‘Conflicten loste ik op zoals in het leger: ik sloeg mijn kot kort en klein’

Waarom werd Jürgen Conings een voortvluchtige terreurverdachte? Volgens zijn oude bataljonscommandant omdat hij onder invloed staat van extreemrechts. Volgens een oude wapenbroeder en vriend omdat hij lijdt aan Post Traumatisch Stress Syndroom (PTSS). ‘De gevolgen van PTSS zijn moordend. Voor het Belgische leger met zijn gigantische machocultuur is dat een groot taboe.’

De vijftigjarige ex-militair Peter* trok in de jaren 90 verschillende keren op missie naar ex-Joegoslavië. “De allereerste keer was samen met Jürgen Conings”, herinnert hij zich. Twee weken geleden vertelde Conings pelotonsadjunct in Humo over die missie uit 1994 in het Kroatische gehucht Torjanci. Peter was net als Jürgen Conings één van die veertig piepjonge soldaten. “Jürgens mentor was ook de mijne”, zegt hij. “Vier maanden lang deelden we alles samen. Jürgen werd een van mijn beste vrienden. Wat zich nu aan het afspelen is, vind ik verschrikkelijk. Ik kende hem als een warme, loyale kerel. Ik keur zijn actie af. Hij is ervandoor met 2000 patronen: als hij nog leeft, kan hij heel wat slachtoffers maken. Ik vermoed dat dit een gevolg is van de trauma’s die hij opliep op zijn vele buitenlandse missies. Zijn PTSS zorgt ervoor dat hij zich compleet in de steek gelaten voelt. Ik ken dat vreselijke gevoel, want ik worstel er zelf al jarenlang mee.”

Kolonel-op-rust Danny Vanormelingen was van 1998 tot 2000 bataljonscommandant van Jürgen Conings. “Ik voerde het bevel over hem toen we van oktober ’98 tot maart ’99 op missie waren in Bosnië. Ik had 400 mensen onder mij en kende dus niet iedereen. Alleen de goeden en de slechten bleven me bij. Jürgen kende ik omdat hij opviel in positieve zin. Als prille twintiger was hij een uitstekende soldaat. Ik sprak hem een paar jaar geleden tijdens een bataljonsfeest. Ook toen gaf hij een zeer positieve indruk. Er moet iets verkeerd gedaan zijn waardoor zijn stoppen doorsloegen. Ik geloof niet dat het met zijn vele buitenlandse operaties of PTSS te maken heeft. Volgens mij kwam hij in een verkeerde groep terecht en is hij opgejut door extreemrechts.”

Guy F. (60) trok in 1994 op missie naar de Bosnische hoofdstad Sarajevo. “Twee jaar eerder hielp ik een vluchtelingenkamp in Kroatië bouwen”, zegt hij. “Dat was een ongewapende missie onder de vleugels van UNHCR, het VN-vluchtelingencommissariaat. Als jonge beroepsmilitair bij de genie wou ik mijn steentje bijdragen aan een betere wereld. Ik vertrok dan ook vol overtuiging samen met de rest van mijn eenheid naar Sarajevo. Daar gingen we een weg aanleggen voor hulpkonvooien. Alleen waren we totaal onvoorbereid. Niet lang na mijn terugkomst werd ik ernstig ziek. Nu weet ik dat ik vooral ondermijnd werd door PTSS.”

PETER: “In 1992 hielden de Verenigde Naties UNPROFOR boven de doopvont, een internationale vredesmacht die moest verhinderen dat de oorlog in Kroatië, Bosnië en Herzegovina verder zou escaleren. België nam daaraan deel met verschillende Belbat-missies. Als je Congo in de jaren zestig niet meetelt, waren wij de eerste pioniers die na WO II werden ingezet in oorlogsgebied. Die oorlog speelde zich niet op een ver continent af, maar ín Europa. Zagreb is amper een dag rijden van hier.”

GUY F.: “Onze opdracht in Sarajevo viel buiten de Belbat-missies. Wij wisten van toeten noch blazen. Vlak voor we in België aan boord van het vliegtuig gingen, moesten we een mondingsstop op de loop van ons geweer vastdraaien. Dat dient om losse flodders af te vuren. Wij vlogen dus naar oorlogsgebied in de veronderstelling dat we onderweg waren naar een soort militaire oefening. (lacht)”

Terwijl de oorlog in ex-Joegoslavië pure ernst was?

PETER: “Het was geen knokpartij op de markt, maar een zeer smerige oorlog. Wij waren er ons wel van bewust dat we in oorlogsgebied gingen terechtkomen. Het Belgische leger werd ingezet in de Baranja, Kroatisch grondgebied in handen van de Serviërs. Dat waren geen doetjes; zeker Arkans Tijgers deinsden nergens voor terug. De Baranja werd gebruikt als vakantieoord voor Servische troepen die terugkwamen van het front in Bosnië. Die mannen vlogen dan stevig in de drank en vaak ontspoorde dat. Wij kwamen zo regelmatig in benarde situaties terecht. In 1995 werden de Akkoorden van Dayton ondertekent, het vredesverdrag dat een einde maakte aan de Bosnische Burgeroorlog. Een van de gevolgen was dat de Kroatische troepen zich herbewapenden, waardoor af en toe de poppen aan het dansen gingen.”

Waren jullie goed voorbereid op die oorlog?

PETER: “Totaal niet. Het Belgische leger wist niet hoe ze in een oorlogszone moest opereren. De oorlog in ex-Joegoslavië is nog iets anders dan drie dagen op bivak met een geënsceneerde vijand in het Duitse oefenkamp Vogelsang. Als je op een oefening onder vuur komt te liggen, weet je dat het losse flodders zijn. Een Thunderflash maakt veel lawaai, maar is een totaal onschadelijke oefengranaat. Wij panikeerden niet als ze op het Engelse oefenterrein Otterburn vanop de overkant hun machinegeweren in onze richting begonnen leeg te schieten. In ex-Joegoslavië panikeerden we wél.”

GUY F.: “Wij landden op de luchthaven van Sarajevo met ons losse floddergeweer, zonder munitie. Op dat moment was de Bosnische hoofdstad het walhalla voor sluipschutters, maar wij waren ons van geen kwaad bewust. De klep van de laadruimte van het vliegtuig ging open en wij wandelden daar rustig naartoe om onze bagage te zoeken. Het militaire grondpersoneel reageerde als door een wesp gestoken: ‘Vertrek onmiddellijk en zoek dekking tussen die met zand gevulde containers! Het is hier levensgevaarlijk.’ In het hoofdkamp moesten we meteen onze rugzakken pakken. Ze brachten ons naar de ruwbouw van een huis. Daar leefden we vier maanden lang met veertig man. Er waren twee chemische toiletten, maar er was geen product om de uitwerpselen op te lossen. Elke dag laadden we die tanks op een jeep om ze in de bergen te gaan lozen. Onze voornaamste bescherming bestond uit rollen prikkeldraad rond het huis. Al de eerste nacht sloegen de mortieren en artilleriegranaten vlakbij in. Het cement van het plafond donderde naar beneden. Ik zat op de rand van mijn bed en dacht: ‘Fuck, wat is dit?’”

Jullie lagen allebei regelmatig onder vuur?

PETER: “Ja, en zowel de Serviërs als de Kroaten hadden geen losse flodders bij. Er kwamen échte kogels uit hun Kalasjnikovs toen ze op ons mikten. We mogen dat niet zeggen, maar ik verzeker u: we werden beschoten. Waarom we daarover moeten zwijgen? Misschien omdat we zogezegd de vrede moesten bewaren, in plaats van ze af te dwingen? We hebben ontzettend veel geluk gehad dat we er geen mensen verloren. Al scheelde het vaak geen haar. (stilte) Ik raakte ook betrokken bij zo’n incident. Achteraf besefte ik: ‘Shit, dit had zeer slecht kunnen aflopen.’”

GUY F.: “Bij latere aanvallen vluchtten wij de straat over, waar een aantal met grond bedekte garages dienst deden als primitieve schuilkelder. Soms werden we bedreigd en één van mijn collega’s flipte. Hij laadde zijn wapen en dreigde ermee onze officier af te knallen. Met veel moeite kregen we hem tot bedaren. De officier werd niet veel later ontslagen. De bierconsumptie was gerantsoeneerd tot twee pinten per man per dag, maar hij zorgde ervoor dat de bierkraan continu open bleef staan. Zo wou hij zijn manschappen kalm houden. Alleen werkte dat averechts.”

PETER: “Ik zag ook jongens flippen. Ze moesten meteen gerepatrieerd worden. U moet niet denken dat ze die jongens terugstuurden omdat ze er psychisch onderdoor gingen. Nee, ze stuurden ze terug omwille van baldadigheden en drankmisbruik.”

Ze verdronken hun miserie?

PETER: “U mag het niet voorstellen alsof iedereen er in de drank vloog. Maar sommigen wel, om het gemis van thuis te verdoven of om de ellende waarin ze beland waren te vergeten. Het hoger kader reageerde heel slecht op doorslaande militairen. Onder vijandig vuur liggen en voortdurende stress waren ‘part of the job’, alleen is niet iedereen daartegen bestand. De frustraties kwamen soms tot een kookpunt en af en toe werd er gevochten. Iemand zei iets verkeerd en hop, het spel zat op de wagen.”

DANNY VANORMELINGEN: “Militairen die te veel dronken, stuurde ik als bataljonscommandant naar huis. Op operatie in het buitenland drink je ’s avonds best niet te veel. Ik tolereerde geen zatlappen. De regel was: twee pinten. Drie keek ik door de vingers, maar in Banja Luka bekende een jongen dat hij er tien op had. Dat kon echt niet. Ik stuurde ook militairen met andere problemen naar huis. Niet als straf, maar als hulp. Ik werd daar eerst door de top voor op de vingers getikt; later hebben ze zich daarvoor verontschuldigd. Mijn operatie in Bosnië in de winter van 1998 kwam uit de lucht vallen. De dag dat ik bataljonscommandant werd, hoorde ik dat ik vier maanden later op missie moest vertrekken. Een aantal vrouwen van mijn militairen waren zwanger. Ik stuurde die jongens naar huis om hun kind geboren te zien worden. Ik gaf mensen ook toestemming om naar huis te gaan bij overlijdens. Ik kreeg als commentaar: ‘Waarom laat je iemand naar huis vertrekken voor de begrafenis van zijn grootmoeder?’ Maar wie ben ik om te bepalen hoe sterk de band is tussen een jongen en zijn oma? Sommigen waren opgevoed door hun grootouders. Ik wou niet meemaken dat iemand ging doordraaien omdat hij geen afscheid mocht nemen van een dierbare.”

BALKANHYSTERIE

PETER: “Vrij snel nadat ik terug was uit Kroatië, begon ik te merken dat er iets mis met me was. Eén fout geïnterpreteerde opmerking en ik ging totaal uit mijn dak. Conflicten loste ik in het burgerleven op zoals in het leger: met verbale en fysieke agressie. Ik sloeg mijn kot kort en klein. Vier maanden had ik in totale isolatie samen met die veertig andere jongemannen gezeten. Het was net Big Brother en zo creëerden we een band. Die onbekenden werden broers en partners in crime. Na een tijd vielen we enkel nog op elkaar terug. Terwijl ik weg was, zorgde mijn toenmalige vrouw voor onze kinderen. Zij begreep niets van die band of brothers. De verbondenheid met mijn collega-militairen was sterker dan die met mijn vrouw. Wanneer ik terug thuiskwam, wou zij haar verhaal kwijt. Ook zij maakte ingrijpende gebeurtenissen mee, maar kon bij niemand terecht. Gezinnen van militairen op missie begeleiden, is iets anders dan af en toe een familiedag organiseren. Ik wou zo snel mogelijk weer weg. Zo hopte ik van missie naar missie. Als ik niet in ex-Joegoslavië zat, was ik ergens in Europa op militair kamp. Ik kwam thuis, stak mijn vuile was in de machine, mijn vrouw streek mijn uniform, ik stak het in mijn ransel en was weer weg. Ik begreep niets meer van het gewone, dagelijkse leven.”

GUY F.: “Na terugkomst van mijn missie naar Sarajevo kreeg ik gezondheidsproblemen. Lichamelijk was ik een wrak. Ik voelde me totaal uitgeput en kreeg last van slaapaanvallen. Tijdens een gewoon gesprek viel ik van het ene moment op het andere gewoon in slaap. Ik was een gevaar op de weg, want ik viel ook in slaap achter het stuur. De diagnose van de legerdokter luidde: ‘Gebrek aan aandacht.’ Ik werd doorgestuurd naar een psycholoog; die vond verder onderzoek niet nodig. Ik ging op eigen initiatief naar de slaapkliniek. Ik moest meteen mijn rijbewijs inleveren en kreeg medicatie om de slaapaanvallen te onderdrukken. Ik had een storing in mijn neurotransmitters. Ik ontmoette collega’s die in Bosnië gediend hadden met gelijkaardige symptomen. Ook militairen op missie in Kroatië werden ziek. Sommigen kregen kanker en overleefden dat niet. Toen werd geïnsinueerd dat verarmd uranium aan de oorzaak lag van wat toen het ‘Balkansyndroom’ werd genoemd. Alleen beweren de Amerikanen dat ze nooit uranium gebruikt hebben toen wij daar waren.”

Het Balkansyndroom werd al snel ‘Balkanhysterie’ gedoopt.

PETER: “Van in het begin koos de legerleiding ervoor haar kop in het zand te steken. Verschillende mensen uit mijn regiment overleden op jonge leeftijd. Is dat toeval of was er meer aan de hand? Een van die collega’s sliep naast me. Op dat moment blaakte hij van gezondheid. Een vrolijke levensgenieter. Hij was een paar weken thuis en hij zakte ineen. Een paar jaar later was hij dood. Achteraf bleek dat ze ons gekazerneerd hadden op chemisch verontreinigde sites. ’s Nachts moesten we tijdens beschietingen regelmatig in de schuilkelder. Later werd duidelijk dat die kelder ten tijde van het communisme een opslagplaats was voor chemische troep.”

Was de legerleiding daarvan op de hoogte?

PETER: “Dat weet ik niet. ‘De legerleiding’ zijn managers die mijlenver verwijderd zijn van de werkelijke militaire wereld. Korporaals en sergeanten interesseren hen niet; dat is maar het voetvolk, het kanonnenvlees. Een officier heeft daar niets mee te maken. De onderluitenant, de pelotons-, compagnie- en bataljonscommandanten wel, want zij zijn mee op missie. Maar hun motivatie is vaak dat zo’n buitenlandse uitstap fraai oogt op hun cv. Dat is hun toegangsticket tot de generale staf in Brussel.”

VANORMELINGEN: “Ik bracht de legertop wél op de hoogte. In 2000 sprak de personeelsofficier me aan: ‘Kolonel, deze tien militairen hebben kanker. Ze dienden in de Baranja. Dat is toch eigenaardig?’ Ik was bezig aan mijn laatste twee weken als bataljonscommandant. Ik stuurde een nota naar de legertop. Want dat was inderdaad niet normaal. Ze hadden allemaal een andere vorm van kanker. Een militaire vakbond kreeg mijn nota in handen, waarna er heisa ontstond over dat vermeende Balkansyndroom. Op het moment dat ik mijn nota schreef, was één jongen overleden. Later stierven er nog twee. Ze hadden allemaal in het kasteel van Darda overnacht. Daar hing een smurrie aan het plafond waarvan vermoed werd dat die giftig was. Ik sprak later met de generaal die verantwoordelijk was voor het onderzoek. Volgens hem was er geen enkel verband.”

GUY F.: “Zoveel jaren later is het voor mij duidelijk dat PTSS een belangrijk deel van de verklaring is voor mijn symptomen. Want we kwamen in een allesbehalve alledaagse situatie terecht. De meeste mensen die later ziek werden, waren net degenen die zich op missie grote zorgen maakten.”

Was er tijdens die buitenlandse opdrachten psychologische ondersteuning?

PETER: “Nooit. Natuurlijk maakten wij geen Vietnamtoestanden mee. De PTSS van een militair die het hoofd van zijn strijdmakker ziet exploderen, zal groter zijn dan die van ons. Ik ben blij dat ik niemand van mijn vrienden heb zien afknallen. Maar in ex-Joegoslavië kwamen wij wél in gevaarlijke omstandigheden terecht. ‘Ze gaan naar een vredeszone.’ Echt? Vogelsang was een vredeszone; in ex-Joegoslavië woedde een waanzinnige oorlog.”

GUY F.: “Toen ik in het leger ging, was ik kerngezond. Pas na die missie in Bosnië werd ik ziek. Maar de legertop weigerde te erkennen dat er een verband was. De medische dienst haalde een document boven waaruit bleek dat ik in 1980 één voorschrift had gehad voor een antidepressivum. Hun conclusie luidde dat ik voorbestemd was om ooit psychisch ziek te worden. Ik vroeg: ‘Waarom zonden jullie me dan 14 jaar later naar Bosnië?’”

VANORMELINGEN: “Op missie in Bosnië in ’98 en ’99 was er een officier mee die een master psychologie gehaald had en een aalmoezenier. Iedereen die het moeilijk had, kon bij de padré terecht. Op een bepaald moment werd er vanuit België een psycholoog naar ons gestuurd om meditaties te leiden. Maar échte opvolging nadien, was er niet. Er werd wel altijd gezegd: ‘Laat het ons weten als je problemen hebt. Dan zullen we er iets aan doen.’ Het is niet zo dat Defensie haar kop in het zand stak. Alleen was de kennis over PTSS toen niet groot.”

PETER: “Ik raakte mijn gezin kwijt door mijn agressieve gedrag als gevolg van die missies. Ik kreeg mijn compleet onvoorspelbare reacties ook aan niemand uitgelegd. Bij mijn oversten moest ik al helemaal niet aankloppen. PTSS wordt gezien als een vorm van zwakte. Misschien terecht, want op de keper beschouwd ís het ook zwakte: dat wil zeggen dat je niet geschikt bent voor je job.”

Wil dat niet gewoon zeggen dat je een traumatische gebeurtenis niet verwerkt krijgt?

PETER: “Zeker, maar van een beroepsmilitair wordt verwacht dat hij in alle omstandigheden kan opereren. Daar heeft hij ooit zelf bewust voor gekozen. Een militair zal zelden of nooit tijdens een missie tegen andere leden van de groep zeggen: ‘Ik heb het moeilijk.’ Je bent jong, fit, getraind en straalt actie uit. Dan begin je in de bar niet te kniezen: ‘Ik wil naar huis, want ik mis vrouw en kinderen.’ Ik miste mijn gezin verschrikkelijk hard. Ik heb mijn kinderen niet zien opgroeien.”

Omdat u continu bij uw wapenbroeders wou zijn?

PETER: “Omdat ik geen andere keuze had. Als infanterist moést ik op missie en al die kampen meedoen. Daar vrijstelling voor vragen, stond gelijk met als watje afgeserveerd te worden. We mochten niet onderdoen voor de para’s. De groepsdruk was gigantisch; de machocultuur in het Belgisch leger is enorm. Ik beschouwde mijn gezin niet meer als mijn thuis, maar mijn bataljon.”

VANORMELINGEN: “Ik trad altijd hard op tegen de machocultuur. Normaal wordt het kenteken op de muts gedragen boven het linkeroog. Sommigen hingen de Rambo uit en droegen het kenteken boven hun linkeroor. Ik wees hen dan terecht: ‘Hier zijn geen Rambo’s. Gedraag je normaal.’ Ik liet ook meermaals verstaan: ‘Hier wordt niet gepest. Pesters vliegen naar huis.’”

PETER: “Uiteindelijk liet ik me nog niet zolang geleden opnemen. Drie weken lang zat ik in de psychiatrie. Er zijn nog nachten dat ik badend in het zweet wakker word. Door die zaak met Jürgen komen mijn demonen uit het verleden terug. Er zijn momenten waarop ik begin te wenen. Niet alleen voor wat er gebeurd is, maar ook voor wat ik in die jarenlange nasleep anderen heb aangedaan.”

*Peter is een schuilnaam. Zijn echte naam is bekend bij de redactie. Guy F. wil liever niet met zijn volledige achternaam in Humo.

© Jan Stevens

‘Elke avond dronk ik 14 pinten en snoof ik een halve gram coke’

Jarenlang voerde schrijver en ex-scenarist Ward Hulselmans een gevecht met de drank. Toen hij stiefzoon Pieter Wachters aan alcohol en coke ten onder zag gaan, greep hij samen met diens moeder drastisch in. Ward: “We lieten Pieter vallen als een baksteen en stopten met hem liefde te geven.” Pieter: “Ik ben mama en Ward daar eeuwig dankbaar voor.”

Vijftien jaar geleden werden Ward Hulselmans (70) en Pieter Wachters (36) stiefvader en -zoon. Van die vijftien jaar herinnert Pieter zich vooral de laatste 4,5 jaar. “Zolang ben ik nuchter”, zegt hij. “De jaren daarvoor zijn troebel. Die tijdslijn reconstrueer ik aan de hand van de verloren jobs en de auto’s die ik in de prak reed.”

In het boek Morgen word ik nuchter bundelt Ward Hulselmans de brieven die hij Pieter stuurde toen die drie maanden lang ging afkicken in Zuid-Afrika. “Pieter wist niet hoe hard ikzelf met verslaving worstelde”, zegt hij. Want tijdens het schrijven van scenario’s voor succesvolle tv-reeksen als Niet voor publicatie, Heterdaad, Stille Waters, Witse en Salamander ontwikkelde Ward Hulselmans een stevig drankprobleem. “Al schreef ik altijd met een nuchtere kop. Daarom zonk ik nooit zo diep als Pieter. Zeventien jaar lang gaf ik als krantenjournalist aan de lezers de verhalen van andere mensen door. In 1989 werd ik voltijds scenarioschrijver en putte ik uit mijn fantasie. Vandaag schrijf ik alleen nog zeer persoonlijke boeken. Vroeger schreef ik heel fanatiek, waardoor ik me telkens opnieuw geestelijk uitputte. Ik zag maar één manier om mezelf weer overeind te helpen: drank. Dertig jaar lang. ’s Nachts stond ik op om bij te tanken en rond vier in de ochtend nam ik vier dafalgans om nog even te kunnen slapen. Ik dacht: misschien helpt mijn ervaring Pieter terwijl hij aan het afkicken is. Dus begon ik hem brieven te schrijven.”

Verstopte je de eerste brief in Pieters bagage, zoals je in Morgen word ik nuchter beschrijft?

Ward: “Nee, die eerste brief was een dichterlijke vrijheid. Maar alle andere verstuurde ik wel naar hem. Ik was op dat moment niet van plan om daar ooit een boek van te maken. Ik wou alleen Pieter helpen. Die brieven bleven vervolgens in de schuif liggen. In 2020 verscheen Enkele reis realiteit, mijn eerste persoonlijke boek. Nogal wat mensen voelden zich daardoor aangesproken en trokken aan mijn mouw. ‘Je hebt misschien nog ervaringen die anderen kunnen helpen. Schrijf daar ook over.’ Ik hield de boot af. Nu is het er toch.”

Pieter, wat vind jij van het boek?

Pieter: “Ik kende het werk van Ward van op tv, maar ik had nooit iets van hem gelezen. Ik las helemaal niets. Plots stuurde hij me teksten van zijn hand. Dat was een ontdekking. Zijn brieven hielpen me even ontsnappen aan de realiteit dat ik in Kaapstad zat om af te kicken. Voor het eerst begreep ik dat er ook buiten Netflix nog fantasie bestond. Het was fijn om te verdwalen in de verhalen van iemand die ik dacht te kennen. Ward, de man die bij ons thuis kwam, mijn moeder hielp en ook mij probeerde te helpen. Mama was altijd zo heel lief voor mij, terwijl ik zoveel mogelijk van haar stal. Ik kwam daar allemaal mee weg.”

Je bestal je moeder?

Ward: “Dat deed hij zeker. Van mij heeft hij nooit iets gepikt.”

Pieter: “Omdat ik heel goed wist tot waar ik kon gaan. Ooit ging ik er zonder vragen met Wards auto vandoor, naar vrienden om de hoek. Hij belde me en ik was door dat telefoontje zo van mijn melk dat ik die avond niets gebruikt heb. Eerst klonk hij heel rustig, maar dan schoot hij uit zijn krammen. ‘Maak dat je terug bent!’ Ik was snel weer thuis. Ward begroette me zo innemend dat ik dacht: ‘Wat is dit?’ Ik trok naar mijn kamer en raakte de rest van de avond geen drank of drugs meer aan. Vanaf dat moment wist ik: van Wards spullen blijf ik best af.”

Je moeder bleef je wel bestelen. Had ze het niet door of tolereerde ze het?

Ward: “Ze miste altijd dingen. Alles drukte Pieter achterover.”

Pieter: “Jij zag hoe ze reageerde, ik niet, want ik was dan weg.”

Ward: “Na een tijd werd er niet meer gereageerd.”

Pieter: “Ik was mijn eigen leugens beginnen geloven.”

Ward: “Je hield jezelf voor de gek, zoals elke superverslaafde. Zo ver zat ikzelf gelukkig niet. Jij manipuleerde niet alleen jezelf, maar ook de mensen uit je omgeving. Alles stond bij jou in het teken van de volgende bak bier of de volgende lijn coke. Je trok je van de gevolgen geen bal aan. Je was ook heel geslepen. Toen je dan uiteindelijk écht om hulp vroeg, wisten wij: Pieter moét weg, hier ver vandaan. Want in een lokaal afkickcentrum in de buurt zou je binnen de kortste keren opnieuw alles en iedereen beginnen manipuleren. Daarom stuurden we je naar het andere eind van de wereld. Zonder geld, zodat je er niet weg kon. Ik hoopte dat het strenge regime je structuur in je leven zou geven. Maar ik hoopte ook dat je overweldigd zou worden door de prachtige Zuid-Afrikaanse natuur, waardoor je zou beseffen dat er iets is dat veel groter is dan jij.

“De eerste maanden mochten we af en toe Skypen. Je zei dan altijd dat alles oké was. ‘Ik kom snel terug naar huis.’ Achteraf keken je moeder en ik elkaar aan en we schudden ons hoofd. Nee, het was niet oké.”

Pieter: “Ik kan het me zo voorstellen: hoe jullie van zodra het scherm op zwart ging, tegen elkaar zeiden: ‘Pieter is er nog lang niet.’”

Ward: “Ja, en dan vonden we: ‘Er moet zeker nog een maand bij.’”

Pieter: “Mijn Zuid-Afrikaanse therapeuten vroegen me vervolgens: ‘Wat denk jij Pieter? Misschien nog een maand extra?’ Ze gaven me het gevoel dat het mijn eigen keuze was. (lacht)”

Hoe raakte je ooit verslaafd, Pieter?

Pieter: “Het is begonnen met een jointje. ‘Dat kan geen kwaad’, geloofde ik. ‘Dat hou ik wel onder controle.’ Want cannabis was iets ‘natuurlijks’. In het begin leek het ook alsof ik ermee overweg kon. Maar gaandeweg werd blowen een automatisme. Ik verloor de controle.”

Ward: “In de jaren 1980 ging ik als journalist in Amsterdam een week lang op stap met professionals die heroïnejunkies trachten te helpen. Een van die hulpverleners zei me: ‘Na al die jaren vind ik een heroïneverslaving niet meer zo erg. Het klinkt wellicht hard, maar ze zijn meestal toch een vogel voor de kat. Veel erger is de algemene versuffing door cannabis onder tienerjongens en -meisjes.’”

Pieter: “Toen al?”

Ward: “Ja, ik stond als aan de grond genageld.”

Pieter: “Lang geloofde ik dat blowen niet aan de basis lag van mijn afdaling in de hel. Niet dat het de schuld van alles is, maar cannabis legde wel het fundament voor mijn continue verlangen naar een roes.”

Die roes zocht je met cocaïne en drank?

Pieter: “Alcohol en cocaïne gingen hand in hand. Het ene is een upper, het andere een downer. Daar kon ik heel lang op teren.”

Jij wist niets van Wards worsteling met drank?

Pieter: “Als verslaafde herkende ik bepaalde handelingen. Ik zag hem een glas drinken en kreeg soms het gevoel dat ik naar het topje van de ijsberg keek. Ward was de eerste die ik belde toen ik op de bodem van de hel zat. Ik zei: ‘Jullie weten veel over mijn drankmisbruik, maar er is ook nog cocaïne.’”

Je moeder en stiefvader wisten lang niet dat je ook aan de coke zat?

Pieter: “Nee, en die verslaving was minstens even erg als de alcohol. De drank was míjn top van de ijsberg. Ik raakte razendsnel verslingerd aan de coke. Mijn cannabisdealer had altijd cocaïne bij. Hij legde zichzelf een lijntje en vroeg: ‘Jij ook?’ ‘Nee, daar begin ik niet aan’, antwoordde ik. Tot ik iemand anders een lijn zag snuiven en vroeg: ‘Mag ik ook eens?’ Dat was meteen het beste wat ik ooit meemaakte. Ik ben vrij stil van aard en plots werd ik een spraakwaterval. Een week later kocht ik mijn eerste gram.”

Ward: “Toen ik in Pieter zijn leven kwam, zat ik nog aan de drank. We hebben net samen een wandeling van drie kwartier naar hier achter de rug, en heel de tijd haalden we herinneringen op. Dat gebeurt elke keer opnieuw als we elkaar ontmoeten. Met een verslaving ophouden, is als verdriet. Telkens weer moeten we daarover praten.”

Omdat een leven in nuchterheid aanvoelt als verlies? De roes is weg en er is enkel nog de harde waarheid?

Ward: “Toch niet. Het is bij elkaar naar bevestiging zoeken dat het door ons gekozen pad het juiste is. Verslaving is zo verdomd ingrijpend. Zoveel jaar later raak ik daar af en toe nog door geëmotioneerd: ‘Waarom dronk ik toen toch zoveel?’ Ik zakte soms heel diep. ’s Morgens zat ik dan ziek op het toilet te jammeren: ‘Nooit meer.’ Ik meende dat ook. Maar ’s avonds zag de wereld er weer anders uit. ‘Vanmorgen voelde ik me wat slapjes; nu ben ik terug het heertje.’”

Heb je de alcohol helemaal afgezworen?

Ward: “Nee, ’s middags en ’s avonds drink ik bij het eten nog een glas wijn. Het is niet zo dat ik opnieuw verloren ben als ik een glas durf te drinken. Ik zonk nooit zo diep als Pieter, misschien omdat ik meer verantwoordelijkheden had. Ik kon mijn drankzucht in de mate van het mogelijke beheersen.”

Maar op die momenten dat het niet lukte, zoop je je lam?

Ward: “Dan was ik weg. En elke keer opnieuw zweerde ik op mijn communieziel: ‘Dit was de allerlaatste keer.’”

Pieter: “Morgen word ik nuchter is daarom de perfecte titel voor Wards boek. Ik ken intussen heel wat ‘gelijkgezinden’ over de hele wereld, en iedereen had hetzelfde mantra: ‘Morgen stop ik.’ Veertien jaar lang werd ik elke ochtend wakker met een kater. Ik lag dan te bleiten in bed, met een halve lijn coke op het nachtkastje en een lege fles naast het bed. ‘Dit nooit meer.’”

Ward: “Als de spijt het overneemt, geloof je dat je nuchter een ander mens zal zijn. Alleen is dat niet zo.”

Want dan is de magie weg?

Pieter: “Precies. Je wordt dan geconfronteerd met jezelf en denkt: ‘Is dit alles?’ Dus drink je bier en snuif je coke tot je jezelf terug een topkerel voelt.”

Ward: “Ik probeerde al drinkende het perfecte punt te bereiken: dat ultieme niveau waarop ik het beste functioneerde. Maar eens dat magische punt bereikt, stampte ik het totaal om zeep.”

Is het een drang tot zelfvernietiging?

Ward: “Bij mij niet. Ik kende mijn plaats in de wereld niet. Het leek alsof alle andere mensen wél zichzelf waren en in het bezit waren van de juiste code. Alsof zij hun verleden kenden en wisten waar ze naartoe gingen. Alsof zij wisten hoe ze zich moesten gedragen. Ik heb nog altijd het gevoel dat ik die code niet heb. Dat zorgt voor frustratie. Drinken is een makkelijke weg om dat onbehagen te onderdrukken. De schroom om gewoon te leven smelt dan weg als sneeuw voor de zon.”

Pieter: “Ik had een God-complex. Het heelal draaide alleen rond mij. Ik kroop in mijn eigen wereld en alcohol en coke versterkten dat gevoel. Door de drank en drugs kon het me niet schelen wat ik mama en Ward aandeed. Ik had geen enkel schuldgevoel toen ik moeders bankkaart pikte. Ik lag er niet van wakker toen ik opnieuw een job verloor. Dat gevoel alleen op de wereld te zijn, werd alleen maar groter. Een knuffel zei me niets meer. Een ongeval met de auto maakte totaal geen indruk op me. Een straf gleed van me af als water van een eend. Seks vond ik te veel moeite en verdween totaal uit mijn leven. Alleen coke en alcohol interesseerden me nog. De drugs palmden mijn hele gevoelswereld in.”

Ward: “Je zat ook altijd alleen.”

Pieter: “Ja, dat is zo typisch voor verslaafden: ze trekken zich op hun kamer terug. In het begin zei ik tegen vrienden met wie ik samen dronk: ‘Dit hou ik vol voor altijd.’ Ik geloofde echt dat ik een sociale mens was. Op het einde trok ik me totaal terug. Want met anderen op café drinken, was saai. Het gewone dagelijkse leven werd de meest vervelende ervaring ooit. Mijn lichaam reageerde op geen enkele prikkel meer. Er was alleen die nooit aflatende behoefte aan alcohol en coke. Ik dronk geen pinten meer voor het genot. Ik had ze nodig om me niet zo ellendig en depressief te voelen.”

Alcohol was jouw antidepressivum geworden?

Pieter: “Daar leek het op, ja. Ik moést drinken en ik wist niet waarom. Heel lang had ik niet door dat ik een dwangmatig gebruiker was. Ik bleef mezelf wijsmaken: ‘Als ik wil, stop ik.’

“Coke was even makkelijk te bestellen als een pizza. Ik had nummers van verschillende dealers verspreid over de stad. Ik ben er zeker van dat de service er de voorbije vier jaar nóg op vooruit gegaan is. Indertijd werd ik al netjes thuis beleverd. Mijn dealer deed alsof hij mijn vriend was. Hij kwam FIFA spelen en een paar lijnen leggen in het huis waar Ward en mama vier uur later arriveerden.

“Elke avond dronk ik 14 pinten en snoof ik een halve gram coke om te kunnen slapen. Soms zat de combinatie niet goed en raakte ik toch niet in slaap. Ik lag te woelen in bed en wist: slapen lukt niet. Ik moest dan op zoek naar nog een fles drank. Soms was er alleen rode wijn: hét recept voor een smerige kater. Elke morgen at ik eitjes met een stevige teen look in. Ik poetste uitvoerig mijn tanden, was gul met de deo en stak mijn mond vol kauwgom. Vervolgens stapte ik ergens binnen en zag ik mensen hun hoofd wegdraaien als ik sprak.”

In Morgen word ik nuchter ondertekent Ward de brieven naar Pieter met ‘Thomas’. Waarom?

Ward: “Het boek is een mengeling van fictie en non-fictie. Ik put uit eigen ervaringen, maar wat in Morgen word ik nuchter precies feit of fantasie is, laat ik in het midden. Wel helemaal realistisch is het grote geheel waarin alles zich afspeelt: dat we jaren moesten leven met de collateral damage van Pieters allesvernietigende verslaving. Al die jaren wilden we hem helpen omdat we hem graag zien. Maar dat werkte averechts: onze liefde hield de verslaving enkel in stand. Een verslaafde is heel geslepen: hij kent al je zwakke plekken en profiteert daar genadeloos van. Tot die dag dat we hem lieten vallen als een baksteen. Niet veel later vroeg hij me om hulp.”

Pieter: “Zonder dat ze het wilden, maakte ik hen medeplichtig en afhankelijk. Mama en Ward konden vreselijk kwaad worden op Pieter de alcoholist, maar twee dagen later stond diezelfde Pieter fris en monter uitgebreid voor de hele familie te koken. ‘Nog een wijntje, Ward?’ Stiekem had ik dan al een fles porto uit.”

Door je te laten vallen, zonden ze je het signaal: nu is het menens?

Pieter: “Het is heel goed dat ze dat gedaan hebben. Ze bliezen alle bruggen op en sloten alle wegen af. Jarenlang kon ik mijn moeder vanalles wijsmaken, al geloofde ze me niet altijd. Duizenden keren zei ze: ‘Ik zet je valies klaar.’ Alleen deed ze dat nooit. Na een tijd kwam ze steeds minder naar huis en bleef ze zo lang mogelijk bij Ward. Ik vond dat prima, want dan kon ik mijn zin doen. Op een keer kwam ze de keuken binnen. Ik riep haar toe: ‘Hey mama, ik ga koken, waar heb je zin in?’ Ze keek me aan met een blik in haar ogen die ik nooit eerder gezien had. Ze zei: ‘Ach jongen, het kan me niet meer schelen.’ Ze draaide zich om en verdween. Ik voelde dat ze het meende. Vanaf dat moment begon er iets in mij te sterven.”

Ward: “We stopten met liefde te geven en zorgden ervoor dat er geen cent meer te vinden was.”

Pieter: “Het klinkt misschien gek, maar daar ben ik jullie heel erg dankbaar voor. Ik had zolang op jullie liefde geteerd. Tot duidelijk werd dat jullie écht niet meer in me geloofden. Zelfs de vrouw die mij op de wereld gezet had en me altijd onvoorwaardelijk graag gezien had, kon het niet meer schelen. Dat kwam hard aan.”

Ward: “Voor het eerst in je leven besefte je dat je jezelf aan het voorliegen was. Je moeder had je een spiegel voorgehouden.”

Pieter: “De kracht vloeide uit me weg. Toen ik Ward belde, wou ik niet meer leven. Alleen was ik niet sterk of moedig genoeg om er zelf een einde aan te maken. Ik heb wel verschillende afscheidsbrieven geschreven en ik fantaseerde hoe ik met mijn auto tegen een boom knalde. Ik kon het niet en eerlijk gezegd wou ik het ook niet. Ik was vanbinnen aan het sterven.”

Waarom belde je naar Ward?

Pieter: “Die bewuste avond was ik zoals elke avond bezig aan mijn dieet van alcohol en coke. Op een krantensite las ik een artikel waar ik hevig van schrok. Er stond dat langdurig cocaïnegebruik de hartkamers doet krimpen. De drug bleek een stille doder te zijn. Al zag mijn lichaam er op dat moment redelijk goed uit; ik was geen uitgemergelde junkie. Ik belde Ward en vertelde hem dat ik ook aan de coke zat. Hij reageerde rustig. Ik haakte in en voelde even opluchting. Meteen daarna sloeg ik in paniek: ‘Wat heb ik nu gedaan?’ Ik nam mijn telefoon en begon een bericht te tikken: ‘Ward, het was maar…’ Ik aarzelde. De ene stem in mijn hoofd zei: ‘Wees blij dat je het eindelijk hebt uitgesproken.’ De andere stem fluisterde: ‘Je gaat er toch niet mee kappen?’ Die sms heb ik nooit verstuurd, maar die avond en de dagen erna heb ik wel zoveel mogelijk gesnoven en gezopen.”

Ward: “Meteen na Pieters telefoon schoten wij in actie. We wisten: hij moét weg. Tien dagen later zat hij op het vliegtuig naar die ontwenningskliniek in Zuid-Afrika.”

Pieter: “Als je echt wil afkicken, moet je radicaal kappen met mensen, plaatsen en dingen die gelinkt zijn aan je verslaving. Het land Zuid-Afrika trok mij finaal over de streep. Ik dacht: ‘O, het strand, zalig.’ Wist ik veel.”

Raakte je er overweldigd door de natuur, zoals Ward hoopte?

Pieter: “Ja, Ward had dat goed ingeschat. Ik was nog nooit in Zuid-Afrika geweest en kwam ’s nachts in Kaapstad aan. Ik had het adres van het centrum op voorhand gegoogeld. Door het jarenlange drinken en snuiven, had ik maar weinig kennis verzameld. Ik kende helemaal niets. Op het vliegtuig dronk ik vier glazen wijn, evenveel gin-tonics en daarna stortte ik me op de Zuid-Afrikaanse likeur Amarula. In mijn notitieboekje noteerde ik: ‘Die Amarula is wel lekker. Moet ik kopen als ik terug thuis ben.’ Op weg naar de rehab besefte ik niet eens dat het mijn definitieve afscheid van alcohol en cocaïne zou worden. ‘Ik ga ontnuchteren’, geloofde ik. Dat was niet hetzelfde als stoppen. Die eerste ochtend in Kaapstad trok ik het gordijn open. Ik dacht: ‘Wat is dat?’ Ik zag een rare berg in de vorm van een gigantische tafel.”

Ward: “De Tafelberg. (lacht)”

Hoe ging het er in de afkickkliniek aan toe?

Pieter: “Het was keihard werken. Ik werd omringd door medeverslaafden en therapeuten en kwam er met niets meer weg. Regelmatig kreeg ik te horen: ‘Stop bullshitting the bullshitter, Pieter.’ De drie belangrijkste begrippen die ik er leerde, waren: ‘eerlijkheid, openheid van geest en bereid zijn tot’. Het duurde een maand vooraleer ik ook bij mijn therapeuten ‘brak’. Die eerste dag stapte ik mijn kamer uit, de gang op. Daar passeerde het mooiste meisje dat ik ooit gezien had. Mijn hart maakte een vreugdesprong en ik dacht: ‘Het is hier een sportkamp.’ De eerste maand speelde ik het behulpzame typetje en sloofde ik me uit. In elke sessie vroeg therapeute Lindsey: ‘Pieter, how are you?’ Waarna ik begon te ratelen hoe fantastisch alles was. Ze luisterde en zweeg. Tot ik na vier weken zei: ‘Ik weet het niet. Wat moet ik doen?’ Ze keek me aan en sprak de gevleugelde woorden: ‘Aha, you’re coming for a question this time.’ (lacht) Ze zei: ‘Probeer niet zoveel meer te overdrijven en te liegen.’ Dat was het begin van de verandering. Ik ontdekte dat ik eerlijk moest leren zijn voor mezelf. Want dat kon ik niet meer.”

Ward: “Soms vragen we ons allebei af: wat is het leukste aan niet meer drinken? Dan antwoorden we altijd allebei: ‘Nooit meer moeten liegen.’ (lacht) Gewoon jezelf kunnen zijn en niet langer al die nieuwe constructies aan leugens moeten blijven onthouden. Dat is een gigantische opluchting.”

Ben jij ooit in therapie geweest?

Ward: “Nee. Mijn leven lang al word ik achtervolgd door de dood. Mijn broer, zus, mijn kinderen. Al die mensen rond me stierven. Maar die overlijdens speelden geen rol in mijn drankmisbruik. Nooit. Drank maakte gewoon deel uit van het ritme waarop ik leefde en schreef. En ik dronk omdat ik mijn plek niet vond. Van zodra ik die plaats min of meer wél gevonden had, nam het drinken geleidelijk af. Die eerste avond dat ik in slaap geraakte zonder eerst whisky te moeten zuipen, was een bevrijding.

“Ik verloor mijn zoon toen hij twintig was. Tien jaar later stierf mijn dochter. Ik kon niet meer dezelfde lucht inademen. Onmiddellijk na haar begrafenis ben ik vertrokken. Ik liet alles in de steek en verhuisde naar Wallonië. Daar begon het langzaamaan te helen. Ook dankzij Pieters moeder. Al flakkert het net als bij een veenbrand af en toe nog wel eens op.”

Pieter: “Ward had een reden om te drinken. Ik niet. Ward was een ‘functionerende alcoholist’: iemand die ondanks zijn verslaving zijn job perfect blijft uitvoeren.”

Ward: “Amper 10 procent van de verslaafden raakt er uiteindelijk net als Pieter ook vanaf.”

Pieter: “Ja, maar de meeste mensen raken níet verslaafd. Dat mogen we toch ook niet uit het oog verliezen. Ze drinken een periode veel, blowen cannabis of snuiven coke en beseffen op een keer: ‘Het wordt iets te hevig. Tijd om ermee te kappen.’ Waarna ze er ook écht een punt achter zetten, net zoals al die mensen die op een bepaald moment stoppen met roken. Dat is een heel natuurlijk proces, waar te weinig aandacht voor is. De schijnwerper wordt altijd meteen op de uitzonderingen gericht: op mensen zoals ik die de grens oversteken, nooit genoeg hebben en er niet zelf mee kunnen ophouden.”

Hoe gaat het nu met jullie?

Pieter en Ward: (in koor) “Heel goed.”

Pieter: “Ik stond een half jaar droog en begon te voelen wat het betekent om iemand een knuffel te geven. Die eerste keer lekker eten, dat eerste diepgaande gesprek, die eerste keer nuchter verliefd worden: al die ‘nieuwe’ ervaringen gaven me een duw in de rug. Ik begon opnieuw te studeren, een bachelor toegepaste psychologie. Nu geniet ik volop van alle nieuwe ervaringen en emoties, al geef ik toe dat er ook slechte dagen zijn. Dat is geen ramp, want ook dat heb ik moeten leren: er is niets mis met af en toe ongelukkig zijn.”

Ward: “Het was heel spannend voor ons toen Pieter een tijdje na zijn terugkeer uit Zuid-Afrika alleen ging wonen.”

Pieter: “Ook voor mij. Ik moest in deze samenleving nuchter leren zijn. Dat was veel makkelijker in dat strenge regime in Kaapstad. Alles werd daar voor me geregeld. De laatste week in rehab sloeg de schrik me om het hart. ‘Wat wordt het in het boze België?’ In februari landde ik op Zaventem. In Zuid-Afrika was het zomer en hier was het nat, kil en koud. Ik zocht werk dat ik niet mee naar huis moest nemen en werd orderpicker in een magazijn. ’s Avonds ging ik sporten en daarna kroop ik braaf in bed. Het eerste jaar legde ik mezelf die saaie routine op en ging ik geen relaties aan. Het had geen zin me met iemand te verbinden, ik was immers nog op zoek naar mezelf.”

Wordt de verleiding naar drank en drugs niet heel groot als je alleen leeft?

Pieter: “Ik heb na mijn terugkeer nooit dat vreselijke verlangen naar drank en coke gehad. Ik werk nu in een sportclub waar ik zelfs af en toe achter de bar sta en dat is geen enkel probleem. Ik worstelde wel met hardnekkige gedragsverslavingen.”

Ward: “Zoals: schoenen en kleren kopen, reizen, fitness, eten en het geld door ramen en deuren smijten. Op een bepaald moment zei hij opgewekt: ‘Ward, weet je hoeveel ik aan reizen heb uitgegeven? 10.000 euro!’ Ik was pissed.”

Pieter: “Ik dacht toen dat je blij zou zijn met mijn hervonden joie de vivre. (lacht) Dus ja, die gedragsverslavingen probeer ik te bedwingen. Al is het verzamelen van sportschoenen toch heel wat onschuldiger dan coke snuiven. Ik weet ook dat ik moet oppassen voor mogelijke tegenslagen. Ik mag die niet in mijn eentje proberen oplossen en moet op tijd hulp inroepen. Daar hebben ze me in Kaapstad voor gewapend: ‘Praat op tijd met anderen. Ga sporten. Lees een boek. Mediteer.’ Een zelfhulpgroep zoals de AA levert fantastisch werk.”

Ward: “Het twaalfstappenprogramma van de AA is gebaseerd op generatielange ervaring in het omgaan met verslaving. Ook veel andere zelfhulporganisaties maken er gebruik van en ook ik val er op terug.”

Volg jij bijeenkomsten van de AA?

Ward: “Nee, maar veel lotgenoten hebben daar wel veel aan. Kijk naar beroemdheden zoals Elton John of Anthony Hopkins: al decennialang zijn zij nuchter dankzij de AA.”

Pieter: “De bijeenkomsten van een zelfhulpgroep ondersteunen ook mij, net als de hulp van mama, Ward en iedereen die me graag ziet, zoals die oom bij wie ik altijd terecht kan. Mijn therapeuten in Kaapstad waarschuwden me: ‘Vrienden en kennissen hebben na verloop van tijd minder in de gaten dat jij die strijd voert.’ Gelijkgezinden in een zelfhulpgroep blijven zich daar altijd van bewust.”

Ward: “Pieter is mijn zelfhulpgroep. Een paar weken geleden belde ik hem. ‘Ik moet je iets vertellen. Daarnet stond ik voor een nachtwinkel en ik heb het niet gedaan.’”

Pieter: “Er is een speciale band tussen ons. Maar toen ik nog gebruikte, zei mama vaak: ‘Ward komt niet, hij kan je even niet horen of zien.’ Verbeter me als ik fout ben, Ward, maar in die tijd walgde je soms van me. Je zag hoe ik door mijn drank- en drugsmisbruik mama ongelukkig maakte.”

Ward: “We leefden in heel moeilijke omstandigheden, Pieter.”

Pieter: “Zeker, al waren er ook betere momenten. Als ik een paar dagen niets had achterovergedrukt, eens geen auto in de prak had gereden, net een nieuwe job had versierd en helemaal up was, kookte ik voor jullie, reed ik het gras af, kwam ik een paar dagen op tijd naar huis en waste ik jouw auto. Eén avond zaten we dan gezellig samen en maakten we grapjes. Tot ik het opnieuw verknoeide en de walg bij jou terug de overhand nam. Die walging is nu helemaal weg en ingeruild voor een échte relatie.”

Zijn jullie bang om te hervallen?

Pieter: “Als ik nee antwoord, lijkt het alsof ik mijn verslaving te weinig ‘respecteer’. Maar ik weet wat ik moet doen om nuchter te blijven. Ik weet ook wat ik moet ondernemen wanneer het mis dreigt te gaan.”

Ward: “Ik ben niet bang om te hervallen, ook al stond ik dan twee weken geleden voor die nachtwinkel. Een half jaar geleden stond ik daar ook. Bij aankomst thuis was de fles toen leeg. Maar deze keer kocht ik niets en belde ik Pieter. Ik heb er vertrouwen in dat het zal blijven lukken, want wat ik nu heb, wil ik niet kwijt. Nooit meer.”

Ward Hulselmans, Morgen word ik nuchter, Manteau, 160 blzn, 22,99 euro

 © Jan Stevens

‘Ik vergeet niets en vergeef niemand’

Vijf jaar geleden verloor Antoine Leiris zijn vrouw Hélène bij de aanslag op de Parijse concertzaal Bataclan. “Sindsdien is november de wreedste van alle maanden.”

Op vrijdag 13 november 2015 lieten 130 mensen het leven in terreuraanslagen verspreid over Parijs. Eén van hen was de 35-jarige visagiste Hélène Muyal-Leiris. Die horroravond ging ze naar een concert van de Amerikaanse band Eagles of Death Metal in de concertzaal Bataclan. Haar man Antoine Leiris bleef thuis bij hun 17 maanden oude zoontje Melvil. De maandag erna zag hij haar voor het allerlaatst terug achter glas in het mortuarium. “Ze was even mooi als ze altijd is geweest.”

Diezelfde dag postte hij op Facebook een brief aan de terroristen die zijn vrouw hadden vermoord. “Jullie zullen mijn haat niet krijgen”, schreef hij. Zijn boodschap ging wereldwijd viraal. Uit die brief groeide het aangrijpende boekje Mijn haat krijgen jullie niet, waarin hij de eerste twaalf dagen zonder Hélène beschrijft.

Precies vijf jaar later ligt Het leven, daarna in de boekhandel, het tussen wanhoop en hoop zwevende verslag van zijn leven na ‘les évenements’ of ‘de gebeurtenissen’. Want zo omschrijft hij met warme, zachte stem het twintig minuten durende salvo dat drie terroristen afvuurden vanop het balkon op de weerloze concertgangers.

Het voorbije half jaar leek de door de radicale islam geïnspireerde terreur in de straten van Parijs te zijn verdrongen door corona. Tot de dag van dit interview de 18-jarige Tsjetsjeense jihadist Abdullah Anzorov de 47-jarige geschiedenisleraar Samuel Paty onthoofdt voor het tonen van cartoons van de profeet Mohammed.

Antoine Leiris: “Dit vreselijke bloedvergieten blijft totaal onaanvaardbaar. Voor alle duidelijkheid: ik heb geen enkel probleem met de religie islam, alleen met de politiek-fundamentalistische variant ervan. Het is niet omdat ik Mijn haat krijgen jullie niet schreef, dat ik vind dat we daders moeten vergeven, of dat we hun daden moeten vergeten. Ikzelf vergeet niets en vergeef niemand. Gewelddadig religieus fundamentalisme moét keihard aangepakt worden.”

De Franse overheid reageert te laks?

Leiris: “Wat ik vind van de aanpak van onze bewindslui hou ik liever voor mezelf. Ik werd ongewild en ongevraagd ervaringsdeskundige van wat een terreuraanval betekent voor de geliefde van een slachtoffer. Over wat dat bij mij aanrichtte, schreef ik mijn twee boeken. Hoe we fundamentalistische terroristen moeten bestrijden, laat ik over aan anderen. Daar ben ik geen expert in.”

In Het leven, daarna brengt u het relaas van u uw persoonlijke tocht van de jaren na de aanslag op de Bataclan.

Leiris: “Er is een tijd voor en een tijd na de aanslag. Ervoor was ik de man van Hélène en samen waren wij de ouders van Melvil. Erna was ik weduwnaar en Melvils alleenstaande vader. In één klap werd ik me bewust van de smalle kloof tussen leven en dood. In zeer moeilijke omstandigheden moest ik proberen uitvlooien hoe ik mijn nieuwe rol zou invullen. Wat betekende mijn vaderschap na de moord op Hélène?

“Ik ging in die periode ook op zoek naar wie mijn vader was, en welke rol hij in mijn kindertijd speelde. Hij is gestorven, net als mijn moeder. Ik ben een wees. In de jaren na ‘de gebeurtenissen’ probeerde ik als vader te leren leven met al die dode zielen.”

De Nederlandse vertaling Het leven, daarna is net verschenen, terwijl het Franse origineel La vie, après dateert van oktober vorig jaar. Moet er niet nog een extra hoofdstuk over het voorbije jaar bij?

Leiris: “Misschien schrijf ik dat extra hoofdstuk later, als Melvil een paar jaar ouder is. Nu is het daar te vroeg voor.

“Mijn eerste boek Mijn haat krijgen jullie niet schreef ik in de dagen na 13 november 2015. Daarna begon ik aan een roman te werken. Want romanschrijver worden, is mijn ultieme ambitie. Ik zette de grove lijnen voor dat fictieve verhaal uit en schreef de eerste bladzijden. Tot ik merkte hoe ik er voortdurend stukken uit mijn eigen leven in smokkelde. Het was alsof ik mijn eigen bestaan verdronk in fictie. Dat leidde nergens toe en dus besloot ik om eerst dat boek te maken over mijn leven na de aanslag. Pas daarna kon ik aan mijn roman beginnen. Daar ben ik nu ook volop mee bezig.”

U moest eerst een hoofdstuk afsluiten?

Leiris: “Precies. Mijn haat krijgen jullie niet werd door regisseur Benjamin Guillard bewerkt tot een toneelstuk en ging in het najaar van 2017 in het Parijse Théâtre du Rond-Point in première. Raphaël Personnaz, acteur en stand-upcomedian, kroop in mijn huid. Hij zette een volmaakte vader neer, een trieste weduwnaar die op een perfect ontroerende wijze voor zijn zoontje zorgt. Ik ging naar dat stuk kijken en zag een man op de scène die ik niet langer herkende. Hij leek op mij, maar hij was me niet meer. Ik was veranderd, geëvolueerd. Ik zag hoe de Antoine Leiris van Mijn haat krijgen jullie niet een personage was geworden.”

Dat ‘personage’ Antoine Leiris, schrijver van die indringende Facebook-post na de aanval op de Bataclan, wou u niet langer zijn?

Leiris: “Dat is te sterk uitgedrukt. Het was niet zo dat ik die Antoine Leiris niet meer wou zijn, ik was gewoon veranderd. Met Het leven, daarna neem ik afscheid van de in de tijd bevroren Antoine Leiris uit de maanden na de aanslag. Via dat tweede boek stap ik in het échte leven, zonder nog naar dat personage van vroeger te moeten verwijzen.”

U hoopt zo met een schone lei te kunnen beginnen?

Leiris: “Nee, dat wil ik niet. Want het leven gaat gewoon verder en het verleden kan niet gewist worden. Ik ben nu blijvend op zoek naar het evenwicht tussen een nieuw, lichter bestaan en die zware souvenirs van vroeger. Dat is best ingewikkeld.

“Of ik bang ben dat ik de rest van mijn bestaan vereenzelvigd zal worden met Antoine Leiris, de weduwnaar van na de Bataclan? Nee, al kan ik heel goed begrijpen dat buitenstaanders me nu zo zien. Terwijl ik in werkelijkheid een veel complexer mens ben. Familie en vrienden weten dat mijn identiteit niet alleen bepaald wordt door 13 november 2015 en alles wat daarna kwam. Zij kennen de Antoine Leiris met wie ze opgroeiden, de Antoine Leiris van in de middelbare school, de Antoine Leiris van op het werk… Mijn hele wezen wordt vandaag niet enkel en alleen bepaald door ‘de gebeurtenissen’. Als ik nu in mijn kantoor aan een scenario zit te vijlen, ben ik niet Antoine Leiris, de weduwnaar, maar Antoine Leiris, de scenarist. Toen ik samen met mijn uitgeefster Het leven, daarna voorstelde, was ik Antoine Leiris, de man die net een nieuw boek geschreven had.

“Natuurlijk blijven ‘de gebeurtenissen’ voor altijd deel van mijn persoonlijke geschiedenis. Ik begrijp ook heel goed dat mensen daar vragen over stellen en probeer daar dan op te antwoorden. Dat stoort me zelfs niet, integendeel.”

Was het schrijven van Het leven, daarna therapeutisch?

Leiris: “Toch niet, maar dit boek moést er eerst komen, om daarna met iets nieuws van start te kunnen gaan. Schrijven is al heel lang een vast onderdeel van mijn bestaan. De literatuur en het geschreven woord zijn zeer belangrijk voor mij en romanschrijvers staan op het hoogste schavot. Vóór ‘de gebeurtenissen’ had ik nooit plannen om iets over mezelf op papier te zetten. Ik heb lang als cultuurjournalist bij Radio France gewerkt en ken de vaak bedenkelijke kwaliteit van dat soort van bekentenisliteratuur. Na 13 november 2015 vond ik dat ik wel iets over mezelf kwijt moest. Dat is met Het leven, daarna voorlopig afgesloten. Vanaf nu wil ik samen met mijn zoon Melvil verder een leven in de luwte leiden. Ik keer ook terug naar de schaduw om die roman eindelijk te kunnen afwerken.”

Bent u ooit in therapie geweest?

Leiris: “Nee, al had ik het misschien beter wel gedaan. (lachje) Ik probeer mijn negatieve gedachten onder controle te houden en te transformeren in andere, positieve dingen. Maar ik erken dat therapie heilzaam kan zijn. Nu nog niet, misschien later. Of misschien nooit. Ik weet het niet.”

Is het moeilijk voor u om te vertellen hoe u die avond van 13 november 2015 beleefde?

Leiris: “O ja, dat blijft vreselijk moeilijk. (stilte) Melvil sliep en ik las een boek, in afwachting van de terugkomst van Hélène. Rond half elf kreeg ik een sms van een kennis: ‘Hoi, gaat alles goed? Zijn jullie thuis?’ Ik antwoordde niet, zoals ik eigenlijk nooit doe op nietszeggende sms’jes. Maar die telefoon bleef trillen. ‘Zijn jullie veilig?’ Ik legde mijn boek opzij en zette de tv aan. ‘Aanslag bij het Stade de France’, hoorde ik. Iets later zag ik de naam Bataclan voorbijglijden. De plek waar Hélène naartoe was. Ik belde haar en bleef bellen. Honderden keren na elkaar hoorde ik haar voicemail. Mijn broer en zus kwamen naar ons appartement. Samen met mijn broer reed ik die nacht in Parijs van ziekenhuis naar ziekenhuis. Nergens een spoor van Hélène. De volgende dag om acht uur ’s avonds belde haar zus. Hélène was dood.”

Van het ene moment op het andere kantelde uw leven totaal?

Leiris: “Ja, maar wat de herinneringen aan die avond nu nog met mij aanrichten, beschouw ik als privé. Dat is onderdeel van mijn intimiteit. Alles wat ik over die eerste momenten, dagen en weken kwijt wil, staat in Mijn haat krijgen jullie niet. Alles wat ik toen voelde, heb ik beschreven in dat boek. Al de rest hou ik voor mezelf.”

Was het een troost dat dat eerste boek een internationale bestseller werd?

Leiris: “Eerlijk gezegd wasMijn haat krijgen jullie nietnu ook weer niet zo’n eclatant succes. In Frankrijk werd het veel gelezen, maar in het buitenland brak het geen potten. Ja, er werd in heel wat landen vaak over gesproken én het werd in twintig talen vertaald, maar het vloog niet over de toonbank. Voor veel mensen was mijn tekst heel moeilijk te behappen. Ze waren bang dat hij hen te veel pijn ging doen. Ik kan dat best begrijpen. Af en toe zei een vriend me: ‘Antoine, ik kan je boek niet lezen. Ik ben bang dat het er veel te hard zal inhakken.’ Ik vond dat niet erg. Ik heb me nooit vragen gesteld over de verkoop van Mijn haat krijgen jullie niet. Dat interesseerde me niet. Net als al die vertalingen: al dat soort van beslissingen liet ik over aan mijn uitgeefster. Álles wat er met en rond dat boek gebeurde, ontsnapte volledig aan mijn aandacht. Ik probeerde intussen mijn leven zo normaal mogelijk te leven.”

Vandaag bent u voltijds schrijver?

Leiris: “Ja, maar dat is geen gevolg van de Bataclan. Niet lang voor de aanslagen had ik mijn baan bij Radio France opgezegd. Ik wou gaan freelancen, reportages, verhalen en scenario’s schrijven en eindelijk ook die roman afmaken waar ik al jaren op aan het broeden was. In september 2015 was ik zo vrij als een vogel, dolgelukkig met vrouw en kind en klaar voor een nieuw avontuur. Tot anderhalve maand later ‘de gebeurtenissen’ alles van tafel veegden.”

In de zomer van 2016 verhuisde u van het knusse appartement waar u samen met Hélène gewoond had, naar een flat in een koele, moderne nieuwbouw in een andere buurt in Parijs. Die verhuis was een doelbewuste keuze?

Leiris: “Ja. Na ‘de gebeurtenissen’ liet ik alles in ons appartement onaangeroerd. Het werd een museum. Ik wou er zelf eerst niet weg. Maar de moeder van een vriend zei dat het misschien verstandiger was op zoek te gaan naar een nieuwe omgeving. Zij had haar man verloren. ‘Ik bleef in het huis wonen’, zei ze. ‘Dat was een vergissing. Ik wil er weg omdat ik nood heb aan meer geestelijke vrijheid. Die vind ik hier niet.’ Ze had gelijk; die verhuis gaf me meer zuurstof. De nieuwe flat maakte het eindelijk voor me mogelijk om afstand te nemen. Ik kon voorwerpen een nieuwe plaats geven en dat werkte bevrijdend.”

Die verhuis dwong u ook tot het uitzoeken van de bezittingen van uw vrouw. U moest dingen van haar weggooien. Die selectie maken, was heel moeilijk?

Leiris: “Dat was onmogelijk, maar moest toch gebeuren. Ik maakte die selectie niet alleen voor mezelf, maar ook voor onze zoon Melvil. Toen zijn mama stierf, was hij een baby van bijna 18 maanden. Ik moest beslissen welke voorwerpen van haar hij binnen tien, twintig of dertig jaar bij zich zou willen hebben. Ik nam me voor geen spijt te krijgen van mijn keuzes, al is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Nu ben ik bang dat ik toen grote vergissingen heb gemaakt.

“Ik nam vooral dingen mee die ze dagelijks gebruikte. Haar telefoon, haar sieraden, de inhoud van haar nachtkastje. Ik wou voldoende herinneringen bewaren aan haar zoals ze op het einde van haar leven was, maar niet de souvenirs uit een ver verleden. Want die zouden toch meer en meer vervagen. Ik wou de afstand tussen haar en ons zo kort mogelijk houden. Er moesten voldoende voorwerpen en foto’s zijn om haar te gedenken, maar ook niet té veel. De herinneringen aan haar moeten met ons kunnen meegroeien, zodat ze altijd bij ons blijft, bij mij en Melvil. Samen met ons zal ze veranderen doorheen de tijd.”

Hoe gaat het nu met Melvil?

Leiris: “Heel goed. Hij groeit als kool. Hij is een grote jongen van zes en zit in het eerste leerjaar, waar hij leert lezen en schrijven. Hij vindt dat zalig. De appel viel dus niet zo ver van de boom. (lacht)”

Hij heeft geen échte herinneringen aan wie zijn moeder was?

Leiris: “Op een of andere manier heeft hij toch zijn beeld van wie zij was. Als hij groter is, zullen we hem vertellen wat er precies die vreselijke avond gebeurd is. Al hebben we de voorbije jaren al heel veel over haar gepraat. Telkens wanneer hij een vraag over haar stelt, probeer ik die zo goed mogelijk te beantwoorden.

“Er zijn nu momenten waarop hij glimpen van haar opvangt. Via een geur, een kleur, een stem. Hij leefde negen maanden samen met haar in haar buik. Achttien maanden lang was er die innige band tussen moeder en baby. Dat moét toch in hem blijven voortleven? Al die zintuiglijke ervaringen van toen Hélène er nog was, zitten diep in hem. Dat geloof ik echt.”

U bent nu zowel zijn vader als zijn moeder?

Leiris: “Nee, ik kan niet meer dan één ouder tegelijkertijd zijn. Al doe ik mijn best om voor 100 % zijn papa te zijn, een superpapa, de allerbeste. Maar de rol van mama zal ik nooit kunnen overnemen. Dat is onmogelijk. Het is heel moeilijk om eerst degene te zijn die gromt: ‘Wat heb je nu weer uitgespookt, Melvil?’, en vijf minuten later degene die sust: ‘Was papa weer aan het zeuren?’ (lacht)”

Hoe belangrijk waren familie en vrienden de voorbije vijf jaar?

Leiris: “Van levensbelang. Zij waren er altijd voor ons; ze zijn mijn ankerpunten. Mijn ouders heb ik niet meer, maar bij mijn prachtige broer en zus kan ik altijd terecht. Ik heb ook een paar vrienden op wie ik dag en nacht kan rekenen.

“Sommige zondagnamiddagen kunnen heel somber zijn. Dan neem ik de auto en rij ik met Melvil naar mijn broer of zus. Of naar mijn vrienden Michel of Marco. Nooit kom ik ongelegen bij hen.”

Is er in uw leven plaats voor een nieuwe geliefde?

Leiris: “Een deel van mij wil dat en verlangt er ook naar. Tezelfdertijd voel ik hoe moeilijk en ingewikkeld een nieuwe relatie kan zijn. (zwijgt)

“Ach, ik zou u kunnen zeggen dat ik er klaar voor ben en dat een nieuwe liefdesrelatie mogelijk is. Maar de realiteit is dat ik het niet weet. Ik heb geen antwoord op uw vraag. Nog niet.”

In januari 2021 begint normaal gezien het assisenproces tegen twintig verdachten van de aanslagen in Parijs, waaronder de enige nog levende dader Salah Abdeslam. Zal u dat volgen?

Leiris: “De juiste data staan nog niet vast en vandaag weet ik niet of ik in de rechtszaal zal plaatsnemen. Momenteel loopt het proces tegen 14 medeplichtigen van de aanslagen in januari 2015 op onder andere Charlie Hebdo. Ik hoorde iemand van de Association française des Victimes de Terrorisme (AfVT) zeggen dat veel nabestaanden tot op de allerlaatste minuut twijfelden of ze aanwezig zouden zijn of niet. Dat klinkt misschien bizar, maar ik begrijp dat volkomen. Ook ik zal twijfelen tot vlak voor de allereerste zitting.”

Verschillende slachtoffers van de Brusselse aanslagen van 22 maart 2016 voelen zich door de overheid in de steek gelaten. Herkent u dat?

Leiris: “Dat is een ingewikkelde kwestie, waar ik liever niet op inga. Het is niet voor niets dat in 2009 de AfVT, de belangenvereniging van Franse terrorismeslachtoffers, opgericht werd. Meer wens ik daar echt niet over te zeggen.”

Waarom niet?

Leiris: “Ik vertel in mijn twee boeken het hoogstpersoonlijke verhaal van een vader en een zoon die door een aanslag in uitzonderlijke omstandigheden terecht komen. Ik praat liever niet over gevoelige zaken waar ik het fijne niet van weet. Want dan riskeer ik fouten te maken die mensen nodeloos kunnen kwetsen.”

Op 16 november 2015 postte u uw inmiddels wereldberoemde boodschap aan de daders: ‘Mijn haat krijgen jullie niet.’ Vindt u nog steeds dat ze uw haat niet verdienen?

Leiris: “Wat ik toen bedoelde, was dat ik mijn handelingen niet wou laten aandrijven door die emotie. Haat mocht niet de motor van mijn leven worden. Ik weet het, dat is makkelijker gezegd dan gedaan. De woede, en af en toe de haat, liggen constant op de loer. Toch blijf ik die negatieve emoties onderdrukken. Ik laat niet toe dat zij bepalen hoe ik zal handelen. Op die momenten waarop het toch dreigt te gebeuren, dwing ik die haatgevoelens terug in de spelonken van mijn geest.”

De aanslag op de Bataclan en de moord op uw vrouw heeft uw kijk op de wereld niet ingrijpend veranderd?

Leiris: “Ik vermoed van niet. Er huizen al heel lang twee totaal tegengestelde persoonlijkheden in Antoine Leiris. De ene persoonlijkheid is extreem gevoelig aan sensaties, geuren en kleuren. Ze vangt alles op wat er aan emoties rondzweeft en reageert daar sterk op. Die andere persoonlijkheid is dan weer heel rationeel. Die twee leefden altijd al samen in mij en zitten er nog steeds. Mijn rationele kant probeert ook na 13 november 2015 de waanzin in de wereld te begrijpen. Mijn emotionele kant raakte ook na die vreselijke dag niet afgestompt. Het lukt me nog steeds om niet definitief te veroordelen en ik ben me er nog altijd heel goed van bewust dat ik de wereld niet begrijp. Dat is toch positief, niet?”

Hoe zal de avond van 13 november 2020 er voor u uitzien?

Leiris: “Dat weet ik nog niet. Sinds 2015 is die 13e november elk jaar een zeer moeilijke dag. Eigenlijk is heel die maand november zwaar. Het is de wreedste van alle maanden. Dan herbeleef ik ‘de gebeurtenissen’. Niet exact zoals ze zich toen afspeelden, maar ze liggen dan als een dood gewicht op mijn schouders.

“De coronacrisis versterkt dit jaar die somberheid alleen maar. Parijs lijkt met die avondklok een stad in oorlogstijd. Mijn stadsgenoten lopen op de toppen van hun tenen. Ze zijn bang voor hun gezondheid, bang om hun job te verliezen, bang dat hun zaak overkop zal gaan. Elke ochtend neem ik de metro en dan zie ik vermoeide, uitgebluste mensen. Zelfs hun mondmaskers kunnen niet verbergen dat ze de wanhoop nabij zijn.”

Antoine Leiris, Het leven, daarna, Het Spectrum, 176 blzn., 15,99 euro

© Jan Stevens

‘Biden lijkt een aardige opa en een lieve uncle Joe. Ik leerde hem kennen als seksueel roofdier’

“It never happened”, reageert Amerikaans presidentskandidaat Joe Biden (77) op de beschuldiging van Tara Reade (56) dat hij haar 27 jaar geleden aanrandde. Zijn staalharde ontkenning maakt op haar geen indruk. “Hij klinkt als de echo van Harvey Weinstein en Donald Trump.”

In oktober 2017 was Joe Biden er als de kippen bij om de net in opspraak gekomen filmproducent Harvey Weinstein met de grond gelijk te maken. In een toespraak aan de Rutgers-universiteit in New Jersey veroordeelde de voormalige Amerikaanse vice-president “het walgelijke gedrag van die zeer machtige figuur uit Hollywood”. De snelle ondergang van Weinsteins miljoenenbedrijf als gevolg van de #MeToo-beschuldingen vond Biden als straf niet voldoende. “Ik hoop op grotere gevolgen”, zei hij. “Seksuele aanvallen gaan niet over seks, maar over machtsmisbruik. De dappere getuigenissen van Weinsteins slachtoffers redden nu andere vrouwen. Het is hoog tijd dat ook de machtige mannen in Hollywood beginnen spreken. Want stilte is medeplichtigheid.”

Vandaag is Joe Biden de kandidaat van de Democraten om president te worden van de Verenigde Staten. Op 25 maart van dit jaar beschuldigde zijn voormalige medewerkster Tara Reade hem in de podcast The Katie Halper Show van verkrachting. Het was niet haar eerste beschuldiging. Een jaar eerder was Reade één van de acht vrouwen die zeiden door Biden te zijn lastig gevallen. Hij zou hen ongevraagd betast en/of gekust hebben. Biden reageerde toen met de korte boodschap dat hij van nature een knuffelaar is. “Nooit had ik het gevoel dat ik me ongepast gedroeg. Als gesuggereerd wordt dat ik dat wel deed, wil ik daar respectvol naar luisteren.”

Na de aantijging van verkrachting hulde Joe Biden zich meer dan een maand in stilzwijgen. Op vrijdag 1 mei reageerde hij voor het eerst in het MSNBC-acutaliteitenprogramma Morning Joe, waar hij door presentatrice Mika Brzezinski twintig minuten lang stevig op de rooster werd gelegd.

It never, never happened”, zei Biden toen meermaals. Hij had zelfs geen enkele herinnering meer aan u, mevrouw Reade.

Tara Reade: “Hij klonk bijna letterlijk als Harvey Weinsteins verdediging op diens proces: ‘That never happened.’ Hij klonk ook als de echo van Donald Trump nadat die door E. Jean Carroll beschuldigd was van verkrachting: ‘That never took place.’”

Wat gebeurde er precies op die bewuste dag in 1993, toen Biden senator was en u een van zijn stafmedewerkers?

Reade: “Ik moest hem een sporttas brengen. ‘Hey Tara, kom hier’, zei hij. Voor ik het goed en wel besefte, duwde hij me tegen de muur. Hij mompelde iets en probeerde me te kussen. Ik voelde zijn hand onder mijn rok glijden. Hij probeerde mijn slipje naar beneden te trekken en ik voelde hoe zijn vingers me penetreerden. ‘Wil je ergens anders naartoe?’ hijgde hij in mijn oor. Ik trok me terug en duwde hem van me af. Hij snauwde: ‘Komaan zeg, ik hoorde dat je me aardig vond?’”

Ook in de Amerikaanse wet wordt dat verkrachting genoemd.

Reade: “Dat was het ook. (stilte) Nadat ik hem had weggeduwd, keek hij me aan en siste: ‘Je bent niets. Helemaal niets.’ Ik vermoed dat hij schrok van de angst op mijn gezicht, want hij pakte me bij de schouders en zei: ‘Je bent oké. Je bent een fijn meisje. Het is goed.’ Daarna wandelde hij weg alsof er niets was gebeurd. Hij raakte niet in paniek en bood me geen zwijggeld of iets anders aan. Blijkbaar wist hij dat ik vanzelf mijn mond zou houden. Daarom ben ik er nu vrij zeker van dat ik niet zijn eerste slachtoffer was.

“Ik trilde over mijn hele lijf en was verkild tot op het bot. Nadat hij was verdwenen, zakte ik als een hoopje ellende ineen.”

Hoe was u bij Biden terechtgekomen?

Reade: “Ik stam uit een artistiek gezin uit de staat Wisconsin. Mijn vader was journalist en schrijver en mijn moeder schilderde. Toen ze jong was, trok zij naar Europa, waar ze een tijd als beeldhouwster op het eiland Malta leefde. Ik wou actrice worden en van mijn 16e tot mijn 26e jaagde ik die droom na. Ik speelde een paar rollen en probeerde in Los Angeles als model aan de bak te komen. Dat lukte maar moeizaam en op een bepaald moment besloot ik een job te gaan zoeken in Washington DC, het politieke hart van de VS. In de winter van 1991 kon ik als stagiair aan de slag bij de Democratische volksvertegenwoordiger Leon Panetta. Hij werd later directeur van de CIA.”

Als stagiair werd u niet betaald?

Reade: “Ik werd niet betaald, maar verzamelde zo wel studiekrediet. Want mijn ultieme doel was: terug gaan studeren en een rechtendiploma halen. Ik wou ooit zelf in de politiek stappen, voor de Democratische Partij. Ik werkte mee aan een project rond wetgeving voor dierenwelzijn dat door Panetta gefinancierd werd. Mijn stage bestond voor een groot deel uit documenten kopiëren en enveloppen dichtkleven en frankeren. Daar was ik niet goed in. (lacht) Gelukkig mocht ik ook vergaderingen organiseren en bezoekers rondleiden op Capitol Hill.

“Toen ik een vacature zag voor een echte job als field manager in het kantoor van senator Joe Biden, twijfelde ik geen seconde. Ik werd aangenomen en stuurde tweehonderd vrijwilligers aan die campagne voerden voor de herverkiezing van de alom gerespecteerde Democratische senator uit Delaware. Hij won glansrijk en in november 1992 solliciteerde ik voor een job als stafmedewerker in zijn kantoor. Na een verkennend telefoontje werd ik uitgenodigd voor een gesprek met een vrouw van de personeelsdienst. Ik werd meteen aangenomen.”

Want u was de gedroomde kandidaat?

Reade: “Joe Biden wandelde toevallig voorbij ons tafeltje. Hij keek me aan en vroeg mijn naam. Tegen de vrouw die me aan het interviewen was, zei hij: ‘Hire her.’”

Hoe belangrijk was senator Joe Biden begin jaren negentig in de Amerikaanse politiek?

Reade: “Hij had veel macht. Hij was voorzitter van de belangrijke Senate Judiciary Committee, wat hem nogal wat prestige opleverde. Maar toen ik bij hem als stafmedewerker aan de slag ging, had dat prestige net een flinke deuk gekregen. Tijdens de hoorzittingen eind 1991 voor de aanstelling van een nieuwe rechter bij het Hooggerechtshof, getuigde juriste Anita Hill dat de Republikeinse topkandidaat Clarence Thomas haar verschillende keren seksueel had lastiggevallen. Vier andere vrouwen waren bereid onder eed voor het Committee te komen getuigen dat Hill de waarheid sprak. Maar de Democratische voorzitter Joe Biden behandelde Hill alsof ze een leugenaar was. Hij gooide het op een akkoordje met de Republikeinen, weigerde de getuigenissen en Thomas raakte probleemloos benoemd. Bidens aanpak zorgde voor verontwaardiging bij vrouwelijke politici. Later verontschuldigde hij zich bij Anita Hill. Voor zover ik weet, heeft zij zijn excuses nooit aanvaard.”

Joe Biden was toen toch een grote voorvechter van vrouwenrechten? Staat hij niet aan de wieg van de wet die geweld tegen vrouwen verbiedt?

Reade: “Die Violence against Women Act dateert van 1994 en diende volgens sommigen om Bidens blazoen na Anita Hill op te poetsen. Vóór ’94 stemde hij verschillende keren tégen de invoering van zo’n wet. Door plots die wet actief te steunen, kroonde hij zichzelf tot kampioen vrouwenrechten.

“Ik werkte rechtstreeks voor Biden van november 1992 tot augustus 1993. Ik kreeg de stagiairs onder mijn hoede en werd bij vergaderingen ingezet als verslaggever. Soms deed de persdienst beroep op me; eigenlijk was ik een administratief manusje-van-alles. Ik was dolenthousiast, maar dat bekoelde snel, want het duurde niet lang of Joe Biden begon me seksueel te intimideren. Terwijl ik niet naar Washington DC gekomen was om door een senator te worden lastiggevallen, maar om er zelf een te worden.”

Wanneer was het eerste incident?

Reade: “Eind januari ’93, vlak na de presidentsinauguratie van Bill Clinton. ‘Je hebt prachtige benen’, zei senator Biden. ‘Je bent zo mooi.’ Ik voelde mijn maag ineenkrimpen. Op andere momenten kwam hij achter me staan en legde zijn handen op mijn schouders. Ik voelde hoe zijn vingers mijn nek masseerden en mijn haar streelden. Hij zei dan geen woord. Hij was 50 en ik 28. Hij had mijn vader kunnen zijn en ik voelde me vreselijk geïntimideerd. Ik had veel respect voor hem, maar voelde me totaal niet tot hem aangetrokken. Ik vond zijn ongewenste aanrakingen afschuwelijk, terwijl het ergste toen nog moest komen. (stilte)”

Waarom diende u na de verkrachting geen klacht in?

Reade: “Ik was aangerand door mijn baas, een belangrijk politicus waar ik lang veel respect voor had. Ik was doodsbang voor hem. Ik vertelde mijn moeder wat er gebeurd was en zij wou dat ik naar de politie stapte. Maar die vertrouwde ik niet. In 1993 was de kans heel groot dat je als slachtoffer van aanranding door de politie niet ernstig genomen werd. Zeker als de dader een man met aanzien was. Er waren geen getuigen en Biden had ook gezegd: ‘Niemand zal je geloven.’ Pas onlangs stapte ik naar de politie, nadat ik doodsbedreigingen had gekregen. Ik legde een verklaring af over wat me 27 jaar geleden is overkomen. Daarin zeg ik dat ik bereid ben onder eed te herhalen dat Biden me aangerand heeft.

“Ik heb lang geprobeerd die aanranding te vergeten en wou ze diep in mijn herinnering begraven. Ik vertelde het alleen aan mijn moeder en mijn broer en een paar heel goede vrienden. Ik diende op aanraden van mijn moeder bij de senaat wel klacht in, maar een paar weken later werd ik ontslagen en werd dat interne onderzoek meteen afgevoerd.”

Uw ontslag kwam er op bevel van Biden?

Reade: “Ze zetten me niet meteen op straat, maar speelden het ‘subtieler’. Eerst namen ze me al mijn bevoegdheden af omdat ik zogezegd niet voldeed. Ik moest verhuizen naar een kantoor zonder ramen. Ik zat daar helemaal alleen en had van de ene dag op de andere geen collega’s meer. ‘Jouw job is vanaf nu zoeken naar een andere job’, kreeg ik te horen. Niet veel later lag mijn ontslagbrief op mijn bureau.

“Het vinden van een andere baan in Washington was een hel. Stafmedewerker van Joe Biden was normaal gezien een uitstekende referentie, maar bij mij leek dat enkel deuren te sluiten. Het was alsof ik op een zwarte lijst was geplaatst.

“In de lente van 1993 leerde ik een man kennen die als assistent voor een volksvertegenwoordiger werkte. Hij heette Theo en niet lang voor de aanranding door Biden begonnen we een relatie. Ik vertelde ook aan Theo wat er gebeurd was. Hij hielp me financieel toen Biden me ontsloeg en ik trok bij hem in. We trouwden in 1994, ik raakte zwanger en we kregen een dochter. Maar Theo werd snel gewelddadig en takelde me in februari ’96 zo hard toe dat ik de scheiding aanvroeg. Tijdens de echtscheidingsprocedure voor de rechtbank zei Theo dat ik worstelde met een trauma nadat ik in ’93 door Biden seksueel was lastiggevallen. Die verklaring zit in het archief van het San Luis Obispo Superior Court en werd onlangs door een lokale krant opgedolven.”

Eind april dook een oud fragment op uit de Larry King Live-show van 11 augustus 1993 met de stem van uw moeder, Jeanette Altimus. Ze vraagt: “Wat kan een stafmedewerker in Washington anders nog doen dan naar de pers stappen? Mijn dochter is daar net vertrokken. Zij werkte voor een vooraanstaande senator en kon nergens met haar problemen terecht. Zij koos ervoor om niet naar de pers te stappen, uit respect voor hem.”

Reade: “Een student haalde dat fragment vanonder het stof. Ik ben hem daar heel dankbaar voor. Ik had al eerder tegen journalisten gezegd dat mijn moeder in ’93 met die vraag anoniem naar Larry King gebeld had. Maar ik wist niet dat de opname ook bewaard gebleven was. Mijn mama was in alle staten toen ik haar over de aanranding vertelde. Ze is gestorven in 2016 en toen ik dat fragment terug zag en haar stem hoorde, was het alsof ze me vanuit de dood kwam helpen. Ik was daar helemaal door van streek.”

Toen u met uw verhaal voor het eerst in april 2019 naar buiten kwam, had u het enkel over ongewenste aanrakingen.

Reade: “Ik heb meer dan een kwart eeuw gezwegen en dat was niet goed. De last van dat geheim heeft me totaal ondermijnd. Ik verloor al mijn zelfvertrouwen, huwde een foute man, raakte amper nog aan een fatsoenlijke job. Ik was een grote fan van Barack Obama en toen Joe Biden in 2008 zijn running mate werd, was dat een grote schok. Als alleenstaande moeder met een tienerdochter koos ik ervoor te zwijgen. Want ik was bang voor de gevolgen voor mijn kind als ik in de openbaarheid zou treden. Ik maakte mezelf wijs: ‘Misschien is hij veranderd door wat hij heeft meegemaakt.’”

Want Biden is door het leven niet gespaard.

Reade: “Dat is waar, hij verloor twee kinderen. Een kind moeten afstaan, is het ergste wat je als ouder en als mens kan overkomen. Dat speelde ook mee in mijn beslissing om niet met mijn verhaal naar buiten te komen.

“Tot de Democratische politica Lucy Flores in maart 2019 een essay publiceerde waarin ze beschreef hoe Joe Biden in 2014 ongevraagd achter haar kwam staan, haar schouders beetgreep, zijn neus in haar haar stak, haar besnuffelde en haar lang op het hoofd kuste. Ze was er volledig door van slag en voelde zich vies. Ze had gelijkaardige verhalen van zes andere vrouwen gehoord en vond het daarom ongepast dat die man zijn kandidatuur voor het presidentschap stelde. Flores’ getuigenis was zo dapper dat ook ik besloot niet langer te zwijgen. Want ik wist: Biden was ondanks alles wat hij had meegemaakt geen haar veranderd. Maar ik kon niet meteen alles vertellen; dat lukte me gewoon niet. De schaamte was véél te groot, dus had ik het eerst enkel over zijn ongewenste aanrakingen. Ik was zo vreselijk bang dat ik dacht: ‘Ik sluit me aan bij de seksuele intimidatie van de zeven andere vrouwen.’ Alles waar ik voor vreesde, kwam toen ook uit. Er werden meteen emmers drek over me heen gegooid en dat is nooit gestopt. Inmiddels ben ik alles kwijt en heb ik niets meer te verliezen. Daarom kwam ik in de lente van dit jaar met het volledige verhaal.”

Ik las artikels over u waarin u manipulatief en ‘bedrieglijk’ genoemd wordt.

Reade: “Er zijn kosten noch moeite gespaard om zoveel mogelijk vuil over mij op te spitten. Anita Dunn is topadviseur voor de verkiezingscampagne van Biden. Haar pr-firma SKDKnickerbocker krijgt honderdduizenden dollars om mij in diskrediet te brengen, bang te maken, het zwijgen op te leggen en te vernietigen. Dat zal die hypocrieten niet lukken. De ‘behandeling’ die ik nu van veel Amerikaanse media krijg, is niet anders dan die van veel andere slachtoffers van seksueel misbruik in de VS. Ze proberen van mij een soort dader te maken, een fantast en leugenaar. Ze schrijven uitgebreide artikels over hoe ik als arme alleenstaande moeder mijn rekeningen niet kan betalen. Ze praten met huisbazen die klagen over mijn achterstallige huur en concluderen daaruit dat ik niet te vertrouwen ben. Sorry, maar in de VS leven vandaag wel meer mensen zoals ik die de eindjes niet aan elkaar kunnen knopen.

“Ik probeer recht te krabbelen, maar dat is niet gemakkelijk. Er is zoveel vuiligheid over me rondgestrooid dat geen enkele werkgever bereid is me een nieuwe kans te geven. Ik verstuur sollicitatiebrieven, maar van zodra een personeelsdirecteur mijn naam googelt, komt hij op die artikels terecht waarin ik word afgeschilderd als manipulatieve leugenaar. Wie neemt een monster zoals ik aan?”

Ook een kwaliteitskrant als The New York Times schrijft zeer kritisch over u.

Reade: “Een krant moét kritisch zijn, maar van de berichtgeving in The New York Times ben ik heel erg geschrokken. Volgens hen had ik een geheime relatie met een Rus toen ik als slachtoffer van Biden naar buiten kwam. Dat is volslagen onzin. En stel dat het waar is, wat dan nog? Who cares? Ook zij gingen aankloppen bij huisbazen die door mijn financiële problemen nog een paar honderd dollar van me tegoed hebben. Ik begrijp niet goed wat ze met die stukken willen bewijzen. Wordt een slachtoffer van seksueel misbruik pas geloofd als hij of zij voldoende geld op de bank heeft staan om de huishuur te betalen?”

Volgens uw cv studeerde u op latere leeftijd aan de universiteit van Seattle. Op basis van dat diploma werkte u tien jaar lang als getuige-deskundige in zaken van huiselijk geweld bij de rechtbank van Californië. Eind mei liet de universiteit weten dat u nooit bent afgestudeerd bij hen.

Reade: “Dat verhaal is onderdeel van die beschadigingsoperatie. Ik heb wel degelijk rechten gestudeerd mét een diploma. Na mijn huwelijk met de gewelddadige Theo werd ik met mijn dochter opgevangen in een vrouwenhuis in Seattle. We kwamen er in een beschermingsprogramma terecht en kregen er nieuwe namen en rijksregisternummers. Vanaf dan ging ik als Alexandra McCabe door het leven. Ik begon in die periode te studeren en door die naamsverandering is er iets misgelopen in de universiteitsadministratie. Ik heb in 2004 een rechtendiploma gehaald dat ik u ook kan laten zien. De discussie gaat over mijn bachelor die als basis diende voor mijn rechtenstudies. Die is door een foute elektronische registratie verdwenen in cyberspace. Mijn advocaat is dat nu samen met de universiteit aan het uitzoeken.”

The New York Times is niet het enige medium dat wijst op uw sympathie voor Rusland. Het beruchte Mueller-rapport legde de Russische beïnvloeding tijdens de verkiezingen van 2016 bloot. Misschien hebben de Russen u nu ingehuurd om de reputatie van Joe Biden om zeep te helpen?

Reade: “Het ene moment ben ik een armoezaaier en het andere moment een vetbetaalde Russische agent. Komaan, zeg. Weet u waar ze die ‘Russische connectie’ uit afleiden? Uit de roman die ik aan het afwerken ben. The last snow tiger is de titel en ik hoop binnenkort een uitgever te vinden. Door de heisa van de voorbije maanden is dat boek blijven liggen. Het gaat over de vriendschap tussen een Russisch en een Amerikaans meisje op het platteland in Wisconsin. Hun families leren elkaar beter kennen en verbroederen, tot er een tragedie plaatsvindt. In mijn roman zijn de Russen de good guys, terwijl de Amerikanen nogal wat steken laten vallen. Als je zoiets ‘revolutionairs’ durft te schrijven, ben je blijkbaar verdacht. (lacht)”

Op 9 mei gaf u een uitgebreid interview aan voormalig Fox News-anker Megyn Kelly. Een paar dagen later werden fragmenten uit dat interview gerecycleerd in een verkiezingsadvertentie voor Donald Trump. Wordt u betaald door de entourage van Trump om Biden zwart te maken?

Reade: “Nee. Ik werk voor niemand en ik heb ook geen strategie. O ja, ik heb een advocaat, daar houdt het mee op. Ik stem ook niet voor Trump. Ik ben geen lid meer van de Democratische Partij, maar zal de Democraten nooit inruilen voor de Republikeinen. Beide partijen zijn in hetzelfde bedje ziek. De VS worden gerund door miljardairs. Daar komt het in essentie op neer. Ik vind dat doodjammer, want mijn leven lang ben ik geïnteresseerd in politiek.”

Heeft Biden of iemand uit zijn omgeving inmiddels contact met u gezocht?

Reade: “Nee. Het enige wat zij doen, is me proberen kraken. Ik ben mijn werk kwijt, mijn huis. Alles. Mijn ouders en grootouders waren lid van de Democratische Partij. Ik beschouw mezelf ook als Democraat in hart en nieren. Ik sprak de waarheid over wat mij overkomen is, en kijk wat ik allemaal over me heen krijg. Geen enkele overlever mag nog meemaken wat ze mij hebben aangedaan. Ik weet dat er naast de bekende acht vrouwen nóg slachtoffers van Biden zijn, alleen durven die niet op de voorgrond te treden. De zeven andere bekende slachtoffers steunen me. Een aantal zal omwille van tactische redenen in november toch voor hem stemmen. Ze zijn doodsbang dat Donald Trump herverkozen wordt. Dat is hun keuze, maar mijn stem krijgt Joe Biden niet.”

Hebt u iets gehoord van Bidens running mate Kamala Harris?

Reade: “Zij was mijn volksvertegenwoordiger en ik heb haar talloze malen gemaild. Nooit heeft ze geantwoord.

“Ik wil dat Joe Biden op een of andere manier ter verantwoording geroepen wordt, al weet ik niet hoe. Ik vind niet dat hij de geknipte figuur is om de machtigste man ter wereld te worden, ook al is het alternatief geen haar beter. Biden lijkt een aardige opa en een lieve uncle Joe; ik heb hem leren kennen als seksueel roofdier.”

Maakt het voor u een verschil als hij gewoon zou toegeven dat hij 27 jaar geleden zwaar over de schreef is gegaan?

Reade: “Natuurlijk, maar dat zal niet gebeuren. U hoorde het hem zelf zeggen: ‘It never happened.’

© Jan Stevens

‘Poetin waarschuwde: ik schakel jullie uit met één vingerknip’

Jarenlang beschermde ‘special agent’ Dan Kaszeta de Amerikaanse president George Bush tegen aanslagen met chemische en biologische wapens. In zijn boek Toxic bundelt hij zijn kennis van zenuwgassen, het favoriete gifwapen van de Russische president Vladimir Poetin. “Met zijn aanslag met novichok waarschuwde Poetin zijn tegenstanders in ballingschap: ‘Als ik wil, schakel ik jullie met één vingerknip uit.’”

In 1987 droomde de jonge militair Dan Kaszeta (51) ervan spion te worden in de Sovjet-Unie. “Dus ging ik op kosten van het leger aan de universiteit Russisch en politieke wetenschappen studeren”, zegt hij. “De deal was dat ik daarna ergens in Rusland op geheime missie gedropt zou worden. De koude oorlog woedde volop en Ronald Reagan was nog onze president.” Maar twee jaar later viel de muur en stortte de Sovjet-Unie in. “Ook mijn spionnenplan lag in duigen. Eind jaren 80 voerde de Iraakse dictator Saddam Hoessein een luchtaanval met gifgas uit op het stadje Halabja. Dat zorgde voor paniek in het Pentagon. Niet de Russen, maar met gifgas spelende machtswellustelingen zoals Saddam waren het nieuwe gevaar. In plaats van me tot militair spion op te leiden, stuurden ze me naar de US Army Chemical School in Alabama.”

Tien jaar later werd Dan Kaszeta als ‘special agent’ verantwoordelijk voor de beveiliging van het Witte Huis tegen chemisch en biologisch wapentuig. Na de aanslagen van 9/11 werd hij de persoonlijke ‘bodyguard chemische beveiliging’ van de toenmalige president George W. Bush. In 2008 zwaaide hij af en verhuisde naar Londen, waar hij nu beveiligingsadvies verschaft aan overheden en ondernemingen, en boeken en artikels schrijft over chemische en biologische wapens.

In zijn gloednieuwe boek Toxic beschrijft hij de nog prille geschiedenis van zijn ‘favoriete’ vergif: zenuwgassen.

Dan Kaszeta: “Ze werden in de jaren dertig bij toeval ontdekt door de nazi’s en zijn dertig keer dodelijker dan ‘reguliere’ chemische wapens. Sarin is een voorbeeld van zo’n zenuwgas. Ik heb er mijn carrière in het Witte Huis aan te danken. Na de terroristische aanslag met saringas van de Aum Shinrikyo-sekte in de metro van Tokio in 1995 werd ik door The White House Military Office gerekruteerd. Ze vonden me met mijn opleiding aan de Chemical School de ideale kandidaat voor de beveiliging van het Witte Huis tegen chemische terreur. Alleen had ik op dat moment nog nooit gehoord van sarin. Want Amerikaanse legerchemie is niet meteen échte scheikunde, maar eerder ‘chemie voor dummies’. (lacht) Ik ben toen beginnen studeren als gek.”

Waren er tijdens uw periode in het Witte Huis ooit aanvalspogingen met biologische of chemische wapens op de president?

Kaszeta: “Zeker. Vlak na 9/11 vroeg de US Secret Service me als special agent voor de persoonlijke bescherming van president Bush tegen chemische terreuraanvallen. Ons team zou uit twee mensen bestaan. Een maand na mijn aanstelling kwam er in het postgebouw van het Witte Huis een envelop toe met antraxpoeder dat het dodelijke miltvuur veroorzaakt. De president was door dat incident danig van zijn melk en zorgde er eigenhandig voor dat ons budget explodeerde. De volgende twee jaar groeide ons team met meer dan 40 collega’s.

“Het brein achter de antraxbrief voor Bush was geen dolgedraaide jihadist, maar de ‘keurige’ Amerikaanse microbioloog Bruce Eward Ivins. Ik kende die man persoonlijk. Niet dat hij een vriend was, daar vond ik hem iets te raar voor. Hij werkte als onderzoeker biodefensie voor het leger en werd beschouwd als dé antraxexpert. Tussen september en oktober 2001 verstuurde hij verschillende antraxbrieven naar politici en journalisten. Vijf mensen verloren het leven en 17 anderen werden ziek. In de omslagen zaten briefjes met boodschappen als ‘Dood aan Israël’ en ‘Allah is groot’, waardoor de FBI eerst aan een terreurcampagne van Al Qaeda dacht. Ze vroegen Ivins om hulp bij hun onderzoek. Zes jaar lang was een onschuldige collega van Ivins verdachte nummer 1. Tot ze hem in 2008 eindelijk in het vizier kregen, waarna hij zelfmoord pleegde.”

Wat was zijn motief?

Kaszeta: “Hij werkte aan een antraxvaccin en wou gloriëren als redder des vaderlands. Dus had hij er niets beters op gevonden dan eerst angst en terreur te zaaien met zijn antraxbrievencampagne. De aanslag op George Bush moest de kroon op het werk worden: Ivins zou dan met zijn vaccin de president net op tijd van de gruwelijke miltvuurdood komen redden.”

Hoe zag uw doorsnee dag eruit als geheim agent, belast met de chemische en biologische beveiliging van de Amerikaanse president?

Kaszeta: “In de loop der jaren is het Witte Huis vertimmerd tot een zwaarbeveiligd bastion: daar is de president relatief veilig. Onze grootste bekommernis waren zijn verplaatsingen. De president loopt het grootste gevaar wanneer hij op reis is; dan was ik één van Bush’ schaduwen in een zwarte SUV uit zijn konvooi. Als hij thuis was, konden we even op adem komen en een pint gaan drinken op café.”

In het voorjaar van 2003 was u er getuige van hoe het Witte Huis bewijsmateriaal over ‘massavernietigingswapens’ tegen Saddam Hoessein fabriceerde om later dat jaar Irak te kunnen binnenvallen?

Kaszeta: “Voor alle duidelijkheid: ik had niets te maken met het beleid van Bush. Ik zat op de achterbank van een SUV om te verhinderen dat onderweg iemand hem met gif vermoordde. Natuurlijk merkte ik in die periode in de wandelgangen van het Witte Huis dat er iets ‘groots’ in de lucht hing. Misschien is het ‘bewijsmateriaal’ toen wat ‘opgepompt’, maar u mag niet uit het oog verliezen dat Saddam bij leven en welzijn een ongezonde voorliefde voor gifgas had. Denk maar aan die aanval op Halabja. Na de eerste Golfoorlog werd Irak onder strikte controle geplaatst van UNSCOM, een speciale commissie van de Verenigde Naties die erop moest toezien dat Saddam zijn grote stock massavernietigingswapens opruimde. Akkoord, in 2003 had hij geen lopend programma meer voor chemische wapens, alleen geloofde niet iedereen dat. Terecht, vind ik, want hij was geen koorknaap. De UNSCOM-inspecteurs zette hij trouwens met veel omhaal het land uit. U zal mij de toenmalige Amerikaanse regering niet horen bekritiseren.”

U verliet het Witte Huis in 2008, toen Barack Obama president werd. Is er een verband?

Kaszeta: “Helemaal niet. Ik werd hopeloos verliefd op een Britse vrouw, volgde haar naar Londen en moest dus wel ontslag nemen. In Groot-Brittannië werkte ik eerst drie jaar voor een firma die apparatuur maakt om chemisch wapentuig op te sporen. Daarna richtte ik mijn eigen beveiligingsbedrijf op. Ik adviseer nu overheden, organisaties en ondernemingen over onder andere beveiliging tegen chemische en biologische risico’s. De Europese Commissie is één van mijn klanten.”

Onderschatten we het risico op een chemische of biologische terreuraanval?

Kaszeta: “Na meer dan dertig jaar in het vak moet ik dat ‘grote risico’ toch enigszins nuanceren. In theorie zijn chemische en biologische wapens vreselijk gevaarlijk; in de praktijk behoren ze tot het meest overschatte wapentuig ooit. De voornaamste reden waarom er zo weinig terreuraanslagen met chemische en biowapens zijn, is omdat ze duur en onvoorspelbaar zijn. Als je veel geld investeert in de voorbereiding van een aanslag, wil je liefst zoveel mogelijk slachtoffers maken. Shoko Asahara, de leider van de Aum Shinrikyo-sekte, wilde met zijn saringasaanslag in de metro van Tokio duizenden mensen vermoorden. Uiteindelijk vielen er dertien doden. Vanuit Asahara’s standpunt was zijn aanslag een complete mislukking.

“Koop geweren van een paar honderd euro, stuur je discipelen op schietcursus en de kans op honderden doden tijdens het spitsuur in de metro is groot. Met chemische wapens is dat succes veel twijfelachtiger en met biologische is het nóg lastiger. Gassen worden meegenomen door de wind en die is soms zéér wispelturig.”

Tijdens de gloriedagen van IS was er toch veel angst dat zij aanslagen zouden plegen met een ‘vuile bom’, gifgas of antrax?

Kaszeta: “Daar werd vaak hysterisch over bericht terwijl er zo goed als geen aanwijzingen zijn dat IS er ooit aan gewerkt heeft. Kijk, er zijn op de wereld maar weinig specialisten in chemische en biologische terreur en oorlogsvoering. We kennen elkaar allemaal. De meeste collega’s zijn bonafide, maar er zitten een paar schimmige figuren tussen die vooral zichzelf interessant willen maken door paniek te veroorzaken. ‘O my God, IS zou bij de volgende aanslag wel eens antrax kunnen gebruiken!’ De zogenaamde specialisten die dat rond bazuinen, proberen eerst en vooral zo werk voor zichzelf binnen te halen. Ze verkopen tezelfdertijd lucifers, brandversnellers én brandblusapparaten. De meeste terreurgroepen hebben het geld niet om dure chemische of biologische massavernietigingswapens ineen te knutselen.”

Op het hoogtepunt van haar succes zwom IS toch in het geld?

Kaszeta: “Ze zwommen in hun kalifaat vooral in de olie. De stap naar de productie van chemisch en biologisch wapentuig was veel te ingewikkeld. De IS-leden waren verknipt, maar of alle leiders dat ook waren, durf ik te betwijfelen. Van de Aum Shinrikyo-sekte weet ik wél zeker dat ze allemaal gestoord waren: daarom ook voerden ze hun aanval met het zenuwgas sarin uit. Als ze een beetje verstandig waren geweest, hadden ze hun toevlucht genomen tot goedkope en efficiënte kalashnikovs of conventionele explosieven.”

Waarom is dat zenuwgas dan ooit ontworpen, als het toch zo’n sof is?

Kaszeta: “Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden gifgassen algemeen gebruikt. Na de oorlog werd in Genève een protocol getekend dat chemische oorlogsvoering veroordeelde en het eerste gebruik ervan verbood. Landen mochten die wapens wel nog hebben, maar ze niet als eerste in de strijd gooien. Het werden dus afschrikmiddelen en er ontstond een wapenwedloop in chemische wapens. In de twintiger en dertiger jaren zochten alle grote landen koortsachtig naar nieuwe dodelijke gassen en vloeistoffen. België legde een aardige stock chloor, fosgeen en mosterdgas of yperiet aan, net als Frankrijk, de Sovjet-Unie en Duitsland. Al moesten de Duitsers hun voorraadje goed verbergen, want als verliezers van WO I mochten zij geen chemische wapens bezitten.

“Op het einde van WO I waren de Duitse soldaten aan het verhongeren en dat mocht de volgende keer niet meer gebeuren. Daarom ging de Duitse chemische industrie meteen na de oorlog koortsachtig op zoek naar insecticiden en pesticiden om de gewassen te beschermen. Vlaggenschip IG Farben ontwikkelde zo het pesticide Zyklon B, dat later in de gaskamers gebruikt zou worden. IG Farben-chemicus Gerhard Schrader was aan een nieuw insecticide aan het werken, toen hij in januari 1936 bij toeval het eerste zenuwgas of organofosfaat uit zijn reageerbuizen toverde: tabun. Dat goedje was zo extreem giftig dat het als insecticide onbruikbaar was. Het doodde niet alleen de insecten, maar ook de boer. Later voegde Schrader nog sarin, soman en cyclosarin aan zijn lijstje nieuwe extreem dodelijke zenuwgassen toe.”

De nazi’s zagen er meteen brood in?

Kaszeta: “Schrader beschouwde tabun als een grandioze mislukking, maar zijn bazen vonden het een uitstekend nieuw wapen en namen contact op met de nazi-regering. Die was enthousiast en er werd een clandestiene industrie gebouwd voor de ontwikkeling en productie van zenuwgassen voor militair gebruik. Van tabun werd meer dan 12.000 ton gebrouwen. Een hele oorlog lang waren de zenuwgassen Hitlers geheime wapens die nooit gebruikt werden. Pas aan het einde van WO II ontdekte het oprukkende sovjetleger en de geallieerden op zowat hetzelfde moment de fabrieken en opslagplaatsen; de ene in het oosten, de anderen in het westen. Het geheime zenuwgasprogramma van de nazi’s joeg een schokgolf door de wereld, waarna Rusland en Amerika hun wapenwedloop in zenuwgassen inzetten.”

Net zoals ze met kernwapens deden?

Kaszeta: “Precies, alleen is die zenuwgassenwedloop intussen uit ons collectieve bewustzijn verdwenen. De Britten en Amerikanen arresteerden in ‘45 de Duitse zenuwgaswetenschappers en namen de plannen, documenten en voorraden in beslag. De Russen legden de hand op twee vernielde fabrieken in Polen en rekenden een paar chemici in.”

Lijfden de Amerikanen Duitse chemici in zoals ze dat met de raketgeleerde Wernher von Braun deden?

Kaszeta: “De middelen om verbrande Duitse wetenschappers te denazificeren en vervolgens in te huren, waren niet onbeperkt. Chemisch wapentuig stond een paar trappen lager dan raketten. De dure Von Braun kreeg dus voorrang en soupeerde zowat het hele budget op.

“Ze ondervroegen de chemici wekenlang tot ze al hun kennis over zenuwgassen gelost hadden. Vijf jaar later wilde het Amerikaane leger alsnog die Duitse wetenschappers inhuren, maar de meesten waren toen al veel geld aan het verdienen in de reguliere Duitse chemische industrie. Ze hadden geen zin meer in een verhuis naar Alabama.

“De Russen stopten ‘hun’ Duitse chemici eerst een paar jaar in werkkampen en schakelden hen daarna in nieuwe zenuwgasprogramma’s in. Naar sovjetnormen werden ze vrij goed betaald. Decennialang leefde het westen in de veronderstelling dat de Russen de intacte zenuwgasfabrieken van de nazi’s hadden ingepalmd en machines, kennis en voorraden hadden gerecupereerd.”

Terwijl het twee ruïnes waren?

Kaszeta: “Ja, en die onwetendheid zorgde gedurende de koude oorlog voor nervositeit in West-Europa en de VS. Het westen lag op kop in de chemische wapenwedloop, maar was ervan overtuigd dat het mijlenver achterop hinkte. Het Oostblok was er dan weer terecht van overtuigd dat het westen grote voorsprong had. Met als resultaat die compleet onzinnige chemische wapenwedloop.  

“Desinformatiecampagnes gaven de wedloop een extra boost. Vlak voor het einde van de oorlog probeerden de Duitsers hun giffabrieken te demonteren. Hun afbraak van de fabriek in Dyhernfurth in het zuidwesten van Polen moesten ze stopzetten omdat het Rode Leger oprukte. De Russen hadden in de eerste dagen van de bezetting niet meteen door dat Dyhernfurth een zenuwgasfabriek huisvestte. De Duitsers stuurden er bij nacht en ontij een geheim commando op af om een stapel compromitterende documenten op te halen en de laatste machines op te blazen. Er lag nog een voorraadje tabun en dat werd de rivier de Oder ingegoten. Ze lieten opzettelijk een vals notitieboekje achter, bedoeld voor de Russen. Ik vond in Russische archieven documenten terug waarin sovjetchemici jaren later klagen dat zowat alle formules uit dat boekje vol fouten zitten. (lacht) De Duitsers hadden hen opzettelijk verkeerde chemische formules voor zenuwgassen voorgekauwd.”

Bestaat dat notitieboekje nog?

Kaszeta: “Het zou best kunnen dat het nog ergens in een Russisch staatsarchief ligt te beschimmelen. Maar het kan inmiddels ook vernietigd zijn. Ikzelf zoek naarstig verder.

“In 1959 probeerden de sovjets de Amerikaanse officier Joseph Edward Cassidy uit Washington DC te rekruteren. De man hapte niet toe en stapte naar de legerleiding en de FBI. Zij kregen het lumineuze idee hem als dubbelspion in te zetten. Hij werkte in een laboratorium in Maryland waar chemisch wapentuig voor het Amerikaanse leger ontwikkeld werd. Jarenlang voedde hij de Russen met valse informatie over de ontwikkeling en productie van Amerikaans zenuwgas. De Russische geheime dienst GRU vergoedde hem met duizenden dollars. In ruil bezorgde hij hen meer dan 4.000 documenten over een compleet verzonnen spiksplinternieuw supergesofisticeerd zenuwgas dat de VS zogezegd aan het produceren was. De informatie leek op het eerste gezicht te kloppen. Met hun ogen wijd open trapten de Russen in de val en jarenlang investeerden ze massa’s geld in het kopiëren van het niet-bestaande Amerikaanse superzenuwgas.

“In 1969 zette Amerika zijn zenuwgasprogramma stil. De toenmalige president Richard Nixon vond het sop de kool niet meer waard. Maar de sovjets geloofden hem niet. Ze waren ervan overtuigd dat Amerika hen een rad voor de ogend draaide en met de zenuwgasproductie ondergronds ging. Dus drukten zij het gaspedaal nog dieper in. Zo werd de Sovjet-Unie vanaf 1970 vermoedelijk de enige uitvinder en producent van zenuwgassen ter wereld. In het geheime FOLIANT-programma ontwikkelde ze drie nieuwe novichok-zenuwgassen, die wereldberoemd zijn sinds de aanslag in 2018 in Salisbury op ex-spion Sergei Skripal en zijn dochter Yulia.”

Wat onderscheidt de novichok-zenuwgassen van alle andere?

Kaszeta: “De eerst ontwikkelde novichok-variant kon tegen de kou, terwijl alle andere zenuwgassen onder het vriespunt herleid worden tot onbruikbare gelei. De tweede variant kon geproduceerd worden met andere basisbestanddelen dan alle andere zenuwgassen. Dat was interessant omdat in de jaren zeventig en tachtig internationale onderhandelingen liepen voor een verbod op chemisch wapentuig. De bestanddelen voor novichok-2 stonden niet op het lijstje verboden chemicaliën van de onderhandelaars. Novichok-2 was dus een soort van ‘levensverzekering’ voor de Russen. ‘Dan kunnen we rustig verder blijven produceren zonder dat iemand het in de gaten heeft.’ De derde variant, A-234, werd gebruikt in Salisbury. Dat zenuwgas heeft als speciaal kenmerk dat het zeer lang overleeft op oppervlakten.”

Het feit dat in Salisbury A-234 gebruikt werd, wil automatisch zeggen dat de moordaanslag een opdracht was van Vladimir Poetin himself?

Kaszeta: “Daar ben ik 99,99 procent zeker van. Zeker als je naar al het bewijsmateriaal kijkt. Net in het weekend van de aanslag maken de twee Russische geheim agenten Alexander Petrov en Ruslan Boshirov twee zogenaamd toeristische uitstapjes naar Salisbury. Ze staan op beelden van bewakingscamera’s in het station van Salisbury. In plaats van mee te lopen met de stroom toeristen, wandelen ze in de richting van Skripals huis. (lacht) Er bestaat ook geen twijfel over: enkel de Russen bezitten A-234. Het is hun exclusieve uitvinding.”

Petrov en Boshirov wandelden dus in een weekend in 2018 door de straten van Londen en Salisbury met een gif op zak waarmee ze duizenden slachtoffers konden maken?

Kaszeta: “Novichok A-234 is een dikke vloeistof en is makkelijk in een klein, hermetisch afgesloten flesje te transporteren. Bij het uitsmeren volstaan rubberen handschoenen als bescherming. Ze smeerden minder dan 100 milligram van het goedje aan Skripals deurklink, of amper twee druppels. Misschien hadden die twee het flesje zelfs niet in hun bagage zitten en reisde het ongecontroleerd mee met de diplomatieke post.

“Poetin is trouwens niet aan zijn proefstuk toe, denk maar aan de gelukte aanslag met het nucleaire goedje polonium op Alexander Litvinenko in Londen in 2006. We zijn er voor 100 procent zeker van dat het polonium van Russische makelij was.”

Maar waarom polonium en novichok? Zoals u in het begin zelf zei: een pistool en een kogel zijn veel simpeler en minstens even doeltreffend.

Kaszeta: “Ze hadden Skripal ook uit de weg kunnen ruimen zonder één spoor achter te laten. De man heeft overgewicht, rookt en drinkt te veel. Een hartaanval is zo gefikst; daar zou geen haan naar gekraaid hebben. Nu was er, net als bij Litvinenko, al die heisa. Dat was precies de bedoeling: de boodschap moést luid en duidelijk weerklinken voor àlle Russische tegenstanders van Poetin in ballingschap. ‘Als ik wil, schakel ik jullie met één vingerknip uit.’”

Dat lijkt onvervalste maffia?

Kaszeta: “Dat is het ook. Poetin stamt uit de KGB: die organisatie was niet meer of minder dan de maffia van de Sovjet-Unie.”

Dan Kaszeta, Toxic, Hurst Publishers

© Jan Stevens