunstenaar’ stamt uit de renaissance. Aan de ene kant van de tafel zaten de maffiosi en de warlords die illustere namen droegen als De Medici en Borgia, aan de andere kant zaten scheppers van cultuur en kunstenaars als Titiaan. Beiden vochten voor hun eigen privileges. Tussen beide partijen werd het geven en nemen en zo ontstond de kunst als kunst. Ik vind het wel iets hebben dat de kunstenaar zijn roots heeft in een bepaalde vorm van illegaliteit en criminaliteit. (lacht) Er hangt altijd iets subversiefs aan het begrip kunst. Eerlijkheidshalve moet ik eraan toevoegen dat de mensen op straat me voor het eerst met ‘mijnheer’ aanspraken toen in 2005 op een veiling in New York mijn werk The Sculpture anderhalf miljoen dollar opbracht. (lacht) Een hedendaagse kunstenaar wordt niet langer gezien als excentriek of gestoord van zodra zijn werk veel geld opbrengt. Vanaf dat moment betekent hij inderdaad ook echt iets.”

 

Voor u is het belangrijk wat er na uw dood van uw werk zal overblijven?

Tuymans: “Zeer zeker. Alleen is dat symbolisch kapitaal moeilijk om in te schatten. Vandaag moet een kunstenaar zich daar tijdens zijn leven al mee bezig houden, voor vorige generaties gold dat niet zo.”

 

Is dat geen vorm van hoogheidswaanzin?

Tuymans: “Nee, dat is verantwoordelijkheidszin. Dat is totaal iets anders dan hoogheidswaanzin. Alsof een kunstenaar die met zijn nalatenschap bezig is, niet nederig genoeg zou zijn. Nederig zijn, is een belachelijk idee.”

 

Hoe verklaart u uw eigen succes?

Tuymans: “Een mens moet een beetje geluk hebben in zijn leven. Maar geluk hebben alleen volstaat niet: je moet dat ook beseffen en er vervolgens iets mee doen. Talent en hard werken spelen ook een rol, net als de rotsvaste overtuiging dat je de juiste weg bewandelt op momenten dat anderen daaraan twijfelen of je werk totaal niet appreciëren.”

 

Koppigheid is een goede eigenschap voor wie het als kunstenaar wil maken?

Tuymans: “Overtuigd zijn. Dat is sowieso iets dat iedereen die in de culturele wereld werkt, moét hebben. Dat is ook de reden waarom creatievelingen moeilijk bazen tolereren en omwille van welke narcistische motieven ook voor zichzelf beginnen werken. Daarom is het altijd gevaarlijk om een kunstenaar of een kunstenares aan het hoofd van een regering te zetten, dat zou alleen maar kwalijke gevolgen hebben.”

 

Luc Tuymans als premier is geen goed idee?

Tuymans: “Nee, ik zou niet echt goed functioneren in de politiek, al hebben ze me wel verschillende keren gevraagd. Maar ik ben daar nooit op ingegaan omdat ik 24 uur op 24 kunstenaar ben. Een goed politicus kan niet anders dan ook 24 uur op 24 politicus zijn; kunst en politiek zijn in mijn geval niet te combineren. Het is ofwel het een of het ander.

“Ik heb als kunstenaar mijn geluk afgedwongen, door te volharden en keihard te werken. Maar voor hetzelfde geld was ik totaal mislukt. Voor een beginnende kunstenaar is het vandaag nog veel moeilijker dan vroeger. Een groot deel van de kunst- en galeriewereld is corporate geworden.”

 

Het zijn bedrijven?

Tuymans: “Het zijn gewoon machines geworden. Toen ik eind jaren zeventig begon, was de kunsthandel compleet anders georganiseerd. Begin jaren tachtig barstte het onder impuls van de Amerikanen uit zijn voegen. Een schilder als Julian Schnabel werd razend populair onder de jongens van Wall Street. Het was de tijd van ‘Greed is good’ en nadat een van Schnabels schilderijen aan de beurs gekoppeld werd, ontstond er een bubble. De eerste Golfoorlog in 1991 zorgde ervoor dat de zeepbel lichtjes implodeerde, maar het hele apparaat was ondertussen wel geïnstalleerd. Net op dat moment zette ik voet aan wal in de States. Ik werk langzaam en heb altijd voor langdurige samenwerking met galeristen gekozen. Frank Demaegd is hier in Antwerpen al ruim 26 jaar mijn galerist; Kiyoshi Wako verkoopt al twintig jaar mijn werk in Japan. Toen ik begin jaren negentig met David Zwirner in New York begon samen te werken, had hij welgeteld één assistente. Nu werkt in New York alleen al 200 man, in de afdeling in Londen 80 en binnen een jaar opent David een filiaal in Hongkong. Dat is een totaal andere schaal dan dertig jaar geleden. Ik kan me best voorstellen dat een jonge kunstenaar met enige mate van intelligentie niet staat te springen om met zo’n grote mastodont in zee te gaan, want het risico is niet denkbeeldig dat zijn werk tot een merk herleid wordt. Ik begon als jonge kunstenaar in zelfgekozen isolement dat in de loop der jaren geleidelijk omgebouwd is tot publiek isolement. Startende kunstenaars moeten ook niet echt rekenen op hulp van de cultuurtheoretici.”

 

Ze worden aan hun lot overgelaten door kunstpausen en curatoren?

Tuymans: “Ja. Academici trekken zich terug binnen de veilige muren van hun eigen wereldje. Mensen die nu een opleiding tot curator volgen, leren vooral hoe het er in de jaren tachtig aan toeging en hebben geen voeling met de huidige stand van zaken. Dat klinkt misschien allemaal nogal negatief, maar alleen door problemen duidelijk te benoemen, maken we ze meteen ook bespreekbaar.”

 

(c) Jan Stevens

Na zijn verplichte opruststelling aan de KULeuven is de wereldwijde invloed van econoom Paul De Grauwe alleen maar toegenomen. Aan de gerenommeerde London School of Economics and Political Sciences stoomt hij economen in spe klaar voor een internationale topcarrière. “Ik profiteer een beetje mee van het prestige van die instelling.”

 

Sinds februari 2012 doceert professor economie Paul De Grauwe (70) aan de London School of Economics and Political Sciences (LSE). Zijn studenten komen van heinde en ver. “Van de honderd studenten waaraan ik les geef, hebben er amper twintig de Britse nationaliteit”, zegt hij. Na hun studies weten de jongens en meisjes zich verzekerd van een topjob in de Londense City of een internationale instelling. De Grauwe is niet alleen sant in eigen land, maar wordt ook regelmatig door internationale media om zijn mening en inzichten gevraagd. “Ook toen ik nog economieprofessor aan de KULeuven was, had ik veel internationale contacten”, zegt hij. “Ik was vaak gastprof in het buitenland, onder andere in Michigan, Kiel, Berlijn en Amsterdam. Dat contact met de rest van de wereld is niet alleen voor een econoom, maar voor elke wetenschapper van levensbelang. Voor mij zijn er geen grenzen: ik voel me burger van de hele wereld. Natuurlijk heb ik Vlaamse roots, maar die bepalen niet wie Paul De Grauwe werkelijk is. In de eerste plaats ben ik wereldburger, vervolgens Europeaan, Belg, Vlaming en zo gaat het verder tot in mijn straat in Leuven. De Britse premier Theresa May vindt het begrip wereldburger verdacht. ‘If you believe you are a citizen of the world, you’re a citizen of nowhere’, hoorde ik haar vorig jaar verkondigen. Dat is toch een vreselijke uitspraak? Waarom mag een mens geen wereldburger zijn? Natuurlijk verbroeder ik met mijn buren en drinken we samen af en toe een pint, maar dat belet me niet om een even toffe relatie te onderhouden met een Japanner die ik ooit op een conferentie ontmoet heb.”

 

Is uw invloed als econoom drastisch toegenomen sinds u les geeft aan die prestigieuze LSE?

Paul De Grauwe: “Ik profiteer een beetje mee van de internationale uitstraling van die instelling. Wie in Harvard doceert, staat nog een trede hoger op de ladder, zo eenvoudig is dat. Dat grote prestige straalt zowel in Harvard als in de LSE af op de mensen die er werken.”

 

Zijn de studenten aan de LSE anders dan die aan de KULeuven?

De Grauwe: “Toch wel, om te beginnen al omdat ze zoveel meer betalen. (lacht) De psychologie van een student die veel centen moet neertellen, is anders dan die van zijn collega die niet zo diep in de buidel moet tasten. Hij zal meer eisen van de prof. De meeste LSE-studenten zijn van rijke komaf. Ze stammen niet allemaal af van multimiljonairs, maar komen toch uit een ‘bepaalde groep’ van de samenleving. Er zijn ook beurzen om mensen uit minder begoede families aan te trekken, maar ik vrees dat het succes daarvan nogal beperkt is. U moet nu niet denken dat het in ‘gewone universiteiten’ zoveel anders is. Ook daar ligt het aantal studenten uit gezinnen met lage inkomens laag. Bij de elitescholen is dat aantal alleen nòg veel lager.”

 

De democratisering van het onderwijs is dus niet echt gelukt?

De Grauwe: “Nee, en in de Angelsaksische landen minder dan bij ons. Ik vrees zelfs dat het hoger onderwijs er de ongelijkheid alleen maar aanwakkert. We zijn geneigd te geloven dat onderwijs de inkomensongelijkheid vermindert en dat alle hardwerkende, talentvolle kinderen er een plek verdienen, waar ze ook vandaan mogen komen. Dat is dus niet zo. Het hogere elite-onderwijs versterkt die ongelijkheid. Want de mensen met topinkomens sturen er hun kinderen naartoe en al die jongens en meisjes vormen aan die universiteiten bijna automatisch dezelfde netwerken als die van mama en papa.

“Ik groeide als prille econoom in de jaren zestig en zeventig op in een omgeving waarin de gedachte overheerste dat in een kapitalistische economie de toenemende ontwikkeling de ongelijkheid zou doen dalen. De Amerikaanse econoom Simon Kuznets had na observatie ontdekt dat de inkomensongelijkheid in een arm land steeg naarmate het zich economisch ontwikkelde en de welvaart begon toe te nemen. Maar vanaf een bepaald niveau begon volgens Kuznets die ongelijkheid weer te dalen. Zijn toen alom geroemde Kuznetscurve had zeer veel invloed, want ze vormde het ‘bewijs’ dat Karl Marx ongelijk had. Alleen zou jaren later blijken dat na verloop van tijd de ongelijkheid terug begint toe te nemen. Dat is niet zo lang geleden grondig gedocumenteerd door Thomas Piketty in zijn beroemde boek Kapitaal in de 21e eeuw. In de jaren zeventig en tachtig maakte de ideologie van het trickle down effect grote sier: door de rijken met rust te laten en ze steeds rijker te laten worden, zouden ook alle arme dompelaars het beter krijgen. Want die rijken waren dynamische mensen met initiatief die fabelachtige ondernemingen zouden gaan uitbouwen. Dat bleek een ferme overschatting te zijn.”

 

In de jaren tachtig stond u bekend als een aanhanger van Margaret Thatcher en Ronald Reagan, grote voorstanders van dat trickle down effect.

De Grauwe: “Oude ideeën verdwijnen op het kerkhof. Mensen hebben de neiging om zich tot aan hun dood aan hun oude denkbeelden vast te klampen. Feiten die in tegenspraak zijn met hun wereldbeeld negeren ze zodat dat wereldbeeld intact blijft. Psychologen noemen dat ‘cognitieve dissonantie’. Dat zit ingebakken in de menselijke natuur, maar wetenschappers moeten daartegenin durven gaan. Dat is niet makkelijk, maar ik heb dat wel gedaan. Met als gevolg dat sommigen me verwijten dat ik niet principieel ben. Ik antwoord dan altijd met die fameuze quote van econoom John Maynard Keynes: ‘When the facts change, I change my mind. What do you do, sir?

“Ik vind nog steeds dat je mensen vrij moet laten, maar het is onzin te geloven dat een miljardair zich voor dat extra miljard nog eens extra hard zal inzetten. Speelt de fantastische voetballer Eden Hazard zoveel beter dan Johan Cruyff indertijd? Ik dacht het niet, toch verdient hij misschien wel honderd keer meer. Op een bepaald moment heeft nòg meer inkomen voor superrijken geen maatschappelijk nut meer en zetten die mensen zich niet harder in. Velen zijn nu ontevreden omdat ze zien hoe sommigen zich schaamteloos verrijken terwijl zij ter plaatse blijven trappelen of slechts schoorvoetend vooruitgaan. Je hoort dan: ‘Die mensen zijn jaloers’, of: ‘We leven in een afgunstmaatschappij.’ Terwijl het veel dieper zit: het heeft te maken met een algemeen gevoel van oneerlijkheid en onrechtvaardigheid.”

 

Toen u op uw 65e aan de KULeuven op emeritaat moest, zag u dat niet zitten.

De Grauwe: “Nee, ik voelde me fysiek en mentaal nog goed en ik dacht: ‘Waarom kan ik niet gewoon voort blijven bollen?’ Toevallig werd ik in die periode gecontacteerd door de LSE. Op hetzelfde moment kreeg ik ook een aanbieding van het European University Institute in Florence. Dat was een contract voor vijf jaar en zou dus nu al afgelopen zijn. Florence leek me heel aantrekkelijk, maar uiteindelijk werd het de LSE. Londen is wat dichter bij mijn familie én de LSE heeft grotere faam.”

 

De LSE gaf een boost aan uw imago?

De Grauwe: “Als ik eerlijk ben wel, ja. Het is een instelling met reputatie en daar kon ik mee van profiteren. Maar de bereikbaarheid van mijn familie speelde echt ook een rol en Londen is een fantastische stad. De sfeer onder de Londense collega’s is vergelijkbaar met hoe het vroeger in Leuven was. Ik heb alleen maar goede herinneringen aan de KUL omdat sommige ex-collega’s echte vrienden geworden zijn. We gingen vaak samen lunchen en dan werd er aan tafel stevig gediscussieerd. In de LSE is dat iets minder. Het academische leven verloopt daar toch wat hectischer. Drie dagen per week verblijven ik en mijn vrouw nu in Londen. Heerlijk.”

 

Van zodra de brexit een feit is, zal uw identiteit strenger gecontroleerd worden telkens wanneer u op de Eurostar stapt.

De Grauwe: “Omdat Groot-Brittannië geen deel uitmaakt van Schengen gebeurt dat nu ook al. Ons grootste probleem zal zijn of wij na de brexit nog naar Londen zullen kunnen gaan werken. Op dit moment weten we daar totaal niets over. Wat zullen de afspraken zijn? Mijn vrouw werkt op het University College. Zullen mensen zoals wij mogen blijven? Er circuleren verschillende scenario’s; voorlopig is niets duidelijk.”

 

De brexit is niet de meest briljante zet van de Britten?

De Grauwe: “Nee, het is echt niet te begrijpen waarom ze zichzelf zo in de voet schieten. Neem de universiteiten: zij zijn één van de succesverhalen van Groot-Brittannië. Ze trekken massaal veel studenten aan vanuit de hele wereld. Driekwart van mijn vrouw haar studenten zijn Chinezen die elk 20.000 pond inschrijvingsgeld betalen. Die jongens en meisjes geven net als hun collega-studenten uit Europa en de rest van de wereld veel geld in Londen uit. Dat wordt nu allemaal op de helling gezet.”

 

Van 1991 tot 2003 zetelde u voor de VLD in het Belgische parlement. Wanneer had u het meest invloed: toen u in de politiek zat of als professor economie?

De Grauwe: “Misschien moeten we eerst eens definiëren wat invloed precies is. Is dat hetzelfde als macht of is dat de geesten beïnvloeden? Macht heb ik nooit gehad. Zelfs toen ik in de politiek zat, was ik machteloos. Als backbencher werd ik niet uitgenodigd in de kamers waar beslissingen werden genomen. Invloed is: ideeën formuleren, verspreiden en zo anderen beïnvloeden. Ik ben nu dus invloedrijker dan vroeger. Als je in de politiek zit, ben je sowieso verdacht. Mensen dachten vroeger: ‘Spreekt de partij of horen we De Grauwe?’ Dat was onvermijdelijk.”

 

Waarom bent u ooit in de politiek gestapt?

De Grauwe: “Ik vraag me dat soms ook af. (lacht) Het was rond mijn veertigste: misschien was het mijn midlifecrisis. Rik Daems vroeg of ik geïnteresseerd was. Je kon toen nog gecoöpteerd worden in de senaat. Voorwaarde was dat je minstens veertig was. Dat was de goeie ouwe tijd toen de senaat gezien werd als een kamer van relatief oude wijze mannen, geen vrouwen. Ik dacht: ‘Waarom niet?’ Na die vele jaren aan de universiteit had ik wel zin in iets nieuws. Dus hapte ik toe. Op dat moment had ik niet echt een hoge dunk van de politiek. Een prof vindt altijd dat hij het allemaal beter weet. Meestal vindt hij ook dat een politicus niet deugt. (lacht) Ik was aangenaam verrast toen ik ontdekte dat er toch nogal wat verstandige mensen in de politiek zitten. Mensen die écht met hun medeburgers begaan zijn, en natuurlijk zijn er profiteurs, maar vind je die niet overal? Politiek is een buitengewoon moeilijk vak; dat heeft vooral te maken met het feit dat er zoveel tegengestelde belangen zijn. Het drama in onze huidige tijd is dat velen niet lijken door te hebben dat democratie een manier is om die tegengestelde belangen en inzichten door compromissen met elkaar te verzoenen. Vandaag is het alsof iedereen zich verraden voelt. Het gevolg is het oprukkende populisme waarbij burgers in de fictie leven dat er een ‘stem van het volk’ is. Terwijl er alleen maar kakofonie te horen is. De populist beweert dat hij ‘de stem van het volk’ belichaamt en dat de elite blind is. Vreselijk. Ik las vanmorgen nog in de krant dat het milieubeleid niet mag overgelaten worden aan experts en wetenschappers. Aan wie dan? De man in de straat? Er zijn toch altijd problemen die je enkel met wetenschappelijke kennis kan doorgronden en oplossen? Dat wordt nu allemaal neergehaald. Het is een terugkeer naar de middeleeuwen. Nogal wat mensen zijn kwaad omdat ze vinden dat het systeem niet fair is.”

 

“Very unfair” om de Amerikaanse president Donald Trump te citeren.

De Grauwe: “Het kapitalisme heeft fantastische materiële welvaart gecreëerd en een dynamiek ontwikkeld die ongeëvenaard is in de geschiedenis. Technologische vernieuwing is alleen maar mogelijk in het kapitalisme. Communisme was stilstand. Als je instructies krijgt van bovenaf, voer je geen klap meer uit. Maar dat kapitalisme is ook verantwoordelijk voor veel verliezers. De ver doorgedreven bezuinigingspolitiek van de Europese Unie treft de slachtoffers van de globalisering een tweede keer. Die mensen zijn nu kwaad en zoeken hun heil bij degenen die roepen: ‘Weg met de elite!’ Ook de wetenschap hoort bij die verfoeilijke elite. Want de wetenschap heeft dat allemaal mogelijk gemaakt en de economische wetenschap heeft alles ondersteund.”

 

De Amerikaanse spindoctor Gerry Gunster is één van de architecten van de brexit. De elite heeft volgens hem onderschat dat burgers behoefte hebben aan identiteit, aan hun eigen wereldje. Britse arbeiders voelen zich bedreigd door veel goedkopere Poolse werkkrachten en stemden daarom voor ‘leave’.

De Grauwe: “Maar wat is ‘identiteit’? Mensen willen gerespecteerd worden, dat is veel fundamenteler. Je wil respect van degene met wie je leeft, van je familie, je vrienden, je land. ‘Identiteit’ wordt zo opgeblazen. Niemand kan dat definiëren. Ik zou wel eens graag willen weten wat dat is, die Vlaamse identiteit. In Groot-Brittannië hoor je nu in het parlement naar aanleiding van de brexit: ‘The people have spoken.’ Wie daar tegenin durft te gaan, krijgt het etiket ‘traitor‘ opgespeld. Wie niet van de brexit houdt, stelt zich op ‘tegen het volk’. Ik wantrouw die noties van ‘het volk’ en ‘hun identiteit’. Het zijn echo’s uit de jaren dertig en dat is zeer beangstigend.”

 

Hoe belangrijk is publiceren voor een wetenschapper die invloedrijk wil zijn?

De Grauwe: “De reputatie van een wetenschapper wordt gemaakt door zijn publicaties. Ik ben ooit aan de KUL begonnen als lector, werd later docent en daarna gewoon hoogleraar. Al die verschillende bevorderingen hadden niets te maken met mijn publicaties, maar alles met mijn voortschrijdende leeftijd. Toen ik van docent de stap zette naar gewoon hoogleraar, werd me niet gevraagd wat ik gepubliceerd had, maar hoe oud ik was. (lacht) Ik publiceerde graag en hield van het creatieve aspect van onderzoek, waardoor ik dat ook altijd ben blijven doen. Alleen was er nooit druk. Dat was niet echt een goed systeem, want te veel academici vertrouwden op hun anciënniteit en lieten het publiceren over aan anderen. Nu is de slinger in de andere richting doorgeslagen en is er een extreme publicatiedruk. Jonge mensen aan de universiteit lopen daaronder gebukt. Ik vrees dat startend academisch personeel aan de universiteit vandaag meer onder druk staat dan studiegenoten die in de privésector aan de slag gaan.

“De dwingende publicatiedruk zorgt ervoor dat wetenschappers opportunistisch worden. Ze richten hun aandacht op die kwesties waarvan ze vermoeden dat de kans op publicatie het grootst is. Ze gaan dus op zoek naar wat het best in de markt ligt en volgen braaf de platgetreden paadjes. Wie nu een nieuwe theorie wil publiceren, zal ervaren dat dat geen sinecure is. Want degenen die dat nieuwe idee moeten beoordelen, varen mee met de mainstream. In mijn eigen vakgebied merk ik dat de grote druk ervoor zorgt dat jonge economen niet deelnemen aan het maatschappelijk debat. Ik heb dat wel altijd gedaan, maar zij hebben daar geen tijd voor. Ze moéten publiceren in wetenschappelijke toptijdschriften. Waarom zouden ze dan nog tijd verliezen aan een opiniestuk voor een krant? Ik vond het altijd interessant én belangrijk om invloed te hebben in het publieke debat.”

 

Hoe ouder u wordt, hoe meer u uw echte stem kan laten horen? Hoe minder schrik dat later de afrekening volgt?

De Grauwe: “Ik heb me daar nooit echt veel van aangetrokken en had nooit schrik om tegen de algemeen heersende opvatting in te gaan. Dat is de luxe van een academische carrière. Er zijn wel een paar momenten geweest waarop ik iets te hard op andermans tenen trapte, al hoorde ik dat pas veel later. De eerste keer was rond 1980. Ik schreef dat de Belgische frank overgewaardeerd was en gedevalueerd zou moeten worden. Die devaluatie is er ook gekomen en nadien hoorde ik dat de toenmalige minister van financiën overwogen had om mij te laten vervolgen. Zijn collega’s raadden hem dat sterk af, toch een beetje jammer want dat zou mij fantastische publiciteit opgeleverd hebben. (lacht) Een tweede keer was in 1993. Ik had samen met andere proffen een manifest geschreven met daarin alweer een pleidooi voor een devaluatie. Dat maakte de toenmalige gouverneur van de Nationale Bank Fons Verplaetse razend. Hij belde naar de rector van de universiteit om te horen of ‘diene De Grauwe niet gestraft kon worden.’ Ook toen gebeurde er niets.”

 

Hoe lang blijft u nog in Londen les geven?

De Grauwe: “Zolang ik het leuk vind, dat is mijn enige criterium. De dag dat ik denk: ‘Oei, nu moet ik weer die trein op naar Londen’, stop ik ermee. Maar dat is nog niet het geval.”

 

Binnen tien jaar, rond uw tachtigste, staat u nog voor de klas in de LSE?

De Grauwe: “Als ik nog leef en me even goed voel als nu, is dat best mogelijk. Ik hou gewoon heel erg van die combinatie van onderzoek voeren en lesgeven. Op dit niveau verandert de inhoud voortdurend. Er zijn proffen die dertig jaar lang hetzelfde doceren, maar ik zou dat niet kunnen. Zo geef ik een cursus over de monetaire unie en om de twee jaar verschijnt een vernieuwde uitgave van het boek. Ik ben nu bezig aan de twaalfde editie.”

 

Hoe wil u na uw dood herinnerd worden?

De Grauwe: “Daar ben ik niet mee bezig. De economen die in mijn jeugd erg in trek waren en die net als ik boeken en artikels schreven en geciteerd werden, zijn vandaag vergeten. Natuurlijk zijn er een paar uitzonderingen. De naam Milton Friedman klinkt nog steeds als een klok. Maar als ik mijn studenten een lijst voorleg van tien economen die in mijn studententijd hot waren, kijken ze me vol verbazing aan. ‘Nooit van gehoord.’ Twintig jaar na mijn dood zullen mijn boeken ook vergeten zijn. Ik maak me daar geen enkele illusie over.”

 

(c) Jan Stevens

In de wereld van nerds en techneuten heeft computerwetenschapper Pattie Maes de allures van een rockster. Technologieblad FastCompany noemt haar “one of the most influential designers in the world” en volgens het World Economic Forum is ze een “Global Leader for Tomorrow”. Haar hele carrière staat in het teken van het verbeteren van de relatie tussen ons en onze computers. Ze wil onze smartphone nog slimmer maken zodat hij uitgroeit tot onze steun en toeverlaat. “Hij zal onze dromen helpen waarmaken.”

 

28 jaar geleden verhuisde Pattie Maes (55) naar Amerika, om er aan het befaamde Massachusetts Institute of Technology (MIT) onderzoek te gaan voeren naar artificiële intelligentie. Vandaag is ze er professor Ambient Intelligence en geldt ze als een wereldautoriteit in haar vakgebied. In 2009 demonstreerde ze tijdens een inmiddels 10 miljoen keer bekeken TED Talk het systeem SixthSense, haar prototype van de huidige augmented reality-brillen.

Op dit moment werkt ze met de jonge whizzkids van haar Fluid Interfaces Group in het MIT-Media Lab aan een nieuwe, verbeterde relatie tussen mens en smartphone, laptop of tablet. Ze wil onze digitale toestellen nòg slimmer maken zodat we ermee kunnen communiceren alsof ze onze beste vrienden zijn.

“Wij bouwen aan toestellen die rekening houden met de context van de gebruikers, die hun interesses kennen, weten wat de doelen zijn waaraan ze werken en wat ze in hun leven willen veranderen”, zegt ze. “In plaats van een smartphone zal je toestel een smart coach worden die je zal helpen je doelen te bereiken en die je begeleidt om nog meer uit te groeien tot de persoon die je graag zou willen zijn. Elke smart coach zal op het lijf gesneden zijn van elk individu. Want misschien heb ik een coach nodig die mij helpt te focussen, terwijl jij snakt naar een coach die je van je slechte gewoonten afhelpt. Iedere mens heeft wel iets waar hij of zij aan wil werken, of gedrag dat hij of zij wil afleren of veranderen. Vandaag kopen we een zelfhulpboek, maken we een afspraak bij de therapeut en gaan we te rade bij een vriend of vriendin. Onze personal devices zullen in de toekomst al die rollen overnemen. Zij zullen ons helpen datgene te bereiken waar we van dromen. Wil je een taal leren? Je smartphone zal elke dag jouw taalleraar zijn. Wil je beter leren communiceren met anderen? Je smartphone toont je hoe. Daar werken wij nu keihard aan in ons Media Lab.”

 

Ik vind uw onderzoek eerlijk gezegd een beetje griezelig.

Pattie Maes: “Echt? Ik vind de huidige toestand eigenlijk ook best griezelig, hoor. Ik heb drie zonen en zij zitten continu naar het scherm van hun smartphone te turen. Ze schenken geen aandacht meer aan hun omgeving en spreken amper nog met ons. Onze digitale toestellen zijn ontzettend belangrijk geworden in ons leven en ik heb daar geen enkel probleem mee, alleen de manier waarop we ze gebruiken, laat te wensen over. Ze leiden ons af waardoor we niet langer in harmonie zijn met onze omgeving en met de mensen om ons heen. Ik wil dat radicaal veranderen en zoek daarom naar een andere manier om met onze computers om te gaan. Want of we het nu willen of niet: ze zullen een centrale rol blijven spelen in ons leven. Ik wil ervoor zorgen dat ze dat niet langer op een disruptieve wijze doen en ons niet meer van de werkelijkheid afsnijden.”

 

De moderne mens is dus geen multitasker die tezelfdertijd zijn smartphone op berichten kan checken, zijn facebookaccount op zijn tablet kan bijwerken en de conversatie aan tafel levendig kan houden?

Maes: “Nee, dat is een ernstige misvatting. De huidige smartphones en tablets zorgen enkel voor verwarring. Je kent dat wel: je zit geconcentreerd te werken en daar komt een e-mail binnen of iemand stuurt een bericht via Skype. Daar gaat je concentratie. Of je aandacht wordt via een of andere app weer ergens anders naartoe gezogen. Voor veel mensen is die digitale verstoring in hun dagelijkse leven echt problematisch. Er zijn dan twee mogelijkheden: ofwel smijten we al onze devices in de vuilbak en keren we terug naar de tijd van voor de digitalisering, ofwel veranderen we de manier waarop we ermee omgaan. Maak je geen illusies: de jongere generaties zullen hun toestellen nooit bij het oud vuil zetten. De enige aanvaardbare oplossing is dus wat wij doen: een alternatief uitwerken. Ik wil de smartphone van de toekomst uitvinden. Hij zal meer weten over wat we doen en waar we mee bezig zijn, zodat hij slimmer kan reageren, ons minder zal onderbreken op de foute momenten en ons spontaan informatie zal geven op de juiste momenten.”

 

Mijn smartphone die weet waar ik mee bezig ben, daar ook op inspeelt en reageert op wat ik zeg of doe, klinkt nogal afschrikwekkend.

Maes: “Het hangt er natuurlijk van af hoe alles uitgewerkt wordt en hoe het gepresenteerd wordt aan de gebruikers. Ikzelf ben ervan overtuigd dat het een verbetering zal zijn. Stel: ik wil vermageren en minder suiker eten. Via een app kan mijn smart coach me dan in de supermarkt begeleiden bij het aankopen van de juiste producten. Niet dwingend, maar zachtjes sturend. En als dat niet lukt, kan hij me met emotionelere boodschappen tot verstandig winkelen proberen aanporren, of op andere vriendelijke manieren trachten om mijn gedrag bij te sturen.”

 

Ik kan me voorstellen dat bedrijven én politici heel erg geïnteresseerd zijn in uw onderzoek.

Maes: “Dat is zeker zo. Elke technologie kan misbruikt worden, maar kan ook gebruikt worden om het leven van mensen te verbeteren. Ik ben heel erg gehecht aan mijn onafhankelijkheid op de universiteit. Wij zijn eerst en vooral geïnteresseerd in de belangen van de gewone mensen. Daarom is het zeer belangrijk dat wij aan de MIT dit onderzoek naar communiceren met computers voeren en het niet enkel overlaten aan Google, Apple of Microsoft.”

 

Sinds 18 augustus 2016 staat uw collega Frank Dellaert, professor robotica, op de payroll van Facebook. Hij schortte zijn academische carrière tijdelijk op om bij Facebook aan de slag te gaan in het strengbeveiligde lab Building 8. Hij is ook één van de invloedrijkste Belgen en wou zelf graag geïnterviewd worden, maar mocht niet van zijn nieuwe broodheer.

Maes: “Dat is precies één van de redenen waarom ik zo honkvast op de universiteit blijf. Wij zijn volledig vrij én onafhankelijk.”

 

Hebben de internetmastodonten u ooit veel geld aangeboden om bij hen te komen werken?

Maes: “Zeker. Een bedrijf als Google probeert voortdurend de proffen op technische universiteiten zoals Stanford, MIT en Georgia Tech ervan te overtuigen om bij hen te komen werken. Zo was Sebastian Thrun ooit professor computerwetenschappen in Carnegie Mellon en Stanford tot hij er door Google werd weggekaapt om het beruchte Google X Lab te gaan leiden waar onder andere met zelfrijdende auto’s geëxperimenteerd werd. Ikzelf heb geen enkele interesse in een overstap naar het bedrijfsleven. Mijn onafhankelijkheid is heilig.

“Voor de universiteiten wordt het langzaamaan een probleem dat al hun knappe koppen door de internetgiganten met veel dollars verleid worden. Beloftevolle studenten krijgen meteen na hun bachelor riante salarissen aangeboden. Het draait natuurlijk niet alleen om geld: voor een net afgestudeerde computerwetenschapper is het een uitgelezen kans om een groot succesvol platform zoals Facebook of Google verder te helpen uitbouwen. Veel van onze masterstudenten komen tegenwoordig uit het buitenland, want alle Amerikanen trekken direct na hun bachelor naar een internetbedrijf.”

 

Facebooks geheime project Building 8 wordt geleid door Regina Dugan, ooit baas van een militair onderzoekscentrum. Eind april lichtte ze een tip van de sluier: de wetenschappers van Building 8 werken onder andere aan lasertechnologie die het mogelijk moet maken om mensen rechtstreeks vanuit hun hersenen zinnen te laten typen. Versmelt binnenkort de mens met de technologie?

Maes: “Facebook is niet enige bedrijf dat intens met dit soort van onderzoek bezig is. Dit wordt de technologie van de toekomst, of we dat nu leuk vinden of niet. Kijk naar de geschiedenis van de computer: die machine is steeds dichter naar ons toegekomen. Het begon in de jaren zestig en zeventig met een supercomputer ergens in een speciale gekoelde ruimte waar je naartoe moest reizen als je hem wou gebruiken. Dan was er de desktop. Die stond op een bureau in een aparte kamer in het huis. Daar moest je je ook voor verplaatsen. De laptop en de smartphone zorgen er nu voor dat de computer altijd bij ons is. Dankzij de wearables zoals de smartwatch, dragen we de computer op ons lijf. De volgende stap is dat we cyborgs worden en inderdaad met de technologie zullen ‘versmelten’. Volgens de Schotse filosoof Andy Clark is dat onze logische bestemming. Hij zegt dat we altijd al naar dat doel hebben toegewerkt en dat we van in het prille begin van onze geschiedenis nooit iets anders gedaan hebben dan ons te verbeteren met behulp van technologie. Het ligt nu eenmaal in onze aard om onszelf voortdurend te vervolmaken zodat we tot steeds meer in staat zijn. Daarom ontwikkelen en bouwen we al die toestellen die ons assisteren bij zowat alle aspecten van ons leven.”

 

Tesla-baas Elon Musk is van plan om zijn brein aan een computer aan te sluiten.

Maes: “Hij wordt gedreven door dezelfde motivatie als ik. Als onze computers rechtstreeks kunnen lezen wat we willen, moeten we er veel minder mee bezig zijn en hoeven ze onze aandacht niet meer op te eisen. Maar het zal nog wel even duren voor Musk zich rechtstreeks aan een computer kan koppelen, want we staan nog maar aan het begin van de brain computer interfaces. Dit soort van nieuwe technologieën verplicht ons er trouwens toe om heel goed na te denken over de verdeling van de taken en de verantwoordelijkheden tussen ons en onze computers. In de meeste gevallen zal de computer eerder de smart coach zijn die ons dingen aanleert en bijstaat, in plaats van ons alle taken uit handen te nemen waardoor we luie donders worden.”

 

Uzelf bent bereid om een chip te laten inplanten?

Maes: “Ik had dat als grap verteld in mijn TED-talk, maar iedereen lijkt dat ernstig te nemen. (lacht)”

 

Eind vorig jaar zagen een aantal personeelsleden van een Belgisch bedrijf er geen graten in dat hun baas hen een chip liet inplanten. In tijden van terreur en angst wordt het voor overheden misschien wel heel verleidelijk om al hun burgers te chippen?

Maes: “Aan zo’n toekomst wil ik echt niet meewerken. Het moet altijd de gebruiker zelf zijn die vrij kiest met welke technologie hij zichzelf wil verbeteren en met welke niet. Hij moet ook de controle blijven hebben over zijn gegevens en privacy en over hoe die systemen werken.”

 

Dat is de theorie, maar in de praktijk vegen de grote internetbedrijven nu toch al de vloer aan met privacy en gebruikerscontrole?

Maes: “Ja, maar er komen wel tegenbewegingen op gang die de gebruiker centraal stellen en hem de keuzevrijheid geven. In Europa misschien meer dan in de Verenigde Staten, maar toch werken ook Amerikaanse instellingen, zoals de Harvard Kennedy School, aan voorstellen voor wetgeving die onze privacy moet beschermen.

“Zelf ben ik als wetenschapper heel erg begaan met de ethische kant van mijn werk. In ons Media Lab loopt een AI Ethics and Governance Project, waarin we samen met filosofen nadenken over een beleid rond digitale toestellen, gegevens en privacy. Ons Media Lab sluit zich niet af van de wereld en is interdisciplinair, met designers, psychologen en filosofen. We zijn daar uniek in. Een van de grote problemen met Facebook en de producten die zij maken, is dat ze teveel ingenieurs in dienst hebben die niet genoeg nadenken over wat de invloed op de samenleving is van al die nieuwe creaties. Ze amuseren zich te pletter met ontwerpen en staan niet stil bij de gevolgen. Het is niet gezond om alle nieuwe digitale ontwikkelingen over te laten aan enkel de computerwetenschappers. Op dit moment hebben ze echt teveel invloed op onze wereld en hoe die vormgegeven wordt. Sociale media en digitaal nieuws zijn enorm belangrijk geworden en bepalen een deel van ons bestaan. De ellende is dat dat 90 procent van de ingenieurs die de boel draaiende houden, zich nooit vragen stelt over de impact van hun werk. Ze creëren een nieuw digitaal platform waar ethische kanttekeningen bij te maken zijn, zetten dat zonder verpinken online en laten iedereen op een trein springen waarvan niemand het eindstation kent. Er wordt onvoldoende nagedacht over de maatschappelijke gevolgen van ditigale technologieën.”

 

Een van die gevolgen is een Amerikaanse president die regeert via Twitter.

Maes: “Begin daar alsjeblieft niet over. (lacht) Dat is vreselijk, maar laten we het maar niet over politiek hebben. In Europa ziet het er trouwens niet veel beter uit. Hoopgevend is misschien dat Facebook na de verkiezingen wakker geworden is. Stilaan beginnen ze over de gevolgen van hun eigen impact na te denken. Wat rijkelijk laat is, want hun invloed is enorm.”

 

Kent u de roman De Cirkel? Daarin beschrijft Dave Eggers hoe een pas afgestudeerd meisje gelooft dat ze in het paradijs terechtkomt wanneer ze aan de slag kan bij het belangrijkste internetbedrijf ter wereld. Het ultieme doel van haar ‘bevlogen’ ceo’s is: complete ‘transparantie’. Het eindigt in een nachtmerrie.

Maes: “Ja, De Cirkel heb ik heel zeker gelezen. (lacht) Die roman is voor mijn studenten verplichte lectuur. Ze moeten ook naar een reeks als Black Mirror kijken. Wij denken over alle mogelijke kwalijke gevolgen heel goed na. Maar het brengt niets op om zoals een struisvogel je hoofd in het zand te steken en te roepen: ‘Ik doe hier niet aan mee.’ Het beste wat je kan doen, is meehelpen aan die vernieuwing en zo zelf de toekomst meecreëren. Met mijn onderzoek bepaal ik mee waar we naartoe evolueren. Ik kan nu ook heel goed volgen waar Facebook en Google mee bezig zijn en probeer hun vernieuwingen te beïnvloeden.

“Sinds een paar jaar is artificiële intelligentie of AI booming science, met de ontwikkeling van neural networks, kunstmatige zenuwnetwerken die kunnen ‘leren’ en daardoor tot dingen in staat zijn die nog niet zo lang geleden totaal onmogelijk waren. Eerst was er de angst dat die neural networks heel wat jobs overbodig zouden maken. Maar de laatste tijd groeit de concensus dat AI mensen bij hun werk kan helpen in plaats van het te vernietigen. Kent u het begrip human-in-the-loop artificial intelligence? Een mens en een AI-systeem werken dan samen. Denk aan een dokter die gebruik maakt van AI om een nog betere en preciezere diagnose te stellen.”

 

U bent niet bang dat onze omgeving door al die technologie kouder en onpersoonlijker wordt?

Maes: “Dat hoeft niet. Als die systemen zo ontworpen zijn dat de mens en de relatie met zijn medemens centraal staat, wordt het misschien minder koud dan vandaag. Nu zit iedereen op de trein of de bus op zijn eigen gsm te tokkelen. Stel dat je gsm zo ontworpen is dat hij je in contact brengt met iemand in jouw rijtuig die dezelfde interesses koestert. Zou dat niet fijn zijn? Het zou best wel eens kunnen dat al die nieuwe systemen muren tussen mensen slopen, waardoor we meer in harmonie raken met onze omgeving.”

 

Oxfordfilosoof Nick Bostrom geloofde ooit net als u dat AI en technologie de mens konden verbeteren. Nu waarschuwt hij voor machines die zo slim geworden zijn dat niemand ze nog onder controle kan houden. Met een superintelligente computer is de apocalyps volgens hem heel dichtbij.

Maes: “Wetenschappers die écht met AI bezig zijn en de materie door en door kennen, hebben daar geen schrik voor. Want AI-systemen zijn sterk begrensd in wat ze kunnen. In één welbepaald ding zijn ze uitzonderlijk goed, maar vraag ze niet om ook nog iets anders te ondernemen, want dan haken ze af. Een AI-systeem dat goed met de auto kan rijden, heeft geen kaas gegeten van het stellen van medische diagnoses. Ik geloof niet in dat schrikbeeld van superintelligente machines die zich tegen ons keren. Dat is onvervalste sciencefiction.”

 

Als computerwetenschapper bepaalt u nu mee de toekomst van de mensheid. Geeft u dat een gevoel van macht?

Maes: “Nee, ik ben helemaal niet hongerig naar macht. Ik vind het gewoon heel boeiend om over dat soort van problemen na te denken. In mijn omgeving wordt onze toekomst vooral uitgestippeld door mannelijke ingenieurs. Als vrouwelijke computerwetenschapper kijk ik misschien met een andere blik naar de digitalisering en kan ik ook andere ideeën in de groep gooien. De computerwetenschappen hebben dringend een grote feministische golf nodig. Ik wil niet veralgemenen, want er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen, maar meisjes en vrouwen denken volgens mij meer na over de invloed van de digitalisering op onze relaties en ons leven. Mannen zijn dan weer meer geïnteresseerd in de technologie en de gadgets. Het zou heel goed zijn als meer meisjes informatica zouden gaan studeren.”

 

Internetgoeroes stellen digitale disruptie vaak voor als iets positiefs, terwijl het bij veel mensen voor vervreemding zorgt.

Maes: “Zoals met alle technologieën zijn er aan de digitalisering enorme voordelen verbonden, maar ook serieuze nadelen. Sommige nadelen zijn gevolgen van verkeerde beslissingen uit het verleden. Die moeten we veranderen of verbeteren. Maar dankzij het internet en de smartphones is informatie nu voor iedereen op elk moment toegankelijk. Dat kan toch niet anders dan voor een enorm democratiserend effect zorgen? Het internet maakt het mogelijk om in landen waar geen persvrijheid heerst alternatieve stemmen aan bod te laten komen. En vandaag kan iedereen zijn creativiteit op datzelfde internet botvieren. Al wie dat wil, kan een film maken, een boek schrijven of muziek opnemen en dat wereldwijd met iedereen delen.”

 

Van wijlen Steve Jobs wordt gezegd dat zijn kinderen niet met een tablet mochten spelen. 

Maes: “Ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Mijn jongste zoon is twaalf en ik beperk zijn tabletgebruik ook. Hij mag enkel op een creatieve manier bezig zijn met een computer. Hij speelt geen spelletjes, maar maakt ze zelf. Ik leer hem aan om zelf dingen te creëren en beschikbaar te maken voor anderen, in plaats van als een passieve couch potato de creaties van anderen te consumeren.”

 

Volgens de Duitse psychiater Manfred Spitzer ontwikkelen kinderen die teveel met tablets bezig zijn een vorm van dementie.

Maes: “Dat soort van uitspraken neem ik met een flinke korrel zout. Toen de radio geïntroduceerd werd, dachten de ouderen ook dat het einde nabij was. Ik kan mij geen leven zonder computer meer voorstellen. Stel dat er morgen een bom valt die onze moderne infrastructuur vernietigt: kan u dan uw eigen groenten kweken, uw koeien slachten en uw kippen pluimen? Of zelf uw auto repareren? Ik dacht het niet. (lacht) We zijn afhankelijk van technologie: dat is precies wat ons tot mens maakt en onderscheidt van andere dieren. Technologie geeft ons meer vrijheid, zodat we niet langer 24 uur per dag bezig moeten zijn met het verzamelen en kweken van ons eigen voedsel.”

 

Waarom ging u in 1979 computerwetenschappen studeren? Computers waren toen allesbehalve hip.

Maes: “Per toeval. (lacht) Op mijn 18e kon ik niet beslissen wat ik wou studeren. In die periode woedde er een economische crisis in België en raakte zo goed als niemand na zijn studies aan werk. Eigenlijk twijfelde ik eerst tussen architectuur en biologie, twee totaal verschillende richtingen. De VUB startte op dat moment met de allereerste opleiding informatica in België. Ik was niet echt geïnteresseerd in computers, maar zag die richting als een springplank om misschien ooit andere dingen te gaan doen. Maar van zodra artificiële intelligentie ter sprake kwam en het over de relatie tussen mensen en computers ging, was ik verkocht. Die fascinatie is nooit meer verdwenen.”

 

(c) Jan Stevens

In de VS kennen ze Ingrid Daubechies als een van de grootste wiskundigen van deze tijd. Bij ons herkennen sommige Limburgers haar achternaam als die van een uitkijkpost bovenop een toren. Terwijl het dankzij haar is dat u uw selfie vanop die toren op Facebook kunt plaatsen. Nastreven van macht, is aan haar niet besteed. “Ik wil geen verzuurde, wantrouwige prof worden en werk liever wereldwijd samen met anderen.”

 

Sinds het najaar van 2012 kunnen de inwoners van Houthalen-Helchteren vanop de hemelsblauwe toren van hun futuristische nieuw administratief centrum hun eigen woonplaats bewonderen. Het uitkijkpunt bovenop de toren heet ‘Het Oog van Daubechies’, als eerbetoon aan één van de nog levende beroemdste inwoners van de gemeente. Alleen weet zo goed als niemand in Houthalen-Helchteren en verre omstreken wie die illustere ‘Daubechies’ dan wel mag zijn. In de Verenigde Staten daarentegen kennen ze Ingrid Daubechies (62) als een van de grootste nog levende wiskundigen. Van 1991 tot nu is ze verbonden aan gerenommeerde Amerikaanse universiteiten: eerst Rutgers, dan Princeton en last but not least Duke university. De Amerikanen beschouwen haar al lang als one of them. Dankzij Daubechies’ vernuftige rekenwerk kunnen u en ik naar hartenlust Instagrammen en Netflixen. Haar belangrijkste verwezenlijking tot hiertoe is de ‘Daubechies wavelet’, een wiskundige beschrijving van een golfbeweging die gebruikt wordt voor beeldcompressie. Voor de nerds onder u: haar theoretische werk vormt de basis voor JPEG 2000. Die compressiestandaard voor digitale beelden zorgt ervoor dat het wereldwijde web niet fataal crasht onder het gewicht van de miljarden terrabytes aan foto’s die elke dag worden geüpload.

“Ook zonder mijn werk kun je hoogstwaarschijnlijk nog naar een reeks op Netflix kijken of foto’s via internet versturen”, zegt ze bescheiden. “Al klopt het wel dat voor beldcompressie meestal JPEG 2000 gebruikt wordt. Maar digitale beelden kunnen ook nog op andere manieren gecomprimeerd worden. Alleen bleek de methode die op mijn werk gebouwd is, de meest efficiënte te zijn. Ik vermoed dat andere wetenschappers me ‘invloedrijk’ vinden door mijn denkwerk over wavelets.”

 

Wat heeft u dan precies bedacht?

Ingrid Daubechies: “Ik heb een wiskundig kader uitgetekend om signalen en beelden te ontbinden. Dat klinkt theoretisch, maar die methode maakt wel zeer interessante toepassingen mogelijk, zoals die beeldcompressie voor het internet. Mijn verdienste is vooral dat pure wiskundige model, al verloor ik tijdens het denken en puzzelen nooit mogelijke praktische toepassingen uit het oog. Heel wat collega’s twijfelden eraan of mijn bevindingen verenigbaar waren met wat al bestond. Ik slaagde erin alles aan elkaar te koppelen en heb dat ook helemaal uitgewerkt. Ik was zo blij toen ik merkte dat ik op het juiste spoor zat; dat gaf me een echte kick.”

 

Had het iets verslavends?

Daubechies: “Wiskunde is altijd verslavend. (lacht) Na weken van steeds intenser puzzelen zie je plots tòch iets. Is dat niet fantastisch? Je vindt jezelf dan zo dom omdat je het niet eerder doorhad. Dat zorgt voor een zalige voldoening waar ik altijd lang van probeer te genieten.”

 

Voor een rekenkundige nitwit zoals ik lijkt wiskunde iets gigantisch abstracts.

Daubechies: “Dat is het ook. Iedereen, ook u, denkt abstract. We zijn daar zo aan gewend geraakt, dat we er niet meer bij stilstaan. Zo vinden wij het heel gewoon dat een getal nauwkeuriger wordt, naarmate we meer cijfers achter de komma schrijven. Griekse wiskundigen konden dat amper bevatten: zij vonden dat principe ongelooflijk moeilijk en abstract. Terwijl onze kinderen dat bij wijze van spreken al spelend leren op de lagere school. Wiskundigen zoals ik vinden kaders uit en bouwen verder op wat hun voorgangers ontwikkeld hebben. Heel wat van dat louter abstracte werk dient later als basis voor veel praktische zaken.”

 

Is wiskunde voor u ook een manier om zin in uw leven te brengen of er zin aan te geven?

Daubechies: “Iedereen wil zin aan zijn leven geven, maar ik weet niet of één welbepaalde discipline zoals de wiskunde daarvoor volstaat. Mijn werk is voor mij heel zinvol, maar niet alleen omdat ik er intellectueel voldoening uit haal. Ik vind het even zinvol om les te geven en doctoraatsstudenten te begeleiden en te helpen bij de uitbouw van hun carrière. Mijn leven is veel meer dan enkel dat theoretische onderzoek. Artikels schrijven vormt voor u toch ook niet de kern van uw bestaan? Het is toch enkel een manier om geld mee te verdienen? Ik verdien mijn brood met toegepaste wiskunde. Ik beleef ontzettend veel plezier aan mijn werk en ik word er nog voor betaald ook. Als ik er niet van zou kunnen leven, deed ik waarschijnlijk iets anders.”

 

U kunt zich dus een bestaan zonder wiskunde indenken?

Daubechies: “Dat nu ook weer niet. (lacht) Ik ben ondertussen al zo lang met wiskunde bezig, dat ik het best wel zal missen als het ooit stopt. Ik vraag me continu af hoe de dingen in elkaar zitten. Als ik merk dat er iets niet helemaal klopt, denk ik: ‘Tiens, hoe kan dat nu?’, waarna ik op zoek ga. Mijn vrienden en kinderen vinden dat ik daar een tikkeltje in overdrijf, maar zo zit ik nu eenmaal ineen.

“Of de wiskunde me gelukkig maakt? Het grootste deel van de tijd voel ik me momenteel gelukkig dankzij de medicatie. Ik kamp met chronische depressie, mijn leven verloopt daardoor niet altijd even voorspoedig. Ik mag blij zijn dat de dokters de antidepressiva gevonden hebben die mij helpen. Die medicatie zorgt voor een wereld van verschil. Maar ik ontdekte die pillen pas op mijn veertigste, want ik was opgevoed in de overtuiging dat depressie aan mezelf lag, aan mijn persoonlijkheid.”

 

Omdat u zogezegd een zwakkeling was?

Daubechies: “Precies. Dus begon ik laat aan medicatie, en enkel op voorwaarde dat ik er na een tijd mee kon stoppen. Twee jaar later was ik beter en bouwde ik onder begeleiding van de dokter de pillen af. Drie maanden nadat ik gestopt was, zat ik weer op de bodem van die gitzwarte put. Ik ben terug antidepressiva beginnen innemen en zei tegen mezelf: ‘Dit nooit meer.’ Sindsdien slik ik elke dag mijn pil. Ik praat vrijuit met mijn studenten over mijn depressie en wil hen zo sensibiliseren. Ik vertel hen dat ze een periode tegemoet gaan waarin ze keihard zullen werken, en dat het dan soms emotioneel lastig kan zijn. Want als je problemen probeert op te lossen en de oplossingen niet vindt, voel je je niet goed in je vel. Ik zeg tegen mijn studenten dat ze hulp moeten zoeken van zodra ze bij zichzelf merken dat er iets serieus aan het misgaan is. Ook dat is invloed uitoefenen.”

 

Is invloedrijk zijn in uw vakgebied hetzelfde als er macht in hebben?

Daubechies: “Ik vind dat toch heel verschillende dingen. Ik gebruik mijn invloed om mensen ervan te overtuigen dat wiskunde iets goed en nuttig is, en dat het belangrijk is dat kinderen het op school te leren krijgen. Vooral voor kansarmen kunnen de wetenschappen een opstap zijn naar een beter bestaan. Ook wie in de wetenschap niet tot de absolute top behoort, kan er goed zijn brood mee verdienen. Dat is toch anders in de wereld van de sport of het entertainment. Veel jonge mensen in de getto’s in Amerikaanse steden dromen van een carrière in het basket of op tv. Maar enkel de toppers boeren goed; voor alle anderen is het huilen met de pet op.

“Ik gebruik mijn invloed om het wiskundeniveau in het onderwijs in ontwikkelingslanden op te krikken. Alleen zo kunnen we vermijden dat de beste studenten wiskunde er door buitenlandse universiteiten weggeplukt worden. Want misschien groeien ze uit tot uitstekende wiskundeleraars die op hun beurt ingenieurs helpen opleiden die het land welvarender maken. Maar macht heb ik nooit nagestreefd en ik ben helemaal geen machtsmens. Ik leg niemand iets op; ik streef consensus na.”

 

Bent u ooit gevraagd door de Facebooks en Googles van deze wereld om bij hen te komen werken in ruil voor veel geld?

Daubechies: “Ik heb voorstellen van headhunters gekregen, maar ben daar nooit op ingegaan. Een aantal van mijn studenten werkt nu wel bij Google, Twitter én Facebook. Ik probeer al mijn studenten ertoe te bewegen om het beste uit zichzelf te halen. Ze zijn allemaal zo verschillend en sommigen hebben schitterende carrières uitgebouwd. (Trots:) Studenten van mij zijn nu prof aan de universiteiten van New York, Michigan, British Columbia, Austin, California. Op heel wat plaatsen zitten oud-studenten. Ik heb meer dan dertig doctoraatsstudenten begeleid. Dat is ook een vorm van invloed.”

 

Werkt u rechtstreeks samen met bedrijven?

Daubechies: “Ik heb daar geen bezwaar tegen, maar zelf ben ik niet actief als consultant. Ik verdien genoeg aan de universiteit en hoef dus niet te schnabbelen. Die paar keer dat ik me wel tot consulting heb laten verleiden, was puur uit interesse over het vraagstuk. Ik moet niet rijk zijn en wil niet gedreven worden door winstbejag. Ik heb nooit een patent op mijn vondsten genomen omdat ik nooit zelf van plan was om een bedrijf op te richten. Een patent is ideaal om je nieuwe idee te beschermen terwijl je een onderneming uit de grond aan het stampen bent. Maar ik heb nooit die ambitie gevoeld om als prof ook ondernemer of manager te worden, want dan volstaan niet langer enkel mijn ideeën, maar moet ik ook mensen aannemen en ontslaan. Ik kan niemand aan de deur zetten; ik kweek daar een maagzweer van.”

 

U hebt het patent niet links laten liggen uit ‘ideologische overwegingen’, omdat u vindt dat patenten een rem op de wetenschappelijke ontwikkeling zetten?

Daubechies: “In sommige gevallen remmen patenten zeker de wetenschap af, maar in de wiskunde hebben patenten sowieso niet veel zin omdat ze altijd wel te omzeilen zijn. Het is moeilijk om een patent op een wiskundig idee zo te schrijven dat heel dat idee integraal beschermd wordt. Er zijn collega’s die dat ooit geprobeerd hebben, maar ze kwamen zo goed als altijd van een kale reis terug. Ik wil niet de rest van mijn leven met haviksogen zitten toekijken of iemand mijn patent zonder betalen probeert te recupereren. Ik wil geen verzuurde, wantrouwige prof worden en werk liever wereldwijd samen met anderen. Dat is soms heel aangenaam, zeker als je elkaar wat beter leert kennen en het is gewoon ook veel efficiënter. Mensen denken op verschillende manieren en al die denkwijzen samen leveren vaak schitterende resultaten op.”

 

Een wiskundige bolleboos zoals u zit dus niet de hele dag opgesloten in zijn of haar eigen hoofd?

Daubechies: “Dat geldt zeker niet voor mij en ik merk dat ook jongere wiskundigen graag uit hun cocon breken. In het verleden was het zeker zo dat wiskundigen hun wetenschappelijke artikels in hun eentje schreven; vandaag zie ik steeds meer wiskundeartikels verschijnen ondertekend door meerdere auteurs. Bovendien is het mijn ervaring dat wiskundigen veel meer met elkaar praten en elkaars domein beter kennen dan humanisten. Een academicus die gespecialiseerd is in 17de-eeuwse Duitse poëzie weet totaal niks over 15de-eeuwse Duitse poëzie. In de wiskunde is zoiets onvoorstelbaar. Collega’s uit de letteren en wijsbegeerte zijn einzelgangers. Samenwerken vinden ze des duivels. Ze zeggen dan: ‘Wij leggen een persoonlijke intellectuele weg af.’ Tja, dat geldt ook voor ons: wij, wiskundigen, leggen ook ‘intellectuele wegen’ af. Natuurlijk loopt een deel van mijn weg door mijn hoofd, maar dat neemt niet weg dat ik erover kan praten met anderen.”

 

Zijn er nog veel mensen met wie u over de finesses van uw werk kunt praten? Want u zit op zo een hoog niveau dat ik me kan voorstellen dat niet alle collega’s nog met u mee zijn?

Daubechies: “Met mijn studenten kan ik er nog altijd over praten, hoor. In een gezelschap van niet-wiskundigen voel ik nooit de behoefte om over mijn werk te beginnen. Ik luister graag naar wat zij mij te vertellen hebben, dan leer ik nog iets bij. Wat ik weet, weet ik. Daar hoef ik niet meer over uit te wijden.”

 

Wordt het niet moeilijker om de lat steeds hoger te leggen?

Daubechies: “Ik leg de lat niet hoger; ik zoek gewoon andere problemen en leg nieuwe latten om over te springen. Op dit moment zoek ik wiskundige oplossingen voor verschillende problemen die soms heel praktisch van aard zijn. Zo werk ik samen met paleontologen aan een geautomatiseerde manier om beenderen en tanden met elkaar te vergelijken. In hun dagelijks werk verliezen die paleontologen veel tijd aan meten en berekenen. Als we erin slagen om hun saaie werk te automatiseren, hebben zij meer tijd vrij voor creatieve research. Ik werk ook nauw samen met kunsthistorici en museumconservatoren rond de analyse van oude schilderijen met digitale beeldverwerkingstechnieken. Ik investeer ook nog flink wat tijd in een paar zuiver wiskundige projecten, maar ik ben bang dat ik die niet uitgelegd krijg aan iemand die van wiskunde geen kaas gegeten heeft. (lacht)”

 

Wanneer wist u dat uw toekomst in de wiskunde lag?

Daubechies: “Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in hoe alles ineen steekt en in het maken van berekeningen. Zolang ik me kan herinneren, vraag ik me af waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Als kind redeneerde ik al door, en dat had niet altijd met wiskunde te maken.”

 

U redeneert door over alle aspecten van het leven?

Daubechies: “Ja, tenminste over die aspecten van het leven waarvan de feiten helder zijn. Mijn sociale intelligentie is iets minder dan gemiddeld, denk ik. Ik heb niet altijd door wat de drijfveren van mensen zijn als ze het niet zeggen.”

 

U merkt de verborgen agenda’s niet altijd?

Daubechies: “Nee. Voor iemand die in de academische wereld werkt, is dat soms heel vervelend. Want er is blijkbaar toch wel wat nijd en afgunst. Heel af en toe krijg ik in de gaten dat iemands bedoelingen niet helemaal koosjer zijn; dan stap ik meteen op om me met iets zinvols bezig te houden.”

 

Voelt u zich in Amerika als een vis in het water?

Daubechies: “Ik ben Amerikaans staatsburger en heb de dubbele nationaliteit. Ik breng hier ook mijn stem uit. Ik vind de Amerikaanse politiek erg belangrijk en tegenwoordig ook zeer verontrustend. Tijdens de laatste presidentsverkiezingen voerde ik actief campagne voor Hillary Clinton. Meer mensen stemden voor Hillary dan voor Donald Trump, en toch verloor ze. Weet u wat ik het stuitendste vond? Al die misprijzende en haatdragende taal die de hele tijd tijdens de campagne gespuid werd. Dat heeft mij diep geschokt, ik ben er nog altijd niet goed van.

“Ik ben opgegroeid in Houthalen en heb een andere ingesteldheid dan de Amerikanen die hier geboren en getogen zijn. Ik groeide op in een klein land dat geprangd ligt tussen een heleboel andere landen. Amerikanen zijn het gewoon om burger te zijn van een immens rijk. Hun ingesteldheid is anders. Soms mis ik het het gewone Belgisch dagelijkse leven en ik mis ook sommige vrienden. Mijn allereerste verblijf in de VS duurde twee jaar, om er te werken aan mijn postdoc. Toen ik naar België terugkeerde, beleefde ik een cultuurschok. Ik ontdekte dat het leven in Amerika me beter leek te bevallen dan het Belgische waarmee ik was opgegroeid. Ik voelde me niet echt meer thuis in mijn eigen land. Het leek alsof ik in de VS écht uit de baarmoeder gekropen was. Moest elke prille twintig voor een paar jaar naar een andere plek in de wereld verhuizen, zouden er nu een pak minder problemen zijn. Want mensen zouden zich veel makkelijker kunnen inleven in de situatie van iemand anders.”

 

Keert u ooit terug naar België?

Daubechies: “Ik denk het niet. Voorlopig stop ik niet met werken, want ik heb een grand die pas afloopt op mijn 67e. Mijn twee kinderen wonen hier, mijn zoon is pas getrouwd, mijn kleinkinderen zullen in Amerika leven, dus blijf ikzelf hoogstwaarschijnlijk ook. Mijn hart ligt bij mijn gezin en niet in een of ander land.”

 

(c) Jan Stevens