‘De eindejaarsperiode is extra gevaarlijk: mensen slikken eerst hun dosis tramadol en gaan dan op recepties een paar glazen alcohol drinken. Totaal onverantwoord’

Eind oktober riep president Donald Trump de noodtoestand uit over de opioïde-epidemie in de VS. In België nam in 2016 tien procent van de bevolking minstens een keer zijn toevlucht tot opioïde pijnstillers. 1 op 5 van de Belgen die dagelijks aan het spul zitten, is jonger dan 50. “Erg verontrustend”, vindt toxicoloog Jan Tytgat.

 

Uit cijfers van het Riziv blijkt dat tussen 2005 en 2014 het algemene verbruik van opioïdepijnstillers zoals tramadol, fentanyl en oxycodon in ons land verdubbelde. “Ik maak me daar zorgen over”, zegt professor toxicologie Jan Tytgat van de KULeuven. “De opioïden zijn familie van opiaten zoals morfine en codeïne. Opiaten zijn natuurproducten die gewonnen worden uit de papaverplant en opioïden zijn de synthetische afgeleiden. Tramadol is een volledig synthetisch opioïde; oxycodon is semisynthetisch, net als het verwante heroïne. Zowat iedereen heeft schrik voor die harddrug, maar we zijn niet bang voor fentanyl, tramadol en oxycodon, terwijl ze veel minder onschuldig zijn dan ze klinken.”

In de VS sterven dagelijks 100 burgers aan een overdosis opioïdepijnstillers. Meer dan 20.000 Amerikanen namen in 2016 een fatale dosis, wat een verdubbeling is van het jaar ervoor. De opioïde-epidemie heeft intussen zo’n verwoestende omvang aangenomen dat de Amerikaanse president Donald Trump eind oktober er de noodtoestand over uitriep. Wereldwijd zijn de inwoners van de VS de grootste consumenten van opioïden. Van elk miljoen inwoners slikken er 50.000 elke dag hun dosis. Op de tweede plaats staat Canada met 30.000 dagelijkse slikkers per 1 miljoen. In de meeste Europese landen schommelt de dagelijkse consumptie rond 25.000. In het Europees kampioenschap opioïdeslikken prijkt België op de derde plaats, na Oostenrijk en Duitsland.

Voor Audry Dorigo, woordvoerster van minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD), is er in België geen enkele reden tot paniek. “De toestand in de VS verschilt fundamenteel van de onze”, stelt ze. “Veel Amerikaanse patiënten aanvaarden geen pijn na een ingreep en dreigen dikwijls met juridische stappen tegen hun arts als dat wel zo zou zijn. Uit angst daarvoor kiezen dokters meteen voor zware opioïden in plaats van gebruikelijke pijnstillers zoals paracetamol. Opioïdepijnstillers worden in de VS massaal verkocht en in bijna elk Amerikaans huishouden vind je in het medicijnkastje nog ongeopende verpakkingen. Het gebruik van sterke pijnstillers ligt vaak aan de basis van een latere verslaving. Wij kennen in België zo nog geen toestanden, al moeten we het stijgende opioïdengebruik natuurlijk goed in de gaten houden. Maar die stijging hoeft niet per se negatief te zijn. Het voorbije decennium hebben we veel geleerd over de problematiek van chronische pijn en zijn we pijnklachten beter en intensiever gaan behandelen. Vroeger werden sterke pijnstillers enkel aan kankerpatiënten gegeven. Nu worden ze ook gebruikt voor patiënten met chronische pijn. De duur van de gemiddelde behandeling met sterke opioïden stijgt daardoor aanzienlijk.”

Erik Rossignol van de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle (DGEC) van het Riziv maakt zich wel zorgen. “In 2016 waren er 30.353 chronisch grote gebruikers van opioïden; in vergelijking met 2010 is dat een stijging met 28 procent”, zegt hij. “Een chronisch grote gebruiker is iemand die op één jaar tijd minstens 365 doorsnee dagdosissen afhaalt bij de apothekers. Een doorsnee dagdosis of DDD is de gemiddelde onderhoudsdosis die een volwassene per dag mag gebruiken. Wat ons het meest verontrust, is dat één op de vijf chronisch grote gebruikers jonger is dan vijftig jaar.”

 

In België slikken dus meer dan 6000 jonge mensen elke dag hun dosis zwaar verslavende opioïde?

Erik Rossignol: “Ja. In de totale groep van chronisch grote gebruikers zitten ook palliatieve patiënten. Met hun opioïdengebruik is niets mis; de pijnstillers maken hun levenseinde comfortabeler. Andere chronisch grote gebruikers hebben ernstige rugklachten of herstellen van zware kankerbehandelingen. Maar dat verklaart nog niet waarom het aandeel jonge gebruikers zo in de lift zit. Pijn zou behandeld moeten worden volgens de pijnladder van de Wereldgezondheidsorganisatie die drie treden telt. Opioïden zouden enkel voorgeschreven mogen worden voor de middelste en de hoogste pijntrede en niet voor een banale hoofdpijn. Daar dienen pijnstillers als Dafalgan voor. Opioïden kunnen hyperalgesie veroorzaken: op lange termijn word je overgevoelig aan pijn.”

 

Wie die middelen zeer lang gebruikt, moet de dosis opvoeren om hetzelfde effect te krijgen?

Rossignol: “Precies, en zo kom je in een neerwaartse spiraal terecht. Daarom ook is het verontrustend dat 1 op 5 van de chronisch grote gebruikers jonger is dan vijftig. Want tot welke pillen zullen ze op hun zeventigste hun toevlucht moeten nemen?”

 

Opioïdejunks

An Haekens is ouderenpsychiater en hoofdgeneesheer bij de Alexianen Zorggroep Tienen. Steeds meer zeventigers onder haar patiënten blijken een stevige verslaving aan een opioïde ontwikkeld te hebben. “Ze zijn er zich totaal niet van bewust dat ze verslaafd zijn en onder de zware pijnmedicatie zitten”, zeg ze. “Ooit hadden ze fysieke pijn waarvoor hun arts hen tramadol voorschreef. Jarenlang bleven ze die pijnstiller elke dag trouw slikken. Na verloop van tijd verdoofden ze er niet alleen hun fysieke, maar ook hun psychische pijn mee. ‘Tramadol’ klinkt alsof het over een aspirientje gaat, terwijl het zoiets als morfine is. Het wordt bijna net zo makkelijk geslikt als in de jaren zestig de poederkes van dr. Mann.”

Als opioïden zo makkelijk geslikt worden, moeten ze minstens even makkelijk door dokters voorgeschreven worden. “Daar voeren wij sinds dit jaar onderzoek naar”, zegt Cathy Matheï, professor huisartsgeneeskunde aan de KULeuven en dokter bij de Antwerpse drughulpverlening Free Clinic. “Het is nog te vroeg voor de resultaten, maar wat we ondertussen wel weten, is dat dokters bij het voorschrijven van opioïden te weinig informatie geven. Dat geldt zeker voor tramadol, de zogenaamd ‘lichtere’ pijnstiller. Dat ‘lichtere’ is zeer misleidend, want je kan ook een drankprobleem ontwikkelen door pintjes te drinken in plaats van whisky. Veel patiënten die tramadol voorgeschreven krijgen, zijn er zich niet van bewust dat ze een verslavende opioïde slikken en weten niet dat je er een overdosis van kunt nemen. Ze krijgen er hun pijn makkelijk mee onder controle en zetten het restant in de medicijnkast naast de paracetamol. Als een ander gezinslid tandpijn heeft, wordt er zonder nadenken een pil tramadol gegeven. Mijn eigen dochter brak haar enkel en kwam op de spoed terecht. Ze kwam terug thuis met drie pijnstillers, waaronder tramadol, zonder een woord uitleg. Ik vind dat zeer problematisch.”

Jan Tytgat: “Tramadol is in België erg populair onder de merknamen Contramal, Tradonal of Tramium. Die geneesmiddelen hebben zeker medisch nut, maar worden door een aantal dokters, zowel specialisten als huisartsen, wel degelijk met een licht handje voorgeschreven. Voor kort en bondig gebruik van één of maximum twee weken, kan dat niet zoveel kwaad, maar als je tramadol en ook oxycodon langer blijft gebruiken, neemt het verslavingsrisico toe. Daar zouden patiënten toch op zijn minst voor gewaarschuwd moeten worden. Want voor ze het goed en wel beseffen, zijn die pillen snoepjes.”

 

En worden zij opioïdejunks?

Tytgat: “Je mag die mensen gerust zo noemen. Ze staan niet stil bij het effect van die stoffen op hun dagelijks leven: onder invloed van opioïde met de auto rijden, wordt een hachelijke onderneming. Die middelen heten niet voor niets ‘narcotische’ analgetica: ze brengen je in een narcose. Nu slikken mensen eerst hun tramodolleke om vervolgens op de eindejaarsreceptie een paar glazen naar binnen te gieten. Totaal onverantwoord.”

Erik Rossignol: “Als controledienst van het Riziv onderzoekt het DGEC het voorschrijfgedrag van dokters en het aflevergedrag van apothekers. We vragen bij de ziekenfondsen op wat dokters hen aanrekenen en hebben zo vreemde zaken vastgesteld, niet alleen bij dokters, maar ook bij patiënten.”

 

Zoals?

Rossignol: “Onder de grote chronische verbruikers zijn er tientallen die bij meer dan twintig apothekers hun medicatie ophalen. Ze gaan eerst langs bij verschillende artsen en spreiden de voorschriften over verschillende apotheken. Sommigen maken valse voorschriften. We hebben ook vastgesteld dat een aantal artsen bij het voorschrijven van opioïden op jaarbasis ver boven het gemiddelde zit. Mijn collega’s voeren nu een sensibiliseringscampagne en leggen die cijfers voor op vergaderingen van lokale bijeenkomsten van zorgverleners. We zochten ook contact met de Orde der artsen, de Orde der apothekers, hun beroepsverenigingen, verschillende overheidsinstellingen en de Belgian Pain Society.”

 

Spreken jullie de dokters aan die makkelijk opioïden voorschrijven?

Rossignol: “We vragen hen waarom ze die middelen zo vaak voorschrijven, ja. Sommigen krijgen veel chronische pijnpatiënten over de vloer en kunnen hun voorschrijfgedrag perfect verantwoorden. Maar anderen niet. De dokter kan dan onder toezicht worden geplaatst: we houden zijn voorschrijfgedrag zes maanden in de gaten. Als hij zijn gedrag niet aanpast, starten we een terugvorderingsprocedure. Als er fraude in het spel is, schakelen we het parket in.”

 

Want het losjes voorschrijven van opioïden kost de ziekteverzekering handenvol geld?

Rossignol: “In 2006 lag het aantal DDD’s voor tramadol op 20,5 miljoen voor 500.000 patiënten; in 2016 steeg dat tot 43 miljoen voor 977.000. Dat kostte de ziekteverzekering vorig jaar 26 miljoen euro. Oxycodon stond in 2006 nog op nul; in 2016 lag het aantal DDD’s op 3,5 miljoen voor 72.000 patiënten. Kostprijs: 6,1 miljoen euro. Fentanyl scoorde in 2006 13 miljoen DDD’s en stond in 2016 op 23 miljoen voor 73.000 patiënten of 18,2 miljoen euro. Die drie opioïden kostten de ziekteverzekering vorig jaar dus samen 50,3 miljoen euro. Met de kleinere opioïdebroertjes tilidine en piritramide erbij klokten we af op een totaal van 55,4 miljoen. Onder de 1.186.943 patiënten die vorig jaar minstens één verpakking afhaalden, zijn er ook die jaarlijks meer dan 730 DDD’s gebruiken, terwijl er maar 365 dagen in een jaar zijn. 2.135 patiënten gebruikten meer dan 730 DDD’s tramadol, 660 patiënten meer dan 730 DDD’s oxycodon en 1.848 meer dan 730 DDD’s fentanyl.”

 

Tussen die zeer zware gebruikers zitten dus vermoedelijk ook opioïdedealers?

Cathy Matheï: “Er is zeker een bloeiende zwarte markt, maar het is niet omdat iemand een dubbele dagdosis gebruikt, dat hij meteen ook een dealer is. Rugklachten verhelp je niet met opioïdes, daarvoor moet je naar de rugschool of op cryotherapie. Veel mensen kiezen liever de makkelijke weg en slikken een pil. De pijn wordt verdoofd en langzaam maar zeker wordt de dosis opgedreven. Zo eindigen sommigen met een verdubbeling van hun dagdosis. Die mensen lopen dan niet meteen stoned rond, want ze hebben grote gewenning ontwikkeld aan het pijnstillende én het roesververwekkende. In de drughulpverlening merken we wel dat bijvoorbeeld heroïnegebruikers steeds meer hun toevlucht nemen tot fentanyl-pleisters. Ze kleven de pleisters niet, maar knippen ze in stukjes en zuigen de substantie op. Dat is heel gevaarlijk: de voorbije jaren stierven verschillende gebruikers aan fentanyl-overdosissen.”

Jan Tytgat: “Fentanyl is het gevaarlijkste middel omdat het zo krachtig is. Voor sommigen is het inderdaad een surrogaat voor heroïne, want beide middelen werken in op dezelfde pek in onze hersenen. Fentanyl is een Belgische uitvinding: het is in de jaren zestig door Janssen Pharmaceutica ontwikkeld en groeide wereldwijd uit tot een succes. Ik wacht vol afgrijzen op al die amateurafgeleiden van Fentanyl die nu in illegale drugslabs bekokstoofd worden. Die designerdrugs zijn vaak nog krachtiger en vernietigender dan het origineel.”

Matheï: “Ook oxycodon is populair onder druggebruikers. Ze roken het om zo het effect te verhevigen. Zowel tramadol als oxycodon en fentanyl kunnen tegenwoordig heel makkelijk besteld worden via het internet, je hoeft er zelfs niet voor op het darknet.”

 

Moet de overheid ingrijpen?

Tytgat: “Als we willen vermijden om in Amerikaanse toestanden terecht te komen, moet er nu gewezen worden op de gevaren van langdurig gebruik. We hebben dus dringend nood aan een sensibiliseringsactie, net zoals die er in het verleden was voor slaapmiddelen als Rohypnol en Valium.”

Audrey Dorigo: “Het Riziv zal volgend jaar een duidelijke brochure over het gebruik van sterke opioïden maken en die op grote schaal onder de bevolking verspreiden.”

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

‘Donald Trump is de laatste grote stuiptrekking van het neoliberalisme’

Als we niet naar de haaien willen, moeten we het kapitalisme zo snel mogelijk inruilen voor een nieuw economisch model: de donut. Tenminste, dat predikt kersvers rockstereconoom Kate Raworth in haar bestseller Donutecenomie. “We moeten dringend van ons geloof af dat eeuwige groei de enige weg naar welvaart is.”

 

Sinds de publicatie van Doughnut Economics in april van dit jaar lijkt het leven van de 47-jarige Oxford-econome Kate Raworth op dat van een rockster. Nadat de Britse krant The Guardian haar uitriep tot ‘de Keynes van de 21e eeuw’, naar de 20e-eeuwse grote econoom John Maynard Keynes, groeide haar boek in een rotvaart uit tot een internationale bestseller. Raworth vertrok op een lezingentournee door Europa en Amerika die tot vandaag blijft voortduren. Nu ligt ook de Nederlandse vertaling Donuteconomie in de winkel. In haar boek schetst Raworth hoe we in zeven stappen ons dolgedraaid, allesverzengend en op eeuwige groei geconstrueerde kapitalisme kunnen ombouwen tot een duurzaam, mens- en planeetvriendelijk economisch model voor de 21e eeuw. Dat nieuwe model ziet eruit als een donut. Kate Raworth: “Mijn economie is circulair, wat wil zeggen dat er zo weinig mogelijk afval geproduceerd wordt, en is even rond als een donut. De buitenste cirkel vertegenwoordigt de ecologische bovengrens: alles wat daar aan economische activiteit buiten valt, schaadt onze planeet en ons welzijn. De binnenste cirkel staat voor de sociale ondergrens en geeft weer wat we minimaal nodig hebben om wereldwijd in de basisbehoeften van elke mens te voorzien. In de toekomst wordt het onze taak om onze industriële en economische activiteit binnen die twee cirkels van de donut te houden.”

Donuteconomie leverde Kate Raworth gejuich en handengeklap op van groene politici, ecologisten, milieu- en mensenrechtenactivisten, duurzame ondernemers en bezorgde burgers. Maar ze werd ook op hoongelach onthaald en als voormalig Oxfam-onderzoeker en lid van de Club van Rome afgeserveerd als ‘professionele alarmist’. Die kritiek glijdt van haar af als water van een eend. “Ik trek me op aan de vele enthousiaste reacties van mijn lezers”, zegt ze. “Het grote succes van mijn boek verbaast me. Dat kan er alleen op wijzen dat zeer veel mensen op dit moment hunkeren naar een beetje hoop. Als je de kranten leest, lijkt het alsof crisis onze normale staat van zijn geworden is. En de wereld wòrdt ook geteisterd door flink wat rampspoed met politieke instabiliteit, volksverhuizingen, overstromingen, droogte, bosbranden en andere kwalijke effecten van de klimaatverandering. Veel mensen hebben behoefte aan een positieve kijk op de werkelijkheid en verlangen naar een verhaal waar ze helemaal vòòr kunnen zijn, naar een zinvolle visie op de wereld.”

 

Die visie geeft u in Donuteconomie?

Kate Raworth: “Blijkbaar wel. (lacht) Oorspronkelijk wou ik laten zien wat er allemaal niet deugt aan de grondslagen van de klassieke economische theorie die vertrekt vanuit vraag en aanbod. Maar geleidelijk groeide het besef dat ik eigenlijk de kritiek van deze tijd aan het schrijven was. Tezelfdertijd drong het tot me door dat ik niet de enige was, maar dat zoveel andere mensen met precies hetzelfde bezig zijn. Vanuit verschillende disciplines vertellen we allemaal dat de omwenteling waar we voorstaan, even ingrijpend wordt als de Copernicaanse revolutie uit de 15e eeuw, toen het inzicht groeide dat de zon niet rond de aarde draaide, maar de aarde rond de zon. De Copernicaanse revolutie van vandaag is dat we door de penibele omstandigheden waarin we beland zijn, eindelijk gedwongen worden om de échte grondslagen van ons welzijn onder ogen te zien.”

 

En die grondslagen zijn?

Raworth: “Ik gebruik graag de metaforen van ‘de knikker’ en ‘de boon’ om te illustreren waar onze voorspoed in de 21e eeuw van zal afhangen. De kleine boon staat dan voor het vervullen van onze dagelijkse basisbehoeften aan voedsel, water, gezondheidszorg, huisvestiging, elektriciteit, onderwijs. Ze staat symbool voor het verzekeren van de gezondheid en het welbevinden van elk individu. De voorwaarden daarvoor staan netjes opgelijst in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die volgend jaar haar zeventigste verjaardag viert. Maar ons welzijn hangt ook af van de knikker, die schitterende blauwe planeet die we in 1968 voor het eerst zelf konden zien op foto’s genomen door de Apollo 8-astronauten. Ons overleven en voortbestaan zijn onlosmakelijk verbonden met de planeet aarde. We varen wel met een stabiel klimaat, bloeiende biodiversiteit, overvloedig zuiver water, een bescherming biedende ozonlaag, propere oceanen en vruchtbare gronden. Zowel de knikker als de boon kunnen niet zonder elkaar: mensenrechten gedijen enkel op een gezonde planeet. De twintigste eeuw werd gedomineerd door geld als de maat voor het bepalen van ons succes: een steeds groter wordend bruto binnenlands product (bbp) stond synoniem voor vooruitgang. We zijn er volledig van doordrongen geraakt dat eeuwige groei de enige weg naar welvaart is. Dat geloof moeten we dringend afvallen. In de 21e eeuw zullen welvaart en voorspoed gekoppeld zijn aan het in balans brengen van de menselijke behoeften met de behoeften van de planeet. Dààr zal onze economie op gebaseerd moeten worden.”

 

Met alle respect, maar u vertelt toch niet echt iets nieuws?

Raworth: “Nee, en ik geef dat in mijn boek ook grif toe. De ecologische econoom Herman Daly zei in de jaren zeventig van de vorige eeuw net hetzelfde: ‘We moeten de economie als een ondergeschikt systeem van de aarde beschouwen.’ Decennia geleden al gingen feministische economen in tegen de fetisj dat de economie enkel draait op betaalde arbeid. Zij stelden dat zonder het onbetaalde huiswerk het hele systeem niet lang zou overleven. U hebt dus gelijk: mijn werk is niet nieuw. Maar misschien is het wèl mijn verdienste dat ik dit boek op het juiste moment geschreven heb. En dat ik de denkbeelden van ecologische, feministische en andere progressieve economen met elkaar verbind om de fundamenten van de neoliberale economie in vraag te stellen.”

 

Een van die fundamenten is hebzucht. ‘Greed is good’, het motto van Gordon Gekko uit Wall Street, lijkt na de verkiezing van de Amerikaanse president Donald Trump meer dan ooit alive and kicking. Inclusief het adagium van onbeperkte groei.

Raworth: “Spijtig genoeg wel, en dat geldt niet alleen voor Trump. Eigenlijk heeft zowat elke politicus uit om het even welke partij het voortdurend over ‘groei’. Telkens als ik zo’n man of vrouw weer eens dat woord op radio of tv hoor uitspreken, denk ik: ‘Bingo!’ Ze spinnen er wol omheen en hebben het over ‘slimme groei’, ‘duurzame groei’, ‘weerbare groei’, ‘inclusieve groei’, ‘kapitaalsgroei’… Maar groei is hun alfa en omega. Het bewind van Donald Trump beschouw ik als een van de laatste grote stuiptrekkingen van het neoliberalisme zoals dat mee door Margaret Thatcher en Ronald Reagan vormgegeven werd. Trump lijkt zelfs recht uit de late jaren vijftig naar 2017 gekatapulteerd te zijn met zijn rotsvaste geloof in de zegeningen van de ultravrije markt. In tegenstelling tot veel andere politici zet hij geen masker op en doet hij niet alsof hij duurzaamheid hoog in het vaandel voert. Hij is heel helder over zijn agenda: meer kolen, meer olie, minder regels, ongebreidelde groei en de pot op met al die groene watjes. In de sixties stelde John F. Kennedy de Amerikanen tot vijf procent groei in het vooruitzicht. Tijdens zijn verkiezingscampagne hamerde Trump voortdurend op groei en riep zo herinneringen op aan the good ol’ days onder Kennedy. Maar zestig jaar geleden leefden we echt in andere tijden. We kenden enkel de boon en hadden de blauwe knikker nog niet ontdekt. Silent Spring van Rachel Carson moest nog verschijnen, één van de eerste boeken waarin begin jaren zestig gewezen werd op de grote milieuschade veroorzaakt door de industriële ontwikkeling.

“Groei omwille van de groei is een heilloze weg: zo putten we alle reserves van onze aarde uit. Wat we nodig hebben, is een economie die drijft op gemeenschappelijk belang en niet op eigenbelang of hebzucht. De nieuwe digitale deeleconomie kan als voorbeeld dienen. Uw landgenoot Michel Bauwens leverde daar met zijn P2P-foundation pionierswerk voor. De open source-economie zoals hij die propageert, lijkt een beetje op het Wikipedia-model. De achterliggende gedachte is dat verschillende individuen meer weten dan één. Iedereen mag zijn bijdrage leveren en als iemand de bal misslaat of een fout maakt, wordt dat gecorrigeerd door anderen. Open source-software werkt net zo: op het net vind je nu onder andere fantastische tekstverwerkings- of fotobewerkingssoftware die gratis gedownload mag worden en die door de gemeenschap gebouwd, onderhouden en verfijnd wordt. Politici moeten dringend dat ongelooflijk krachtige digitale gemeenschapsmodel onder de loep nemen.”

 

Die digitale deeleconomie is er ook verantwoordelijk voor dat de jobs van steeds meer mensen in de echte wereld bedreigd zijn.

Raworth: “Het is zeker zo dat de digitale technologie op dit moment zeer verstorend werkt. Maar misschien heeft dat vooral te maken met wie er aan de knoppen zit. Ik geloof echt dat er een groot verschil is tussen digitale technologie in handen van mensen die het gemeenschapsbelang voor ogen hebben, en van technologie in handen van grote bedrijven en individuen die zoveel mogelijk macht en controle willen centraliseren. De nieuwe technologie zelf vormt geen aanleiding voor angst of vreugde, wel de doelen waarvoor ze ingezet en gebruikt wordt. Het lijkt nu inderdaad alsof nietsontziende spelers als Uber en Amazon zowat de hele digitale markt in handen hebben en zo de reële economie zwaar verstoren. Maar ik ben optimistisch en ik geloof nooit dat ze de eindwinnaars zullen zijn. Oké, ze hebben de eerste ronde gewonnen, maar het verzet groeit. Steeds meer mensen willen geen deel uitmaken van een Uber-maatschappij waarin het ieder voor zich is. De technologie die achter Uber schuilgaat, kan veel beter ingezet worden voor een digitaal platform dat gebaseerd is op samenwerking en niet op uitbuiting. Wat houdt ons tegen om een taxi-app te ontwikkelen waarbij de chauffeurs en de gebruikers baas zijn?”

 

Hebben we een revolutie nodig om het wilde kapitalisme te vervangen door uw donuteconomie?

Raworth: “De meest effectieve revolutie met resultaten op lange termijn is een evolutie. Maar die evolutie van een neoliberale naar een donuteconomie moet wel heel radicaal gebeuren.”

 

Is er nog tijd voor ‘evolutie’?

Raworth: “Hebben we nog tijd voor revolutie? Revoluties vernietigen het bestaande, zonder dat er iets zinvols in de plaats komt. Dingen kunnen soms verbazingwekkend snel evolueren en als die veranderingen zinvol lijken, zijn miljoenen mensen bereid om ze ook te aanvaarden. Een fantastisch voorbeeld is mobiele telefonie: het ontwikkelen van de technologie kwam er niet van vandaag op morgen, maar eens de gsm er was, werd hij wereldwijd een instant succes. In tegenstelling tot een halve eeuw geleden hebben we nu het internet en al die digitale platformen. De globale invloed daarvan mag u echt niet onderschatten. Zij maken het mogelijk dat nieuwe evoluties snel ingang vinden.

“Als we onze economie willen omvormen tot een donut, moeten we tijdens het hele overgangsproces altijd het ultieme doel van een duurzame, sociale en rechtvaardige samenleving voor ogen houden. Wat ik niet wil, is een hervormd soort kapitalisme. Je hoort nu pleidooien voor ‘groen kapitalisme’. Maar waarom moeten we dat typisch 20e-eeuwse begrip ‘kapitalisme’ blijven hanteren in een economisch model voor de 21e eeuw? Want zo stellen we de essentie van dat kapitalisme en zijn drang naar eeuwige groei niet in vraag. Weet u waar we wél een revolutie nodig hebben? In het onderwijs. De voorbijgestreefde economische theorieën over vraag en aanbod die nu onderwezen worden, moeten razendsnel vervangen worden door mijn model van de donuteconomie. En alle ‘ismes’ van de vorige eeuw, zoals dat kapitalisme en het socialisme, horen thuis in de geschiedenisboeken.”

 

Nogal wat jonge mensen zien wel nog brood in het socialisme dat u de vuilbak van de geschiedenis ingooit. Hoe is anders het succes van linkse krasse knarren als Jeremy Corbyn of Bernie Sanders te verklaren?

Raworth: “Ik betwijfel of hun succes iets met socialisme of marxisme te maken heeft. Het gaat over fundamentele menselijke waarden. Ook de kiezers van Corbyn of Sanders willen net als zoveel andere mensen een samenleving waar niemand gedwongen wordt om aan te schuiven aan de voedselbank voor eten voor hun kinderen. Moest Karl Marx terugkeren, zou hij zeer ongelukkig zijn over wat er van zijn marxisme geworden is. ‘Ismes’ helpen ons geen millimeter vooruit. Weg ermee.”

 

U mag het socialisme en kapitalisme dan wel doodverklaren, in een land als de VS zijn het de rijkste ondernemers en bankiers die met hun sponsorgeld onrechtstreeks bepalen welke president er in het Witte Huis zit. De regering Trump is een staalkaart van superrijk kapitalistisch Amerika.

Raworth: “Dat is een groot probleem. Tijdens de financiële crisis van 2008 namen bankiers van Goldman Sachs het financiële bewind in Amerika over. Ze werden binnengehaald door de toenmalige minister van Financiën Henry Paulson, een voormalig ceo van Goldman Sachs. Er is voor de Amerikaanse pers flink wat werk aan de winkel om de corrupte relaties bloot te leggen tussen de financiële wereld en politici van rechts én links. De geldstromen van ondernemers en bedrijven naar partijen en politici moeten volledig opdrogen.”

 

U bent er rotsvast van overtuigd dat uw donuteconomie het van het kapitalisme zal winnen?

Raworth: “Als we helemaal niets ondernemen, maakt mijn economisch model geen enkele kans. Politieke activisten als Naomi Klein en George Monbiot zijn mijn medestanders, samen met hen en veel anderen moéten we op dezelfde nagel blijven kloppen. Na een lezing krijg ik soms als opmerking: ‘O, I love your optimism.’ Ik kijk dan altijd heel verbaasd: ‘Heb ik gezegd dat ik optimist ben? Wees nooit een optimist om jezelf beter te voelen. En wees nooit een pessimist die een excuus zoekt om de handdoek in de ring te gooien. Wees een activist en vraag jezelf af wat jij kan doen om de transformatie mogelijk te maken.’ Het is hoog tijd voor actie. De klimaatverandering speelt zich voor onze ogen af en misschien is het zelfs al te laat. Maar als we helemaal niets doen, wordt de catastrofe alleen maar groter.”

 

Terwijl wij hier laadpalen, windmolens en zonnepanelen installeren en vegetariër of veganist worden, stikken de inwoners van een stad als Manilla in hun eigen smog en afval. Manilla is niet de enige miljoenenstad op deze planeet waar duurzaamheid en ecologie niet in het woordenboek staan. Dweilen wij zo niet met de kraan open?

Raworth: “Reden te meer om ook in landen als China, India of de Filippijnen hard en gepassioneerd actie te blijven voeren voor een duurzame industrialisering en verstedelijking. In sommige miljoenensteden in Azië worden nu de fundamenten gelegd voor de steden van de toekomst. Natuurlijk zijn er vreselijke uitwassen, maar je vindt er ook zeer hoopvolle projecten. Op veel plaatsen in de wereld moet de eerste steen voor nieuwe infrastructuur nog gelegd worden. Zij kunnen nog kiezen of ze transportsystemen rond de stad leggen om auto’s te vervoeren of mensen. De voorbije tweehonderd jaar hebben wij de luxe gehad om de vervuiling van onze industrialisering naar de rest van de wereld te transporteren. De wereld leek groot genoeg om onze vuiligheid te dumpen. China en India industrialiseren op het moment dat de draagkracht van de wereld zijn limieten bereikt heeft. Chinese burgers leven nu in de smog van hun eigen ontwikkelde industrie; Indië kampt in sommige staten met vreselijke droogte waardoor miljoenen mensen er aan het migreren zijn. De regeringen van die landen worden met hun neus op de feiten gedrukt: ze ondervinden de voor- en nadelen van industrialisatie en worden zo gedwongen om het roer radicaal om te gooien.”

 

Bent u ooit gevraagd door een politieke partij?

Raworth: “Nog nooit. Ik word soms wel eens door een partij om raad gevraagd en ik ben bereid om met elke politieke partij te praten, wat haar strekking ook is. Maar ik wil niet dat mijn ideeën gepikt worden door één partij. Ik heb Donuteconomie zeer bewust geschreven voor alle jonge mensen die nu aan het studeren zijn: zij zijn de politici en bewindslui van de toekomst. Ik merk aan mijn eigen studenten dat ze mijn model willen omarmen. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat we in de economische theorie voor een hervorming staan zoals de katholieke kerk die in de zestiende eeuw meemaakte, toen Luther zijn 95 stellingen op de deur van de slotkerk van Wittenberg spijkerde en zo het protestantisme lanceerde.”

 

Wat spontaan de vraag oproept: is economie wetenschap of eerder religie?

Raworth: “Dat is een interessante maar moeilijke kwestie. Voor veel neoliberalen is het een religie. Niet zolang geleden kwam er na een lezing een dokter naar me toe. Hij vroeg zich hetzelfde af: is economie wetenschap, of misschien eerder kunst? Op een bepaald moment zei hij: ‘Of zou het een behandeling kunnen zijn, zoals geneeskunde?’ Dat klonk best zinvol, want dokters behandelen de levende mens, en economisten denken na over complexe systemen en proberen de levende planeet te behandelen. Ze maken daarbij allebei gebruik van wetenschap, maar zeker voor economisten geldt dat zij er af en toe ook flink op los experimenteren.”

 

Kate Raworth, Donuteconomie – In zeven stappen naar een economie voor de 21e eeuw, Nieuw Amsterdam, 24,99 euro

 

 

(c) Jan Stevens

‘Volgens de wet was het een verkeersongeval. Maar hij raasde zonder rijbewijs door de bebouwde kom: voor ons is dat moord’

Het voorbije jaar rolden Kris De Prins en Peggy Muyldermans, de ouders van het verongelukte meisje Merel, van de ene onaangename verrassing in de andere. “Doodrijder Muhammed Aytekin wil zijn straf absoluut niet uitzitten. Alle uitvluchten zijn daarvoor goed.”

 

Op woensdagmiddag, 28 oktober 2015 veranderde het leven van Kris De Prins en Peggy Muyldermans voorgoed. Hun 12-jarige dochter Merel werd toen op een fietsoversteekplaats in Vilvoorde voor de ogen van haar vrienden door een racende zwarte BMW van de weg gemaaid. De auto sleurde het meisje veertig meter mee, en koos daarna plankgas het hazenpad. Merel overleed ‘s avonds in het UZ van Jette in het bijzijn van haar ouders.

De toen 21 jaar oude dader Muhammed Aytekin verdween spoorloos en dook pas zes dagen later weer op, toen hij zich op 2 november samen met zijn advocaat aangaf bij de politie van Vilvoorde. Al die tijd hield hij zich schuil in Hongarije, waar hij ook zijn flink gehavende BMW naartoe had laten transporteren. Aan de politie verklaarde hij dat hij teruggekomen was “uit respect voor de familie van het slachtoffertje.” Aytekin bleek niet in het bezit te zijn van een rijbewijs, was daar eerder meermaals voor opgepakt en zeven keer door verschillende politierechtbanken voor veroordeeld. Naar eigen zeggen had hij het te druk voor het halen van zijn rijbewijs. “Ik heb de transportfirma van mijn vader op jonge leeftijd overgenomen”, verklaarde hij aan de politie. “Ik had geen tijd voor dat rijexamen.”

Aytekin werd in voorhechtenis genomen en een dag later, op 3 november 2015, werd zijn transportbedrijf Yuka Trans al dan niet bij toeval door de Brusselse rechtbank van koophandel failliet verklaard. In februari 2016 kwam hij onder voorwaarden en na het betalen van een borgsom van 15.000 euro weer vrij.

Op 28 november 2016 verscheen Muhammed Aytekin voor de politierechtbank van Vilvoorde. “Dat was zo onwezenlijk”, herinnert Merels vader Kris De Prins zich. “Terwijl onze zaak voor de politierechtbank behandeld werd, kwamen advocaten tussendoor snel-snel hun dossier indienen. Middenin ons proces liep iedereen gewoon binnen en buiten. Er was geen enkele controle. Je kon er probleemloos met een mes of pistool binnenstappen.”

We zitten in de woonkamer van Merels ouderlijke huis in Eppegem, een rustige deelgemeente van het Vlaams-Brabantse Zemst. Buiten is het donker en koud; binnen snort de houtkachel. Aan de muur hangen grote foto’s van Merel en haar broer Jens. 2017 was voor vader Kris en moeder Peggy een opeenvolging van vaak zeer onaangename verrassingen. Aytekin werd in december 2016 door de politierechter veroordeeld tot vijf jaar cel waarvan tien maanden met uitstel, een boete van 6.600 euro en een levenslang rijverbod. Meteen na de uitspraak ging hij in beroep.

Kris De Prins: “Op vijf januari van dit jaar kwam de zaak in beroep voor in de correctionele rechtbank van Brussel. Aytekins advocaat pleitte toen voor een straf met uitstel in plaats van vijf jaar effectief. De veertiende viel de uitspraak waarin vijf jaar effectief én het levenslang rijverbod bevestigd werden. Maar in maart kwam de dader vrij door zijn zogezegde oogziekte. Hij beweerde aan een zware oogaandoening te lijden waardoor hij het risico liep blind te worden. Dat is toen enkel vastgesteld door zijn oogarts. Een gerechtsarts bekeek vervolgens die diagnose op papier, maar heeft de man nooit zelf onderzocht. Justitie heeft ook nooit een onafhankelijke oogarts aangesteld, niet voor of na zijn operatie. Wij vragen ons zelfs af of die oogoperatie ooit heeft plaatsgevonden. In augustus werd dan beslist dat hij terug de cel in moest omdat hij voldoende genezen was. Hij verzette zich daartegen en eiste een tegenexpertise. Eind september moest hij dan eindelijk toch de gevangenis opnieuw in, maar was hij spoorloos. Pas een dag later kwam hij zich aangeven. Vorige maand kwamen we dan via de pers te weten dat hij begin volgend jaar een verzoekschrift zal indienen om vrij te komen met een enkelband.”

Peggy Muyldermans: “Voor ons is het klaar en duidelijk dat Muhammed Aytekin zijn straf absoluut niet wil uitzitten.”

 

Het gerecht vergeet jullie af en toe in te lichten over zijn wedervaren?

Kris: “De slachtofferbejegenaar van Vilvoorde liet ons eerder dit jaar weten dat hij was vrijgekomen. Maar op dat moment liep hij al meer dan een maand vrij rond. Hij kwam in maart via de Franstalige rechtbank vrij en blijkbaar communiceren de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken zelden met elkaar. Onze zaak is twee keer gepleit voor Nederlandstalige rechtbanken, eerst voor de politierechtbank van Vilvoorde en in beroep voor de Brusselse correctionele rechtbank. Wij vinden het zeer merkwaardig dat vervolgens een Franstalige rechtbank mag beslissen om hem voor een geneeskundige ingreep de vrijheid te schenken. Zijn advocaat wist natuurlijk dat de Franstalige rechtbanken in Brussel soepeler zijn en heeft daar dankbaar gebruik van gemaakt.”

 

Zijn jullie tevreden over de werking van slachtofferhulp?

Kris: “Ik wil die mensen niet met de vinger wijzen, want ze doen hun best. Maar de bureaucratie errond is voor verbetering vatbaar. Slachtofferhulp contacteerde ons twee jaar geleden in de eerste week na het ongeval of ze ons konden helpen en ondersteunen. Wij stonden daar toen niet voor open en hielden de boot af.”

Peggy: “We waren bezig met het voorbereiden van de begrafenis van Merel en moesten veel andere zaken regelen. Ons hoofd stond er echt niet naar.”

Kris: “Later hoorden we nog bijzonder weinig van die dienst. Tot ze ons op een bepaald moment lieten weten dat we een aantal formulieren moesten invullen. Eerst in het Nederlands en later in het Frans, omdat Aytekin via die Franstalige rechtbank is vrijgekomen. Wij moeten ons dus als slachtoffer aanpassen aan de tactieken van de dader, wat ik eerlijk gezegd niet normaal vind. Waarom moet een slachtoffer eigenlijk al die papieren invullen?”

Peggy: “Als je dan als slachtoffer naar slachtofferhulp belt, krijg je te horen: ‘Zolang jullie die formulieren niet hebben ingevuld, mogen wij niets zeggen.’ Dat is toch op zijn zachtst gezegd merkwaardig?”

Kris: “Wij moeten hen eerst officieel laten weten waarvan we op de hoogte wensen gehouden te worden. Maar ik veronderstel toch dat de meeste slachtoffers over heel hun zaak up-to-date gehouden willen worden? Waarom past slachtofferhulp zijn papierwinkel dan niet aan? ‘Vul dat formuliertje enkel in als je wil dat we je verder met rust moeten laten.’ Dat is toch veel klantvriendelijker én eenvoudiger? Misschien is dat té simpel?”

 

Jullie worden niet au sérieux genomen?

Kris: “Toch wel, alleen vinden we het niet normaal dat we belangrijke ontwikkelingen via de pers moeten vernemen, zoals nu dat hij plannen aan het maken is om volgend jaar zijn cel in te ruilen voor een enkelband.”

 

Na zijn veroordeling in beroep eind januari leken jullie redelijk tevreden met zijn vijf jaar cel, terwijl de maximumstraf die hem boven het hoofd hing acht jaar en zes maanden was.

Peggy: “Die straf wordt blijkbaar nooit uitgesproken. We waren toen al blij dat het vijf jaar was. Zowat iedereen die het kan weten, verzekert ons dat hij echt wel het maximum gekregen heeft. En in vergelijking met de straffen die voor gelijkaardige vluchtmisdrijven uitgesproken zijn, is hij inderdaad zwaarder gestraft.”

Kris: “Het zou best wel eens kunnen dat hij straks inderdaad met een enkelband naar huis mag. Hij heeft een half jaar in voorhechtenis gezeten en dat telt dubbel om te bepalen of een veroordeelde recht heeft op een enkelband. Hij komt er dan waarschijnlijk met drie jaar cel vanaf.”

Peggy: “Toen hij in december 2016 voor de politierechtbank van Vilvoorde moest verschijnen, heb ik het woord gevoerd. Dat was zwaar.”

Kris: “Dat eerste proces was ook zo bizar.”

 

Omdat op dezelfde dag in die politierechtbank ook heel banale overtredingen behandeld werden?

Kris: “Precies. De politierechter deed ongetwijfeld zijn best, toch merkten we meteen dat het proces veel te zwaar voor zijn rechtbank was.”

 

Want eigenlijk had het minstens over doodslag moeten gaan?

Kris: “De essentie is dat dit volgens de wet een verkeersongeval is, ook al vinden wij dat niet. Het feit dat hij tegen minstens 85 kilometer per uur zonder rijbewijs door de bebouwde kom raasde, wordt gewoon beschouwd als verzwarende omstandigheid. Volgens de expert reed hij 85, maar volgens de ooggetuigen vlamde hij tegen 120. Dat was geen auto, maar een moordwapen.”

 

Hadden jullie het gevoel dat Merels ongeval op de politierechtbank als een fait divers behandeld werd?

Kris: “Nee, dat niet, want er was enorm veel aandacht: we werden er overrompeld door de pers. Zoiets hadden we nog nooit meegemaakt. We hadden toen veel liever geen commentaar geleverd, maar onze advocaat zei: ‘De mensen verwachten dat je iets zegt.’ Wat Peggy dan ook gedaan heeft.”

Peggy: “Dat zorgde bij mij voor een klik: misschien was het wel goed dat we als burgerlijke partij af en toe ook onze stem lieten horen. Het is heel raar, maar als slachtoffer ben je ‘maar’ burgerlijke partij. In de praktijk komt het erop neer dat we geen rechten hebben en niets mogen vragen.”

Kris: “Voor de strafuitvoering hebben we niets in de pap te brokkelen. Er wordt zo goed als geen rekening met ons gehouden en dat is voor ons een zeer stevige noot om te kraken. Toen we de avond van het ongeval terug thuiskwamen, zaten hier twintig mensen. ‘Neem een goede advocaat en hij zal zijn straf niet kunnen ontlopen’, zeiden ze. Maar sneller dan ons lief was, moesten we ondervinden dat we helemaal niets te zeggen hebben. Als burgerlijke partij mogen we enkel een schadevergoeding vragen. Is dat goed of fout? Ik weet het niet. Een slachtoffer zal waarschijnlijk altijd een maximumstraf eisen en wil misschien zelfs een bestraffing die totaal onmogelijk is. Ik kan dus best begrijpen dat slachtoffers bij strafuitvoering geen carte blanche krijgen. Maar wat ik niet begrijp, is dat er amper naar ons geluisterd wordt. De man die Merel doodreed, had een zeer zware voorgeschiedenis van verkeersinbreuken. Als je al die feiten in rekening brengt, is hij er licht van afgekomen. Wij vinden dit geen verkeersongeval, maar moord. Als je in totaal acht keer opgepakt bent voor rijden zonder rijbewijs en dan nog niet door hebt dat je uit een auto moet blijven, is er iets grondig mis met je. Maar die elementaire wijsheid staat niet in de wet. Volgens de wet had hij een verkeersongeval. En het niet hebben van een rijbewijs en het vluchtmisdrijf zijn louter verzwarende omstandigheden. Punt.”

 

De straffen voor vluchtmisdrijf zijn in juli toch verzwaard?

Kris: “Als je een ongeval veroorzaakt, mag je niet wegvluchten. Ik ben het ermee eens dat daar zware straffen op staan. Maar wat mij enorm stoort, is dat de voorgeschiedenis van een dader niet in rekening genomen wordt. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat iemand acht keer opgepakt wordt voor rijden zonder rijbewijs en toch nog met een auto de straten onveilig blijft maken? Blijkbaar wisten al die diensten dat niet van elkaar en kwam dat pas na Merels overlijden naar boven. Dat kan toch niet? Als je iemand zoveel keer na elkaar zonder rijbewijs oppakt, neem je toch maatregelen opdat hij nooit meer achter het stuur zou kruipen? Daar moet toch iets in het parlement met een nieuwe wet tegen ondernomen worden? In Nederland kun je zonder rijbewijs geen wagen kopen. Dat is misschien al een eerste stap. Degene die een auto verkoopt aan wie geen rijbewijs heeft, is dan medeverantwoordelijk en vliegt ook de bak in.”

 

Muhammed Aytekin ging in beroep en kreeg van de correctionele rechtbank een strengere straf: de tien maanden uitstel die hij van de politierechter gekregen had, vervielen.

Peggy: “De correctionele rechtbank verschilde dag en nacht van de politierechtbank.”

Kris: “In de politierechtbank werd de dader niet berispt door de rechter of het openbaar ministerie. Alleen onze advocaat las hem de levieten.”

Peggy: “De correctionele rechtbank was een verademing: het openbaar ministerie wees Aytekin op zijn verantwoordelijkheden: ‘Wat jij gedaan hebt, kan echt niet.’ Ook de rechter ging tegen hem in en stelde vragen. Wij apprecieerden dat heel erg.”

Kris: “De politierechter in Vilvoorde vroeg hem amper iets.”

Peggy: “Hij zei op een bemoederend toontje: ‘Waarom heb je dat nu gedaan, manneke? Vertel het eens.’ Ik geloofde mijn eigen oren niet.”

Kris: “Dimitri De Béco, de toenmalige advocaat van de dader, zei toen dat de politierechter de controle verloren had over de journalisten in zijn zaal, en hij had gelijk. Ze stonden bij wijze van spreken tussen de advocaat en de rechter; het was pure chaos.”

 

Jullie kregen een schadevergoeding toegewezen. Hoeveel is een dood kind waard?

Kris: “45.000 euro. Maar wat maakt het uit? Of het nu 45 miljoen was, Merel krijgen we er niet voor terug. Een mensenleven is niet uit te drukken in geld. Wat moeten we met die 45.000 euro aanvangen? Een groot deel ging trouwens naar de ziekenhuiskosten en de begrafenis. ”

 

De dader liet zich failliet verklaren.

Peggy: “Ja, meteen.”

Kris: “De achtergrond van dat faillissement kennen we niet. Op het proces hoorden we wel dat het om ‘een welstellende familie’ ging. (stilte) Op de correctionele rechtbank hoorden we ook dat hij niet alleen acht keer was opgepakt voor rijden zonder rijbewijs, maar ook nog eens tien keer voor andere feiten. Toen werd het me zwart voor de ogen. Blijkbaar hadden ze al die keren dat ze hem opgepakt hadden nooit zijn verleden gecheckt. Bij het bepalen van zijn straf werden sommige dingen in rekening genomen, andere weer niet. Ze hadden ze allemaal moeten laten meetellen, vind ik. Want allemaal samen vormen ze één dossier.”

 

Helpt zo’n proces bij de verwerking?

Kris: “Wat wil dat zeggen, ‘verwerken’? Ik weet het niet. Ondanks alles voelden we dat de processen gemeend waren en dat er geen toneel gespeeld werd, dat geldt zeker voor de correctionele rechtbank. Maar de rechters moeten zich houden aan de wet en voor onze zaak is die wet voorbijgestreefd. Nooit mag die man nog met de auto rijden. Hij heeft een levenslang rijverbod gekregen, maar wie zegt er dat hij zich met zijn voorgeschiedenis daaraan zal houden? Als de gevangenis de enige manier is om hem van de baan te houden, moeten ze hem daar maar laten zitten. Met dat proces in beroep en met zijn pogingen om aan zijn straf te ontsnappen, was 2017 voor ons verschrikkelijk hectisch. Tot hiertoe was het gewoon onmogelijk om met de verwerking te beginnen, in de veronderstelling dat we het verlies van onze dochter ooit zullen kunnen verwerken.”

Peggy: “We ploeteren maar voort.”

Kris: “Wat ons nu overkomt, hadden we nooit willen meemaken. Niet veel mensen kunnen ons raad geven. Een paar lotgenoten misschien, al reageert iedereen anders op het verlies van een kind.”

Peggy: “Ik vind steun bij Ouders van Verongelukte Kinderen (OVK). Ik praat regelmatig met voorzitster Annemie Hemelaers en lotgenote Lieve Victor. Haar zoon Sander is negen jaar geleden net voor zijn twaalfde verjaardag doodgereden.”

Kris: “Annemie en Lieve zijn zeer positief ingestelde mensen. Ikzelf ben nog nooit naar een bijeenkomst van OVK geweest. Ik ben bang om daar te veel negatieve verhalen te horen.”

Peggy: “Annemie en Lieve zeggen: ‘De zon schijnt nog.’ De dag na het ongeval stapte Lieve hier binnen. Bij haar was het toen zeven jaar geleden. ‘Ik kan niet zeggen dat ik nu niet gelukkig ben’, zei ze. Aan haar woorden trekken wij ons op.”

 

Maar het leven wordt nooit meer zoals het was?

Peggy: “Dat is voltooid verleden tijd.”

Kris: “Vandaag is het meer overleven dan leven. We proberen nog te genieten, maar dat zijn telkens korte momenten. Alles wat we nu ondernemen, is anders. Vakantie, een keer op restaurant gaan, alles is anders.”

Peggy: “Zelfs op het werk is niets meer zoals het was. Ik ben een totaal ander mens geworden. Ik kan niet goed meer tegen commentaar van anderen. Als iemand me zegt: ‘Je moét dit nu doen’, werkt dat compleet averechts. Ik moet helemaal niets. Ik werk in een winkel en soms zegt een klant: ‘Hey Peggy, het gaat precies goed met je? Je bent goed bezig.’ Dan voel ik mijn maag samenkrimpen, want dat is alleen maar façade. Ze weten niet hoe het vanbinnen voelt.”

 

Kunnen jullie ergens troost uit putten?

Kris: “Die momenten waarop sommige mensen er zijn als we ze nodig hebben. Al put ik daar niet echt troost uit, maar misschien wel moed. De mensen waar we echt op kunnen rekenen, zijn er altijd als ze er moeten zijn. Maar troost? Dat is onmogelijk: Merel is weg en dat blijft zo voor altijd. Eerlijk gezegd willen we ook niet teveel goedbedoelde bezorgdheid rondom ons. Na twee weken ging ik terug aan de slag en ik zei toen meteen tegen mijn collega’s: ‘Het leven gaat door. Ik wil niet dat er om de vijf minuten iemand aan mijn bureau staat om me te troosten.’ Als je niet oppast, wordt het alleen maar erger en weten de mensen niet meer hoe te reageren.”

 

Gedragen mensen zich niet sowieso onwennig?

Peggy: “Sommigen wel. Maar wij stapten zelf direct met open vizier naar de anderen. We hebben niet gewacht tot zij de eerste stap zouden zetten. Want dan konden we wel een eeuwigheid wachten. Merel was lid van de turnkring en de skeelerclub en we bleven daar naartoe gaan. Iedereen gedraagt zich daar heel normaal, net als vroeger. We praten ook gewoon over wat er gebeurd is.”

 

Wat betekent het verlies van Merel voor jullie relatie?

Peggy: “We zijn nog meer naar elkaar toegegroeid. Bij sommige koppels gebeurt net het tegengestelde.”

Kris: “Maar het is niet zo dat we elkaar kunnen helpen. We worstelen allebei met dezelfde problemen.”

Peggy: “We rouwen elk op onze eigen manier. Kris verzet zijn zinnen door op zondag te gaan mountainbiken. Ik ga shoppen, al schrijf je dat misschien beter niet op. (lacht)”

Kris: “Vroeger kon ik vitten over kleine dingen. Dat doe ik niet meer.”

 

Hoe gaat het met jullie zoon Jens?

Kris: “Jens reageert zeer volwassen. Hij studeert aan de Koninklijke Militaire School en wil officier worden. De dood van zijn zus heeft daar niets mee te maken; hij wou altijd al in het leger. Hij lijkt zich goed te houden, maar wat er precies in zijn hoofd omgaat, weet ik niet.”

Peggy: “Misschien komt dat ooit nog naar boven, dat zou bij ons ook kunnen. We zijn snel terug gaan werken en misschien hebben we zo ‘de grote instorting’ uitgesteld. Ik merk bij mezelf dat ik het heel moeilijk heb van 1 september tot aan Merels verjaardag. Eerst begint de school, dan is er in oktober het ongeval, daarna Sinterklaas, kerst, nieuwjaar en dan is ze jarig. Nu is het een zware periode. Acht maanden na Merel stierf haar hartsvriendin Sofie De Ridder in een dodehoekongeval. Hun klasgenootjes startten tijdens De Warmste Week van 2016 een petitie voor onder andere verplichte dodehoekcamera’s voor vrachtwagens en duidelijker wegmarkering voor fietsers. Ze verzamelden 10.600 handtekeningen die ze begin dit jaar aan de Vlaamse minister van Mobiliteit Ben Weyts bezorgden.”

Kris: “Wij gingen bij Ben Weyts en bij de federale minister van Justitie Koen Geens langs. Geens was ziek. Zijn medewerkers hebben ons goed ontvangen en aandachtig naar ons geluisterd. Of er ook iets met onze opmerkingen gebeurd is, weet ik niet.”

 

Wat hebben jullie toen verteld?

Kris: “Dat we niet konden begrijpen dat iemand die al acht keer opgepakt is, nog kan blijven rondrijden. We vroegen waarom een dodelijk verkeersongeval niet meteen door de correctionele rechtbank behandeld kan worden. Ze verwezen opnieuw naar de wet. Die mensen van het kabinet van Geens deden echt hun best, maar veel soelaas konden ze niet bieden. Toch vind ik dat ze met onze opmerkingen iets moèten aanvangen. Niemand houdt hen tegen om initiatieven te nemen om de wet te veranderen.”

 

Hebben ze beloftes gedaan?

Peggy: “Ze beloofden dat ze de straffen voor vluchtmisdrijf zouden verstrengen. Ze zouden ook maatregelen nemen tegen het rijden zonder rijbewijs, maar van dat laatste heb ik nog niets gemerkt.”

Kris: “Op dit moment worden er schitterende fietsostrades aangelegd, prachtig hoor, maar tezelfdertijd wordt de heraanleg van veel levensgevaarlijke kruispunten gewoon vergeten. Ik vind dat zo jammer. Ook op de plek waar Merel verongelukt is, is tot vandaag niets veranderd. Ze beloofden dat ze op de plek waar Sofie verongelukt is, de verkeerslichten apart gingen laten werken. Daar is tot nu niets van in huis gekomen. Zo moeilijk kan dat toch niet zijn? In Nederland lukt dat wel, waarom hier niet?”

 

Heeft Muhammed Aytekin of iemand uit zijn entourage ooit contact met jullie gezocht?

Peggy: “Nooit.”

Kris: “Ik zou dat zelfs niet meer willen; het is veel te laat. Als je je schuldig voelt, moet je je meteen verontschuldigen en geen twee jaar na de feiten. Dan moet je ook niet naar het buitenland vluchten en je verschuilen achter belachelijke uitvluchten. Als hij echt zijn verantwoordelijkheid wil nemen, aanvaardt hij zijn straf en boet hij in stilte voor wat hij misdaan heeft. Dan stopt hij met jammeren dat er teveel stof in de gevangenis hangt waardoor hij last krijgt aan zijn ogen.”

Peggy: “Op de politierechtbank zat ik vlak naast hem; ik wou hem recht in de ogen kijken. Hij zei toen dat hij een brief naar ons had geschreven. ‘We hebben die nooit gekregen’, reageerde ik. Er kwam geen woord van spijt uit zijn mond. Hij heeft totaal geen schuldbesef en is enkel met zichzelf bezig. Alle middelen zijn goed om vervroegd vrij te komen. Nadat hij Merel had aangereden, reed hij door. Hij verstopte zijn auto en ging naar een vergadering. Daarna vluchtte hij naar Hongarije. Maar eerst moest hij nog even een vergadering bijwonen. Zou jij dat kunnen, meteen nadat je iemand hebt doodgereden?”

 

Willen jullie wraak?

Kris: “Nee, alleen gerechtigheid en veranderingen in de wet die het mogelijk maken om rijden zonder rijbewijs streng aan te pakken. Want dan zal Merel toch niet helemaal voor niets gestorven zijn. Maar wraak? Daar krijgen we Merel helaas niet mee terug.”

Peggy: “Ik hoop dat ik hem nooit tegenkom. Want dan wordt het heel moeilijk.”

Kris: “We steunen nu Music for Life, of beter gezegd: Zemst for Life. Een van hun goede doelen is Ouders van Verongelukte Kinderen. Peggy en de mama van Sofie hebben de groep Stars Forever opgericht. Merel en Sofie zijn nu stars forever.”

Peggy: “We bakken koekjes ten voordele van Music for Life. Maar we hebben niet de energie om van Stars Forever een vzw of een echt steunfonds te maken.”

Kris: “Ik heb ook geen zin om me politiek te engageren.”

 

Hebben politieke partijen jullie dan al gevraagd?

Kris: “Nee, ik denk dat we te kritisch zijn. (lacht) Onze advocaat zei: ‘Ga in de lokale politiek. Dan kun je opklimmen en misschien nationaal iets veranderen.’ Voorlopig interesseert me dat echt niet.”

 

Wat verwachten jullie van 2018?

Kris: “Het zal identiek zijn aan het voorbije jaar: genieten van sommige momenten en voor de rest overleven. Dat klinkt misschien pessimistisch, maar is niet zo bedoeld.”

Peggy: “Ons leven staat sinds Merels ongeval stil. Dat is een zeer rare ervaring. We leven wel verder, maar nemen geen initiatieven meer. Ik leef alleen nog voor onze zoon. Voor hem moet ik blijven verder gaan.”

Kris: “We putten er kracht uit als het goed gaat met Jens. Maar we tuimelen de dieperik in bij het minste slechte nieuws dat we van familie of vrienden horen. Die berichten vreten veel harder aan ons dan vroeger.”

Peggy: “Elke dag ga ik naar het graf van Merel. ’s Zondags zelfs verschillende keren. Dan bezoek ik haar ’s morgens en als Kris terug is van het mountainbiken gaan we nog eens samen naar haar. Op zondagavond bezoeken we haar samen met Jens.”

 

Geloven jullie in een leven na de dood?

Peggy: “Merel is hier nog altijd.”

Kris: “Ik ben nogal wetenschappelijk ingesteld en redeneer anders dan Peggy.”

Peggy: “Toch is ze hier ergens.”

Kris: “Ik zeg niet dat Merel weg is. Ze leeft voort in mijn gedachten. Ik praat niet met haar.”

Peggy: “Ik wel.”

Kris: “Op het kerkhof zeg ik wel dingen tegen haar, maar dat is niet echt praten met haar. We praten wel heel veel over haar. Onze vrienden halen graag herinneringen aan Merel op. Dat vinden wij fantastisch.”

Peggy: “We zien haar niet meer, maar toch is ze aanwezig en ze groeit mee met ons. Zo organiseren we nog steeds een verjaardagsfeestje voor haar klasgenootjes. Op 15 januari zal dat niet anders zijn, want dan wordt ze 15.”

 

(c) Jan Stevens

Eenzame wolf

Sinds 9/11 zit het fenomeen van de lone wolf-terrorist in de lift. “Het wordt er niet beter op”, voorspellen experts Mark Hamm en Ramon Spaaij. “Aanslagen plegen wordt steeds laagdrempeliger. Vroeger moest je nog een bom ineen knutselen. Nu volstaan een auto of een mes.”

 

De Amerikaanse criminoloog Mark Hamm en de Nederlandse socioloog Ramon Spaaij delen een passie: lone wolf-terrorisme. Samen legden ze er de grootste databank ter wereld over aan en ze schreven er ook samen het intrigerende boek ‘The Age of Lone Wolf Terrorism’ over. Ter voorbereiding voerde Hamm lange face to face-gesprekken met veroordeelde lone wolf-terroristen. “Dat was geen piece of cake”, zegt hij. “Het is gemakkelijker voor een gevangene om uit een Amerikaanse gevangenis te ontsnappen dan voor een criminoloog om er binnen te raken. (lacht) Mijn verzoek moest eerst via een paar ethische commissies passeren, vervolgens moest een heel leger advocaten er zijn zegen over geven. Het heeft me twee jaar gekost om toestemming te krijgen voor het interviewen van vijf gearresteerde lone wolves.”

 

Eén van die eenzame wolven is Oscar Ramiro Ortega-Hernandez, de man die in november 2011 een klungelige poging ondernam om de familie Obama in het Witte Huis om te brengen. Ik zag een filmpje op Youtube waarin hij een maand voor zijn mislukte aanslag zichzelf voorstelt als Jezus en op zijn knieën Oprah Winfrey smeekt om hem in haar show uit te nodigen.

Mark Hamm: “Onwaarschijnlijk, hé? De inmiddels 27-jarige Oscar Ortega-Hernandez is hét prototype van de lone wolf-terrorist. Als je hem ontmoet en met hem spreekt, krijg je het gevoel dat hij van een andere planeet komt. Af en toe leek het alsof hij waanbeelden zag. Er kwamen zinnen uit zijn mond die kant noch wal raakten. Zijn religieuze en politieke denkbeelden zijn compleet van de pot gerukt. De man gelooft écht dat hij de reïncarnatie van Jezus is. Net als bij zowat alle lone wolves heeft hij zijn emoties niet onder controle. Ortega-Hernandez kwam bij mij over als een raaskallende gek, al is dat misschien niet de juiste terminologie die een criminoloog in de mond moet nemen. (lacht)”

 

Hij hoort dus eigenlijk niet thuis in een gevangenis, maar eerder in een psychiatrische instelling?

Hamm: “Vermoedelijk wel, maar bij mijn weten is hij nooit psychiatrisch onderzocht. Wij hebben alvast geen enkel onderzoek teruggevonden. Ik interview terroristen in de gevangenis sinds de vroege jaren negentig en ze gedragen zich allemaal erg bizar. Ze koesteren heftige denkbeelden en uiten die ook op een ‘bevlogen’ wijze. Ze praten graag als orakels. Vaak zitten ze zwaar onder de pillen en moet je als ondervrager door die verdoving proberen door te dringen.”

 

Waar komt jullie fascinatie voor eenzame wolven vandaan?

Ramon Spaaij: “Lone wolves is zowat het enige dat Mark en ik gemeen hebben; Mark is een oude hippie en kon mijn vader zijn. (lacht) Geweld boeit mij mateloos. Mijn proefschrift ging over voetbalhooligans. Ik was zelf slachtoffer van geweld: op mijn achttiende werd ik door een jeugdbende zwaar mishandeld. Ze braken mijn armen en sloegen mijn tanden uit. Tot vandaag draag ik daar de littekens van. Ik ben een pacifist en heb een hartsgrondige hekel aan geweld, maar toch wil ik het begrijpen. Ik doceer sportsociologie aan de universiteiten van Melbourne en Amsterdam en raakte in 2007 ook betrokken bij Europees terrorisme-onderzoek. Toen het werk verdeeld werd en aan alle wetenschappers in de zaal gevraagd werd wie de lone wolf-terroristen wou onderzoeken, bleef het stil. Dat fenomeen interesseerde tien jaar geleden niemand in Europa. We kenden Unabomber Theodore Kaczynski en Olympic Park Bomber Eric Rudolph; verder reikte onze kennis niet. Lone wolf-terrorisme was iets typisch voor de VS en ver weg van ons bed. Ik was er wel door geïntrigeerd en dus stak ik mijn hand op.”

Hamm: “Net als Ramon heb ik een hekel aan geweld. Een paar collega’s aan de universiteit van Indiana voeren onderzoek naar seriemoordenaars en gaan die kerels in de gevangenis interviewen. Ik zou dat niet kunnen. Het geweld van lone wolves is meestal politiek of ideologisch gekleurd; dat lijkt toch anders dan moorden uit puur sadisme. Na mijn studies criminologie ging ik begin jaren zeventig uit idealisme aan de slag als cipier. Ik geloofde in rehabilitatie en re-integratie van gevangenen. Vrij snel kwam ik erachter dat het systeem zo niet werkt. Ik gaf mijn ontslag en keerde terug naar de universiteit. Voor mijn doctoraal onderzocht ik haatmisdrijven. Mijn interesse in lone wolf terrorisme dateert van de bomaanslag in Oklahoma City op 19 april 1995. Timothy McVeigh blies toen met een truck vol explosieven de Alfred P. Murrah Federal Building op en doodde 168 mensen.”

 

Was McVeigh een echte eenzame wolf? Hij kreeg bij de voorbereiding van zijn aanslag toch hulp van twee handlangers, Terry Nichols en Michael Fortier?

Hamm: “Ik heb twee boeken over de Oklahoma City Bombing geschreven. In het eerste nam ik de stelling van de overheid over dat McVeigh een onvervalste lone wolf was. In mijn tweede boek kwam ik daar op terug omdat toen duidelijk geworden was dat hij inderdaad hulp gekregen had.”

Spaaij: “Mark heeft in McVeighs rechtszaak getuigt als deskundige en heeft toen als allereerste geopperd dat het niet anders kon dan dat de man een handlanger gehad moest hebben. Dat bleek later te kloppen.”

 

Volgens voormalig FBI-directeur James Comey zouden we het beter over ‘lone rats’ hebben in plaats van over ‘lone wolves’.

Hamm: “(lacht) Comey is de enige die hen ooit zo genoemd heeft; wij verkiezen toch ‘lone wolves’. Lang bestond er onduidelijkheid over de definitie van wat een lone wolf-terrorist precies is. Moet hij echt in zijn eentje handelen? Kan het geen duo zijn of misschien zelfs een trio? Wij hebben ons daar ook lang het hoofd over gebroken en zijn net daarom verschillende zaken met vermeende lone wolves beginnen onderzoeken. Volgens onze definitie zijn het mensen die politiek geweld plegen zonder hulp van een tweede of derde partij. Ze zijn geen lid van een terreurgroep en ze zijn niet onderworpen aan een leider of hiërarchie. Ze handelen in hun eentje. Alle gevallen die beschreven staan in ‘The Age of Lone Wolf Terrorism’ passen in die definitie.”

 

Ze handelen dan misschien alleen, maar laten zich toch inspireren door anderen?

Hamm: “Dat is een zeer belangrijke nuance. Die kerels leven niet ergens in een grot in totale sociale afzondering. Ze hebben toegang tot boeken, films, internet en kunnen zo geïnspireerd raken door Al-Qaida, IS of de Ku Klux Klan. Achteraf blijkt heel vaak dat ze jarenlang karrevrachten materiaal downloadden van extremistische groeperingen. Er zijn ook heel wat lone wolves die materiaal verzamelden over de eenzame wolven die hen voorgingen. ‘Inspiratie’ is echt wel het sleutelwoord als je het fenomeen van het lone wolf-terrorisme wilt doorgronden. Hun grote voorbeelden zijn niet altijd tijdgenoten, maar kunnen ook historische figuren zijn, zoals Adolf Hitler. De planning en voorbereiding van hun acties doen ze altijd in hun eentje. Ze verzamelen hun wapens of materiaal om explosieven te maken alleen, ze observeren hun doelwit alleen en ze voeren hun aanslag ook alleen uit.”

Spaaij: “Een eenzame wolf handelt alleen, maar zijn omgeving oefent inderdaad grote invloed op hem uit. In het in 2006 verschenen boek ‘In iedereen schuilt een terrorist’ beschrijft psycholoog Roel Meertens hoe elke mens, ook jij en ik, kan uitgroeien tot terrorist. Alles hangt af van de omstandigheden waarin we terechtkomen. Als je bij een afgesloten sektarische club belandt waar een sterke groepsdynamiek heerst, is de kans extreem groot dat je radicaliseert. Dat klinkt zeer aannemelijk, maar hoe zit dat dan bij een eenzame wolf? Want hij is geen lid van een sekte of organisatie. Je kan de eenling nooit begrijpen als je zijn context niet kent. Dat vind ik best paradoxaal.”

 

Is James Alex Fields, de neonazi die op 12 augustus in Charlottesville een vrouw doodreed, een lone wolf-terrorist?

Spaaij: “We moeten altijd voorzichtig blijven en niet te snel labels op daders plakken, al zijn er in dit geval wel sterke aanwijzingen dat het om een lone wolf gaat. De aanslag in Charlottesville illustreert dat een eenzame wolf in een context opereert. Fields is een uitvergroting, een karikatuur bijna, van de bredere radicaal-rechtse beweging die allesbehalve gematigd is. Uit die brede beweging haalt de eenzame wolf zijn ideeën, om op een bepaald moment in zijn eentje een dodelijke raid uit te voeren. De aanslag in Charlottesville is geen toeval. Alt-right bloeit en zorgt voor een stevige voedingsbodem. In de jaren tachtig stond de pro life-beweging sterk; het was ook de periode waarin lone wolves aanslagen pleegden op abortusdokters en instellingen waar abortussen uitgevoerd werden. In de jaren zestig viseerden lone wolves Afro-Amerikanen. De lone wolf is een product van zijn tijd. Ook dat is paradoxaal: lone wolves zijn eenlingen, maar hun daden weerspiegelen verdomde goed de politiek-maatschappelijke conflicten van dat moment. Momenteel neemt de lone wolf-terreur onder impuls van IS in het Westen toe. Het is moeilijk te voorspellen hoe het verder zal evolueren, maar de aanslagen worden alleszins steeds laagdrempeliger. Een bom ineen knutselen of wapens kopen, hoeft niet meer. Een auto of een mes volstaan.”

 

Jullie hebben een database aangelegd van alle Amerikaanse lone wolf terroristen van 1940 tot halverwege 2016. Waarom alleen Amerikanen?

Spaaij: “Omdat het een opdracht was van het Amerikaanse National Institute of Justice. Timothy McVeigh zit er trouwens niét in omdat hij handlangers had. We waren héél strikt in wie er wel of niet in mocht.”

Hamm: “Onze database is de grootste ter wereld met 123 gevallen verspreid over 21 verschillende categorieën. We hebben er twee jaar intensief aan gewerkt. We zochten eerst naar gemeenschappelijke eigenschappen van lone wolves. We brachten alles in kaart: hun leeftijd, geslacht, opleiding, beroep, strafblad. Maar ook de tactieken die ze bij hun aanslag gebruikten, hun geestesgesteldheid, het soort wapens en hoe ze aan hun einde kwamen of gearresteerd werden. We draaiden elke steen om. Lone wolf-terrorisme blijkt vooral een mannenzaak te zijn; er zaten slechts vijf vrouwen tussen. Als je de internationale statistieken van lone wolf-terroristen erop naslaat, zal je merken dat Amerika sinds jaar en dag met vlag en wimpel aan de top staat. Dat neemt niet weg dat we voor ons boek ook een paar notoire buitenlandse gevallen onder de loep genomen hebben, zoals Anders Breivik. Europese eenzame wolven gedragen zich echt niet anders dan die van ons.”

Spaaij: “Het is gewoon een feit: de VS zijn wereldleider in lone wolf-terrorisme. De inval van de FBI in 1993 bij de Branch Davidians-sekte in Waco heeft daar een serieuze rol in gespeeld. McVeighs bomaanslag was een wraakactie voor die FBI-raid waarbij 76 sekteleden de dood vonden. Bij veel extremisten groeide nadien ‘het besef’ dat ze beter gedecentraliseerd te werk konden gaan. De in veiligheid gespecialiseerde denktank RAND Corporation omschrijft dat als ‘swarming on the battlefield’: net als bijen zwermen de lone wolves uit. Ze kunnen je van verschillende kanten aanvallen en je weet nooit welke bij zal steken. Je kan misschien één bij van je afslaan; alle andere blijven rondzoemen. In een hiërarchisch georganiseerde terreurgroep kunnen de veiligheidsdiensten infiltreren. Dat wordt al heel wat moeilijker bij een netwerkstructuur met allemaal los van elkaar staande cellen met als ‘summum’: de eenzame wolf.”

 

Heeft de overvloed aan eenzame wolven in de VS ook iets te maken met de liberale wapenwet?

Hamm: “Sure. Onze wapencultuur speelt een zeer grote rol. Het is opvallend dat sinds 9/11 zo goed als alle aanslagen uitgevoerd zijn met wapens en niet met explosieven. Het meest populaire wapen is de 9 mm Glock. In de VS kan iedereen overal wapens kopen. Het tweede amendement uit onze grondwet liegt er niet om: ‘The right of the people to keep and bear arms, shall not be infringed’. Dat is nu eenmaal Amerika: het land waar iedereen recht heeft op het dragen van een wapen. Dat recht geldt zelfs voor wie op een terreurlijst staat en door de politie en de inlichtingendiensten in de gaten wordt gehouden. De knotsgekke redenering van onze verkozen politici in het Congres is dat terreursympathisanten en –verdachten illegaal een wapen zullen kopen als het niet legaal kan. Waarom zou je hen dan verhinderen om er een te kopen in een wapenwinkel? Die totaal geschifte filosofie zorgt al jaren voor massaal veel bloedvergieten met schietpartijen op scholen, familiedrama’s en dodelijke raids. Ook ons ver doorgeslagen individualisme speelt een rol. Zelf je zaken oplossen en je plan trekken, behoort tot de kern van de Amerikaanse ziel. Onze Founding Fathers worden afgeschilderd als loners. Amerikanen stammen uit verschillende culturen en hebben samen de mythe gecreëerd van de eenling die zijn weg naar het succes baant. In zijn in 2000 verschenen boek ‘Bowling Alone’ beschrijft politicoloog Robert Putnam hoe het grove individualisme altijd al deel uitmaakte van wat het betekent om Amerikaan te zijn. Daar komt bij dat er in de VS een celebrity-cultuur heerst: we verafgoden outlaws. We bewonderen en bewieroken mensen die de wet aan hun laars lappen. We schrijven boeken over hen, verfilmen hun leven, maken er rocknummers over en verheffen hen zo tot iconen. Sinds 9/11 is er het Amerikaanse agressieve buitenlandse beleid bijgekomen waardoor we heel wat moslims tegen ons in het harnas gejaagd hebben. Onze bombardementen op moslimland en Abu Ghraib en Guantanamo hebben onze reputatie in de Arabische wereld een flinke knauw gegeven. Ook dat heeft het lone wolf-terrorisme een boost gegeven.”

Spaaij: “Eenzame wolven willen naam en faam maken. De Britse neonazi David Copeland ging de geschiedenis in als de London Nail Bomber. In april 1999 plaatste hij drie weekends achter elkaar zelfgemaakte spijkerbommen. Hij verwees daarbij naar zijn voorganger en inspiratiebron Eric Rudolph die in 1996 een bomaanslag pleegde bij de Olympische Spelen van Atlanta. Copeland voelde zich uitgesloten en een loser en zocht betekenis en zingeving. Toen hij zag hoeveel media-aandacht Rudolph met zijn aanslag kreeg, dacht hij: ‘Hé, ik woon hier vlakbij Brixton Market. Misschien kan ik daar een bommetje leggen, dan kom ik ook in de krant.’ Eenzame wolven vertonen vaak copycatgedrag. Abortusarts George Tiller werd twee keer slachtoffer van een aanslag door een lone wolf. De eerste aanslag in 1993 mislukte: toen vuurde Shelley Shannon een paar kogels door zijn armen. De tweede aanslag in 2009 overleefde Tiller niet: Scott Roeder joeg hem een kogel door het hoofd. Roeders inspiratiebron was Shelley Shannon. Copycatgedrag mag je echt niet onderschatten. Ik voer daar soms zeer interessante discussies met journalisten over, want hoe schrijf je over zo’n aanslag als je weet dat sommigen zich daardoor laten inspireren?”

Hamm: “Lone wolves willen hun bedoelingen kenbaar maken aan zoveel mogelijk mensen. Vroeger schreven ze brieven of e-mails. Nu posten ze hun intenties op Facebook of maken ze een Youtube-filmpje. Sommigen lichten op voorhand hun familie of vrienden in van hun plannen. In alle gevallen is er sprake van een gebeurtenis waardoor ze getriggerd worden om tot actie over te gaan.”

 

Die gebeurtenissen zijn soms zeer triviaal?

Hamm: “O ja. In het geval van Richard Poplawski was dat op 4 april 2009 zijn hond die in de woonkamer op de vloer geplast had. Hij werd ’s morgens wakker en zijn moeder begon tegen hem te zeuren over zijn plassende pitbull. Zij riep tegen hem, hij schreeuwde terug. De woordenwisseling werd heel bits en zijn moeder belde de politie. De agenten stapten het huis binnen in de veronderstelling dat ze zouden moeten bemiddelen in een huiselijke ruzie. Poplawski kwam gehuld in een kogelvrij vest en gewapend met een AK-47, een geweer en een revolver uit zijn slaapkamer en schoot drie agenten dood en verwondde drie anderen.”

 

Jullie maken een onderscheid tussen lone wolves vòòr en na 9/11.

Hamm: “De mega-aanslagen op de Twin Towers waren niet alleen een keerpunt voor de VS, maar voor het hele Westen. Sindsdien is terrorisme een groter probleem dan ooit tevoren, met ook veel meer slachtoffers dan ooit tevoren. Bomaanslagen zoals die in de jaren 80 en 90 gepleegd werden door Theodore Kaczynski of door Eric Rudolph werden na 9/11 zeldzamer. Het wapentuig werd gediversifieerd en lone wolves richtten hun aanslagen steeds meer op politieagenten en militairen. Wat nog opvalt: ze worden steeds jonger. Vòòr 9/11 waren er geen tieners onder de eenzame wolven. In 2002 boorde de 15-jarige Al-Qaida-sympathisant Charles Bishop zich met een sportvliegtuigje in het gebouw van de Bank of America in Tampa, Florida. In 2006 trok de 18-jarige neonazi Jacob Robida van staat tot staat en verwondde en vermoordde verschillende mensen. In 2013 probeerde de 17-jarige neonazi Derek Shrout een hogeschool op te blazen en in 2015 stak de 18-jarige IS-sympathisant Faisal Mohammad vier studenten neer op de universiteit van California.”

 

Hoe zit het met hun opleidingsniveau? Gaat dat ook in dalende lijn?

Hamm: “Er zijn er heel wat die hun middelbare schooldiploma gehaald hebben, maar er zijn ook veel drop-outs. Sommigen studeerden aan de universiteit. Unabomber Kaczynsky is een wiskundige en doceerde een paar jaar aan de universiteit van California. Nidal Hasan, de Fort Hood-schutter die in 2009 dertien militairen doodschoot en 30 anderen verwondde, was een psychiater. 40 % van alle lone wolf terroristen heeft in min of meerdere mate psychische problemen.”

 

Lone wolves hebben zeer uiteenlopende ideologieën. Sommigen zijn extreemrechts, anderen extreemlinks en nog anderen zijn jihadisten. Wat hebben ze met elkaar gemeen?

Hamm: “Het proces van radicalisering. Een van de belangrijkste kwesties die we bestudeerd hebben, is: hoe raakt iemand geradicaliseerd? Waarom omhelst hij extreme overtuigingen? Waarom besluit hij om tot actie over te gaan en om andere mensen in naam van zijn overtuiging te vermoorden? Aan de basis ligt vaak een mix van persoonlijke en politieke verbittering. Op een bepaald moment duiken er dan een of meerdere enablers op, ‘aanmoedigers’ die het pad effenen. Een van de meest beruchte enablers voor jihadistische lone wolves is Al-Qaida-ideoloog Anwar al-Awlaki. Hij is geboren in Amerika en oefende met zijn internetpreken zeer veel invloed uit op jonge radicaliserende moslims. Eind september 2011 werd hij in Jemen gedood door een Amerikaanse drone. Geen enkele lone wolf heeft Awlaki ooit in levende lijve ontmoet. Ze bezochten zijn moskeeën niet in Viriginia of San Diego waar hij rond de millenniumwissel imam was. Ze zijn hem ook nooit in Jemen gaan opzoeken toen hij daar leefde, maar hij beïnvloedde hen op zeer sterke wijze.

“Ik heb in de gevangenis lange gesprekken gevoerd met Quazi Nafis, de allereerste would-be-zelfmoordterrorist in de VS. Hij had in de zomer van 2012 plannen om zichzelf in naam van Al-Qaida op te blazen in de Federal Reserve Bank in New York, maar werd op tijd ontmaskerd door een undercoveragent van de FBI. Hij straalde één al depressie uit. Hij voelde zich een complete loser omdat zijn plan mislukt was. Hij had naar de preken van Awlaki over de dood en het hiernamaals geluisterd. De imam had hem het paradijs in vooruitzicht gesteld als hij zichzelf opblies.”

 

Hij voelt zich nu schuldig omdat hij dat moment gemist heeft?

Hamm: “Toch niet. In de gevangenis leerde Nafis redelijke moslims kennen: gevangenen die de islam op een doorsnee manier beleven. Door dagelijks met die mensen te praten, is hij beginnen inzien dat hij door Awlaki gehersenspoeld was.”

 

In Europa worden jihadisten in gevangenissen geïsoleerd gehouden vanwege het gevaar dat ze medegevangenen zouden radicaliseren.

Hamm: “Wij hebben in de VS ook drie gevangenissen waar jihadisten in isolement zitten uit angst voor besmetting. Maar dat is niet overal zo. Amerika telt 2,3 miljoen gevangenen in zeer uiteenlopende soorten gevangenissen. Een groot deel van die gevangenen hangt radicale ideologieën of religies aan. Het is bijna niet te doen om ze in elke gevangenis te segregeren van de rest. Nafis is nu een van die veroordeelde jihadistische terroristen die tussen de ‘gewone’ gevangenen leeft. Wat hem zo interessant maakt, is dat zijn medegevangenen hem hebben laten inzien dat hij gehersenspoeld was. Ik heb al veel conferenties over radicalisering en terreur overal ter wereld bijgewoond en telkens weer worden dan dure deradicaliseringsprogramma’s voorgesteld waarvan niemand weet of ze werken. Misschien loont het de moeite om eens wat dieper onderzoek te voeren naar het effect van gevangenen met een doorsnee moslimgeloof op jihadistische celgenoten zoals Nafis.”

 

Hebt u door met gevangen lone wolves te praten ook sympathie voor hen gekregen?

Hamm: “Sommigen hebben ontzettend veel berouw over wat ze gedaan hebben. Quazi Nafis is daar één van. Maar de meesten zijn nog steeds zeer gewelddadig en zitten vol woede. Ze voelen zich een slachtoffer omdat ze de rest van hun leven in een cel van drie op vijf meter moeten doorbrengen. Vaak zijn ze nog geen dertig en beseffen ze dat hun leven over is. Die existentiële angst kunnen wij ons niet voorstellen. Dat besef voedt alleen maar hun woede, walg en haat.”

 

Een van de grote voorbeelden van Sharia4Belgium, kweekvijver van piepjonge jihadisten en Syriëstrijders, was de Britse haatprediker Anjem Choudary. De man ronselde voor IS, maar was zo glad als een paling en wist lang uit de klauwen van justitie te blijven.

Spaaij: “Choudary is het typevoorbeeld van de enabler. Vaak wassen de aanmoedigers hun handen in onschuld: ‘Er is toch geen directe link tussen mijn preken en de actie van de dader? Ik predik haat en geen geweld.’ (lacht) Ondertussen voeden ze zonder scrupules het extremistische discours en schrijven zo het cultural script uit voor de lone wolf. Extreemrechts heeft ook zo zijn enablers, denk maar aan Richard Spencer van de white supremacist-denktank National Policy Institute en David Duke van de KKK. Heel belangrijk in de VS was de in 1978 verschenen roman The Turner Diaries van white supremacist en neonazi William Pierce. Maar er zijn ook mainstreamfiguren die zeer invloedrijk zijn zoals Alex Jones, een radicaalrechtse radio- en filmmaker en aanhanger van complottheorieën.”

 

Het internet bulkt van de samenzweringstheorieën.

Spaaij: “Eenzame wolven zijn er dol op. De verkiezing van Barack Obama tot president in 2008 was voor white nationalists de bevestiging van de samenzweringstheorie dat de overheid erop uit is om hun grondrecht op wapenbezit in te trekken. Ze zagen het ook als hét bewijs dat het blanke ras onderdrukt wordt. Richard Poplawski was zo iemand. Hij begon nog meer wapens in te slaan én grote voorraden munitie omdat hij verwachtte dat de politie zijn geweren in beslag zou komen nemen. Een plas hondenpis zorgde vervolgens voor een bloedbad. Een aanslag is het resultaat van de combinatie van motief, gelegenheid en middel. Het internet heeft dat allemaal enorm vergemakkelijkt. Neem het middel: op het internet vind je gemakkelijk handleidingen om met huis- tuin- en keukenapparatuur een bom in elkaar te knutselen. Geradicaliseerde jongeren vinden jihadistische inspiratie in onlinetijdschriften van IS zoals Dabiq en Rumiyah of in Inspire van Al-Qaida. De ideologische informatie die lone wolves op het internet vinden, werkt als een echokamer. Ze fixeren zich op hun favoriete samenzweringstheorieën en horen geen alternatieve geluiden meer.”

 

Mogen we president Donald Trump ook een enabler noemen? Hij was toch een van de ‘vooraanstaande’ figuren binnen de birther-beweging die beweerde dat Obama niet in Hawaï geboren was, maar in Kenia en daarom geen recht had op het Amerikaanse presidentschap?

Spaaij: “Zonder twijfel. De birther-beweging ondermijnde zo niet alleen de legitimiteit van Obama, maar van de hele Amerikaanse overheid. Trump speelde dat spel zonder scrupules mee.”

 

Mark Hamm & Ramon Spaaij, The Age of Lone Wolf Terrorism, Columbia University Press

 

(c) Jan Stevens

‘Macht interesseert me niet, impact wel’

Met de informatie die het Europees Milieuagentschap (EMA) onder leiding van Hans Bruyninckx verzamelt, stippelt Europa haar klimaat- en milieubeleid uit. Bruyninckx’ wereldwijde invloed zal de volgende jaren samen met de temperatuur enkel stijgen. Over de toekomst is hij niet al te pessimistisch. “Wie vijf jaar geleden zei dat met ontploffingsmotoren in auto’s dringend komaf gemaakt moet worden, werd gecatalogeerd als radicale zonderling. Nu klinkt dat als een realistische stap op weg naar een koolstofarme economie.”

_DSC0036

Vanuit het raam van zijn kantoor kijkt Hans Bruyninckx (53) uit over het ooit zo statige, maar nu tot een bouwput herschapen Kongens Nytorv-plein in het hart van Kopenhagen. Op zowat alle grote pleinen in de Deense hoofdstad zijn bulldozers duchtig aan het graven. “Ze bouwen aan een gesofisticeerd metronetwerk”, zegt de voormalige professor internationale milieupolitiek. “Onder dit plein komt een station. De Denen sparen kosten noch moeite om van Kopenhagen een leefbare, duurzame stad te maken. Koning auto heeft hier al jaren niet veel meer in de pap te brokkelen.”

Sinds juni 2013 is Hans Bruyninckx directeur van het in Kopenhagen gevestigde Europees Milieuagentschap (EMA). Onder zijn leiding verzamelen de tweehonderd medewerkers van het EMA wetenschappelijke kennis over de toestand van de planeet. Hun rapporten vormen de basis voor het Europese klimaat- en milieubeleid. “Dertig jaar geleden focuste dat beleid zich op proper water en schone lucht en werd vooral de industriële vervuiling geviseerd”, zegt hij. “Vandaag bepaalt het milieu – en klimaatbeleid mee hoe onze toekomstige samenleving eruit zal zien.”

 

De klimaatverandering heeft alles op scherp gezet?

Hans Bruyninckx: “Ja, maar ook het verlies aan biodiversiteit drukt ons met de neus op de feiten. Wereldwijd staat ons zogenaamde ‘natuurlijk kapitaal’ zwaar onder druk door de aantasting van de biodiversiteit en de ecosystemen. Die worden verder uitgeput en de kwaliteit van onze leefomgeving raakt steeds meer aangetast. Eén van de grootste bedreigingen is de oprukkende ‘versnippering’. Daarmee bedoel ik de aanleg van wegen, van een continu groeiende infrastructuur die dwars door natuurgebieden loopt, waardoor grote gebieden van elkaar losgekoppeld worden en versnipperd raken. De klimaatverandering is inderdaad een niet te onderschatten probleem, maar we vergissen ons als we ons enkel daarop zouden concentreren. Het gaat zowel over het klimaat als over de biodiversiteit, en over de link tussen die twee. Een mooi voorbeeld zijn de oceanen die een zeer belangrijke rol spelen in de klimaatregeling en tezelfdertijd erg gevoelig zijn voor klimaatveranderingen. Onze oceanen herbergen een enorme biodiversiteit waar we nog veel te weinig over begrijpen. Of neem de bossen: ze zijn van levensbelang voor de biodiversiteit en zijn minstens even belangrijk voor de koolstofkringloop en de klimaatregeling. Zowel het klimaat als de biodiversiteit hebben zwaar te lijden onder onze allesbehalve duurzame systemen van produceren en consumeren. De manier waarop we energie opwekken, ons hele voedselsysteem, onze mobiliteit, de inrichting van onze steden, de productie van onze kledij… We gebruiken teveel grondstoffen en houden ze daarna niet lang genoeg in de economische cyclus.”

 

We consumeren te veel op weinig doordachte wijze?

Bruyninckx: “Wereldwijd zal de consumptie alleen maar toenemen: binnenkort zijn we met tien miljard, allemaal mensen die net als wij òòk recht hebben op een goed leven. Dat is enkel mogelijk als we veel efficiënter omgaan met onze grondstoffen. Nu maken we een product, gebruiken dat heel even, gooien het weg en recycleren nauwelijks iets. Veel producten gaan niet lang mee, worden niet hersteld maar gedumpt. Kostbare grondstoffen verdwijnen zo uit de kringloop. Daar moet snel verandering inkomen: we moeten evolueren naar een circulaire economie met een gesloten kringloop. Hetzelfde geldt voor energie: we gebruiken te veel en er gaat ook veel verloren. Er is nog flink wat werk aan de winkel om onze energie-efficiëntie op te krikken.

“Onze huidige manieren van consumeren en produceren putten de kwantiteit en kwaliteit van de natuurlijke hulpbronnen verder uit. Gelukkig groeit de bewustwording snel, want milieubeleid gaat niet langer alleen over planten en dieren, maar over onze hele samenleving, inclusief de economie. Milieu en klimaat blijken ook de ‘harde sectoren’ te beïnvloeden en bepalen mee het totale beleid. Het is de taak van ons agentschap om het Europese beleid te onderbouwen met kennis over de toestand van het milieu.”

 

Waar halen jullie die kennis?

Bruyninckx: “Belangrijk voor ons zijn de waarnemingen in de verschillende Europese lidstaten over de kwaliteit van het water, de lucht en de bodem. We koppelen die aan gegevens over mobiliteit, energie en de gezondheid van de burgers. We krijgen onze informatie van officiële instanties die zich aan de Europese regelgeving houden. Maar ook van Eurostat, het Joint Research Center (JRC), universiteiten en semi-publieke organisaties zoals in Vlaanderen de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) en de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO).”

 

Werken jullie samen met actiegroepen zoals Greenpeace? 

Bruyninckx: “Wij werken in de eerste plaats nauw samen met ons Europese netwerk, met al die Europese instanties die vertegenwoordigd zijn in onze raad van bestuur: het Europese Parlement, de Europese Commissie en de lidstaten. Daarnaast onderhouden we contacten met de belangrijkste Europese milieuorganisaties, zoals The European Environmental Bureau (EEB), BirdLife International en Greenpeace Europe. Ik ontmoet hun afgevaardigden regelmatig op meetings in Brussel en ze vragen me soms om op hun jaarvergadering te spreken. Ik praat ook met vertegenwoordigers van de industriële koepels. Zo gaf ik voor de autosector lezingen over mobiliteit, voor de chemiesector over scheikundige vervuiling en voor de landbouwsector over ons voedselsysteem. Dat hoort bij mijn job.”

 

Mag u in uw positie nog klaar en duidelijk zeggen wat u zelf vindt over de toestand van het milieu?

Bruyninckx: “Ik heb bewust de overstap gemaakt van professor aan de universiteit naar directeur van het EMA en was me heel goed bewust van de consequenties, maar ik ben en blijf Hans Bruyninckx. Het was een lange sollicitatieprocedure in zeven rondes waarin alle mogelijke ideeën over het milieu aan bod kwamen, maar waarin ook gepraat werd over hoe een organisatie zoals deze geleid moet worden. Ze weten dus waarvoor ik sta.

“Een deel van de selectie gebeurde onder leiding van de Europese Commissie. De finale beslissing werd genomen door ons management board waar de lidstaten, het parlement en de commissie in zetelen. Ik had een interview met de twee commissarissen waar wij vooral mee samenwerken en moest voor het Europees Parlement verschijnen waar ik drie uur lang door de volksvertegenwoordigers op de rooster gelegd werd. Als ik daar de mist was ingegaan, had ik hier nu niet gezeten. Maar uiteraard ben ik nog steeds ‘mezelf’. Van zodra ik het gevoel heb dat ik zaken moet verkondigen waar ik niet achtersta, kan ik beter iets anders gaan doen.”

 

Waarom wou u deze job zo graag? 

Bruyninckx: “Omdat dit de beste plek ter wereld is om kennis tot bij de Europese beleidsmakers te brengen. Wat wij hen aan informatie aanbieden, vormt de basis voor het milieu- en klimaatbeleid dat zij uitstippelen. Voor 28 landen zijn die maatregelen en afspraken bindend. IJsland, Noorwegen, Zwitserland, Liechtenstein en Turkije zijn ook lid van EMA en de zes westelijke Balkanlanden werken met ons mee. Een netwerk zoals het onze bestaat nergens anders ter wereld, ook niet in Noord-Amerika of Azië.  Ik vind het een onwaarschijnlijk voorrecht dat ik deze functie mag uitoefenen. De tweehonderd mensen die hier werken, behoren allemaal in hun domein tot de top. Ze komen uit meer dan dertig landen. Als we hier ’s morgens binnenstappen, worden we Europeaan. Wij werken mee aan het meest geïntegreerde en meest vooruitstrevende milieu- en klimaatbeleid van de hele planeet. Dat is toch fantastisch?”

 

Zitten we in vergelijking met vier jaar geleden niet in een totaal ander Europa en in een andere wereld? Want ondertussen was er de brexit en de verkiezing van Donald Trump, een wereldleider die het klimaatbeleid niet zo heel erg genegen lijkt te zijn. 

Bruyninckx: “Dat laatste is een overstatement. (lacht) De wereld is in verandering, net als de context waarin wij werken. Europa gaat door een moeilijke periode en wordt geteisterd door verschillende crisissen. Wij voelen dat hier ook. Want doordat het moeilijkere tijden zijn, worden er politieke keuzes gemaakt. Zo moeten we elk jaar afscheid nemen van personeelsleden als gevolg van het Europese bezuiningingsbeleid.

“Tot hiertoe zijn het Verenigd Koninkrijk en Turkije nog steeds volledig lid van onze organisatie. Hoe de toekomst eruit zal zien, is onduidelijk; dat is nu eenmaal eigen aan werken in een politieke omgeving. Ook onder Trump blijven we regelmatig contact onderhouden met de collega’s van onze Amerikaanse zusterorganisatie het United States Environmental Protection Agency (USEPA). De omstandigheden zijn veranderd, waardoor het er niet makkelijker op wordt.”

 

Terwijl de toestand steeds ernstiger én hopelozer lijkt te worden?

Bruyninckx: “De toestand is ernstig, maar u mag niet onderschatten wat er intussen allemaal gebeurd is. Tien jaar geleden, in volle kredietcrisis, werden onze thema’s klimaat en milieu on hold gezet. ‘We hebben nu even andere katten te geselen.’ Sindsdien is er toch veel veranderd. Ik ben hier begonnen in 2013, en niet zoveel later was er het klimaatverdrag van Parijs en introduceerde de Europese Commissie haar plan voor een kringloopeconomie. Dat is zonder overdrijving een compleet nieuwe langetermijnvisie op duurzaam produceren en consumeren. Dan is er ook nog de verdere ontwikkeling van het Europese klimaatbeleid en zijn er de lange termijnplannen voor een Europese Energie-Unie die betaalbare, duurzame én klimaatvriendelijke energie mogelijk moeten maken. U mag ook de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties niet vergeten die tegen 2030 gerealiseerd moeten zijn. En dan is er ook nog het Zevende Milieuactieprogramma van Europa dat loopt tot 2020, met een sterke visie gericht op 2050. Ik wil maar zeggen dat er ondanks de moeilijke omstandigheden en de tegenwind toch voldoende politiek en intellectueel kapitaal in Europa voorhanden is om een ambitieus milieu- en klimaatbeleid uit te bouwen. De kennis die wij verzamelen, speelt daar een voorname rol in. ‘Op basis van onze informatie is er vooruitgang waar te nemen, maar de uitdagingen blijven zeer groot.’ Waarna het aan de beleidsmakers is om bij te sturen. U zou me niet zo enthousiast over mijn werk horen vertellen als ons agentschap getroffen zou zijn door een volledige shutdown en standstill.”

 

Niet zo lang geleden kwamen vertrouwelijke mails aan de oppervlakte waaruit blijkt dat chemiereus Monsanto een aantal wetenschappers heeft proberen te beïnvloeden in het onderzoek naar onkruidverdelger glyfosaat. Sommige academici waren niet ongevoelig voor de avances van de multinational. Hoe kunt u er zeker van zijn dat de informatie betrouwbaar is die u van allerlei instellingen krijgt?

Bruyninck: “In Europa wordt glyfosaat opgevolgd door twee gespecialiseerde agentschappen die met een heel netwerk van wetenschappers werken: het Europese Voedselagentschap in Parma en het European Chemicals Agency in Helsinki dat overigens ook geleid wordt door een Vlaming. In ons eigen Milieuagentschap wordt alle inkomende informatie grondig gecheckt. Onze dataspecialisten volgen daarvoor een handleiding die we Quality Checking and Quality Assures of QCQA gedoopt hebben. Ze laten algoritmen op de data los en merken het snel als er iets schort aan de kwaliteit. We werken intens samen met oficieel aangestelde specialisten uit de lidstaten die ons begeleiden met het opstellen en ijken van onderzoeks- en rapporteringsmethoden. Voor we een rapport publiceren, laten we het vaak nalezen door academici. Al onze rapporten kunnen door iedereen gelezen en gecontroleerd worden. We weten dat ze door veel wetenschappers gedownload worden. Zij gaan aan de slag met de door ons verzamelde informatie en als ze op fouten of twijfelachtige gegevens stoten, zullen ze ons dat heel snel laten weten. Last but not least is er de politieke controle. Alles wat ik in het openbaar zeg over een lidstaat, wordt aandachtig gevolgd. Bij de minste fout die ik maak, krijg ik meteen een reactie. ‘Wat u daar verkondigt, is fout mijnheer Bruyninckx. Wij hebben andere gegevens.’ In de vier jaar dat ik hier nu zit, is dat overigens nog nooit gebeurd. Dat komt net omdat wij zo uitermate zorgvuldig te werk gaan. We kunnen ons geen fouten of vergissingen permitteren. Want van zodra we de reputatie krijgen dat onze gegevens niet te vertrouwen zijn, is onze rol uitgespeeld. Onze basis wordt gevormd door de betrouwbaarheid van onze informatie. Als er onzekerheid over sommige gegevens bestaat, zullen we dat altijd meedelen. In de wetenschap komt dat trouwens vaak voor. ‘Op basis van die gegevens is dit de boven – en ondergrens van betrouwbaarheid’, staat er dan. Zo werkt wetenschap en zo werkt kennis. Ik kan er niet genoeg op hameren: voor ons is transparantie van levensbelang.”

 

Tegenwoordig zijn heel wat professoren aan universiteiten ook actief als ondernemer in start-ups, waardoor ze commerciële belangen krijgen.

Bruyninckx: “Daar doe ik liever geen uitspraken over. Er kan altijd een belangenconflict in de lucht hangen. Je weet nooit wat je medewerkers in hun vrije tijd uitspoken, met wie ze getrouwd zijn of waar ze in beleggen. Vandaar ook dat er bij ons strenge en duidelijke procedures van kracht zijn. Alles moet hier aangegeven worden; dat heeft het grote voordeel van de duidelijkheid. Ik heb zelf aan de KULeuven gewerkt en ik weet dat er een dienst is waar professoren hun consultancy-opdrachten aan moeten rapporteren. Ik stelde me aan de universiteit altijd compleet onafhankelijk op.”

 

Komen er vaak lobbyisten bij u over de vloer?

Bruyninckx: “Bijna nooit. Het EMA is een kennisinstelling en maakt het beleid niet. Hier in Kopenhagen zitten we trouwens veraf van de Brusselse scene, the Brussels bubble. (lacht) Wij stemmen over helemaal niks, waardoor wij niet interessant zijn voor lobbyisten. Als er dan toch al eens een lobbyist komt aankloppen, ben ik heel duidelijk: ‘Sorry, u zit op de verkeerde plek. Wij spreken de nieuwe normen niet af, daarvoor moet u bij de commissie in Brussel, of in het parlement zijn.'”

 

Krijgt u vaak politici op bezoek?

Bruyninckx: “Nogal wat Europarlementariërs, dat zijn dan mensen die rapporteur zijn over een bepaald thema. Wij bieden hen ondersteuning aan. Ik ben regelmatig in Brussel en dan ontmoet ik, uiteraard, mensen uit het beleid: politici, hoge ambtenaren en ook lobbyisten. Dat is nu eenmaal deel van mijn werk. Niet om mee beleidskeuzes te maken, maar om de nodige informatie te leveren. We zijn volstrekt neutraal en maken geen onderscheid in politieke kleur. Als iemand van om het even welke fractie beroep doet op kennis van onze experts, leveren we die.”

 

Wie het milieubeleid écht wil beïnvloeden, kan misschien beter proberen om de grondstof van dat beleid, de kennis, te beïnvloeden?

Bruyninckx: “Onze procedures en regels om die kennis op te bouwen, zijn superstreng, hoor. Het is niet zo dat om het even wie hier kan binnenstappen en een rapport op tafel kan gooien met de boodschap: ‘Goeiemiddag, ik heb wat nieuwe, “alternatieve” kennis voor jullie. Misschien kunnen jullie die ooit wel eens gebruiken in een rapport.’ Zo werkt het niet.”

 

Sinds de verkiezing van Donald Trump zijn de ‘alternatieve feiten’ aan een opmars bezig.

Bruyninckx: “Kennis is geen kwestie van geloof. Kennis is kennis.”

 

Het lijkt toch alsof er in de VS nu beleid wordt uitgestippeld op basis van onzin?

Bruyninckx: “Precies daarom is het zo een voorrecht om in een Europese context deze job te mogen doen. Onze collega’s van de USEPA zijn het al jaren gewoon om op dezelfde manier kennis te vergaren als wij. Nu worden zij geconfronteerd met een existentieel probleem. Gelukkig is het beleid in Europa sterk gelinkt aan kennis, evidence-based policy making heet dat in het jargon. Ik denk niet dat het hier snel zal veranderen.”

 

Niemand had ook verwacht dat de Britten vaarwel zouden zeggen aan Europa.

Bruyninckx: “Nee, dat klopt. Niemand weet of na de brexit het Verenigd Koninkrijk lid zal blijven van onze organisatie. Ik hoop van wel, al was het maar omdat de Britten in ons vakgebied heel belangrijk zijn als partner in het verzamelen van kennis.”

 

Heeft u in uw functie meer invloed dan een politicus? Uw werk hier bepaalt misschien meer het Europese beleid dan dat van een doorsnee Europarlementariër?

_DSC0028Bruyninckx: “Ik denk niet dat het veel zin heeft om precies te proberen bepalen wie het meeste invloed heeft. Beleid is het resultaat van veel verschillende vormen van informatie of overleg. Wij zijn een radertje in het grote geheel, maar we nemen ons werk wel heel serieus. Onze kennis is betrouwbaar en relevant. We kunnen ook goed inschatten wanneer we wat precies moeten aanleveren. Het is heel belangrijk dat je als kennisinstelling het ritme van de politiek en het beleid perfect kunt aanvoelen.”

 

U kent de bureaucratie op uw duimpje?

Bruyninckx: “We moeten niet alleen de bureaucratie goed kennen, maar ook de politieke cyclus aanvoelen. We moeten de kennis zo presenteren dat degene die ze kan gebruiken, onmiddellijk ziet waar de toepassingen zitten.”

 

U stuurt de politici dus eigenlijk een beetje met de manier waarop u hen uw kennis brengt?

Bruyninckx: “Natuurlijk. Als we met Europese topexperts over luchtkwaliteit praten, hebben we het over ppm’s, microgrammen en NOx en SOx. Als we met mensen praten die de grote beleidslijnen voor de volksgezondheid uitzetten, laten we NOx en SOx achterwege. We kunnen niet anders dan onze informatie framen in de taal en de context van de mensen waarmee we spreken. Daarom besteden wij zeer veel aandacht aan communicatie. Met framen bedoel ik dus niet: ‘verkopen’.

“Wetenschappers hebben er geen enkel probleem mee dat wij kennis framen. Integendeel, want onze teksten, lezingen, rapporten zijn altijd op solide wetenschappelijke waarnemingen gebaseerd. We krijgen lof omdat het ons lukt om onze informatie zo te verpakken dat iedereen naar ons luistert. Dat is toch heel belangrijk? Een paar weken geleden was er in Brussel een conferentie over geluid, wat een zeer complex probleem is. Als je daar technisch over begint te spreken en ingewikkelde grafieken projecteert, beland je meteen in een uiterst moeilijk debat en haken mensen af. Je moet die moeilijke materie dus vertalen in zinnen en beelden die iedereen begrijpt.”

 

Bent u een machtig man?

Bruyninckx: “Macht interesseert me niet, impact wel. Met de kennis die wij in Europa aanleveren, oefenen we behoorlijk wat invloed uit op een aantal processen. Wij streven die impact niet na vanuit de behoefte om de grootste en de sterkste te zijn. Dit werk is geen hobby waar we allemaal ontzettend veel lol aan beleven. Nee, wij werken hier rond zeer serieuze thema’s; onze mensen zijn zich daar heel goed van bewust.”

 

Want uiteindelijk gaat het over het redden van de planeet?

Bruyninckx: “Misschien eerder over het veilig stellen van ons ‘goede leven’ op lange termijn. Ik geloof sterk in ons agentschap en in de rol die wij spelen. Ik ben de voorzitter niet van de commissie of het hoofd van een belangrijke fractie in het Europees parlement. Ik ben hier directeur en het is mijn verantwoordelijkheid om vanuit deze functie zoveel mogelijk impact te hebben. Eerlijk gezegd vind ik dat we dat op dit moment behoorlijk goed doen. We krijgen goede reacties vanuit de Europese instellingen en de lidstaten, maar ook van anderen daarbuiten.”

 

Wordt u zelf nooit wanhopig van de onderzoeksresultaten die u binnenkrijgt? Denkt u nooit: ‘De apocalyps is nabij’?

Bruyninckx: “Een aantal tendensen zijn niet zo gunstig, maar ik heb dat nooit anders geweten. Ik werk al mijn hele loopbaan rond de milieuproblematiek. Sommigen raken daardoor verpletterd; anderen voelen het gewicht van de hele wereld op hun schouders rusten. In plaats van mij erdoor te laten ontmoedigen, zoek ik vanuit al die kennis naar hefbomen om de zaak positief te laten kantelen. Ik ben toch iets optimistischer dan vijf jaar geleden. Zo breekt hernieuwbare energie wereldwijd veel sneller door dan voorspeld was. Niet alleen in Europa, maar ook in een land als China, waar er gigantisch veel in geïnvesteerd wordt. Wie vijf jaar geleden zei dat met ontploffingsmotoren in auto’s dringend komaf gemaakt moet worden, werd gecatalogeerd als radicale zonderling. Nu klinkt dat als een realistische stap op weg naar een koolstofarme economie. Ook de financiële markten krijgen interesse in climate en green financing.”

 

Dat is dus niet hetzelfde als: terug naar de natuur en leve de geitenwollensokken?

Bruyninckx: “Bijlange niet. Voor alle duidelijkheid: ik heb nooit geitenwollensokken gehad en zal die ook nooit dragen. (lacht) Ik ben geen naïeve dromer. Het gaat niet over gerommel in de marge, maar over de kern van de zaak: over fundamentele transities in onze samenleving, zoals bijvoorbeeld een ander energiesysteem. Kopenhagen wil de eerste klimaatneutrale hoofdstad van de wereld worden en Zweden het eerste klimaatneutrale land. Dat visionaire spreekt mij enorm aan. Het gaat niet langer over het voorspellen van de toekomst maar over het vormgeven ervan, en dat op een realistische wijze. We weten dat we dringend de broeikasgasuitstoot moeten afbouwen en dat we de verdere afbraak van ecosystemen en biotopen een halt moeten toeroepen. Martin Luther King veranderde de VS niet door te jammeren: ‘I have a nightmare’, maar met: ‘I have a dream.’”

 

Moet er niet dringend een wereldmilieuagentschap komen?

Bruyninckx: “Er is internationaal al een grote samenwerking. Wij zijn gekoppeld aan het United Nations Environment Program (UNEP) en delen zo kennis met 54 landen in Europa. Energie- en voedselsystemen kennen een globale dynamiek. Wij hebben dus zeer veel aandacht voor globalisering. De voorbije twintig jaar heeft de mensheid geglobaliseerde systemen van produceren en consumeren ontwikkeld die allesbehalve duurzaam zijn. Wij onderzoeken hoe we kunnen vermijden dat we daarin vastgeklikt geraken, en hoe we het mogelijk kunnen maken dat we locked in geraken in duurzame systemen en processen. Het lokale is belangrijk, maar ons terugplooien op onszelf, zelfs al gaat het dan nog over het Europese continent, is niet verstandig. Vandaar ook het belang van het akkoord van Parijs.”

 

Uw mandaat loopt af in 2018. Stel dat het niet verlengd wordt, overweegt u dan een carrière in de politiek?

Bruyninckx: “Ik heb geen enkele ambitie om in de politiek te gaan. Je moet jezelf goed kunnen inschatten. Ik denk niet dat ik een goed politicus zou zijn. Ik was professor politieke wetenschappen en heb nu een functie die zeer dicht staat bij het beleid en de politiek. Mensen zeggen me vaak: ‘Als je spreekt, klink je zeer politiek zonder een politicus te zijn.’ Mijn hele loopbaan draait rond kennis. Dat is mijn roeping.”

 

Pendelt u vaak tussen Kopenhagen en Brussel?

Bruyninckx: “Ja. Deze job heeft een serieuze impact op mijn gezinsleven en voor ik eraan begon, heb ik daar met mijn vrouw afspraken over gemaakt. Als ik in het weekend in België ben, werk ik niet. Ik ben wel bereikbaar als het dak hier bij wijze van spreken instort of de comissaris me dringend nodig heeft, maar ik neem geen dossiers mee naar huis. Tijdens de week is dit een intense job die volledige toewijding vereist. Dit is geen baan voor mensen die niet stressbestendig zijn. Je kan door een golf overspoeld worden of je kan erop surfen. Meestal slaag ik erin om te surfen op de golf van wat er allemaal op me afkomt. Drie dagen per week ben ik hier in Kopenhagen, twee dagen vertoef ik elders in Europa. Je kan geen Europese functie uitvoeren als je in je kantoor blijft zitten. De lidstaten verwachten heel terecht dat ik regelmatig langskom en aandacht aan hen besteed.”

 

U heeft dus een stevige ecologische voetafdruk.

Bruyninckx: “Iedereen in de Europese Unie met dit soort functie heeft een grote ecologische voetafdruk. In vergelijking met mijn voorgangster heb ik het aantal reisdagen en kilometers zo goed als gehalveerd. Alle medewerkers van ons agentschap reizen een pak minder omdat ik een pleitbezorger ben van technologische communicatiemiddelen zoals conference calls. Elke kilometer die we vliegen compenseren we via de beste carbon offsetting-programma’s. Maar ik vlieg veel, dat is zeker waar, en dat wringt soms. Alleen raak je met de roeiboot of de fiets niet tot in Bulgarije, Malta, Portugal of IJsland.”

 

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

‘Mensen zijn heel mak, en dat is gevaarlijk, want zo heeft het fascisme in Duitsland ingang gekregen’

In oktober 2015 ging Michaël Borremans’ werk Girl with duck bij Sotheby’s voor 2,7 miljoen euro over de toonbank. Zelf verdiende hij daar toen niet zo veel aan, maar het katapulteerde hem in één klap tot ‘duurste levende Belgische schilder’. “Al dat geld is collateral damage.”

 

Wereldwijd geldt Michaël Borremans (53) als een van de grootste nog levende Belgische kunstenaars. In zijn thuisstad Gent rijdt hij gewoon met de fiets rond en houdt niemand op straat hem tegen voor een selfie of een handtekening. We hebben afgesproken in zijn favoriete Italiaanse osteria in de schaduw van het oude RTT-gebouw. “Al duizend keer reed ik met de fiets naar dit restaurant, en toch slaagde ik er daarnet in om helemaal in gedachten verzonken verloren te rijden”, zegt hij terwijl het voorgerecht wordt opgediend. “Hoe is dat nu mogelijk? Al heeft het feit dat het mogelijk is ook iets zeer bevrijdends.”

 

Is dat ook niet een beetje verontrustend?

Michaël Borremans: “De code van mijn creditcard niet meer kunnen herinneren als ik wil betalen, dàt is verontrustend én vervelend. Maar verdwalen op een plek die ik goed ken, lijkt op de verwondering die ik als kind had. Eigenlijk is het toch een kwaliteit om verloren te lopen in een stad waar ik al 25 jaar woon? (lacht)”

 

Uw atelier is hier in de buurt?

Borremans: “Eén wel. Op dit moment gebruik ik drie verschillende ateliers. Vroeger had ik er maar één en als ik dan geen inspiratie had, niet verder kon met een werk of geblokkeerd zat, ging ik op de lappen of deed ik andere onverstandige dingen. Maar door ouder te worden besef ik dat mijn werk voor mezelf alleen maar boeiender wordt. Ik vind het steeds meer de moeite waard, en daarom wil ik er ook veel tijd in investeren. Eens de 50 gepasseerd, besef je dat je tijd opraakt. Dus moet je die zo nuttig mogelijk invullen. Ik leen een tweede atelier van een vriend. Als ik tijdens een werk blokkeer, verhuis ik naar dat andere atelier waar ik op een ander moment ook geblokkeerd zat. Daar weet ik dan een antwoord op, omdat ik uit een andere context kom en er met nieuwe ogen arriveer. Op dit moment heb ik drie werkplekken langs waar ik mijn tournee maak. Een tijdje geleden kocht ik zelfs een Porsche 911 om de afstanden sneller te kunnen overbruggen. Maar ik heb die auto weer verkocht, want dat was niks voor mij. (lacht) Ik wil alleen maar zeggen dat ik alles in mijn leven organiseer in functie van het werk.”

 

Wat misschien niet echt gezond is.

Borremans: “Dat is altijd zo geweest en wordt alleen maar erger. Ik ben daar zeer tevreden mee. Natuurlijk lijdt mijn sociaal leven daar onder. Als ik aan het werk ben, word ik soms een kluizenaar. Maar ik ben dan wel perfect gelukkig. Hou ouder ik word, hoe meer ik dat kluizenaarsschap apprecieer. Dat heeft ook te maken met slechte ervaringen met sommigen. De schrijver Gerard Reve had niet helemaal ongelijk toen hij zei: ‘Met de meeste mensen kun je beter niks te maken hebben.’ Ik ben geen misantroop, maar ik koester wel de momenten van splendid isolation.”

 

Streelt het uw ego dat u wereldwijd tot de meest invloedrijke Belgische kunstenaars behoort?

Borremans: “Als dat écht zo zou zijn, uiteraard wel. Er leeft een mythe dat ik bescheiden ben, maar dat is niet zo. Nee, voor mezelf ben ik de interessantste kunstenaar ter wereld. En elke kunstenaar die dat niet van zichzelf denkt, is slecht bezig of liegt. Je moét ervan overtuigd zijn dat je werk ertoe doet en relevant is. Anders ben je niet geloofwaardig.

“Het belang van een kunstenaar moet gemeten worden aan zijn invloed, niet aan zijn marktwaarde of aan de beoordelingen van experts. Alleen kun je die invloed alleen maar achteraf vaststellen. De Nederlandse modernistische kunstenaar Mondriaan heeft nog steeds een verpletterende invloed. Zijn beeldtaal drukte een stempel op de schilderkunst, maar ook op de vormgeving en de architectuur. Hij heeft voor verandering gezorgd, net als Marcel Duchamp, Pablo Picasso en Andy Warhol. Zij bestonden niet op zichzelf, maar hun kunstenaarschap werd gevoed door een grotere context.”

 

Moet elke kunstenaar die ambitie hebben om invloedrijk te worden?

Borremans: “Niet noodzakelijk. Als kunstenaar kun je daar niet bij stilstaan of rekening mee houden. Mijn werk ontstaat uit intuïtie, uit noodzaak om me te manifesteren in de taal die me ligt. Zonder kunst zou ik niet compleet zijn. Ik zou niet op het juiste spoor zitten en me verloren voelen, want ik ben tot niets anders in staat. Maar het hoeft niet de schilderkunst te zijn, ik had net zo goed voor televisie kunnen werken. Of een boek kunnen schrijven, of een slechte muzikant worden. (lacht) Dat laatste ben ik intussen trouwens ook. Ik speel elke dag gitaar omdat ik me alleen zo echt kan ontspannen. Ik heb onlangs een band opgericht samen met de fantastische gitarist Steven Janssens. Niet zo lang geleden speelden we voor het eerst voor publiek op de openingsavond van een groepstentoonstelling in het Zwitserse mondaine skidorp Gstaad. Ik vond mezelf niet zo goed, maar het publiek was zeer enthousiast. De andere muzikanten waren uitstekend, ook al hadden we niet veel gerepeteerd, maar professionals zoals zij don’t fuck up. Ik voel me een gerateerde rocker. Toen ik bijna dertig was, dacht ik: ‘Nu is het te laat, ik ben te oud om een rockband te beginnen.’ Op je vijftigste kan dat dan weer wel. (lacht)”

 

Was het als schilder een lange, lastige weg naar het internationale succes?

Borremans: “Nee, ik heb een beetje geluk gehad. Ik was al 37 toen ik als kunstenaar voluit naar buitenkwam. Daarvoor was ik leraar. Ik was wel bezig met mijn kunstenaarschap, maar op halve kracht. Daardoor had ik de tijd om mijn werk langzaam en in de schaduw tot ontwikkeling te laten komen. Toen ik debuteerde, was dat een instant succes en dankzij de samenwerking met galeriehouder Frank Demaegd ging het meteen snel.

“Het leraarschap is natuurlijk een engagement. Het is niet gemakkelijk om elke dag een goede leraar te zijn.”

 

Was u een goede leraar?

Borremans: “Op sommige dagen wel, al heb ik ook veel fouten gemaakt. Ik probeerde het lesgeven wel zeer ernstig te nemen: het is een heel complex, onderschat beroep. Het basisonderwijs zou veel hoger ingeschat moeten worden, beter betaald en de opleiding mag best uitgebreider. Ik vind dat de maatschappij constant in de inhoud van het onderwijs moet investeren. In Amerika hebben ze het basisonderwijs decennialang verwaarloosd en nu zitten ze opgescheept met Donald Trump als president. You reap what you sow.

“Als leraar in de humaniora merkte ik dat er jonge mensen afstudeerden die niet zonder fouten konden schrijven. In die tijd was dat waarschijnlijk nog maar een minor problem. Ik vrees dat de toestand ondertussen veel verslechterd is. Terwijl het zo ontzettend belangrijk is dat de liefde voor taal en cultuur via het onderwijs aan jongeren wordt meegegeven. Een vak als geschiedenis is ook van levensbelang: we moéten weten waar we vandaan komen. Eigenlijk zou elke scholier gestimuleerd moeten worden om In Europa van Geert Mak te lezen.”

 

Is kunstenaar zijn een job of een roeping?

Borremans: “Als het al een job is, is het geen kantoorjob omdat het nooit stopt. Je bent constant kunstenaar, zelfs als je slaapt of onder de douche staat. Het is net als pastoor zijn. In mijn geval is het zeker een roeping, omdat ik nooit een andere optie had. Mijn ouders wisten dat er niks aan te doen was: hun zoon Michaël moest en zou kunstenaar worden. Ik had geen uitzonderlijk talent, maar ik was er wel door bezeten. Die drive is zeer belangrijk.”

 

Hebben mensen met te veel talent de neiging om enkel daarop voort te dobberen?

Borremans: “Wat is talent? Ik zie veel kunstenaars die one trick ponies zijn en zichzelf blijven herhalen. Daarnaast zijn er anderen die constant experimenteren: tot die groep wil ik behoren.

“Je hebt mensen met veel talent én een drive. Rubens indertijd had wat te veel talent. (lacht) Van Gogh was gedreven, terwijl zijn talent in zekere zin beperkt was. Maar hij is toch de beste Van Gogh geworden die hij kón worden. Hij heeft tijdens zijn leven nooit enige vorm van erkenning gehad en is het type dat beantwoordt aan het romantische cliché van de arme miskende kunstenaar. In de 19de eeuw waren de meeste schilders welstellende salonartiesten.”

 

Is succesvol zijn een vloek of een zegen?

Borremans: “Succes hebben is soms moeilijk. Het isoleert, al is die isolatie bij mij een vrijwillige keuze. Als je succes hebt, gaan mensen je anders bekijken. Ze denken dan snel dat je naast je schoenen loopt. Dat is een heel vreemde ervaring. Als ze je contacteren, is het altijd omdat ze iets nodig hebben. Nooit komt iemand langs met de simpele vraag: ‘Hé, hoe is’t? Hoe voelt ge u?‘ Ik word vaak meer als instituut dan als persoon benaderd.”

 

Ook door vrienden?

Borremans: “Uiteraard niet, God forbid. Ik heb weinig echte vrienden, maar de vrienden die ik heb, zijn van onschatbare waarde. Succes is zowel een vloek als een zegen, maar geldt dat niet voor alles? Neem de technologische evolutie: die is sterk aanwezig in onze samenleving en kunnen we niet stoppen. Voor velen is ze een moderne religie. Mijn dochter van zeventien brengt de helft van haar leven door met staren naar een scherm. Ik zeg haar soms: ‘Meisje, zou je niet eens wat tijd investeren in een echt leven?'”

 

U bent geen fan van sociale media zoals Facebook of Twitter?

Borremans: “Nee, ze hebben een dwingend karakter, dus wantrouw ik ze. Ik zit niet op sociale media. Er bestaat wel een Facebook-pagina van mij, maar daar is iemand anders mee begonnen. Dat kan dus ook allemaal: de eerste, de beste kan zich zomaar uitgeven voor iemand anders. Ik vind het heel bizar dat niemand daar tegen revolteert. Mensen zijn heel mak, en dat is gevaarlijk, want zo heeft het fascisme in Duitsland ingang gekregen. De media die toen gebruikt werden, waren ook nieuw.”

 

Bent u nu binnen?

Borremans: “Het financiële is een niet onprettige bijkomstigheid. Het is bijzonder comfortabel om geld te hebben, dat geef ik grif toe. Ik weet ongeveer hoeveel ik bezit, maar ik heb geen flauw idee of dat genoeg is om van te rentenieren. Ik ga ervan uit dat ik honderd jaar word. Ik heb nog altijd een vrij sobere levensstijl, waardoor ik het waarschijnlijk wel tot mijn honderdste kan rekken. Ik heb watervrees, dus hoef ik al geen jacht te kopen. (lacht)

I was never in it for the money. Dat geld is collateral damage. Iets wat je te graag wil, zal nooit tot bij jou komen. Ik heb geen beleggingen en investeer zoveel mogelijk in mijn eigen werk. Ik ben niet zo geïnteresseerd in geld. Wat mij wel interesseert, is in mijn atelier op een boeiende manier met mijn werk bezig zijn. Op dit moment lukt dat vrij goed. Ik ben het gelukkigst als ik begeesterd ben en kan werken. Elke dag dat ik niet werk, is een verloren dag. Op dit moment loopt het redelijk goed en dat mag eeuwig zo blijven duren.”

 

Maar dat zal niet zo zijn.

Borremans: “Nee, het gaat met ups en downs. Nu amuseer ik me te pletter. Dit is een heel boeiende periode, omdat ik stout kan zijn in mijn werk en niet weet waar het zal eindigen. Nee, ik kan u niet zeggen waar ik mee bezig ben. Ik ben daar zeer bijgelovig in en moet er nu verder mijn bek over houden. Ik toon mijn werk zelfs niet aan mijn lief: het is top secret. Ook tegen verzamelaars uit Azië of Amerika die naar mijn atelier komen, zeg ik: ‘Sorry, ik kan jullie mijn nieuw werk niet laten zien. Ik zit in een fase dat het nog te embryonaal is. Ik vind het belangrijk dat ik het een tijdje voor mezelf kan houden.’ De meesten appreciëren dat wel. Al vinden sommigen het moeilijk, omdat ze van ver gekomen zijn. Ze hadden gehoopt op een preview.”

 

Komen er vaak kunstverzamelaars bij u op bezoek?

Borremans: “Af en toe, maar ik tracht dat te beperken en ik laat geen groepen toe. Ik verkoop zelf niets; alles gaat via de galerieën. Gelukkig maar, want ik zou een zeer slechte verkoper zijn. Voor ik met galeriehouders samenwerkte, gaf ik mijn werk cadeau. Ik ben geen commercant of marktkramer, maar een kunstenaar.”

 

Van sommige kunstenaars en galeriehouders wordt beweerd dat ze via stromannen zelf kunstwerken kopen om de prijs op te drijven, om zo de invloed en de marktwaarde van de kunstenaar in kwestie te vergroten.

Borremans: “Ik heb ook al gehoord dat op veilingen de prijzen soms kunstmatig opgedreven worden. Maar als er geen markt voor een werk bestaat en niemand erin geïnteresseerd is, krijg je het nooit verkocht. Prijzen opdrijven, is dus zinloos. De markt is de markt. In tegenstelling tot een paar decennia geleden is de kunstmarkt een vaste waarde geworden. Wie nu een werk van pakweg Donald Judd koopt, weet dat hij er nooit geld aan zal verliezen.”

 

Geldt dat ook voor een werk van Michaël Borremans?

Borremans: “Dat zit er aan te komen, hé. Het wordt wel steeds moeilijker om speculanten af te houden: zij kopen omdat ze rekenen op stijgende prijzen. Donald Judd is dood en ik ben een veel jongere kunstenaar. Ik ben nog in volle evolutie en ik hoop dat ik oud genoeg word om de best mogelijke weg te bewandelen. Ik moét oud worden: ik zou niet graag sterven voor ik uitverteld ben.”

 

Uw dochter zal er na uw dood wel bij varen.

Borremans: “Dat zal ervan afhangen of ze erft. Dat moeten we nog bekijken. Ik wil haar met niets opzadelen of haar van haar vrijheid beroven. Ik heb het er met haar al over gehad.”

 

Sting heeft zijn kinderen ook beloofd dat ze niets zullen erven. Volgens hem zal zijn rijkdom als een molensteen rond hun nek hangen en is het beter dat ze zelf werken voor hun geld.

Borremans: “Dat bericht van Sting in de krant was eigenlijk de aanleiding om het er met mijn dochter over te hebben. Ik liet haar het artikel lezen en zei: ‘Dit is ook een optie.’ Ze vond dat cool. (lacht)”

 

In 2014 had u een grote overzichtstentoonstelling in BOZART in Brussel waar een recordaantal bezoekers op afkwam. Was dat een soort van tijdelijke bekroning van uw kunstenaarschap?

Borremans: “Ik voelde me er alleszins zeer mee vereerd. Die tentoonstelling was nuttig voor mij omdat ik kon terugkijken op wat ik tot dan gedaan had. Ik werd gedwongen om zelf mijn oud werk te evalueren. Doordat ik er oog in oog mee stond, zag ik wat er me stoorde. Ik leerde toen wat voor verbetering vatbaar is en ik voelde me ertoe gedwongen om nieuw en beter werk te gaan maken. Ik heb toen ook ontdekt dat de manier waarop toeschouwers mijn werk becommentarieerden, me soms stoorde. Ik zocht de fouten vervolgens bij mezelf. ‘Misschien staat dat werk niet helemaal op punt. Misschien komt er niet altijd uit wat ik bedoeld heb.'”

 

U liep rond op uw eigen tentoonstelling, observeerde hoe mensen op uw werk reageerden en luisterde hun gesprekken af?

Borremans: “Nee, ik luisterde niemand af: ik werd er zelf veel over aangesproken. Ik ben er nauwelijks geweest omdat ik het niet kan verdragen om op mijn eigen tentoonstelling rond te lopen. Ik word ook niet graag gefotografeerd bij mijn werk. Het vergt van mij al een zeer groot engagement en een zware inspanning om het te maken, dan mag het stoppen. Ik wil het ook zelf niet analyseren; er zijn mensen die dat veel beter kunnen.”

 

U kreeg nogal wat kritiek toen de tentoonstelling naar Tel Aviv verhuisde.

Borremans: “Ik was daar zwaar door gechoqueerd. Ik wist toen niet goed hoe te reageren. Ik vond het pijnlijk om te horen en te lezen hoe sommigen zichzelf een soort morele superioriteit toedichtten, zonder er rekening mee te houden dat ik misschien een meer genuanceerde visie op Israël en de Palestijnse kwestie heb. Ik geloof dat in dit geval een culturele boycot gewoon averechts werkt. Israël is een jong land dat nood heeft aan meer cultuur. Een maatschappij kan alleen maar progressiever en zelfkritischer worden als er meer cultuur ontwikkeld wordt. De Israëlische nederzettingenpolitiek kan enkel van binnenuit veranderd worden. Het is en blijft een democratisch land. Een culturele boycot helpt geen sikkepit.”

 

Hoe belangrijk zijn kunstpausen en curatoren voor de reputatie of de invloed van een kunstenaar?

Borremans: “Curatoren, museumdirecteurs en galeriehouders hebben een niet te onderschatten invloed én verantwoordelijkheid. De ene curator houdt van je werk, de andere niet. Daar is niets mis mee, alleen zijn sommige curatoren nogal modieus waardoor ze voorspelbare tentoonstellingen maken. Ik hou meer van hun vakbroeders die afwijken van de norm en hun persoonlijke signatuur in hun selectie nalaten. Kunstenaars die het heel goed doen op de internationale kunstmarkt, worden door curatoren vaak gewantrouwd. Ze beschouwen hen als ‘commercieel’. Ik vind dat een bizarre redenering, want waarom zou inhoudelijk interessant werk geen commercieel succes mogen hebben?”

 

U wordt door een aantal curatoren ook beschouwd als een commercieel kunstenaar?

Borremans: “Op de ranking van de markt scoor ik hoog, dat is onmiskenbaar zo. Bij verschillende curatoren scoor ik dan weer iets minder. Ik vind dat niet erg; ik hoef niet door iedereen omarmd te worden. Het is goed dat mijn werk hier en daar weerstand oproept, dat is zelfs essentieel. Het cliché wil dat het dan interessanter wordt. (lacht)”

 

(c) Jan Stevens

‘Bill Gates is een vriend en een geestverwant: we willen allebei hiv, polio en tbc voorgoed de wereld uit helpen’

Paul Stoffels is tweede in de pikorde van Johnson & Johnson, een van de grootste farmaceutische concerns ter wereld. Hij is de machtigste en invloedrijkste Belg in farmaland. “Ons ultieme doel is en blijft: voor de gezondheid van mensen wereldwijd het verschil maken.”

 

Als pas afgestudeerde dokter tropische geneeskunde ruilde Paul Stoffels (55) eind jaren tachtig de Kempen in voor Congo en Rwanda. “Ik wou van de wereld een betere plek maken”, zegt hij. Samen met invloedrijkste Belg Peter Piot voerde hij pioniersonderzoek naar HIV en aids. Vandaag is hij Chief Scientific Officer (CSO), Executive Vice President (EVP) en lid van het Executive Committee bij Johnson & Johnson (J&J). Vanuit het hoofdkwartier in New Brunswick in de Amerikaanse staat New Jersey stuurt Stoffels als CSO wereldwijd een team aan van 15.000 wetenschappers en beheert hij een budget van ruim 8 miljard euro. Als EVP draagt hij medeverantwoordelijkheid voor meer dan 40.000 personeelsleden verspreid over 150 landen. Zijn onderzoek lag mee aan de basis van drie aidsremmers en minstens vijftien nieuwe geneesmiddelen.

Paul Stoffels startte zijn carrière bij de legendarische dokter Paul Janssen, grondlegger van Janssen Pharmaceutica. Het was op diens vraag dat hij in Afrika op zoek ging naar een geneesmiddel tegen aids. Vandaag is Janssen Pharmaceutica onderdeel van J&J, het grootste farmaconcern ter wereld, en is het herdoopt tot Janssen: Pharmaceutical Companies of Johnson & Johnson.

“Toen wijlen Paul Jansen in 1953 zijn klein bedrijfje in de Kempen uit de grond stampte, werkten er amper een paar honderd mensen”, zegt Paul Stoffels. “Vandaag stellen we in België alleen al 4.500 mensen te werk. Onze invloed halen we uit de geneesmiddelen die we ontwikkelen en die impact hebben op het leven van ontzettend veel mensen, overal ter wereld. Wat voor ons écht telt is, om het in het Engels te zeggen: ‘Years of lives saved and years of quality of life generated.’ Hoeveel jaren helpen we mensen langer leven en hoeveel gezonde jaren kunnen we hen extra schenken? De kwaliteit van het leven staat vandaag in de hele geneeskunde bovenaan. Mensen langer én gezonder laten leven is ons ultieme doel.”

 

Het ultieme doel van een farmabedrijf is niet: zoveel mogelijk geld verdienen?

Paul Stoffels: “Als geld het belangrijkste wordt, is het einde snel in zicht. Elk bedrijf dat wil blijven bestaan, moet natuurlijk een return on investment halen. Maar ons ultieme doel is en blijft: voor de gezondheid van mensen wereldwijd het verschil maken. Dat is onze missie en wij werken daar gepassioneerd aan. Geldt dat trouwens niet voor de meeste grote belangrijke ondernemingen? Apple maakt ook iPhones om winst te maken, maar tegelijkertijd steken al die knappe koppen in dat bedrijf hun ziel in het superproduct waarmee ze de wereld veroverd hebben. Bij ons is dat niet anders: wij mobiliseren de beste wetenschappers, geneesheren, apothekers, ingenieurs en businesslui om samen aan dat nieuwe medicijn te werken waarmee we iedereen zullen verrassen. We moeten altijd opnieuw iets proberen brengen dat boven de rest uitspringt. Dat is ons al zeer vaak gelukt, waardoor wij nu belangrijke producten in de aanbieding hebben die wereldwijd mensen genezen. Het gevolg is dat ik nu als een invloedrijk persoon op deze planeet beschouwd word. (lacht) Terwijl invloedrijk worden, nooit mijn betrachting geweest is.”

 

De plaats waar u nu zit, was niet uw droom toen u geneeskunde begon te studeren?

Stoffels: “Helemaal niet. Ik wou als arts in Afrika gaan werken. Mijn allereerste droom was: muzikant worden. Klassieke muziek, orgel en piano. Maar vrij snel besefte ik dat muziek voor mij te beperkt was om mijn hele leven aan te wijden. Ik ben opgegroeid in Achtel, een klein gehucht ergens tussen Hoogstraten en Rijkevorsel, en was daar lang organist. Er staat een kapelletje waar mijn moeder nog steeds naar de mis gaat. Als ik thuis ben, vraagt ze altijd of ik daar op zondag wil komen spelen, wat ik dan ook vaak doe.”

 

U bent een gelovig mens?

Stoffels: “Ja, maar ik heb in de loop der jaren mijn eigen versie ontwikkeld. Ik geloof dat we allemaal samen aan een betere wereld moeten werken, met een goede gezondheidszorg voor iedereen. Dat is ook een van de redenen waarom ikzelf in dit vak verzeild geraakt ben. Als jongeman droomde ik van een betere wereld en zo kwam Afrika in het vizier. Tijdens mijn studies geneeskunde bracht ik elke vakantie op dat continent door. Ik raakte erdoor gefascineerd en zag ook wat ik er later als arts zou kunnen betekenen. Na mijn studies tropische geneeskunde ging ik er meteen aan de slag. Zo verbleef ik drie jaar in Congo en één jaar in Rwanda waar ik als geneesheer-researcher verbonden was aan een project voor onderzoek naar HIV en aids.”

 

U hebt de genocide in Rwanda meegemaakt?

Stoffels: “Begin oktober 1990 werden mijn vrouw en ik samen met onze kinderen geëvacueerd bij de eerste inval. Ik keerde later terug, terwijl mijn familie in België bleef. Ik werkte in Rwanda tot april 1994, toen de genocide plaatsvond. Ik heb toen veel vrienden verloren, waaronder mijn naaste medewerkers. Pas de voorbije zomer reisde ik voor het eerst na de genocide terug naar Rwanda. Dat was zeer emotioneel. Omdat er zoveel vrienden en kennissen van mij gedood zijn, was ik er niet eerder toe in staat. Maar dat land is intussen heropgestaan en ziet er anders uit dan toen. Alles is er tot in de puntjes georganiseerd en ze hebben de Franse taal ingeruild voor de Engelse. Er valt veel kritiek te leveren op het huidige bewind, maar Rwanda is wel terug stabiel en de mensen hebben er hun leven opnieuw in handen. Wat over een land als Congo niet gezegd kan worden.”

 

U bent een pionier in het aidsonderzoek?

Stoffels: “Jawel. We voerden ons veldonderzoek eind jaren tachtig, op het moment dat HIV in Afrika massaal doorbrak en iedereen met de handen in het haar zat. Na onze vlucht uit Rwanda vroeg Paul Janssen me om bij hem te komen werken. ‘We gaan samen een middel maken om HIV te genezen’, zei hij. Hij geloofde er heel sterk in dat we op een bepaalde dag één pil zouden ontwikkelen waarmee we aids eens en voorgoed de wereld konden uithelpen. Vandaag, iets meer dan een kwart eeuw later, maken we aidsremmers die wereldwijd de levensverwachting van seropositieve mensen spectaculair helpen stijgen. In samenwerking met onze collega’s van Gilead is het ons ook gelukt om die remmers samen in één pil te verenigen, en houden we zo het virus onder controle. Tijdens mijn onderzoek in Afrika raakte een van mijn goede vrienden, ook een arts, met HIV geïnfecteerd. Op dat moment werd de strijd tegen HIV voor mij zeer persoonlijk. Nadat dokter Janssen op pensioen ging, nam ik afscheid van Janssen Pharmaceutica en stapte ik over naar Tibotec in Mechelen. Halverwege de jaren negentig ontwikkelde ik samen met Rudi Pauwels drie middelen tegen HIV.”

 

In die periode werd u naast dokter en onderzoeker ook ondernemer? 

Stoffels: “Wie in Afrika als arts werkt, wordt automatisch ondernemer. Want daar moet je heel veel zelf organiseren en voortdurend initiatieven nemen. Door in Afrika een kliniek te runnen, leer je heel wat meer dan een student op de Harvard Business School. Samen met Rudi richtte ik in Mechelen in 1995 Virco op. Ik werd bedrijfsleider van Virco en voorzitter van de raad van bestuur van Tibotec. Onze twee bedrijven versmolten later tot Tibotec-Virco. We startten met vijf mensen en creëerden via ons bedrijvennetwerk minstens duizend nieuwe jobs. Toen brak de financiële crisis uit. J&J vroeg ons om onder hun vleugels verder te werken. Zij creëerden de juiste omstandigheden voor mezelf en mijn team om succesvol te worden.”

 

Verliet u in 1995 Janssen Pharmaceutica uit onvrede?

Stoffels: “Nee. Ik was er in die tijd sterk van overtuigd dat diagnostiek een heel belangrijke rol zou spelen in het HIV-onderzoek. Ik wou daarvoor de beste mensen ter wereld samenbrengen, maar dat lukte op dat moment niet bij Janssen. We hebben dan maar ons eigen bedrijf opgericht. Eerlijk gezegd was dat een van de beste beslissingen uit mijn leven. We brachten de allerbeste HIV-onderzoekers samen en gingen op zoek naar geld. Een op drie verkochte HIV-geneesmiddelen in de VS is ontwikkeld door mensen uit ons topteam van toen. Ik ben daar nog altijd heel erg fier op.”

 

Zou uw bedrijf ook zo succesvol geworden zijn als de HIV-besmetting enkel beperkt was gebleven tot Afrika en ‘maar’ de omvang van de Ebola-epidemie had aangenomen? Zat u vandaag dan op dezelfde stoel?

Stoffels: “We engageerden ons met ons team even hard in de strijd tegen Ebola als tegen aids. Het probleem met infecties zoals HIV, Ebola of Zika is dat ze nooit beperkt blijven tot de regio waar ze ontstaan. Door de manier waarop HIV zich van de ene mens op de andere overzet, via seksueel contact en via het bloed, is het per definitie een globale ziekte. Zika werd in de jaren vijftig ergens in een woud in Oeganda voor het eerst beschreven. Vervolgens verdween de besmetting om zestig jaar later aan de andere kant van de wereld weer op te duiken. Op een bepaald moment vond iemand de link met microcefalie, met baby’s die met een abnormaal klein hoofd geboren worden, en meteen was Zika een wereldprobleem. Het maakt niet uit of het virus in Zuid-Amerika of in Afrika woedt: de besmetting moet en zal uitgeroeid worden, net als Ebola. In mijn jonge jaren werkte ik in de Congolese stad Kikwit. Het Ebola-virus dat onlangs in West-Afrika woedde, stamt van de Kikwit-strain uit de jaren negentig. Waarschijnlijk is het virus via vleermuizen overgebracht naar andere delen van Afrika. We zijn ons zeer goed bewust van de mogelijke catastrofale gevolgen van de verspreiding van zo’n virus. Als Ebola in Kinshasa uitbreekt, een stad met tien miljoen mensen en een heel beperkte infrastructuur, groeit dat gegarandeerd uit tot een wereldramp. Als Ebola in Mumbai toeslaat, komt de wereld zelfs tot stilstand. Het is echt niet voor niets dat de VS, Europa en nog een paar andere landen vandaag intens samenwerken met de farmaindustrie. Ook wij dragen ons steentje bij in die zoektocht naar nieuwe vaccins voor ziektes die wereldwijd een bedreiging voor de volksgezondheid vormen.”

 

Vandaag woont en werkt u vooral in de VS?

Stoffels: “Meer dan de helft van de tijd werk ik in Amerika. Hier in New Brunswick in de staat New Jersey, maar ook aan de West Coast, in San Fransisco, San Diego, Boston, Seattle en Washington. Ik ben ook regelmatig in Londen en reis bijzonder veel: dit jaar was ik al in India en elk jaar kom ik een keer of drie in Afrika. Drie dagen per maand vertoef ik in België om er mijn kinderen en kleinkinderen te zien. Ik reis meestal samen met mijn vrouw omdat ons leven anders voorbijflitst zonder dat we samen dingen beleven. We zijn zoals de Bedoeïenen, en zwerven over de hele wereld. (lacht)”

 

Zelf onderzoek voeren is er niet meer bij?

Stoffels: “Ik maak nu onderzoek mogelijk en stuur een erg grote groep van wetenschappers aan. Binnen ons concern hebben we een netwerk van 150 biotechbedrijven uitgebouwd. Dat zijn stuk voor stuk onafhankelijke bedrijven die binnen onze grote onderneming plaats krijgen om te werken aan nieuwe wetenschap. We geven die start-ups alle kansen om in uitstekende omstandigheden heel interessante pistes verder te verkennen. Wij investeren zelf meer dan een miljard dollar in die bedrijfjes. Tom Heyman, de man die tot vorig jaar aan het hoofd stond van Janssen Pharmaceutica in Beerse, leidt nu als Global Head van de Johnson & Johnson Development Corporation (JJDC) dat hele netwerk in goede banen. Daarnaast werken we ook nog eens samen met meer dan 150 biotechbedrijven buiten de grote groep. In totaal hebben we zo 400 verschillende samenwerkingen lopen met start-ups, ondernemers en academische centra. Allemaal met de bedoeling om nieuwe wetenschap onder de loep te nemen. Van zodra daar iets positief uit opborrelt, brengen wij dat binnen in ons eigen bedrijf en proberen we dat zo snel mogelijk om te zetten en te ontwikkelen naar een product dat de geneeskunde ten goede komt. Binnen J&J werken ook veel onderzoekers. Zo runnen we immense researchlabs in Beerse, in San Diego in de Amerikaanse staat California en in Spring House in de staat Pennsylvania. Ons eerste doel is het vastleggen van de best mogelijke wetenschappelijke kennis, ons tweede doel: het ontwikkelen van een geneesmiddel. Wereldwijd werken 5000 mensen aan de ontwikkeling van onze producten en we organiseren klinische studies in 80 landen.”

 

U kent dus over de hele wereld zeer veel wetenschappers en farmaondernemers, waardoor u persoonlijk veel invloed kunt uitoefenen?

Stoffels: “Invloed krijg je enkel en alleen door de resultaten die je boekt. Janssen: Pharmaceutical Companies of Johnson & Johnson wordt algemeen erkend als een van de meest innovatieve farmaceutische bedrijven in de wereld. Daarom ook groeien we zo sterk: vandaag prijken we op de vierde plaats in de globale ranking van farmaondernemingen en staan we in de VS en Canada op de eerste plaats. En dat zonder ooit een echt grote overname te hebben gedaan. De meeste andere bedrijven uit onze sector zijn fusies van verschillende groepen. Dankzij het succes van onze onderneming ken ik inderdaad heel wat mensen. Ik span me ook erg in om ervoor te zorgen dat ik verbonden blijf met de National Institutes of Health, de nationale onderzoeskinstellingen in de VS, met de Gates Foundation, met de Europese overheden, met bedrijfsleiders… Ik ben altijd wel ergens met iets bezig. (lacht)”

 

Kent u Bill Gates persoonlijk?

Stoffels: “Ik ken hem zeer goed. Hij is een vriend en een geestesverwant: ook hij wil de geneeskunde erop vooruit helpen. Zijn Foundation steunt heel wat van onze projecten. Bill nodigt me dikwijls uit voor een gesprek: we willen allebei HIV, polio en tbc voorgoed de wereld uithelpen.”

 

Merkt u in uw contacten met Amerikaanse overheidsinstellingen iets van een nieuwe wind onder president Donald Trump?

Stoffels: “Nee. Misschien zal de nieuwe Amerikaanse regering andere klemtonen leggen die de omstandigheden waarin we werken beïnvloeden, maar aan het fundament van ons onderzoek wordt niet getornd. Wij werken aan het oplossen van immens grote problemen en die projecten lopen altijd over lange termijn. We focussen ons op dementie, diabetes, kanker, depressie, infectieziekten, ontstekingen, reuma en huidziekten zoals psoriasis. We voeren al 20 jaar onderzoek naar de ziekte van Alzheimer. We boeken vooruitgang, maar we zullen daar de volgende 20 jaar nog veel in moeten investeren in de hoop ooit met een geneesmiddel te eindigen.”

 

Hebt u goede contacten met politici wereldwijd?

Stoffels: “Ik spreek met weinig politici. Op het World Economic Forum in Davos ontmoet ik wel elk jaar de Belgische eerste minister en een aantal gezagsdragers. Af en toe praat ik met de eurocommissaris voor Onderzoek, Wetenschap en Technologie, want de grote wetenschappelijke onderzoeken in Europa vallen onder zijn bevoegdheid. De Europese Unie en de farmaindustrie hebben een groot samenwerkingsproject voor het onderzoek naar medicijnen lopen. Het Innovative Medicines Initiative (IMI) ondersteunt bedrijven en netwerken die koortsachtig op zoek zijn naar nieuwe geneesmiddelen. Ik heb vooral veel contact met mensen overal ter wereld die actief zijn in onderzoek en ontwikkeling. Ik werk al veertig jaar met Peter Piot samen. Hij is een echte geestesverwant. Paul Bulcke, de voorzitter van de raad van bestuur van Nestlé, ken ik ook al heel lang.

“Wereldwijde gezondheidszorg, global public health, is één van mijn grote bekommernissen in onze onderneming. Wat kunnen onze geneesmiddelen betekenen voor de planeet? Een van onze grootste verwezenlijkingen tot hiertoe is het nieuwe geneesmiddel voor tuberculose Sirturo. Het is ontwikkeld in Beerse, door het team van professor Koen Andries. Het was vijftig jaar geleden dat er nog een middel tegen tbc van dat formaat op de markt kwam. Het medicijn legt de energievoorziening van de tbc-bacterie plat en werkt daardoor totaal anders én vijf keer sterker dan alle voorgaande traditionele tbc-middelen. Koen won met zijn vondst in 2014 de European Inventor Award, de ‘oscar’ voor innovatie. Johan Van Hoof, het hoofd van onze vaccingroep, werkt al jarenlang samen met zijn team aan een vaccin voor HIV. Dit jaar testen we voor de eerste keer vierhonderd vrijwilligers voor dat nieuwe vaccin waarvan we hopen dat het een besmetting met HIV zal kunnen vermijden.”

 

U werkt ondertussen al decennialang bij hetzelfde bedrijf. Is de concurrentie nog nooit aan uw mouw komen trekken?

Stoffels: “Dat gebeurt af en toe bij iedereen op mijn niveau; ook bij mensen die voor mij werken. Als je goede resultaten boekt, zijn andere bedrijven altijd geïnteresseerd. Maar deze onderneming is uniek. We hebben hier de voorbije jaren keihard gewerkt en duizenden uitstekende medewerkers aangestuurd. Het zou bijna als een vorm van verraad aanvoelen om dan over te stappen naar de concurrentie. Het heeft jarenlang heel wat inspanningen gekost om de netwerken binnen en buiten het bedrijf te ontwikkelen en te laten bloeien. Ik heb zo met veel mensen lange, intense trajecten afgelegd. Dat gooi je niet zomaar overboord. Nogal wat wetenschappers blijven ons hun hele professionele leven trouw. Ze worden écht gedreven door onze missie om van deze wereld een gezondere plek voor iedereen te maken. Voor een farmabedrijf is jarenlange genegenheid en toewijding van medewerkers geen overbodige luxe. Want de zaden voor de oogst die we nu binnenhalen, zoals ons tbc-geneesmiddel, zijn twintig jaar geleden geplant.”

 

Bent u een machtig man?

Stoffels: “Neen. Een manager die macht als middel gebruikt om zijn bedrijf te leiden, is compleet verkeerd bezig. Invloed is veel belangrijker en die verwerf je door ervaring, door het opdoen van kennis. Ik gebruik mijn macht enkel als er een crisis in het bedrijf is, of als er een beslissing genomen moet worden over een overname of een belangrijke financiële investering.

“Ik ben een servant leader, een ‘dienende leider’. Mijn ‘macht’ bestaat uit het creëren van mogelijkheden voor anderen zodat ze hun job zo goed mogelijk kunnen uitoefenen. Ik zorg voor omstandigheden die het mogelijk maken dat andere leiders functioneren en floreren. Een machtig man aan de top die alle beslissingen in zijn eentje neemt, is voor een bedrijf het begin van het einde. Een bedrijfsleider moet heel goed weten wat hij niet weet. Beslissingen moeten genomen worden door mensen die weten waarover ze spreken. Wie last heeft in zijn schouder, stapt vandaag naar een gespecialiseerde orthopedist. Niet de huisarts, maar de specialist beslist wat er met die schouder moet gebeuren. In de wetenschap geldt net hetzelfde. Enkel mensen met kennis van zaken weten wat ze nodig hebben om geneesmiddelen te ontwikkelen. Dus schenk ik hen alle vertrouwen. Paul Janssen zei me lang geleden: ‘You take the risk, I take the blame.’ Dat breng ik nu zelf in de praktijk.”

 

(c) Jan Stevens