“Schuld of onschuld maakt geen verschil”

Twee keer per jaar reist Agnes Steenssens naar de Amerikaanse staat Texas. Niet om er van het natuurschoon te genieten, maar om gevangenen op death row te bezoeken. “Van zodra een terdoodveroordeelde daar belandt, wordt hij niet langer als een mens beschouwd.”

In 1992 las Agnes Steenssens (64) in een nieuwsbrief van Amnesty International een wanhopige oproep van een terdoodveroordeelde jonge zwarte man in de Amerikaanse staat Georgia. “Als er ook maar iemand is die mijn menselijkheid ziet, wil die me dan alsjeblieft een kaartje sturen?” Agnes werd diep geraakt en schreef de man een brief. “Ik was niet de enige. Samen met nog andere briefschrijvers richtte ik inside-outside op. Onze vereniging brengt Amerikaanse terdoodveroordeelden en levenslang gestraften in contact met gewone burgers die met hen willen corresponderen. Het duurde niet lang of ik schreef brieven naar verschillende gevangenen verspreid over de hele VS. Dat waren doorsneebrieven zoals pennenvrienden die schrijven. Tot in 1999 alles veranderde.”

Hoezo?

Agnes Steenssens: “Toen leerde ik David L. Goff kennen. Ik correspondeerde eerst met zijn buurman op death row in Texas. Die man overleed aan de gevolgen van een niet verzorgde hartaanval. David wist hoe gehecht zijn buur geraakt was aan onze briefwisseling. Hij schreef me: ‘Ik ken je niet, maar ik weet hoeveel mijn buurman van je hield. Hij is gestorven en niemand zal je dat laten weten.’ En inderdaad, mijn brieven kwamen ongeopend terug. Return to sender. Ik begon toen naar David te schrijven en ik ging regelmatig bij hem op bezoek. In 2001 is hij geëxecuteerd. Te laat is bewezen dat hij onschuldig was. Hij was zelfs niet op de plaats van de moord. In Texas en in veel andere staten moet je zelf je onschuld bewijzen en je onderzoek voeren. David was arm en zwart en had een pro deo advocaat die niks ondernam. Na zijn dood hebben wij ervoor gezorgd dat hij gerehabiliteerd is. Maar we hebben nooit een verontschuldiging van de Texaanse justitie gekregen.”

U was aanwezig bij zijn executie?

Steenssens: “Hij vroeg of ik erbij wou zijn. Hij zei: ‘Ik zat hier 10 jaar met enkel mensen die me haten. Blijf bij me als ik moet sterven.’ Die executie was een vreselijk moment. Gelukkig verliep het bij David zonder technische mankementen. Hij was een heel bijzondere man. In die tijd ging mijn man nog mee naar death row. David zag ons als zijn ouders. Hij had een aparte plek in mijn hart omdat hij onschuldig zat. Nu weet ik dat onschuldig of schuldig geen verschil uitmaakt. De doodstraf is altijd een flagrante schending van de mensenrechten. Zo goed als alle mensen die ik bezoek hebben geen eigen advocaat. Ze leven 23 uur op 24 in volledig isolement. Van zodra ze op death row belanden, worden ze niet langer als mensen beschouwd.”

Dan zitten ze in de wachtkamer van de dood?

Steenssens: “Ja, en dat kan jaren duren. De mensen die ik pas bezocht heb, zitten er tussen de 16 en 25 jaar. Vóór hun executie hebben ze er dus al een quasi levenslange gevangenisstraf opzitten. Een van mijn vrienden is een Mexicaan die illegaal in de VS was op het moment van zijn arrestatie. Daarom heeft hij veel te laat een advocaat gekregen. Hij zit er al 22 jaar en is nu doodziek. Hij heeft prostaatkanker, maar wordt op geen enkele manier verzorgd. Zijn familie heeft hij in al die jaren niet gezien. Ik ben zijn enige contact met de buitenwereld.”

De bezoeken zijn achter glas?

Steenssens: “Altijd. We spreken met elkaar via de telefoon, vier uur lang. We praten over alles. Zij zeggen dat ik hun ogen op de wereld ben. Ze kennen de kleinkinderen en zijn dolgelukkig als ik hen vraag hoe het met hen gaat. Elke brief is voor hen een feest. Veel terdoodveroordeelde mannen zijn diepgelovig geworden. Voor wie zich enkel aan het materiële hecht, is death row de absolute hel.”

De executie is dan een verlossing?

Steenssens: “Velen zeggen: ‘I’m going to a better place.’ Ik bewonder hun moed. Ze zijn in staat om zichzelf te vergeven en vragen ook vergiffenis aan God. De executie is voor hen een spirituele verlossing. Maar hoe je het draait of keert, het is en blijft onmenselijk. Opsluiten met enkel perspectief op de dood is barbaars. Ik ben ook actief in de VZW Within-Without-Walls die pleit voor herstelgerichte straffen. Ons strafrecht moét evolueren naar herstelrecht. Alleen zo kan er uit straf nog iets goeds voortkomen. Bij ons bestaat de doodstraf gelukkig niet, al weerklinkt de roep soms heel erg luid. Herinnert u zich de woedende commentaren toen Michel Martin vrijkwam? Als straf niets meer is dan wraak of revanche, heeft ze geen enkele zin. Tegenover het kwaad staan we soms machteloos, maar we staan nooit machteloos tegenover het goede. Ik praat soms met slachtoffers die een moordaanslag overleefd hebben. Ze zeggen dan: ‘Geen wraak, maar dialoog met de dader heeft me geholpen mijn leven terug op het spoor te krijgen.”

© Jan Stevens

Advertenties

‘Ik wil graag kwetsbare jongeren helpen’

Ingrid De Jonghe kon het als jeugdadvocaat niet langer aanzien dat jongeren nergens terecht konden met hun psychische problemen. Dus richtte ze zeven jaar geleden TEJO (Therapeuten voor Jongeren) op. Jongens en meisjes tussen 10 en 20 kunnen in de TEJO-huizen gratis en anoniem terecht voor psychische hulp door professionele therapeuten. “Ons motto luidt: ‘Soepel, simpel en samen.’”

Ingrid De Jonghe (61) legt zich nooit ergens zomaar bij neer. “Ik ben niet iemand die scheefgegroeide situaties accepteert die ikzelf kan verbeteren”, zegt ze. “Tijdens mijn praktijk als advocaat was ik vrijwillig afgevaardigde bij de sociale dienst van de Antwerpse jeugdrechtbank. Ik zag jongeren kampen met ernstige psychische problemen. Ze belandden op wachtlijsten en kregen lang geen hulp. Dat was al dertig jaar zo. We leven in een erg individualistische samenleving waar angst regeert. Relaties in families staan onder druk waardoor de verwarring bij jonge mensen alleen maar toeneemt. Ik sprak met hulpverleners uit de sector en die zeiden allemaal: ‘Het is nu eenmaal zo. Aanvaard het.’ Maar zo zit ik niet ineen.”

Op 13 maart 2010 opende onder impuls van Ingrid in Antwerpen het eerste TEJO-huis zijn deuren. “Zonder subsidies. Meer dan veertig mensen hadden toegezegd dat ze me kosteloos wilden helpen. In TEJO kunnen jongeren van 10 tot 20 terecht voor laagdrempelige psychische hulp. Jongens en meisjes die vervelende ervaringen hadden en dat thuis niet kunnen delen, kunnen anoniem bij ons terecht. Wij steunen en helpen hen waardoor de toestand niet verder escaleert. Ze mogen een afspraak maken, maar dat is geen verplichting. Onze deur staat alle dagen open voor een spontaan gesprek. Ze kunnen zo eerst hun koudwatervrees overwinnen.”

Ze komen altijd bij professionele hulpverleners terecht en moeten daar niet voor betalen?

Ingrid De Jonghe: “Precies. De meeste vrijwilligers zijn geschoolde therapeuten. Zij doen dit met hart en ziel naast hun gewone dagelijkse bezigheden, omdat ze zich zeer goed bewust zijn van de grote nood. We worden ook bijgestaan door toffe onthaalmedewerkers die de afspraken regelen en de telefoons opnemen. Daarnaast krijgen we advies van economisten, juristen, een jeugdpsychiater, verschillende dokters en hebben we een intercultureel bemiddelaar. We werken samen met tolken en geven therapie in andere talen. TEJO heeft nu huizen verspreid over heel Vlaanderen. We vragen slechts drie kleine formaliteiten aan onze jongeren: hun voornaam, geboortedatum en of ze op school zitten of werken. Ze kunnen in totaal tien therapeutische sessies volgen, wekelijks of tweewekelijks. Ons motto luidt: ‘Soepel, simpel en samen.’ We hebben een hekel aan een strak keurslijf en stellen ons altijd flexibel op. Lagereschoolkinderen van 8 of adolescenten van 22 die in een noodsituatie zitten, kunnen ook bij ons terecht. Wij werken preventief: door mijn lange ervaring in de jeugdbescherming en de -hulpverlening weet ik dat problemen sneller opgelost raken als we er op tijd bij zijn.”

Waarom trekt u zich het lot van al die jonge mensen zo aan?

De Jonghe: “Vrijwilligerswerk zit in mijn bloed. Op mijn zeventiende was ik al actief als vrijwilliger en dat is sindsdien nooit gestopt. Eerst bij Buurtwerk Kauwenberg in Antwerpen en later als kersvers advocaat. Als vertrouwenspersoon bij de sociale dienst van de balie zag ik de psychische nood bij jonge mensen. Mijn handen jeukten om iets te ondernemen, maar ik wou eerst zelf sterk in mijn schoenen staan. Daarom studeerde ik nog criminologie, pedagogie en psychologie. Negen jaar geleden vertelde ik een journalist van De Standaard over mijn wilde plannen voor TEJO, hij schreef er een groot artikel over waardoor alles in een stroomversnelling raakte.”

Vinden jonge mensen spontaan de weg naar jullie?

De Jonghe: “Een vijfde van onze cliënten vindt zelf de weg naar TEJO, de anderen komen naar ons via een leerkracht of het CLB. Soms kloppen ouders bij ons aan die geen geld hebben om een psycholoog voor hun kind te betalen.”

Wat vinden collega-psychotherapeuten die niet pro deo werken van jullie gratis hulp?

De Jonghe: “Ik heb tot hiertoe nooit openlijk kritiek gehad. Een bezoek aan de psycholoog of aan de psychotherapeut wordt jammer genoeg nog steeds niet terugbetaald, al werkt de overheid nu wel aan een regeling. Maar ondertussen groeien de problemen en leven zowel volwassenen als jonge mensen onder steeds grotere psychische druk. Als ze dan crashen, kunnen veel mensen gewoon geen therapeut betalen. Jonge mensen die in de clinch liggen met hun ouders zeker niet. Vooral die kwetsbare jongeren wil ik helpen.”

© Jan Stevens

“Dit is mijn persoonlijke pelgrimstocht”

Tot september 2015 was Marc Van den Reeck ambassadeur in Griekenland. Vandaag is hij gepensioneerd en zet hij zich voltijds en vrijwillig in voor The Smile of the Child, de grootste Griekse hulporganisatie voor kinderen in nood. “Griekenland zit aan de grond en onze fondsen drogen op. Daarom hopen we op steun en solidariteit van de Belgen.”

 

Marc Van den Reeck (61) werkte als diplomaat in Afrika en Amerika en was Belgisch ambassadeur in Abu Dhabi en in Griekenland. Als jonggepensioneerde is hij onbezoldigd ‘verantwoordelijke internationale samenwerking’ voor de Griekse NGO The Smile of the Child. “Χαμόγελο του παιδιού in het Grieks”, zegt hij. “De NGO is vandaag de grootste van het land en is gespecialiseerd in kinderbescherming en -welzijn. De organisatie heeft 480 mensen in dienst en telt 2800 vrijwilligers. In 2016 hebben we meer dan 100.000 kinderen geholpen. Niet alleen Griekse, ook vluchtelingenkinderen. Op dit moment zitten 60.000 vluchtelingen geblokkeerd in Griekenland en de helft daarvan zijn kinderen.”

 

Waaruit bestaat jullie hulp?

Marc Van den Reeck: “The Smile of the Child coördineert en beheert de telefoonlijnen voor oproepen voor vermiste kinderen. Je zou ons de Child Focus van Griekenland kunnen noemen, maar dat is niet het enige wat we doen. We bemannen ook de noodlijnen voor kinderen die in de problemen zitten en die hulp zoeken, of voor mensen die noodsituaties met kinderen willen signaleren. We hebben callcenters in de steden Athene, Thessaloniki en Patras en die zijn alle dagen van de week, 24 uur op 24, bereikbaar. De kinderen krijgen er geen vrijwilligers aan de lijn, maar professionals, zoals psychologen en sociale werkers. We willen geen risico’s nemen, want die gesprekken gaan vaak over leven en dood. We twijfelen niet aan de goede wil van onze vrijwilligers, maar dat wil nog niet zeggen dat ze ook weten wat ze moeten doen als ze telefoon krijgen van een kind in levensgevaar. We hebben ook voertuigen en materiaal voor zoektochten naar vermiste kinderen. Jaarlijks rukken we gemiddeld honderd keer uit; in 95 procent van de gevallen vinden we de kinderen terug. Daar zetten we wel vrijwilligers voor in. We hebben ziekenwagens standby die kindvriendelijk ingericht zijn voor als we meldingen krijgen van zwaar mishandelde, misbruikte of ernstig verwaarloosde kinderen. En we runnen grote opvanghuizen voor verwaarloosde kinderen.”

 

Daar krijgen jullie geld voor van de Griekse staat?

Van den Reeck: “Nee, de Griekse staat is op sterven na dood. De toestand is meer dan dramatisch: er is geen rooie cent meer voor het welzijn van de Grieken of voor de volksgezondheid. We krijgen nog geld van een aantal bedrijven omdat ze weten dat we een ernstige, transparante organisatie zijn, maar hun budgetten zijn serieus gekortwiekt. Het is niet omdat Griekenland uit het nieuws verdwenen is, dat alles terug rozengeur en maneschijn is. De financiële en economische crisis woedt nog steeds volop en de meeste Grieken zitten op hun tandvlees. De toestand is hopeloos. De economische crisis brengt mensen niet alleen aan de bedelstaf, maar vernietigt ook het sociale weefsel en zorgt voor een diepe maatschappelijke crisis. Gezinnen die welvarend waren en ons vroeger financieel steunden, smeken ons nu zelf schoorvoetend om hulp. En dan zijn er nog de vele vluchtelingenkinderen. Daarom zoeken we noodgedwongen fondsen in het buitenland. We voeren campagne in Canada, de VS, Duitsland, Australië én België en rekenen op steun van de vele Grieken die er leven. Maar we hopen dat ook de niet-Grieken hun hart laten spreken.”

 

Waarom trekt u zich het lot van de Griekse kinderen zo aan?

Van den Reeck: “Mijn vrouw was een Griekse. Op mijn achttiende zag ik eruit als een hippie, met haar tot op mijn schouders. Ik trok met de rugzak door Griekenland en ontmoette er Anneta. Zij was twee jaar ouder en het was liefde op het eerste gezicht. We zijn aan elkaar blijven plakken, zoals ze dat bij ons zeggen. Na onze studies zijn we getrouwd. We hebben twee kinderen en hadden een heel goed huwelijk. In november 2007 is mijn vrouw totaal onverwacht gestorven als gevolg van een allergische reactie op een antibioticum. Het was de eerste dag van onze vakantie in Laos. Door mijn vrouw ben ik voorgoed met Griekenland verbonden. Ik heb het nog altijd zeer moeilijk met haar plotse dood. Dit werk bij The Smile of the Child is mijn persoonlijke pelgrimstocht en geeft mijn leven weer invulling.”

www.hamogelo.gr/en/

© Jan Stevens

 

“In mijn dooie eentje verzamelde ik 40 ton zwerfafval”

Verpleger Philip Ver Elst (35) uit Morkhoven is een verwoed wandelaar. Sinds jaar en dag stapt hij elke ochtend te voet naar het werk. Op zijn dagelijkse wandeltocht begon hij zich steeds meer te ergeren aan het rondslingerende zwerfafval. Drie jaar geleden besloot hij er iets aan te doen. “Ik ging de deur uit met een grote plastic zak in de ene hand en een grijptang in de andere.” Vandaag kennen zijn streekgenoten hem als Mr. Proper.

 

Philip Ver Elst begrijpt niet wat zijn medeburgers bezielt om hun vuil op straat en in de natuur te storten. “Het is echt niet te geloven hoeveel blikjes en snoepverpakkingen mensen door het raam van hun auto gooien”, zegt hij. “Zo goed als dagelijks vind ik onderweg oud ijzer en afgedankte elektrotoestellen. Mijn eerste aanhangwagen vol samengeraapt oud ijzer leverde me twintig euro op. Met dat geld kocht ik op tweedehands.be een bolderkar. Op mijn wandelingen neem ik nu die kar en paar grote plastic zakken mee om het zwerfvuil te verzamelen.”

 

U verzamelt niet alleen sigarettenpeuken en bierblikjes?

Philip Ver Elst: “Nee, ik laad regelmatig stofzuigers, wasmachines en droogkasten op de bolderkar. In mijn dooie eentje verzamelde ik tot nu 40 ton zwerfafval. Een paar maanden geleden wandelde ik in de buurt van Leopoldsburg. Ik vond er een plastic zak met obussen uit de Tweede Wereldoorlog. Ze waren er nog niet lang geleden gedumpt. Die dingen stonden op scherp; ik moest de ontmijningsdienst DOVO erbij halen. Zij hebben ze ter plekke vernietigd. Veel mensen gooien ook zakken met hun doordeweeks huisvuil in de beek of naast de weg. Of zakken boordevol gevulde pampers. En die zijn niet altijd van baby’s.”

 

Zakken vol wegwerpluiers voor volwassenen?

Ver Elst: “Precies. Onlangs vond ik in Lommel drie afvalzakken vol bejaardenpampers. Ik vermoed dat ze er gedumpt waren door iemand uit de thuisverpleging. Ik doe altijd elke zak open en ik kan je verzekeren: dit was geen smakelijke vondst. Soms vind ik een adres en dan geef ik dat door aan het zwerfvuilteam van de gemeente. Zij weten wat er verder mee moet gebeuren. Officieel ben ik ‘zwerfvuilpeter’ van Herentals, maar ondertussen ben ik de zwerfvuilpeter van heel Vlaanderen geworden. (lacht) Ik ben een gedreven wandelaar en kom zo tot in alle uithoeken van het land. Alleen Brussel en Wallonië heb ik nog niet verkend. Ik hoor van collega-wandelaars dat er daar flink wat te rapen valt. ‘Den ben je met je karretje voor het donker nog niet thuis’, zeggen ze. (lacht) Dit jaar neem ik voor de zestiende keer deel aan de Dodentocht in Bornem. Ik verzamel dan geen zwerfvuil, maar wandel honderd kilometer voor een goed doel. Ik kan het echt niet laten om mensen te helpen die het moeilijk hebben. Dat zit in mijn bloed.”

 

Welke stad of gemeente in Vlaanderen heeft het grootste zwerfvuilprobleem?

Ver Elst: “Antwerpen. In de buurt van Merksem is het huilen met de pet op. Maar ook in de fruitstreek in Limburg slingert veel troep rond. De boeren klagen daar zelf steen en been over. ‘In het seizoen gooien de plukkers al hun afval in de wijde natuur.’ Ikzelf heb er ooit een frietketel gevonden met de etensresten nog in en in de bossen trof ik koppen en ingewanden van schapen aan: slachtafval van illegale rituele slachtingen. Mijn grappigste vondst tot hiertoe is de verpakking van een seksspeeltje. Het speeltje was er uit, maar er zaten wel nog flesjes met stimulerende middelen in. Onder andere een flesje Blue Boy. Google leerde me dat het een populaire popper is.”

 

Waar dumpt u het door u verzamelde afval? In het containerpark?

Ver Elst: “Nee, ik stapel de zakken aan de kerk of aan een vuilbak van de gemeente op en verwittig de plaatselijke afvaldienst. Op die plaatsen waar ik regelmatig afval ruim, merk ik dat er na verloop van tijd ook minder gestort wordt. Ik vermoed dat sluikstorters daardoor bang worden: ‘Straks worden we nog gepakt.’ Gemeentebesturen kunnen dus best veel investeren in het preventief opruimen van zwerfvuil. Een paar weken geleden wandelde ik door Mechelen en zag ik winkeltasjes vol huisvuil verspreid door de stad liggen. Op een parcours van drie kilometer vulde ik toen 44 grote zakken met afval.”

 

Wat voor reacties krijgt u dan van voorbijgangers?

Ver Elst: “De meesten steken hun duim op, maar sommigen vinden me gek. Gelukkig ben ik prettig gestoord van aard: die opmerkingen raken mijn kouwe kleren niet. (lacht) Ikzelf hou aan het opruimen een goed gevoel over, want zo zorg ik ervoor dat de natuur opnieuw een beetje properder wordt.”

 

© Jan Stevens

“Ooit word ik een professionele gelukzaaier”

Gentenaar Ian Ghysels raakte de doffe blikken en zure oprispingen van zijn stadsbewoners zo beu, dat hij besloot er iets aan te doen: hij schoolde zichzelf om tot ‘De Wensmens’. Nu vervult hij de wensen van onbekende mensen, in de hoop om zo een glimlach op hun gezicht te toveren.

 

Toen hij nog drama studeerde, stond Ian Ghysels (23) regelmatig op de hoek van een Gentse straat als vrijwilliger voor WWF. “Telkens weer viel het me op hoe ongelukkig en ontevreden veel voorbijgangers waren. Gaandeweg ontdekte ik dat ze ontdooiden als ik even naar hun verhaal luisterde en met hen begon te babbelen. Soms vroeg ik: ‘Wat is uw grootste wens?’ Ik zag ze dan opfleuren. Zo groeide het idee om ‘De Wensmens’ te worden en de dromen van onbekende mensen op een creatieve manier werkelijkheid te helpen worden. ‘Wat is je wens?’ klinkt misschien melig, maar is best een heel intense vraag.”

 

U richtte voor uw Gentse droomfabriekje zelfs een heuse VZW op, La Maison Imaginaire.

Ian Ghysels: “La Maison Imaginaire richtte ik samen met vriend en filmmaker Laurenzo Vergeynst op. Onze VZW is een productiehuis waarin we allerlei sociaal-culturele projecten van en voor jonge Gentenaars uitwerken. De Wensmens vormt daar een belangrijk onderdeel van, maar we zijn nu ook bezig met de productie van een langspeelfilm over drugsverslaving. Met La Maison Imaginaire wil ik voor maatschappelijk kwetsbare mensen een ruimte creëren waarin ze hun creatieve geest de vrije loop kunnen laten.”

 

Dat past allemaal in uw hoogstpersoonlijke strijd tegen de verzuring in de samenleving?

Ghysels: “Precies. Samen met een paar vrienden trek ik nu regelmatig als ‘wensmens’ de straat op. Aan volstrekt onbekenden vragen we: ‘Wat is uw wens?’ Vervolgens maken we die wens op een zo creatief mogelijke manier waar. Ons enige doel is mensen te laten glimlachen en wegdromen. We willen ook laten zien dat het helemaal niet zo moeilijk is om contact te leggen met wildvreemden.”

 

Vinden die wildvreemden het dan altijd even fijn om zomaar op straat door een paar jonge hippe vogels te worden aangesproken?

Ghysels: “We krijgen maar zelden een echt bitse reactie. We delen soms taart en bloemen uit, dat helpt. (lacht) Sommigen reageren eerst een beetje zurig en ik kan dat ook best begrijpen. Maar we zijn nogal doortastend en geven niet zo snel op. Ik zeg dan: ‘We doen dit om u een beetje gelukkig te maken. Als u wilt, kunnen we samen uw wens vervullen.’ Als het dan ook lukt, beginnen mensen te stralen.

“Door als wensmens de straten van Gent af te schuimen, heb ik ontdekt dat veel stadsgenoten erg eenzaam zijn. Ze zijn blij dat iemand naar hun verhaal luistert. Maar het is niet allemaal kommer en kwel. Soms loop ik een jonge enthousiasteling tegen het lijf die een fantastisch idee heeft dat op het eerste gezicht niet te realiseren lijkt. Wij geven niet snel op. Zo hebben we iemand een restaurant helpen openen en nog iemand anders aan een job geholpen. Hij had geen geld voor fatsoenlijke kleren om te gaan solliciteren. We hebben een kostuum voor hem gekocht en hij werd aangenomen.”

 

Het zijn dus vaak best serieuze wensen die u helpt verwezenlijken?

Ghysels: “Zeker. Als je aan iemand vraagt: ‘Wat is uw wens?’ krijg je meestal clichéantwoorden als: ‘Wereldvrede’, of: ‘De lotto winnen.’ Ik vraag dan altijd door. ‘Waarom wil u de lotto graag winnen? Wat gaat u doen met al dat geld?’ Zo raken we de kern van de zaak. ‘Als ik veel geld heb, kan ik mijn vrienden helpen.’ Maar om iemand anders te helpen, heb je echt niet veel geld nodig. Met veel goesting, een fikse scheut creativiteit en een beetje humor raak je al heel ver.”

 

Wat is de mafste wens die u in vervulling hebt gebracht?

Ghysels: “Een man die wenste dat hij nog eens een paardenworst uit Lokeren kon eten. We zijn die voor hem gaan halen. (lacht)”

 

Wat is de mooiste wens die u verwezenlijkt hebt?

Ghysels: “De prinsessenwens. Een meisje met veel problemen wenste om een dag als een prinses behandeld te worden. We hebben daar iets heel moois van gemaakt, met onder de Stadshal veel vrijwilligers verkleed als ridder. Een koets kwam haar ophalen en in het Gravensteen werd ze rondgeleid door een ridder. Dat was een schitterende dag.”

 

Wat is uw wens?

“Wereldvrede. (lacht) Pas als die ultieme wens vervult is, zullen wij de boeken toedoen. Voorlopig ziet het daar nog niet naar uit. Daarom droom ik ervan om van La Maison Imaginaire en De Wensmens mijn beroep te maken. Professionele gelukzaaier, dat zou pas de max zijn.”

 

© Jan Stevens

“Je zag de doodsangst in mijn ogen”

In 2014 vergaarde Sam Proesmans eeuwige roem toen hij voor het oog van de camera samen met twee andere flying doctors en een piloot een medisch sportvliegtuig van België naar Congo bracht. “Achteraf gezien was het een gek en absurd plan. Maar we hebben onze missie wel volbracht.”

 

Op zijn zestiende trok Sam Proesmans (28) met de rugzak de wereld rond. “Ik werd toen voor het eerst in verschillende landen geconfronteerd met extreme armoede en gebrek aan gezondheidszorg”, zegt hij. “Die ervaringen liggen aan de basis van mijn latere keuze om me als dokter te specialiseren in tropische geneeskunde. Daarom ook volg ik nu de richting ‘public health’ aan Columbia University in New York. Ik heb daarna nog twee jaar studeren voor de boeg, waarvan één aan het Tropisch Instituut in Antwerpen en één in Zuid-Afrika. Dan zal ik afgestudeerd zijn als infectioloog.”

Pas dan vindt Sam Proesmans zichzelf klaar voor een leven als ontwikkelingswerker. “Het is bewonderingswaardig dat mensen meteen na hun studie in België naar een ver land afreizen om er te gaan helpen, maar we leven in een tijd waarin grondige kennis steeds belangrijker wordt. Daarom wil ik me eerst zo goed mogelijk voorbereiden. Na New York wordt de volgende halte misschien Afrika, om er tien jaar lang als arts zonder grenzen te werken. Wie weet, maak ik daarna de overstap naar een wereldgezondheidsorganisatie om er het beleid vorm te helpen geven.”

 

In 2014 werd u bekend bij het grote publiek als enthousiaste jonge dokter in de eerste reeks van Flying Doctors.

Sam Proesmans: “Twee jaar eerder had ik als student geneeskunde samen met twee vrienden een ziekenwagenjeep naar Tanzania gebracht. Die tocht kwam in het voorjaar van 2013 als Convoi Exceptionnel op de buis. Die reeks werd een groot succes en het plan groeide om iets gelijkaardigs te ondernemen, maar dan met een vliegtuig. De mensen van productiehuis Geronimo waren ondertussen vrienden geworden en een van hen kende Anthony Caere, een zeer ervaren en geëngageerde piloot. Zonder hem zouden Toon Van Genechten, Filip Couturier en ikzelf het nooit gewaagd hebben om met een klein vliegtuig van Wevelgem naar het Nationaal Park Virunga in Congo te vliegen. Anthony is vandaag nog altijd in het park aan het werk om het te beschermen tegen stropers, illegale houtkap en olieboringen. Ik ben er vrij zeker van dat hij nooit meer terugkomt.”

 

Met wat voor een vliegtuig maakten jullie de overtocht?

Proesmans: “Een Cessna 206, met zes zetels. Een oerdegelijk bushvliegtuig dat al verschillende keren in Afrika had gediend. Het vliegt nog steeds rond. Je kan er maximaal 2000 km mee overbruggen en dan moet je bijtanken. Wij gebruikten de tussenstops om verschillende projecten te bezoeken. Zo kwamen we terecht in ziekenhuizen en scholen in Afrikaanse sloppenwijken. Aan de grens van Somalië bezochten we een van de grootste vluchtelingenkampen ter wereld en in Oeganda draaiden we een reportage over de strijd tegen aids. Af en toe hielpen we mee in een ziekenhuis om zo de lokale manier van werken te leren kennen en ons steentje bij te dragen. Het grotere doel was om dat vliegtuig naar Virunga te brengen en ondertussen de kijkers te informeren over de zin van ontwikkelingshulp.”

 

Was het een gevaarlijke onderneming?

Proesmans: “Er waren best spannende momenten. Boven de Middellandse Zee moesten we heel goed uitkijken voor onweer. We hadden een onweersradar, maar die was allesbehalve onfeilbaar. Een Cessna 206 is kwetsbaar omdat hij maar één propeller heeft. Op het einde van onze tocht dacht ik dat ons laatste uur geslagen was. Het tropisch klimaat in Congo zorgt voor veel warme en koude luchtstromen die over elkaar heen buitelen. Tijdens onze laatste landing werd Anthony verrast door een neerwaartse wind. Hij moest volle bak optrekken voor een tweede landingspoging, maar door de chaotische luchtstroming kreeg het vliegtuig niet genoeg snelheid. Als er toen geen dal was geweest waar we konden induiken, leefden we nu niet meer. De cameraman is blijven filmen. In de laatste aflevering zag je de doodsangst in mijn ogen.”

 

Had u achteraf dan geen spijt van uw jeugdige overmoed?

Proesmans: “Nee, maar ik besefte wel wat voor een redelijk gek en absurd idee het was om zo ver met een dertig jaar oud vliegtuig te reizen. Al was de Cessna elk jaar keurig gereviseerd en had Anthony ons op voorhand verzekerd: ‘Dat vliegtuig is in werkelijkheid al vijf keer een ander vliegtuig geweest.’ Er zat ook een nieuwe motor in. Maar toch… We vlogen twee kilometer boven land, over conflicthaarden in Somalië en Soedan. Nadat we een kaart verkeerd geïnterpreteerd hadden, landden we bijna op een militaire basis. Eigenlijk is het een wonder dat we tot in Congo geraakt zijn. Daarom ook kijk ik er nu met zoveel trots op terug.”

 

© Jan Stevens

“Ik ben geen pilarenbijter”

Advocaat Paul Quirynen (63) verwierf naam en faam in talloze geruchtmakende processen. Zo verdedigde hij de belangen van de kinderen van de vermoorde veearts Karel Van Noppen en was hij de raadsman van de familie Marchal tijdens de affaire Dutroux. Nooit voelde meester Quirynen zich te beroerd om tussen de pleidooien door de verzamelde pers te woord te staan, wat hem al snel het label ‘mediageil’ opleverde. Maar toen in de zomer van vorig jaar bekend raakte dat hij had meegeholpen aan de redding van 244 christenen uit de belegerde Syrische stad Aleppo, wou hij het liefst tussen de coulissen verdwijnen.

 

De mens van goede wil in Paul Quirynen is bescheiden?

Paul Quirynen: “Wij kwamen toen liever niet in de media omdat we bang waren voor de veiligheid van verschillende helpers. De reddingsactie was een initiatief van een aantal mensen die elkaar kenden via de christelijke denktank Logia. Ze vroegen mij of ik de juridische kant wou opvolgen. Samen met een topdiplomaat bracht ik een bezoek aan staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken (N-VA). Dat was nog lang voor de actie in het nieuws kwam. We hadden toen duidelijk gezegd dat het om een gevaarlijke operatie ging die best strikt vertrouwelijk bleef. Maar op een bepaald moment wilden de politici toch een persconferentie organiseren. Gelukkig waren de Syriërs toen al veilig en wel in België. ‘Onze’ vluchtelingen kwamen niet in de officiële opvangcentra terecht, maar vonden onderdak bij gewone gezinnen. Dat vond ik heel mooi.”

 

Wat is die denktank Logia precies?

“Logia is een jaar of acht geleden opgericht, op het moment dat er een zware crisis in de kerk woedde. Verschillende mensen met een christelijke achtergrond vonden het doodjammer dat al die pedofilieschandalen zo’n zware domper zetten op de waarden van het christendom. De meesten waren net als ik ooit lid van een jeugdbeweging met katholieke roots. Ik zat bij de Scouts, anderen bij de Chiro of de KSA. We kwamen samen om elkaar te bemoedigen. Maar denk nu alsjeblieft niet dat we een club pilarenbijters zijn; we zitten niet samen te bidden. (lacht)”

 

Het klinkt eerder als een katholieke vrijmetselaarsloge.

“Dat is het echt niet. We zijn gewoon vrienden die nadenken over de samenleving. Sommigen zijn psychiater, anderen professor of dokter. Bijna iedereen voelde zich in zijn carrière wel eens heel alleen, of maakte dingen mee die zwaar wegen. Het doet deugd als je daar onder gelijkgezinden over kan praten.”

 

Jullie praten niet alleen, maar redden ook christenen uit oorlogsgebied?

“Ja, we steken ook de handen uit de mouwen. We publiceren af en toe een boek en ik schrijf regelmatig opiniestukken over wat ik belangrijke maatschappelijke thema’s vind. De redding van de Syrische christenen is tot hiertoe ons grootste project.”

 

Waarom alleen christenen?

“We stelden ons op voorhand geen vragen of we ons aan discriminatie bezondigden door enkel christenen te redden. Als je altijd alles op een apothekersschaaltje moet afwegen, geraak je nergens. Het gevaar voor die welbepaalde groep van christenen was op dat moment zeer acuut. Wij konden niet anders dan hen helpen. Die mensen zijn gered, maar in Aleppo is de toestand van kwaad naar erger geëvolueerd. Mensen zoals jij en ik hebben daar geen vat op, daarom moeten we in onze eigen leefwereld het verschil proberen maken.”

 

Speelde uw christelijke overtuiging een grote rol bij die reddingsactie? Of is dat iets waarvan u vindt dat u dat als mens moést doen?

“Beide, al is mijn geloof toch een zeer belangrijke drijfveer. Dat bepaalt al mijn hele leven hoe ik andere mensen help, óók in mijn beroep als advocaat. Zo kies ik bewust de kant van de slachtoffers. Ik verdedig liever geen mensen die welbewust anderen schade berokkenen. Keiharde drugsdealers of gewetenloze bendeleiders moeten op mijn diensten geen beroep doen.”

 

Veel van uw generatiegenoten zijn in de loop der jaren hun geloof kwijtgeraakt. U bent een buitenbeentje?

“Mijn vrouw is tien jaar jonger en het zijn vooral haar leeftijdsgenoten die het christendom vaarwel gezegd hebben. Mijn zoon werkt in het Congolese Goma. Op een dag reageerde hij via mail op een opiniestuk dat ik geschreven had. ‘Knappe tekst, vader. Alleen dat katholiek sausje lust ik niet.’ (lacht) Ik vind het dan weer fascinerend dat de meest goddeloze van mijn kinderen volledig belangeloos als ontwikkelingswerker zijn nikkel afdraait.

“Mijn generatie werd nog ondergedompeld in het rijke roomse leven van het college. Ik heb dat nooit als verstikkend ervaren, al ben ik me ondertussen heel goed bewust van de schaduwzijde. Maar we mogen het kind niet met het badwater weggooien. De fundamentele evangelische waarden en normen zoals naastenliefde, rechtvaardigheid, mededogen, verbondenheid of vergevingsgezindheid blijven in onze verhardende samenleving meer dan ooit van kracht. Het verhaal van de Barmhartige Samaritaan is toch fantastisch?”

 

Hielp u de Syrische vluchtelingen redden om uw hemel te verdienen?

“Nee, al heb ik wel het gevoel dat er op het einde van ons leven afgerekend wordt.”

 

U gelooft dat we dan voor een rechtbank zullen verschijnen?

“Een ‘rechtbank’ is misschien iets te sterk. (lacht) Ik wil zelf op het einde van de rit een goed rapport kunnen voorleggen. Niet alleen aan een ‘opperrechter’, ook aan mijn geliefden. Ik hoef geen tien op tien, maar het zou fijn zijn om mijn naasten te horen zeggen: ‘Je hebt je best gedaan.’”

 

© Jan Stevens